Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2684(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0096/2019

Ingediende teksten :

B8-0096/2019

Debatten :

PV 12/02/2019 - 21
CRE 12/02/2019 - 21

Stemmingen :

PV 13/02/2019 - 16.9
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0111

Aangenomen teksten
PDF 148kWORD 55k
Woensdag 13 februari 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Een stap terug op het gebied van rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU
P8_TA-PROV(2019)0111B8-0096/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU (2018/2684(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de vraag aan de Commissie over verslechteringen op het gebied van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU (O-000135/2018 – B8-0005/2019),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid,

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 8 en 153 (over de gelijkheid van mannen en vrouwen), de artikelen 10 en 19 (over non-discriminatie) en de artikelen 6, 9 en 168 (over gezondheid),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name de artikelen 2 en 3, waarin het beginsel van gelijkheid van vrouwen en mannen en non-discriminatie als een kernwaarde van de Unie is vastgelegd,

–  gezien het Handvest van de grondrechten, en met name de artikelen 21 (over non-discriminatie), 23 (over gelijkheid van vrouwen en mannen) en 35 (over gezondheidszorg),

–  gezien de verklaring en het actieprogramma van Peking van september 1995 en de internationale conferentie van de VN over bevolking en ontwikkeling (conferentie van Caïro) van september 1994 en het actieprogramma daarvan, alsmede de resultaten van hun toetsingsconferenties,

–  gezien het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM),

–  gezien het VN-Verdrag inzake de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW),

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul),

–  gezien de conclusies van het door de Commissie georganiseerde jaarlijks colloquium van 2017 over de grondrechten met als thema vrouwenrechten in turbulente tijden,

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de term "verslechteringen" in dit verband kan worden gedefinieerd als verzet tegen progressieve maatschappelijke veranderingen en achteruitgang ten aanzien van verworven rechten of de instandhouding van een ongelijke status quo, en dat de verslechtering van de rechten van de vrouw en van de gelijkheid van mannen en vrouwen bijzonder zorgwekkend is; overwegende dat een dergelijk verzet kan worden uitgeoefend ongeacht iemands sociale achtergrond of leeftijd, zowel formeel als informeel van aard kan zijn en kan bestaan uit passieve of actieve strategieën om verdere vooruitgang tegen te gaan door te proberen wetten of beleidsmaatregelen te wijzigen die uiteindelijk de verworven rechten van burgers zouden beperken; overwegende dat dit gepaard is gegaan met de verspreiding van nepnieuws en schadelijke stereotiepe opvattingen;

B.  overwegende dat rechten van de vrouw mensenrechten zijn;

C.  overwegende dat het niveau van gendergelijkheid vaak een aanwijzing en een eerste waarschuwing die wijst op de verslechterende situatie op het gebied van grondrechten en waarden, met inbegrip van de democratie en de rechtsstaat, in de desbetreffende samenleving; overwegende dat pogingen om de rechten van vrouwen te beperken of te ondermijnen vaak een teken zijn van ruimere maatschappelijke conflicten;

D.  overwegende dat alle lidstaten uit hoofde van het internationaal recht en de EU-Verdragen de taken en verplichtingen hebben om ervoor te zorgen dat de grondrechten en de rechten van de vrouw worden geëerbiedigd, gewaarborgd, beschermd en gehandhaafd;

E.  overwegende dat de gelijkheid van mannen en vrouwen een fundamentele waarde van de EU is; overwegende dat het recht op gelijke behandeling en non-discriminatie een grondrecht is dat is verankerd in de Verdragen en dat dit recht moet worden toegepast in de wetgeving, de praktijk, de jurisprudentie en het dagelijks leven;

F.  overwegende dat de Unie, overeenkomstig artikel 8 van het VWEU, er bij elk optreden naar streeft "de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen"; overwegende dat de taak om deze ongelijkheden op te heffen primair de verantwoordelijkheid van de lidstaten is;

G.  overwegende dat de gendergelijkheidsindex wijst op blijvende ongelijkheden, met slechts een marginale vooruitgang tussen 2005 en 2015; overwegende dat de situatie in alle lidstaten nog altijd aanzienlijk moet worden verbeterd om een samenleving tot stand te brengen waarin vrouwen en mannen in alle facetten van het privé- en beroepsleven op gelijke wijze worden vertegenwoordigd, worden gerespecteerd en veilig zijn; overwegende dat alle mensen profiteren van de gevolgen van gendergelijkheidsbeleid en dat dit ook een positieve impact heeft op de samenleving als geheel; overwegende dat, als wij geen vooruitgang boeken op het gebied van de rechten van de vrouw, er sprake zal zijn van achteruitgang;

