Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2017/0226(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0276/2018

Ingediende teksten :

A8-0276/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 13/03/2019 - 19.6

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0194

Aangenomen teksten
PDF 232kWORD 69k
Woensdag 13 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten ***I
P8_TA-PROV(2019)0194A8-0276/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ (COM(2017)0489 – C8-0311/2017 – 2017/0226(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0489),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 83, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0311/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de bijdragen die de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, de Tsjechische Senaat en het Spaanse parlement hebben ingediend over het ontwerp van wetgevingshandeling,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0276/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 24.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad
P8_TC1-COD(2017)0226

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 83, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen vormen een bedreiging voor de veiligheid aangezien zij een bron van inkomsten voor georganiseerde criminaliteit vormen en daardoor andere criminele activiteiten, zoals terrorisme, handel in verdovende middelen en mensenhandel, mogelijk maken.

(2)  Door fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen wordt tevens de digitale eengemaakte markt belemmerd aangezien het consumentenvertrouwen wordt aangetast en rechtstreekse economische verliezen worden veroorzaakt.

(3)  Kaderbesluit 2001/413/JBZ(3)van de Raad dient te worden geactualiseerd en aangevuld met het oog op de opname van nadere bepalingen inzake strafbare feiten, met name met betrekking tot computergerelateerde fraude, en inzake straffen, preventie, ondersteuning aan slachtoffers en grensoverschrijdende samenwerking.

(4)  Aanzienlijke lacunes en verschillen in de wetgeving van de lidstaten op het gebied van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen kunnen de preventie, de opsporing en de bestraffing van dit soort criminaliteit en andere vormen van zware en georganiseerde criminaliteit, die daarmee verband houden en daardoor mogelijk worden gemaakt, belemmeren, en maken ▌politiële en justitiële samenwerking op dit gebied moeilijker en derhalve minder doeltreffend, met negatieve gevolgen voor de veiligheid.

(5)  Fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen hebben een belangrijke grensoverschrijdende dimensie, die wordt versterkt door een steeds sterkere digitale component, hetgeen de noodzaak tot verdere onderlinge afstemming van de strafwetgeving op het gebied van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen onderstreept.

(6)  De afgelopen jaren is niet alleen de digitale economie exponentieel gegroeid, maar is ook de innovatie op velerlei gebieden, waaronder betaaltechnologieën, sterk toegenomen. Nieuwe betaaltechnologieën maken gebruik van nieuwe soorten betaalinstrumenten, die niet alleen nieuwe kansen voor consumenten en ondernemingen bieden, maar ook nieuwe mogelijkheden tot fraude bieden. Gezien die technologische ontwikkelingen moet ervoor worden gezorgd dat het rechtskader relevant en actueel blijft, op basis van een technologieneutrale aanpak.

(7)  Fraude dient niet alleen de financiering van criminele groeperingen, maar remt ook de ontwikkeling van de digitale eengemaakte markt en weerhoudt mensen ervan om aankopen te doen.

(8)  Gemeenschappelijke definities op het gebied van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen zijn van belang om ervoor te zorgen dat deze richtlijn in de lidstaten consistent wordt toegepast, en om de informatie-uitwisseling en samenwerking tussen bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken. Ook nieuwe soorten niet-contante betaalinstrumenten, waarmee elektronisch geld en virtuele valuta kunnen worden overgemaakt, dienen onder de definities te vallen. In de definitie van niet-contant betaalinstrument moet worden onderkend dat een dergelijk instrument uit een aantal onderling samenhangende elementen kan bestaan, bijvoorbeeld een mobiele betaaltoepassing met bijbehorende machtiging (bijv. door middel van een wacht­woord). Voor de toepassing van deze richtlijn wordt ervan uitgegaan dat een niet-contant betaalinstrument de houder of de gebruiker ervan daadwerkelijk in staat stelt om geld of een monetaire waarde over te maken, of om een betaalopdracht te initiëren. Zo kan de onrechtmatige verkrijging van een mobiele betaaltoepassing zonder de vereiste machtiging niet worden beschouwd als een onrechtmatige verkrijging van een niet-contant betaalinstrument aangezien de gebruiker daarmee feitelijk geen geld of een monetaire waarde kan overmaken.

(9)  Deze richtlijn dient slechts van toepassing te zijn voor zover het de betaalfunctie van niet-contante betaalinstrumenten betreft.

(10)  Deze richtlijn dient slechts betrekking te hebben op virtuele valuta voor zover zij gangbaar kunnen worden gebruikt om betalingen te verrichten. De lidstaten dienen ertoe te worden aangemoedigd om er in hun nationale wetgeving voor te zorgen dat toekomstige virtuele valuta die door hun centrale bank of andere overheidsinstanties worden uitgegeven, hetzelfde beschermingsniveau tegen fraudedelicten genieten als niet-contante betaalmiddelen in het algemeen. Digitale portefeuilles waarmee virtuele valuta kunnen worden overgemaakt, dienen in dezelfde mate onder deze richtlijn te vallen als niet-contante betaalinstrumenten. De definitie van het begrip "digitaal betaalmiddel" dient duidelijk te maken dat digitale portefeuilles voor het overmaken van virtuele valuta de kenmerken van een betaal­instrument kunnen maar niet hoeven te hebben, en dienen de definitie van "betaalinstrument" niet uit te breiden.

(11)  Het verzenden van valse facturen om betalingslegitimatiegegevens te verkrijgen, moet worden beschouwd als een poging tot wederrechtelijke toe-eigening binnen de werkingssfeer van deze richtlijn.

