Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0082(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0309/2018

Ingediende teksten :

A8-0309/2018

Debatten :

PV 11/03/2019 - 20
CRE 11/03/2019 - 20

Stemmingen :

PV 25/10/2018 - 13.3
CRE 25/10/2018 - 13.3
PV 12/03/2019 - 9.18
CRE 12/03/2019 - 9.18
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0152

Aangenomen teksten
PDF 242kWORD 81k
Dinsdag 12 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen ***I
P8_TA-PROV(2019)0152A8-0309/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen (COM(2018)0173 – C8-0139/2018 – 2018/0082(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0173),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0139/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door het Zweedse parlement, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 4 juli 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0309/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie als bijlage gevoegde verklaring;

3.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

4.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 165.
(2) PB C 387 van 25.10.2018, blz. 48.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen
P8_TC1-COD(2018)0082

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In de landbouw- en voedselvoorzieningsketen komen vaak aanzienlijke onevenwichtigheden in de onderhandelingspositie tussen leveranciers en afnemers van landbouw- en voedingsproducten voor. Die onevenwichtigheden wat betreft de onderhandelingspositie leiden waarschijnlijk tot oneerlijke handelspraktijken wanneer grotere en machtigere handelspartners bepaalde praktijken of contractuele regelingen die in verband met een verkooptransactie voor hen voordelig zijn, trachten door te drukken. Dergelijke praktijken kunnen bijvoorbeeld: sterk afwijken van goed handelsgedrag, in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling, en door een handelspartner eenzijdig worden opgelegd aan een andere partner; een ongerechtvaardigde en onevenredige overdracht van het economische risico van een handelspartner aan een andere handelspartner opleggen; of een aanzienlijk onevenwicht tussen rechten en verplichtingen aan een handelspartner opleggen. Bepaalde praktijken kunnen manifest oneerlijk zijn, zelfs indien zij door beide partijen zijn overeengekomen. Met het oog op het terugdringen van dergelijke praktijken die waarschijnlijk een negatieve invloed op de levensstandaard van de landbouwbevolking hebben, moet op Unieniveau een minimumnorm ter bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken worden vastgesteld. De benadering van minimale harmonisatie van deze richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid nationale regels vast te stellen of te handhaven die verder gaan dan de in deze richtlijn vermelde oneerlijke handelspraktijken.

(2)  De Commissie heeft het functioneren van de voedselvoorzieningsketen, inclusief het bestaan van oneerlijke handelspraktijken, sinds 2009 in drie publicaties (de mededeling van de Commissie van 28 oktober 2009 – Een beter werkende voedselvoorzieningsketen in Europa, de mededeling van de Commissie van 15 juli 2014 – Bestrijding van oneerlijke handelspraktijken tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen, en het verslag van de Commissie van 29 januari 2016 over oneerlijke handelspraktijken tussen ondernemingen in de voedselvoorzieningsketen) van naderbij bezien. ▌ De Commissie heeft een voorstel gedaan voor de wenselijke kenmerken van nationale en vrijwillige beheerkaders die zich buigen over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen. Het juridisch kader of de vrijwillige beheerregelingen in de lidstaten zijn niet van al die kenmerken voorzien, waardoor het bestaan van dergelijke praktijken nog steeds onderwerp is van politiek debat in de Unie.

(3)  In 2011 heeft het door de Commissie geleide Forum op hoog niveau voor een beter werkende voedselvoorzieningsketen zijn goedkeuring gehecht aan een reeks beginselen inzake goede praktijken in verticale relaties binnen de voedselvoorzieningsketen die waren overeengekomen door organisaties die een meerderheid van de marktdeelnemers in de voedselvoorzieningsketen vertegenwoordigen. Die beginselen liggen ten grondslag aan het in 2013 gelanceerde initiatief voor de toeleveringsketen (Supply Chain Initiative).

(4)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie van 7 juli 2016 over oneerlijke handelspraktijken in de voedselvoorzieningsketen(4) de Commissie verzocht een voorstel in te dienen voor een juridisch kader van de Unie inzake oneerlijke handelspraktijken. De Raad heeft in zijn conclusies van 12 december 2016 over het versterken van de positie van landbouwers in de voedselvoorzieningsketen en het aanpakken van oneerlijke handelspraktijken de Commissie verzocht om tijdig een effectbeoordeling uit te voeren met het oog op de indiening van een voorstel voor een Uniewetgevingskader of niet-wetgevingsmaatregelen om oneerlijke handelspraktijken aan te pakken. De Commissie heeft na een openbare raadpleging en gerichte raadplegingen een effectbeoordeling opgesteld. Daarnaast verstrekte zij tijdens het wetgevingsproces informatie waaruit blijkt dat grote marktdeelnemers een aanzienlijk deel van de totale waarde van de productie vertegenwoordigen.

(5)  In de landbouw- en voedselvoorzieningsketen zijn in de verschillende stadia van de productie, verwerking, marketing, distributie en detailverkoop van landbouw- en voedingsproducten verschillende marktdeelnemers actief. Die keten is veruit het belangrijkste kanaal om landbouw- en voedingsproducten "van boer tot bord" te krijgen. Die marktdeelnemers verhandelen landbouw- en voedingsproducten, dat wil zeggen primaire landbouwproducten, met inbegrip van visserij- en aquacultuurproducten, als vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), alsmede ▌ voedingsproducten die niet in die bijlage zijn vermeld, maar die op basis van in die bijlage vermelde producten zijn verwerkt voor gebruik als levensmiddel.

(6)  Hoewel alle vormen van economische activiteit gepaard gaan met een zakelijk risico, wordt de landbouwproductie bij uitstek door onzekerheid geplaagd vanwege de afhankelijkheid van biologische processen en vanwege de blootstelling aan de weersomstandigheden. Die onzekerheid wordt nog versterkt doordat landbouw- en voedingsproducten in meerdere of mindere mate bederfelijk en seizoensgebonden zijn ▌. In de context van een landbouwbeleid dat beduidend meer marktgeoriënteerd is dan in het verleden, is bescherming tegen oneerlijke handelspraktijken belangrijker geworden voor marktdeelnemers die actief zijn in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen ▌.

(7)  Dergelijke oneerlijke handelspraktijken kunnen in het bijzonder een negatieve invloed hebben op de levensstandaard van de landbouwbevolking. Die invloed wordt begrepen als een rechtstreekse invloed die betrekking heeft op landbouwproducenten en hun organisaties als leveranciers, of als een indirecte invloed, via een cascade aan gevolgen van de oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen op een manier die een negatieve weerslag heeft op de primaire producenten in die keten.

(8)  De meeste, maar niet alle lidstaten hebben specifieke nationale regels ter bescherming van leveranciers tegen oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Waar een beroep kan worden gedaan op het contractenrecht of op zelfregulerende initiatieven, wordt de praktische waarde van die verhaalmogelijkheden beperkt door de vrees voor commerciële vergeldingtegen een klager en de daarmee verband houdende financiële risico’s wanneer zulke praktijken worden betwist. Bepaalde lidstaten met specifieke regels inzake oneerlijke handelspraktijken hebben daarom administratieve autoriteiten belast met de handhaving van dergelijke regels. De regels inzake oneerlijke handelspraktijken van de lidstaten, voor zover die regels al bestaan, verschillen onderling evenwel aanzienlijk.

