Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2110(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0057/2019

Ingediende teksten :

A8-0057/2019

Debatten :

PV 14/02/2019 - 6
CRE 14/02/2019 - 6

Stemmingen :

PV 14/02/2019 - 10.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0132

Aangenomen teksten
PDF 199kWORD 67k
Donderdag 14 februari 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU
P8_TA-PROV(2019)0132A8-0057/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 14 februari 2019 over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU (2018/2110(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten(1),

–  gezien artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dat stelt dat de Unie en haar lidstaten bij het formuleren en uitvoeren van het beleid van de Unie ten volle rekening houden met hetgeen vereist is voor het welzijn van dieren als wezens met gevoel,

–  gezien de Europese uitvoeringsbeoordeling van Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en de bijlagen daarbij, gepubliceerd door de Parlementaire Onderzoeksdienst (DG EPRS)(2) in oktober 2018,

–  gezien zijn resolutie van 12 december 2012 over de bescherming van dieren tijdens het vervoer(3),

–  gezien het wetenschappelijk advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) van 12 januari 2011 betreffende het welzijn van dieren tijdens het vervoer(4),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 10 november 2011 over de gevolgen van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer (COM(2011)0700),

–  gezien de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 15 februari 2012 over de strategie van de Europese Unie voor de bescherming en het welzijn van dieren 2012-2015 (COM(2012)0006),

–  gezien zijn verklaring nr. 49/2011 van 15 maart 2012 over het vaststellen van een maximale reisduur van acht uur voor slachtdieren die binnen de Europese Unie worden vervoerd(5),

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van 23 april 2015(6),

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer nr. 31/2018 over dierenwelzijn in de EU(7),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie vervoer en toerisme en de Commissie verzoekschriften (A8-0057/2019),

A.  overwegende dat de EU, overeenkomstig de bepaling van artikel 13 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, dieren niet louter beschouwt als goederen, producten of bezittingen, maar als wezens met gevoel, in de zin dat zij vreugde en pijn kunnen ervaren; overwegende dat deze notie in de EU-wetgeving is omgezet in maatregelen die ervoor moeten zorgen dat dieren worden gehouden en vervoerd onder omstandigheden waarbij zij gevrijwaard blijven van mishandeling, misbruik, pijn en lijden; overwegende dat de EU de plaats is waar het dierenwelzijn het meest wordt geëerbiedigd en beschermd en dat de Unie als voorbeeld dient voor de rest van de wereld;

B.  overwegende dat jaarlijks miljoenen dieren over lange afstanden worden vervoerd tussen lidstaten, binnen lidstaten en naar derde landen voor de kwekerij, het opfokken, de verdere afmesting en de slacht; overwegende dat dieren ook worden vervoerd voor recreatieve doeleinden, voor shows en als gezelschapsdier; overwegende dat EU-burgers zich steeds meer zorgen maken over de naleving van de normen inzake dierenwelzijn, met name bij het vervoer van levende dieren;

C.  overwegende dat het Parlement in zijn resolutie van 12 december 2012 heeft aangedrongen op een beperking van de transporttijd van slachtdieren tot maximaal acht uur;

D.  overwegende dat dierenwelzijn volgens de definitie van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) van 2008 betekent dat een dier gezond is, genoeg plek heeft, goed wordt gevoerd, zich veilig voelt, vrij is om normale gedragspatronen te vertonen en niet lijdt onder gevoelens als angst, pijn en nood; overwegende dat dit meestal niet het geval is bij het vervoer van levende dieren, met name over lange afstanden;

E.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 1/2005 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer van toepassing is op het vervoer van alle levende gewervelde dieren binnen de Unie;

F.  overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het waarborgen van de correcte tenuitvoerlegging en handhaving van de verordening op nationaal niveau, met inbegrip van officiële inspecties, terwijl de Commissie verantwoordelijk is voor het waarborgen dat de lidstaten de EU-wetgeving naar behoren uitvoeren;

G.  overwegende dat de lidstaten Verordening (EG) nr. 1/2005 niet dwingend of strikt genoeg handhaven binnen de EU en helemaal niet streven naar de handhaving ervan buiten de EU;

H.  overwegende dat het grote aantal inbreuken dat in 2017 door DG SANTE van de Commissie werd vastgesteld in diverse lidstaten, de inleiding vereist van de desbetreffende inbreukprocedures overeenkomstig het Verdrag;

I.  overwegende dat vervoer een stressvolle aangelegenheid is voor dieren, omdat zij hierdoor worden blootgesteld aan een reeks uitdagingen die schadelijk zijn voor hun welzijn; overwegende dat bij de handel met bepaalde derde landen extra dierenleed wordt veroorzaakt door lange trajecten met een lang oponthoud aan de grenzen voor de controle van documenten, voertuigen en de geschiktheid van dieren voor vervoer;

J.  overwegende dat de kwaliteit en de frequentie van de inspecties van de lidstaten van directe invloed zijn op de mate waarin de voorschriften worden nageleefd; overwegende dat uit een analyse van de inspectieverslagen van de lidstaten blijkt dat de lidstaten grote verschillen vertonen wat het aantal inspecties betreft, dat uiteenloopt van nul tot enkele miljoenen per jaar, en wat het inbreukpercentage betreft, dat uiteenloopt van 0 % tot 16,6 %, hetgeen erop wijst dat de lidstaten verschillende benaderingen hanteren voor inspecties, bijvoorbeeld willekeurige inspecties versus op risico gebaseerde strategieën; overwegende dat het door deze verschillende benaderingen ook onmogelijk is om de gegevens van de lidstaten tegen elkaar af te zetten;

K.  overwegende dat opleiding en bijscholing van bestuurders ter bevordering van voorzichtig rijden volgens het soort dieren dat wordt vervoerd, het welzijn van dieren tijdens het vervoer zou verbeteren(8);

L.  overwegende dat adequate behandeling van dieren kan resulteren in het sneller laden en lossen van dieren, minder gewichtsverlies, minder letsels en verwondingen en een betere kwaliteit van het vlees;

M.  overwegende dat uitgebreide studies aantonen dat dierenwelzijn gevolgen heeft voor de vleeskwaliteit;

N.  overwegende dat de kwaliteit van het vakmanschap bij het laden en lossen alsook de zorg tijdens de doorvoer centraal moeten blijven staan om het dierenwelzijn tijdens het vervoer te beschermen;

O.  overwegende dat geschiktheid voor vervoer een belangrijke factor is bij de waarborging van het dierenwelzijn tijdens het vervoer, aangezien gewonde, verzwakte, drachtige, niet-gespeende en zieke dieren tijdens het vervoer een verhoogd welzijnsrisico lopen; overwegende dat er onzekerheid kan bestaan over de geschiktheid voor vervoer en de fase van de dracht;

P.  overwegende dat problemen met betrekking tot de geschiktheid goed zijn voor het hoogste percentage van de inbreuken, gevolgd door problemen met de documenten;

Q.  overwegende dat de verantwoordelijke personen vaak niet weten wat zij moeten doen wanneer dieren ongeschikt voor vervoer worden verklaard;

R.  overwegende dat de verantwoordelijke personen vaak niet weten hoe ver de dracht van een dier gevorderd is;

S.  overwegende dat het bijzonder problematisch is om niet-gespeende kalveren en lammeren te vervoeren;

T.  overwegende dat landbouwers er het meeste belang bij hebben dat hun dieren geschikt voor vervoer zijn en het meeste te verliezen hebben als het vervoer niet voldoet aan de geldende voorschriften;