(12)  Door strafrechtelijke bescherming hoofdzakelijk te bieden voor betaalinstrumenten die van een speciale vorm van bescherming tegen namaak of misbruik zijn voorzien, moeten aanbieders worden aangemoedigd de door hen uitgegeven betaalinstrumenten van dergelijke speciale vormen van bescherming te voorzien.

(13)  Effectieve en efficiënte strafrechtelijke maatregelen zijn essentieel om niet-contante betaalmiddelen tegen fraude en vervalsing te beschermen. In het bijzonder is er een gemeenschappelijke strafrechtelijke benadering nodig wat betreft de bestanddelen van crimineel gedrag die bijdragen tot of het pad effenen voor het daadwerkelijk frauduleus gebruik van niet-contante betaalmiddelen. Gedragingen als het verzamelen en het bezitten van betaalinstrumenten met het oogmerk fraude te plegen door middel van, bijvoorbeeld, phishing ▌, skimming of het (om)leiden van gebruikers van betalingsdiensten naar nagebootste websites, alsook de verspreiding van betaalinstrumenten, bijvoorbeeld door de onlineverkoop van creditcardgegevens, moeten dus eigenstandige strafbare feiten worden, zonder dat daarvoor het daadwerkelijk frauduleus gebruik van niet-contante betaalmiddelen vereist is. Gevallen waarin het bezit, de aanschaf of de verspreiding niet noodzakelijkerwijs tot het frauduleus gebruik van dergelijke betaalinstrumenten leiden, moeten daarom als strafbare gedraging worden aangemerkt ▌. Waar bij deze richtlijn bezit en voorhanden hebben strafbaar wordt gesteld, dient enkele omissie echter niet strafbaar te worden gesteld. Deze richtlijn dient geen sanctie te verbinden aan het rechtmatig gebruik van een betaalinstrument, met in begrip van en betrekking tot het verstrekken van innovatieve betaaldiensten, zoals diensten die gewoonlijk door fintechbedrijven worden ontwikkeld.

(14)  Wat de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten betreft, is het begrip "opzet" van toepassing op alle bestanddelen van die strafbare feiten overeenkomstig nationaal recht. De opzettelijke aard van een handeling kan, evenals enige als bestanddeel van een strafbaar feit vereiste wetenschap of oogmerk , worden afgeleid uit objectieve, feitelijke omstandigheden. Strafbare feiten die zonder opzet worden gepleegd, dienen niet onder deze richtlijn te vallen.

(15)  Deze richtlijn heeft betrekking op klassieke vormen van criminele gedragingen, zoals fraude, vervalsing, diefstal en wederrechtelijke toe-eigening, die reeds vóór het digitale tijdperk in nationaal recht zijn ontwikkeld. De uitbreiding van het toepassingsgebied van deze richtlijn tot immateriële betaalinstrumenten vereist derhalve dat gelijkwaardige soorten gedragingen in de digitale ruimte worden gedefinieerd, ter aanvulling op en versterking van Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en van de Raad(4). De onrechtmatige verkrijging van een immaterieel niet-contant betaalinstrument moet als strafbaar feit worden aangemerkt, althans indien bij dat verkrijgen een van de in de artikelen 3 tot en met 6 van Richtlijn 2013/40/EU bedoelde strafbare feiten is gepleegd of sprake is geweest van onrechtmatig gebruik van een immaterieel niet-contant betaalinstrument. Onder "onrecht­matig gebruik" moet worden begrepen de handeling waarbij een persoon aan wie een immaterieel niet-contant betaalinstrument is toevertrouwd, dat instrument bewust onrechtmatig gebruikt in zijn eigen voordeel of in het voordeel van een ander persoon. De aanschaf met het oog op frauduleus gebruik van een aldus onrechtmatig verkregen instrument moet strafbaar worden gesteld, zonder dat alle feitelijke elementen van de onrechtmatig verkrijging moeten worden vastgesteld of een voorafgaande of gelijktijdige veroordeling vereist is voor het basisdelict dat tot de onrechtmatig verkrijging heeft geleid.

(16)  Tevens wordt er in deze richtlijn melding gemaakt van middelen die kunnen worden gebruikt voor het plegen van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten. Om strafbaarstelling te voorkomen ingeval dergelijke middelen voor legitieme doel­einden worden vervaardigd en in de handel worden gebracht, en derhalve op zichzelf geen bedreiging vormen hoewel zij voor het plegen van strafbare feiten zouden kunnen worden gebruikt, moeten enkel middelen die hoofdzakelijk zijn ontworpen of specifiek geschikt zijn gemaakt voor het plegen van de strafbare feiten in de zin van onderhavige richtlijn, strafbaar worden gesteld.

(17)  De sancties en straffen voor fraude met en vervalsing van niet-contante betaal­middelen dienen in de hele Unie doeltreffend, evenredig en afschrikkend te zijn. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de individualisering en toepassing van sancties en uitvoering van veroordelingen overeenkomstig de concrete omstandigheden van elk geval en de algemene regels van het nationaal strafrecht.

(18)  Aangezien deze richtlijn voorziet in minimumvoorschriften, staat het de lidstaten vrij om strengere strafrechtelijke bepalingen met betrekking tot fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen vast te stellen of te handhaven, onder meer door een bredere omschrijving van strafbare feiten.