(9)  Het aantal marktdeelnemers en hun grootte verschillen naargelang van hun positie in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Verschillen in onderhandelingspositie, die overeenstemmen met de mate waarin de leverancier economisch afhankelijk is van de afnemer, zullen er waarschijnlijk toe leiden dat grotere marktdeelnemers oneerlijke handelspraktijken opleggen aan kleinere marktdeelnemers. Een dynamische aanpak die gebaseerd is op de relatieve omvang van de leverancier en de afnemer qua omzet moet een betere bescherming bieden tegen oneerlijke handelspraktijken voor marktdeelnemers die er het meest behoefte aan hebben. Oneerlijke handelspraktijken zijn vooral schadelijk voor kleine en middelgrote ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Ondernemingen die groter zijn dan kleine en middelgrote ondernemingen maar die een jaarlijkse omzet hebben die 350 000 000 EUR niet overschrijdt, moeten tevens tegen oneerlijke handelspraktijken worden beschermd om te vermijden dat de kosten van dergelijke praktijken aan landbouwproducenten worden doorgerekend. Het cascade-effect op landbouwproducenten lijkt vooral van belang voor ondernemingen met een jaarlijkse omzet van maximaal 350 000 000 EUR. De bescherming van tussenleveranciers van landbouw- en voedingsproducten, met inbegrip van verwerkte producten, kan ook dienen ter voorkoming van een verlegging van de handel weg van landbouwproducenten en hun verenigingen, die verwerkte producten produceren, naar niet-beschermde leveranciers.

(10)  De bescherming waarin deze verordening voorziet, dient ten goede te komen aan landbouwproducenten en natuurlijke of rechtspersonen die landbouw- en voedingsproducten leveren, met inbegrip van al dan niet erkende producentenorganisaties en al dan niet erkende verenigingen van producentenorganisaties, naargelang van hun relatieve onderhandelingspositie. Die producentenorganisaties en verenigingen van producentenorganisaties omvatten coöperaties. Die producenten en personen zijn in het bijzonder kwetsbaar voor oneerlijke handelspraktijken en zijn het minst in staat die te weerstaan zonder negatieve gevolgen voor hun economische levensvatbaarheid. Wat betreft de categorieën van leveranciers die uit hoofde van deze richtlijn dienen te worden beschermd, moet worden opgemerkt dat een aanzienlijk deel van de uit landbouwers bestaande coöperaties ondernemingen zijn die groter zijn dan kleine en middelgrote ondernemingen maar die een jaarlijkse omzet hebben die 350 000 000 EUR niet overschrijdt.

(11)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn op handelstransacties, ongeacht of deze worden uitgevoerd tussen ondernemingen of tussen ondernemingen en overheidsinstanties, aangezien overheidsinstanties bij de aankoop van landbouw- en voedingsproducten dezelfde normen moeten respecteren. Deze richtlijn moet van toepassing zijn op alle overheidsinstanties die als afnemer optreden.

(12)  Leveranciers in de Unie moeten niet alleen worden beschermd tegen oneerlijke handelspraktijken van afnemers die zijn gevestigd in dezelfde lidstaat als de leverancier of in een andere lidstaat dan de leverancier, maar ook tegen oneerlijke handelspraktijken van afnemers die buiten de Unie zijn gevestigd. Eventuele onbedoelde gevolgen,, zoals de keuze van de vestigingsplaats op basis van de toepasselijke regels, zouden door een dergelijke bescherming worden vermeden. Buiten de Unie gevestigde leveranciers moeten ook bescherming genieten tegen oneerlijke handelspraktijken bij de verkoop van landbouw- en voedingsproducten in de Unie. Niet alleen zijn dergelijke leveranciers mogelijk even kwetsbaar voor oneerlijke handelspraktijken, maar een ruimer toepassingsgebied zou tevens de onbedoelde verlegging van de handel naar niet-beschermde leveranciers, hetgeen de bescherming van leveranciers in de Unie zou ondergraven, kunnen voorkomen.

(13)  Bepaalde ondersteunende diensten die verband houden met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten moeten in het toepassingsgebied van deze richtlijn worden opgenomen.

(14)  Deze richtlijn moet van toepassing zijn op het handelsgedrag van grotere marktdeelnemers jegens marktdeelnemers met een slechtere onderhandelingspositie. Een passende benadering van de relatieve onderhandelingspositie is de jaarlijkse omzet van de verschillende marktdeelnemers. Hoewel het een benadering is, biedt dit criterium marktdeelnemers voorspelbaarheid wat betreft hun rechten en verplichtingen uit hoofde van deze richtlijn. Een bovengrens moet voorkomen dat bescherming wordt geboden aan marktdeelnemers die niet kwetsbaar zijn, of aanzienlijk minder kwetsbaar zijn dan hun kleinere partners of concurrenten. Daarom voorziet deze richtlijn in op omzet gebaseerde categorieën van marktdeelnemers volgens welke bescherming wordt geboden.

(15)  Aangezien oneerlijke handelspraktijken in elk stadium van de verkoop van een landbouw- of voedingsproduct kunnen voorkomen, ▌ vóór, tijdens en na een verkooptransactie, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat deze richtlijn van toepassing is op die praktijken, ongeacht wanneer zij zich voordoen.

(16)  Bij de beslissing of een bepaalde individuele handelspraktijk als oneerlijk wordt beschouwd, is het van belang het risico op een inperking van het gebruik van eerlijke en efficiëntiebevorderende overeenkomsten tussen de partijen te verkleinen. Daarom is het passend praktijken die op duidelijke en ondubbelzinnige wijze in leveringsovereenkomsten of in daaropvolgende overeenkomsten tussen de partijen zijn geregeld, te onderscheiden van praktijken die zich voordoen nadat de transactie van start is gegaan en die niet vooraf zijn overeengekomen, zodat uitsluitend eenzijdige wijzigingen en wijzigingen met terugwerkende kracht in die duidelijke en ondubbelzinnige voorwaarden van de leveringsovereenkomst worden verboden. Bepaalde handelspraktijken worden echter als inherent oneerlijk beschouwd en mogen niet het voorwerp uitmaken van de contractuele vrijheid van de partijen ▌.

(17)  Laattijdige betalingen voor landbouw- en voedingsproducten, waartoe ook laattijdige betalingen voor bederfelijke producten worden gerekend, en annuleringen op korte termijn van bestellingen van bederfelijke producten hebben negatieve gevolgen voor de economische levensvatbaarheid van de leverancier, zonder compenserende voordelen op te leveren. Die praktijken dienen bijgevolg te worden verboden. In dat verband is het passend om voor de toepassing van deze richtlijn een definitie van bederfelijke landbouw- en voedingsproducten vast te stellen. De definities in Uniehandelingen in verband met levensmiddelenwetgeving zijn opgesteld met andere doelstellingen, zoals gezondheid en voedselveiligheid, en zijn derhalve niet geschikt voor de toepassing van deze richtlijn. Een product moet als bederfelijk worden beschouwd indien het kan worden geacht binnen 30 dagen na de laatste oogst-, productie- of verwerkingshandeling door de leverancier ongeschikt voor verkoop te worden, ongeacht of het product na de verkoop ervan verder wordt verwerkt, en ongeacht of het product na de verkoop ervan wordt behandeld conform andere regels, met name voedselveiligheidsregels. Bederfelijke producten worden doorgaans snel gebruikt of verkocht. Betalingen voor bederfelijke producten die later worden verricht dan 30 dagen na de levering, 30 dagen na het einde van de overeengekomen leveringstermijn indien producten op regelmatige basis worden geleverd, of 30 dagen na de datum waarop het te betalen bedrag is vastgesteld, zijn niet verenigbaar met eerlijke handel. Om landbouwers en hun liquiditeit meer bescherming te bieden, mogen leveranciers van andere landbouw- en voedingsproducten niet langer op hun betaling moeten wachten dan 60 dagen na de levering, 60 dagen na het einde van de overeengekomen leveringstermijn indien producten op regelmatige basis worden geleverd, of 60 dagen na de datum waarop het te betalen bedrag is vastgesteld. Die beperkingen mogen uitsluitend gelden voor betalingen in verband met de verkoop van landbouw- en voedingsproducten, en niet voor andere betalingen zoals aanvullende betalingen door een coöperatie aan haar leden. Overeenkomstig Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad(5) moet het voor de toepassing van deze richtlijn ook mogelijk zijn de datum waarop het te betalen bedrag voor een overeengekomen leveringstermijn wordt vastgesteld, te beschouwen als de datum waarop de factuur wordt uitgereikt of als de datum waarop de afnemer deze ontvangt.