H.  overwegende dat de ontwikkeling van een gelijkheidsbeleid gebaseerd moet zijn op toegang tot gelijke kansen voor vrouwen en mannen, en tegelijkertijd vrouwen en mannen moet ondersteunen om hun werk en gezin op elkaar af te stemmen;

I.  overwegende dat vorderingen op het gebied van gendergelijkheid en bevordering van de rechten van de vrouw niet automatisch of lineair plaatsvinden; overwegende dat de bescherming en bevordering van gendergelijkheid constante inspanningen vergt;

J.  overwegende dat discriminatie ten aanzien van vrouwen tal van vormen kan aannemen, onder meer structurele en economische discriminatie en discriminatie op het werk, die verborgen en onopvallend kan zijn omdat ze zo alomtegenwoordig is;

K.  overwegende dat er in het huidige decennium sprake is van een zichtbaar en georganiseerd offensief op mondiaal en Europees niveau tegen gendergelijkheid en vrouwenrechten, ook in de EU en met name in een aantal lidstaten;

L.  overwegende dat deze verslechtering ook op EU-niveau kan worden waargenomen en dat het feit dat de Commissie aan het begin van de huidige zittingsperiode heeft besloten de strategie voor gendergelijkheid die zij tot nu toe ten uitvoer heeft gelegd, niet voort te zetten, nog steeds betreurenswaardig is;

M.  overwegende dat deze verslechteringen van de rechten van de vrouw zich overal op dezelfde gebieden lijken voor te doen en onder meer optreden in belangrijke onderdelen van het institutionele en beleidskader voor gendergelijkheid en vrouwenrechten, zoals gendermainstreaming, sociale en arbeidsbescherming, onderwijs, seksuele en reproductieve gezondheid en rechten, preventie en bestrijding van geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, LGBTI+-rechten, de aanwezigheid van vrouwen in politieke besluitvormingsposities, en adequate financiering van vrouwen- en andere mensenrechtenorganisaties en -bewegingen; overwegende dat sommige anti-mensenrechtenactivisten en -organisaties er met hun strategieën naar streven om de bestaande wetten op het gebied van de fundamentele mensenrechten teniet te doen, met name wat betreft: seksualiteit en reproductie, onder meer het recht op moderne anticonceptie, geassisteerde voortplantingstechnieken of veilige abortus; gelijke behandeling van lesbiennes en homo-, bi-, trans- of interseksuelen (LGBTI+); toegang tot stamcelonderzoek; en het recht om van geslacht te veranderen zonder juridische gevolgen te moeten vrezen;

N.  overwegende dat vrouwen veel vaker terechtkomen in precaire arbeid en in diverse vormen van "atypisch werk"; overwegende dat de werkloosheid in de periode 2008-2014 is gestegen als gevolg van de diepe economische crisis die in de hele EU woedde, en dat in 2014 de werkloosheid onder vrouwen (10,4 %) nog steeds hoger was dan die van mannen (10,2 %); overwegende dat de economische crisis de gehele Europese Unie heeft getroffen, maar in het bijzonder de plattelandsgebieden die kampen met alarmerende werkloosheidscijfers, armoede en ontvolking, waarvan met name vrouwen gevolgen ondervinden;

O.  overwegende dat vrouwenorganisaties, vrouwengroeperingen en vrouwenrechtenactivisten de afgelopen tien jaar gefungeerd hebben als katalysatoren en voorlopers bij wetgevings- en beleidsontwikkelingen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van en de vooruitgang op het gebied van de rechten van de vrouw; overwegende dat zij aanzienlijke problemen ondervinden bij de toegang tot financiering als gevolg van restrictieve criteria en administratieve lasten, alsook een steeds vijandiger omgeving die hen niet langer in staat stelt hun taken van algemeen belang doeltreffend uit te voeren;

P.  overwegende dat vele lidstaten het Verdrag van Istanbul nog altijd niet hebben geratificeerd noch omgezet en overwegende dat er statelijke beperkingen zijn met betrekking tot de toegang tot seksuele en reproductieve rechten in de Europese Unie;