(19)  Ten aanzien van gevallen waarin een strafbaar feit wordt gepleegd in het kader van een criminele organisatie in de zin van Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad(5), is het passend in strengere sancties te voorzien. De lidstaten mogen niet worden verplicht te voorzien in specifieke verzwarende omstandigheden indien in nationaal recht is voorzien in afzonderlijke strafbare feiten en zulks tot strengere straffen zou kunnen leiden. Indien een persoon een strafbaar feit in de zin van deze richtlijn pleegt in samenhang met een ander daarin bedoeld door hem gepleegd strafbaar feit, en een van die strafbare feiten feitelijk een noodzakelijk element van het andere strafbare feit vormt, kan een lidstaat, overeenkomstig de algemene beginselen van het nationale recht, bepalen dat dergelijk handelen als verzwarende omstandigheid bij het hoofddelict wordt beschouwd.

(20)  Regels inzake rechtsmacht moeten ervoor zorgen dat de in deze richtlijn omschreven strafbare feiten doeltreffend worden vervolgd. Algemeen beschouwd kunnen strafbare feiten het best worden behandeld door het strafrechtsysteem van het land waar zij worden gepleegd. De lidstaten moeten daarom hun rechtsmacht vaststellen ten aanzien van strafbare feiten die op hun grondgebied zijn gepleegd, evenals ten aanzien van strafbare feiten die door hun onder­danen zijn gepleegd. De lidstaten kunnen tevens rechtsmacht vaststellen ten aanzien van strafbare feiten die schade veroorzaken op hun grondgebied. Zij worden daartoe sterk aangemoedigd.

(21)  Indachtig de verplichtingen uit hoofde van Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad (6) en Besluit 2002/187/JBZ van de Raad(7) worden de bevoegde autoriteiten aangemoedigd om bij rechtsmachtsconflicten gebruik te maken van de mogelijkheid rechtstreeks te overleggen, met de bijstand van het Agentschap van de Europese Unie voor justitiële samenwerking in strafzaken (Eurojust).

(22)  Gelet op de behoefte aan speciale middelen voor het doeltreffend opsporen van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen en op het belang van die middelen voor een doeltreffende internationale samenwerking tussen nationale autoriteiten, dienen de opsporingsmiddelen die gewoonlijk worden gebruikt bij gevallen van georganiseerde of andere zware criminaliteit beschikbaar te zijn voor de bevoegde autoriteiten van alle lidstaten, indien en voor zover het gebruik van die middelen passend en evenredig is met de aard en de ernst van de strafbare feiten als omschreven in het nationale recht. Voorts moeten rechtshandhavings­autoriteiten en andere bevoegde autoriteiten tijdig toegang tot relevante informatie hebben voor de opsporing en vervolging van de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten. De lidstaten worden ertoe aangemoedigd adequate personele en financiële middelen toe te wijzen aan de bevoegde autoriteiten zodat zij de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten behoorlijk kunnen opsporen en vervolgen.

(23)  De nationale autoriteiten die de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten opsporen en vervolgen, dienen de bevoegdheid te hebben met andere nationale autoriteiten binnen dezelfde lidstaat en met hun collega's in andere lidstaten samen te werken.

(24)  Vaak liggen criminele activiteiten ten grondslag aan incidenten die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad(8)aan de betrokken nationale bevoegde autoriteiten moeten worden gemeld. Het kan worden vermoed dat dergelijke incidenten een crimineel karakter hebben, zelfs indien in die fase onvoldoende bewijs van een strafbaar feit voorhanden is. In dit verband moeten de relevante aanbieders van essentiële diensten en van digitale diensten worden aangemoedigd om de krachtens Richtlijn (EU) 2016/1148 vereiste verslagen te delen met rechtshandhavingsautoriteiten teneinde doeltreffend en omvattend te kunnen reageren en toerekening aan en het ter verantwoording roepen van daders te faciliteren. De bevordering van een veilige, beveiligde en veerkrachtigere omgeving vereist, in het bijzonder, dat incidenten waarvan wordt vermoed dat ze van ernstige criminele aard zijn, systematisch aan de rechtshand­havingsautoriteiten worden gemeld. Voorts moeten, in voorkomend geval, de uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/1148 aangewezen Computer security incident response teams worden betrokken bij rechtshandhavingsopsporingen teneinde, voor zover op nationaal niveau passend geacht, informatie te verstrekken en specifieke deskundigheid te bieden op het gebied van informatiesystemen.

(25)  Grote beveiligingsincidenten als bedoeld in Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad(9)kunnen een criminele oorsprong hebben. In voorkomend geval dienen betalingsdienstaanbieders te worden aangemoedigd om de verslagen die zij krachtens Richtlijn (EU) 2015/2366 aan de bevoegde autoriteit in hun lidstaat van herkomst moeten overleggen, te delen met rechtshandhavingsautoriteiten.

(26)  Er bestaat op Unieniveau een aantal instrumenten en mechanismen voor de uitwisseling van informatie tussen nationale rechtshandhavingsautoriteiten ten behoeve van de opsporing en vervolging van misdrijven. Om de samenwerking tussen nationale rechtshandhavingsautoriteiten te vergemakkelijken en te bespoedigen en ervoor te zorgen dat die instrumenten en mechanismen optimaal worden gebruikt, dient deze richtlijn het belang van de bij Kaderbesluit 2001/413/JBZ ingevoerde operationele contactpunten te versterken. De lidstaten moeten kunnen besluiten gebruik te maken van het bestaande netwerk van operationele contactpunten, zoals het bij Richtlijn 2013/40/EU ingestelde netwerk. De contactpunten dienen effectieve bijstand te verlenen, bijvoorbeeld door het vergemakkelijken van de uitwisseling van relevante informatie en het verstrekken van technisch advies of juridische informatie. Om ervoor te zorgen dat het netwerk soepel functioneert, dient elk contactpunt snel met de contactpunten van andere lidstaten te kunnen communiceren. Gezien de aanzienlijke grensoverschrijdende dimensie van de onder deze richtlijn vallende misdrijven en, in het bijzonder, het vluchtige karakter van elektronisch bewijs moeten de lidstaten in staat zijn dringende verzoeken van dit netwerk snel te behandelen en binnen acht uur te reageren. In zeer dringende en ernstige gevallen moeten de lidstaten het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) verwittigen.

