Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 12 februari 2019 - Straatsburg 
Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Republiek Ivoorkust en de EU (2018-2024) ***
 Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Republiek Ivoorkust en de EU (2018-2024) (resolutie)
 Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de EU en het Koninkrijk Marokko ***
 Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee ***
 Protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de EU en Mexico (toetreding van Kroatië) ***
 Fraudebestrijdingsprogramma van de EU ***I
 Meerjarenplan voor de bestanden waarop wordt gevist in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
 Uniemechanisme voor civiele bescherming ***I
 Minimumeisen voor hergebruik van water ***I
 De goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen ***I
 Programma voor de eengemaakte markt, het concurrentievermogen van ondernemingen en Europese statistieken ***I
 Btw: definitief stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten *
 Strategieën voor de integratie van de Roma
 Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake EU-burgerschap
 Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking
 Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake de bevoegdheid van het Parlement om politieke controle uit te oefenen op de Commissie
 Tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in het institutionele kader van de EU
 Statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (statuut van de Europese Ombudsman)
 Een alomvattend Europees industriebeleid inzake artificiële intelligentie en robotica
 Duurzaam gebruik van pesticiden
 Tenuitvoerlegging van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg

Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Republiek Ivoorkust en de EU (2018-2024) ***
PDF 121kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tot uitvoering van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Ivoorkust (2018-2024) (10858/2018 – C8-0387/2018 – 2018/0267(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0063A8-0030/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10858/2018),

–  gezien het protocol tot tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Ivoorkust (2018-2024) (10856/2018)

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0387/2018),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 12 februari 2019(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en de adviezen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en de Begrotingscommissie (A8-0030/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Ivoorkust.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0064.


Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Republiek Ivoorkust en de EU (2018-2024) (resolutie)
PDF 132kWORD 52k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het ontwerpbesluit van de Raad betreffende de sluiting van het protocol tot uitvoering van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Ivoorkust (2018-2024) (10858/2018 – C8-0387/2018 – 2018/0267M(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0064A8-0034/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10858/2018),

–  gezien het protocol tot tenuitvoerlegging van de partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Unie en de Republiek Ivoorkust (2018-2024) (10856/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43, artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0387/2018),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 12 februari 2019(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0034/2019),

A.  overwegende dat de Commissie en de regering van Ivoorkust hebben onderhandeld over een nieuwe partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij (SFPA EU-Ivoorkust) en een protocol tot tenuitvoerlegging voor een periode van zes jaar;

B.  overwegende dat de SFPA EU-Ivoorkust in het algemeen tot doel heeft de samenwerking op visserijgebied tussen de EU en Ivoorkust te versterken, in het belang van beide partijen, door een beleid voor duurzame visserij en duurzame exploitatie van visbestanden in de exclusieve economische zone (EEZ) van Ivoorkust te bevorderen;

C.  overwegende dat de benutting van de vangstmogelijkheden in het kader van de vorige SFPA EU-Ivoorkust rond de 79 % lag, wat in het algemeen als goed wordt beschouwd; overwegende echter dat beugvisserijvaartuigen in die periode geen gebruik hebben gemaakt van de beschikbare vangstmogelijkheden;

D.  overwegende dat de opeenvolging van verschillende SFPA's tussen de EU en Ivoorkust heeft bijgedragen tot de economie van Ivoorkust, in zoverre dat een beroep wordt gedaan op lokale zeelieden, de haven van Abidjan en de plaatselijke conserveringsfaciliteiten, dat de bijvangst van EU-vaartuigen voor tonijnvisserij met de zegen wordt benut en de lokale controlecapaciteit is versterkt (hoewel deze over het algemeen bescheiden is);

E.  overwegende dat de SFPA EU-Ivoorkust een effectievere duurzame ontwikkeling van de Ivoriaanse vissersgemeenschappen en van verwante industrieën en activiteiten moet bevorderen; overwegende dat de steun die zal worden verleend in het kader van het protocol coherent moet zijn met de nationale ontwikkelingsplannen – met name het strategisch plan voor de ontwikkeling van de veeteelt, de visserij en de aquacultuur (PSDEPA) – en het actieplan "blauwe groei", dat is ontworpen met de Verenigde Naties om de productie in de sector te verhogen en te professionaliseren om te kunnen voorzien in de behoeften van de bevolking aan voedsel en banen; overwegende dat uit bovengenoemd strategisch plan blijkt dat voor de verwezenlijking van die doelen een begroting van meer dan 140 miljoen EUR nodig is;

F.  overwegende dat de EU, via het Europees Ontwikkelingsfonds, een meerjarige begroting ten bedrage van 273 miljoen EUR bijdraagt aan Ivoorkust en deze middelen concentreert op een aantal domeinen, waaronder infrastructuur, gezondheid en humanitaire hulp;

1.  is van mening dat de SFPA EU-Ivoorkust twee doelen moet nastreven die beide even belangrijk zijn: (1) de vaartuigen van de EU vangstmogelijkheden in de EEZ van Ivoorkust bieden, op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en zonder te tornen aan de maatregelen voor instandhouding en beheer die worden genomen door de regionale organisaties waar Ivoorkust bij is aangesloten – hoofdzakelijk de ICCAT – of het beschikbare overschot te overschrijden; en (2) samenwerking tussen de EU en Ivoorkust bevorderen met het oog op een duurzaam visserijbeleid en een verantwoordelijke exploitatie van de visbestanden in de Ivoriaanse visserijzone, en bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van de visserijsector van Ivoorkust door middel van economische, financiële, technische en wetenschappelijke samenwerking, zonder de soevereine keuzes en strategieën van Ivoorkust ten aanzien van die ontwikkeling te ondermijnen;

2.  vestigt de aandacht op de bevindingen van de retrospectieve en prospectieve beoordeling van het protocol bij de SFPA EU-Ivoorkust, die werd verricht in september 2017 en waarin wordt gesteld dat het protocol bij de SFPA 2013-2018 in het algemeen had bewezen effectief en efficiënt te zijn en was afgestemd op de desbetreffende belangen, alsook consistent was met het Ivoriaanse sectorale beleid en in hoge mate aanvaardbaar was voor de belanghebbenden, en waarin de aanbeveling werd gedaan een nieuw protocol op te stellen;

3.  is van mening dat de SFPA EU-Ivoorkust en het bijbehorende protocol, wanneer zij ten uitvoer worden gelegd en bij een eventuele herziening en/of verlenging ervan, moeten kunnen worden afgestemd op het PSDEPA en het actieplan "blauwe groei" voor de ontwikkeling van de Ivoriaanse visserijsector, en dat zij met name:

   de governance moeten verbeteren, meer bepaald de opstelling en validering van wetgeving en de verdere ontwikkeling van beheersplannen;
   de controle en surveillance in de EEZ van Ivoorkust moeten aanscherpen;
   de maatregelen ter bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) moeten versterken, ook in de binnenwateren;
   de bouw en/of renovatie van loskades en havens mogelijk moeten maken, met inbegrip van – maar niet beperkt tot – de haven van Abidjan;
   de omstandigheden in rokerijen moeten verbeteren, met name voor vrouwen, om zo te zorgen voor een doeltreffender conserveringssysteem;
   de arbeidsomstandigheden voor vrouwen moeten helpen verbeteren, daar zij hoofdzakelijk instaan voor de verwerking van bijvangst;
   beschermde mariene gebieden moeten aanwijzen;
   partnerschappen met derde landen moeten versterken in de vorm van visserijovereenkomsten, waarbij wordt gewaakt over transparantie door de inhoud van deze overeenkomsten te publiceren en door een regionaal programma op te stellen om waarnemers op te leiden en in te zetten;
   de bouw van vismarkten mogelijk moeten maken;
   ervoor moeten zorgen dat organisaties die mannen en vrouwen in de visserijsector vertegenwoordigen sterker worden, met name waar het gaat om ambachtelijke visserij, om zo hun technische, beheers- en onderhandelingsvaardigheden te verbeteren;
   moeten zorgen voor de oprichting en/of renovatie van centra voor basis- en beroepsopleiding, om zo het vaardighedenniveau van vissers en zeelieden te verhogen;
   de wetenschappelijke onderzoekscapaciteit en het vermogen om toezicht uit te oefenen op de visbestanden moeten versterken;
   de duurzaamheid van mariene hulpbronnen in het algemeen moeten verbeteren;

4.  is van mening dat de regelgeving om ACS-zeelieden op EU-vissersvaartuigen te laten aanmonsteren, tot 20 % van de bemanning, ambitieuzer zou kunnen; herhaalt dat de IAO-beginselen moeten worden nageleefd en pleit er met name voor dat IAO-Verdrag nr. 188 wordt ondertekend, omdat dit impliceert dat de algemene beginselen van vrijheid van vereniging, vrijheid van collectieve onderhandeling voor werknemers en non-discriminatie op de arbeidsmarkt en op de werkplek in acht moeten worden genomen; dringt er tevens op aan rekening te houden met de eis van plaatselijke vissersvakbonden om socialezekerheids-, gezondheids- en pensioenrechten voor ACS-zeelieden beter in de praktijk om te zetten;

5.  is van mening dat er informatie moet worden ingewonnen over de voordelen die de toepassing van het protocol zal opleveren voor de lokale economie (werkgelegenheid, infrastructuur, sociale verbeteringen);

6.  acht het wenselijk de kwantiteit en de nauwkeurigheid van gegevens over alle vangsten (doelsoorten en bijvangsten) en over de staat van instandhouding van visbestanden te verbeteren en te zorgen voor een betere tenuitvoerlegging van de financiële middelen voor sectorale steun, zodat het effect van de overeenkomst op het mariene ecosysteem en de vissersgemeenschappen nauwkeuriger kan worden gemeten; verzoekt de Commissie te helpen waarborgen dat de organen die verantwoordelijk zijn voor toezicht op de tenuitvoerlegging van de overeenkomst, met inbegrip van een gemengde wetenschappelijke commissie die daartoe moet worden opgericht, in alle openheid hun werk kunnen doen, en dat verenigingen van ambachtelijke vissers en vrouwelijke visrokers, vakbonden, vertegenwoordigers van kustgemeenschappen, alsook Ivoriaanse maatschappelijke organisaties worden geraadpleegd;

7.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om in hun op Ivoorkust gerichte beleid inzake samenwerking en officiële ontwikkelingshulp te bedenken dat het Europees Ontwikkelingsfonds en de sectorale steun die in deze SFPA wordt geregeld elkaar moeten aanvullen om sneller en effectiever bij te dragen tot de emancipatie van de plaatselijke vissersgemeenschappen en tot de volledige uitoefening van de soevereiniteit van Ivoorkust over de visbestanden van dat land;

8.  verzoekt de Commissie om de Republiek Ivoorkust ertoe aan te sporen de financiële bijdrage waarin is voorzien uit hoofde van het protocol te gebruiken om de nationale visserijsector duurzaam te versterken, door de vraag naar lokale investerings- en industriële projecten te stimuleren en lokale banen te creëren;

9.  verzoekt de Commissie het Parlement de notulen en conclusies toe te zenden van de vergaderingen van de gemengde commissie als bedoeld in artikel 9 van de overeenkomst, alsook het meerjarige sectorale programma als vermeld in artikel 4 van het protocol en de resultaten van de jaarlijkse evaluaties, en deze documenten publiek te maken; verzoekt de Commissie voorts de deelname van vertegenwoordigers van het Parlement als waarnemer op de bijeenkomsten van de gemengde commissie mogelijk te maken en de deelname van Ivoriaanse vissersgemeenschappen aan te moedigen;

10.  verzoekt de Commissie en de Raad om het Parlement binnen de grenzen van hun bevoegdheden in alle fasen van de procedures in verband met het protocol en, in voorkomend geval, de verlenging ervan onmiddellijk en volledig te informeren, overeenkomstig artikel 13, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 218, lid 10, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

11.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van de Republiek Ivoorkust.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0063.


Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de EU en het Koninkrijk Marokko ***
PDF 122kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij die overeenkomst (14367/2018 – C8-0033/2019 – 2018/0349(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0065A8-0027/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (14367/2018),

–  gezien het ontwerp voor een partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Marokko, het bijbehorende uitvoeringsprotocol en de briefwisseling bij die overeenkomst (12983/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0033/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0027/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Marokko.


Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee ***
PDF 120kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee (10784/2018 – C8-0431/2018 – 2018/0239(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0066A8-0016/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (10784/2018),

–  gezien de ontwerpovereenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee (10788/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 43 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0431/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie visserij (A8-0016/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de overige partijen bij de overeenkomst.


Protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de EU en Mexico (toetreding van Kroatië) ***
PDF 126kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het derde aanvullend protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (15383/2017 – C8-0489/2018 – 2017/0319(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0067A8-0066/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15383/2017),

–  gezien het ontwerp van derde aanvullend protocol bij de Overeenkomst inzake economisch partnerschap, politieke coördinatie en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Verenigde Mexicaanse Staten, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (15410/2017),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, de artikelen 207 en 211, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0489/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0066/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het protocol;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Verenigde Mexicaanse Staten.


Fraudebestrijdingsprogramma van de EU ***I
PDF 230kWORD 58k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het fraudebestrijdingsprogramma van de EU (COM(2018)0386 – C8-0236/2018 – 2018/0211(COD))
P8_TA(2019)0068A8-0064/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Meerjarenplan voor de bestanden waarop wordt gevist in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren ***I
PDF 261kWORD 84k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visbestanden in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de Oostzee, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 (COM(2018)0149 – C8-0126/2018 – 2018/0074(COD))
P8_TA-PROV(2019)0069A8-0310/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0149),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0126/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de officiële kennisgeving, overeenkomstig artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, van 29 maart 2017 van de regering van het Verenigd Koninkrijk van het voornemen zich uit de Europese Unie terug te trekken,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 12 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0310/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Parlement en de Raad die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd en die samen met de definitieve wetgevingshandeling zal worden gepubliceerd in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 februari 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor bestanden die worden gevangen in de westelijke wateren en daaraan grenzende wateren en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordeningen (EU) 2016/1139 en (EU) 2018/973, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008

P8_TC1-COD(2018)0074


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van geoogste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren.

(2)  Tijdens de top van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling die in 2015 in New York heeft plaatsgevonden, hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden om tegen 2020 het oogsten van vis doeltreffend te reglementeren, een einde te maken aan overbevissing, aan illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de bestanden in zo kort mogelijke tijd te herstellen tot op zijn minst het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde MDO kan opleveren.

(3)  Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(5) zijn de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB moet bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand, als vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(6).

(4)  Het GVB heeft onder meer ten doel te garanderen dat visserij en aquacultuur uit ecologisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, de voorzorgsbenadering toe te passen bij het visserijbeheer en een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer ten uitvoer te leggen.

(5)  Met het oog op de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen moeten instandhoudingsmaatregelen zoals meerjarenplannen, technische maatregelen, en maatregelen inzake de vaststelling en toewijzing van de vangstmogelijkheden, zo nodig met elkaar gecombineerd, worden vastgesteld.

(6)  Op grond van de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Overeenkomstig die artikelen dient het bij deze verordening vastgestelde meerjarenplan (hierna “het plan” genoemd) doelstellingen te omvatten, alsmede kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten, vrijwaringsmaatregelen en technische maatregelen die beogen ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken en de impact op het mariene milieu tot een minimum terug te dringen, in het bijzonder op kwetsbare habitats en beschermde soorten.

(7)  In deze verordening moet rekening worden gehouden met de beperkingen in verband met de grootte van de vaartuigen van de ambachtelijke en kustvisserij die in de ultraperifere gebieden worden gebruikt.

(8)  Met het "beste beschikbare wetenschappelijke advies" wordt bedoeld: openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt ondersteund door de meest actuele wetenschappelijke gegevens en methoden en dat is uitgebracht of beoordeeld door een onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Europese Unie of op internationaal niveau.

(9)  De Commissie dient voor de bestanden die binnen de werkingssfeer van het plan vallen, het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen. Zij sluit daartoe memoranda van overeenstemming met de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES). Het wetenschappelijke advies van met name de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau dient gebaseerd te zijn op het plan en dient in het bijzonder FMDO-bandbreedtes en biomassareferentiepunten (MDO Btrigger en Blim) te vermelden. Die waarden dienen te worden vermeld in het desbetreffende bestandsadvies en, in voorkomend geval, in andere openbaar beschikbare wetenschappelijke adviezen, waaronder bijvoorbeeld adviezen met betrekking tot gemengde visserij van met name de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau.

(10)  In Verordeningen (EG) nr. 811/2004(7), (EG) nr. 2166/2005(8), (EG) nr. 388/2006(9), (EG) nr. 509/2007(10) en (EG) nr. 1300/2008(11) van de Raad zijn regels vastgesteld voor de exploitatie van het noordelijke heekbestand, de bestanden van heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland, tong in de Golf van Biskaje, tong in het westelijk Kanaal, haring in het gebied ten westen van Schotland en kabeljauw in het Kattegat, de Noordzee, het gebied ten westen van Schotland en de Ierse Zee. Vis uit deze en andere demersale bestanden wordt geoogst in het kader van gemengde visserij. Daarom dient één meerjarenplan te worden vastgesteld waarin rekening wordt gehouden met zulke technische interacties.

(11)  Een dergelijk meerjarenplan dient van toepassing te zijn op de demersale bestanden en de desbetreffende visserijen in de westelijke wateren, die bestaan uit de noordwestelijke wateren en de zuidwestelijke wateren. Het gaat daarbij om rondvis-, platvis- en kraakbeenvissoorten en langoustines (Nephrops norvegicus) die op of in de nabijheid van de bodem van de waterkolom leven.

(12)  Sommige demersale bestanden worden zowel in de westelijke wateren als in daaraan grenzende wateren geëxploiteerd. Daarom dient de werkingssfeer van de bepalingen in het plan die betrekking hebben op streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die voornamelijk in de westelijke wateren worden geëxploiteerd, te worden uitgebreid tot de betrokken gebieden buiten de westelijke wateren. Bovendien dienen voor bestanden die ook aanwezig zijn in de westelijke wateren, maar die voornamelijk buiten de westelijke wateren worden geëxploiteerd, de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen te worden vastgesteld in meerjarenplannen voor de gebieden buiten de westelijke wateren waar die bestanden voornamelijk worden geëxploiteerd, waarbij de werkingssfeer van die meerjarenplannen dient te worden uitgebreid tot de westelijke wateren.

(13)  De geografische werkingssfeer van het plan dient gebaseerd te zijn op de geografische spreiding van de bestanden, zoals opgenomen in het meest recente wetenschappelijke advies van met name de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau. Het is mogelijk dat de geografische spreiding van de bestanden zoals opgenomen in het plan in de toekomst zal moeten worden gewijzigd ten gevolge van betere wetenschappelijke informatie of van migratie van bestanden. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de geografische spreiding van de bestanden als opgenomen in het plan, indien uit het wetenschappelijk advies van met name de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, blijkt dat de geografische verdeling van de betrokken bestanden is gewijzigd.

(14)  Indien bestanden van gemeenschappelijk belang ook worden geëxploiteerd door derde landen, moet de Unie overleg plegen met die derde landen teneinde ervoor te zorgen dat die bestanden op duurzame wijze worden beheerd, in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013, met name artikel 2, lid 2, daarvan, en van deze verordening. Bij gebreke van een formeel akkoord dient de Unie alles in het werk te stellen om tot gemeenschappelijke regelingen voor het bevissen van deze bestanden te komen teneinde duurzaam beheer mogelijk te maken en gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers van de Unie te bevorderen.

(15)  Het plan dient erop gericht te zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van het GVB, en met name het bereiken en behouden van de MDO voor de doelbestanden, de uitvoering van de aanlandingsverplichting voor demersale bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden en het bevorderen van een redelijke levensstandaard voor degenen die van visserijactiviteiten afhankelijk zijn, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaaleconomische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering van het visserijbeheer toe te passen om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in overeenstemming te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken (overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG) en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(12) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(13). In dit plan dienen ook nadere bepalingen te worden opgenomen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing is.

(16)  Krachtens artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen de vangstmogelijkheden te worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 2, lid 2, van die verordening bepaalde doelstellingen en in overeenstemming te zijn met de in de meerjarenplannen bepaalde streefdoelen, tijdschema's en marges.

(17)  Het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat in overeenstemming is met de doelstelling om de MDO te bereiken en te behouden, dient te worden vastgesteld in de vorm van een bandbreedte van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO (FMDO). Deze op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om op flexibele wijze te kunnen inspelen op ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, bij te dragen tot de uitvoering van de aanlandingsverplichting en rekening te houden met de kenmerken van gemengde visserij. De FMDO-bandbreedtes dienen te worden berekend door in het bijzonder de ICES, specifiek in het kader van de periodieke vangstadviezen, of door een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau. De bandbreedtes dienen op basis van het plan zo te worden bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO. De bovengrens van de bandbreedte moet geplafonneerd zijn, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder Blim terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt. Deze bovengrens moet ook overeenkomen met de "adviesregel" van de ICES, die inhoudt dat wanneer de toestand op het gebied van paaibiomassa of abundantie slecht is, F moet worden verminderd tot een waarde die niet hoger is dan een bovengrens gelijk aan de FMDO-puntwaarde vermenigvuldigd met de paaibiomassa of de abundantie in het TAC-jaar (TAC = totaal toegestane vangsten), gedeeld door MDO Btrigger. De ICES hanteert deze overwegingen en deze adviesregel wanneer hij wetenschappelijk advies verstrekt over visserijsterfte en vangstopties.

(18)  Met het oog op de vaststelling van de vangstmogelijkheden dient er een bovendrempel te komen voor FMDO-bandbreedtes bij normaal gebruik en, mits het betrokken bestand als in goede staat verkerend wordt beschouwd, een bovengrens voor bepaalde gevallen. Het moet mogelijk zijn om de vangstmogelijkheden alleen op de bovengrens vast te stellen indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening in het geval van gemengde visserij, of indien dat noodzakelijk is om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen of om de jaarlijkse schommelingen op het gebied van de vangstmogelijkheden te beperken.

(19)  Een bevoegde adviesraad moet de Commissie een beheersaanpak kunnen aanbevelen die erop gericht is de jaarlijkse schommelingen van de vangstmogelijkheden voor een bepaald in deze verordening opgenomen bestand te beperken. De Raad moet met dergelijke aanbevelingen rekening kunnen houden bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden, op voorwaarde dat deze vangstmogelijkheden in overeenstemming zijn met de streefdoelen en vrijwaringsmaatregelen in het kader van het plan.

(20)  Voor bestanden waarvoor streefdoelen in verband met de MDO beschikbaar zijn en met het oog op de toepassing van vrijwaringsmaatregelen dienen instandhoudingsreferentiepunten te worden vastgesteld die in het geval van visbestanden worden uitgedrukt als triggerniveaus voor de paaibiomassa, en in het geval van langoustines als triggerniveaus voor de abundantie.

(21)  Wanneer de bestandsomvang tot onder die niveaus daalt, dient te worden voorzien in passende vrijwaringsmaatregelen. Vrijwaringsmaatregelen dienen onder meer in te houden dat de vangstmogelijkheden worden gereduceerd en dat er specifieke instandhoudingsmaatregelen worden genomen wanneer luidens wetenschappelijk advies herstelmaatregelen vereist zijn. Deze maatregelen dienen te worden aangevuld met alle andere passende maatregelen, zoals maatregelen van de Commissie overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 of maatregelen van de lidstaten overeenkomstig artikel 13 van die verordening.

(22)  De TAC-hoeveelheden voor langoustine in vier specifieke beheersgebieden moeten kunnen worden vastgesteld als de som van de vangstbeperkingen voor elke functionele eenheid en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden in elk beheersgebied. Dit mag het vaststellen van maatregelen ter bescherming van specifieke functionele eenheden evenwel niet uitsluiten.

(23)  Om de regionale aanpak te kunnen toepassen op de instandhouding en de duurzame exploitatie van de biologische rijkdommen van de zee dient het mogelijk te zijn om technische maatregelen te nemen voor alle bestanden in de westelijke wateren.

(24)  De regeling ter beperking van de visserijinspanning voor tong in het westelijk Kanaal is een efficiënt beheersinstrument gebleken als aanvulling op de vaststelling van de vangstmogelijkheden. Een dergelijke beperking van de visserijinspanning moet daarom in het kader van het plan worden gehandhaafd.

(25)   Wanneer de visserijsterfte als gevolg van de recreatievisserij een significante impact heeft op een bestand dat beheerd wordt op basis van de MDO, moet de Raad niet-discriminerende beperkingen kunnen vaststellen voor recreatievissers. De Raad dient bij de vaststelling van dergelijke beperkingen te verwijzen naar transparante en objectieve criteria. In voorkomend geval moeten de lidstaten de nodige proportionele maatregelen nemen voor het monitoren en verzamelen van gegevens met het oog op een betrouwbare schatting van de werkelijke niveaus van recreatieve vangsten.

(26)  Met het oog op de naleving van de in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, die nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van deze verordening.

(27)  Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer dient een termijn te worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(28)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 dienen bepalingen te worden vastgesteld inzake de periodieke beoordeling door de Commissie, op basis van wetenschappelijk advies, van de toereikendheid en doeltreffendheid van de toepassing van deze verordening. Het plan dient uiterlijk op ... [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de vijf jaar te worden geëvalueerd. Een dergelijke periode biedt voldoende ruimte om de aanlandingsverplichting volledig uit te voeren, om geregionaliseerde maatregelen vast te stellen en uit te voeren en om zicht te krijgen op de gevolgen voor de bestanden en de visserij. Een kortere periode zou bovendien onwerkbaar zijn voor de wetenschappelijke instanties.

(29)  Met het oog op een tijdige en evenredige aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang, om flexibiliteit te waarborgen en om de ontwikkeling van bepaalde maatregelen mogelijk te maken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie tot wijziging of in aanvulling op deze verordening handelingen vast te stellen met betrekking tot aanpassingen inzake de bestanden die onder deze verordening vallen na wijzigingen van de geografische spreiding van de bestanden, herstelmaatregelen, de uitvoering van de aanlandingsverplichting en beperkingen wat de totale capaciteit van de vloten van de betrokken lidstaten betreft. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(30)  Met het oog op rechtszekerheid behoort te worden verduidelijkt dat maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, kunnen worden geacht in aanmerking te komen voor steun krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad(15).

(31)  Het gebruik van dynamische verwijzingen naar FMDO-bandbreedtes en naar instandhoudingsreferentiepunten garandeert dat die parameters, die van essentieel belang zijn voor de vaststelling van de vangstmogelijkheden, actueel blijven en dat de Raad zich steeds kan baseren op de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen. Voorts dient de benadering die bestaat uit dynamische verwijzingen naar de beste beschikbare wetenschappelijke adviezen te worden gevolgd voor het beheer van de bestanden in de Oostzee. Ook moet worden gespecificeerd dat de aanlandingsverplichting niet van toepassing is op de recreatievisserij in de gebieden die onder het meerjarenplan voor de visserij in de Oostzee vallen. Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad(16) dient derhalve te worden gewijzigd.

(32)  De minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor langoustine in het Skagerrak en het Kattegat moet worden herzien. Ook moet worden gespecificeerd dat de aanlandingsverplichting niet van toepassing is op de recreatievisserij in de gebieden die onder het meerjarenplan voor de visserij in de Noordzee vallen. Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad(17) dient derhalve worden te gewijzigd.

(33)  Verordeningen (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007 en (EG) nr. 1300/2008 dienen te worden ingetrokken.

(34)  Voordat de laatste hand werd gelegd aan het plan, waren de verwachte economische en sociale effecten ervan naar behoren geëvalueerd overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor onderstaande demersale bestanden, met inbegrip van diepzeebestanden, in de westelijke wateren en – voor bestanden die zich uitstrekken tot buiten de westelijke wateren – in de daaraan grenzende wateren, alsook voor de visserijen die deze bestanden exploiteren:

1)  zwarte haarstaartvis (Aphanopus carbo) in de ICES-deelgebieden 1, 2, 4, 6-8, 10, en 14, en in de sectoren 3a, 5a, 5b, 9a, en 12b;

2)  rondneusgrenadier (Coryphaenoides rupestris) in de ICES-deelgebieden 6 en 7 en sector 5b;

3)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de ICES-sectoren 4b, 4c, 7a, ▌7d-h, 8a en 8b;

4)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de ICES-sectoren 6a, 7b en 7j;

5)  zeebaars (Dicentrarchus labrax) in de ICES-sectoren 8c en 9a;

6)  kabeljauw (Gadus morhua) in ICES-sector 7a;

7)  kabeljauw (Gadus morhua) in de ICES-sectoren 7e-k;

8)  scharretongen (Lepidorhombus spp.) in de ICES-sectoren 4a en 6a;

9)  scharretongen (Lepidorhombus spp.) in ICES-sector 6b;

10)  scharretongen (Lepidorhombus spp.) in de ICES-sectoren 7b-k, 8a, 8b, en 8d;

11)  scharretongen (Lepidorhombus spp.) in de ICES-sectoren 8c en 9a;

12)  zeeduivels (Lophiidae) in de ICES-sectoren 7b-k, 8a, 8b, en 8d;

13)  zeeduivels (Lophiidae) in de ICES-sectoren 8c en 9a;

14)  schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in ICES-sector 6b;

15)  schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in ICES-sector 7a;

16)  schelvis (Melanogrammus aeglefinus) in de ICES-sectoren 7b-k;

17)  wijting (Merlangius merlangus) in de ICES-sectoren 7b, 7c en 7e-k;

18)  wijting (Merlangius merlangus) in ICES-deelgebied 8 en ICES-sector 9a;

19)  heek (Merluccius merluccius) in de ICES-deelgebieden 4, 6 en 7 en de ICES-sectoren 3a, 8a, 8b en 8d;

20)  heek (Merluccius merluccius) in de ICES-sectoren 8c en 9a;

21)  blauwe leng (Molva dypterygia) in de ICES-deelgebieden 6 en 7 en ICES-sector 5b;

22)  langoustines (Nephrops norvegicus) per functionele eenheid (FU) in ICES-deelgebied 6 en ICES-sector 5b:

–  in North Minch (FU 11);

–  in South Minch (FU 12);

–  in Firth of Clyde (FU 13);

–  in sector 6a, buiten de functionele eenheden (ten westen van Schotland);

23)  langoustines (Nephrops norvegicus) per functionele eenheid in ICES-deelgebied 7:

–  in de Ierse Zee Oost (FU 14);

–  in de Ierse Zee West (FU 15);

–  op de Porcupine Bank (FU 16);

–  in de Aran grounds (FU 17);

–  in de Ierse Zee (FU 19);

–  in de Keltische Zee (FU 20-21);

–  in het Bristolkanaal (FU 22);

–  buiten de functionele eenheden (zuidelijk deel van de Keltische Zee, ten zuidwesten van Ierland);

24)  langoustines (Nephrops norvegicus) per functionele eenheid in de ICES-sectoren 8a, 8b, 8d en 8e:

–  in het noordelijk en centraal deel van de Golf van Biskaje (FU 23-24);

25)  langoustines (Nephrops norvegicus) per functionele eenheid in de ICES-deelgebieden 9 en 10 en CECAF-zone 34.1.1:

–  in de Atlantische Iberische wateren oost, Westelijk Galicië en Noord-Portugal (FU 26-27);

–  in de Atlantische Iberische wateren oost, Zuid-Westelijk en Zuidelijk Portugal (FU 28-29);

–  in de Atlantische Iberische wateren oost en de Golf van Cádiz (FU 30);

26)  zeebrasem (Pagellus bogaraveo) in ICES-deelgebied 9;

27)  schol (Pleuronectes platessa) in ICES-sector 7d;

28)  schol (Pleuronectes platessa) in ICES-sector 7e;

29)  witte koolvis (Pollachius pollachius) in ICES-deelgebieden 6 en 7;

30)  tong (Solea solea) in ICES-deelgebieden 5, 12 en 14, en in ICES-sector 6b;

31)  tong (Solea solea) in ICES-sector 7d;

32)  tong (Solea solea) in ICES-sector 7e;

33)  tong (Solea solea) in de ICES-sectoren 7f en 7g;

34)  tong (Solea solea) in de ICES-sectoren 7h, 7j en 7k;

35)  tong (Solea solea) in de ICES-sectoren 8a en 8b;

36)  tong (Solea solea) in de ICES-sectoren 8c en 9a.

Wanneer uit wetenschappelijk advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, blijkt dat de geografische spreiding van de in de eerste alinea van dit lid vermelde bestanden is gewijzigd, kan de Commissie overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vaststellen tot wijziging van deze verordening door de in de eerste alinea van dit lid gespecificeerde gebieden aan te passen om die wijziging te reflecteren. Bij die aanpassingen worden de bestandsgebieden niet uitgebreid buiten de wateren van de Unie van de ICES-deelgebieden 4 tot en met 10 en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0.

2.  Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies van oordeel is dat de bestandenlijst in de eerste alinea van lid 1 dient te worden gewijzigd, kan zij daartoe een voorstel indienen.

3.  Voor de aangrenzende wateren in de zin van lid 1 van dit artikel zijn alleen de artikelen 4 en 7 en de maatregelen inzake vangstmogelijkheden krachtens artikel 8 van deze verordening van toepassing.

4.  Deze verordening is ook van toepassing op bijvangsten die in de westelijke wateren bij de visserij op de in lid 1 genoemde bestanden worden gevangen. Indien voor die bestanden echter FMDO-bandbreedtes en vrijwaringsmaatregelen inzake biomassa worden vastgesteld bij andere rechtshandelingen van de Unie waarbij meerjarenplannen worden vastgesteld, zijn die bandbreedtes en maatregelen van toepassing.

5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren voor alle bestanden van soorten waarvoor krachtens artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting geldt.

6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen, als vastgesteld in artikel 9, voor alle bestanden in de westelijke wateren.

Artikel 2

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening gelden naast de definities in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009(18) van de Raad en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad(19), de volgende definities:

1)  "westelijke wateren": de noordwestelijke wateren (de ICES-deelgebieden 5 (met uitzondering van sector 5a en uitsluitend de Uniewateren van sector 5b), 6 en 7) en de zuidwestelijke wateren (de ICES-deelgebieden 8, 9 en 10 (wateren rond de Azoren) en de CECAF-sectoren 34.1.1, 34.1.2 en 34.2.0 (wateren rond Madeira en de Canarische Eilanden));

2)  "FMDO-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de actuele gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is zo bepaald dat bij de toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;

3)  "MDO Flower": de laagste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

4)  "MDO Fupper": de hoogste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;

5)  "FMDO-puntwaarde": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden de MDO op lange termijn oplevert;

6)  "lagere FMDO-bandbreedte": een bandbreedte die de waarden van MDO Flower tot de FMDO-puntwaarde omvat;

7)  "hogere FMDO-bandbreedte": een bandbreedte tussen de FMDO-puntwaarde en MDO Fupper;

8)  "Blim": het referentiepunt voor de paaibiomassa van een bestand, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder er sprake kan zijn van verminderde reproductiecapaciteit;

9)  "MDO Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, of voor abundantie in het geval van langoustines, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren.

HOOFDSTUK II

DOELSTELLINGEN

Artikel 3

Doelstellingen

1.  Het plan draagt bij tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met name door bij het visserijbeheer de voorzorgsbenadering toe te passen, en beoogt ervoor te zorgen dat de levende biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de MDO kan opleveren.

2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de uitvoering van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor vangstbeperkingen gelden.

3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals bedoeld in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG ▌.

4.  Het plan heeft met name tot doel:

a)  ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden; ▌

b)  bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die visserijen voor de vervulling ervan spelen; en

c)   bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2009/147/EG en de artikelen 6 en 12 van Richtlijn 92/43/EEG, met name om de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor kwetsbare habitats en beschermde soorten tot een minimum te beperken.

5.  De maatregelen uit hoofde van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. Wanneer er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, wordt een vergelijkbaar niveau van instandhouding van de betrokken bestanden nagestreefd.

HOOFDSTUK III

STREEFDOELEN

Artikel 4

Streefdoelen

1.  Het streefdoel voor visserijsterfte binnen de FMDO-bandbreedtes zoals gedefinieerd in artikel 2 wordt voor de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 bereikt en wordt van dan af in overeenstemming met dit artikel gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes.

2.  Met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt verzocht de FMDO-bandbreedtes op basis van dit plan te verstrekken.

3.  Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de vangstmogelijkheden voor een bestand vaststelt, stelt hij die mogelijkheden vast binnen de lagere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand.

4.  Niettegenstaande de leden 1 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden voor een bestand worden vastgesteld op een niveau dat lager ligt dan de FMDO-bandbreedte.

5.  Niettegenstaande de leden 3 en 4 kunnen de vangstmogelijkheden voor een in artikel 1, lid 1, genoemd bestand worden vastgesteld binnen de hogere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand, mits dat bestand zich boven MDO Btrigger bevindt:

a)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;

b)  indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken; of

c)  om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

6.  Wanneer voor een in artikel 1, lid 1, genoemd bestand wegens een gebrek aan adequate wetenschappelijke informatie geen FMDO-bandbreedtes kunnen worden vastgesteld, wordt dat bestand beheerd overeenkomstig artikel 5 totdat overeenkomstig lid 2 van dit artikel FMDO-bandbreedtes beschikbaar zijn.

7.  De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder Blim belandt, minder dan 5 % bedraagt.

Artikel 5

Beheer van bijvangstbestanden

1.  Beheersmaatregelen voor de in artikel 1, lid 4, bedoelde bestanden, met inbegrip van, in voorkomend geval, vangstmogelijkheden, worden vastgesteld met inachtneming van het beste beschikbare wetenschappelijke advies en zijn in overeenstemming met de in artikel 3 vastgelegde doelstellingen.

2.  Wanneer geen adequate wetenschappelijke informatie beschikbaar is, worden de in artikel 1, lid 4, bedoelde bestanden beheerd volgens de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en overeenkomstig artikel 3, lid 5, van deze verordening.

3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 wordt bij het beheer van gemengde visserij op de in artikel 1, lid 4, van de onderhavige verordening bedoelde bestanden in aanmerking genomen dat het moeilijk is alle bestanden tegelijkertijd op MDO-niveau te bevissen, vooral in gevallen waarin dit zou leiden tot een vroegtijdige sluiting van de visserij.

Artikel 6

Beperking van schommelingen van vangstmogelijkheden voor een bestand

Een bevoegde adviesraad kan de Commissie een beheersaanpak aanbevelen die erop gericht is de jaarlijkse schommelingen van de vangstmogelijkheden voor een bepaald in artikel 1, lid 1, opgenomen bestand te beperken.

De Raad kan met dergelijke aanbevelingen rekening houden bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden, op voorwaarde dat deze vangstmogelijkheden in overeenstemming zijn met de artikelen 4 en 8.

HOOFDSTUK IV

VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 7

Instandhoudingsreferentiepunten

▌ Op basis van het plan worden bij met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, de volgende instandhoudingsreferentiepunten aangevraagd om de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden niet aan te tasten:

a)  MDO Btrigger voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden;

b)  Blim voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden.

Artikel 8

Vrijwaringsmaatregelen

1.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MDO Btrigger, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden, niettegenstaande artikel 4, lid 3 ▌, vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot een waarde onder de hogere FMDO-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

2.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, niettegenstaande artikel 4, lid 3 ▌, inhouden dat de gerichte visserij op het betrokken bestand of de betrokken functionele eenheid wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

3.  De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:

a)  noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)  maatregelen krachtens artikel 9 van de onderhavige verordening.

4.  Bij het bepalen van de keuze van de in dit artikel bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa, of de abundantie in het geval van langoustinebestanden, zich onder de in artikel 7 bedoelde niveaus bevindt.

HOOFDSTUK V

TECHNISCHE MAATREGELEN

Artikel 9

Technische maatregelen

1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen met betrekking tot de volgende technische maatregelen:

a)  de specificatie van kenmerken van vistuig en voorschriften betreffende het gebruik ervan, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

b)  de specificatie van aanpassingen van of aanvullende hulpmiddelen voor vistuig, om de selectiviteit te behouden of te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

c)  de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of niet-doelvissoorten te beschermen of de negatieve impact op het ecosysteem tot een minimum te beperken; en

d)  de vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

HOOFDSTUK VI

VANGSTMOGELIJKHEDEN

Artikel 10

Vangstmogelijkheden

1.  Wanneer de lidstaten overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de hun ter beschikking staande vangstmogelijkheden toewijzen, houden zij rekening met de waarschijnlijke samenstelling van de vangst van vaartuigen die aan gemengde visserij deelnemen.

2.  Op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 mogen de lidstaten, na kennisgeving aan de Commissie, de hun toegewezen vangstmogelijkheden geheel of gedeeltelijk uitwisselen.

3.  Onverminderd artikel 8 mag de TAC voor de langoustinebestanden in de westelijke wateren worden vastgesteld voor beheersgebieden die overeenkomen met elk van de in artikel 1, lid 1, punten 22, 23, 24 en 25 omschreven gebieden. In dergelijke gevallen mag de TAC voor een beheersgebied de som zijn van de vangstbeperkingen voor die functionele eenheden en voor de statistische rechthoeken buiten de functionele eenheden.

Artikel 11

Recreatievisserij

1.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij een aanzienlijkeffect heeft op de visserijsterfte voor een in artikel 1, lid 1, opgenomen bestand, kan de Raad niet-discriminerende beperkingen vaststellen voor recreatievissers.

2.  Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde beperkingen baseert de Raad zich op transparante, objectieve criteria, onder andere criteria van ecologische, sociale en economische aard. De criteria die worden gehanteerd, kunnen onder meer betrekking hebben op de impact van recreatievisserij op het milieu, het maatschappelijke belang van die activiteit en de bijdrage ervan aan de economie in de kustgebieden.

3.  In voorkomend geval nemen de lidstaten de nodige proportionele maatregelen voor het monitoren en verzamelen van gegevens voor een betrouwbare schatting van de werkelijke niveaus van recreatieve vangsten.

Artikel 12

Beperking van de visserijinspanning voor tong in het westelijk Kanaal

1.  De TAC's voor tong in het westelijk Kanaal (ICES-sector 7e) in het kader van dit plan worden aangevuld met beperkingen van de visserijinspanning.

2.  Bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden stelt de Raad jaarlijks het maximumaantal dagen op zee vast voor vissersvaartuigen in het westelijk Kanaal met een boomkor met een maaswijdte van minstens 80 mm en voor vaartuigen in het westelijk Kanaal met staande netten met een maaswijdte van maximaal 220 mm.

3.  Het in lid 2 bedoelde maximumaantal dagen op zee wordt aangepast in dezelfde verhouding als de aanpassing in de visserijsterfte die overeenstemt met de variatie van de TAC's.

HOOFDSTUK VII

BEPALINGEN IN VERBAND MET DE AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 13

Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting in de Uniewateren van de westelijke wateren

1.  Voor alle bestanden van soorten in de westelijke wateren waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 18 van de onderhavige verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van de onderhavige verordening door de vaststelling van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

2.  De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad beperkingen vaststelt uit hoofde van artikel 11 van de onderhavige verordening.

HOOFDSTUK VIII

TOEGANG TOT DE WATEREN EN HULPBRONNEN

Artikel 14

Vismachtigingen en capaciteitsmaxima

1.  Elke lidstaat geeft voor elk van de in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde ICES-zones vismachtigingen af overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 voor vaartuigen die zijn vlag voeren en die in dat gebied visserijactiviteiten uitvoeren. De lidstaten kunnen in die vismachtigingen ook de ▌totale capaciteit van de vaartuigen die gebruikmaken van een specifiek vistuig, beperken.

2.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze verordening door beperkingen van de totale capaciteit van de vloten van de betrokken lidstaten vast te stellen, om de verwezenlijking van de in artikel 3 van deze verordening vermelde doelstellingen te faciliteren.

3.  Elke lidstaat stelt een lijst op van de vaartuigen die een in lid 1 bedoelde vismachtiging hebben, houdt deze lijst bij en stelt deze via zijn officiële website beschikbaar voor de Commissie en de overige lidstaten.

HOOFDSTUK IX

BEHEER VAN BESTANDEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG

Artikel 15

Beginselen en doelstellingen van het beheer van bestanden van gemeenschappelijk belang voor de Unie en derde landen

1.  Indien bestanden van gemeenschappelijk belang ook worden geëxploiteerd door derde landen, pleegt de Unie overleg met die derde landen teneinde ervoor te zorgen dat die bestanden op duurzame wijze worden beheerd in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en met name artikel 2, lid 2 daarvan, en met de doelstellingen van de onderhavige verordening. Bij gebreke van een formeel akkoord stelt de Unie alles in het werk om tot gemeenschappelijke regelingen voor het bevissen van deze bestanden te komen teneinde duurzaam beheer mogelijk te maken en gelijke voorwaarden voor de marktdeelnemers van de Unie te bevorderen.

2.  De Unie kan bij het gemeenschappelijke beheer van bestanden met derde landen vangstmogelijkheden uitwisselen met die landen overeenkomstig artikel 33, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

HOOFDSTUK X

REGIONALISERING

Artikel 16

Regionale samenwerking

1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 9 en 13 en artikel 14, lid 2, van de onderhavige verordening genoemde maatregelen.

2.   Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de noordwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen voor de noordwestelijke wateren en kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer in de zuidwestelijke wateren gemeenschappelijke aanbevelingen indienen voor de zuidwestelijke wateren. Bovengenoemde lidstaten kunnen ook samen met betrekking tot al deze wateren gezamenlijke aanbevelingen indienen. Die aanbevelingen worden ingediend overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, voor de eerste keer niet later dan ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens 12 maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 17 van de onderhavige verordening. De betrokken lidstaten kunnen dergelijke aanbevelingen ook indienen wanneer ▌dat noodzakelijk is, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, ▌verandert of om het hoofd te bieden aan noodsituaties die in het meest recente wetenschappelijke advies zijn vastgesteld. Gemeenschappelijke aanbevelingen inzake maatregelen betreffende een bepaald kalenderjaar worden uiterlijk op 1 juli van het voorgaande jaar ingediend.

3.  De bij de artikelen 9 en 13 en artikel 14, lid 2, van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht, onder andere bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, aan de Commissie zijn verleend, onverlet.

