Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 16 januari 2019 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Afsluiting van de rekeningen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) voor het begrotingsjaar 2016
 Overeenkomst EU-Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst (resolutie)
 Overeenkomst EU-Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst ***
 Overeenkomst EU-China in verband met de WTO-procedure voor geschillenbeslechting DS492 – Maatregelen die van invloed zijn op tariefconcessies voor bepaalde pluimveevleesproducten ***
 Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) ***I
 Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) ***I
 Specifieke bepalingen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ***I
 Verdeling van de in de WTO-lijst van de Unie opgenomen tariefcontingenten na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU ***I
 Toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden
 Vaststelling van een specifiek financieel programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval *
 Uitvoering van de handelspijler van de associatieovereenkomst met Midden-Amerika
 Vaststelling van het InvestEU-programma ***I
 EU-noodreisdocument *
 Het programma voor onderzoek en opleiding van Euratom 2021-2025 *
 Jaarverslag 2017 van de Europese Centrale Bank
 Bankenunie - jaarverslag 2018
 Uitvoering van de handelsovereenkomst tussen de EU en Colombia en Peru
 Situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2017

Afsluiting van de rekeningen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) voor het begrotingsjaar 2016
PDF 114kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2016 (2018/2938(RSP))
P8_TA(2019)0015B8-0052/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2016, vergezeld van het antwoord van het Bureau(1),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2016 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd(2), overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 20 februari 2018 betreffende de aan het Bureau te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2016 (05941/2018 – C8-0087/2018),

–  gezien zijn besluit van 18 april 2018(3) tot uitstel van het kwijtingsbesluit voor het begrotingsjaar 2016, en het antwoord van de uitvoerend directeur van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken,

–  gezien zijn besluit van 24 oktober 2018(4) tot weigering kwijting te verlenen aan de uitvoerend directeur van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2016,

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EU) nr. 439/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 tot oprichting van een Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken(6), en met name artikel 36,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(7), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en artikel 5, lid 2, onder a), tweede alinea, van bijlage IV bij het Reglement,

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken voor het begrotingsjaar 2016;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de uitvoerend directeur van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 79.
(2) PB C 417 van 6.12.2017, blz. 79.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0140.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0406.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) PB L 132 van 29.5.2010, blz. 11.
(7) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


Overeenkomst EU-Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst (resolutie)
PDF 145kWORD 54k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (10593/2018 – C8-0463/2018 – 2018/0256M(NLE))
P8_TA(2019)0016A8-0478/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10593/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), i), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0463/2018),

–  gezien de Euro-Mediterrane overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds,

–  gezien de overeenkomst tussen Marokko en de EU over wederzijdse liberalisatiemaatregelen inzake landbouw- en visserijproducten, ook wel de liberaliseringsovereenkomst, die in werking is getreden op 1 september 2013,

–  gezien de uitspraak van het Gerecht in zaak T-512/12 van 10 december 2015,

–  gezien de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) (zaak C-104/16 P) van 21 december 2016,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 11 juni 2018 (SWD(2018)0346), dat bij het voorstel voor een besluit van de Raad is gevoegd,

–  gezien het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969 en de artikelen 34 en 36 daarvan,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal aan de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties over de situatie in de Westelijke Sahara (S/2018/277),

–  gezien de resolutie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties 2414 (2018) over de situatie in de Westelijke Sahara (S/RES/2414 (2018)),

–  gezien het Handvest van de Verenigde Naties, met name artikel 73 in Hoofdstuk XI betreffende niet-zelfbesturende gebieden,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name titel V, hoofdstuk I, artikel 21, lid 1,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 218, lid 6, onder a),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 16 januari 2019(1) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie visserij (A8-0478/2018),

A.  overwegende dat de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko historische betrekkingen hebben, een nauwe samenwerking onderhouden die is opgebouwd in het kader van een veelomvattend partnerschap dat politieke, economische en sociale aspecten omvat, gesterkt door de geavanceerde status en de bereidheid van beide partijen om deze verder te ontwikkelen;

B.  overwegende dat de liberaliseringsovereenkomst tussen de EU en Marokko op 1 september 2013 in werking is getreden; overwegende dat op 19 november 2012 het Front Polisario de overeenkomst heeft voorgelegd aan het HvJ-EU met als argument dat de toepassing van de overeenkomst op het grondgebied van de Westelijke Sahara in strijd is met het internationaal recht;

C.  overwegende dat op 10 december 2015 het Gerecht het besluit van de Raad inzake de sluiting van de liberaliseringsovereenkomst nietig heeft verklaard; overwegende dat de Raad op 19 februari 2016 unaniem tegen dit arrest beroep heeft ingesteld;

D.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 21 december 2016 heeft bepaald dat de liberaliseringsovereenkomst geen rechtsgrondslag bevat op grond waarvan de Westelijke Sahara tot de werkingssfeer van de overeenkomst behoort en derhalve niet van toepassing kan zijn op dit gebied;

E.  overwegende dat punt 106 van het arrest bepaalt dat het volk van de Westelijke Sahara moet worden beschouwd als een "derde" in de zin van het beginsel van de relatieve werking van verdragen, wiens toestemming vereist is voor de uitvoering van de overeenkomst op het grondgebied; overwegende dat derhalve de werkingssfeer van deze overeenkomst zich niet uitstrekt tot het grondgebied van de Westelijke Sahara bij gebrek aan een dergelijke toestemming;

F.  overwegende dat ondernemingen nog steeds uit de Westelijke Sahara kunnen uitvoeren naar de Europese Unie, maar dat sinds 21 december 2016 geen tariefpreferenties meer van toepassing zijn op uit dit gebied afkomstige producten;

G.  overwegende dat er onvoldoende informatie beschikbaar is op grond waarvan de EU-douaneautoriteiten kunnen bepalen of de uit Marokko uitgevoerde producten afkomstig zijn uit de Westelijke Sahara, en daardoor het arrest van het HvJ-EU niet kan worden nageleefd;

H.  overwegende dat de Raad, na het arrest van het HvJ-EU, de Commissie een mandaat heeft verleend om de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane associatieovereenkomst te wijzigen teneinde opneming van producten uit de Westelijke Sahara mogelijk te maken; overwegende dat de opneming ervan per definitie enige vorm van traceerbaarheid vereist om dergelijke producten te identificeren;

I.  overwegende dat het essentieel is om te waarborgen dat de overeenkomst in overeenstemming is met het arrest van het HvJ-EU in zaak C-104/16 P van 21 december 2016;

J.  overwegende dat de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) in Brussel en Rabat gekozen functionarissen en verscheidene vertegenwoordigers en organisaties van het maatschappelijk middenveld uit het niet-zelfbesturende grondgebied van de Westelijke Sahara hebben geraadpleegd;

K.  overwegende dat het Parlement het noodzakelijk acht om de situatie ter plaatse zelf te evalueren en inzicht te krijgen in de verschillende opvattingen die onder de bevolking leven; overwegende dat het Parlement herinnert aan de conclusies van het studiebezoek van de Commissie internationale handel (INTA) aan het gebied op 2 en 3 september 2018;

L.  overwegende dat de wijziging van de liberaliseringsovereenkomst in een bredere politieke en geopolitieke context plaatsvindt;

M.  overwegende dat na het einde van de Spaanse kolonisatie van de Westelijke Sahara het gebied al meer dan veertig jaar onderwerp is van een conflict;

N.  overwegende dat de Westelijke Sahara door de Verenigde Naties wordt beschouwd als een niet-gedekoloniseerd gebied;

O.  overwegende dat resolutie 2440 (2018) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties het mandaat van Minurso met nog eens zes maanden heeft verlengd;

P.  overwegende dat de EU en haar lidstaten de soevereiniteit van Marokko over het grondgebied van de Westelijke Sahara niet erkennen; overwegende dat de Verenigde Naties en de Afrikaanse Unie Front Polisario erkennen als de vertegenwoordiger van de bevolking van de Westelijke Sahara;

Q.  overwegende dat de Verenigde Naties de Westelijke Sahara beschouwt als een niet-zelfbesturend gebied in de zin van artikel 73 van het Handvest;

1.  herinnert eraan dat Marokko een bevoorrechte partner van de EU in het zuidelijk nabuurschap is, waarmee de EU een sterk, strategisch en langdurig partnerschap heeft opgebouwd dat betrekking heeft op politieke, economische en maatschappelijke vraagstukken, evenals op veiligheid en migratie; benadrukt dat Marokko een geavanceerde status is toegekend binnen het Europese nabuurschapsbeleid (ENB);

2.  benadrukt dat het belangrijk is dat deze overeenkomst voorziet in waarborgen wat betreft de eerbiediging van het internationaal recht, met inbegrip van de mensenrechten, en dat de overeenkomst in overeenstemming is met het desbetreffende arrest van het HvJ-EU;

3.  wijst op de verplichting voor de EU en haar lidstaten op grond van artikel 21 van het VEU om de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht na te leven; benadrukt in dit verband dat artikel 2, lid 1, van het Handvest van de Verenigde Naties onder andere betrekking heeft op eerbiediging van het beginsel van zelfbeschikking van volkeren;

4.  herinnert eraan dat het optreden van de Unie op het internationaal toneel krachtens artikel 21 VEU moet worden geleid door de beginselen van de democratie, de rechtsstaat, de universaliteit en de ondeelbaarheid van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en de eerbiediging van de beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties en het internationaal recht;

5.  benadrukt dat deze overeenkomst niet betekent dat de soevereiniteit van Marokko over de Westelijke Sahara, dat momenteel bij de Verenigde Naties als niet-zelfbesturend gebied geregistreerd staat en waarvan grote delen momenteel door het Koninkrijk Marokko worden bestuurd, op welke manier dan ook wordt erkend, en benadrukt dat het standpunt van de EU blijft dat de inspanningen van de VN worden ondersteund om te komen tot een rechtvaardige, duurzame en wederzijds aanvaardbare oplossing voor het conflict in de Westelijke Sahara waarmee wordt voorzien in de zelfbeschikking van het volk van de Westelijke Sahara, overeenkomstig het internationaal recht, het VN-Handvest en de VN-resoluties over deze kwestie; herhaalt dan ook zijn volledige steun aan de persoonlijk gezant van de secretaris-generaal van de VN voor de Westelijke Sahara, de heer Horst Köhler, in zijn inspanningen om de partijen terug naar de onderhandelingstafel van de VN te helpen om tot een dergelijke oplossing te komen; roept de partijen op deze onderhandelingen zonder voorwaarden vooraf en te goeder trouw te hervatten; benadrukt dat de ratificatie van de gewijzigde liberaliseringsovereenkomst tussen de EU en Marokko geen enkel nadelig gevolg mag hebben voor de uitkomst van het vredesproces met betrekking tot de Westelijke Sahara;

6.  hoopt dat de begin december in Genève gehouden bijeenkomst van de bij het conflict betrokken partijen, op initiatief van de Verenigde Naties en met deelname van Algerije en Mauritanië, zal bijdragen tot de hervatting van het vredesproces;

7.  erkent de twee in het arrest van het HvJ-EU gestelde criteria, namelijk dat in de tekst van de overeenkomst de Westelijke Sahara uitdrukkelijk moet worden vermeld en de instemming van de bevolking moet zijn verkregen, alsook het derde door de Raad toegevoegde criterium, namelijk de noodzaak om ervoor te zorgen dat de overeenkomst de plaatselijke bevolking ten goede komt;

8.  benadrukt, zoals wordt verklaard in het verslag van de Commissie, dat alle redelijke en haalbare stappen zijn ondernomen om navraag te doen naar de instemming van de betrokken bevolking door middel van deze inclusieve raadplegingen;

9.  onderstreept dat de Commissie en de EDEO gedurende het gehele raadplegingsproces regelmatig contact onderhielden met het team van de persoonlijk gezant van de secretaris-generaal van de VN voor de Westelijke Sahara;

10.  neemt kennis van de legitieme belangen van de bevolking in het gebied en is van mening dat met het oog op de economische ontwikkeling van het gebied een gerespecteerde en geaccepteerde oplossing moet worden gevonden voor het lopende conflict; is tegelijkertijd ervan overtuigd dat het Sahrawi-volk ook het recht heeft zich in afwachting van een politieke oplossing te ontwikkelen;

11.  stelt vast, op basis van gesprekken met verschillende plaatselijke actoren en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld, dat sommige partijen hun steun aan de overeenkomst betuigen door hun recht op economische ontwikkeling te verdedigen, en andere partijen van mening zijn dat het politieke conflict eerst moet worden opgelost voordat handelspreferenties worden verleend; merkt op dat tijdens inclusieve raadplegingen onder leiding van de Commissie en de EDEO met een reeks organisaties uit de Westelijke Sahara en andere organisaties en organen, er door de meerderheid van de deelnemende partijen steun is uitgedrukt voor de sociaal-economische voordelen van de voorgestelde tariefpreferenties;

12.  wijst erop dat het HvJ-EU in zijn arrest niet heeft verklaard op welke wijze de bevolking haar instemming moet uitdrukken en is dan ook van mening dat er enige onzekerheid blijft bestaan over dit criterium;

13.  erkent dat de overeenkomst kan leiden tot de bevordering van sociale en duurzame ontwikkeling die een essentiële bijdrage levert aan de huidige economische, sociale en ecologische ontwikkeling en de mogelijkheden voor de ontwikkeling van zowel laag- als hooggeschoolde werkgelegenheidskansen ter plaatse; merkt op dat naar schatting circa 59 000 banen exportafhankelijk zijn, hetgeen overeenkomt met circa 10 % van de in het gebied wonende bevolking;

14.  is van mening dat de tariefpreferenties van de EU een positief effect hebben gehad op de sectoren landbouw en visserij en hun exportniveaus in het niet-zelfbesturende gebied van de Westelijke Sahara; verzoekt evenwel zorgvuldig te controleren dat hier sprake is van lokale toegevoegde waarde, dat er lokaal wordt geherinvesteerd en in fatsoenlijke banen voor de lokale bevolking wordt voorzien;

15.  is ervan overtuigd dat, ongeacht de uitkomst van het vredesproces, de lokale bevolking zal profiteren van de economische ontwikkeling en de daaruit voortvloeiende investeringen in infrastructuur, werkgelegenheid, gezondheidszorg en onderwijs;

16.  erkent de bestaande investeringen in diverse sectoren en het streven naar de ontwikkeling van groene technologieën zoals hernieuwbare energie en de installatie voor de ontzilting van zeewater, maar benadrukt dat verdere inspanningen nodig zijn om te zorgen voor meer integratie in alle geledingen van de lokale economie;

17.  erkent de zakelijke initiatieven van Sahrawis, met name die van jonge mensen, onder wie vele vrouwen, en benadrukt hun behoefte aan meer exportmogelijkheden en rechtszekerheid teneinde meer investeringen mogelijk te maken in sectoren met een grote vraag naar werk, zoals landbouw, visserij en infrastructuur;

18.  erkent het strategisch potentieel van de Westelijke Sahara als investeringsknooppunt voor de rest van het Afrikaanse continent;

19.  waarschuwt voor de schadelijke effecten van het niet toepassen van tariefpreferenties voor producten uit het niet-zelfbesturend gebied van de Westelijke Sahara, en het signaal dat hiermee wordt afgegeven aan de jongere generatie die investeert of bereid is te investeren in het gebied, en haar potentieel om het te ontwikkelen; onderstreept het risico dat activiteiten worden verplaatst naar regio's waar van de preferenties kan worden geprofiteerd; merkt op dat de niet-uitvoering van tariefpreferenties volgens de Commissie de economische en sociale situatie van de lokale bevolking in de betrokken gebieden zou kunnen verslechteren;

20.  is ervan overtuigd dat de aanwezigheid van de Europese Unie via onder meer deze overeenkomst de voorkeur verdient boven afschaffing wanneer het gaat om de uitoefening van en het toezicht op de mensenrechten en de individuele vrijheden, en verlangt een doortastende evaluatie en dialoog met Marokko over deze kwesties;

21.  wijst erop dat andere delen van de wereld, die minder waarde hechten aan duurzame ontwikkeling, hoge arbeids- en sociale normen en mensenrechten, uitkijken naar nieuwe handelsmogelijkheden en grotere invloed zullen verkrijgen waar de EU zich terugtrekt;

22.  benadrukt dat de voortdurende betrokkenheid van de EU bij het gebied een positief hefboomeffect zal hebben op de duurzame ontwikkeling ervan;

23.  benadrukt dat rechtszekerheid van essentieel belang is voor het aantrekken van duurzame en langetermijninvesteringen in het gebied en derhalve voor de dynamiek en diversificatie van de lokale economie;

24.  wijst erop dat sinds het arrest van het HvJ-EU de lidstaten geen handelspreferenties kunnen toepassen op producten die uit het niet-zelfbesturend gebied van de Westelijke Sahara afkomstig zijn en dat er aan de rechtsonzekerheid voor de ondernemers een einde is gekomen;

25.  is zich ervan bewust en ernstig bezorgd dat het tot dusver bijzonder moeilijk is gebleken om vast te stellen welke producten worden uitgevoerd uit het niet-zelfbesturend gebied van de Westelijke Sahara;

26.  benadrukt dat een kerncriterium voor instemming met de overeenkomst door het Parlement is dat erop wordt toegezien dat er een mechanisme in werking wordt gesteld waardoor de douaneautoriteiten van de lidstaten toegang hebben tot betrouwbare informatie over producten die afkomstig zijn uit de Westelijke Sahara en in de EU worden ingevoerd, in volledige overeenstemming met de douanewetgeving van de EU; benadrukt dat een dergelijk mechanisme tijdig gedetailleerde en uitgesplitste statistische gegevens over dergelijke uitvoer beschikbaar zal maken; betreurt dat de Commissie en Marokko er lang over hebben gedaan om overeenstemming over een dergelijk mechanisme te bereiken en verzoekt de Commissie van alle beschikbare corrigerende maatregelen gebruik te maken als de tenuitvoerlegging van de overeenkomst niet bevredigend is; dringt er bij de Commissie op aan het Parlement een jaarlijkse beoordeling te doen toekomen van de conformiteit van dit mechanisme met de douanewetgeving van de EU;

27.  benadrukt dat het zonder een geldende overeenkomst waarin een mechanisme is opgenomen dat de identificatie van producten mogelijk maakt, het onmogelijk is te weten of en hoeveel producten afkomstig uit het niet-zelfbesturende gebied van de Westelijke Sahara op de Europese markt terechtkomen;

28.  benadrukt dat de tenuitvoerlegging van de tussen de EU en Marokko overeengekomen regeling van jaarlijkse wederzijdse uitwisseling van informatie en statistische gegevens met betrekking tot de producten die vallen onder de dekking van de briefwisseling, noodzakelijk is om de reikwijdte van de overeenkomst en de impact ervan op ontwikkeling en plaatselijke bevolkingsgroepen te evalueren;

29.  roept de Commissie en de EDEO ertoe op om nauwlettend toe te zien op de uitvoering en de resultaten van de overeenkomst en van hun bevindingen stelselmatig verslag uit te brengen aan het Parlement;

30.  dringt er bij de Commissie op aan manieren te onderzoeken waarbij in de toekomst op doeltreffende wijze handelspreferenties kunnen worden verstrekt aan alle mensen die in de Westelijke Sahara leven;

31.  herinnert eraan dat de EU en Marokko, zoals vastgesteld in de oorspronkelijke overeenkomst die in 2012 is gesloten, hebben onderhandeld over een ambitieuze en alomvattende overeenkomst inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten, waarin is bepaald dat Marokko de volledige lijst van geografische aanduidingen van de EU moet beschermen; brengt eveneens in herinnering dat de in 2015 ingeleide procedure voor de sluiting van de overeenkomst is opgeschort ten gevolge van het arrest van het Hof van 21 december 2016; verzoekt de EU en Marokko die procedure onmiddellijk te hervatten en snel terug te keren naar de DCFTA-onderhandelingen;

32.  herinnert aan de bijzonder grote gevoeligheid voor de Europese tuinbouwsector van bepaalde uitvoer van groenten en fruit uit Marokko naar de Unie waarvoor preferenties gelden die worden verleend bij de overeenkomst van 8 maart 2012 betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer van landbouwproducten, verwerkte landbouwproducten, vis en visserijproducten;

33.  benadrukt dat de toegang van alle derde landen tot de interne markt van de EU afhankelijk moet worden gesteld van de inachtneming van de sanitaire, fytosanitaire, traceerbaarheids- en milieuregels en -normen van de EU;

34.  vraagt de Commissie om bevordering van equivalente maatregelen en controles tussen Marokko en de Europese Unie op het gebied van sanitaire, fytosanitaire, traceerbaarheids- en milieunormen en van regels inzake oorsprongsetikettering, teneinde een eerlijke concurrentie tussen de twee markten te waarborgen;

35.  herinnert eraan dat de bijgewerkte overeenkomst de tariefcontingenten en de regeling voor preferentiële invoer zoals eerder overeengekomen niet wijzigt en slechts het geografische toepassingsgebied van de overeenkomst verduidelijkt voor de Europese producenten;

36.  wenst er de aandacht op te vestigen dat de uitvoer van groenten en fruit naar de Unie waarvoor preferenties gelden uit hoofde van de overeenkomst in kwestie (namelijk tomaten en meloenen) gedeeltelijk afkomstig is van het grondgebied van de Westelijke Sahara en dat er ambitieuze projecten bestaan om deze productie en uitvoer nog uit te breiden;

37.  neemt desondanks kennis van de verduidelijking die deze nieuwe overeenkomst heeft aangebracht en hoopt dat deze overeenkomst voortaan een stabiel en onbetwistbaar kader kan bieden voor de betrekkingen tussen de partijen bij deze overeenkomst en voor de betrokken marktdeelnemers aan weerszijden van de Middellandse Zee;

38.  merkt op dat de gevoelige landbouwproducten in het oog moeten worden gehouden en dat een strikte toepassing van de quota noodzakelijk is, wil de overeenkomst evenwichtig functioneren; herinnert eraan dat artikel 7 van Protocol nr. 1 van de overeenkomst van 2012 een vrijwaringsclausule bevat op grond waarvan het mogelijk is passende maatregelen te nemen indien verhoogde invoer van gevoelige landbouwproducten uit hoofde van de overeenkomst ernstige problemen veroorzaakt op de markt en/of de desbetreffende productiesector ernstig schaadt; spreekt de wens uit dat de preferentiële invoer van gevoelige landbouwproducten uit Marokko en de Westelijke Sahara in de Unie aan passend en alomvattend toezicht door de Commissie onderworpen zal zijn en dat de Commissie bereid blijft zo nodig onverwijld gebruik te maken van bovenvermelde clausule;

39.  neemt nota van het feit dat de EU-vaartuigen die in de betrokken wateren actief zijn, wettelijk verplicht zijn een volgsysteem voor vaartuigen (VMS) mee te voeren en dat de positie van een vaartuig aan de Marokkaanse autoriteiten moet worden meegedeeld, zodat het perfect mogelijk is de vaartuigen te volgen en te registreren waar hun visserijactiviteiten plaatsvinden;

40.  roept de EU ertoe op zich meer in te zetten voor de bevordering van regionale samenwerking tussen de Maghreb-landen, die alleen kan leiden tot enorme positieve gevolgen voor de regio en daarbuiten;

41.  wijst op de strategische noodzaak voor de EU om meer te werken met de Maghreb-landen en de banden met deze landen te ontwikkelen; ziet de uitbreiding van de associatieovereenkomst binnen deze context als een logisch onderdeel van deze strategie;

42.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0017.


Overeenkomst EU-Marokko over de wijziging van de Protocollen nrs. 1 en 4 bij de Euro-mediterrane overeenkomst ***
PDF 114kWORD 45k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, tot wijziging van de bijlagen bij de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (10593/2018 – C8-0463/2018 – 2018/0256(NLE))
P8_TA(2019)0017A8-0471/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10593/2018),

–  gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds, tot wijziging van de bijlagen bij de Protocollen nrs. 1 en 4 van de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Koninkrijk Marokko, anderzijds (10597/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), i), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0463/2018),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 16 januari 2019(1) over het voorstel voor een besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0471/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en Marokko.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0016.


Overeenkomst EU-China in verband met de WTO-procedure voor geschillenbeslechting DS492 – Maatregelen die van invloed zijn op tariefconcessies voor bepaalde pluimveevleesproducten ***
PDF 114kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China in verband met DS492 Europese Unie – Maatregelen die van invloed zijn op tariefconcessies voor bepaalde pluimveevleesproducten (10882/2018 – C8-0496/2018 – 2018/0281(NLE))
P8_TA(2019)0018A8-0472/2018

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10882/2018),

–  gezien de ontwerpovereenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China in verband met WTO-procedure voor geschillenbeslechting DS492 Europese Unie – Maatregelen die van invloed zijn op tariefconcessies voor bepaalde pluimveevleesproducten (10883/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, eerste alinea, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0496/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8‑0472/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Volksrepubliek China.


Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) ***I
PDF 280kWORD 88k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over het voorstel voor een Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) (COM(2018)0380 – C8-0231/2018 – 2018/0202(COD))
P8_TA(2019)0019A8-0445/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0380),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 175, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0231/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018 (2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de adviezen van de Commissie internationale handel, de Begrotingscommissie, de Commissie begrotingscontrole en de Commissie regionale ontwikkeling, en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0445/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op xx januari 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) transitie (EFT) [Am. 1. Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst]

P8_TC1-COD(2018)0202


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 175, derde alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Bij de uitvoering van de fondsen moeten de in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en in artikel de artikelen 9 en  10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) neergelegde horizontale beginselen, met inbegrip van de in artikel 5 VEU neergelegde beginselen van subsidiariteit en evenredigheid, worden geëerbiedigd, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Overeenkomstig artikel 8 VWEU moeten de lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen, het genderperspectief te integreren en discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid te bestrijden. De doelstellingen van de fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel "de vervuiler betaalt" wordt toegepast. [Am. 2]

(2)  Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten(6) afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid worden op de huidige en toekomstige uitdagingen van de globalisering en digitalisering, door groei inclusiever te maken en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, en sociale bescherming en inclusie. De Europese pijler van sociale rechten fungeert als overkoepelende leidraad voor het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering transitie (EFG) (EFT) en stelt de Unie in staat de toepasselijke beginselen in de praktijk te brengen in het geval van grote herstructureringen.

(3)  Op 20 juni 2017 heeft de Raad de reactie van de Unie(7) op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN)(8), "Een duurzame Europese toekomst", bekrachtigd. De Raad onderstreept hoe belangrijk het is om duurzame ontwikkeling te bereiken in al haar drie dimensies (economisch, sociaal en milieu), en om dit op een evenwichtige en geïntegreerde wijze te doen. Het is cruciaal dat duurzame ontwikkeling integraal deel gaat uitmaken van het beleidskader van de EU en dat de Unie ambitieus beleid voert om wereldwijde uitdagingen aan te pakken. De Raad verwelkomde de mededeling van de Commissie "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" van 22 november 2016 als een eerste stap naar het integreren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en het centraal stellen van duurzame ontwikkeling in alle beleidsdomeinen van de Unie, ook via haar financieringsinstrumenten.

(4)  In februari 2018 heeft de Commissie haar mededeling "Een nieuw, modern meerjarig financieel kader voor een Europese Unie die efficiënt haar prioriteiten verwezenlijkt na 2020"(9) vastgesteld. In de mededeling wordt onderstreept dat de Uniebegroting eveneens de unieke sociale markteconomie van Europa moet ondersteunen. Daarom zal het van het grootste belang zijn om de werkgelegenheidskansen te verbeteren en de knelpunten op het gebied van vaardigheden aan te pakken, in het bijzonder ook die welke verband houden met de digitalisering, de automatisering en de overgang naar een hulpbronnenefficiënte economie, met volledige inachtneming van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering, die in 2015 is gesloten na afloop van de 21e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering. Budgettaire flexibiliteit moet een belangrijk beginsel zijn van het volgende meerjarig financieel kader. De flexibiliteitsmechanismen moeten worden behouden om de Unie in staat te stellen tijdiger te reageren op onvoorziene gebeurtenissen en ervoor te zorgen dat de begrotingsmiddelen worden gebruikt waar zij het hardst nodig zijn. [Am. 3]

(5)  In haar "Witboek over de toekomst van Europa"(10) uit de Commissie haar bezorgdheid over isolationistische bewegingen, toenemende twijfels over de voordelen van open handel en de sociale markteconomie van de Unie in het algemeen.

(6)  In haar "discussienota over het in goede banen leiden van de mondialisering"(11) wijst de Commissie de combinatie van handelsgerelateerde globalisering en technologische verandering aan als de belangrijkste factor voor een stijgende vraag naar geschoolde arbeidskrachten en een verminderd aantal banen waarvoor lagere kwalificaties vereist zijn. Niettegenstaande de over het algemeen aanzienlijke Hoewel de voordelen van meer open handel en de verdere integratie van de wereldeconomieën, moeten deze worden erkend, moeten er passende manieren worden gevonden om de negatieve neveneffecten worden aangepakt ervan aan te pakken. Aangezien de huidige voordelen van globalisering reeds ongelijk verdeeld zijn over mensen en regio's, wat een zeer grote impact heeft voor diegenen voor wie globalisering negatieve gevolgen heeft, bestaat het gevaar dat de steeds sneller evoluerende technologische vooruitgang technologische en milieuveranderingen deze gevolgen nog zal zullen versterken. Daarom zal het, in overeenstemming met de beginselen van solidariteit en duurzaamheid, noodzakelijk zijn ervoor te zorgen dat de voordelen van globalisering billijker worden verdeeld door . Door middel van de structuurfondsen van de Unie, zoals het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+), moet sterker worden geanticipeerd op de algehele negatieve gevolgen van de globalisering en de technologische en milieugerelateerde transities, om zo de economische omgeving en de arbeidsmarkt beter aan te passen door economische openheid groei en technologische vooruitgang te verzoenen met passende sociale bescherming. [Am. 4]

(7)  In haar "discussienota over de toekomst van de EU-financiën"(12) onderstreept de Commissie de noodzaak om economische en sociale verschillen tussen en binnen de lidstaten te verkleinen. Investeren in duurzame ontwikkeling, gelijke behandeling, sociale inclusie, onderwijs en opleiding en gezondheid is daarom een kernprioriteit. [Am. 5]

(8)  De klimaatverandering, globalisering en technologische veranderingen zullen de onderlinge verwevenheid en afhankelijkheid van de wereldeconomieën wellicht nog versterken. Herverdeling van arbeid maakt integraal en onvermijdelijk deel uit van een dergelijke economische verandering. Indien de voordelen van verandering op billijke wijze moeten worden verdeeld, is steun verlenen aan ontslagen werknemers en personen die het risico lopen te worden ontslagen van cruciaal belang. De belangrijkste instrumenten van de Unie om steun te verlenen aan getroffen werknemers zijn het ESF+, dat is opgezet om anticiperende bijstand te bieden, en het EFT, dat is opgezet om reactieve steun te verlenen in het geval van onverwachte grote herstructureringen. Het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering(13) is het beleidsinstrument van de Unie dat het kader vaststelt voor beste praktijken voor anticipatie op en omgang met bedrijfsherstructurering. Het biedt een uitgebreid kader voor de wijze waarop de uitdagingen van economische aanpassing en herstructurering en de sociale gevolgen en de gevolgen voor de werkgelegenheid daarvan moeten worden aangepakt met adequate beleidsmiddelen. In het kader worden de lidstaten opgeroepen om op zodanige wijze gebruik te maken van nationale en EU-financiering dat de sociale gevolgen van herstructureringen, en met name de negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid, beter kunnen worden opgevangen. De belangrijkste instrumenten van de Unie om steun te verlenen aan getroffen werknemers zijn het ESF+, dat is opgezet om anticiperende bijstand te bieden, en het EFG, dat is opgezet om reactieve steun te verlenen in geval van onverwachte grote herstructureringen. [Am. 6]

(9)  Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) is opgericht bij Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad(14) voor het meerjarig financieel kader van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2013 om de Unie in staat te stellen solidariteit te betonen met werknemers die worden ontslagen als gevolg van door de globalisering veroorzaakte grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen.

(10)  In het kader van het Europees economisch herstelplan is het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1927/2006 in 2009 bij Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad(15) uitgebreid tot werknemers die worden ontslagen als rechtstreeks gevolg van de wereldwijde financiële en economische crisis.

(11)  Voor de looptijd van het meerjarig financieel kader van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020 is bij Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad(16) het toepassingsgebied uitgebreid zodat niet alleen ontslagen eronder vallen die voortvloeien uit een ernstige economische ontwrichting, veroorzaakt doordat de in Verordening (EG) nr. 546/2009 behandelde wereldwijde financiële en economische crisis aanhoudt, maar ook ontslagen die voortvloeien uit een eventuele nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis.

(11 bis)  Het EFT-programma moet zichtbaar zijn en er moeten meer en betere gegevens worden verstrekt, teneinde een deugdelijke wetenschappelijke beoordeling van het EFT mogelijk te maken en administratieve beperkingen bij de uitvoering van het programma voor bijstand bij de aanpassing van handel te voorkomen. [Am. 7]

(12)  De Commissie heeft een tussentijdse evaluatie van het EFG uitgevoerd om te beoordelen hoe en in welke mate de doelstellingen van het EFG worden bereikt. Het EFG bleek doeltreffend, met een hoger herintredingspercentage van ontslagen werknemers dan in de vorige programmeringsperiode. Uit de evaluatie is gebleken dat het EFG voor Europese meerwaarde zorgde. Dit geldt met name voor de volume-effecten ervan, wat betekent dat de EFG-steun niet alleen het aantal en de verscheidenheid van de aangeboden diensten verhoogt, maar ook het intensiteitsniveau ervan. Bovendien zijn EFG-maatregelen zeer zichtbaar en tonen zij de meerwaarde van EU-steun rechtstreeks aan het grote publiek. Er werden echter verschillende uitdagingen vastgesteld. Enerzijds werd de procedure voor beschikbaarstelling als overdreven lang beschouwd. Daarnaast hebben veel lidstaten melding gemaakt van problemen bij het opstellen van de uitgebreide achtergrondanalyse van de gebeurtenis die aanleiding gaf tot de gedwongen ontslagen. De belangrijkste reden die lidstaten met een potentieel EFG-dossier ervan weerhoudt een aanvraag in te dienen, zijn problemen op het vlak van financiële en institutionele capaciteit. Daarbij kan het louter gaan om een tekort aan arbeidskrachten — momenteel kunnen de lidstaten slechts om technische bijstand verzoeken wanneer zij een EFG-dossier uitvoeren. Aangezien gedwongen ontslagen onverwacht kunnen plaatsvinden, zou het belangrijk zijn dat de lidstaten in staat zijn om onmiddellijk te reageren en zonder vertraging een aanvraag kunnen indienen. Verder lijken in bepaalde lidstaten zwaardere inspanningen nodig voor het opbouwen van institutionele capaciteit om te zorgen voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van EFG-dossiers. De drempel van 500 ontslagen kreeg kritiek omdat hij te hoog wordt geacht, in het bijzonder in minder bevolkte gebieden(17).

(13)  De Commissie onderstreept het blijvende belang van de rol van het EFG EFT als een flexibel fonds om werknemers die bij grootschalige herstructureringen hun baan verliezen, te ondersteunen en te helpen zo snel mogelijk een nieuwe baan te vinden. De Unie moet specifieke, eenmalige steun blijven verlenen om werknemers in door een ernstige economische ontwrichting getroffen regio's, bedrijfstakken, gebieden of arbeidsmarkten te helpen bij hun terugkeer op de arbeidsmarkt in een hoogwaardig en duurzaam dienstverband. Gezien de wisselwerking tussen en de wederzijdse effecten van open handel, technologische veranderingen, digitalisering en automatisering of andere factoren, zoals de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie of de overgang naar een koolstofarme economie, en aangezien het bijgevolg steeds moeilijker wordt om een specifieke factor aan te wijzen die leidt tot ontslagen, moet de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG EFT in de toekomst niet enkel gebaseerd zijn op de ingrijpende gevolgen van een herstructurering. Gezien het doel van het EFG EFT, namelijk steun te verlenen in spoedeisende situaties en onverwachte omstandigheden, waarmee het een aanvulling is op de meer anticipatieve bijstand van het ESF+, moet het een flexibel en speciaal instrument buiten de maxima van het meerjarig financieel kader blijven, zoals in de mededeling van de Commissie "Een moderne begroting voor een Unie die ons beschermt, sterker maakt, en verdedigt: Het meerjarig financieel kader 2021 – 2027" en de bijlage(18) erbij is vermeld. [Ams. 8 en 97]

(13 bis)  In zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader en eigen middelen handhaafde het Parlement zijn ferme standpunt met betrekking tot het vereiste niveau van financiering voor essentiële beleidsmaatregelen van de Unie binnen het MFK 2021-2027, teneinde ervoor te zorgen dat de opdracht en de doelstellingen ervan kunnen worden verwezenlijkt. Het Parlement riep in het bijzonder ertoe op de specifieke MFK-financiering voor kmo's en de aanpak van de jeugdwerkloosheid te verdubbelen, was ingenomen met diverse voorstellen ter verbetering van de huidige bepalingen, met name de verhoogde toewijzingen voor speciale instrumenten, en verklaarde voornemens te zijn indien nodig over aanvullende verbeteringen te onderhandelen. [Am. 9]

(14)  Zoals aangegeven moet, om het Europese karakter van het EFG EFT te handhaven, een aanvraag voor steun worden ingediend wanneer een grote herstructurering een zeer grote impact heeft op de lokale of regionale economie. Dergelijke impact moet worden bepaald door een minimumaantal ontslagen binnen een specifieke referentieperiode. Rekening houdend met de bevindingen van de tussentijdse evaluatie, moet de drempel worden vastgesteld op 250 200 ontslagen binnen een referentieperiode van vier maanden (of zes maanden in sectordossiers) de respectievelijke referentieperioden. Rekening houdend met het feit dat ontslaggolven die in verschillende sectoren in dezelfde regio plaatsvinden een even grote impact hebben op de lokale arbeidsmarkt, moet het ook mogelijk zijn een aanvraag in te dienen voor een regio. Op kleine arbeidsmarkten, zoals kleine lidstaten of afgelegen gebieden, met inbegrip van de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden, of in uitzonderlijke omstandigheden, zou moet er een aanvraag kunnen worden ingediend in geval van een geringer aantal ontslagen. [Am. 10]

(14 bis)  Het EFT moet ernaar streven, met inachtneming van het beginsel van subsidiariteit en rekening houdend met de noodzaak van een aanzienlijke impact van de herstructurering als drempel voor een EFT-aanvraag, om solidariteit te tonen met de ontslagen werknemers van alle soorten ondernemingen, ongeacht de omvang ervan. [Am. 11]

(14 ter)  Het EFT moet een speciaal EU-instrument blijven, waarmee wordt gereageerd op situaties die grote herstructureringen teweegbrengen op de Europese arbeidsmarkt. De Unie moet echter blijven zoeken naar duurzamere manieren om de structurele veranderingen en problemen aan te pakken die de arbeidsmarkt treffen en dergelijke gebeurtenissen in de lidstaten tot gevolg hebben. [Am. 12]

(15)  Als blijk van de solidariteit van de Unie met ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, moet het medefinancieringspercentage van de kosten van het pakket van individuele dienstverlening gelijk zijn aan het medefinancieringspercentage van het ESF+ in de respectieve betrokken lidstaat.

(16)  Het deel van de begroting van de Unie dat aan het EFG EFT wordt toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd onder gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [number of the new Financial Regulation] van het Europees Parlement en de Raad(19) ("het Financieel Reglement"). Bijgevolg nemen de Commissie en de lidstaten de in het Financieel Reglement vermelde beginselen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie, in acht bij de uitvoering van het EFG EFT onder gedeeld beheer.

(17)  Het Europees waarnemingscentrum voor het veranderingsproces, dat is ondergebracht bij de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound) in Dublin, staat de Commissie en de lidstaten bij de beoordeling van trends in op het gebied van de globalisering en technologische en milieuveranderingen, van herstructureringen en van de aanwending van het EFG EFT bij met kwalitatieve en kwantitatieve analyses. Dergelijke analyses moeten voldoende uitgesplitste gegevens omvatten, met name naar geslacht uitgesplitste gegevens, teneinde genderongelijkheden doelmatiger te kunnen bestrijden. [Am. 13]

(17 bis)  De Europese herstructureringsmonitor (ERM) van Eurofound houdt met behulp van een netwerk van nationale correspondenten real-time toezicht op de verslaglegging van grootschalige herstructureringen in de gehele Unie. De ERM is uiterst relevant voor het EFT en zou zijn werkzaamheden moeten ondersteunen, met name door te helpen met het vroegtijdig in kaart brengen van situaties waarin mogelijk moet worden ingegrepen. [Am. 14]

(18)  Ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, moeten, ongeacht hun arbeidsovereenkomst of -verhouding, op voet van gelijkheid toegang hebben tot het EFG EFT. Daarom moeten zowel ontslagen werknemers, ongeacht de aard en duur van hun arbeidsverhouding, als zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, als mogelijke EFG-EFT-begunstigden in de zin van deze verordening worden beschouwd. [Am. 15]

(19)  Financiële bijdragen uit het EFG EFT moeten in de eerste plaats gericht zijn op actieve arbeidsmarktmaatregelen en individuele diensten die een snelle en duurzame terugkeer van de begunstigden op de arbeidsmarkt beogen in een hoogwaardig en duurzaam dienstverband binnen een toekomstgerichte sector, binnen of buiten de sector waar zij oorspronkelijk werkzaam waren, maar moeten daarnaast ook zelfstandig ondernemerschap en het oprichten van ondernemingen en coöperaties stimuleren. De maatregelen moeten de verwachte toekomstige behoeften van de lokale of regionale arbeidsmarkt weerspiegelen. Waar nodig moet echter ook de mobiliteit van ontslagen werknemers worden ondersteund om hen te helpen elders een nieuwe baan te vinden. Bijzondere aandacht moet worden geschonken aan de verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk, en aan de uitbanning, waar nodig, van genderstereotypen op de arbeidsmarkt. Er moeten beperkingen worden gesteld aan het opnemen van geldelijke toelagen in een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening. De geldelijke toelagen moeten een aanvulling vormen op, en mogen dus niet in de plaats komen van eventuele maatregelen die op lidstaten en/of ondernemingen rusten uit hoofde van het nationaal recht of collectieve overeenkomsten. Bedrijven zouden kunnen moeten worden aangemoedigd om deel te nemen aan de nationale medefinanciering van de door het EFG EFT gesteunde maatregelen. [Am. 16]

(19 bis)  Bij de uitvoering en het ontwerp van een gecoördineerd pakket van individuele diensten gericht op bevordering van de herintegratie van de beoogde begunstigden, moeten de lidstaten de doelstellingen van de Digitale agenda en de strategie voor een digitale eengemaakte markt beter en gerichter benutten, met als uiteindelijk doel de aanzienlijke genderkloof binnen de ICT‑en STEM-sector (exacte wetenschappen, technologie, technische wetenschappen en wiskunde) te dichten en de omscholing en herkwalificatie van vrouwen binnen deze sectoren te bevorderen. Daarnaast moeten de lidstaten bij de uitvoering en het ontwerp van een gecoördineerd pakket van individuele diensten zien te vermijden dat, binnen die industrieën en sectoren waar dit van oudsher het geval is, het ene geslacht de overhand heeft. Een betere vertegenwoordiging van het minder vertegenwoordigde geslacht in diverse sectoren, zoals de financiële wereld en de ICT- en STEM-sector, zou de loon- en pensioenkloof tussen mannen en vrouwen helpen dichten. [Am. 17]

(20)  Bij de opstelling van het gecoördineerde pakket van actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen moeten de lidstaten de voorkeur geven aan maatregelen die in aanzienlijke mate zullen bijdragen tot de inzetbaarheid van de begunstigden. De lidstaten moeten ernaar streven dat zo spoedig mogelijk binnen de termijn van zes zeven maanden voor de datum waarop het eindverslag over de uitvoering van de financiële bijdrage moet worden ingediend, zoveel mogelijk alle begunstigden die aan deze maatregelen deelnemen in een hoogwaardig en duurzaam dienstverband op de arbeidsmarkt terugkeren. Bij de opstelling van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening moet, in voorkomend geval, rekening worden gehouden met de achterliggende oorzaken van de ontslagen en worden vooruitgelopen op de toekomstperspectieven van de arbeidsmarkt en de dan benodigde vaardigheden. Het gecoördineerde pakket moet aansluiten bij de overgang naar een klimaatvriendelijke en hulpbronnenefficiënte economie. [Am. 18]

(21)  Bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van actieve arbeidsmarktbeleidsmaatregelen moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan kansarme begunstigden, onder wie mensen met een handicap, mensen met familieleden te hunnen laste, jongere en oudere werklozen, mensen met een laag opleidingsniveau, mensen met een migrantenachtergrond en mensen die risico lopen op armoede, aangezien die groepen specifieke problemen ondervinden om terug te keren naar de arbeidsmarkt. Desondanks moeten de beginselen van gendergelijkheid en non-discriminatie, die tot de kernwaarden van de Unie behoren en in de Europese pijler van sociale rechten zijn verankerd, bij de uitvoering van het EFG EFT in acht worden genomen en worden bevorderd. [Am. 19]

(21 bis)  Tussen maart 2007 en maart 2017 heeft de Commissie 148 aanvragen voor medefinanciering uit het EFG ontvangen uit 21 lidstaten, voor een totaalbedrag van bijna 600 miljoen EUR, om steun te verlenen aan 138 888 ontslagen werknemers en 2 944 personen die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen (NEET's). [Am. 20]

(22)  Met het oog op een doeltreffende en snelle ondersteuning van de begunstigden moeten de lidstaten alles in het werk stellen zo snel mogelijk om volledige aanvragen voor een financiële bijdrage uit het EFG EFT in te dienen en moeten de EU-instellingen al het mogelijke doen om een snelle beoordeling van de aanvragen te waarborgen. Indien de Commissie om aanvullende informatie verzoekt voor de beoordeling van een aanvraag, moet het verstrekken van aanvullende informatie worden beperkt in de tijd. [Am. 21]

(22 bis)  Om de uitvoering en de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening te bevorderen moet er meer ruchtbaarheid worden gegeven aan het EFT en de mogelijkheden ervan, in het bijzonder op het niveau van de relevante instanties in de lidstaten. [Am. 22]

(22 ter)  De Commissie moet de toegang tot nationale en regionale autoriteiten vergemakkelijken door middel van een specifieke helpdesk die algemene informatie verstrekt en uitleg geeft over de procedures en over de manier waarop een aanvraag moet worden ingediend. Met het oog op statistieken en verdere analyse moet deze helpdesk standaardformulieren beschikbaar stellen. [Am. 23]

(23)  In het belang van de begunstigden en van de organen die bevoegd zijn voor de uitvoering van de maatregelen, moet de aanvragende lidstaat alle betrokkenen bij de aanvraagprocedure, op de hoogte houden van de behandeling van de aanvraag en gedurende het gehele uitvoeringsproces betrokken houden. [Am. 24]

(24)  Conform het beginsel van goed financieel beheer mogen kunnen de financiële bijdragen uit het EFG niet in de plaats komen van, maar moeten zij zo mogelijk eerder een aanvulling vormen op steunmaatregelen die voor de begunstigden in het kader van de fondsen van de Unie of in het kader van ander beleid of van andere programma's van de Unie beschikbaar zijn. Evenmin kan de financiële bijdrage van het EFT in de plaats komen van nationale maatregelen of maatregelen waarvoor de bedrijven die de werknemers ontslaan, verantwoordelijk zijn op grond van het nationaal recht en collectieve overeenkomsten. Zij moet daarentegen zorgen voor reële Europese meerwaarde. [Am. 25]

(25)  In het licht van het beginsel van gelijkheid moeten de lidstaten binnen hun gehele grondgebied, met inbegrip van plattelandsgebieden, zorgen voor effectieve toegang tot informatie over het EFT. De Commissie moet met name de verspreiding van bestaande goede praktijken bevorderen, de criteria voor steunverlening en de aanvraagprocedures van het EFT meer onder de aandacht brengen en meer inspanningen leveren om het Fonds bekend te maken bij de bevolking, in het bijzonder de beroepsbevolking. Er moeten bijzondere bepalingen worden opgenomen voor informatie- en communicatieactiviteiten betreffende EFG- EFT-dossiers en -resultaten. [Am. 26]

(26)  Ter bevordering van de uitvoering van deze verordening moeten de uitgaven voor financiering in aanmerking komen, hetzij met ingang van de datum waarop de lidstaat begint met de individuele dienstverlening, hetzij met ingang van de datum waarop een lidstaat de administratieve uitgaven voor de uitvoering van het EFG EFT op zich neemt.

(27)  Om te voorzien in de behoeften die zich met name de eerste maanden van ieder jaar voordoen, wanneer het bijzonder moeilijk is bedragen over te schrijven uit andere begrotingslijnen, moet tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure een toereikend bedrag aan betalingskredieten worden opgenomen onder de begrotingslijn van het EFG EFT.

(27 bis)  Om te voorzien in de behoeften die zich met name de eerste maanden van ieder jaar voordoen, wanneer er bijzonder weinig mogelijkheden zijn om bedragen over te schrijven uit andere begrotingslijnen, moet tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure een toereikend bedrag aan betalingskredieten worden opgenomen onder de begrotingslijn van het EFT. [Am. 27]

(28)  [Het begrotingskader van het EFG EFT wordt vastgesteld in het meerjarig financieel kader en het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van [tijdstip in de toekomst] betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(20) ("het Interinstitutioneel Akkoord")].

(29)  In het belang van de begunstigden moet de steun zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking worden gesteld. De lidstaten en de bij het EFG- EFT-besluitvormingsproces betrokken instellingen van de Unie moeten alles in het werk stellen om de voor de behandeling benodigde tijd te verminderen en de procedures te vereenvoudigen zodat de besluiten betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG EFT probleemloos en snel kunnen worden vastgesteld. Daarom zal de begrotingsautoriteit in de toekomst besluiten over door de Commissie ingediende verzoeken om overschrijving, en zal een voorstel van de Commissie voor de beschikbaarstelling van middelen uit het EFG niet langer nodig zijn. [Aparte stemming]

(30)  Wanneer een onderneming sluit, kunnen de ontslagen werknemers worden geholpen om sommige of alle activiteiten van hun voormalige werkgever over te nemen, en kan de lidstaat waar de onderneming is gevestigd, eventueel de middelen voorschieten die dringend noodzakelijk zijn om dit mogelijk te maken. [Am. 29]

(31)  Om politiek toezicht door het Europees Parlement en voortdurend toezicht door de Commissie op de met de EFG-EFT-steunverlening behaalde resultaten mogelijk te maken, moeten de lidstaten een eindverslag indienen over de uitvoering van het EFG EFT, dat moet voldoen aan vereisten voor helder toezicht en dat een follow-up van de begunstigden alsook een effectbeoordeling inzake gendergelijkheid moet bevatten. [Am. 30]

(32)  Overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad ("het Financieel Reglement")(21) of de opvolger daarvan moeten de lidstaten verantwoordelijk blijven voor de uitvoering van de financiële bijdrage en voor het beheer van en de controle op de door de financiering van de Unie ondersteunde acties. De lidstaten moeten verantwoorden hoe de uit het EFG EFT ontvangen financiële bijdrage is gebruikt. Aangezien de uitvoeringsperiode van de EFG EFT maatregelen kort is, moeten de verslagleggingsverplichtingen rekening houden met de bijzondere aard van de steunverlening door het EFG EFT.

(32 bis)  De lidstaten moeten doeltreffende communicatieactiviteiten ontplooien om financiële bijdragen van het EFT te promoten, erop te wijzen dat de financiering van de Unie afkomstig is en de zichtbaarheid van de maatregelen die de Unie in het kader van dit fonds heeft gefinancierd, te vergroten. [Am. 31]

(33)  De lidstaten moeten ook alle onregelmatigheden, met inbegrip van fraude door begunstigden, voorkomen, opsporen en doeltreffend aanpakken. Daarnaast kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013(22) en de Verordeningen (Euratom, EG) nr. 2988/95(23) en 2185/96(24) administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939(25) kan het Europees Openbaar Ministerie overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt(26). De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen zodat personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer (ERK) alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. De lidstaten moeten de vastgestelde onregelmatigheden, waaronder fraude, aan de Commissie rapporteren en verslag uitbrengen over het gevolg dat eraan wordt gegeven alsook het gevolg dat wordt gegeven aan de onderzoeken van het OLAF.

(34)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad[1], Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad[2], Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad[3] en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad[4] moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(35)  Op deze verordening zijn de door het Europees Parlement en de Raad op basis van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goedgekeurde horizontale financiële regels van toepassing. Deze regels zijn vastgelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, aanbestedingen, prijzen en indirecte uitvoering, en in de regels is voorzien in controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben tevens betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële voorwaarde is voor goed financieel beheer en doeltreffende EU-financiering.

(36)  Uit hoofde van de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 voor beter wetgeven(27), is het nodig dit programma te evalueren op basis van de informatie die is verzameld via specifieke voorschriften voor monitoring, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van het programma op het terrein worden verzameld.

(37)  Dit programma weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat , dat gedurende de MFK-periode 2021-2027 het algemene streefdoel van 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt bereikt, en dat zo spoedig mogelijk, en uiterlijk in 2027, een jaarlijks streefcijfer van 30 % wordt gehaald. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering van het Fonds, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de evaluatie ervan. [Am. 32]

(38)  Daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(39)  Rekening houdend met het feit dat de beroepsbevolking gezien de digitale transformatie van de economie over een bepaald niveau van digitale vaardigheden moet beschikken, moet de verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk een verplicht horizontaal onderdeel vormen van de aangeboden gecoördineerde pakketten van individuele diensten en moet het doel om de deelname van vrouwen in de STEM-beroepen te vergroten daarvan deel uitmaken, [Am. 33]

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp

Bij deze verordening wordt het Europees Fonds voor transitie (EFG EFT) opgericht.

In deze verordening worden de doelstellingen van het EFG EFT, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels en criteria voor de verstrekking van die financiering vastgelegd, met inbegrip van de aanvragen van de lidstaten voor financiële bijdragen uit het EFG EFT voor maatregelen die gericht zijn op de in artikel 7 bedoelde begunstigden. [Am. 34]

Artikel 2

Taken

Het EFG draagt bij tot een betere verdeling van de voordelen van Het EFT heeft ten doel de sociaaleconomische veranderingen te ondersteunen die voortvloeien uit de globalisering en de technologische vooruitgang door ontslagen werknemers te helpen aan te passen aan structurele veranderingen en milieugerelateerde veranderingen, door alternatieve en duurzame werkgelegenheid te bevorderen en zodoende ontslagen werknemers de helpende hand te bieden. Het EFT is een noodfonds dat reactief opereert en bijdraagt aan een rechtvaardige overgang. Als zodanig draagt het EFG EFT bij tot de uitvoering van de in de Europese pijler van sociale rechten bepaalde beginselen en verbetert het de economische samenhang tussen de regio's en de lidstaten. [Am. 35]

Artikel 3

Doelstellingen

1.  De algemene doelstelling van het programma is om, met het oog op hun herintegratie op de arbeidsmarkt, solidariteit te betonen met en financiële steun te verlenen aan ontslagen werknemers, ongeacht de aard en duur van hun arbeidsverhouding, en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd als gevolg van onverwachte grote herstructureringen, zoals bedoeld in artikel 5, leden 1 tot en met 3. [Am. 36]

2.  De specifieke doelstelling van het EFG is steun te verlenen EFT is om werknemers te steunen en bij te staan bij hun herintegratie op de arbeidsmarkt in het geval van onverwachte grote herstructureringen, met name wanneer die zijn veroorzaakt door uitdagingen die verband houden met de globalisering, zoals veranderingen in de wereldhandelspatronen, handelsgeschillen, financiële of economische crises, de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, de overgang naar een koolstofarme economie of als gevolg van de digitalisering, of automatisering en technologische veranderingen. Bijzondere nadruk wordt zowel gelegd op maatregelen die de meest kansarme groepen helpen als op de bevordering van gendergelijkheid. [Ams. 37 en 98 ]

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

a)  "ontslagen werknemer": een werknemer wiens arbeidsovereenkomst, ongeacht de aard en duur van zijn arbeidsverhouding, voortijdig is beëindigd door gedwongen ontslag, of wiens arbeidsovereenkomst om economische redenen niet is verlengd; [Am. 38]

b)  "zelfstandige": een persoon die niet meer dan tien werknemers in dienst had;

c)  "begunstigde": een persoon die deelneemt aan de door het EFG EFT medegefinancierde maatregelen;

d)  "onregelmatigheid": elke inbreuk op het toepasselijke recht als gevolg van een handeling of nalatigheid van een bij de uitvoering van het EFG EFT betrokken economisch subject waarbij de begroting van de Unie door een onverschuldigde uitgave wordt of zou kunnen worden benadeeld.

Artikel 5

Criteria voor steunverlening

1.  De lidstaten kunnen financiële steun uit het EFG EFT aanvragen voor maatregelen die gericht zijn op ontslagen werknemers en zelfstandigen, in overeenstemming met de in dit artikel vastgelegde bepalingen.

2.  Een financiële bijdrage uit het EFG EFT wordt toegekend bij grote herstructureringen die tot gevolg hebben:

a)  de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ten minste 200 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van vier zes maanden in een onderneming in een lidstaat, ook wanneer die beëindiging van toepassing is bij leveranciers of downstreamproducenten; [Am. 39]

b)  de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ten minste 200 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van zes negen maanden, met name in kmo's, die alle actief zijn in dezelfde NACE Rev. 2-afdeling en gelegen zijn in een NUTS 2-regio of twee aan elkaar grenzende NUTS 2‑regio's of in meer dan twee aan elkaar grenzende NUTS 2-regio's, mits meer dan 250  ten minste 200 werknemers of zelfstandigen zijn getroffen in twee van de regio's tezamen; [Am. 40]

c)  de beëindiging van de werkzaamheden van meer dan 250 ten minste 200 ontslagen werknemers of zelfstandigen binnen een referentieperiode van vier negen maanden, met name in kmo's, die actief zijn in dezelfde of verschillende NACE Rev. 2-afdelingen en gelegen zijn in dezelfde NUTS 2-regio. [Am. 41]

3.  Op kleine arbeidsmarkten of in uitzonderlijke omstandigheden, met name ten aanzien met inbegrip van aanvragen door kmo's, die door de aanvragende lidstaat naar behoren worden onderbouwd, kan een aanvraag voor een financiële bijdrage op grond van dit artikel, zelfs als niet volledig voldaan wordt aan de criteria van lid 1, onder a), b) of c), als ontvankelijk worden aangemerkt, wanneer de gedwongen ontslagen ernstige gevolgen hebben voor de werkgelegenheid werkgelegenheidsniveaus en de lokale, regionale of regionale nationale economie. De aanvragende lidstaat vermeldt aan welke van de criteria voor steunverlening van lid 1, onder a), b) of c), niet volledig wordt voldaan. Het totaalbedrag van de aanvragen voor uitzonderlijke omstandigheden mag niet meer bedragen dan 15 % van het jaarlijkse maximumbedrag van het EFG EFT. [Am. 42]

4.  Het EFG EFT kan niet worden ingezet wanneer werknemers worden ontslagen als gevolg van bezuinigingen van een lidstaat op de begroting waardoor sectoren worden getroffen die in eerste instantie afhankelijk zijn van overheidsfinanciering. [Am. 43]

Artikel 6

Berekening van de ontslagen en beëindigingen van werkzaamheden

1.  De aanvragende lidstaat specificeert de methode die gebruikt wordt om het in artikel 4 vermelde aantal ontslagen werknemers en zelfstandigen te berekenen voor de toepassing van artikel 5, leden 1 tot en met 3. [Am. 44]

2.  De aanvragende lidstaat berekent het in lid 1 bedoelde aantal door uit te gaan van een van de volgende data:

a)  de datum waarop de werkgever overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Richtlijn 98/59/EG van de Raad(28) de bevoegde overheidsinstantie schriftelijk kennisgeeft van het voorgenomen collectief ontslag;

b)  de datum van de individuele kennisgeving door de werkgever dat de arbeidsovereenkomst van de betrokken werknemer tijdelijk of definitief beëindigd wordt;

c)  de datum van de feitelijke beëindiging of de afloop van de arbeidsovereenkomst;

d)  de beëindiging van de terbeschikkingstelling aan de inlenende onderneming; of

e)  voor een zelfstandige, de datum van beëindiging van de werkzaamheden zoals bepaald in overeenstemming met de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.