(27)  Het onverwijld melden van misdrijven aan overheidsinstanties is van groot belang in de strijd tegen fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen aangezien een melding vaak het startpunt van de strafrechtelijke opsporing vormt. Er moeten maatregelen worden genomen die natuurlijke en rechtspersonen, met name financiële instellingen, aanmoedigen om aangifte te doen bij justitiële en rechtshandhavings­autoriteiten. Deze maatregelen kunnen worden gebaseerd op verschillende soorten van optreden, zowel van wetgevende aard, zoals verplichtingen om vermoedelijke fraude te melden, als van niet-wetgevende aard, zoals de oprichting of ondersteuning van organisaties of mechanismen die informatie-uitwisseling of bewustmaking bevorderen. Elk van die maatregelen die de verwerking van persoonsgegevens van natuurlijke personen inhoudt, moet worden uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(10). In het bijzonder, dient elke doorgifte van infor­matie over de voorkoming en bestrijding van strafbare feiten met betrekking tot fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen te voldoen aan de vereisten van deze verordening , met name wat betreft de rechtsgronden voor verwerking.

(28)  Om de snelle en rechtstreekse melding van misdrijven te vergemakkelijken, moet de Commissie zorgvuldig overwegen of er door de lidstaten doeltreffende onlinesystemen voor fraude­meldingen moeten worden opgezet en of er op Unieniveau standaardmodellen voor meldingen moeten komen. Dergelijke systemen zouden het eenvoudiger kunnen maken om fraude in verband met niet-contante betaalmiddelen – die vaak online wordt gepleegd –te melden en bieden zo betere ondersteuning aan slachtoffers, identificatie en analyse van cyberdreigingen , en werkzaamheden en grensoverschrijdende samenwerking van bevoegde nationale autoriteiten.

(29)  De in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten hebben vaak een grensoverschrijdend karakter. Daarom is voor het bestrijden van deze strafbare feiten nauwe samenwerking tussen de lidstaten nodig. De lidstaten worden ertoe aangemoedigd om in passende mate te zorgen voor de doeltreffende toepassing van instrumenten voor wederzijdse erkenning en juridische bijstand ten aanzien van strafbare feiten die onder deze richtlijn vallen.

(30)  De opsporing en vervolging van alle soorten fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen, ook wanneer het om kleine geldbedragen gaat, is bijzonder belangrijk om hen doeltreffend te bestrijden. Meldingsplichten, informatie-uitwisseling en statistische verslagen zijn efficiënte methoden om frauduleuze activiteiten op te sporen, met name gelijksoortige activiteiten waarbij het - afzonderlijk beschouwd - om kleine geldbedragen gaat.

(31)  Fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen kunnen voor de slachtoffers ervan ernstige economische en niet-economische gevolgen hebben. Indien dergelijke fraude gepaard gaat met bijvoorbeeld identiteitsdiefstal, zijn de gevolgen ervan vaak nog ernstiger vanwege reputatie- en beroepsschade, aantasting van de krediet­waardigheid van een persoon en ernstige emotionele schade. De lidstaten dienen bijstands-, hulp- en beschermingsmaatregelen vast te stellen teneinde die gevolgen te verzachten.

(32)  Vaak duurt het een tijd voordat slachtoffers erachter komen dat ze schade hebben geleden als gevolg van fraude of vervalsing. In die tijd kan er een aaneenschakeling van samenhangende misdrijven plaatsvinden waardoor de nadelige gevolgen voor de slachtoffers nog toenemen.

(33)  Natuurlijke personen die het slachtoffer zijn van fraude met betrekking tot niet-contante betaalmiddelen beschikken krachtens Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad(11)over bepaalde rechten. De lidstaten dienen maatregelen vast te stellen waarmee zulke slachtoffers bijstand en ondersteuning kunnen ontvangen, die voortbouwen op de door die richtlijn voorgeschreven maatregelen, maar meer rechtstreekstegemoet komen aan de specifieke behoeften van slachtoffers van fraude in verband met identiteitsdiefstal. Hierbij moet het met name gaan om de verstrekking van een lijst van instellingen die zich specifiek bezighouden met de verschillende aspecten van identiteitsfraude en ondersteuning aan slachtoffers, gespecialiseerde psychologische ondersteuning en advies over financiële, praktische en juridische zaken, en met hulp bij het verkrijgen van een schadevergoeding, indien beschikbaar. De lidstaten moeten aangemoedigd worden om één nationaal online-informatie-hulpmiddel op te zetten waarmee slachtoffers gemakkelijker toegang krijgen tot bijstand en ondersteuning. Ook rechtspersonen dient specifieke informatie en advies te worden geboden over bescherming tegen de negatieve gevolgen van dergelijke misdrijven.

(34)  In deze richtlijn moet worden bepaald dat rechtspersonen, overeenkomstig het nationaal recht, recht hebben op informatie over klachtprocedures. Met name kleine en middelgrote ondernemingen hebben behoefte aan dit recht, dat moet bijdragen aan een vriendelijker ondernemingsklimaat voor die ondernemingen. Natuurlijke personen genieten dit recht reeds op grond van Richtlijn 2012/29/EU.