U.  overwegende dat er vaak tekortkomingen zijn wat de verzorging van dieren met voldoende voedsel en water betreft en wat het naleven betreft van de rusttijd van 24 uur in geval van een stop bij een gecontroleerde controlepost;

V.  overwegende dat de transportvoertuigen vaak overvol zitten; overwegende dat hoge temperaturen en onvoldoende ventilatie in het voertuig een groot probleem vormen;

W.  overwegende dat er in diverse lidstaten recente uitbraken zijn geweest van besmettelijke dierziekten, zoals Afrikaanse varkenspest, vogelgriep en dierziekten die kleine herkauwers en runderen treffen; overwegende dat het vervoer van levende dieren het risico van verspreiding van deze ziekten kan vergroten;

X.  overwegende dat het vervoer van vlees en andere dierlijke producten, alsmede van zaad en embryo's, technisch en administratief eenvoudiger en soms financieel gunstiger is voor veeboeren dan het vervoer van levende dieren voor de slacht of de kwekerij; overwegende dat de Federatie van dierenartsen in Europa en de Wereldorganisatie voor diergezondheid stellen dat dieren zo dicht mogelijk moeten worden opgefokt bij de locatie waar zij zijn geboren en zo dicht mogelijk bij het productiebedrijf moeten worden geslacht; overwegende dat de beschikbaarheid van slachtfaciliteiten, inclusief mobiele voorzieningen, op of nabij fokkerijen kan helpen om in plattelandsgebieden voor levensonderhoud te zorgen;

Y.  overwegende dat het slachten van dieren zo dicht mogelijk bij de plaats waar zij opgefokt zijn, de beste manier is om hun welzijn te garanderen;

Z.  overwegende dat de slachthuizen in de lidstaten ongelijk zijn verdeeld;

AA.  overwegende dat voor sommige lidstaten en toeleveringsketens in de Unie het vervoer van levende dieren voor verdere productie of de slacht van belang is voor het garanderen van de mededinging op de markt;

Aanbevelingen

Uitvoering en handhaving

1.  stelt vast dat elk jaar miljoenen dieren binnen de EU, en van de EU naar derde landen, worden vervoerd om te worden geslacht of voor fokdoeleinden; is van oordeel dat Verordening (EG) nr. 1/2005, mits correct toegepast en gehandhaafd, positief uitwerkt op het welzijn van dieren tijdens het vervoer; is tevreden met het feit dat de Commissie voor deze kwestie richtsnoeren heeft opgesteld, maar betreurt het feit dat deze richtsnoeren en sommige van de door de Commissie geplande acties volgens het speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 31/2018, tot vijf jaar vertraging hebben opgelopen; merkt op dat er nog altijd grote problemen met het vervoer bestaan en constateert dat handhaving van de verordening naar verluidt de grootste zorg is van degenen die met de uitvoering ervan belast zijn;

2.  onderstreept dat de Commissie verzoekschriften een zeer groot aantal verzoekschriften over het welzijn van dieren tijdens het vervoer ontvangt, waarin vaak systematische, aanhoudende en ernstige schendingen van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad door lidstaten en vervoerders aan de kaak worden gesteld;

3.  benadrukt dat het leed dat dieren tijdens het vervoer wordt aangedaan, aanleiding geeft tot aanzienlijke maatschappelijke bezorgdheid; stelt vast dat de Commissie op 21 september 2017 meer dan één miljoen handtekeningen in ontvangst heeft genomen voor de campagne #StopTheTrucks, waarin Europese burgers vragen een einde te maken aan langeafstandstransporten;

4.  betreurt het feit dat de lidstaten onvoldoende vooruitgang hebben geboekt bij de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1/2005 om de hoofddoelstelling van de verordening – verbetering van het dierenwelzijn tijdens het vervoer – te verwezenlijken, met name ten aanzien van de controle van de vervoersjournaals en de oplegging van sancties; dringt er bij de lidstaten op aan de naleving van Verordening (EG) nr. 1/2005 aanzienlijk te verbeteren; dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een doeltreffende en uniforme handhaving van de bestaande EU-wetgeving inzake het vervoer van dieren in alle lidstaten; dringt er bij de Commissie op aan juridische stappen te ondernemen tegen en sancties op te leggen aan lidstaten die de verordening niet correct toepassen;

5.  benadrukt dat een gedeeltelijke tenuitvoerlegging ontoereikend is voor de verwezenlijking van de overkoepelende doelstelling van de verordening om dieren tijdens het vervoer geen letsel of onnodig lijden te berokkenen en ze niet te laten omkomen, en dat er daarom meer inspanningen moeten worden geleverd om ernstige feiten met een grote nadelige impact op het dierenwelzijn te voorkomen en personen die hiervoor verantwoordelijk zijn, te vervolgen;

6.  betreurt het feit dat een aantal kwesties in verband met Verordening (EG) nr. 1/2005 nog moeten worden opgelost, waaronder: overvolle voertuigen; onvoldoende vrije ruimte boven de dieren; het niet inlassen van de vereiste onderbrekingen voor rust, voer en water; ontoereikende ventilatie- en drenkvoorzieningen; vervoer bij extreme hitte; vervoer van ongeschikte dieren, vervoer van niet-gespeende kalveren; het feit dat de stand van de zwangerschap van levende dieren moet worden vastgesteld; de mate waarin de vervoersjournaals worden gecontroleerd; de verhouding tussen inbreuk/handhaving/sanctie; het gemengde effect van opleiding, bijscholing en certificering; en ontoereikend strooisel, zoals ook vastgesteld door de Rekenkamer in haar speciaal verslag nr. 31/2018 en door ngo's in bij de Commissie ingediende klachten; dringt aan op verbeteringen op bovengenoemde gebieden;

7.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat reizen van vertrek tot aankomst overeenkomstig de EU‑voorschriften voor dierenwelzijn worden gepland en uitgevoerd en dat daarbij rekening wordt gehouden met de verschillende vervoermiddelen en de uiteenlopende geografische omstandigheden in de EU en in derde landen;

8.  benadrukt dat de stelselmatige niet-naleving van de verordening op bepaalde gebieden en in sommige lidstaten leidt tot oneerlijke concurrentie, hetgeen leidt tot een ongelijk speelveld tussen de exploitanten in de verschillende lidstaten, hetgeen op zijn beurt kan leiden tot een neerwaartse spiraal met betrekking tot de normen inzake dierenwelzijn bij het vervoer; aangezien het niveau van sancties in sommige lidstaten tien keer hoger ligt dan in andere, verzoekt de Commissie een geharmoniseerd EU-sanctiesysteem te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de sancties doeltreffend en evenredig zijn en een ontradend effect hebben, rekening houdend met herhaaldelijke inbreuken; verzoekt de Commissie een draaiboek te ontwikkelen voor het gelijktrekken van de sancties in alle lidstaten;

9.  betreurt het feit dat de Commissie de resolutie van het Parlement van 12 december 2012 genegeerd heeft en benadrukt dat een krachtige en geharmoniseerde handhaving met doeltreffende, evenredige en ontradende sancties overeenkomstig artikel 25 van de verordening cruciaal is om het dierenwelzijn tijdens het vervoer te verbeteren en dat de lidstaten zich er niet toe kunnen beperken om louter aanbevelingen te formuleren en instructies te geven; roept de Commissie op om gehoor te geven aan de in die resolutie vervatte oproep om de verordening te controleren op onverenigbaarheden met de wettelijke voorschriften in afzonderlijke lidstaten;