In de onder a) bedoelde gevallen verstrekt de aanvragende lidstaat de Commissie aanvullende informatie over het werkelijke aantal gedwongen ontslagen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van deze verordening, voordat de evaluatie door de Commissie wordt afgerond.

Artikel 7

In aanmerking komende begunstigden

De aanvragende lidstaat kan een door het EFG EFT medegefinancierd gecoördineerd pakket van individuele diensten in overeenstemming met artikel 8 aanbieden aan in aanmerking komende begunstigden, onder wie:

a)  ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, berekend overeenkomstig artikel 6, binnen de in artikel 5, leden 1 tot en met 3 bedoelde referentieperioden; [Am. 45]

b)  ontslagen werknemers en zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, berekend overeenkomstig artikel 6, buiten de in artikel 5 bedoelde referentieperioden, namelijk zes maanden voor het begin van de referentieperiode of tussen het einde van de referentieperiode en de laatste dag vóór de datum van de voltooiing van de beoordeling door de Commissie.

De in de eerste alinea, onder b), bedoelde werknemers en zelfstandigen worden geacht in aanmerking te komen, op voorwaarde dat een duidelijk oorzakelijk verband kan worden gelegd met de gebeurtenis die aanleiding gaf tot de gedwongen ontslagen in de referentieperiode.

In afwijking van artikel 5 mogen de aanvragende lidstaten door het EFT medegefinancierde individuele diensten aanbieden aan een aantal NEET's (personen die geen werk hebben en evenmin onderwijs of een opleiding volgen), die op de datum van de indiening van de aanvraag jonger dan 25 jaar of (indien lidstaten daartoe besluiten) jonger dan 30 jaar zijn. Dit aantal mag niet hoger zijn dan het aantal beoogde begunstigden en er wordt prioriteit gegeven aan personen die gedwongen zijn ontslagen of hun werkzaamheden hebben beëindigd, op voorwaarde dat ten minste enkele van de gedwongen ontslagen in regio's van NUTS 2-niveau zijn gevallen. [Am. 46]

Artikel 8

Subsidiabele maatregelen

1.  Een financiële bijdrage uit het EFG EFT kan worden bestemd voor actieve arbeidsmarktmaatregelen in het kader van een gecoördineerd pakket van individuele dienstverlening, om waarbij vakbondsorganisaties en/of werknemersvertegenwoordiger zijn betrokken, teneinde de beoogde begunstigden, en in het bijzonder de meest kansarme ontslagen werknemers, weer aan een hoogwaardige en duurzame dienstbetrekking of aan hoogwaardige en duurzame zelfstandige arbeid te helpen. [Am. 47]

De verspreiding van vaardigheden die vereist zijn in het digitale industriële tijdperk in een hulpbronnenefficiënte economie moet een verplicht horizontaal onderdeel vormen van de gecoördineerde pakketten van individuele opleiding en/of diensten die worden aangeboden. Het opleidingsniveau moet worden aangepast aan de kwalificaties, vaardigheden en specifieke behoeften van de betrokken begunstigde. [Am. 48]

Het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening kan met name het volgende omvatten:

a)  opleiding en omscholing op maat, onder meer op het gebied van informatie-en communicatietechnologie en andere vaardigheden die vereist zijn in het digitale tijdperk, certificering van opgedane ervaring, individuele hulp bij het zoeken van een baan, loopbaanbegeleiding, adviesverlening, begeleiding door een mentor, outplacementbegeleiding, bevordering van ondernemerschap, steun bij het uitoefenen van een zelfstandige activiteit, het opzetten van een eigen bedrijf en een overname door werknemers, en samenwerkingsactiviteiten; [Am. 49]

b)  speciale tijdelijke maatregelen, zoals sollicitatietoelagen, premies bij indiensttreding voor werkgevers, mobiliteitstoelagen mobiliteitstoelagen, toelagen voor kinderopvang, opleidings- of dagvergoedingen, waaronder toelagen voor verzorgers, en premies bij indiensttreding voor werkgevers, waaronder premies om ontslagen werknemers flexibele arbeidsregelingen aan te bieden. [Am. 50]

De kosten van de onder b) bedoelde maatregelen mogen bedragen niet meer bedragen dan 35 % van de totale kosten voor het gecoördineerde pakket van de in dit lid vermelde individuele dienstverlening. [Am. 51]

De investeringskosten voor wie zich als zelfstandige vestigt of een eigen bedrijf of coöperatie opricht of voor overnames door werknemers mogen bedragen niet meer dan 20 000 25 000 EUR per ontslagen werknemer bedragen. [Am. 52]

Bij het samenstellen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening wordt rekening gehouden met de toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt en de vereiste vaardigheden. Het gecoördineerde pakket is verenigbaar met de overgang naar een hulpbronnenefficiënte en duurzame economie en in het pakket ligt de nadruk op de verspreiding van vaardigheden die in het digitale industriële tijdperk vereist zijn en wordt rekening gehouden met de vraag op de lokale arbeidsmarkt, evenals met de mogelijkheid van herintegratie van werknemers in de beroepssector van hun voormalige dienstverband, waar een grote herstructurering voor vraag naar nieuwe of aanvullende vaardigheden heeft gezorgd, en waar bestaande vaardigheden het efficiëntst kunnen worden ingezet. [Am. 53]

2.  De volgende maatregelen komen niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit het EFG EFT:

a)  speciale tijdelijke maatregelen als bedoeld in lid 1, onder b), waaraan niet de voorwaarde verbonden is dat de beoogde begunstigden actief deelnemen aan activiteiten op het gebied van het zoeken naar werk of opleiding;

b)  maatregelen waarvoor ondernemingen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn;

b bis)  maatregelen om met name kansarme werknemers, mensen met een verhoogd risico op armoede of oudere werknemers te stimuleren om te blijven werken dan wel zich weer aan te bieden op de arbeidsmarkt; [Am. 54]

b ter)  maatregelen waarvoor lidstaten verantwoordelijk zijn krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten. [Am. 55]

De door het EFG EFT ondersteunde maatregelen treden niet onder geen beding in de plaats van maatregelen die gericht zijn op passieve sociale bescherming. [Am. 56]

3.  Het gecoördineerde pakket van dienstverlening wordt uitgewerkt in overleg met de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, en/of met de sociale partners. [Am. 57]

4.  Op initiatief van de aanvragende lidstaat kan een financiële bijdrage uit het EFG EFT beschikbaar worden gesteld voor de activiteiten op het vlak van voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit en controle en rapportage.

Artikel 9

Aanvragen

1.  De aanvragende lidstaat dient binnen een periode van twaalf weken na de datum waarop is voldaan aan de criteria in artikel 5, lid 2 of 3, een aanvraag in bij de Commissie.

2.  Binnen tien werkdagen na de datum van indiening van de aanvraag of, in voorkomend geval, na de datum waarop de Commissie de vertaling van de aanvraag heeft ontvangen, naargelang van welke datum het laatst valt, deelt bevestigt de Commissie de ontvangst van de aanvraag en deelt zij de lidstaat eventueel mee welke aanvullende gegevens zij nodig heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen. [Am. 58]

3.  Indien de lidstaat hierom verzoekt, verleent de Commissie reeds vroeg in de procedure technische bijstand. Indien de Commissie om aanvullende gegevens verzoekt, antwoordt de lidstaat binnen tien werkdagen na de datum van het verzoek. Op het naar behoren gemotiveerd verzoek van de betrokken lidstaat verlengt de Commissie die termijn met tien werkdagen. [Am. 59]

4.  Aan de hand van de door de lidstaat verstrekte gegevens beoordeelt de Commissie binnen zestig veertig werkdagen na ontvangst van de volledige aanvraag of, indien van toepassing, de vertaling daarvan, definitief of de aanvraag aan de voorwaarden voor het toekennen van een financiële bijdrage voldoet. Indien de Commissie bij uitzondering niet aan deze deadline kan voldoen, licht zij schriftelijk toe om welke reden mag deze met twintig werkdagen worden verlengd, op voorwaarde dat zij de betrokken lidstaat voorafgaand een schriftelijke toelichting van de reden van haar vertraging toezendt. [Am. 60]

5.  Een aanvraag moet de volgende gegevens bevatten:

a)  een beoordeling van het aantal gedwongen ontslagen overeenkomstig artikel 6, met inbegrip van de berekeningsmethode;

b)  indien de onderneming waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, haar activiteiten na die ontslagen heeft voortgezet, de bevestiging dat zij aan al haar wettelijke verplichtingen ten aanzien van de gedwongen ontslagen heeft voldaan en dienovereenkomstig voorzieningen heeft getroffen voor haar werknemers; [Am. 61]

b bis)   een duidelijke indicatie van de activiteiten die reeds door de lidstaten zijn ondernomen om ontslagen werknemers bij te staan, en van de complementaire aard van de aangevraagde financiering uit het EFT wanneer het nationale of regionale autoriteiten aan middelen ontbreekt; [Am. 62]

b ter)   een overzicht van de financiering van de Unie die de onderneming waar de ontslagen zijn gevallen, reeds heeft ontvangen in de vijf jaren voorafgaand aan de collectieve ontslagen; [Am. 63]

c)  een korte beschrijving van de gebeurtenissen die tot het ontslag van de werknemers hebben geleid;

d)  indien van toepassing, gegevens van de ondernemingen, leveranciers of downstreamproducenten en sectoren waar de gedwongen ontslagen zijn gevallen, en categorieën beoogde begunstigden, uitgesplitst naar gender, leeftijdscategorie en onderwijsniveau;

e)  het verwachte effect van de gedwongen ontslagen op de lokale, regionale, nationale of nationale , in voorkomend geval, grensoverschrijdende economie en de werkgelegenheid; [Am. 64]

f)  een gedetailleerde beschrijving van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening en de daarmee verband houdende uitgaven, waaronder met name maatregelen ter ondersteuning van werkgelegenheidsinitiatieven voor kansarme, laaggeschoolde, oudere en jongere begunstigden en begunstigden uit achtergestelde gebieden; [Am. 65]

g)  een toelichting van de mate waarin de aanbevelingen van het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering in aanmerking zijn genomen en over de complementariteit van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening met door andere nationale fondsen of fondsen van de Unie gefinancierde acties, met inbegrip van informatie over maatregelen die voor de betrokken ondernemingen waar de ontslagen zijn gevallen krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verplicht zijn;

h)  de geraamde begroting voor de afzonderlijke onderdelen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening ter ondersteuning van de beoogde begunstigden, en voor elke vorm van activiteiten inzake voorbereiding, beheer, voorlichting en publiciteit, controle en rapportage;

i)  indicatieve, door de lidstaat bepaalde dossierspecifieke doelstellingen met betrekking tot het herintredingspercentage van begunstigden zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode, met het oog op evaluatie;

j)  de data waarop met de individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden en de activiteiten tot uitvoering van het EFG EFT, zoals vermeld in artikel 8, is begonnen of waarop verwacht wordt daarmee te beginnen;

k)  de procedures aan de hand waarvan de beoogde begunstigden of hun vertegenwoordigers, of de sociale partners alsmede lokale en regionale overheden of andere belanghebbenden zijn geraadpleegd, voor zover van toepassing;

l)  een verklaring dat de aangevraagde EFG EFT-steun in overeenstemming is met de procedurele en materiële voorschriften van de Unie inzake staatssteun, alsook een verklaring waarin wordt aangegeven waarom het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening niet in de plaats komt van maatregelen waarvoor bedrijven krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten verantwoordelijk zijn;

m)  de bronnen van nationale voorfinanciering of medefinanciering en andere medefinanciering, indien van toepassing;

m bis)   een verklaring dat de voorgestelde maatregelen complementair zijn met de door de structuurfondsen gefinancierde maatregelen en dat dubbele financiering zal worden voorkomen. [Am. 66]

Artikel 10

Complementariteit, naleving en coördinatie

1.  Een financiële bijdrage uit het EFG EFT is geen vervanging van de maatregelen die bedrijven krachtens het nationale recht of collectieve arbeidsovereenkomsten moeten nemen.

2.  De ondersteuning van de beoogde begunstigden vormt een aanvulling op de nationale, regionale, lokale en lokale , in voorkomend geval, grensoverschrijdende maatregelen van de lidstaten, met inbegrip van maatregelen die worden medegefinancierd uit fondsen en programma's van de Unie, in overeenstemming met de aanbevelingen van het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering. [Am. 67]

3.  De financiële bijdrage uit het EFG EFT blijft beperkt tot hetgeen noodzakelijk is om aan de beoogde begunstigden solidariteit te betonen met en tijdelijke, eenmalige steun te verlenen aan de beoogde begunstigden. De door het EFG EFT ondersteunde maatregelen zijn in overeenstemming met het recht van de Unie en dat van de lidstaten, met inbegrip van de voorschriften inzake staatssteun. [Am. 68]

4.  Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden dragen de Commissie en de aanvragende lidstaat zorg voor de coördinatie van de steun uit de fondsen en programma's van de Unie. [Am. 69]

5.  De aanvragende lidstaat garandeert dat voor de specifieke maatregelen waarvoor uit het EFG EFT een financiële bijdrage wordt ontvangen, geen steun uit andere financieringsinstrumenten van de Unie ter beschikking wordt gesteld.

Artikel 11

Gelijkheid van mannen en vrouwen en non-discriminatie

De Commissie en de lidstaten garanderen dat de gelijkheid van mannen en vrouwen en de integratie van het genderperspectief een wezenlijk deel uitmaken van en bevorderd worden in de verschillende alle passende stadia van de uitvoering van de financiële bijdrage uit het EFG EFT. [Am. 70]

De Commissie en de lidstaten nemen alle nodige maatregelen ter voorkoming van elke discriminatie op grond van gender, genderidentiteit, ras, etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid bij de toegang tot het EFG EFT en in de verschillende stadia van de uitvoering van de financiële bijdrage.

Artikel 12

Technische bijstand op initiatief van de Commissie

1.  Op initiatief van de Commissie kan maximaal 0,5 % van het jaarlijkse maximumbedrag van het EFG EFT worden gebruikt voor ter financiering van technische en administratieve bijstand voor de uitvoering ervan, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, gegevensverzameling, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen, communicatiemaatregelen en maatregelen die de zichtbaarheid van het EFG EFT vergroten, alsook andere maatregelen voor administratieve en technische bijstand. De synergieën met bestaande systemen voor de monitoring van structurele verandering, zoals de ERM, worden versterkt. Dergelijke maatregelen kunnen betrekking hebben op toekomstige en eerdere programmeringsperioden. [Am. 71]

2.  Met inachtneming van het in lid 1 genoemde maximumbedrag dient de Commissie een verzoek in tot overschrijving van kredieten voor technische bijstand naar de desbetreffende begrotingsonderdelen, in overeenstemming met artikel 31 van het Financieel Reglement.

3.  De Commissie voert de technische bijstand uit op eigen initiatief onder direct of indirect beheer in overeenstemming met [artikel 62, lid 1, onder a) en c),] van het Financieel Reglement.

Wanneer de Commissie de technische bijstand onder indirect beheer uitvoert, waarborgt zij de transparantie van de procedure voor aanwijzing van de derde die de haar opgelegde taak uitvoert en deelt zij alle bij het EFT betrokken partijen, met inbegrip van het Europees Parlement, mee welke onderaannemer hiervoor is gekozen. [Am. 72]

4.  De technische bijstand van de Commissie omvat het verstrekken van informatie en richtsnoeren aan de lidstaten voor het gebruik van, het toezicht op en de evaluatie van het EFG EFT, met inbegrip van de oprichting van een helpdesk. De Commissie verstrekt ook informatie over en duidelijke richtsnoeren voor het gebruik van het EFG EFT aan de Europese en nationale sociale partners. De richtsnoeren kunnen ook betrekking hebben op de oprichting van taskforces in gevallen van ernstige economische ontwrichtingen in een lidstaat. [Am. 73]

Artikel 13

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De lidstaten erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie door aan meerdere doelgroepen samenhangende, doeltreffende en doelgerichte informatie te verstrekken, waaronder doelgerichte informatie aan de beoogde begunstigden, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek. De lidstaten zorgen ervoor dat de Europese meerwaarde van de financiering wordt benadrukt, en ondersteunen de Commissie bij haar inspanningen op het gebied van gegevensverzameling teneinde de begrotingstransparantie te vergroten. [Am. 74]

De lidstaten gebruiken het EU-embleem in overeenstemming met [bijlage VIII bij de verordening gemeenschappelijke bepalingen] in combinatie met een financieringsverklaring ("gefinancierd/medegefinancierd door de Europese Unie").

2.  De Commissie verzorgt een online aanwezigheid met informatie in alle officiële talen van de instellingen van de Unie die zij regelmatig bijwerkt, voor het verstrekken van geactualiseerde informatie over het EFG EFT, richtsnoeren voor de indiening van aanvragen en voor subsidiabele acties, een regelmatig bijgewerkte lijst met contactpersonen in de lidstaten en informatie over ingewilligde en afgewezen aanvragen en over de rol van het Europees Parlement en de Raad in de begrotingsprocedure. [Am. 75]

3.  De Commissie bevordert de verspreiding van bestaande goede communicatiepraktijken, voert aan de hand van ervaringen informatie- en communicatieactiviteiten uit betreffende EFG EFT-dossiers en -resultaten met als doel de zichtbaarheid van het EFT te vergroten, informatie te verstrekken over de criteria voor steunverlening en over de aanvraagprocedures met betrekking tot het EFT, de effectiviteit van het EFG Fonds te verbeteren en ervoor te zorgen dat burgers en werknemers in de Unie, met inbegrip van burgers en werknemers in plattelandsgebieden, die beperkt toegang hebben tot informatie, op de hoogte zijn van het bestaan van het EFG EFT. [Am. 76]

De lidstaten zorgen ervoor dat alle materiaal voor communicatie en zichtbaarheid beschikbaar wordt gesteld op verzoek van de instellingen, organen of agentschappen van de Unie en dat aan de Unie een kosteloze, niet-exclusieve en onherroepelijke licentie wordt toegekend voor het gebruik van dergelijk materiaal en eventuele reeds bestaande daaraan verbonden rechten. Via de licentie worden aan de Unie de volgende rechten toegekend:

–  intern gebruik, d.w.z. het recht om het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid te reproduceren, te kopiëren en beschikbaar te stellen aan de instellingen en agentschappen van de EU en van de EU-lidstaten en hun personeel;

–  reproductie van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid, geheel of gedeeltelijk, met welk middel en in welke vorm dan ook;

–  communicatie van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid aan het publiek met gebruikmaking van alle mogelijke communicatiemiddelen;

–  verspreiding van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid (of kopieën daarvan) in alle mogelijke vormen onder het publiek;

–  opslag en archivering van het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid;

–  recht om sublicenties voor het materiaal voor communicatie en zichtbaarheid te verlenen aan derden.

Aan de Unie kunnen aanvullende rechten worden toegekend.

4.  De uit hoofde van deze verordening voor communicatie toegewezen middelen dragen ook bij tot de institutionele communicatie van de beleidsprioriteiten van de Unie, mits deze verband houden met de in artikel 3 vermelde algemene doelstelling.

Artikel 14

Bepaling van de financiële bijdrage

1.  Op basis van de overeenkomstig artikel 9 uitgevoerde beoordeling voert de Commissie, aan de hand van met name het aantal beoogde begunstigden, de voorgestelde maatregelen en de geraamde kosten, een evaluatie uit en doet zo snel mogelijk binnen de in artikel 9, lid 4, vastgestelde termijn een voorstel inzake de hoogte van de eventuele financiële bijdrage uit het EFG EFT die kan worden verstrekt binnen de grenzen van de beschikbare middelen. [Am. 77]

2.  Het medefinancieringspercentage van het EFG EFT voor de aangeboden maatregelen wordt afgestemd op het hoogste medefinancieringspercentage van het ESF+ in de respectieve lidstaat.

3.  Als de Commissie op basis van de overeenkomstig artikel 9 uitgevoerde beoordeling van mening is dat aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage op grond van deze verordening wordt voldaan, zet zij onmiddellijk de in artikel 16 bedoelde procedure in gang en stelt zij de aanvragende lidstaat hiervan in kennis. [Am. 78]

4.  Als de Commissie op grond van de in artikel 9 uitgevoerde beoordeling van mening is dat niet aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage uit hoofde van deze verordening wordt voldaan, stelt zij de aanvragende lidstaat daarvan en alle andere betrokken partijen, met inbegrip van het Europees Parlement, onmiddellijk daarvan in kennis. [Am. 79]

Artikel 15

Subsidiabiliteitsperiode

1.  Uitgaven komen in aanmerking voor een financiële bijdrage uit het EFG EFT vanaf de in de aanvraag op grond van artikel 9, lid 5, onder j), bedoelde data waarop de betrokken lidstaat aanvangt of verwacht wordt aan te vangen met individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden of betalingsverplichtingen op zich neemt voor de administratieve uitgaven betreffende de uitvoering van het EFG EFT overeenkomstig artikel 8, leden 1 en 4.

2.  De lidstaat voert de in artikel 8 bedoelde subsidiabele maatregelen zo spoedig mogelijk uit. In ieder geval moeten de maatregelen uiterlijk 6 maanden na de datum van inwerkingtreding van het besluit inzake de financiële bijdrage ten uitvoer worden gelegd en uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het besluit betreffende de financiële bijdrage uit worden volbracht. [Am. 80]

3.  De uitvoeringsperiode is de periode vanaf de in de aanvraag op grond van artikel 9, lid 5, onder j), bedoelde data waarop de betrokken lidstaat aanvangt met de individuele dienstverlening aan de beoogde begunstigden en met de in artikel 8 bedoelde activiteiten tot uitvoering van het EFG EFT, en eindigt 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van het besluit betreffende de financiële bijdrage.

4.  Wanneer een begunstigde een onderwijs- of opleidingscursus volgt die twee jaar of langer duurt, komen de uitgaven voor een dergelijke cursus in aanmerking voor medefinanciering door het EFG EFT tot de datum waarop het in artikel 20, lid 1, bedoelde eindverslag moet worden ingediend, mits de desbetreffende uitgaven zijn gedaan vóór die datum.

5.  Uitgaven uit hoofde van artikel 8, lid 4, zijn subsidiabel tot de uiterste termijn voor de indiening van het eindverslag overeenkomstig artikel 20, lid 1.

Artikel 16

Begrotingsprocedure en uitvoering van de begroting

1.  Als de Commissie heeft geconcludeerd dat aan de voorwaarden voor de toekenning van een financiële bijdrage uit het EFG EFT is voldaan, dient zij een verzoek in tot overschrijving naar de desbetreffende begrotingsonderdelen overeenkomstig artikel 31 van het Financieel Reglement voorstel in tot beschikbaarstelling van middelen uit het EFT. Het besluit tot beschikbaarstelling van middelen uit het EFT wordt gezamenlijk genomen door het Europees Parlement en de Raad, binnen een maand nadat het voorstel bij hen is ingediend. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen en het Europees Parlement met een meerderheid van de stemmen van zijn leden en van drie vijfde van het aantal uitgebrachte stemmen.

Tegelijk met haar voorstel voor een besluit tot beschikbaarstelling van middelen uit het EFT dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in tot overschrijving naar de betrokken begrotingsonderdelen. Indien er geen eensgezindheid bestaat, wordt een trialoogprocedure ingeleid.

De overschrijvingen die betrekking hebben op het EFT worden verricht overeenkomstig artikel 31 van het Financieel Reglement. [Am. 81]

2.  Het verzoek tot overschrijving moet vergezeld gaan van een samenvatting van het onderzoek van de subsidiabiliteit van de aanvraag. [Am. 82]

3.  De Commissie stelt door middel van een uitvoeringshandeling een besluit betreffende een financiële bijdrage vast, dat in werking treedt op de datum waarop het Europees Parlement en de Raad de Commissie in kennis stellen van de goedkeuring van de begrotingsoverschrijving. Dit besluit vormt een financieringsbesluit in de zin van artikel 110 van het Financieel Reglement het besluit tot beschikbaarstelling van middelen uit het EFT vaststellen. [Am. 83]

3 bis.  Een voorstel voor een besluit tot beschikbaarstelling van middelen uit het EFT krachtens lid 1 omvat onder meer:

a)  de overeenkomstig artikel 9, lid 4, uitgevoerde beoordeling en een samenvatting van de gegevens waarop die beoordeling is gebaseerd;

b)  bewijs dat aan de criteria van de artikelen 5 en 10 is voldaan; en

c)  een onderbouwing van de voorgestelde bedragen. [Am. 84]

Artikel 16 bis

Uitzonderlijke gevallen

In uitzonderlijke gevallen en indien de resterende beschikbare financiële middelen van het Fonds in het jaar waarin de ingrijpende herstructurering zich voordoet, niet toereikend zijn voor de hulp die de begrotingsautoriteit nodig acht, mag de Commissie met het voorstel komen om het verschil uit het Fonds van het volgende jaar te financieren. Het begrotingsplafond van het Fonds dat is vastgesteld voor het jaar waarin de ingrijpende herstructurering zich voordoet en voor het volgende jaar, mag in geen geval overschreden worden. [Am. 85]

Artikel 17

Betaling en gebruik van de financiële bijdrage

1.  Na de inwerkingtreding van een besluit betreffende een financiële bijdrage overeenkomstig artikel 16, lid 3, betaalt de Commissie de financiële bijdrage, in een enkele voorfinancieringsbetaling van 100 %, in principe binnen 15 werkdagen aan de betrokken lidstaat uit. De voorfinanciering wordt vereffend wanneer de lidstaat de gecertificeerde uitgavenstaat indient overeenkomstig artikel 20, lid 1. Het ongebruikte bedrag wordt aan de Commissie terugbetaald.

2.  De in lid 1 bedoelde financiële bijdrage valt onder het gedeeld beheer overeenkomstig artikel 63 van het Financieel Reglement.

3.  De gedetailleerde technische financieringsvoorwaarden worden door de Commissie bepaald in het in artikel 16, lid 3, bedoelde besluit betreffende een financiële bijdrage.

4.  Bij de uitvoering van de maatregelen van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening kan de betrokken lidstaat bij de Commissie een voorstel indienen om de opgenomen acties te wijzigen door andere, in artikel 8, lid 1, onder a) en b), vermelde subsidiabele maatregelen toe te voegen, mits die wijzigingen naar behoren gemotiveerd zijn en in totaal niet meer bedragen dan de in artikel 16, lid 3, bedoelde financiële bijdrage. De Commissie beoordeelt de voorgestelde wijzigingen; indien zij ermee akkoord gaat, wijzigt zij het besluit betreffende een financiële bijdrage dienovereenkomstig.

5.  De betrokken lidstaat heeft het recht bedragen te herverdelen tussen de begrotingsonderdelen van het op grond van artikel 16, lid 3, vastgestelde besluit betreffende een financiële bijdrage. Indien de herverdeling een verhoging met meer dan 20 % inhoudt voor een of meer van de vermelde onderdelen, stelt de lidstaat de Commissie vooraf in kennis.

Artikel 18

Gebruik van de euro

De in de aanvragen, besluiten betreffende financiële bijdragen en verslagen in verband met deze verordening genoemde bedragen worden in euro's uitgedrukt.

Artikel 19

Indicatoren

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen zijn vastgesteld in de bijlage.

2.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de lidstaten.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in de bijlage te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om het gebruik van het Fonds doeltreffend te kunnen beoordelen.

Artikel 19 bis

Model voor de enquête onder begunstigden

De enquête onder begunstigden, waarnaar wordt verwezen in artikel 20, lid 1, onder d), moet gebaseerd zijn op het model dat door middel van een uitvoeringshandeling door de Commissie wordt vastgesteld. Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie deze uitvoeringshandeling vast volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure. [Am. 86]

Artikel 20

Eindverslag en afsluiting

1.  Uiterlijk aan het einde van de zevende maand na afloop van de in artikel 15, lid 3, bedoelde termijn, dient de betrokken lidstaat bij de Commissie een eindverslag in over de uitvoering van de financiële bijdrage, met onder andere informatie over:

a)  het soort maatregelen en de belangrijkste verkregen resultaten, met toelichting van de uitdagingen, de opgedane ervaring, de synergieën en de complementariteit met andere EU-fondsen, in het bijzonder ESF+, en met vermelding van eventuele complementariteit met maatregelen die door andere nationale of Unieprogramma's worden gefinancierd in overeenstemming met het EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering; [Am. 87]

b)  de namen van de organen die het maatregelenpakket in de lidstaten verzorgen;

c)  de in artikel 19 bedoelde indicatoren;

d)  de resultaten van een enquête onder begunstigden die binnen zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode wordt gehouden en die informatie bevat over de waargenomen verandering in de inzetbaarheid van de begunstigden, of, voor degenen die al werk hebben gevonden, meer informatie bevat over de kwaliteit en de aard van het gevonden werk, zoals de wijzigingen op het vlak van arbeidstijden, de mate van verantwoordelijkheid of de wijziging van het salarisniveau in vergelijking met het vorige werk, en de sector waarin de betrokkene werk heeft gevonden, met uitsplitsing per gender, leeftijdsgroep en onderwijsniveau; [Am. 88]

e)  het feit of de onderneming waar de ontslagen vallen, met uitzondering van start‑ups, micro-ondernemingen en kmo's, de afgelopen vijf jaar staatssteun heeft ontvangen of eerdere financiering uit het Cohesiefonds of de structuurfondsen van de Unie; [Am. 89]

f)  een verklaring waarin de uitgaven worden verantwoord.

2.  Uiterlijk aan het einde van de negentiende maand na afloop van de in artikel 15, lid 3, bedoelde termijn, dient de betrokken lidstaat de volledige en naar behoren geverifieerde gegevensverzameling in met informatie over de in punt 3 van de bijlage vermelde resultaatindicator op langere termijn. [Am. 90]

3.  Uiterlijk zes maanden nadat de Commissie alle overeenkomstig lid 1 vereiste gegevens heeft ontvangen, sluit zij de financiële bijdrage af door het eindbedrag van de financiële bijdrage uit het EFG EFT te bepalen alsook het eventuele saldo dat de betrokken lidstaat verschuldigd is overeenkomstig artikel 24. De afsluiting vindt enkel plaats indien de resultaatindicator op langere termijn wordt verstrekt overeenkomstig lid 2.

Artikel 21

Tweejaarlijks verslag

1.  Uiterlijk 1 augustus 2021 en vervolgens om de twee jaar, dient de Commissie een omvattend kwantitatief en kwalitatief verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de activiteiten die in de twee voorafgaande jaren op grond van deze verordening en Verordening (EU) nr. 1309/2013 zijn ondernomen. Het verslag heeft in hoofdzaak betrekking op de door het EFG EFT behaalde resultaten en bevat met name informatie over de ingediende aanvragen, de snelheid waarmee zij werden verwerkt en eventuele tekortkomingen in de bestaande regels, de goedgekeurde besluiten, de gefinancierde maatregelen, met inbegrip van statistieken betreffende de in de bijlage vastgestelde indicatoren, en de complementariteit van die maatregelen met maatregelen die worden gefinancierd uit andere fondsen van de Unie, met name het ESF+, alsook informatie over de afsluiting van de financiële bijdragen, en het bevat tevens een overzicht van de aanvragen die zijn afgewezen of gereduceerd omdat er onvoldoende middelen beschikbaar waren of omdat zij niet aan de criteria voldeden. [Am. 91]

2.  Het verslag wordt ter informatie aan de lidstaten, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de sociale partners toegezonden. [Am. 92]

Artikel 22

Evaluatie

1.  De Commissie verricht om de vier jaar op eigen initiatief en in nauwe samenwerking met de lidstaten een evaluatie van de financiële bijdragen uit het EFG EFT, met inbegrip van een daaropvolgende effectbeoordeling van de toepassing ervan op nationaal, regionaal en lokaal niveau.

Met het oog op de in de eerste alinea bedoelde evaluatie verzamelen de lidstaten alle beschikbare gegevens over EFT-dossiers en werknemers die steun hebben gekregen. [Am. 93]

2.  De resultaten van de in lid 1 bedoelde evaluaties worden ter informatie toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de sociale partners. Bij de ontwikkeling van nieuwe programma's op het gebied van werkgelegenheid en sociale zaken of de verdere ontwikkeling van bestaande programma's moet rekening worden gehouden met de aanbevelingen in de evaluaties.

3.  De in lid 1 bedoelde evaluaties bevatten relevante statistieken betreffende de financiële bijdragen, uitgesplitst per sector en lidstaat. [Am. 94]

4.  Om ervoor te zorgen dat de voortgang van het EFG EFT bij het behalen van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen met het oog op herziening of aanvulling van de indicatoren, indien nodig, en deze verordening aan te vullen met bepalingen betreffende de vaststelling van een kader voor toezicht en evaluatie.

Artikel 23

Beheer en financiële controle

1.  Onverminderd de verantwoordelijkheid van de Commissie voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie, zijn de lidstaten verantwoordelijk voor het beheer en de financiële controle van de door het EFG EFT gefinancierde maatregelen. Dit houdt in dat zij:

a)  verifiëren dat de nodige beheers- en controleregelingen zijn getroffen en dat deze zodanig worden toegepast dat de middelen van de Unie op efficiënte en correcte wijze worden gebruikt en dat het beginsel van goed financieel beheer wordt nageleefd;

b)  ervoor zorgen dat in de overeenkomsten met de organen die het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening verzorgen het verstrekken van toezichtsgegevens als een verplichting is opgenomen;

c)  verifiëren dat de gefinancierde maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd;

d)  vaststellen dat de gefinancierde uitgaven worden onderbouwd door verifieerbare bewijsstukken, wettelijk zijn en geen onregelmatigheden vertonen;

e)  onregelmatigheden, waaronder fraude, voorkomen, opsporen en corrigeren, en onterecht betaalde bedragen terugvorderen, in voorkomend geval verhoogd met rente wegens laattijdige betaling. De lidstaten rapporteren onregelmatigheden, waaronder fraude, aan de Commissie.

2.  Voor de toepassing van artikel [63, lid 3,?] van het Financieel Reglement wijzen de lidstaten de organen aan die bevoegd zijn om de uit het EFG EFT gefinancierde maatregelen te beheren en te controleren. Deze organen verstrekken de Commissie de in [artikel 63, leden 5, 6) en 7)?] van het Financieel Reglement bedoelde informatie over de uitvoering van de financiële bijdrage wanneer het in artikel 20, lid 1, van deze verordening bedoelde eindverslag wordt ingediend.

Wanneer de uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1309/2013 aangewezen autoriteiten voldoende garanties bieden dat de betalingen wettig en regelmatig zijn en correct worden geboekt, kan de betrokken lidstaat de Commissie ervan in kennis stellen dat deze autoriteiten uit hoofde van deze verordening worden bevestigd. In dat geval geeft de lidstaat aan welke autoriteiten worden bevestigd en welke functie zij hebben.

3.  Bij het vaststellen van een onregelmatigheid gaan de lidstaten over tot de nodige financiële correcties. De correcties door de lidstaten houden in dat de financiële bijdrage geheel of gedeeltelijk wordt ingetrokken. Bedragen die door een geconstateerde onregelmatigheid ten onrechte zijn uitbetaald, worden door de lidstaat teruggevorderd en aan de Commissie terugbetaald; indien terugbetaling door de desbetreffende lidstaat niet binnen de daarvoor gestelde termijn plaatsvindt, is achterstandsrente verschuldigd.

4.  In het kader van haar verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de algemene begroting van de Unie stelt de Commissie alles in het werk om te verifiëren of de gefinancierde acties conform het beginsel van goed financieel beheer zijn uitgevoerd. Het is de verantwoordelijkheid van de aanvragende lidstaat zorg te dragen voor een goed functionerend systeem voor beheer en controle. De Commissie verifieert of dergelijke systemen inderdaad aanwezig zijn.

Onverminderd de bevoegdheden van de Rekenkamer en de controles van de lidstaten overeenkomstig de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, mogen ambtenaren of vertegenwoordigers van de Commissie de door het EFG EFT gefinancierde maatregelen ter plaatse controleren, waaronder door middel van steekproeven, mits deze controles ten minste één werkdag van tevoren worden aangekondigd. De Commissie stelt de aanvragende lidstaat in kennis van de controle teneinde alle nodige medewerking te verkrijgen. Aan deze controles mogen ambtenaren of vertegenwoordigers van de betrokken lidstaat deelnemen.

5.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 25 gedelegeerde handelingen vast te stellen om lid 1, onder e), aan te vullen met de criteria waarbij wordt bepaald welke onregelmatigheden moeten worden gerapporteerd en welke gegevens moeten worden verstrekt.

6.  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van dit artikel, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling het model vast voor de rapportering van onregelmatigheden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

7.  De lidstaat zorgt ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot uitgaven gedurende een periode van drie jaar na de afsluiting van een financiële bijdrage uit het EFG EFT ter beschikking van de Commissie en de Rekenkamer worden gehouden.

Artikel 24

Terugvordering van de financiële bijdrage

1.  Als de daadwerkelijke kosten van het gecoördineerde pakket van individuele dienstverlening lager uitvallen dan de financiële bijdrage uit hoofde van artikel 16, vordert de Commissie het overeenkomstige bedrag terug nadat zij de betrokken lidstaat de gelegenheid heeft gegeven opmerkingen te maken.

2.  Als de Commissie na de nodige verificatie vaststelt dat een lidstaat niet voldoet, hetzij aan de in het besluit betreffende een financiële bijdrage vastgelegde verplichtingen, hetzij aan zijn verplichtingen op grond van artikel 23, lid 1, geeft zij de betrokken lidstaat de gelegenheid opmerkingen te maken. Indien geen overeenstemming is bereikt, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast om tot de vereiste financiële correcties over te gaan door de bijdrage uit het EFG EFT aan de desbetreffende maatregel geheel of gedeeltelijk in te trekken. Zij neemt dit besluit binnen twaalf maanden na ontvangst van de opmerkingen van de lidstaat. Bedragen die door een geconstateerde onregelmatigheid ten onrechte zijn uitbetaald, worden door de betrokken lidstaat teruggevorderd; indien terugbetaling door de aanvragende lidstaat niet binnen de daarvoor gestelde termijn plaatsvindt, is achterstandsrente verschuldigd.

Artikel 25

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 19, lid 3, en artikel 23, lid 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19, lid 3, en artikel 23, lid 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 19, lid 3, en artikel 23, lid 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 26

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(29).

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 4 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 27

Overgangsbepaling

Verordening (EU) nr. 1309/2013 blijft van toepassing op aanvragen die tot en met 31 december 2020 worden ingediend. Zij is van toepassing tot de afsluiting van de respectieve dossiers.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing op de aanvragen die vanaf 1 januari 2021 worden ingediend.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren voor EFG-EFT-aanvragen

Alle persoonsgegevens(30) moeten worden uitgesplitst naar gender (vrouw, man, non-binair).

(1)  Gemeenschappelijke outputindicatoren betreffende de begunstigden

—  werklozen*;

—  inactieven*;

—  werknemers*;

—  zelfstandigen*;

—  jonger dan 30 jaar*;

—  ouder dan 54 jaar*;

—  met lager secundair onderwijs of minder (ISCED 0-2)*;

—  met hoger secundair (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4)*;

—  met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8)*;

—  met minder dan twee jaar beroepservaring;

—  met tussen de twee en tien jaar beroepservaring;

—  met meer dan tien jaar beroepservaring. [Am. 95]

Het totale aantal begunstigden moet automatisch worden berekend op basis van de gemeenschappelijke outputindicatoren in verband met de beroepsstatus(31).

Die gegevens over begunstigden die deelnemen aan de door het EFG EFT medegefinancierde maatregelen moeten in het in artikel 20, lid 1, bedoelde eindverslag worden verstrekt.

(2)  Gemeenschappelijke resultaatindicatoren voor de begunstigden

—  percentage EFG-EFT-begunstigden met een arbeidsovereenkomst (uitgesplitst naar soort arbeidsovereenkomst: voltijds/deeltijds, bepaalde/onbepaalde tijd) en percentage dat werkt als zelfstandige, zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode*;

—  percentage EFG-EFT-begunstigden dat een kwalificatie behaalt zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode*;

—  percentage EFG-EFT-begunstigden dat onderwijs of opleiding volgt zes maanden na het einde van de uitvoeringsperiode*.

Deze gegevens moeten in het in artikel 20, lid 1, bedoelde eindverslag worden verstrekt en moeten met behulp van door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en via enquêtes onder begunstigden (als aangegeven in artikel 20, lid 1, onder d)) verstrekte gegevens worden verzameld. Die gegevens moeten betrekking hebben op het berekende totale aantal volgens de gemeenschappelijke outputindicatoren (punt 1) gerapporteerde begunstigden. De percentages moeten dus ook betrekking hebben op dit berekende totaal.

(3)  Gemeenschappelijke resultaatindicator op langere termijn voor de begunstigden

—  percentage EFG-EFT-begunstigden dat aan het werk is, met inbegrip van werk als zelfstandige, achttien maanden na het einde van de in het financieringsbesluit vermelde uitvoeringsperiode*.

Deze gegevens moeten uiterlijk op het einde van de negentiende maand na het einde van de uitvoeringsperiode beschikbaar worden gesteld. De gegevens moeten betrekking hebben op het berekende totale aantal volgens de gemeenschappelijke outputindicatoren (punt 1) gerapporteerde begunstigden. De percentages moeten dus ook betrekking hebben op dit berekende totaal. Bij grotere dossiers met meer dan 1 000 begunstigden kunnen de gegevens ook worden verzameld op basis van een representatieve steekproef van het totale aantal volgens een outputindicator (punt 1) gerapporteerde begunstigden.

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(3)PB C ....
(4)PB C .
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 16 janauri 2019.
(6)https://ec.europa.eu/commission/priorities/deeper-and-fairer-economic-and-monetary-union/european-pillar-social-rights_nl
(7)http://eu-un.europa.eu/eu-response-2030-agenda-sustainable-development-sustainable-european-future/
(8)https://sustainabledevelopment.un.org/post2015/transformingourworld
(9)http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=CELEX:52018DC0098&qid=1527070810305&from=NL
(10)https://ec.europa.eu/commission/white-paper-future-europe-reflections-and-scenarios-eu27_nl
(11)https://ec.europa.eu/commission/publications/reflection-paper-harnessing-globalisation_nl
(12)https://ec.europa.eu/commission/publications/reflection-paper-future-eu-finances_nl
(13)Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "EU-kwaliteitskader voor anticipatie op veranderingen en herstructurering", COM(2013)0882 van 13 december 2013.
(14)Verordening (EG) nr. 1927/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot oprichting van een Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (PB L 406 van 30.12.2006, blz. 1).
(15)Verordening (EG) nr. 546/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1927/2006 tot oprichting van een Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (PB L 167 van 29.6.2009, blz. 26).
(16)Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (OJ L 347, 20.12.2013, p. 855).
(17)COM(2018)0297 en het begeleidende SWD(2018)0192.
(18)SWD(2018)0171 van de Commissie en de bijlage erbij (COM(2018)0321).
(19)PB L […] van […], blz. […].
(20)De verwijzing moet nog worden geactualiseerd.
(21)De verwijzing moet nog worden geactualiseerd.
(22)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(23)Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(24)Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraude en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(25)Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(26)Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(27) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(28)De verwijzing moet nog worden gecontroleerd/geactualiseerd: Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16).
(29) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(30)De managementautoriteiten moeten een systeem opzetten dat de individuele gegevens van elke deelnemer in gecomputeriseerde vorm vastlegt en opslaat. De door de lidstaten ingevoerde regelingen voor de verwerking van gegevens moeten stroken met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1), en met name de artikelen 4, 6 en 9. De onder de met een * aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn persoonsgegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679. De verwerking daarvan is noodzakelijk om een wettelijke verplichting na te komen waaraan de voor de verwerking verantwoordelijke is onderworpen (artikel 6, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/679).
(31)Werkloos, inactief, werknemer, zelfstandige.


Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) ***I
PDF 418kWORD 169k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 16 januari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) (COM(2018)0382 – C8-0232/2018 – 2018/0206(COD))(1)
P8_TA(2019)0020A8-0461/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1)  Overeenkomstig artikel 3 VEU zet de Unie zich bij de totstandbrenging van een interne markt in voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind, alsook de bestrijding van sociale uitsluiting en discriminatie. In overeenstemming met artikel 9 VWEU dient de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening te houden met de eisen in verband met onder meer de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+). Om bij te dragen tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen en daardoor bijdragen aan de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU.
(1)  Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+). Om bij te dragen tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, openbare diensten, gezondheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen en daardoor bijdragen aan de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig de artikelen 174 en 175 VWEU. Alle acties in het kader van het ESF+ moeten stroken met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met inachtneming van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de Europese Unie en al haar lidstaten partij zijn.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten in aansluiting met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale en/of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Zij moeten ook dienen om de financiering van de Unie op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma's die in voorkomend geval door de Unie worden ondersteund in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, de stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU.
(2)  Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten in onderlinge samenwerking door de nationale, regionale en lokale autoriteiten worden ontwikkeld, een genderperspectief omvatten en in aansluiting met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale en/of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Zij moeten ook dienen om de financiering van de Unie op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma's die in voorkomend geval door de Unie worden ondersteund in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, de stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De Raad van [...] heeft herziene richtsnoeren goedgekeurd voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten om de tekst af te stemmen op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met het oog op het verbeteren van het concurrentievermogen van Europa en om Europa een betere plaats te maken om te investeren, banen te scheppen en de sociale cohesie te bevorderen. Om het ESF+ volledig af te stemmen op de doelstellingen van die richtsnoeren, met name wat werkgelegenheid, onderwijs, opleiding en bestrijding van sociale uitsluiting, armoede en discriminatie betreft, moet het ESF+ de lidstaten ondersteunen met inachtneming van de relevante geïntegreerde richtsnoeren en de relevante landenspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 121, lid 2 VWEU, en artikel 148, lid 4 VWEU, en, in voorkomend geval, op nationaal niveau, de nationale hervormingsprogramma's, onderbouwd door de nationale strategieën. Het ESF+ moet ook bijdragen aan relevante aspecten van de uitvoering van belangrijke initiatieven en activiteiten van de Unie (met name de "vaardighedenagenda voor Europa" en de Europese onderwijsruimte), relevante aanbevelingen van de Raad en andere initiatieven zoals de jongerengarantie, de bijscholingstrajecten en de integratie van langdurig werklozen.
(3)  De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten die de Raad overeenkomstig artikel 148, lid 2, VWEU heeft aangenomen – meer bepaald het stimuleren van de vraag naar arbeid; verbetering van het arbeidsaanbod: toegang tot de arbeidsmarkt, vaardigheden en competenties; verbetering van de werking van de arbeidsmarkten en de doeltreffendheid van de sociale dialoog; gelijke kansen voor iedereen bevorderen, sociale inclusie stimuleren en armoede bestrijden, met inbegrip van betere openbare diensten in de gezondheidszorg en andere sectoren – maken samen met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid als vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2 VWEU, deel uit van de geïntegreerde richtsnoeren die als basis dienen voor de Europa 2020-strategie. De Raad van [...] heeft herziene richtsnoeren goedgekeurd voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten om deze af te stemmen op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met het oog op het stimuleren van nieuwe werkgelegenheid en het bevorderen van de sociale cohesie, om zo het concurrentievermogen van Europa te verbeteren en van de Unie een betere plaats te maken om te investeren. Om het ESF+ volledig af te stemmen op de doelstellingen van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid, moeten de lidstaten de voor hen relevante ESF+-steun programmeren met inachtneming van die richtsnoeren, alsook van de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 148, lid 4, en artikel 121, lid 2, VWEU, en, op nationaal niveau, van de werkgelegenheids- en sociale aspecten van de nationale hervormingsprogramma's, onderbouwd door de nationale strategieën. Het ESF+ moet ook bijdragen aan relevante aspecten van de uitvoering van belangrijke initiatieven en activiteiten van de Unie, met name de "vaardighedenagenda voor Europa", de Europese onderwijsruimte en de jongerengarantie, alsook van andere relevante aanbevelingen van de Raad en andere initiatieven zoals "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken", de bijscholingstrajecten, de integratie van langdurig werklozen, het kwaliteitskader voor stages en leerlingplaatsen, en het actieplan inzake de integratie van onderdanen van derde landen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Op 20 juni 2017 heeft de Raad de reactie van de Unie "Een duurzame Europese toekomst" op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN) bekrachtigd. De Raad onderstreept hoe belangrijk het is om duurzame ontwikkeling te bereiken in al haar drie dimensies (economisch, sociaal en milieu), en om dit op een evenwichtige en geïntegreerde wijze te doen. Het is cruciaal dat duurzame ontwikkeling integraal deel gaat uitmaken van alle interne en externe beleidsterreinen van de EU en dat de Unie een ambitieus beleid voert om wereldwijde uitdagingen aan te pakken. De Raad verwelkomde de mededeling van de Commissie "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" van 22 november 2016 als een eerste stap naar het integreren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en het centraal stellen van duurzame ontwikkeling in al haar beleid, ook via haar financiële instrumenten.
(4)  Op 20 juni 2017 heeft de Raad de reactie van de Unie "Een duurzame Europese toekomst" op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN) bekrachtigd. De Raad onderstreept hoe belangrijk het is om duurzame ontwikkeling te bereiken in al haar drie dimensies (economisch, sociaal en milieu), en om dit op een evenwichtige en geïntegreerde wijze te doen. Het is cruciaal dat duurzame ontwikkeling integraal deel gaat uitmaken van alle interne en externe beleidsterreinen van de EU en dat de Unie een ambitieus beleid voert om wereldwijde uitdagingen aan te pakken. De Raad verwelkomde de mededeling van de Commissie "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" van 22 november 2016 als een eerste stap naar het integreren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en het centraal stellen van duurzame ontwikkeling in al haar beleid, ook via haar financiële instrumenten. Het ESF+ moet onder meer bijdragen aan de tenuitvoerlegging van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, onder meer door extreme vormen van armoede uit te bannen (doelstelling 1), door kwaliteitsvol en inclusief onderwijs te bevorderen (doelstelling 4), door gendergelijkheid te bevorderen (doelstelling 5), door aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen te bevorderen (doelstelling 8) en door ongelijkheid terug te dringen (doelstelling 10).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Het Europees Sociaal Handvest dat op 18 oktober 1961 in Turijn werd ondertekend indachtig, moeten de Unie en de lidstaten zich ten doel stellen de werkgelegenheid te bevorderen en de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, teneinde blijvend hoge werkgelegenheidsniveaus te waarborgen en uitsluiting te bestrijden, overeenkomstig artikel 151 VWEU.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  De Europese samenleving staat nog steeds voor een groot aantal sociale uitdagingen. Meer dan 100 miljoen mensen lopen het risico om in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terecht te komen, de jeugdwerkloosheid is nog steeds meer dan twee keer zo hoog als de algemene werkloosheid en een betere integratie van onderdanen van derde landen is noodzakelijk. Deze uitdagingen vormen niet alleen een gevaar voor het welzijn van de rechtstreeks betrokken personen, maar leggen ook economische en maatschappelijke druk op de Europese samenleving als geheel.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De Unie wordt geconfronteerd met structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, het beheer van migratiestromen en de toenemende veiligheidsbedreigingen, de overgang naar schone energie, technologische veranderingen en de steeds meer vergrijzende beroepsbevolking en het toenemend tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio's, dat vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, door groei inclusiever te maken en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, ook met het oog op arbeidsmobiliteit.
(5)  De Unie wordt geconfronteerd met structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, sociale ongelijkheden, het beheer van migratiestromen en de bijbehorende integratieproblemen, een rechtvaardige overgang naar schone energie, technologische veranderingen, demografische achteruitgang, werkloosheid in het algemeen en jeugdwerkloosheid, de steeds meer vergrijzende samenleving en beroepsbevolking en het toenemend tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio's, dat vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, onderwijs, opleiding en een leven lang leren, door groei inclusiever te maken en het vaardigheden- en kennisbeleid en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, ook met het oog op arbeidsmobiliteit van burgers van de Unie en het aanpakken van de toenemende ongelijkheid op gezondheidsgebied tussen en binnen de lidstaten.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Verordening (EU) nr. [...] stelt het kader vast voor actie door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor grensbeheer en visa (BMVI) als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), en bevat met name de beleidsdoelstellingen en de regels betreffende programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor de fondsen van de Unie die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ worden omschreven en moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.
(6)  Verordening (EU) nr. [...] stelt het kader vast voor actie door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor grensbeheer en visa (BMVI) als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), en bevat met name de beleidsdoelstellingen en de regels betreffende programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor de fondsen van de Unie die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ en de coördinatie ervan met andere fondsen worden omschreven en moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. [het nieuwe Financieel Reglement] (het "Financieel Reglement") bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen de regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties. Om te zorgen voor samenhang in de uitvoering van financieringsprogramma's van de Unie, is het Financieel Reglement van toepassing op de acties die worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van het ESF+.
(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. [het nieuwe Financieel Reglement] (het "Financieel Reglement") bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen de regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties en synergieën tussen financieringsinstrumenten. Om te zorgen voor samenhang in de uitvoering van financieringsprogramma's van de Unie, is het Financieel Reglement van toepassing op de acties die worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van het ESF+. Deze verordening moet de operationele doelstellingen omschrijven en de specifieke bepalingen vaststellen betreffende de in aanmerking komende acties die in het kader van het ESF+ onder direct en indirect beheer kunnen worden gefinancierd.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De in deze verordening vermelde financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies houdt dit in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, alsook financiering die niet aan de kosten is gekoppeld, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Om maatregelen uit te voeren die verband houden met de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, en overeenkomstig artikel 88 van de GB-verordening kan de Commissie lidstaten vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.
(8)  De in deze verordening vermelde financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies houdt dit in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, alsook financiering die niet aan de kosten is gekoppeld, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Om maatregelen uit te voeren die verband houden met de sociaal-economische inclusie van onderdanen van derde landen, en overeenkomstig artikel 88 van de GB-verordening kan de Commissie lidstaten vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Om het financieringslandschap te stroomlijnen en te vereenvoudigen en om aanvullende mogelijkheden voor synergieën te creëren via geïntegreerde benaderingen inzake financiering, moeten de acties die werden ondersteund door het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie en het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid worden geïntegreerd in één ESF+. Het ESF+ moet daarom drie onderdelen omvatten: het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid. Dat zou moeten bijdragen tot een vermindering van de administratieve lasten die gepaard gaan met het beheer van verschillende fondsen, vooral voor de lidstaten, terwijl de eenvoudigere regels voor eenvoudigere acties, zoals de distributie van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, worden behouden.
(9)  Om het financieringslandschap te stroomlijnen en te vereenvoudigen en om aanvullende mogelijkheden voor synergieën te creëren via geïntegreerde benaderingen inzake financiering, moeten de acties die werden ondersteund door het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie en het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid worden geïntegreerd in één ESF+. Het ESF+ moet daarom drie onderdelen omvatten: het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid onder direct en indirect beheer. Dat zou moeten bijdragen tot een vermindering van de administratieve lasten die gepaard gaan met het beheer van verschillende fondsen, vooral voor de lidstaten en de begunstigden, terwijl de eenvoudigere regels voor eenvoudigere acties, zoals de distributie van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, worden behouden.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Met het oog op dit bredere toepassingsgebied van het ESF+ moet ervan worden uitgegaan dat de doelstellingen om de arbeidsmarkten efficiënter te maken en de toegang tot kwaliteitsvol werk te bevorderen, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren en sociale inclusie en gezondheid te bevorderen niet enkel worden uitgevoerd onder gedeeld beheer, maar ook onder direct en indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid voor acties die nodig zijn op Unieniveau.
(10)  De Unie moet bijdragen aan het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten door samenwerking aan te moedigen en hun acties aan te vullen. Met het oog op dit bredere toepassingsgebied van het ESF+ moet ervan worden uitgegaan dat de doelstellingen om de doeltreffendheid van inclusieve, open en eerlijke arbeidsmarkten voor alle genders te vergroten en de toegang tot kwaliteitsvol werk te bevorderen, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren, bij te dragen aan re-integratie in onderwijsstelsels en een leven lang leren, sociale inclusie en gezondheid te bevorderen en armoede uit te bannen, ook in de toekomst hoofdzakelijk zullen worden uitgevoerd onder gedeeld beheer, en in voorkomend geval met aanvullingen onder direct en indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid voor acties die nodig zijn op Unieniveau.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  De integratie van het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid in het ESF+ zal ook synergieën creëren tussen de ontwikkeling en beproeving van initiatieven en beleidsmaatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid, veerkrachtigheid en duurzaamheid van gezondheidsstelsels die door het onderdeel gezondheid van het ESF+ zijn ontwikkeld, en de uitvoering daarvan in de lidstaten via de instrumenten die door de andere onderdelen van de ESF+-verordening worden aangeleverd.
(11)  De integratie van het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid in het ESF+ zal ook synergieën creëren tussen de ontwikkeling en beproeving van initiatieven en beleidsmaatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid, toegankelijkheid, veerkrachtigheid en duurzaamheid van gezondheidsstelsels die door het onderdeel gezondheid van het ESF+ zijn ontwikkeld, en de uitvoering daarvan in de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau via de instrumenten die door de andere onderdelen van de ESF+-verordening worden aangeleverd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  In deze verordening worden de financiële middelen voor het ESF+ vastgelegd. Delen van die financiële middelen moeten worden gebruikt voor acties die moeten worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid.
(12)  In deze verordening worden de financiële middelen voor het ESF+ vastgelegd. De toewijzingen voor activiteiten die moeten worden uitgevoerd onder gedeeld beheer en de toewijzingen voor acties die moeten worden uitgevoerd in direct of indirect beheer moeten worden gespecificeerd.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Het ESF+ moet erop gericht zijn de werkgelegenheid te bevorderen door actieve maatregelen waardoor (her)integratie op de arbeidsmarkt, met name van jongeren, langdurig werklozen en inactieven, mogelijk wordt gemaakt, alsook door zelfstandige arbeid en de sociale economie te bevorderen. Het ESF+ moet erop gericht zijn de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren door de modernisering van de arbeidsmarktinstellingen, zoals de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, te ondersteunen om hun capaciteit te verbeteren om intensief gericht advies en begeleiding te verlenen tijdens de zoektocht naar werk en de overgang naar werk en om de mobiliteit van werknemers te verbeteren. Het ESF+ moet de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen via maatregelen die er onder meer op gericht zijn het evenwicht tussen werk en privéleven en de toegang tot kinderopvang te verbeteren. Het ESF+ moet ook tot doel hebben een gezonde en goed aangepaste werkomgeving te creëren om te beantwoorden aan de gezondheidsrisico's die verband houden met de veranderende vormen van werk en de behoeften van een vergrijzende beroepsbevolking.
(13)  Het ESF+ moet erop gericht zijn om, in nauwe samenwerking met de lidstaten, de werkgelegenheid te bevorderen door actieve maatregelen waardoor integratie en re-integratie op de arbeidsmarkt, met name van jongeren, langdurig werklozen, verzorgers en economisch inactieve en kansarme groepen, mogelijk wordt gemaakt, alsook door zelfstandige arbeid, ondernemerschap en de sociale economie te bevorderen. Het ESF+ moet erop gericht zijn het werkgelegenheidsbeleid en de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren door de modernisering van de arbeidsmarktinstellingen, zoals de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, te ondersteunen om hun capaciteit te verbeteren om waar passend intensief gericht advies en begeleiding te verlenen tijdens de zoektocht naar werk en de overgang naar werk, met bijzondere aandacht voor kansarme groepen, om de mobiliteit van werknemers te vergemakkelijken en om hun diensten op niet-discriminerende wijze te verlenen. Het ESF+ moet de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen via maatregelen die onder meer gericht zijn op een beter evenwicht tussen werk en privéleven en vlotte toegang tot betaalbare of kosteloze, hoogwaardige kinderopvang, ouderenzorg en andere zorgdiensten of steun van goede kwaliteit. Het ESF+ moet ook tot doel hebben een veilige, gezonde en goed aangepaste werkomgeving te creëren om te beantwoorden aan de gezondheidsrisico's die verband houden met werk en met de veranderende vormen van werk en de behoeften van een vergrijzende beroepsbevolking. Het ESF+ moet ook maatregelen ondersteunen die bedoeld zijn om de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt gemakkelijker te maken voor jongeren.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Om het banenscheppend potentieel van de sociale economie te ondersteunen en te ontsluiten, moet het ESF+ een bijdrage leveren om ondernemingen in de sociale economie een prominentere plaats te geven in de nationale plannen voor werkgelegenheid en sociale innovatie, alsook in de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten. De definitie van ondernemingen in de sociale economie moet overeenstemmen met de definities die zijn vastgesteld in het recht van de lidstaten inzake sociale economie, alsook in de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Het ESF+ moet steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwaliteitsvoller, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder digitale vaardigheden die elke persoon nodig heeft voor zelfontplooiing en ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. Het ESF+ moet helpen bij de voortgang in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk. Het moet een leven lang leren en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ondersteunen en bijdragen tot het concurrentievermogen en de maatschappelijke en economische innovatie door schaalbare en duurzame initiatieven op deze gebieden te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt via werkgerelateerde opleidingen en leerlingplaatsen, levenslange begeleiding, het anticiperen op vaardigheden in samenwerking met de sector, actueel opleidingsmateriaal, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties.
(14)  Het is van essentieel belang dat het ESF+, als belangrijkste instrument van de Unie ter bevordering van werkgelegenheid, vaardigheden en sociale inclusie, in staat is een bijdrage te leveren aan de sociale, economische en territoriale cohesie in alle delen van de Unie. Met het oog hierop moet het ESF+ steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwaliteitsvoller, minder discriminerend, toegankelijker, inclusiever, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder talenkennis, ondernemers- en digitale vaardigheden, waaronder vaardigheden inzake gegevensbescherming en informatiebeheer, die elke persoon nodig heeft voor zelfontplooiing en ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. In het geval van langdurig werklozen en mensen met een kansarme sociale achtergrond moet er bijzondere aandacht worden geschonken aan de versterking van hun positie. Het ESF+ moet helpen bij de voortgang in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk en re-integratie in de arbeidsmarkt. Het moet voor iedereen een leven lang leren en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ondersteunen en bijdragen tot inclusiviteit, concurrentievermogen, vermindering van horizontale en verticale segregatie en maatschappelijke en economische innovatie door schaalbare en duurzame initiatieven op deze gebieden te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt via investeringen in beroepsonderwijs, werkgerelateerde opleidingen en leerlingplaatsen, waarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op de succesformule van duaal onderwijs waarbij onderwijs wordt gecombineerd met werkervaring, levenslange begeleiding, het anticiperen op vaardigheden in samenwerking met de sociale partners, actueel opleidingsmateriaal, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, ondersteuning van informeel en niet-formeel leren, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties. Het ESF+ moet onder minderheden de toegang tot het vak van leraar bevorderen, om te zorgen voor een betere integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, zoals de Romagemeenschap, minderheden en migranten.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Het ESF+ moet ondersteuning bieden voor maatregelen in het kader van de nationale plannen van de lidstaten die bedoeld zijn om energiearmoede uit te bannen en energie-efficiëntie van gebouwen te bevorderen bij kwetsbare huishoudens, waaronder huishoudens die getroffen zijn door energiearmoede, en in voorkomend geval van sociale woningen, in overeenstemming met de mededeling van de Commissie getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" en met Verordening nr. XX/XX van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie en Richtlijn (XX/XX) van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)  In de toekomst moet de toewijzing van middelen uit het ESF+ aan de lidstaten verbonden worden aan voorwaarden, waarbij de lidstaten moeten aantonen dat deze middelen daadwerkelijk worden ingezet voor projecten om het duale systeem waarbij onderwijs wordt gecombineerd met werkervaring in te voeren of verder uit te bouwen in het kader van de jongerengarantie.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen, in het bijzonder voor kansarme groepen, tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding. Daarbij moet overstappen tussen onderwijs- en opleidingssectoren worden vergemakkelijkt, voortijdig schoolverlaten worden voorkomen, de kennis van gezondheid worden verbeterd, de koppeling met niet-formeel en informeel leren worden versterkt en de leermobiliteit voor iedereen worden vergemakkelijkt. Synergieën met het programma Erasmus, met name ter bevordering van de deelname van kansarme lerenden aan leermobiliteit, moet in deze context worden ondersteund.
(15)  Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen, in het bijzonder voor kansarme groepen, tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen (waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan kinderen met een kansarme sociale achtergrond, zoals kinderen in een instelling en dakloze kinderen) via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, met inbegrip van re-integratie in het onderwijssysteem, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding. Daarbij moet generatiearmoede worden voorkomen, het overstappen tussen onderwijs- en opleidingssectoren worden vergemakkelijkt, voortijdig schoolverlaten en sociale uitsluiting worden teruggedrongen en voorkomen, de kennis van gezondheid worden verbeterd, de koppeling met niet-formeel en informeel leren worden versterkt en de leermobiliteit voor iedereen worden vergemakkelijkt. Dergelijke vormen van informeel leren mogen niet in de plaats komen van toegang tot het reguliere onderwijs, met name in het geval van kleuter- en basisonderwijs. In dit verband moeten er synergieën, complementariteit en beleidssamenhang met het programma Erasmus tot stand worden gebracht, om kansarme lerenden op passende wijze en actief te benaderen, hen voor te bereiden op mobiliteitservaringen in het buitenland en hun deelname aan grensoverschrijdende leermobiliteit te verhogen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Steun in het kader van de investeringsprioriteit "vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling" draagt bij aan de doelstellingen van deze verordening. Strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling die worden ondersteund met middelen uit het ESF+ moeten inclusief zijn in de zin dat op het desbetreffende grondgebied aanwezige kansarmen bij de strategieën betrokken moeten worden, zowel wat betreft governance van plaatselijke actiegroepen als de inhoud van de strategie. Middelen uit het ESF+ moeten ook kunnen worden ingezet ter ondersteuning van strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling in stedelijke en plattelandsgebieden en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI).
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  De meerwaarde van het cohesiebeleid van de Unie is met name gelegen in de gebiedsgerichte benadering met territoriale dimensie, de multilevel governance, de meerjarige planning en de gedeelde en meetbare doelstellingen, de benadering van geïntegreerde ontwikkeling en de convergentie naar Europese normen in de administratieve capaciteit.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 quater (nieuw)
(15 quater)  De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat gendergelijkheid en de integratie van het genderperspectief een bindend beginsel vormen in alle fasen van de programmering, van de invulling van de prioriteiten van de operationele programma's tot de uitvoering, monitoring en evaluatie daarvan, en dat belangrijke acties gericht op gendermainstreaming steun ontvangen.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 quinquies (nieuw)
(15 quinquies)   Het ESF+ moet onderwijsprogramma's ondersteunen op basis waarvan laaggeschoolde volwassenen de mogelijkheid krijgen een minimumniveau van lees- en schrijfvaardigheden, cijfervaardigheden en digitale vaardigheden te verwerven overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen1 bis.
__________________
1 bis PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Het ESF+ moet flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen, met name op het gebied van digitale vaardigheden en sleuteltechnologieën, bevorderen, om mensen uit te rusten met vaardigheden die zijn aangepast aan digitalisering, technologische veranderingen, innovatie en sociale en economische veranderingen. Het moet loopbaanovergangen vergemakkelijken en mobiliteit bevorderen en in het bijzonder laaggeschoolde volwassenen of volwassenen met geringe vaardigheden ondersteunen in overeenstemming met de agenda voor vaardigheden voor Europa.
(16)  Het ESF+ moet flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen bevorderen, met name op het gebied van ondernemers- en digitale vaardigheden en sleuteltechnologieën, om mensen en lokale gemeenschappen uit te rusten met vaardigheden, competenties en kennis die zijn aangepast aan digitalisering, technologische veranderingen, innovatie en sociale en economische veranderingen, bijvoorbeeld als gevolg van de overgang naar een koolstofarme economie, daarbij rekening houdend met de uitdagingen waarmee verschillende kansarme groepen worden geconfronteerd. Het ESF+ moet tevens de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt vergemakkelijken en mobiliteit bevorderen en in het bijzonder laaggeschoolde volwassenen, personen met een handicap en/of volwassenen met geringe vaardigheden ondersteunen in overeenstemming met de agenda voor vaardigheden voor Europa en met aandacht voor de samenhang en complementariteit met het programma Digitaal Europa.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Synergieën met het programma Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat het ESF+ door Horizon Europa ondersteunde innovatieve onderwijsprogramma's kan integreren en uitbreiden om mensen uit te rusten met de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de banen van de toekomst.
(17)  Synergieën met het programma Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat het ESF+ door Horizon Europa ondersteunde innovatieve onderwijsprogramma's kan integreren en uitbreiden om mensen uit te rusten met de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor hun persoonlijke en professionele ontwikkeling, alsook voor de banen van de toekomst, en om in te spelen op de maatschappelijke uitdagingen van vandaag en morgen. De Commissie moet zorgen voor synergieën tussen het onderdeel gezondheid en het programma Horizon Europa om een impuls te geven aan de resultaten die op het gebied van gezondheidsbescherming en ziektepreventie worden geboekt.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)   Synergieën met het programma Rechten en waarden moeten ervoor zorgen dat het ESF+ acties kan integreren en uitbreiden ter voorkoming en bestrijding van discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, moslimhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid, alsook specifieke acties kan ondernemen gericht op het voorkomen van haat, segregatie en stigmatisering, met inbegrip van pesten, intimidatie en onverdraagzame behandeling.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 ter (nieuw)
(17 ter)   De synergieën die zijn gecreëerd dankzij de Europese territoriale samenwerking op regionaal en grensoverschrijdend niveau, hebben niet alleen in de Unie, maar ook met landen die zich in de pretoetredingsfase bevinden en met buurlanden geleid tot samenwerkingsprojecten die gericht zijn op verbetering van de werkgelegenheid, de inclusie van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen, demografische uitdagingen, gezondheid en onderwijs, waarbij samenwerking op Unieniveau een toegevoegde waarde biedt. Het ESF+ moet meer middelen uittrekken voor dit soort projecten en de kennisoverdracht tussen deze projecten en het wetgevingsproces waarborgen met het oog op verbetering van het Europese regelgevingskader en bevordering van de uitwisseling van goede praktijken tussen de gebieden van de Unie.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten ter bestrijding van armoede ondersteunen zodat het doorgeven van achterstand van generatie op generatie wordt doorbroken. Het moet sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen te waarborgen voor iedereen en discriminatie en ongelijkheid op gezondheidsgebied aan te pakken. Dit vereist dat een heel scala aan beleidsmaatregelen voor de meest kansarmen wordt ingezet, ongeacht hun leeftijd, met inbegrip van kinderen, gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma en werkende armen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociaal-economische integratie. Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van de tijdige en gelijke toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten, zoals gezondheidszorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband. Het ESF+ moet bijdragen tot de modernisering van socialebeschermingssystemen, vooral met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid ervan.
(18)  Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten voor het uitbannen van armoede – met inbegrip van energiearmoede als bedoeld in de recent vastgestelde regels inzake de governance van de energie-unie [nummer van de verordening invoegen zodra deze gepubliceerd is] – ondersteunen op alle bestuursniveaus, ook op regionaal en lokaal niveau, zodat het doorgeven van achterstand van generatie op generatie wordt doorbroken. Het ESF+ moet sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen te waarborgen voor iedereen, belemmeringen weg te nemen, discriminatie te bestrijden en ongelijkheid op sociaal en gezondheidsgebied aan te pakken. Dit betekent tevens – maar niet uitsluitend – dat er een heel scala aan proactieve en reactieve beleidsmaatregelen en strategieën voor de meest kansarmen moet worden ingezet, ongeacht hun leeftijd, met inbegrip van kinderen, gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma, personen met een handicap, daklozen, onderdanen van derde landen (waaronder migranten) en werkende armen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociaal-economische integratie, onder meer door middel van gerichte steun aan de sociale economie. De lidstaten moeten ESF+-acties bevorderen die een aanvulling vormen op nationale maatregelen die in het kader passen van de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten1 bis, met inbegrip van maatregelen inzake passende inkomenssteun. Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van de tijdige en gelijke toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten, zoals persoonsgerichte gezondheidszorg, gerelateerde zorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband, en diensten om mensen de weg te wijzen naar geschikte, sociale en betaalbare huisvesting. Dit heeft onder meer betrekking op diensten voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie als onderdeel van de primaire gezondheidszorg. Het ESF+ moet bijdragen tot de modernisering van socialebeschermingssystemen, vooral met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid en inclusiviteit ervan en de doeltreffendheid waarmee zij inspelen op de veranderende realiteit op de arbeidsmarkt. Het ESF+ moet zich ook richten op plattelandsarmoede die het gevolg is van specifieke nadelen van plattelandsgebieden, zoals ongunstige demografische omstandigheden, een zwakke arbeidsmarkt, beperkte toegang tot onderwijs en opleidingen of gezondheidszorg en sociale diensten.
______________
1 bis Aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11).
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Het ESF+ moet bijdragen tot het terugdringen van de armoede door ondersteuning van nationale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting en van de meest behoeftigen te bevorderen. Aangezien op Unieniveau ten minste 4 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer de meest behoeftigen ondersteunt, moeten de lidstaten ten minste 2 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede en voedselgebrek. Gezien de aard van de activiteiten en het type eindontvangers is het nodig eenvoudigere regels toe te passen op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftigen.
(19)  Het ESF+ moet bijdragen tot het uitbannen van de armoede door ondersteuning van nationale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die te maken krijgen met of risico lopen op armoede of sociale uitsluiting en van de meest behoeftigen te bevorderen. De lidstaten moeten ten minste 3 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede, armoede onder ouderen en voedselgebrek. Gezien de aard van de activiteiten en het type eindontvangers is het nodig zo eenvoudig mogelijke regels toe te passen op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftigen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   Het ESF+ moet gericht zijn op het aanpakken van de armoede onder oudere vrouwen in de hele Unie, gezien het feit dat de genderkloof op het gebied van pensioenen, die 40 % bedraagt, een acuut risico vormt voor grotere armoede onder oudere vrouwen, met name vrouwen die zonder partner leven. Het fonds moet zo gevolg geven aan de verbintenissen van de conclusies van de Raad van 2015 getiteld "Gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten"1 bis. Armoede onder oudere vrouwen neemt ook toe door de stijgende eigen bijdragen voor gezondheidszorg en geneesmiddelen die oudere patiënten moeten dragen, met name vrouwen, die een groter deel van hun leven in slechte gezondheid verkeren dan mannen, hoofdzakelijk als gevolg van hun hogere levensverwachting.
_________________
1 bis http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9302-2015-INIT/nl/pdf
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  Met het oog op de bestrijding van armoede en het verbeteren van sociale inclusie moet het ESF+ zorgen voor een grotere actieve deelname van gespecialiseerde ngo's en organisaties die personen in armoede vertegenwoordigen, zowel bij het opstellen als bij het uitvoeren van de desbetreffende specifieke programma's.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen als aanvulling op de acties die worden gefinancierd in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie.
(20)  In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, waaronder migranten, hetgeen onder meer betrekking kan hebben op initiatieven op lokaal niveau, als aanvulling op de acties die worden gefinancierd in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en die fondsen die een positief effect kunnen hebben op de inclusie van onderdanen van derde landen.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)   De autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de planning en tenuitvoerlegging van het ESF+ moeten dit doen in coördinatie met de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen om de bijstandsverlening uit het Fonds voor asiel en migratie te beheren. Op deze manier moet de integratie van onderdanen van derde landen op alle niveaus zo goed mogelijk worden bevorderd door middel van strategieën die hoofdzakelijk door lokale en regionale autoriteiten en door niet-gouvernementele organisaties worden uitgevoerd, alsook aan de hand van maatregelen die zo veel mogelijk zijn toegespitst op de specifieke situatie van de desbetreffende onderdanen van derde landen. Het toepassingsgebied van de integratiemaatregelen moet gericht zijn op onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven of in voorkomend geval in een procedure zitten om legaal in een lidstaat te verblijven, met inbegrip van personen die internationale bescherming genieten.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Het ESF+ moet beleids- en systeemhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, gezondheidszorg en langdurige zorg, en onderwijs en opleiding. Om de afstemming op het Europees Semester te verbeteren, moeten de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van relevante landspecifieke aanbevelingen in verband met structurele uitdagingen die het best kunnen worden aangepakt via meerjarige investeringen binnen het toepassingsgebied van het ESF+. De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen de ESF+-onderdelen onder gedeeld beheer en het onderdeel gezondheid van het ESF+ enerzijds en het steunprogramma voor hervormingen anderzijds, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De Commissie en de lidstaten moeten met name in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren.
(21)  Het ESF+ moet beleids- en systeemhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, uitbanning van armoede, gezondheidszorg en langdurige zorg, en onderwijs en opleiding. Om de afstemming op het Europees Semester te verbeteren, moeten de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van relevante landspecifieke aanbevelingen in verband met structurele uitdagingen die het best kunnen worden aangepakt via meerjarige investeringen binnen het toepassingsgebied van het ESF+. De Commissie en de lidstaten moeten lokale en regionale overheden bij het proces betrekken om te zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen de ESF+-onderdelen onder gedeeld beheer en het onderdeel gezondheid van het ESF+ enerzijds en het steunprogramma voor hervormingen anderzijds, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De Commissie en de lidstaten moeten met name in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren, en moeten daarbij de beginselen en rechten als vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, het sociaal scorebord in het kader van het Europees Semester, de agenda voor waardig werk van de IAO en regionale kenmerken in acht nemen, en zo bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie als vastgesteld in artikel 174 VWEU betreffende de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Gezien de verschillen in ontwikkelingsniveau tussen de regio's en de uiteenlopende sociale omstandigheden in de Unie, moet het ESF+ voldoende flexibel zijn om rekening te kunnen houden met regionale en territoriale kenmerken.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Om ervoor te zorgen dat de sociale dimensie van Europa, zoals vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, naar behoren wordt bevorderd en dat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor de meest behoeftigen moeten de lidstaten ten minste 25 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de bevordering van sociale inclusie.
(22)  Om ervoor te zorgen dat de sociale dimensie van Europa, zoals vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, naar behoren wordt bevorderd en dat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor de meest behoeftigen moeten de lidstaten ten minste 27 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de bevordering van sociale inclusie en de uitbanning van armoede. Dit percentage moet een aanvulling vormen op de nationale middelen ter bestrijding van extreme armoede.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Alle lidstaten hebben het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind geratificeerd, dat de norm vormt voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind. De bevordering van de rechten van het kind is een expliciete doelstelling van het beleid van de Unie (artikel 3 van het Verdrag van Lissabon), en krachtens het Handvest moeten de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle handelingen van de Unie. De Unie en de lidstaten moeten op passende wijze van het ESF+ gebruikmaken om de vicieuze cirkel van achterstand te doorbreken voor kinderen die in een situatie van armoede en sociale uitsluiting leven, zoals omschreven in de aanbeveling van de Commissie van 2013 over investeren in kinderen. Het ESF+ moet acties ondersteunen ter bevordering van doeltreffende maatregelen die bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van het kind.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 ter (nieuw)
(22 ter)  Gezien het aanhoudend hoge percentage van kinderarmoede en sociale uitsluiting van kinderen in de Unie (26,4 % in 2017), en gezien de Europese pijler van sociale rechten, uit hoofde waarvan kinderen recht hebben op bescherming tegen armoede en kinderen uit kansarme milieus recht hebben op specifieke maatregelen ter bevordering van gelijke kansen, moeten de lidstaten ten minste 5 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de Europese kindergarantie om bij te dragen aan de gelijke toegang van kinderen tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en geschikte voeding, met het oog op de uitbanning van kinderarmoede en de sociale uitsluiting van kinderen. Wanneer reeds in een vroeg stadium wordt geïnvesteerd in kinderen, dan komt dit deze kinderen en de samenleving als geheel aanzienlijk ten goede. Deze aanpak is cruciaal om de vicieuze cirkel van kansarmoede op vroege leeftijd te doorbreken. Door kinderen te steunen bij de ontwikkeling van hun vaardigheden en capaciteiten worden zij in staat gesteld om hun volledige potentieel te ontplooien en de beste onderwijs- en gezondheidsniveaus te bereiken, hetgeen hen helpt om als jongeren actieve leden van de samenleving te worden en hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  In het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio's, die vooral van invloed zijn op jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, moeten die lidstaten zich blijven inzetten om voldoende ESF+-middelen onder gedeeld beheer te investeren in acties ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, onder andere via de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuele personen en werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten verder steun blijven verlenen voor herintegratie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs en voor outreachmaatregelen voor jongeren door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, onder meer via jeugdwerk. De lidstaten moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken en de diensten voor arbeidsvoorziening te hervormen en aan te passen zodat zij ondersteuning op maat kunnen bieden aan jongeren. De betrokken lidstaten moeten daarom ten minste 10 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan ondersteuning van de inzetbaarheid van jongeren.
(23)  In het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio's, die vooral van invloed zijn op jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's), een probleem dat zich vooral voordoet bij jongeren met een kansarme sociale achtergrond, moeten de lidstaten zich blijven inzetten om voldoende middelen van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer te investeren in acties ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, met name via de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuele personen en werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten verder steun blijven verlenen voor hoogwaardige herintegratie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs en voor doeltreffende outreachmaatregelen voor jongeren door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, de moeilijkst te bereiken jongeren en jongeren in kwetsbare situaties, onder meer via jeugdwerk. De lidstaten moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken en de diensten voor arbeidsvoorziening te hervormen en aan te passen zodat zij ondersteuning op maat kunnen bieden aan jongeren, en die er tevens op gericht zijn deze diensten te verlenen zonder enige vorm van discriminatie. De lidstaten moeten ten minste 3 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan ondersteuning van beleidsmaatregelen op het gebied van de inzetbaarheid van jongeren, vervolgonderwijs, hoogwaardige werkgelegenheid, leerlingplaatsen en stages. De lidstaten waar het percentage NEET's boven het Uniegemiddelde ligt of meer dan 15 % bedraagt, moeten ten minste 15 % van hun nationale ESF+-middelen toewijzen aan de ondersteuning van beleidsmaatregelen op dit gebied, waarbij ze optreden op het passende territoriale niveau.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  Ongelijkheden op subregionaal niveau komen steeds meer voor, ook in meer welvarende regio's met kernen van armoede.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 ter (nieuw)
(23 ter)   Gezien de uitbreiding van het toepassingsgebied van het ESF+ moet worden gewaarborgd dat deze extra taken gepaard gaan met extra financiële middelen, zodat de doelstellingen van het programma kunnen worden verwezenlijkt. Er is meer financiering nodig voor de bestrijding van werkloosheid – met name jeugdwerkloosheid – en armoede, en voor de ondersteuning van professionele ontwikkeling en beroepsopleidingen, met name op de digitale werkplek, in overeenstemming met de in de Europese pijler van sociale rechten opgenomen beginselen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 quater (nieuw)
(23 quater)  Eures moet op lange termijn worden versterkt, met name door het internetplatform uit te breiden en de lidstaten actief in te schakelen. De lidstaten moeten dit bestaande model doeltreffender benutten en de details van alle vacatures in de lidstaten via het Eures-systeem openbaar maken.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De lidstaten moeten zorgen voor coördinatie en complementariteit tussen de door deze fondsen ondersteunde acties.
(24)  De lidstaten en de Commissie moeten zorgen voor coördinatie en complementariteit en de benutting van synergieën tussen de acties die worden ondersteund door het ESF+ en de overige programma's en instrumenten van de Unie, zoals het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, het Erasmus-programma, het Fonds voor asiel, migratie en integratie, Horizon Europa, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, het programma Digitaal Europa, InvestEU, Creatief Europa of het Europees Solidariteitskorps.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Overeenkomstig artikel 349 VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 hebben de ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's recht op specifieke maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk beleid en de EU-programma's. Deze regio's hebben bijzondere steun nodig omwille van blijvende beperkingen.
(25)  Overeenkomstig de artikelen 349 en 174 VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 hebben de ultraperifere gebieden, de noordelijke dunbevolkte regio's en de eilanden recht op specifieke maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk beleid en de EU-programma's. Deze regio's hebben bijzondere steun nodig aangezien zij kampen met ernstige en blijvende natuurlijke belemmeringen.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  In overeenstemming met artikel 174 VWEU moeten de lidstaten en de Commissie waarborgen dat het ESF+ bijdraagt aan de ontwikkeling en uitvoering van specifiek beleid om in te spelen op de beperkingen en problemen waarmee regio's die kampen met ernstige en permanente demografische belemmeringen, zoals ontvolkte of dunbevolkte regio's, worden geconfronteerd.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen alle actoren op de relevante territoriale niveaus en de sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten de sociale partners en het maatschappelijk middenveld aanmoedigen deel te nemen aan de uitvoering van het ESF+ onder gedeeld beheer.
(26)  Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen de instellingen van de Unie en de lokale, regionale en nationale overheden, en de sociaal-economische actoren, met name de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten, in samenwerking met regionale en lokale overheden, waarborgen dat de sociale partners en organisaties van het maatschappelijk middenveld, instanties voor gelijke kansen, nationale mensenrechteninstellingen en andere relevante of representatieve organisaties op zinvolle wijze kunnen deelnemen aan de programmering en het realiseren van het ESF+, gaande van het vaststellen van prioriteiten voor operationele programma's tot de uitvoering, monitoring en evaluatie van de resultaten en effecten in overeenstemming met de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen als vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie1 bis. Daarnaast is het met het oog op de waarborging van non-discriminatie en gelijke kansen belangrijk dat ook instanties voor gelijke kansen en nationale mensenrechteninstellingen hier in elke fase bij worden betrokken.
____________
1 bis Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)  Goed bestuur en samenwerking tussen de beheersautoriteiten en de partners vergen een doeltreffende en efficiënte benutting van capaciteitsopbouw voor belanghebbenden, aan wie de lidstaten een passend deel van de ESF+-middelen moeten toewijzen. Aangezien investeringen in institutionele capaciteit alsook in de efficiëntie van het openbaar bestuur en openbare diensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau met het oog op hervormingen, betere regelgeving en goed bestuur niet langer een operationele doelstelling vormen van het ESF+ onder gedeeld beheer maar zijn opgenomen in het steunprogramma voor structurele hervormingen, moeten de Commissie en de lidstaten ervoor zorgen dat deze twee instrumenten doeltreffend op elkaar worden afgestemd.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Steun voor sociale innovatie is cruciaal om het beleid beter op de sociale veranderingen af te stemmen en innovatieve oplossingen aan te moedigen en te ondersteunen. Met name het beproeven en evalueren van innovatieve oplossingen voordat zij op grotere schaal worden toegepast, is van fundamenteel belang voor de verbetering van de doelmatigheid van het beleid en rechtvaardigt de specifieke steunverlening uit het ESF+.
(27)  Steun voor sociale innovatie en de sociale economie is cruciaal om het beleid beter op de sociale veranderingen af te stemmen en innovatieve oplossingen aan te moedigen en te ondersteunen, ook op lokaal niveau. Met name het beproeven en evalueren van innovatieve oplossingen voordat zij op grotere schaal worden toegepast, is van fundamenteel belang voor de verbetering van de doelmatigheid van het beleid en rechtvaardigt de specifieke steunverlening uit het ESF+.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)  Met het oog op de volledige benutting van het potentieel van sectoroverschrijdende samenwerking en de verbetering van de synergie en samenhang met andere beleidsterreinen ter verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het fonds, moet het ESF+ innoverende acties ondersteunen die via sport, lichaamsbeweging en cultuur aanzetten tot sociale inclusie, de strijd aangaan met jeugdwerkloosheid, met name van kansarme groepen, een betere sociale inclusie van gemarginaliseerde groepen tot stand brengen, en een gezonde levensstijl en ziektepreventie bevorderen.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU ter bevordering van gelijke behandeling en kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. Zij moeten er ook voor zorgen dat het ESF+ gelijke kansen voor iedereen bevordert, zonder discriminatie, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alsook de inclusie in de maatschappij van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Met deze beginselen moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma's, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige discriminatie. Het ESF+ mag geen acties ondersteunen die bijdragen tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) nr. [toekomstige GB-verordening] bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer moet worden voorzien.
(28)  De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU ter bevordering van gelijke behandeling en kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. De genderaspecten moeten tot uiting komen in alle programma's die worden uitgevoerd, tijdens de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie. Bovendien moet het ESF+ met name de naleving van artikel 21 van het Handvest in acht nemen, waarin is bepaald dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, verboden is. Voorts moet ook iedere vorm van discriminatie op grond van geslachtskenmerken of genderidentiteit en op grond van nationaliteit worden verboden. De lidstaten en de Commissie moeten er tevens voor zorgen dat het ESF+ de inclusie in de maatschappij bevordert van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, onder meer met betrekking tot onderwijs, werk, werkgelegenheid en universele toegang. Met deze beginselen moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma's, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige en intersectionele discriminatie. Het ESF+ mag geen acties ondersteunen die bijdragen tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) nr. [toekomstige GB-verordening] bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven in overeenstemming met het Handvest en op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer moet worden voorzien.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Het gebruik van regionale indicatoren moet in overweging worden genomen, zodat beter rekening kan worden gehouden met subregionale verschillen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 ter (nieuw)
(28 ter)   Het ESF+ moet het leren van talen ondersteunen om het wederzijds begrip te bevorderen en een inclusieve samenleving op te bouwen, eveneens door meer gebruik te maken van de toolkit voor taalondersteuning voor vluchtelingen die is ontwikkeld door de Raad van Europa.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Om de administratieve lasten in verband met de verzameling van gegevens te verminderen, moeten de lidstaten wanneer dergelijke gegevens in registers beschikbaar zijn, de beheersautoriteiten in staat stellen deze gegevens uit die registers te verkrijgen.
(29)  Om de administratieve lasten in verband met de verzameling van gegevens te verminderen, moeten de lidstaten wanneer dergelijke gegevens – eventueel uitgesplitst naar geslacht – in registers beschikbaar zijn, de beheersautoriteiten in staat stellen deze gegevens uit die registers te verkrijgen, met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1 bis. Het is raadzaam om de voortzetting van de elektronische overdracht van gegevens te stimuleren, omdat dit de administratieve lasten helpt verminderen.
__________________
1 bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Via sociale experimenten, een kleinschalig project, kan informatie worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn met haalbare ideeën op ruimere schaal of in andere contexten door te gaan met financiële ondersteuning van het ESF+ en andere bronnen.
(31)  Via sociale experimenten, een kleinschalig project, kan informatie worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn en worden aangemoedigd om ideeën op lokaal niveau te testen en met haalbare ideeën op ruimere schaal door te gaan – waar passend – of ze over te nemen in andere contexten in verschillende regio's of lidstaten met financiële ondersteuning van het ESF+ of in combinatie met andere bronnen.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de centrale diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten onderling en met de Commissie tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken en de informatie op de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd.
(32)  In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de openbare diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten, de Commissie en de sociale partners tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet, in overleg met de sociale partners, een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken en de informatie op de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd. Het ESF+ ondersteunt grensoverschrijdende partnerschappen tussen regionale openbare diensten voor arbeidsvoorziening en de sociale partners en de activiteiten die zij uitvoeren ter bevordering van mobiliteit, alsook transparantie en integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten door middel van voorlichting, advies en arbeidsbemiddeling. In veel grensregio's spelen deze partnerschappen een belangrijke rol bij de totstandbrenging van een echte Europese arbeidsmarkt.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Een van de grootste belemmeringen om een bedrijf te starten is gebrek aan toegang tot krediet voor micro-ondernemingen, de sociale economie en sociale ondernemingen, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. In de ESF+-verordening zijn bepalingen vastgesteld om een marktecosysteem te creëren om het aanbod aan en de toegang tot financiering te vergroten voor sociale ondernemingen en tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben, met name de werklozen, vrouwen en kwetsbare mensen die een micro-onderneming willen starten of uitbouwen. Aan deze doelstelling zal ook worden gewerkt via financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidscomponent voor sociale investeringen en vaardigheden van het InvestEU-fonds.
(33)  Een van de grootste belemmeringen om een bedrijf te starten is gebrek aan toegang tot krediet voor micro-ondernemingen, de sociale economie en ondernemingen in de sociale economie, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. In de ESF+-verordening zijn bepalingen vastgesteld om een marktecosysteem te creëren om het aanbod aan en de toegang tot financiering en ondersteunende diensten te vergroten voor ondernemingen in de sociale economie, waaronder die in de culturele en creatieve sector, en tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben, met name de werklozen, vrouwen en kansarme groepen die een micro-onderneming willen starten of uitbouwen. Aan deze doelstelling zal ook worden gewerkt via financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidscomponent voor sociale investeringen en vaardigheden van het InvestEU-fonds.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  De Commissie moet op het niveau van de Unie een label "Europese sociale economie" invoeren voor sociale en solidaire ondernemingen, gebaseerd op duidelijke criteria die ontwikkeld zijn om de specifieke kenmerken van deze ondernemingen en hun sociale impact in de verf te zetten, hun zichtbaarheid te vergroten, investeringen te stimuleren, de toegang tot financiering en tot de interne markt te faciliteren voor degenen die nationaal of naar andere lidstaten willen uitbreiden, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met de diverse rechtsvormen en -kaders in de sector en in de lidstaten.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  Spelers op de markt voor sociale investeringen, waaronder filantropische actoren, kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van meerdere ESF+-doelstellingen aangezien ze zowel financiering als innovatieve en aanvullende benaderingen bieden om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, de werkloosheid terug te dringen en bij te dragen tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Daarom moeten filantropische actoren, zoals stichtingen en donoren naargelang het geval worden betrokken bij ESF+-acties, met name bij de acties die zijn gericht op de ontwikkeling van het ecosysteem voor de markt voor sociale investeringen.
(34)  Spelers op de markt voor sociale investeringen, waaronder filantropische actoren, kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van meerdere ESF+-doelstellingen aangezien ze zowel financiering als innovatieve en aanvullende benaderingen bieden om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, de werkloosheid terug te dringen en bij te dragen tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Daarom moeten filantropische actoren, zoals stichtingen en donoren naargelang het geval en voor zover zij geen politieke of maatschappelijke motieven hebben die in strijd zijn met de idealen van de Unie, worden betrokken bij ESF+-acties, met name bij de acties die zijn gericht op de ontwikkeling van het ecosysteem voor de markt voor sociale investeringen.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis)  Transnationale samenwerking biedt een significante meerwaarde en dient derhalve door alle lidstaten te worden ondersteund, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Tevens is het nodig de Commissie een sterkere rol toe te bedelen bij het bevorderen van de uitwisseling van ervaringen en het coördineren van de uitvoering van relevante initiatieven.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Overweging 35 bis (nieuw)
(35 bis)   De Commissie dient de participatie van de lidstaten en van ondervertegenwoordigde organisaties te bevorderen door de belemmeringen voor participatie zoveel mogelijk te verlagen, met inbegrip van de administratieve lasten voor het aanvragen en ontvangen van financiering.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Overweging 35 ter (nieuw)
(35 ter)   Een van de hoofddoelstellingen van de Unie is de gezondheidszorgstelsels te versterken door de digitale transformatie van zorgvoorzieningen en patiëntenzorg te ondersteunen en een duurzaam zorginformatiesysteem te ontwikkelen, alsook door steun te geven aan nationale hervormingen om gezondheidszorgstelsels doeltreffender, toegankelijker en veerkrachtiger te maken.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Mensen langer gezond en actief houden en hen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid, zal positieve effecten hebben op de volksgezondheid, op de ongelijkheid op gezondheidsgebied, op de levenskwaliteit, de productiviteit, het concurrentievermogen en de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale begrotingen doen afnemen. De Commissie is vastbesloten de lidstaten te helpen om hun duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals - SDG's) te behalen, in het bijzonder SDG 3 "Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd".17
(36)  Teneinde aan de voorschriften van artikel 168 VWEU te voldoen, zijn permanente inspanningen vereist. Iedereen op een niet-discriminerende manier gezond en actief houden en mensen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid, zal positieve effecten hebben op de volksgezondheid, op de ongelijkheid op gezondheidsgebied, op de levenskwaliteit, de productiviteit, het concurrentievermogen en de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale begrotingen doen afnemen. Steun voor en erkenning van innovaties, waaronder sociale innovaties, die gevolgen hebben voor de gezondheid, zijn een hulpmiddel bij de ambitie om de gezondheidssector in het licht van de uitdagingen van demografische veranderingen duurzaam te houden. Bovendien zijn maatregelen om de ongelijkheid op gezondheidsgebied te beperken van belang om "inclusieve groei" te kunnen verwezenlijken. De Commissie is vastbesloten de lidstaten te helpen om hun duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals - SDG's) te behalen, in het bijzonder SDG 3 "Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd".17
_________________
_________________
17 COM(2016)0739.
17 COM(2016)0739.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)  Volgens de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is gezondheid een toestand van volkomen lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn en niet alleen de afwezigheid van ziekte of beperkingen. Om de volksgezondheid in de Unie te verbeteren, is het van essentieel belang niet uitsluitend de nadruk te leggen op lichamelijke gezondheid en sociaal welzijn. Volgens de WHO is 40 % van het aantal levensjaren dat met een beperking wordt doorgebracht te wijten aan geestelijke gezondheidsproblemen. Problemen in verband met geestelijke gezondheid zijn ook erg divers, langdurig en leiden tot discriminatie, en dragen in aanzienlijke mate bij aan ongelijkheid op gezondheidsgebied. Bovendien is de economische crisis van invloed op factoren die de geestelijke gezondheid bepalen, omdat beschermende factoren zijn afgezwakt en risicofactoren zijn toegenomen.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Overweging 37
(37)  De gemeenschappelijke waarden en beginselen in de gezondheidsstelsels van de Europese Unie, zoals vastgesteld in de conclusies van de Raad van 2 juni 2006, moeten het besluitvormingsproces ondersteunen om innovatieve, doeltreffende en veerkrachtige gezondheidsstelsels op te zetten en te beheren, om instrumenten te bevorderen die universele toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg waarborgen en om vrijwillig de beste praktijken op grotere schaal toe te passen.
(37)  De gemeenschappelijke waarden en beginselen in de gezondheidsstelsels van de Europese Unie, zoals vastgesteld in de conclusies van de Raad van 2 juni 2006, moeten het besluitvormingsproces ondersteunen om innovatieve, doeltreffende en veerkrachtige gezondheidsstelsels op te zetten en te beheren, om instrumenten te bevorderen die universele toegang tot hoogwaardige persoonsgerichte gezondheidszorg en gerelateerde zorg waarborgen en om vrijwillig de beste praktijken op grotere schaal toe te passen. Dit heeft onder meer betrekking op diensten voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie als onderdeel van de primaire gezondheidszorg.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)  De vorige actieprogramma's van de Unie op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008) en op het gebied van gezondheid (2008-2013 en 2014-2020), die respectievelijk zijn vastgesteld bij Besluit nr. 1786/2002/EG1 bis, Besluit nr. 1350/2007/EG1 ter en Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad1 quater ("de vorige gezondheidsprogramma's"), kregen een positieve evaluatie omdat zij een aantal belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen tot gevolg hebben gehad. Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet voortbouwen op de verwezenlijkingen van de vorige gezondheidsprogramma's.