(35)  De lidstaten moeten, bijgestaan door de Commissie, beleid ter voorkoming van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen bepalen of versterken, alsmede maatregelen die het risico op dergelijke strafbare feiten verminderen, bijvoorbeeld in de vorm van voorlichtings- en bewustwordingscampagnes. In dit kaderzouden de lidstaten in een eenvoudig te begrijpen vorm, een permanent online-bewustmakingsmiddel met praktische voorbeelden van frauduleuze praktijken kunnen ontwikkelen en bijwerken. Dat middel kan gekoppeld zijn aan of deel uitmaken van het enkele nationale online-informatie-hulpmiddel voor slachtoffers. De lidstaten zouden tevens onderzoeks- en opleidingsprogramma's op kunnen stellen. Er moet speciale aandacht uitgaan naar de behoeften en belangen van kwetsbare personen. De lidstaten worden ertoe aangemoedigd voldoende financiële middelen beschikbaar te stellen voor dergelijke campagnes.

(36)  Het is nodig statistische gegevens te verzamelen over fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen, en daarom moeten de lidstaten worden verplicht te zorgen voor een passend systeem voor het registreren, aanmaken en verstrekken van statistische gegevens over de in deze richtlijn bedoelde strafbare feiten.

(37)  Met deze richtlijn wordt beoogd de bepalingen van Kaderbesluit 2001/413/JBZ te wijzigen en uit te breiden. Aangezien die wijzigingen zowel qua aantal als aard substantieel zijn, dient Kaderbesluit 2001/413/JBZ ter wille van de duidelijkheid integraal te worden vervangen voor de lidstaten die door deze richtlijn gebonden zijn.

(38)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen het Verenigd Koninkrijk en Ierland niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in die lidstaten.

(39)  Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het VEU en het VWEU, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van deze richtlijn, die derhalve niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat.

(40)  Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen bestraffen met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties en de grensoverschrijdende samenwerking tussen bevoegde autoriteiten en tussen natuurlijke en rechtspersonen en bevoegde autoriteiten verbeteren en bevorderen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezen­lijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken.

(41)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die uitdrukkelijk zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waaronder het recht op vrijheid en veiligheid, het recht op eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, de bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, het vermoeden van onschuld en de rechten van verdediging, het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake strafbare feiten en straffen, en het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde strafbare feit te worden berecht of gestraft. Deze richtlijn strekt ertoe die rechten en beginselen volledig te waarborgen en moet dienovereenkomstig ten uitvoer worden gelegd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze richtlijn worden minimumvoorschriften vastgesteld met betrekking tot de omschrijving van strafbare feiten en sancties op het gebied van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen. Deze richtlijn vergemakkelijkt het voorkomen van dergelijke strafbare feiten, alsmede de bijstand en ondersteuning aan slachtoffers.

Artikel 2

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)  "niet-contant betaalinstrument": een immaterieel of materieel, beveiligd apparaat of voorwerp of een immateriële of materiële, beveiligde registratie, of een combinatie daarvan, met uitzondering van wettige betaalmiddelen, waarmee de houder of gebruiker, al dan niet in combinatie met een procedure of geheel van procedures, geld of monetaire waarde kan overmaken ▌, waaronder door middel van digitale betaalmiddelen;

b)  "beveiligd apparaat of voorwerp of beveiligde registratie": een apparaat, voorwerp of registratie dat of die beschermd is tegen namaak of frauduleus gebruik, bijvoorbeeld door middel van ontwerp, codering of ondertekening;

c)  "digitaal betaalmiddel": elektronisch geld als gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad(12) of virtuele valuta;

d)  "virtuele valuta": een digitale weergave van waarde die niet door een centrale bank of een overheid wordt uitgegeven of gegarandeerd, die niet noodzakelijk aan een wettelijk vastgestelde valuta is gekoppeld en die niet de juridische status van valuta of geld heeft, maar die door natuurlijke of rechtspersonen als ruilmiddel wordt aanvaard en die elektronisch kan worden overgedragen, opgeslagen en verhandeld;

e)  "informatiesysteem": een informatiesysteem als gedefinieerd in artikel 2, onder a), van Richtlijn 2013/40/EU;

f)  "computergegevens": computergegevens als gedefinieerd in artikel 2, onder b) van Richtlijn 2013/40/EU;

g)  "rechtspersoon": een entiteit met rechtspersoonlijkheid krachtens het toepasselijke recht, met uitzondering van staten of overheidsinstanties in de uitoefening van het openbaar gezag en met uitzondering van publiekrechtelijke internationale organisaties.

TITEL II

STRAFBARE FEITEN

Artikel 3

Frauduleus gebruik van niet-contante betaalinstrumenten

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de volgende handelingen, indien met opzet gepleegd, strafbaar worden gesteld:

a)  het frauduleus gebruik van een gestolen of anderszins wederrechtelijk toegeëigend of onrechtmatig verkregen niet-contant betaalinstrument;

b)  het frauduleus gebruik van een nagemaakt of vervalst niet-contant betaalinstrument.