(18)  De in deze richtlijn vastgestelde bepalingen inzake laattijdige betaling zijn specifieke voorschriften voor de landbouw- en voedingssector met betrekking tot de in Richtlijn 2011/7/EU vastgestelde bepalingen inzake betalingstermijnen. De in deze richtlijn vastgestelde bepalingen inzake laattijdige betaling mogen geen invloed hebben op overeenkomsten over clausules betreffende waardeverdeling in de zin van artikel 172 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6). Met het oog op het goed functioneren van de schoolregeling op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 mogen de in deze richtlijn vastgestelde bepalingen inzake laattijdige betaling niet van toepassing zijn op betalingen die door een afnemer (d.w.z. steunaanvrager) aan een leverancier in het kader van de schoolregeling worden verricht. Rekening houdend met de uitdagingen voor overheidsorganisaties die gezondheidszorg verstrekken om op die manier prioriteit te geven aan gezondheidszorg dat de behoeften van individuele patiënten en de financiële middelen in evenwicht zijn, mogen die bepalingen ook niet van toepassing zijn op overheidsorganisaties die gezondheidszorg verstrekken in de zin van artikel 4, lid 4, onder b), van Richtlijn 2011/7/EU.

(19)  Druiven en most voor de wijnbereiding hebben speciale kenmerken omdat druiven uitsluitend tijdens een zeer beperkte periode van het jaar worden geoogst, maar worden gebruikt om wijn te produceren die in sommige gevallen pas vele jaren later zal worden verkocht. Om rekening te houden met die bijzondere situatie hebben producentenorganisaties en brancheorganisaties sinds geruime tijd standaardcontracten voor de levering van dergelijke producten ontwikkeld. Dergelijke standaardcontracten voorzien in specifieke betalingstermijnen met tranches. Aangezien die standaardcontracten door leveranciers en afnemers voor meerjarige regelingen worden gebruikt, bieden zij niet alleen landbouwproducenten de zekerheid van langdurige handelsbetrekkingen, maar dragen zij tevens bij aan de stabiliteit van de toeleveringsketen. Indien dergelijke standaardcontracten zijn opgesteld door een erkende producentenorganisatie, brancheorganisatie of vereniging van producentenorganisaties en vóór 1 januari 2019 door een lidstaat bindend zijn gemaakt krachtens artikel 164 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 ("uitbreiding"), of indien de uitbreiding van de standaardcontracten door een lidstaat wordt vernieuwd zonder significante wijzigingen van de betalingsvoorwaarden ten nadele van leveranciers van druiven en most, mogen de in deze richtlijn vastgestelde bepalingen inzake laattijdige betaling niet van toepassing zijn op dergelijke contracten tussen leveranciers van druiven en most voor de wijnbereiding en hun directe afnemers. De lidstaten zijn verplicht de respectieve overeenkomsten van erkende producentenorganisaties, brancheorganisaties en verenigingen van producentenorganisaties aan de Commissie te melden krachtens artikel 164, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(20)  Termijnen voor annulering van bestellingen van bederfelijke producten van minder dan 30 dagen moeten als oneerlijk worden beschouwd, aangezien de leverancier niet in staat zou zijn een alternatieve afzetmogelijkheid voor die producten te vinden. Voor producten in bepaalde sectoren kunnen nog kortere annuleringstermijnen leveranciers evenwel nog voldoende tijd bieden om de producten elders te verkopen of zelf te gebruiken. Het moet de lidstaten derhalve worden toegestaan om in naar behoren gemotiveerde gevallen te voorzien in kortere annuleringstermijnen voor dergelijke sectoren.

(21)  Sterkere afnemers mogen overeengekomen contractuele voorwaarden niet eenzijdig wijzigen, zoals het uit het assortiment nemen van onder een leveringscontract vallende producten. Dit mag evenwel niet gelden voor situaties waarin er sprake is van een overeenkomst tussen een leverancier en een afnemer waarin specifiek is vastgelegd dat de afnemer een concreet element van de transactie met betrekking tot toekomstige bestellingen in een later stadium nader kan bepalen. Dit zou bijvoorbeeld betrekking kunnen hebben op de bestelde hoeveelheden. Een overeenkomst wordt niet noodzakelijk op één bepaald tijdstip voor alle aspecten van de transactie tussen de leverancier en de afnemer gesloten.

(22)  Leveranciers en afnemers van landbouw- en voedingsproducten moeten vrij kunnen onderhandelen over een verkooptransactie, ook wat prijzen betreft. Dergelijke onderhandelingen hebben ook betrekking op betalingen voor diensten die door de afnemer aan de leverancier worden verleend, waaronder opname in het assortiment, marketing en promotieacties. Wanneer een leverancier een afnemer echter betalingen aanrekent die geen verband houden met een specifieke verkooptransactie, moet dit als oneerlijk worden beschouwd en uit hoofde van deze richtlijn worden verboden.

(23)  Hoewel het gebruik van schriftelijke contracten niet moet worden verplicht, kan het gebruik van schriftelijke contracten in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen helpen bepaalde oneerlijke handelspraktijken te voorkomen. Daarom, en met het oog op de bescherming van leveranciers tegen die oneerlijke praktijken, moeten leveranciers of hun verenigingen het recht hebben een schriftelijke bevestiging van de voorwaarden van een leveringsovereenkomst te verzoeken wanneer die voorwaarden reeds zijn overeengekomen. In dergelijke gevallen moet de weigering door een afnemer om de voorwaarden van de leveringsovereenkomst schriftelijk te bevestigen als een oneerlijke handelspraktijk worden beschouwd en worden verboden. Daarnaast zouden de lidstaten beste praktijken met betrekking tot het sluiten van langetermijncontracten in kaart kunnen brengen, uitwisselen en bevorderen om de onderhandelingspositie van producenten in de landbouw- en voedselvoorzienings­keten te versterken.

(24)  Deze richtlijn strekt niet tot harmonisatie van de regels inzake de bewijslast die in procedures voor de nationale handhavingsinstanties zullen worden toegepast, noch tot harmonisatie van de definitie van leveringsovereenkomsten. De regels inzake de bewijslast en de definitie van leveringsovereenkomsten zijn derhalve die welke krachtens het nationale recht van de lidstaten gelden.