10.  is van mening dat herhaalde inbreuken, wanneer zij zich voordoen in omstandigheden waarover de vervoerder controle had, moeten leiden tot vervolging; verzoekt de lidstaten inbreuken op de verordening te vervolgen, met name wat herhaalde inbreuken betreft; is van mening dat effectieve, evenredige en ontradende sancties de inbeslagname moeten omvatten van voertuigen en verplichte omscholing van degenen die verantwoordelijk zijn voor het welzijn en het vervoer van dieren, en dat dit in de gehele Europese Unie moet worden geharmoniseerd; is van mening dat de sancties de schade, omvang, duur en herhaling van de inbreuk moeten weerspiegelen;

11.  verzoekt de lidstaten op doeltreffender wijze gebruik te maken van de krachtige handhavingsbevoegdheden waarover zij krachtens de verordening beschikken, met inbegrip van de bevoegdheid om vervoerders te verplichten systemen tot stand te brengen om een herhaling van inbreuken te voorkomen en de bevoegdheid om een vergunning van een vervoerder te schorsen of in te trekken; verzoekt de lidstaten voor toereikende corrigerende maatregelen te zorgen en sancties in te voeren om dierenleed te voorkomen en voortdurende niet-naleving door marktdeelnemers af te schrikken; verzoekt de lidstaten en de Commissie bij de tenuitvoerlegging en handhaving van de verordening te streven naar een naleving van 100 %;

12.  verzoekt de Commissie om, na raadpleging van de nationale contactpunten, een lijst op te stellen van de marktdeelnemers die herhaalde en ernstige inbreuken op de verordening hebben gepleegd, op basis van de inspectie- en de uitvoeringsverslagen; verzoekt de Commissie regelmatig bijwerkingen van deze lijst te publiceren en ook voorbeelden van beste praktijken te bevorderen zowel inzake vervoer als inzake bestuur;

13.  benadrukt het feit dat niet-naleving van de verordening door de lidstaten een bedreiging vormt van de doelstelling ervan om het ontstaan en de verspreiding van besmettelijke dierziekten te voorkomen, aangezien vervoer een van de oorzaken is van de snelle verspreiding van deze ziekten, met inbegrip van ziekten die kunnen worden overgedragen op de mens; merkt op dat voertuigen vaak niet voldoen aan de vereisten van artikel 12 van de gewijzigde Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens(9); is met name van mening dat verkeerde afvalopslag een risico inhoudt voor de verspreiding van antimicrobiële resistentie en ziekte; verzoekt de Commissie geharmoniseerde procedures te ontwikkelen voor het verlenen van toelating voor schepen en vrachtwagens en maatregelen te nemen ter voorkoming van de verspreiding van besmettelijke dierziekten door middel van vervoer, zowel binnen de EU als vanuit derde landen, door het bevorderen van bioveiligheidsmaatregelen en meer dierenwelzijn;

14.  roept op tot meer samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten om de handhaving te versterken door gebruikmaking van technologie voor het creëren van een terugkoppeling in real time tussen de lidstaat van het vertrekpunt, de lidstaat van het punt van aankomst en de eventuele doorvoerlanden; verzoekt de Commissie geolocatiesystemen te ontwikkelen ter controle van de locatie van de dieren en de duur van de verplaatsing in voertuigen, alsmede om eventuele niet-naleving van de transporttijden te kunnen vaststellen; is van mening dat, wanneer dieren die in goede gezondheidstoestand zijn vertrokken, in slechte toestand aankomen, dit moet leiden tot een volledig onderzoek en dat in geval van herhaling de verantwoordelijke partijen in de vervoersketen onmiddellijk moeten worden bestraft overeenkomstig de wet en de landbouwer aan wie de dieren toebehoren, recht moet hebben op schadeloosstelling overeenkomstig het nationale recht voor de eventuele hieruit resulterende inkomstenderving; is voorts van mening dat de bevoegde autoriteiten strenge sancties moeten opleggen aan de organisator en de certificerende functionaris van een vervoersjournaal dat gecreëerd is in de lidstaat van vertrek, als het journaal fout of op misleidende wijze is ingevuld;

15.  is van mening dat handhaving in het bijzonder moeilijk is wanneer het reistraject door diverse lidstaten loopt en wanneer de diverse handhavingstaken (goedkeuren van het vervoersjournaal, verlenen van een vergunning aan de vervoerder, getuigschrift van vakbekwaamheid en certificaat van goedkeuring van het vervoermiddel enz.) worden verricht door meer lidstaten; verzoekt de lidstaten die inbreuken vaststellen, alle andere betrokken lidstaten hiervan op de hoogte te stellen, zoals bepaald in artikel 26 van Verordening (EG) nr. 1/2005, om een herhaling van de inbreuken te voorkomen en een geoptimaliseerde risicobeoordeling mogelijk te maken;

16.  verzoekt de Commissie regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de tenuitvoerlegging en de handhaving van de verordening, inclusief een uitsplitsing van de inbreuken per lidstaat, per diersoort en per type inbreuk, in verhouding tot het vervoersvolume van levende dieren per lidstaat;

17.  is ingenomen met de gevallen waarin overheden, wetenschappers, bedrijven, vertegenwoordigers van de bedrijfstak en nationale bevoegde autoriteiten de handen ineen hebben geslagen om beste praktijken te definiëren teneinde te zorgen voor naleving van de wettelijke voorschriften, bijvoorbeeld de website van het Animal Transport Guides-project (richtsnoeren voor het vervoer van dieren); verzoekt de Commissie beste praktijken voor de lidstaten te verspreiden en te bevorderen met betrekking tot het vervoer van vee, en het EU-platform voor dierenwelzijn te ondersteunen, door het bevorderen van een intensievere dialoog en de uitwisseling van goede praktijken tussen alle actoren; verzoekt de Commissie een nieuwe dierenwelzijnsstrategie voor de periode 2020-2024 te ontwikkelen en innovatie in dierenvervoer te ondersteunen;

18.  verzoekt de Commissie te blijven samenwerken met de OIE, de EFSA en de lidstaten om de uitvoering en behoorlijke handhaving van Verordening (EG) nr. 1/2005 te ondersteunen, teneinde aan te zetten tot een intensievere dialoog over kwesties in verband met dierenwelzijn tijdens het vervoer, met bijzondere aandacht voor:

   een betere toepassing van de EU-regels inzake dierenwelzijn tijdens het vervoer, door de uitwisseling van informatie en beste praktijken en de rechtstreekse betrokkenheid van belanghebbende partijen;
   ondersteuning van opleidingsactiviteiten die gericht zijn op bestuurders en vervoersondernemingen;
   een betere verspreiding van de richtsnoeren voor het vervoer van dieren en de factsheets inzake dierenvervoer, met vertaling in alle talen van de EU;
   de ontwikkeling van vrijwillige verbintenissen van ondernemingen om het dierenwelzijn tijdens het vervoer verder te verbeteren, en acties op dit gebied;
   intensievere uitwisseling van informatie en een beter gebruik van beste praktijken tussen de nationale autoriteiten om het aantal inbreuken door vervoersondernemingen en bestuurders terug te dringen;