Artikel 4

Strafbare feiten in verband met het frauduleus gebruik van materiële niet-contante betaalinstrumenten

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de volgende handelingen, indien met opzet gepleegd, strafbaar worden gesteld:

a)  de diefstal of het zich anderszins wederrechtelijk toe-eigenen van een materieel niet-contant betaalinstrument;

b)  de frauduleuze namaak of vervalsing van een materieel niet-contant betaalinstrument ▌;

c)  het bezit ▌van een gestolen, anderszins wederrechtelijk toegeëigend, nagemaakt of vervalst materieel niet-contant betaalinstrument met het oog op het frauduleus gebruik ervan;

d)  de aanschaf voor zichzelf of een ander, waaronder de ontvangst, toe-eigening, aankoop, overdracht, invoer, uitvoer, verkoop, het vervoer of de verspreiding van een gestolen, nagemaakt of vervalst materieel niet-contant betaalinstrument met het oog op het frauduleus gebruik ervan.

Artikel 5

Strafbare feiten in verband met het frauduleus gebruik van immateriële niet-contante betaalinstrumenten

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de volgende handelingen, indien met opzet gepleegd, strafbaar worden gesteld:

a)  de onrechtmatig verkrijging van een immaterieel niet-contant betaalinstrument, althans indien bij die verkrijging een van de in de artikelen 3 tot en met 6 van Richtlijn 2013/40/EU bedoelde strafbare feiten is gepleegd, of het onrechtmatig gebruik van een immaterieel niet-contant betaalinstrument;

b)  de frauduleuze namaak of vervalsing van een immaterieel niet-contant betaal­instrument;

c)  het voorhanden hebben van een onrechtmatig verkregen, nagemaakt of vervalst immaterieel niet-contant betaalinstrument met het oog op het frauduleus gebruik ervan, althans indien de onrechtmatige herkomst bekend is ten tijde van het voorhanden hebben van het instrument;

d)  de aanschaf voor zichzelf of een ander, waaronder de verkoop, overdracht of verspreiding of het beschikbaar maken van een onrechtmatig verkregen, nagemaakt of vervalst immaterieel niet-contant betaalinstrument met het oog op het frauduleus gebruik ervan.

Artikel 6

Fraude met betrekking tot informatiesystemen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat het overmaken, dan wel het bewerkstelligen van het overmaken van geld, monetaire waarde of virtuele valuta waardoor een andere persoon op ongeoorloofde wijze in zijn eigendom wordt aangetast, met het oogmerk een wederrechtelijk voordeel voor de dader of een derde te behalen, strafbaar wordt gesteld indien dit opzettelijk geschiedt door:

a)  het onrechtmatig hinderen van of ingrijpen in de werking van een informatiesysteem;

b)  het onrechtmatig invoeren, wijzigen, verwijderen, doorgeven of onderdrukken van computergegevens.

Artikel 7

Middelen voor het plegen van strafbare feiten

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de vervaardiging, de aanschaf voor zichzelf of een ander, waaronder de invoer, uitvoer, verkoop, het vervoer of de verspreiding of ▌het beschikbaar maken van een apparaat of instrument, computergegevens of enig ander middel dat hoofdzakelijk is ontworpen of specifiek ▌geschikt is gemaakt voor het plegen van een van de in artikel 4, onder a) ▌en b), artikel 5, onder a) en b), en artikel 6 bedoelde strafbare feiten, althans indien de feiten worden gepleegd met het oogmerk deze middelen daarvoor te gebruiken, strafbaar worden gesteld.

Artikel 8

Uitlokking, medeplichtigheid en poging

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat uitlokking van en medeplichtigheid aan een in de artikelen 3 tot en met 7 bedoeld strafbaar feit strafbaar worden gesteld.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat poging tot het plegen van een in artikel 3, artikel 4, onder a), b) of d), artikel 5, onder a) of b), of artikel 6 bedoeld strafbaar feit, strafbaar wordt gesteld. Met betrekking tot artikel 5, onder d), nemen de lidstaten de nodige maatregelen opdat op zijn minst een poging tot frauduleuze aanschaf van een onrechtmatig verkregen, nagemaakt of vervalst immaterieel niet-contant betaalinstrument, voor zichzelf of een ander, strafbaar wordt gesteld.

Artikel 9

Sancties voor natuurlijke personen

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat op de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden gesteld.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de in artikel 3, artikel 4, onder a) en b), en artikel 5, onder a) en b), bedoelde strafbare feiten strafbaar worden gesteld met een maximale gevangenisstraf van ten minste twee jaar.

3.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de in artikel 4, onder c) en d), en artikel 5, onder c) en d), bedoelde strafbare feiten strafbaar worden gesteld met een maximale gevangenisstraf van ten minste één jaar.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat het in artikel 6 bedoelde strafbaar feit strafbaar wordt gesteld met een maximale gevangenisstraf van ten minste drie jaar.

5.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat het in artikel 7 bedoelde strafbaar feit strafbaar wordt gesteld met een maximale gevangenisstraf van ten minste twee jaar.

6.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat de in de artikelen 3 tot en met 6, bedoelde strafbare feiten strafbaar worden gesteld met een maximale gevangenisstraf van ten minste vijf jaar indien ▌zij gepleegd zijn in het kader van een criminele organisatie als omschreven in Kaderbesluit 2008/841/JBZ, ongeacht de bij dat besluit vastgestelde straf.

Artikel 10

Aansprakelijkheid van rechtspersonen

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten indien die feiten in hun voordeel zijn gepleegd door personen die individueel dan wel als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelen en die binnen de rechtspersoon een leidende functie bekleden op grond van:

a)  de bevoegdheid de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

b)  de bevoegdheid namens de rechtspersoon beslissingen te nemen; of

c)  de bevoegdheid binnen de rechtspersoon controle uit te oefenen.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer ten gevolge van een gebrek aan toezicht of controle door een in lid 1 bedoelde persoon, strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8 konden worden gepleegd ten voordele van de rechtspersoon door een onder het gezag daarvan staande persoon.