Q.  overwegende dat in de eerste helft van 2018 in verschillende lidstaten verzet is aangetekend tegen het Verdrag van Istanbul, waardoor ruimte is ontstaan voor haatzaaiende uitlatingen, vooral gericht op LGBTI+-personen; overwegende dat noch in de Raad noch in de Europese Raad iets is ondernomen om hier tegenin te gaan;

R.  overwegende dat de Raad van Europa er in 2017 voor waarschuwde dat de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen onder vuur liggen, aangezien een aantal van zijn leden trachtte de wetgeving inzake toegang tot abortus en anticonceptie in te perken; overwegende dat het VN-Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen (CEDAW) en het VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap (CRPD) in augustus 2018 een gezamenlijke verklaring hebben afgelegd waarin wordt benadrukt dat de toegang tot veilige en legale abortus en de daarmee verband houdende diensten en informatie essentiële aspecten van de reproductieve gezondheid van vrouwen zijn, en waarin landen werden verzocht de achteruitgang ten aanzien van de seksuele en reproductieve rechten van vrouwen en meisjes, die een bedreiging vormt voor de gezondheid en het leven van vrouwen en meisjes, tegen te gaan; overwegende dat het Parlement heeft erkend dat wanneer vrouwen een wettelijke en veilige toegang tot abortus wordt ontzegd dit een gewelddaad jegens vrouwen is;

S.  overwegende dat in sommige landen organisaties die zich actief verzetten tegen seksuele en reproductieve rechten voor vrouwen van sommige regeringen overheidssteun ontvangen in de vorm van overheidsfinanciering, waardoor zij gecoördineerde activiteiten kunnen organiseren op internationaal en Europees niveau;

T.  overwegende dat voorlichting over relatie, seksualiteit en gendergelijkheid die voldoet aan de normen voor voorlichting over seksualiteit van de Wereldgezondheidsorganisatie en het actieplan inzake seksuele en reproductieve gezondheid van de Wereldgezondheidsorganisatie niet in alle lidstaten wordt gegeven, hetgeen neerkomt op een tekortschieten bij de toepassing van internationale richtsnoeren; is verontrust over het groeiende verzet tegen deze voorlichting en over de stigmatisering van degenen die eraan deelnemen door bepaalde politieke bewegingen, vaak als gevolg van desinformatiecampagnes over de inhoud van seksuele voorlichting in veel lidstaten, die het verstrekken van dergelijke informatieve, belangrijke en inclusieve voorlichting voor iedereen in de weg staan;

U.  overwegende dat eeuwenoude patriarchale structuren wereldwijd zorgen voor de onderdrukking van vrouwen alsmede hun rechten en voor de instandhouding van de ongelijkheid van mannen en vrouwen; overwegende dat om deze structuren te overwinnen er wereldwijd aan verschillende machtsposities en -mechanismen moeten worden getornd;

V.  overwegende dat de bevordering van gendergelijkheid en investeren in vrouwen voor de hele samenleving lonend zijn, aangezien vrouwen met economische middelen en leiderschapscapaciteiten zullen investeren in de gezondheidszorg, de voeding, het onderwijs en het welzijn van hun kinderen en hun gezin;

1.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan zich sterk te blijven inzetten voor en prioriteit te geven aan gendergelijkheid, vrouwenrechten en LGBTI+-rechten en vrouwenrechten, met inbegrip van de rechten van de meest kwetsbare minderheden; herinnert alle lidstaten aan hun verplichtingen om de rechten van vrouwen te handhaven en gendergelijkheid te bevorderen; dringt erop aan dat deze opvattingen en maatregelen die de rechten, autonomie en emancipatie van vrouwen op alle terreinen ondermijnen, krachtig worden veroordeeld; merkt op dat een belangrijke manier om genoemde verslechteringen tegen te gaan erin bestaat om proactief te werken aan de bevordering van op rechten gebaseerde gelijkheid van mannen en vrouwen en de integratie van genderaspecten in het algemeen;

2.  merkt op dat de aard, de intensiteit en de gevolgen van de verslechteringen van de rechten van de vrouw per land en regio verschillen, en in sommige gevallen slechts retorisch zijn, maar in andere gevallen worden omgezet in concrete maatregelen en initiatieven; wijst er echter op dat dit in bijna alle lidstaten merkbaar is; is van mening dat de achteruitgang ook wordt veroorzaakt door het debat dat gevoerd wordt en door de beleidskeuzes;