19.  verzoekt de Commissie de verenigbaarheid te beoordelen van de verordening met Verordening (EG) nr. 561/2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer(10), wat de rij- en rusttijden voor chauffeurs betreft;

20.  wijst erop hoe belangrijk het is om onderscheid te maken tussen de verantwoordelijkheid van ondernemingen voor het vervoer van dieren en de verantwoordelijkheid van boeren, aangezien deze ondernemingen – en niet de boeren – verantwoordelijk moeten worden gehouden voor de problemen die door het vervoer van dieren worden veroorzaakt; herinnert eraan dat boeren het meeste belang hebben bij dierenwelzijn, niet alleen omwille van hun gevoel en affectie, maar ook om economische redenen;

21.  herinnert eraan dat de Commissie in haar rol van hoedster van de verdragen verantwoordelijk is voor het toezicht op de correcte toepassing van EU-wetgeving; verzoekt de Europese Ombudsman te onderzoeken of de Commissie consequent heeft nagelaten de naleving van de huidige verordening te waarborgen en of zij daarom kan worden aangeklaagd voor wanbeheer;

22.  betreurt het besluit van de Conferentie van voorzitters om ondanks de steun van een groot aantal leden van verschillende fracties niet voor te stellen een parlementaire onderzoekscommissie in te stellen voor het welzijn van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU; beveelt daarom aan dat het Parlement aan het begin van de volgende zittingsperiode een onderzoekscommissie instelt voor het welzijn van dieren tijdens het vervoer binnen en buiten de EU, teneinde naar behoren onderzoek te doen naar en toezicht te houden op vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer;

Gegevensverzameling, inspectie en monitoring

23.  betreurt de moeilijkheid van het uitvoeren van een coherente analyse van de tenuitvoerlegging van de verordening als gevolg van de uiteenlopende wijzen waarop de lidstaten gegevens verzamelen; verzoekt de Commissie gemeenschappelijke minimumnormen vast te stellen voor traceringssystemen met betrekking tot alle trajecten, met het oog op een meer geharmoniseerde gegevensverzameling en beoordeling van de gecontroleerde parameters; verzoekt de lidstaten meer inspanningen te leveren om de Commissie te voorzien van geharmoniseerde, uitgebreide en volledige gegevens over vervoersinspecties en inbreukpercentages; verzoekt de lidstaten meer onaangekondigde controles uit te voeren en een op risico gebaseerde strategie te ontwikkelen en toe te passen om met hun inspectieactiviteiten te focussen op risicovolle transporten, teneinde de beperkte inspectiemiddelen zo efficiënt mogelijk in te zetten;

24.  merkt op dat de Commissie volgens het speciaal verslag van de Rekenkamer over dierenwelzijn in de EU van 2018 heeft erkend dat de door de lidstaten gerapporteerde gegevens niet volledig, consistent, betrouwbaar of gedetailleerd genoeg zijn om conclusies te trekken over de naleving op EU-niveau;

25.  benadrukt dat de inspecties moeten worden uitgevoerd op uniforme wijze in de hele Unie en betrekking moeten hebben op een behoorlijk percentage van de dieren die jaarlijks binnen elke lidstaat worden vervoerd, om de goede werking van de interne markt te waarborgen en te handhaven en concurrentieverstoring binnen de EU te voorkomen; verzoekt de Commissie bovendien om een verhoging van het aantal onaangekondigde inspecties op het terrein door het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVO) die gericht zijn op dierenwelzijn en het vervoer van dieren; is van mening dat de verschillende controle-instrumenten en methoden om gegevens te verzamelen het moeilijk maken om een juist beeld te krijgen van de naleving in de afzonderlijke lidstaten; vraagt de Commissie daarom een meer geharmoniseerde rapporteringsstructuur vast te stellen en verdere analyses te verrichten van de gegevens uit de VVB-inspectierapporten en uit door lidstaten teruggestuurde vragenlijsten over hun geïntegreerde meerjarige nationale controleplannen; erkent dat de audits van DG SANTE fungeren als een belangrijke informatiebron voor de Commissie om de tenuitvoerlegging van de huidige verordening te beoordelen; verzoekt de Commissie jaarlijks minstens zeven onaangekondigde bezoeken af te leggen, overeenkomstig de aanbeveling van de Rekenkamer;

26.  verzoekt de Commissie de lidstaten richtsnoeren te bieden voor de wijze waarop het geïntegreerd veterinair computersysteem (Traces) kan worden ingezet ter ondersteuning van de opstelling van risicoanalyses voor inspecties met betrekking tot het vervoer van levende dieren, zoals aanbevolen door de Rekenkamer in haar speciaal verslag van 2018, waarin wordt opgemerkt dat de autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor vervoersinspecties, zelden informatie uit Traces gebruiken om inspecties doelgericht in te zetten; vraagt een efficiënter en transparanter monitoringsysteem, met inbegrip van openbare toegang tot de informatie die wordt verzameld via Traces; dringt voorts aan op een verhoging van het aantal jaarlijkse inspecties door het VVB;

27.  verzoekt de lidstaten de controles in de gehele productieketen aan te scherpen en met name partijen dieren systematisch en op doeltreffende wijze te inspecteren vóór het laden, om praktijken die in strijd zijn met de bepalingen van de verordening en die de omstandigheden waaronder dieren over land of over zee worden vervoerd, verslechteren, een halt toe te roepen, bijvoorbeeld toestaan dat overvolle voertuigen of ongeschikte dieren hun lange reis voortzetten of dat voort gebruik wordt gemaakt van controleposten met ontoereikende rust-, voeder- en drenkvoorzieningen voor vervoerde dieren;

28.  is bezorgd over het geringe aantal inspecties in sommige lidstaten en over het feit dat het aantal gerapporteerde inbreuken laag ligt of nul bedraagt; twijfelt aan de nauwgezetheid van de inspectiesystemen en rapportage; roept de lidstaten die momenteel weinig of geen inspecties uitvoeren, ertoe op voldoende controles uit te voeren en bij de Commissie volledige inspectieverslagen in te dienen;

29.  verzoekt de lidstaten ook inspecties uit te voeren van intra-Europese transporten op het moment dat de dieren in voertuigen worden geladen, om te controleren of de vereisten van Verordening (EG) nr. 1/2005 worden nageleefd;

30.  is het met de Commissie eens dat het aanbeveling verdient dat de bevoegde autoriteiten alle transporten naar niet-EU-landen bij het laden inspecteren(11); is van mening dat ook inspecties bij het laden moeten worden uitgevoerd van een percentage transporten binnen de EU, in verhouding met het aantal door ngo's en in VVB-inspecties gemelde schendingen; is van mening dat de bevoegde autoriteiten bij het laden moeten controleren of de bepalingen van de verordening betreffende vloeroppervlakte en vrije ruimte boven de dieren worden nageleefd, dat de ventilatie- en watersystemen goed werken, dat de drinkautomaten goed werken en geschikt zijn voor de vervoerde diersoort, dat er geen ongeschikte dieren worden geladen, en dat er voldoende voeder en strooisel worden meegenomen;

31.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat een toereikend aantal toegankelijke, schone, werkende en op de behoeften van elke soort afgestemde drinkautomaten beschikbaar is, dat de watertank gevuld is en dat er voldoende vers strooisel aanwezig is;