HOOFDSTUK XI

EVALUATIE EN PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 17

Evaluatie van het plan

Uiterlijk op ... [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de vijf jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de effecten van het plan op de bestanden waarop deze verordening van toepassing is en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3.

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 1, lid 1, de artikelen 9 en 13 en artikel 14, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 1, lid 1, de artikelen 9 en 13 en artikel 14, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 1, lid 1, de artikelen 9 en 13 en artikel 14, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

HOOFDSTUK XII

STEUN VAN HET EUROPEES FONDS VOOR MARITIEME ZAKEN EN VISSERIJ

Artikel 19

Steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 als tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten beschouwd.

HOOFDSTUK XIII

WIJZIGINGEN VAN DE VERORDENINGEN (EU) 2016/1139 EN (EU) 2018/973

Artikel 20

Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1139

Verordening (EU) 2016/1139 wordt als volgt gewijzigd:

1.  ▌Artikel 2 wordt vervangen door:"

"Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2187/2005. Daarnaast wordt verstaan onder:

   1) "pelagische bestanden": de in artikel 1, lid 1, onder c) tot en met h), van deze verordening bedoelde bestanden of een combinatie van daar bedoelde bestanden;
   2) "FMDO-bandbreedte": een bandbreedte van waarden zoals opgenomen in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ▌ ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waarbinnen alle niveaus van visserijsterfte een maximale duurzame opbrengst (MDO) op lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen te hebben voor het reproductieproces voor het betrokken bestand. De bandbreedte is zo bepaald dat bij de toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim) belandt, niet meer dan 5 % bedraagt;
   3) "MDO Flower": de laagste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;
   4) "MDO Fupper": de hoogste waarde binnen de FMDO-bandbreedte;
   5) "FMDO-puntwaarde": de waarde van de geraamde visserijsterfte die bij een bepaald visserijpatroon en onder de actuele gemiddelde milieuomstandigheden de MDO op lange termijn oplevert;
   6) "lagere FMDO-bandbreedte": een bandbreedte die de waarden van MDO Flower tot de FMDO-puntwaarde omvat;
   7) "hogere FMDO-bandbreedte": een bandbreedte die de waarden van de FMDO-puntwaarde tot MDO Fupper omvat;
   8) "Blim": het referentiepunt voor de paaibiomassa van een bestand, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder er sprake kan zijn van een verminderde reproductiecapaciteit;
   9) "MDO Btrigger": het referentiepunt voor paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van de ICES of van een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen om ervoor te zorgen dat de exploitatieniveaus in combinatie met natuurlijke variaties de bestanden herstellen boven een niveau dat op de lange termijn de MDO kan opleveren;
   10) "betrokken lidstaten": lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer, namelijk Denemarken, Duitsland, Estland, Letland, Litouwen, Polen, Finland en Zweden.";

"

2.  Artikel 4 wordt vervangen door:"

"Artikel 4

Streefdoelen

1.  Het streefdoel voor visserijsterfte binnen de FMDO-bandbreedtes zoals gedefinieerd in artikel 2 wordt voor de in artikel 1, lid 1, genoemde bestanden zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 bereikt en wordt van dan af in overeenstemming met dit artikel gehandhaafd binnen de FMDO-bandbreedtes.

2.  Met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt verzocht de FMDO-bandbreedtes op basis van het plan te verstrekken.

3.  Wanneer de Raad overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de vangstmogelijkheden voor een bestand vaststelt, stelt hij die mogelijkheid vast binnen de lagere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand.

4.  Niettegenstaande de leden 1 en 3 kunnen de vangstmogelijkheden worden vastgesteld op een niveau dat lager ligt dan de FMDO-bandbreedte.

5.  Niettegenstaande de leden 3 en 4 kunnen de vangstmogelijkheden voor een in artikel 1, lid 1, genoemd bestand worden vastgesteld binnen de hogere FMDO-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor dat bestand, mits dat bestand zich boven MDO Btrigger bevindt:

   a) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserij;
   b) indien dat op grond van wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te beperken; of
   c) om schommelingen in de vangstmogelijkheden tussen opeenvolgende jaren tot ten hoogste 20 % te beperken.

6.  De vangstmogelijkheden worden in elk geval zodanig vastgesteld dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder de Blim belandt, minder dan 5 % bedraagt.";

"

3.  In hoofdstuk III wordt na artikel 4 het volgende artikel ingevoegd:"

"Artikel 4 bis

Instandhoudingsreferentiepunten

▌ Op basis van dit plan worden bij met name de ICES of een soortgelijke onafhankelijke wetenschappelijke instantie die is erkend op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, de volgende instandhoudingsreferentiepunten aangevraagd om de volledige reproductiecapaciteit van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden niet aan te tasten:

   a) MDO Btrigger voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden;
   b) Blim voor de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden.";

"

4.  Artikel 5 wordt vervangen door:"

"Artikel 5

Vrijwaringsmaatregelen

1.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden voor een bepaald jaar lager is dan MDO Btrigger, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder worden de vangstmogelijkheden, niettegenstaande artikel 4, lid 3 ▌, vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht tot een waarde onder de hogere FMDO-bandbreedte, rekening houdend met de afname van de biomassa.

2.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de in artikel 1, lid 1, bedoelde bestanden lager is dan Blim, worden aanvullende herstelmaatregelen genomen om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen die herstelmaatregelen, niettegenstaande artikel 4, lid 3 ▌, inhouden dat de gerichte visserij op het bestand wordt opgeschort en de vangstmogelijkheden op passende wijze worden verlaagd.

3.  De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen onder meer bestaan in:

   a) noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;
   b) maatregelen krachtens de artikelen 7 en 8 van deze verordening.

4.  Bij de keuze van de in dit artikel bedoelde maatregelen wordt rekening gehouden met de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarin de paaibiomassa zich onder de in artikel 4 bis bedoelde niveaus bevindt.";

"

5.  Aan artikel 7 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"3. De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad beperkingen vaststelt voor recreatievissers.";

"

6.  De bijlagen I en II worden geschrapt.

Artikel 21

Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/973

Verordening (EU) 2018/973 wordt als volgt gewijzigd:

1.  aan artikel 9 wordt het volgende lid toegevoegd: "

"3. In afwijking van bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 850/98 wordt de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte voor langoustines (Nephrops norvegicus) in sector 3a vastgesteld op 105 mm.

Dit lid is van toepassing tot de datum waarop bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 850/98 niet langer van toepassing is.";

"

2.  artikel 11 wordt vervangen door:"

"Artikel 11

Bepalingen in verband met de aanlandingsverplichting in de Uniewateren in de Noordzee

1.  De Commissie is bevoegd om voor alle bestanden van soorten in de Noordzee waarop krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 de aanlandingsverplichting van toepassing is, overeenkomstig artikel 16 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze verordening aan te vullen door overeenkomstig artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 nadere bepalingen vast te leggen ter uitvoering van deze verplichting.

2.  De in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 neergelegde aanlandingsverplichting is niet van toepassing op de recreatievisserij, met inbegrip van de gevallen waar de Raad beperkingen voor de recreatievisserij vaststelt uit hoofde van artikel 10, lid 4, van deze verordening.".

"

HOOFDSTUK XIV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Intrekkingen

1.  De volgende verordeningen worden ingetrokken:

a)  Verordening (EG) nr. 811/2004;

b)  Verordening (EG) nr. 2166/2005;

c)  Verordening (EG) nr. 388/2006;

d)  Verordening (EG) nr. 509/2007;

e)  Verordening (EG) nr. 1300/2008.

2.  Verwijzingen naar de ingetrokken verordeningen gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de ▌dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad

Het Europees Parlement en de Raad zijn voornemens de bevoegdheden om overeenkomstig artikel 8 van de onderhavige verordening door middel van gedelegeerde handelingen technische maatregelen vast te stellen, in te trekken wanneer zij een nieuwe verordening inzake technische maatregelen vaststellen waarin een bevoegdheidsdelegatie is opgenomen die dezelfde maatregelen omvat.

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 171.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 25 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0425).
(3)PB C 440 van 6.12.2018, blz. 171.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 12 februari 2019.
(5)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(6)Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(7)Verordening (EG) nr. 811/2004 van de Raad van 21 april 2004 tot vaststelling van herstelmaatregelen voor het noordelijke heekbestand (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 1).
(8)Verordening (EG) nr. 2166/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van de bestanden van zuidelijke heek en langoustines in de Cantabrische Zee en ten westen van het Iberisch Schiereiland en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 850/98 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 345 van 28.12.2005, blz. 5).
(9)Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).
(10)Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).
(11)Verordening (EG) nr. 1300/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een meerjarenplan voor het haringbestand in het gebied ten westen van Schotland en de visserijen die dat bestand exploiteren (PB L 344 van 20.12.2008, blz. 6).
(12) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(13) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(14)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(15)Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).
(16)Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).
(17)Verordening (EU) 2018/973 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot vastlegging van nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 676/2007 en (EG) nr. 1342/2008 van de Raad (PB L 179 van 16.7.2018, blz. 1).
(18) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(19) Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1).


Uniemechanisme voor civiele bescherming ***I
PDF 242kWORD 77k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (COM(2017)0772/2 – C8-0409/2017 – 2017/0309(COD))
P8_TA-PROV(2019)0070A8-0180/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0772/2),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 196 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0409/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Italiaanse Kamer van Afgevaardigden, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 16 mei 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie ontwikkelingssamenwerking, de Begrotingscommissie, de Commissie regionale ontwikkeling en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0180/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  hecht zijn goedkeuring aan de gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die als bijlage bij de onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt de Commissie geen herschikkingen te gebruiken voor de financiering van nieuwe beleidsprioriteiten die in de loop van een lopend meerjarig financieel kader worden vastgesteld, omdat dit onvermijdelijk een negatief effect zal hebben op de uitvoering van andere belangrijke activiteiten van de Unie;

5.  verzoekt de Commissie in het volgende meerjarig financieel kader dat in 2021 van start gaat, te voorzien in voldoende financiering voor het Uniemechanisme voor civiele bescherming (UCPM), voortbouwend op de huidige herziening van het UCPM;

6.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 februari 2019 met het oog op de vaststelling van Besluit (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming

P8_TC1-COD(2017)0309


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 196,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(6),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Uniemechanisme voor civiele bescherming ("het Uniemechanisme"), ingesteld bij Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(7), is gericht op het versterken van de samenwerking tussen de Unie en de lidstaten en het faciliteren van de coördinatie op het terrein van civiele bescherming, om zodoende te komen tot een betere respons van de Unie ten aanzien van door de mens of de natuur veroorzaakte rampen.

(2)  Hoewel erkend wordt dat de primaire verantwoordelijkheid voor preventie van, paraatheid bij en respons op door de mens of de natuur veroorzaakte rampen bij de lidstaten berust, bevordert het Uniemechanisme solidariteit tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

(3)  Door de mens of de natuur veroorzaakte rampen kunnen overal ter wereld plaatsvinden, vaak zonder waarschuwing. Of het nu door de mens of door de natuur veroorzaakte rampen betreft, zij komen steeds vaker voor, in steeds extremere en complexere vorm, nog versterkt door de gevolgen van de klimaatverandering, en houden geen rekening houden met nationale grenzen. De gevolgen van rampen voor de mens, het milieu, de samenleving en de economie kunnen van voordien ongekende omvang zijn.

(4)  Uit recente ervaring is gebleken dat rekenen op een louter vrijwillig aanbod van wederzijdse bijstand, gecoördineerd en gefaciliteerd door het Uniemechanisme, niet altijd garandeert dat voldoende capaciteit ter beschikking wordt gesteld om in toereikende mate tegemoet te komen aan de fundamentele behoeften van bevolkingsgroepen die door een ramp worden getroffen, noch dat het milieu en de eigendom in voldoende mate veilig worden gesteld. Dit is met name het geval wanneer lidstaten tegelijk worden getroffen door rampen die, door de natuur of de mens veroorzaakt, zowel herhaaldelijk als onverwacht toeslaan, en waar de collectieve capaciteit ontoereikend is. Om die tekortkomingen te verhelpen en nieuwe gevaren het hoofd te kunnen bieden, dienen alle instrumenten van de Unie op geheel flexibele wijze te worden ingezet, onder meer door een actieve deelname van het maatschappelijk middenveld te bevorderen.

(5)  Het is van essentieel belang dat de lidstaten toereikende preventie- en paraatheids­maatregelen treffen, door onder meer te waarborgen dat er voldoende capaciteit beschikbaar is om op te treden bij rampen, met name bosbranden. Aangezien de Unie de voorbije jaren met bijzonder hevige en grootschalige bosbranden is geconfronteerd, hetgeen in verscheidene lidstaten en in de Europese responscapaciteit voor noodsituaties (European Emergency Response Capacity – EERC), opgezet in de vorm van een vrijwillige pool van vooraf toegezegde responscapaciteit van de lidstaten uit hoofde van Besluit nr. 1313/2013/EU, tot aanzienlijke operationele tekorten heeft geleid, zijn ook op Unieniveau extra maatregelen nodig. Het voorkomen van bosbranden is tevens van wezenlijk belang in het kader van de wereldwijde inspanningen ter vermindering van de CO2-uitstoot.

(6)  Preventie is onontbeerlijk voor de bescherming tegen door de natuur of de mens veroorzaakte rampen en vergt nadere maatregelen. Daartoe moeten de lidstaten op gezette tijden samenvattingen van hun risicobeoordelingen en van de beoordeling van hun risicobeheersingsvermogen delen met de Commissie, met aandacht voor de belangrijkste risico's. Daarnaast moeten de lidstaten informatie delen over preventie- en paraatheids­maatregelen, met name de maatregelen die nodig zijn voor het aanpakken van de belangrijkste risico's met grensoverschrijdende gevolgen, alsmede in voorkomend geval de weinig waarschijnlijke risico's met ernstige gevolgen.

(7)  De Commissie moet samen met de lidstaten verder werk maken van richtsnoeren om de uitwisseling van informatie over rampenrisicobeheer te faciliteren. Die richtsnoeren moeten bijdragen tot meer vergelijkbaarheid van dergelijke informatie, met name wanneer lidstaten met soortgelijke of grensoverschrijdende risico's worden geconfronteerd.

(8)  Rampenrisicopreventie en -beheer houden in dat risicobeheersingsmaatregelen moeten worden uitgewerkt en uitgevoerd, die coördinatie tussen een brede waaier aan actoren vergen. Bij het opstellen van risicobeoordelingen en risicobeheersingsmaatregelen is het belangrijk rekening te houden met de huidige klimaatschommelingen en de prognoses voor het verloop van de klimaatverandering. Het opstellen van risicokaarten is een cruciaal aspect van de aanscherping van preventiemaatregelen en de versterking van de responscapaciteit. Maatregelen ter beperking van de kwetsbaarheid van de bevolking, economische activiteiten waaronder kritieke infrastructuur, dierenwelzijn en in het wild levende dieren, ecologische en culturele hulpbronnen zoals biodiversiteit, ecosysteemdiensten van bossen en watervoorraden, zijn van het grootste belang.

(9)  Om te zorgen voor een betere preventie- en paraatheidsplanning en -coördinatie tussen de lidstaten moet de Commissie in samenwerking met de lidstaten specifieke overlegmechanismen kunnen opzetten. Daarnaast moet de Commissie informatie over preventie- en paraatheidsmaatregelen in verband met specifieke risico's kunnen vragen wanneer een lidstaat herhaaldelijk om bijstand verzoekt. De Commissie moet die informatie analyseren teneinde de totale steun van de Unie aan rampenrisicobeheer te optimaliseren en de preventie- en paraatheidsniveaus van de lidstaten te verhogen. De administratieve rompslomp moet worden teruggebracht en ▌de verbanden met andere belangrijke Uniemaatregelen en -instrumenten, met name met de in Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad(8) bedoelde Europese structuur- en investeringsfondsen, moeten worden versterkt.

(10)  Overstromingen vormen een steeds groter gevaar voor burgers van de Unie. Ter aanscherping van de preventie- en paraatheidsmaatregelen op het gebied van civiele bescherming en ter beperking van de kwetsbaarheid van hun respectieve bevolking ten aanzien van overstromingsrisico's is het nodig dat de lidstaten bij het opstellen van hun risico­beoordelingen uit hoofde van dit besluit onder meer optimaal gebruik maken van de in het kader van Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(9) verrichte risicobeoordelingen, zodat kan worden bepaald of er langs hun waterlopen en kustlijnen sprake is van overstromingsrisico's en er adequate en gecoördineerde maatregelen kunnen worden genomen om die risico's te beperken.

(11)  Het collectieve vermogen tot paraatheid bij en respons op rampen moet worden versterkt, met name door onderlinge steun in Europa. Teneinde het nieuwe juridisceh kader uit hoofde van dit besluit te weerspiegelen, moet de naam "Europese responscapaciteit voor noodsituaties (▌EERC)" of ▌"vrijwillige pool" worden vervangen door de naam "Europese pool voor civiele bescherming" ▌.

(12)  De versterking van de Europese pool voor civiele bescherming vergt meer Unie­financiering voor de aanpassing en het herstel van capaciteit, en voor operationele kosten.

(13)  Naast de versterking van de algehele bestaande capaciteit moet rescEU worden opgezet om het hoofd te bieden aan overweldigende situaties in laatste instantie, namelijk wanneer de bestaande capaciteit op nationaal niveau en de door de lidstaten aan de Europese pool voor civiele bescherming vooraf toegezegde capaciteit in de gegeven omstandigheden niet volstaan om doeltreffend te reageren op verschillende soorten rampen.

(14)  De regionale en lokale autoriteiten spelen een zeer belangrijke rol bij rampenpreventie en -beheersing en hun responscapaciteit moet op passende wijze worden benut in de in het kader van dit besluit uitgevoerde coördinatie- en inzetactiviteiten, conform het institutioneel en juridisch kader van de lidstaten, teneinde overlappingen zoveel mogelijk te voorkomen en interoperabiliteit te bevorderen. Deze autoriteiten kunnen een belangrijke preventieve rol vervullen en moeten tevens als eersten reageren in de nasleep van een ramp, tezamen met hun capaciteit aan vrijwilligers. Er is dan ook behoefte aan doorlopende samenwerking op lokaal, regionaal en grensoverschrijdend niveau met het doel gemeenschappelijke waarschuwingssystemen op te zetten voor snelle interventie voordat rescEU wordt gemobiliseerd, evenals regelmatige voorlichtingscampagnes over eersteresponsmaatregelen.

(15)  De rescEU-capaciteit moet een flexibel karakter behouden en kunnen evolueren om het hoofd te kunnen bieden aan nieuwe ontwikkelingen en toekomstige uitdagingen, zoals de gevolgen van klimaatverandering.

(16)  Aangezien de vastgestelde risico's, algehele capaciteit en tekorten in de loop der tijd schommelingen vertonen, is er bij het opzetten van rescEU flexibiliteit nodig. Daarom moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om uitvoeringshandelingen vast te stellen om rescEU-capaciteit te bepalen, rekening houdend met de vastgestelde risico's, algehele capaciteit en tekorten.

(17)  Om een functionerende rescEU-capaciteit te hebben, moeten aanvullende financiële kredieten worden vrijgemaakt ter financiering van acties in het kader van het Uniemechanisme.

(18)  De Unie moet de lidstaten steun kunnen verlenen door het medefinancieren van de ontwikkeling van rescEU-capaciteit, onder meer het huren, leasen of aankopen ervan. Hierdoor zou het Uniemechanisme behoorlijk doeltreffender worden, door het garanderen van beschikbare capaciteit in gevallen waarin een effectieve rampenrespons in andere situaties niet zou kunnen worden gewaarborgd, met name bij rampen die verreikende gevolgen hebben en een aanzienlijk aantal lidstaten treffen. Deze capaciteit gezamenlijk verstrekken moet schaalvoordelen opleveren en leiden tot een betere coördinatie bij rampenrespons.

(19)  Het bedrag van de voor het ontwikkelen van rescEU-capaciteit te verlenen financiële bijstand van de Unie moet worden bepaald op basis van de in dit besluit opgenomen lijst van categorieën van voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten. Voor capaciteit die nodig is om te reageren op weinig waarschijnlijke risico's met ernstige gevolgen die kunnen leiden tot aanzienlijke grensoverschrijdende effecten en waarvoor de paraatheidsniveaus in de Unie op basis van door nationale civielebeschermingsautoriteiten en de Commissie verrichte analyses van de capaciteitstekorten niet worden geacht te volstaan, moet in volledige financiële bijstand van de Unie worden voorzien. Ook moet in substantiële medefinanciering worden voorzien voor capaciteit waarvoor de kosten van aanschaf en de terugkerende kosten het hoogst liggen, zoals vliegtuigen voor het bestrijden van bosbranden. De exacte medefinancierings­percentages moeten in de jaarlijkse werkprogramma's worden bepaald.

(20)  Om een evenwicht te bereiken tussen nationale verantwoordelijkheid en solidariteit tussen de lidstaten moet een deel van de operationele kosten voor de inzet van de rescEU-capaciteit in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie.

(21)  De lidstaten en hun burgers zouden aanzienlijke schade kunnen ondervinden ten gevolge van rampen die zich in derde landen voordoen. rescEU-capaciteit moet in die situaties ook buiten de Unie kunnen worden ingezet. Omwille van de solidariteit tussen de lidstaten moeten de operationele kosten voor de inzet van rescEU-capaciteit buiten de Unie door de begroting van de Unie worden gedragen.

(22)  Om voor een respons te zorgen die zowel gecoördineerd en snel is, moeten besluiten over de inzet en de demobilisatie, en eventuele besluiten bij onverenigbare verzoeken, door de Commissie worden genomen in nauw overleg met de verzoekende lidstaat en de lidstaat die de rescEU-capaciteit in kwestie bezit, huurt of leaset. De Commissie en de lidstaat die de rescEU-capaciteit bezit, huurt of leaset, moeten operationele overeenkomsten sluiten met de algemene voorwaarden voor de inzet van rescEU-capaciteit.

(23)  Opleiding, onderzoek en innovatie zijn essentiële aspecten van de samenwerking op het gebied van civiele bescherming. Om opleiding en oefeningen voor civiele bescherming efficiënter en effectiever te maken, innovatie en dialoog te bevorderen, en de samenwerking tussen de civiele­beschermingsautoriteiten en -diensten van de lidstaten te verbeteren, moet een Kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming worden opgezet ▌. Het netwerk moet uitgaan van bestaande structuren, waaronder excellentiecentra, universiteiten, onderzoekers en andere deskundigen, jonge beroepsbeoefenaren en ervaren vrijwilligers op het gebied van de aanpak van noodsituaties. Ook moet de samenwerking inzake opleiding, onderzoek en innovatie met internationale organisaties worden versterkt en, waar mogelijk, uitgebreid tot derde landen, met name buurlanden.

(24)  Deelnemers aan civiele bescherming wijden hun leven aan het helpen van anderen, en investeren tijd en inspanning om noodlijdenden bij te staan. Die moed en inzet voor de civiele bescherming in de Unie verdienen erkenning van de Unie.

(25)  Aangezien het versterken van de civiele bescherming in het licht van rampentendenzen, zoals in verband met het weer en interne veiligheid, een van de belangrijkste prioriteiten in de Unie is, is het van essentieel belang te zorgen voor een krachtige territoriale en gemeenschapsgestuurde dimensie, omdat actie vanuit de lokale gemeenschap de snelste en meest effectieve manier is om door rampen veroorzaakte schade te beperken.

(26)  De procedures van het Uniemechanisme moeten worden vereenvoudigd, gestroomlijnd en versoepeld opdat lidstaten snel toegang kunnen krijgen tot de bijstand en de capaciteit die nodig zijn om zo spoedig en efficiënt mogelijk te reageren op door de natuur of de mens veroorzaakte rampen.

(27)  Teneinde zoveel mogelijk gebruik te maken van de bestaande financieringsinstrumenten en bijstand te verlenen aan de lidstaten die bijstand verlenen, onder meer tijdens de respons op rampen buiten de Unie ▌, wordt overeenkomstig artikel 191, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(10) financiering toegekend op grond van de artikelen 21, 22 en 23 van Besluit nr. 1313/2013/EU. Desalniettemin moeten de financiering voor civiele­beschermings­activiteiten en de financiering voor humanitaire hulp duidelijk gescheiden blijven en volledig sporen met de respectieve doelstellingen en wettelijke voorschriften.

(28)  Het is belangrijk te garanderen dat de lidstaten alle noodzakelijke maatregelen treffen om door de natuur of de mens veroorzaakte rampen doeltreffend te voorkomen en de gevolgen ervan te verminderen. De bepalingen van dit besluit moeten het verband versterken tussen preventie-, paraatheids- en responsmaatregelen in het kader van het Uniemechanisme. Ook moet worden gezorgd voor samenhang met andere relevante wetgeving van de Unie inzake preventie en rampenrisicobeheer, onder meer inzake grensoverschrijdende preventie­activiteiten en de aanpak van bedreigingen, zoals ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid als beschreven in Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(11). De programma's voor territoriale samenwerking in het kader van het cohesiebeleid voorzien in specifieke acties inzake veerkracht na rampen, risicopreventie en risicobeheersing, en er moeten meer inspanningen worden geleverd voor sterkere integratie en verhoogde synergie. Voorts moeten alle acties samenhangen met en actief bijdragen tot het nakomen van internationale toezeggingen zoals het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015-2030, de Overeenkomst van Parijs in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties (VN) inzake klimaatverandering en de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de VN.

(29)  Opdat informatie over aan de lidstaten ter beschikking staande capaciteit en modules integraal en vlot wordt uitgewisseld, moet informatie die in het gemeenschappelijk noodcommunicatie- en -informatiesysteem (Cecis) is ingevoerd, voortdurend worden bijgewerkt. Wat via het Cecis verstrekte informatie betreft, is het tevens wenselijk dat de lidstaten daarin capaciteit opnemen die niet is toegezegd aan de Europese pool voor civiele bescherming en die zij via het Uniemechanisme kunnen inzetten.

(30)  Ook moet worden gezorgd voor synergie en een betere complementariteit en coördinatie tussen het Uniemechanisme en andere Unie-instrumenten, onder meer de instrumenten die de door rampen veroorzaakte schade mee kunnen herstellen of verminderen.

(31)  Voor het wijzigen van de categorieën van voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten die gebruikt moeten worden om te bepalen hoeveel financiële bijstand de Unie verstrekt voor het ontwikkelen van rescEU-capaciteit, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden toegekend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gedelegeerde handelingen vast te stellen ▌. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(12). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(32)  Teneinde te zorgen voor eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit besluit met betrekking tot: het soort en de hoeveelheid cruciale responscapaciteit die nodig is voor de Europese pool voor civiele bescherming; de bepaling van de capaciteit waaruit rescEU bestaat, waarbij rekening wordt gehouden met de vastgestelde risico's, algehele capaciteit en tekorten; het opzetten, het beheer en onderhoud van rescEU; het opzetten en de organisatie van het Kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming; de categorieën weinig waarschijnlijke risico's met ernstige gevolgen en de navenante capaciteit om die te beheersen; alsmede de criteria en procedures om erkenning te betonen voor langdurige inzet en buitengewone bijdragen aan de civiele bescherming in de Unie, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(13).

(33)  Daar de doelstelling van dit besluit, namelijk het versterken van het collectieve vermogen inzake preventie van, paraatheid bij en respons op rampen, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(34)  Met het oog op een soepele overgang naar de volledige uitvoering van rescEU moet de Commissie tijdens een overgangsperiode financiering kunnen verstrekken opdat relevante nationale capaciteit snel beschikbaar is. De Commissie en de lidstaten moeten ernaar streven reeds in de zomer van 2019 extra capaciteit, waaronder blushelikopters, te verkrijgen om te kunnen reageren op het risico van bosbranden.

(35)  Besluit nr. 1313/2013/EU dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(36)  Opdat de maatregelen waarin dit besluit voorziet direct kunnen worden toegepast, moet dit besluit in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit nr. 1313/2013/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)  artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  punt c) wordt vervangen door ▌:"

"c) het bevorderen van een snelle en efficiënte respons bij rampen of dreigende rampen, onder meer door maatregelen te treffen om de onmiddellijke gevolgen van rampen te beperken,";

"

ii)  de volgende punten worden toegevoegd:"

"e) het vergroten van de beschikbaarheid en het gebruik van wetenschappelijke kennis over rampen; en

   f) het opvoeren van de samenwerkings- en coördinatieactiviteiten op grensoverschrijdend niveau en tussen de lidstaten die blootstaan aan dezelfde soort rampen.";

"

b)  in lid 2 wordt punt a) vervangen door:"

"a) vooruitgang in de implementatie van het rampenpreventiekader, die wordt afgemeten aan het aantal lidstaten dat de in artikel 6 ▌, lid 1, onder d), bedoelde informatie ter beschikking van de Commissie heeft gesteld;";

"

2)   aan artikel 4 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"12) "deelnemend land": een derde land dat overeenkomstig artikel 28, lid 1, deelneemt aan het Uniemechanisme.";

"

3)  in artikel 5 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)  punt a) wordt vervangen door:"

"a) verbeteren van de kennisbasis betreffende rampenrisico's, en beter faciliteren en bevorderen van samenwerking en de uitwisseling van kennis, de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en innovatie, beste praktijken en informatie, met name onder lidstaten die met dezelfde risico's worden geconfronteerd; ";

"

b)  punt f) wordt vervangen door:"

"f) bundelen en verspreiden van door de lidstaten ter beschikking gestelde informatie; organiseren van een uitwisseling van ervaring in verband met de beoordeling van het risicobeheersingsvermogen; en faciliteren van de uitwisseling van goede praktijken op het gebied van preventie- en paraatheidsplanning, onder meer door middel van vrijwillige collegiale toetsingen; ";

"

c)  punt i) wordt vervangen door:"

"i) wijzen op het belang van risicopreventie, ondersteunen van de lidstaten bij bewustmaking, voorlichting en educatie van het grote publiek, en ondersteunen van de inspanningen van de lidstaten inzake voorlichting van het grote publiek over alarmsystemen, door richtsnoeren over die systemen te verstrekken, onder meer op grensoverschrijdend niveau;";

"

4)  artikel 6 wordt ▌vervangen door:"

"Artikel 6

Risicobeheersing

1.  Met het oog op het bevorderen van een effectieve en coherente benadering van de preventie van en paraatheid bij rampen door het uitwisselen van niet-gevoelige informatie waarvan de openbaarmaking niet in strijd is met de wezenlijke veiligheidsbelangen van de lidstaten, en het bevorderen van de uitwisseling van beste praktijken in het kader van het Uniemechanisme, doen de lidstaten het volgende:

   a) doorgaan met het opstellen van risicobeoordelingen op nationaal of passend subnationaal niveau;
   b) doorgaan met het ontwikkelen van de beoordeling van risico­beheersingsvermogen op nationaal of passend subnationaal niveau ▌;
   c) doorgaan met het ontwikkelen en verfijnen van rampenrisicobeheersingsplanning op nationaal of passend subnationaal niveau ▌;

   d) een samenvatting van de relevante onderdelen van de in de onder a) en b) bedoelde beoordelingen aan de Commissie ter beschikking stellen waarin de nadruk op de belangrijkste risico's wordt gelegd. Voor de belangrijkste risico's met grensoverschrijdende gevolgen, alsmede, in voorkomend geval, de weinig waarschijnlijke risico's met ernstige gevolgen, beschrijven de lidstaten prioritaire preventie- en paraatheidsmaatregelen ▌. De samenvatting wordt uiterlijk 31 december 2020 en nadien om de drie jaar en telkens wanneer er belangrijke veranderingen zijn, aan de Commissie verstrekt;
   e) op vrijwillige basis deelnemen aan collegiale toetsingen van de beoordeling van het risicobeheersingsvermogen.

2.  De Commissie kan in samenwerking met de lidstaten ook specifieke overlegmechanismen opzetten om te komen tot betere passende preventie- en paraatheidsplanning en -coördinatie tussen de lidstaten die blootstaan aan gelijkaardige soorten rampen, onder meer voor uit hoofde van lid 1, onder d), vastgestelde grensoverschrijdende risico's en weinig waarschijnlijke risico's met ernstige gevolgen.

3.  De Commissie zorgt uiterlijk 22 december 2019 samen met de lidstaten voor de nadere uitwerking van richtsnoeren inzake de indiening van de in lid 1, onder d), bedoelde samenvatting.

4.  Indien een lidstaat via het Uniemechanisme herhaaldelijk om dezelfde soort bijstand voor dezelfde soort ramp verzoekt, kan de Commissie, na een zorgvuldige analyse van de redenen en omstandigheden van de activering, en met het doel de betrokken lidstaat steun te verlenen bij het versterken van zijn preventie- en paraatheidsniveau:

   a) de lidstaat verzoeken aanvullende informatie te verstrekken over specifieke preventie- en paraatheidsmaatregelen in verband met het navenante risico van dat soort ramp; en
   b) waar passend, op basis van de verstrekte informatie:
   i) voorstellen een deskundigenteam ter plaatse in te zetten om advies te verlenen over preventie- en paraatheidsmaatregelen; of
   ii) aanbevelingen formuleren om het preventie- en paraatheids­niveau in de betrokken lidstaat te verbeteren. De Commissie en die lidstaat houden elkaar op de hoogte van eventueel naar aanleiding van dergelijke aanbevelingen getroffen maatregelen.

Indien een lidstaat via het Uniemechanisme driemaal binnen drie opeenvolgende jaren om dezelfde soort bijstand voor dezelfde soort ramp verzoekt, zijn de punten a) en b) van toepassing, tenzij uit een zorgvuldige analyse van de redenen en omstandigheden van de herhaalde activeringen blijkt dat dit niet nodig is.";

"

5)  in artikel 10 wordt lid 1 vervangen door:"

" ▌1. De Commissie en de lidstaten werken samen aan het verbeteren van de planning van responsoperaties bij - zowel door de natuur als door de mens veroorzaakte - rampen in het kader van het Uniemechanisme, onder meer door het opstellen van scenario’s voor respons op rampen gebaseerd op de risicobeoordelingen als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder a), en het overzicht van risico's als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder c), het in kaart brengen van de beschikbare middelen en het opstellen van plannen voor de inzet van de responscapaciteit.";

"

6)  artikel 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

"Europese pool voor civiele bescherming";

"

b)  de leden 1 en 2 worden vervangen door:"

"1. Er wordt een Europese pool voor civiele bescherming opgericht. Deze bestaat uit een pool van vrijwillig vooraf toegezegde responscapaciteit van de lidstaten en omvat modules, andere responscapaciteit en categorieën van deskundigen.

1 bis.  De door een lidstaat via de Europese pool voor civiele bescherming verleende bijstand vormt een aanvulling op de bestaande capaciteit in de verzoekende lidstaat, onverminderd de primaire verantwoordelijkheid van de lidstaten voor rampenpreventie en ‑respons op hun grondgebied.

2.  Op basis van de vastgestelde risico's, algehele capaciteit en tekorten, bepaalt de Commissie, bij krachtens artikel 32, lid 1, onder f), vastgestelde uitvoeringshandelingen, het soort en de hoeveelheid cruciale responscapaciteit die nodig is voor de Europese pool voor civiele bescherming ("capaciteitsdoelen").

De Commissie monitort in samenwerking met de lidstaten de vorderingen met de verwezenlijking van de capaciteitsdoelen die in de in de eerste alinea van dit lid bedoelde uitvoeringshandelingen zijn beschreven, en stelt potentieel aanzienlijke responscapaciteitstekorten in de Europese pool voor civiele bescherming vast. Indien dergelijke tekorten worden vastgesteld, gaat de Commissie na of de lidstaten de noodzakelijke capaciteit elders dan in de Europese pool voor civiele bescherming kunnen vinden. De Commissie moedigt de lidstaten aan aanzienlijke responscapaciteittekorten in de Europese pool voor civiele bescherming op te vangen, en kan de lidstaten steun verlenen overeenkomstig artikel 20, artikel 21, lid 1, onder i), en artikel 21, lid 2.".

"

7)  artikel 12 wordt vervangen door:"

"Artikel 12

rescEU

1.  rescEU wordt opgezet om bijstand te verlenen in overweldigende situaties waarbij de algehele bestaande capaciteit op nationaal niveau en de door de lidstaten aan de Europese pool voor civiele bescherming vooraf toegezegde capaciteit in de gegeven omstandigheden niet volstaan om doeltreffend te reageren op de in artikel 1, lid 2, bedoelde verschillende soorten rampen.

Teneinde een doeltreffende rampenrespons te waarborgen, zorgen de Commissie en de lidstaten waar passend voor een adequate geografische spreiding van rescEU-capaciteit.

2.  De Commissie bepaalt, bij krachtens artikel 32, lid 1, punt g), vastgestelde uitvoeringshandelingen, de capaciteit waaruit rescEU wordt samengesteld, rekening houdend met vastgestelde en nieuwe risico's, algehele capaciteit en tekorten op Unieniveau, met name op het gebied van de bestrijding van bosbranden vanuit de lucht, chemische, biologische, radiologische en nucleaire incidenten, en medische noodrespons. Die uitvoeringshandelingen waarborgen consistentie met ander toepasselijk Unierecht. De eerste van die uitvoeringshandelingen wordt uiterlijk … [drie maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit] vastgesteld.

3.  rescEU-capaciteit wordt aangekocht, gehuurd of geleaset door de lidstaten. Daartoe kan de Commissie de lidstaten rechtstreekse subsidies toekennen zonder een oproep tot het indienen van voorstellen. Indien de Commissie rescEU-capaciteit aankoopt namens de lidstaten, is de gezamenlijke aanbestedingsprocedure van toepassing. Financiële bijstand van de Unie wordt toegekend met inachtneming van de financiële regels van de Unie.

rescEU-capaciteit wordt ondergebracht bij de lidstaten die deze capaciteit aankopen, huren of leasen. In geval van gezamenlijke aanbesteding wordt rescEU-capaciteit ondergebracht bij de lidstaten namens welke de rescEU-capaciteit is aangekocht.

4.  De Commissie stelt in overleg met de lidstaten kwaliteitseisen vast voor de responscapaciteit die deel uitmaakt van rescEU. De kwaliteitseisen zijn gebaseerd op erkende internationale standaarden voor zover dergelijke standaarden reeds bestaan.

5.  Een lidstaat die rescEU-capaciteit bezit, huurt of leaset, zorgt voor de registratie van die capaciteit in het Cecis, en voor de beschikbaarheid en inzetbaarheid van die capaciteit voor operaties van het Uniemechanisme.

rescEU-capaciteit mag uitsluitend voor nationale doeleinden als bedoeld in artikel 23, lid 4 bis, worden gebruikt wanneer de capaciteit niet wordt gebruikt of niet nodig is voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme.

rescEU-capaciteit wordt gebruikt overeenkomstig de krachtens artikel 32, lid 1, onder g), vastgestelde uitvoeringshandelingen en operationele overeenkomsten tussen de Commissie en de lidstaat die dergelijke capaciteit bezit, leaset of huurt, waarin de algemene voorwaarden voor de inzet van rescEU-capaciteit, met inbegrip van deelnemend personeel, nader worden bepaald.

6.  rescEU-capaciteit is beschikbaar voor responsoperaties in het kader van het Uniemechanisme naar aanleiding van een verzoek om bijstand via het ERCC overeenkomstig artikel 15 of artikel 16, leden 1 tot en met 9 en leden 11, 12 en 13. Het besluit over de inzet en demobilisatie, en besluiten in geval van strijdige verzoeken, worden door de Commissie genomen in nauwe samenspraak met de verzoekende lidstaat en de lidstaat die de capaciteit bezit, leaset of huurt, overeenkomstig de in lid 5, derde alinea, beschreven operationele overeenkomsten.

De lidstaat op het grondgebied waarvan rescEU-capaciteit wordt ingezet is verantwoordelijk voor het sturen van de responsoperaties. In geval van inzet buiten de Unie zijn de lidstaten waarbij rescEU-capaciteit is ondergebracht, ervoor verantwoordelijk dat rescEU-capaciteit volledig in de algehele respons wordt geïntegreerd.

7.  In geval van inzet van rescEU-capaciteit komt de Commissie via het ERCC de operationele aspecten ervan overeen met de verzoekende lidstaat. De verzoekende lidstaat faciliteert de operationele coördinatie van zijn eigen capaciteit met de rescEU-activiteiten tijdens de operaties.

8.  Waar nodig faciliteert de Commissie de coördinatie van de verschillende responscapaciteiten via het ERCC overeenkomstig de artikelen 15 en 16.

9.  De lidstaten worden via het Cecis op de hoogte gesteld van de operationele status van rescEU-capaciteit. ▌

10.  Indien een ramp buiten de Unie aanzienlijke gevolgen kan hebben voor een of meer lidstaten of de burgers ervan, kan rescEU-capaciteit worden ingezet, overeenkomstig de leden 6 tot en met 9 van dit artikel.

Indien rescEU-capaciteit in derde landen wordt ingezet, kunnen lidstaten in specifieke gevallen, overeenkomstig de krachtens artikel 32, lid 1, onder g), vastgestelde uitvoeringshandeling en zoals nader beschreven in de in lid 5, derde alinea, van dit artikel bedoelde operationele overeenkomsten, weigeren hun eigen personeel in te zetten.";

"

8)  ▌ artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel ▌ wordt vervangen door:"

" Kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming ";

"

b)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  de aanhef wordt vervangen door:"

"1. De Commissie zet een netwerk op van relevante actoren en instellingen inzake civiele bescherming en rampenbeheersing, met inbegrip van kenniscentra, universiteiten en onderzoekers, die tezamen met de Commissie een Kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming vormen. De Commissie houdt daarbij rekening met de deskundigheid die beschikbaar is in de lidstaten en bij de organisaties die op dit gebied actief zijn.

Het netwerk voert op het gebied van opleiding, oefeningen, geleerde lessen en kennisverspreiding de volgende taken uit, daarbij strevend naar een genderevenwichtige samenstelling, waar passend in nauwe coördinatie met de relevante kenniscentra:";

"

ii)  punt a) wordt vervangen door:"

"a) het opzetten en beheren van een opleidingsprogramma voor het personeel voor civiele bescherming en aanpak van noodsituaties inzake preventie van, paraatheid bij en respons op rampen. Het programma wordt zodanig opgezet dat de uitwisseling van beste praktijken op het gebied van civiele bescherming wordt gefaciliteerd, en bevat gezamenlijke cursussen en een systeem voor het uitwisselen van deskundigheid op het gebied van de aanpak van noodsituaties, waaronder uitwisselingen van jonge beroepsbeoefenaren en ervaren vrijwilligers, en de detachering van deskundigen van de lidstaten.

Het opleidingsprogramma heeft ten doel de coördinatie, compatibiliteit en complementariteit van de in de artikelen 9, 11 en 12 bedoelde capaciteit alsmede de bekwaamheid van de in artikel 8, onder d) en f), bedoelde deskundigen te verbeteren;";

"

iii)  punt f) wordt vervangen door:"

"f) het stimuleren van onderzoek en innovatie en het aanmoedigen van de invoering en toepassing van relevante nieuwe technologieën ten behoeve van het Uniemechanisme.";

"

c)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"4. De Commissie voert de samenwerking inzake opleiding op en bevordert de uitwisseling van kennis en ervaring tussen Kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming en internationale organisaties en derde landen, teneinde bij te dragen tot het nakomen van internationale afspraken met betrekking tot rampenrisico­vermindering, met name in de context van het kader van Sendai voor rampenrisicovermindering 2015 – 2030, vastgesteld op 15 maart 2015 op de derde wereldconferentie van de VN over rampenrisicovermindering in Sendai, Japan.";

"

9)  in artikel 15 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. Wanneer binnen de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden, kan de getroffen lidstaat via het ERCC om bijstand verzoeken. Dit verzoek dient zo concreet mogelijk te zijn. Een verzoek om bijstand komt te vervallen na een maximum van 90 dagen, tenzij nieuwe elementen bij het ERCC worden ingediend die de noodzaak van voortgezette of aanvullende bijstand rechtvaardigen.";

"

10)  in artikel 16 worden de leden 1 en 2 vervangen door:"

"1. Wanneer buiten de Unie een ramp plaatsvindt of dreigt plaats te vinden kan het betrokken land via het ERCC om bijstand verzoeken. Er kan ook om bijstand worden verzocht via of door de Verenigde Naties, een VN-organisatie of een andere bevoegde internationale organisatie. Een verzoek om bijstand komt te vervallen na een maximum van 90 dagen, tenzij nieuwe elementen bij het ERCC worden ingediend die de noodzaak van voortgezette of aanvullende bijstand rechtvaardigen.

2.  Interventies als bedoeld in dit artikel kunnen hetzij als autonome bijstands­interventie, hetzij als bijdrage tot een door een internationale organisatie geleide interventie worden uitgevoerd. De coördinatie door de Unie wordt volledig geïntegreerd in de algemene coördinatie door het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden van de Verenigde Naties (OCHA), waarbij de leidende rol van deze organisatie in acht wordt genomen. In geval van door de mens veroorzaakte rampen of complexe noodsituaties, ziet de Commissie toe op de conformiteit met de Europese consensus over humanitaire hulp, en het respect voor de humanitaire beginselen.

__________________

* PB C 25 van 30.1.2008, blz. 1.";

"

11)  in artikel 19 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. De financiële middelen voor de uitvoering van het Uniemechanisme voor de periode 2014 tot en met 2020 bedragen 574 028 000 EUR in lopende prijzen.

Het bedrag van 425 172 000 EUR in lopende prijzen is afkomstig van rubriek 3 ("Veiligheid en burgerschap") en 148 856 000 EUR in lopende prijzen is afkomstig van rubriek 4 ("De EU als mondiale partner") van het meerjarig financieel kader.";

"

12)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 20 bis

Zichtbaarheid en prijzen

1.  Elke bijstand of financiering die uit hoofde van dit besluit wordt verstrekt, dient de nodige zichtbaarheid te geven aan de Unie, met inbegrip van nadruk op het logo van de Unie voor de capaciteit die wordt genoemd onder de artikelen 11 en 12 en artikel 21, lid 2, onder c). De Commissie ontwikkelt een communicatiestrategie om de tastbare resultaten van de acties in het kader van het Uniemechanisme onder de aandacht van de burgers te brengen.