(25)  Uit hoofde van deze richtlijn moeten leveranciers klachten kunnen indienen met betrekking tot bepaalde oneerlijke handelspraktijken. Commerciële vergeldingsacties door afnemers teneinde te beletten dat leveranciers hun rechten zouden uitoefenen, of het dreigen daarmee, bijvoorbeeld het schrappen van producten uit het assortiment, het verlagen van de hoeveelheid bestelde producten of het niet langer verlenen van bepaalde diensten door de afnemer aan de leverancier, waaronder marketing of promotieacties voor producten van de leverancier, moeten worden verboden en als een oneerlijke handelspraktijk worden behandeld.

(26)  De kosten voor de opslag, de uitstalling of de opname in het assortiment van landbouw- en voedingsproducten of voor het op de markt aanbieden van dergelijke producten zijn normaliter voor rekening van de afnemer. Bijgevolg dient het uit hoofde van deze richtlijn verboden te zijn dat een leverancier voor die diensten betaling aan de afnemer of aan een derde is verschuldigd, tenzij de betaling op duidelijke en ondubbelzinnige wijze is overeengekomen bij de sluiting van de leveringsovereenkomst of in een latere overeenkomst tussen de afnemer en de leverancier. Wanneer een dergelijke betaling wordt overeengekomen, dient deze op objectieve en redelijke ramingen te zijn gebaseerd.

(27)  Opdat bijdragen van een leverancier tot de kosten van de promotieacties, marketing of reclame van landbouw- en voedingsproducten, met inbegrip van promotionele uitstalling in winkels en verkoopcampagnes, als eerlijk worden beschouwd, moeten zij op duidelijke en ondubbelzinnige wijze zijn overeengekomen bij de sluiting van de overeenkomst of in een latere overeenkomst tussen de afnemer en de leverancier. Anders moeten zij uit hoofde van deze richtlijn worden verboden. Wanneer een dergelijke bijdrage wordt overeengekomen, dient deze op objectieve en redelijke ramingen te zijn gebaseerd.

(28)  Om de doeltreffende handhaving van de in deze richtlijn neergelegde verbodsbepalingen te waarborgen, dienen de lidstaten handhavingsautoriteiten aan te wijzen. Die autoriteiten moeten kunnen optreden op eigen initiatief dan wel op basis van klachten van partijen die het slachtoffer zijn van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, van klachten van klokkenluiders, of op basis van anonieme klachten. Een handhavingsautoriteit zou kunnen vaststellen dat er onvoldoende grond is om gevolg te geven aan een klacht. Administratieve prioriteiten zouden ook tot dezelfde vaststelling kunnen leiden. Indien de handhavingsautoriteit vaststelt dat zij niet in staat zal zijn prioriteit te geven aan een klacht, moet zij de klager daarvan in kennis stellen met vermelding van de motivering. Wanneer een klager uit vrees voor commerciële vergeldingsacties verzoekt om zijn identiteit niet bekend te maken, dienen de handhavingsautoriteiten van de lidstaten passende maatregelen te treffen.

(29)  Indien er in een lidstaat meer dan één handhavingsautoriteit is, moet die lidstaat één enkel contactpunt aanwijzen voor het faciliteren van een doeltreffende samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten en samenwerking met de Commissie.

(30)  Leveranciers vinden het wellicht gemakkelijker klachten in te dienen bij de handhavingsautoriteit van hun eigen lidstaat, bijvoorbeeld om taalkundige redenen. Wat de handhaving betreft, kan het evenwel doeltreffender zijn een klacht in te dienen bij de handhavingsautoriteit van de lidstaat waar de afnemer is gevestigd. Leveranciers moeten kunnen kiezen door welke autoriteit zij klachten willen laten behandelen.

(31)  Ter bescherming van de identiteit van bij de organisatie aangesloten ▌ individuele leveranciers die menen dat zij het slachtoffer zijn van oneerlijke handelspraktijken, kan het nuttig zijn dat een klacht wordt ingediend door producentenorganisaties, andere leveranciersorganisaties en verenigingen van dergelijke organisaties, met inbegrip van representatieve organisaties. Andere organisaties die een rechtmatig belang hebben bij de vertegenwoordiging van leveranciers moeten ook het recht hebben om op verzoek van een leverancier en in het belang van die leverancier klachten in te dienen, mits dergelijke organisaties onafhankelijke rechtspersonen zonder winstoogmerk zijn. Daarom dienen de handhavingsautoriteiten van de lidstaten klachten van die entiteiten te kunnen aanvaarden en behandelen, en tegelijkertijd de procedurerechten van de afnemer te beschermen.

(32)  Om de doeltreffende handhaving van het verbod op oneerlijke handelspraktijken te waarborgen, moeten de aangewezen handhavingsautoriteiten over de noodzakelijke middelen en deskundigheid beschikken.

(33)  De handhavingsautoriteiten van de lidstaten moeten over de nodige bevoegdheden en deskundigheid beschikken om onderzoeken te voeren. De machtiging van die autoriteiten houdt niet in dat zij verplicht zijn van die bevoegdheden gebruik te maken in elk onderzoek dat zij voeren. De bevoegdheden van de handhavingsautoriteiten moeten hen bijvoorbeeld in staat stellen om doeltreffend feitelijke informatie te verzamelen en de handhavingsautoriteiten moeten de bevoegdheid hebben om, waar van toepassing, de beëindiging van een verboden praktijk te gelasten.

(34)  Een afschrikmiddel, zoals de bevoegdheid om geldboeten en andere even doeltreffende sancties op te leggen, of om procedures, bijvoorbeeld gerechtelijke procedures, tot oplegging daarvan in te leiden, en om onderzoeksresultaten te publiceren, met inbegrip van de publicatie van informatie over de afnemers die inbreuken hebben gepleegd, kan gedragswijzigingen en precontentieuze oplossingen tussen de partijen bevorderen, en dient daarom onderdeel uit te maken van de bevoegdheden van de handhavingsautoriteiten. Vooral geldboeten kunnen een doeltreffend en ontradend effect sorteren. In elk onderzoek moet de handhavingsautoriteit evenwel kunnen beslissen welke bevoegdheden zij zal uitoefenen en of zij een geldboete of een andere even doeltreffende sanctie zal opleggen, of een procedure tot oplegging daarvan zal inleiden.

(35)  De uitoefening van de bevoegdheden die op grond van deze richtlijn aan handhavingsautoriteiten worden verleend, moet worden onderworpen aan passende waarborgen die overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie voldoen aan de normen van de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder de eerbiediging van de rechten van de verdediging van de afnemer.

(36)  De Commissie en de handhavingsautoriteiten van de lidstaten dienen nauw samen te werken om te zorgen voor een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde regels. De handhavingsautoriteiten dienen elkaar met name wederzijdse bijstand te verlenen, bijvoorbeeld door informatie uit te wisselen en te assisteren bij onderzoeken met een grensoverschrijdende dimensie.

(37)  Om een doeltreffende handhaving te vergemakkelijken, dient de Commissie te helpen met de organisatie van regelmatige vergaderingen van de handhavingsautoriteiten van de lidstaten, waar relevante informatie, beste praktijken, nieuwe ontwikkelingen, handhavingspraktijken en aanbevelingen met betrekking tot de toepassing van de in deze richtlijn vastgestelde bepalingen kunnen worden uitgewisseld. ▌

(38)  Om die uitwisselingen te faciliteren, dient de Commissie een openbare website met verwijzingen naar de nationale handhavingsautoriteiten en met informatie over de nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn op te zetten.