32.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten controleren of de vervoersjournaals realistische gegevens bevatten en zo in overeenstemming zijn met artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1/2005;

33.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de vrachtwagens voldoen aan de vereisten inzake minimumruimte in hoofdstuk VII van bijlage I bij de verordening en dat de dieren bij hoge temperaturen een overeenkomstige hoeveelheid extra ruimte ter beschikking hebben;

34.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de interne hoogte van voertuigen voldoet aan de minimumnormen voldoet en dat er geen gaten zitten tussen de vloer of de voertuigwand en en de tussenschotten;

35.  erkent het feit dat op het gebied van dierenvervoer in de EU vooruitgang is geboekt, maar is bezorgd over het aantal meldingen van ongeschikte voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren, zowel over land als over zee, en roept ertoe op de controles en sancties op deze praktijken op te voeren; merkt op dat de voorschriften in de artikelen 20 en 21 van de verordening met betrekking tot transporten door middel van veeschepen vaak niet worden nageleefd; verzoekt de lidstaten het gebruik van voertuigen en veeschepen die niet aan de bepalingen van de verordening voldoen, niet toe te staan en reeds afgegeven vergunningen in geval van niet-naleving in te trekken; dringt er bij de lidstaten op aan strenger te zijn zowel bij de certificerings- en goedkeuringsprocedures van voertuigen als bij het verlenen van getuigschriften van vakbekwaamheid aan bestuurders;

36.  dringt daarom aan op geharmoniseerde en bindende normen voor het verlenen van vergunningen voor voertuigen en vaartuigen als vervoermiddel voor vee, die moeten worden afgegeven door een centrale autoriteit van de EU; is van mening dat deze instantie verantwoordelijk moet zijn voor het bepalen van de geschiktheid van het vervoermiddel voor het vervoer van dieren met betrekking tot de toestand van het voertuig en de aard van de uitrusting ervan (bijvoorbeeld de aanwezigheid aan boord van een geschikt satellietnavigatiesysteem);

37.  verzoekt de exploitanten te voorzien in de grondige opleiding van bestuurders en begeleiders, overeenkomstig bijlage IV bij de verordening, om de correcte behandeling van dieren te waarborgen;

38.  erkent dat sommige lidstaten beschikken over schepen en havens die voldoen aan de vereiste normen, maar wijst erop dat niettemin tijdens het vervoer over zee slechte omstandigheden heersen, met name wat laden en lossen betreft; dringt er bij de lidstaten op aan strenger te zijn in hun certificerings- en goedkeuringsprocedures voor vaartuigen, hun vóór het laden uitgevoerde controles van veeschepen en van de diergezondheid te verbeteren en de laadverrichtingen behoorlijk te inspecteren, overeenkomstig de verordening; verzoekt de lidstaten de Commissie gedetailleerde plannen van hun inspectievoorzieningen te verstrekken; verzoekt de Commissie een lijst op te stellen, bij te werken en te verspreiden van havens met toereikende voorzieningen voor diereninspectie; verzoekt de bevoegde autoriteiten bovendien om vervoersjournaals waarin het gebruik gepland staat van havens zonder deze voorzieningen, niet goed te keuren; verzoekt de lidstaten hun havens aan te passen en een behoorlijk onderhoud van hun schepen te garanderen, om de omstandigheden inzake dierenwelzijn in het dierenvervoer over zee te verbeteren;

39.  verzoekt de Commissie innovatieve alternatieven voor uitvoercontroles goed te keuren overeenkomstig artikel 133, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429(12), zoals platforminspecties, die een verbetering opleveren op het gebied van dierenwelzijn als gevolg van een lagere bezettingsdichtheid en het feit dat de dieren niet hoeven te worden gelost, zodat de wachttijden worden ingekort;

40.  merkt op dat het vereiste van diergezondheidscertificaten voor vervoer tussen de lidstaten een negatieve prikkel geeft om binnenlandse bestemmingen te verkiezen boven de dichtstbijzijnde bestemming; roept de Commissie op gebruik te maken van haar bevoegdheden als vermeld in artikel 144, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot afwijkingen voor verplaatsingen die een laag risico voor de verspreiding van ziekten inhouden;

Reistijden

41.  benadrukt dat de reistijd voor alle vervoerde dieren niet langer mag zijn dan nodig, rekening houdend met de geografische verschillen op het niveau van de lidstaten en overeenkomstig overweging 5 van de verordening, waar wordt bepaald dat "[m]et het oog op het dierenwelzijn [...] het langdurig vervoeren van dieren [...] zoveel mogelijk beperkt [moet] worden" en overweging 18 van de verordening, waar wordt bepaald: "langdurige transporten zijn waarschijnlijk schadelijker voor het welzijn van de dieren dan korte transporten";

42.  benadrukt dat bij de transporttijd van dieren, inclusief laad- en lostijden, rekening moet worden gehouden met het soortspecifieke veterinaire advies, ongeacht of het transport plaatsvindt over land, over zee of via de lucht;

43.  betreurt de inbreuken op de verordening die betrekking hebben op de verkeerde toepassing of niet-toepassing van de specifieke voorschriften voor niet-gespeende dieren, zoals kalveren, lammeren, jonge geiten, veulens en biggen, die nog melkvoeding krijgen, en pleit voor de invoering van meer gedetailleerde maatregelen om te garanderen dat het welzijn van deze dieren tijdens hun vervoer volledig beschermd is;

44.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat niet-gespeende dieren ten minste gedurende een uur worden gelost zodat zij kunnen worden verzorgd met elektrolyten of een substituut voor melk en dat deze dieren niet worden vervoerd gedurende meer dan acht uur in totaal;

45.  wenst dat de Commissie per diersoort een definitie geeft van de term "niet-gespeend dier" en dringt erop aan dat zij voor niet-gespeende dieren met een transportbeperking komt voor een maximale afstand van 50 km en een maximale duur van anderhalf uur, gezien de moeilijkheid om het welzijn van deze dieren tijdens het vervoer te waarborgen;

46.  wijst erop dat in de documenten voor de vervoersplanning vaak alleen plaatsnamen worden vermeld en dat zij geen precieze adressen van de inspectie-, verzorgings- en verzamelcentra bevatten, hetgeen controles duidelijk bemoeilijkt;

47.  vraagt, onder verwijzing naar zijn resolutie van 12 december 2012, dat de reistijden voor dieren zo kort mogelijk worden gehouden en met name dat lange en zeer lange reistijden en verplaatsingen buiten de EU worden vermeden, door gebruik te maken van alternatieve strategieën, zoals het garanderen van rendabele en eerlijk verspreide lokale of mobiele slachterijen in de nabijheid van veebedrijven, de bevordering van korte afzetkanalen en rechtstreekse verkoop, vervanging, indien mogelijk, van het vervoer van fokdieren door gebruikmaking van zaad of embryo's en het vervoer van karkassen en vleesproducten, alsmede regelgevings- of niet-regelgevingsinitiatieven in de lidstaten om de slacht op landbouwbedrijven te bevorderen; verzoekt de Commissie indien nodig op duidelijke wijze specifieke kortere reistijden vast te stellen voor het vervoer van alle soorten levende dieren en ook voor het vervoer van niet-gespeende dieren;