3.  wijst erop dat onafhankelijkheid van vrouwen door middel van sociaaleconomische emancipatie beleid vergt dat gericht is op werk, bijdraagt aan de bestrijding van de aanzienlijke ongelijkheden en discriminatie op het werk, hogere lonen stimuleert, regulering van de arbeidsmarkt en van arbeidstijden bewerkstelligt, alle vormen van onzeker of onbetaald werk bestrijdt of verbiedt en het recht op collectieve onderhandelingen beschermt;

4.  merkt op dat vrouwen uit minderheidsgroepen, waaronder gender- en seksuele, etnische en religieuze minderheden, het meest kwetsbaar zijn voor deze verslechterende situatie;

5.  benadrukt dat gendergelijkheid niet kan worden bereikt als niet alle vrouwen gelijke rechten krijgen, waaronder vrouwen uit religieuze en etnische minderheidsgroepen die geconfronteerd worden met meerdere vormen van ongelijkheid;

6.  veroordeelt de herinterpretatie en heroriëntering van gendergelijkheid in de vorm van gezins- en moederschapsbeleid, die in enkele lidstaten gaande zijn; wijst erop dat dit alleen betrekking heeft op specifieke groepen en geen inclusieve benadering inhoudt; merkt voorts op dat dit beleid niet gericht is op een duurzame structurele verandering die zou leiden tot een duurzame verbetering van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid;

7.  roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat de rechten van vrouwen en LGBTI+-rechten worden beschermd en erkend als beginselen van gelijkheid in het kader van de democratie en de rechtsstaat; is niettemin van mening dat de wettelijke verankering van de rechten van de vrouw niet voldoende is om gendergelijkheid te bereiken en dat dit alleen kan worden bereikt als de lidstaten de betrokken wetten omzetten, goedkeuren, ten uitvoer leggen en handhaven om de rechten van de vrouw volledig te beschermen; betreurt dat de rechten van de vrouw niet holistisch worden gehanteerd als een leidend beginsel van alle nationale en Europese maatregelen van overheidsbeleid, vergezeld van de bijbehorende begroting; is van mening dat het van cruciaal belang is te investeren in educatie, om een verdere verslechtering te voorkomen; roept de Commissie en de lidstaten op om het publiek meer bewust te maken van het belang en de voordelen van de bescherming van de rechten van vrouwen en gendergelijkheid en de uitbanning van genderstereotypen voor de samenleving, en om de ontwikkeling en verspreiding van empirisch onderbouwd onderzoek en informatie op het gebied van vrouwenrechten verder te ondersteunen;

8.  roept alle lidstaten op zich te verbinden tot en zich te houden aan de relevante internationale verdragen en akkoorden, alsmede aan de beginselen die zijn vastgelegd in hun fundamentele wetgeving, als middel om de rechten van minderheden en vrouwen, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheidsrechten en gendergelijkheid in het algemeen, te eerbiedigen en te versterken;

9.  benadrukt dat de preventie en bestrijding van alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van traditionele schadelijke praktijken en gendergerelateerd geweld, nog steeds met talrijke uitdagingen te maken heeft; is bezorgd over de verschillende vormen van geweld die zijn toegenomen, zoals seksistische en tegen LGBTI's gericht haatdragende taal, misogynie en online geweld, waaronder intimidatie en stalking, alsook geweld tegen vrouwen op de werkplek of in de context van mensenhandel en prostitutie; herinnert eraan dat er preventieve en beschermende maatregelen voor vrouwen en meisjes tegen gendergerelateerd geweld moeten worden genomen en dat de daders voor de rechter moeten worden gebracht, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat de opvanghuizen voor vrouwen adequaat worden gefinancierd, ondersteund en van personeel voorzien; herinnert aan het cruciale belang van de tenuitvoerlegging van de richtlijn inzake de rechten van slachtoffers, de richtlijn betreffende het Europees beschermingsbevel en de richtlijn ter bestrijding van mensenhandel; benadrukt dat het gebrek aan vergelijkbare gegevens moet worden aangepakt om de beleidsmakers op de hoogte te brengen van deze nieuwe ontwikkelingen; dringt erop aan dat op het niveau van de EU en de lidstaten bewustmakingscampagnes ter bestrijding van gendergerelateerd en huiselijk geweld worden opgezet;