(39)  Aangezien in de meeste lidstaten reeds nationale regels inzake oneerlijke handelspraktijken gelden, is het, ondanks de uiteenlopende regels, passend een richtlijn te gebruiken voor het invoeren van een minimumnorm voor bescherming uit hoofde van het Unierecht. Dit moet de lidstaten in staat stellen de desbetreffende regels op zodanige wijze in hun nationale rechtsorde op te nemen dat coherente regelingen tot stand kunnen worden gebracht. Het dient de lidstaten vrij te staan op hun grondgebied strengere nationale regels te handhaven of in te voeren die een hoger niveau van bescherming bieden tegen oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, zulks binnen de grenzen van het Unierecht dat van toepassing is op de werking van de interne markt en op voorwaarde dat dergelijke regels evenredig zijn.

(40)  De lidstaten moeten tevens nationale regels kunnen handhaven of invoeren ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken die niet onder deze richtlijn vallen, zulks binnen de grenzen van het Unierecht dat van toepassing is op de werking van de interne markt en op voorwaarde dat dergelijke regels evenredig zijn. Dergelijke nationale regels kunnen verder gaan dan deze richtlijn, bijvoorbeeld wat betreft de grootte van de afnemers en leveranciers, de bescherming van afnemers, de categorieën van producten en de categorieën van diensten. Die nationale regels kunnen tevens verder gaan dan het aantal en de soort verboden oneerlijke handelspraktijken die in deze richtlijn zijn opgenomen.

(41)  Dergelijke nationale regels zouden gelden naast vrijwillige governancemaatregelen, zoals nationale gedragscodes of het initiatief voor de toeleveringsketen. Het gebruik van vrijwillige alternatieve geschillenbeslechting tussen leveranciers en afnemers moet uitdrukkelijk worden aangemoedigd, onverminderd het recht van de leverancier om klachten in te dienen of een zaak bij civiele rechtbanken aanhangig te maken.

(42)  De Commissie moet een overzicht hebben van de uitvoering van deze richtlijn in de lidstaten. Daarnaast moet de Commissie de doeltreffendheid van deze richtlijn kunnen beoordelen. Daartoe moeten de handhavingsautoriteiten van de lidstaten jaarlijkse verslagen indienen bij de Commissie. Die verslagen moeten, waar van toepassing, kwantitatieve en kwalitatieve informatie over klachten, onderzoeken en genomen besluiten bieden. Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van de rapportageverplichting te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(7).

(43)  Met het oog op een doeltreffende tenuitvoerlegging van het beleid ten aanzien van oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, dient de Commissie de toepassing van deze richtlijn te evalueren en daarover verslag uit te brengen aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's. Die evaluatie moet met name betrekking hebben op de doeltreffendheid van de nationale maatregelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen en de doeltreffendheid van de samenwerking tussen de handhavingsinstanties. Bij die evaluatie moet in bijzondere aandacht worden besteed aan de vraag of het gerechtvaardigd zou zijn om in de toekomst naast ▌leveranciers ook ▌afnemers van landbouw -en voedingsproducten in de toeleveringsketen te beschermen. Het verslag dient, indien passend, vergezeld te gaan van wetgevingsvoorstellen.

(44)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk voorzien in een minimumniveau van bescherming in de Unie door de uiteenlopende maatregelen van de lidstaten inzake oneerlijke handelspraktijken te harmoniseren, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen daarvan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Ter bestrijding van praktijken die sterk afwijken van goed handelsgedrag, die in strijd zijn met de goede trouw en een eerlijke behandeling en die door één handelspartner eenzijdig worden opgelegd aan een andere handelspartner, stelt deze richtlijn een minimumlijst vast van verboden oneerlijke handelspraktijken in verhoudingen tussen afnemers en leveranciers in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, alsmede minimumregels voor de handhaving van die verbodsbepalingen en regelingen voor de coördinatie tussen de handhavingsautoriteiten.

2.  Deze richtlijn is van toepassing op bepaalde oneerlijke handelspraktijken die zich voordoen in het kader van de verkoop van landbouw- en voedingsproducten door:

a)  leveranciers met een jaarlijkse omzet die 2 000 000 EUR niet overschrijdt, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 2 000 000 EUR overschrijdt;

b)  leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 2 000 000 en 10 000 000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 10 000 000 EUR overschrijdt;

c)  leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 10 000 000 en 50 000 000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 50 000 000 EUR overschrijdt;

d)  leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 50 000 000 en 150 000 000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 150 000 000 EUR overschrijdt;

e)  leveranciers met een jaarlijkse omzet tussen 150 000 000 en 350 000 000 EUR, aan afnemers met een jaarlijkse omzet die 350 000 000 EUR overschrijdt.

De in de eerste alinea, onder a) tot en met e), bedoelde jaarlijkse omzet van leveranciers en afnemers wordt begrepen overeenkomstig de desbetreffende delen van de bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie(8), en met name artikelen 3, 4 en 6, met inbegrip van de definities van "onafhankelijke onderneming", "partneronderneming" en "verbonden onderneming", en andere met de jaarlijkse omzet verbonden kwesties.

In afwijking van de eerste alinea is deze richtlijn van toepassing met betrekking tot de verkoop van landbouw- en voedingsproducten door leveranciers met een jaarlijkse omzet die 350 000 000 EUR niet overschrijdt aan alle afnemers die overheidsinstanties zijn.

Deze richtlijn is van toepassing op verkopen waarbij de leverancier of de afnemer, of beiden, in de Unie zijn gevestigd.

Deze richtlijn is ook van toepassing op diensten die door de afnemer aan de leverancier worden verleend, voor zover die diensten uitdrukkelijk worden vermeld in artikel 3.

Deze richtlijn is niet van toepassing op overeenkomsten tussen leveranciers en consumenten.

3.  Deze richtlijn is van toepassing op leveringsovereenkomsten die worden gesloten na de datum van toepassing van de maatregelen tot omzetting van deze richtlijn, overeenkomstig artikel 13, lid 1, tweede alinea.

4.  Leveringsovereenkomsten die vóór de datum van bekendmaking van de maatregelen tot omzetting van deze richtlijn overeenkomstig artikel 13, lid 1, eerste alinea, zijn gesloten, worden uiterlijk 12 maanden na die datum van bekendmaking in overeenstemming met deze richtlijn gebracht.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)  "landbouw- en voedingsproducten": de producten die zijn vermeld in bijlage I bij het VWEU, alsmede producten die niet in die bijlage zijn vermeld maar op basis van in die bijlage vermelde producten zijn verwerkt voor gebruik als levensmiddel;

2)  "afnemer": een natuurlijke persoon of rechtspersoon, ongeacht de plaats van vestiging van die persoon, of een overheidsinstantie in de Unie, die landbouw- en voedingsproducten koopt; de term "afnemer" kan een groepering van die natuurlijke of rechtspersonen omvatten;

3)  "overheidsinstantie": nationale, regionale of lokale overheidsinstanties, publiekrechtelijke instellingen of samenwerkingsverbanden bestaande uit één of meer van dergelijke overheidsinstanties of één of meer van dergelijke publiekrechtelijke instellingen;

4)  "leverancier": een landbouwproducent of een natuurlijke of rechtspersoon, ongeacht hun plaats van vestiging, die landbouw- en voedingsproducten verkoopt; de term "leverancier" kan een groepering van dergelijke landbouwproducenten of een groepering van dergelijke natuurlijke personen en rechtspersonen omvatten, zoals producentenorganisaties, leveranciersorganisaties en verenigingen van dergelijke organisaties;

5)  "bederfelijke landbouw- en voedingsproducten": landbouw- en voedingsproducten die vanwege de aard ervan of in het stadium van verwerking ervan binnen 30 dagen na de oogst, productie of verwerking ongeschikt voor verkoop kunnen worden.