48.  merkt op dat een diversiteit aan voorschriften, alsmede veranderende marktomstandigheden en beleidsbeslissingen, ervoor hebben gezorgd dat kleine slachthuizen economisch niet levensvatbaar zijn, waardoor hun aantal globaal is afgenomen; dringt er bij de Commissie en de lokale autoriteiten in de lidstaten op aan waar nodig de opties van slacht op het bedrijf, rendabele lokale of mobiele slacht en vleesverwerkingsvoorzieningen binnen de lidstaten te ondersteunen en te bevorderen, zodat de dieren worden geslacht zo dicht mogelijk bij de plaats waar zij zijn gefokt, hetgeen ook helpt voor het behoud van werkgelegenheid in plattelandsgebieden; roept de Raad en de Commissie op een strategie te ontwikkelen om over te schakelen op een regionaler model van veeteelt, waarin dieren, wanneer dit praktisch haalbaar is, geboren, vetgemest en geslacht worden in dezelfde regio, rekening houdend met de geografische verschillen, in plaats van over buitengewoon lange afstanden te worden vervoerd;

49.  dringt er bij de Commissie op aan te onderzoeken hoe landbouwers, slachthuizen en de vleesverwerkingssector gestimuleerd kunnen worden om dieren in de dichtstbij gelegen voorziening te laten slachten, teneinde lange vervoerstijden voor dieren te voorkomen en de emissies terug te dringen; verzoekt de Commissie in dit verband de weg vrij te maken voor innovatieve oplossingen, zoals mobiele slacht, met inachtneming van hoge normen inzake dierenwelzijn;

50.  is van mening dat in bepaalde gevallen een beperking van de toegestane reistijden, zoals momenteel vastgesteld in hoofdstuk V van bijlage 1 bij de verordening, niet haalbaar is en dat daarom oplossingen moeten worden gevonden voor gevallen waar de geografische omstandigheden en het rurale isolement het vervoer van levende dieren over land en/of zee vereisen voor verdere productie of voor de slacht;

51.  verzoekt de lidstaten zo nodig noodslachtingen direct in de fok- en mestbedrijven toe te staan, wanneer wordt vastgesteld dat een dier niet geschikt is voor vervoer en de eerstehulpmaatregelen ondoeltreffend blijken, om onnodig dierenleed te voorkomen;

52.  merkt op dat de maatschappelijke en economische waarde van een dier van invloed kan zijn op de normen voor zijn transport; benadrukt dat de transportnormen voor fokdieren in de paardenindustrie van hoge kwaliteit zijn;

53.  verzoekt de Commissie een strategie te ontwikkelen om een omschakeling te garanderen van het vervoer van levende dieren naar een handel met voornamelijk vlees en karkassen en fokmateriaal, gezien de effecten van het vervoer van levende dieren op het milieu, het dierenwelzijn en de gezondheid; is van mening dat elke strategie op dit gebied de economische factoren moet aanpakken die van invloed zijn op de beslissing om levende dieren te vervoeren; verzoekt de Commissie het vervoer naar derde landen in deze strategie op te nemen;

54.  roept de lidstaten op om programma's voor de religieuze slachting van dieren in slachthuizen beschikbaar te stellen, aangezien een groot deel van de uitvoer van levende dieren naar markten in het Midden-Oosten gaat;

55.  ziet in dat de markt momenteel wordt verstoord door de verschillen in de geldende tarieven voor levende dieren en voor vlees, waardoor de handel in levende dieren een sterke impuls krijgt; dringt er bij de Commissie en haar handelspartners op aan deze verstoring te evalueren met het oog op een beperking van de handel in levende dieren en deze, waar nodig, te vervangen door handel in vlees;

56.  herinnert eraan dat op grond van de huidige verordening een rustpauze op een goedgekeurde controlepost reeds verplicht is na de maximumduur van het vervoer van als landbouwhuisdier gehouden eenhoevigen, runderen, schapen, geiten en varkens, als de vervoerstijd meer dan acht uur bedraagt;

Dierenwelzijn

57.  verzoekt de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te garanderen dat officiële dierenartsen aanwezig zijn op plaatsen van uitgang uit de Unie, om te verifiëren of de dieren fit goed zijn om hun reis voort te zetten en of de voertuigen en/of schepen voldoen aan de vereisten van de verordening; merkt met name op dat in artikel 21 van de verordening wordt gespecificeerd dat dierenartsen de vervoersmiddelen controleren voordat zij de EU verlaten, om er zeker van te zijn dat zij niet overvol zijn, voldoende vrije ruimte boven de dieren bieden, voorzien zijn van strooisel, voldoende voeder en water bij zich hebben en dat hun ventilatiesystemen en watervoorzieningen goed werken;

58.  moedigt het gebruik aan van noodplannen voor alle verplaatsingen, inclusief bijvoorbeeld vervangende vrachtwagens en noodcentra, zodat de vervoerder doeltreffend kan reageren op noodgevallen en om de effecten van een vertraging of ongeval op de naar een fok- of slachtbestemming vervoerde dieren te beperken, zoals krachtens de verordening reeds verplicht is voor vervoerders op lange trajecten;

59.  meent dat de dierenwelzijnswetgeving gebaseerd moet zijn op wetenschap en de nieuwste technologie; betreurt het feit dat de Commissie ondanks de heldere aanbevelingen van de EFSA en het verzoek van het Parlement in zijn resolutie uit 2012 heeft verzuimd de regels inzake dierenvervoer bij te werken op basis van de recentste wetenschappelijke inzichten; verzoekt de Commissie daarom de regels bij te werken, om rekening te houden met specifieke behoeften, op basis van de recentste wetenschappelijke kennis en technologie, met name ten aanzien van factoren als voldoende ventilatie en temperatuur- en vochtigheidscontrole door middel van airconditioning in alle voertuigen, geschikte drinksystemen en vloeibaar voer, met name voor niet-gespeende dieren, een verminderde bezettingsdichtheid en een gespecificeerde toereikende minimumruimte boven de dieren, alsmede aanpassing van de voertuigen aan de behoeften van elke soort; wijst op de conclusie in het advies van de EFSA dat het welzijn van dieren ook afhangt van andere factoren dan de reisduur, zoals behoorlijk laden en lossen en het ontwerp van het voertuig;

60.  spreekt zijn bezorgdheid uit over transporten waarbij de dieren worden gedrenkt met verontreinigd water dat niet geschikt is voor consumptie of waarbij de dieren geen toegang tot water hebben doordat de drenkvoorzieningen slecht werken of verkeerd zijn geplaatst; beklemtoont het feit dat ervoor moet worden gezorgd dat voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren, tijdens het transport voldoende water aan boord hebben en dat de verstrekte hoeveelheid in elk geval afgestemd moet zijn op de specifieke behoeften van de soort en het aantal dieren dat wordt vervoerd;

61.  is ingenomen met de toezegging van de Commissie om dierenwelzijnsindicatoren te ontwikkelen die betere welzijnsresultaten voor dieren in het vervoer moeten bevorderen; is van mening dat zij deze indicatoren onverwijld moet ontwikkelen, zodat zij kunnen worden gebruikt als aanvulling op de huidige wettelijke voorschriften;

62.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat toekomstige herzieningen van de wetgeving inzake het welzijn van dieren tijdens het vervoer gebaseerd zijn op objectieve en wetenschappelijk onderbouwde indicatoren, om te voorkomen dat willekeurige besluiten ongerechtvaardigde economische repercussies hebben voor de veeteeltsector.