10.  dringt er bij zijn leden op aan duidelijk te maken dat het hatelijke, seksistische uitlatingen in de plenaire vergaderzaal absoluut niet tolereert door zijn Reglement te wijzigen en een verbod op dergelijke uitlatingen op te nemen;

11.  herhaalt de oproep voor het nemen van zo doeltreffend mogelijke maatregelen door het Europees Parlement ter bestrijding van seksuele intimidatie, teneinde werkelijke gelijkheid van mannen en vrouwen te bereiken; verzoekt om invoering van een externe audit om een indicatie te krijgen van de werkwijze die het best gevolgd kan worden, om een verplichte training "Respect en waardigheid op de werkplek" voor al het personeel van het Parlement, met inbegrip van de EP-leden, alsmede om een vernieuwde samenstelling van de twee commissies die bevoegd zijn voor intimidatie, zodat deze uit onafhankelijke deskundigen bestaan en gelijkheid wordt geëerbiedigd;

12.  is van mening dat het werken aan de bewustmaking onder mannen een belangrijke factor is om de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en geweld tegen vrouwen uit te bannen;

13.  veroordeelt de misleidende campagne tegen het Verdrag van Istanbul, dat geweld tegen vrouwen wil aanpakken; is bezorgd over de afwijzing van nultolerantie voor geweld tegen vrouwen en gendergerelateerd geweld, waarover een sterke internationale consensus bestaat; geeft aan dat de essentie van de beginselen van mensenrechten, gelijkheid, autonomie en waardigheid in twijfel wordt getrokken; verzoekt de Raad de ratificatie van het Verdrag van Istanbul door de EU en de volledige tenuitvoerlegging ervan te voltooien en te pleiten voor de ratificatie van het verdrag door alle lidstaten;

14.  merkt op dat huiselijk geweld in sommige lidstaten als de meest verbreide vorm van geweld wordt beschouwd en spreekt zijn bezorgdheid uit over het toenemende aantal vrouwen die huiselijk geweld ervaren;

15.  veroordeelt de toename van geweld tegen vrouwen met klem, een toename die op afschuwelijke wijze tot uiting komt in het aantal moorden;

16.  merkt op dat slachtoffers van gendergerelateerd geweld, met inbegrip van huiselijk geweld, vaak beperkte toegang hebben tot de rechter en tot een goede bescherming, ondanks het feit dat er wetgeving bestaat inzake de bestrijding van alle vormen van geweld; merkt tevens op dat de wetten slecht worden uitgevoerd en gehandhaafd; verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat alle slachtoffers van gendergerelateerd en huiselijk geweld gendergevoelige juridische bijstand krijgen om te voorkomen dat zij eens te meer slachtoffer worden en de daders niet worden gestraft, en om de melding van het aantal dergelijke misdrijven te verbeteren;

17.  wijst op de zorgwekkende tendens dat er steeds minder ruimte is voor het maatschappelijk middenveld in de wereld en ook in Europa, en dat er steeds meer sprake is van strafbaarstelling, bureaucratisering en financiële beperkingen voor organisaties die ijveren voor grondrechten, met inbegrip van vrouwenrechtenorganisaties en -activisten;

18.  spreekt zijn krachtige steun uit voor en solidariteit met de wijdverbreide, door vrouwenorganisaties en vrouwenbewegingen ontplooide initiatieven waarbij gendergelijkheid wordt geëist; benadrukt dat zij permanent financieel moeten worden ondersteund om ervoor te zorgen dat zij hun werkzaamheden kunnen voortzetten; dringt daarom aan op verhoging van de financiering door de lidstaten en de EU voor de financiële instrumenten waarover deze organisaties kunnen beschikken; dringt erop aan dat de toegang tot deze middelen minder bureaucratisch gemaakt moet worden en niet discriminerend mag zijn met betrekking tot de doelstellingen en activiteiten van de organisaties;

19.  is derhalve bezorgd over de berichten dat de middelen voor vrouwenrechtenorganisaties en blijf-van-mijn-lijfhuizen in sommige lidstaten worden verlaagd;

20.  vraagt de lidstaten toereikende financiële middelen ter beschikking te stellen om instrumenten ter bestrijding van alle vormen van geweld, en met name geweld tegen vrouwen, ten uitvoer te leggen;

21.  wijst op de tendens in sommige lidstaten om een parallel ngo-landschap te creëren met ngo's die bestaan uit regeringsgezinde personen en organisaties; benadrukt het belang van een kritisch, divers ngo-landschap voor de rechten van de vrouw en gendergelijkheid en voor de samenleving als geheel;