2.  De Commissie reikt medailles uit om langdurige inzet voor en buitengewone bijdragen aan de civiele bescherming van de Unie te erkennen en te eren.";

"

13)  artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt punt j) vervangen door:"

"j) opzetten, beheren en in stand houden van rescEU-capaciteit overeenkomstig artikel 12;";

"

b)  lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)  in de eerste alinea wordt punt c) vervangen door:"

"c) kosten die samenhangen met het verbeteren of herstellen van responscapaciteit tot een staat van paraatheid en beschikbaarheid waardoor deze kan worden ingezet in het kader van de Europese pool voor civiele bescherming, conform de kwaliteitseisen voor de Europese pool voor civiele bescherming en, voor zover van toepassing, de tijdens het certificeringsproces geformuleerde aanbevelingen ("aanpassingskosten"). Deze kosten kunnen onder meer kosten omvatten die verband houden met inzetbaarheid, interoperabiliteit van modules en andere respons­capaciteit, autonomie, zelfvoorziening, vervoerbaarheid, verpakking en andere noodzakelijke kosten, mits deze specifiek samenhangen met de deelname van de capaciteit aan de Europese pool voor civiele bescherming.

Aanpassingskosten kunnen onder meer omvatten:

   i) 75 % van de voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten bij een verbetering, mits dat bedrag niet meer bedraagt dan 50 % van de gemiddelde kosten van de ontwikkeling van de capaciteit; en
   ii) 75% van de voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten bij een herstel.

De responscapaciteit die financiering ontvangt uit hoofde van de punten i) en ii) wordt beschikbaar gesteld als onderdeel van de Europese pool voor civiele bescherming voor een minimale termijn die samenhangt met de ontvangen financiering en varieert tussen 3 en 10 jaar vanaf de daadwerkelijke beschikbaarstelling als deel van de Europese pool voor civiele bescherming, tenzij de economische levensduur ervan korter is.

De aanpassingskosten kunnen bestaan uit een bijdrage in de kosten per eenheid of uit vaste bedragen per soort capaciteit.";

"

ii)  punt d) van de eerste en tweede alinea worden geschrapt.

c)  de volgende leden worden toegevoegd:"

"3. De financiële bijstand voor de activiteiten die zijn genoemd in lid 1, onder j), dekt de ▌ kosten die noodzakelijk zijn om de beschikbaarheid en inzetbaarheid van rescEU-capaciteit in het kader van het Unie­mechanisme te garanderen overeenkomstig de tweede alinea van dit lid.

De ▌ Commissie zorgt ervoor dat de in dit lid bedoelde financiële bijstand overeenkomt met minstens 80 % en hoogstens 90 % van de totale geraamde kosten die nodig zijn om de beschikbaarheid en inzetbaarheid van rescEU-capaciteit in het kader van het Unie­mechanisme te garanderen. Het resterende bedrag wordt gedragen door de lidstaten waarbij de rescEU-capaciteit is ondergebracht. De totale geraamde kosten voor elke soort rescEU-capaciteit worden bepaald door middel van uitvoeringshandelingen die overeenkomstig artikel 32, lid 1, onder g), worden vastgesteld. Bij het berekenen van de totale geraamde kosten wordt rekening gehouden met de in bijlage I bis vastgestelde categorieën van voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I bis wat betreft de categorieën van voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten.

De in dit lid bedoelde financiële bijstand kan worden geïmplementeerd middels meerjarige werkprogramma's. Voor acties die langer dan één jaar duren, kunnen de begrotingsvastleggingen over jaarlijkse tranches worden verdeeld.

4.  Voor capaciteit die is opgezet om te reageren op weinig waarschijnlijke risico's met ernstige gevolgen, zoals gedefinieerd in krachtens artikel 32, lid 1, onder h bis), vastgestelde uitvoeringshandelingen, dekt de financiële bijstand van de Unie alle kosten die nodig zijn om beschikbaarheid en inzetbaarheid te garanderen.

5.  De in lid 3 bedoelde kosten kunnen bestaan uit eenheids­kosten, vaste bedragen of vaste percentages, bepaald per categorie of soort capaciteit, naargelang het geval.";

"

14)  artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)   ▌ de titel wordt vervangen door:"

"Voor financiële bijstand in aanmerking komende acties in verband met uitrusting en operaties";

"

b)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"1 bis. Het bedrag van financiële bijstand van de Unie voor het vervoer van capaciteit die niet vooraf is toegezegd aan de Europese pool voor civiele bescherming en die wordt ingezet in geval van een ramp of een dreigende ramp binnen of buiten de Unie bedraagt ten hoogste 75 % van de totale voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten.";

"

c)  de leden 2, 3 en 4 worden vervangen door:"

▌"2. De financiële bijstand van de Unie voor capaciteit die vooraf is toegezegd aan de Europese pool voor civiele bescherming, bedraagt ten hoogste 75 % van de kosten die voor de inzet van de capaciteit, met inbegrip van vervoer, noodzakelijk zijn bij een ramp of een dreigende ramp binnen de Unie of een deelnemend land.

3.  De financiële bijstand van de Unie voor vervoermiddelen bedraagt ten hoogste 75 % van de totale voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten in verband met vervoer van de capaciteit die vooraf is toegezegd voor de Europese pool voor civiele bescherming, indien zij wordt ingezet bij een ramp of een dreigende ramp buiten de Unie als bedoeld in artikel 16.

4.  De financiële bijstand van de Unie voor vervoermiddelen ▌ mag voorts 100 % dekken van de totale voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten als omschreven in de punten a), b), c) en d), indien dit noodzakelijk is om de bijstand van de lidstaten op een operationeel doeltreffende manier te bundelen en indien de kosten verband houden met een van de volgende zaken:

   a) de huur voor korte tijd van opslagcapaciteit om de bijstand van de lidstaten tijdelijk op te slaan teneinde het gecoördineerde vervoer ervan te faciliteren;
   b) het vervoer vanuit de lidstaat die de bijstand verstrekt, naar de lidstaat die het gecoördineerde vervoer ervan faciliteert;
   c) het herverpakken van de bijstand van de lidstaten om de beschikbare vervoerscapaciteit optimaal te benutten of aan specifieke operationele vereisten te voldoen; of
   d) het lokale vervoer, de doorvoer en de opslag van gebundelde bijstand met het oog op een gecoördineerde levering op de eindbestemming in het verzoekende land.

4 bis.  Indien rescEU-capaciteit overeenkomstig artikel 12, lid 5, voor nationale doeleinden wordt gebruikt, , worden alle kosten, waaronder onderhouds- en herstelkosten, gedekt door de lidstaat die de capaciteit gebruikt.

4 ter.  In geval van inzet van rescEU-capaciteit in het kader van het Uniemechanisme dekt de financiële bijstand van de Unie 75 % van de operationele kosten.

In afwijking van het bepaalde in lid 1 dekt de financiële bijstand van de Unie 100 % van de operationele kosten van de voor weinig waarschijnlijke rampen met ernstige gevolgen nodige rescEU-capaciteit die wordt ingezet in het kader van het Uniemechanisme.

4 quater.  Voor in artikel 12, lid 10, bedoelde inzet buiten de Unie, dekt de financiële bijstand van de Unie 100 % van de operationele kosten.

4 quinquies.  Indien de in dit artikel bedoelde financiële bijstand van de Unie niet 100 % van de kosten dekt, wordt het resterende bedrag van de kosten gedragen door de verzoeker van de bijstand, tenzij anders overeengekomen met de lidstaat die bijstand aanbiedt of de lidstaat waarbij de rescEU-capaciteit is ondergebracht.";

"

d)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"8. De vervoerskosten kunnen bestaan uit eenheidskosten, vaste bedragen of vaste percentages, bepaald volgens de categorie van de kosten.";

"

15)  in artikel 26 worden de leden 1 en 2 vervangen door:"

"1. Acties waarvoor uit hoofde van dit besluit financiële bijstand wordt verleend, komen niet in aanmerking voor bijstand uit hoofde van andere financiële instrumenten van de Unie. Overeenkomstig artikel 191, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 belet financiële bijstand die op grond van de artikelen 21, 22 en 23 van dit besluit is toegekend, echter niet dat financiële bijstand wordt toegekend ten laste van andere financiële instrumenten van de Unie volgens de daarin vervatte voorwaarden.

De Commissie ziet erop toe dat aanvragers van financiële bijstand uit hoofde van dit besluit, en de ontvangers van die bijstand, haar informatie verstrekken over financiële bijstand uit andere bronnen, inclusief de algemene begroting van de Unie, alsmede over lopende aanvragen voor deze bijstand.

2.  Er worden synergieën, complementariteit en meer coördinatie met andere instrumenten van de Unie ontwikkeld, bijvoorbeeld de instrumenten ter ondersteuning van cohesie-, plattelandsontwikkelings-, onderzoeks-, gezondheids-,▌ migratie- en veiligheidsbeleid, alsmede het Solidariteitsfonds van de Europese Unie. Bij optreden in humanitaire crises in derde landen zorgt de Commissie ervoor dat de acties die uit hoofde van dit besluit worden gefinancierd met acties die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1257/96 worden gefinancierd samenhangend en complementair zijn, en dat die acties in overeenstemming met de Europese consensus over humanitaire hulp worden uitgevoerd.

_____________________

* Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).";

"

16)  artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Het Uniemechanisme staat open voor deelname van:

   a) de lidstaten van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), overeenkomstig de voorwaarden van de EER-Overeenkomst, en andere Europese landen indien overeenkomsten en procedures dit bepalen;
   b) toetredende landen, kandidaat-lidstaten en potentiële kandidaten overeenkomstig de algemene beginselen en voorwaarden voor de deelname van die landen aan EU-programma's zoals vastgelegd in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad of overeenkomsten van gelijke strekking.

1 bis.  De deelname aan het Uniemechanisme omvat de deelname aan de activiteiten ervan overeenkomstig de in dit besluit bepaalde doelstellingen, voorschriften, criteria, procedures en termijnen, en voldoet aan de specifieke voorwaarden die zijn vastgelegd in de overeenkomsten tussen de Unie en het deelnemend land. ";

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Internationale of regionale organisaties, of landen die deel uitmaken van het Europese nabuurschapsbeleid kunnen deelnemen aan activiteiten in het kader van het Uniemechanisme indien toepasselijke bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen die organisaties of landen en de Unie in die mogelijkheid voorzien.";

"

17)  artikel 30 wordt vervangen door:"

"Artikel 30

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De bevoegdheid om de in artikel 19, leden 5 en 6, bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend tot en met 31 december 2020.

3.  De in artikel 21, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening.

4.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 19, leden 5 en 6, en artikel 21, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

5.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

6.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

7.  Een overeenkomstig artikel 19, leden 5 en 6, en artikel 21, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.";

"

18)  in artikel 32, lid 1, worden de punten g) en h) vervangen door:"

"g) het opzetten, beheren en in stand houden van rescEU, overeenkomstig artikel 12, inclusief de criteria voor inzetbesluiten, operationele procedures, alsmede de in artikel 21, lid 3, bedoelde kosten;

   h) het opzetten en organiseren van een Kennisnetwerk op het gebied van Europese civiele bescherming, overeenkomstig artikel 13;
   h bis) de in artikel 21, lid 4, bedoelde categorieën weinig waarschijnlijke risico's met ernstige gevolgen en de navenante capaciteit om die te beheersen;
   h ter) de criteria en procedures voor het erkennen van langdurige inzet en buitengewone bijdragen aan de civiele bescherming van de Unie, overeenkomstig artikel 20 bis.";

"

19)  artikel 34 wordt vervangen door:"

"Artikel 34

Evaluatie

1.  Acties waarvoor financiële bijstand wordt verleend, worden regelmatig gemonitord teneinde de uitvoering ervan te volgen.

2.  De Commissie dient om de twee jaar bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de operaties en de vooruitgang die in verband met de artikelen 11 en 12 wordt geboekt. Het verslag bevat informatie over de vorderingen met de verwezenlijking van de capaciteitsdoelen en resterende tekorten bedoeld in artikel 11, lid 2, rekening houdend met het opzetten van rescEU-capaciteit overeenkomstig artikel 12. Het verslag biedt ook een overzicht van de budgettaire en kostenontwikkelingen in verband met responscapaciteit, en een beoordeling van de noodzaak deze capaciteit verder te ontwikkelen.

3.  De Commissie evalueert de toepassing van dit besluit en verstrekt het Europees Parlement en de Raad uiterlijk 31 december 2023 en vervolgens om de vijf jaar een mededeling over de doeltreffendheid, kosteneffectiviteit en lopende uitvoering van dit besluit, met name wat betreft artikel 6, lid 4, alsmede van rescEU-capaciteit. Die mededeling gaat, waar passend, vergezeld van voorstellen tot wijzigingen van dit besluit.";

"

20)  artikel 35 wordt vervangen door:"

"Artikel 35

Overgangsbepalingen

Tot 1 januari 2025 kan financiële bijstand van de Unie worden verstrekt om 75 % te dekken van de kosten die moeten worden gemaakt om snelle toegang te garanderen tot nationale capaciteit die overeenkomt met de in artikel 12, lid 2, beschreven capaciteit. Daartoe kan de Commissie de lidstaten directe subsidies toekennen zonder een oproep tot het indienen van voorstellen.

De in de eerste alinea bedoelde capaciteit wordt tot het einde van de overgangsperiode aangemerkt als rescEU-capaciteit.

In afwijking van artikel 12, lid 6, wordt het besluit over de inzet van de in de eerste alinea bedoelde capaciteit genomen door de lidstaat die deze als rescEU-capaciteit beschikbaar heeft gesteld. De lidstaat die wegens een binnenlandse noodsituatie, overmacht of, in uitzonderlijke gevallen, ernstige redenen niet in staat is deze capaciteit voor een specifieke ramp beschikbaar te stellen, stelt de Commissie daarvan zo spoedig mogelijk onder verwijzing naar dit artikel in kennis.";

"

21)  artikel 38 wordt geschrapt;

22)  de woorden "Europese responscapaciteit voor noodsituaties", "het EERC" en de "vrijwillige pool" in de gehele tekst van het besluit worden vervangen door de woorden "Europese pool voor civiele bescherming";

23)  bijlage I bis als opgenomen in de bijlage bij dit besluit wordt ingevoegd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

De bestaande regelingen die vallen onder artikel 28 van Besluit nr. 1313/2013/EU blijven van toepassing tot zij worden vervangen, naargelang het geval.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

Bijlage

"Bijlage I bis

Categorieën van voor financiële bijstand in aanmerking komende kosten in verband met de berekening van de totale geraamde kosten overeenkomstig artikel 21, lid 3

1.  Kosten voor uitrusting

2.  Onderhoudskosten, waaronder herstelkosten

3.  Verzekeringskosten

4.  Opleidingskosten

5.  Opslagkosten

6.  Registratie- en certificeringskosten

7.  Kosten voor verbruiksgoederen

8.  Kosten van personeel dat de beschikbaarheid en inzetbaarheid van rescEU-capaciteit moet waarborgen."

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gemeenschappelijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie

De bijkomende financiële enveloppe voor de tenuitvoerlegging van het Uniemechanisme voor civiele bescherming in 2019 en 2020 is vastgesteld op 205,5 miljoen EUR. Onverminderd de bevoegdheden van de begrotingsautoriteit dient een deel van de totale verhoging van de rescEU-begroting beschikbaar te worden gesteld via herschikkingen in rubriek 3 (Veiligheid en burgerschap) en rubriek 4 (Europa als wereldspeler) van het meerjarig financieel kader 2014-2020. De drie instellingen herinneren eraan dat een deel van de herschikkingen reeds in de begroting 2019 is opgenomen en dat 15,34 miljoen EUR reeds in de financiële programmering voor 2020 is opgenomen.

In het kader van de begrotingsprocedure 2020 wordt de Commissie verzocht een bijkomend bedrag van18,24 miljoen EUR aan herschikkingen voor te stellen, teneinde onder dezelfde rubrieken 50 % te bereiken voor 2019 en 2020.

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2) PB C 361 van 5.10.2018, blz. 37.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 31 mei 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0236).
(4)Advies van 18 oktober 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(5) PB C 361 van 5.10.2018, blz. 37
(6) Standpunt van het Europees Parlement van 12 februari 2019.
(7)Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
(8) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(9)Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico's (PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27).
(10)Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(11)Besluit nr. 1082/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 over ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid en houdende intrekking van Beschikking nr. 2119/98/EG (PB L 293 van 5.11.2013, blz. 1).
(12) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(13)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoerings­bevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


Minimumeisen voor hergebruik van water ***I
PDF 341kWORD 89k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake minimumeisen voor hergebruik van water (COM(2018)0337 – C8-0220/2018 – 2018/0169(COD))
P8_TA(2019)0071A8-0044/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


De goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen ***I
PDF 168kWORD 49k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging en rectificatie van Verordening (EU) nr. 167/2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (COM(2018)0289 – C8-0183/2018 – 2018/0142(COD))
P8_TA-PROV(2019)0072A8-0318/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0289),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0183/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 16 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8‑0318/2018),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 12 februari 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 167/2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen

P8_TC1-COD(2018)0142


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het is nodig de beschrijving van de voertuigen van de categorieën T1 en T2 als opgenomen in Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4) te verduidelijken met betrekking tot de positie van de as die zich het dichtst bij de bestuurder bevindt bij trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats en met betrekking tot de methode voor de berekening van de hoogte van het zwaartepunt. Om de hoogte van het zwaartepunt van voertuigen van de categorie T2 nauwkeurig en op uniforme wijze te kunnen bepalen, moet worden verwezen naar internationaal toepasselijke normen voor de bepaling van het zwaartepunt van trekkers.

(2)  Een nauwkeurige definitie van de verschillende onderdelen van landbouwtrekkers op basis van een analyse van hun technische kenmerken is van het grootste belang voor de correcte en volledige uitvoering van deze verordening en de uit hoofde ervan vastgestelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. Gezien het feit dat discussies over de definitie van de categorieën worden gevoerd in de relevante internationale fora, waaraan ook de Unie deelneemt, moet de Commissie hiermee rekening houden om onevenredige en negatieve gevolgen voor de toepassing van de technische voorschriften en de testprocedures, alsmede om alle mogelijke negatieve gevolgen voor de fabrikanten, met name van hooggespecialiseerde trekkers, te voorkomen.

(3)  In Verordening (EU) nr. 167/2013 moet duidelijk worden gemaakt dat de term "verwisselbare machines" "verwisselbare uitrustingsstukken" betekent, om ervoor te zorgen dat de terminologie in de hele verordening consequent wordt gebruikt.

(4)  In Verordening (EU) nr. 167/2013 is opgenomen dat importeurs, voor producten die niet conform die verordening zijn of een ernstig risico vormen, een kopie van het certificaat van overeenstemming moeten bewaren. Er moet duidelijk worden gemaakt dat hiermee een EU-typegoedkeuringscertificaat wordt bedoeld. De genoemde verordening moet daarom zo worden gewijzigd dat erin wordt verwezen naar het juiste document.

(5)  In Verordening (EU) nr. 167/2013 wordt bepaald dat het EU-typegoedkeuringscertificaat als bijlage de testresultaten bevat. Er moet duidelijk worden gemaakt dat hiermee het formulier met testresultaten wordt bedoeld. De genoemde verordening moet daarom zo worden gewijzigd dat erin wordt verwezen naar de juiste bijlage.

(6)  Bij Verordening (EU) nr. 167/2013 werd aan de Commissie de bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen toegekend voor een periode van vijf jaar, die op 21 maart 2018 afliep. Aangezien er voortdurend behoefte is aan aanpassing van verschillende elementen van de typegoedkeuringsprocedure die bij die verordening en de uit hoofde daarvan vastgestelde handelingen is vastgesteld, meer bepaald door ze aan de technische vooruitgang aan te passen of rectificaties aan te brengen, moet de periode voor de uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie worden verlengd en moet worden voorzien in de mogelijkheid deze daarna stilzwijgend te verlengen.

(7)  In Verordening (EU) nr. 167/2013 is sprake van de intrekking van Richtlijn 74/347/EEG van de Raad(5), terwijl het gaat om de intrekking van Richtlijn 2008/2/EG van het Europees Parlement en de Raad(6), waarmee eerstgenoemde richtlijn is gecodificeerd. Bijgevolg moet de relevante verwijzing in Verordening (EU) nr. 167/2013 worden gerectificeerd.

(8)  Daar deze verordening wijzigingen van Verordening (EU) nr. 167/2013 behelst zonder de normatieve inhoud ervan uit te breiden en daar de doelstellingen van deze verordening niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(9)  Verordening (EU) nr. 167/2013 dient daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 167/2013

Verordening (EU) nr. 167/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)  In artikel 2 wordt lid 2 vervangen door:"

“2. Deze verordening is niet van toepassing op verwisselbare uitrustingsstukken die in het wegverkeer volledig vrij van de grond zijn of niet rond een verticale as kunnen draaien.".

"

2)   In artikel 4 worden de punten 2 en 3 vervangen door:"

2) "categorie T1": trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een bodemvrijheid van ten hoogste 1 000 mm; voor trekkers met omkeerbare bestuurdersplaats (stoel en stuurwiel omkeerbaar) is de as die zich het dichtst bij de bestuurder bevindt die met de banden met de grootste diameter;

   3) "categorie T2": trekkers op wielen met een minimumspoorbreedte van minder dan 1 150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg, met een bodemvrijheid van ten hoogste 600 mm; als de hoogte van het zwaartepunt van de trekker (overeenkomstig ISO-norm 789-6:1982 bepaald en ten opzichte van de grond gemeten) gedeeld door de gemiddelde minimumspoorbreedte voor elke as meer bedraagt dan 0,90, wordt de door de constructie bepaalde maximumsnelheid beperkt tot 30 km/u;".

"

3)  In Artikel 12 wordt lid 3 vervangen door:"

“3. Gedurende tien jaar nadat het voertuig in de handel is gebracht en gedurende vijf jaar nadat een systeem, onderdeel of technische eenheid in de handel is gebracht, houden importeurs een kopie van het EU-typegoedkeuringscertificaat ter beschikking van de goedkeuringsinstanties en markttoezichtautoriteiten en zorgen zij ervoor dat het in artikel 24, lid 10, bedoelde informatiepakket op verzoek aan die autoriteiten kan worden verstrekt.".

"

4)  In artikel 25, lid 1 wordt punt b) vervangen door:"

“(b) het formulier met testresultaten;".

"

5)  In artikel 39, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:"

"De eerste alinea is alleen van toepassing op voertuigen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige EU-typegoedkeuring was verleend, maar die niet zijn geregistreerd of in het verkeer zijn gebracht voor deze EU-typegoedkeuring ongeldig werd.".

"

6)   In artikel 71 wordt lid 2 vervangen door:"

“2. De in artikel 17, lid 5, artikel 18, lid 4, artikel 19, lid 6, artikel 20, lid 8, artikel 27, lid 6, artikel 28, lid 6, artikel 45, lid 4, artikel 49, lid 3, artikel 53, lid 12, artikel 61 en artikel 70 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 22 maart 2013. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. De Commissie stelt uiterlijk op 22 juni 2022 en negen maanden vóór het einde van elke opeenvolgende periode van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie.".

"

7)  In artikel 76 wordt lid 1 vervangen door:"

“1. Onverminderd artikel 73, lid 2, van deze verordening worden de Richtlijnen 76/432/EEG, 76/763/EEG, 77/537/EEG, 78/764/EEG, 80/720/EEG, 86/297/EEG, 86/298/EEG, 86/415/EEG, 87/402/EEG, 2000/25/EG, 2003/37/EG, 2008/2/EG, 2009/57/EG, 2009/58/EG, 2009/59/EG, 2009/60/EG, 2009/61/EG, 2009/63/EG, 2009/64/EG, 2009/66/EG, 2009/68/EG, 2009/75/EG, 2009/76/EG en 2009/144/EG ingetrokken met ingang van 1 januari 2016.".

"

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 104.
(2) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 104.
(3)Standpunt van het Europees Parlement van 12 februari 2019.
(4)Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1).
(5) Richtlijn 74/347/EEG van de Raad van 25 juni 1974 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PB L 191 van 15.7.1974, blz. 5).
(6) Richtlijn 2008/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende het zichtveld en de ruitenwissers van landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen (PB L 24 van 29.1.2008, blz. 30).


Programma voor de eengemaakte markt, het concurrentievermogen van ondernemingen en Europese statistieken ***I
PDF 394kWORD 129k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma voor de eengemaakte markt, het concurrentievermogen van ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, en Europese statistieken, en tot intrekking van de Verordeningen (EU) nr. 99/2013, (EU) nr. 1287/2013, (EU) nr. 254/2014, (EU) nr. 258/2014, (EU) nr. 652/2014 en (EU) 2017/826 (COM(2018)0441 – C8-0254/2018 – 2018/0231(COD))
P8_TA(2019)0073A8-0052/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Btw: definitief stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten *
PDF 220kWORD 63k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft de invoering van de nadere technische maatregelen voor de werking van het definitieve btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten (COM(2018)0329 – C8-0317/2018 – 2018/0164(CNS))
P8_TA-PROV(2019)0074A8-0028/2019

(Bijzondere wetgevingsprocedure – raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2018)0329),

–  gezien artikel 113 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0317/2018),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8‑0028/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel, als geamendeerd door het Parlement;

2.  verzoekt de Commissie haar voorstel krachtens artikel 293, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dienovereenkomstig te wijzigen;

3.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

4.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in het voorstel van de Commissie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Toen de Raad in 1967 bij Richtlijnen 62/227/EEG1 en 67/228/EEG2 van de Raad het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde vaststelde, werd ook de principeafspraak gemaakt om een definitief btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten tot stand te brengen dat op dezelfde wijze zou functioneren als een stelsel binnen één lidstaat. Aangezien de politieke en technische omstandigheden evenwel niet rijp waren voor een dergelijk stelsel, is eind 1992 bij de afschaffing van de fiscale grenzen tussen de lidstaten een btw-overgangsregeling vastgesteld. In Richtlijn 2006/112/EG3 van de Raad, die thans van kracht is, is bepaald dat deze overgangsregeling moet worden vervangen door een definitieve regeling die in beginsel is gebaseerd op belastingheffing in de lidstaat van oorsprong van de goederenleveringen of diensten.
(1)  Toen de Raad in 1967 bij Richtlijnen 62/227/EEG1 en 67/228/EEG2 van de Raad het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde vaststelde, werd ook de principeafspraak gemaakt om een definitief btw-stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten tot stand te brengen dat op dezelfde wijze zou functioneren als een stelsel binnen één lidstaat. Aangezien de politieke en technische omstandigheden evenwel niet rijp waren voor een dergelijk stelsel, is eind 1992 bij de afschaffing van de fiscale grenzen tussen de lidstaten een btw-overgangsregeling vastgesteld. In Richtlijn 2006/112/EG3 van de Raad, die thans van kracht is, is bepaald dat deze overgangsregeling moet worden vervangen door een definitieve regeling die in beginsel is gebaseerd op belastingheffing in de lidstaat van oorsprong van de goederenleveringen of diensten. Deze overgangsregels bestaan nu echter al enkele decennia, hetgeen resulteert in een complex overgangsstelsel voor de btw dat vatbaar is voor grensoverschrijdende btw-fraude binnen de Unie. Deze overgangsregels vertonen talrijke tekortkomingen, waardoor het btw-stelsel niet volledig efficiënt is en evenmin verenigbaar met de eisen van een echte interne markt. De kwetsbaarheid van het overgangsstelsel voor de btw bleek reeds enkele jaren na de vaststelling ervan. Sindsdien zijn meerdere wetgevings- (verbetering van de administratieve samenwerking, kortere termijnen voor de indiening van de lijsten, sectorale verlegging) en niet-wetgevingsmaatregelen genomen. De onlangs gehouden studies naar de btw-kloof laten evenwel zien dat nog heel veel btw niet wordt geïnd. Dit is het eerste wetgevingsvoorstel sinds de vaststelling van de huidige btw-regels in 1992 en is gericht op het aanpakken van de oorzaken van grensoverschrijdende fraude. In haar mededeling van 28 oktober 2015 getiteld "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" stelt de Commissie dat de complexiteit van de huidige btw-voorschriften één van de voornaamste obstakels is voor de voltooiing van de interne markt. Tegelijkertijd is de btw-kloof, die wordt gedefinieerd als het verschil tussen het bedrag aan btw dat daadwerkelijk wordt geïnd en het theoretische bedrag dat naar verwachting zal worden geïnd, in de EU‑28 toegenomen tot 151,5 miljard EUR in 2015. Hieruit blijkt dat het btw-stelsel dringend grondig moet worden hervormd om tot een definitief btw-stelsel te komen, de grensoverschrijdende handel binnen de Unie te vergemakkelijken en te vereenvoudigen, en het stelsel fraudebestendiger te maken.
__________________
__________________
1 Eerste Richtlijn 67/227/EEG van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (PB 71 van 14.4.1967, blz. 1301).
1 Eerste Richtlijn 67/227/EEG van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (PB 71 van 14.4.1967, blz. 1301).
2 Tweede Richtlijn 67/228/EEG van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 71 van 14.4.1967, blz. 1303).
2 Tweede Richtlijn 67/228/EEG van de Raad van 11 april 1967 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Structuur en wijze van toepassing van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 71 van 14.4.1967, blz. 1303).
3 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
3 Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Daarnaast heeft de Commissie, daarin gesteund door het Europees Parlement, tot nu toe altijd aangegeven dat een btw-stelsel met belastingheffing op de plaats van oorsprong dé manier is om het btw-stelsel van de EU meer fraudebestendig te maken, én bijdraagt aan de goede werking van de eengemaakte markt. Het onderhavige initiatief stoelt echter op de voorkeur van de lidstaten, d.w.z. belastingheffing in de lidstaat van bestemming, teneinde de lidstaten een bepaalde mate van flexibiliteit te bieden bij het vaststellen van de btw-tarieven.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  De Raad, daarin gesteund door het Europees Parlement1 en het Economisch en Sociaal Comité2, heeft bevestigd dat een op het oorsprongsbeginsel gebaseerd stelsel niet haalbaar was en heeft de Commissie verzocht van start te gaan met grondige technische werkzaamheden en een op brede basis gestoelde dialoog met de lidstaten om in detail de verschillende mogelijkheden tot invoering van het bestemmingsbeginsel te onderzoeken3.
(2)  De Raad, daarin gesteund door het Europees Parlement1 en het Economisch en Sociaal Comité2, heeft bevestigd dat een op het oorsprongsbeginsel gebaseerd stelsel niet haalbaar was en heeft de Commissie verzocht van start te gaan met grondige technische werkzaamheden en een op brede basis gestoelde dialoog met de lidstaten om in detail de verschillende mogelijkheden tot invoering van het bestemmingsbeginsel te onderzoeken3, teneinde te waarborgen dat de levering van goederen van de ene lidstaat naar de andere wordt belast alsof het een levering en een verwerving binnen één en dezelfde lidstaat betreft. De totstandbrenging van één btw-ruimte in de Unie is van cruciaal belang om de nalevingskosten voor bedrijven - en in het bijzonder grensoverschrijdend opererende kmo's - te verminderen, de risico's van grensoverschrijdende btw-fraude te verlagen en de btw-gerelateerde procedures te vereenvoudigen. Het definitieve btw-stelsel zal de eengemaakte markt versterken en betere voorwaarden scheppen voor grensoverschrijdende handel. Het moet rekening houden met de veranderingen die nodig zijn naar aanleiding van de technologische ontwikkelingen en de digitalisering. Deze richtlijn bevat de technische maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de zogenaamde 'hoekstenen' als bedoeld in het voorstel van de Commissie van 18 januari 20183 bis. De lidstaten moeten derhalve besluiten nemen over de hierboven bedoelde 'hoekstenen', met het oog op de snelle tenuitvoerlegging van deze richtlijn.
__________________
__________________
1 Resolutie van het Europees Parlement van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw (P7_TA(2011)0436) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=TA&language=NL&reference=P7-TA-2011-0436
1 Resolutie van het Europees Parlement van 13 oktober 2011 over de toekomst van de btw (P7_TA(2011)0436) http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?type=TA&language=NL&reference=P7-TA-2011-0436
2 Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2011 over "De toekomst van de btw - Naar een eenvoudiger, solider en efficiënter btw-stelsel (groenboek)" http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex:52011AE1168
2 Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 14 juli 2011 over "De toekomst van de btw - Naar een eenvoudiger, solider en efficiënter btw-stelsel (groenboek)" http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex:52011AE1168
3 Conclusies van de Raad over de toekomst van de btw - 3167e zitting van de Raad Economische en Financiële Zaken, Brussel, 15 mei 2012 (zie met name punt B 4) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ecofin/130257.pdf
3 Conclusies van de Raad over de toekomst van de btw - 3167e zitting van de Raad Economische en Financiële Zaken, Brussel, 15 mei 2012 (zie met name punt B 4) http://www.consilium.europa.eu/uedocs/cms_data/docs/pressdata/en/ecofin/130257.pdf
3 bis Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EEG wat de BTW-tarieven betreft, COM(2018)0020, 2018/0005(CNS).
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  In haar btw-actieplan1 heeft de Commissie beschreven welke wijzigingen in het btw-stelsel moeten worden doorgevoerd om een dergelijk op bestemming gebaseerd stelsel voor het handelsverkeer binnen de Unie tot stand te brengen door middel van de belastingheffing van grensoverschrijdende prestaties. De Raad heeft daarop de conclusies van dat actieplan nogmaals bevestigd en onder andere zijn standpunt herhaald dat het beginsel van belastingheffing op de plaats van oorsprong, zoals dat was beoogd voor het definitieve btw-stelsel, moet worden vervangen door het beginsel van belastingheffing in de lidstaat van bestemming2.
(3)  In haar btw-actieplan1 heeft de Commissie beschreven welke wijzigingen in het btw-stelsel moeten worden doorgevoerd om een dergelijk op bestemming gebaseerd stelsel voor het handelsverkeer binnen de Unie tot stand te brengen door middel van de belastingheffing van grensoverschrijdende prestaties. De Raad heeft daarop de conclusies van dat actieplan nogmaals bevestigd en onder andere zijn standpunt herhaald dat het beginsel van belastingheffing op de plaats van oorsprong, zoals dat was beoogd voor het definitieve btw-stelsel, moet worden vervangen door het beginsel van belastingheffing in de lidstaat van bestemming2. Deze wijziging moet bijdragen aan een verlaging van de grensoverschrijdende btw-fraude met naar schatting 50 miljard EUR per jaar.
__________________
__________________
1 Actieplan betreffende de btw: naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU – tijd om knopen door te hakken (COM(2016)148 final van 7.4.2016).
1 Actieplan betreffende de btw: naar een gemeenschappelijke btw-ruimte in de EU – tijd om knopen door te hakken (COM(2016)148 final van 7.4.2016).
2 Zie: http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/05/25-conclusions-vat-action-plan/
2 Zie: http://www.consilium.europa.eu/nl/press/press-releases/2016/05/25-conclusions-vat-action-plan/
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Om een efficiënte samenwerking tussen de lidstaten te waarborgen, moet de Commissie voor de transparantie van het systeem zorgen, met name via de jaarlijkse verplichte bekendmaking van de fraude die in elke lidstaat is gepleegd. Transparantie is immers belangrijk om inzicht te krijgen in de omvang van de fraude, het bewustzijn bij het grote publiek te vergroten en druk uit te oefenen op de lidstaten.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Er moet in het bijzonder rekening worden gehouden met de standpunten van het Europees Parlement zoals tot uitdrukking gebracht in zijn wetgevingsresoluties van 3 oktober 2018 over het voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft harmonisering en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel en tot invoering van het definitieve stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten (COM(2017)0569 – C8-0363/2017 – 2017/0251(CNS)) en over het voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat de btw-tarieven betreft (COM(2018)0020 – C8-0023/2018 – 2018/0005(CNS)), en in zijn wetgevingsresolutie van 3 juli 2018 over het gewijzigde voorstel voor een Verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (COM(2017)0706 – C8-0441/2017 – 2017/0248(CNS)).
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  De algemene regel voor leveringen van goederen, met inbegrip van intra-Unieleveringen, en diensten moet erin bestaan dat de leverancier of dienstverrichter de btw moet voldoen.
(13)  De algemene regel voor leveringen van goederen, met inbegrip van intra-Unieleveringen, en diensten moet erin bestaan dat de leverancier of dienstverrichter de btw moet voldoen. Deze nieuwe beginselen zullen de lidstaten in staat stellen btw-fraude beter te bestrijden, met name intracommunautaire carousselfraude (Missing Trader Intra-Community - MTIC), die op ten minste 50 miljard EUR per jaar wordt geraamd.
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)   Er moeten strikte criteria worden ingevoerd, die door alle lidstaten op geharmoniseerde wijze worden toegepast, om te bepalen welke ondernemingen in aanmerking komen voor de status van gecertificeerd belastingplichtige, en er moeten gemeenschappelijke regels en bepalingen worden vastgesteld die leiden tot boetes en sancties voor wie ze niet naleeft.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)   De Commissie moet worden belast met de presentatie van verdere richtsnoeren en met het toezicht op de correcte toepassing van dergelijke geharmoniseerde criteria door de lidstaten in de hele Unie.
Amendement 10
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  De regels inzake de tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor roerende goederen moeten worden herzien om de samenhang ervan te waarborgen met de nieuwe regels betreffende de persoon die de btw op intra-Unieleveringen van goederen moet voldoen.
(15)  De regels inzake de tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor roerende goederen moeten worden herzien om de samenhang ervan te waarborgen met de nieuwe regels betreffende de persoon die de btw op intra-Unieleveringen van goederen moet voldoen. Met de tenuitvoerlegging van deze richtlijn is de tijdelijke toepassing van het verleggingsmechanisme mogelijkerwijs niet langer noodzakelijk. De Commissie moet derhalve t.z.t. nadenken over de noodzaak van intrekking van het voorstel voor een tijdelijke toepassing van het verleggingsmechanisme.
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 23
(23)  Om de samenhang van de btw-rapportageverplichtingen voor grote ondernemingen te waarborgen, moet de frequentie waarmee btw-aangiften in het kader van deze bijzondere regeling moeten worden ingediend, worden herzien en de verplichting worden toegevoegd dat belastingplichtigen die van de bijzondere regeling gebruikmaken, maandelijks een btw-aangifte in het kader van de regeling moeten indienen wanneer hun jaaromzet in de Unie hoger is dan 2 500 000 EUR.
(23)  Om de samenhang van de btw-rapportageverplichtingen voor grote ondernemingen te waarborgen, moet de frequentie waarmee btw-aangiften in het kader van deze bijzondere regeling moeten worden ingediend, worden herzien en de verplichting worden toegevoegd dat belastingplichtigen die van de bijzondere regeling gebruikmaken, maandelijks een btw-aangifte in het kader van de regeling moeten indienen wanneer hun btw-jaaromzet in de Unie hoger is dan 2 500 000 EUR.
Amendement 12
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)   Een hoog niveau van niet-naleving leidt niet alleen tot economische verliezen voor belastingplichtigen die zich aan de regels houden, maar vormt ook een bedreiging voor de samenhang en de coherentie van de begroting en creëert een algemeen gevoel van oneerlijkheid door concurrentievervalsing. Een efficiënt en begrijpelijk systeem is van essentieel belang voor het genereren van overheidsinkomsten en voor het verantwoordelijkheidsgevoel van zowel burgers als bedrijven.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)   Statistieken tonen aan dat fraudeurs de zwakte van het systeem benutten en de ontwikkeling van de economie en de dynamische groei van de vraag naar bepaalde goederen volgen. Daarom moet een systeem worden opgezet dat voldoende dynamisch is om het hoofd te bieden aan schadelijke praktijken en om het niveau van zowel opzettelijke niet-naleving (fraude), als onopzettelijke niet-naleving te beperken.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 26 ter (nieuw)
(26 ter)   De Commissie moet, in het bijzonder rekening houdend met de behoeften van kmo's die intracommunautair grensoverschrijdend actief zijn en om de handel in de interne markt te stimuleren en de rechtszekerheid te vergroten, samen met de lidstaten op het niveau van de Unie een alomvattend informatieportaal over btw opzetten voor het bedrijfsleven. Op dat meertalige portaal moet snel actuele en nauwkeurige informatie kunnen worden verkregen over de toepassing van het btw-stelsel in de verschillende lidstaten en met name over de juiste btw-tarieven voor verschillende goederen en diensten in de verschillende lidstaten, alsook over de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief. Een dergelijk portaal kan ook bijdragen tot het aanpakken van de huidige btw-kloof.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 26 quater (nieuw)
(26 quater)   Het éénloketsysteem vormt de kern van het nieuwe op bestemming gebaseerde systeem, dat nodig is om een aanzienlijke toename van de complexiteit van het btw-stelsel en de administratieve last te voorkomen. Om interoperabiliteit, gebruiksgemak en toekomstige fraudebestendigheid te garanderen, moet het éénloketsysteem voor bedrijven werken met een geharmoniseerd grensoverschrijdend IT-systeem dat op gemeenschappelijke normen gebaseerd is en automatische opvraging en invoer van gegevens mogelijk maakt, bijvoorbeeld door het gebruik van uniforme standaardformulieren.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Naar aanleiding van de invoering van het nieuwe concept van intra-Unielevering van goederen is het dienstig de term "Gemeenschap" te vervangen door "Unie" om een aangepast en coherent gebruik van de term te garanderen.
(28)  Naar aanleiding van de invoering van het nieuwe concept van intra-Unielevering van goederen is het dienstig de term "Gemeenschap" overal in de richtlijn te vervangen door "Unie" om een aangepast en coherent gebruik van de term te garanderen.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 30 bis (nieuw)
(30 bis)  Wetgevingsmaatregelen voor het hervormen van het btw-stelsel, het bestrijden van btw-fraude en het verkleinen van de btw-kloof kunnen alleen succes hebben indien de belastingdiensten van de lidstaten nauwer samenwerken in een geest van wederzijds vertrouwen, en ter zaken doende informatie uitwisselen, met het oog op het uitvoeren van hun taken.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 8
(4 bis)  Artikel 8 wordt vervangen door:
"Artikel 8
"Artikel 8
Indien de Commissie van mening is dat het bepaalde in de artikelen 6 en 7 niet meer gerechtvaardigd is, met name uit het oogpunt van de neutraliteit ten aanzien van de mededinging of van de eigen middelen, legt zij passende voorstellen aan de Raad voor."
Indien de Commissie van mening is dat het bepaalde in de artikelen 6 en 7 niet meer gerechtvaardigd is, met name uit het oogpunt van de neutraliteit ten aanzien van de mededinging of van de eigen middelen, legt zij passende voorstellen aan het Europees Parlement en de Raad voor."
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 1 – alinea 3
Indien de aanvrager een belastingplichtige is aan wie voor douanedoeleinden de status van geautoriseerd marktdeelnemer is toegekend, wordt geacht aan de criteria van lid 2 te zijn voldaan.
Indien de aanvrager een belastingplichtige is aan wie voor douanedoeleinden de status van geautoriseerd marktdeelnemer is toegekend, wordt voor de toepassing van deze richtlijn geacht aan de criteria van lid 2 te zijn voldaan.
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)   de aanvrager heeft geen strafblad met zware misdrijven in verband met zijn economische activiteit, zoals, maar niet beperkt tot:
i)  witwassen van geld;
ii)  belastingontduiking en belastingfraude;
iii)  misbruik van middelen en programma's van de Unie;
iv)  frauduleus bankroet of frauduleuze insolventie;
v)  verzekeringsfraude of andere financiële fraude;
vi)  omkoping en/of corruptie;
vii)  cybercriminaliteit;
viii)  deelneming aan een criminele organisatie;
ix)  misdrijven op het gebied van het mededingingsrecht;
x)  directe of indirecte betrokkenheid bij terroristische activiteiten;
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis - lid 2 - letter c
c)  de aanvrager kan zijn financiële solvabiliteit bewijzen; dit bewijs wordt geacht te zijn geleverd wanneer de aanvrager een goede financiële positie heeft die hem in staat stelt om aan zijn verplichtingen te voldoen, waarbij naar behoren wordt gelet op de kenmerken van het type zakelijke activiteiten in kwestie, of wanneer hij zekerheden voorlegt die door verzekerings- of andere financiële instellingen of door andere economisch betrouwbare derden zijn gesteld.
c)  de aanvrager kan zijn financiële solvabiliteit gedurende de afgelopen drie jaar bewijzen; dit bewijs wordt geacht te zijn geleverd wanneer de aanvrager een goede financiële positie heeft die hem in staat stelt om aan zijn verplichtingen te voldoen, waarbij naar behoren wordt gelet op de kenmerken van het type zakelijke activiteiten in kwestie, of wanneer hij zekerheden voorlegt die door verzekerings- of andere financiële instellingen of door andere economisch betrouwbare derden zijn gesteld. De aanvrager moet een bankrekening hebben bij een in de Unie gevestigde financiële instelling.
Amendement 22
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Met het oog op een geharmoniseerde interpretatie bij de toekenning van de status van gecertificeerd belastingplichtige stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling nadere richtsnoeren voor de lidstaten vast met betrekking tot de evaluatie van deze criteria, die in de gehele Unie geldig zijn. De eerste uitvoeringshandeling wordt uiterlijk één maand na de inwerkingtreding van deze richtlijn vastgesteld.
Amendement 23
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Om aanvragen voor de status van gecertificeerd belastingplichtige aan te moedigen, voert de Commissie een op maat gesneden procedure in voor kleine en middelgrote ondernemingen.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 4 – alinea 1
Een belastingplichtige die de status van gecertificeerd belastingplichtige aanvraagt, verstrekt alle gegevens die de belastingautoriteiten verlangen om een besluit te kunnen nemen.
Een belastingplichtige die de status van gecertificeerd belastingplichtige aanvraagt, verstrekt alle relevante gegevens die de belastingautoriteiten verlangen om een besluit te kunnen nemen. De belastingautoriteiten behandelen de aanvraag onverwijld en moeten zich met betrekking tot het verstrekken van informatie in alle lidstaten houden aan geharmoniseerde criteria.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Wanneer de status van gecertificeerd belastingplichtige wordt toegekend, wordt deze informatie via het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie beschikbaar gesteld. Wijzigingen in die status worden onmiddellijk in het systeem bijgewerkt.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 5
5.  Wanneer de aanvraag wordt afgewezen, delen de belastingautoriteiten de aanvrager de redenen van de afwijzing samen met het besluit zelf mee. De lidstaten zorgen ervoor dat de aanvrager in beroep kan gaan tegen een afwijzingsbesluit.
5.  Wanneer de aanvraag wordt afgewezen, delen de belastingautoriteiten de aanvrager onmiddellijk de redenen van de afwijzing mee, samen met het besluit zelf waarin de redenen van de afwijzing duidelijk zijn vermeld. De lidstaten zorgen ervoor dat de aanvrager binnen een redelijke termijn in beroep kan gaan tegen een afwijzingsbesluit.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   Wanneer de aanvraag wordt afgewezen, worden de belastingautoriteiten van de andere lidstaten in kennis gesteld van het besluit en van de redenen voor de afwijzing.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 6
6.  De belastingplichtige aan wie de status van gecertificeerd belastingplichtige is verleend, informeert de belastingautoriteiten onverwijld over alle voorvallen die zich na het besluit voordoen en die nadelige gevolgen kunnen hebben voor of van invloed kunnen zijn op de continuering van deze status. De belastingautoriteiten trekken de fiscale status in wanneer niet langer aan de criteria van lid 2 wordt voldaan.
6.  De belastingplichtige aan wie de status van gecertificeerd belastingplichtige is verleend, informeert de belastingautoriteiten binnen een maand over alle voorvallen die zich na het besluit voordoen en die nadelige gevolgen kunnen hebben voor of van invloed kunnen zijn op de continuering van deze status. De belastingautoriteiten trekken de fiscale status in wanneer niet langer aan de criteria van lid 2 wordt voldaan. De belastingautoriteiten van de lidstaten die de status van gecertificeerd belastingplichtige hebben toegekend evalueren dat besluit minstens om de twee jaar, om er zeker van te zijn dat nog altijd aan de voorwaarden wordt voldaan. Indien de belastingplichtige niet bij de belastingautoriteiten melding heeft gedaan van enige omstandigheid die van invloed zou kunnen zijn op de status van gecertificeerd belastingplichtige, wordt deze onderworpen aan evenredige, doeltreffende en afschrikkende sancties, waaronder het verlies van de status van gecertificeerd belastingplichtige.
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   Een belastingplichtige aan wie de status van gecertificeerd belastingplichtige is geweigerd of die de belastingautoriteit op eigen initiatief heeft meegedeeld dat hij niet langer aan de criteria van lid 2 voldoet, mag niet eerder dan zes maanden na de datum van de weigering of intrekking van die status opnieuw om de status van gecertificeerd belastingplichtige verzoeken, op voorwaarde dat aan alle relevante criteria is voldaan.
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 6 ter (nieuw)
6 ter.   Om te zorgen voor uniforme normen voor het toezicht op het verder in aanmerking komen voor de status van gecertificeerd belastingplichtige en de intrekking van de belastingstatus in en tussen de lidstaten, stelt de Commissie relevante richtsnoeren vast.
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 6 quater (nieuw)
6 quater.   Indien de aanvrager tijdens de afgelopen drie jaar de status van geautoriseerde marktdeelnemer overeenkomstig het douanewetboek van de Unie is geweigerd, wordt de status van gecertificeerd belastingplichtige hem niet toegekend.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 13 bis – lid 7
7.  De status van gecertificeerd belastingplichtige in één lidstaat wordt erkend door de belastingautoriteiten van alle lidstaten.
7.  De status van gecertificeerd belastingplichtige in één lidstaat wordt erkend door de belastingautoriteiten van alle lidstaten. De nationale mechanismen blijven van toepassing op binnenlandse btw-geschillen tussen de betrokken belastingplichtige en de nationale belastingautoriteit.
Amendement 33
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 56 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 145 – lid 1
(56 bis)  In artikel 145 wordt lid 1 vervangen door:
"1. De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk voorstellen in bij de Raad om de werkingssfeer en de uitvoering van de in de artikelen 143 en 144 geregelde vrijstellingen nader te bepalen."
"1. De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk voorstellen in bij het Europees Parlement en de Raad om de werkingssfeer en de uitvoering van de in de artikelen 143 en 144 geregelde vrijstellingen nader te bepalen."
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 59 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 150 – lid 1
(59 bis)  In artikel 150 wordt lid 1 vervangen door:
"1. De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk voorstellen in bij de Raad om de werkingssfeer en de uitvoering van de in artikel 148 geregelde vrijstellingen nader te bepalen."
"1. De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk voorstellen in bij het Europees Parlement en de Raad om de werkingssfeer en de uitvoering van de in de artikelen 148 en 144 geregelde vrijstellingen nader te bepalen."
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 68 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 166
(68 bis)  Artikel 166 wordt vervangen door:
Artikel 166
Artikel 166
"De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk bij de Raad voorstellen in betreffende de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van de BTW op de in de afdelingen 1 en 2 bedoelde handelingen."
"De Commissie dient, indien nodig, zo spoedig mogelijk bij het Europees Parlement en de Raad voorstellen in betreffende de gemeenschappelijke bepalingen voor de toepassing van de BTW op de in de afdelingen 1 en 2 bedoelde handelingen."
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 123 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 293 – lid 1 – inleidende formule
(123 bis)  In artikel 293, eerste alinea, wordt de inleidende formule vervangen door:
"De Commissie brengt aan de Raad, op grond van de van de lidstaten verkregen gegevens, vanaf de aanneming van deze richtlijn om de vier jaar verslag uit over de toepassing van dit hoofdstuk, indien nodig en rekening houdend met de noodzaak van uiteindelijke convergentie van de nationale regelingen, vergezeld van voorstellen betreffende de volgende punten:"
"De Commissie brengt aan het Europees Parlement en aan de Raad, op grond van de van de lidstaten verkregen gegevens, vanaf de aanneming van deze richtlijn om de vier jaar verslag uit over de toepassing van dit hoofdstuk, indien nodig en rekening houdend met de noodzaak van uiteindelijke convergentie van de nationale regelingen, vergezeld van voorstellen betreffende de volgende punten:"
Amendement 37
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 166 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 395 – lid 3
(166 bis)  In artikel 395 wordt lid 3 vervangen door:
"3. Binnen drie maanden na toezending van de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gegevens legt de Commissie de Raad hetzij een passend voorstel voor, hetzij, wanneer zij bezwaren heeft tegen het verzoek om een afwijking, een mededeling waarin zij deze bezwaren toelicht."
"3. Binnen drie maanden na toezending van de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gegevens legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad hetzij een passend voorstel voor, hetzij, wanneer zij bezwaren heeft tegen het verzoek om een afwijking, een mededeling waarin zij deze bezwaren toelicht."
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 166 ter (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 396 – lid 3
(166 ter)  In artikel 396 wordt lid 3 vervangen door:
"3. Binnen drie maanden na toezending van de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gegevens legt de Commissie de Raad hetzij een passend voorstel voor, hetzij, wanneer zij bezwaren heeft tegen het verzoek om een afwijking, een mededeling waarin zij deze bezwaren toelicht."
"3. Binnen drie maanden na toezending van de in lid 2, tweede alinea, bedoelde gegevens legt de Commissie het Europees Parlement en de Raad hetzij een passend voorstel voor, hetzij, wanneer zij bezwaren heeft tegen het verzoek om een afwijking, een mededeling waarin zij deze bezwaren toelicht."
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 169 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 404 bis (nieuw)
(169 bis)  Na artikel 404 wordt het volgende nieuwe artikel 404 bis ingevoegd:
"Artikel 404 bis
Uiterlijk vier jaar na de vaststelling van Richtlijn (EU) .../... van de Raad* + legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, op grond van gegevens die zij van de lidstaten heeft verkregen, een verslag voor over de tenuitvoerlegging en toepassing van de nieuwe bepalingen van deze richtlijn, indien nodig [en rekening houdend met de noodzaak van uiteindelijke convergentie van de nationale regelingen] vergezeld van voorstellen."
_______________
* Richtlijn (EU) .../... van de Raad van ... tot wijziging van ... (PB ...).
+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de richtlijn zoals vermeld in document PE-CONS ... (2018/0164(CNS)) in te voegen, alsook het nummer, de datum, de titel en de PB-referentie van die richtlijn in de voetnoot.
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 169 ter (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 404 ter (nieuw)
(169 ter)  Na artikel 404 bis wordt het volgende nieuwe artikel 404 ter ingevoegd:
"Artikel 404 ter
Uiterlijk twee jaar na de vaststelling van Richtlijn (EU) .../... van de Raad*+ legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de doeltreffendheid van de uitwisseling van de relevante informatie tussen de belastingdiensten van de lidstaten, gezien het belang van het wederzijds vertrouwen voor het succes van het definitieve btw-stelsel."
________________
* Richtlijn (EU) .../... van de Raad van ... tot wijziging van ... (PB ...).
+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de richtlijn zoals vermeld in document PE-CONS ... (2018/0164(CNS)) in te voegen, alsook het nummer, de datum, de titel en de PB-referentie van die richtlijn in de voetnoot.
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 173 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/112/EG
Artikel 411 bis
(173 bis)   Het volgende nieuwe artikel 411 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 411 bis
Uiterlijk 1 juni 2020 zet de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een uitgebreid, meertalig en openbaar toegankelijke EU-portaalsite over btw op waarop ondernemingen en consumenten snel en doeltreffend nauwkeurige informatie kunnen vinden over de btw-tarieven - waaronder de goederen of diensten die voor verlaagde tarieven of vrijstellingen in aanmerking komen - evenals alle relevante gegevens over de tenuitvoerlegging van het definitieve btw-stelsel in de verschillende lidstaten.
Als aanvulling op het portaal wordt een geautomatiseerd kennisgevingsmechanisme opgezet. Dit mechanisme zorgt ervoor dat belastingplichtigen automatisch in kennis worden gesteld van wijzigingen en updates van de btw-tarieven van de lidstaten. Deze automatische kennisgevingen worden in werking gesteld voordat de wijziging van toepassing wordt en uiterlijk vijf dagen nadat het besluit is genomen."
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 904/2010
Artikel 34 en artikel 49 bis (nieuw)
Artikel 1 bis
Verordening (EU) nr. 904/2010 wordt als volgt gewijzigd:
(1)  Artikel 34 wordt vervangen door:
Artikel 34
Artikel 34
1.  De lidstaten nemen deel aan de Eurofisc-werkterreinen van hun keuze en kunnen ook besluiten hun deelname daarin te beëindigen.
1.  De Commissie geeft Eurofisc de noodzakelijke technische en logistieke ondersteuning. De Commissie heeft toegang tot de in artikel 1 bedoelde inlichtingen, die via Eurofisc kunnen worden uitgewisseld, in de in artikel 55, lid 2, vastgestelde omstandigheden.
2.  Lidstaten die gekozen hebben om deel te nemen aan een Eurofisc-werkterrein, nemen actief deel aan de multilaterale uitwisseling van doelgerichte inlichtingen tussen alle deelnemende lidstaten.
2.  De lidstaten nemen deel aan de Eurofisc-werkterreinen en nemen actief deel aan de multilaterale uitwisseling van inlichtingen.
3.  De uitgewisselde inlichtingen vallen onder de geheimhoudingsbepalingen van artikel 55.
3.   De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen op eigen initiatief of op verzoek relevante inlichtingen over de ernstigste grensoverschrijdende btw-inbreuken doorgeven aan Europol en aan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).
3 bis.  De Eurofisc-werkterreincoördinatoren kunnen Europol en OLAF om relevante inlichtingen verzoeken. De Eurofisc-werkterreincoördinatoren stellen de van Europol en OLAF ontvangen inlichtingen beschikbaar aan de andere deelnemende Eurofisc-verbindingsambtenaren; deze inlichtingen worden langs elektronische weg uitgewisseld."
(2)  Het volgende nieuwe artikel 49 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 49 bis
De lidstaten en de Commissie zetten een gemeenschappelijk systeem op voor het verzamelen van statistieken over intracommunautaire btw-fraude en onopzettelijke niet-naleving en publiceren jaarlijks nationale ramingen van btw-verliezen als gevolg van die fraude, alsook ramingen voor de Unie als geheel. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de praktische regelingen met betrekking tot een dergelijk statistisch systeem vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 58, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld."
(https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX:32010R0904)