63.  benadrukt het feit dat landbouwers op grond van de EU-wetgeving de wettelijke verantwoordelijkheid hebben ervoor te zorgen dat vervoerde dieren die hun eigendom zijn, geen letsel, schade of onnodig lijden worden aangedaan;

64.  beklemtoont dat de inbreuken vaak te wijten zijn aan het onaangepaste karakter van de ventilatiesystemen in de voertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van levende dieren over de weg over lange afstanden en dat de dieren hierbij in kleine ruimten met extreme temperaturen worden gedwongen, die de in de verordening vastgestelde temperatuurvariatie en tolerantiegrenzen ver te buiten gaan;

65.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in alle lidstaten zonder uitzondering wordt verdoofd vóór religieuze rituele slachtingen;

66.  betreurt het feit dat dierencompartimenten niet altijd voldoende ruimte bieden om toereikende ventilatie in voertuigen mogelijk te maken en dat de dieren in hun natuurlijke bewegingen worden gehinderd, waardoor zij vaak gedwongen worden om gedurende lange tijd onnatuurlijke houdingen aan te nemen, hetgeen duidelijk indruist tegen de technische specificaties in artikel 6 van en in hoofdstuk II, punt 1.2, van bijlage I bij de verordening;

67.  is van oordeel dat de aanwezigheid van dierenartsen aan boord van schepen die gebruikt worden voor het vervoer van levende dieren, verplicht moet worden gesteld, dat moet worden bijgehouden hoeveel dieren onderweg sterven en dat hierover moet worden gerapporteerd, en dat noodplannen moeten worden opgesteld voor situaties op zee die een negatieve invloed kunnen hebben op het welzijn van de vervoerde dieren;

68.  merkt op dat de landbouwers, vervoerders en bevoegde autoriteiten in de lidstaten Verordening (EG) nr. 1/2005 op uiteenlopende wijze interpreteren en ten uitvoer leggen, met name wat de geschiktheid van de dieren voor vervoer betreft; verzoekt de Commissie de verordening te herzien om de eisen inzake vervoer waar nodig nader te bepalen; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om er met het oog op een gelijk speelveld voor te zorgen dat de verordening voortaan in de hele Unie op geharmoniseerde en uniforme wijze wordt gehandhaafd en uitgevoerd, met name wat de geschiktheid van dieren voor vervoer betreft;

69.  verzoekt de Commissie een uitgewerkte praktische definitie op te stellen van de geschiktheid van dieren voor vervoer en praktische richtsnoeren te ontwerpen voor de beoordeling hiervan; verzoekt de lidstaten bewustmakings- en voorlichtingsactiviteiten te organiseren, met inbegrip van degelijke, regelmatige en verplichte opleidingscursussen en bijscholing en certificering voor bestuurders, vervoerders, handelaren, verzamelcentra, slachthuizen, dierenartsen, grensagenten en elke andere speler die betrokken is bij het vervoer van dieren, om het hoge aantal geschiktheidsovertredingen te verminderen; verzoekt de exploitanten een grondige opleiding van bestuurders en begeleiders te garanderen, overeenkomstig bijlage IV bij de verordening;

70.  roept op tot een strikt toezicht om te voorkomen dat zieke of zwakke dieren, dieren met ondergewicht, zogende of drachtige dieren of vrouwtjes die nog niet voldoende lang hebben gespeend, worden vervoerd;

71.  benadrukt het feit dat het op grond van Verordening (EG) Nr. 1/2005 reeds verplicht is om dieren die worden vervoerd over lange afstanden, met passende tussenpozen te voorzien van water, voer en rustpauzen, op een manier die aangepast is aan de soort en de leeftijd; dringt er bij de Commissie op aan een effectievere monitoring uit te voeren om te garanderen dat alle lidstaten volledig en op geharmoniseerde wijze voldoen aan deze wettelijke vereisten;

72.  benadrukt dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat dierenvervoer op een deugdelijke manier wordt georganiseerd en dat rekening wordt gehouden met de weersomstandigheden en het soort vervoer;

73.  benadrukt het feit dat, als de dieren moeten worden gelost voor een rustperiode van 24 uur in een derde land, de organisator op zoek moet gaan naar een rustplaats met voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan die van een EU-controlepost; verzoekt de bevoegde autoriteiten deze voorzieningen regelmatig te inspecteren en vervoersjournaals niet goed te keuren zonder de bevestiging dat de voorgestelde rustplaats beschikt over voorzieningen die gelijkwaardig zijn aan die in de EU;

74.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de vervoersplanning het bewijs bevat van een reservering, met inbegrip van voedsel, water en vers strooisel, bij een controlepost; verzoekt de Commissie voorschriften vast te stellen voor de locaties en de voorzieningen van rustplaatsen;

75.  erkent dat lagere bezettingsdichtheden en het onderbreken van transporten om dieren te laten rusten, een ongunstig economisch effect hebben op vervoerders, hetgeen een effect kan hebben op de behoorlijke behandeling van de vervoerde dieren; verzoekt de Commissie stimulansen aan te moedigen voor een behoorlijke behandeling van de vervoerde dieren;

76.  verzoekt de lidstaten te zorgen voor een verbetering van de registratie in landbouwbedrijven met betrekking tot de draagtijd;

77.  verzoekt de Commissie om op basis van wetenschappelijke bevindingen richtsnoeren te formuleren voor de watervoorziening voor dieren die worden vervoerd in kooien en voorwaarden voor het vervoer van kuikens die een hoog welzijnsniveau bevorderen;

78.  herinnert eraan dat de lidstaten oplossingen moeten vinden voor dieren die zich aan het einde van hun levens- en productiecyclus bevinden die in overeenstemming zijn met het dierenwelzijn;

Economische hulp

79.  roept ertoe op meer gebruik te maken van de plattelandsontwikkelingsmaatregel van dierenwelzijnsbetalingen overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1305/2013(13), waarmee hoge normen inzake dierenwelzijn worden ondersteund die verder gaan dan de ter zake relevante dwingende normen;

80.  roept ertoe op bij de komende hervorming van het GLB de koppeling tussen GLB-betalingen en verbeterde dierenwelzijnsomstandigheden die volledig in overeenstemming zijn met of verder strekken dan de normen van Verordening (EG) nr. 1/2005, te handhaven en te versterken;

81.  dringt aan op steun voor maatregelen om te zorgen voor een evenwichtige verdeling van slachthuizen in de lidstaten die garandeert dat rekening wordt gehouden met de hoeveelheid vee in een bepaalde regio;

Derde landen

82.  is bezorgd door de aanhoudende meldingen van problemen met het transport en het welzijn van dieren in bepaalde derde landen; merkt op dat het slachten in bepaalde derde landen waar de EU dieren naartoe stuurt, gepaard gaat met extreem en langdurig lijden en geregeld in strijd is met de internationale welzijnsnormen voor het slachten die zijn opgesteld door het OIE; neemt kennis van het feit dat de vraag in derde landen vaak betrekking heeft op levende dieren, maar verzoekt de Commissie en de lidstaten toch een verschuiving te bevorderen, indien mogelijk, naar het vervoer naar derde landen van vlees of karkassen in plaats van levende dieren, alsmede naar het vervoer van sperma of embryo's in plaats van fokdieren;