22.  verzoekt de Commissie en de lidstaten hun mechanismen voor de verdeling, monitoring en evaluatie van de financiering te herzien en ervoor te zorgen dat deze gendergevoelig zijn en zijn aangepast aan de problemen waarmee specifieke organisaties en bewegingen, met name kleine en middelgrote organisaties en bewegingen, worden geconfronteerd op het moment van de verslechtering van de situatie, en waar nodig instrumenten zoals gendereffectbeoordelingen en genderbudgettering toe te passen; verzoekt de Commissie en de lidstaten de financiering te verhogen voor de bescherming en bevordering van de rechten van de vrouw en gendergelijkheid, met inbegrip van seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de EU en de rest van de wereld;

23.  verzoekt de Commissie rechtstreekse en aanzienlijke financiële steun te verstrekken aan vrouwenorganisaties in landen die te maken hebben met een stelselmatig gebrek aan financiering en aanvallen door organisaties uit het maatschappelijk middenveld, om de continuïteit van onderbroken diensten ter bescherming en ondersteuning van vrouwen en hun rechten te waarborgen, en een financieringsoverzicht op te stellen zodat de lidstaten EU-financiering verdelen over organisaties waarvan de activiteiten en diensten niet-discriminerend, inclusief en op overlevenden gericht zijn en geen genderstereotypen, traditionele rollen voor mannen en vrouwen of intolerantie propageren;

24.  beschouwt prostitutie als een ernstige vorm van geweld en uitbuiting;

25.  dringt er bij de Commissie op aan met een evaluatie te komen van de huidige situatie van prostitutie in de EU, wier smokkelnetwerken profiteren van de interne markt; verzoekt de Commissie voldoende middelen toe te kennen aan programma's om slachtoffers van mensenhandel en seksuele uitbuiting een uitweg uit de prostitutie te bieden;

26.  verzoekt de Commissie de bevordering en verbetering van de seksuele en reproductieve gezondheid en rechten in de volgende gezondheidsstrategie op te nemen;

27.  roept de lidstaten op een einde te maken aan de bezuinigingen op het gebied van gendergelijkheidsprogramma's en openbare diensten, en met name op het gebied van de verlening van seksuele en reproductieve gezondheidszorg, en reeds bestaande maatregelen terug te draaien;

28.  overwegende dat in sommige lidstaten de duur van het moederschapsverlof wordt bepaald door de economische sector, waarbij geen rekening wordt gehouden met sociale en gezondheidsfactoren die een invloed hebben op zowel vrouwen als kinderen; herinnert eraan dat de bescherming van moederschaps-, vaderschaps- en ouderschapsrechten hand in hand gaat met de bescherming van arbeidsrechten en baanzekerheid;

29.  herinnert eraan dat het waarborgen van gendergelijkheid en het aanpakken van de genderloonkloof en de genderpensioenkloof enorme sociale en economische voordelen hebben voor de gezinnen en de samenleving;

30.  pleit voor gerichte initiatieven voor de versterking van de economische positie van vrouwen en voor de aanpak van gendersegregatie en de toegang van vrouwen tot de arbeidsmarkt, met name op het gebied van vrouwelijk ondernemerschap, digitalisering en STEM-opleiding, om een digitale genderkloof tegen te gaan;

31.  benadrukt dat het noodzakelijk is vrouwen mondig te maken en hen in staat te stellen deel te nemen aan de besluitvorming en leidinggevende posities te bekleden om negatieve stereotypen te bestrijden;

32.  roept op tot daadwerkelijke maatregelen om de genderloonkloof te dichten, omdat die een negatieve impact heeft op de sociale en economische positie van vrouwen; onderstreept dat de bescherming en actieve toepassing van collectieve onderhandelingen, de bevordering van hogere lonen, het verbod op alle vormen van onzeker of onbetaald werk en de regulering van de arbeidsmarkt en arbeidstijden essentiële stappen zijn om de loonkloof tussen mannen en vrouwen te dichten;

33.  benadrukt dat het verzamelen van naar gender uitgesplitste gegevens verder moet worden verbeterd, met name op het gebied van informele werkgelegenheid, ondernemerschap en toegang tot financiering, toegang tot gezondheidszorg, geweld tegen vrouwen en onbetaald werk; benadrukt de noodzaak om gegevens en bewijsmateriaal van hoge kwaliteit te verzamelen en te gebruiken voor een geïnformeerde en empirisch onderbouwde beleidsvorming;