Strategieën voor de integratie van de Roma
PDF 140kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de behoefte aan een versterkt strategisch EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020 en intensivering van de bestrijding van zigeunerhaat (2019/2509(RSP))
P8_TA-PROV(2019)0075B8-0098/2019

Het Europees Parlement,

–  gelet op het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 5 april 2011 getiteld "Een EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020" (COM(2011)0173) en de daaropvolgende uitvoerings- en evaluatieverslagen,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende de erkenning van de Roma als een groep die behoefte heeft aan speciale bescherming tegen discriminatie,

–  gezien Resolutie 2153 (2017) van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de bevordering van de inclusie van Roma en Travellers,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten(2), en de conclusies van de Raad van 8 december 2016 over de versnelling van het proces van de integratie van de Roma en van 13 oktober 2016 over speciaal verslag nr. 14/2016 van de Europese Rekenkamer,

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(3),

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat(4),

–  gezien zijn resolutie van 15 april 2015 over de Internationale Dag van de Roma – zigeunerhaat en de erkenning door de EU van de herdenkingsdag van de genocide op Roma tijdens WO II(5),

–  gezien het verslag over de grondrechten 2016 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en de EU-MIDIS-enquêtes I en II van het FRA en diverse andere enquêtes en verslagen over de Roma,

–  gezien het Europees burgerinitiatief "Minority SafePack", dat werd geregistreerd op 3 april 2017,

–  gezien de relevante verslagen en aanbevelingen over maatschappelijke Roma-organisaties, ngo's en onderzoeksinstellingen;

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat zigeunerhaat(6) een specifieke vorm van racisme is, een ideologie die stoelt op rassuperioriteit, een vorm van ontmenselijking en op historische discriminatie gebaseerd institutioneel racisme, die onder meer tot uiting komt in geweld, haatpropaganda, uitbuiting, stigmatisering en schaamteloze discriminatie(7);

B.  overwegende dat de Roma(8) in Europa nog steeds hun fundamentele mensenrechten worden ontzegd;

C.  overwegende dat in de conclusies van het verslag van de Commissie over de evaluatie van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma tot 2020 (COM(2018)0785) wordt onderstreept dat "het kader cruciaal is geweest voor de ontwikkeling van Europese en nationale instrumenten en structuren ter bevordering van inclusie van de Roma. De ambitie om "een eind [te] maken aan de uitsluiting van de Roma" is echter niet verwezenlijkt";

D.  overwegende dat uit de door de Commissie uitgevoerde beoordeling blijkt dat bij integratiestrategieën verschillende doelstellingen tegelijkertijd moeten worden nagestreefd, als onderdeel van een brede aanpak met een sterkere nadruk op de bestrijding van zigeunerhaat; overwegende dat een specifieke doelstelling betreffende de bestrijding van discriminatie moet worden toegevoegd aan de vier doelstellingen voor de integratie van de Roma (onderwijs, huisvesting, werkgelegenheid en gezondheid);

E.  overwegende dat de vooruitgang bij de integratie van de Roma over het algemeen beperkt is; overwegende dat vooruitgang is waargenomen op het gebied van voortijdig schoolverlaten en onderwijs voor jonge kinderen, maar dat een verslechtering is opgetreden wat betreft segregatie in het onderwijs; overwegende dat sprake is van verbetering van de eigen perceptie van de gezondheidsstatus van Roma, maar dat Roma nog altijd beperkt medisch gedekt zijn; overwegende dat in de meeste lidstaten geen verbetering is waargenomen op het gebied van de toegang tot werkgelegenheid, en het aandeel Roma-jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen zelfs is toegenomen; overwegende dat er ernstige bezorgdheid bestaat met betrekking tot huisvesting en er maar weinig voortuitgang is geboekt betreffende armoede; overwegende dat zigeunerhaat en de uitingen ervan, zoals haatmisdrijven en haatpropaganda, online en offline, nog altijd aanleiding tot ernstige zorgen geven; overwegende dat EU-maatregelen beschouwd worden als maatregelen met een belangrijke toegevoegde voor nationale beleidsmaatregelen voor de Roma en de uitvoering ervan op politiek, financieel en bestuursgebied;

F.  overwegende dat uit de evaluatie de tekortkomingen in de aanvankelijke opzet van het kader blijken alsook de beperkte doeltreffendheid ervan in de uitvoeringsfase;

G.  overwegende dat uit de evaluatie naar voren komt dat ervoor moet worden gezorgd dat de positie van de Roma en hun deelname aan de samenleving worden versterkt door middel van gerichte maatregelen; overwegende dat de versterking van de positie en capaciteitsopbouw van de Roma en ngo's van wezenlijk belang zijn;

H.  overwegende dat uit de evaluatie blijkt dat in het EU-kader niet voldoende aandacht is geschonken aan specifieke groepen onder de Roma, dat meervoudige en intersectionele discriminatie moeten worden aangepakt en dat er behoefte is aan een sterk genderperspectief en een op kinderen gerichte aanpak in de strategieën;

I.  overwegende dat het in het huidige EU-kader aan duidelijke doelstellingen en meetbare streefdoelen ontbreekt; overwegende dat er onvoldoende kwalitatieve en kwantitatieve toezichtprocedures zijn en dat de landspecifieke aanbevelingen niet bindend zijn; overwegende dat er onvoldoende maatregelen zijn getroffen om de beperkte betrokkenheid van individuele Roma en Roma-gemeenschappen bij de opzet van het kader en de uitvoering en evaluatie van en het toezicht op maatregelen, programma's en projecten gericht op Roma, aan te pakken;

J.  overwegende dat de Roma geen deel uitmaken van de meeste algemene programma's, en dat gerichte, door de structuurfondsen gefinancierde acties niet tot positieve veranderingen op langere termijn van de levensomstandigheden van de meest kansarme Roma hebben geleid;

K.  overwegende dat de lidstaten een duidelijke verantwoordelijkheid hebben om corrigerende maatregelen te nemen tegen praktijken waarbij Roma worden gediscrimineerd;

L.  overwegende dat het opbouwen van vertrouwen tussen Roma en niet-Roma van wezenlijk belang is om de levensomstandigheden en -kansen van de Roma te kunnen verbeteren; overwegende dat vertrouwen essentieel is voor de samenleving in haar geheel;

1.  herhaalt zijn standpunt, oproepen een aanbevelingen zoals opgenomen en aangenomen in zijn resolutie van 25 oktober 2017 over de grondrechtelijke aspecten bij de integratie van Roma in de EU: bestrijding van zigeunerhaat; betreurt dat slechts beperkt vervolg is gegeven aan de in deze resolutie opgenomen aanbevelingen;

2.  verzoekt de Commissie:

   i. vervolg te geven aan de oproepen van het Parlement, de Raad en vele ngo's en deskundigen en een strategisch EU-kader voor te stellen betreffende de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020 met een bredere reeks prioritaire gebieden, duidelijke en bindende doelstellingen, termijnen en indicatoren voor het toezicht op en de aanpak van de specifieke uitdagingen, waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit van de Roma-gemeenschappen, en hieraan aanzienlijke financiële middelen toe te wijzen;
   ii. vertegenwoordigers van de Roma, ngo's en het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet) voldoende te betrekken bij de opzet van het strategische EU-kader, onder andere door middel van een zichtbare en toegankelijke raadplegingprocedure, en ervoor te zorgen dat zij op betekenisvolle wijze kunnen deelnemen aan de uitvoering en evaluatie ervan en het toezicht erop, waardoor hun controle erover toeneemt;
   iii. de bestrijding van zigeunerhaat in het centrum van het strategische EU-kader te plaatsen, onder meer door een specifieke doelstelling betreffende de bestrijding van discriminatie toe te voegen aan de andere doelstellingen, zoals de integratie van de Roma in een ecologisch duurzame, digitale samenleving en hun gelijke vertegenwoordiging op alle gebieden van het leven, en de lidstaten aan te moedigen gerichte strategieën en concrete acties op te zetten om zigeunerhaat te bestrijden, naast een van de uitingen ervan, namelijk maatschappelijke en economische uitsluiting;
   iv. ervoor te zorgen dat meervoudige en intersectionele discriminatie, gendermainstreaming en een aanpak waarbij met kinderen rekening wordt gehouden, naar behoren aan bod komen in het strategische EU-kader;
   v. ervoor te zorgen dat zij voldoende menselijke en financiële middelen toewijst om over de noodzakelijke capaciteiten te beschikken om toezicht te houden en ondersteuning en sturing te bieden betreffende de uitvoering van de nationale strategieën voor integratie van de Roma, met inbegrip van sturing aan de nationale contactpunten voor de Roma (NRCP's);
   vi. het Bureau voor de grondrechten (FRA) te versterken (mandaat, institutionele capaciteit, personeel en begroting) opdat het kan bijdragen aan de opzet, uitvoering en evaluatie van en het toezicht op de nationale strategieën voor integratie van de Roma;
   vii. een strategie inzake diversiteit en inclusie op de werkvloer vast te stellen met het oog op de vertegenwoordiging van de Roma in het personeelsbestand van de EU-instellingen;
   viii. in het strategische EU-kader aandacht te besteden aan specifieke groepen binnen de Roma-bevolking, zoals Roma uit de EU die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer, onderdanen van derde landen en Roma in toetredingslanden;
   ix. een proces voor waarheidsvinding, erkenning en verzoening in het strategische EU-kader op te nemen om vertrouwen op te bouwen, en concrete culturele en structurele maatregelen en initiatieven, die door EU-middelen worden ondersteund, te benadrukken;
   x. het inclusieve karakter van het algemene overheidsbeleid van de lidstaten in het kader van het Europees Semester binnen de Europa 2020-strategie, te blijven controleren, en een sterk verband te handhaven tussen inclusieve structurele hervormingen, de verwezenlijking van doelstellingen voor de integratie van de Roma en het gebruik van EU-middelen in de lidstaten;

3.  verzoekt de lidstaten:

   i. hun nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020 voor te bereiden met een brede reeks prioritaire gebieden, duidelijke en bindende doelstellingen, termijnen en indicatoren voor het toezicht op en de aanpak van de specifieke uitdagingen, waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit van hun Roma-gemeenschappen, en hieraan aanzienlijke publieke middelen toe te wijzen;
   ii. een bottom-upbenadering te volgen en Roma-vertegenwoordigers, -gemeenschappen, ngo's en organen voor de bevordering van gelijke behandeling te betrekken bij de opzet van hun nationale strategieën voor integratie van de Roma (strategieën), en ervoor te zorgen dat zij op betekenisvolle wijze aan de uitvoering en evaluatie van en het toezicht op deze strategieën kunnen deelnemen;
   iii. de bestrijding van zigeunerhaat in het centrum van hun strategieën te plaatsen, naast een van de uitingen van zigeunerhaat, namelijk maatschappelijke en economische uitsluiting; gerichte strategieën en concrete acties op te zetten om zigeunerhaat te bestrijden, zoals onderzoeken naar racistische aanvallen tegen Roma in het heden en het verleden; en gelijke vertegenwoordiging van Roma op alle gebieden van het leven aan te moedigen, waaronder in de media, overheidsinstellingen en politieke organen;
   iv. ervoor te zorgen dat meervoudige en intersectionele discriminatie, gendermainstreaming en een aanpak waarbij met kinderen rekening wordt gehouden, naar behoren aan bod komen in hun strategieën;
   v. kinderen expliciet als prioriteit te beschouwen bij het programmeren en uitvoeren van hun nationale strategieën voor de integratie van de Roma; wijst andermaal op het belang van de bescherming en bevordering van gelijke toegang tot alle rechten voor Romakinderen;
   vi. De NRCP's te versterken (mandaat, institutionele capaciteit, personeel en begroting) en ervoor te zorgen dat deze contactpunten een gepaste plaats krijgen binnen de structuur van hun overheden om deze in staat te stellen hun werk te doen door middel van doeltreffende sectoroverschrijdende coördinatie;
   vii. in hun strategieën aandacht te besteden aan specifieke groepen binnen de Roma-bevolking, zoals Roma uit de EU die gebruik maken van hun recht op vrij verkeer, en onderdanen van derde landen, met inbegrip van Roma uit toetredingslanden;
   viii. een proces voor waarheidsvinding, erkenning en verzoening in hun strategieën op te nemen om vertrouwen op te bouwen, en concrete culturele en structurele maatregelen en initiatieven die door overheidsmiddelen worden ondersteund te benadrukken;
   ix. te zorgen voor en toe te zien op het daadwerkelijk inclusieve karakter van hun algemene overheidsbeleid, en de beschikbare EU-structuurfondsen te gebruiken om de levensomstandigheden en -kansen van de Roma te verbeteren en dit op transparante wijze en onder aflegging van verantwoording te doen; onderzoeken in te stellen naar misbruik in het heden en het verleden van betrokken middelen en juridische stappen te ondernemen tegen de daders ervan; de noodzakelijke maatregelen te nemen om te zorgen voor de absorptie van alle voor Roma-gemeenschappen bestemde middelen, ook vóór de afloop van het huidige MFK;

4.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Commissie, de Raad, de regeringen en de parlementen van de lidstaten en de kandidaat-lidstaten, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, het Comité van de Regio's, voor verspreiding naar subnationale parlementen en raden, de Raad van Europa, en de Verenigde Naties.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1.
(3) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(4) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 171.
(5) PB C 328 van 6.9.2016, blz. 4.
(6) Voor het woord "zigeunerhaat" worden in de verschillende lidstaten soms enigszins verschillende termen gebruikt, zoals Antiziganismus.
(7) Algemene beleidsaanbeveling nr. 13 van de ECRI over de bestrijding van zigeunerhaat en discriminatie van Roma.
(8) Het woord "Roma" wordt gebruikt als een overkoepelende term die betrekking heeft op verscheidene verwante, al dan niet sedentaire bevolkingsgroepen in heel Europa, zoals de Roma, Travellers, Sinti, Manoesjen, Kalé, Romanichels, Boyash, Ashkali, Egyptians, Yenish, Dom en Lom, die niet noodzakelijk dezelfde cultuur en levensstijl hebben.


Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake EU-burgerschap
PDF 186kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake EU-burgerschap (2018/2111(INI))
P8_TA-PROV(2019)0076A8-0041/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 9, 10, 11, 12, 21 en 23 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 9, 10, 15, 18, 20, 21, 22, 23, 24, 26, 45, 46, 47, 48, 153 en 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de artikelen 10 en 11 VEU en de bepaling in artikel 10, lid 3, dat "iedere burger [...] het recht [heeft] aan het democratisch bestel van de Unie deel te nemen",

–  gezien artikel 3, lid 2, VEU, waarin het recht op het vrije verkeer van personen is verankerd,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het meerjarig financieel kader voor de periode 2020-2027,

–   gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1),

–  gezien Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG(2),

–  gezien Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie(4),

–  gezien Verordening (EU) 2016/589 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2016 inzake een Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening (EURES), de toegang van werknemers tot mobiliteitsdiensten en de verdere integratie van de arbeidsmarkten en tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 492/2011 en (EU) nr. 1296/2013(5),

–  gezien Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(6),

–  gezien Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt(7),

–  gezien het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van een EU-noodreisdocument en tot intrekking van Besluit 96/409/GBVB (COM(2018)0358),

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad van 20 april 2015 betreffende de coördinatie- en samenwerkingsmaatregelen ter vergemakkelijking van de consulaire bescherming van niet-vertegenwoordigde burgers van de Unie in derde landen en tot intrekking van Besluit 95/553/EG(8),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Rechten en waarden (COM(2018)0383),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (COM(2009)0313),

–  gezien het verslag van de Commissie van 24 januari 2017, getiteld "Versterking van de rechten van de burgers in een Unie van democratische verandering – Verslag over het EU-burgerschap 2017" (COM(2017)0030),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 12 september 2018 betreffende electorale samenwerkingsnetwerken, onlinetransparantie, bescherming tegen cyberincidenten en bestrijding van desinformatiecampagnes in het kader van de verkiezingen voor het Europees Parlement (C(2018)5949),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(9),

–  gezien zijn resolutie van 28 oktober 2015 over het Europees burgerinitiatief(10) en het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees burgerinitiatief (COM(2017)0482),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2014 over het verslag over het te koop aanbieden van het EU-burgerschap(11),

–  gezien zijn resolutie van 12 april 2016 over leren over de EU op school(12),

–  gezien zijn resolutie van 2 maart 2017 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020(13),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2017 over belemmeringen van het vrije verkeer van EU-burgers en van hun vrijheid om in de interne markt te werken(14),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 31 januari 2013 over de bevordering van het kiesrecht van EU-burgers,

–  gezien de in 2016 door beleidsondersteunende afdeling C van het Parlement gepubliceerde studie getiteld "Belemmeringen voor het recht van vrij verkeer en verblijf voor EU-burgers en hun gezinnen",

–  gezien het verslag van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten van 2018 getiteld "Making EU citizens' rights a reality: national courts enforcing freedom of movement and related rights" (Verwezenlijking van de rechten van EU-burgers: handhaving van vrij verkeer en aanverwante rechten door nationale rechtbanken),

–  gezien de resultaten van Eurobarometer 89/2018,

–   gezien zijn resolutie van 7 februari 2018 over de samenstelling van het Europees Parlement(15),

–   gezien zijn standpunt van 4 juli 2018 over het ontwerp van besluit van de Raad tot wijziging van de Akte betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen, gehecht aan Besluit 76/787/EGKS, EEG, Euratom van de Raad van 20 september 1976 (de "Kieswet")(16),

–  gezien zijn besluit van 7 februari 2018 over de herziening van de kaderovereenkomst over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie(17),

–   gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen(18),

–  gezien zijn resolutie van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord(19),

–   gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Vrije en eerlijke Europese verkiezingen garanderen" (COM(2018)0637),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie verzoekschriften (A8-0041/2019),

A.  overwegende dat het EU-burgerschap en de daarmee verband houdende rechten aanvankelijk in 1992 door het Verdrag van Maastricht werden geïntroduceerd en verder werden versterkt door het Verdrag van Lissabon, dat in december 2009 in werking trad, maar dat zij slechts gedeeltelijk ten uitvoer zijn gelegd;

B.  overwegende dat de rechten, waarden en beginselen waarop de Unie is gebaseerd, als bepaald in de artikelen 2 en 6 van het VEU, de burger in het absolute middelpunt van het Europese project plaatsen; overwegende dat het debat omtrent de toekomst van Europa daarom ook impliceert dat wordt nagedacht over de kracht van onze gemeenschappelijke identiteit;

C.  overwegende dat de beginselen van transparantie, integriteit en verantwoordingsplicht van de EU-instellingen en van het besluitvormingsproces, zoals deze voortvloeien uit de artikelen 10 en 11 VEU en artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, inhoudelijke elementen zijn van het concept van burgerschap en essentieel zijn voor het opbouwen en versterken van de geloofwaardigheid van en het vertrouwen in de Unie als geheel; overwegende dat het gebruik van ad-hoc- en intergouvernementele regelingen en instrumenten op verschillende EU-beleidsgebieden, alsook van informele besluitvormingsinstanties, waarmee de gangbare wetgevingsprocedures worden omzeild en gede-institutionaliseerd, dergelijke beginselen ernstig dreigt te ondermijnen;

D.  overwegende dat de EU moeilijkheden heeft ondervonden bij de aanpak van diverse crises met belangrijke sociaal-economische gevolgen, die geleid hebben tot de opkomst van populistische en nationalistische ideologieën op basis van exclusieve identiteiten en chauvinistische criteria die in strijd zijn met de Europese waarden;

E.  overwegende dat het onbevredigende beheer van de verschillende crises de teleurstelling van de burgers over een aantal resultaten van het integratieproject van de EU, groter heeft gemaakt; overwegende dat het van cruciaal belang is ervoor te zorgen dat het EU-burgerschap wordt beschouwd als een gekoesterd voorrecht onder de burgers, onder meer door het vertrouwen in het EU-project te herstellen, door voorrang te geven aan de bevordering van alle burgerrechten, waaronder burgerrechten, politieke en sociale rechten, door ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de democratie binnen de Unie verbetert, de fundamentele rechten en vrijheden in de praktijk worden uitgeoefend en elke burger de kans heeft om deel te nemen aan het democratische leven van de Unie, en tegelijkertijd maatschappelijke organisaties meer te betrekken bij de besluitvormings- en uitvoeringsprocessen;

F.  overwegende dat de huidige herziening van het EBI erop is gericht het burgerinitiatief doeltreffender te maken en de participatieve democratie en actief burgerschap te bevorderen;

G.  overwegende dat toegang tot EU-burgerschap wordt verkregen middels het bezit van de nationaliteit van een lidstaat, hetgeen geregeld is door nationale wetgeving; overwegende tegelijkertijd dat de uit het EU-burgerschap voortvloeiende rechten en plichten in het EU-recht zijn verankerd en niet afhankelijk zijn van lidstaten, en derhalve niet op ongerechtvaardigde wijze door hen kunnen worden beperkt;

H.  overwegende dat de lidstaten in verband met de toegang tot nationaal burgerschap onderworpen moeten zijn aan de beginselen van het EU-recht, zoals evenredigheid, de rechtsstaat en non-discriminatie, die grondig zijn uitgewerkt in de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

I.  overwegende dat het vooruitzicht van de brexit de nadruk heeft gelegd op het belang van de rechten van het EU-burgerschap, met name onder jonge Europeanen, alsook van de rol die deze rechten spelen in het leven van miljoenen EU-burgers, en dat het ook in de EU heeft gezorgd voor een toegenomen bewustzijn over het mogelijke verlies van deze rechten aan beide zijden;

J.  overwegende dat de gemiddelde deelname aan de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2014 42,6 % bedroeg; overwegende dat volgens de in mei 2018 gepubliceerde Eurobarometer slechts 19 % van de ondervraagde Europeanen de datum van de volgende Europese verkiezingen kende;

K.  overwegende dat de kantoren van Europe Direct nauwelijks bekend zijn bij EU-burgers, ook al is hun voornaamste taak informatie te verstrekken;

L.  overwegende dat er in de EU meer dan 400 Europe Direct-informatiecentra zijn die de Commissie bijstaan om te communiceren over het beleid van de Europese Unie dat rechtstreeks van belang is voor de burgers, met als doel de burgers op lokaal en regionaal niveau bij de zaak te betrekken;

M.  overwegende dat het begrip burgerschap de relatie van burgers met een politieke gemeenschap definieert, met inbegrip van hun rechten, plichten en verantwoordelijkheden; overwegende dat artikel 20 VWEU burgers van de Unie het actief en passief kiesrecht verleent voor de verkiezingen voor het Europees Parlement en voor gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijven, onder dezelfde voorwaarden als de burgers van dat land;

N.  overwegende dat de Europese burgers rechtstreeks vertegenwoordigd zijn in het Europees Parlement en dat alle burgers gelijke aandacht moeten krijgen van de instellingen van de Unie; overwegende dat het gendermainstreamingsbeginsel is neergelegd in artikel 8 VWEU, dat bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

O.  overwegende dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in een aantal zaken heeft geoordeeld dat de onderdanen van een lidstaat zich ook ten opzichte van die lidstaat kunnen beroepen op de uit het EU-burgerschap voortvloeiende rechten(20);

P.  overwegende dat diverse lidstaten zogeheten "gouden visa" en investeringsprogramma's aanbieden, door middel waarvan hun nationaliteit kan worden verkregen;

Q.  overwegende dat vrij verkeer de EU-burgers kansen geeft om te reizen, te studeren, te werken en te wonen in andere EU-landen; overwegende dat meer dan 16 miljoen Europeanen gebruikmaken van hun recht om in een ander EU-land te wonen;

R.  overwegende dat het recht op vrij verkeer centraal staat in het EU-burgerschap en een aanvulling vormt op de andere vrijheden van de interne markt van de EU; overwegende dat jonge Europeanen bijzonder gehecht zijn aan het recht op vrij verkeer, dat wordt beschouwd als de meest positieve prestatie van de EU na het waarborgen van vrede in Europa;

S.  overwegende dat bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG praktische problemen zijn ondervonden en dat het voor Europeanen nog steeds moeilijk kan zijn om naar een andere lidstaat te verhuizen of in een andere lidstaat te wonen vanwege discriminatie op grond van nationaliteit of inreis- en verblijfsvereisten; overwegende dat er een uitgebreide jurisprudentie van het Hof van Justitie bestaat die erop gericht is de belangrijkste concepten voor mobiele EU-burgers te verduidelijken;

T.  overwegende dat het recht op consulaire bescherming wordt gewaarborgd door de artikelen 20 en 23 VWEU en dat EU-burgers derhalve op het grondgebied van een derde land waar hun lidstaat van nationaliteit niet vertegenwoordigd is, recht hebben op bescherming door een andere lidstaat onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat; overwegende dat noodsituaties, natuurrampen of gebeurtenissen zoals terroristische aanslagen Europese burgers kunnen treffen die onderdaan zijn van een lidstaat die geen vertegenwoordiging heeft in het betrokken derde land;

U.  overwegende dat de Commissie in het verslag over het EU-burgerschap 2017 heeft toegezegd een EU-brede informatie- en bewustmakingscampagne omtrent het EU-burgerschap te organiseren om zo de burgers te helpen beter te begrijpen wat hun rechten inhouden; overwegende dat de lidstaten en de maatschappelijke organisaties ook moeten delen in deze verantwoordelijkheid om EU-burgers beter te informeren over hun rechten en plichten;

V.  overwegende dat uit het verslag over het EU-burgerschap 2017 van de Commissie blijkt dat sinds 2012 steeds meer mensen aangeven te maken te hebben gehad met enige vorm van discriminatie;

W.  overwegende dat de totstandbrenging van het Schengengebied en de integratie van het Schengenacquis in het EU-kader de bewegingsvrijheid binnen de EU sterk hebben vergroot en een van de grootste verworvenheden van het Europese integratieproces zijn;

X.  overwegende dat de invoering van het Europees burgerschap een verworvenheid van het Europese project is die nog niet ten volle wordt benut; overwegende dat het Europees burgerschap een uniek concept is, dat zijn gelijke in de wereld niet kent;

1.  is van mening dat niet alle bepalingen met betrekking tot EU-burgerschap naar volledig potentieel ten uitvoer zijn gelegd, ook al zou dit de basis kunnen vormen voor de versterking van een Europese identiteit; benadrukt dat het creëren van Unie-burgerschap bewezen heeft dat er een vorm van burgerschap kan bestaan die niet door nationaliteit wordt bepaald en dat dit burgerschap de basis vormt van een politieke ruimte waaruit rechten en plichten voortvloeien, die worden bepaald door de wet van de Europese Unie en niet de staat; verzoekt de instellingen van de Unie de noodzakelijke maatregelen te nemen om verbeteringen aan te brengen in de tenuitvoerlegging, het bereik en de effectiviteit van de Verdragsbepalingen betreffende het burgerschap, alsmede van de overeenkomstige bepalingen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie; wijst erop dat de burgers van de Unie onvoldoende bekend zijn met hun rechten uit hoofde van het burgerschap van de Unie;

2.  herinnert eraan dat het EU-burgerschap een aanvulling is op het burgerschap van een lidstaat; benadrukt dat het EU-burgerschap de complementariteit van meerdere identiteiten voor de burger mogelijk maakt en dat exclusief nationalisme en populistische ideologieën die capaciteit ondermijnen; is van mening dat actief burgerschap uitoefenen en burgerparticipatie aanmoedigen van essentieel belang zijn om de burgers het gevoel te geven dat zij deel uitmaken van een politiek project ter bevordering van een gedeeld gevoel van Europese identiteit, wederzijds begrip, interculturele dialoog en transnationale samenwerking en voor het vormen van open, inclusieve, samenhangende en veerkrachtige samenlevingen;

3.  is van mening dat de volledige tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie door de instellingen, organen en instanties van de EU en de actieve bevordering van de rechten en beginselen die daarin zijn verankerd essentieel zijn om de effectieve betrokkenheid van burgers bij het democratisch project van de EU te waarborgen, en om gestalte te geven aan de bepalingen van artikel 20 VWEU;

4.  benadrukt dat het geheel van rechten en verplichtingen dat voortvloeit uit het Unie-burgerschap niet op ongerechtvaardigde wijze kan worden beperkt; dringt er in dit verband bij de lidstaten op aan dat zij gebruikmaken van hun prerogatieven om het burgerschap in een geest van eerlijke samenwerking toe te kennen, ook in het geval van kinderen van EU-burgers die moeite hebben om te voldoen aan de criteria voor het burgerschap volgens de nationale regels; benadrukt dat burgerschapsrechten pas op doeltreffende wijze kunnen worden uitgeoefend, als alle in het Handvest van de grondrechten verankerde rechten en vrijheden worden beschermd en bevorderd, ook voor mensen met een handicap, die hun grondrechten op dezelfde manier moeten kunnen uitoefenen als alle andere burgers, en als gendermainstreaming wordt toegepast teneinde ervoor te zorgen dat vrouwen ten volle gebruik kunnen maken van de rechten die aan het EU-burgerschap verbonden zijn;

5.  herinnert eraan dat het burgerschap van de Unie ook verdere implicaties heeft en rechten meebrengt op het gebied van democratische participatie, op basis van de artikelen 10 en 11 VEU; benadrukt dat, voor het uitoefenen van het recht tot deelname aan het democratisch proces in de Unie, besluiten zo open mogelijk en zo dicht mogelijk bij de burger moeten worden genomen, en dat het daarom essentieel is te zorgen voor de relevante garanties met betrekking tot transparantie in de besluitvorming en de strijd tegen corruptie;

6.  betreurt de bestaande opt-outs van sommige lidstaten ten aanzien van onderdelen van de EU-verdragen, die de rechten van burgers ondermijnen en de facto verschillen in de rechten van burgers teweegbrengen die volgens de EU-verdragen gelijk verondersteld worden te zijn;

7.  merkt op dat de programma's Erasmus+, Rechten, gelijkheid en burgerschap, en Europa voor burgers grote voordelen bieden aan EU-burgers, met name aan jongeren, door hun bewustzijn met betrekking tot hun status als EU-burgers te verhogen en hun kennis van de rechten die voortvloeien uit die status en de onderliggende waarden te vergroten; is van mening dat Europese vrijwilligersprogramma's, zoals Europees vrijwilligerswerk en het Europees Solidariteitskorps, eveneens een integrale rol vervullen in de totstandkoming van een Europees burgerschap; onderstreept het enorme belang van dergelijke programma's, met name voor jongeren, en adviseert deze financieel te versterken;

Politieke rechten

8.  is bezorgd over de trend naar een lagere opkomst van kiezers, zowel tijdens nationale verkiezingen als tijdens verkiezingen voor het Europees Parlement, met name onder jongeren; is ervan overtuigd dat het versterken van de publieke ruimte van de EU en de volledige tenuitvoerlegging van het Europees burgerschap kunnen bijdragen tot het ombuigen van die neerwaartse trend, door de burgers meer het gevoel te geven dat ze deel uitmaken van een Europese gemeenschap en door de representatieve democratie te versterken;

9.  erkent de inspanningen van de Commissie ter bevordering van programma's die gericht zijn op de bevordering van het Europese burgerschap en de bewustmaking van burgers ten aanzien van hun politieke rechten; stelt echter vast dat er weinig vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van artikel 165 VWEU als rechtsgrondslag om de Europese dimensie van het onderwijs aan burgers te bevorderen; acht het van essentieel belang de deelname van burgers aan het democratisch bestel van de EU te bevorderen en is van mening dat de ontwikkeling van EU-leerplannen in onderwijsstelsels prioriteit moet krijgen om te kunnen voortbouwen op het potentieel van het EU-burgerschap;

10.  betreurt nogmaals dat sommige EU-burgers hun stemrecht wordt ontzegd in hun lidstaat van nationaliteit en dat zij niet mogen deelnemen aan de nationale parlementsverkiezingen in hun lidstaat van verblijf; onderstreept dat het verlies van stemrecht als gevolg van verblijf in een andere lidstaat, burgers ervan kan weerhouden naar een andere lidstaat te verhuizen en daarom mogelijk een schending van artikel 18 VWEU inhoudt;

11.   is van mening dat er in een systeem van representatieve democratie voor moet worden gezorgd dat de EU-instellingen naar behoren functioneren teneinde alle politieke rechten van EU-burgers te beschermen; benadrukt dat informatie met betrekking tot EU-burgerschap en de rechten die aan het bezit van dat burgerschap worden ontleend in alle officiële talen van de Europese Unie toegankelijk moet zijn, om het begrip van het EU-burgerschap te versterken; betreurt dat artikel 15, lid 3,VWEU, dat de wettelijke basis is geworden voor openbare toegang tot documenten en dat de regeling inzake toegang uitbreidt tot alle instellingen, organen en instanties van de Unie, sinds het van kracht worden van het Verdrag van Lissabon nog altijd niet volledig ten uitvoer is gelegd; is van mening dat de voortgang in de goedkeuring van de nieuwe verordening voortdurend is belemmerd door de lidstaten;

Vrij verkeer

12.  is verheugd over de voordelen die het vrij verkeer oplevert voor EU-burgers en voor de economie van de lidstaten; wijst erop dat de rechten die worden ontleend aan Richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, niet altijd bekend zijn en niet altijd worden geëerbiedigd, hetgeen leidt tot obstakels voor vrij verkeer en verblijf voor burgers van de EU en hun families, alsmede tot discriminatie van deze burgers; herinnert aan de verplichting van de lidstaten om de rechten met betrekking tot vrijheid van verkeer, met inbegrip van gezinshereniging, voor echtgenoten van hetzelfde geslacht te beschermen;