Artikel 3

Verbod op oneerlijke handelspraktijken

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende oneerlijke handelspraktijken verboden zijn:

a)  de afnemer betaalt de leverancier ▌,

i)  indien in de leveringsovereenkomst wordt bepaald dat de producten op regelmatige basis worden geleverd:

—  voor bederfelijke landbouw- en voedingsproducten, later dan 30 dagen na het einde van een overeengekomen leveringstermijn waarbinnen leveringen zijn verricht of later dan 30 dagen na de datum waarop het te betalen bedrag voor die leveringstermijn is vastgesteld, naargelang welke datum later valt;

—  voor andere landbouw- en voedingsproducten, later dan 60 dagen na het einde van een overeengekomen leveringstermijn waarbinnen leveringen zijn verricht of later dan 60 dagen na de datum waarop het te betalen bedrag voor die leveringstermijn is vastgesteld, naargelang welke datum later valt;

voor de toepassing van de in dit punt bedoelde betalingstermijnen worden de overeengekomen leveringstermijnen in elk geval niet geacht langer dan één maand te duren;

ii)  indien in de leveringsovereenkomst niet wordt bepaald dat de producten op regelmatige basis worden geleverd:

—  voor bederfelijke landbouw- en voedingsproducten, later dan 30 dagen na de leveringsdatum of later dan 30 dagen na de datum waarop het te betalen bedrag is vastgesteld, naargelang welke datum later valt;

—  voor andere landbouw- en voedingsproducten, later dan 60 dagen na de leveringsdatum of later dan 60 dagen na de datum waarop het te betalen bedrag is vastgesteld, naargelang welke datum later valt.

Niettegenstaande de punten i) en ii) van dit punt, indien de afnemer het te betalen bedrag vaststelt,:

—  gaan de in punt i) bedoelde betalingstermijnen in vanaf het einde van een overeengekomen leveringstermijn waarbinnen leveringen zijn verricht; en

—  gaan de in punt ii) bedoelde betalingstermijnen in vanaf de leveringsdatum;

b)  de afnemer annuleert een bestelling van bederfelijke landbouw- en voedings­producten op zodanig korte termijn dat niet redelijkerwijs kan worden verwacht dat de leverancier een alternatief kan vinden voor het verhandelen of het gebruik van die producten; een termijn van minder dan 30 dagen wordt altijd als een korte termijn beschouwd; de lidstaten kunnen voor specifieke sectoren, in naar behoren gemotiveerde gevallen, kortere termijnen dan 30 dagen vaststellen;

c)  de afnemer wijzigt ▌ eenzijdig de voorwaarden van een leveringsovereenkomst voor landbouw- en voedingsproducten die verband houden met de frequentie, de methode, de plaats, de timing of het volume van de levering van de landbouw- en voedingsproducten, de kwaliteitsnormen, de betalingsvoorwaarden of de prijzen, of met de verlening van diensten, voor zover die uitdrukkelijk worden vermeld in lid 2;

d)  de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betalingen doet die geen verband houden met de verkoop van de landbouw- en voedingsproducten van de leverancier;

e)  de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betaalt voor het bederf of verlies, of beide, van landbouw- en voedingsproducten, dat zich voordoet bij de afnemer of nadat de eigendom is overgedragen aan de afnemer, en dat niet aan nalatigheid of verzuim van de leverancier is toe te schrijven;

f)  de afnemer weigert de voorwaarden van een leveringsovereenkomst tussen de afnemer en de leverancier schriftelijk te bevestigen, ook al heeft de leverancier om een schriftelijke bevestiging verzocht; dat geldt niet wanneer de leveringsovereenkomst betrekking heeft op producten die door een lid van een productenorganisatie, met inbegrip van een coöperatie, moeten worden geleverd aan de productenorganisatie waarbij de leverancier is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die producentenorganisatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van vergelijkbare strekking als de voorwaarden van de leveringsovereenkomst;

g)  de afnemer verkrijgt bedrijfsgeheimen van de leverancier onrechtmatig, gebruikt deze onrechtmatig of maakt deze onrechtmatig openbaar, in de zin van Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad(9);

h)  de afnemer dreigt met of gaat over tot commerciële vergeldingsmaatregelen tegen de leverancier indien de leverancier zijn contractuele of wettelijke rechten uitoefent, met inbegrip van de indiening van een klacht bij de handhavingsautoriteiten of de samenwerking met handhavingsautoriteiten tijdens een onderzoek;

i)  de afnemer verlangt van de leverancier een vergoeding voor de kosten die gepaard gaan met het onderzoeken van klachten van klanten in verband met de verkoop van de producten van de leverancier, ondanks het ontbreken van nalatigheid of schuld van de leverancier.

Het in punt a) van de eerste alinea bedoelde verbod doet geen afbreuk aan:

—  de in Richtlijn 2011/7/EU neergelegde gevolgen van betalingsachterstanden en rechtsmiddelen die, in afwijking van de in die richtlijn vastgestelde betalingstermijnen, van toepassing zijn op basis van de in de onderhavige richtlijn vastgestelde betalingstermijnen;

—  de mogelijkheid voor een afnemer en een leverancier om een clausule betreffende waardeverdeling in de zin van artikel 172 bis van Verordening (EU) nr. 1308/2013 overeen te komen.

Het in punt a) van de eerste alinea bedoelde verbod geldt niet voor betalingen:

—  van een afnemer aan een leverancier, indien dergelijke betalingen worden gedaan in het kader van de schoolregeling op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1308/2013;

—  van overheidsorganisaties die gezondheidszorg verstrekken in de zin van artikel 4, lid 4, punt b), van Richtlijn 2011/7/EU:

—  krachtens leveringsovereenkomsten tussen leveranciers van druiven of most voor wijnbereiding en hun directe afnemers, op voorwaarde:

i)  dat de specifieke betalingsvoorwaarden voor de verkooptransacties worden opgenomen in standaardcontracten die op grond van artikel 164 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vóór 1 januari 2019 verbindend zijn verklaard door de lidstaten, en dat die uitbreiding van de standaard­contracten vanaf die datum door de lidstaten wordt verlengd zonder significante wijzigingen van de betalingsvoorwaarden ten nadele van leveranciers van druiven of most; en

ii)  dat de leveringsovereenkomsten tussen leveranciers van druiven of most voor wijnbereiding en hun directe afnemers meerjarig zijn of meerjarig worden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende handelspraktijken verboden zijn tenzij zij eerder op duidelijke en ondubbelzinnige wijze zijn overeengekomen in de ▌ leveringsovereenkomst of in een daaropvolgende overeenkomst tussen de leverancier en de afnemer:

a)  de afnemer retourneert onverkochte landbouw- en voedingsproducten aan de leverancier zonder betaling voor die onverkochte producten of zonder betaling voor de verwijdering van die producten, of beide;

b)  van ▌ de leverancier wordt een vergoeding verlangd voor de opslag, de uitstalling of de opname in het assortiment van zijn landbouw- en voedingsproducten, of voor het op de markt aanbieden van dergelijke producten;

c)  de afnemer verlangt van de leverancier dat hij alle of een deel van de kosten draagt van kortingen voor landbouw- en voedingsproducten die in het kader van een promotieactie door de afnemer zijn verkocht;

d)  de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betaalt voor het maken van reclame voor landbouw- en voedingsproducten door de afnemer;

e)  de afnemer verlangt van de leverancier dat hij betaalt voor de marketing van landbouw- en voedingsproducten door de afnemer;

f)  de afnemer verlangt van de leverancier dat hij personeel betaalt voor de inrichting van de ruimten die voor de verkoop van de producten van de leverancier worden gebruikt.