____________________
1 bis Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003‑2008) (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 1).
1 ter Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008‑2013) (PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3).
1 quater Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 ter (nieuw)
(37 ter)   Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet een instrument zijn ter bevordering van acties op gebieden waar er sprake is van een meerwaarde van de Unie die kan worden aangetoond op basis van het volgende: uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten en tussen de regio's; ondersteuning van netwerken voor kennisuitwisseling of wederzijds leren; ondersteuning van kwalificaties voor gezondheidswerkers; het aanpakken van grensoverschrijdende bedreigingen om de risico's en de gevolgen ervan te beperken; het aanpakken van bepaalde aangelegenheden met betrekking tot de interne markt wanneer de Unie over substantiële legitimiteit beschikt om in de lidstaten kwalitatief hoogstaande oplossingen te garanderen; ontsluiting van het innovatiepotentieel op gezondheidsgebied; maatregelen die kunnen leiden tot een benchmarkingsysteem om op het niveau van de Unie besluitvorming met kennis van zaken mogelijk te maken; het vergroten van de efficiëntie door verspilling van hulpbronnen als gevolg van dubbel werk te voorkomen, en de optimalisering van het gebruik van financiële middelen.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet bijdragen tot ziektepreventie gedurende het hele leven van de EU-burgers en tot de bevordering van de gezondheid door risicofactoren voor de gezondheid aan te pakken zoals tabaksgebruik en passief roken, schadelijk alcoholgebruik, consumptie van illegale drugs en schade aan de gezondheid door drugsgebruik, ongezonde voedingsgewoonten en gebrek aan lichaamsbeweging. Het moet een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor een gezonde levensstijl om de maatregelen van de lidstaten aan te vullen in overeenstemming met de desbetreffende strategieën. Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet doeltreffende preventiemodellen, innovatieve technologieën en nieuwe bedrijfsmodellen en oplossingen integreren om bij te dragen tot innovatieve, doeltreffende en duurzame gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en om de toegang tot een betere en veiligere gezondheidszorg voor de Europese burgers te vergemakkelijken.
(38)  Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet bijdragen tot ziektepreventie, vroegtijdige diagnose gedurende het hele leven van de inwoners van de Unie en de bevordering van de gezondheid door risicofactoren voor de gezondheid aan te pakken zoals tabaksgebruik, roken en passief roken, schadelijk alcoholgebruik, milieugerelateerde risicofactoren voor de gezondheid, consumptie van illegale drugs en schade aan de gezondheid door drugsgebruik, obesitas en ongezonde voedingsgewoonten, die ook aan armoede en een gebrek aan lichaamsbeweging zijn gerelateerd. Het moet een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor een gezonde levensstijl, de bevolking bewuster maken van risicofactoren en weldoordachte acties op het gebied van volksgezondheid bevorderen om de lasten en effecten van infecties en te voorkomen besmettelijke ziekten op de algemene gezondheid gedurende het hele leven te verminderen, onder meer door vaccinaties, teneinde de maatregelen van de lidstaten aan te vullen in overeenstemming met de desbetreffende strategieën. In dit kader moet speciale aandacht worden besteed aan gezondheidsvoorlichting, aangezien individuele personen en gemeenschappen hierdoor hun gezondheid kunnen verbeteren, hun kennis kunnen vergroten en hun houding kunnen aanpassen. De huidige problemen op het gebied van gezondheid kunnen enkel doeltreffend worden aangepakt door samenwerking op het niveau van de Unie en aanhoudend optreden van de Unie op het gebied van gezondheid. Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet de uitvoering van de desbetreffende Uniewetgeving ondersteunen en doeltreffende preventie- en bewustmakingsmodellen voor alle doelgroepen integreren, alsook innovatieve technologieën en nieuwe bedrijfsmodellen en oplossingen om bij te dragen tot innovatieve, toegankelijke, doeltreffende en duurzame gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en om de toegang tot een betere en veiligere gezondheidszorg voor de inwoners van de Unie te vergemakkelijken, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Overweging 38 bis (nieuw)
(38 bis)   Met het oog op de uitvoering van de acties in het kader van het onderdeel gezondheid moet de Commissie de oprichting van een stuurgroep voor gezondheid ondersteunen. Daarnaast moet de Commissie manieren en methoden voorstellen om de gezondheidsgerelateerde activiteiten af te stemmen op het proces van het Europees Semester, dat nu bevoegd is om hervormingen op het gebied van gezondheidszorgstelsels aan te bevelen (en in feite ook andere sociale determinanten in verband met gezondheid) die tot doel hebben regelingen inzake gezondheidszorg en sociale bescherming in de lidstaten toegankelijker en duurzamer te maken.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Overweging 39
(39)  Niet-overdraagbare ziekten zijn verantwoordelijk voor meer dan 80 % van de voortijdige sterfte in de Unie en doeltreffende preventie veronderstelt verscheidene grensoverschrijdende dimensies. Tegelijkertijd hebben het Europees Parlement en de Raad de noodzaak beklemtoond om de gevolgen voor de volksgezondheid van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen, zoals overdraagbare ziekten en andere biologische, chemische, onbekende en milieubedreigingen tot een minimum te beperken door de crisisparaatheid en de responscapaciteit te ondersteunen.
(39)  Niet-overdraagbare ziekten zijn verantwoordelijk voor meer dan 80 % van de voortijdige sterfte in de Unie en doeltreffende preventie veronderstelt verscheidene sectoroverschrijdende acties en grensoverschrijdende dimensies. Tegelijkertijd hebben het Europees Parlement en de Raad de noodzaak beklemtoond om de gevolgen voor de volksgezondheid van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen, zoals plotse en cumulatieve emissies in het milieu en milieuvervuiling, overdraagbare ziekten en andere biologische, chemische, onbekende en milieubedreigingen tot een minimum te beperken door de crisisparaatheid en de responscapaciteit te ondersteunen.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Overweging 39 bis (nieuw)
(39 bis)   Blijvende investeringen in innovatieve en op de gemeenschap gebaseerde benaderingen voor het aanpakken van grensoverschrijdende ziekten, zoals de epidemieën van hiv/aids, tuberculose en virale hepatitis, zijn van essentieel belang, aangezien de sociale dimensie van de ziekten een grote invloed heeft op het vermogen om deze ziekten in de Unie en haar buurlanden als epidemie te kunnen aanpakken. Een ambitieuzer politiek leiderschap en toereikende technische en financiële middelen om te voorzien in een duurzame regionale oplossing voor de strijd tegen hiv/aids, tuberculose en hepatitis in Europa, zullen van cruciaal belang zijn om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen inzake deze ziekten te verwezenlijken.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  Het is van essentieel belang de last van resistente infecties en zorginfecties te verminderen en de beschikbaarheid van doeltreffende antibiotica te garanderen met het oog op een efficiënte gezondheidszorg en de gezondheid van de patiënten.
(40)  Het is van essentieel belang de last van resistente infecties en zorginfecties te verminderen en de beschikbaarheid van doeltreffende antibiotica te garanderen – waarbij evenwel het gebruik ervan wordt beperkt om antimicrobiële resistentie te helpen tegengaan – met het oog op een efficiënte gezondheidszorg en de gezondheid van de burgers.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Overweging 42
(42)  Gezien de specifieke aard van enkele doelstellingen van het onderdeel gezondheid van het ESF+ en van de soorten acties in het kader van dat onderdeel, zijn de respectieve bevoegde autoriteiten van de lidstaten het best geplaatst om de daarmee samenhangende activiteiten uit te voeren. Die autoriteiten, die door de lidstaten zelf zijn aangewezen, moeten daarom voor de toepassing van artikel [195], van [het nieuwe Financieel Reglement] worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten aan dergelijke autoriteiten worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen.
(42)  Gezien de specifieke aard van enkele doelstellingen van het onderdeel gezondheid van het ESF+ en van de soorten acties in het kader van dat onderdeel, zijn de respectieve bevoegde autoriteiten van de lidstaten het best geplaatst om de daarmee samenhangende activiteiten uit te voeren met de actieve steun van het maatschappelijk middenveld. Die autoriteiten, die door de lidstaten zelf zijn aangewezen, in voorkomend geval in combinatie met organisaties uit het maatschappelijk middenveld, moeten daarom voor de toepassing van artikel [195], van [het nieuwe Financieel Reglement] worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten aan dergelijke autoriteiten worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 bis (nieuw)
(42 bis)   Om de prestaties van programma's te vergroten door toezicht te houden op tekortkomingen en gebreken, moet de Commissie programma- en actiespecifieke monitoringindicatoren toepassen om te waarborgen dat de doelstellingen van programma's worden verwezenlijkt.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 ter (nieuw)
(42 ter)   Het ESF+-programma moet inspelen op bestaande belemmeringen die de deelname van het maatschappelijk middenveld belemmeren, bijvoorbeeld door vereenvoudiging van de aanvraagprocedures, versoepeling van de financiële criteria door in sommige gevallen af te zien van het medefinancieringspercentage, maar ook door de capaciteit van patiënten, hun organisaties en andere belanghebbenden te vergroten door middel van opleidingen en onderwijs. Het programma moet er voorts op gericht zijn op niveau van de Unie het functioneren mogelijk te maken van netwerken en organisaties van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties op Unieniveau, die een bijdrage leveren tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 quater (nieuw)
(42 quater)   Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet zo worden uitgevoerd dat de bevoegdheden van de lidstaten inzake de bepaling van hun gezondheidsbeleid en de organisatie en verlening van gezondheidsdiensten en geneeskundige zorg worden geëerbiedigd. Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen uit hoofde van de Verdragen en de rol van de lidstaten als belangrijkste gesprekspartner in het besluitvormingsproces van de Unie, moet ook de bevoegde autoriteiten op subnationaal niveau een rol worden toebedeeld om effectieve en blijvende effecten van het gezondheidsbeleid van de Unie te waarborgen door dit te integreren in het sociaal beleid in de praktijk.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Het gezondheidsbeleid van de EU heeft een onmiddellijk effect op het leven van de burgers, op de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels en de goede werking van de interne markt. Het regelgevingskader voor medische producten en technologieën (geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en stoffen van menselijke oorsprong), alsook de wetgeving inzake tabak, de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg en ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid zijn essentieel voor de bescherming van de gezondheid in de EU. De regelgeving en de toepassing en handhaving daarvan moet gelijke tred houden met de ontwikkelingen in innovatie en onderzoek en met de maatschappelijke veranderingen op dit gebied en tegelijkertijd de gezondheidsdoelstellingen verwezenlijken. Daarom is het noodzakelijk voortdurend de wetenschappelijke basis te ontwikkelen die nodig is voor de uitvoering van dergelijke wetgeving met wetenschappelijk karakter.
(44)  Het gezondheidsbeleid van de Unie heeft een onmiddellijk effect op het leven van de burgers, op de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels en de goede werking van de interne markt. Het regelgevingskader voor medische producten en technologieën (geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en stoffen van menselijke oorsprong), alsook de wetgeving inzake tabak, de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg en ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid zijn essentieel voor de bescherming van de gezondheid in de Unie. Daarnaast heeft een groot aantal andere rechtshandelingen van de Unie aanzienlijke effecten op de gezondheid, zoals rechtshandelingen in verband met voedsel en voedseletikettering, luchtvervuiling, hormoonontregelaars en gewasbeschermingsmiddelen. In sommige gevallen is er geen duidelijk inzicht in de cumulatieve effecten van milieurisicofactoren, mogelijk met onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de burgers tot gevolg.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 bis (nieuw)
(44 bis)   Regelgeving met gevolgen voor de gezondheid, alsook de toepassing en handhaving daarvan, moeten gelijke tred houden met vorderingen op het vlak van innovatie en onderzoek en met maatschappelijke veranderingen op dit gebied, en moeten tegelijkertijd blijven berusten op het voorzorgsbeginsel als vastgelegd in de Verdragen. Daarom is het noodzakelijk de wetenschappelijke basis die nodig is voor de uitvoering van dergelijke wetgeving van wetenschappelijke aard voortdurend te blijven ontwikkelen en het hoogst mogelijke niveau van transparantie te waarborgen, teneinde onafhankelijke controle mogelijk te maken en zo het vertrouwen van het publiek in de processen van de Unie te herstellen, alsook omdat het delen van deze bewijzen per definitie in het algemeen belang is.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 ter (nieuw)
(44 ter)   De uitdagingen op het gebied van gezondheid kunnen niet door de gezondheidssector alleen worden aangepakt, aangezien gezondheid afhankelijk is van een groot aantal externe factoren. Zoals vermeld in de Verdragen van Maastricht en Amsterdam is het beginsel van "gezondheid op alle beleidsgebieden" dus van belang voor het vermogen van de Unie om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Het bewustmaken van andere sectoren van de gezondheidseffecten van hun beslissingen en van het belang om gezondheid tot integraal onderdeel van hun beleid te maken, is echter een van de grootste uitdagingen waar de Europese gezondheidssector momenteel mee te kampen heeft. Er is nu al sprake van belangrijke vorderingen op het gebied van gezondheid als gevolg van het beleid in verschillende sectoren, zoals onderwijs, verkeer, voeding, landbouw, werkgelegenheid of ruimtelijke ordening. Zo zijn er op het gebied van hartgerelateerde aandoeningen grote vorderingen gemaakt als gevolg van veranderingen in beleid en regelgeving met betrekking tot voedselkwaliteit, het aanmoedigen van lichaamsbeweging en het ontmoedigen van roken.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefcijfer van 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt gehaald. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie ervan.
(46)  Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat in de loop van het MFK voor de periode 2021-2027 het algemene streefcijfer van 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt gehaald, alsook dat zo spoedig mogelijk, uiterlijk in 2027, een jaarlijks streefcijfer van 30 % wordt bereikt. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie ervan.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Overweging 47
(47)  Volgens artikel [94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad19] moeten in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.
(47)  Volgens artikel [94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad19] moeten in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Het programma moet rekening houden met bepaalde beperkingen waarmee in deze gebieden gevestigde personen en entiteiten worden geconfronteerd, teneinde te voorzien in een goede toegang tot die onderdelen.
__________________
__________________
19 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
19 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Overweging 48
(48)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan de programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking onder de EER-overeenkomst, die in een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet in de uitvoering van de programma's. Een specifieke bepaling moet in deze verordening worden opgenomen om de nodige rechten en toegang te verlenen aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
(48)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen, als zij voldoen aan alle betreffende regels en bepalingen, aan de programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking onder de EER-overeenkomst, die in een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet in de uitvoering van de programma's. Een specifieke bepaling moet in deze verordening worden opgenomen om de nodige rechten en toegang te verlenen aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Overweging 50 bis (nieuw)
(50 bis)   Het is belangrijk ervoor te zorgen dat het fonds financieel goed en billijk wordt beheerd opdat het zo duidelijk, doeltreffend en gebruiksvriendelijk mogelijk wordt uitgevoerd, en tevens rechtszekerheid en toegankelijkheid voor alle deelnemers te waarborgen. Wanneer activiteiten van het ESF+ onder gedeeld beheer worden uitgevoerd, mogen de lidstaten geen extra regels toevoegen noch deze gedurende de looptijd wijzigen, aangezien zulks het voor de begunstigden moeilijker maakt de middelen te gebruiken en vertraging kan veroorzaken bij de betaling van facturen.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Overweging 51
(51)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten vergroten en de toegang tot kwaliteitsvol werk verbeteren, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding verbeteren, sociale inclusie en gezondheid bevorderen en armoede bestrijden, alsook de acties in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten en beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau de Unie, mag de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(51)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doeltreffendheid en billijkheid van de arbeidsmarkten vergroten en de toegang tot kwaliteitsvol werk verbeteren, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs, opleiding en zorg verbeteren, sociale inclusie, gelijke kansen en gezondheid bevorderen en armoede uitbannen, alsook de acties in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten en beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau de Unie, mag de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1
Voorwerp
Voorwerp
Bij deze verordening wordt het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) vastgesteld.
Bij deze verordening wordt het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) vastgesteld. Het ESF+ bestaat uit drie onderdelen: het onderdeel onder gedeeld beheer, het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid.
In deze verordening worden de doelstellingen van het ESF+, de begroting voor de periode 2021-2027, de uitvoeringsmethoden, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
In deze verordening worden de doelstellingen van het ESF+, de begroting voor de periode 2021-2027, de uitvoeringsmethoden, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd, in aanvulling op de algemene regels die van toepassing zijn op het ESF+ op grond van Verordening (EU) nr. [verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen].
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 2
Artikel 2
Artikel 2
Definities
Definities
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)  "begeleidende maatregelen": activiteiten ter aanvulling van de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand die tot doel hebben sociale uitsluiting tegen te gaan, zoals het verwijzen naar en het verlenen van sociale diensten of advies over het beheer van een gezinsbudget;
1)  "begeleidende maatregelen": activiteiten ter aanvulling van de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand die tot doel hebben sociale uitsluiting tegen te gaan en armoede uit te bannen, zoals het verwijzen naar en het verlenen van sociale diensten en psychologische bijstand, het verstrekken van relevante informatie over openbare diensten of advies over het beheer van een gezinsbudget;
2)  "geassocieerd land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie waardoor het overeenkomstig artikel 30 kan deelnemen aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid van het ESF+;
2)  "geassocieerd land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie waardoor het overeenkomstig artikel 30 kan deelnemen aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid van het ESF+;
3)  "fundamentele materiële bijstand": goederen om aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven te voldoen, zoals kleding, toiletartikelen en schoolgerief;
3)  "fundamentele materiële bijstand": goederen om aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven te voldoen, zoals kleding, toiletartikelen, met inbegrip van producten voor vrouwelijke hygiëne, en schoolgerief;
4)  "blendingverrichtingen": door de begroting van de Unie ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
4)  "blendingverrichtingen": door de begroting van de Unie ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
5)  "gemeenschappelijke indicatoren van onmiddellijke resultaten": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die uiterlijk vier weken na de dag waarop de deelname aan een actie afloopt (einddatum), een beeld van de effecten geven;
5)  "gemeenschappelijke indicatoren van onmiddellijke resultaten": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die uiterlijk vier weken na de dag waarop de deelname aan een actie afloopt (einddatum), een beeld van de effecten geven;
6)  "gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die zes maanden nadat de deelname aan een actie afloopt, een beeld van de effecten geven;
6)  "gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die zes en twaalf maanden nadat de deelname aan een actie afloopt, een beeld van de effecten geven;
7)  "kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand": de werkelijke kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand door de begunstigde die niet beperkt zijn tot de prijs van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand;
7)  "kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand": de werkelijke kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand door de begunstigde die niet beperkt zijn tot de prijs van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand;
7 bis)  "grensoverschrijdende partnerschappen" binnen het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie: permanente samenwerkingsstructuren tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening, het maatschappelijk middenveld of de sociale partners die gevestigd zijn in ten minste twee lidstaten;
8)  "eindontvanger": de meest behoeftige persoon of personen die de steun ontvangen overeenkomstig punt xi) van artikel 4, lid 1;
8)  "eindontvanger": de meest behoeftige persoon of personen die de steun ontvangen overeenkomstig punt xi) van artikel 4, lid 1;
9)  "gezondheidscrisis": elke crisis die gewoonlijk als een bedreiging wordt beschouwd, een gezondheidsdimensie heeft en dringende maatregelen van de autoriteiten in onzekere omstandigheden vereist;
9)  "gezondheidscrisis": elke crisis die gewoonlijk als een bedreiging wordt beschouwd, een gezondheidsdimensie heeft en dringende maatregelen van de autoriteiten in onzekere omstandigheden vereist;
10)  "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben;
10)  "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben;
11)  "microfinanciering": garanties, microkrediet, eigen vermogen en quasi-eigenvermogen in combinatie met begeleidende diensten voor bedrijfsontwikkeling – onder meer in de vorm van individueel advies en individuele begeleiding en opleiding – die worden verstrekt aan personen en micro-ondernemingen die problemen ondervinden bij de toegang tot krediet voor professionele en/of ontvangstengenererende activiteiten;
11)  "microfinanciering": garanties, microkrediet, eigen vermogen en quasi-eigenvermogen in combinatie met begeleidende diensten voor bedrijfsontwikkeling – onder meer in de vorm van individueel advies en individuele begeleiding en opleiding – die worden verstrekt aan personen en micro-ondernemingen die problemen ondervinden bij de toegang tot krediet voor professionele en/of ontvangstengenererende activiteiten;
12)  "micro-onderneming": een onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaarlijkse omzet of financiële balans van minder dan 2 000 000 EUR;
12)  "micro-onderneming": een onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaarlijkse omzet of financiële balans van minder dan 2 000 000 EUR;
13)  "meest behoeftige personen": natuurlijke personen – individuen, gezinnen, huishoudens of uit dergelijke personen samengestelde groepen – van wie de behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten in overleg met relevante belanghebbende partijen, onder vermijding van belangenconflicten, zijn vastgesteld en door die bevoegde nationale autoriteiten zijn goedgekeurd en elementen kunnen bevatten waarmee de hulp kan worden afgestemd op de meest behoeftige personen in bepaalde geografische gebieden;
13)  "meest behoeftige personen": natuurlijke personen – individuen, gezinnen, huishoudens of uit dergelijke personen samengestelde groepen, met inbegrip van kinderen en daklozen – van wie de behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten in overleg met relevante belanghebbende partijen, onder vermijding van belangenconflicten, zijn vastgesteld en door die bevoegde nationale autoriteiten zijn goedgekeurd en elementen kunnen bevatten waarmee de hulp kan worden afgestemd op de meest behoeftige personen in bepaalde geografische gebieden;
14)  "referentiewaarde": een waarde voor het vaststellen van doelstellingen voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren die gebaseerd is op de huidige of voorgaande soortgelijke maatregelen;
14)  "referentiewaarde": een waarde voor het vaststellen van doelstellingen voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren die gebaseerd is op de huidige of voorgaande soortgelijke maatregelen;
15)  "sociale onderneming": een onderneming – ongeacht haar juridische vorm – of een natuurlijke persoon die
15)  "sociale onderneming": een onderneming in de sociale economie – ongeacht haar juridische vorm – of een natuurlijke persoon die
a)  overeenkomstig de oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document dat kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van de regels van de lidstaat van vestiging – als belangrijkste sociale doelstelling meetbare positieve sociale effecten in plaats van winst voor andere doeleinden nastreeft en die diensten of goederen met een sociaal rendement levert en/of van methoden voor de productie van goederen of diensten gebruikmaakt die sociale doelstellingen belichamen;
a)  overeenkomstig de oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document dat kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van de regels van de lidstaat van vestiging – als belangrijkste sociale doelstelling meetbare positieve sociale effecten (waaronder milieueffecten) in plaats van winst voor andere doeleinden nastreeft en die diensten of goederen met een sociaal rendement levert en/of van methoden voor de productie van goederen of diensten gebruikmaakt die sociale doelstellingen belichamen;
b)  de winst op de eerste plaats gebruikt om de belangrijkste sociale doelstelling te verwezenlijken en over vooraf vastgestelde procedures en regels voor de verdeling van de winst beschikt die ervoor zorgen dat die verdeling de belangrijkste sociale doelstelling niet ondermijnt;
b)  het grootste deel van de winst op de eerste plaats opnieuw investeert om de belangrijkste sociale doelstelling te verwezenlijken en over vooraf vastgestelde procedures en regels voor de verdeling van de winst beschikt die ervoor zorgen dat die verdeling de belangrijkste sociale doelstelling niet ondermijnt;
c)  op zakelijke, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, vooral door de participatie van werknemers, klanten en belanghebbenden op wie de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn;
c)  op zakelijke, democratische, participatieve, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, vooral door de participatie van werknemers, klanten en belanghebbenden op wie de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn;
15 bis)  "onderneming in de sociale economie": diverse soorten bedrijven en entiteiten die deel uitmaken van de sociale economie, zoals coöperaties, onderlinge maatschappijen, associaties, stichtingen, sociale ondernemingen en andere ondernemingsvormen die worden gereguleerd door de wetten van de afzonderlijke lidstaten en die voorrang geven aan individuele en sociale doelstellen boven kapitaal, aan democratisch bestuur, solidariteit en de herinvestering van het grootste deel van hun winsten of overtollige middelen;
16)  "sociale innovatie": activiteiten waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name die activiteiten die verband houden met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten en modellen) die in sociale behoeften voorzien en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëren en zo de samenleving ten goede komen en haar handelingscapaciteit vergroten;
16)  "sociale innovatie": activiteiten, met inbegrip van collectieve activiteiten, waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name die activiteiten die verband houden met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten, praktijken en modellen) die in sociale behoeften voorzien en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëren, onder meer tussen openbare organisaties uit de derde sector zoals vrijwilligers- en gemeenschapsorganisaties en ondernemingen in de sociale economie, en zo de samenleving ten goede komen en haar handelingscapaciteit vergroten;
17)  "sociale experimenten": beleidsmaatregelen die innovatieve oplossingen voor sociale behoeften aandragen en op kleine schaal worden uitgevoerd onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens ze – wanneer de resultaten overtuigend zijn – onder andere omstandigheden of op grotere schaal worden uitgevoerd;
17)  "sociale experimenten": beleidsmaatregelen die innovatieve oplossingen voor sociale behoeften aandragen en op kleine schaal worden uitgevoerd onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens ze – wanneer de resultaten overtuigend zijn – onder andere omstandigheden (waaronder geografische en sectorale) of op grotere schaal worden uitgevoerd;
18)  "sleutelcompetenties": de kennis, vaardigheden en competenties die iedereen in elke levensfase nodig heeft met het oog op persoonlijke voldoening en ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale inclusie en actief burgerschap. De sleutelcompetenties zijn: lees- en schrijfvaardigheid; meertaligheid; wiskunde, wetenschappen, technologie en engineering; digitale vaardigheden; persoonlijke, sociale en leervaardigheden; burgerschap; ondernemerschap; cultureel bewustzijn en culturele expressie;
18)  "sleutelcompetenties": de kennis, vaardigheden en competenties die iedereen in elke levensfase nodig heeft met het oog op persoonlijke voldoening en ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale inclusie en actief burgerschap. De sleutelcompetenties zijn: lees- en schrijfvaardigheid; meertaligheid; wiskunde, wetenschappen, technologie, schone kunsten en engineering; digitale vaardigheden; mediavaardigheden; persoonlijke, sociale en leervaardigheden; burgerschap; ondernemerschap; (inter)cultureel bewustzijn, culturele expressie en kritisch denken;
19)  "derde land": een land dat geen lid van de Europese Unie is.
19)  "derde land": een land dat geen lid van de Europese Unie is;
19 bis)  "kansarme groepen": doelgroepen met een groot aantal mensen die het risico lopen om met armoede, discriminatie of sociale uitsluiting te worden geconfronteerd, met inbegrip van onder meer etnische minderheden als Roma, onderdanen van derde landen, waaronder migranten, ouderen, kinderen, alleenstaande ouders, personen met een handicap of personen met een chronische ziekte;
19 ter)  "een leven lang leren": alle vormen van leren (formeel, niet-formeel en informeel leren) in alle levensfasen, met inbegrip van onderwijs voor jonge kinderen, algemeen onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding, hoger onderwijs en volwassenenonderwijs, die leiden tot een verbetering van kennis, vaardigheden, competenties en mogelijkheden om deel te nemen aan de samenleving.
2.  De definities in artikel [2] van [de toekomstige GB-verordening] gelden ook voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer.
2.  De definities in artikel [2] van [de toekomstige GB-verordening] gelden ook voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer.
2 bis.  De definities in artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie1 bis gelden ook voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid onder direct en indirect beheer.
________________
1 bis Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Algemene doelstellingen en uitvoeringsmethoden
Algemene doelstellingen en uitvoeringsmethoden
Het ESF+ beoogt – in overeenstemming met de beginselen van de op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie afgekondigde Europese pijler van sociale rechten – de lidstaten te steunen met het oog op hoge werkgelegenheidsniveaus, een billijke sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld.
Het ESF+ steunt de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsook de Unie, met het oog op de totstandbrenging van inclusieve samenlevingen, hoge niveaus van hoogwaardige werkgelegenheid, banencreatie, kwaliteitsvolle en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, gelijke kansen, de uitbanning van armoede, met inbegrip van kinderarmoede, sociale inclusie en integratie, sociale cohesie, sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld.
Het ESF+ is in overeenstemming met de Verdragen van de Europese Unie en het Handvest en verwezenlijkt de beginselen van de op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie afgekondigde Europese pijler van sociale rechten, en draagt aldus bij aan de doelstellingen van de Unie met betrekking tot de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in overeenstemming met artikel 174 VWEU en de verbintenis van de Unie en haar lidstaten om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, alsook aan de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
Het ESF+ verleent steun en meerwaarde aan de beleidsmaatregelen van de lidstaten en het vult die maatregelen aan met het oog op gelijke kansen, toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en inclusie, en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid.
Het ESF+ verleent steun en meerwaarde aan de beleidsmaatregelen van de lidstaten en het vult die maatregelen aan met het oog op gelijke kansen, gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, een leven lang leren, hoogwaardige arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming, integratie en inclusie, het uitbannen van armoede, waaronder kinderarmoede, investeringen in kinderen en jongeren, non-discriminatie, gendergelijkheid, toegang tot basisdiensten en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid.
Het wordt uitgevoerd:
Het wordt uitgevoerd:
a)  onder gedeeld beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de specifieke in artikel 4, lid 1, vermelde doelstellingen (het "ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer"), en
a)  onder gedeeld beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de specifieke in artikel 4, lid 1, vermelde doelstellingen (het "ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer"), en
b)  onder direct en indirect beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, lid 1, en artikel 23 vermelde doelstellingen (het "onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie") en voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, leden 1 en 3, en artikel 26 vermelde doelstellingen (het "onderdeel gezondheid").
b)  onder direct en indirect beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, lid 1, en artikel 23 vermelde doelstellingen (het "onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie") en voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, leden 1 en 3, en artikel 26 vermelde doelstellingen (het "onderdeel gezondheid").
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 4
Specifieke doelstellingen
Specifieke doelstellingen
1.  Het ESF+ ondersteunt de volgende specifieke doelstellingen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs, sociale inclusie en gezondheid en draagt zo ook bij tot de in artikel [4] van de [toekomstige GB-verordening] vastgestelde beleidsdoelstelling "Een socialer Europa – De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten":
1.  Het ESF+ ondersteunt de volgende specifieke doelstellingen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs, mobiliteit, sociale inclusie, de uitbanning van armoede, en gezondheid en draagt zo ook bij tot de in artikel [4] van de [toekomstige GB-verordening] vastgestelde beleidsdoelstelling "Een socialer Europa – De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten":
i)  de toegang van alle werkzoekenden – en vooral van jongeren en langdurig werklozen en inactieven tot werk verbeteren en zelfstandig ondernemerschap en de sociale economie bevorderen;
i)  de toegang tot hoogwaardig werk verbeteren en betere activeringsmaatregelen tot stand brengen voor alle werkzoekenden, met name specifieke maatregelen voor jongerenvooral door uitvoering van de jongerengarantie – langdurig werklozen, economisch inactieve personen en kansarme groepen, met nadrukkelijke aandacht voor personen die het verst van de arbeidsmarkt af staan, en werkgelegenheid, zelfstandige arbeid, ondernemerschap en de sociale economie bevorderen;
ii)  de arbeidsmarktinstellingen en -diensten moderniseren om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen met het oog op een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en ter bevordering van overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt;
ii)  de arbeidsmarktinstellingen en -diensten moderniseren om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen met het oog op een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en ter bevordering van overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt;
iii)  de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en gezin onder meer via toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving – waarbij gezondheidsrisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden bevorderen;
iii)  de arbeidsmarktparticipatie en loopbaanontwikkeling van vrouwen bevorderen, het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk en een beter evenwicht tussen werk en gezin bevorderen, met speciale aandacht voor alleenstaande ouders, onder meer via toegang tot betaalbare, inclusieve en kwaliteitsvolle voorzieningen voor kinderopvang, onderwijs voor jonge kinderen, ouderenzorg en andere zorgdiensten en ondersteuning; alsook een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarbij gezondheids- en ziekterisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers, beroepsheroriëntering, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden;
iv)  de kwaliteit, de doeltreffendheid en de relevantie voor de arbeidsmarkt van de onderwijs- en opleidingsstelsels verbeteren om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer digitale vaardigheden – te bevorderen;
iv)  de kwaliteit, de inclusiviteit, de doeltreffendheid en de relevantie voor de arbeidsmarkt van de onderwijs- en opleidingsstelsels verbeteren om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer ondernemers- en digitale vaardigheden – en de erkenning van niet-formeel en informeel leren te ondersteunen, e-inclusie te bevorderen en de overgang van onderwijs naar werk te vergemakkelijken, teneinde aan te sluiten bij sociale en economische vereisten;
v)  de gelijke toegang tot en de voltooiing van kwaliteitsvolle en inclusieve educatie en opleiding – vooral voor kansarme groepen – bevorderen vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken;
v)  de gelijke toegang tot en de voltooiing van hoogwaardige, betaalbare en inclusieve educatie en opleiding – vooral voor kansarme groepen en verzorgers – bevorderen vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding, voortijdig schoolverlaten aanpakken, de invoering van systemen voor duale opleidingen, leerlingplaatsen, leermobiliteit voor iedereen en toegankelijkheid voor personen met een handicap bevorderen;
vi)  een leven lang leren – en vooral flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen op het gebied van digitale vaardigheden – bevorderen, beter op veranderingen en nieuwe vereisten inzake vaardigheden anticiperen op basis van de behoeften van de arbeidsmarkt, loopbaanovergangen vergemakkelijken en beroepsmobiliteit bevorderen;
vi)  een leven lang leren – en vooral flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen op het gebied van ondernemers- en digitale vaardigheden – bevorderen, beter op veranderingen en nieuwe vereisten inzake vaardigheden anticiperen op basis van de behoeften van de arbeidsmarkt, loopbaanovergangen vergemakkelijken, en beroepsmobiliteit en volledige deelname aan de samenleving bevorderen;
vii)  actieve inclusie bevorderen met het oog op gelijke kansen en actieve participatie, en de inzetbaarheid verbeteren;
vii)  actieve inclusie bevorderen met het oog op gelijke kansen, non-discriminatie en actieve participatie, en de inzetbaarheid verbeteren, met name voor kansarme groepen;
viii)  de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen en van gemarginaliseerde gemeenschappen onder meer de Roma – bevorderen;
viii)  de sociaal-economische integratie op lange termijn van onderdanen van derde landen – met inbegrip van migranten – bevorderen;
viii bis) discriminatie van gemarginaliseerde gemeenschappen – zoals de Romagemeenschap – bestrijden en de sociaal-economische integratie van deze gemeenschappen bevorderen;
ix)  de gelijke en tijdige toegang tot hoogwaardige, duurzame en betaalbare diensten verbeteren; de stelsels voor sociale bescherming moderniseren, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen; de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg verbeteren;
ix)  de gelijke en tijdige toegang tot hoogwaardige, duurzame, toegankelijke en betaalbare diensten verbeteren, met inbegrip van diensten voor toegang tot huisvesting, alsook persoonsgerichte gezondheidszorg en gerelateerde zorg; de socialezekerheidsinstellingen, openbare diensten voor arbeidsvoorziening, stelsels voor sociale bescherming en sociale inclusie moderniseren, onder meer door de toegang tot gelijke sociale bescherming te bevorderen, met bijzondere aandacht voor kinderen en kansarme groepen en de meest behoeftigen; de toegankelijkheid voor onder meer personen met een handicap, de doeltreffendheid en de veerkracht van de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg verbeteren;
ix bis)  de toegankelijkheid voor personen met een handicap verbeteren met het oog op een betere inclusie in de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleiding;
x)  de sociale integratie bevorderen van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, onder meer de meest behoeftigen en kinderen;
x)  de sociale integratie bevorderen van mensen die te maken krijgen met of risico lopen op armoede en/of sociale uitsluiting, onder meer de meest behoeftigen en kinderen;
xi)  materiële deprivatie bestrijden door voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftigen te verlenen en begeleidende maatregelen te nemen.
xi)  materiële deprivatie bestrijden door voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftigen te verlenen en begeleidende maatregelen te nemen met het oog op de sociale inclusie van deze personen, met nadrukkelijke aandacht voor kinderen in kwetsbare situaties.
2.  Via de in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde maatregelen ter verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde specifieke doelstellingen draagt het ESF+ ook bij tot de andere in artikel [4] van [de toekomstige GB-verordening] vermelde beleidsdoelstellingen, en met name tot de beleidsdoelstellingen in verband met:
2.  Via de in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde maatregelen ter verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde specifieke doelstellingen streeft het ESF+ er ook naar bij te dragen tot de andere in artikel [4] van [de toekomstige GB-verordening] vermelde beleidsdoelstellingen, en met name tot de beleidsdoelstellingen in verband met:
1.  een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers, networking en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, technologische en onderzoekscentra, bedrijven en clusters, steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie;
1.  een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers, networking en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, technologische en onderzoekscentra, medische en gezondheidscentra, bedrijven en clusters, steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie, rekening houdend met de wetten en kaders met betrekking tot de sociale economie in de lidstaten;
2.  een groener en koolstofarm Europa via de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels die nodig is voor de aanpassing van vaardigheden en kwalificaties, de bijscholing van iedereen – onder meer de beroepsbevolking – en het creëren van nieuwe banen in sectoren die verband houden met milieu, klimaat en energie en de bio-economie.
2.  een groener en koolstofarm Europa via de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels die nodig is voor de aanpassing van vaardigheden en kwalificaties, bewustmaking onder de bevolking in verband met duurzame ontwikkeling en een duurzame levensstijl, de bijscholing van iedereen – onder meer de beroepsbevolking – en het creëren van nieuwe banen in sectoren die verband houden met milieu, klimaat en energie, de circulaire economie en de bio-economie;
2 bis.  een Unie die dichter bij haar burgers staat dankzij de terugdringing van armoede en maatregelen voor sociale inclusie, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van stedelijke, plattelands- en kustgebieden, teneinde de sociaal-economische ongelijkheden in steden en regio's aan te pakken;
2 ter.  de ondersteuning, in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie, van de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en evaluatie van de instrumenten, het beleid en het desbetreffende recht van de Unie, alsook de bevordering van empirisch onderbouwde beleidsvorming, sociale innovatie en sociale vooruitgang in samenwerking met de sociale partners, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en openbare en particuliere organen (specifieke doelstelling 1); de bevordering van vrijwillige geografische mobiliteit van werknemers op eerlijke basis en het stimuleren van werkgelegenheidskansen (specifieke doelstelling 2); de bevordering van werkgelegenheid en sociale inclusie door een betere beschikbaarheid en toegankelijkheid van microfinanciering voor micro-ondernemingen en ondernemingen in de sociale economie, met name voor kwetsbare personen (specifieke doelstelling 3);
3.  In het kader van het onderdeel gezondheid verleent het ESF+ steun voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie, draagt het bij tot de doeltreffendheid, de toegankelijkheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels, maakt het de gezondheidszorg veiliger, vermindert het de ongelijkheden op gezondheidsgebied, beschermt het de burgers tegen grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid en ondersteunt het de gezondheidswetgeving van de Unie.
3.  In het kader van het onderdeel gezondheid levert het ESF+ een bijdrage tot een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en ziektepreventie, onder meer door de bevordering van lichaamsbeweging en gezondheidsvoorlichting, draagt het bij tot de doeltreffendheid, de toegankelijkheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels, maakt het de gezondheidszorg veiliger, vermindert het de ongelijkheden op gezondheidsgebied, verhoogt het de levensverwachting bij de geboorte, beschermt het de burgers tegen grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid, stimuleert het ziektepreventie, vroegtijdige diagnose en gezondheidsbevordering gedurende het hele leven, en versterkt en ondersteunt het de gezondheidsgerelateerde wetgeving van de Unie, onder meer op het gebied van milieuhygiëne, waarbij het beginsel "gezondheid op alle beleidsgebieden" wordt aangemoedigd. Het gezondheidsbeleid van de Unie gaat uit van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) om te waarborgen dat de Unie en de lidstaten de doelstellingen van SDG 3 verwezenlijken, meer bepaald "Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd".
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 5
Begroting
Begroting
1.  De totale financiële middelen voor het ESF+ voor de periode 2021-2027 bedragen 101 174 000 000 EUR in lopende prijzen.
1.  De totale financiële middelen voor het ESF+ voor de periode 2021-2027 bedragen 106 781 000 000 EUR in prijzen van 2018 (120 457 000 000 EUR in lopende prijzen).
2.  Het deel van de financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer in het kader van de doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid bedraagt 100 000 000 000 EUR in lopende prijzen of 88 646 194 590 EUR in prijzen van 2018, waarvan 200 000 000 EUR in lopende prijzen of 175 000 000 EUR in prijzen van 2018 wordt toegewezen voor de in artikel 23, onder i), bedoelde transnationale samenwerking ter ondersteuning van innovatieve oplossingen en 400 000 000 EUR in lopende prijzen of 376 928 934 EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994.
2.  Het deel van de financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer in het kader van de doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid bedraagt 105 686 000 000 EUR in prijzen van 2018 (119 222 000 000 EUR in lopende prijzen), waarvan 200 000 000 EUR in lopende prijzen of 175 000 000 EUR in prijzen van 2018 wordt toegewezen voor de in artikel 23, onder i), bedoelde transnationale samenwerking ter ondersteuning van innovatieve oplossingen, 5 900 000 000 EUR wordt toegewezen voor maatregelen die vallen onder de in artikel 10 bis bedoelde Europese kindergarantie, en 400 000 000 EUR in lopende prijzen of 376 928 934 EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994.
3.  De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid voor de periode 2021-2027 bedragen 1 174 000 000 EUR in lopende prijzen.
3.  De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid voor de periode 2021-2027 bedragen 1 095 000 000 EUR in prijzen van 2018 (1 234 000 000 EUR in lopende prijzen).
4.  De indicatieve verdeling van het in lid 3 bedoelde bedrag is als volgt:
4.  De indicatieve verdeling van het in lid 3 bedoelde bedrag is als volgt:
a)  761 000 000 EUR voor de uitvoering van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie;
a)  675 000 000 EUR in prijzen van 2018 (761 000 000 EUR in lopende prijzen) voor de uitvoering van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie;
b)  413 000 000 EUR voor de uitvoering van het onderdeel gezondheid.
b)  420 000 000 EUR in prijzen van 2018 (473 000 000 EUR in lopende prijzen, of 0,36 % van het MFK 2021-2027) voor de uitvoering van het onderdeel gezondheid.
5.  De in de leden 3 en 4 bedoelde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van de programma's, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.
5.  De in de leden 3 en 4 bedoelde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van de programma's, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 6
Gelijkheid van mannen en vrouwen, gelijke kansen en non-discriminatie
Gendergelijkheid, gelijke kansen en non-discriminatie
1.  Bij alle in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde programma's en bij de door de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid ondersteunde acties wordt de gelijkheid van mannen en vrouwen gewaarborgd tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van de programma's en acties. Ook worden tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van de programma's en acties gelijke kansen voor iedereen bevorderd, zonder discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.
1.  Bij alle in het kader van het ESF+ uitgevoerde programma's wordt gendergelijkheid gewaarborgd tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie ervan. De programma's ondersteunen ook specifieke acties om de deelname van vrouwen aan het beroepsleven alsook hun professionele ontwikkeling en het evenwicht tussen hun werk en hun privéleven te vergroten, en bevorderen gelijke kansen voor iedereen, zonder discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap of gezondheidstoestand, leeftijd of seksuele gerichtheid, met inbegrip van de toegankelijkheid voor personen met een handicap, ook op het gebied van ICT, tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie ervan, om aldus te zorgen voor een betere sociale inclusie en ongelijkheden terug te dringen.
2.  De lidstaten en de Commissie ondersteunen ook specifieke gerichte acties om de in lid 1 bedoelde beginselen te bevorderen in het kader van alle doelstellingen van het ESF+, met inbegrip van de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband.
2.  De lidstaten en de Commissie ondersteunen ook specifieke gerichte acties om de in lid 1 bedoelde beginselen te bevorderen in het kader van alle doelstellingen van het ESF+, met inbegrip van de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband en een betere universele toegankelijkheid voor personen met een handicap.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Samenhang en thematische concentratie
Samenhang en thematische concentratie
1.  De lidstaten gebruiken de ESF+-middelen onder gedeeld beheer vooral voor maatregelen met betrekking tot de uitdagingen die zijn vastgesteld in hun nationale hervormingsprogramma's, het Europees Semester en de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen, en ze houden rekening met de in de Europese pijler van sociale rechten vastgestelde beginselen en rechten.
1.  De lidstaten gebruiken de ESF+-middelen onder gedeeld beheer vooral voor maatregelen met betrekking tot de uitdagingen die zijn vastgesteld in hun nationale hervormingsprogramma's, het Europees Semester en de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen, houden rekening met de in de Europese pijler van sociale rechten vastgestelde beginselen en rechten, het sociale scorebord in het kader van het Europees Semester en specifieke regionale kenmerken, en dragen aldus bij aan de doelstellingen van de Unie als vastgesteld in artikel 174 VWEU met betrekking tot de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang, volledig in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN.
Zowel tijdens de planning als de uitvoering bevorderen de lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie synergieën en zorgen ze voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, programma's en instrumenten van de Unie, zoals Erasmus, het Fonds voor asiel en migratie en het steunprogramma voor hervormingen – met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijken met het oog op coherente en gestroomlijnde steunmaatregelen.
Zowel tijdens de planning als de uitvoering bevorderen de lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie synergieën en zorgen ze voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, programma's en instrumenten van de Unie, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, InvestEU, Creatief Europa, het instrument Rechten en waarden, Erasmus, het Fonds voor asiel en migratie, het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020 en het steunprogramma voor hervormingen – met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijke beheersautoriteiten met het oog op geïntegreerde benaderingen en coherente en gestroomlijnde steunmaatregelen.
2.  De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester binnen de werkingssfeer van het ESF+, zoals vastgesteld in artikel 4.
2.  De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester binnen de werkingssfeer van het ESF+, zoals vastgesteld in artikel 4.
3.  De lidstaten wijzen ten minste 25 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met xi), vastgestelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie, met inbegrip van de bevordering van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen.
3.  De lidstaten wijzen ten minste 27 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x), vastgestelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie, met inbegrip van de bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen.
3 bis.  In het kader van de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x), vastgestelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie wijzen de lidstaten ten minste 5 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor gerichte acties tot uitvoering van de Europese kindergarantie, teneinde bij te dragen aan gelijke toegang van kinderen tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en geschikte voeding.
4.  De lidstaten wijzen ten minste 2 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder xi), vastgestelde specifieke doelstelling bestrijding van materiële deprivatie.
4.  Naast de minimale toewijzing van ten minste 27 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x), vastgestelde specifieke doelstellingen, wijzen de lidstaten ten minste 3 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder x) en xi) vastgestelde specifieke doelstelling om sociale inclusie van de meest behoeftigen te bevorderen en/of materiële deprivatie te bestrijden.
In naar behoren gemotiveerde gevallen mag met de toegewezen middelen voor de in artikel 4, lid 1, onder x), vastgestelde specifieke doelstelling inzake de meest behoeftigen rekening worden gehouden bij de verificatie van de naleving van de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde minimumtoewijzing van ten minste 2 %.
5.  Lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2019 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, wijzen ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de periode 2021-2025 toe voor gerichte acties en structurele hervormingen om de jeugdwerkgelegenheid, de overgang van school naar werk, trajecten om jongeren opnieuw in onderwijs of opleiding te integreren en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in het kader van de uitvoering van jongerengarantieregelingen.
5.  Lidstaten wijzen ten minste 3 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor gerichte acties en structurele hervormingen om de jeugdwerkgelegenheid, de overgang van school naar werk, trajecten om jongeren opnieuw in onderwijs of opleiding te integreren en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in het kader van de uitvoering van jongerengarantieregelingen.
Lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's) in 2019 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt of waar het percentage NEET's meer dan 15 % bedraagt, wijzen ten minste 15 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer in de programmeringsperiode 2021-2025 toe voor de voornoemde acties en structurele hervormingsmaatregelen, met bijzondere aandacht voor de regio's die in grotere mate getroffen zijn, met inachtneming van de verschillen tussen deze regio's.
Bij de tussentijdse programmering van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor 2026 en 2027 overeenkomstig artikel [14] van [de toekomstige GB-verordening] wijzen lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2024 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de jaren 2026 en 2027 voor deze acties toe.
Bij de tussentijdse programmering van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor 2026 en 2027 overeenkomstig artikel [14] van [de toekomstige GB-verordening] wijzen lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2024 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt of waar het percentage NEET's meer dan 15 % bedraagt, ten minste 15 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de jaren 2026 en 2027 voor deze acties of structurele hervormingsmaatregelen toe.
Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de eerste en tweede alinea voldoen, wijzen ten minste 15 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in hun programma's toe voor de in de eerste alinea vastgestelde gerichte acties. Met deze toewijzing wordt rekening gehouden bij de verificatie van de naleving van het in de eerste en tweede alinea vastgestelde minimumpercentage op nationaal niveau.
Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de tweede en derde alinea voldoen, wijzen ten minste 15 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in hun programma's toe voor de in de eerste alinea vastgestelde gerichte acties. Met deze toewijzing wordt rekening gehouden bij de verificatie van de naleving van het in de eerste en tweede alinea vastgestelde minimumpercentage op nationaal niveau. Die toewijzing is geen vervanging voor financiering die nodig is voor infrastructuur en de ontwikkeling van ultraperifere gebieden.
Bij de uitvoering van dergelijke acties geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen ze voor gerichte outreachmaatregelen.
Bij de uitvoering van dergelijke acties geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen ze voor gerichte outreachmaatregelen.
6.  De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op de specifieke aanvullende toewijzing die de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, ontvangen.
6.  De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op de specifieke aanvullende toewijzing die de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, ontvangen.
7.  De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op technische bijstand.
7.  De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op technische bijstand.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 bis (nieuw)
Artikel 7 bis
Eerbiediging van de grondrechten
De lidstaten en de Commissie zien bij de besteding van de middelen toe op de eerbiediging van de grondrechten en naleving van het Handvest.
Eventuele kosten die worden gemaakt voor acties die niet in overeenstemming zijn met het Handvest zijn niet subsidiabel overeenkomstig artikel 58, lid 2, van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. [xx/xx]) en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 8
Artikel 8
Artikel 8
Partnerschap
Partnerschap
1.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat sociale partners en maatschappelijke organisaties naar behoren worden betrokken bij beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer worden ondersteund.
1.  In overeenstemming met artikel 6 van [de toekomstige GB-verordening] en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014, zorgt elke lidstaat er in samenwerking met lokale en regionale autoriteiten voor dat sociale partners, maatschappelijke organisaties, instanties voor gelijke kansen, nationale mensenrechteninstellingen en andere relevante of representatieve organisaties op zinvolle wijze worden betrokken bij de programmering en verwezenlijking van beleidsmaatregelen en initiatieven op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, non-discriminatie en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer worden ondersteund. Deze zinvolle betrokkenheid is inclusief en toegankelijk voor personen met een handicap.
2.  De lidstaten wijzen een passend bedrag van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in elk programma toe voor de capaciteitsopbouw van sociale partners en maatschappelijke organisaties.
2.  De lidstaten wijzen ten minste 2 % van de ESF+-middelen toe voor de capaciteitsopbouw van sociale partners en maatschappelijke organisaties op nationaal en Unieniveau in de vorm van opleiding, maatregelen op gebied van networking en versterking van de sociale dialoog, alsook voor gezamenlijk door de sociale partners ondernomen activiteiten.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 9
Artikel 9
Artikel 9
Materiële deprivatie bestrijden
Materiële deprivatie bestrijden
De in artikel 7, lid 4, bedoelde middelen worden in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd.
De in artikel 7, lid 4, bedoelde middelen in verband met sociale inclusie van de meest behoeftigen en/of materiële deprivatie worden in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd. Het medefinancieringspercentage voor deze prioriteit of dit programma is vastgesteld op ten minste 85 %.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 10
Artikel 10
Artikel 10
Steun voor jeugdwerkgelegenheid
Steun voor jeugdwerkgelegenheid
Steun overeenkomstig artikel 7, lid 5, wordt in het kader van een specifieke prioriteit geprogrammeerd en gebruikt voor de in artikel 4, lid 1, onder i), vastgestelde specifieke doelstelling.
Steun overeenkomstig artikel 7, lid 5, wordt in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd en gebruikt voor de in artikel 4, lid 1, onder i), vastgestelde specifieke doelstelling.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Steun voor de Europese kindergarantie
Steun overeenkomstig artikel 7, lid 3 bis, wordt geprogrammeerd in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma waarin rekening wordt gehouden met de aanbeveling van de Europese Commissie van 2013 over investeren in kinderen. Deze steun is bedoeld voor de bestrijding van kinderarmoede en sociale uitsluiting van kinderen in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x) vastgestelde specifieke doelstellingen.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 11
Steun voor relevante landspecifieke aanbevelingen
Steun voor relevante landspecifieke aanbevelingen
De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester, worden in het kader van een of meer specifieke prioriteiten geprogrammeerd.
De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester, worden in het kader van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, geprogrammeerd. De lidstaten zorgen voor complementariteit, samenhang, coördinatie en synergieën met de Europese pijler van sociale rechten.
Op het niveau van de beheersautoriteiten wordt voorzien in voldoende flexibiliteit om prioriteiten en terreinen voor ESF+-investeringen in kaart te brengen in overeenstemming met de specifieke lokale of regionale uitdagingen.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Geïntegreerde territoriale ontwikkeling
1.  Het ESF+ kan steun verlenen aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling in het kader van programma's voor beide doelstellingen waarnaar wordt verwezen in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) nr. 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van titel III van die verordening [nieuwe GB-verordening].
2.  Voor de uitvoering van geïntegreerde territoriale ontwikkeling met steun uit het ESF+ gebruiken de lidstaten uitsluitend de formulieren als bedoeld in artikel [22] van Verordening (EU) nr. 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 ter (nieuw)
Artikel 11 ter
Transnationale samenwerking
1.  De lidstaten kunnen steun verlenen aan maatregelen voor transnationale samenwerking in het kader van een specifieke prioriteit.
2.  Maatregelen voor transnationale samenwerking kunnen in het kader van elk van de in de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.
3.  Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteit kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer aan deze prioriteiten.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 12
Toepassingsgebied
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op ESF+-steun onder gedeeld beheer in het kader van de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, (de "algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer").
Dit hoofdstuk is van toepassing op ESF+-steun onder gedeeld beheer in het kader van de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, (de "algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer"). Daarnaast is artikel 13 tevens van toepassing op ESF+-steun in het kader van punt xi) van artikel 4, lid 1.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
Artikel 13
Artikel 13
Innovatieve acties
Sociaal innovatieve acties
1.  De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en sociale experimenten of versterken bottom-up benaderingen op basis van partnerschappen tussen de overheid, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld, zoals de lokale actiegroepen die door de gemeenschap geleide, plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ontwikkelen en uitvoeren.
1.  De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en/of sociale experimenten, ook die met een sociaal-culturele component, aan de hand van bottom‑upbenaderingen op basis van partnerschappen tussen de overheid, de sociale partners, ondernemingen in de sociale economie, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld.
1 bis.  De lidstaten brengen in hun operationele programma's dan wel in een later stadium van de uitvoering in kaart welke terreinen in aanmerking komen voor sociale innovatie en sociale experimenten die aan de specifieke behoeften van de lidstaten beantwoorden.
2.  De lidstaten kunnen steun verlenen aan de opschaling van innovatieve methoden die op kleine schaal zijn uitgetest (sociale experimenten) en in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en andere programma's van de Unie zijn ontwikkeld.
2.  De lidstaten kunnen steun verlenen aan de opschaling van innovatieve methoden die op kleine schaal zijn uitgetest (sociale innovatie en sociale experimenten, ook die met een sociaal-culturele component) en in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en andere programma's van de Unie zijn ontwikkeld.
3.  Innovatieve acties en methoden kunnen in het kader van elk van de in de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.
3.  Innovatieve acties en methoden kunnen in het kader van elk van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.
4.  Elke lidstaat wijdt ten minste één prioriteit aan de uitvoering van de leden 1 of 2 of aan beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer aan deze prioriteiten.
4.  Elke lidstaat wijdt ten minste één prioriteit aan de uitvoering van de leden 1 of 2 of aan beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Subsidiabiliteit
Subsidiabiliteit
1.  Naast de in artikel [58] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer:
1.  Naast de in artikel [58] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer:
a)  de aankoop van grond en onroerend goed en de beschikbaarstelling van infrastructuur, en
a)  de aankoop van grond en onroerend goed en de aankoop van infrastructuur, en
b)  de aankoop van meubilair, apparatuur en voertuigen, tenzij de aankoop voor de verwezenlijking van de doelstelling van de actie noodzakelijk is, of de items volledig zijn afgeschreven, of de aankoop van deze items de meest economische optie is.