83.  uit scherpe kritiek op de statistieken van de Commissie inzake de naleving van de verordening voor wat betreft het vervoer van levende dieren naar landen buiten de EU en beklemtoont dat die statistieken zijn opgesteld zonder de voertuigen die voor dit type vervoer worden gebruikt, aan systematische controles te onderwerpen;

84.  roept de Commissie ertoe op om in onderhandelingen over bilaterale handel met derde landen de toepassing van de EU-regels inzake dierenwelzijn te eisen en in het kader van de Wereldhandelsorganisatie de internationalisering van de EU-bepalingen op dit gebied te bepleiten;

85.  betreurt het feit dat de normen die worden toegepast in derde landen, niet zo streng zijn als de normen in de EU; verzoekt de Commissie de bestaande vereisten ten aanzien van de handelspartners van de Unie aan te scherpen, met name wat de handel in dieren en wat dierenvervoer betreft, zodat zij minstens zo streng zijn als de EU-normen; roept lidstaten die naar derde landen uitvoeren, ertoe op samen te werken met de lokale autoriteiten om de dierenwelzijnsnormen te verbeteren;

86.  dringt aan op de consequente en volledige naleving van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 2015 in zaak C-424/13, waarin het Hof heeft geoordeeld dat de vervoerder, om toestemming te krijgen voor het vervoer van dieren dat een lange reis omvat die op het grondgebied van de EU aanvangt en buiten dat grondgebied wordt voortgezet, een journaal moet overleggen dat realistisch is wat de naleving betreft, met bijzondere aandacht voor de voorspelde temperaturen; verzoekt de bevoegde autoriteiten geen journalen goed te keuren als de dieren overeenkomstig het arrest van het Hof moeten worden uitgeladen voor een rusttijd van ten minste 24 uur in een niet-EU-land, tenzij de organisator voor die rust een plaats heeft geregeld waar de voorzieningen gelijkwaardig zijn aan die van een controlepost; wijst er in dit verband bovendien op dat de enige bestaande lijst van stallen op routes in derde landen dateert van 2009 en dat deze vaak geen precieze adresgegevens bevat, hetgeen de nodige inspecties conform het EU-recht aanzienlijk bemoeilijkt; verzoekt de officiële dierenartsen op de plaatsen van uitgang overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1/2005 voor het vertrek van de voertuigen uit de EU te controleren of voldaan is aan de bepalingen van de verordening;

87.  herinnert in dit verband ook aan het voorstel van de Commissie voor een richtlijn inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (klokkenluiders) (COM(2018)0218), met name in verband met de veterinaire controles;

88.  betreurt de vaak lange wachttijden aan de grenzen en in havens en wijst erop dat dit bij de dieren leidt tot extra pijn en ongemak; verzoekt de lidstaten die grenzen aan derde landen, te voorzien in rustplaatsen waar dieren kunnen worden uitgeladen en voer, water, rust en diergeneeskundige zorg kunnen krijgen, zodat de journalen correct kunnen worden ingevuld, en bij douaneposten speciale expreswegen voor dierenvervoer te openen, met voldoende personeel, om de wachttijden te verkorten, zonder de kwaliteit van de sanitaire en douanecontroles aan de grenzen te ondermijnen; verzoekt de lidstaten daarnaast beter samen te werken bij de planning van het vervoer van dieren, om te voorkomen dat te veel transporten bij de grenscontrole aankomen op hetzelfde moment;

89.  verzoekt de Commissie de samenwerking en de communicatie tussen de bevoegde autoriteiten in alle lidstaten en in derde landen te verbeteren, inclusief bijkomende wederzijdse hulp en een snellere uitwisseling van informatie, om de problemen op het gebied van dierenwelzijn en dierziekten als gevolg van wanbestuur te verminderen, door ervoor te zorgen dat de exporteurs de administratieve eisen volledig naleven; verzoekt de Commissie internationaal te pleiten voor dierenwelzijn en initiatieven te nemen om het bewustzijn hierover in derde landen te vergroten;

90.  verzoekt de Commissie druk uit te oefenen op doorvoerlanden die bureaucratische hindernissen en veiligheidsobstakels in het leven roepen die het vervoer van levende dieren onnodig vertragen;

91.  verzoekt de lidstaten en de Commissie bijzondere aandacht te besteden aan inbreuken op de dierenwelzijnsnormen tijdens het vervoer over de binnenwateren en over zee naar derde landen en mogelijke overtredingen van de wetgeving te onderzoeken, bijvoorbeeld het dumpen door vaartuigen van dode dieren in de Middellandse Zee (waarbij de oormerken vaak worden afgesneden) ondanks het verbod hierop, omdat verwijdering vaak niet mogelijk is in de haven van bestemming;

92.  wijst op Besluit 2004/544/EG van de Raad betreffende de ondertekening van de Europese Overeenkomst inzake de bescherming van dieren tijdens internationaal vervoer(14), op grond waarvan vervoer de volgende vormen kan aannemen: tussen twee lidstaten via het grondgebied van een derde land; tussen een lidstaat en een derde land; of rechtstreeks tussen twee lidstaten;

93.  benadrukt het feit dat, tenzij de normen inzake dierenvervoer in derde landen worden afgestemd op die van de EU en de uitvoering ervan voldoende is om volledige naleving van de verordening te waarborgen, voor het vervoer van levende dieren naar derde landen bilaterale overeenkomsten moeten worden gesloten, om het verschil in normen te beperken, en dat, als dit niet kan worden gerealiseerd, dit vervoer moet worden verboden;

94.  herinnert de lidstaten eraan dat zij volgens vaste rechtspraak(15) strengere nationale regels voor de bescherming van dieren tijdens het vervoer mogen invoeren, mits deze regels in overeenstemming zijn met het hoofddoel van Verordening (EG) nr. 1/2005;

95.  verzoekt de Commissie de uitwisseling van goede werkwijzen en maatregelen inzake equivalentie van de regelgeving met derde landen met betrekking tot het vervoer van levende dieren te bevorderen;

o
o   o

96.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1.
(2) http://www.europarl.europa.eu/RegData/etudes/STUD/2018/621853/EPRS_STU(2018)621853_EN.pdf
(3) PB C 434 van 23.12.2015, blz. 59.
(4) EFSA Journal 2011:9(1):1966.
(5) PB C 251 E van 31.8.2013, blz. 116.
(6) Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 23 april 2015, Zuchtvieh-Export GmbH v Stadt Kempten, C-424/13, ECLI:EU:C:2015:259.
(7) Speciaal verslag nr. 31/2018 van de Europese Rekenkamer van 14 november 2018 getiteld "Animal welfare in the EU: Closing the gap between ambitious goals and practical implementation".
(8) https://www.efsa.europa.eu/en/efsajournal/pub/1966
(9) PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977.
(10) PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1.
(11) Eindverslag van een audit in Nederland van 20 februari 2017 tot en met 24 februari 2017 om het dierenwelzijn tijdens transporten naar niet-EU-landen te beoordelen, Europese Commissie, directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid, 2017.
(12) Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheidswetgeving").
(13) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 347.
(14) PB L 241 van 13.7.2004, blz. 21.
(15) Arrest van het Hof van Justitie (Eerste kamer) van 14.10.2004 – zaak C-113/02, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Koninkrijk der Nederlanden, en arrest van het Hof van Justitie (Derde kamer) van 8.5.2008 – zaak C-491/06, Danske Svineproducenter.

Laatst bijgewerkt op: 15 februari 2019Juridische mededeling