De lidstaten zorgen ervoor dat de in het punt c) van de eerste alinea bedoelde handelspraktijk verboden is, tenzij de afnemer vóór een promotieactie op initiatief van de afnemer, de periode waarin de promotie plaatsvindt en de verwachte hoeveelheid landbouw- en voedingsproducten die zal worden besteld tegen de na aftrek van de korting verkregen prijs, specificeert.

3.  Indien door de afnemer een vergoeding voor de in lid 2, eerste alinea, onder b), c), d), e) en f) omschreven situaties wordt verlangd, verstrekt de afnemer de leverancier desgevraagd een schriftelijke raming van het te betalen bedrag, per stuk of in totaal naargelang wat passend is, alsmede voor zover het gaat om de situaties als bedoeld in lid 2, eerste alinea, onder b), d), e) of f), een schriftelijke raming van de kosten voor de leverancier en van de elementen waarop die raming is gebaseerd.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 1 en 2 vastgestelde verbodsbepalingen bepalingen van bijzonder dwingend recht vormen die gelden voor elke situatie binnen het toepassingsgebied van die verbodsbepalingen, ongeacht het recht dat anders van toepassing zou zijn op de leveringsovereenkomst tussen de partijen.

Artikel 4

Aangewezen handhavingsautoriteiten

1.  Elke lidstaat wijst een of meer autoriteiten aan voor de handhaving van de in artikel 3 vastgestelde verbodsbepalingen op nationaal niveau ("handhavingsautoriteit"), en stelt de Commissie in kennis van die aanwijzing.

2.  Indien een lidstaat meer dan één handhavingsautoriteit op zijn grondgebied aanwijst, wijst hij één enkel contactpunt aan voor de samenwerking tussen handhavingsautoriteiten en de samenwerking met de Commissie.

Artikel 5

Klachten en vertrouwelijkheid

1.  Leveranciers kunnen klachten richten aan hetzij de handhavingsautoriteit van de lidstaat van vestiging van de leverancier, hetzij de handhavingsautoriteit van de lidstaat van vestiging van de afnemer van wie wordt vermoed dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een verboden handelspraktijk. De handhavingsautoriteit tot wie de klacht is gericht, is bevoegd voor het handhaven van de in artikel 3 vastgestelde verbodsbepalingen.

2.  Producentenorganisaties, andere leveranciersorganisaties en verenigingen van dergelijke organisaties hebben het recht om op verzoek van één of meer van hun leden of, in voorkomend geval, op verzoek van één of meer leden van hun ledenorganisaties, een klacht in te dienen, indien die leden menen dat zij het slachtoffer zijn van een verboden handelspraktijk. Andere organisaties die een rechtmatig belang hebben bij de vertegenwoordiging van leveranciers, hebben het recht om op verzoek van een leverancier en in het belang van die leverancier klachten in te dienen, mits dergelijke organisaties onafhankelijke rechtspersonen zonder winstoogmerk zijn.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat, indien de klager daarom verzoekt, de handhavingsautoriteit de noodzakelijke maatregelen treft met het oog op de passende bescherming van de identiteit van de klager of de in lid 2 bedoelde leden of leveranciers, en met het oog op de passende bescherming van enige andere informatie ▌ waarvan de openbaarmaking volgens de klager schadelijk zou zijn voor zijn belangen of voor de belangen van die leden of leveranciers. De klager vermeldt alle informatie ▌ waarvoor hij om vertrouwelijkheid verzoekt.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de handhavingsautoriteit die de klacht ontvangt, de klager binnen een redelijke termijn na ontvangst van de klacht in kennis stelt van de manier waarop zij voornemens is gevolg te geven aan de klacht.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat indien een handhavingsautoriteit van oordeel is dat er onvoldoende grond is om gevolg te geven aan een klacht, zij de klager binnen een redelijke termijn na ontvangst van de klacht in kennis stelt van de redenen daarvoor.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat indien een handhavingsautoriteit van oordeel is dat er voldoende grond is om gevolg te geven aan een klacht, zij binnen een redelijke termijn een onderzoek van de klacht instelt, voert en voltooit.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat, indien een handhavingsautoriteit vaststelt dat een afnemer een inbreuk heeft gemaakt op de in artikel 3 bedoelde verbodsbepalingen, zij van de afnemer eist dat hij de verboden handelspraktijk beëindigt.

Artikel 6

Bevoegdheden van de handhavingsautoriteiten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat al hun handhavingsautoriteiten beschikken over de middelen en expertise die voor de uitoefening van hun taken noodzakelijk zijn en verlenen hen de bevoegdheid om:

a)  op eigen initiatief of op basis van een klacht een onderzoek in te stellen en te voeren;

b)  de afnemers en leveranciers te verplichten alle informatie te verstrekken die noodzakelijk is om het onderzoek naar verboden handelspraktijken te voeren;

c)  onaangekondigde inspecties ter plaatse te verrichten in het kader van hun onderzoeken, overeenkomstig de nationale regels en procedures;

d)  een besluit te nemen tot vaststelling van een inbreuk op de in artikel 3 neergelegde verbodsbepalingen en tot verplichting van de afnemer de verboden handelspraktijk te beëindigen; de autoriteit kan afzien van een dergelijk besluit indien er een risico bestaat op de openbaarmaking van de identiteit van een klager of van andere informatie waarvan de klager meent dat de openbaarmaking zijn belangen zou schaden, en op voorwaarde dat de klager overeenkomstig artikel 5, lid 3, heeft aangegeven welke informatie het betreft;

e)  geldboeten, andere even doeltreffende sancties en voorlopige maatregelen ten aanzien van de pleger van de inbreuk op te leggen, of procedures tot oplegging daarvan in te leiden, zulks overeenkomstig de nationale voorschriften en procedures;

f)  hun besluiten uit hoofde van de punten d) en e) regelmatig te publiceren.

De in punt e) van de eerste alinea bedoelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend en houden rekening met de aard, de duur, de herhaling en de ernst van de inbreuk.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat bij de uitoefening van de in lid 1 bedoelde bevoegdheden passende waarborgen in acht worden genomen ten aanzien van de rechten van de verdediging, overeenkomstig de algemene beginselen van het Unierecht en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van gevallen waarin de klager op grond van artikel 5, lid 3, om vertrouwelijke behandeling van informatie verzoekt.