34.  betreurt dat genderbudgettering in de verordening betreffende het meerjarig financieel kader voor 2021-2027 niet als horizontaal beginsel is erkend en verzoekt de Raad deze verordening met spoed te wijzigen, waarmee hij zijn inzet voor gendergelijkheid opnieuw bevestigt; verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het opstellen van begrotingen een gendergevoelige benadering te hanteren waarbij uitdrukkelijk wordt gevolgd welk aandeel van de overheidsmiddelen bestemd is voor vrouwen en voor de bestrijding van de genderkloof en er zo voor te zorgen dat al het beleid om middelen vrij te maken en uitgaven toe te wijzen gendergelijkheid bevordert;

35.  merkt op dat gendermainstreaming deel uitmaakt van een globale strategie inzake gendergelijkheid en beklemtoont daarom dat de inzet van EU-instellingen op dat gebied van fundamenteel belang is; betreurt in dit verband dat er geen EU-gendergelijkheidsstrategie 2016-2020 is vastgesteld en dat het strategisch engagement voor gendergelijkheid werd gedegradeerd tot een werkdocument van de diensten van de Commissie; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om een EU-strategie voor de rechten van de vrouw en gendergelijkheid vast te stellen;

36.  dringt er bij de Raad op aan de richtlijn inzake de man-vrouwverhouding bij niet-uitvoerende bestuurders van beursgenoteerde ondernemingen (richtlijn vrouwelijke bestuurders) te deblokkeren om het grote gebrek aan evenwicht tussen vrouwen en mannen bij de economische besluitvorming op het hoogste niveau aan te pakken;

37.  dringt er bij de Raad op aan de richtlijn betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling buiten de arbeidsmarkt, ongeacht leeftijd, handicap, seksuele gerichtheid of geloof, te deblokkeren, met als doel de bescherming tegen discriminatie via een horizontale aanpak uit te breiden;

38.  herhaalt zijn oproepen aan de Commissie om Richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep(1) te herzien en dringt aan op een passende follow-up op grond van de aanbeveling van de Commissie van 2014 inzake loontransparantie om een einde te maken aan de aanhoudende genderloonkloof;

39.  overwegende dat de werkzaamheden betreffende de moederschapsverlofrichtlijn zijn opgeschort;

40.  verzoekt de Commissie een samenhangend en alomvattend stappenplan uit te werken voor de verwezenlijking van gendergelijkheid en de bescherming van gelijke rechten voor vrouwen, met inbegrip van de uitbanning van alle vormen van geweld tegen vrouwen;

41.  verzoekt de Commissie nauwlettend toezicht te houden op de bevordering en de status van gendergelijkheid in de meest getroffen lidstaten, met speciale aandacht voor het institutionele, beleids- en wetgevingskader;

42.  is bezorgd over het feit dat de tegenstanders van reproductieve rechten en de autonomie van vrouwen een aanzienlijke invloed hebben gehad op de nationale wetgeving en het nationale beleid, met name in sommige lidstaten, en de gezondheid en de reproductieve rechten van vrouwen proberen te ondermijnen, met name wat betreft de toegang tot gezinsplanning en anticonceptie, alsmede pogingen om het recht op vrijwillige zwangerschapsafbreking te beperken of te beëindigen; wijst er nogmaals op dat er beleid moet worden vastgesteld om moederschap en ouderschap te beschermen, waarbij een stabiele werkplek en sociale ondersteuning worden gewaarborgd, gepaard met beleid om infrastructuur voor gezinssteun, voorschoolse opvangfaciliteiten en thuiszorg voor zieken en ouderen te regelen;

43.  bekritiseert het misbruik van feminisme en de strijd voor de rechten van de vrouw voor het aanzetten tot racisme;

44.  beveelt de lidstaten aan ervoor te zorgen dat alle jongeren worden voorgelicht over seksualiteit en relaties; is van mening dat bredere onderwijsstrategieën een belangrijk instrument zijn om alle vormen van geweld te voorkomen, met name gendergerelateerd geweld, en vooral tijdens de adolescentie;

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie en de Raad.

(1) PB L 204 van 26.7.2006, blz. 23.

Laatst bijgewerkt op: 18 februari 2019Juridische mededeling