b)  de aankoop van meubilair, apparatuur en voertuigen, tenzij de aankoop absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstelling van de actie, of de items volledig zijn afgeschreven, of de aankoop van deze items de meest economische optie is.
2.  Bijdragen in natura in de vorm van toelagen of lonen die door een derde partij ten behoeve van de deelnemers aan een actie worden uitbetaald, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits de bijdragen in natura zijn verleend overeenkomstig de nationale regels, inclusief de boekhoudregels, en de door de derde partij gedragen kosten niet overstijgen.
2.  Bijdragen in natura in de vorm van toelagen of lonen die door een derde partij ten behoeve van de deelnemers aan een actie worden uitbetaald, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits de bijdragen in natura zijn verleend overeenkomstig de nationale regels, inclusief de boekhoudregels, en de door de derde partij gedragen kosten niet overstijgen.
3.  De specifieke aanvullende toewijzing voor de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, wordt gebruikt om de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen te ondersteunen.
3.  De specifieke aanvullende toewijzing voor de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, wordt gebruikt om de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen te ondersteunen.
4.  Directe personeelskosten komen in aanmerking voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits uit gegevens van Eurostat blijkt dat ze niet hoger zijn dan 100 % van de gebruikelijke beloning voor het betrokken beroep in de lidstaat.
4.  Directe personeelskosten komen in aanmerking voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer. Indien er een collectieve overeenkomst van toepassing is, worden ze bepaald overeenkomstig die overeenkomst. Indien er geen collectieve overeenkomst van toepassing is, zijn deze kosten niet hoger dan 100 % van de gebruikelijke beloning voor het betrokken beroep of de betrokken specifieke deskundigheid in de lidstaat of regio zoals blijkt uit door de respectieve beheersautoriteit verstrekte relevante bewijsstukken en/of gegevens van Eurostat.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 15
Artikel 15
Artikel 15
Indicatoren en verslaglegging
Indicatoren en verslaglegging
1.  Programma's die algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer ontvangen, gebruiken de in bijlage 1 bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. De programma's mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
1.  Programma's die algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer ontvangen, gebruiken de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, of die van bijlage II bis voor acties die gericht zijn op sociale inclusie van de meest behoeftigen in het kader van artikel 4, lid 1, onder x), om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. De programma's mogen ook programmaspecifieke en actiespecifieke indicatoren gebruiken.
2.  Voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren bedraagt de basiswaarde nul. Wanneer dit relevant is voor de aard van de ondersteunde acties, worden cumulatief gekwantificeerde mijlpalen en streefcijfers voor die indicatoren in absolute cijfers vastgesteld. De gerapporteerde waarden voor de outputindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
2.  Voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren bedraagt de basiswaarde nul. Wanneer dit relevant is voor de aard van de ondersteunde acties, worden cumulatief gekwantificeerde mijlpalen en streefcijfers voor die indicatoren in absolute cijfers vastgesteld. De gerapporteerde waarden voor de outputindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
3.  De referentiewaarde voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren waarvoor een cumulatief gekwantificeerde mijlpaal voor 2024 en een streefcijfer voor 2029 zijn vastgesteld, wordt vastgesteld op basis van de meest recente beschikbare gegevens of andere relevante bronnen van informatie. Streefcijfers voor gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers of in procenten vastgesteld. Programmaspecifieke resultaatindicatoren en daarmee verband houdende streefcijfers kunnen in kwantitatieve of kwalitatieve termen worden uitgedrukt. De gerapporteerde waarden voor de gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
3.  De referentiewaarde voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren waarvoor een cumulatief gekwantificeerde mijlpaal voor 2024 en een streefcijfer voor 2029 zijn vastgesteld, wordt vastgesteld op basis van de meest recente beschikbare gegevens of andere relevante bronnen van informatie. Streefcijfers voor gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers of in procenten vastgesteld. Programmaspecifieke resultaatindicatoren en daarmee verband houdende streefcijfers kunnen in kwantitatieve of kwalitatieve termen worden uitgedrukt. De gerapporteerde waarden voor de gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
4.  Gegevens over de indicatoren voor deelnemers worden alleen overgemaakt wanneer alle krachtens punt 1a) van bijlage 1 vereiste gegevens met betrekking tot die deelnemer beschikbaar zijn.
4.  Gegevens over de indicatoren voor deelnemers worden alleen overgemaakt wanneer alle krachtens punt 1a) van bijlage I vereiste gegevens met betrekking tot die deelnemer beschikbaar zijn.
4 bis.  De in lid 3 bedoelde gegevens omvatten een gendereffectbeoordeling om de uitvoering van de ESF+-programma's te monitoren wat gendergelijkheid betreft. Deze gegevens worden uitgesplitst naar geslacht.
5.  Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, stellen de lidstaten de beheersautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, in staat deze gegevens uit gegevensregisters of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en e), van Verordening (EU) 2016/679.
5.  Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, kunnen de lidstaten de beheersautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, in staat stellen deze gegevens uit gegevensregisters of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en e), van Verordening (EU) 2016/679.
6.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage I te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
6.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage I en bijlage II bis te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 17
Artikel 17
Artikel 17
Beginselen
Beginselen
1.  De ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie mag alleen worden gebruikt om de distributie te ondersteunen van voedsel en goederen die beantwoorden aan het Unierecht inzake de veiligheid van consumentenproducten.
1.  De ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie mag alleen worden gebruikt om de distributie te ondersteunen van voedsel en goederen die beantwoorden aan het Unierecht inzake de veiligheid van consumentenproducten.
2.  De lidstaten en de begunstigden kiezen de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand op basis van objectieve criteria met betrekking tot de behoeften van de meest behoeftige personen. Bij de selectiecriteria voor voedsel – en in voorkomend geval voor goederen – wordt ook rekening gehouden met klimatologische en milieuaspecten, vooral met het oog op minder voedselverspilling. In voorkomend geval wordt bij de keuze van het te verdelen soort voedsel rekening gehouden met de bijdrage van het voedsel tot het evenwichtig dieet van de meest behoeftige personen.
2.  De lidstaten en de begunstigden kiezen de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand op basis van objectieve criteria met betrekking tot de behoeften van de meest behoeftige personen. Bij de selectiecriteria voor voedsel – en in voorkomend geval voor goederen – wordt ook rekening gehouden met klimatologische en milieuaspecten, vooral met het oog op minder voedselverspilling en minder kunststoffen voor eenmalig gebruik. In voorkomend geval wordt bij de keuze van het te verdelen soort voedsel rekening gehouden met de bijdrage van het voedsel tot het evenwichtig dieet van de meest behoeftige personen.
De voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand kunnen direct aan de meest behoeftige personen worden verleend of indirect met behulp van elektronische vouchers of kaarten, op voorwaarde dat ze uitsluitend kunnen worden ingeruild voor voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand als bedoeld in artikel 2, punt 3.
De voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand kunnen direct aan de meest behoeftige personen worden verleend of indirect met behulp van elektronische vouchers of kaarten, op voorwaarde dat ze uitsluitend kunnen worden ingeruild voor voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand als bedoeld in artikel 2, punt 3, en niet ter vervanging dienen van bestaande sociale uitkeringen.
Het voedsel voor de meest behoeftige personen kan worden verkregen uit het gebruik, de verwerking of de verkoop van producten die zijn afgezet overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, mits dit de economisch gunstigste optie is en de levering van het voedsel aan de meest behoeftige personen hierdoor niet onnodig wordt vertraagd.
Het voedsel voor de meest behoeftige personen kan worden verkregen uit het gebruik, de verwerking of de verkoop van producten die zijn afgezet overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, mits dit de economisch gunstigste optie is en de levering van het voedsel aan de meest behoeftige personen hierdoor niet onnodig wordt vertraagd.
Uit dergelijke transacties afkomstige bedragen worden gebruikt ten behoeve van de meest behoeftige personen, naast de bedragen waarover het programma al beschikt.
Uit dergelijke transacties afkomstige bedragen worden gebruikt ten behoeve van de meest behoeftige personen, naast de bedragen waarover het programma al beschikt.
3.  De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat bij de hulp in het kader van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie de waardigheid van de meest behoeftige personen wordt geëerbiedigd en ze niet worden gestigmatiseerd.
3.  De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat bij de hulp in het kader van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie de waardigheid van de meest behoeftige personen wordt geëerbiedigd en ze niet worden gestigmatiseerd.
4.  De levering van voedselhulp en/of materiële bijstand kan worden aangevuld met een reoriëntatie naar bevoegde diensten en andere begeleidende maatregelen die de sociale inclusie van de meest behoeftige personen beogen.
4.  De levering van voedselhulp en/of materiële bijstand wordt aangevuld met een heroriëntatie naar bevoegde diensten en andere begeleidende maatregelen die de sociale inclusie van de meest behoeftige personen beogen.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 20
Artikel 20
Artikel 20
Subsidiabiliteit van uitgaven
Subsidiabiliteit van uitgaven
1.  De volgende kosten van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie zijn subsidiabel:
1.  De volgende kosten van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie zijn subsidiabel:
a)  de kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, met inbegrip van de kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken;
a)  de kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, met inbegrip van de kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken;
b)  wanneer het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken, niet onder a) valt, de door de aankopende instantie gedragen kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de opslagplaatsen en/of de begunstigden en de opslagkosten tegen een vast tarief van 1 % van de onder a) bedoelde kosten of – in naar behoren gemotiveerde gevallen – de daadwerkelijk opgelopen en betaalde kosten;
b)  wanneer het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken, niet onder a) valt, de door de aankopende instantie gedragen kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de opslagplaatsen en/of de begunstigden en de opslagkosten tegen een vast tarief van 1 % van de onder a) bedoelde kosten of – in naar behoren gemotiveerde gevallen – de daadwerkelijk opgelopen en betaalde kosten;
c)  de administratieve, vervoers- en opslagkosten die door de bij de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen betrokken begunstigden worden gedragen, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten; of 5 % van de waarde van het overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 afgezette voedsel;
c)  de administratieve, vervoers- en opslagkosten die door de bij de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen betrokken begunstigden worden gedragen, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten; of 5 % van de waarde van het overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 afgezette voedsel;
d)  de kosten voor de inzameling, het vervoer, de opslag en de distributie van voedseldonaties en daarmee rechtstreeks verband houdende voorlichtingsactiviteiten;
d)  de kosten voor de inzameling, het vervoer, de opslag en de distributie van voedseldonaties en daarmee rechtstreeks verband houdende voorlichtingsactiviteiten;
e)  de kosten van begeleidende maatregelen door of namens begunstigden die zijn gemeld door de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen leveren, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten.
e)  de kosten van begeleidende maatregelen door of namens begunstigden die zijn gemeld door de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen leveren, tegen een vast tarief van 5,5 % van de onder a) bedoelde kosten.
2.  Een verlaging van de in lid 1, onder a), bedoelde subsidiabele kosten als gevolg van inbreuken op het toepasselijke recht door de instantie die verantwoordelijk is voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, leidt niet tot een verlaging van de in lid 1, onder c) en e), bedoelde subsidiabele kosten.
2.  Een verlaging van de in lid 1, onder a), bedoelde subsidiabele kosten als gevolg van inbreuken op het toepasselijke recht door de instantie die verantwoordelijk is voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, leidt niet tot een verlaging van de in lid 1, onder c) en e), bedoelde subsidiabele kosten.
3.  De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
3.  De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
a)  de debetrente;
a)  de debetrente;
b)  de beschikbaarstelling van infrastructuur;
b)  de aankoop van infrastructuur;
c)  de kosten voor tweedehandsgoederen.
c)  de kosten voor tweedehandsgoederen waarvan de kwaliteit is afgenomen.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 21
Artikel 21
Artikel 21
Indicatoren en verslaglegging
Indicatoren en verslaglegging
1.  Prioriteiten ter bestrijding van materiële deprivatie gebruiken de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. Deze programma's mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
1.  Prioriteiten ter bestrijding van materiële deprivatie gebruiken de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. Deze programma's mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
2.  De referentiewaarden voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren worden vastgesteld.
2.  De referentiewaarden voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren worden vastgesteld. De verslagleggingsvereisten worden zo eenvoudig mogelijk gehouden.
3.  Uiterlijk 30 juni 2025 en 30 juni 2028 delen de beheersautoriteiten de Commissie de resultaten mee van een tijdens het voorgaande jaar uitgevoerd gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers. Dit onderzoek is gebaseerd op het model dat door de Commissie wordt vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling.
3.  Uiterlijk 30 juni 2025 en 30 juni 2028 delen de beheersautoriteiten de Commissie de resultaten mee van een tijdens het voorgaande jaar uitgevoerd gestructureerd anoniem onderzoek naar de eindontvangers, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan hun levensomstandigheden en de aard van hun materiële deprivatie. Dit onderzoek is gebaseerd op het model dat door de Commissie wordt vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling.
4.  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een model vast voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
4.  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een model vast voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
5.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage II te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
5.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage II te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1
De audit van acties kan betrekking hebben op alle stadia van de uitvoering ervan en op alle niveaus van de distributieketen, met als enige uitzondering de controle van de eindontvangers, tenzij uit een risicobeoordeling blijkt dat er een specifiek risico van onregelmatigheden of fraude bestaat.
De audit van acties kan betrekking hebben op alle stadia van de uitvoering ervan en op alle niveaus van de distributieketen, met als enige uitzondering de controle van de eindontvangers, tenzij uit een risicobeoordeling blijkt dat er een specifiek risico van onregelmatigheden of fraude bestaat. De audit van acties omvat in de eerste fasen van de tenuitvoerlegging meer controles, zodat de middelen in geval van frauderisico alsnog naar andere projecten kunnen worden geleid.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 23
Artikel 23
Artikel 23
Operationele doelstellingen
Operationele doelstellingen
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie heeft de volgende operationele doelstellingen:
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie heeft de volgende operationele doelstellingen:
a)  hoogwaardige vergelijkende analytische kennis ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de in artikel 4 bedoelde specifieke doelstellingen gebaseerd zijn op solide gegevens en afgestemd op de behoeften, uitdagingen en omstandigheden in de geassocieerde landen;
a)  hoogwaardige vergelijkende analytische kennis ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de in artikel 4 bedoelde specifieke doelstellingen gebaseerd zijn op solide gegevens en afgestemd op de behoeften, uitdagingen en omstandigheden in de geassocieerde landen;
b)  een doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren, collegiale toetsingen en een dialoog over beleidsmaatregelen op de in artikel 4 bedoelde gebieden bevorderen om de geassocieerde landen te helpen passende beleidsmaatregelen te nemen;
b)  een doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren, collegiale toetsingen en een dialoog over beleidsmaatregelen op de in artikel 4 bedoelde gebieden bevorderen om de geassocieerde landen te helpen passende beleidsmaatregelen te nemen;
c)  sociale experimenten op de in artikel 4 bedoelde gebieden ondersteunen en de capaciteit van de belanghebbenden opbouwen om de geteste sociale beleidsinnovaties uit te voeren, over te dragen of op te schalen;
c)  sociale experimenten op de in artikel 4 bedoelde gebieden ondersteunen en de capaciteit van de belanghebbenden opbouwen om de geteste sociale beleidsinnovaties voor te bereiden, te ontwerpen en uit te voeren, over te dragen of op te schalen, met bijzondere aandacht voor het bevorderen van de opschaling van door steden, lokale en regionale overheden, de sociale partners, maatschappelijke organisaties en sociaal-economische actoren ontwikkelde lokale projecten op het gebied van opvang, sociale inclusie en integratie van onderdanen van derde landen;
d)  specifieke ondersteunende diensten aan werkgevers en werkzoekenden verlenen om geïntegreerde Europese arbeidsmarkten te ontwikkelen, van de voorbereiding voor de werving tot steun na plaatsing om vacatures voor bepaalde groepen (bijvoorbeeld kwetsbare personen) en in bepaalde sectoren, beroepen, landen en grensregio's te vervullen;
d)  specifieke ondersteunende diensten aan werkgevers en werkzoekenden tot stand brengen en verlenen om geïntegreerde Europese arbeidsmarkten te ontwikkelen, van de voorbereiding voor de werving tot steun na plaatsing om vacatures voor bepaalde groepen (bijvoorbeeld mensen in kwetsbare situaties) en in bepaalde sectoren, beroepen, landen en grensregio's te vervullen;
d bis)  grensoverschrijdende partnerschappen tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening, het maatschappelijk middenveld en sociale partners ondersteunen ter bevordering van een grensoverschrijdende arbeidsmarkt en grensoverschrijdende mobiliteit met passende voorwaarden;
d ter)  de verlening van Eures-diensten voor de werving en plaatsing van werknemers in kwaliteitsvolle en duurzame banen ondersteunen door het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk, onder meer middels grensoverschrijdende partnerschappen;
d quater)  de vrijwillige geografische mobiliteit van werknemers faciliteren met passende sociale voorwaarden en de werkgelegenheid vergroten door in de Unie hoogwaardige en inclusieve arbeidsmarkten tot stand te brengen, open en voor iedereen toegankelijk, met inachtneming van de rechten van werknemers in de hele Unie;
e)  steun verlenen aan de ontwikkeling van het marktecosysteem met betrekking tot de verlening van microfinanciering aan micro-ondernemingen in de aanloop- en ontwikkelingsfase, en met name aan ondernemingen die kwetsbare personen tewerkstellen;
e)  steun verlenen aan de ontwikkeling van het marktecosysteem met betrekking tot de verlening van microfinanciering, alsook de beschikbaarheid en toegankelijkheid daarvan voor micro-ondernemingen, ondernemingen in de sociale economie en kwetsbare personen in de aanloop- en ontwikkelingsfase, en met name voor ondernemingen die mensen in kwetsbare situaties, met inbegrip van kansarme groepen, tewerkstellen;
f)  steun verlenen aan networking op het niveau van de Unie en aan de dialoog met en tussen belanghebbenden op de in artikel 4 bedoelde gebieden, en bijdragen tot de opbouw van de institutionele capaciteit van deze belanghebbenden, onder meer de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, socialezekerheidsinstellingen, instellingen voor microfinanciering en instellingen die sociale ondernemingen en de sociale economie financieren;
f)  steun verlenen aan networking op het niveau van de Unie en aan de dialoog met en tussen belanghebbenden op de in artikel 4 bedoelde gebieden, en bijdragen tot de opbouw van de institutionele capaciteit van de betrokken belanghebbenden, onder meer de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, socialezekerheidsinstellingen, het maatschappelijk middenveld, instellingen voor microfinanciering en instellingen die ondernemingen in de sociale economie en de sociale economie financieren;
g)  de ontwikkeling van sociale ondernemingen en de opkomst van een markt voor sociale investeringen ondersteunen, waardoor publieke en particuliere interacties en de deelname van stichtingen en filantropische actoren op die markt worden bevorderd;
g)  de ontwikkeling van ondernemingen in de sociale economie en de opkomst van een markt voor sociale investeringen ondersteunen, waardoor publieke en particuliere interacties en de deelname van stichtingen en filantropische actoren op die markt worden bevorderd;
h)  advies verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten benodigde sociale infrastructuur (met inbegrip van huisvesting, kinderopvang, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg);
h)  advies verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten benodigde sociale infrastructuur (met inbegrip van huisvesting, onderwijs en opvang voor jonge kinderen, ouderenzorg, toegankelijkheidseisen en de overgang van institutionele zorg naar zorg in gemeenschaps- of gezinsverband, met inbegrip van toegankelijkheidseisen voor personen met een handicap, kinderopvang, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg);
i)  de transnationale samenwerking bevorderen om de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen in heel Europa te vergemakkelijken, met name op het gebied van werkgelegenheid, vaardigheden en sociale inclusie;
i)  de transnationale samenwerking bevorderen om de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen in heel Europa te vergemakkelijken, met name op het gebied van armoedebestrijding, werkgelegenheid, vaardigheden en sociale inclusie;
j)  de uitvoering van relevante internationale sociale en arbeidsnormen ondersteunen in de context van de globalisering en de externe dimensie van het beleid van de Unie op de in artikel 4 bedoelde gebieden.
j)  de uitvoering van relevante internationale sociale en arbeidsnormen ondersteunen in de context van de globalisering en de externe dimensie van het beleid van de Unie op de in artikel 4 bedoelde gebieden.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 bis (nieuw)
Artikel 23 bis
Thematische concentratie en financiering
Het deel van de financiële middelen voor het ESF+ ten behoeve van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie als bedoeld in artikel 5, lid 4, onder a), wordt gedurende de gehele periode toegewezen voor de specifieke doelstellingen die zijn vastgesteld in artikel 4, lid 2 ter, overeenkomstig de volgende indicatieve percentages:
a)  55 % voor specifieke doelstelling 1;
b)  18 % voor specifieke doelstelling 2;
c)  18 % voor specifieke doelstelling 3.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 24
Artikel 24
Artikel 24
In aanmerking komende acties
In aanmerking komende acties
1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 4 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 4 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
2.  Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie kan de volgende acties ondersteunen:
2.  Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie kan de volgende acties ondersteunen:
a)  analytische activiteiten, onder meer met betrekking tot derde landen, en met name:
a)  analytische activiteiten, onder meer met betrekking tot derde landen, en met name:
i)  onderzoeken, studies, statistische gegevens, methoden, classificaties, microsimulaties, indicatoren, steun voor Europese waarnemingsposten en benchmarks;
i)  onderzoeken, studies, statistische gegevens, methoden, classificaties, microsimulaties, indicatoren, steun voor Europese waarnemingsposten en benchmarks;
ii)  sociale experimenten ter evaluatie van sociale innovatie;
ii)  sociale experimenten ter evaluatie van sociale innovatie;
iii)  monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;
iii)  monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;
b)  uitvoering van het beleid, en met name:
b)  uitvoering van het beleid, en met name:
i)  grensoverschrijdende partnerschappen en ondersteunende diensten in grensoverschrijdende regio's;
i)  grensoverschrijdende partnerschappen en ondersteunende diensten in grensoverschrijdende regio's;
ii)  een op arbeid gerichte mobiliteitsregeling op het niveau van de Unie om vacatures te vervullen waar zich tekorten op de arbeidsmarkt voordoen;
ii)  een op arbeid gerichte mobiliteitsregeling op het niveau van de Unie om vacatures te vervullen waar zich tekorten op de arbeidsmarkt voordoen;
iii)  steun voor microfinanciering en sociale ondernemingen, onder meer via blendingverrichtingen zoals asymmetrische risicodeling of het beperken van transactiekosten, alsmede steun voor de ontwikkeling van sociale infrastructuur en vaardigheden;
iii)  steun voor microfinanciering en ondernemingen in de sociale economie, onder meer via blendingverrichtingen zoals asymmetrische risicodeling of het beperken van transactiekosten, alsmede steun voor de ontwikkeling van sociale infrastructuur en vaardigheden;
iv)  steun voor transnationale samenwerking en partnerschappen met het oog op de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen;
iv)  steun voor transnationale samenwerking en partnerschappen met het oog op de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen;
c)  capaciteitsopbouw, met name:
c)  capaciteitsopbouw, met name:
i)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
i)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
ii)  van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het onderdeel;
ii)  van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het onderdeel;
iii)  van de administratieve structuren van de deelnemende landen, van socialezekerheidsinstellingen, van voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit verantwoordelijke diensten voor arbeidsvoorziening, van instellingen voor microfinanciering en van instellingen die sociale ondernemingen of andere actoren op het gebied van sociale investeringen financieren, alsook van de structuren voor networking;
iii)  van de administratieve structuren van de deelnemende landen, van socialezekerheidsinstellingen, van voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit verantwoordelijke diensten voor arbeidsvoorziening, van instellingen voor microfinanciering en van instellingen die ondernemingen in de sociale economie of andere actoren op het gebied van sociale investeringen financieren, alsook van de structuren voor networking;
iv)  van belanghebbenden met het oog op transnationale samenwerking;
iv)  van de sociale partners en belanghebbenden met het oog op transnationale samenwerking;
d)  communicatie- en verspreidingsactiviteiten, en met name:
d)  communicatie- en verspreidingsactiviteiten, en met name:
i)  wederzijds leren door de uitwisseling van goede praktijken, innovatieve methoden, resultaten van analytische activiteiten, collegiale toetsingen en benchmarking;
i)  wederzijds leren door de uitwisseling van goede praktijken, innovatieve methoden, resultaten van analytische activiteiten, collegiale toetsingen en benchmarking;
ii)  handleidingen, verslagen, informatiemateriaal en mediaberichtgeving over initiatieven met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
ii)  handleidingen, verslagen, informatiemateriaal en mediaberichtgeving over initiatieven met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iii)  informatiesystemen die gegevens verspreiden met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iii)  informatiesystemen die gegevens verspreiden met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iv)  evenementen, conferenties en seminars van het voorzitterschap van de Raad.
iv)  technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het werkprogramma, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van informatietechnologiesystemen.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter b
b)  elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie, of elke internationale organisatie;
b)  elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie, of relevante internationale organisatie;
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 bis (nieuw)
Artikel 25 bis
Governance
1.  De Commissie overlegt met belanghebbenden in de Unie, met name de sociale partners en maatschappelijke organisaties, over de werkprogramma's voor werkgelegenheid en sociale innovatie en de prioriteiten, strategische oriëntatie en uitvoering ervan.
2.  De Commissie brengt de nodige relaties tot stand met het Comité voor de werkgelegenheid, het Comité voor sociale bescherming, het Raadgevend comité voor veiligheid en gezondheid op de werkplek, de groep van directeuren-generaal voor arbeidsverhoudingen en het Raadgevend comité voor het vrij verkeer van werknemers, om ervoor te zorgen dat deze regelmatig en op passende wijze op de hoogte worden gehouden over de voortgang van de uitvoering van deze programma's. De Commissie informeert ook andere comités die zich bezighouden met beleid, instrumenten en acties die relevant zijn voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter -a (nieuw)
-a)   een volksgezondheidsstrategie van de Unie ondersteunen die gericht is op:
i)  het ondersteunen van de lidstaten bij hun inspanningen ter bescherming en bevordering van de volksgezondheid; en
ii)  het bevorderen van de opdracht van de Unie op het gebied van gezondheid overeenkomstig artikel 168 VWEU, waarin is bepaald dat een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid bij de bepaling en uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie wordt verzekerd.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter a –inleidende formule
a)  de crisisparaatheid, -beheersing en -respons in de Unie versterken om burgers te beschermen tegen grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid
a)  de crisisparaatheid, -beheersing en -respons in de Unie versterken om grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid aan te pakken
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter a – punt iv bis (nieuw)
iv bis)   goed vormgegeven interventies op het gebied van volksgezondheid uitvoeren om de lasten en effecten van infecties en besmettelijke te voorkomen ziekten te beperken
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter a – punt iv ter (nieuw)
iv ter)   de ontwikkeling van vaardigheden en instrumenten voor doeltreffende risicocommunicatie ondersteunen
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt i
i)  investeren in gezondheidsbevordering en ziektepreventie
i)  investeren in gezondheidsbevordering en ziektepreventie, onder meer door middel van programma's voor de bevordering van de kennis van gezondheid en gezondheidsvoorlichting, en door het bevorderen van lichaamsbeweging
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt i bis (nieuw)
i bis)  investeren in vroegtijdige diagnose en screening
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii
ii)  de digitale transformatie van gezondheid en zorg ondersteunen
ii)  de digitale transformatie van gezondheid en zorg ondersteunen die beantwoordt aan de behoeften en zorgen van patiënten en burgers, met name door het tot stand brengen van koppelingen met programma's ter ondersteuning van mediageletterdheid en digitale vaardigheden
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii bis (nieuw)
ii bis)   de ontwikkeling van digitale overheidsdiensten op gebieden als gezondheidszorg ondersteunen
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii ter (nieuw)
ii ter)   de beveiliging en kwaliteit van gezondheidsinformatie verbeteren
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii
ii)  de ontwikkeling van een duurzaam systeem voor gezondheidsinformatie in de Unie ondersteunen
ii)  de ontwikkeling van een duurzaam, transparant en toegankelijk systeem voor gezondheidsinformatie in de Unie ondersteunen, met waarborging van de bescherming van privégegevens
(In het Commissievoorstel is de nummering van de punten in Artikel 26, onder b), niet correct: er zijn twee punten genummerd als ii))
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iii
iii)  de lidstaten helpen bij kennisoverdracht die voor nationale hervormingen nuttig is met het oog op meer doeltreffende, toegankelijke en veerkrachtige gezondheidsstelsels en een betere gezondheidsbevordering en ziektepreventie, waarbij vooral de in het Europees Semester vermelde uitdagingen worden aangegaan
iii)  de lidstaten helpen bij kennisoverdracht en steun bij de uitvoering die voor nationale hervormingen nuttig is met het oog op meer doeltreffende, toegankelijke, veerkrachtige, niet-discriminerende, inclusieve en rechtvaardige gezondheidsstelsels die sociale ongelijkheid tegengaan, en een betere gezondheidsbevordering en ziektepreventie, waarbij vooral de in het Europees Semester vermelde uitdagingen worden aangegaan. Dit houdt onder meer de ondersteuning van hoogwaardige nationale registers in die ook vergelijkbare gegevens leveren
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iv bis (nieuw)
iv bis)   de overgang naar persoonsgerichte zorg, buurt- en nabijheidsdiensten op sociaal en gezondheidsgebied en geïntegreerde zorg in gemeenschapsverband ondersteunen, met name door het bevorderen van organisatiemodellen die zijn gebaseerd op interprofessionele samenwerking en networking met meerdere belanghebbenden
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iv ter (nieuw)
iv ter)   de betrokkenheid van alle relevante belanghebbenden met betrekking tot bovengenoemde acties waarborgen, op het niveau van de Unie en/of op nationaal niveau, al naargelang het geval
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iv quater (nieuw)
iv quater)   instrumenten en strategieën ontwikkelen en toepassen om ongelijkheden op gezondheidsgebied te voorkomen en aan te pakken, alsook om sociale inclusie, een sterkere positie voor burgers en participatie van de gemeenschap te bevorderen
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter c – punt i
i)  de uitvoering van de wetgeving inzake geneesmiddelen en medische hulpmiddelen ondersteunen
i)  de uitvoering van de wetgeving inzake geneesmiddelen, toegang tot deze geneesmiddelen in de hele Unie en medische hulpmiddelen ondersteunen
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter c – punt vi
vi)  de wetenschappelijke comités van de Commissie voor consumentenveiligheid en voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico's ondersteunen
vi)  de ontwikkeling van het beginsel van "gezondheid op alle beleidsgebieden" ondersteunen en processen tot stand brengen om gezondheidseffecten op alle beleidsgebieden te kunnen onderzoeken en in aanmerking te kunnen nemen
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)   de monitoring en uitvoering van andere wetgeving en beleidsmaatregelen van de Unie met gevolgen voor de gezondheid ondersteunen en versterken, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te helpen waarborgen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, wetgeving en beleidsmaatregelen die betrekking hebben op:
i)  luchtvervuiling
ii)  hormoonontregelende stoffen en andere chemische stoffen met schadelijke eigenschappen
iii)  bestrijdingsmiddelenresiduen in voedsel, water en in de lucht
iv)  voedsel en voedseletikettering, onder meer met betrekking tot transvetzuren, de etikettering van alcoholische producten, additieven en materialen die met levensmiddelen in aanraking komen
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt ii
ii)  de samenwerking bij de evaluatie van gezondheidstechnologie ondersteunen in de aanloop naar nieuwe geharmoniseerde regels
ii)  de samenwerking bij de evaluatie van gezondheidstechnologie, alsook de capaciteitsopbouw in dit verband ondersteunen in de aanloop naar nieuwe geharmoniseerde regels
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt iii bis (nieuw)
iii bis)   de uitvoering van programma's en beste praktijken inzake voorlichting en campagnes voor jongeren met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid ondersteunen
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt iii ter (nieuw)
iii ter)   op Unieniveau actieve maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met gezondheid en gezondheidsgerelateerde kwesties ondersteunen
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt iii quater (nieuw)
iii quater)  de oprichting van een stuurgroep voor gezondheid voor de uitvoering van de acties in het kader van het onderdeel gezondheid ondersteunen
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1
1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 26 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
1.  Alleen gezondheidsgerelateerde acties voor de verwezenlijking van de in de artikelen 3, 4 en 26 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter a – punt i bis (nieuw)
i bis)   activiteiten voor het monitoren van de cumulatieve gezondheidseffecten van milieurisicofactoren, onder meer als gevolg van verontreinigende stoffen in voedsel, water, in de lucht en in andere bronnen;
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter a – punt i ter (nieuw)
i ter)   activiteiten voor het monitoren van de gezondheidseffecten van het Unierecht, zoals geneesmiddelenbewaking en soortgelijke activiteiten;
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter a – alinea 1 bis (nieuw)
De resultaten van analytische activiteiten worden openbaar gemaakt zodra deze zijn afgerond;
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter b – punt i
i)  grensoverschrijdende samenwerking en partnerschappen, onder meer in grensoverschrijdende regio's;
i)  grensoverschrijdende samenwerking en partnerschappen, onder meer in grensoverschrijdende regio's en onder meer met betrekking tot luchtvervuiling en andere grensoverschrijdende milieuverontreiniging;
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter c – punt i
i)  door de overdracht, de aanpassing en de toepassing van beste praktijken met een toegevoegde waarde van de Unie tussen de lidstaten;
i)  door de uitwisseling, de overdracht, de aanpassing en de toepassing van beste praktijken met een toegevoegde waarde van de Unie tussen de lidstaten;
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter c – punt ii
ii)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde gebieden;
ii)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde gebieden, op continue en duurzame wijze, waarbij wordt gezorgd voor de aanwezigheid van een actief maatschappelijk middenveld op het niveau van de Unie;
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter c – punt iv
iv)  van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het programma;
iv)  van regionale, subnationale en nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het programma;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – alinea 1
De Commissie raadpleegt de gezondheidsautoriteiten van de lidstaten in de stuurgroep voor gezondheidsbevordering, ziektepreventie en het beheersen van niet-overdraagbare ziekten of in andere relevante deskundigengroepen van de Commissie of soortgelijke entiteiten over de werkplannen voor en de prioriteiten, de strategische richtsnoeren en de uitvoering van het onderdeel gezondheid, evenals over de aspecten inzake gezondheidsbeleid van andere beleidsmaatregelen en steunmechanismen, waardoor de algemene coördinatie en de toegevoegde waarde ervan toenemen.
De Commissie raadpleegt de gezondheidsautoriteiten van de lidstaten in de stuurgroep voor gezondheidsbevordering, ziektepreventie en het beheersen van niet-overdraagbare ziekten of in andere relevante deskundigengroepen van de Commissie of soortgelijke entiteiten, zoals beroepsorganisaties in de zorgsector, over de jaarlijkse werkplannen voor en de prioriteiten, de strategische richtsnoeren en de uitvoering van het onderdeel gezondheid, evenals over de aspecten inzake gezondheidsbeleid van andere beleidsmaatregelen en steunmechanismen, waardoor de algemene coördinatie en de toegevoegde waarde ervan toenemen. Een sterk politiek leiderschap en een passende op gezondheid gerichte governancestructuur zullen zorgen voor de waarborging van gezondheidsbescherming en -bevordering binnen alle Commissieportefeuilles overeenkomstig artikel 168, lid 1, VWEU.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 bis (nieuw)
Artikel 29 bis
Stuurgroep voor gezondheid
1.  De Commissie richt een stuurgroep voor gezondheid op ("de stuurgroep") voor de uitvoering van acties in het kader van het onderdeel gezondheid.
2.  De stuurgroep richt zich op de totstandbrenging, via coördinatie en samenwerking, van synergieën tussen het onderdeel gezondheid en andere programma's met een geïntegreerde gezondheidsdimensie, op de bevordering van de betrokkenheid van patiënten en de samenleving en op de verstrekking van wetenschappelijk advies en wetenschappelijke aanbevelingen. In het kader van die acties wordt gezorgd voor op waarden gerichte gezondheidsmaatregelen, duurzaamheid en betere gezondheidsoplossingen, voor betere toegang en een beperking van de ongelijkheid op het gebied van gezondheid.
3.  De stuurgroep stelt een omvattende strategie op en zorgt voor aansturing bij de ontwikkeling van de werkplannen in het kader van het onderdeel gezondheid.
4.  De stuurgroep is een onafhankelijke groep belanghebbenden, bestaande uit actoren uit relevante sectoren op het gebied van volksgezondheid, welzijn en sociale bescherming, en met een participerende rol voor vertegenwoordigers van de regio's en lokale gezondheidsautoriteiten, vertegenwoordigers van patiënten, en burgers.
5.  De stuurgroep bestaat uit 15 tot 20 hooggeplaatste personen die worden geselecteerd uit verschillende disciplines en activiteiten als bedoeld in lid 4. De leden van de stuurgroep worden door de Commissie aangewezen na een openbare oproep tot het indienen van voordrachten van kandidaten en/of het indienen van blijken van belangstelling.
6.  De voorzitter van de stuurgroep wordt door de Commissie aangewezen uit de leden van de stuurgroep.
7.  De stuurgroep:
i)  levert een bijdrage aan de jaarlijkse werkplannen in het kader van het onderdeel gezondheid, na een voorstel van de Commissie;
ii)  ontwikkelt een blauwdruk voor coördinatie en samenwerking op het vlak van aansturing tussen het onderdeel gezondheid en andere programma's met een geïntegreerde gezondheidsdimensie.
Deze blauwdruk helpt de zichtbaarheid en coördinatie van alle bestaande financieringsmechanismen in verband met gezondheid te waarborgen en draagt bij aan coördinatie en samenwerking op het vlak van aansturing.
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 ter (nieuw)
Artikel 29 ter
Internationale samenwerking
De Commissie brengt samenwerkingsverbanden tot stand met relevante internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en gespecialiseerde agentschappen daarvan, met name de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), alsook met de Raad van Europa en met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) om het onderdeel gezondheid uit te voeren, met het oog op een zo groot mogelijke doeltreffendheid en efficiëntie van acties op het niveau van de Unie en op internationaal niveau.
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 31
Artikel 31
Artikel 31
Vormen van EU-financiering en uitvoeringsmethoden
Vormen van EU-financiering en uitvoeringsmethoden
1.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid kunnen voor financiering zorgen in de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en vrijwillige betalingen aan internationale organisaties waarvan de Unie lid is of aan de werkzaamheden waarvan de Unie deelneemt.
1.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid kunnen voor financiering zorgen in de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen, bijdragen en vrijwillige betalingen aan internationale organisaties waarvan de Unie lid is of aan de werkzaamheden waarvan de Unie deelneemt.
2.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid worden direct uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement of indirect met in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement bedoelde organen.
2.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid worden direct uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement of indirect met in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement bedoelde organen.
Bij de toekenning van subsidies kan het in artikel [150] van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité zijn samengesteld uit externe deskundigen.
Bij de toekenning van subsidies kan het in artikel [150] van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité zijn samengesteld uit externe deskundigen.
3.  Blendingverrichtingen in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
3.  Blendingverrichtingen in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
4.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om acties te financieren met een duidelijke meerwaarde van de Unie die worden medegefinancierd door de voor gezondheid bevoegde autoriteiten in de lidstaten of de met het programma geassocieerde derde landen, of door individueel of als netwerk optredende overheidsinstanties en niet-gouvernementele organen die door die bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd.
4.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om acties te financieren met een duidelijke meerwaarde van de Unie die worden medegefinancierd door de voor gezondheid bevoegde autoriteiten in de lidstaten of de met het programma geassocieerde derde landen, of door individueel of als netwerk optredende overheidsinstanties en niet-gouvernementele organen die door die bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd.
5.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan Europese referentienetwerken die als netwerken door de bestuursraad van lidstaten van de Europese referentienetwerken zijn goedgekeurd op grond van de goedkeuringsprocedure die is vastgesteld in Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken.
5.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan Europese referentienetwerken die als netwerken door de bestuursraad van lidstaten van de Europese referentienetwerken zijn goedgekeurd op grond van de goedkeuringsprocedure die is vastgesteld in Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken.
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 32
Artikel 32
Artikel 32
Werkprogramma en coördinatie
Werkprogramma en coördinatie
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid worden uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel [108] van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt – in voorkomend geval – het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 38 gedelegeerde handelingen vast in aanvulling op de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid door werkprogramma's als bedoeld in artikel [108] van het Financieel Reglement vast te stellen. In die werkprogramma's wordt – in voorkomend geval – het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
De Commissie bevordert synergie en zorgt voor doeltreffende coördinatie tussen het onderdeel gezondheid van het ESF+ en het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning.
De Commissie bevordert synergie en zorgt voor doeltreffende coördinatie tussen het onderdeel gezondheid van het ESF+ en het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 33
Artikel 33
Artikel 33
Monitoring en verslaglegging
Monitoring en verslaglegging
1.  Er worden indicatoren vastgesteld om de uitvoering en de voortgang van de onderdelen te monitoren bij de verwezenlijking van de in artikel 4 vastgestelde specifieke doelstellingen en de in de artikelen 23 en 26 vastgestelde operationele doelstellingen.
1.  Er worden indicatoren vastgesteld om de uitvoering en de voortgang van de onderdelen te monitoren bij de verwezenlijking van de in artikel 4 vastgestelde specifieke doelstellingen en de in de artikelen 23 en 26 vastgestelde operationele doelstellingen.
2.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering van de onderdelen en de resultaten efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en – in voorkomend geval – de lidstaten.
2.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering van de onderdelen en de resultaten efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en – in voorkomend geval – de lidstaten.
3.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage III aan te vullen of te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van de onderdelen doeltreffend te kunnen beoordelen.
3.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in de bijlagen II ter en III aan te vullen of te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van de onderdelen doeltreffend te kunnen beoordelen.
3 bis.  Met het oog op een regelmatige monitoring van de onderdelen en eventuele aanpassingen van het desbetreffende beleid en de desbetreffende financieringsprioriteiten, stelt de Commissie een eerste kwalitatief en kwantitatief monitoringverslag op dat het eerste jaar beslaat, en vervolgens drie verslagen die opeenvolgende tweejaarlijkse periodes beslaan, en legt zij die verslagen voor aan het Europees Parlement en de Raad. De verslagen worden tevens ter informatie aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voorgelegd. De verslagen bevatten de resultaten van de onderdelen en de mate waarin de beginselen van gelijkheid van mannen en vrouwen en gendermainstreaming zijn toegepast en op welke wijze overwegingen inzake non-discriminatie, waaronder toegankelijkheidskwesties, in de desbetreffende activiteiten aan de orde zijn gesteld. Ter bevordering van de transparantie met betrekking tot de onderdelen, worden de verslagen ook openbaar gemaakt.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 35
Artikel 35
Artikel 35
Evaluatie
Evaluatie
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
2.  De tussentijdse evaluatie van de onderdelen kan worden uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering ervan beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van de onderdelen is begonnen.
2.  Uiterlijk op 31 december 2024 voert de Commissie een tussentijdse evaluatie van de onderdelen uit met het oog op het volgende:
a)  om op kwalitatieve en kwantitatieve basis de vooruitgang ten opzichte van de doelstellingen te meten;
b)  om het maatschappelijke klimaat binnen de Unie en eventuele grote wijzigingen als gevolg van het Unierecht aan de orde te stellen;
c)  om te bepalen of de middelen van de onderdelen doeltreffend zijn gebruikt en de meerwaarde voor de Unie ervan te beoordelen.
De resultaten van die tussentijdse evaluatie worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.
3.  Aan het einde van de uitvoeringperiode, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 5 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de onderdelen uit.
3.  Aan het einde van de uitvoeringperiode, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 5 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de onderdelen uit.
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 37
Artikel 37
Artikel 37
Informatie, communicatie en publiciteit
Informatie, communicatie en publiciteit
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende en doeltreffende wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende en doeltreffende wijze te informeren.
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid, alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikelen 4, 23 en 26 bedoelde doelstellingen.
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid, alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikelen 4, 23 en 26 bedoelde doelstellingen.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 38
Artikel 38
Artikel 38
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.  De in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, artikel 32 en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, artikel 32 en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201628.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201628.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  Een overeenkomstig artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, artikel 32 en artikel 33, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
_________________________________
_________________________________
28 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
28.  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 40
Artikel 40
Artikel 40
Comité overeenkomstig artikel 163 VWEU
Comité overeenkomstig artikel 163 VWEU
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 163 VWEU ingestelde comité (het ESF+-Comité).
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 163 VWEU ingestelde comité (het ESF+-Comité).
2.  Iedere lidstaat wijst één vertegenwoordiger van de regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties, één vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties alsmede één plaatsvervanger voor ieder lid aan voor een termijn van maximaal zeven jaar. Bij afwezigheid van een lid neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.
2.  Iedere lidstaat wijst één vertegenwoordiger van de regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties, één vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties, één vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld, één vertegenwoordiger van de instanties voor gelijke kansen of andere onafhankelijke mensenrechteninstellingen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) van [de toekomstige GB-verordening] alsmede één plaatsvervanger voor ieder lid aan voor een termijn van maximaal zeven jaar. Bij afwezigheid van een lid neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.
3.  Het ESF+-Comité omvat telkens één vertegenwoordiger van de organisaties die de werknemersorganisaties en de werkgeversorganisaties op het niveau van de Unie vertegenwoordigen.
3.  Het ESF+-Comité omvat telkens één vertegenwoordiger van de organisaties die de werknemersorganisaties, de werkgeversorganisaties en maatschappelijke organisaties op het niveau van de Unie vertegenwoordigen.
3 bis.  Het ESF+-Comité kan vertegenwoordigers van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds uitnodigen.
3 ter.  In het ESF+-Comité wordt het evenwicht tussen mannen en vrouwen, alsook een gepaste vertegenwoordiging van minderheden en andere uitgesloten groepen gewaarborgd.
4.  Het ESF+-Comité wordt geraadpleegd over het geplande gebruik van technische bijstand, voor zover daarvoor een bijdrage uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer wordt verleend, alsook over andere kwesties met gevolgen voor de uitvoering van de strategieën op het niveau van de Unie die relevant zijn voor het ESF+;
4.  Het ESF+-Comité wordt geraadpleegd over het geplande gebruik van technische bijstand, voor zover daarvoor een bijdrage uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer wordt verleend, alsook over andere kwesties met gevolgen voor de uitvoering van de strategieën op het niveau van de Unie die relevant zijn voor het ESF+;
5.  Het ESF+-Comité kan advies uitbrengen over:
5.  Het ESF+-Comité kan advies uitbrengen over:
a)  kwesties met betrekking tot de ESF+-bijdrage tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer landspecifieke aanbevelingen en semestergerelateerde prioriteiten (nationale hervormingsprogramma’s, enzovoort);
a)  kwesties met betrekking tot de ESF+-bijdrage tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer landspecifieke aanbevelingen en semestergerelateerde prioriteiten (nationale hervormingsprogramma’s, enzovoort);
b)  kwesties met betrekking tot de [toekomstige GB-verordening] die relevant zijn voor het ESF+;
b)  kwesties met betrekking tot de [toekomstige GB-verordening] die relevant zijn voor het ESF+;
c)  andere dan de in lid 4 bedoelde kwesties in verband met het ESF+ die de Commissie aan het comité voorlegt.
c)  andere dan de in lid 4 bedoelde kwesties in verband met het ESF+ die de Commissie aan het comité voorlegt.
De adviezen van het ESF+-Comité worden goedgekeurd met absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen en worden ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. De Commissie licht het ESF+-Comité in over de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.
De adviezen van het ESF+-Comité worden goedgekeurd met absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen en worden ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. De Commissie licht het ESF+-Comité schriftelijk in over de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.
6.  Het ESF+-Comité kan werkgroepen oprichten voor elk onderdeel van het ESF+.
6.  Het ESF+-Comité kan werkgroepen oprichten voor elk onderdeel van het ESF+.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Bijlage I
BIJLAGE I1
BIJLAGE I1
Gemeenschappelijke indicatoren voor de algemene steun uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Gemeenschappelijke indicatoren voor de algemene steun uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Alle persoonlijke gegevens moeten worden opgesplitst naar gender (vrouwelijk, mannelijk, "non-binair"). Indien bepaalde resultaten niet mogelijk zijn, moeten de gegevens voor die resultaten niet worden verzameld en gerapporteerd.
Alle persoonlijke gegevens moeten worden opgesplitst naar gender (vrouwelijk, mannelijk, "non-binair"). Indien bepaalde resultaten niet beschikbaar zijn, moeten de gegevens voor die resultaten niet worden verzameld en gerapporteerd. Gevoelige persoonsgegevens kunnen anoniem worden onderzocht.
1)  Gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot activiteiten die gericht zijn op mensen:
1)  Gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot activiteiten die gericht zijn op mensen:
1a)  Gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers
1a)  Gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers
–  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:
–  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:
–  werklozen, onder wie langdurig werklozen*,
–  werklozen, onder wie langdurig werklozen*,
–  langdurig werklozen*,
–  langdurig werklozen*,
–  inactieven*,
–  inactieven*,
–  werkenden, onder wie zelfstandigen*,
–  werkenden, onder wie zelfstandigen*,
–  personen die geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's)*,
–  jonger dan 30 jaar*,
–  kinderen jonger dan 18 jaar*,
–  jongeren tussen 18 en 29 jaar*,
–  ouder dan 54 jaar*,
–  ouder dan 54 jaar*,
–  met lager voortgezet onderwijs of minder (ISCED 0-2)*,
–  met lager voortgezet onderwijs of minder (ISCED 0-2)*,
–  met hoger middelbaar (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4)*,
–  met hoger middelbaar (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4)*,
–  met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8)*.
–  met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8)*.
Het totale aantal deelnemers moet automatisch worden berekend op basis van de gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot de arbeidssituatie.
Het totale aantal deelnemers moet automatisch worden berekend op basis van de gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot de arbeidssituatie.
1b)  Andere gemeenschappelijke outputindicatoren
1b)  Andere gemeenschappelijke outputindicatoren
Als de gegevens voor deze indicatoren niet worden verzameld uit gegevensregisters, mogen de waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigde.
Als de gegevens voor deze indicatoren niet worden verzameld uit gegevensregisters, mogen de waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigde. De deelnemers verstrekken de gegevens altijd vrijwillig.
–  deelnemers met een handicap**,
–  deelnemers met een handicap**,
–  deelnemers jonger dan 18 jaar*,
–  onderdanen van derde landen*,
–  onderdanen van derde landen*,
–  deelnemers met een buitenlandse achtergrond*,
–  deelnemers met een buitenlandse achtergrond*,
–  minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma)**,
–  minderheden (behalve de Romagemeenschap)**,
–  deelnemers uit de Romagemeenschap**
–  daklozen of mensen die van de woningmarkt uitgesloten zijn*,
–  daklozen of mensen die van de woningmarkt uitgesloten zijn*,
–  deelnemers van het platteland*.
–  deelnemers van het platteland*,
–  deelnemers uit geografische gebieden met een hoog percentage armoede en sociale uitsluiting*,
–  deelnemers die van institutionele zorg overgaan naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband**.
2)  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor entiteiten zijn:
2)  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor entiteiten zijn:
–  aantal ondersteunde overheidsadministraties of overheidsdiensten op nationaal, regionaal of lokaal niveau,
–  aantal ondersteunde overheidsadministraties of overheidsdiensten op nationaal, regionaal of lokaal niveau,
–  aantal ondersteunde, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (waaronder coöperatieve ondernemingen en sociale ondernemingen).
–  aantal ondersteunde, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (waaronder coöperatieve ondernemingen en sociale ondernemingen).
3)  De gemeenschappelijke onmiddellijkresultaatindicatoren voor de deelnemers zijn:
3)  De gemeenschappelijke onmiddellijkresultaatindicatoren voor de deelnemers zijn:
–  deelnemers die na de deelname op zoek gaan naar werk*,
–  deelnemers die na de deelname op zoek gaan naar werk*,
–  deelnemers die na de deelname onderwijs of opleiding volgen*,
–  deelnemers die na de deelname onderwijs of opleiding volgen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
4)  Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor de deelnemers:
4)  Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor de deelnemers:
–  deelnemers die zes maanden na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige*,
–  deelnemers die zes en twaalf maanden na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige*,
–  deelnemers van wie de arbeidsmarktsituatie zes maanden na de deelname verbeterd was*,
–  deelnemers van wie de arbeidsmarktsituatie zes en twaalf maanden na de deelname verbeterd was*,
Als minimumvereiste moeten deze gegevens worden verzameld op basis van een representatieve steekproef van deelnemers binnen elke specifieke doelstelling. De interne validiteit van de steekproef moet zodanig worden gegarandeerd dat de gegevens kunnen worden gegeneraliseerd op het niveau van de specifieke doelstelling.
Als minimumvereiste moeten deze gegevens worden verzameld op basis van een representatieve steekproef van deelnemers binnen elke specifieke doelstelling. De interne validiteit van de steekproef moet zodanig worden gegarandeerd dat de gegevens kunnen worden gegeneraliseerd op het niveau van de specifieke doelstelling.
________________________________
__________________________________
1 De onder de met een * aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn persoonsgegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
1 De onder de met een * aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn persoonsgegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
De onder de met ** aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn een bijzondere categorie van gegevens overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2016/679.
De onder de met ** aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn een bijzondere categorie van gegevens overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Bijlage II
BIJLAGE II
BIJLAGE II
Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bestrijding van materiële deprivatie
Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bestrijding van materiële deprivatie
1)  Outputindicatoren
1)  Outputindicatoren
a)  Totale waarde in geld van verstrekte voedselhulp en goederen.
a)  Totale waarde in geld van verstrekte voedselhulp en goederen.
i)  totale waarde van de voedselhulp;
i)  totale waarde van de voedselhulp;
ia)  totale waarde in geld van voedselhulp voor kinderen;
ia)  totale waarde in geld van voedselhulp voor kinderen;
ib)  totale waarde in geld van voedselhulp voor daklozen;
ib)  totale waarde in geld van voedselhulp voor daklozen;
ic)  totale waarde in geld van voedselhulp voor andere doelgroepen.
ic)  totale waarde in geld van voedselhulp voor andere doelgroepen.
ii)  totale waarde van verstrekte goederen
ii)  totale waarde van verstrekte goederen
iia)  totale waarde in geld van goederen voor kinderen;
iia)  totale waarde in geld van goederen voor kinderen;
iib)  totale waarde in geld van goederen voor daklozen;
iib)  totale waarde in geld van goederen voor daklozen;
iic)  totale waarde in geld van goederen voor andere doelgroepen.
iic)  totale waarde in geld van goederen voor andere doelgroepen.
b)  Totale hoeveelheid verstrekte voedselhulp (in ton).
b)  Totale hoeveelheid verstrekte voedselhulp (in ton).
Waarvan2:
Waarvan2:
a)  aandeel levensmiddelen waarvoor alleen transport, distributie en opslag zijn betaald door het programma (in %);
a)  aandeel levensmiddelen waarvoor alleen transport, distributie en opslag zijn betaald door het programma (in %);
b)  aandeel van door het ESF+ medegefinancierde levensmiddelen in het totale volume van aan de begunstigden verstrekte levensmiddelen (in %)
b)  aandeel van door het ESF+ medegefinancierde levensmiddelen in het totale volume van aan de begunstigden verstrekte levensmiddelen (in %)
3)  Gemeenschappelijke resultaatindicatoren3
3)  Gemeenschappelijke resultaatindicatoren3
Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen
Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma);
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (behalve uit de Romagemeenschap);
–  Aantal deelnemers uit de Romagemeenschap;
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
Aantal eindontvangers die materiële ondersteuning ontvangen
Aantal eindontvangers die materiële ondersteuning ontvangen
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma);
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (behalve uit de Romagemeenschap);
–  Aantal deelnemers uit de Romagemeenschap;
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
_________________________________
_________________________________
2 Waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigden
2 Waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigden
3 Ibid
3 Ibid
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Bijlage II bis (nieuw)
BIJLAGE II bis
Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bevordering van sociale inclusie van de meest behoeftigen
Outputindicatoren
1)  Totale aantal personen die steun ontvangen met het oog op sociale inclusie.
Waarvan:
a)  aantal kinderen van 15 jaar of jonger;
b)  aantal personen van 65 jaar of ouder;
c)  aantal vrouwen;
d)  aantal personen met een buitenlandse achtergrond en minderheden (behalve uit de Romagemeenschap);
e)  aantal deelnemers uit de Romagemeenschap;
f)  aantal daklozen.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Bijlage II ter (nieuw)
BIJLAGE II ter
Indicatoren voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie
1.  Aangegeven winst op het vlak van een beter begrip van het Uniebeleid en de Uniewetgeving
1)  Aantal analytische activiteiten;
2)  Aantal activiteiten in verband met wederzijds leren, bewustmaking en verspreiding;
3)  Steun voor de voornaamste actoren.
2.  Mate van actieve samenwerking en partnerschap tussen overheidsinstellingen van de Unie, de lidstaten en de geassocieerde landen
1)  Aantal analytische activiteiten;
2)  Aantal activiteiten in verband met wederzijds leren, bewustmaking en verspreiding;
3)  Steun voor de voornaamste actoren.
3.  Aangegeven gebruik van sociale beleidsinnovatie bij de uitvoering van sociale landspecifieke aanbevelingen en de resultaten van sociale beleidsexperimenten voor beleidsvorming
1)  Aantal analytische activiteiten;
2)  Aantal activiteiten in verband met wederzijds leren, bewustmaking en verspreiding;
3)  Steun voor de voornaamste actoren.
4.  Aantal bezoeken aan het Eures-platform
5.  Aantal in het kader van de voorbereidende actie "Je eerste Eures-baan" en van gerichte mobiliteitsregelingen verrichte of ondersteunde arbeidsbemiddelingen voor jongeren
6.  Aantal afzonderlijke persoonlijke contacten tussen Eures-adviseurs enerzijds en werkzoekenden, mensen die van baan veranderen en werkgevers anderzijds
7.  Aantal opgerichte of geconsolideerde ondernemingen die Uniesteun hebben ontvangen
8.  Aandeel van de begunstigden dat werkloos is of tot een kansarme groep behoort en dat met microfinanciering van de Unie een zaak heeft opgericht of uitgebouwd
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 2
2.  Aantal gezamenlijke klinische evaluaties van gezondheidstechnologieën
2.  Aantal begunstigden (beroepsbeoefenaars, burgers, patiënten) waarop de resultaten van het programma van invloed zijn
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 3
3.  Aantal overgedragen beste praktijken
3.  Aantal gezamenlijke klinische evaluaties van gezondheidstechnologieën
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 4
4.  Mate waarin gebruik wordt gemaakt van de resultaten van het programma in het nationale gezondheidsbeleid zoals gemeten aan de hand van een vragenlijst "voor en na".
4.  Aantal overgedragen beste praktijken
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 4 bis (nieuw)
4 bis.   Mate waarin gebruik wordt gemaakt van de resultaten van het programma in regionale en nationale beleidsmaatregelen of instrumenten op het gebied van gezondheid zoals gemeten aan de hand van gevalideerde methoden.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0461/2018).