13.  is erover bezorgd dat de interpretatie van bepaalde voorzieningen en bepalingen van Richtlijn 2004/38/EG door nationale gerechtshoven niet alleen varieert tussen verschillende lidstaten, maar soms ook binnen hetzelfde rechtsgebied; merkt met bezorgdheid op dat nationale autoriteiten zich niet altijd volledig bewust zijn van de rechten en plichten die zijn vastgelegd in Richtlijn 2004/38/EG;

14.  wijst op het probleem van het ontbreken van informatie of het verstrekken van onjuiste of verwarrende informatie met betrekking tot visumvereisten voor familieleden of met betrekking tot verblijfsrechten; dringt erop aan dat de lidstaten ervoor zorgen dat onnodige belemmeringen voor het inreis-/verblijfsrecht worden weggenomen, met name voor familieleden van EU-burgers die de nationaliteit hebben van een derde land;

15.  vindt het verontrustend dat burgers moeilijkheden ondervinden bij de erkenning van hun beroepskwalificaties in Europa; gelooft dat de Richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en het Europees kwalificatiekader hebben bijgedragen tot het faciliteren van erkenning tussen lidstaten onderling; is tevens van mening dat beroepserkenning van essentieel belang is om een hogere mate van mobiliteit voor zowel studenten als beroepsbeoefenaren te waarborgen; adviseert de Europese Commissie door te gaan met het zoveel mogelijk faciliteren van beroepserkenning;

16.  is uiterst bezorgd over de bevindingen van het onderzoek dat is uitgevoerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, namelijk dat er sprake is van discriminatie bij het vinden van werk, bij het verkrijgen van toegang tot diverse diensten, zoals het huren van een auto of een appartement of bij bepaalde bankdiensten, alsook op het gebied van onderwijs en belastingen; benadrukt dat discriminatie op basis van nationaliteit het vrij verkeer van burgers van de Unie kan belemmeren; verzoekt de EU en de lidstaten speciale aandacht te schenken aan het monitoren van dergelijke gevallen van discriminatie en doortastende maatregelen te nemen om deze te voorkomen;

17.  onderstreept de rol van mobiliteit in de persoonlijke ontwikkeling van jongeren door het bevorderen van leren en culturele uitwisselingen en door een beter begrip van actief burgerschap en van wat dit in de praktijk betekent; spoort de lidstaten aan steun te verlenen aan EU-programma's die mobiliteit bevorderen;

18.  erkent het belang van cultuur, kunst en wetenschap als essentiële aspecten van actief EU-burgerschap; wijst erop dat zij een grote rol spelen als het erom gaat burgers het gevoel te geven dat zij deel uitmaken van de Unie, het wederzijds begrip te vergroten en de interculturele dialoog te stimuleren;

Consulaire bescherming

19.  merkt op dat momenteel bijna 7 miljoen EU-burgers in landen buiten de EU woonachtig zijn en dat dit aantal naar verwachting zal stijgen tot ten minste 10 miljoen in 2020;

20.  is van oordeel dat het recht op consulaire bescherming alle EU-burgers ten goede komt, en herinnert eraan dat consulaire bescherming in Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad wordt geïnterpreteerd in de ruimst mogelijke zin, d.w.z. als elke vorm van consulaire bijstand; benadrukt dat deze rechten nog altijd weinig bekend zijn;

21.  verzoekt de Commissie een beoordeling van de tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2015/637 van de Raad te publiceren en waar nodig inbreukprocedures in te leiden; verzoekt de lidstaten noodprotocollen te ontwikkelen waarbij rekening wordt gehouden met niet-vertegenwoordigde burgers, teneinde de communicatie in noodsituaties te verbeteren in coördinatie met de vertegenwoordigingen van andere lidstaten en EU-delegaties; dringt eens te meer aan op een versterking van de rol van de EU-delegaties in derde landen en benadrukt de meerwaarde van het diplomatieke netwerk van de EU dat ter plaatse is uitgebouwd;

Het indienen van een verzoekschrift bij het Europees Parlement en het indienen van een klacht bij de Europese Ombudsman

22.  benadrukt het belang van het recht om een verzoekschrift in te dienen, zoals vastgesteld in respectievelijk artikel 227 VWEU en artikel 44 van het Handvest van de grondrechten, en het recht om zich tot de Ombudsman te wenden volgens artikel 228 VWEU en artikel 43 van het Handvest van de grondrechten; is ingenomen met de werkzaamheden van de Europese Ombudsman op het gebied van de strijd tegen wanbeheer binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie, en in het bijzonder op het gebied van transparantie; benadrukt het belang van transparantie voor een goede democratische werking en participatie binnen de Unie die vertrouwen wekt bij de burgers; onderschrijft in dit opzicht de aanbevelingen van de Ombudsman in haar recent speciaal verslag inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad;

Aanbevelingen

23.  beveelt aan dat de Commissie gebruikmaakt van haar bevoegdheid op grond van artikel 258 VWEU om het HvJ-EU te vragen of het verlies van stemrecht als gevolg van het verblijf in een andere EU-lidstaat moet worden beschouwd als een schending van het recht op vrij verkeer en verblijf; roept de lidstaten nogmaals op de Verkiezingsgedragscode van de Commissie van Venetië ten uitvoer te leggen, wat onder meer inhoudt dat niet langer het kiesrecht wordt ontnomen aan in het buitenland woonachtige onderdanen bij de verkiezingen voor de nationale parlementen;

24.  stelt voor dat de Commissie, door middel van de procedure van artikel 25 VWEU, de in artikel 20, lid 2, VWEU vermelde rechten verruimt, zodat EU-burgers kunnen kiezen of zij hun stem uitbrengen in hun lidstaat van nationaliteit of van verblijf, en dat deze verruiming tot alle verkiezingen wordt uitgebreid, overeenkomstig de grondwettelijke mogelijkheden van elke lidstaat;

25.  adviseert de lidstaten voorzieningen voor e-democratie op lokaal en nationaal niveau te introduceren en deze te integreren in het politieke proces, om deelname aan de democratie te faciliteren voor zowel burgers als ingezetenen;

26.  is van mening dat de herziening van het rechtskader voor het Europees burgerinitiatief (EBI) een kans biedt om de deelname van burgers aan de EU-beleidsvorming te vergroten door het instrument minder bureaucratisch en toegankelijker te maken;

27.  vraagt de Commissie dat zij robuustere praktijken ontwikkelt met betrekking tot de politieke en juridische follow-up van succesvolle Europese burgerinitiatieven;

28.  dringt erop aan dat er meer middelen worden geïnvesteerd in en dat er aanvullende programma's en initiatieven worden opgezet die gericht zijn op het bevorderen van een Europese publieke ruimte waarin het genot van fundamentele rechten en vrijheden, sociaal welzijn en de verwezenlijking van Europese waarden het model worden voor de identiteit van de burgers; verwelkomt het programma Rechten en waarden als een waardevol voorbeeld van actieve ondersteuning door de Unie van haar waarden en rechten die worden ontleend aan het EU-burgerschap en die zijn verankerd in de Verdragen, onder andere door het ondersteunen van maatschappelijke organisaties die deze rechten en waarden bevorderen en beschermen; benadrukt dat de huidige begroting voor het programma Rechten en waarden gehandhaafd moet worden; is fel gekant tegen de verlaging van deze begroting in het nieuwe meerjarige financieel kader voor 2021-2027, zoals voorgesteld door de Commissie;

29.  spoort de Europese fracties en hun partijleden met kracht aan om te zorgen voor een evenwichtige gendervertegenwoordiging door toepassing van het ritssysteem of andere gelijkwaardige methoden bij het opstellen van de kandidatenlijsten;

30.  stelt voor de zichtbaarheid van Europe Direct-kantoren aanzienlijk te verbeteren; onderstreept dat deze kantoren dienen te functioneren als een structuur van tussenpersonen tussen het openbaar bestuur in de lidstaten en maatschappelijke organisaties (met inbegrip van vakbonden, brancheorganisaties en openbare en particuliere organen) om actief informatie te verstrekken aan de Europese burgers over hun rechten en plichten en om te stimuleren dat de burgers op lokaal niveau deelnemen aan het democratisch bestel van de Europese Unie; moedigt lidstaten en instanties op regionaal en lokaal niveau aan actief samen te werken met deze kantoren; onderstreept dat deze kantoren synergieën kunnen creëren met programma's als Europa voor de burger; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat deze bureaus de relevante informatie centraliseren die de EU-burgers in staat stelt hun rechten uit te oefenen en de uitoefening van de burgerschapsrechten van de EU te vergemakkelijken; is van mening dat de SOLVIT-dienst verder moet worden gestroomlijnd om de rechten van de EU-burgers effectiever te beschermen voordat zij gerechtelijke of administratieve stappen ondernemen;

31.  verzoekt in dit verband de Commissie een voorstel in te dienen dat zowel de rol van de Europe Direct-kantoren als de uitoefening van het EU-burgerschap versterkt, voortbouwend op de rechten die aan de werknemers zijn toegekend bij de toepassing van Richtlijn 2014/54/EU, met inbegrip van het recht van de EU-burgers op bescherming tegen discriminatie, de uitoefening van hun stemrecht krachtens artikel 22 VWEU en hun recht op vrij verkeer krachtens artikel 21 VWEU en Richtlijn 2004/38/EG, alsook het recht op vrij verkeer van hun gezinsleden;

32.  verzoekt de Commissie systematisch op te treden tegen inbreuken van de lidstaten op Richtlijn 2004/38/EG en vraagt om een herziening van de EU-richtsnoeren voor de toepassing en interpretatie van wetgeving die gevolgen heeft voor EU-burgers, teneinde ook de recente jurisprudentie van het HvJ-EU in aanmerking te nemen en er zodoende voor te zorgen dat het EU-recht zijn volle effect kan sorteren;

33.  roept op tot de consistente tenuitvoerlegging van gendermainstreaming in alle activiteiten van de EU, met name tijdens het aannemen van wetgeving of de tenuitvoerlegging van beleid in verband met EU-burgerschap;

34.  herinnert eraan dat het Parlement sinds 2014 herhaaldelijk zijn bezorgdheid heeft geuit over het feit dat nationale regelingen voor de directe of indirecte verkoop van het EU-burgerschap het concept van het Europese burgerschap zelf ondermijnen; verzoekt de Commissie toezicht te houden op dergelijke regelingen en een verslag op te stellen over nationale regelingen die het EU-burgerschap toekennen aan investeerders, zoals bedoeld in het verslag over het EU-burgerschap 2017;

35.  betreurt dat in het verslag over het burgerschap 2017 van de Commissie niet wordt verwezen naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het recht om een verzoekschrift in te dienen, het recht om zich tot de Europese Ombudsman te wenden, het recht op toegang tot documenten, noch naar het recht om een EBI te ondersteunen; verzoekt de Commissie om bij de volgende evaluatie ten volle aandacht te besteden aan de bepalingen van het Handvest en deze tekortkomingen aan te pakken;

36.  benadrukt dat een toenemend aantal Europese burgers is geconfronteerd met terreuraanslagen in een land dat niet hun eigen land is, en dringt er daarom op aan dat in de lidstaten protocollen worden vastgesteld om niet-nationale Europese burgers te helpen in geval van een terreuraanslag, overeenkomstig Richtlijn (EU) 2017/541 inzake terrorismebestrijding;

37.  stelt voor aan de lidstaten een Europese openbare feestdag vast te stellen op 9 mei om het Europees samenhorigheidsgevoel te bevorderen en ruimte te creëren voor maatschappelijke bewegingen en activiteiten;

38.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om te komen met een voorstel voor de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen van het Parlement betreffende een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten;

39.  is er vast van overtuigd dat het beginsel van non-discriminatie een hoeksteen is van Europees burgerschap en een algemeen beginsel en fundamentele waarde van de EU-wetgeving is in overeenstemming met artikel 2 VEU; dringt erbij de Raad op aan de goedkeuring van de horizontale EU-antidiscriminatierichtlijn af te ronden, teneinde de grondrechten binnen de Unie verder te waarborgen door middel van de goedkeuring van concrete EU-wetgeving waarmee de artikelen 18 en 19 VWEU volledig ten uitvoer worden gelegd in een horizontale aanpak; betreurt het feit dat de antidiscriminatierichtlijn tien jaar na de publicatie van het voorstel van de Commissie nog steeds door de Raad wordt geblokkeerd;

40.  herinnert aan de in de Verdragen vastgelegde plicht om toe te treden tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM); verzoekt de Commissie de nodige stappen te ondernemen om de toetreding van de Unie tot het EVRM te voltooien en toe te treden tot het Europees Sociaal Handvest;

41.  benadrukt dat kwaliteitsvolle burgerschapsvorming voor alle leeftijden (formeel en informeel) cruciaal is om burgers in staat te stellen hun democratische rechten met vertrouwen uit te oefenen en om een democratische samenleving naar behoren te laten functioneren; merkt op dat alleen een voortdurende inspanning op het gebied van onderwijs kan zorgen voor een grotere deelname aan verkiezingen op Europees niveau en voor meer intercultureel begrip en solidariteit in Europa, alsook voor het overwinnen van discriminatie, vooroordelen en ongelijkheid tussen mannen en vrouwen; beveelt aan artikelen 165, 166 en 167 VWEU te gebruiken als rechtsgrond voor het verkennen van het potentieel van onderwijs, beroepsonderwijs en jongerenbeleid;

42.  herinnert eraan dat de politieke partijen op Europees niveau "bijdragen tot de vorming van een Europees politiek bewustzijn en tot de uiting van de wil van de burgers van de Unie" (artikel 10, lid 4, VEU); dringt er daarom op aan dat individuele burgers van de EU de kans krijgen om direct het lidmaatschap van een politieke partij op Europees niveau aan te vragen;

43.  herinnert eraan dat de Europese dimensie van de Europese parlementsverkiezingen moet worden bevorderd om bij te dragen aan de mogelijke toekomstige werkzaamheden van het Parlement door gebruikmaking van zijn recht van wetgevingsinitiatief uit hoofde van artikel 225 van het VWEU; roept de Commissie en de lidstaten op extra inspanningen te leveren voor het bevorderen van de burgerrechten onder de Europese burgers, waaronder de rechten die verband houden met het stemrecht; onderstreept dat betere en meer gerichte informatie over Europees beleid en over de impact van EU-wetgeving op het dagelijks leven van de burgers de opkomst bij Europese verkiezingen zou verhogen; herinnert eraan dat deelname aan de Europese verkiezingen moet worden gestimuleerd door een verbeterde zichtbaarheid van Europese politieke partijen; herhaalt dat het stimuleren van deelname aan Europese verkiezingen een gedeelde verantwoordelijkheid is van burgers, lidstaten en de EU; benadrukt dat de burgers geïnformeerd moeten worden over de recente hervorming van het kiesrecht en het Spitzenkandidat-proces; onderstreept het politiek en symbolisch belang van deze figuur voor het versterken van het EU-burgerschap;

44.  herinnert eraan dat het Europees Parlement het parlement is van de gehele Unie en dat het een essentiële rol vervult in het garanderen van de legitimiteit van de politieke instellingen van de EU door deze verantwoordingsplichtig te maken door middel van een goede parlementaire controle; dringt er daarom op aan dat de wetgevende en controlerende bevoegdheden van het Parlement moeten worden gegarandeerd, geconsolideerd en versterkt;

45.  herinnert aan de richtsnoeren van de Commissie voor de toepassing van de EU-gegevensbeschermingswetgeving in het kader van de verkiezingen en haar mededeling van 12 september 2018 over het garanderen van vrije en eerlijke verkiezingen in Europa (COM(2018)0637); dringt erop aan dat alles in het werk wordt gesteld om ervoor te zorgen dat de verkiezingen vrij zijn van ongeoorloofde inmenging; onderstreept de noodzaak van een welomschreven EU-beleid om anti-Europese propaganda en gerichte desinformatie aan te pakken;

46.  moedigt de Commissie aan de democratische participatie te bevorderen door haar dialoog met de burgers te intensiveren, het begrip van de burgers voor de rol van de EU-wetgeving in hun dagelijks leven te vergroten en hun actief en passief kiesrecht op lokaal, nationaal en Europees niveau te benadrukken;

47.  verzoekt de Commissie in dit opzicht gebruik te maken van sociale media en digitale instrumenten, met bijzondere aandacht voor het verhogen van de participatie van jongeren en personen met een handicap; dringt aan op ontwikkeling en toepassing van instrumenten voor e-democratie, bijvoorbeeld onlineplatforms, teneinde burgers op een meer rechtstreekse manier te betrekken bij het democratische leven in de EU en hen aldus aan te zetten tot meer engagement;

48.  ondersteunt de productie en verspreiding van pers- en multimediamateriaal in alle officiële EU-talen dat erop gericht is de EU-burgers beter bewust te maken van hun rechten en hen beter in staat te stellen doeltreffend gebruik te maken van deze rechten in elke lidstaat;

49.  is van mening dat de Europese instellingen, gezien de groeiende impact van sociale media op het leven van burgers, moeten doorgaan met het ontwikkelen van nieuwe mechanismen en openbaar beleid ter bescherming van de grondrechten van personen in de digitale omgeving; benadrukt de behoefte aan veilige, rechtvaardige en transparante deling van gegevens van burgers; benadrukt dat vrije media en toegang tot pluraliteit van meningen een onmisbaar onderdeel zijn van een gezonde democratie en dat mediageletterdheid van cruciaal belang is en al op jonge leeftijd moet worden ontwikkeld;

50.  moedigt aan dat gebruik wordt gemaakt van artikel 25 VWEU om maatregelen te nemen die de uitoefening van het Europees burgerschap op een dagelijkse basis kunnen faciliteren;

51.  verzoekt de Commissie overeenkomstig artikel 25 VWEU in het volgende verslag over het burgerschap van de Unie aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de rechten van het EU-burgerschap in de secundaire wetgeving en de jurisprudentie, en een routekaart voor te stellen waarin al deze vorderingen worden gebundeld om formeel rekening te houden met de ontwikkeling van de Unie op dit gebied;

52.  onderstreept dat deze exercitie in overeenstemming met artikel 25 VWEU uiteindelijk zou moeten leiden tot concrete initiatieven met het oog op de consolidatie van burgerrechten en vrijheden in het kader van een EU-burgerschapsstatuut, vergelijkbaar met de Europese pijler van de sociale rechten, met inbegrip van de fundamentele rechten en vrijheden die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten, naast de sociale rechten die in de Europese Pijler van de sociale rechten en de waarden die in artikel 2 van het VEU zijn vastgelegd als bepalende elementen van de Europese "publieke ruimte", waaronder het bestuursmodel dat relevant is voor die openbare ruimte, waardigheid, vrijheid, de rechtsstaat, democratie, pluralisme, tolerantie, gerechtigheid en solidariteit, gelijkheid en non-discriminatie, waarmee bij een toekomstige of eventuele hervorming van de Verdragen rekening zou worden gehouden;

o
o   o

53.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de lidstaten.

(1) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(2) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77.
(3) PB L 115 van 17.4.2014, blz. 3.
(4) PB L 141 van 27.5.2011, blz. 1.
(5) PB L 107 van 22.4.2016, blz. 1.
(6) PB L 255 van 30.9.2005, blz. 22.
(7) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132.
(8) PB L 106 van 24.4.2015, blz. 1.
(9) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.
(10) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 17.
(11) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 117.
(12) PB C 58 van 15.2.2018, blz. 57.
(13) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 28.
(14) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 98.
(15) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 83.
(16) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0282.
(17) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 89.
(18) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.
(19) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.
(20) Bijvoorbeeld, arrest van het Hof van 8 maart 2011, Gerardo Ruiz Zambrano tegen Office national de l’emploi (ONEM), C-34/09, ECLI:EU:C:2011:124, arrest van het Haf van 2 maart 2010, Janko Rottman tegen Freistaat Bayern, C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104, arrest van het Hof van 5 mei 2011, Shirley McCarthy tegen Secretary of State for the Home Department, C-434/09, ECLI:EU:C:2011:277 en arrest van het Hof van 15 november 2011, Murat Dereci en anderen tegen Bundesministerium für Inneres, C-256/11, ECLI:EU:C:2011:734.


Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking
PDF 160kWORD 56k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake nauwere samenwerking (2018/2112(INI))
P8_TA-PROV(2019)0077A8-0038/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de bepalingen van de Verdragen inzake nauwere samenwerking, met name de artikelen 20, 42, lid 6, 44, 45 en 46 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en de artikelen 82, 83, 86, 87, 187, 188, 326, 327, 328, 329, 330, 331, 332, 333 en 334 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de bepalingen van de Verdragen inzake andere bestaande vormen van gedifferentieerde integratie, met name de artikelen 136, 137 en 138 VWEU houdende specifieke bepalingen voor de lidstaten die de euro als munt hebben,

–  gezien het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB),

–  gezien Protocol nr. 10 betreffende de permanente gestructureerde samenwerking, ingesteld bij artikel 42 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, Protocol nr. 14 betreffende de Eurogroep en Protocol nr. 19 betreffende het Schengenacquis dat is opgenomen in het kader van de Europese Unie,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden(4),

–  gezien zijn resolutie van 17 januari 2019 over gedifferentieerde integratie(5),

–  gezien het witboek van de Commissie van 1 maart 2017 (COM(2017)2025) en de vijf naar aanleiding daarvan opgestelde discussienota’s (COM(2017)0206), COM(2017)0240, COM(2017)0291, COM(2017)0315, COM(2017)0358),

–  gezien de verklaring van Rome van 25 maart 2017,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement alsmede artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0038/2019),

A.  overwegende dat de Unie er een bijzonder belang bij heeft dat de lidstaten, op bepaalde gebieden waarop de Unie geen exclusieve bevoegdheden heeft, een nauwere samenwerking aangaan om op die manier het Europese project een stap verder te brengen en het leven van de burgers te vergemakkelijken;

B.  overwegende dat overeenkomstig artikel 20, lid 2, nauwere samenwerking slechts in laatste instantie kan worden aangegaan, namelijk wanneer de met de nauwere samenwerking nagestreefde doelstellingen niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt;

C.  overwegende dat nauwere samenwerking niet beschouwd moet worden als instrument dat bepaalde lidstaten uitsluit of leidt tot verdeeldheid onder de lidstaten, maar gezien moet worden als een pragmatische oplossing ter bevordering van de Europese integratie;

D.  overwegende dat het vanwege de gevoelige aard van sommige beleidsgebieden niet altijd mogelijk is om de gewone wetgevingsprocedure te volgen, niet alleen omdat in het kader van die procedure eenparigheid van stemmen verlangd wordt, maar ook omdat in de Raad altijd gestreefd wordt naar consensus tussen de lidstaten, ook als een gekwalificeerde meerderheid voldoende zou zijn om tot een besluit te komen;

E.  overwegende dat alle initiatieven tot nauwere samenwerking, met uitzondering van de belasting op financiële transacties, in de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen hadden kunnen worden vastgesteld, als gekwalificeerde meerderheid vereist zou zijn en niet unanimiteit;

F.  overwegende dat er diverse voorbeelden bestaan van subgroepen van lidstaten die in bilaterale of multilaterale vorm met elkaar samenwerken buiten het kader van de Verdragen om, bijvoorbeeld op het gebied van defensie; overwegende dat de economische en monetaire crisis in sommige gevallen noopte tot het snel nemen van besluiten en tot het laten vallen van het unanimiteitsvereiste, wat heeft geleid tot de vaststelling van intergouvernementele instrumenten buiten het rechtskader van de EU, zoals het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM) en het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in de economische en monetaire unie (VSCB of "begrotingspact");

G.  overwegende dat de procedure voor nauwere samenwerking inhoudt dat ten minste negen lidstaten op een bepaald gebied binnen de structuur van de EU een intensiever samenwerkingsverband tot stand mogen brengen, zonder de overige lidstaten daarbij te betrekken; overwegende dat nauwere samenwerking de daaraan deelnemende lidstaten in staat stelt een gemeenschappelijk doel of initiatief te verwezenlijken en te voorkomen dat onderhandelingen in een impasse raken of door een of meerdere andere lidstaten worden tegengehouden wanneer eenparigheid van stemmen vereist is; overwegende dat in artikel 20, lid 4, VEU is bepaald dat in het kader van een nauwere samenwerking vastgestelde handelingen alleen verbindend zijn voor de lidstaten die aan de nauwere samenwerking deelnemen; overwegende dat nauwere samenwerking alleen kan worden aangegaan op gebieden waarop de EU geen exclusieve bevoegdheden heeft;

H.  overwegende dat in artikel 328, lid 1, is bepaald dat de Commissie en de aan een nauwere samenwerking deelnemende lidstaten erop toe moeten zien dat de deelneming van zoveel mogelijk lidstaten wordt bevorderd;

I.  overwegende dat gebleken is dat nauwere samenwerking tot bevredigende resultaten heeft geleid op het gebied van het echtscheidingsrecht(6), en interessante perspectieven biedt op het gebied van het vermogensrecht(7), het Europees eenheidsoctrooi en het Europees Openbaar Ministerie;

J.  overwegende dat de eerste ervaringen die zijn opgedaan met nauwere samenwerking enkele problemen in verband met dit concept aan het licht hebben gebracht die samenhangen met het feit dat de Verdragen slechts weinig bepalingen bevatten inzake de praktische uitvoering en er bovendien sprake is van een gebrekkige follow-up door de instellingen van de Unie;

K.  overwegende dat uit bestudering van de diverse modellen die toegepast worden in de EU-lidstaten met een federaal model en in federaties buiten de Unie is gebleken dat er door subfederale entiteiten op gebieden van algemeen belang vaak gebruik wordt gemaakt van flexibele samenwerkingsmechanismen;

L.  overwegende dat de lidstaten zonder toepassing van "passerelle"-clausules waarmee in de Raad kan worden overgegaan van besluitvorming met eenparigheid van stemmen op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid en zonder een omvattende herziening van de Verdragen in de toekomst wellicht vaker toepassing zullen geven aan de bepalingen inzake nauwere samenwerking, om gezamenlijke problemen aan te pakken en gezamenlijke doelstellingen te verwezenlijken;

M.  overwegende dat het met het oog op de soepele werking van dit instrument van belang is om een lijst met punten op te stellen waaraan aandacht moet worden besteed en daarnaast te zorgen voor een routekaart voor een doeltreffende werking van het instrument nauwere samenwerking, naar de letter en de geest van de Verdragen;

Belangrijkste opmerkingen

1.  maakt zich zorgen over het feit dat nauwere samenwerking weliswaar een oplossing biedt voor een gemeenschappelijk probleem, met gebruikmaking van de institutionele structuur van de Unie waardoor de administratieve lasten voor de deelnemende lidstaten beperkt blijven, maar er niet voor heeft gezorgd dat de noodzaak om buiten de Verdragen om vormen van intergouvernementele subgroepen te creëren volledig is weggenomen, en dat de vorming van dergelijke structuren ten koste gaat van de consistentie van de toepassing van het juridisch kader van de EU en daardoor tevens leidt tot een gebrek aan passende democratische controle;

2.  is van mening dat het gemeenschappelijke institutionele kader van de EU behouden moet blijven, teneinde de gemeenschappelijke doelstellingen van de Unie te verwezenlijken en het beginsel van gelijkheid van alle burgers te waarborgen; staat erop dat de communautaire methode of Unie-methode in stand gehouden wordt;

3.  benadrukt dat nauwere samenwerking, anders dan intergouvernementele verdragen, een instrument voor het oplossen van problemen is dat niet alleen legaal maar ook gemakkelijk toepasbaar is, omdat het gebaseerd is op bepalingen in de Verdragen en toegepast wordt binnen de institutionele structuur van de Unie;

4.  wijst erop dat nauwere samenwerking, sinds de invoering van dit instrument bij het Verdrag van Amsterdam, vanwege de aard ervan en vanwege het feit dat dit instrument alleen in laatste instantie mag worden toegepast weliswaar nog niet op grote schaal is toegepast, maar aan belang lijkt te winnen en bovendien tastbare resultaten oplevert;

5.  wijst erop dat uit de tot nu toe opgedane ervaringen blijkt dat nauwere samenwerking het vaakst wordt aangegaan op gebieden waarop de besluitvorming geschiedt door middel van een bijzondere wetgevingsprocedure waarbij unanimiteit vereist is, en voornamelijk is toegepast op het gebied van justitie en binnenlandse zaken;

6.  wijst erop dat de procedure voor het aangaan en de uitvoering van nauwere samenwerking tot nu toe veel tijd in beslag heeft genomen, met name omdat niet duidelijk gedefinieerd is wat verstaan moet worden onder een redelijke termijn voor de vaststelling dat het vereiste aantal stemmen niet bereikt wordt en omdat de politieke wil ontbrak om het politieke proces te versnellen;

7.  wijst erop dat het gebrek aan duidelijke operationele richtsnoeren voor de opzet en het beheer van nauwere samenwerking, bijvoorbeeld inzake de toepasselijke wetgeving voor gemeenschappelijke instellingen of procedures voor beëindiging van bestaande samenwerking, er wellicht voor heeft gezorgd dat er minder vaak een nauwere samenwerking wordt aangegaan;

8.  herinnert eraan dat in het kader van nauwere samenwerking gebruik wordt gemaakt van de institutionele orde en het recht van de Unie, maar dat de in het kader van nauwere samenwerking vastgestelde handelingen niet automatisch deel uitmaken van het acquis;

9.  is van oordeel dat nauwere samenwerking, hoewel dit instrument beschouwd wordt als een "tweede-keusscenario", een waardevol instrument is om problemen op het niveau van de Unie op te lossen en geschikt is om een aantal institutionele impasses te doorbreken;

10.  is van oordeel dat aan de eerdergenoemde lijst met punten aandacht moet worden besteed om een doeltreffende toepassing en organisatie van het instrument nauwere samenwerking te realiseren, ongeacht het beleidsgebied waarom het gaat of de vorm waarin het wordt gegoten;

Aanbevelingen

11.  stelt daarom voor dat, met het oog op de soepele werking en doeltreffende uitvoering van nauwere samenwerking, aandacht besteed wordt aan een reeks punten en een routekaart wordt gevolgd, zoals hieronder aangegeven;

Besluitvormingsprocedure

12.  wijst erop dat de politieke impuls voor nauwere samenwerking van de lidstaten moet komen, maar dat de discussies over de inhoud ervan gebaseerd moeten zijn op een voorstel van de Commissie;

13.  herinnert eraan dat artikel 225 VWEU het Parlement het recht geeft om een quasi-wetgevingsinitiatief te nemen, wat aldus uitgelegd moet worden dat het Parlement de mogelijkheid heeft om nauwere samenwerking te initiëren op basis van een voorstel van de Commissie waarover geen overeenstemming kon worden bereikt via de reguliere besluitvormingsprocedure binnen het mandaat van twee opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad;

14.  is van oordeel dat als gedurende twee opeenvolgende Raadsvoorzitterschappen geen wezenlijke vooruitgang is geboekt binnen de Raad, de conclusie getrokken moet worden dat de beoogde doelstellingen niet door de Unie in haar geheel kunnen worden verwezenlijkt, overeenkomstig het vereiste van artikel 20 VEU;

15.  is van oordeel dat verzoeken van lidstaten om onderling een nauwere samenwerking aan te gaan in beginsel gebaseerd moeten zijn op doelstellingen die minstens zo ambitieus zijn als de doelstellingen die door de Commissie waren geformuleerd voordat werd vastgesteld dat deze niet binnen een redelijke termijn door de Unie in haar geheel konden worden verwezenlijkt;

16.  beveelt ten sterkste aan dat, onmiddellijk nadat de Raad toestemming heeft verleend om nauwere samenwerking aan te gaan, de bijzondere "passerelle"-clausule van artikel 333 VWEU wordt geactiveerd, waarmee wordt overgegaan van besluitvorming met eenparigheid van stemmen op besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid en de gewone wetgevingsprocedure wordt gevolgd in plaats van een bijzondere wetgevingsprocedure, om te voorkomen dat de besluitvorming wederom stagneert vanwege het aanzienlijke aantal deelnemende lidstaten;

17.  acht het noodzakelijk dat in het besluit om toestemming te verlenen tot het aangaan van nauwere samenwerking het kader wordt aangegeven voor de betrekkingen met de niet-deelnemende lidstaten; is van oordeel dat de lidstaten die niet deelnemen aan de nauwere samenwerking desondanks betrokken moeten worden bij de beraadslagingen over het onderwerp waarop de nauwere samenwerking betrekking heeft;

18.  herinnert eraan dat de secretariaten van de Commissie en de Raad de belangrijke taak hebben om ervoor te zorgen dat de lidstaten die niet aan de nauwere samenwerking deelnemen niet op zodanige wijze worden achtergesteld dat hun deelname in een later stadium bemoeilijkt wordt;

Administratie

19.  pleit ervoor dat de Commissie in alle stadia van de nauwere samenwerking, van het voorstel en de beraadslagingen tot en met de uitvoering van de nauwere samenwerking, een actieve rol speelt;

20.  bekrachtigt dat de eenheid van de EU-instellingen behouden moet blijven en dat nauwere samenwerking niet mag leiden tot de vorming van parallelle institutionele regelingen, maar is van oordeel dat er, waar passend, binnen het rechtskader van de EU specifieke organen moeten kunnen worden ingesteld, waarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de bevoegdheden en de rol van de instellingen en organen van de Unie;

Parlementaire controle

21.  herinnert eraan dat het Parlement belast is met de parlementaire controle op nauwere samenwerking; dringt erop aan dat op beleidsgebieden waarop sprake is van gedeelde bevoegdheden, naast het Europees Parlement ook de nationale parlementen en, in voorkomend geval, regionale parlementen meer betrokken worden bij het democratisch toezicht op nauwere samenwerking; wijst op de mogelijkheid om, waar nodig en onverminderd de bevoegdheden van het Parlement, een interparlementair forum op te richten naar het voorbeeld van de interparlementaire conferentie uit hoofde van artikel 13 van het VSCB of de interparlementaire conferentie voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB);

22.  benadrukt dat het noodzakelijk is dat de lidstaten die deelnemen aan een nauwere samenwerking, de regio's die wetgevende bevoegdheden hebben bij deze nauwere samenwerking betrekken als het gaat om onderwerpen die hen raken, zodat de interne verdeling van bevoegdheden wordt geëerbiedigd en de sociale legitimiteit van de nauwere samenwerking wordt vergroot;

23.  pleit ervoor dat het Parlement in het kader van nauwere samenwerking een krachtiger rol gaat spelen, door de Commissie overeenkomstig artikel 225 VWEU te verzoeken om nieuwe vormen van samenwerking voor te stellen, en door voorstellen of bestaande vormen van samenwerking te toetsen; is van oordeel dat het Parlement bij elk stadium van de procedure betrokken moet worden en dus meer moet doen dan alleen maar goedkeuring verlenen; is tevens van oordeel dat er op gezette tijden aan het Parlement verslag moet worden uitgebracht en dat het Parlement zich moet kunnen uitspreken over de uitvoering van nauwere samenwerking;

24.  verzoekt de Raad om het Parlement voortaan bij procedures voor nauwere samenwerking te betrekken alvorens het Parlement om goedkeuring van de definitieve tekst te verzoeken, zodat de medewetgevers van de Unie optimaal kunnen samenwerken;

25.  betreurt evenwel dat de Raad, ondanks de constructieve en voorzichtige aanpak van het Parlement met betrekking tot de procedure voor nauwere samenwerking, niet bijzonder bereid lijkt te zijn om het Parlement formeel bij de procedure te betrekken alvorens het Parlement om goedkeuring van de definitieve tekst te verzoeken;

26.  vindt het noodzakelijk dat het Parlement zijn interne organisatie op het gebied van nauwere samenwerking verbetert; is in dit kader van oordeel dat elke nauwere samenwerking gevolgd moet worden door een daartoe bevoegde vaste commissie, en pleit er daarom voor dat in het Reglement van het Europees Parlement wordt bepaald dat er subcommissies ad hoc kunnen worden ingesteld, waarvan bij voorrang die leden van het Parlement deel kunnen uitmaken die verkozen zijn in de lidstaten die aan de betreffende nauwere samenwerking deelnemen;

Begroting

27.  is van oordeel dat de operationele kosten in verband met nauwere samenwerking gedragen moeten worden door de lidstaten die de nauwere samenwerking zijn aangegaan en dat kosten die ten laste komen van de EU-begroting aan de niet-deelnemende landen moeten worden terugbetaald, tenzij de Raad na raadpleging van het Parlement overeenkomstig artikel 332 VWEU besluit dat de samenwerking gefinancierd wordt uit de EU-begroting, waarmee de uitgaven deel gaan uitmaken van de begroting en dus onderworpen zijn aan de jaarlijkse begrotingsprocedure;

28.  is van oordeel dat als er door de activiteit die door middel van nauwere samenwerking wordt gereguleerd inkomsten worden gegenereerd, deze inkomsten gebruikt moeten worden om de operationele kosten in verband met de nauwere samenwerking te dekken;

Rechtsmacht

29.  is van oordeel dat nauwere samenwerking onder de rechtstreekse rechtsmacht van het Europees Hof van Justitie moet vallen, onverminderd de mogelijkheid om indien dat noodzakelijk is met het oog op de werking van een specifiek geval van nauwere samenwerking een arbitrageprocedure of een gerecht voor de beslechting van geschillen in eerste aanleg in te stellen, tenzij in het Verdrag anders is bepaald, hetgeen in de rechtshandeling tot instelling van nauwere samenwerking moet zijn bepaald;

30.  wijst erop dat als het in het kader van een nauwere samenwerking noodzakelijk is dat er een bijzonder arbitragemechanisme of bijzonder gerecht wordt ingesteld, het Hof van Justitie altijd het laatste arbitrage-orgaan moet zijn;

Aanpassing van de institutionele structuur van de Unie

31.  pleit voor instelling van een speciale eenheid voor nauwere samenwerking binnen de Commissie, onder leiding van de commissaris die verantwoordelijk is voor interinstitutionele betrekkingen, om de institutionele structuur voor de totstandbrenging van initiatieven inzake nauwere samenwerking te coördineren en te stroomlijnen;

32.  acht het noodzakelijk dat de secretariaten van de Commissie en de Raad zich in het kader van nauwere samenwerking proactiever opstellen en pleit er daarom voor dat de secretariaten in samenwerking met het Comité van de Regio's en met name het platform van de Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) van het Comité van de Regio's actief gaan zoeken naar gebieden waarop nauwere samenwerking nuttig kan zijn met het oog op de versterking van het Europese project of naar gebieden die raakvlakken hebben met bestaande vormen van nauwere samenwerking, zodat overlappingen en tegenstrijdigheden kunnen worden voorkomen;

Terugtrekking of uitsluiting van deelname van lidstaten

33.  wijst erop dat er in de Verdragen geen bepalingen zijn opgenomen inzake de terugtrekking van lidstaten uit of uitsluiting van deelname van lidstaten aan bestaande gevallen van nauwere samenwerking, uitgezonderd de bepalingen inzake permanente gestructureerde samenwerking (PESCO);

34.  is van oordeel dat er in alle gevallen van nauwere samenwerking duidelijke regels moeten worden vastgesteld inzake terugtrekking van lidstaten die niet langer aan de nauwere samenwerking wensen deel te nemen en inzake uitsluiting van deelname van lidstaten die niet langer voldoen aan de voorwaarden die aan de nauwere samenwerking zijn verbonden; pleit ervoor dat de voorwaarden voor eventuele terugtrekking door of uitsluiting van deelname van een lidstaat worden vastgelegd in de rechtshandeling tot instelling van nauwere samenwerking;

Aanbevelingen voor de verdere ontwikkeling van nauwere samenwerking

35.  acht het noodzakelijk dat er een procedure wordt uitgewerkt voor versnelde goedkeuring van nauwere samenwerking op gebieden van groot politiek belang, in die zin dat in die gevallen een termijn geldt die ten hoogste de duur van twee opeenvolgende voorzitterschappen van de Raad omvat;

36.  verzoekt de lidstaten die deelnemen aan een nauwere samenwerking ernaar te streven dat de nauwere samenwerking in het acquis communautaire wordt opgenomen;

37.  verzoekt de Commissie om overeenkomstig artikel 175, derde alinea, of artikel 352 VWEU maatregelen voor te stellen om het wettelijk kader voor nauwere samenwerking te vereenvoudigen en te harmoniseren (bijvoorbeeld de leidende beginselen inzake de toepasselijke wetgeving voor gemeenschappelijke instellingen of de terugtrekking van een lidstaat) en daarmee het aangaan van nauwere samenwerking te vereenvoudigen;

38.  stelt voor bij een volgende herziening van de Verdragen te onderzoeken of regio's of subnationale organen, met inachtneming van de nationale grondwetten, een rol kunnen spelen bij nauwere samenwerking wanneer deze verband houdt met de exclusieve bevoegdheden van het betreffende niveau;

o
o   o

39.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.
(2) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 201.
(3) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 235.
(4) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 125.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0044.
(6) Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed (PB L 343 van 29.12.2010, blz. 10).
(7) Verordening (EU) 2016/1103 van de Raad van 24 juni 2016 tot uitvoering van de nauwere samenwerking op het gebied van de bevoegdheid, het toepasselijke recht en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen op het gebied van huwelijksvermogensstelsels (PB L 183 van 8.7.2016, blz. 1).


Tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen inzake de bevoegdheid van het Parlement om politieke controle uit te oefenen op de Commissie
PDF 159kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de tenuitvoerlegging van de verdragsbepalingen inzake de bevoegdheid van het Parlement om politieke controle uit te oefenen op de Commissie (2018/2113(INI))
P8_TA-PROV(2019)0078A8-0033/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de Verdragsbepalingen in verband met het politieke toezicht van het Europees Parlement op de Europese Commissie en met name de artikelen 14, 17 en 25 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 121, 159, 161, 175, 190, 225, 226, 230, 233, 234, 249, 290, 291, 319 en 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien artikel 17 VEU op grond waarvan de Commissie belast is het algemeen belang van de Unie te bevorderen en "daartoe" het alleenrecht heeft om initiatieven te nemen,

–  gezien het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord (IIA) over beter wetgeven van 2016 en het Interinstitutioneel Akkoord betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer van 2013,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(1),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn besluit van 7 februari 2018 over de herziening van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie en met name de artikelen 2 en 8 waarin opnieuw wordt bevestigd dat het lijsttrekkersproces een succesvol grondwettelijk en politiek gebruik is waarin het interinstitutioneel evenwicht zoals bepaald in de Verdragen tot uitdrukking komt(3),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement en tot intrekking van Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(4), en de lopende interinstitutionele onderhandelingen,

–  gezien het verslag van de Europese Ombudsman over vergaderingen en de inspectie van documenten – gevoegde zaken 488/2018/KR en 514/2018/KR betreffende de benoeming door de Commissie van een nieuwe secretaris-generaal, en zijn aanbeveling in deze zaken,

–  gezien zijn Reglement, waaronder artikel 52, alsook artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie begrotingscontrole (A8‑0033/2019),

A.  overwegende dat het in de Verdragen verankerde institutionele kader van de Unie de verantwoordelijkheid voor het politiek toezicht op de Commissie bij het Parlement, als wetgevend orgaan van de Unie, legt;

B.  overwegende dat het Parlement over een reeks instrumenten beschikt om de Commissie ter verantwoording te roepen, zoals de motie van afkeuring (artikel 17 VEU en artikel 234 VWEU), de mogelijkheid om de voorzitter van de Commissie te verzoeken zijn vertrouwen op te zeggen in een individueel lid van de Commissie (artikel 118, lid 10, van het Reglement), het enquêterecht (artikel 226 VWEU), de controlebevoegdheid ten aanzien van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen (artikelen 290 en 291 VWEU), het recht om mondelinge en schriftelijke vragen te stellen (artikel 230, lid 2, VWEU) en het recht om rechtsprocedures in te stellen tegen de Commissie met betrekking tot wettigheidsvragen (artikel 263 VWEU) of een nalaten van de Commissie;

C.  overwegende dat het Parlement, naast deze instrumenten, beschikt over een reeks instrumenten voor sturend toezicht, waardoor het de Europese politieke agenda proactief kan vormgeven;

D.  overwegende dat de begroting het belangrijkste instrument is waar de Europese Unie over beschikt om haar doelstellingen en strategieën te verwezenlijken, en dat begrotingscontrole daarom van het grootste belang is;

E.  overwegende dat het lijsttrekkersproces het interinstitutioneel evenwicht tussen het Parlement en de Commissie weerspiegelt en aldus de band tussen de twee instellingen aanzienlijk heeft geconsolideerd en versterkt, wat leidt tot een grotere politisering van de Commissie, die zou moeten resulteren in meer parlementaire controle op haar uitvoerende taken;

F.  overwegende dat artikel 17 VEU bepaalt dat de voorzitter van de Commissie gekozen wordt door het Parlement op voorstel van de staatshoofden en regeringsleiders van de EU, waarbij de resultaten van de Europese verkiezingen en het overleg met het Europees Parlement in aanmerking worden genomen; overwegende dat artikel 17 VEU ook bepaalt dat dezelfde procedure moet worden gevolgd ingeval het Parlement de voorgestelde kandidaat afwijst, waaronder de raadpleging van het Parlement;

G.  overwegende dat alle kandidaat-commissarissen vóór de benoeming van het college van commissarissen worden onderworpen aan een hoorzitting, en dat het Parlement gedurende zijn mandaat de door de kandidaat-commissarissen in die hoorzittingen gedane toezeggingen en gestelde prioriteiten kan evalueren, met inbegrip van een evaluatie van de geschiktheid van hun persoonlijke achtergrond ten aanzien van de eisen van de functie;

H.  overwegende dat het Parlement op grond van de Verdragen het recht heeft om over een motie van afkeuring van de Commissie als geheel te stemmen, maar zijn vertrouwen in een individuele commissaris niet kan opzeggen;

I.  overwegende dat ondanks de collectieve verantwoordelijkheid van het college van commissarissen, het Parlement effectief toezicht op de werkzaamheden van de afzonderlijke commissarissen moet waarborgen;

J.  overwegende dat de recente benoeming van de nieuwe secretaris-generaal van de Commissie aanleiding heeft gegeven tot ernstige bezorgdheid over de rol en de politieke invloed van hoge ambtenaren van de Commissie;

K.  overwegende dat na de benoeming van de nieuwe voorzitter en leden van de Commissie in 2019 voor de post van secretaris-generaal van de Commissie een nieuwe procedure moet worden gestart, waarin de regels worden gevolgd;

L.  overwegende dat de Commissie op grond van de Verdragen verplicht is om regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement: jaarlijks over de algemene werkzaamheden van de Unie (artikel 249 VWEU); elke drie jaar over de toepassing van de bepalingen inzake non-discriminatie en burgerschap van de Unie (artikel 25 VWEU); over de resultaten van het multilaterale toezicht op het economisch beleid (artikel 121, lid 5, VWEU); elke drie jaar over de vooruitgang op het gebied van het sociale beleid (artikelen 159 en 161 VWEU); elke drie jaar over de vooruitgang bij de verwezenlijking van de economische, sociale en territoriale samenhang (artikel 175 VWEU); jaarlijks over onderzoeksactiviteiten in de Unie (artikel 190 VWEU); jaarlijks over de fraudebestrijding (artikel 325 VWEU); en over onderhandelingen die met derde landen of internationale organisaties gevoerd worden (artikel 207 VWEU);

M.  overwegende dat voorts de Commissie, voor wat betreft secundair recht, de opdracht heeft verschillende richtlijnen en verordeningen te herzien en te beoordelen, en verslag moet uitbrengen over haar bevindingen;

N.  overwegende dat het Parlement met de vaststelling van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie extra invloed heeft verworven op de wetgevingsagenda die de Commissie elk jaar in haar werkprogramma (WPC) voorstelt;

O.  overwegende dat het Parlement na de totstandkoming van het Verdrag van Lissabon op begrotingsgebied een echte medewetgever is geworden en de verantwoordelijkheid heeft om de Commissie kwijting te verlenen voor de uitvoering van de begroting;

P.  overwegende dat het Parlement na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon zijn invloed heeft uitgebreid op het toezicht op het externe beleid van de EU, doordat het de bevoegdheid is toegekend om goedkeuring te verlenen aan de sluiting van internationale overeenkomsten en derhalve het recht heeft in iedere fase van de onderhandelingen over dergelijke overeenkomsten door de Commissie onmiddellijk en volledig te worden geïnformeerd (artikel 218 VWEU, artikel 50 VEU);

Q.  overwegende dat de transparantie en de betrokkenheid van het Parlement tijdens de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over zijn uittreding uit de Europese Unie exemplarisch te noemen zijn;

R.  overwegende dat ten aanzien van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen de omvang van het toetsingsrecht van het Parlement sterk verschilt; overwegende dat het Parlement ten aanzien van een gedelegeerde handeling het recht heeft een veto uit te spreken en/of de delegatie in te trekken, maar dat zijn betrokkenheid in het geval van uitvoeringshandelingen veel minder groot is;

S.  overwegende dat de huidige institutionele structuur van de Unie en het ontbreken van een precieze definitie van de uitvoerende macht in de Verdragen het concept van de uitvoerende macht van de EU complex maken en leiden tot versnippering op Europees, nationaal en regionaal niveau;

T.  overwegende dat nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale en regionale parlementen, in overeenstemming met hun respectieve constitutionele bevoegdheden en met artikel 10, lid 2, VEU, cruciaal is om de kwestie van parlementaire controle van uitvoerende taken bij de tenuitvoerlegging van Europese wetgeving aan te pakken;

U.  overwegende dat de transparantie van en de grote betrokkenheid van het Parlement bij de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk een positieve impact hebben gehad op de uitkomst ervan, doordat een klimaat van vertrouwen en eenheid is ontstaan, en daarom als inspiratie moeten dienen voor toekomstige internationale onderhandelingspraktijken;

Belangrijkste conclusies

1.  herinnert eraan dat controle van EU-organen een van de belangrijkste taken is van het Europees Parlement en dat de verantwoording die de Commissie moet afleggen aan het Parlement een basisbeginsel vormt van het functioneren van de EU en van de interne democratische controle;

2.  is van mening dat het Parlement niet volledig gebruikmaakt van alle instrumenten voor de politieke controle op de uitvoerende macht, om verschillende redenen, sommige inherent aan de institutionele structuur van de Unie en andere bijvoorbeeld het gevolg van de veranderende interinstitutionele dynamiek, die de toepassing van een aantal instrumenten lastig maken of niet doeltreffend genoeg;

3.  erkent het potentieel en de geslaagde uitvoering van het lijsttrekkersproces waarbij alle Europese burgers een rechtstreekse stem hebben in de keuze van de voorzitter van de Commissie, door te stemmen op een lijst die wordt aangevoerd door hun voorkeurskandidaat; is daarom groot voorstander van de voortzetting van deze praktijk tijdens toekomstige Europese verkiezingen en moedigt alle politieke krachten aan om aan dit proces deel te nemen;

4.  herinnert eraan dat de sterkere politieke band tussen het Parlement en de Commissie als gevolg van het lijsttrekkersproces niet mag leiden tot minder streng parlementair toezicht op de Commissie;

5.  herinnert eraan dat de in de Verdragen vastgelegde drempel voor een motie van afkeuring is bedoeld om het doeltreffende gebruik van dit instrument voor ernstige zaken te bewaren; onderkent dat in de meeste parlementaire democratieën de mogelijkheid om een motie van afkeuring in te dienen meestal een afschrikkende werking heeft; stelt niettemin voor om in de context van een toekomstige verdragswijziging de mogelijkheden voor een afgewogen verlaging van de drempel te onderzoeken, met behoud van het door de Verdragen beoogde institutionele evenwicht;

6.  wijst erop dat de politisering van de Commissie een rechtstreeks gevolg is van de in het Verdrag van Lissabon aangebrachte wijzigingen; merkt op dat deze wijzigingen geen bepalingen behelsden die het mogelijk maken om afzonderlijke commissarissen ter verantwoording te roepen;

7.  betreurt het ten zeerste dat de Commissie tijdens de benoemingsprocedure van de secretaris-generaal, zoals gesteld door de Ombudsman, "de desbetreffende regels noch naar de letter noch naar de geest heeft nageleefd";

8.  wijst erop dat de Verdragen geen duidelijke definitie geven van de uitvoerende macht van de EU en dat de op de verschillende beleidsterreinen verantwoordelijke instellingen van elkaar verschillen, afhankelijk van de vraag of zij worden geacht uitvoering te geven aan gedeelde of exclusieve bevoegdheden van de Unie;

9.  is van mening dat het nodig is een daadwerkelijk wetgevingssysteem met twee kamers tot stand te brengen met de Raad en het Parlement, waarbij de Commissie de uitvoerende macht vormt;

10.  wijst erop dat de rol van het Parlement in het toezicht op de uitvoerende macht wordt aangevuld met soortgelijke bevoegdheden van de nationale parlementen ten aanzien van hun eigen uitvoerende macht, bij de behandeling van Europese aangelegenheden; is van mening dat deze verantwoordingsplicht de hoeksteen vormt van de rol van nationale parlementen in de Europese Unie;

11.  is van mening dat de uitoefening van de controle over de uitvoerende macht door het Parlement overeenkomstig artikel 14 VEU moeilijk, zo niet soms onmogelijk, is gemaakt door het ontbreken van een duidelijke catalogus van bevoegdheden en beleid van de Unie en door de meerlagige toewijzing van bevoegdheden aan de uitvoerende macht op Europees, nationaal en regionaal niveau;

12.  herinnert eraan dat de Verdragen geen wetgevende taken of een initiatiefrecht inzake wetgeving toekennen aan de Europese Raad; is bezorgd over het feit dat de Europese Raad de afgelopen jaren, in strijd met de geest en de letter van de Verdragen, een aantal belangrijke politieke besluiten heeft genomen buiten het kader van de Verdragen om, en daarmee feitelijk die besluiten aan het toezicht van het Parlement onttrekt en de democratische verantwoordingsplicht ondermijnt die essentieel is voor dergelijk Europese beleid;

13.  herinnert eraan dat in het kader van de jaarlijkse begrotings- en kwijtingsprocedure het Verdrag in aanzienlijke politieke controlebevoegdheden voor het Parlement voorziet;

14.  herinnert eraan dat de kwijting een jaarlijkse politieke procedure is die waarborgt dat democratische controle achteraf wordt uitgeoefend op de wijze waarop de Commissie de begroting van de Europese Unie met gebruikmaking van haar eigen bevoegdheden en in samenwerking met de lidstaten uitvoert;

15.  wijst erop dat de kwijtingsprocedure een krachtig instrument is gebleken met gevolgen voor de positieve ontwikkeling van het begrotingsstelsel van de EU, het financieel beheer, de samenstelling van de agenda en de wijze waarop het EU-beleid wordt geformuleerd en uitgevoerd, en tegelijkertijd de politieke invloed die het Parlement kan uitoefenen heeft versterkt;

16.  wijst erop dat in artikel 318 VWEU een nieuw instrument wordt toegevoegd aan het instrumentarium van de kwijting: evaluatie van de financiën van de Unie aan de hand van de bereikte resultaten;

17.  stelt bezorgd vast dat er geen werkelijke juridische sanctie toegepast kan worden indien het Parlement besluit de Commissie geen kwijting te verlenen; benadrukt evenwel dat een weigering om kwijting te verlenen een sterk politiek signaal afgeeft, aangezien dit betekent dat het Parlement niet voldoende vertrouwen heeft in de verantwoording door de Commissie, en dat de Commissie dus op een dergelijke weigering moet reageren en specifieke vervolgmaatregelen moet nemen om de situatie te verbeteren;

18.  betreurt het dat door een gebrek aan loyale samenwerking van de Raad het niet mogelijk is om via de institutionele praktijk van kwijting voor de uitvoering van de begroting in het Parlement de begroting van de Raad te controleren en dat die toestand van een ernstig tekortschieten getuigt in de nakoming van de verplichtingen van het Verdrag dat bepaalt dat het Parlement de begroting van de hele Unie controleert;

19.  stelt voor, met het oog op uitbreiding van de controlebevoegdheid van het Parlement tot de volledige begroting van de Unie, om onderhandelingen te openen tussen de Raad, de Commissie en het Parlement opdat het recht op toegang van het Parlement tot de informatie over de uitvoering van de begroting van de Raad, hetzij rechtstreeks hetzij via de Commissie, wordt gewaarborgd, de Raad antwoordt op de schriftelijke vragen van het Parlement en aanwezig is op de hoorzittingen en debatten over de uitvoering van zijn begroting; is van mening dat als deze onderhandelingen mislukken, het Parlement alleen kwijting moet geven aan de Commissie en in die globale kwijting aparte resoluties moet opnemen voor de verschillende instellingen, organen en agentschappen van de Unie en er zo voor moet zorgen dat geen enkel onderdeel van de Europese begroting zonder passende controle wordt uitgevoerd;

20.  herinnert eraan dat de instellingen hun toezegging nog niet gestand hebben gedaan om criteria vast te stellen voor de afbakening van het gebruik van gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen, hoewel het IIA over beter wetgeven de procedure van gedelegeerde handelingen transparanter heeft gemaakt;

21.  herinnert eraan dat de Commissie het Parlement overeenkomstig artikel 247 van het Financieel Reglement uiterlijk op 31 juli van het volgende begrotingsjaar een geïntegreerde reeks financiële en verantwoordingsverslagen overlegt, bestaande uit met name de definitieve geconsolideerde rekeningen, het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag en de evaluatie van de financiën van de Unie op basis van de bereikte resultaten, als bedoeld in artikel 318 VWEU; dringt erop aan dat het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag een beoordeling omvat van alle preventieve en corrigerende maatregelen die zijn genomen tegen financiering die onderhevig is aan corruptie of belangenconflicten;

Aanbevelingen

22.  stelt dat de instrumenten om de Commissie ter verantwoording te roepen en die voor sturend toezicht, moeten worden gecombineerd om de doeltreffendheid van deze instrumenten te maximaliseren;

23.  dringt erop aan dat de wetgevende bevoegdheden van het Parlement en zijn rechten als toezichthouder worden gewaarborgd, geconsolideerd en versterkt, onder meer door interinstitutionele akkoorden en door het gebruik van de overeenkomstige rechtsgrondslag door de Commissie;

24.  acht het noodzakelijk dat het Parlement zijn werkmethoden herziet om zijn politieke controle over de Commissie te versterken;

25.  dringt er bij de Commissie op aan meer rekening te houden met de wetgevingsinitiatieven van het Parlement op grond van artikel 225 VWEU; verzoekt de volgende voorzitter van de Commissie dit doel na te streven en ontvangt in dit verband graag verklaringen van de Spitzenkandidaten; wenst dat meer initiatieven resulteren in wetgevingsvoorstellen; wijst erop dat, overeenkomstig artikel 10 van het IIA over beter wetgeven, de Commissie verplicht is de verzoeken om voorstellen voor Uniehandelingen onmiddellijk en uitgebreid te onderzoeken;

26.  prijst de Commissie voor de positieve follow-up die zij heeft gegeven aan de aanbevelingen in de resolutie van het Parlement van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon;

27.   is van mening dat, hoewel het Parlement op grond van de huidige Verdragen geen formeel initiatiefrecht inzake wetgeving heeft, serieus moet worden nagedacht over de mogelijkheid van toekenning van het initiatiefrecht inzake wetgeving in het kader van een toekomstige verdragswijziging;

28.  ijvert voor de uitwisseling van beste praktijken van parlementair toezicht tussen nationale parlementen, zoals het houden van regelmatige debatten tussen de respectieve ministers en de gespecialiseerde commissies in de nationale parlementen voor en na de vergaderingen van de Raad, en met leden van de Europese Commissie binnen een geschikt kader en passend tijdsbestek, evenals vergaderingen van het Europees Parlement met nationale parlementen; pleit voor de totstandkoming van reguliere uitwisselingen van ambtenaren van instellingen en fractiemedewerkers tussen de administratieve diensten van het Europees Parlement en de nationale parlementen, het Europees Comité van de Regio's en de regio's van de lidstaten die over wetgevende bevoegdheden beschikken;

29.  meent dat de instelling van een jaarlijkse Europese week leden van het Europees Parlement en commissarissen, met name vicevoorzitters die bevoegd zijn voor clusters, in staat zou stellen de Europese agenda ten overstaan van alle nationale parlementen te bespreken en toe te lichten, samen met parlementsleden en vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld; wijst erop dat dit initiatief de democratische verantwoordingsplicht van de Commissie overeenkomstig het Verdrag van Lissabon kan bevorderen;

30.  verzoekt het Parlement zijn capaciteit voor de controle van het ontwerp en de uitvoering van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen te versterken;

31.  is ingenomen met de huidige inspanningen van de drie instellingen om duidelijke criteria vast te leggen voor de afbakening van het gebruik van gedelegeerde en uitvoeringshandelingen; dringt erop aan dat deze criteria zo spoedig mogelijk worden toegepast;

32.  moedigt de nationale parlementen en, in voorkomend geval, regionale parlementen, aan om hun capaciteit van toezicht op hun uitvoerende macht te vergroten bij besluiten of voorstellen tot regelgeving in verband met de uitvoering of delegatie van Europese wetgeving;

33.  acht het noodzakelijk om in een toekomstige wijziging van het Verdrag de instrumenten te verbeteren aan de hand waarvan individuele commissarissen gedurende hun gehele ambtstermijn door het Parlement ter verantwoording kunnen worden geroepen, daarbij voortbouwend op de bestaande, enigszins beperkte bepalingen in het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Europees Parlement en de Europese Commissie;

34.  verzoekt de Commissie en de Raad, overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking, een politieke dialoog tot stand te brengen met betrekking tot het voorstel van het Parlement voor een verordening inzake het enquêterecht, teneinde het Parlement doeltreffende bevoegdheden toe te kennen om dit elementaire parlementaire instrument voor de controle op de uitvoerende macht, dat absoluut onontbeerlijk is in de parlementaire stelsels overal ter wereld, te kunnen toepassen;

35.  is overtuigd van het nut van parlementaire vragen als toezichtinstrument; acht het daarom noodzakelijk een grondige evaluatie uit te voeren van de kwaliteit van de antwoorden van de Commissie op de vragen van de leden, evenals van de hoeveelheid en kwaliteit van de door de leden gestelde vragen;

36.  beschouwt het vragenuur als een belangrijk onderdeel van de parlementaire controle op de uitvoerende macht; verzoekt de Conferentie van voorzitters het vragenuur op de agenda van de plenaire vergadering te plaatsen, overeenkomstig artikel 129 van het Reglement;

37.  verzoekt de Commissie nogmaals om haar administratieve procedure voor de benoeming van de secretaris-generaal, directeuren-generaal en directeuren te herzien, om ervoor te zorgen dat de beste kandidaten worden geselecteerd in een kader van maximale transparantie en gelijke kansen;

o
o   o

38.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de nationale parlementen en het Europees Comité van de Regio's.

(1) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.
(2) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 201.
(3) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 89.
(4) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 39.


Tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in het institutionele kader van de EU
PDF 174kWORD 60k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie in het institutionele kader van de EU (2017/2089(INI))
P8_TA-PROV(2019)0079A8-0051/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 7, 9, 10, 11, 21, 23 en 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 8, 9, 10 11, 12, 15, 16, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 67, lid 1, 258, 263, 267 en 352 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens,

–  gezien het memorandum van overeenstemming tussen de Raad van Europa en de Europese Unie,

–  gezien de adviezen en de lijst met criteria voor de rechtsstaat van de Commissie van Venetië,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten,

–  gezien het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), en gezien zijn resolutie van 12 september 2017 over het voorstel voor een besluit van de Raad over de sluiting, door de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld(1),

–  gezien zijn resolutie van 15 maart 2007 over de naleving van het Handvest van de grondrechten in wetgevingsvoorstellen van de Commissie: methodologie voor een systematische en grondige controle(2),

–  gezien zijn jaarlijkse resoluties over de situatie van de grondrechten in de EU,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(3),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over een Europese pijler van sociale rechten(4),

–  gezien zijn resolutie van 14 september 2017 over transparantie, verantwoordelijkheid en integriteit in de EU-instellingen(5),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(6),

–  gezien Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten(7),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 27 april 2005 getiteld "Naleving van het Handvest van de grondrechten in wetgevingsvoorstellen van de Commissie: methodologie voor een systematische en grondige controle" (COM(2005)0172),

–  gezien het verslag van de Commissie van 29 april 2009 over de praktische werking van de methodologie voor een systematische en grondige controle op de naleving van het Handvest van de grondrechten (COM(2009)0205),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 oktober 2010 getiteld "Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie" (COM(2010)0573),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 6 mei 2011 over operationele richtsnoeren voor het in aanmerking nemen van grondrechten in effectbeoordelingen door de Commissie (SEC(2011)0567),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2011 getiteld "Een centrale plaats voor mensenrechten en democratie in het externe optreden van de EU - Voor een meer doeltreffende aanpak" (COM(2011)0886),

–  gezien het strategisch kader en het actieplan van de EU voor mensenrechten en democratie van 25 juni 2012,

–  gezien de richtsnoeren van de Raad van 20 januari 2015 over methodologische stappen om de verenigbaarheid met de grondrechten in de voorbereidende instanties van de Raad te controleren,

–  gezien de richtsnoeren voor voorbereidende instanties van de Raad over verenigbaarheid met de grondrechten,

–  gezien het verslag van het voorzitterschap van de Raad van 13 mei 2016 van het seminar over de toepassing van het Handvest in nationaal beleid,

–  gezien de richtsnoeren van de Commissie van 19 mei 2015 voor de analyse van mensenrechteneffecten in het kader van effectbeoordelingen van handelsgerelateerde beleidsinitiatieven,

–  gezien de jaarverslagen van de Commissie over de toepassing van het EU-Handvest van de grondrechten,

–  gezien de jaarlijkse colloquia van de Commissie over de grondrechten,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 20 september 2016 in de gevoegde zaken C-8/15 P tot en met C-10/15 P, Ledra Advertising Ltd, e.a./Europese Commissie en Europese Centrale Bank (ECB)(8),

–  gezien het arrest van het HvJ-EU van 6 november 2018 in de gevoegde zaken C-569/16 en C-570/16, Stadt Wuppertal/Maria Elisabeth Bauer en Volker Willmeroth/Martina Broßonn(9),

–  gezien advies 2/13 van het Hvj-EU van 18 December 2014 over de toetreding van de Europese Unie tot het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden(10),

–  gezien advies 4/2018 van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA) van 24 september 2018 getiteld "Challenges and opportunities for the implementation of the Charter of Fundamental Rights",

–  gezien de jaarlijkse verslagen over de grondrechten van het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten,

–  gezien het handboek van het FRA van oktober 2018 getiteld "Applying the Charter of Fundamental Rights of the European Union in law and policymaking at national level – Guidance",

–  gezien het instrumentarium van de Commissie voor betere regelgeving, in het bijzonder instrument nr. 28 "Grondrechten en mensenrechten",

–  gezien artikel 38 van zijn Reglement,

–  gezien het advies van de secretaris-generaal van de Raad van Europa van 2 december 2016 inzake het initiatief van de Europese Unie om een Europese pijler van sociale rechten in het leven te roepen,

–  gezien het document over transparantie binnen de EU van de Nederlandse Cosac-delegatie van november 2017 getiteld "Opening up closed doors: Making the EU more transparent for its citizens", en de brief van de Cosac-delegaties aan de EU-instellingen van 20 december 2017 inzake de transparantie van de politieke besluitvorming binnen de EU,

–  gezien de studies getiteld "The implementation of the Charter of Fundamental Rights in the EU institutional framework", "The interpretation of Article 51 of the EU Charter of Fundamental Rights: the Dilemma of Stricter or Broader Application of the Charter to National Measures" en "The European Social Charter in the context of implementation of the EU Charter of Fundamental Rights", gepubliceerd door het directoraat-generaal Intern Beleid op respectievelijk 22 november 2016, 15 februari 2016 en 12 januari 2016(11),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en het advies van de Commissie verzoekschriften (A8-0051/2019),

A.  overwegende dat het Verdrag van Lissabon het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het Handvest" genoemd) de status van primaire wetgeving heeft toegekend binnen het rechtskader van de EU, waardoor het dezelfde juridische waarde heeft als de Verdragen;

B.  overwegende dat er in dit verslag geen beoordeling wordt gegeven van elk afzonderlijk recht dat in het Handvest is opgenomen, maar de tenuitvoerlegging van het Handvest als instrument van primaire wetgeving wordt geanalyseerd;

C.  overwegende dat sociale bepalingen een cruciaal onderdeel vormen van het Handvest en van de juridische structuur van de Unie; overwegende dat het belangrijk is om in de hele Unie de eerbiediging van de grondrechten te waarborgen en het belang van deze rechten te benadrukken;

D.  overwegende dat de grondrechten die in het Handvest worden erkend volgens het HvJ-EU een centrale plek innemen binnen de juridische structuur van de EU en dat eerbiediging ervan een absolute voorwaarde is voor de wettigheid van EU-handelingen;

E.  overwegende dat het Handvest, overeenkomstig de vereisten van de internationale mensenrechtenwetgeving en zijn artikel 51, zowel negatieve (niet-schending) als positieve (actieve bevordering) verplichtingen omvat, die in dezelfde mate moeten worden nageleefd om te waarborgen dat de bepalingen volledig operationeel zijn;

F.  overwegende dat in artikel 51 van het Handvest het toepassingsgebied van het Handvest wordt omschreven in termen van inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, het rekening houden met de bevoegdheden van de lidstaten en van de Unie en inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld;

G.  overwegende dat in artikel 51, lid 2, van het Handvest wordt bepaald dat het Handvest het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uitbreidt dan de bevoegdheden van de Unie reiken, geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie schept, noch de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken wijzigt;

H.  overwegende dat de instellingen, organen en instanties van de Unie altijd zijn gebonden aan het Handvest, zelfs wanner zij buiten het rechtskader van de EU handelen;

I.  overwegende dat de bepalingen van het Handvest, op grond van artikel 51, alleen van toepassing zijn op lidstaten wanneer zij het Unierecht ten uitvoer leggen; overwegende dat de onzekere grenzen van een dergelijke vereiste het echter moeilijk maken om te bepalen of en hoe het Handvest concreet moet worden toegepast;

J.  overwegende dat het potentieel van de sociale en economische rechten die zijn opgenomen in het Handvest tot nu toe onvoldoende is benut; overwegende dat eerbiediging van de sociale rechten volgens het advies van de secretaris-generaal van de Raad van Europa niet alleen een ethische en juridische verplichting is, maar ook een economische noodzaak vormt;

K.  overwegende dat in artikel 6 VEU ook wordt benadrukt dat de grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM, als algemene beginselen deel uitmaken van het recht van de Unie;

L.  overwegende dat artikel 151 VWEU verwijst naar de sociale grondrechten zoals vastgelegd in het Europees Sociaal Handvest;

M.  overwegende dat in zijn studie van 22 november 2016 getiteld "The Implementation of the Charter of Fundamental Rights in the EU institutional framework"(12) (De tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten in het institutionele kader van de EU) onder meer de relevantie van het Handvest voor de activiteiten van de Commissie in het kader van het Verdrag tot instelling van het Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM-verdrag) en in de context van het Europees Semester wordt behandeld; overwegende dat er weinig aandacht wordt besteed aan de sociale rechten van het Handvest bij het economische bestuur van de Unie; overwegende dat deze rechten als ware grondrechten moeten worden beschouwd;

N.  overwegende dat de verbintenis in de Europese pijler van sociale rechten met betrekking tot het verwezenlijken van nieuwe en meer doeltreffende rechten voor burgers op het vlak van gelijke kansen, toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming en inclusie, de in het Handvest verankerde rechten verder versterkt;

O.  overwegende dat het beginsel van gendergelijkheid een van de kernwaarden van de EU is dat in de EU-Verdragen en in het EU-Handvest is verankerd; overwegende dat het gendermainstreamingsbeginsel is neergelegd in artikel 8 VWEU, dat bepaalt dat de Unie er bij elk optreden naar streeft de ongelijkheden tussen mannen en vrouwen op te heffen en de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen;

P.  overwegende dat transparantie van de wetgevings- en besluitvormingsprocedures van de EU een uitvloeisel is van het recht op goed bestuur, zoals uiteengezet in artikel 41 van het Handvest, en een essentiële voorwaarde voor burgers om de tenuitvoerlegging van het Handvest door de EU-instellingen te beoordelen en er naar behoren toezicht op te houden;

Q.  overwegende dat de bevordering, door de instellingen, organen en instanties van de EU, van het brede spectrum rechten dat in het Handvest is opgenomen door de lidstaten en de instellingen en organen van de Unie – variërend van burgerlijke en politieke tot sociale en economische rechten en rechten van de derde generatie – een cruciale impuls zou geven aan de ontwikkeling van een Europese publieke sfeer en een tastbare expressie zou vormen van het concept van Europees burgerschap en van de participatieve dimensie van de EU die in de Verdragen is verankerd;

R.  overwegende dat het FRA een aantal aanbevelingen heeft opgesteld voor de doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten in zijn adviezen getiteld "Improving access to remedy in the area of business and human rights at the EU level"(13) (Verbetering van de toegang tot rechtsmiddelen op het gebied van het bedrijfsleven en de mensenrechten op EU-niveau) en "Challenges and opportunities for the implementation of the Charter of Fundamental Rights"(14) (Uitdagingen en kansen voor de tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten);

S.  overwegende dat in artikel 24 van het Handvest de rechten van het kind zijn vastgelegd, waarbij de overheid en particuliere instellingen worden verplicht om de belangen van het kind voorop te stellen;

T.  overwegende dat in artikel 14 van het Handvest het recht van elk kind op vrij onderwijs wordt benadrukt;

Versterking van de integratie van het Handvest in de wetgevings- en besluitvormingsprocessen

1.  is er stellig van overtuigd dat de Strategie voor een doeltreffende tenuitvoerlegging van het Handvest van de grondrechten door de Europese Unie (COM(2010)0573) een initiële inspanning na de inwerkingtreding van het Handvest was, maar dringend moet worden geactualiseerd; is ingenomen met de jaarlijkse verslagen over de toepassing van het Handvest door de Commissie, en verzoekt om een herziening van deze in 2010 opgestelde strategie, teneinde deze aan te passen aan de nieuwe uitdagingen en institutionele realiteit, met name na de brexit;

2.  erkent de verschillende belangrijke stappen die de EU-instellingen hebben genomen om het Handvest te integreren in het wetgevings- en besluitvormingsproces van de EU; merkt op dat de belangrijkste rol van het Handvest erin bestaat te waarborgen dat de EU-wetgeving volledig in overeenstemming is met de rechten en beginselen die in het Handvest zijn verankerd, en erkent de moeilijkheden bij het actief bevorderen en het waarborgen van hun verwezenlijking;

3.  onderstreept dat de in het Handvest verankerde grondrechten in alle voorstellen voor wetgeving van de Unie in acht moeten worden genomen;

4.  herinnert eraan dat de procedures die door de EU‑instellingen zijn vastgesteld om de verenigbaarheid van wetgevingsvoorstellen met het Handvest te beoordelen, grotendeels van interne aard zijn; vraagt te voorzien in betere vormen van raadpleging, effectbeoordelingen, met inbegrip van specifieke gendereffectbeoordelingen, en juridische toetsing met betrokkenheid van onafhankelijke deskundigen op het gebied van grondrechten; roept de Commissie op een gestructureerde en gereguleerde samenwerking te bevorderen met mensenrechteninstanties als het FRA, het Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), en de relevante instanties van de Raad van Europa en de Verenigde Naties, en maatschappelijke organisaties die actief zijn op dit gebied, telkens wanneer een wetgevingsdossier grondrechten potentieel bevordert of negatief beïnvloedt;

5.  roept de Commissie, de Raad en het Parlement op Verordening (EG) nr. 168/2007 te herzien zodat het FRA op eigen initiatief niet-bindende adviezen kan uitbrengen met betrekking tot ontwerpwetgeving van de EU en om systematische raadplegingen te bevorderen met het Agentschap;

6.  roept de Commissie, de andere EU-instellingen en de nationale en regionale overheden van de lidstaten op om het FRA te raadplegen wanneer er grondrechten in het geding zijn;

7.  onderkent de essentiële rol van het FRA bij de beoordeling van de naleving van het Handvest, en looft de werkzaamheden die het Agentschap heeft verricht; spoort het FRA ertoe aan om de EU-instellingen en de lidstaten te blijven adviseren en ondersteunen voor wat betreft de verbetering van het klimaat op het vlak van de grondrechten in de hele Unie; is ingenomen met de onlangs goedgekeurde strategie van het FRA voor de periode 2018-2022;

8.  neemt kennis van het interactieve online-instrument Clarity dat door het FRA is ontwikkeld om gemakkelijk te kunnen vaststellen wat de meest geschikte niet-rechterlijke instantie met een mensenrechtenmandaat is voor een bepaalde grondrechtenkwestie;

9.  verzoekt de Commissie te zorgen voor uitgebreide effectbeoordelingen door middel van een evenwichtige evaluatie van de economische, sociale en milieugevolgen en haar besluit te herzien om bij haar effectbeoordelingen de overwegingen over de grondrechten in de drie bestaande categorieën – economische, sociale en milieu-impact – in te delen, en twee specifieke categorieën "gevolgen voor de grondrechten" en "gendereffectbeoordeling" in het leven te roepen, teneinde te waarborgen dat alle aspecten van de grondrechten worden beoordeeld;

10.  verzoekt de Commissie op Unieniveau stelselmatig actie te ondernemen om de bepalingen van het Handvest te waarborgen en na te leven en ervoor te zorgen dat de Uniewetgeving wordt aangepast om rekening te houden met de juridische en jurisprudentiële ontwikkelingen van de internationale mensenrechtenwetgeving; herhaalt in dit verband zijn verzoek aan de Commissie om een voorstel in te dienen dat gevolg geeft aan de resolutie van het Parlement van 25 oktober 2016 betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(15), dat het mogelijk maakt om ontwikkelingen binnen de instellingen en organen van de EU en binnen de lidstaten waarvoor maatregelen moeten worden getroffen om de rechten, vrijheden en beginselen van het Handvest te beschermen en eraan te voldoen, systematisch te screenen; stelt met name voor dat de in de criteria van Kopenhagen vervatte voorwaarden met betrekking tot de grondrechten niet één keer worden gebruikt als toetredingsvoorwaarden, maar dat de lidstaten op gezette tijden aan deze voorwaarden worden getoetst;

11.  merkt op dat de Ombudsman ook een relevante rol speelt bij het waarborgen van de eerbiediging van de grondrechten in het kader van het Handvest, niet alleen met betrekking tot artikel 41 betreffende het recht op behoorlijk bestuur zelf, maar ook rekening houdend met het feit dat een dergelijk goed bestuur van cruciaal belang is voor het waarborgen van andere grondrechten; herinnert aan het voorbeeldige werk van de Ombudsman op onder meer het gebied transparantie en vrijheid van informatie, alsook aan het speciaal verslag over Frontex(16) tijdens deze zittingsperiode dat met name betrekking heeft op het klachtenrecht van asielzoekers en migranten;

12.  beseft dat jurisprudentie gevolgen zal hebben voor het toepassingsgebied van het Handvest en dat hiermee rekening moet worden gehouden;

13.  roept de EU-wetgevers op de uitkomsten van het arrest van het Gerecht van 22 maart 2018 (zaak T-540/15) inzake toegang tot de documenten van de trialogen(17) te erkennen en ten uitvoer te leggen; houdt staande dat de EU-instellingen onderling moeten zorgen voor meer transparantie en ruimere toegang tot elkaars documenten, met het oog op een doelmatigere interinstitutionele samenwerking, met inbegrip van verantwoordingsplicht op het vlak van kwesties die te maken hebben met de grondrechten; dringt er bij de Raad op aan, in overeenstemming met de desbetreffende aanbevelingen van de Europese Ombudsman, aandacht te besteden aan de punten van zorg die zijn aangekaart met betrekking tot de transparantie van zijn besluitvormingsproces en de toegang tot documenten;

Het Handvest mainstreamen in het EU-beleid

14.  herinnert eraan dat de beleidsvorming van de EU gebaseerd is op de beginselen en doelstellingen die zijn uiteengezet in artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 VEU, en dat hierbij de vereisten die zijn verankerd in de bepalingen in titel II, deel I, van het VWEU, die algemeen van toepassing zijn, volledig moeten worden onderschreven en ten uitvoer moeten worden gelegd;

15.  dringt er bij de EU-instellingen op aan de toepassing van gendermainstreaming in alle activiteiten van de EU te versterken, om genderdiscriminatie te bestrijden en gendergelijkheid te bevorderen;

16.  herhaalt dat alle door de EU vastgestelde rechtshandelingen volledig in overeenstemming dienen te zijn met de bepalingen van het Handvest, waaronder de sociale bepalingen; benadrukt het belang dat er in het rechtskader dat het economisch en monetair beleid van de EU beheerst, uitdrukkelijk wordt verwezen naar het Handvest; benadrukt dat een beroep op intergouvernementele regelingen EU-instellingen niet vrijwaart van hun verplichtingen om de verenigbaarheid van dergelijke instrumenten met het EU-recht, waaronder het Handvest, te beoordelen;

17.  acht het van cruciaal belang dat de Unie resolute stappen zet om haar eigen toezeggingen wat betreft het waarborgen van alle rechten van het Handvest, waaronder sociale rechten, te versterken;

18.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het proces van het Europees semester, met inbegrip van de landenspecifieke aanbevelingen en de aanbevelingen in het kader van de jaarlijkse groeianalyse, in overeenstemming is met de normatieve componenten van de sociale rechten van het Handvest;

19.  steunt het opnemen van sterke en consistente grondrechtenclausules in de operationele teksten van de ontwerpverordeningen tot instelling van de EU-fondsen;

20.  roept de Commissie en de Raad op macro-economische besluiten te nemen met inachtneming van grondrechtenbeoordelingen en op basis van de volledige waaier aan civiele, politieke en sociale rechten die worden gewaarborgd door de Europese en internationale mensenrechteninstrumenten;

21.  moedigt de Commissie aan te onderzoeken welke stappen moeten worden ondernomen om de Europese Unie te laten toetreden tot het Europees Sociaal Handvest en hiervoor een tijdsschema voor te stellen;

22.  wijst er op dat het op grond van de in de Verdragen vastgelegde bevoegdheden in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten is om sociaal beleid te voeren en derhalve ervoor te zorgen dat de sociale bepalingen die in het Handvest zijn verankerd, doelmatig ten uitvoer worden gelegd en tot tastbare resultaten leiden; wijst echter nogmaals op zijn voorstel om, in het kader van een mogelijke herziening van de Verdragen, een sociaal protocol in de Verdragen te integreren teneinde de fundamentele sociale rechten met betrekking tot economische vrijheden te versterken;

23.  neemt nota van de feitelijk cruciale, maar informele rol van de Eurogroep in het economische bestuur van de eurozone en van de gevolgen die de besluiten van deze groep kunnen hebben op de beleidsvorming, zonder dat deze invloed wordt gecompenseerd door passende mechanismen van democratische verantwoording en rechterlijke controle; herinnert de leden daarvan aan hun horizontale verplichtingen uit hoofde van de artikelen 2 en 6 VEU en van het Handvest;

24.  verzoekt de Commissie en de Europese Centrale Bank om het Handvest volledig na te leven bij de vervulling van hun taken in het kader van het Europees Stabiliteitsmechanisme en de kredietverleningspraktijken hiervan, in het licht van de jurisprudentie van het HvJ-EU;

25.  herinnert eraan dat het optreden van de Unie op het internationale toneel moet worden geleid door de beginselen die zijn verankerd in artikel 21, lid 1, VEU; is ervan overtuigd dat volledige eerbiediging en bevordering van de bepalingen van het Handvest binnen de EU een benchmark vormt voor de beoordeling van de legitimiteit en geloofwaardigheid van het optreden van de Unie in haar internationale betrekkingen, onder meer in het kader van het uitbreidingsproces uit hoofde van artikel 49 VEU;

26.  wijst op de beperkte rechtsmacht van het HvJ-EU op het terrein van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en waarschuwt voor een potentiële beperking van de rechten op een doeltreffende voorziening in rechte die zijn verankerd in het Handvest;

27.  herinnert de EU-instellingen aan hun verplichtingen inzake mensenrechten binnen het toepassingsgebied van het Handvest, ook op het gebied van het handelsbeleid; spoort de Commissie aan specifieke effectbeoordelingen inzake mensenrechten uit te voeren voordat er onderhandelingen over handelsovereenkomsten worden afgerond, onder verwijzing naar de richtsnoeren van de VN voor effectbeoordelingen inzake mensenrechten bij handels- en investeringsovereenkomsten;

28.  herinnert eraan dat zowel in de Verdragen als in het Handvest wordt verwezen naar de bescherming van nationale minderheden en discriminatie op grond van taal; dringt erop aan binnen de EU-instellingen concrete administratieve stappen te nemen om de nationale regeringen aan te moedigen duurzame oplossingen te vinden en de cultuur van taalverscheidenheid in hun lidstaat te bevorderen, ook buiten de officiële EU-talen;

29.  herinnert aan de in artikel 6 VEU vastgelegde verplichting om tot het EVRM toe te treden; verzoekt de Commissie de nodige stappen te nemen om uiteindelijk de juridische obstakels weg te nemen die afronding van het toetredingsproces in de weg staan, en een nieuwe overeenkomst voor de toetreding van de Unie tot het EVRM te presenteren die positieve oplossingen bevat voor de tekortkomingen die het HvJ-EU in advies 2/13 van 18 december 2014 heeft vastgesteld; is van mening dat de afronding nadere waarborgen zal bieden voor de bescherming van de grondrechten van burgers en ingezetenen van de Unie en een extra mechanisme zal verschaffen om mensenrechten af te dwingen, namelijk de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij het EHRM met betrekking tot een schending van de mensenrechten die het gevolg is van het handelen of niet handelen van een EU-instelling of een lidstaat bij de tenuitvoerlegging van EU-wetgeving, als dit binnen het toepassingsgebied van het EVRM valt; wijst erop dat de jurisprudentie van het EHRM bijgevolg zal zorgen voor een bijkomende inbreng voor het huidige en toekomstige optreden van de EU met betrekking tot de eerbiediging en de bevordering van de fundamentele vrijheden op het vlak van burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, naast de jurisprudentie van het HvJ-EU op dit gebied;

30.  dringt erop aan de goedkeuring van de horizontale antidiscriminatierichtlijn(18) onverwijld af te ronden, teneinde meer grondrechten in de EU te waarborgen door middel van concrete EU-wetgeving;

Het Handvest en de EU-agentschappen

31.  benadrukt het potentieel dat bepaalde EU-agentschappen hebben om ondersteuning te bieden aan lidstaten bij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van het Handvest, door regelmatig op te treden als een operationele schakel tussen de EU- en de nationale domeinen; wijst erop dat deze taak alleen effectief kan worden uitgevoerd door een volledige grondrechtenpraktijk te ontwikkelen binnen de agentschappen die actief zijn op het gebied van justitie en binnenlandse zaken en/of wier activiteiten een impact kunnen hebben op de rechten en beginselen die voortvloeien uit het Handvest, waarbij rekening gehouden wordt met zowel de interne als externe dimensies van de bescherming en bevordering van grondrechten;

32.  roept de betrokken EU-agentschappen op meer werk te maken van de tenuitvoerlegging van de in het Handvest vastgelegde beginselen inzake gendergelijkheid, onder meer door ervoor te zorgen dat alle instellingen en agentschappen van de EU een beleid van nultolerantie voeren ten aanzien van alle vormen van seksueel geweld en fysieke of psychologische intimidatie; roept alle instellingen en agentschappen van de EU op om zijn resolutie van 26 oktober 2017 over de bestrijding van seksuele intimidatie en seksueel misbruik in de EU(19) volledig ten uitvoer te leggen,

33.  neemt nota van de uiteenlopende reeks beleidslijnen en instrumenten die door verschillende agentschappen is ontwikkeld om te voldoen aan hun fundamentele verplichtingen op het gebied van mensenrechten, die hebben geresulteerd in een variërende mate van uitvoering; benadrukt dat het noodzakelijk is de samenwerking tussen EU-agentschappen te verbeteren, gestructureerde dialogen op te zetten met onafhankelijke deskundigen op het gebied van mensenrechten en voort te bouwen op bestaande beste praktijken, om stappen te maken in de richting van een gemeenschappelijk en versterkt mensenrechtenkader;

34.  roept de EU-agentschappen die actief zijn op het gebied van justitie en binnenlandse zaken en/of wier activiteiten een impact kunnen hebben op de rechten en beginselen die voortvloeien uit het Handvest internationale grondrechtenstrategieën vast te stellen en ervoor te zorgen dat hun personeel op alle niveaus regelmatig cursussen over grondrechten en het Handvest volgt;

35.  betreurt het dat in de oprichtingsverordeningen van veel EU-agentschappen niet expliciet wordt verwezen naar het Handvest; roept de medewetgevers op deze leemten, indien nodig, op te vullen bij de opstelling of herziening van verordeningen of besluiten tot oprichting van agentschappen en, met inachtneming van het mandaat en de specifieke kenmerken van elk individueel agentschap, te voorzien in aanvullende operationele mechanismen om de naleving van het Handvest te waarborgen;

De lidstaten ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van het Handvest op nationaal niveau

36.  herinnert eraan dat de EU- en nationale dimensies van het Handvest onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden en elkaar aanvullen door te garanderen dat de bepalingen van het Handvest consequent worden toegepast binnen het hele rechtskader van de EU;

37.  wijst op het aanhoudende gebrek aan bekendheid met het Handvest, het toepassingsgebied en de mate van toepassing bij zowel degenen die erdoor worden beschermd als juridische en mensenrechtendeskundigen, en betreurt het dat er zo weinig actie wordt ondernomen op nationaal niveau om iets aan deze tekortkoming te doen;

38.  verzoekt de Commissie haar voorlichtingsactiviteiten met betrekking tot het Handvest te intensiveren, met volledige betrokkenheid van maatschappelijke organisaties, en op het Handvest gerichte opleidingsmodules voor nationale rechters, rechtsbeoefenaars en ambtenaren te bevorderen en financieren, met als doel de kennis te vergroten van het beleid en het recht van de Unie, waaronder materieel en procesrecht, het gebruik van de EU-instrumenten voor justitiële samenwerking, de relevante jurisprudentie van het HvJ-EU, het juridisch taalgebruik en vergelijkend recht; roept de Commissie verder op de lidstaten praktische richtsnoeren te verschaffen om hen te ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van het Handvest op nationaal niveau; verzoekt de Commissie in dit kader volledige zichtbaarheid te geven aan het onlangs door het FRA gepubliceerde handboek "Applying the Charter of Fundamental Rights of the European Union in law and policymaking at national level";

39.  moedigt de lidstaten aan regelmatig informatie en ervaringen uit te wisselen over het gebruik, de tenuitvoerlegging van en het toezicht op het Handvest, en de voorbeelden van optimale praktijken die al op nationaal niveau zijn ontwikkeld, te mainstreamen; moedigt de lidstaten aan hun procedureregels inzake juridische toetsing en effectbeoordelingen van wetsvoorstellen te herzien vanuit het perspectief van het Handvest; merkt op dat dergelijke procedures uitdrukkelijk moeten verwijzen naar het Handvest, zoals zij ook verwijzen naar nationale mensenrechteninstrumenten, zodat het risico dat het Handvest over het hoofd wordt gezien, tot een minimum wordt beperkt;

40.  wijst erop dat de lacunes in de omzetting en de correcte tenuitvoerlegging van het EU-recht in de lidstaten reële gevolgen kunnen hebben voor de uitoefening van de EU-grondrechten; herinnert in dit verband aan de rol van de Commissie als hoedster van de Verdragen, en herinnert eraan dat zij dus eindverantwoordelijke – of zelfs primair verantwoordelijke – is voor de bescherming van de grondrechten, zo nodig door middel van inbreukprocedures; roept in dit verband op tot meer vastberaden leiderschap bij het waarborgen van een adequate tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving;

Naar een consequentere uitlegging van het Handvest

41.  is ervan overtuigd dat de verschillende interpretaties van instellingen, organen en instanties van de EU en de lidstaten bij de toepassing van de bepalingen van het Handvest, afbreuk doen aan de meerwaarde die het Handvest kan bieden in de vorm van een reeks gemeenschappelijke minimumnormen van bescherming die horizontaal gelden voor alle institutionele spelers, al het beleid en alle activiteiten in het EU-domein;

42.  benadrukt dat de opneming van het Handvest in de primaire wetgeving van de EU, zonder de bevoegdheden van de Unie uit te breiden en met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, zoals is vastgelegd in artikel 51 ervan, zorgt voor nieuwe verantwoordelijkheden voor de instellingen die belast zijn met besluitvorming en uitvoering, alsook voor de lidstaten in het kader van de nationale tenuitvoerlegging van de Europese regelgeving, en dat de bepalingen van het Handvest op deze manier rechtstreeks kunnen worden afgedwongen door Europese en nationale rechtbanken;

43.  moedigt de EU-instellingen en lidstaten aan een meer rechtlijnige toepassing van het Handvest in zijn geheel mogelijk te maken;

44.  betreurt het dat de Republiek Polen en het Verenigd Koninkrijk tot op heden niet hebben beslist om af te zien van Protocol nr. 30 van de Verdragen;

o
o   o

45.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 167.
(2) PB C 301E van 13.12.2007, blz. 229.
(3) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(4) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.
(5) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 120.
(6) PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.
(7) PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1.
(8) ECLI:EU:C:2016:701.
(9) ECLI:EU:C:2018:871.
(10) ECLI:EU:C:2014:2454.
(11) Studie getiteld "The implementation of the Charter of Fundamental Rights in the EU institutional framework", Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsafdeling C, 22 november 2016; studie getiteld "The interpretation of Article 51 of the EU Charter of Fundamental Rights: the Dilemma of Stricter or Broader Application of the Charter to National Measures", directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsafdeling C, 15 februari 2016, en de studie getiteld "The European Social Charter in the context of implementation of the EU Charter of Fundamental Rights" van 12 januari 2016.
(12) "The Implementation of the Charter of Fundamental Rights in the EU institutional framework", Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling C – Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, 22 november 2016.
(13) Advies FRA 1/2017, 10 april 2017.
(14) Advies FRA 4/2018, 24 september 2018.
(15) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(16) Resolutie van het Europees Parlement van 2 december 2015 over het speciaal verslag van de Europese Ombudsman betreffende het onderzoek op eigen initiatief naar Frontex (OI/5/2012/BEH-MHZ), PB C 399, van 24.11.2017, blz. 2.
(17) Arrest van het Gerecht van 22 maart 2018, Emilio de Capitani tegen Europees Parlement, T-540/15, ECLI:EU:T:2018:167.
(18) Voorstel van de Commissie voor een richtlijn van de Raad van 2 juli 2008 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid (COM(2008)0426).
(19) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 192.


Statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (statuut van de Europese Ombudsman)
PDF 169kWORD 58k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de ontwerpverordening van het Europees Parlement inzake het statuut en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van de Europese ombudsman (statuut van de Europese Ombudsman) en tot intrekking van Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom (2018/2080(INL)2019/0900(APP))
P8_TA-PROV(2019)0080A8-0050/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 228, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien de artikelen 41 en 43 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien de artikelen 45 en 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en het advies van de Commissie verzoekschriften (A8-0050/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de bijgevoegde ontwerpverordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter de bijgevoegde ontwerpverordening te doen toekomen aan de Raad en de Commissie in het kader van de procedure van artikel 228, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter, nadat de Raad de bijgevoegde ontwerpverordening na advies van de Commissie heeft goedgekeurd, te zorgen voor publicatie van de verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie.

BIJLAGE BIJ DE RESOLUTIE

Ontwerpverordening van het Europees Parlement inzake het statuut en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van de Europese ombudsman (statuut van de Europese Ombudsman) en tot intrekking van Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom

HET EUROPEES PARLEMENT,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 228, lid 4,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de goedkeuring van de Raad,

Gezien het advies van de Commissie,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het statuut van de Europese ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van de ombudsman moeten worden vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 20, lid 2, onder d), en artikel 228, het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(2)  Meer bepaald wordt in artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie het recht op behoorlijk bestuur als een grondrecht van de Europese burgers erkend. In artikel 43 van het Handvest is het recht neergelegd om zich in verband met gevallen van wanbeheer in het optreden van de instellingen, organen en instanties tot de Europese ombudsman te wenden. Met het oog op de doeltreffendheid van deze rechten en teneinde de ombudsman beter in staat te stellen om grondig en onpartijdig onderzoek te verrichten, moet de ombudsman kunnen beschikken over alle instrumenten die nodig zijn om de in de Verdragen en onderhavige verordening bedoelde taken met succes te kunnen uitvoeren.

(3)  Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement(1) is laatstelijk gewijzigd in 2008. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009 werd voorzien in een nieuw rechtskader voor de Unie. Meer bepaald is het Europees Parlement overeenkomstig artikel 228, lid 4, VWEU, bevoegd om, na advies van de Commissie en met goedkeuring van de Raad, bij verordeningen het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van de ombudsman vast te stellen. Het is dan ook wenselijk om Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom in te trekken en te vervangen door een verordening overeenkomstig de nu geldende rechtsgrondslag.

(4)  Bij de vaststelling van de voorwaarden waaronder een klacht bij de ombudsman kan worden ingediend, moet het beginsel van volledige, vrije en gemakkelijke toegang in acht worden genomen, onverminderd specifieke beperkingen met betrekking tot de samenloop van nieuwe of lopende gerechtelijke of administratieve procedures.

(5)  Als de ombudsman van oordeel is dat een instelling, orgaan of instantie van de Unie niet op de juiste wijze uitvoering geeft aan een rechterlijke uitspraak, kan hij aanbevelingen doen.

(6)  Het is noodzakelijk de procedures vast te stellen die moeten worden gevolgd wanneer uit onderzoek van de ombudsman blijkt dat er sprake is van wanbeheer. Ook moet worden bepaald dat de ombudsman aan het einde van iedere jaarlijkse zitting bij het Europees Parlement een omvattend verslag moet indienen.

(7)  Ter versterking van de rol van de ombudsman is het wenselijk de ombudsman in staat te stellen om, naast diens primaire taak om klachten te behandelen, op eigen initiatief onderzoeken in te stellen om herhaalde of zeer ernstige gevallen van wanbeheer op te sporen en goede administratieve praktijken binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie te bevorderen.

(8)  Om de doeltreffendheid van het optreden van de ombudsman te vergroten, moet de ombudsman het recht hebben om uit eigen beweging of naar aanleiding van een klacht onderzoek te verrichten in vervolg op eerder onderzoek om vast te stellen of en zo ja in hoeverre de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan gevolg heeft gegeven aan de gedane aanbevelingen. De ombudsman moet voorts het recht hebben om in het jaarverslag van de ombudsman aan het Europees Parlement een beoordeling op te nemen van het nalevingspercentage van de aanbevelingen van de ombudsman, alsook een beoordeling van de toereikendheid van de middelen waarover de ombudsman kan beschikken om alle in de Verdragen en onderhavige verordening bedoelde taken te vervullen.

(9)  De ombudsman moet toegang hebben tot alle elementen die nodig zijn voor de uitoefening van het ambt van de ombudsman. Daartoe moeten de instellingen, organen en instanties van de Unie worden verplicht de ombudsman alle inlichtingen te verstrekken waarom deze verzoekt, onverminderd de verplichtingen die krachtens Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad(2) op de ombudsman rusten. Toegang tot gerubriceerde gegevens en documenten moet uitsluitend worden verleend indien de regels inzake de verwerking van vertrouwelijke informatie van de betrokken instellingen, organen of instanties van de Unie worden nageleefd. De instellingen, organen of instanties die gerubriceerde gegevens of documenten verstrekken, moeten de ombudsman van de rubricering daarvan op de hoogte stellen. Voor de tenuitvoerlegging van de regels inzake de verwerking van vertrouwelijke informatie door de betrokken instellingen, organen of instanties van de Unie, moet de ombudsman vooraf met de betrokken instellingen, organen of instanties overeenstemming bereiken over de voorwaarden voor de behandeling van gerubriceerde gegevens of documenten en andere informatie die onder de verplichting inzake beroepsgeheim valt. Indien de ombudsman van oordeel is dat de gevraagde bijstand niet wordt verleend, moet de ombudsman hiervan melding maken aan het Europees Parlement, dat passende stappen dient te ondernemen.

(10)  De ombudsman en het personeel van de ombudsman moeten verplicht worden de informatie waarvan zij in het kader van de uitoefening van hun taken kennis hebben genomen, geheim te houden. Indien de ombudsman evenwel in het kader van een onderzoek kennis heeft genomen van feiten die de ombudsman onder het strafrecht vallen, dient de ombudsman de bevoegde autoriteiten hiervan op de hoogte brengen. De ombudsman moet ook de betrokken instellingen, organen of instanties van de Unie op de hoogte kunnen brengen van feiten die ongeoorloofd gedrag van een van hun personeelsleden aan het licht brengen.

(11)  Er moet rekening worden gehouden met de recente wijzigingen met betrekking tot de bescherming van de financiële belangen van de Unie tegen strafbare feiten, met name de instelling van het Europees Openbaar Ministerie bij Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(3), zodat de ombudsman het Europees Openbaar Ministerie in kennis kan stellen van alle informatie die onder de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie valt. Met het oog op de volledige eerbiediging van het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging zoals neergelegd in artikel 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is het voorts wenselijk dat de ombudsman bij de kennisgeving aan het Europees Openbaar Ministerie van onder de bevoegdheid van het Europees Openbaar Ministerie vallende informatie, aan de betrokken persoon en aan de klager melding doet van deze kennisgeving.

(12)  De ombudsman moet kunnen samenwerken met soortgelijke instanties in de lidstaten, met eerbiediging van de toepasselijke nationale wetgeving. Het is voorts wenselijk om stappen te nemen om de ombudsman in staat te stellen samen te werken met het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten, aangezien een dergelijke samenwerking kan leiden tot een doeltreffender uitvoering door de ombudsman van zijn taken.

(13)  Het is de taak van het Europees Parlement om de ombudsman aan het begin en voor de duur van elke zittingsperiode te benoemen. De ombudsman moet worden gekozen uit een lijst van personen die Unieburgers zijn en alle vereiste waarborgen van onafhankelijkheid en bekwaamheid bieden. Ook dient te worden vastgesteld onder welke voorwaarden de ambtsvervulling van de ombudsman eindigt en dienen de voorwaarden voor vervanging van de ombudsman te worden vastgesteld.

(14)  Het ambt van de ombudsman dient in volledige onafhankelijkheid te worden uitgeoefend. Hiertoe moet de ombudsman zich plechtig verbinden bij de ambtsaanvaarding ten overstaan van het Hof van Justitie. De onverenigbaarheden, de bezoldiging en de voorrechten en immuniteiten van de ombudsman moeten worden vastgesteld.

(15)  Er moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de zetel van de ombudsman, waarbij de zetel van de ombudsman gelijk moet zijn aan die van het Europees Parlement. Voorts moeten er niet alleen bepalingen worden vastgesteld inzake de ambtenaren en personeelsleden van het secretariaat dat de ombudsman zal bijstaan, maar ook inzake de begroting daarvoor.

(16)  Het is aan de ombudsman om de uitvoeringsbepalingen voor deze verordening vast te stellen. Teneinde de rechtszekerheid en de hoogste normen voor de uitoefening van het ambt van de ombudsman te waarborgen, moet in deze verordening worden vastgesteld welke voorschriften minimaal in de uitvoeringsbepalingen opgenomen moeten worden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.  Bij deze verordening worden het statuut van de ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van het ambt van de ombudsman ("statuut van de Europese ombudsman") vastgesteld.

2.  De ombudsman handelt onafhankelijk van de instellingen, organen en instanties van de Unie, overeenkomstig de krachtens de Verdragen aan de ombudsman toegekende bevoegdheden, en houdt naar behoren rekening met de artikelen 20, lid 2, onder d), en 228 VWEU, alsook met artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie betreffende het recht op behoorlijk bestuur.

3.  Bij de uitvoering van de in de Verdragen en in deze verordening genoemde taken mag de ombudsman niet interveniëren in een procedure voor een rechterlijke instantie en evenmin de gegrondheid van een rechterlijke beslissing of de bevoegdheid van een rechterlijke instantie om een uitspraak te doen, ter discussie stellen.

Artikel 2

1.  De ombudsman helpt bij het aan het licht brengen van wanbeheer bij de activiteiten van de instellingen, organen en instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van diens gerechtelijke taken, en doet waar passend aanbevelingen om het wanbeheer te beëindigen. Over het optreden van andere autoriteiten of personen kan bij de ombudsman geen klacht worden ingediend.

2.  Elke Unieburger of elke natuurlijke of rechtspersoon met verblijfplaats of statutaire zetel in een lidstaat heeft het recht zich rechtstreeks of via een lid van het Europees Parlement tot de ombudsman te wenden met een klacht over een geval van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen of instanties van de Unie, met uitzondering van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de uitoefening van zijn gerechtelijke taak. De ombudsman stelt de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan onmiddellijk in kennis wanneer een klacht is ingediend bij de Ombudsman, met inachtneming van de Unienormen op het gebied van gegevensbescherming.

3.  In de klacht moeten het onderwerp van de klacht en de identiteit van de klager duidelijk worden vermeld. De klager kan verzoeken om vertrouwelijke behandeling van de klacht of delen daarvan.

4.  De klacht moet zijn ingediend binnen drie jaar na de datum waarop de klager in kennis is gesteld van de feiten die aan de klacht ten grondslag liggen. Voorafgaand aan de klacht moeten de passende administratieve stappen bij de betrokken instellingen, organen en instanties zijn ondernomen.

5.  De ombudsman bepaalt of een klacht binnen het mandaat van de ombudsman valt en, zo ja, of de klacht ontvankelijk is. Wanneer een klacht buiten dat mandaat valt of niet ontvankelijk is, kan de ombudsman, alvorens het dossier te sluiten, de klager adviseren zich tot een andere instantie te wenden.

6.  Bij de ombudsman ingediende klachten schorsen de voor een beroep op de rechter of een administratief beroep vastgestelde termijnen niet.

7.  Wanneer de ombudsman vanwege een lopende of afgeronde gerechtelijke procedure over de feiten die aan de klacht ten grondslag liggen een klacht niet-ontvankelijk moet verklaren of moet stoppen met de behandeling ervan, worden de resultaten van het onderzoek dat de ombudsman eventueel reeds heeft verricht ter zijde gelaten.

8.  Met de uitzondering van klachten die verband houden met seksuele intimidatie, mogen enkel klachtenworden ingediend over de arbeidsverhoudingen tussen de instellingen, organen en instanties van de Unie en hun ambtenaren en andere personeelsleden, indien alle mogelijkheden tot het indienen van interne administratieve verzoeken en klachten, met name de procedures bedoeld in artikel 90 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, vervat in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad(4) ("het Statuut"), door de betrokkene zijn uitgeput en nadat de termijnen voor beantwoording door de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan zijn verstreken.

9.  De ombudsman stelt de klager zo spoedig mogelijk in kennis van het gevolg dat aan zijn klacht is gegeven.

Artikel 3

1.  De ombudsman verricht op eigen initiatief of naar aanleiding van een klacht alle onderzoeken, met inbegrip van onderzoeken naar aanleiding van eerdere onderzoeken, die de ombudsman nodig acht voor het ophelderen van vermoede gevallen van wanbeheer bij het optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie. De ombudsman treedt op zonder dat daarvoor voorafgaande toestemming nodig is en informeert de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan tijdig over een dergelijk optreden. De betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan kan de ombudsman nuttige opmerkingen of bewijsstukken doen toekomen. De ombudsman kan de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan ook verzoeken om indiening van dergelijke opmerkingen of bewijsstukken.

2.  Onverminderd de primaire taak van de ombudsman, namelijk het afhandelen van klachten, kan de ombudsman op eigen initiatief onderzoeken instellen met een strategischer karakter, om herhaalde of zeer ernstige gevallen van wanbeheer vast te stellen, goede administratieve praktijken binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie te bevorderen of proactief structurele aangelegenheden van openbaar belang die onder de bevoegdheid van de ombudsman vallen aan te pakken.

3.  De ombudsman kan, voordat hij aanbevelingen doet of in enig stadium daarna, een gestructureerde en regelmatige dialoog met de instellingen, organen en instanties aangaan en openbare raadplegingen organiseren. De ombudsman kan tevens de vooruitgang van de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan systematisch analyseren en beoordelen en verdere aanbevelingen doen.

4.  De instellingen, organen en instanties van de Unie verstrekken de ombudsman alle informatie waarom de ombudsman heeft verzocht en verlenen de ombudsman toegang tot de betrokken dossiers. Bij het verlenen van toegang tot gerubriceerde gegevens of documenten worden de regels inzake de verwerking van vertrouwelijke informatie van de betrokken instellingen, organen of instanties nageleefd.

De instellingen, organen of instanties die gerubriceerde gegevens of documenten verstrekken overeenkomstig de eerste alinea, stellen de ombudsman vooraf van deze rubricering in kennis.

Voor de tenuitvoerlegging van de in de eerste alinea bedoelde regels moet de ombudsman vooraf met de betrokken instellingen, organen of instanties overeenstemming bereiken over de voorwaarden voor de behandeling van gerubriceerde gegevens of documenten.

De betrokken instellingen, organen of instanties verlenen slechts toegang tot documenten van een lidstaat die op grond van een wettelijke bepaling als geheim geclassificeerd zijn, nadat de diensten van de ombudsman passende maatregelen hebben genomen en waarborgen hebben vastgesteld inzake de behandeling van documenten die een gelijkwaardig niveau van vertrouwelijkheid garanderen, in overeenstemming met artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 en de veiligheidsregels van de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan van de Unie.

Ambtenaren en andere personeelsleden van de instellingen, organen en instanties van de Unie leggen op verzoek van de ombudsman een getuigenis af over feiten die verband houden met een lopend onderzoek van de ombudsman. Zij spreken namens hun instelling, orgaan of instantie. Zij blijven gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de regels waaraan zij onderworpen zijn. Als zij gebonden zijn door het beroepsgeheim, wordt dit beroepsgeheim niet geacht ook informatie te omvatten die van belang is in verband met klachten of onderzoeken naar intimidatie of wanbeheer.

5.  De ombudsman onderzoekt op gezette tijden de procedures in verband met het administratieve optreden van de instellingen, organen en instanties van de Unie en beoordeelt of deze volstaan om belangenconflicten doeltreffend te voorkomen, onpartijdigheid te waarborgen en de volledige eerbiediging van het recht op behoorlijk bestuur te waarborgen. De ombudsman kan op alle niveaus mogelijkerwijs tot wanbeheer leidende belangenconflicten vaststellen en beoordelen, in welk geval de ombudsman specifieke conclusies opstelt en het Parlement in kennis stelt van de daaromtrent gedane bevindingen.

6.  Voor zover hun nationale recht dit toestaat, verstrekken de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de ombudsman, op verzoek van de ombudsman of op eigen initiatief, binnen een zo kort mogelijke tijdspanne alle informatie of documenten die licht kunnen werpen op gevallen van wanbeheer door de instellingen, organen of instanties van de Unie. Indien dergelijke informatie of een dergelijk document valt onder het nationale recht inzake de verwerking van vertrouwelijke informatie of onder bepalingen op grond waarvan de informatie niet mag worden gedeeld, kan de betrokken lidstaat de ombudsman toegang bieden tot deze informatie of tot dit document, mits de ombudsman zich ertoe verbindt deze informatie of dit document te verwerken met instemming van de bevoegde informatieverstrekkende autoriteit. Er wordt in ieder geval een gedetailleerde beschrijving van het document verstrekt.

7.  Wanneer de door de ombudsman gevraagde bijstand niet wordt verleend, meldt de ombudsman dit aan het Europees Parlement, dat passende stappen dient te ondernemen.

8.  Wanneer na onderzoek wordt geconstateerd dat er sprake is van wanbeheer, stelt de ombudsman de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan hiervan in kennis en doet de ombudsman, waar passend, aanbevelingen. De betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan doet de ombudsman binnen een termijn van drie maanden een gedetailleerd standpunt toekomen. De ombudsman kan deze termijn op een met redenen omkleed verzoek van de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan met maximaal twee maanden verlengen. Wanneer de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan nalaat om de ombudsman binnen drie maanden of binnen de verlengde termijn een standpunt te doen toekomen, kan de ombudsman het onderzoek zonder dat standpunt afsluiten.

9.  De ombudsman zendt vervolgens een verslag aan de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan en, met name wanneer de aard of de omvang van het wanbeheer dat is geconstateerd zulks vereist, aan het Europees Parlement. De ombudsman kan in het verslag aanbevelingen doen. De klager wordt door de ombudsman in kennis gesteld van het resultaat van het onderzoek, van het standpunt van de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan, alsmede van de eventuele aanbevelingen in het verslag van de ombudsman.

10.  Indien passend kan de ombudsman in verband met een onderzoek naar de activiteiten van een instelling, orgaan of instantie van de Unie op eigen initiatief of op verzoek van het Europees Parlement op het meest passende niveau verschijnen voor het Europees Parlement.

11.  De ombudsman tracht zoveel mogelijk met de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan tot een oplossing te komen om een einde te maken aan het wanbeheer en met betrekking tot de ingediende klacht genoegdoening te verschaffen. De ombudsman stelt de klager in kennis van de voorgestelde oplossing en van de eventuele opmerkingen van de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan. De klager heeft het recht om desgewenst opmerkingen bij de ombudsman in te dienen, alsmede, op enig tijdstip, aanvullende informatie die niet bekend was op het tijdstip waarop de klacht werd ingediend.

12.  Aan het einde van elke jaarlijkse zitting legt de ombudsman het Europees Parlement een verslag voor met het resultaat van de verrichte onderzoeken. Dit verslag bevat onder meer een beoordeling van de naleving van de aanbevelingen van de ombudsman, alsook een beoordeling van de toereikendheid van de middelen waarover de ombudsman kan beschikken voor het verrichten van de opgedragen taken. Over deze beoordelingen kunnen ook afzonderlijke verslagen worden opgesteld.

Artikel 4

De ombudsman en het personeel van de ombudsman behandelen verzoeken om toegang van het publiek tot andere documenten dan die bedoeld in artikel 6, lid 1 overeenkomstig de in Verordening (EG) nr. 1049/2001 gestelde voorwaarden en beperkingen.

Met betrekking tot klachten over het recht op toegang van het publiek tot door een instelling, een orgaan of een instantie van de Unie ontvangen documenten, doet de ombudsman na een gedegen analyse en alle noodzakelijke afwegingen een aanbeveling inzake de toegang tot die documenten. De betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan reageert binnen de in Verordening (EG) nr. 1049/2001 vastgestelde termijnen. Indien de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan geen gevolg geeft aan de aanbeveling van de ombudsman om toegang te verschaffen tot documenten, dient zij of hij deze weigering naar behoren te motiveren. In dat geval stelt de ombudsman de klager op de hoogte van de beschikbare rechtsmiddelen, waaronder de procedures om de zaak voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

Artikel 5

De ombudsman beoordeelt op gezette tijden de beleidsmaatregelen en de evaluaties van procedures die overeenkomstig artikel 22 bis van het Statuut van de ambtenaren binnen de betrokken instellingen, organen en agentschappen van kracht zijn (“klokkenluiders”), en formuleert, waar nodig, concrete aanbevelingen ter verbetering daarvan om de volledige bescherming van ambtenaren en andere personeelsleden die feiten melden overeenkomstig artikel 22 bis van het Statuut van de ambtenaren te waarborgen. De ombudsman kan op verzoek op vertrouwelijke wijze informatie, onpartijdig advies en deskundige begeleiding verstrekken aan ambtenaren of andere personeelsleden over de aan te nemen passende houding wanneer er sprake is van de in artikel 22 bis van het Statuut van de ambtenaren bedoelde feiten, waaronder over het toepassingsgebied van de relevante Unierechtelijke bepalingen.

De ombudsman kan op basis van de informatie die is verstrekt door ambtenaren of andere personeelsleden die feiten melden overeenkomstig artikel 22 bis van het Statuut van de ambtenaren, die op vertrouwelijke en anonieme wijze meldingen mogen doen, een onderzoek instellen wanneer de beschreven feiten wanbeheer uitmaken in een instelling, orgaan of instantie van de Unie. Met het oog hierop kan van de toepasselijke bepalingen van het Statuut inzake geheimhouding worden afgeweken.

Artikel 6

1.  De ombudsman en het personeel van de ombudsman, op wie artikel 339 VWEU en artikel 194 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie van toepassing zijn, mogen de gegevens en documenten waarvan zij in het kader van hun onderzoek kennis hebben genomen niet verspreiden. Zij zijn er met name toe gehouden aan de ombudsman verstrekte gerubriceerde gegevens of documenten die vallen onder het Unierecht inzake de bescherming van persoonsgegevens, evenals gegevens die de klager of andere betrokken personen schade zouden kunnen berokkenen, niet openbaar te maken, zulks onverminderd lid 2.

2.  Indien de ombudsman van oordeel is dat feiten die tijdens een onderzoek aan het licht gekomen zijn mogelijk verband houden met het strafrecht, stelt de ombudsman de bevoegde nationale autoriteiten en, voor zover het onderwerp binnen hun bevoegdheden valt, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en het Europees Openbaar Ministerie hiervan in kennis. In voorkomend geval stelt de ombudsman ook de instelling, het orgaan of de instantie van de Unie waartoe de betrokken ambtenaar of het betrokken personeelslid behoort hiervan in kennis, die in een dergelijk geval toepassing kan geven aan artikel 17, tweede alinea, van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie.

De ombudsman kan voorts de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan van de Unie in kennis stellen van de feiten op basis waarvan het gedrag van een van hun personeelsleden in twijfel wordt getrokken en van aanhoudende activiteiten die ten gevolg hebben dat het lopende onderzoek wordt belemmerd.

De ombudsman stelt de klager en andere betrokken personen van wie de identiteit bekend is, hiervan in kennis.

Artikel 7

1.  De ombudsman kan, mits inachtneming van het toepasselijke nationale recht, samenwerken met soortgelijke instanties in de lidstaten.

2.  In het kader van het ambt van de ombudsman werkt de ombudsman samen met het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten en met andere instellingen en organen, waarbij overlapping met hun activiteiten wordt vermeden.

Artikel 8

1.  De ombudsman wordt gekozen en is herbenoembaar overeenkomstig artikel 228, lid 2, VWEU.

2.  De ombudsman wordt gekozen uit vooraanstaande personen die Unieburgers zijn, alle burger- en politieke rechten bezitten, alle waarborgen van onafhankelijkheid bieden, in de voorgaande drie jaar noch deel uit hebben gemaakt van een nationale regering noch lid zijn geweest van een van de instellingen van de Unie, voldoen aan vereisten inzake onafhankelijkheid die gelijkwaardig zijn aan die welke in hun land worden gesteld voor de uitoefening van een rechterlijke functie en beschikken over erkende bekwaamheid en ervaring voor de uitoefening van het ambt van ombudsman.

Artikel 9

1.  De ambtsvervulling van de ombudsman als bedoeld in de Verdragen en onderhavige verordening eindigt bij het verstrijken van de ambtsperiode of bij vrijwillig ontslag of ontheffing uit het ambt.

2.  Behalve bij ontheffing uit het ambt, blijft de ombudsman in functie tot er een nieuwe ombudsman is gekozen.

3.  Wanneer de ambtsvervulling voortijdig eindigt, wordt binnen drie maanden na het vacant komen van de post een nieuwe ombudsman benoemd voor de resterende duur van de zittingsperiode van het Europees Parlement. Totdat een nieuwe ombudsman is gekozen, is het in artikel 13, lid 2, bedoelde hoofd van het secretariaat verantwoordelijk voor dringende aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de ombudsman vallen.

Artikel 10

Wanneer het Europees Parlement voornemens is om overeenkomstig artikel 228, lid 2, VWEU te verzoeken om ambtsontheffing van de ombudsman, hoort het de ombudsman alvorens een dergelijk verzoek te doen.

Artikel 11

1.  Bij de uitoefening van de in de Verdragen en in deze verordening genoemde taken handelt de ombudsman in overeenstemming met artikel 228, lid 3, VWEU. De ombudsman onthoudt zich van elke handeling die onverenigbaar is met aard van deze taken.

2.  Bij zijn ambtsaanvaarding verbindt de ombudsman zich er ten overstaan van het Hof van Justitie in voltallige zitting plechtig toe de in de Verdragen en in deze verordening bedoelde taken geheel onafhankelijk en onpartijdig te zullen uitoefenen en tijdens de hele ambtstermijn en na beëindiging ervan de ontstane verplichtingen ten volle te zullen naleven. Deze plechtige belofte omvat met name de verplichting om integer en discreet te handelen bij het aanvaarden van bepaalde benoemingen of voordelen na afloop van de ambtstermijn.

Artikel 12

1.  Gedurende de ambtsperiode mag de ombudsman geen andere politieke, administratieve of beroepswerkzaamheden, al dan niet tegen beloning, verrichten.

2.  De ombudsman wordt wat zijn bezoldiging, vergoedingen en pensioen betreft, gelijkgesteld aan een rechter bij het Hof van Justitie.

3.  De artikelen 11 tot en met 14 en artikel 17 van Protocol nr. 7 zijn van toepassing op de ombudsman en de ambtenaren en andere personeelsleden van het secretariaat van de ombudsman.

Artikel 13

1.  De ombudsman krijgt de beschikking over een passende begroting die toereikend is om de onafhankelijkheid van de ombudsman te waarborgen en de in de Verdragen en in deze verordening bedoelde taken te kunnen uitvoeren.

2.  De ombudsman wordt bijgestaan gestaan door een secretariaat. De ombudsman benoemt het hoofd van dit secretariaat.

3.  De ombudsman streeft bij de samenstelling van het secretariaat van de ombudsman naar genderpariteit.

4.  De ambtenaren en andere personeelsleden van het secretariaat van de ombudsman zijn onderworpen aan de voorschriften en regels die van toepassing zijn op de ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie. Hun aantal wordt jaarlijks vastgesteld in het kader van de begrotingsprocedure en is toereikend voor een passende uitvoering van de taken van de ombudsman en met het oog op de werklast van de ombudsman.

5.  De bij het secretariaat van de ombudsman aangestelde ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie en de lidstaten worden gedetacheerd in het belang van de dienst met de garantie dat zij bij terugkeer in hun instelling, orgaan of instantie van oorsprong volledige rechten kunnen doen gelden.

6.  Voor vraagstukken betreffende het personeel van de ombudsman wordt de ombudsman gelijkgesteld aan de instellingen in de zin van artikel 1 bis van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie.

Artikel 14

De ombudsman beoordeelt de bestaande procedures ter voorkoming van eender welke vorm van intimidatie binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie, alsmede de mechanismen ter bestraffing van degenen die verantwoordelijk zijn voor intimidatie. De ombudsman stelt passende conclusies op over de vraag of deze procedures stroken met de beginselen van evenredigheid, geschiktheid en daadkrachtig optreden, en of zij de slachtoffers doeltreffende bescherming en ondersteuning bieden.

De ombudsman onderzoekt tijdig of de instellingen, organen en instanties van de Unie gevallen van intimidatie van welke vorm en aard dan ook op passende wijze behandelen door de procedures inzake de behandeling van klachten op dat gebied op de juiste wijze toepassen. De ombudsman stelt hierover passende conclusies op.

De ombudsman benoemt binnen het secretariaat een persoon of wijst binnen het secretariaat een structuur aan met deskundigheid op het gebied van intimidatie, die in staat is om tijdig te beoordelen of gevallen van intimidatie van welke vorm en aard dan ook, waaronder seksuele intimidatie, binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie op passende wijze worden behandeld, en die, waar passend, de ambtenaren en andere personeelsleden ervan advies kan verstrekken.

Artikel 15

De zetel van ombudsman is dezelfde als die van het Europees Parlement.

Artikel 16

Elke mededeling aan de nationale autoriteiten van de lidstaten ten behoeve van de toepassing van deze verordening, verloopt via hun permanente vertegenwoordigingen bij de Unie.

Artikel 17

De ombudsman stelt de uitvoeringsbepalingen van deze verordening vast. Deze moeten in overeenstemming zijn met deze verordening en ten minste bepalingen bevatten inzake:

a)  procedurele rechten van de klager en de betrokken instelling of instantie of het betrokken orgaan;

b)  het waarborgen van de bescherming van ambtenaren of andere personeelsleden die gevallen van seksuele intimidatie of inbreuken op het Unierecht melden binnen de instellingen, organen en instanties van de Unie, in overeenstemming met artikel 22 bis van het Statuut van de ambtenaren (klokkenluiders);

c)  de ontvangst, behandeling en afsluiting van de behandeling van klachten;

d)  onderzoeken op eigen initiatief;

e)  vervolgonderzoeken, en

f)  het verzamelen van informatie.

Artikel 18

Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom wordt ingetrokken.

Artikel 19

Deze verordening treedt in werking op de eerste dag van de maand na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

(1) Besluit 94/262/EGKS, EG, Euratom van het Europees Parlement van 9 maart 1994 inzake het statuut van de Europese Ombudsman en de algemene voorwaarden voor de uitoefening van zijn ambt (PB L 113 van 4.5.1994, blz. 15).
(2) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement en de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(3) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(4) PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.


Een alomvattend Europees industriebeleid inzake artificiële intelligentie en robotica
PDF 235kWORD 83k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 inzake een alomvattend Europees industriebeleid inzake artificiële intelligentie en robotica (2018/2088(INI))
P8_TA-PROV(2019)0081A8-0019/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica(1),

–  gezien zijn resolutie van 1 juni 2017 over de digitalisering van de Europese industrie(2),

–  gezien zijn resolutie van 12 september 2018 over autonome wapensystemen(3),

–  gezien zijn resolutie van 11 september 2018 over taalgelijkheid in het digitale tijdperk(4),

–  gezien het op 6 juni 2018 gepubliceerde voorstel van de Commissie voor de opstelling van het programma Digitaal Europa voor de periode 2021-2027 (COM(2018)0434),

–  gezien Verordening (EU) 2018/1488 van de Raad van 28 september 2018 tot oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing(5),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie interne markt en consumentenbescherming, de Commissie juridische zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0019/2019),

A.  overwegende dat transparante, ethisch-ingebedde artificiële intelligentie (AI) en robotica het potentieel hebben om ons leven te verrijken en onze vermogens verder te ontwikkelen, zowel voor het individu als voor het algemeen belang;

B.  overwegende dat de ontwikkelingen op het gebied van AI in een snel tempo evolueren en AI al enkele jaren een rol speelt in ons dagelijks leven; overwegende dat AI en robotica innovatie stimuleren, wat tot nieuwe bedrijfsmodellen leidt, en dat zij een sleutelrol spelen in de transformatie van onze samenlevingen en de digitalisering van onze economieën in tal van sectoren, zoals industrie, gezondheidszorg, bouw en vervoer;

C.  overwegende dat de toenemende integratie van robotica in menselijke systemen vraagt om sterke beleidsrichtsnoeren over de wijze waarop de voordelen optimaal kunnen worden benut, de risico's voor de samenleving kunnen worden geminimaliseerd en artificiële intelligentie op een veilige en eerlijke manier kan worden ontwikkeld;

D.  overwegende dat artificiële intelligentie wereldwijd en in Europa tot de strategische technologieën voor de 21e eeuw behoort en voor een positieve verandering in de Europese economie waardoor innovatie, productiviteit, concurrentievermogen en welzijn kunnen worden gestimuleerd;

E.  overwegende dat ongeveer een kwart van alle industriële robots en de helft van alle professionele dienstenrobots in de wereld door Europese bedrijven worden geproduceerd en de EU dus al belangrijke troeven in handen heeft waarop zij haar Europees industriebeleid zou moeten baseren;

F.  overwegende dat AI en robotica het potentieel hebben diverse bedrijfstakken te veranderen, een efficiëntere productie tot stand te brengen en de industrie en Europese kmo's op mondiaal niveau concurrerender te maken; overwegende dat de beschikbaarheid van grootschalige datasets en test- en experimenteervoorzieningen van groot belang zijn voor de ontwikkeling van artificiële intelligentie;

G.  overwegende dat het met een gemeenschappelijke aanpak gemakkelijker zal worden AI-technologieën ten behoeve van de samenleving te ontwikkelen, terwijl zo ook wordt ingegaan op de uitdagingen die deze technologieën vormen, teneinde innovatie te bevorderen, de kwaliteit van op AI gebaseerde producten en diensten te verhogen, de vertrouwdheid van de consument met AI-technologieën en robotica te verbeteren, alsook zijn vertrouwen in deze technologieën, en de versnippering van de interne markt te voorkomen;

H.  overwegende dat het computingvermogen in de Unie op een toonaangevend niveau moet worden gehandhaafd, wat de EU-toeleveringsindustrie kansen moet bieden en moet zorgen voor grotere doeltreffendheid door de technologische ontwikkelingen om te zetten in vraaggerichte en applicatiegedreven producten en diensten, zodat zij ingang vinden in grootschalige, nieuwe toepassingen op basis van artificiële intelligentie;

I.  overwegende dat een gecoördineerde aanpak op Europees niveau dringend noodzakelijk is voor de EU om te kunnen concurreren met de enorme investeringen door derde landen, met name de VS en China;

J.  overwegende dat de Commissie zich er op 25 april 2018(6) toe heeft verbonden een Europese aanpak van artificiële intelligentie voor te stellen door ontwerprichtsnoeren voor AI te ontwerpen in samenwerking met de belanghebbenden binnen de AI-alliantie, een groep van deskundigen op het gebied van artificiële intelligentie, teneinde toepassingen en bedrijven op basis van AI in Europa te stimuleren;

K.  overwegende dat de bestaande regels en processen geëvalueerd en indien nodig aangepast moeten worden om rekening te houden met artificiële intelligentie en robotica;

L.  overwegende dat het Europees kader voor AI gestoeld moet zijn op volledige eerbiediging van de mensenrechten als verankerd in het Handvest van de grondrechten, met name de beginselen van gegevensbescherming, privacy en veiligheid;

M.  overwegende dat artificiële intelligentie zo kan en moet worden ontwikkeld dat de waardigheid, autonomie en zelfbeschikking van het individu behouden blijven;

N.  overwegende dat het Parlement er in zijn resolutie van 16 februari 2017 met aanbevelingen aan de Commissie over civielrechtelijke regels inzake robotica bij de Commissie op heeft aangedrongen om te komen met een voorstel voor een samenhangend rechtskader voor de ontwikkeling van robotica, waaronder autonome systemen en slimme autonome robots;

O.  overwegende dat AI en robotica moeten worden ontwikkeld voor de samenleving in haar geheel; overwegende echter dat in 2017 plattelandsgebieden grotendeels uitgesloten zijn gebleven van de voordelen van AI, aangezien 8 % van de woningen geen toegang heeft tot een vast netwerk en 53 % niet kan profiteren van enige geavanceerde technologie (VDSL, Cable Docsis 3.0 of FTTP);

P.  overwegende dat voor de ontwikkeling van AI‑diensten en ‑producten connectiviteit, vrij verkeer van gegevens en toegankelijkheid van gegevens binnen de EU vereist zijn; overwegende dat het gebruik van geavanceerde dataminingtechnieken in producten en diensten de kwaliteit van de besluitvorming, en dus de keuze van de consument, en de bedrijfsprestaties kan helpen verbeteren;

Q.  overwegende dat technologische ontwikkelingen op het gebied van slimme producten en diensten ten goede kunnen komen aan de kenniseconomie, die gebaseerd is op de kwantiteit, kwaliteit en toegankelijkheid van de beschikbare informatie, wat kan leiden tot een betere aanpassing aan de behoeften van de consument;

R.  overwegende dat cyberbeveiliging van vitaal belang is om ervoor te zorgen dat gegevens niet opzettelijk worden beschadigd of worden misbruikt om AI te laten functioneren op een manier die schadelijk is voor burgers of bedrijven, wat het vertrouwen van de industrie en de consument in AI zou ondermijnen; overwegende dat de ontwikkelingen in AI ertoe leiden dat er voor acties en besluiten steeds meer op deze systemen wordt gerekend, wat dan weer hoge niveaus van cyberweerbaarheid in de EU vergt om bescherming te bieden tegen lekken en fouten in de cyberbeveiliging;

S.  overwegende dat de tendens in de richting van automatisering van degenen die betrokken zijn bij de ontwikkeling en het in de handel brengen van AI-toepassingen vereist dat zij van meet af aan veiligheid en ethiek laten meewegen, en dat zij bereid zijn om wettelijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor de kwaliteit van de door hen geproduceerde technologie;

T.  overwegende dat het opzetten van een betrouwbaar ecosysteem voor de ontwikkeling van AI-technologie moet zijn gestoeld op gegevensbeleidsarchitectuur; overwegende dat dit de samenstelling behelst van programma's voor vlotte en vereenvoudigde gegevensverzameling en -beheer voor educatieve onderzoeksdoeleinden met het oog op de ontwikkeling van AI op tal van gebieden: de medische, financiële, biologische, energie-, industriële, chemische of de publieke sector; overwegende dat een gegevensgestuurd AI-ecosysteem kan bestaan uit pan-Europese initiatieven die worden opgezet aan de hand van open normen, en op basis van wederzijdse erkenning van certificaten en transparante regels inzake interoperabiliteit;

U.  overwegende dat het gebruik van AI op zich geen waarheid of eerlijkheid garandeert, aangezien er sprake kan zijn van subjectiviteit bij de verzameling van gegevens en de manier waarop het algoritme wordt geschreven, en kan voortvloeien uit subjectiviteit in de samenleving; overwegende dat subjectiviteit moet worden voorkomen door de kwaliteit van de gegevens, tezamen met het ontwerp van het algoritme en permanente herbeoordelingsprocessen;

V.  overwegende dat AI en robotica moeten worden ontwikkeld en toegepast middels een op de mens gerichte benadering met als doel mensen bij hun werk en thuis te ondersteunen en gevaarlijke taken van hen over te nemen; overwegende dat AI ook kan worden gebruikt om te voorkomen dat mensen gevaarlijk werk verrichten;

W.  overwegende dat verdere ontwikkeling en groter gebruik van geautomatiseerde en algoritmische besluitvorming onherroepelijk invloed heeft op de keuzes die een individu (een ondernemer of een internetgebruiker) en een bestuurlijke, gerechtelijke of andere publieke autoriteit maakt bij het nemen van een definitief besluit op het gebied van consumenten-, ondernemings- of administratieve zaken; overwegende dat veiligheidsmaatregelen en de mogelijkheid van controle en verificatie door mensen moeten worden ingebouwd in het proces van geautomatiseerde en algoritmische besluitvorming;

X.  overwegende dat automatisch leren ook uitdagingen meebrengt voor het waarborgen van non-discriminatie, een eerlijk proces, transparantie en begrijpelijkheid in besluitvormingsprocessen;

Y.  overwegende dat AI een essentieel instrument vormt voor het aanpakken van wereldwijde maatschappelijke uitdagingen en overwegende dat de lidstaten, derhalve, middels hun overheidsbeleid investeringen moeten bevorderen, middelen voor O&O moeten vrijmaken en belemmeringen voor de ontwikkeling en toepassing van AI moeten wegnemen;

Z.  overwegende dat commerciële platforms voor artificiële intelligentie de testfase hebben afgerond en zijn overgegaan op echte toepassingen op het gebied van gezondheid, milieu, energie en vervoer; overwegende dat technieken voor automatisch leren centraal staan in alle grote webplatforms en bigdatatoepassingen;

AA.  overwegende dat Europese onderzoekers en bedrijven betrokken zijn bij zeer uiteenlopende blockchaintoepassingen op gebieden als de toeleveringsketen, overheidsdiensten, financiën, het internet der dingen, gezondheidszorg, media, slimme steden, energie en vervoer; overwegende dat Europa een sterke speler is op blockchain-gerelateerde gebieden zoals AI; overwegende dat blockchaintechnologie een belangrijke rol kan spelen bij het verbeteren van Europese innovatie;

AB.  overwegende dat technologieën betreffende cyberbeveiliging, zoals digitale identiteiten, cryptografie of inbraakdetectie, en de toepassing daarvan op gebieden als financiën, industrie 4.0, energie, vervoer, gezondheidszorg en e-overheid, van essentieel belang zijn voor het waarborgen van de beveiliging en het vertrouwen op het gebied van online activiteiten en transacties door burgers, overheden en bedrijven;

AC.  overwegende dat tekst- en datamining als grondslag dient voor toepassingen op het gebied van AI en automatisch leren en van essentieel belang is voor kmo's en start-ups, omdat zij daarmee toegang hebben tot grote hoeveelheden gegevens om AI-algoritmes te trainen;

AD.  overwegende dat AI zeer energie-intensief zou kunnen blijken te zijn; overwegende dat het in het licht hiervan van belang is dat het gebruik van AI toeneemt met inachtneming van de huidige doelstellingen van de EU op het gebied van energie-efficiëntie en circulaire economie;

AE.  overwegende dat AI alle Europese talen volledig moet ondersteunen om alle Europeanen gelijke kansen te bieden om voordeel te halen uit moderne AI-ontwikkelingen binnen de meertalige Europese informatiemaatschappij;

AF.  overwegende dat, in de industrie en diensten die verband houden met hightech, artificiële intelligentie van cruciaal belang is om van Europa een "start‑upcontinent" te maken dankzij het gebruik van de nieuwste technologieën om groei te genereren in Europa, met name op het gebied van gezondheidstechnologie, gezondheidszorgdiensten en ‑programma's, ontdekking van geneesmiddelen, robotica en robotgeassisteerde chirurgie, behandeling van chronische aandoeningen en medische beeldvorming en dossiers, en tevens om een duurzaam milieu en veilige voedselproductie te waarborgen; overwegende dat Europa momenteel een duidelijke achterstand heeft ten opzichte van Noord-Amerika en Azië voor wat betreft onderzoek en octrooien op het gebied van artificiële intelligentie;