3.  De aansprakelijkheid van rechtspersonen op grond van de leden 1 en 2 sluit de strafvervolging van natuurlijke personen die strafbare feiten als bedoeld in de artikelen 3 tot en met 8, plegen of uitlokken dan wel aan die feiten medeplichtig zijn, niet uit.

Artikel 11

Sancties voor rechtspersonen

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat een rechtspersoon die op grond van artikel 10, lid 1 of 2, aansprakelijk is gesteld, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties worden opgelegd, die al dan niet strafrechtelijke boetes omvatten, alsmede andere sancties kunnen omvatten, zoals:

a)  uitsluiting van door de overheid verleende uitkeringen of steun;

b)  tijdelijke uitsluiting van toegang tot overheidsfinanciering, waaronder aanbestedings­procedures, subsidies en concessies;

c)  tijdelijk of permanent verbod op het uitoefenen van commerciële activiteiten;

d)  plaatsing onder toezicht van de rechter;

e)  gerechtelijke ontbinding;

f)  tijdelijke of permanente sluiting van vestigingen die voor het plegen van het strafbaar feit zijn gebruikt.

TITEL III

RECHTSMACHT EN OPSPORING

Artikel 12

Rechtsmacht

1.  Elke lidstaat neemt de nodige maatregelen ter vaststelling van zijn rechtsmacht ten aanzien van de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten indien een of meer van de volgende situaties van toepassing zijn:

a)  het strafbaar feit is geheel of gedeeltelijk op zijn grondgebied gepleegd,

b)  de dader is onderdaan van de lidstaat.

2.  Voor de toepassing van lid 1, onder a), wordt een strafbaar feit geacht geheel of gedeeltelijk op het grondgebied van een lidstaat te zijn gepleegd wanneer de dader het strafbaar feit pleegt terwijl hij zich fysiek op dat grondgebied bevindt, ongeacht of het strafbaar feit wordt gepleegd met behulp van ▌een informatiesysteem ▌op dat grondgebied.

3.  Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van een besluit tot vaststelling van rechtsmacht ten aanzien van een in de artikelen 3 tot en met 8 bedoeld strafbaar feit dat buiten zijn grondgebied is gepleegd, onder meer indien:

a)  de dader zijn vaste woon- of verblijfplaats op zijn grondgebied heeft;

b)  het strafbaar feit is gepleegd ten voordele van een op zijn grondgebied gevestigde rechtspersoon;

c)  het strafbaar feit is gepleegd jegens een eigen onderdaan of een persoon die zijn vaste woon- of verblijfplaats op zijn grondgebied heeft.

Artikel 13

Doeltreffende opsporing en samenwerking

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat ▌de opsporingsmiddelen, zoals die welke in de strijd tegen georganiseerde of andere zware criminaliteit worden ingezet, doeltref­fend zijn, in verhouding staan tot het gepleegde strafbare feit en beschikbaar zijn voor de personen, eenheden en diensten die met de opsporing en vervolging van de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten belast zijn.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat, indien natuurlijke en rechtspersonen op grond van nationaal recht verplicht zijn informatie te verstrekken over de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten, dergelijke informatie onverwijld ter kennis wordt gebracht van de autoriteiten die die strafbare feiten opsporen of vervolgen.

TITEL IV

UITWISSELING VAN INFORMATIE EN MELDING VAN MISDRIJVEN

Artikel 14

Informatie-uitwisseling

1.  De lidstaten zorgen met het oog op de informatie-uitwisseling over de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten ervoor dat zij beschikken over een operationeel nationaal contactpunt dat vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week bereikbaar is. De lidstaten zorgen er tevens voor dat er procedures van kracht zijn in het kader waarvan dringende verzoeken om bijstand snel in behandeling kunnen worden genomen en de bevoegde autoriteit binnen acht uur na ontvangst van het verzoek reageert, waarbij ten minste wordt aangegeven of het verzoek in behandeling zal worden genomen, alsmede de vorm van een dergelijk antwoord en het tijdstip waarop dit naar verwachting zal gebeuren. De lidstaten kunnen besluiten gebruik te maken van de bestaande netwerken van operationele contact­punten.

2.  De lidstaten stellen de Commissie, Europol en Eurojust in kennis van de aanwijzing van het in lid 1 bedoelde contactpunt. Zij werken die informatie, indien nodig, bij. De Commissie geeft die informatie door aan de andere lidstaten.

Artikel 15

Melding van misdrijven

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat er passende meldkanalen beschikbaar zijn zodat de melding van de in de artikelen 3 tot en met 8 genoemde strafbare feiten aan de rechtshandhavingsautoriteiten en andere bevoegde nationale autoriteiten wordt vergemakkelijkt.

2.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om financiële instellingen en andere rechts­personen die op hun grondgebied actief zijn, aan te moedigen om vermoedelijke fraude onverwijld te melden aan rechtshandhavingsautoriteiten en andere bevoegde autoriteiten, met het oog op het vaststellen, voorkomen, opsporen of vervolgen van de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten.

Artikel 16

Bijstand en ondersteuning aan slachtoffers

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat natuurlijke personen en rechtspersonen die schade hebben geleden als gevolg van in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten die zijn gepleegd door misbruik van persoonsgegevens:

a)  specifieke informatie en specifiek advies wordt geboden over manieren om zichzelf te beschermen tegen de negatieve gevolgen van deze strafbare feiten, zoals reputatieschade; en

b)  een lijst ontvangen van instellingen die zich specifiek met verschillende aspecten van identiteitsgerelateerde criminaliteit en ondersteuning aan slachtoffers ervan bezighouden.