Specifieke bepalingen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ***I
PDF 304kWORD 98k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 16 januari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende specifieke bepalingen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) ondersteund door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en financieringsinstrumenten voor extern optreden (COM(2018)0374 – C8-0229/2018 – 2018/0199(COD))(1)
P8_TA(2019)0021A8-0470/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en artikel 174,
tweede en derde alinea, VWEU moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's te verkleinen, waarbij bijzondere aandacht moet worden besteed aan bepaalde categorieën regio's, waaronder grensoverschrijdende regio's expliciet zijn vermeld.
(1)  Krachtens artikel 176 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) bedoeld om een bijdrage te leveren aan het ongedaan maken van de belangrijkste regionale onevenwichtigheden in de Unie. Uit hoofde van dat artikel en artikel 174, tweede en derde alinea, VWEU moet het EFRO een bijdrage leveren om de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's te verkleinen en de achterstand te verkleinen van de minst begunstigde regio's, plattelandsgebieden, de regio's die een industriële overgang doormaken, regio's met een geringe bevolkingsdichtheid en insulaire en berggebieden.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  In Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] van het Europees Parlement en de Raad21 zijn de gemeenschappelijke bepalingen voor het EFRO en enkele andere fondsen vastgelegd en in Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] van het Europees Parlement en de Raad22 zijn bepalingen betreffende de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van EFRO-steun vastgelegd. Er moeten nu specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg), in het kader waarvan een of meer lidstaten grensoverschrijdend samenwerken met het oog op effectieve programmering, met inbegrip van bepalingen over technische bijstand, toezicht, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, alsmede financieel beheer.
(2)  In Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] van het Europees Parlement en de Raad21 zijn de gemeenschappelijke bepalingen voor het EFRO en enkele andere fondsen vastgelegd en in Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] van het Europees Parlement en de Raad22 zijn bepalingen betreffende de specifieke doelstellingen en het toepassingsgebied van EFRO-steun vastgelegd. Er moeten nu specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg), in het kader waarvan een of meer lidstaten en hun regio's grensoverschrijdend samenwerken met het oog op effectieve programmering, met inbegrip van bepalingen over technische bijstand, toezicht, evaluatie, communicatie, subsidiabiliteit, beheer en controle, alsmede financieel beheer.
_________________
_________________
21 [Referentie].
21 [Referentie].
22 [Referentie].
22 [Referentie].
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Teneinde de harmonieuze ontwikkeling van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen, moet het EFRO in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) steun verlenen voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking.
(3)  Teneinde een op samenwerking gebaseerde en harmonieuze ontwikkeling van de Unie op verschillende niveaus te ondersteunen en de bestaande verschillen te verkleinen, moet het EFRO in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) steun verlenen voor grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. Bij dit proces moeten de beginselen inzake meerlagig bestuur en partnerschap in aanmerking worden genomen en moeten plaatsgebonden benaderingen worden versterkt.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3 bis (nieuw)
(3 bis)  De verschillende componenten van Interreg moeten bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling, zoals beschreven in de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling die in september 2015 werd goedgekeurd.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De component grensoverschrijdende samenwerking moet tot doel hebben gemeenschappelijke uitdagingen die in de grensregio's door de betrokkenen gezamenlijk zijn vastgesteld, aan te gaan en het onbenutte groeipotentieel in grensgebieden te exploiteren, zoals aangetoond in de mededeling van de Commissie "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU"23 ("mededeling over grensregio's"). De grensoverschrijdende component moet derhalve worden beperkt tot samenwerking rond landgrenzen; grensoverschrijdende samenwerking rond zeegrenzen moet in de transnationale component worden opgenomen.
(4)  De component grensoverschrijdende samenwerking moet tot doel hebben gemeenschappelijke uitdagingen die in de grensregio's door de betrokkenen gezamenlijk zijn vastgesteld, aan te gaan en het onbenutte groeipotentieel in grensgebieden te exploiteren, zoals aangetoond in de mededeling van de Commissie "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU"23 ("mededeling over grensregio's"). De grensoverschrijdende component moet derhalve samenwerking rond land- of zeegrenzen omvatten, zonder afbreuk te doen aan de nieuwe component voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden.
__________________
__________________
23 Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU", COM(2017)0534 van 20.9.2017.
23 Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU", COM(2017)0534 van 20.9.2017.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De component grensoverschrijdende samenwerking heeft ook betrekking op samenwerking tussen een of meer lidstaten en een of meer landen of gebieden buiten de Unie. Het opnemen van interne en externe grensoverschrijdende samenwerking in het kader van deze verordening moet voor de programma-autoriteiten in de lidstaten en voor de autoriteiten van partners en begunstigden buiten de Unie tot een flinke vereenvoudiging en stroomlijning van de toepasselijke bepalingen leiden in vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020.
(5)  De component grensoverschrijdende samenwerking heeft ook betrekking op samenwerking tussen een of meer lidstaten of hun regio's, en een of meer landen of regio's, of andere gebieden buiten de Unie. Het opnemen van interne en externe grensoverschrijdende samenwerking in het kader van deze verordening moet voor de programma-autoriteiten in de lidstaten en voor de autoriteiten van partners en begunstigden buiten de Unie tot een flinke vereenvoudiging en stroomlijning van de toepasselijke bepalingen leiden in vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  De component transnationale samenwerking en maritieme samenwerking moet tot doel hebben de samenwerking te versterken door middel van acties die bijdragen tot de geïntegreerde territoriale ontwikkeling in samenhang met de prioriteiten van het cohesiebeleid van de Unie, en moet tevens maritieme grensoverschrijdende samenwerking omvatten. Tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 moest transnationale samenwerking grotere gebieden op het vasteland van de Unie bestrijken, terwijl maritieme samenwerking gebieden rond zeebekkens moest bestrijken en grensoverschrijdende samenwerking langs zeegrenzen moest integreren. Teneinde eerdere maritieme grensoverschrijdende samenwerking in een groter kader van maritieme samenwerking te kunnen blijven uitvoeren, is maximale flexibiliteit nodig, met name door het te bestrijken gebied, de specifieke doelstellingen voor een dergelijke samenwerking, de vereisten voor een projectpartnerschap vast te stellen en subprogramma's en specifieke directiecomités op te zetten.
(6)  De component transnationale samenwerking en maritieme samenwerking moet tot doel hebben de samenwerking te versterken door middel van acties die bijdragen tot de geïntegreerde territoriale ontwikkeling in samenhang met de prioriteiten van het cohesiebeleid van de Unie, met volledige inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel. Transnationale samenwerking moet grotere transnationale gebieden bestrijken en, in voorkomend geval, gebieden rond zeebekkens die een grotere geografische reikwijdte hebben dan de gebieden die onder grensoverschrijdende programma's vallen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Op basis van de ervaringen met grensoverschrijdende en transnationale samenwerking in de ultraperifere gebieden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, waar de combinatie van beide componenten in één programma per samenwerkingsgebied voor programma-autoriteiten en begunstigden niet tot voldoende vereenvoudiging heeft geleid, moet een specifieke component ultraperifere gebieden worden vastgesteld om ultraperifere gebieden in staat te stellen zo doeltreffend en eenvoudig mogelijk met naburige landen en gebieden samen te werken.
(7)  Op basis van de ervaringen met grensoverschrijdende en transnationale samenwerking in de ultraperifere gebieden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, waar de combinatie van beide componenten in één programma per samenwerkingsgebied voor programma-autoriteiten en begunstigden niet tot voldoende vereenvoudiging heeft geleid, moet een specifieke aanvullende component ultraperifere gebieden worden vastgesteld om ultraperifere gebieden in staat te stellen zo doeltreffend en eenvoudig mogelijk samen te werken met derde landen, landen en gebieden overzee (LGO's) of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met hun specifieke kenmerken.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Op basis van de ervaringen met de programma's voor interregionale samenwerking in het kader van Interreg en het gebrek aan dergelijke samenwerking bij programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moet de component interregionale samenwerking met zich meer in het bijzonder richten op de verbetering van de effectiviteit van het cohesiebeleid. Die component moet derhalve tot twee programma's worden beperkt, één om alle mogelijke ervaringen, innovatieve benaderingswijzen en capaciteitsopbouw voor programma's in het kader van beide doelstellingen mogelijk te maken en om Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) te stimuleren die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1082/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad24 zijn of worden opgezet, en één om de analyse van ontwikkelingstrends te verbeteren. Projectgebaseerde samenwerking in de gehele Unie moet in de nieuwe component betreffende investeringen in interregionale innovatie worden opgenomen en moet nauw aansluiten bij de uitvoering van de mededeling van de Commissie "Versterking van innovatie in de Europese regio's: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei"25, met name om platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering of landbouw en voedingsmiddelen. Geïntegreerde territoriale ontwikkeling gericht op functionele stedelijke gebieden of stedelijke gebieden moet ten slotte in programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en in één begeleidend instrument, het "Stedelijk Europa-initiatief", worden geconcentreerd. De twee programma's in het kader van de component interregionale samenwerking moeten voor de gehele Unie gelden en ook openstaan voor de deelname van derde landen.
(8)  Op basis van de positieve ervaringen met de programma's voor interregionale samenwerking in het kader van Interreg enerzijds, en het gebrek aan dergelijke samenwerking bij programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 anderzijds, vormt interregionale samenwerking, door middel van de uitwisseling van ervaringen en capaciteitsontwikkeling voor programma's in het kader van beide doelstellingen (Europese territoriale samenwerking en investeren in werkgelegenheid en groei), tussen steden en regio's een belangrijke component met het oog op het vinden van gemeenschappelijke oplossingen in het kader van het cohesiebeleid en het opbouwen van blijvende partnerschappen. De bestaande programma's en met name de bevordering van projectgebaseerde samenwerking, met inbegrip van de bevordering van Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS), evenals macroregionale strategieën moeten daarom worden voortgezet.
__________________
24 Verordening (EG) nr. 1082/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende een Europese groepering voor territoriale samenwerking (EGTS) (PB L 210 van 31.7.2006, blz. 19).
25 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's "Versterking van innovatie in de Europese regio's: strategieën voor veerkrachtige, inclusieve en duurzame groei", COM(2017)0376 van 18.7.2017.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie moet worden gebaseerd op slimme specialisatie, en worden ingezet ter ondersteuning van platforms voor thematische slimme specialisatie op gebieden als energie, industriële modernisering, circulaire economie, sociale innovatie, milieu of landbouw- en voedingsmiddelen, en om degenen die bij strategieën voor slimme specialisatie betrokken zijn te helpen clusteren om innovatie op te schalen en innovatieve producten, processen en ecosystemen naar de Europese markt te brengen. Er zijn aanwijzingen dat nog steeds sprake is van systematische tekortkomingen in het stadium van het testen en valideren van de demonstratie van nieuwe technologieën (bv. sleuteltechnologieën), met name wanneer innovatie het resultaat is van de integratie van complementaire regionale specialisaties die innovatieve waardeketens creëren. Deze tekortkomingen zijn met name kritiek in het stadium tussen de proefprojecten en de volledige marktintroductie. Op sommige strategische technologische en industriële gebieden kunnen kmo's momenteel niet rekenen op een uitstekende en open, verbonden pan-Europese demonstratie-infrastructuur. De programma's in het kader van het initiatief voor interregionale samenwerking moeten de gehele Europese Unie bestrijken en moeten ook openstaan voor deelname van LGO's, derde landen, hun regio's, en organisaties voor regionale integratie en samenwerking, met inbegrip van de ultraperifere aangrenzende regio's. Synergieën tussen investeringen in interregionale innovatie en andere relevante EU-programma's zoals die in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen, Horizon 2020, de digitale markt voor Europa en het programma voor de eengemaakte markt moeten worden bevorderd, aangezien zij de impact van investeringen zullen vergroten en ervoor zorgen dat de waarde voor burgers wordt verhoogd.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden subsidiabel zijn. De aanwijzing van subsidiabele regio's en gebieden op het niveau van de Unie moet daarom worden gebaseerd op de gemeenschappelijke indeling van de regio's die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad26.
(9)  Er moeten gemeenschappelijke objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden subsidiabel zijn. De aanwijzing van subsidiabele regio's en gebieden op het niveau van de Unie moet daarom worden gebaseerd op de gemeenschappelijke indeling van de regio's die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad26.
__________________
__________________
26 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
26 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Het is nodig samenwerking in alle mogelijke dimensies met de naburige derde landen van de Unie verder te ondersteunen of, waar nodig, tot stand te brengen, aangezien zulke samenwerking een belangrijke beleidsinstrument voor regionale ontwikkeling is en de regio's van de lidstaten die aan derde landen grenzen, daarvan profijt moeten trekken. Te dien einde moeten het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, IPA27, NDICI28 en OCTP29, programma's ondersteunen in het kader van grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking en maritieme samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. De steunverlening uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie moeten op wederkerigheid en evenredigheid zijn gebaseerd. Voor het IPA III-CBC en het NDICI-CBC moet de steunverlening uit het EFRO worden aangevuld met ten minste een gelijkwaardige bedrag uit het IPA III-CBC en het NDICI-CBC, tot een maximumbedrag als vastgesteld in de respectieve rechtshandeling, dat wil zeggen maximaal 3 % van de financiële toewijzing in het kader van het IPA III en maximaal 4 % van de financiële toewijzing in het kader van het geografische nabuurschapsprogramma uit hoofde van artikel 4, lid 2, onder a), van het NDICI.
(10)  Het is nodig samenwerking in alle mogelijke dimensies met de naburige derde landen van de Unie verder te ondersteunen of, waar nodig, tot stand te brengen, aangezien zulke samenwerking een belangrijk beleidsinstrument voor regionale ontwikkeling is en de regio's van de lidstaten die aan derde landen grenzen, daarvan profijt moeten trekken. Te dien einde moeten het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, IPA27, NDICI28 en OCTP29, programma's ondersteunen in het kader van grensoverschrijdende samenwerking, transnationale samenwerking, samenwerking tussen ultraperifere gebieden en interregionale samenwerking. De steunverlening uit het EFRO en de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie moeten op wederkerigheid en evenredigheid zijn gebaseerd. Voor het IPA III-CBC en het NDICI-CBC moet de steunverlening uit het EFRO worden aangevuld met ten minste een gelijkwaardig bedrag uit het IPA III-CBC en het NDICI-CBC, tot een maximumbedrag als vastgesteld in de respectieve rechtshandeling.
__________________
__________________
27 Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
27 Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor pretoetredingssteun (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
28 Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
28 Verordening (EU) XXX tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
29 Besluit (EU) XXX betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
29 Besluit (EU) XXX van de Raad betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie, met inbegrip van de betrekkingen tussen de Europese Unie, enerzijds, en Groenland en het Koninkrijk Denemarken, anderzijds (PB L xx van xx.xx.xxxx, blz. y).
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)   Er moet bijzondere aandacht worden geschonken aan regio's die nieuwe buitengrenzen van de Unie gaan vormen, teneinde voor de lopende samenwerkingsprogramma's voldoende continuïteit te waarborgen.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Steunverlening uit het IPA III moet voornamelijk gericht zijn op het ondersteunen van begunstigden van het IPA bij de versterking van democratische instellingen en de rechtsstaat, de hervorming van justitie en het openbaar bestuur, de naleving van grondrechten en de bevordering van gendergelijkheid, tolerantie, sociale inclusie en non-discriminatie. IPA-steun moet gericht blijven op het ondersteunen van de inspanningen van de begunstigden van het IPA om de regionale, macroregionale en grensoverschrijdende samenwerking, alsmede de territoriale ontwikkeling te verbeteren, onder andere door het uitvoeren van macroregionale strategieën van de Unie. Daarnaast moet IPA-steun zich richten op veiligheid, migratie en grensbeheer, waarbij toegang tot internationale bescherming wordt gewaarborgd, relevante informatie wordt gedeeld, grenscontrole wordt versterkt en gezamenlijke inspanningen in de strijd tegen irreguliere migratie en migrantensmokkel worden geleverd.
(11)  Steunverlening uit het IPA III moet voornamelijk gericht zijn op het ondersteunen van begunstigden van het IPA bij de versterking van democratische instellingen en de rechtsstaat, de hervorming van justitie en het openbaar bestuur, de naleving van grondrechten en de bevordering van gendergelijkheid, tolerantie, sociale inclusie en non-discriminatie, evenals regionale en lokale ontwikkeling. IPA-steun moet gericht blijven op het ondersteunen van de inspanningen van de begunstigden van het IPA om de regionale, macroregionale en grensoverschrijdende samenwerking, alsmede de territoriale ontwikkeling te verbeteren, onder andere door het uitvoeren van macroregionale strategieën van de Unie. Daarnaast moet IPA-steun zich richten op veiligheid, migratie en grensbeheer, waarbij toegang tot internationale bescherming wordt gewaarborgd, relevante informatie wordt gedeeld, grenscontrole wordt versterkt en gezamenlijke inspanningen in de strijd tegen irreguliere migratie en migrantensmokkel worden geleverd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Het ontwikkelen van synergieën met het externe optreden en de ontwikkelingsprogramma's van de Unie moet tevens bijdragen tot een maximaal effect waarbij het beginsel van beleidscoherentie voor ontwikkeling, zoals vastgelegd in artikel 208 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), wordt nageleefd. Coherentie op alle terreinen van het EU-beleid is van cruciaal belang voor de verwezenlijking van de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Gezien de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden in de Unie moeten maatregelen worden vastgesteld betreffende de voorwaarden waaronder deze regio's toegang tot de structuurfondsen kunnen krijgen. Derhalve moeten sommige bepalingen van deze verordening aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's worden aangepast om de samenwerking met hun buurlanden te vereenvoudigen en te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de mededeling van de Commissie "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"31.
(14)  Gezien de specifieke situatie van de ultraperifere gebieden in de Unie moeten maatregelen worden vastgesteld betreffende de verbetering van de voorwaarden waaronder deze regio's toegang tot de structuurfondsen kunnen krijgen. Derhalve moeten sommige bepalingen van deze verordening aan de specifieke kenmerken van de ultraperifere regio's worden aangepast om hun samenwerking met derde landen en LGO's te vereenvoudigen en te bevorderen, waarbij rekening wordt gehouden met de mededeling van de Commissie "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"31.
_________________
_________________
31 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank - Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU, COM(2017)0623 van 24.10.2017.
31 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité, het Comité van de Regio's en de Europese Investeringsbank - Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU, COM(2017)0623 van 24.10.2017.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Deze verordening maakt het voor LGO's mogelijk om deel te nemen aan Interreg-programma's. De specifieke kenmerken en uitdagingen van de LGO's moeten in aanmerking worden genomen om hun daadwerkelijke toegang en deelname te vergemakkelijken.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Het is nodig de middelen die aan elk van de verschillende componenten van Interreg moeten worden toegewezen, vast te stellen, met inbegrip van het aandeel van elke lidstaat in de totale bedragen voor de grensoverschrijdende samenwerking, de transnationale samenwerking en maritieme samenwerking, de samenwerking tussen ultraperifere gebieden en de interregionale samenwerking en de mogelijkheden voor de lidstaten, wat de flexibiliteit tussen deze componenten betreft. In vergelijking met de programmeringsperiode 2014-2020 moet het aandeel voor grensoverschrijdende samenwerking worden verminderd, terwijl het aandeel voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking wegens de integratie van maritieme samenwerking moet worden vergroot, en er moet een nieuwe component samenwerking tussen ultraperifere gebieden worden gecreëerd.
(15)  Het is nodig de middelen die aan elk van de verschillende componenten van Interreg moeten worden toegewezen, vast te stellen, met inbegrip van het aandeel van elke lidstaat in de totale bedragen voor de grensoverschrijdende samenwerking, de transnationale samenwerking, de samenwerking tussen ultraperifere gebieden en de interregionale samenwerking en de mogelijkheden voor de lidstaten, wat de flexibiliteit tussen deze componenten betreft. Vanwege de globalisering moet samenwerking die gericht is op de bevordering van investeringen in werkgelegenheid en groei en gezamenlijke investeringen met andere regio's, echter ook worden bepaald door de gemeenschappelijke kenmerken en ambities van de regio's en niet noodzakelijkerwijs door grenzen; daarom moeten voldoende aanvullende middelen ter beschikking worden gesteld van het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie, teneinde te kunnen inspelen op de situatie op de wereldmarkt.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  In de context van de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een nieuw grensoverschrijdend Peace-Plus-programma worden voortgezet en voortbouwen op de werkzaamheden van eerdere programma's van de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Rekening houdend met het praktische belang van het programma, is het noodzakelijk om te waarborgen dat, wanneer het functioneert ter ondersteuning van vrede en verzoening, het EFRO ook bijdraagt tot de bevordering van sociale en economische stabiliteit in de betrokken regio's, met name door maatregelen ter bevordering van de samenhang tussen de gemeenschappen. Gezien de specifieke kenmerken van het programma moet het op een geïntegreerde manier worden beheerd, waarbij de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk als externe bestemmingsontvangsten in het programma worden opgenomen. Bovendien mogen bepaalde voorschriften voor de selectie van concrete acties in deze verordening niet op dat programma van toepassing zijn voor wat betreft concrete acties ter ondersteuning van vrede en verzoening.
(18)  In de context van de unieke en specifieke omstandigheden op het eiland Ierland en met het oog op de ondersteuning van de Noord-Zuid-samenwerking in het kader van het Goede Vrijdagakkoord, moet een nieuw grensoverschrijdend Peace-Plus-programma worden voortgezet en voortbouwen op de werkzaamheden van eerdere programma's van de aangrenzende graafschappen van Ierland en Noord-Ierland. Rekening houdend met het praktische belang van het programma, is het noodzakelijk om te waarborgen dat, wanneer het functioneert ter ondersteuning van vrede en verzoening, het EFRO ook bijdraagt tot de bevordering van sociale, economische en regionale stabiliteit en samenwerking in de betrokken regio's, met name door maatregelen ter bevordering van de samenhang tussen de gemeenschappen. Gezien de specifieke kenmerken van het programma moet het op een geïntegreerde manier worden beheerd, waarbij de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk als externe bestemmingsontvangsten in het programma worden opgenomen. Bovendien mogen bepaalde voorschriften voor de selectie van concrete acties in deze verordening niet op dat programma van toepassing zijn voor wat betreft concrete acties ter ondersteuning van vrede en verzoening.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Het grootste gedeelte van de steun van de Unie moet aan een beperkt aantal beleidsdoelstellingen worden besteed om het effect van Interreg zo groot mogelijk te maken.
(20)  Het grootste gedeelte van de steun van de Unie moet aan een beperkt aantal beleidsdoelstellingen worden besteed om het effect van Interreg zo groot mogelijk te maken. Synergieën en complementariteit tussen de componenten van Interreg moeten worden versterkt.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Bepalingen over de voorbereiding, goedkeuring en wijziging van Interreg-programma's, alsmede over territoriale ontwikkeling, over de selectie van concrete acties, over toezicht en evaluatie, over de programma-autoriteiten, over audit van concrete acties en over transparantie en communicatie moeten aan de specifieke kenmerken van de Interreg-programma's worden aangepast in vergelijking met de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
(21)  Bepalingen over de voorbereiding, goedkeuring en wijziging van Interreg-programma's, alsmede over territoriale ontwikkeling, over de selectie van concrete acties, over toezicht en evaluatie, over de programma-autoriteiten, over audit van concrete acties en over transparantie en communicatie moeten aan de specifieke kenmerken van de Interreg-programma's worden aangepast in vergelijking met de bepalingen van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. Deze specifieke bepalingen moeten eenvoudig en duidelijk worden gehouden om overregulering en extra administratieve lasten voor de lidstaten en de begunstigden te voorkomen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  De bepalingen over de criteria die voor concrete acties gelden om als echt gezamenlijk en coöperatief te worden beschouwd, over het partnerschap binnen een concrete Interreg-actie en over de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner, zoals tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 vastgelegd, moeten worden voortgezet. Interreg-partners moeten echter in alle vier dimensies (ontwikkeling, uitvoering, personeelsvoorziening en financiering) samenwerken en in het kader van de samenwerking tussen ultraperifere gebieden drie van de vier, aangezien het eenvoudiger moet worden steun van het EFRO en van financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie zowel op programmaniveau als op het niveau van een concrete actie te combineren.
(22)  De bepalingen over de criteria die voor concrete acties gelden om als echt gezamenlijk en coöperatief te worden beschouwd, over het partnerschap binnen een concrete Interreg-actie en over de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner, zoals tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 vastgelegd, moeten worden voortgezet. Interreg-partners moeten samenwerken inzake ontwikkeling en uitvoering evenals personeelsvoorziening of financiering, of beide, en in het kader van de samenwerking tussen ultraperifere gebieden in drie van de vier dimensies, aangezien het eenvoudiger moet worden steun van het EFRO en van financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie zowel op programmaniveau als op het niveau van een concrete actie te combineren.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  In programma's voor grensoverschrijdende samenwerking vormen people-to-people- en kleinschalige projecten een belangrijk en succesvol instrument om grensobstakels en grensoverschrijdende obstakels uit de weg te ruimen, lokale interpersoonlijke contacten te bevorderen en zo grensgebieden en hun burgers dichter bij elkaar te brengen. People-to-people- en kleinschalige projecten worden uitgevoerd op vele terreinen, waaronder cultuur, sport, toerisme, algemeen onderwijs en beroepsopleidingen, economie, wetenschap, milieubescherming en ecologie, gezondheidszorg, vervoer en projecten voor kleinschalige infrastructuur, administratieve samenwerking en publieksvoorlichting. Zoals ook blijkt uit het advies van het Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking32, bieden people-to-people- en kleinschalige projecten een grote Europese toegevoegde waarde en dragen zij aanzienlijk bij tot de algemene doelstelling van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking.
__________________
32 Advies van het Europees Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking van 12 juli 2017 (PB C 342 van 12.10.2017, blz. 38).
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Sinds de start van Interreg zijn er fondsen voor kleinschalige projecten in het leven geroepen die niet onder specifieke bepalingen vielen; de voorschriften voor deze fondsen moeten worden verduidelijkt. Zoals ook blijkt uit het advies van het Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking32, spelen dergelijke fondsen voor kleinschalige projecten een belangrijke rol bij het opbouwen van vertrouwen tussen burgers en instellingen, bieden zij een grote Europese toegevoegde waarde en dragen zij aanzienlijk bij tot de algemene doelstelling van programma's voor grensoverschrijdende samenwerking doordat belemmeringen voor grensoverschrijdende interactie worden overwonnen en grensgebieden en de bewoners ervan met elkaar geïntegreerd raken. Om het beheer van de financiering van kleine projecten door de eindontvangers, die vaak niet gewend zijn EU-financiering aan te vragen, te vereenvoudigen, moet onder een bepaalde drempel het gebruik van vereenvoudigde kostenopties en vaste bedragen verplicht worden gesteld.
(23)  Sinds de start van Interreg worden people-to-people- en kleinschalige projecten ondersteund via fondsen voor kleinschalige projecten of soortgelijke instrumenten die niet onder specifieke bepalingen vielen, zodat de voorschriften voor deze fondsen moeten worden verduidelijkt. Om de toegevoegde waarde en de voordelen van people-to-people- en kleinschalige projecten te behouden, ook met betrekking tot lokale en regionale ontwikkeling, en om het beheer van de financiering van kleine projecten door de eindontvangers, die vaak niet gewend zijn EU-financiering aan te vragen, te vereenvoudigen, moet onder een bepaalde drempel het gebruik van vereenvoudigde kostenopties en vaste bedragen verplicht worden gesteld.
__________________
32 Advies van het Europees Comité van de Regio's over people-to-people- en kleinschalige projecten in programma's voor grensoverschrijdende samenwerking van 12 juli 2017 (PB C 342 van 12.10.2017, blz. 38).
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Vanwege de deelneming van meer dan één lidstaat en de daaruit voortvloeiende hogere administratieve kosten, met name voor controles en vertalingen, moet het maximumbedrag van de uitgaven voor technische bijstand hoger zijn dan in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei". Ter compensatie van de hogere administratieve kosten moeten de lidstaten worden aangespoord om de administratieve lasten van de tenuitvoerlegging van gezamenlijke projecten waar mogelijk te verminderen. Bovendien moeten Interreg-programma's met beperkte steun van de Unie of programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking een bepaald minimumbedrag voor technische bijstand ontvangen om voldoende financiering voor doeltreffende activiteiten inzake technische bijstand te garanderen.
(24)  Vanwege de deelneming van meer dan één lidstaat en de daaruit voortvloeiende hogere administratieve kosten, onder meer voor de regionale contactpunten (of "steunpunten"), die dienstdoen als belangrijke contactpunten voor projectaanvragers en -uitvoerders en rechtstreeks in verbinding staan met de gezamenlijke secretariaten of de relevante autoriteiten, maar in het bijzonder ook voor controles en vertalingen, moet het maximumbedrag van de uitgaven voor technische bijstand hoger zijn dan in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei". Ter compensatie van de hogere administratieve kosten moeten de lidstaten worden aangespoord om de administratieve lasten van de tenuitvoerlegging van gezamenlijke projecten waar mogelijk te verminderen. Bovendien moeten Interreg-programma's met beperkte steun van de Unie of programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking een bepaald minimumbedrag voor technische bijstand ontvangen om voldoende financiering voor doeltreffende activiteiten inzake technische bijstand te garanderen.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  De Commissie, lidstaten en regio's moeten bij het terugdringen van de administratieve lasten nauw samenwerken om de verbeterde evenredige regelingen voor het beheers- en controlesysteem voor een Interreg-programma in de zin van artikel 77 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] te kunnen benutten.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  De lidstaten moeten worden aangemoedigd om de taken van de beheersautoriteit toe te vertrouwen aan een EGTS of om een dergelijke groepering, net als andere grensoverschrijdende juridische entiteiten, verantwoordelijk te stellen voor het beheer van een subprogramma, een geïntegreerde territoriale investering of een of meer fondsen voor kleinschalige projecten of als enige partner te laten optreden.
(27)  De lidstaten moeten in voorkomend geval de taken van de beheersautoriteit overdragen aan een nieuwe of, indien van toepassing, bestaande EGTS of een dergelijke groepering, net als andere grensoverschrijdende juridische entiteiten, verantwoordelijk stellen voor het beheer van een subprogramma of een geïntegreerde territoriale investering of als enige partner laten optreden. De lidstaten moeten regionale en lokale autoriteiten en andere overheidsinstanties van verschillende lidstaten in staat stellen om dergelijke groeperingen voor samenwerking met rechtspersoonlijkheid op te zetten en moeten lokale en regionale autoriteiten bij de werking daarvan betrekken.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Om de voor de programmeringsperiode 2014-2020 ingestelde betalingsketen voort te zetten, d.w.z. van de Commissie via de certificeringsautoriteit naar de eerstverantwoordelijke partner, moet die betalingsketen onder de boekhoudfunctie worden voortgezet. De steun van de Unie moet aan de eerstverantwoordelijke partner worden betaald, tenzij dit tussen de eerstverantwoordelijke en de andere partners tot dubbele vergoedingen voor omzetting naar euro en terug naar een andere valuta of omgekeerd leidt.
(28)  Om de voor de programmeringsperiode 2014-2020 ingestelde betalingsketen voort te zetten, d.w.z. van de Commissie via de certificeringsautoriteit naar de eerstverantwoordelijke partner, moet die betalingsketen onder de boekhoudfunctie worden voortgezet. De steun van de Unie moet aan de eerstverantwoordelijke partner worden betaald, tenzij dit tussen de eerstverantwoordelijke en de andere partners tot dubbele vergoedingen voor omzetting naar euro en terug naar een andere valuta of omgekeerd leidt. Tenzij anders aangegeven, moet de eerstverantwoordelijke partner ervoor zorgen dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen van het respectieve EU-fonds integraal ontvangen binnen de door alle partners overeengekomen termijn en volgens dezelfde procedure als die welke voor de eerstverantwoordelijke partner geldt.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Uit hoofde van artikel [63, lid 9,] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus] moet in sectorspecifieke regelgeving rekening worden gehouden met de behoeften van de programma's voor Europese territoriale samenwerking (Interreg), met name wat betreft de auditfunctie. De bepalingen over het jaarlijks auditoordeel, het jaarlijkse controleverslag en de audits van concrete acties moeten derhalve worden vereenvoudigd en worden aangepast aan die programma's waarbij meer dan één lidstaat is betrokken.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Met betrekking tot de terugvordering wegens onregelmatigheden moet een duidelijke keten van financiële aansprakelijkheid worden vastgesteld van de enige of andere partners via de eerstverantwoordelijke partner en de beheersautoriteit naar de Commissie. Er moet een bepaling worden opgenomen betreffende de aansprakelijkheid van lidstaten, derde landen, partnerlanden of landen en gebieden overzee (LGO's), wanneer terugvordering van de enige of andere of eerstverantwoordelijke partner niet mogelijk is, in de zin dat de lidstaat dan aan de beheersautoriteit terugbetaald. In het kader van Interreg-programma's is derhalve geen ruimte voor oninbare bedragen op het niveau van begunstigden. De voorschriften moeten echter worden verduidelijkt voor het geval dat een lidstaat, derde land, partnerland of LGO niet aan de beheersautoriteit terugbetaald. Ook de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner voor terugbetaling moeten worden verduidelijkt. De beheersautoriteit mag met name de eerstverantwoordelijke partner er niet toe verplichten in de ander land een gerechtelijke procedure te starten.
(30)  Met betrekking tot de terugvordering wegens onregelmatigheden moet een duidelijke keten van financiële aansprakelijkheid worden vastgesteld van de enige of andere partners via de eerstverantwoordelijke partner en de beheersautoriteit naar de Commissie. Er moet een bepaling worden opgenomen betreffende de aansprakelijkheid van lidstaten, derde landen, partnerlanden of landen en gebieden overzee (LGO's), wanneer terugvordering van de enige of andere of eerstverantwoordelijke partner niet mogelijk is, in de zin dat de lidstaat dan aan de beheersautoriteit terugbetaalt. In het kader van Interreg-programma's is derhalve geen ruimte voor oninbare bedragen op het niveau van begunstigden. De voorschriften moeten echter worden verduidelijkt voor het geval dat een lidstaat, derde land, partnerland of LGO niet aan de beheersautoriteit terugbetaalt. Ook de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner voor terugbetaling moeten worden verduidelijkt. Bovendien moeten de procedures in verband met terugvorderingen worden vastgesteld en overeengekomen door het toezichtcomité. De beheersautoriteit mag de eerstverantwoordelijke partner er echter niet toe verplichten in een ander land een gerechtelijke procedure te starten.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)   Het is passend om financiële discipline aan te moedigen. Tegelijkertijd moet bij regelingen voor de vrijmaking van begrotingsvastleggingen rekening worden gehouden met de complexiteit van Interreg-programma's en de tenuitvoerlegging ervan.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  Hoewel Interreg-programma's waarin derde landen, partnerlanden of LGO's deelnemen, in gedeeld beheer moeten worden uitgevoerd, mag samenwerking tussen ultraperifere gebieden in indirect beheer worden uitgevoerd. Er moeten specifieke voorschriften worden opgesteld over hoe die programma's geheel of gedeeltelijk in indirect beheer moeten worden uitgevoerd.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  Om eenvormige voorwaarden voor de vaststelling of wijziging van Interreg-programma's te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking moeten echter, indien van toepassing, voldoen aan de comitéprocedures die in de Verordeningen (EU) [IPA III] en (EU) [NDICI] zijn vastgelegd betreffende het eerste goedkeuringsbesluit van die programma's.
(35)  Om eenvormige voorwaarden voor de vaststelling of wijziging van Interreg-programma's te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Indien van toepassing moeten programma's voor externe grensoverschrijdende samenwerking echter voldoen aan de comitéprocedures die in de Verordeningen (EU) [IPA III] en (EU) [NDICI] zijn vastgelegd betreffende het eerste goedkeuringsbesluit van die programma's.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)  Het bevorderen van Europese territoriale samenwerking is een belangrijke prioriteit van het cohesiebeleid van de Unie. Steun aan kmo's ten behoeve van kosten die bij projecten voor Europese territoriale samenwerking worden gemaakt, is reeds vrijgesteld op grond van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie1 bis (algemene groepsvrijstellingsverordening (AGVV)). Bijzondere bepalingen voor regionale steun voor investeringen door zowel kleine als grote ondernemingen zijn ook opgenomen in de richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-20202 bis en in het deel regionale steun van de algemene groepsvrijstellingsverordening. De opgedane ervaring leert dat steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking doorgaans slechts beperkte gevolgen heeft voor de concurrentie en het handelsverkeer tussen de lidstaten, zodat de Commissie dergelijke steun verenigbaar kan verklaren met de interne markt en de verstrekte financiering voor projecten voor Europese territoriale samenwerking vrijgesteld kan worden.
_____________________
1 bis Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).
2 bis Richtsnoeren inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (PB C 209 van 23.7.2013, blz. 1).
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1
1.  Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten binnen de Unie en tussen lidstaten en respectievelijk aangrenzende derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO's).
1.  Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" met het oog op de bevordering van de samenwerking tussen de lidstaten en hun regio's binnen de Unie en tussen lidstaten, hun regio's en respectievelijk derde landen, partnerlanden, andere gebieden of landen en gebieden overzee (LGO's), of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, of een groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1 – punt 4
4)  "grensoverschrijdende juridische entiteit": een juridische entiteit die is opgericht naar het recht van een van de deelnemende landen aan een Interreg-programma, mits deze is opgezet door de territoriale autoriteiten of andere instanties uit ten minste twee deelnemende landen.
4)  "grensoverschrijdende juridische entiteit": een juridische entiteit, met inbegrip van een Euroregio, die is opgericht naar het recht van een van de deelnemende landen aan een Interreg-programma, mits deze is opgezet door de territoriale autoriteiten of andere instanties uit ten minste twee deelnemende landen.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – lid 1– punt 4 bis (nieuw)
4 bis)  "organisatie voor regionale integratie en samenwerking": groep lidstaten of regio's in eenzelfde geografisch gebied die gericht is op nauwe samenwerking inzake kwesties van gemeenschappelijk belang.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – inleidende formule
1)  grensoverschrijdende samenwerking tussen aan elkaar grenzende regio's ter bevordering van de geïntegreerde regionale ontwikkeling (component 1):
1)  grensoverschrijdende samenwerking tussen aan elkaar grenzende regio's ter bevordering van geïntegreerde en harmonieuze regionale ontwikkeling (component 1):
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – letter a
a)  interne grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land aan elkaar grenzende regio's van twee of meer lidstaten of tussen aan land aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer derde landen die zijn vermeld in artikel 4, lid 3; of
a)  interne grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van twee of meer lidstaten of tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer derde landen die zijn vermeld in artikel 4, lid 3; of
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1 – letter b – inleidende formule
b)  externe grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer van de volgende:
b)  externe grensoverschrijdende samenwerking tussen aan land of via de zee aan elkaar grenzende regio's van ten minste één lidstaat en één of meer van de volgende:
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2
2)  transnationale samenwerking en maritieme samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij lokale, regionale en nationale programmapartners in de lidstaten, derde landen, partnerlanden en Groenland betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie ("component 2"; wanneer enkel naar transnationale samenwerking wordt verwezen: "component 2A"; wanneer enkel naar maritieme samenwerking wordt verwezen: "component 2B";
2)  transnationale samenwerking over grotere transnationale gebieden of rond zeebekkens, waarbij lokale, regionale en nationale programmapartners in de lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's betrokken zijn, met het oog op een hogere mate van territoriale integratie ("component 2");
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3
3)  onderlinge samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en met een of meer van hun naburige derde landen, partnerlanden of LGO's, om hun regionale integratie in de regio te vergemakkelijken ("component 3");
3)  onderlinge samenwerking tussen ultraperifere gebieden onderling en met een of meer van hun naburige derde landen, partnerlanden of LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking, om hun regionale integratie en harmonieuze ontwikkeling in de regio te vergemakkelijken ("component 3");
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 – letter a – punt i bis (nieuw)
i bis)  de uitvoering van gemeenschappelijke interregionale ontwikkelingsprojecten;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 – letter a – letter i ter (nieuw)
i ter)  capaciteitsontwikkeling tussen partners in de gehele Unie in samenhang met:
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 – letter a – punt ii bis (nieuw)
ii bis)  de vaststelling en verspreiding van goede praktijken teneinde deze vooral over te dragen naar operationele programma's in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei";
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 – letter a – letter ii ter (nieuw)
ii ter)  de uitwisseling van ervaringen betreffende de vaststelling, de overdracht en de verspreiding van beste praktijken inzake duurzame stedelijke ontwikkeling, met inbegrip van onderlinge banden tussen stedelijke en plattelandsgebieden;
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 – letter a – punt iii bis (nieuw)
iii bis)  de opzet, de werking en het gebruik van het Europees grensoverschrijdend mechanisme als bedoeld in Verordening (EU) [nieuw Europees grensoverschrijdend mechanisme];
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5
5)  investeringen in interregionale innovatie door commercialisering en opschaling van interregionale innovatieve projecten met het potentieel om de ontwikkeling van Europese waardeketens te stimuleren ("component 5").
Schrappen
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het EFRO te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe landgrenzen met derde landen of partnerlanden.
1.  Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het EFRO te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie aan alle interne en externe land- of zeegrenzen met derde landen of partnerlanden, behoudens eventuele aanpassingen om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van gebieden van samenwerkingsprogramma's die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2
2.  Regio's aan maritieme grenzen die door middel van een vaste verbinding over de zee verbonden zijn, worden ook ondersteund in het kader van grensoverschrijdende samenwerking.
Schrappen
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  Interne programma's voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van Interreg kunnen regio's in Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk omvatten, die gelijkwaardig zijn aan regio's van NUTS-niveau 3, alsook Liechtenstein, Andorra en Monaco.
3.  Interne programma's voor grensoverschrijdende samenwerking in het kader van Interreg kunnen regio's in Noorwegen, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk omvatten, die gelijkwaardig zijn aan regio's van NUTS-niveau 3, alsook Liechtenstein, Andorra, Monaco en San Marino.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4
4.  Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het IPA III of NDICI te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van het betrokken partnerland of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden aan alle landgrenzen tussen lidstaten en partnerlanden die in het kader van IPA III of NDICI in aanmerking komen.
4.  Voor grensoverschrijdende samenwerking zijn de door het IPA III of NDICI te steunen regio's de regio's van NUTS-niveau 3 van het betrokken partnerland of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden aan alle land- of zeegrenzen tussen lidstaten en partnerlanden die in het kader van IPA III of NDICI in aanmerking komen.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – titel
5 Geografische dekking voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking
Geografische dekking voor transnationale samenwerking
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  Voor transnationale samenwerking en de samenwerking op maritiem gebied, zijn de door het EFRO te ondersteunen regio's de regio's van NUTS-niveau 2 van de Unie die aangrenzende functionele gebieden bestrijken, indien van toepassing rekening houdend met macroregionale strategieën of zeegebiedstrategieën.
1.  Voor transnationale samenwerking zijn de door het EFRO te ondersteunen regio's de regio's van NUTS-niveau 2 van de Unie die aangrenzende functionele gebieden bestrijken, behoudens eventuele aanpassingen om te zorgen voor de samenhang en continuïteit van deze samenwerking in grotere coherente gebieden op basis van de programma's die voor de programmeringsperiode 2014-2020 zijn vastgesteld, en indien van toepassing rekening houdend met macroregionale strategieën of zeegebiedstrategieën.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
Interreg-programma's voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking kunnen de volgende landen of gebieden omvatten:
Interreg-programma's voor transnationale samenwerking kunnen de volgende landen of gebieden omvatten:
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1 – letter b
b)  Groenland;
b)  de LGO's die steun ontvangen in het kader van het LGO-programma;
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  De in lid 2 genoemde regio's, derde landen of partnerlanden zijn regio's van NUTS-niveau 2 of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden.
3.  De in lid 2 genoemde regio's, derde landen, partnerlanden of LGO's zijn regio's van NUTS-niveau 2 of, indien er geen NUTS-classificatie is, daarmee vergelijkbare gebieden.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  De Interreg-programma's voor ultraperifere regio's kunnen door het NDICI ondersteunde aangrenzende partnerlanden en/of door het OCTP ondersteunde LGO's bestrijken.
2.  De Interreg-programma's voor ultraperifere regio's kunnen door het NDICI ondersteunde partnerlanden bestrijken, door het OCTP ondersteunde LGO's, organisaties voor regionale samenwerking, of een combinatie van twee ervan of alle drie.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – titel
Geografische dekking voor interregionale samenwerking en investeringen in interregionale innovatie
Geografische dekking voor interregionale samenwerking
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  Voor Interreg-programma's van component 4 of voor investeringen in interregionale innovatie in het kader van component 5 wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO.
1.  Voor Interreg-programma's van component 4 wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO, met inbegrip van de ultraperifere gebieden.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  Interreg-programma's van component 4 kunnen het geheel of een deel van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde derde landen, partnerlanden, andere gebieden of LGO's bestrijken, ongeacht of zij worden ondersteund door de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie.
2.  Interreg-programma's van component 4 kunnen het geheel of een deel van de in de artikelen 4, 5 en 6 bedoelde derde landen, partnerlanden, andere gebieden of LGO's bestrijken, ongeacht of zij worden ondersteund door de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie. Derde landen mogen aan deze programma's deelnemen, op voorwaarde dat zij een financiële bijdrage leveren in de vorm van externe bestemmingsontvangsten.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling bevat ook een lijst waarin de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie zijn vermeld die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen en aan alle buitengrenzen die onder de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie vallen, alsmede een lijst met deze regio's van NUTS-niveau 3 die in aanmerking zijn genomen voor toewijzingsdoeleinden in het kader van component 2B als bedoeld in artikel 9, lid 3, onder a).
2.  De in lid 1 bedoelde uitvoeringshandeling bevat ook een lijst waarin de regio's van NUTS-niveau 3 van de Unie zijn vermeld die in aanmerking zijn genomen voor de EFRO-toewijzing voor grensoverschrijdende samenwerking aan alle binnengrenzen en aan alle buitengrenzen die onder de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie vallen.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3
3.  Regio's van derde landen of landen of gebieden buiten de Europese Unie die geen steun ontvangen uit het EFRO of een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, moeten eveneens worden vermeld in de in lid 1 bedoelde lijst.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  De EFRO-middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" bedragen 8 430 000 000 EUR van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2021-2027 en die vermeld zijn in artikel [102, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
1.  De middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" bedragen 11 165 910 000 EUR (prijzen 2018) van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds voor de programmeringsperiode 2021-2027 en die vermeld zijn in artikel [103, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – inleidende formule
2.  De in lid 1 bedoelde middelen worden als volgt toegewezen:
2.  10 195 910 000 EUR (91,31 %) van de in lid 1 bedoelde middelen wordt als volgt toegewezen:
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter a
a)  52,7 % (d.w.z. in totaal 4 440 000 000 EUR) voor grensoverschrijdende samenwerking (component 1);
a)  7 500 000 000 EUR (67,16 %) voor grensoverschrijdende samenwerking (component 1);
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter b
b)  31,4 % (d.w.z. in totaal 2 649 900 000 EUR) voor transnationale samenwerking en maritieme samenwerking (component 2);
b)  1 973 600 880 EUR (17,68 %) voor transnationale samenwerking (component 2);
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter c
c)  3,2 % (d.w.z. in totaal 270 100 000 EUR) voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden (component 3);
c)  357 309 120 EUR (3,2 %) voor samenwerking tussen ultraperifere gebieden (component 3);
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter d
d)  1,2 % (d.w.z. in totaal 100 000 000 EUR) voor interregionale samenwerking (component 4);
d)  365 000 000 EUR (3,27 %) voor interregionale samenwerking (component 4);
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2 – letter e
e)  11,5 % (d.w.z. in totaal 970 000 000 EUR) voor investeringen in interregionale innovatie (component 5).
Schrappen
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2 – letter a
a)  regio's van NUTS-niveau 3 voor component 1 en de regio's van NUTS-niveau 3 als bedoeld in artikel 8, lid 2, van de uitvoeringshandeling voor component 2B;
a)  regio's van NUTS-niveau 3 voor component 1 die zijn vermeld in de uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 8, lid 2;
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2 – letter b
b)  regio's van NUTS-niveau 2 voor de componenten 2A en 3.
b)  regio's van NUTS-niveau 2 voor component 2.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  regio's van NUTS-niveau 2 en 3 voor component 3.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  970 000 000 EUR (8,69 %) van de in lid 1 bedoelde middelen wordt toegewezen aan het nieuwe initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie als bedoeld in artikel 15 bis (nieuw).
Indien de Commissie op 31 december 2026 niet alle in lid 1 bedoelde beschikbare middelen voor in het kader van dat initiatief geselecteerde projecten heeft vastgelegd, worden de resterende niet-vastgelegde saldi naar evenredigheid herverdeeld over de componenten 1 tot en met 4.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3 – alinea 1
Er wordt steun uit het EFRO verleend aan individuele externe grensoverschrijdend Interreg-programma's op voorwaarde dat het IPA III CBC en het NDICI CBC ten minste gelijkwaardige bedragen verstrekken in het kader van het relevante strategische programmeringsdocument. Voor deze gelijkwaardigheid geldt een maximumbedrag dat is vastgesteld in de IPA III-wetgevingshandeling of de NDICI-wetgevingshandeling.
Er wordt steun uit het EFRO verleend aan individuele externe grensoverschrijdende Interreg-programma's op voorwaarde dat het IPA III CBC en het NDICI CBC ten minste gelijkwaardige bedragen verstrekken in het kader van het relevante strategische programmeringsdocument. Voor deze bijdrage geldt een maximumbedrag dat is vastgesteld in de IPA III-wetgevingshandeling of de NDICI-wetgevingshandeling.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3 – alinea 1 – letter b
b)  het Interreg-programma niet kan worden uitgevoerd als gepland omdat zich tussen de deelnemende landen problemen hebben voorgedaan.
b)  in naar behoren gemotiveerde gevallen, wanneer het Interreg-programma niet kan worden uitgevoerd als gepland omdat zich tussen de deelnemende landen problemen hebben voorgedaan.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – alinea 1
Wat een reeds door de Commissie goedgekeurd Interreg-programma van component 2 betreft, wordt de deelname van een partnerland of van Groenland beëindigd, indien zich een van de situaties als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder a) en b), voordoet.
Wat een reeds door de Commissie goedgekeurd Interreg-programma van component 2 betreft, wordt de deelname van een partnerland of van een LGO beëindigd, indien zich een van de situaties als bedoeld in lid 3, eerste alinea, onder a) en b), voordoet.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – alinea 2 – letter a
a)  dat het Interreg-programma in zijn geheel wordt beëindigd, met name wanneer de belangrijkste gezamenlijke ontwikkelingsproblemen ervan niet kunnen worden verwezenlijkt zonder de deelname van die partner of Groenland;
a)  dat het Interreg-programma in zijn geheel wordt beëindigd, met name wanneer de belangrijkste gezamenlijke ontwikkelingsproblemen ervan niet kunnen worden verwezenlijkt zonder de deelname van die partner of dat LGO;
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 4 – alinea 2 – letter c
c)  dat het Interreg-programma doorgaat zonder de deelname van het betrokken partnerland of van Groenland.
c)  dat het Interreg-programma doorgaat zonder de deelname van het betrokken partnerland of een LGO.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 6
6.  Wanneer een derde land of een partnerland dat met nationale middelen bijdraagt aan een Interreg-programma, waarbij het niet gaat om de nationale medefinanciering van steun uit het EFRO of uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, deze bijdrage vermindert tijdens de uitvoering van het Interreg-programma, hetzij in het algemeen of in verband met gezamenlijke concrete acties die reeds zijn geselecteerd en na ontvangst van het document zoals bedoeld in artikel 22, lid 6, verzoeken de deelnemende lidstaat of lidstaten om één van de in lid 4, tweede alinea, vermelde opties.
6.  Wanneer een derde land, partnerland of LGO dat met nationale middelen bijdraagt aan een Interreg-programma, waarbij het niet gaat om de nationale medefinanciering van steun uit het EFRO of uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie, deze bijdrage vermindert tijdens de uitvoering van het Interreg-programma, hetzij in het algemeen of in verband met gezamenlijke concrete acties die reeds zijn geselecteerd en na ontvangst van het document zoals bedoeld in artikel 22, lid 6, verzoeken de deelnemende lidstaat of lidstaten om één van de in lid 4, tweede alinea, van dit artikel vermelde opties.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – alinea 1
Het medefinancieringspercentage op het niveau van elk Interreg-programma bedraagt niet meer dan 70 %, tenzij met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's of Interreg-programma's van componenten 3 een hoger percentage is vastgesteld in de Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit (EU) [OCTP] van de Raad, of in elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.
Het medefinancieringspercentage op het niveau van elk Interreg-programma bedraagt niet meer dan 80 %, tenzij met betrekking tot externe grensoverschrijdende Interreg-programma's of Interreg-programma's van component 3 een hoger percentage is vastgesteld in de Verordeningen (EU) [IPA III] of (EU) [NDICI] of Besluit (EU) [OCTP] van de Raad, of in elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3 – inleidende formule
3.  In aanvulling op de specifieke doelstellingen van het EFRO zoals vastgesteld in artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], kunnen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie als volgt bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen in het kader van BD 4:
3.  In aanvulling op de specifieke doelstellingen van het EFRO zoals vastgesteld in artikel [2] van Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], dragen het EFRO en, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie als volgt bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen in het kader van BD 4:
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 4 – letter a – inleidende formule
a)  onder Interreg-programma's van component 1 en 2B:
a)  onder Interreg-programma's van component 1 en 2:
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 4 – letter a – punt ii
ii)  verbetering van de efficiëntie van het openbaar bestuur door de bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers en instellingen, met name om een oplossing te vinden voor juridische en andere obstakels in grensregio's;
ii)  verbetering van de efficiëntie van het openbaar bestuur door de bevordering van juridische en administratieve samenwerking en samenwerking tussen burgers, met inbegrip van people-to-people-projecten, het maatschappelijk middenveld en instellingen, met name om een oplossing te vinden voor juridische en andere obstakels in grensregio's;
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 5
5.  In het kader van de externe grensoverschrijdende Interreg-programma's en Interreg-programma's van component 2 en 3 verlenen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg "een veiliger, zekerder Europa", met name door acties op het gebied van het beheer van grensoverschrijdingen, mobiliteit en migratie, met inbegrip van de bescherming van migranten.
5.  In het kader van de Interreg-programma's van component 1, 2 en 3 kunnen het EFRO en, indien toepasselijk, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie ook steun verlenen aan de specifieke doelstelling voor Interreg "een veiliger, zekerder Europa", met name door acties op het gebied van het beheer van grensoverschrijdingen, mobiliteit en migratie, met inbegrip van de bescherming en economische en sociale integratie van migranten en vluchtelingen die internationale bescherming genieten.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 2
2.  Een aanvullende 15 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg "een beter bestuur voor Interreg" of aan de externe specifieke doelstelling voor Interreg "een veiliger, zekerder Europa".
2.  Ten hoogste 15 % van de toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand aan elk Interreg-programma in het kader van de componenten 1, 2 en 3, wordt toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg "een beter bestuur voor Interreg" en ten hoogste 10 % daarvan kan worden toegewezen aan de specifieke doelstelling voor Interreg "een veiliger, zekerder Europa".
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 3
3.  Wanneer een Interreg-programma van component 2A een macroregionale strategie ondersteunt, worden de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie.
3.  Wanneer een Interreg-programma van component 1 of 2 een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, draagt ten minste 80 % van de toewijzingen van het EFRO evenals, indien van toepassing, een gedeelte van de toewijzingen van de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand bij aan de doelstellingen van die strategie.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – lid 4
4.  Wanneer een Interreg-programma van component 2B een macroregionale strategie of zeegebiedstrategie ondersteunt, wordt ten minste 70 % van de totale toewijzingen van het EFRO en, indien van toepassing, de totale financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie voor andere prioriteiten dan technische bijstand toegewezen aan de doelstellingen van die strategie.
Schrappen
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 bis (nieuw)
Artikel 15 bis
Investeringen in interregionale innovatie
1.  De in artikel 9, lid 5 bis, bedoelde middelen worden toegewezen aan een nieuw initiatief inzake investeringen in interregionale innovatie dat bestemd is voor:
a)  de commercialisering en opschaling van gemeenschappelijke innovatieve projecten die de ontwikkeling van Europese waardeketens kunnen stimuleren;
b)  het samenbrengen van onderzoekers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden die betrokken zijn bij op nationaal of regionaal niveau vastgestelde strategieën voor slimme specialisatie en sociale innovatie;
c)  proefprojecten om nieuwe oplossingen voor ontwikkeling op regionaal en lokaal niveau vast te stellen of te testen die gebaseerd zijn op strategieën voor slimme specialisatie; of
d)  de uitwisseling van ervaringen met innovatie om de opgedane ervaring op het gebied van regionale of lokale ontwikkeling te kunnen benutten.
2.  Om het beginsel van Europese territoriale samenhang te handhaven, met een ongeveer gelijk aandeel van de financiële middelen, zijn deze investeringen gericht op het scheppen van banden tussen minder ontwikkelde regio's en leidende regio's door de capaciteit van regionale innovatieve ecosystemen in minder ontwikkelde regio's te vergroten om de bestaande of opkomende EU-waarde te integreren en te bevorderen, evenals de capaciteit om deel te nemen aan partnerschappen met andere regio's.
3.  De Commissie zorgt voor de uitvoering van die investeringen in direct of indirect beheer. Zij wordt ondersteund door een deskundigengroep bij de opstelling van een werkprogramma op lange termijn en daarmee verband houdende oproepen.
4.  Voor investeringen in interregionale innovatie wordt het gehele grondgebied van de Unie ondersteund door het EFRO. Derde landen mogen aan deze investeringen deelnemen, op voorwaarde dat zij een financiële bijdrage leveren in de vorm van externe bestemmingsontvangsten.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1
1.  De doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" wordt uitgevoerd via Interreg-programma's in gedeeld beheer, met uitzondering van programma's van component 3, die geheel of gedeeltelijk in indirect beheer kunnen worden uitgevoerd, en programma's van component 5 die in direct of indirect beheer worden uitgevoerd.
1.  De doelstelling "Europese territoriale samenwerking (Interreg)" wordt uitgevoerd via Interreg-programma's in gedeeld beheer, met uitzondering van programma's van component 3, die geheel of gedeeltelijk in indirect beheer kunnen worden uitgevoerd na raadpleging van de belanghebbenden.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2
2.  De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's stellen een Interreg-programma op overeenkomstig het model zoals vermeld in de bijlage voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.
2.  De deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking stellen een Interreg-programma op overeenkomstig het model zoals vermeld in de bijlage voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 3 – alinea 1
De deelnemende lidstaten bereiden een Interreg-programma voor in samenwerking met de programmapartners als bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
De deelnemende lidstaten bereiden een Interreg-programma voor in samenwerking met de programmapartners als bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]. Bij de voorbereiding van de Interreg-programma's die betrekking hebben op macroregionale of zeegebiedstrategieën houden de lidstaten en de programmapartners rekening met de thematische prioriteiten van de relevante macroregionale en zeegebiedstrategieën en raadplegen zij de relevante actoren. De lidstaten en de programmapartners zetten een mechanisme ex ante op om ervoor te zorgen dat alle actoren op macroregionaal niveau en op het niveau van de zeegebieden, programma-autoriteiten in het kader van Europese territoriale samenwerking, regio's en landen aan het begin van de programmeringsperiode worden samengebracht om gezamenlijk een besluit te nemen over de prioriteiten voor elk programma. Deze prioriteiten worden waar nodig afgestemd op de actieplannen voor macroregionale of zeegebiedstrategieën.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 4 – alinea 1
De lidstaat waar de kandidaat-beheersautoriteit gevestigd is, dient een Interreg-programma uiterlijk [datum van inwerkingtreding plus negen maanden;] in bij de Commissie namens alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's.
De lidstaat waar de kandidaat-beheersautoriteit gevestigd is, dient een of meer Interreg-programma's uiterlijk [datum van inwerkingtreding plus twaalf maanden;] in bij de Commissie namens alle deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 4 – alinea 2
Een Interreg-programma dat steun wordt ondersteund door een extern financieringsinstrument van de Unie, wordt uiterlijk zes maanden na de goedkeuring door de Commissie van de desbetreffende strategische programmeringsdocumenten uit hoofde van artikel 10, lid 1, of indien dit vereist is uit hoofde van de respectieve basishandeling van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is.
Een Interreg-programma dat wordt ondersteund door een extern financieringsinstrument van de Unie, wordt uiterlijk twaalf maanden na de goedkeuring door de Commissie van de desbetreffende strategische programmeringsdocumenten uit hoofde van artikel 10, lid 1, of indien dit vereist is uit hoofde van de respectieve basishandeling van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, ingediend door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3
3.  In naar behoren gemotiveerde gevallen en in overleg met de Commissie kan de betrokken lidstaat besluiten tot de overdracht aan Interreg-programma's van tot [x]% van het bedrag aan steun uit het EFRO dat is toegewezen aan het desbetreffende programma in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" voor dezelfde regio, teneinde de efficiëntie van de programma-uitvoering te vergroten en grootschaligere concrete acties te verwezenlijken. Het overgemaakte bedrag vormt een afzonderlijke prioriteit of afzonderlijke prioriteiten.
3.  De betrokken lidstaat kan besluiten tot de overdracht aan Interreg-programma's van tot 20 % van het bedrag aan steun uit het EFRO dat is toegewezen aan het desbetreffende programma in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" voor dezelfde regio, teneinde de efficiëntie van de programma-uitvoering te vergroten en grootschaligere concrete acties te verwezenlijken. Elke lidstaat stelt de Commissie vooraf in kennis van zijn voornemen om gebruik te maken van de mogelijkheid tot overdracht en zet voor de Commissie de redenen voor zijn besluit uiteen. Het overgemaakte bedrag vormt een afzonderlijke prioriteit of afzonderlijke prioriteiten.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4 – letter b – inleidende formule
b)  een samenvatting van de voornaamste gemeenschappelijke problemen, rekening houdend met:
b)  een samenvatting van de voornaamste gemeenschappelijke problemen, met name rekening houdend met:
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4 – letter b – punt ii
ii)  gemeenschappelijke investeringsbehoeften en complementariteit met andere vormen van steun;
ii)  gemeenschappelijke investeringsbehoeften en complementariteit met andere vormen van steun en te verwezenlijken potentiële synergieën;
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4 – letter b – punt iii
iii)  lessen uit ervaringen uit het verleden;
iii)  lessen uit ervaringen uit het verleden en de wijze waarop zij in het programma in aanmerking zijn genomen;
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4 – letter c
c)  een motivering voor de geselecteerde beleidsdoelstellingen en specifieke doelstellingen voor Interreg, bijbehorende prioriteiten, specifieke doelstellingen en de vormen van steun, waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt;
c)  een motivering voor de geselecteerde beleidsdoelstellingen en specifieke doelstellingen voor Interreg en bijbehorende prioriteiten, waarbij indien nodig ontbrekende schakels in de grensoverschrijdende infrastructuur worden aangepakt;
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4 – letter e – punt i
i)  de gerelateerde actietypes, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing;
i)  de gerelateerde actietypes, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale en zeegebiedstrategieën, indien van toepassing, respectievelijk de reeks criteria en de overeenkomstige transparante selectiecriteria voor een dergelijke concrete actie;
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4 – letter e – punt iii
iii)  de voornaamste doelgroepen;
Schrappen
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 4 – letter e – punt v
v)  het voorgenomen gebruik van financieringsinstrumenten;
Schrappen
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 5 – letter a – punt iii
iii)  voor Interreg-programma's van component 2 die worden ondersteund door het OCTP, uitgesplitst naar financieringsinstrument ("EFRO" en "OCTP Groenland");
iii)  voor Interreg-programma's van component 2 die worden ondersteund door het OCTP, uitgesplitst naar financieringsinstrument ("EFRO" en "OCTP");
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 5 – letter b
b)  de in lid 4, onder g), ii), bedoelde tabel bevat enkel de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025.
Schrappen
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 7 – letter b
b)  de procedure voor het instellen van het gezamenlijke secretariaat vastleggen;
b)  de procedure voor het instellen van het gezamenlijke secretariaat vastleggen alsook, indien van toepassing, de ondersteunende beheersstructuren in de lidstaten of derde landen;
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1
1.  De Commissie beoordeelt elk Interreg-programma en de mate waarin het Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en, in het geval van steun uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie en, indien van toepassing, de samenhang ervan met het in artikel 10, lid 1, bedoelde meerjarig strategiedocument of het desbetreffende strategische programmeringskader uit hoofde van het respectieve basishandeling van één of meer van die instrumenten.
1.  De Commissie beoordeelt volledig transparant elk Interreg-programma en de mate waarin het Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en, in het geval van steun uit een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie en indien van toepassing, de samenhang ervan met het in artikel 10, lid 1, van deze verordening bedoelde meerjarig strategiedocument of het desbetreffende strategische programmeringskader uit hoofde van de respectieve basishandeling van één of meer van die instrumenten.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3
3.  Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's evalueren het Interreg-programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie.
3.  Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking evalueren het Interreg-programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 4
4.  De Commissie stelt uiterlijk zes maanden na indiening van elk Interreg-programma door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast.
4.  De Commissie stelt uiterlijk drie maanden na indiening van de herziene versie van elk Interreg-programma door de lidstaat waar de toekomstige beheersautoriteit gevestigd is, door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 1
1.  De lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, kan een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een Interreg-programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op de verwezenlijking van de doelstellingen is.
1.  Na raadpleging van de lokale en regionale autoriteiten en in overeenstemming met artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], kan de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, een gemotiveerd verzoek tot wijziging van een Interreg-programma indienen samen met het gewijzigde programma waarin wordt uiteengezet wat het verwachte effect van die wijziging op de verwezenlijking van de doelstellingen is.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2
2.  De Commissie beoordeelt de mate waarin de wijziging Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en kan binnen drie maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
2.  De Commissie beoordeelt de mate waarin de wijziging Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], Verordening (EU) [EFRO] en deze verordening nakomt en kan binnen een maand na de datum waarop het gewijzigde programma is ingediend, opmerkingen formuleren.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
3.  Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden of LGO's evalueren het gewijzigde programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie.
3.  Deelnemende lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking evalueren het gewijzigde programma, rekening houdend met de opmerkingen van de Commissie.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
4.  De Commissie keurt de wijziging van een Interreg-programma uiterlijk zes maanden na de indiening ervan door de lidstaat, goed.
4.  De Commissie keurt de wijziging van een Interreg-programma uiterlijk drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, goed.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 5 – alinea 1
De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Interreg-programma.
Na raadpleging van de lokale en regionale autoriteiten en in overeenstemming met artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], kan de lidstaat tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 10 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 5 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Interreg-programma.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 1 – alinea 2
Dat toezichtcomité kan voor de selectie van concrete acties één of, met name in het geval van subprogramma's, meerdere directiecomités oprichten, die optreden onder zijn verantwoordelijkheid.
Dat toezichtcomité kan voor de selectie van concrete acties één of, met name in het geval van subprogramma's, meerdere directiecomités oprichten, die optreden onder zijn verantwoordelijkheid. Directiecomités passen het partnerschapsbeginsel van artikel 6 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] toe en betrekken partners uit alle deelnemende lidstaten.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 3
3.  De beheersautoriteit raadpleegt de Commissie en houdt rekening met haar opmerkingen voorafgaand aan de eerste indiening van de selectiecriteria bij het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité. Hetzelfde geldt voor eventuele latere wijzigingen van deze criteria.
3.  De beheersautoriteit stelt de Commissie in kennis voorafgaand aan de eerste indiening van de selectiecriteria bij het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité. Hetzelfde geldt voor eventuele latere wijzigingen van deze criteria.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 4 – inleidende formule
4.  Bij de selectie van de concrete acties heeft het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité de volgende taken:
4.  Voor het toezichtcomité of, indien van toepassing, het directiecomité de concrete acties selecteert, heeft de beheersautoriteit de volgende taken:
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – lid 6 – alinea 2
In dit document worden eveneens de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner met betrekking tot terugvorderingen op grond van artikel 50 vastgesteld. Deze verplichtingen worden vastgesteld door het toezichtcomité. Een eerstverantwoordelijke partner die is gevestigd in een andere lidstaat, derde land, partnerland of LGO, dan de partner is niet verplicht om door middel van een gerechtelijke procedure terug te vorderen.
In dit document worden eveneens de verplichtingen van de eerstverantwoordelijke partner met betrekking tot terugvorderingen op grond van artikel 50 vastgesteld. De procedures in verband met terugvorderingen worden vastgesteld en overeengekomen door het toezichtcomité. Een eerstverantwoordelijke partner die is gevestigd in een andere lidstaat, derde land, partnerland of LGO dan de partner is niet verplicht om door middel van een gerechtelijke procedure terug te vorderen.
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1
Bij concrete acties die in het kader van de componenten 1, 2 en 3 worden geselecteerd, zijn actoren uit ten minste twee deelnemende landen betrokken, waarvan er ten minste één begunstigde uit een lidstaat afkomstig is.
Bij concrete acties die in het kader van de componenten 1, 2 en 3 worden geselecteerd, zijn actoren uit ten minste twee deelnemende landen of LGO's betrokken, waarvan er ten minste één begunstigde uit een lidstaat afkomstig is.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
2.  Een concrete actie in het kader van Interreg kan in één land worden uitgevoerd, mits de gevolgen voor en de voordelen van het programmagebied zijn vastgesteld in de aanvraag voor de concrete actie.
2.  Een concrete actie in het kader van Interreg kan in één land of LGO worden uitgevoerd, mits de gevolgen voor en de voordelen van het programmagebied zijn vastgesteld in de aanvraag voor de concrete actie.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4 – alinea 1
De partners werken samen bij de ontwikkeling, uitvoering en financiering van en de personeelsvoorziening voor concrete acties in het kader van Interreg.
De partners werken samen bij de ontwikkeling en uitvoering van concrete acties in het kader van Interreg, evenals bij de personeelsvoorziening daarvoor en/of financiering daarvan. Er wordt getracht het aantal partners voor elke concrete actie in het kader van Interreg te beperken tot maximaal tien.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4 – alinea 2
Voor concrete acties in het kader van Interreg-programma's van component 3 moeten de partners uit ultraperifere regio's en derde landen, partnerlanden of LGO slechts voor drie van de vier in de eerste alinea vermelde aspecten samenwerken.
Voor concrete acties in het kader van Interreg-programma's van component 3 moeten de partners uit ultraperifere regio's en derde landen, partnerlanden of LGO's slechts voor twee van de vier in de eerste alinea vermelde aspecten samenwerken.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 6 – alinea 1
Een grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS kan de enige partner zijn van een concrete actie in het kader van een Interreg-programma van de componenten 1, 2 en 3 zijn, mits de leden daarvan bestaan uit partners uit ten minste twee deelnemende landen.
Een grensoverschrijdende juridische entiteit of EGTS kan de enige partner zijn van een concrete actie in het kader van een Interreg-programma van de componenten 1, 2 en 3 zijn, mits de leden daarvan bestaan uit partners uit ten minste twee deelnemende landen of LGO's.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 7 – alinea 2
Een enige partner kan evenwel geregistreerd zijn in een lidstaat die niet aan dat programma deelneemt, mits aan de voorwaarden van artikel 23, wordt voldaan.
Schrappen
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1 – alinea 1
De bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie aan een fonds voor kleinschalige projecten in het kader van een Interreg-programma mag niet meer bedragen dan 20 000 000 EUR of, als dat minder is, 15 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma.
De totale bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, uit de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie aan een of meer fondsen voor kleinschalige projecten in het kader van een Interreg-programma mag niet meer bedragen dan 20 % van de totale toewijzing aan het Interreg-programma en bedraagt in het kader van een Interreg-programma voor grensoverschrijdende samenwerking ten minste 3 % van de totale toewijzing.
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2
2.  De begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten is een grensoverschrijdende juridische entiteit of een EGTS.
2.  De begunstigde van een fonds voor kleinschalige projecten is een publiek- of privaatrechtelijke instantie, een entiteit met of zonder rechtspersoonlijkheid of een natuurlijke persoon, die verantwoordelijk is voor het opzetten of het opzetten en uitvoeren van concrete acties.
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 5
5.  Personeelskosten en indirecte kosten die op het niveau van de begunstigde worden gemaakt voor het beheer van het fonds voor kleinschalige projecten, bedragen ten hoogste 20 % van de totale subsidiabele kosten van het respectieve fonds voor kleinschalige projecten.
5.  Personeelskosten en andere directe kosten die overeenstemmen met de kostencategorieën van de artikelen 39 tot en met 42, evenals indirecte kosten die op het niveau van de begunstigde worden gemaakt voor het beheer van het fonds of de fondsen voor kleinschalige projecten, bedragen ten hoogste 20 % van de totale subsidiabele kosten van het respectieve fonds of de respectieve fondsen voor kleinschalige projecten.
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 6 – alinea 1
Wanneer de overheidsbijdrage aan een klein project niet meer bedraagt dan 100 000 EUR, bestaat de bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, een financieringsinstrument voor extern optreden van de Europese Unie uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages, behalve voor projecten waarvoor de steun staatssteun vormt.
Wanneer de overheidsbijdrage aan een kleinschalig project niet meer bedraagt dan 100 000 EUR, bestaat de bijdrage uit het EFRO of, indien van toepassing, een financieringsinstrument voor extern optreden van de Unie uit eenheidskosten of vaste bedragen of bevat deze vaste percentages.
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 6 – alinea 1 bis (nieuw)
Wanneer de totale kosten van elke concrete actie niet meer bedragen dan 100 000 EUR, kan het steunbedrag voor een of meer kleinschalige projecten worden vastgesteld op basis van een ontwerpbegroting, die per geval wordt opgesteld en vooraf wordt goedgekeurd door de instantie die de concrete actie selecteert.
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2
2.  Tenzij anders bepaald in regelingen die zijn vastgelegd overeenkomstig lid 1, onder a), ziet de eerstverantwoordelijke partner erop toe dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen van het respectieve EU-fonds zo spoedig mogelijk en integraal ontvangen. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast waardoor die bedragen voor de andere partners worden verminderd.
2.  Tenzij anders bepaald in regelingen die zijn vastgelegd overeenkomstig lid 1, onder a), ziet de eerstverantwoordelijke partner erop toe dat de andere partners het totale bedrag van de bijdragen van het respectieve EU-fonds integraal ontvangen binnen de door alle partners overeengekomen termijn en volgens dezelfde procedure als die welke voor de eerstverantwoordelijke partner geldt. Er mogen geen bedragen in mindering worden gebracht of worden ingehouden, noch specifieke heffingen of andere heffingen met gelijke werking worden toegepast waardoor die bedragen voor de andere partners worden verminderd.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3 – alinea 1
Een begunstigde in een aan een Interreg-programma deelnemend(e) lidstaat, derde land, partnerland of LGO kan worden aangewezen als de eerstverantwoordelijke partner.
Een begunstigde in een aan een Interreg-programma deelnemende lidstaat kan worden aangewezen als de eerstverantwoordelijke partner.
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 3 – alinea 2
De aan een Interreg-programma deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden of LGO's kunnen overeenkomen dat een partner die geen steun ontvangt uit het EFRO of financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie, kan worden aangewezen als eerstverantwoordelijke partner.
Schrappen
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1
1.  Technische bijstand voor elk Interreg-programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages toe te passen op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen krachtens [artikel 85, lid 3, onder a) of onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
1.  Technische bijstand voor elk Interreg-programma wordt vergoed volgens een vast percentage door de in lid 2 vermelde percentages op de jaarlijkse gedeelten van de voorfinanciering krachtens artikel 49, lid 2, onder a) en b), van deze verordening toe te passen voor 2021 en 2022 en vervolgens op de subsidiabele uitgaven die in iedere betalingsaanvraag zijn opgenomen krachtens [artikel 85, lid 3, onder a) of onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] voor de volgende jaren, in voorkomend geval.
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter a
a)  voor interne Interreg-programma's voor grensoverschrijdende samenwerking die worden gesteund door het EFRO: 6 %;
a)  voor interne Interreg-programma's voor grensoverschrijdende samenwerking die worden gesteund door het EFRO: 7 %;
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter c
c)  voor Interreg-programma's van component 2, 3 en 4 voor zowel het EFRO als, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie: 7 %.
c)  voor Interreg-programma's van component 2, 3 en 4 voor zowel het EFRO als, indien van toepassing, de financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie: %.
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1
1.  De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan dat programma, richten binnen drie maanden na de datum van kennisgeving aan de lidstaat van het besluit van de Commissie tot vaststelling van een Interreg-programma, in overleg met de beheersautoriteit een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het Interreg-programma ("toezichtcomité"),
1.  De lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking die deelnemen aan dat programma, richten binnen drie maanden na de datum van kennisgeving aan de lidstaat van het besluit van de Commissie tot vaststelling van een Interreg-programma, in overleg met de beheersautoriteit een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het Interreg-programma ("toezichtcomité"),
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
2.  Het toezichtcomité wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat waar de beheersautoriteit gevestigd is, of van de beheersautoriteit.
Schrappen
Wanneer in het reglement van orde van het toezichtcomité een roulerend voorzitterschap is vastgesteld, wordt het toezichtcomité voorgezeten door een vertegenwoordiger van een derde land, partnerland of LGO, en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de lidstaat of van de beheersautoriteit, en vice versa.
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 6
6.  De beheersautoriteit publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité en alle gegevens en informatie die met het comité worden gedeeld op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.
6.  De beheersautoriteit publiceert het reglement van orde van het toezichtcomité, de samenvatting van gegevens en informatie evenals alle besluiten die met het comité worden gedeeld op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – alinea 1
De samenstelling van het toezichtcomité van elk Interreg-programma wordt overeengekomen door de lidstaten en, indien van toepassing, door de aan dat programma deelnemende derde landen, partnerlanden en LGO's, waarbij wordt gezorgd voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de relevante autoriteiten, intermediaire instanties en vertegenwoordigers van de programmapartners zoals bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] uit de lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's.
De samenstelling van het toezichtcomité van elk Interreg-programma kan worden overeengekomen door de lidstaten en, indien van toepassing, door de aan dat programma deelnemende derde landen, partnerlanden en LGO's, waarbij wordt gestreefd naar een evenwichtige vertegenwoordiging van de relevante autoriteiten, intermediaire instanties en vertegenwoordigers van de programmapartners zoals bedoeld in artikel [6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] uit de lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – alinea 2
Bij de samenstelling van het toezichtcomité wordt rekening gehouden met het aantal deelnemende lidstaten, derde landen, partnerlanden en LGO's in het betrokken Interreg-programma.
Schrappen
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – alinea 3
Het toezichtcomité omvat ook vertegenwoordigers van instanties die gezamenlijk zijn opgericht in het hele programmagebied of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS.
Het toezichtcomité omvat ook vertegenwoordigers van regionale en lokale overheden evenals andere instanties die gezamenlijk zijn opgericht in het hele programmagebied of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 2
2.  De beheersautoriteit publiceert de ledenlijst van het toezichtcomité op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.
2.  De beheersautoriteit publiceert een lijst van de autoriteiten of instanties die zijn aangewezen als leden van het toezichtcomité op de in artikel 35, lid 2, bedoelde website.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3
3.  Vertegenwoordigers van de Commissie nemen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden van het toezichtcomité.
3.  Vertegenwoordigers van de Commissie kunnen met raadgevende stem deelnemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité.
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Vertegenwoordigers van instanties die zijn opgericht in het hele programmagebied of die een deel daarvan bestrijken, met inbegrip van EGTS, kunnen met raadgevende stem deelnemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 – letter g
g)  de vooruitgang bij de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing.
g)  de vooruitgang bij de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing, waarbij het indien noodzakelijk verdere ondersteunende maatregelen voorstelt.
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 – letter a
a)  de methoden en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, na overleg met de Commissie in overeenstemming met artikel 22, lid 2, onverminderd artikel 27, lid 3, onder b), c) en d), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];
a)  de methoden en de criteria die worden gebruikt voor de selectie van concrete acties, met inbegrip van veranderingen daaraan, na kennisgeving aan de Commissie in overeenstemming met artikel 22, lid 2, van deze verordening, onverminderd [artikel 27, lid 3, onder b), c) en d),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 2 – inleidende formule
2.  Op verzoek van de Commissie verstrekt de beheersautoriteit binnen één maand de informatie over de in artikel 29, lid 1, genoemde elementen aan de Commissie:
2.  Op verzoek van de Commissie verstrekt de beheersautoriteit binnen drie maanden de informatie over de in artikel 29, lid 1, genoemde elementen aan de Commissie:
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1 – alinea 1
Elke beheersautoriteit dient uiterlijk op 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, 30 september en 30 november de cumulatieve gegevens voor het respectieve Interreg-programma in bij de Commissie op basis van het in bijlage [VII] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgenomen model.
Elke beheersautoriteit dient bij de Commissie uiterlijk op 31 januari, 31 mei en 30 september van elk jaar de gegevens voor het respectieve Interreg-programma elektronisch in overeenkomstig artikel 31, lid 2, onder a), van deze verordening, evenals een maal per jaar de gegevens overeenkomstig artikel 31, lid 2, onder b), van deze verordening op basis van het in bijlage [VII] bij Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] opgenomen model.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
De gegevens worden ingediend met behulp van de bestaande systemen voor gegevensrapportage, voor zover die systemen in de vorige programmeringsperiode betrouwbaar zijn gebleken.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – letter b
b)  de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties in het kader van Interreg en de door de concrete acties in het kader van Interreg bereikte waarden.
b)  de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties in het kader van Interreg en de door de afgeronde concrete acties in het kader van Interreg bereikte waarden.
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 1
1.  Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, als vervat in bijlage [I] bij Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening] en, waar nodig, programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren worden gebruikt overeenkomstig artikel [12, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], en artikel 17, lid 3, onder d), ii), en artikel 31, lid 2, onder b), van deze verordening.
1.  Gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, als vervat in bijlage [I] bij Verordening (EU) [nieuwe EFRO-verordening], die het meest geschikt worden geacht om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma Europese territoriale samenwerking (Interreg) te meten, worden gebruikt overeenkomstig artikel [12, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], en artikel 17, lid 4, onder e), ii), en artikel 31, lid 2, onder b), van deze verordening.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Waar nodig en in door de beheersautoriteit naar behoren gemotiveerde gevallen worden programmaspecifieke output- en resultaatindicatoren gebruikt naast de indicatoren die overeenkomstig de eerste alinea zijn geselecteerd.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1
1.  De beheersautoriteit voert een evaluatie van elk Interreg-programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van het respectieve Interreg-programma.
1.  De beheersautoriteit voert ten hoogste eenmaal per jaar een evaluatie van elk Interreg-programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van het respectieve Interreg-programma.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 4
4.  De beheersautoriteit zorgt voor procedures voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens.
4.  De beheersautoriteit wil zorgen voor de procedures die nodig zijn voor het opstellen en verzamelen van de voor evaluaties vereiste gegevens.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 3
3.  Artikel [44, leden 2 tot en met 7] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] inzake de verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit is van toepassing.
3.  Artikel [44, leden 2 tot en met 6] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] inzake de verantwoordelijkheden van de beheersautoriteit is van toepassing.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 4 – alinea 1 – letter c
c)  een plaat of bord op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal waarvan de totale kosten meer bedragen dan 100 000 EUR, van start gaat;
c)  een plaat of bord op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie in het kader van Interreg die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal waarvan de totale kosten meer bedragen dan 50 000 EUR, van start gaat;
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 4 – alinea 1 – letter d
d)  voor concrete acties die niet onder c) vallen, ten minste één affiche of elektronisch beeldscherm (minimaal in A3-formaat) met informatie over de concrete actie in het kader van Interreg met vermelding van de steun uit een Interreg-fonds, op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen;
d)  voor concrete acties die niet onder c) vallen, ten minste één affiche en, indien van toepassing, elektronisch beeldscherm (minimaal in A2-formaat) met informatie over de concrete actie in het kader van Interreg met vermelding van de steun uit een Interreg-fonds, op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen;
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 4 – alinea 1 – letter e
e)  voor concrete acties van strategisch belang en concrete acties waarvan de totale kosten meer dan 10 000 000 EUR bedragen, een communicatie-evenement te organiseren en de Commissie en de bevoegde beheersautoriteit daar tijdig bij te betrekken.
e)  voor concrete acties van strategisch belang en concrete acties waarvan de totale kosten meer dan 5 000 000 EUR bedragen, een communicatie-evenement te organiseren en de Commissie en de bevoegde beheersautoriteit daar tijdig bij te betrekken.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 6
6.  Wanneer de begunstigde de in artikel [42] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] of in het eerste en tweede lid van dit artikel vermelde verplichtingen niet nakomt, past de lidstaat een financiële correctie toe door maximaal 5 % van de bijdrage van de fondsen aan de betrokken concrete actie in te trekken.
6.  Wanneer de begunstigde de in artikel [42] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] of in het eerste en tweede lid van dit artikel vermelde verplichtingen niet nakomt, noch zijn verzuim tijdig herstelt, past de beheersautoriteit een financiële correctie toe door maximaal 5 % van de bijdrage van de fondsen aan de betrokken concrete actie in te trekken.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 3 – letter c
c)  op basis van een vast percentage overeenkomstig artikel [50, lid 1,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening].
c)  directe personeelskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage van maximaal 20 % van de andere directe kosten dan de directe personeelskosten van die concrete actie, zonder verplichting voor de lidstaat om te berekenen welk percentage van toepassing is.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 5 – letter a
a)  het delen van de bruto maandelijkse arbeidskosten door de maandelijkse arbeidstijd vastgesteld in het arbeidsdocument, uitgedrukt in uren; of
a)  het delen van de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig het in het arbeidscontract vermelde toepasselijke recht en artikel 50, lid 2, onder b), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening]; of
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 38 – lid 6
6.  Wat betreft personeelskosten van personen die volgens het arbeidsdocument op uurbasis werken, zijn dergelijke kosten subsidiabel op basis van toepassing van het in het arbeidsdocument overeengekomen uurtarief op het aantal feitelijk aan de concrete actie bestede uren, aan de hand van een systeem voor de registratie van werktijden.
6.  Wat betreft personeelskosten van personen die volgens het arbeidsdocument op uurbasis werken, zijn dergelijke kosten subsidiabel op basis van toepassing van het in het arbeidsdocument overeengekomen uurtarief op het aantal feitelijk aan de concrete actie bestede uren, aan de hand van een systeem voor de registratie van werktijden. Indien de in artikel 38, lid 2, onder b), bedoelde salariskosten nog niet in het overeengekomen uurtarief zijn begrepen, kunnen zij bij dat uurtarief worden opgeteld, overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – alinea 1 – inleidende formule
Kantoor- en administratieve kosten zijn beperkt tot de volgende posten:
Kantoor- en administratieve kosten zijn beperkt tot 15 % van de totale directe kosten van een concrete actie en tot de volgende posten:
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 4
4.  Rechtstreekse betaling van de uitgaven voor kosten in het kader van dit artikel door een medewerker van de begunstigde wordt aangetoond door een bewijs van vergoeding door de begunstigde aan die werknemer.
4.  Rechtstreekse betaling van de uitgaven voor kosten in het kader van dit artikel door een medewerker van de begunstigde wordt aangetoond door een bewijs van vergoeding door de begunstigde aan die werknemer. Deze kostencategorie kan worden gebruikt voor de reiskosten van het personeel dat verantwoordelijk is voor een concrete actie en van andere belanghebbenden met het oog op de uitvoering en promotie van de concrete actie in het kader van Interreg en het programma.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 5
5.  Reis- en verblijfskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage, met een maximum van 15 % van de directe kosten, met uitzondering van de directe personeelskosten, van die concrete actie.
5.  Reis- en verblijfskosten van een concrete actie kunnen worden berekend als een vast percentage, met een maximum van 15 % van de directe kosten van die concrete actie.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – alinea 1 – inleidende formule
Kosten voor externe expertise en diensten blijven beperkt tot de volgende diensten en deskundigheid van een publiek- of privaatrechtelijke instantie of een natuurlijke persoon, anders dan de begunstigde van de concrete actie:
Kosten voor externe expertise en diensten omvatten, maar zijn niet beperkt tot de volgende diensten en deskundigheid van een publiek- of privaatrechtelijke instantie of een natuurlijke persoon, anders dan de begunstigde van de concrete actie, elke partner daaronder begrepen:
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 41 – alinea 1 – letter o
o)  reis- en verblijfkosten van externe deskundigen, sprekers, voorzitters van vergaderingen en dienstverleners;
o)  reis- en verblijfkosten van externe deskundigen;
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 42 – lid 1 – inleidende formule
1.  Kosten van uitrusting die is gekocht, gehuurd of geleased door de begunstigde van de concrete actie, afgezien van de in artikel 39 bedoelde uitrusting, zijn beperkt tot het volgende:
1.  Kosten van uitrusting die is gekocht, gehuurd of geleased door de begunstigde van de concrete actie, afgezien van de in artikel 39 bedoelde uitrusting, omvatten, maar zijn niet beperkt tot het volgende:
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – alinea 1 – letter a
a)  de aankoop van land overeenkomstig [artikel 58, lid 1, onder c),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];
a)  de aankoop van land overeenkomstig [artikel 58, lid 1, onder b),] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening];
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 1
1.  De lidstaten en, indien van toepassing, de derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma wijzen, voor de toepassing van artikel [65] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] één enkele beheersautoriteit en één enkele auditautoriteit aan.
1.  De lidstaten en, indien van toepassing, de derde landen, partnerlanden, LGO's en organisaties voor regionale integratie en samenwerking die deelnemen aan een Interreg-programma wijzen, voor de toepassing van artikel [65] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] één enkele beheersautoriteit en één enkele auditautoriteit aan.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 2
2.  De beheersautoriteit en de auditautoriteit zijn in dezelfde lidstaat gevestigd.
2.  De beheersautoriteit en de auditautoriteit kunnen in dezelfde lidstaat gevestigd zijn.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 5
5.  Wanneer een Interreg-programma van component 2B of component 1 lange grenzen met heterogene ontwikkelingsproblemen en -behoeften bestrijkt, kunnen de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en de LGO die deelnemen aan een Interreg-programma, subprogrammagebieden vaststellen.
5.  Wanneer een Interreg-programma van component 1 lange grenzen met heterogene ontwikkelingsproblemen en ‑behoeften bestrijkt, kunnen de lidstaten en, indien van toepassing, derde landen, partnerlanden en de LGO die deelnemen aan een Interreg-programma, subprogrammagebieden vaststellen.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 6
6.  Als de beheersautoriteit een intermediaire instantie aanwijst in het kader van een Interreg-programma overeenkomstig artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], voert de intermediaire instantie de taken uit in meer dan één deelnemende lidstaat of, indien van toepassing, derde land, partnerland of LGO.
6.  Als de beheersautoriteit een of meer intermediaire instanties aanwijst in het kader van een Interreg-programma overeenkomstig artikel [65, lid 3,] van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening], voert/voeren de betrokken intermediaire instantie(s) de taken uit in meer dan één deelnemende lidstaat, of in hun respectieve lidstaten, of, indien van toepassing, in meer dan één derde land, partnerland of LGO.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   In afwijking van artikel 87, lid 2, van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] vergoedt de Commissie bij wijze van tussentijdse betaling 100 % van de in de betalingsaanvraag opgenomen bedragen, hetgeen wordt berekend door het medefinancieringspercentage van het programma toe te passen op de totale subsidiabele uitgaven of de overheidsbijdrage, in voorkomend geval.
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.   Indien de beheersautoriteit de verificaties als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder a), van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] niet in het gehele programmagebied verricht, wijst elke lidstaat de instantie of persoon aan die deze verificaties met betrekking tot de begunstigden op zijn grondgebied verricht.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater.   In afwijking van artikel 92 van Verordening (EU) [nieuwe GB-verordening] is de jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen niet van toepassing op de Interreg-programma's. De rekeningen worden aan het einde van een programma goedgekeurd op basis van het eindverslag over de prestaties.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 7
7.  Wanneer het in lid 6 bedoelde algehele geëxtrapoleerde foutenpercentage meer dan 2 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, berekent de Commissie een algeheel resterend foutenpercentage, met inachtneming van door de respectieve Interreg-programma-autoriteiten toegepaste financiële correcties voor individuele onregelmatigheden die zijn ontdekt tijdens de audits van uit hoofde van lid 1 geselecteerde concrete acties.
7.  Wanneer het in lid 6 bedoelde algehele geëxtrapoleerde foutenpercentage meer dan 3,5 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, berekent de Commissie een algeheel resterend foutenpercentage, met inachtneming van door de respectieve Interreg-programma-autoriteiten toegepaste financiële correcties voor individuele onregelmatigheden die zijn ontdekt tijdens de audits van uit hoofde van lid 1 geselecteerde concrete acties.
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 48 – lid 8
8.  Wanneer het in lid 7 bedoelde algehele resterend foutenpercentage meer dan 2 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, bepaalt de Commissie of het nodig is de auditautoriteit van een specifiek Interreg-programma of een groep Interreg-programma's die het meest beïnvloed zijn, te verzoeken aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten, teneinde het foutenpercentage verder te evalueren en de vereiste corrigerende maatregelen voor de Interreg-programma's die bij de geconstateerde onregelmatigheden betrokken zijn, te beoordelen.
8.  Wanneer het in lid 7 bedoelde algehele resterend foutenpercentage meer dan 3,5 % bedraagt van de totale gedeclareerde uitgaven voor de Interreg-programma's in de populatie waaruit de gemeenschappelijke steekproef was geselecteerd, bepaalt de Commissie of het nodig is de auditautoriteit van een specifiek Interreg-programma of een groep Interreg-programma's die het meest beïnvloed zijn, te verzoeken aanvullende controlewerkzaamheden te verrichten, teneinde het foutenpercentage verder te evalueren en de vereiste corrigerende maatregelen voor de Interreg-programma's die bij de geconstateerde onregelmatigheden betrokken zijn, te beoordelen.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – letter a
a)  2021: 1 %;
a)  2021: %;
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – letter b
b)  2022: 1 %;
b)  2022: 2,25 %;
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – letter c
c)  2023: 1 %;
c)  2023: 2,25 %;
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – letter d
d)  2024: 1 %;
d)  2024: 2,25 %;
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – letter e
e)  2025: 1 %;
e)  2025: 2,25 %;
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 2 – letter f
f)  2026: 1 %.
f)  2026: 2,25 %.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 3 – alinea 1
Indien externe grensoverschrijdende Interreg-programma's worden ondersteund door het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC, wordt de voorfinanciering voor alle fondsen die een dergelijk Interreg-programma ondersteunen, verricht overeenkomstig Verordening (EU) [IPA III] of [NDICI] of elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.
Indien externe Interreg-programma's worden ondersteund door het EFRO en het IPA III CBC of het NDICI CBC, wordt de voorfinanciering voor alle fondsen die een dergelijk Interreg-programma ondersteunen, verricht overeenkomstig Verordening (EU) [IPA III] of [NDICI] of elke handeling die op grond daarvan is vastgesteld.
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – lid 3 – alinea 3
Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalingsaanvraag voor het voor grensoverschrijdende Interreg-programma is toegezonden binnen een termijn van 24 maanden, te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering door de Commissie. Een dergelijke terugbetaling wordt beschouwd als interne bestemmingsontvangsten en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC aan het programma.
Het totaalbedrag dat als voorfinanciering is uitgekeerd, wordt aan de Commissie terugbetaald indien geen enkele betalingsaanvraag voor het voor grensoverschrijdende Interreg-programma is toegezonden binnen een termijn van 36 maanden, te rekenen vanaf de uitkering van het eerste gedeelte van de voorfinanciering door de Commissie. Een dergelijke terugbetaling wordt beschouwd als interne bestemmingsontvangsten en brengt geen verlaging mee van de steun uit het EFRO, IPA III CBC of NDICI CBC aan het programma.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Hoofdstuk 8 – titel
Deelname van derde landen, partnerlanden of LGO's aan Interreg-programma's in gedeeld beheer
Deelname van derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking aan Interreg-programma's in gedeeld beheer
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 51 – alinea 1
De hoofdstukken I tot en met VII en hoofdstuk X zijn van toepassing op de deelname van derde landen, partnerlanden en LGO's aan Interreg-programma's die onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van dit hoofdstuk.
De hoofdstukken I tot en met VII en hoofdstuk X zijn van toepassing op de deelname van derde landen, partnerlanden, LGO's of organisaties voor regionale integratie en samenwerking aan Interreg-programma's die onderworpen zijn aan de specifieke bepalingen van dit hoofdstuk.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 3
3.  Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, delegeren personeel aan het gezamenlijke secretariaat van dat programma en/of zetten op hun respectieve grondgebied een filiaal op.
3.  Derde landen, partnerlanden en LGO's die deelnemen aan een Interreg-programma, kunnen personeel delegeren aan het gezamenlijke secretariaat van dat programma en/of zetten, in overleg met de beheersautoriteit, op hun respectieve grondgebied een filiaal van het gezamenlijke secretariaat op.
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 4
4.  De nationale autoriteit of een orgaan dat is gelijkgesteld aan de communicatiemedewerker van het Interreg-programma als bedoeld in artikel 35, lid 1, ondersteunen de beheersautoriteit en de partners in het betreffende derde land, partnerland of LGO met betrekking tot de in artikel 35, leden 2 tot en met 7, bedoelde taken.
4.  De nationale autoriteit of een orgaan dat is gelijkgesteld aan de communicatiemedewerker van het Interreg-programma als bedoeld in artikel 35, lid 1, kunnen de beheersautoriteit en de partners in het betreffende derde land, partnerland of LGO ondersteunen met betrekking tot de in artikel 35, leden 2 tot en met 7, bedoelde taken.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 2
2.  Interreg-programma's van de component 2 en 4 die bijdragen uit het EFRO en één of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie combineren, worden in gedeeld beheer uitgevoerd in de lidstaten en in een eventueel deelnemende derde land of partnerland of, met betrekking tot component 3, LGO, ongeacht of deze LGO steun ontvangt uit een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie.
2.  Interreg-programma's van de component 2 en 4 die bijdragen uit het EFRO en één of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie combineren, worden in gedeeld beheer uitgevoerd in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land, partnerland of LGO of, met betrekking tot component 3, in eender welk LGO, ongeacht of dit LGO steun ontvangt uit een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 3 – alinea 1 – letter a
a)  in gedeeld beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land of LGO;
a)  in gedeeld beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land of LGO of groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie;
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 3 – alinea 1 – letter b
b)  alleen in gedeeld beheer in de lidstaten en in het deelnemende derde land of LGO met betrekking tot EFRO-uitgaven buiten de Unie voor één of meer concrete acties, terwijl de bijdragen van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie in indirect beheer worden beheerd;
b)  alleen in gedeeld beheer in de lidstaten en in een deelnemend derde land of LGO, of groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie, met betrekking tot EFRO-uitgaven buiten de Unie voor één of meer concrete acties, terwijl de bijdragen van een of meer financieringsinstrumenten voor extern optreden van de Unie in indirect beheer worden beheerd;
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 3 – alinea 1 – letter c
c)  in indirect beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemende derde land of LGO.
c)  in indirect beheer in de lidstaten en in een eventueel deelnemend derde land of LGO of groep van derde landen die deel uitmaken van een regionale organisatie.
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 3 – alinea 2
Wanneer een Interreg-programma's van component 3 geheel of gedeeltelijk in indirect beheer wordt uitgevoerd, is artikel 60 van toepassing.
Wanneer een Interreg-programma van component 3 geheel of gedeeltelijk in indirect beheer wordt uitgevoerd, is voorafgaande overeenstemming tussen de betrokken lidstaten en regio's vereist en is artikel 60 van toepassing.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Gezamenlijke oproepen tot het indienen van voorstellen om financiering uit bilaterale of meerlandenprogramma's in het kader van NDICI en Europese territoriale samenwerking beschikbaar te stellen, kunnen bekendgemaakt worden indien de respectieve beheersautoriteiten daarmee instemmen. In de oproep wordt de geografische reikwijdte en de verwachte bijdrage ervan aan de doelstellingen van de respectieve programma's gespecificeerd. De beheersautoriteiten besluiten of de regels in het kader van NDICI, dan wel de regels in het kader van Europese territoriale samenwerking van toepassing zijn op de oproep. Zij kunnen besluiten een eerstverantwoordelijke beheersautoriteit aan te wijzen die verantwoordelijk is voor de beheers- en controletaken die verband houden met de oproep.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 3
3.  Wanneer de selectie van één of meer grote infrastructuurprojecten op de agenda staat van een toezichtcomité of, indien van toepassing, een directiecomité, zendt de beheersautoriteit uiterlijk twee maanden vóór de datum van de vergadering een conceptnota voor elk van deze projecten aan de Commissie. De conceptnota telt maximaal drie bladzijden en bevat de naam, de locatie, de begroting, de eerstverantwoordelijke partner en de overige partners, alsmede de belangrijkste doelstellingen en verwachte prestaties daarvan. Als de conceptnota met betrekking tot een of meer grote infrastructuurprojecten niet binnen de vastgestelde termijn aan de Commissie is toegezonden, kan de Commissie verlangen dat de voorzitter van het toezichtcomité of het directiecomité de betrokken projecten van de agenda van de vergadering schrapt.
3.  Wanneer de selectie van één of meer grote infrastructuurprojecten op de agenda staat van een toezichtcomité of, indien van toepassing, een directiecomité, zendt de beheersautoriteit uiterlijk twee maanden vóór de datum van de vergadering een conceptnota voor elk van deze projecten aan de Commissie. De conceptnota telt maximaal vijf bladzijden en bevat de naam, de locatie, de begroting, de eerstverantwoordelijke partner en de overige partners, alsmede de belangrijkste doelstellingen en verwachte prestaties daarvan, en bevat een geloofwaardig bedrijfsplan waaruit blijkt dat voortzetting van het project of de projecten ook zonder de verstrekking van middelen uit de Interreg-fondsen mogelijk is. Als de conceptnota met betrekking tot een of meer grote infrastructuurprojecten niet binnen de vastgestelde termijn aan de Commissie is toegezonden, kan de Commissie verlangen dat de voorzitter van het toezichtcomité of het directiecomité de betrokken projecten van de agenda van de vergadering schrapt.
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 60 – lid 1
1.  Indien een Interreg-programma van component 3 gedeeltelijk of geheel in indirect beheer wordt uitgevoerd overeenkomstig respectievelijk artikel 53, lid 3, onder b), of artikel 53, lid 3, onder c), worden de uitvoeringstaken toevertrouwd aan een van de instanties die zijn vermeld in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus], met name aan een dergelijke instantie die gevestigd is in de deelnemende lidstaat, met inbegrip van de beheersautoriteit van het betrokken Interreg-programma.
1.  Indien na raadpleging van de belanghebbenden een Interreg-programma van component 3 gedeeltelijk of geheel in indirect beheer wordt uitgevoerd overeenkomstig respectievelijk artikel 53, lid 3, onder b), of artikel 53, lid 3, onder c), van deze verordening, worden de uitvoeringstaken toevertrouwd aan een van de instanties die zijn vermeld in [artikel 62, lid 1, eerste alinea, onder c),] van Verordening (EU, Euratom) [FR-Omnibus], met name aan een dergelijke instantie die gevestigd is in de deelnemende lidstaat, met inbegrip van de beheersautoriteit van het betrokken Interreg-programma.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 61
Artikel 61
Schrappen
Investeringen in interregionale innovatie
Op initiatief van de Commissie kan het EFRO steun verlenen aan investeringen in interregionale innovatie, zoals omschreven in artikel 3, lid 5, waarbij onderzoekers, bedrijven, het maatschappelijk middenveld en overheden samen worden gebracht die betrokken zijn bij op nationaal of regionaal niveau vastgestelde strategieën voor slimme specialisatie.
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel -61 bis (nieuw)
Artikel -61 bis
Vrijstelling van aanmeldingsverplichting overeenkomstig artikel 108, lid 3, VWEU
De Commissie kan verklaren dat steun voor projecten voor Europese territoriale samenwerking die door de EU worden ondersteund, verenigbaar is met de interne markt en niet onderworpen is aan de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, VWEU.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0470/2018).