Artikel 7

Alternatieve geschillenbeslechting

Onverminderd het recht van leveranciers om klachten in te dienen uit hoofde van artikel 5 en de bevoegdheden van de handhavingsautoriteiten uit hoofde van artikel 6, kunnen de lidstaten het vrijwillige gebruik bevorderen van doeltreffende en onafhankelijke alternatievegeschillenbeslechtingsmechanismen, zoals bemiddeling, met het oog op de beslechting van geschillen tussen leveranciers en afnemers inzake het gebruik van oneerlijke handelspraktijken door de afnemer.

Artikel 8

Samenwerking tussen de handhavingsautoriteiten

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de handhavingsautoriteiten op doeltreffende wijze met elkaar en met de Commissie samenwerken en dat zij elkaar wederzijdse bijstand verlenen bij onderzoeken met een grensoverschrijdende dimensie.

2.  De handhavingsautoriteiten komen ten minste eenmaal per jaar bijeen om op basis van de in artikel 10, lid 2, bedoelde jaarlijkse verslagen van gedachten te wisselen over de toepassing van deze richtlijn ▌. De handhavingsautoriteiten wisselen van gedachten over beste praktijken, nieuwe gevallen en nieuwe ontwikkelingen op het gebied van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, en wisselen informatie uit over met name de uitvoeringsmaatregelen die zij overeenkomstig deze richtlijn hebben vastgesteld, en over hun handhavingspraktijken. De handhavingsautoriteiten kunnen aanbevelingen vaststellen om de consistente toepassing van deze richtlijn te bevorderen en de handhaving te verbeteren. De Commissie faciliteert die vergaderingen.

3.  De Commissie creëert en beheert een website die informatie-uitwisseling tussen de handhavingsautoriteiten en de Commissie mogelijk maakt, met name in verband met de jaarlijkse vergaderingen. De Commissie creëert een openbare website met de contactgegevens van de aangewezen handhavingsautoriteiten en met links naar websites van nationale handhavingsautoriteiten of andere autoriteiten van de lidstaten, die informatie verstrekken over de in artikel 13, lid 1, bedoelde maatregelen tot omzetting van deze richtlijn.

Artikel 9

Nationale voorschriften

1.  Teneinde een hoger beschermingsniveau te waarborgen, kunnen de lidstaten strengere regels ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken handhaven of invoeren dan de regels van deze richtlijn, mits die nationale regels verenigbaar zijn met de regels inzake de werking van de interne markt.

2.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale regels ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, mits die regels verenigbaar zijn met de regels inzake de werking van de interne markt.

Artikel 10

Verslaglegging ▌

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun handhavingsautoriteiten een jaarverslag over hun onder deze richtlijn vallende activiteiten publiceren waarin onder meer het aantal ontvangen klachten en het aantal geopende of afgesloten onderzoeken in het voorgaande jaar staat. Voor elk afgesloten onderzoek bevat het verslag een beknopte beschrijving van het onderwerp en het resultaat van het onderzoek en, in voorkomend geval, het genomen besluit, met inachtneming van de in artikel 5, lid 3, neergelegde vertrouwelijkheidsvereisten.

2.  Uiterlijk op 15 maart van elk jaar zenden de lidstaten de Commissie een verslag toe over oneerlijke handelspraktijken in de relaties tussen ondernemingen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen. Dat verslag bevat met name alle relevante gegevens over de toepassing en handhaving van de regels in het kader van deze richtlijn in de betrokken lidstaat in het voorgaande jaar.

3.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen tot vaststelling van:

a)  regels inzake de noodzakelijke informatie voor de toepassing van lid 2;

b)  regelingen voor het beheer van de door de lidstaten aan de Commissie te verstrekken informatie en regels met betrekking tot de inhoud en de vorm van die informatie;

c)  regelingen voor het doorzenden naar of voor het beschikbaar stellen van informatie en documenten aan de lidstaten, internationale organisaties, de bevoegde autoriteiten van derde landen of het publiek, zulks met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens en de rechtmatige belangen van de landbouwproducenten en ondernemingen bij de bescherming van hun zakengeheimen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 11

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten dat is ingesteld bij artikel 229 van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 12

Evaluatie

1.  Uiterlijk op …[78 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] verricht de Commissie de eerste evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement, aan de Raad, alsmede aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's verslag uit over de belangrijkste bevindingen van die evaluatie. Dat verslag gaat indien passend vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

2.  Die evaluatie beoordeelt ten minste:

a)  de doeltreffendheid van de op nationaal niveau ingevoerde maatregelen ter bestrijding van oneerlijke handelspraktijken in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen;

b)  de doeltreffendheid van de samenwerking tussen bevoegde handhavingsautoriteiten en brengt, in voorkomend geval, manieren in kaart om die samenwerking te verbeteren.

3.  De Commissie baseert het in lid 1 bedoelde verslag op de in artikel 10, lid 2, bedoelde jaarverslagen. Indien nodig kan de Commissie de lidstaten om aanvullende informatie verzoeken over onder meer de doeltreffendheid van de op nationaal niveau ingevoerde maatregelen en de doeltreffendheid van de samenwerking en wederzijdse bijstand.

4.  Uiterlijk op …[30 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] dient de Commissie bij het Europees Parlement en bij de Raad, alsmede bij het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, een tussentijds verslag in over de stand van de omzetting en de uitvoering van deze richtlijn.

Artikel 13

Omzetting

1.  De lidstaten stellen uiterlijk op …[24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] ▌ de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie ▌ de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee.

Zij passen die bepalingen uiterlijk op …[30 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] toe.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de vijfde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 15

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van het Europees Parlement over inkoopallianties

Het Europees Parlement erkent dat inkoopallianties een rol kunnen spelen bij het creëren van economisch rendement in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen, maar benadrukt dat het door het huidige gebrek aan informatie onmogelijk is te beoordelen wat de economische effecten van dergelijke inkoopallianties zijn op de werking van de toeleveringsketen.

In dit opzicht verzoekt het Europees Parlement de Commissie onverwijld werk te maken van een grondige analyse over de omvang en de effecten van deze nationale en internationale inkoopallianties op de economische werking van de landbouw- en voedselvoorzieningsketen.

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie over de transparantie van de landbouw- en voedselmarkten

Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie benadrukken dat de transparantie van landbouw- en voedselmarkten een sleutelelement is van een goed functionerende landbouw- en voedselvoorzieningsketen, om de keuzen van marktdeelnemers en overheden beter te onder­bouwen alsook om het inzicht van marktdeelnemers in de marktontwikkelingen te bevorderen. De Commissie wordt aangemoedigd haar lopende werkzaamheden om de markttransparantie op EU-niveau te verbeteren, voort te zetten. Dit kan het intensiveren van werkzaamheden betreffende EU-marktwaarnemingscentra omvatten en het verbeteren van de verzameling van statistische gegevens die nodig zijn voor de analyse van de prijsvormingsmechanismen in de landbouw- en voedselvoorzieningsketen.

(1)PB C 440 van 6.12.2018, blz. 165.
(2)PB C 387 van 25.10.2018, blz. 48.
(3)Standpunt van het Europees Parlement van 12 maart 2019.
(4)PB C 86 van 6.3.2018, blz. 40.
(5)Richtlijn 2011/7/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties(PB L 48 van 23.2.2011, blz.1).
(6)Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).
(7)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(8)Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(9)Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende de bescherming van niet-openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (bedrijfsgeheimen) tegen het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken en openbaar maken daarvan (PB L 157 van 15.6.2016, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 13 maart 2019Juridische mededeling