2.  Elke lidstaat wordt ertoe aangemoedigd één nationaal online-informatie-hulpmiddel op te zetten om natuurlijke en rechtspersonen die schade hebben geleden als gevolg van in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten die zijn gepleegd door misbruik van persoonsgegevens, gemakkelijker toegang te verlenen tot bijstand en ondersteuning.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat rechtspersonen die het slachtoffer zijn van in de artikelen 3 tot en met 8 van deze richtlijn bedoelde strafbare feiten, na hun eerste contact met een bevoegde autoriteit onverwijld de volgende informatie wordt gegeven:

a)  de procedures voor het indienen van een klacht met betrekking tot het strafbaar feit en de rol van het slachtoffer in dergelijke procedures;

b)  het recht om informatie te ontvangen over de zaak overeenkomstig het nationaal recht;

c)  de procedures die beschikbaar zijn voor het indienen van een klacht ingeval de bevoegde autoriteit de rechten van het slachtoffer tijdens de strafprocedure niet eerbiedigt;

d)  de contactgegevens voor communicatie over hun zaak.

Artikel 17

Preventie

De lidstaten nemen passende maatregelen, onder meer via het internet, zoals voorlichtings- en bewustmakingscampagnes en onderzoeks- en onderwijsprogramma’s, om fraude in het algemeen te doen afnemen, het publiek bewuster te maken en het risico het slachtoffer van fraude te worden te verminderen. Waar nuttig, werken de lidstaten met betrokkenen samen.

Artikel 18

Monitoring en statistieken

1.  Uiterlijk op … [drie maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie een gedetailleerd programma vast voor de monitoring van de uitkomsten, resultaten en effecten van deze richtlijn. In het monitoringprogramma wordt vermeld met welke middelen en welke frequentie de noodzakelijke gegevens en andere bewijsstukken zullen worden verzameld. Het vermeldt de maatregelen die de Commissie en de lidstaten moeten nemen voor het verzamelen, delen en analyseren van de gegevens en ander bewijsmateriaal.

2.  De lidstaten zorgen voor een systeem voor het registreren, aanmaken en verstrekken van geanonimiseerde statistische gegevens ter kwantificering van de meldings-, opsporings- en gerechtelijke fasen inzake de in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten.

3.   De in lid 2 bedoelde statistische gegevens omvatten ten minste de beschikbare gegevens over het aantal in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten die door de lidstaten zijn geregistreerd en het aantal personen dat in verband met de in de artikelen 3 tot en met 7 bedoelde strafbare feiten is vervolgd en veroordeeld. ▌

4.  De lidstaten verstrekken de Commissie eenmaal per jaar de ingevolge de leden 1, 2 en 3 verzamelde gegevens. De Commissie zorgt ervoor dat ieder jaar een geconsolideerd over­zicht van de statistische verslagen wordt gepubliceerd en bij de bevoegde gespecialiseerde agentschappen en organen van de Unie wordt ingediend.

Artikel 19

Vervanging van Kaderbesluit 2001/413/JBZ

Kaderbesluit 2001/413/JBZ wordt vervangen ten aanzien van de door deze richtlijn gebonden lidstaten, onverminderd de verplichtingen van die lidstaten betreffende de datum van omzetting van dat kaderbesluit in nationaal recht.

Voor de lidstaten die gebonden zijn door deze richtlijn, gelden verwijzingen naar Kaderbesluit 2001/413/JBZ als verwijzingen naar deze richtlijn.

Artikel 20

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … [24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] ▌aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 21

Evaluatie en verslaglegging

1.  De Commissie dient uiterlijk op … [48 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn]een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad waarin wordt beoordeeld in welke mate de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige gegevens voor het opstellen van dat verslag.

2.  De Commissie voert uiterlijk … [84 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn]een evaluatie uit van deze richtlijn betreffende de bestrijding van fraude met en vervalsing van niet-contante betaalmiddelen, alsook van de gevolgen van deze richtlijn voor de grondrechten, en dient bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in. De lidstaten verstrekken de Commissie de nodige gegevens voor het opstellen van dat verslag.

3.  In het kader van de in lid 2 van dit artikel bedoelde evaluatie brengt de Commissie ook verslag uit over de noodzaak, de haalbaarheid en de doeltreffendheid van het opzetten van beveiligde nationale onlinesystemen om slachtoffers in staat te stellen alle in de artikelen 3 tot en met 8 bedoelde strafbare feiten te melden, alsook van de invoering van een gestandaardiseerd Uniemodel voor meldingen, die de lidstaten tot basis zal dienen.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 24.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2019.
(3) Kaderbesluit 2001/413/JBZ van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten (PB L 149 van 2.6.2001, blz. 1).
(4)Richtlijn 2013/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 over aanvallen op informatiesystemen en ter vervanging van Kaderbesluit 2005/222/JBZ van de Raad (PB L 218 van 14.8.2013, blz. 8).
(5)Kaderbesluit 2008/841/JBZ van de Raad van 24 oktober 2008 ter bestrijding van georganiseerde criminaliteit (PB L 300 van 11.11.2008, blz. 42).
(6)Kaderbesluit 2009/948/JBZ van de Raad van 30 november 2009 over het voorkomen en beslechten van geschillen over de uitoefening van rechtsmacht bij strafprocedures (PB L 328 van 15.12.2009, blz. 42).
(7)Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken (PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1).
(8)Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).
(9) Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).
(10) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(11) Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57).
(12) Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).

Laatst bijgewerkt op: 18 maart 2019Juridische mededeling