Verdeling van de in de WTO-lijst van de Unie opgenomen tariefcontingenten na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU ***I
PDF 128kWORD 51k
Resolutie
Tekst
Bijlage
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de verdeling van de in de WTO-lijst van de Unie opgenomen tariefcontingenten na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 32/2000 van de Raad (COM(2018)0312 – C8-0202/2018 – 2018/0158(COD))
P8_TA(2019)0022A8-0361/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0312),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0202/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 7 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0361/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan zijn verklaring die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd en die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

3.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd en die samen met de definitieve wetgevingstekst in de L-reeks van het Publicatieblad van de Europese Unie zal worden bekendgemaakt;

4.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 januari 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de verdeling van de in de WTO-lijst van de Unie opgenomen tariefcontingenten na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 32/2000 van de Raad

(Aangezien het Parlement en de Raad tot overeenstemming zijn geraakt, komt het standpunt van het Parlement overeen met de definitieve rechtshandeling: Verordening (EU) 2019/216.)

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement

Het Europees Parlement hecht er groot belang aan dat het tijdens de voorbereiding van gedelegeerde handelingen volledig op de hoogte wordt gehouden, en wijst met name op punt 28 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, dat bepaalt dat het Europees Parlement en de Raad, om te zorgen voor gelijke toegang tot alle informatie, alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten ontvangen.

Verklaring van de Commissie

De Commissie neemt de beginselen van betere regelgeving en de verbintenissen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven volledig in acht. Zij zal daarom trachten zo spoedig mogelijk een wetgevingsvoorstel bij de Raad en het Europees Parlement in te dienen om Verordening (EG) nr. 32/2000 van de Raad in overeenstemming te brengen met het door het Verdrag van Lissabon ingevoerde rechtskader.


Toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden
PDF 208kWORD 77k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over de toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (2018/2153(INI))
P8_TA(2019)0023A8-0475/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit van 6 februari 2018 over de instelling, bevoegdheden, aantal leden en ambtstermijn van de Bijzondere Commissie toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden(1),

–  gezien artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het zevende algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020(2),

–  gezien het Verdrag van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN-ECE) betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (het Verdrag van Aarhus),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG(3) van de Raad ("de verordening"),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006(5),

–  gezien Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu en, met betrekking tot inspraak van het publiek en toegang tot de rechter, tot wijziging van de Richtlijnen 85/337/EEG en 96/61/EG van de Raad(6),

–  gezien Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(7),

–  gezien Verordening (EU) nr. 546/2011 van de Commissie van 10 juni 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat uniforme beginselen voor de evaluatie en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen betreft(8),

–  gezien Verordening (EU) nr. 283/2013 van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de gegevensvereisten voor werkzame stoffen(9),

–  gezien Verordening (EU) nr. 284/2013 van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de gegevensvereisten voor gewasbeschermingsmiddelen(10),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1056 van de Commissie van 29 juni 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de goedkeuringsperiode van de werkzame stof glyfosaat(11) en Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1313 van de Commissie van 1 augustus 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat(12),

–  gezien Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2324 van de Commissie van 12 december 2017 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie(13),

–  gezien zijn resoluties van 13 april 2016(14) en 24 oktober 2017(15) over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011,

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico(16),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over de bevordering van innovatie en economische ontwikkeling in het toekomstige Europese landbouwbeheer(17),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over technologische oplossingen voor duurzame landbouw in de EU(18),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(19),

–  gezien de in april 2018 door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement gepubliceerde beoordeling van de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en de relevante bijlagen bij die beoordeling,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 november 2016 in zaak C-442/14, Bayer CropScience SA-NV en Stichting De Bijenstichting tegen College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden(20),

–  gezien het besluit van de Europese Ombudsman van 18 februari 2016 in zaak 12/2013/MDC betreffende het handelen van de Commissie ten aanzien van de toelating en het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (pesticiden),

–  gezien de op 20 maart 2015 gepubliceerde studie "IARC Monographs Volume 112: evaluation of five organophosphate insecticides and herbicides",

–  gezien de door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) gepubliceerde artikelen van respectievelijk 12 november 2015 en 7 september 2017, "Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance glyphosate"(21) en "Peer review of the pesticide risk assessment of the potential endocrine disrupting properties of glyphosate"(22),

–  gezien het advies van het Comité risicobeoordeling (RAC) van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) over de indeling van glyfosaat van 15 maart 2017,

–  gezien wetenschappelijk advies 5/2018 van juni 2018 inzake het mechanisme voor wetenschappelijk advies over de EU-toelatingsprocedures voor gewasbeschermingsmiddelen(23),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden (COM(2017)0109),

–  gezien het door de deskundigengroep over duurzame gewasbescherming opgestelde en op 28 juni 2016 door de Raad bekrachtigde uitvoeringsplan om de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico te vergroten en de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming in de lidstaten te versnellen,

–  gezien het verslag van de speciale rapporteur van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties voor het recht op voedsel, dat op 24 januari 2017 werd gepubliceerd en handelde over het wereldwijde gebruik van pesticiden in de landbouw en de gevolgen daarvan voor de mensenrechten,

–  gezien artikel 13 VWEU, waarin is bepaald dat de Unie en de lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie, in het bijzonder op het gebied van de interne markt, ten volle rekening moeten houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel,

–  gezien Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 betreffende de bescherming van dieren die voor wetenschappelijke doeleinden worden gebruikt(24),

–  gezien de speciale Eurobarometer-enquête nr. 442 van maart 2016, waaruit blijkt dat 89 % van de EU-burgers van mening is dat de EU meer zou moeten doen om het belang van het dierenwelzijn internationaal onder de aandacht te brengen en dat 90 % van de EU-burgers het belangrijk vindt dat er strenge normen inzake dierenwelzijn worden vastgesteld,

–  gezien de talrijke verzoekschriften die bij het Europees Parlement worden ingediend door bezorgde burgers die hun recht uit hoofde van de artikelen 24 en 227 VWEU en artikel 44 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie uitoefenen, en waarin wordt gepleit voor het uitbannen van dierproeven in Europa en voor het vaststellen van internationale normen inzake dierenwelzijn,

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen (COM(2018)0179)(25),

–  gezien het feit dat de Commissie momenteel bezig is met een Refit-evaluatie van Verordening (EG) nr. 1107/2009,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (A8-0475/2018),

Algemene overwegingen

A.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1107/2009 ("de verordening") tot doel heeft "een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen en de werking van de interne markt te verbeteren door de regels voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, te harmoniseren en tegelijkertijd de landbouwproductie te verbeteren";

B.  overwegende dat de EU-toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen tot de strengste ter wereld behoort; overwegende dat de Bijzondere Commissie toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden (PEST) zich, naar aanleiding van de vraagtekens die diverse belanghebbenden bij de beoordeling van glyfosaat hadden geplaatst, tot taak heeft gesteld gebieden vast te stellen waarop de EU-toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen verder kan worden verbeterd en de aanbevelingen te doen die zij nodig acht om een hoog niveau van bescherming te waarborgen van de gezondheid van mens en dier en van het milieu;

C.  overwegende dat het voorzorgsbeginsel een overkoepelend beginsel van het Uniebeleid is, zoals bepaald in artikel 191 VWEU; overwegende dat de verordening volgens artikel 1, lid 4, ervan, op het voorzorgsbeginsel stoelt; overwegende dat de risicobeheersingsbeslissing waarin artikel 13, lid 2, van de verordening voorziet, in overeenstemming moet zijn met de voorwaarden van het voorzorgsbeginsel zoals bepaald in artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002; overwegende dat in artikel 7, lid 2, van Verordening nr. 178/2002 is bepaald dat maatregelen die op basis van het voorzorgsbeginsel zijn vastgesteld, evenredig moeten zijn;

D.  overwegende dat diverse belanghebbenden vraagtekens hebben geplaatst bij de beoordeling van glyfosaat, en dat er met name aan wordt getwijfeld of er een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling heeft plaatsgevonden en of de indelingscriteria van Verordening (EG) nr. 1272/2008 correct zijn toegepast, de toepasselijke richtsnoeren op de juiste wijze zijn gebruikt en het voorzorgsbeginsel naar behoren is toegepast;

E.  overwegende dat een gewasbeschermingsmiddel, krachtens artikel 4, lid 3, van de verordening, na gebruik volgens goede gewasbeschermingspraktijken in normale realistische gebruiksomstandigheden, onder meer geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect mag hebben op de gezondheid van de mens, met name op die van kwetsbare bevolkingsgroepen, en geen onaanvaardbare effecten mag hebben op het milieu;

F.  overwegende dat de evaluatie van de tenuitvoerlegging van de verordening heeft aangetoond dat de doelstellingen betreffende de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu niet ten volle worden verwezenlijkt en dat er verbeteringen kunnen worden aangebracht teneinde alle doelstellingen van de verordening te behalen;

G.  overwegende dat het van het grootste belang is dat de verordening in alle lidstaten volledig ten uitvoer wordt gelegd;

H.  overwegende dat het werk van de bevoegde nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de goedkeurings- en toelatingsprocedures vaak vertragingen oploopt; overwegende dat is vastgesteld dat de bevoegde nationale autoriteiten die betrokken zijn bij de goedkeurings- en toelatingsprocedure, in sommige gevallen over te weinig personele en financiële middelen beschikken; overwegende dat niet alleen het probleem van vertragingen bij de beoordelingswerkzaamheden maar ook het gebrek aan middelen mogelijk gevolgen heeft voor de kwaliteit van de beoordelingen, voor zowel werkzame stoffen als gewasbeschermingsmiddelen;

I.  overwegende dat de onafhankelijkheid van de risicobeoordeling de basis vormt voor het vertrouwen in de verordening en de levensmiddelenwetgeving van de Unie;

J.  overwegende dat het besluitvormingsproces in alle stadia van de procedure te weinig transparant is gebleken, van het gebrek aan openbaarheid van de volledige studies en ruwe gegevens tot het risicobeheer;

K.  overwegende dat het recht op toegang tot de documenten van de EU-instellingen, met inbegrip van EU-agentschappen, belangrijk is en dat uitzonderingen hierop dan ook strikt moeten worden uitgelegd; voorts overwegende dat in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is neergelegd dat transparantie en toegang tot documenten ertoe bijdragen dat de EU-agentschappen meer legitimiteit genieten in de ogen van de burger en dat zij meer verantwoording afleggen aan de burger binnen een democratisch systeem(26);

L.  overwegende dat Verordening (EU) nr. 283/2013 van de Commissie tot vaststelling van de gegevensvereisten voor werkzame stoffen regelmatig moet worden geactualiseerd om aan te sluiten bij de actuele wetenschappelijke en technische kennis; overwegende dat de mededeling van de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 283/2013 van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de gegevensvereisten voor werkzame stoffen(27) de meest uitgebreide bron van (test)richtsnoeren vormt, hoewel verschillende van de vermelde documenten mogelijk verouderd zijn en moeten worden geactualiseerd; overwegende dat de methoden die voor de wetenschappelijke beoordeling van werkzame stoffen worden gebruikt, in de vorm van de door de EFSA en de lidstaten gehanteerde richtsnoeren, niet altijd overeenstemmen met de huidige stand van de wetenschappelijke en technische kennis zoals voorgeschreven bij artikel 4 van de verordening; overwegende dat sommige belangrijke tests geen deel uitmaken van de risicobeoordeling of dat recente wetenschappelijke methoden ontbreken (zoals het geval is bij recente ecotoxicologische tests voor bodemorganismen en bij de beoordeling van de concentratie in het milieu en de residuen in stof, wind, lucht en water);

M.  overwegende dat de geactualiseerde richtsnoeren inzake bijen waarop de EFSA zich in haar recente beoordeling van drie neonicotinoïden baseert, nog niet formeel zijn goedgekeurd; overwegende dat de richtsnoeren inzake bodemorganismen die de EFSA op dit ogenblik hanteert, van 2002 dateren;

N.  overwegende dat in gewone richtsnoeren de wettelijke vereisten in praktische stappen worden omgezet en wordt uitgelegd wat er moet gebeuren, terwijl in testrichtsnoeren wordt gespecificeerd welke testprotocollen er bij het genereren van gegevens moeten worden gevolgd en wordt uitgelegd hoe de tests moeten worden uitgevoerd;

O.  overwegende dat het wijdverbreide en onnodige preventieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen reden tot zorg is;

P.  overwegende dat uitdroging door middel van gewasbeschermingsmiddelen (d.w.z. de behandeling van de eigenlijke gewasaanplant vóór de oogst, om de rijping te versnellen en de oogst te vergemakkelijken) niet wenselijk is;

Q.  overwegende dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen mensen worden gebruikt, ongepast is;

R.  overwegende dat de EU, volgens gegevens van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO), in 2016 368 588 ton pesticiden heeft gebruikt, een hoeveelheid die goed is voor 11,8 % van het verbruik wereldwijd;

S.  overwegende dat het gebruik van pesticiden in de EU sinds 2009 een opwaartse trend vertoont; overwegende dat de verschillen tussen de lidstaten evenwel groot zijn, variërend van een sterke toename tot een forse afname van het gebruik van pesticiden; overwegende dat de totale, in 16 EU-lidstaten verkochte hoeveelheid werkzame stoffen in pesticiden tussen 2011 en 2016 met 1,6 % is toegenomen;

T.  overwegende dat in de periode tot en met 2018 493 werkzame en basisstoffen zijn goedgekeurd;

U.  overwegende dat in het verslag van de Commissie over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1185/2009 wordt gewezen op de tekortkomingen van statistieken over pesticiden en het gebrek aan kennis over het gebruik van specifieke werkzame stoffen;

V.  overwegende dat uit het verslag inzake pesticideresiduen in voedsel in de Europese Unie in 2016(28), dat in 2018 door de EFSA werd gepubliceerd, naar voren kwam dat 96,2 % van de monsters binnen de door de EU-wetgeving toegestane limieten viel;

W.  overwegende dat het algemene publiek onvoldoende weet heeft van gevaren en risico's, en over onvoldoende kennis beschikt om in te schatten welke gevaren en risico's wel of niet aanvaardbaar zijn en in welke mate de maximumresidugehalten in Europa worden nageleefd;

X.  overwegende dat bij het nemen van besluiten over de toelating van nieuw ontwikkelde werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen steevast sprake is van onzekerheid met betrekking tot de stoffen en middelen in kwestie; overwegende dat na het verlenen van de toelating sprake is van een gebrek aan toezicht; overwegende dat er geen gegevens zijn over de precieze mate waarin gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, over de tenuitvoerlegging en doeltreffendheid van mitigatiemaatregelen en over de eventuele schadelijke gevolgen voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu;

Y.  overwegende dat er onvoldoende gegevens zijn over de effecten van werkzame stoffen, beschermstoffen, synergisten en formuleringshulpstoffen en hun metabolieten in de praktijk, alsook over formuleringen en mengsels van middelen; overwegende dat de volledige impact van pesticiden op de gezondheid van mens en dier en op het milieu daarom nog niet precies bekend is;

Z.  overwegende dat het proefproject inzake milieumonitoring van het gebruik van pesticiden met behulp van honingbijen nog niet ten uitvoer is gelegd, ondanks de opneming ervan in de begroting van de Unie voor de boekjaren 2017 en 2018;

AA.  overwegende dat de productie en het gebruik van chemische stoffen op manieren die leiden tot de minimalisering van significante negatieve gevolgen voor de volksgezondheid en het milieu een van de doelstellingen is van het zevende algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020; voorts overwegende dat er nog steeds grote onzekerheid bestaat over de totale gecombineerde effecten van verschillende chemische stoffen op de menselijke gezondheid en het milieu;

AB.  overwegende dat in artikel 4, lid 3, van de verordening betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen is bepaald dat gewasbeschermingsmiddelen "geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid van de mens [mogen hebben,] rekening houdend met bekende cumulatieve en synergistische effecten"; overwegende dat in Verordening (EG) nr. 396/2005 is bepaald dat "bekende cumulatieve en elkaar versterkende gevolgen" moeten worden meegewogen "indien methoden beschikbaar zijn om deze gevolgen te evalueren";

AC.  overwegende dat dergelijke methoden inmiddels beschikbaar zijn en een proefbeoordeling van de cumulatieve gevolgen van de blootstelling aan pesticiden in levensmiddelen voor de schildklier en het zenuwstelsel van de mens naar verwachting eind 2019 door de EFSA zal worden afgerond;

AD.  overwegende dat het op dit ogenblik niet wettelijk verplicht is om werkzame stoffen te testen op hun ontwikkelingsneurotoxiciteit (DNT), die bijvoorbeeld autisme, ADHD (Attention Deficit Hyperactivity Disorder) en dyslexie tot gevolg kan hebben; overwegende dat er ontwikkelingsstudies en neurotoxiciteitsstudies nodig zijn, die aanleiding kunnen geven tot ad-hocvervolgstudies naar specifieke punten van zorg; overwegende dat de EFSA momenteel bezig is met een project om niet-dierlijke alternatieven te ontwikkelen voor het screenen op DNT-effecten;

AE.  overwegende dat er bezorgdheid bestaat dat de toepassing van de verordening, voor wat betreft het gebruik van dierproeven om gevaren en risico's in kaart te brengen, niet in overeenstemming is met de drie V's (de beginselen van vervanging, vermindering en verfijning) van Richtlijn 2010/63/EU betreffende dierproeven, aangezien de Verordeningen (EU) nr. 283/2013 en (EU) nr. 284/2013 van de Commissie, evenals daarmee verband houdende richtsnoeren, sedert de vaststelling ervan niet zijn geactualiseerd, hoewel er gevalideerde alternatieve tests en technologieën voorhanden zijn;

AF.  overwegende dat voor het testen van de gevolgen voor de menselijke gezondheid dierproeven worden ingezet, die niet noodzakelijkerwijs nauwkeurige voorspellingen opleveren voor reacties bij de mens;

AG.  overwegende dat meer vaart moet worden gezet achter de ontwikkeling en validatie van nieuwe, diervrije methoden die informatie opleveren over de onderliggende mechanismen van toxiciteit voor de mens, met inbegrip van scenario's met schadelijke gevolgen voor de mens;

AH.  overwegende dat tal van landbouwproducten uit derde landen, als het aankomt op de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een lager beschermingsniveau hebben voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu; overwegende dat het belangrijk is om ervoor te zorgen dat het Europese beschermingsniveau niet te lijden heeft onder de invoer van landbouwproducten;

AI.  overwegende dat in de Unie illegaal ingevoerde gewasbeschermingsmiddelen in omloop en gebruik zijn die een potentiële bedreiging vormen voor de volksgezondheid, en oneerlijke concurrentie inhouden voor gewasbeschermingsmiddelen die zijn onderworpen aan de toelatingsprocedure overeenkomstig de huidige Uniewetgeving;

Aanvragen tot goedkeuring van werkzame stoffen

AJ.  overwegende dat diverse belanghebbenden, als het gaat om transparantie en het vermijden van belangenconflicten, vraagtekens hebben geplaatst bij het recht van de aanvrager om bij de eerste aanvraag tot goedkeuring van een werkzame stof de lidstaat-rapporteur te kiezen;

AK.  overwegende dat het diverse belanghebbenden daarnaast zorgen baart, in termen van transparantie en het vermijden van belangenconflicten, dat de door de Commissie met de verlenging van een beoordelingsverslag belaste lidstaat-rapporteur dezelfde kan zijn als de lidstaat-rapporteur die eerder het ontwerp-beoordelingsverslag heeft opgesteld;

AL.  overwegende dat sinds de inwerkingtreding van de verordening slechts elf van de 28 lidstaten door aanvragers tot lidstaat-rapporteur voor nieuwe werkzame stoffen zijn verkozen, waaruit blijkt dat er aanzienlijke onderlinge verschillen zijn voor wat betreft expertise en personele middelen;

AM.  overwegende dat Frankrijk, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk ongeveer 80 % van de dossiers hebben afgehandeld; overwegende dat de brexit een zware wissel zal trekken op de werkdruk van de overige lidstaten;

AN.  overwegende dat in artikel 8, lid 1, van de verordening is bepaald dat de aanvrager een beknopt dossier moet overleggen, met onder meer de samenvattingen en resultaten van tests en studies voor elk punt van de vereiste gegevens, met inbegrip van een beoordeling van alle verstrekte informatie;

AO.  overwegende dat diverse belanghebbenden bedenkingen naar voren hebben gebracht over de bij wet vastgestelde beoordelingsaanpak en in het bijzonder over wie er verantwoordelijk is voor het verstrekken van wetenschappelijke studies en bewijs in het kader van de beoordeling van werkzame stoffen, wie collegiaal getoetste wetenschappelijke literatuur dient te verstrekken en wie de studies dient te beoordelen;

AP.  overwegende dat in artikel 8, lid 5, van de verordening is voorgeschreven dat het aanvraagdossier vergezeld moet gaan van collegiaal getoetste wetenschappelijke open literatuur over de werkzame stof en de relevante metabolieten;

AQ.  overwegende dat voor nieuwe werkzame stoffen doorgaans alleen gegevens uit door de aanvrager verrichte wettelijk voorgeschreven studies voorhanden zijn;

AR.  overwegende dat de risicobeoordeling op al het beschikbare wetenschappelijke bewijs moet zijn gebaseerd; overwegende dat collegiaal getoetste wetenschappelijke open literatuur belangrijke informatie verschaft in aanvulling op de door aanvragers verstrekte studies op basis van goede laboratoriumpraktijken (GLP), en bevindingen kan omvatten waarmee beoordelaars attent worden gemaakt op schadelijke gevolgen die niet naar voren komen tijdens standaardtests;

AS.  overwegende dat de GLP-beginselen door de OESO zijn ontwikkeld om ervoor te zorgen dat studies volgens de voorschriften en aan de hand van een bepaalde testmethode worden uitgevoerd, zodat frauduleuze praktijken worden voorkomen; overwegende dat de EU deze beginselen heeft overgenomen in Richtlijn 2004/10/EG, waarin is bepaald dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat laboratoria die onderzoek doen naar de veiligheid van chemische stoffen zowel voldoen aan de GLP-beginselen van de OESO als aan Richtlijn 2004/9/EG, die de lidstaten ertoe verplicht op hun grondgebied de instanties voor de uitvoering van de controle op de naleving van de GLP aan te wijzen;

AT.  overwegende dat alle lidstaten, zoals in 2015 door de Commissie werd gerapporteerd, de GLP-richtlijnen hebben omgezet en functionele nationale programma's voor toezicht op GLP-naleving hebben opgezet;

AU.  overwegende dat de testrichtsnoeren van de OESO de reproduceerbaarheid, samenhang en uniformiteit van onderzoek waarborgen, toezichthoudende instanties in staat stellen de kwaliteit en relevantie van studies te beoordelen, de methodologische validiteit van studies te garanderen en de wederzijdse aanvaarding van gegevens door de lidstaten te vergemakkelijken;

Ontwerpbeoordeling door de lidstaat-rapporteur

AV.  overwegende dat in artikel 11, lid 2, van de verordening is bepaald dat de lidstaat-rapporteur op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling uitvoert;

AW.  overwegende dat is vastgesteld dat de diverse lidstaten die als lidstaat-rapporteur optreden uiteenlopende praktijken hanteren ten aanzien van verwijzingen naar de samenvattingen van collegiaal getoetste literatuur van de aanvrager; overwegende dat het een grondregel is dat verklaringen die van anderen afkomstig zijn in wetenschappelijke werken duidelijk worden aangeduid, door middel van aanhalingstekens;

AX.  overwegende dat het Parlement op de hoogte is van het debat over het literatuuronderzoek in het risicobeoordelingsverslag over glyfosaat van het Duitse Bundesinstitut für Risikobewertung (BfR); overwegende dat diverse belanghebbenden hun zorgen hebben uitgesproken over het feit dat belangrijke elementen van de risicobeoordeling over glyfosaat zijn overgenomen uit de aanvraag, zonder dat duidelijk is aangegeven dat het om verwijzingen gaat;

EFSA-advies over ontwerp-beoordelingsverslagen en classificatie van de werkzame stoffen door het ECHA

AY.  overwegende dat de geloofwaardigheid van het systeem van de Unie voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen sterk afhangt van het publieke vertrouwen in de EFSA, de autoriteit die de wetenschappelijke adviezen verstrekt welke de basis vormen voor besluiten inzake voedselveiligheid in Europa; overwegende dat het tanende vertrouwen van de bevolking in de EFSA zorgwekkend is;

AZ.  overwegende dat circa twee derde van de nationale deskundigen die voor de EFSA werken, uit slechts zes lidstaten afkomstig is;

BA.  overwegende dat volgens artikel 4, lid 1, tweede alinea, van de verordening bij de beoordeling van de werkzame stof eerst moet worden vastgesteld of aan de goedkeuringscriteria van bijlage II, punten 3.6.2 tot en met 3.6.4 en punt 3.7 (de zogenaamde "uitsluitingscriteria") is voldaan; overwegende dat een van deze uitsluitingscriteria betrekking heeft op de classificatie van een stof als kankerverwekkend (categorie 1A of 1B) overeenkomstig de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

BB.  overwegende dat het Internationaal Agentschap voor Onderzoek naar Kanker (IAK) glyfosaat heeft geclassificeerd als waarschijnlijk kankerverwekkend voor de mens (groep 2A) aan de hand van zijn nomenclatuur (equivalent aan categorie 1B in Verordening (EG) nr. 1272/2008); overwegende dat de Europese agentschappen die verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van wetenschappelijke beoordelingen voor EU-beslissingen inzake risicobeheer, de EFSA en het ECHA, nadat zij alle beschikbare informatie hadden beoordeeld, met inbegrip van de beoordeling van het IAK, tot de slotsom kwamen dat deze classificatie niet gerechtvaardigd was uit hoofde van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

BC.  overwegende dat het IAK zich bij zijn conclusie, overeenkomstig zijn werkingsprincipes, liet leiden door gepubliceerde literatuur en dat de EFSA en het ECHA zich voor de kern van hun evaluatie tevens beriepen op niet-gepubliceerde, door de aanvrager voorgelegde studies overeenkomstig artikel 8 van de verordening;

BD.  overwegende dat diverse andere bevoegde autoriteiten in landen als de VS, Canada, Nieuw Zeeland, Australië en Japan nadien nieuwe beoordelingen van glyfosaat hebben afgerond en tot de conclusie zijn gekomen dat de stof niet kankerverwekkend is; overwegende dat glyfosaat nog wordt beoordeeld door het Amerikaanse Bureau voor milieubescherming, dat in zijn ontwerpbeoordeling van de milieurisico's duidelijk heeft vermeld dat er mogelijke gevolgen kunnen zijn voor vogels, zoogdieren en terrestrische en aquatische planten;

BE.  overwegende dat de EU-classificatie, zoals blijkt uit een in 2017 door de EFSA uitgevoerd vergelijkend onderzoek naar 54 pesticiden die volgens het systeem van de EU en het systeem van het IAK waren beoordeeld, in 14 gevallen conservatiever (en daarmee strenger) was dan die van het IAK, in elf gevallen (glyfosaat en tien andere werkzame stoffen) minder streng, en in 29 gevallen vergelijkbaar;

BF.  overwegende dat diverse belanghebbenden de adviezen van de EFSA en het ECHA om glyfosaat niet als kankerverwekkend in te delen, in twijfel hebben getrokken;

BG.  overwegende dat het helaas niet mogelijk is gebleken deze zorgen weg te nemen binnen de Bijzondere Commissie;

BH.  overwegende dat de Commissie in oktober 2017 het Europese burgerinitiatief "Verbied glyfosaat en bescherm mens en milieu tegen giftige gewasbeschermingsmiddelen" ontvankelijk heeft verklaard; overwegende dat meer dan een miljoen burgers de Commissie hebben opgeroepen een verbod op het gebruik van glyfosaat voor te stellen aan de lidstaten, de goedkeuringsprocedure voor pesticiden te hervormen en verplichte streefdoelen op EU-niveau vast te stellen om het gebruik van pesticiden te beperken;

BI.  overwegende dat in de "Monsanto Papers", het recente arrest van het hooggerechtshof van de staat Californië in zaak Dewayne Johnson vs. Monsanto (zaak CGC-16-550128) en het daaropvolgende beroep de onafhankelijkheid van de evaluatieprocedure van glyfosaat in twijfel wordt getrokken en de vraag wordt gesteld in hoeverre belangenconflicten een rol kunnen hebben gespeeld;

Goedkeuring van werkzame stoffen door de Commissie

BJ.  overwegende dat in de verordening een termijn van zes maanden is vastgesteld waarbinnen de Commissie, op basis van de conclusies van de EFSA, met een ontwerpverordening moet komen;

BK.  overwegende dat het besluit tot verlenging van de goedkeuring van glyfosaat geen juridisch bindende risicobeperkende maatregelen op Unieniveau omvatte; overwegende dat de Commissie heeft besloten in de goedkeuringsvoorwaarden een specifieke aanbeveling aan te nemen, krachtens welke de lidstaten bij het verlenen van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die glyfosaat bevatten, bijzondere aandacht moeten schenken aan het risico voor gewervelde landdieren; overwegende dat bij nagenoeg alle vormen van gebruik van glyfosaat een hoog langetermijnrisico is vastgesteld voor gewervelde landdieren die geen doelsoort zijn, met inbegrip van zoogdieren en vogels;

BL.  overwegende dat het ECHA heeft geconcludeerd dat glyfosaat ernstig oogletsel veroorzaakt en giftig is voor in het water levende organismen, met langdurige gevolgen;

BM.  overwegende dat het niet duidelijk is onder welke omstandigheden de Commissie en de lidstaten een risico onaanvaardbaar achten voor het milieu;

BN.  overwegende dat de Commissie, gesteund door de lidstaten, werkzame stoffen goedkeurt waarvan de EFSA heeft vastgesteld dat deze een groot risico voor het milieu en de biodiversiteit inhouden, wat reden tot zorg is, aangezien een gewasbeschermingsmiddel volgens artikel 4, lid 3, onder e), van de verordening, geen onaanvaardbare effecten op het milieu mag hebben;

BO.  overwegende dat de Europese Ombudsman in haar besluit in zaak 12/2013/MDC van 18 februari 2016 heeft verklaard dat indiening van bevestigende informatie geen gegevensvereisten mag betreffen zoals die golden op het moment van indiening van het dossier in verband met de beoordeling van de gezondheidsrisico's en waarvoor adequate richtsnoeren beschikbaar waren;

BP.  overwegende dat bevestigende informatie in het algemeen niet onderworpen is aan dezelfde mate van wetenschappelijke toetsing of hetzelfde beoordelingsniveau als de gegevens die bij de oorspronkelijke aanvraag werden verstrekt, aangezien collegiale toetsing hierbij door de EFSA niet stelselmatig wordt toegepast; overwegende dat de Europese Ombudsman de Commissie in haar besluit van 2016 heeft gevraagd om te overwegen of alle bevestigende informatie voortaan stelselmatig moet worden onderworpen aan collegiale toetsing door de EFSA en of de richtsnoeren dienovereenkomstig moeten worden gewijzigd;

BQ.  overwegende dat uit het vervolgverslag van de Commissie van februari 2018 over de tien werkzame stoffen die in het kader van het onderzoek van de Ombudsman zijn onderzocht, kan worden opgemaakt dat de procedure betreffende bevestigende informatie ertoe heeft geleid dat twee werkzame stoffen, haloxyfop-P en malathion, voor langere tijd op de markt zijn gebleven, terwijl het gebruik ervan anders zou zijn ingeperkt;

BR.  overwegende dat het gebrek aan beschikbare gegevens over biologische bestrijdingsmiddelen met een laag risico hoofdzakelijk te wijten is aan het feit dat de gegevensvereisten zijn ontworpen voor chemische gewasbeschermingsmiddelen en derhalve niet geschikt zijn voor biologische middelen met een laag risico;

BS.  overwegende dat de Commissie, niettegenstaande de risico's die de EFSA in haar conclusies over werkzame stoffen heeft gesignaleerd, de risicobeperkende maatregelen vaak overlaat aan de lidstaten, hoewel de Commissie uit hoofde van de verordening bevoegd is deze op EU-niveau op te leggen; overwegende dat de Europese Ombudsman in haar besluit in zaak 12/2013/MDC deze gang van zaken heeft afgekeurd;

BT.  overwegende dat het wenselijk is dat de lidstaten, als het zorgen betreft die betrekking hebben op hun specifieke situatie, zelf beslissen over risicobeheersingsmaatregelen;

BU.  overwegende dat er onvoldoende gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico beschikbaar zijn; overwegende dat op een totaal van nagenoeg vijfhonderd op de EU-markt verkrijgbare werkzame stoffen slechts tien stoffen zijn goedgekeurd als gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico; overwegende dat de beperkte beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico de tenuitvoerlegging en ontwikkeling van geïntegreerde gewasbescherming bemoeilijkt; overwegende dat deze beperkte beschikbaarheid te wijten is aan de langdurige beoordelings-, toelatings- en registratieprocedure;

BV.  overwegende dat er tegenwoordig geavanceerde technieken zoals precisielandbouw en robotica kunnen worden gebruikt om de akkers nauwkeurig te controleren en onkruid of schadelijke insecten in een vroeg stadium te verwijderen; overwegende dat deze geavanceerde technieken in de Europese Unie nog in de kinderschoenen staan en door de Unie en de lidstaten moeten worden ondersteund;

Toelating van gewasbeschermingsmiddelen door de lidstaten

BW.  overwegende dat gewasbeschermingsmiddelen, voorafgaand aan de toelating ervan, grondig moeten worden beoordeeld op grond van de huidige wetenschappelijke en technische kennis; overwegende dat gebrek aan personele en/of financiële middelen ertoe kan leiden dat al te zeer wordt vertrouwd op de beoordeling in het kader van de goedkeuring van de werkzame stoffen in verband met de besluitvorming over gewasbeschermingsmiddelen;

BX.  overwegende dat bij de procedure voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen, en in het bijzonder de gegevensvereisten voor de risicobeoordeling, rekening moet worden gehouden met het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen in de praktijk;

BY.  overwegende dat bij het verlenen van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen bijzondere aandacht moet uitgaan naar het risico voor "kwetsbare groepen"; overwegende dat kwetsbare groepen in de verordening zijn gedefinieerd als mensen die specifieke aandacht behoeven als het gaat om de beoordeling van acute en chronische gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid; overwegende dat hiertoe zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen en kinderen en ouderen behoren, alsmede werknemers en bewoners die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden;

BZ.  overwegende dat in artikel 25 van de verordening is bepaald dat beschermstoffen en synergisten, om in de positieve lijst te worden opgenomen, aan dezelfde goedkeuringsprocedure moeten worden onderworpen als werkzame stoffen; overwegende dat de Commissie nog geen beschermstoffen of synergisten heeft goedgekeurd;

CA.  overwegende dat in artikel 27 van de verordening is bepaald dat de Commissie in bijlage III een negatieve lijst met onaanvaardbare formuleringshulpstoffen moet opnemen; overwegende dat de Commissie de negatieve lijst met onaanvaardbare formuleringshulpstoffen nog niet heeft vastgesteld, maar heeft aangegeven voornemens te zijn dit uiterlijk eind 2018 te doen; overwegende dat die vertraging onaanvaardbaar is gezien de gevolgen van de betreffende stoffen; overwegende dat bepaalde lidstaten zelf negatieve lijsten met onaanvaardbare formuleringshulpstoffen hebben opgesteld, bij ontstentenis van een dergelijke lijst op EU-niveau;

CB.  overwegende dat de afwezigheid van dergelijke EU-lijsten een grondige beoordeling van de risico's van gewasbeschermingsmiddelen bemoeilijkt;

CC.  overwegende dat er bedenkingen zijn gerezen over het systeem van zones en in het bijzonder over de vertragingen die zich tijdens de procedure voordoen en de frequentie waarmee aanvragen, in verband met wederzijdse erkenning, geheel of gedeeltelijk opnieuw worden beoordeeld vanwege de uiteenlopende nationale eisen die aan de beoordelingsmodellen van lidstaten in dezelfde zone worden gesteld; overwegende dat de procedure inzake wederzijdse erkenning door de lidstaten tot doel had de procedures te vereenvoudigen en het onderlinge vertrouwen te vergroten; overwegende dat de toepassing van de procedure voor wederzijdse erkenning van belang is voor de werking van de interne markt en als een belangrijk instrument wordt beschouwd om het verdelen van taken te bevorderen, de inachtneming van termijnen te waarborgen en gebruikers tegelijkertijd te verzekeren van optimale bescherming;

CD.  overwegende dat de Commissie op dit ogenblik aan een IT-systeem werkt, te weten het beheersysteem voor toelatingsaanvragen voor gewasbeschermingsmiddelen (Plant Protection Products Application Management System – PPPAMS), dat openbaar toegankelijk zal zijn en de werking van het systeem van wederzijdse erkenning ten goede zal komen;

CE.  overwegende dat het tot dusverre ontbreekt aan een overzicht van alle in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen, aangezien de lidstaten niet verplicht zijn om de Commissie stelselmatig op de hoogte te stellen van hun toelatingsbesluiten;

CF.  overwegende dat in Verordening (EU) nr. 283/2013 van de Commissie is bepaald dat er studies met betrekking tot toxiciteit bij langdurige blootstelling moeten worden uitgevoerd; overwegende dat Verordening (EU) nr. 284/2013 van de Commissie momenteel toxicologische studies vereist met betrekking tot de blootstelling van gebruikers, omstanders, omwonenden en werknemers, evenals verschillende langetermijn- en chronischetoxicologiestudies voor dieren en studies over het lot en het gedrag in bodem, water en lucht, met inbegrip van de route en de afbraak in de lucht en de verplaatsing via de lucht, maar geen studies met betrekking tot de toxiciteit van gewasbeschermingsmiddelen bij langdurige blootstelling;

CG.  overwegende dat de lidstaten bezig zijn met het opzetten van een vergelijkende beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen die stoffen bevatten die voor vervanging in aanmerking komen; overweging dat dergelijke middelen uiteindelijk moeten worden vervangen door veiliger gewasbeschermingsmiddelen en niet-chemische methoden zoals gespecificeerd in Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(29);

CH.  overwegende dat in recente verslagen wordt gewezen op een aanzienlijke afname van de biodiversiteit met betrekking tot vogels en insecten, met name bijen en andere bestuivers; overwegende dat over de afgelopen 27 jaar een afname van meer dan 75 % van de totale hoeveelheid biomassa aan vliegende insecten is waargenomen(30); overwegende dat de intensivering van de landbouw (zoals het hele jaar door bewerken van de grond, het gebruik van pesticiden, de toename van het gebruik van kunstmest en de frequentie van agronomische maatregelen), die niet was meegenomen in deze analyse, hiervoor een geloofwaardige verklaring zou kunnen vormen; overwegende dat de intensivering van de landbouw in verband is gebracht met een algehele afname van de biodiversiteit met betrekking tot planten, insecten, vogels en andere soorten; overwegende dat biodiversiteit en robuuste ecosystemen, met name bijen en andere bestuivende insecten, van fundamenteel belang zijn voor het waarborgen van een gezonde, duurzame landbouwsector;

CI.  overwegende dat het verbod op alle buitentoepassingen van drie neonicotinoïden (imidacloprid, clothianidin en thiamethoxam) wordt toegejuicht; overwegende dat het verbod op deze neonicotinoïden niet mag worden afgezwakt door onterechte afwijkingen van artikel 53;

CJ.  overwegende dat het gebruik van andere systemische gewasbeschermingsmiddelen, ook voor de behandeling van zaad, zoveel mogelijk moet worden beperkt als deze een gevaar inhouden voor de volksgezondheid en het milieu;

CK.  overwegende dat binnen de EU in toenemende mate noodtoelatingen worden gebruikt en verleend overeenkomstig artikel 53, lid 2, van de verordening; overwegende dat sommige lidstaten aanmerkelijk meer gebruikmaken van artikel 53 dan andere; overwegende dat de EFSA in een recente beoordeling van de noodtoelatingen van drie neonicotinoïden tot de slotsom kwam dat deze toelatingen in een aantal gevallen aan de bepalingen van de wetgeving voldeden maar in andere gevallen niet;

CL.  overwegende dat de systematische vertragingen die zich tijdens de toelatingsprocedure voordoen, ook een toename van het aantal noodtoelatingen tot gevolg kunnen hebben; overwegende dat het noch haalbaar noch wenselijk is om, in bijzondere gevallen die geen echte noodgevallen zijn, een beroep te doen op artikel 53 voor kleine toepassingen; overwegende dat de EFSA een onderzoek moet instellen naar de gevolgen van vervanging en de beschikbaarheid van niet-chemische methoden;

CM.  overwegende dat de aandacht in het bijzonder moet uitgaan naar gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen, aangezien er voor bedrijven momenteel weinig economische stimulans is om dergelijke middelen te ontwikkelen;

CN.  overwegende dat de Commissie sedert de inwerkingtreding van de verordening slechts eenmaal gebruikgemaakt heeft van de mogelijkheid om, overeenkomstig artikel 53, lid 2, advies in te winnen bij de EFSA;

Algemene opmerkingen

1.  is van oordeel dat, hoewel het systeem van de EU een van de strengste ter wereld is, zowel de verordening als zodanig als de uitvoering ervan verbetering behoeft om het beoogde doel te kunnen bereiken;

2.  stelt vast dat de Commissie momenteel bezig is met een Refit-evaluatie van de verordening;

3.  onderstreept hoe belangrijk het is om de onafhankelijkheid, objectiviteit en transparantie van op wetenschappelijke deskundigheid gebaseerde beoordelingen van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen;

4.  vraagt de Commissie en de lidstaten om voldoende middelen en passende expertise beschikbaar te stellen voor het beoordelen van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen, en om de onafhankelijkheid, objectiviteit en transparantie van beoordelingen te waarborgen in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis;

5.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de op gevaren gebaseerde uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of werkzame stoffen die hormoonverstorende eigenschappen hebben, volledig en uniform worden toegepast;

6.  wenst dat de Commissie en de lidstaten, wanneer bij een beoordeling van beschikbare informatie de mogelijkheid van schadelijke gevolgen voor de gezondheid is geconstateerd, maar er nog wetenschappelijke onzekerheid heerst, in hun rol als risicomanagers het voorzorgsbeginsel naar behoren toepassen door de voorlopige risicobeheersmaatregelen te treffen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid;

7.  dringt er bij de Commissie op aan stelselmatig te berichten over de wijze waarop rekening is gehouden met dit beginsel en waarop het besluit inzake risicobeheersing is genomen;

8.  is ingenomen met de aanbeveling in het kader van het mechanisme voor wetenschappelijk advies dat de Commissie een bredere maatschappelijke discussie moet stimuleren om in de gehele EU tot een gedeelde visie op duurzame levensmiddelenproductie te komen waarin ook de rol van gewasbeschermingsmiddelen wordt meegenomen; is van mening dat hierbij rekening moet worden gehouden met factoren als onder meer de kwaliteit, veiligheid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van levensmiddelen voor de consument, een eerlijk inkomen uit en de duurzaamheid op lange termijn van de landbouwproductie, de klimaatverandering, alsook de risico's en voordelen op korte en lange termijn voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu in verband met verschillende scenario's voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, waaronder geïntegreerde gewasbescherming en een scenario op basis van nulgebruik;

9.  is van mening dat binnen het EU-systeem meer aandacht moet uitgaan naar het wijdverbreide en oneigenlijke preventieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de gevolgen ervan voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu, alsook naar de eventuele ontwikkeling van resistentie door het doelorganisme;

10.  benadrukt dat Richtlijn 2009/128/EG, en in het bijzonder de bepalingen inzake geïntegreerde gewasbescherming en passende opleiding van landbouwers op dit gebied, volledig ten uitvoer moeten worden gelegd vanwege het verband met het toelatingssysteem; wijst erop dat voor meer informatie kan worden verwezen naar de lopende werkzaamheden van het Parlement op dit gebied;

11.  roept de Commissie en de lidstaten op de samenhang te waarborgen tussen, enerzijds, de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in het kader van deze verordening en, anderzijds, het doel van Richtlijn 2009/128/EG;

12.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan niet langer werkzame stoffen of gewasbeschermingsmiddelen toe te laten die voor uitdroging worden gebruikt;

13.  wenst dat de Commissie en de lidstaten het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt, in de zin van artikel 12 van Richtlijn 2009/128/EG, niet langer toestaan;

14.  dringt er bij de Commissie op aan in de verordening specifieke maatregelen op te nemen voor de doeltreffende bescherming van kwetsbare groepen, teneinde onverwijld en zonder uitzondering een einde te maken aan het gebruik van pesticiden over lange afstanden, in de buurt van scholen, kinderdagverblijven, speeltuinen, ziekenhuizen, kraamklinieken en zorgtehuizen;

15.  roept de Commissie op het nodige te doen om ervoor te zorgen dat de per werkzame stof en lidstaat georganiseerde verkoopstatistieken met betrekking tot pesticiden openbaar beschikbaar zijn en dat de statistieken met betrekking tot het gebruik van pesticiden verder worden verbeterd, zodat ze een gedegen basis vormen voor milieueffectbeoordelingen en de vergelijkende beoordeling op grond van de verordening;

16.  pleit voor het opzetten van een doeltreffend systeem voor systematisch toezicht na het in de handel brengen, zodat de daadwerkelijke effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de gezondheid van mens en dier, alsmede op het milieu als geheel, op de voet kunnen worden gevolgd, ook op de lange termijn; benadrukt dat middels het toezicht na het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen moet worden gegarandeerd dat op effectieve wijze informatie wordt verzameld en tussen alle belanghebbenden wordt gecommuniceerd, en dat deze informatie transparant en publiekelijk toegankelijk moet zijn; wenst dat de EFSA en het ECHA geharmoniseerde richtlijnen ontwikkelen op dit gebied, dit met het oog op effectief toezicht na het in de handel brengen;

17.  verzoekt de Commissie een gestandaardiseerd EU-breed IT-platform of een gestandaardiseerde EU-brede databank op te zetten om de uitwisseling van toezichtsgegevens na het in de handel brengen te ondersteunen en dringt erop aan dat gedurende de toelatingsprocedure gebruik wordt gemaakt van gegevens inzake het toezicht na het op de markt brengen en andere vormen van toezicht;

18.  roept de Commissie op meer vaart te zetten achter de tenuitvoerlegging van het proefproject inzake ecologische monitoring van het gebruik van pesticiden door middel van honingbijen, dat het onder meer mogelijk zal maken de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving te evalueren in termen van de toepassing en toelating van pesticiden;

19.  vraagt de Commissie om een epidemiologisch onderzoek uit te voeren naar de daadwerkelijke gevolgen van gewasbeschermingsmiddelen voor de volksgezondheid;

20.  dringt bij de Commissie aan op de verdere ontwikkeling en toepassing van benaderingen om de gecombineerde effecten van chemische stoffen aan te pakken door in alle EU-wetgeving een geïntegreerde en gecoördineerde beoordeling te bevorderen;

21.  is ingenomen met het lopende project van de EFSA om DNT-effecten in kaart te brengen, maar is van mening dat dit niet volstaat zolang er geen wettelijke verplichting is om werkzame stoffen en andere bestanddelen van pesticiden op DNT-effecten te beoordelen in het kader van de toelatingsprocedure; wenst dat de Commissie daarom in kaart brengt op welke manieren ervoor kan worden gezorgd dat werkzame stoffen en andere bestanddelen van gewasbeschermingsmiddelen op DNT-effecten worden beoordeeld, daarbij betrouwbare, diervrije en op de mens gerichte mechanistische methoden voor de beoordeling van DNT-gevaren volledig in aanmerking nemend;

22.  is van mening dat de verdere ontwikkeling van onderzoek en innovatie in de Unie van essentieel belang is en pleit er daarom voor dat Horizon Europa, andere financiële instrumenten van de Unie en de lidstaten voldoende middelen beschikbaar stellen ter bevordering van:

   a) onafhankelijk onderzoek naar de gevolgen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor de gezondheid van mens en dier, voor het milieu en voor de landbouwproductie;
   b) onderzoek naar alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen, zoals niet-chemische methoden en pesticiden met een laag risico, met als doel om landbouwers nieuwe oplossingen te bieden voor duurzame landbouw, en onderzoek naar agro-ecologische en precisielandbouwtechnieken, teneinde externe factoren te minimaliseren en gewasbescherming op een gerichte en duurzame wijze te optimaliseren;

23.  verzoekt de Commissie het belang in acht te nemen van een regelgevingskader dat onderzoek en innovatie bevordert om betere en veiligere gewasbeschermingsmiddelen en alternatieven te ontwikkelen;

24.  herinnert eraan dat de toegang tot veilige en efficiënte gewasbescherming essentieel is om landbouwers in staat te stellen in de natuur voorkomende voedselverontreinigende stoffen, zoals kankerverwekkende mycotoxinen, die de veiligheid van onze levensmiddelen in gevaar brengen, te bestrijden;

25.  herinnert eraan dat de gewassen en de bodem- en klimaatgesteldheid in de lidstaten, en met name in de ultraperifere gebieden van de Europese Unie, zeer divers zijn en specifieke kenmerken hebben; wenst dat bij de toelatingsprocedures rekening wordt gehouden met deze diversiteit;

26.  roept de EFSA en de Commissie op hun risicocommunicatie te verbeteren, teneinde het publiek naar behoren en op passende, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke wijze te informeren; is van mening dat het belangrijk is om de publieke kennis over (aanvaardbare en niet-aanvaardbare) gevaren en risico's en het publieke bewustzijn omtrent het niveau van naleving van de MRL-waarden in Europa te vergroten, en om gebruikers te informeren over eventuele risicobeperkende maatregelen;

27.  roept op tot de volledige tenuitvoerlegging van het beginsel van de 3 V's;

28.  wenst dat er, voor zover beschikbaar, diervrije methoden en technologieën worden gebruikt voor het testen van werkzame stoffen, beschermstoffen, synergisten, andere formuleringshulpstoffen en productformules, en dringt erop aan dat de cumulatieve en mengseleffecten van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen worden beoordeeld;

29.  vraagt om de Verordeningen (EU) nr. 283/2013 en (EU) nr. 284/2013 van de Commissie te actualiseren telkens wanneer er nieuwe gevalideerde alternatieve testen en technologieën voorhanden zijn;

30.  dringt erop aan dat de Commissie wetenschappelijke en technische ontwikkelingen erin opneemt, ten gunste van nieuwe benaderingen op het gebied van wetenschap voor regelgevingsdoeleinden, die het voorspellende vermogen van de wettelijk voorgeschreven testen verbeteren en het gebruik van dierproeven overbodig maken;

31.  verzoekt de Commissie na te gaan op welke manieren ervoor kan worden gezorgd dat relevante gegevens van testen op mensen, bijvoorbeeld gegevens die worden verzameld tijdens klinische proeven voor het testen van geneesmiddelen, verplicht moeten worden toegevoegd aan de in de oproep tot inschrijving van het ECHA of de EFSA beoogde, vrij toegankelijke databanken, zodat deze gegevens van testen op mensen kunnen worden gebruikt voor de validatie van de diervrije methodologieën in ontwikkeling;

32.  vraagt de Commissie en de lidstaten om te zorgen voor doeltreffende controles van landbouwproducten die uit derde landen worden ingevoerd, opdat de Europese voedselproductie niet alleen verzekerd is van een hoog beschermingsniveau maar ook van een eerlijk speelveld;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten zich er meer voor in te zetten om de handel in illegale gewasbeschermingsmiddelen een halt toe te roepen, aangezien deze producten de doelstellingen van de EU-wetgeving op dit gebied ondermijnen;

Aanvragen tot goedkeuring van werkzame stoffen

34.  roept de Commissie op een voorstel tot wijziging van de verordening in te dienen op grond waarvan zij de bevoegdheid krijgt een werkprogramma vast te stellen voor het aanwijzen van de lidstaat-rapporteur in het kader van aanvragen, op basis van de volgende criteria voor een onafhankelijke, objectieve en transparante beoordeling: expertise, middelen, de afwezigheid van belangenconflicten, de relevantie van het middel, de technische capaciteiten en het vermogen om tot wetenschappelijk onderbouwde en betrouwbare resultaten te komen, samen met een uitgebreid collegiaal toetsingsproces en raadpleging van de belanghebbenden, overeenkomstig het systeem voor de verlenging van de goedkeuring van werkzame stoffen;

35.  vraagt de Commissie de beoordeling van verlengingsaanvragen toe te vertrouwen aan een andere lidstaat dan de lidstaat die belast was met de eerdere beoordeling(en), onder voorwaarde dat het noodzakelijke niveau van expertise en middelen kan worden gewaarborgd;

36.  verzoekt de Commissie erop toe te zien dat alleen lidstaten die een hoge kwaliteit van beoordeling kunnen garanderen en effectieve procedures voor de beoordeling van belangenconflicten voorhanden hebben, lidstaat-rapporteur worden;

37.  wenst dat de Commissie, met steun van de EFSA, de nationale referentielaboratoria beoordeelt die aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat-rapporteur zijn verbonden, teneinde ervoor te zorgen dat de ontwerp-beoordelingsverslagen van de lidstaten-rapporteurs van een vergelijkbaar niveau van expertise zijn;

38.  roept de lidstaten voorts op hun audits van laboratoria met GLP-erkenning op verantwoordelijke wijze uit te voeren en verzoekt de Commissie onder haar auspiciën een EU-verificatiesysteem op te zetten voor de audits die de lidstaten uitvoeren;

39.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie over de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en is ingenomen met de kans om de huidige situatie in dit opzicht te verbeteren;

40.  acht het van belang dat aanvragers verplicht alle te verrichten, wettelijk voorgeschreven studies laten optekenen in een openbaar register en dat er een inspraakperiode plaatsvindt waarin belanghebbenden bestaande gegevens kunnen aandragen om ervoor te zorgen dat alle relevante informatie in acht wordt genomen; benadrukt dat in de bepalingen inzake het openbaar register tevens is vastgelegd dat het erkende laboratorium de begin- en einddatum van de studie moet registreren, dat de controlegegevens moeten worden gepubliceerd en dat deze gegevens, met inbegrip van de gebruikte testmethoden en met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens, moeten worden opgenomen in een register van historische controles; is van oordeel dat bij een aanvraag alleen geregistreerde wettelijk voorgeschreven studies mogen worden ingediend;

41.  onderstreept dat aanvragers alle studies, met inbegrip van de ruwe gegevens, verplicht moeten overleggen aan de lidstaat-rapporteur, en wel in een machinaal leesbaar formaat;

42.  pleit ervoor dat bovenstaande studies, met inbegrip van alle ondersteunende gegevens en informatie met betrekking tot toelatingsaanvragen, in hun geheel en in een machinaal leesbaar formaat openbaar worden gemaakt, zodat de transparantie wordt gewaarborgd, de studies tijdig en met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens kunnen worden onderworpen aan een onafhankelijke controle en ervoor wordt gezorgd dat degenen die de studies hebben aangevraagd deze alleen voor niet-commerciële doeleinden kunnen gebruiken, teneinde de betreffende intellectuele-eigendomsrechten te beschermen;

43.  verzoekt de Commissie te beoordelen of het dienstig is niet langer verplicht te stellen dat de aanvrager wetenschappelijke, collegiaal getoetste open literatuur over de werkzame stof en aanverwante formuleringen verstrekt, maar deze taak in plaats daarvan toe te wijzen aan de lidstaat-rapporteur, die hierbij door de EFSA wordt ondersteund;

44.  onderstreept dat bij de beoordeling evenveel gewicht moet worden toegekend aan collegiaal getoetste open literatuur, indien voorhanden, als aan studies op basis van goede laboratoriumpraktijken; is van mening dat beide soorten een geldige bijdrage leveren aan de beoordeling en moeten worden gewogen aan de hand van hun relatieve kwaliteit en relevantie voor de aanvraag in kwestie;

45.  verzoekt de Commissie na te gaan of het wenselijk is niet langer verplicht te stellen dat de aanvrager de in het kader van de aanvraag te verstrekken gegevens beoordeelt, maar deze taak in plaats daarvan toe te wijzen aan de lidstaat-rapporteur;

46.  dringt aan op een onafhankelijke herbeoordeling van de geldende regels voor het literatuuronderzoek, teneinde ervoor te zorgen dat alle relevante studies in aanmerking worden genomen;

Ontwerpbeoordelingen door de lidstaat-rapporteur

47.  wijst erop dat de lidstaat-rapporteur artikel 9 van de verordening strikt moet toepassen, opdat ervoor wordt gezorgd dat aanvragen volledig zijn voordat ze ontvankelijk worden geacht;

48.  onderstreept dat de beoordeling een grondige evaluatie moet omvatten van de ruwe gegevens en van de gegevens in verband met de eindformule van het product die in die fase van de evaluatie beschikbaar zijn; pleit ervoor dat de lidstaat-rapporteur in het ontwerp-beoordelingsverslag duidelijk aantoont dat alle studies naar behoren zijn gecontroleerd op relevantie, wetenschappelijke kwaliteit en geldigheid, en zo nodig verdere studies opneemt die door de aanvrager als niet ter zake doend werd beschouwd; wijst erop dat gegevens waarin melding wordt gemaakt van negatieve bijwerkingen alleen terzijde kunnen worden geschoven als hiervoor een wetenschappelijke, op feiten gebaseerde rechtvaardiging is, bijvoorbeeld de correcte toepassing van relevante richtsnoeren van de OESO;

49.  vraagt de Commissie om na te gaan wat de beste manier is om ervoor te zorgen dat werkzame stoffen worden beoordeeld op basis van de meest frequente vormen van gebruik, de meest gebruikte formuleringen, hun dosering en relevante blootstellingsscenario's;

50.  pleit ervoor dat bij alle beoordelingen wordt uitgegaan van een systematische beoordeling van al het beschikbare bewijsmateriaal en dringt aan op volledige transparantie ten aanzien van het gebruik van "bewijskracht";

51.  beveelt aan dat de lidstaat-rapporteur het overnemen van paragrafen zoveel mogelijk beperkt tot gemotiveerde en naar behoren gemelde gevallen; staat erop dat er, voor zover het de beoordeling door de aanvrager betreft en wanneer er zinsneden uit het aanvraagdossier worden overgenomen, een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de beoordeling van de autoriteit en de beoordeling van de aanvrager;

EFSA-advies over ontwerp-beoordelingsverslagen en classificatie van de werkzame stoffen door het ECHA

52.  wenst dat de Commissie en de lidstaten ervoor zorgen dat belangrijke tests (bijvoorbeeld recente ecotoxicologische tests voor bodemorganismen en beoordeling van de concentratie in het milieu en de residuen in stof, wind, lucht en water, en tests met betrekking tot de toxische effecten van stoffen op lange termijn, met name op kwetsbare groepen) en recente wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen op methodologiegebied in de risicobeoordeling worden opgenomen;

53.  vraagt de Commissie om haar overzicht inzake actuele richtsnoeren en testrichtlijnen naar behoren te actualiseren;

54.  roept de Commissie op de voltooiing van het proces voor de harmonisering van gegevensvereisten en methodologieën te vergemakkelijken en versnellen, in het bijzonder op het gebied van richtsnoeren inzake ecotoxicologie en het lot en gedrag in het milieu;

55.  verzoekt de Commissie maximumresidugehalten (MRL's) vast te stellen voor bodems en oppervlaktewater, onder meer aan de hand van de gegevens die zijn verzameld in het kader van het milieutoezicht na het in de handel brengen;

56.  dringt erop aan dat MRL's voor levensmiddelen en diervoeders sneller en efficiënter worden vastgesteld, en dat, door de beoordelingstermijnen tussen de MRL's en goedkeuring of vernieuwing te harmoniseren, voor meer samenhang wordt gezorgd;

57.  pleit ervoor dat de gegevens die na het in de handel brengen in het kader van het milieutoezicht zijn verzameld, worden gebruikt om de nauwkeurigheid van de voorspelde concentratie in het milieu (PEC) in milieugedragsmodellen te controleren;

58.  verzoekt de Commissie een voorstel tot wijziging van Verordening (EU) nr. 284/2013 van de Commissie in te dienen om ervoor te zorgen dat er gegevensvereisten in worden opgenomen met betrekking tot de langetermijntoxiciteit van gewasbeschermingsmiddelen en verdere blootstellingsroutes, in het bijzonder als gevolg van wind- en watererosie van de bodem, aan de hand van actuele modellen;

59.  wenst dat de EFSA haar richtsnoeren regelmatig aanpast aan de stand van de ontwikkelingen op alle relevante gebieden, dit met het oog op de beoordeling van de residugehalten op korte en lange termijn van werkzame stoffen, formuleringen en mengsels in oppervlaktewater, de bodem, wind en stof;

60.  is van mening dat de richtsnoeren van de EFSA risicobeoordelaars voldoende duidelijke handvatten moeten bieden, opdat voor een kwalitatief hoogwaardige beoordeling kan worden gezorgd en aanvragers kunnen uitgaan van voorspelbaarheid en samenhang;

61.  vraagt de Commissie en de lidstaten om in het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders onverwijld alle richtsnoeren goed te keuren die nog in behandeling zijn, waaronder de geactualiseerde richtsnoeren inzake bijen die de EFSA in haar recente evaluatie van drie neonicotinoïden hanteerde;

62.  verzoekt de EFSA de richtsnoeren voor bijen verder te actualiseren, los van de goedkeuring van alle richtsnoeren die nog in behandeling zijn, en daarbij rekening te houden met andere soorten bestuivers, zogeheten cocktaileffecten en de technische haalbaarheid;

63.  is ingenomen met de proefbeoordeling van de cumulatieve gevolgen en pleit ervoor deze uiterlijk eind 2018 af te ronden en daarna binnen afzienbare tijd cumulatieve risicobeoordelingen te verrichten in het kader van de toelatingsprocedure; pleit ervoor dat voorrang wordt gegeven aan en vaart wordt gezet achter onderzoek naar andere blootstellingsroutes, naast het zenuwstelsel en de schildklier;

64.  verzoekt de EFSA, de Commissie en de lidstaten een extra veiligheidsfactor toe te passen bij het berekenen van de "veilige" blootstellingsdoseringen, zodat rekening wordt gehouden met de potentiële toxiciteit van mengsels in gevallen waarin een grote mate van onzekerheid blijft bestaan die niet kan worden weggenomen door aanvullende tests;

65.  roept de EFSA en het ECHA op de gebruiksvriendelijkheid van de informatie op hun websites te verbeteren, ook met het oog op het toestaan van datamining;

66.  wenst dat de lidstaten ervoor zorgen dat zij naar behoren zijn vertegenwoordigd in de EFSA; raadt de lidstaten aan op constructieve manieren samen te werken met de EFSA;

67.  adviseert om de wetenschappelijke kennis en capaciteit te verstevigen door het netwerk van deskundigen van de EU-agentschappen, instanties van de lidstaten, en bij risicobeoordelingen betrokken instituten en universitaire onderzoeksgroepen te ondersteunen, uit te breiden en te versterken;

68.  pleit voorts voor samenwerking met internationale deskundigen in het kader van internationale wetenschappelijke netwerken, teneinde het wetenschappelijk debat en de wetenschappelijke inbreng te ondersteunen en daarmee de internationale samenwerking binnen het systeem voor collegiale toetsing te versterken, hetgeen meer internationaal erkende resultaten van hoge kwaliteit zal opleveren;

69.  beveelt aan dat de EFSA haar adviezen in collegiaal getoetste tijdschriften publiceert, teneinde de constructieve dialoog te versterken en meer nationale deskundigen en andere wetenschappers te motiveren en aan te moedigen om deel te nemen aan haar werkzaamheden;

70.  pleit ervoor dat aan de EFSA en het ECHA, ook met het oog op de verwachte extra werklast, voldoende middelen worden toegewezen om hun taken op onafhankelijke, objectieve en transparante wijze te kunnen uitvoeren, teneinde een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu te waarborgen;

71.  benadrukt dat de geloofwaardigheid van het systeem voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen sterk afhangt van het publieke vertrouwen in de Europese agentschappen; onderstreept dat een transparant proces van wetenschappelijke beoordelingen van belang is voor het handhaven van het publieke vertrouwen; is daarnaast ingenomen met de aanhoudende inspanningen van de EFSA om, met het oog op het waarborgen van onafhankelijkheid en het beslechten van eventuele belangenconflicten, haar systeem en de meest recente, in 2017 gepubliceerde versie van haar onafhankelijkheidsbeleid te verbeteren;

72.  roept de EFSA op ervoor te zorgen dat alle deskundigen die deelnemen aan de beoordeling een publieke verklaring afleggen omtrent hun belangen en dat deskundigen met belangenconflicten worden uitgesloten van alle fasen van het proces van collegiale toetsing;

73.  verzoekt de oprichting voor te stellen van een onafhankelijk toezichtscomité binnen de EFSA, dat wordt belast met het onderzoeken van mogelijke belangenconflicten;

74.  benadrukt dat er voldoende middelen moeten worden toegewezen, zodat de laatste hand kan worden gelegd aan milieutoezicht en analyses na het in de handel brengen op landschapsschaal, waaronder het toezicht op bestrijdingsmiddelenresiduen in bodems en stof, waarvan de resultaten met de EFSA moet worden gedeeld;

75.  roept de EFSA op ervoor te zorgen zij over de nodige expertise beschikt om de beschikbaarheid en toepassing van niet-chemische methoden volledig te kunnen beoordelen;

76.  wenst dat de Commissie, middels het mechanisme voor wetenschappelijk advies, op verzoek optreedt als bemiddelaar in wetenschappelijke meningsverschillen over werkzame stoffen;

77.  dringt erop aan dat in het kader van het mechanisme voor wetenschappelijk advies een begin wordt gemaakt met een systematische evaluatie van alle beschikbare studies over de kankerverwekkende eigenschappen van glyfosaat en glyfosaatformuleringen, zodat kan worden beoordeeld of een herziening van de toelating van glyfosaat, overeenkomstig artikel 21 van de verordening, gerechtvaardigd zou zijn;

Goedkeuring van werkzame stoffen door de Commissie

78.  vindt het uiterst betreurenswaardig dat zich voorafgaand aan en na de collegiale toetsing door de EFSA tal van vertragingen hebben voorgedaan op het niveau van de lidstaten en de Commissie, betreurt met name de vertragingen bij de beoordeling van stoffen die aan de uitsluitingscriteria voldoen, en verzoekt de lidstaten-rapporteurs en de Commissie met klem om zich aan de in de verordening vastgestelde termijnen te houden;

79.  wijst op de noodzaak van politieke verantwoording voor de goedkeuring van uitvoeringshandelingen bij gebruikmaking van de comitéprocedure; is verontrust over het gebrek aan transparantie binnen het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders; verzoekt de Commissie en de lidstaten de algehele transparantie van de procedures te vergroten, onder meer door gedetailleerde notulen van de comitédiscussies en de desbetreffende standpunten te verstrekken, met name door de besluiten van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders toe te lichten en te motiveren en door de stemmen van de lidstaten openbaar te maken;

80.  verzoekt de Commissie en de lidstaten een onafhankelijkheidsbeleid goed te keuren en zich ervan te vergewissen dat de leden van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders vrij zijn van belangenconflicten;

81.  vraagt de Commissie en de lidstaten streng de hand te houden aan artikel 53 van de verordening en duidelijke, op wetenschappelijke kennis gebaseerde criteria vast te stellen voor wat moet worden verstaan onder onaanvaardbare effecten op het milieu, daarbij rekening houdend met de werkelijke (acute en chronische) blootstelling aan meervoudige gewasbeschermingsmiddelen;

82.  dringt er bij de Commissie op aan de toepassing van de procedure voor aanvullende gegevens strikt te beperken tot het doel dat daarvoor is vastgesteld in artikel 6, onder f), van de verordening, namelijk wanneer tijdens de beoordelingsprocedure of naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke en technische kennis nieuwe eisen worden vastgesteld; is van mening dat de bescherming van de volksgezondheid en het milieu de hoogste prioriteit moet hebben, terwijl aanvragers tegelijkertijd moeten kunnen rekenen op betrouwbare termijnen voor toelating; onderstreept dat de volledigheid van dossiers uiterst belangrijk is voor de goedkeuring van werkzame stoffen; betreurt dat de afwijking in de vorm van de procedure betreffende bevestigende informatie ertoe heeft geleid dat ten minste twee werkzame stoffen waarvan het gebruik anders zou zijn ingeperkt, voor langere tijd op de markt zijn gebleven;

83.  wenst dat de Commissie het richtsnoer in kwestie dusdanig wijzigt dat bevestigende gegevens systematisch aan een volledige collegiale toetsing door de EFSA worden onderworpen, zoals het geval is bij de oorspronkelijke gegevens in de aanvraag;

84.  verzoekt de Commissie juridische bindende risicobeperkende maatregelen op te nemen in de goedkeuring van werkzame stoffen, teneinde de bekende risico's van gewasbeschermingsmiddelen aan te pakken, alsook de lidstaten te ondersteunen bij het vaststellen van de risicobeperkende maatregelen die geschikt zijn voor de specifieke situatie van hun land, daarbij rekening houdend met de landbouwkundige, klimatologische en milieuomstandigheden op hun grondgebied;

85.  vraagt de Commissie verder om ervoor te zorgen dat daarna op de markt toezicht wordt gehouden op de doeltreffendheid en doelmatigheid van de toegepaste beperkende maatregelen;

86.  verzoekt de Commissie toe te zien op de volledige toepassing van artikel 25 van de verordening, zodat beschermstoffen en synergisten alleen mogen worden gebruikt nadat ze zijn goedgekeurd; onderstreept dat de gegevensvereisten voor de goedkeuring van beschermstoffen en synergisten gelijk moeten zijn aan die voor werkzame stoffen, en pleit voor de vaststelling van een uitvoeringshandeling overeenkomstig artikel 25, lid 3, van de verordening;

87.  verzoekt de Commissie uiterlijk eind 2018 overeenkomstig artikel 27 van de verordening de eerste negatieve lijst met onaanvaardbare formuleringshulpstoffen vast stellen, samen met criteria en een procedure voor de vaststelling van nieuwe formuleringshulpstoffen; pleit daarom voor de opname van gegevens die vereist zijn uit hoofde van REACH, de CLP-verordening en de biocidenverordening, en van gegevens die door de lidstaten zijn verzameld tijdens de vaststelling van hun eigen negatieve lijst met onaanvaardbare formuleringshulpstoffen;

88.  verzoekt de Commissie om, overeenkomstig zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico en zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van de verordening, vóór het einde van haar huidige mandaat een specifiek wetsvoorstel voor te leggen tot wijziging van de verordening, los van de algemene herziening in het kader van de Refit-procedure, dit met het oog op de invoering van een strenge, kwalitatief hoogwaardige en versnelde beoordelings-, toelatings-, en registratieprocedure;

89.  verzoekt de Commissie de transparantie te verbeteren door een website op te zetten waarop de tijdlijn en fasen voor de goedkeuring van iedere werkzame stof worden weergegeven, alsook de besluiten van de lidstaten-rapporteurs, de EFSA en het ECHA, de besluiten van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, de duur van de vergunning en andere relevante gegevens;

Toelating van gewasbeschermingsmiddelen door de lidstaten

90.  verzoekt de Commissie het systeem van zones kritisch tegen het licht te houden en zodoende te evalueren wat de beste manier is om te waarborgen dat de geharmoniseerde wetenschappelijke beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen naar behoren wordt verricht, met inachtneming van de verantwoordelijkheden van de lidstaten in verband met de toelating, beperking of weigering ervan; dringt voorts aan op een herziening van de beperkingen voor de weigering van toelating;

91.  is van mening dat de procedure voor wederzijdse erkenning van cruciaal belang is om de werklast te delen en de naleving van de uiterste termijnen te faciliteren; betreurt de vertragingen bij de beoordeling door de lidstaten die instaan voor het onderzoeken van de vergunningsaanvragen en de problemen in verband met de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning; roept de Commissie op zich samen met de lidstaten ervoor in te zetten om de werking van het systeem van zones te verbeteren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving als doel moet hebben dubbel werk te voorkomen en nieuwe stoffen zonder onnodige vertragingen beschikbaar te maken voor landbouwers;

92.  dringt er bij de lidstaten op aan te voldoen aan de in de verordening vastgestelde termijnen voor de evaluatie van gewasbeschermingsmiddelen en de bepalingen inzake wederzijdse erkenning;

93.  roept de EFSA op geharmoniseerde richtsnoeren vast te stellen voor de beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen en vraagt de Commissie deze aansluitend goed te keuren;

94.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat alle gewasbeschermingsmiddelen naar behoren worden beoordeeld, onder meer aan de hand van blootstellingsscenario's, op basis van gegevens die zijn verkregen voor het gewasbeschermingsmiddel zelf, en is van oordeel dat gegevens over gewasbeschermingsmiddelen niet mogen worden geëxtrapoleerd op basis van gegevens die zijn verkregen over werkzame stoffen, mits dit wetenschappelijk gerechtvaardigd is en milieutoezicht na het in de handel brengen heeft aangetoond dat deze werkwijze betrouwbaar is;

95.  vraagt de Commissie om binnen twee jaar een gedetailleerd verslag over de nationale praktijken op het gebied van risicobeoordeling en risicobeheer van gewasbeschermingsmiddelen in te dienen bij het Parlement;

96.  roept de lidstaten op te garanderen dat alle besluiten inzake de verlening van vergunningen voor gewasbeschermingsmiddelen op een degelijke risicobeoordeling berusten van de reële blootstelling (acuut en chronisch) van kwetsbare groepen en verzoekt om het overeenstemmende EFSA-richtsnoer in deze zin te wijzigen;

97.  onderstreept dat aanvragers alle studies, met inbegrip van de ruwe gegevens, verplicht moeten overleggen aan de lidstaat die de aanvraag tot toelating onderzoekt, en wel in een machinaal leesbaar formaat;

98.  pleit ervoor dat bovenstaande studies, met inbegrip van alle ondersteunende gegevens en informatie met betrekking tot toelatingsaanvragen, in hun geheel en in een machinaal leesbaar formaat openbaar worden gemaakt, zodat de transparantie wordt gewaarborgd, de studies tijdig en met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens kunnen worden onderworpen aan een onafhankelijke controle en ervoor wordt gezorgd dat degenen die de studies hebben aangevraagd deze alleen voor niet-commerciële doeleinden kunnen gebruiken, teneinde de betreffende intellectuele-eigendomsrechten te beschermen;

99.  verzoekt de Commissie na te gaan of het wenselijk zou zijn om de EFSA de verantwoordelijkheid te geven voor de risicobeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen, terwijl het feitelijke besluit over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen op nationaal niveau moet blijven plaatsvinden om rekening te houden met de specifieke situatie van elk land;

100.  wenst dat de lidstaten de doeltreffendheid vergroten door de coördinatie binnen en tussen de zones te verbeteren, teneinde het werk beter te verdelen en optimaal gebruik te maken van de middelen van elke lidstaat, en dat zij afwijkingen ingevolge artikel 53 van de verordening alleen toestaan als de bestaande verplichtingen strikt worden nagekomen;

101.  is van mening dat het systeem voor wederzijdse erkenning tussen de zones moet worden verbeterd;

102.  dringt er bij de lidstaten op aan de toelatingsprocedures op nationaal niveau beter ten uitvoer te leggen teneinde de afwijkingen en verlengingen die worden toegestaan uit hoofde van artikel 53 van de verordening te beperken tot echte noodsituaties; roept de lidstaten op streng de hand te houden aan artikel 53 van de verordening en alleen aanvragen tot afwijking in aanmerking te nemen en te onderzoeken die volledig zijn ingevuld, en alleen volledige kennisgevingen van afwijkingen voor te leggen aan de Commissie en de andere lidstaten;

103.  vraagt de Commissie ten volle gebruik te maken van haar controlebevoegdheden uit hoofde van artikel 53, leden 2 en 3, teneinde afwijkingen en verlengingen overeenkomstig artikel 53 te beperken tot gerechtvaardigde noodsituaties;

104.  wenst dat de lidstaten erop toezien dat er een openbare raadpleging van de relevante belanghebbenden wordt gehouden voordat er een noodtoelating wordt verleend overeenkomstig artikel 53, dat onnodige vertraging bij de verlening van de betreffende toelating wordt voorkomen en dat alle relevante belanghebbenden tijdig ervan in kennis worden gesteld of de toelating in kwestie al dan niet wordt verleend;

105.  roept alle lidstaten op tot openbaarmaking van de door hen ontvangen volledig ingevulde aanvraagformulieren waarin om een noodtoelating wordt verzocht overeenkomstig artikel 53, ongeacht of de toelating wordt verleend of geweigerd;

106.  verzoekt de Commissie methoden te ontwikkelen om te bepalen of, en zo ja wanneer, bepaalde afwijkingen moeten worden toegestaan, met name in verband met "verwaarloosbare blootstelling" of "ernstig fytosanitair gevaar";

107.  roept de lidstaten op elkaar, de Commissie en het publiek op de hoogte te stellen van de toelating en intrekking van gewasbeschermingsmiddelen, alsmede van risicobeperkende maatregelen, om zo te zorgen voor een EU-breed overzicht van op de markt verkrijgbare gewasbeschermingsmiddelen en het daarmee verband houdende risicobeheer;

108.  dringt bij de Commissie en de lidstaten aan op een betere uitwisseling van gegevens over gewasbeschermingsmiddelen die veiliger zijn dan gewasbeschermingsmiddelen met bestanddelen die voor vervanging in aanmerking komen, om zo de vergelijkende beoordeling van gewasbeschermingsmiddelen te vereenvoudigen;

109.  merkt op dat uit onderzoek naar het gebruik van koper in gebieden waar dit van oudsher wordt gebruikt, is gebleken dat dit gevolgen heeft voor de microbiologische bodemkwaliteit; deelt het standpunt dat koper moet worden beschouwd als een tijdelijk middel voor gewasbescherming en dat het gebruik ervan moet worden afgebouwd zodra er betere alternatieven beschikbaar komen;

110.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de ontwikkeling en het gebruik van duurzame en ecologische alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen, maatregelen voor geïntegreerde gewasbescherming en bestrijdingsmiddelen met een laag risico te bevorderen als een belangrijke maatregel om de schadelijke effecten van gewasbescherming te verminderen; erkent dat de verdere ontwikkeling van en meer onderzoek naar deze middelen noodzakelijk is; verzoekt de Commissie daarom de mogelijkheden te onderzoeken om innovatie op dit gebied te stimuleren;

111.  verzoekt de Commissie met een voorstel tot wijziging van de verordening te komen, zodat niet alleen het gebruik, maar ook het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico procedureel gezien gemakkelijker wordt gemaakt voor marktdeelnemers; is van mening dat er met name meer duidelijkheid nodig is betreffende het op de markt brengen van basisstoffen;

112.  dringt erop aan dat kmo-producenten van gewasbeschermingsmiddelen transparante en eerlijke toegang krijgen tot werkzame stoffen;

113.  wenst dat de Commissie de effecten analyseert van de in de huidige wetgeving vastgestelde voorschriften voor de toelating van en de handel in gewasbeschermingsmiddelen en biociden, in termen van de personele middelen en economische capaciteiten die kmo-producenten ter beschikking staan, en dat zij na elke eventuele wijziging van de bestaande regelgeving haar analyse herhaalt; benadrukt dat de resultaten van dergelijke analyses beschikbaar moeten worden gesteld voor raadpleging door het publiek;

114.  pleit voor een geharmoniseerde definitie van "kleine toepassing", teneinde een gelijk speelveld te bevorderen, en beveelt aan één EU-lijst met belangrijke gewassen op te stellen;

115.  roept de Commissie, de EFSA en de lidstaten op ervoor te zorgen dat alle relevante belanghebbenden, waaronder het publiek, worden betrokken bij alle activiteiten voor belanghebbenden betreffende pesticiden, zoals voorzien in Richtlijn 2003/35/EG en het Verdrag van Aarhus;

116.  roept de Commissie en de lidstaten op te waarborgen dat de in de verordening opgenomen voorschriften voor de prioritering van niet-chemische methoden naar behoren worden toegepast;

o
o   o

117.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 73.
(2) zoals vastgesteld bij Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
(3) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(4) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(5) PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1.
(6) PB L 156 van 25.6.2003, blz. 17.
(7) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(8) PB L 155 van 11.6.2011, blz. 127.
(9) PB L 93 van 3.4.2013, blz. 1.
(10) PB L 93 van 3.4.2013, blz. 85.
(11) PB L 173 van 30.6.2016, blz. 52.
(12) PB L 208 van 2.8.2016, blz. 1.
(13) PB L 333 van 15.12.2017, blz. 10.
(14) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 102.
(15) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 117.
(16) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 184.
(17) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 62.
(18) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 51.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.
(20) Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 23 november 2016, Bayer CropScience SA-NV en Stichting De Bijenstichting tegen College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, C-442/14, ECLI:EU:C:2016:890.
(21) EFSA Journal 2015, 13 (11): 4302.
(22) EFSA Journal 2017,15 (9): 4979.
(23) https://ec.europa.eu/research/sam/pdf/sam_ppp_report.pdf
(24) PB L 276 van 20.10.2010, blz. 33.
(25) Voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de transparantie en duurzaamheid van de EU-risicobeoordeling in de voedselketen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002 [betreffende de algemene levensmiddelenwetgeving], Richtlijn 2001/18/EG [inzake de doelbewuste introductie van ggo's in het milieu], Verordening (EG) nr. 1829/2003 [inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders], Verordening (EG) nr. 1831/2003 [betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding], Verordening (EG) nr. 2065/2003 [inzake rookaroma's], Verordening (EG) nr. 1935/2004 [inzake materialen die met levensmiddelen in contact komen], Verordening (EG) nr. 1331/2008 [inzake de uniforme toelatingsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's], Verordening (EG) nr. 1107/2009 [betreffende gewasbeschermingsmiddelen] en Verordening (EU) 2015/2283 [betreffende nieuwe voedingsmiddelen].
(26) Zie zaak T-235/15, Pari Pharma GmbH tegen Europees Geneesmiddelenbureau; zie ook zaak T-729/15, MSD Animal Health Innovation GmbH en Intervet international BV tegen Europees Geneesmiddelenbureau, en zaak T-718/15, PTC Therapeutics International Ltd tegen Europees Geneesmiddelenbureau.
(27) PB C 95 van 3.4.2013, blz. 1.
(28) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/5348
(29) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(30) Zie Hallmann, C.A., Sorg, M., Jongejans, E., Siepel, H., Hofland, N., Schwan, H., et al. (2017) "More than 75 percent decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas". PLoS ONE 12(10): e0185809. https://doi.org/10.1371/journal.pone.0185809


Vaststelling van een specifiek financieel programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval *
PDF 154kWORD 52k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot vaststelling van een specifiek financieel programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval, en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 1368/2013 van de Raad (COM(2018)0467 – C8-0314/2018 – 2018/0252(NLE))
P8_TA(2019)0024A8-0441/2018

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0467),

–  gezien artikel 203 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0314/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0441/2018),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Een specifiek financieel programma kan voor extra meerwaarde voor de Unie zorgen door binnen de Unie uit te groeien tot een benchmark voor het veilige beheer van technologische aspecten bij de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en bijdragen tot de verspreiding van kennis. Dergelijke financiële bijstand moet worden verleend op basis van een evaluatie vooraf, aan de hand waarvan de specifieke behoeften worden vastgesteld en de meerwaarde voor de Unie wordt aangetoond, om de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval te ondersteunen.
(2)  Een specifiek financieel programma kan voor extra meerwaarde voor de Unie zorgen door binnen de Unie uit te groeien tot een benchmark voor het veilige beheer van technologische aspecten bij de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en bijdragen tot de verspreiding van kennis. Dergelijke financiële bijstand moet worden verleend op basis van een evaluatie vooraf, aan de hand waarvan de specifieke behoeften worden vastgesteld en de meerwaarde voor de Unie wordt aangetoond, om de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval te ondersteunen. Dergelijke financiële bijstand mag echter geen voorbeeld worden voor de financiering van toekomstige ontmantelingen van nucleaire faciliteiten op Unieniveau. Het initiatief om nucleaire faciliteiten te ontmantelen en de financiering daarvan moeten in de eerste plaats de verantwoordelijkheid blijven van de lidstaten.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Het programma moet er ook voor zorgen dat de kennis over het ontmantelingsproces wordt verspreid in de Unie, aangezien dergelijke maatregelen de grootste meerwaarde voor de Unie opleveren en bijdragen tot de veiligheid van de werknemers en de bevolking in het algemeen.
(15)  Het programma moet er ook voor zorgen dat de kennis over evenals de beste praktijken en in de lidstaten opgedane ervaring met betrekking tot het ontmantelingsproces, worden verspreid in de Unie, aangezien dergelijke maatregelen de grootste meerwaarde voor de Unie opleveren en bijdragen tot de veiligheid van de werknemers en de bevolking in het algemeen, en tot de bescherming van het milieu.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  Het JRC moet het initiatief nemen om de vergaring, ontwikkeling en uitwisseling van kennis op het gebied van ontmanteling op Unie-niveau te structureren, zonder internationale samenwerking uit de weg te gaan. Bij dit initiatief moet rekening worden gehouden met multidimensionale uitdagingen, bijvoorbeeld ten aanzien van onderzoek, innovatie, standaardisering, regulering, opleiding en onderwijs, en de industrie.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Bij de ontmanteling van de nucleaire faciliteiten die onder deze verordening vallen, dient gebruik te worden gemaakt van de beste technische expertise die beschikbaar is, rekening houdend met de aard en de technische specificaties van de te ontmantelen installaties, zodat de veiligheid en de grootst mogelijke doeltreffendheid worden gewaarborgd, en de internationale beste praktijken in acht worden genomen.
(16)  Bij de ontmanteling van de nucleaire faciliteiten die onder deze verordening vallen, dient gebruik te worden gemaakt van de beste technische expertise die beschikbaar is, inclusief uit derde landen, rekening houdend met de aard en de technische specificaties van de te ontmantelen installaties, zodat de veiligheid en de grootst mogelijke doeltreffendheid worden gewaarborgd, en de internationale beste praktijken in acht worden genomen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  De acties in het kader van het Kozloduy- en het Bohunice-programma moeten worden uitgevoerd met een gezamenlijke financiële inspanning van de Unie, enerzijds, en Bulgarije respectievelijk Slowakije, anderzijds. Er moet een maximumdrempel voor medefinanciering door de Unie worden vastgesteld in overeenstemming met de medefinancieringspraktijk die in het kader van de voorgaande programma's tot stand is gekomen.
(20)  De acties in het kader van het Kozloduy- en het Bohunice-programma moeten worden uitgevoerd met een gezamenlijke financiële inspanning van de Unie, enerzijds, en Bulgarije en Slowakije, anderzijds. Er moet een minimumdrempel voor medefinanciering door de Unie worden vastgesteld in overeenstemming met de medefinancieringspraktijk die in het kader van de voorgaande programma's tot stand is gekomen..
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1
In deze verordening wordt het specifieke financiële programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval vastgesteld (hierna "het programma" genoemd), waarbij het accent op de huidige behoeften ligt. Voor de periode van het meerjarig financieel kader 2021-2027 zal dit programma Bulgarije en Slowakije ondersteunen bij de veilige ontmanteling van kernreactoren van de eerste generatie, en steun verlenen aan het ontmantelingsproces en het beheer van kernafval van de eigen nucleaire installaties van de Commissie op de locaties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC).
In deze verordening wordt het specifieke financiële programma voor de ontmanteling van nucleaire faciliteiten en het beheer van kernafval vastgesteld (hierna "het programma" genoemd), waarbij het accent op de huidige behoeften ligt. Voor de periode van het meerjarig financieel kader 2021-2027 zal dit programma Bulgarije en Slowakije ondersteunen bij de veilige ontmanteling van hun kernreactoren die voortijdig zijn gesloten, en steun verlenen aan het ontmantelingsproces en het beheer van kernafval van de eigen nucleaire installaties van de Commissie op de locaties van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (JRC). De bescherming van werknemers, in het bijzonder wat betreft gezondheidsrisico's, de bevolking als geheel en het milieu wordt daarbij gewaarborgd.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 2
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, het budget voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna "de gemeenschap" genoemd) en de regels voor het verlenen van dergelijke financiering vastgesteld.
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, het totale budget voor de periode 2021-2027, met inbegrip van de precieze verdeling van het bedrag over de drie programma's, de vormen van financiering van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (hierna "de gemeenschap" genoemd) en de regels voor het verlenen van dergelijke financiering vastgesteld.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
(2)  "ontmantelingsplan": het document met gedetailleerde informatie over de voorgestelde ontmanteling, waarin het volgende staat: de gekozen ontmantelingsstrategie; het tijdpad, het type en de volgorde van de ontmantelingsactiviteiten; de toegepaste strategie voor afvalbeheer, met inbegrip van vrijgave; de voorgestelde eindtoestand; de opslag en berging van het afval van de ontmanteling; het tijdschema van de ontmanteling; de kostenramingen voor de voltooiing van de ontmanteling; en de doelstellingen, verwachte resultaten, mijlpalen, streefdatums en bijbehorende kernprestatie-indicatoren, waaronder indicatoren op basis van "earned value". Het plan wordt opgesteld door de vergunninghouder van de nucleaire faciliteit en wordt opgenomen in de meerjarige werkprogramma's van het programma;
(2)  "ontmantelingsplan": het document met gedetailleerde informatie over de voorgestelde ontmanteling, waarin het volgende staat: de gekozen ontmantelingsstrategie; het tijdpad, het type en de volgorde van de ontmantelingsactiviteiten; de toegepaste strategie voor afvalbeheer, met inbegrip van vrijgave, alsook het programma voor bescherming van de werknemers; de voorgestelde eindtoestand; de opslag en berging van het afval van de ontmanteling; het tijdschema van de ontmanteling; de kostenramingen voor de voltooiing van de ontmanteling; en de doelstellingen, verwachte resultaten, mijlpalen, streefdatums en bijbehorende kernprestatie-indicatoren, waaronder indicatoren op basis van "earned value". Het plan wordt opgesteld door de vergunninghouder van de nucleaire faciliteit en wordt opgenomen in de meerjarige werkprogramma's van het programma;
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
(5 bis)   "derde land": een land dat geen lidstaat van de Unie is;
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – alinea 1
Op basis van de huidige behoeften voor de periode 2021-2027 is het programma er met name op gericht Bulgarije en Slowakije bij te staan bij de uitvoering van respectievelijk het Kozloduy-programma en het Bohunice-programma, waarbij speciale nadruk wordt gelegd op het beheer van uitdagingen op het vlak van radiologische veiligheid, steun te verlenen aan het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval, en er tegelijk voor te zorgen dat de hierbij opgedane kennis over de ontmanteling van nucleaire installaties ruim wordt verspreid in alle lidstaten.
Op basis van de huidige behoeften voor de periode 2021-2027 is het programma er met name op gericht Bulgarije en Slowakije bij te staan bij de uitvoering van respectievelijk het Kozloduy-programma en het Bohunice-programma, waarbij speciale nadruk wordt gelegd op het beheer van uitdagingen op het vlak van radiologische veiligheid, steun te verlenen aan het JRC-programma voor ontmanteling en beheer van kernafval, en er tegelijk voor te zorgen dat de hierbij opgedane kennis over en beste praktijken voor de ontmanteling van nucleaire installaties en het beheer van radioactief afval ruim wordt verspreid in alle lidstaten, en dat deze hun kennis onderling uitwisselen.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – alinea 2 – letter c
c)  banden smeden en uitwisselingen tot stand brengen met belanghebbenden op het gebied van de ontmanteling van nucleaire installaties in de Unie, om mogelijke synergieën binnen de Unie te realiseren.
c)  banden smeden en uitwisselingen tot stand brengen met belanghebbenden, vooral in de industrie, op het gebied van de ontmanteling van nucleaire installaties en het beheer en de verwijdering van radioactief afval in de Unie, om te zorgen voor de verspreiding van kennis en de uitwisseling van ervaring op alle betrokken gebieden, zoals onderzoek en innovatie, regulering en training, en mogelijke synergieën binnen de Unie te realiseren.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 – inleidende formule
2.  De indicatieve verdeling van het in lid 1 genoemde bedrag is:
2.  De verdeling van het in lid 1 genoemde bedrag is:
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – alinea 1
Met het programma kunnen de subsidiabele kosten van een actie worden gefinancierd tot het in de bijlagen I en II vastgestelde maximumpercentage. Het maximale medefinancieringspercentage van de Unie dat van toepassing is in het kader van het Kozloduy-programma of het Bohunice-programma, bedraagt 50 %. De resterende kosten zijn voor rekening van respectievelijk Bulgarije en Slowakije.
Met het programma kunnen de subsidiabele kosten van een actie worden gefinancierd als voorzien in bijlagen I en II. Het minimale medefinancieringspercentage van de Unie dat van toepassing is in het kader van het Kozloduy-programma of het Bohunice-programma, bedraagt 50 %. De resterende kosten zijn voor rekening van respectievelijk Bulgarije en Slowakije.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2
2.  Voor de projecten en activiteiten die worden gefinancierd in de periode 2021-2027 geldt een maximumpercentage voor EU-medefinanciering van 50 %.
2.  Voor de projecten en activiteiten die worden gefinancierd in de periode 2021-2027 geldt een minimumpercentage voor Unie-medefinanciering van 50 %.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – punt 2
2.  Voor de projecten en activiteiten die worden gefinancierd in de periode 2021-2027 geldt een maximumpercentage voor EU-medefinanciering van 50 %.
2.  Voor de projecten en activiteiten die worden gefinancierd in de periode 2021-2027 geldt een minimumpercentage voor Unie-medefinanciering van 50 %.

Uitvoering van de handelspijler van de associatieovereenkomst met Midden-Amerika
PDF 155kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 16 januari 2019 over de uitvoering van de handelspijler van de associatieovereenkomst met Midden-Amerika (2018/2106(INI))
P8_TA(2019)0025A8-0459/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien deel IV van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds(1),

–  gezien zijn resolutie van 11 december 2012 over het ontwerpbesluit van de Raad tot sluiting van de overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds(2), en Midden-Amerika, anderzijds, en het bijbehorende tussentijdse verslag(3),

–  gezien de jaarverslagen van de Commissie van 18 maart 2015, 18 februari 2016 en 5 april 2017 over de uitvoering van deel IV van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Midden-Amerika, anderzijds (respectievelijk COM(2015)0131, COM(2016)0073 en COM(2017)0160),

–  gezien zijn resolutie van 31 mei 2018 over de situatie in Nicaragua(4) en de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) namens de EU over de situatie in Nicaragua van 2 oktober 2018,

–  gezien de resoluties van de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering over het bestuur van de globalisering en over maatschappelijk verantwoord ondernemen in de EU en in Latijns-Amerikaanse en Caribische landen (LAC), die beide op 20 september 2018 in Wenen zijn aangenomen,

–  gezien het verslag van de Commissie van 9 november 2017 over de uitvoering van vrijhandelsovereenkomsten 1 januari 2016 - 31 december 2016 (SWD(2017)0364),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 februari 2018 inzake hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling in vrijhandelsovereenkomsten van de EU(5),

–  gezien zijn resoluties van 30 mei 2018 over het jaarverslag over de uitvoering van het gemeenschappelijk handelsbeleid(6) en van 25 oktober 2018 over het in goede banen leiden van de mondialisering: handelsaspecten(7),

–  gezien het verslag van de vierde vergadering van het Associatiecomité van 14 juni 2018,

–  gezien het verslag van 13 juni 2018 aan het Forum voor het maatschappelijk middenveld van de vierde vergadering van de raad inzake handel en duurzame ontwikkeling over de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie (EU) en Midden-Amerika(8),

–  gezien de samenvatting van het debat in de gezamenlijke vergadering van de adviesgroepen van het maatschappelijk middenveld van Europa en Midden-Amerika op 16 juni 2016(9),

–  gezien de openbare hoorzittingen in de Commissie internationale handel (INTA) op 20 juni 2018, 15 maart 2016, en 27 maart 2012,

–  gezien zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na het onderzoek naar witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking(10),

–  gezien de gezamenlijke verklaring over handel en economische empowerment van vrouwen ter gelegenheid van de ministeriële conferentie van de World Trade Organization (WTO) in Buenos Aires in december 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0459/2018),

A.  overwegende dat de associatieovereenkomst tussen de Europese Unie en Midden-Amerika (hierna "de overeenkomst") de eerste interregionale associatieovereenkomst was die de EU heeft gesloten; overwegende dat de overeenkomst gebaseerd is op drie pijlers, namelijk politieke dialoog, samenwerking en handel; overwegende dat de handelspijler van de overeenkomst (deel IV) vrij breed en ambitieus was toen erover werd onderhandeld, maar dat het achteraf ontbreekt aan actuele bepalingen over, onder andere, gender en handel, digitale handel en e-handel, aanbestedingen, investeringen, anticorruptie of het midden- en kleinbedrijf (mkb);

B.  overwegende dat de handelspijler van de overeenkomst voorlopig is toegepast voor een periode van vijf jaar: sinds 1 augustus 2013 met Honduras, Nicaragua en Panama, sinds 1 oktober 2013 met Costa Rica en El Salvador, en sinds 1 december 2013 met Guatemala;

C.  overwegende dat de pijlers politieke dialoog en samenwerking nog steeds niet door alle lidstaten worden toegepast, aangezien niet alle lidstaten de overeenkomst hebben geratificeerd; overwegende dat de niet-toepassing van deze twee pijlers leidt tot een onevenwichtigheid tussen handelsgerelateerde kwesties en politieke kwesties, namelijk de kernwaarden van de EU, zoals de bevordering van democratie en mensenrechten;

D.  overwegende dat Midden-Amerika een relatief kleine markt is met bijna 43 miljoen inwoners en goed is voor 0,25 % van het mondiale bbp;

E.  overwegende dat de Midden-Amerikaanse landen de afgelopen 15 jaar meer openstonden voor handel dan andere landen met hetzelfde inkomensniveau; overweg