AG.  overwegende dat de ontwikkeling van artificiële-intelligentietechnologieën kan helpen het leven van mensen met een chronische aandoening of een handicap te verbeteren en maatschappelijke uitdagingen, zoals de vergrijzing van onze bevolking, het hoofd te bieden door de nauwkeurigheid en doeltreffendheid van gezondheidstechnologie bij het verlenen van gezondheidszorg te vergroten;

AH.  overwegende dat artificiële intelligentie en robotica op vele manieren kunnen worden toegepast in de gezondheidszorg, zoals bij het beheren van medische dossiers en gegevens, het uitvoeren van repetitieve taken (het analyseren van testen, röntgenfoto's, CAT-scans, gegevensinvoer), de ontwikkeling van behandelingen, digitale consultaties (zoals medische consultaties gebaseerd op iemands persoonlijke medische voorgeschiedenis en algemene medische kennis), virtuele verplegers, medicatiebeheer, de ontwikkeling van geneesmiddelen, precisiegeneeskunde (waarbij op basis van informatie uit het DNA genetisch en genomisch onderzoek wordt gedaan naar mutaties en verschijnselen die kunnen wijzen op aandoeningen), het monitoren van de gezondheid, systeemanalyses in de gezondheidszorg enz.;

AI.  overwegende dat toegankelijkheid niet betekent dat er voor iedereen dezelfde diensten en voorzieningen zijn; overwegende dat de toegankelijkheid van artificiële intelligentie en robotica berust op inclusieve planning en inclusief ontwerp; overwegende dat de behoeften, wensen en ervaringen van de gebruikers het uitgangspunt moeten vormen voor het ontwerp;

AJ.  overwegende dat er grote ethische, psychologische en juridische bezorgdheid bestaat over de autonomie van robots, die duidelijk niet over menselijk inlevingsvermogen beschikken, en hun invloed op de relatie tussen arts en patiënt die tot op heden niet naar behoren aan de orde is gesteld op EU-niveau, met name ten aanzien van de bescherming van de persoonsgegevens van patiënten, aansprakelijkheid en de nieuwe economische en arbeidsbetrekkingen die hieruit voortvloeien; overwegende dat "autonomie" als zodanig alleen volledig kan worden toegeschreven aan de mens; overwegende dat er behoefte bestaat aan een robuust juridisch en ethisch kader voor artificiële intelligentie;

AK.  overwegende dat de aanwending van artificiële intelligentie juist op het gebied van de gezondheid altijd moet zijn gebaseerd op het verantwoordelijkheidsbeginsel "mens bedient machine";

1.Een samenleving die wordt ondersteund door artificiële intelligentie en robotica

1.1.Werk in het tijdperk van artificiële intelligentie en robotica

1.  benadrukt dat automatisering in combinatie met artificiële intelligentie de productiviteit en vervolgens de productie zal opvoeren; merkt op dat er net als bij vorige technologische revoluties sprake zal zijn van het verdwijnen van bepaalde banen maar ook van het ontstaan van nieuwe banen die levens en werkwijzen zullen transformeren; benadrukt dat toenemend gebruik van robotica en AI ook de blootstelling van mensen aan schadelijke en gevaarlijke stoffen zal verminderen en ertoe zal bijdragen dat er kwalitatief hoogwaardiger banen zullen worden gecreëerd en dat de productiviteit zal stijgen;

2.  dringt er bij de lidstaten op aan zich te richten op de omscholing van mensen die werkzaam zijn in de bedrijfstakken die het meest te maken hebben met de automatisering van taken; benadrukt dat nieuwe onderwijsprogramma's gericht moeten zijn op het ontwikkelen van de vaardigheden van werknemers zodat ze kunnen profiteren van de nieuwe baanmogelijkheden die ontstaan dankzij AI; moedigt aan programma's te ontwikkelen voor digitale geletterdheid op scholen, leerlingplaatsen te ontwikkelen en prioriteiten te stellen op het gebied van beroepsopleiding om werknemers te helpen zich aan te passen aan de technologische veranderingen;

3.  beveelt aan dat de lidstaten samen met actoren in de particuliere sector de risico's identificeren en strategieën ontwikkelen om ervoor te zorgen dat relevante om- en bijscholingsprogramma's worden opgezet; onderstreept dat bedrijven zelf moeten investeren in training en omscholing van het bestaande personeelsbestand om aan hun behoeften tegemoet te komen;

4.  benadrukt dat de ontwikkeling van robotica in de EU grote gevolgen zal hebben voor de arbeidsverhoudingen; is van mening dat deze gevolgen op evenwichtige wijze moeten worden aangepakt teneinde de herindustrialisering te bevorderen en ook werknemers van de productiviteitsgroei te laten profiteren;

5.  merkt op dat in het huidige industriële landschap een delicaat evenwicht bestaat tussen eigenaren en werknemers; wijst erop dat de ontwikkelingen qua implementatie van AI in de industrie moeten plaatsvinden in breed overleg met de sociale partners, aangezien de mogelijke verschuiving in het aantal mensen dat in de industrie werkzaam is om proactief beleid vraagt om werknemers te helpen zich aan te passen aan de nieuwe eisen en ervoor te zorgen dat de voordelen breed worden gedeeld; meent dat arbeidsmarktbeleid, socialezekerheidsregelingen en belastingheffing hiertoe moeten worden geherevalueerd en opnieuw moeten worden ontworpen;

6.  dringt er bij de lidstaten op aan belemmeringen voor integratie op de arbeidsmarkt, zoals overmatige kwalificaties, aan te pakken;

7.  is van mening dat digitale geletterdheid een van de belangrijkste factoren is voor de toekomstige ontwikkeling van AI en dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan opleidings- en omscholingsstrategieën inzake digitale vaardigheden te ontwikkelen; merkt op dat digitale geletterdheid tot brede en inclusieve participatie in oplossingen voor de data-economie kan bijdragen en communicatie en samenwerking met alle belanghebbenden kan vergemakkelijken;

8.  is van mening dat, aangezien burgers van alle leeftijden zullen worden beïnvloed, onderwijsprogramma's moeten worden aangepast, onder andere door de opstelling van nieuwe leertrajecten en de toepassing van nieuwe technologieën; benadrukt dat onderwijsaspecten naar behoren moeten worden aangepakt; acht het met name belangrijk dat in het onderwijs, van de eerste schooljaren tot scholing in het kader van een leven lang leren, de ontwikkeling van digitale vaardigheden, waaronder programmeren, deel uitmaakt van het lesprogramma;

1.2.Kwaadaardig gebruik van artificiële intelligentie en grondrechten

9.  benadrukt dat kwaadaardige of onachtzame toepassingen van AI de digitale veiligheid en de fysieke en openbare veiligheid in gevaar kunnen brengen, aangezien AI gebruikt kan worden voor grootschalige, gerichte en uiterst efficiënte aanvallen op de diensten van de informatiemaatschappij en daaraan gekoppelde toestellen, alsook voor desinformatiecampagnes, en in het algemeen om het recht van individuen op zelfbeschikking aan te tasten; benadrukt dat kwaadaardige of onachtzame toepassingen van AI ook risico's met zich mee brengen voor de democratie en de grondrechten;

10.  verzoekt de Commissie een kader voor te stellen dat praktijken van manipulatie van de perceptie bestraft wanneer gepersonaliseerde inhoud of nieuwsmateriaal tot negatieve gevoelens en vertekening van de perceptie van de werkelijkheid leidt met eventuele negatieve gevolgen als resultaat (bijvoorbeeld verkiezingsuitslagen of vertekende percepties van sociale kwesties zoals migratie);

11.  benadrukt dat het belangrijk is verstorende ontwikkelingen in en omtrent de ontwikkeling van AI te herkennen, te identificeren en te monitoren; moedigt het onderzoek naar AI aan om zich ook te richten op de detectie van per ongeluk of kwaadaardig beschadigde AI en robotica;

12.  dringt er bij de Commissie op aan kennis te nemen van de maatschappelijke uitdagingen die praktijken ten aanzien van het classificeren van burgers meebrengen; is van oordeel dat burgers niet mogen worden gediscrimineerd op grond van hun rangorde en het recht moeten hebben op "een nieuwe kans";

13.  uit grote bezorgdheid over het gebruik van AI-toepassingen, zoals gezichts- en spraakherkenning, in programma's voor "emotionele bewaking", d.w.z. de monitoring van de geestesgesteldheid van werknemers en burgers ter vergroting van de productiviteit en ter behoud van de sociale stabiliteit, soms gekoppeld met systemen voor "sociaal krediet", zoals die bijvoorbeeld reeds in China zijn ingevoerd; benadrukt dat dergelijke programma's intrinsiek in strijd zijn met Europese waarden en normen ter bescherming van de rechten en vrijheden van individuen;

2.Het technologische pad op weg naar artificiële intelligentie en robotica

2.1.Onderzoek en ontwikkeling

14.  herinnert eraan dat Europa beschikt over een toonaangevende AI-onderzoeksgemeenschap, die 32 % van de AI-onderzoeksinstellingen in de wereld vertegenwoordigt;

15.  is verheugd over het voorstel van de Commissie over het programma Digitaal Europa en de voor artificiële intelligentie bestemde begroting van 2,5 miljard EUR alsook de verhoogde financiering in het kader van Horizon 2020; begrijpt het belang van EU-financiering ter aanvulling op onderzoeksbegrotingen van lidstaten en de industrie voor AI, en de behoefte aan samenwerking tussen publieke, private en EU-onderzoeksprogramma's;

16.  ondersteunt de operationele doelstellingen van het programma Digitaal Europa voor de opbouw en versterking van kerncapaciteiten inzake artificiële intelligentie in de Unie om deze toegankelijk te maken voor alle bedrijven en overheidsinstanties, en voor de versterking en koppeling van bestaande test- en experimenteervoorzieningen op het gebied van AI in de lidstaten;

17.  moedigt lidstaten aan multistakeholderspartnerschappen te ontwikkelen met de industrie en onderzoeksinstellingen, alsmede met AI-kenniscentra;

18.  benadrukt dat AI-onderzoek niet alleen moet investeren in AI-technologie en innovatie-ontwikkelingen maar ook in AI-gerelateerde sociale, ethische en aansprakelijkheidsgebieden; meent dat elk AI-model over ingebouwde ethiek moet beschikken;

19.  moedigt vooruitgang ten gunste van de samenleving en het milieu aan, maar benadrukt dat onderzoek naar AI en daaraan verwante activiteiten verricht moeten worden in overeenstemming met het voorzorgsbeginsel en de grondrechten; benadrukt dat iedereen die betrokken is bij de ontwikkeling, tenuitvoerlegging, verspreiding en toepassing van AI de menselijke waardigheid in acht moet nemen en moet eerbiedigen, alsook de zelfbeschikking en het welzijn – zowel fysiek als psychologisch – van het individu en de samenleving in haar geheel, moet anticiperen op mogelijke gevolgen voor de veiligheid, en de nodige voorzorgen moet nemen in verhouding tot het beschermingsniveau, met inbegrip van de snelle bekendmaking van factoren die de bevolking of het milieu in gevaar kunnen brengen;

20.  benadrukt dat een concurrerende onderzoeksomgeving ook essentieel is voor de ontwikkeling van artificiële intelligentie; wijst op het belang van de ondersteuning van excellent onderzoek – waaronder fundamentele wetenschap en projecten met een hoog risico en een hoge opbrengst – en het bevorderen van een Europese onderzoeksruimte met aantrekkelijke voorwaarden voor financiering, mobiliteit en toegang tot infrastructuur en technologie in de gehele Unie, gestoeld op een beginsel van openheid ten opzichte van derde landen en expertise van buiten de Unie, mits de EU-cyberveiligheid niet wordt ondermijnd;

21.  onderstreept dat EU-onderzoekers nog steeds aanzienlijk minder verdienen dan hun collega's in de VS en China en dat dit zoals bekend de belangrijkste reden is waarom zij Europa verlaten; roept de Commissie en de lidstaten op om zich te richten op het aantrekken van toptalent voor Europese bedrijven en dringt er bij de lidstaten op aan aantrekkelijke voorwaarden te creëren;

22.  benadrukt dat Europa het nieuwe FET-vlaggenschipinitiatief(7) moet wijden aan kunstmatige intelligentie met bijzondere nadruk op een op de mens gerichte benadering en taaltechnologieën;

23.  meent dat door artificiële intelligentie, automatisch leren en de forse stappen voorwaarts op het gebied van gegevensbeschikbaarheid en cloud computing weer nieuwe onderzoeksinitiatieven worden aangezwengeld, die bedoeld zijn om meer inzicht te krijgen in biologie op moleculair en cellulair niveau, de ontwikkeling van medische behandelingen te sturen en gegevensstromen te analyseren met als doel dreigingen voor de gezondheid op te sporen, uitbraken van ziekte te voorspellen en patiënten te adviseren; merkt op dat datamining- en datanavigatietechnieken kunnen worden ingezet om hiaten in de zorg, risico's, trends en patronen vast te stellen;

24.  benadrukt dat, wanneer risico's een onvermijdelijk en integraal onderdeel van AI-onderzoek vormen, degelijke risicobeoordelings- en beheerprotocollen ontwikkeld en nageleefd moeten worden, rekening houdend met het feit dat het risico op schade niet groter mag zijn dan het risico dat men in het gewone leven ondervindt (d.w.z. dat personen niet aan grotere of bijkomende risico's mogen worden blootgesteld dan die welke zij in hun normale bestaan tegenkomen);

2.2.Investeringen

25.  wijst erop dat er meer geïnvesteerd moet worden op dit gebied om concurrerend te kunnen blijven; is van mening dat de meeste investeringen en innovaties op dit vlak weliswaar afkomstig zijn van particuliere bedrijven, maar dat ook de lidstaten en de Commissie moeten worden aangespoord om te blijven investeren in onderzoek in deze sector en om hun ontwikkelingsprioriteiten uiteen te zetten; is ingenomen met het InvestEU-voorstel en andere publiek-private partnerschappen die particuliere financiering zullen bevorderen; pleit voor de coördinatie van particuliere en overheidsinvesteringen zodat de ontwikkelingen doelgericht kunnen plaatsvinden;

26.  benadrukt dat investeringen in AI die een aanzienlijke mate van onzekerheid kunnen hebben, moeten worden aangevuld met EU-financiering, bijvoorbeeld van de Europese Investeringsbank (EIB), het Europees Investeringsfonds (EIF) of via de regelingen van InvestEU en het Europees Fonds voor Strategische Investeringen (EFSI), die hulp kunnen bieden bij het delen van risico's;

27.  dringt er bij de Commissie op aan geen EU-financiering voor gewapende AI toe te staan; dringt er bij de Commissie op aan bedrijven die AI-bewustzijn onderzoeken en ontwikkelen van EU-financiering uit te sluiten;

28.  beveelt de Commissie aan ervoor te zorgen dat de intellectuele eigendom van met EU-financiering verricht onderzoek in de EU en bij Europese universiteiten blijft;

2.3.Innovatie, maatschappelijke acceptatie en verantwoordelijkheid

29.  merkt op dat alle belangrijke technologische ontwikkelingen een overgangsperiode vereisten waarin een groot deel van de samenleving een beter inzicht moest krijgen in de technologie en deze tot onderdeel van het dagelijks leven moest maken;

30.  merkt op dat de toekomst van deze technologie afhangt van maatschappelijke acceptatie en dat er meer nadruk moet worden gelegd op het op adequate wijze overbrengen van de voordelen ervan om de kennis over de technologie en de toepassingen daarvan te vergroten; merkt verder op dat als de maatschappij niet wordt geïnformeerd over AI-technologieën, er minder animo zal zijn voor innovatie in deze sector;

31.  is van mening dat publieke acceptatie afhangt van de wijze waarop het publiek wordt geïnformeerd over de kansen, uitdagingen en ontwikkelingen van artificiële intelligentie; beveelt de lidstaten en de Commissie aan om te zorgen dat mensen gemakkelijk toegang hebben tot geloofwaardige informatie over de belangrijkste zorgen ten aanzien van AI en robotica, zoals privacy, veiligheid en transparantie van besluitvorming;

32.  is ingenomen met het gebruik van de regelgevings- "proeftuinen" om in samenwerking met de regelgevende instanties innovatieve nieuwe ideeën in te voeren, waarbij van meet af aan waarborgen worden ingebouwd in de technologie, zodat de introductie op de markt soepeler zal verlopen; benadrukt dat voor AI bestemde regulerende "proeftuinen" moeten worden ingevoerd om het veilige en effectieve gebruik van in een reële omgeving toegepaste AI-technologieën te testen;

33.  merkt op dat voor een grotere maatschappelijke acceptatie van artificiële intelligentie waarborgen nodig zijn dat de gebruikte systemen veilig en beveiligd zijn;

34.  merkt op dat artificiële intelligentie en taaltechnologie kunnen voorzien in belangrijke toepassingen ter bevordering van de eenheid van de Unie in haar verscheidenheid: geautomatiseerde vertaling, gesprekspartners en persoonlijke assistenten, interfaces voor gesproken taal voor robots en het internet der dingen, slimme analyses, geautomatiseerde identificatie van onlinepropaganda, nepnieuws, haatzaaiende uitlatingen enz.;

2.4.Gunstige omstandigheden: connectiviteit, toegankelijkheid van gegevens en high-performance computing, en cloudinfrastructuur

35.  benadrukt dat de integratie van robotica en AI-technologie binnen de economie en de maatschappij digitale infrastructuur vereist voor alomtegenwoordige connectiviteit;

36.  benadrukt dat connectiviteit een absolute voorwaarde is indien Europa deel wil uitmaken van de gigabitmaatschappij en dat AI een duidelijk voorbeeld is van de exponentiële groei van de vraag naar hoogwaardige, snelle, veilige en wijdverbreide connectiviteit; is van mening dat de Unie en de lidstaten maatregelen moeten blijven bevorderen om investeringen in en het gebruik van netwerken met een zeer grote capaciteit in de EU te stimuleren;

37.  onderstreept dat een snelle, veilige en beveiligde ontwikkeling van 5G van wezenlijk belang is om te waarborgen dat de Unie alle vruchten kan plukken van AI en deze kan beschermen tegen cyberaanvallen, met het oog op het vernieuwen en ontwikkelen van bedrijfstakken en diensten, die de ruggengraat van de Europese economie vormen, en om het ontstaan van nieuwe diensten, productie en markten te ondersteunen, hetgeen essentieel is voor het veiligstellen van nieuwe banen en een hoog werkgelegenheidsniveau;

38.  wijst erop dat de beschikbaarheid van kwalitatief goede en bruikbare gegevens essentieel is voor echt concurrentievermogen in de AI-sector, en verzoekt de overheidsinstanties methoden aan te reiken om gegevens te produceren, te delen en te controleren door publieke gegevens een zaak van algemeen belang te maken, terwijl persoonlijke en gevoelige gegevens worden beschermd;

39.  benadrukt het belang van de kwaliteit van gegevens voor “deep learning”; merkt op dat het gebruik van laagwaardige, achterhaalde, onvolledige of incorrecte gegevens kan leiden tot slechte voorspellingen en discriminatie en vooroordelen;

40.  gelooft dat met de nieuwe regels voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Unie steeds meer gegevens beschikbaar kunnen komen voor datagestuurde innovatie, waardoor het voor kmo's en startende ondernemingen gemakkelijker wordt om innovatieve AI-gebaseerde diensten te ontwikkelen en nieuwe markten te betreden, terwijl burgers en bedrijven kunnen profiteren van betere producten en diensten;

41.  merkt op dat AI de mogelijkheid biedt om efficiëntie, comfort en welzijn in tal van sectoren te vergroten indien de gevestigde industriële belanghebbenden met de AI-ontwikkelaars samenwerken; wijst er bovendien op dat een groot volume gegevens, die niet persoonlijk van aard zijn, momenteel in handen van belanghebbenden zijn en middels partnerschappen kunnen worden gebruikt om hun efficiëntie te vergroten; is van mening dat om dit concreet gestalte te geven, samenwerking tussen de gebruikers en ontwikkelaars van AI een eerste vereiste is;

42.  benadrukt het belang van de interoperabiliteit en de juistheid van de gegevens om zo te kunnen zorgen voor een hoge betrouwbaarheid en hoge veiligheidsnormen van de nieuwe technologieën;

43.  meent dat het succes van AI-toepassingen, afgestemd op gebruikers in de hele EU, vaak een uitgebreide kennis van lokale markten vergt alsook toegang tot en gebruik van adequate lokale gegevens voor training van datasets en tests en validering van systemen, met name in sectoren die verband houden met natuurlijke taalverwerking; vraagt de lidstaten de beschikbaarheid van kwalitatief goede, interoperabele en open gegevens in publieke en particuliere handen te bevorderen;

44.  wijst op de noodzaak te zorgen voor de grootst mogelijke samenhang met het beleid van de EU inzake big data;

45.  is ingenomen met maatregelen voor het vergemakkelijken en ondersteunen van de uitwisseling en het delen van gegevens over grenzen heen;

46.  merkt op dat de mogelijkheden van het delen van gegevens momenteel verre van optimaal benut worden en dat grote hoeveelheden gegevens onderbenut blijven;

47.  erkent dat er terughoudendheid bestaat om gegevens te delen en benadrukt dat actie nodig is om het delen van gegevens aan te moedigen; merkt op dat het gebrek aan gemeenschappelijke normen ook een grote rol speelt in het kunnen delen van gegevens;

48.  is ingenomen met verordeningen zoals de verordening inzake het vrije verkeer van gegevens en het belang ervan op gebieden zoals AI om effectievere en efficiëntere processen mogelijk te maken;

49.  erkent dat krachtigere op de markt gebaseerde stimulansen nodig zijn om de toegang tot en het delen van gegevens aan te moedigen; wijst op het risico dat openheid van gegevens vormt voor het investeren in gegevens in de eerste plaats;

50.  verzoekt om meer duidelijkheid over regels inzake eigendom van gegevens en de bestaande rechtskaders; merkt op dat onzekerheid ten aanzien van de regelgeving heeft geleid tot overdreven voorzichtige reacties van de industrie;

51.  wijst op het belang van Europese initiatieven op het gebied van cloud computing en high-performance computing, die de ontwikkeling van algoritmes voor deep learning en de verwerking van big data verder zullen bevorderen; is sterk van mening dat de infrastructuur open moet staan voor publieke en private entiteiten in zowel de Unie als daarbuiten en onder zo min mogelijk beperkende toegangscriteria moet vallen opdat deze initiatieven succesvol en relevant zijn voor de ontwikkeling van AI;

52.  is ingenomen met de oprichting van de Gemeenschappelijke Onderneming Europese high-performance computing; onderstreept dat supercomputing en gegevensinfrastructuur essentieel zijn voor het waarborgen van een concurrerend innovatie-ecosysteem voor de ontwikkeling van AI-technologieën en -toepassingen;

53.  benadrukt dat cloud computing een essentiële rol moet spelen in het stimuleren van het gebruik van AI; wijst erop dat particuliere bedrijven, overheidsinstellingen, onderzoeks- en academische instellingen en gebruikers dankzij toegang tot clouddiensten AI op een efficiënte en economisch haalbare wijze kunnen ontwikkelen en toepassen;

3.Industriebeleid

54.  herinnert eraan dat AI en robotica weliswaar al lang worden toegepast in de industrie, maar dat er steeds meer vooruitgang wordt geboekt op dit gebied en dat dit zorgt voor ruime en diverse toepassingen in alle menselijke activiteiten; is van mening dat een regelgevingskader flexibiliteit moet omvatten die innovatie en de vrije ontwikkeling van nieuwe technologieën en toepassingen voor AI mogelijk maakt;

55.  onderstreept dat het identificeren van toepassingsgebieden en toepassingen voor AI het resultaat moet zijn van een ontwerpproces op grond van behoeften en geleid door beginselen die rekening houden met het beoogde resultaat en de beste manier om die te behalen, vanuit een economisch en sociale standpunt; is van mening dat het bestaan van duidelijk beleid in alle ontwikkelingsfasen tot een doelgerichte tenuitvoerlegging zal leiden en de risico's en keerzijden zal aanpakken;

56.  beveelt aan publiek-private partnerschappen aan te wenden en te bevorderen om oplossingen voor belangrijke uitdagingen te onderzoeken, zoals het opzetten van een gegevensecosysteem en het bevorderen van de toegang tot, het delen van alsook de doorstroom van gegevens terwijl de rechten van mensen op privacy worden beschermd;

57.  benadrukt dat een belangrijke uitdaging voor de toekomst van AI-systemen bij de wisselende kwaliteit van technologie voor de productie van software ligt en benadrukt derhalve dat de bouw en het gebruik van AI-systemen moeten worden gestandaardiseerd;

58.  neemt kennis van al het werk dat wereldwijd verzet wordt en onderkent dat er proactief met partners moet worden samengewerkt, met name op het niveau van de OESO en de G20, om invulling te geven aan de richting die deze bedrijfstak inslaat zodat de EU concurrerend kan blijven en gelijke toegang voor alle landen alsook het zo wijdverspreid mogelijk delen van de voordelen van de ontwikkeling van AI waarborgt;

59.  merkt bezorgd op dat een aantal niet-Europese bedrijven en entiteiten uit derde landen steeds meer gebruikmaken van op AI gebaseerde voorspellende modellen voor het verlenen van diensten en het onttrekken van de toegevoegde waarde op EU-markten, met name op lokaal niveau, en voor het controleren en mogelijk beïnvloeden van het politieke sentiment, met potentiële bedreigingen voor de technologische soevereiniteit van de burgers van de Unie als gevolg;

60.  benadrukt dat overheidssteun voor AI gericht moet zijn op die strategische sectoren waarin de EU-industrie de grootste kansen heeft om op mondiaal niveau een leidende rol te vervullen en een meerwaarde heeft voor het algemene publieke belang;

3.1.Voornaamste sectoren.

3.1.1.Publieke sector

61.  benadrukt dat er veel voordelen kunnen worden behaald met AI en robotica in de overheidssector, en pleit voor meer investeringen in onderzoek en ontwikkeling om er een succes van te maken;

62.  benadrukt dat de lidstaten ook moeten investeren in onderwijs- en opleidingsprogramma's op het gebied van AI om werknemers in de overheidssector bij te staan bij het gebruik van AI en robotica; merkt op dat er ook voorlichtingscampagnes moeten worden opgezet voor burgers die gebruik zullen maken van door AI-systemen en robotica verstrekte overheidsdiensten om hun zorgen over het verlies van controle over hun persoonsgegevens weg te nemen en hun vertrouwen te winnen;

63.  benadrukt dat overheidsinformatie een buitengewone bron van gegevens vormt die kan bijdragen tot de snelle ontwikkeling en opzet van een nieuwe strategie voor het omarmen van nieuwe digitale technologieën, met name artificiële intelligentie;

64.  is van mening dat betrouwbare artificiële intelligentie de hervorming van het openbaar bestuur wat besluitvorming betreft in grote mate kan ondersteunen en overheidsdiensten aanzienlijk kan verbeteren en de meer wijdverspreide toepassing van AI in andere sectoren kan stimuleren;

65.  erkent het gebruik van automatisering van robotische processen en de impact ervan op het verbeteren van processen in overheidssectoren; wijst op de interoperabiliteit ervan met oude systemen;

66.  vraagt de lidstaten deze digitale transformatie te leiden door zichzelf als belangrijkste verantwoordelijke gebruikers en afnemers van AI-technologie op te stellen; benadrukt dat de lidstaten in deze context hun gegevensbeleid moeten aanpassen, waaronder de verzameling, het gebruik, de opslag of annotatie van openbare gegevens, om de toepassing van AI in alle overheidssectoren mogelijk te maken;

67.  benadrukt dat de bevolking betrokken moet worden in het AI-ontwikkelingsproces; verzoekt de Commissie daarom alle algoritmen, instrumenten of technologie die publiek gefinancierd of medegefinancierd worden als open bronnen te publiceren;

68.  is van mening dat AI een grote troef zal zijn voor de toepassing van het "once only"-beginsel, waardoor databanken en informatie uit verschillende bronnen worden gecombineerd en zodoende de interactie tussen burgers en overheidsdiensten wordt vergemakkelijkt;

69.  verzoekt de Commissie te garanderen dat burgers worden beschermd tegen AI-besluitvormingssystemen op grond van rangorde in overheidsdiensten, vergelijkbaar met de systemen die in China gepland staan te worden gebruik;

3.1.2.Gezondheidszorg

70.  benadrukt dat menselijk contact een cruciaal aspect is van menselijke zorg;

71.  stelt vast dat AI en robotica een mogelijke meerwaarde kunnen bieden in de zorg nu de levensverwachting stijgt, bijvoorbeeld door artsen en verpleegkundigen in staat te stellen tijd te besteden aan hoogwaardige activiteiten (bijv. interactie met patiënten);

72.  wijst op de impact die AI al heeft gehad op welzijn, preventie, diagnoses, onderzoek en het grote potentieel ervan voor het ontwerpen van zorg op maat; is van mening dat dit uiteindelijk resulteert in een duurzamer, efficiënter en meer op resultaten gebaseerd gezondheidszorgecosysteem;

73.  merkt op dat als AI wordt gecombineerd met een menselijke diagnose het foutenpercentage significant lager ligt dan in het geval van menselijke artsen alleen(8);

74.  benadrukt dat het gebruik van gegevens in de gezondheidssector zorgvuldig bewaakt moet worden, dat een ethisch gebruik van gegevens gewaarborgd moet worden en dat het gebruik van gegevens op generlei wijze een belemmering mag vormen voor de toegang tot sociale bescherming of sociale verzekering;

75.  is van oordeel dat dragers van medische implantaten die gebruikmaken van artificiële intelligentie het recht moeten hebben om de broncode van het implantaat te inspecteren en te wijzigen;

76.  wijst erop dat het gebruik van "big data" in de gezondheidszorg speciale aandacht verdient zodat de mogelijkheden ervan, zoals verbetering van de gezondheid van individuele patiënten en van de werking van de gezondheidsstelsels van de lidstaten, optimaal worden benut, terwijl tegelijkertijd de ethische normen en de privacy en veiligheid van burgers onverlet blijven;

77.  benadrukt echter dat het bestaande systeem voor de goedkeuring van medische hulpmiddelen mogelijk niet geschikt is voor artificiële-intelligentietechnologieën; verzoekt de Commissie de vooruitgang op het gebied van deze technologieën op de voet te volgen en zo nodig wijzigingen in het regelgevingskader voor te stellen, om zo een duidelijke verdeling vast te stellen van de wettelijke aansprakelijkheid tussen respectievelijk de gebruiker (arts/gezondheidsmedewerker), de fabrikant van het technologische hulpmiddel en de zorginstelling die de behandeling aanbiedt; benadrukt dat het vraagstuk van wettelijke aansprakelijkheid voor schade van groot belang is met betrekking tot het gebruik van artificiële intelligentie in de gezondheidszorg; benadrukt dat daarom vermeden moet worden dat gebruikers zich verplicht zien altijd in te stemmen met de diagnostische oplossing of behandeling die door een technologisch hulpmiddel wordt voorgesteld, uit angst wettelijk aansprakelijk te worden gesteld als hun professionele en deskundige oordeel leidt tot conclusies die ook maar ten dele afwijken;

78.  verzoekt de lidstaten en de Commissie meer middelen uit te trekken voor gezondheidsgerelateerde artificiële-intelligentietechnologieën in de particuliere en overheidssector; is in dit verband ingenomen met de verklaring van samenwerking die 24 EU-lidstaten en Noorwegen hebben ondertekend om de impact van investeringen in AI op Europees niveau te vergroten; verzoekt de lidstaten en de Commissie te overwegen of de opleidingsprogramma's voor medisch en zorgpersoneel moeten worden bijgewerkt en op Europees niveau moeten worden gestandaardiseerd om te zorgen voor een hoge mate van expertise en gelijke omstandigheden in de verschillende lidstaten met betrekking tot kennis over en gebruik van de meest geavanceerde technologische hulpmiddelen op het gebied van robotgestuurde chirurgie, biogeneeskunde en medische beeldvorming met behulp van AI.

79.  verzoekt de Commissie te werken aan strategieën en beleidsmaatregelen die de EU als wereldleider kunnen neerzetten in de groeiende sector van de gezondheidszorgtechnologie, terwijl wordt gewaarborgd dat patiënten toegang hebben tot consequente en effectieve medische zorg;

80.  beseft dat betere diagnostiek miljoenen levens kan redden, aangezien volgens de Wereldgezondheidsorganisatie 89 % van de vroegtijdige sterfgevallen in Europa veroorzaakt wordt door niet-overdraagbare ziekten;

81.  wijst op de bijdrage die AI en robotica leveren aan innovatie op het gebied van preventieve, klinische en revalidatiepraktijken en -technieken in de gezondheidssector, met speciale verwijzing naar de voordelen die deze technologieën voor patiënten met een handicap hebben opgeleverd;

82.  constateert dat het toegenomen gebruik van sensoren in de robotica de reikwijdte van de zorgverlening heeft vergroot met het oog op meer gepersonaliseerde behandeling en diensten, en patiënten de mogelijkheid biedt zorg op afstand te ontvangen terwijl er ook meer relevante gegevens kunnen worden gegenereerd;

83.  erkent dat volgens de Eurobarometer-enquête van mei 2017(9)de Europese burgers nog steeds moeite hebben met het idee dat robots worden ingezet voor hun dagelijkse gezondheidszorg; verzoekt de Commissie en de lidstaten strategieën en communicatiecampagnes te ontwikkelen om de voordelen van het dagelijks gebruik van robots onder de aandacht te brengen; neemt met name kennis van de ambitie van de robotstrategie van Japan;

3.1.3.Energie

84.  merkt op dat AI energieleveranciers in staat stelt over te stappen van preventief naar voorspellend onderhoud van activa en op efficiëntere wijze energie te produceren door de betrouwbaarheid te verbeteren, met name voor hernieuwbare energiebronnen, en door de meest efficiënte locaties voor nieuwe installaties in kaart te brengen en dus voor een beter beheer van vraag en respons;

85.  erkent dat nauwkeurigere, door AI geproduceerde gegevens over het potentieel van de productie van hernieuwbare energie zullen leiden tot een grotere investeringszekerheid voor bedrijven en individuen, waardoor de energietransitie naar hernieuwbare energiebronnen sneller plaatsvindt en aan de langetermijnstrategie van de Unie voor een klimaatneutrale economie wordt bijgedragen;

86.  merkt op dat oplossingen met sensoren al worden gebruikt om het energieverbruik in huizen in goede banen te leiden en dat dit aanzienlijke energie- en geldelijke besparingen heeft opgeleverd;

87.  is ingenomen met het potentieel van AI wat betreft het modelleren, identificeren en verzachten van de impact van menselijke activiteiten op het klimaat; wijst erop dat hoewel een grotere mate van digitalisering ook nieuwe energiebehoeften met zich meebrengt, dit ook kan zorgen voor efficiëntie in tot dusver energie-intensieve sectoren en een beter begrip van processen, en dus tot de verbetering ervan;

88.  benadrukt dat met een meer gedigitaliseerde energiesector energienetwerken groter worden en meer worden blootgesteld aan cyberbedreigingen; verzoekt de lidstaten en de Commissie de digitale transformatie van de energiesector gepaard te laten gaan met maatregelen – zoals artificiële intelligentie – ter verbetering van cyberbeveiliging;

3.1.4.Vervoer

89.  is ingenomen dat onze vervoersverbindingen dankzij AI en robotica enorm verbeterd kunnen worden met de invoering van autonome treinen en motorvoertuigen; roept op tot meer onderzoek en investeringen op dit vlak om de veilige en doeltreffende ontwikkeling te garanderen; onderstreept de enorme kansen voor zowel grotere technologische bedrijven als kmo’s;

90.  merkt op dat door menselijke fouten in de vervoerssector terug te dringen, het systeem potentieel efficiënter kan worden, met minder ongelukken, dankzij duidelijkere beoordelingen en de voorspellende aard van de technologie, minder vertragingen, dankzij de mogelijkheid om verkeerspatronen in kaart te brengen en diensten volgens schema aan te bieden, en meer besparingen, met minder fouten van bestuurders en beter gestroomlijnde interne processen;

91.  merkt op dat vanwege de gangbaarheid van zelfrijdende voertuigen in de toekomst risico's voor gegevensbescherming en technische defecten ontstaan en de aansprakelijkheid zal verschuiven van de bestuurder naar het voertuig, waardoor verzekeringsmaatschappijen erover moeten nadenken hoe zij risico in hun verzekeringen opnemen;

92.  merkt op dat spraakcommunicatie steeds meer wordt gebruikt in de interactie met voertuigen en vervoerssystemen, maar dat die alleen beschikbaar is voor een handvol Europese talen, waardoor er dus voor moet worden gezorgd dat alle Europeanen gebruik kunnen maken van deze mogelijkheden in hun moedertaal;

3.1.5.Landbouw en de voedselketen

93.  merkt op dat AI als katalysator kan werken op de verstorende transformatie van het huidige voedselsysteem tot een meer divers, veerkrachtig, regionaal aangepast en gezond model voor de toekomst;

94.  wijst op de rol die AI kan spelen bij de inspanningen om voedselzekerheidskwesties aan te pakken, hongersnood en uitbraken van door voedsel overgedragen ziekten te voorspellen, voedselverspilling en -afval te beperken, en duurzaam beheer van land, water en andere ecologische bronnen die cruciaal zijn voor de gezondheid van het ecosysteem, te verbeteren;

95.  benadrukt dat AI kan worden ingezet op kritieke punten in de waardeketen van het voedselsysteem - van productie tot consumptie - en ons beter in staat kan stellen de wijze waarop wij voedsel produceren, verwerken en kopen aan de hand van informatie over ruimtelijke ordening, ingrijpend te veranderen;

96.  merkt op dat AI kan bijdragen tot efficiënter beheer van hulpbronnen en productiemiddelen om afval na de oogst te helpen verminderen en keuzes van de consument te beïnvloeden;

97.  merkt op dat AI in de vorm van precisielandbouw het potentieel heeft de productie van voedsel op het landbouwbedrijf zelf alsook breder landbeheer op disruptieve wijze te veranderen door ruimtelijke ordening te verbeteren, veranderingen in landgebruik te voorspellen en de gezondheid van gewassen te bewaken terwijl de voorspelling van extreme weersomstandigheden kan worden veranderd;

98.  merkt op dat AI het aanbod van grondstoffen, de bestrijding van plagen en het beheer van landbouwbedrijven ingrijpend kan veranderen, landbouwpraktijken kan beïnvloeden, de manier kan veranderen waarop verzekeringsproducten worden aangeboden, en toekomstige hongersnood en ernstige acute ondervoeding kan helpen voorspellen en voorkomen;

99.  merkt op dat AI kan leiden tot betere besluiten over de wijze van beheer van landbouwsystemen en de ontwikkeling van systemen voor beslissingsondersteuning en aanbeveling kan stimuleren door de efficiëntie en gezondheid van landbouwbedrijven te verbeteren;

3.1.6.Cyberbeveiliging

100.  merkt op dat cyberbeveiliging een belangrijk aspect van AI is, met name gezien de uitdagingen ten aanzien van transparantie van AI op hoog niveau; is van mening dat het technologische perspectief, inclusief controle van de broncode en vereisten voor transparantie en verantwoordingsplicht, moet worden aangevuld met een institutionele benadering die de uitdagingen van de invoering van in andere landen ontwikkelde AI in de interne markt van de EU aanpakt;

101.  dringt daarom aan op een snelle tenuitvoerlegging van de cyberbeveiligingsverordening; wijst erop dat de opzet van EU-certificeringsregelingen een robuustere ontwikkeling en toepassing van veilige AI- en roboticasystemen moet waarborgen;

102.  is van mening dat AI zowel een bedreiging voor de cyberbeveiliging als het instrument ter bestrijding van cyberaanvallen kan zijn; meent dat het Europees Agentschap voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) een actieplan over cyberbeveiliging op het gebied van AI moet opstellen dat aan AI gerelateerde bedreigingen en zwakke punten kan beoordelen en aanpakken;

103.  wijst op het belang van het versterken van de industriële basis als strategisch aspect van de ontwikkeling van veilige AI; benadrukt dat Europa met het oog op een ambitieus niveau van cyberbeveiliging gegevensbescherming en betrouwbare ICT-diensten in haar technologische onafhankelijkheid moet investeren; wijst erop dat de EU dringend haar eigen infrastructuur, datacenters, cloudsystemen en componenten zoals grafische processors en chipproductie moet ontwikkelen;

104.  merkt op dat aangezien AI zich verder ontwikkelt en hackers steeds geavanceerder worden, krachtige cyberbeveiligingsoplossingen absoluut noodzakelijk zullen zijn;

105.  erkent dat de implementatie van AI-oplossingen wat betreft cyberbeveiliging de voorspelling, voorkoming en vermindering van bedreigingen mogelijk zal maken;

106.  benadrukt dat hoewel AI zal kunnen zorgen voor een groter bereik voor de opsporing van bedreigingen, de menselijke interpretatie van die bedreigingen is vereist om na te gaan of deze echt zijn;

107.  verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar het gebruik van op blockchain gebaseerde cyberbeveiligingstoepassingen ter verbetering van de weerbaarheid, betrouwbaarheid en robuustheid van AI-infrastructuur aan de hand van modellen van gegevenscodering zonder tussenkomst; verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar de mogelijkheid burgers te belonen voor hun gegevens aan de hand van tokens;

108.  verzoekt de Commissie capaciteiten van de EU op het gebied van cyberbeveiliging te versterken door inspanningen in heel Europa verder te bundelen en te coördineren;

3.1.7.Kmo's

109.  erkent het belang van kmo's voor het succes van AI; is verheugd over het initiatief van de Commissie om een AI-on-demandplatform op te richten dat technologieoverdracht zal stimuleren en de groei van start-ups en kmo's zal bewerkstelligen; verzoekt de Commissie digitale-innovatiehubs voor AI te bevorderen die niet tot het ontstaan van aanvullende administratieve niveaus leiden, maar zijn gericht op het bespoedigen van investeringen in projecten die hun efficiëntie hebben bewezen;

110.  merkt op dat de kosten voor investeringen in AI tot grote belemmeringen voor de markttoegang van kmo's leiden; erkent dat het wijdverspreide gebruik van AI door consumenten de risico's van deze investeringen voor kmo's zou wegnemen;

111.  benadrukt dat het gebruik van AI door kmo's evenzeer als het gebruik ervan door consumenten moet worden bevorderd;

112.  wijst op het belang van gerichte maatregelen om ervoor te zorgen dat kmo’s en start-ups AI-technologieën kunnen toepassen en er voordeel uit kunnen halen; meent dat effectbeoordelingen van de gevolgen van nieuwe EU-wetgeving inzake de technologische ontwikkeling van AI verplicht moeten worden gesteld en dat dergelijke effectbeoordelingen ook op nationaal niveau moeten worden overwogen;

113.  onderstreept dat AI mogelijkheden kan bieden voor kmo's maar ook de hefboomwerking van grote pioniergebruikers en ontwikkelaars vergroot; wijst erop dat er, vanuit het oogpunt van mededinging, voor gezorgd moet worden dat nieuwe verstoringen zorgvuldig worden geëvalueerd en aangepakt;

4.Juridisch kader voor artificiële intelligentie en robotica

114.  roept de Commissie op om, ter bevordering van een regelgevingskader dat gunstig is voor de ontwikkeling van AI en in overeenstemming met het beginsel van betere regelgeving, de huidige wetgeving regelmatig opnieuw te evalueren om ervoor te zorgen dat deze geschikt is voor het doel van AI, met inachtneming van de fundamentele waarden van de EU, en ernaar te streven nieuwe voorstellen te wijzigen of te vervangen wanneer blijkt dat dit niet het geval is;

115.  is ingenomen met de oprichting van op AI gebaseerde participatieplatforms waardoor burgers op succesvolle wijze kunnen worden gehoord en interactie kunnen hebben met regeringen door voorstellen voor te leggen, onder andere door middel van participatiebegrotingen en andere instrumenten van directe democratie; benadrukt dat bottom-upprojecten burgerparticipatie kunnen bevorderen en mensen kunnen helpen om op een meer effectieve en democratische wijze weloverwogen beslissingen te nemen;

116.  merkt op dat AI een begrip is dat een breed scala van producten en toepassingen behelst, van automatisering, algoritmes en kleinschalige artificiële intelligentie tot algemene artificiële intelligentie; is van mening dat alomvattende wet- of regelgeving inzake AI voorzichtig dient te worden benaderd, aangezien sectorale regelgeving kan voorzien in beleid dat voldoende algemeen is maar ook afgestemd op het niveau waarop zij van betekenis is voor de industriële sector;

117.  benadrukt dat het beleidskader aldus ontworpen moet worden dat de ontwikkeling van alle vormen van AI wordt gestimuleerd en niet alleen de ontwikkeling van systemen voor "deep learning", waarvoor enorme hoeveelheden gegevens nodig zijn;

4.1.Een interne markt voor artificiële intelligentie

118.  onderstreept het belang van het beginsel van wederzijdse erkenning bij het grensoverschrijdende gebruik van slimme goederen, met inbegrip van robots en roboticasystemen; herinnert eraan dat, indien nodig, tests, certificering en productveiligheid ervoor moeten zorgen dat bepaalde goederen veilig zijn qua ontwerp en standaardinstellingen; wijst er in dit verband op dat ook moet worden gewerkt aan de ethische aspecten van AI;

119.  benadrukt dat EU-wetgeving die verband houdt met de tenuitvoerlegging van de strategie voor de interne markt de belemmeringen voor de toepassing van AI moet wegnemen; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of het nodig is het beleidskader en het regelgevingskader te actualiseren om een Europese interne markt voor AI tot stand te brengen;

120.  erkent dat robotica en AI-technologie steeds meer worden gebruikt in zelfrijdende voertuigen, zoals zelfrijdende auto's en civiele drones; stelt vast dat sommige lidstaten al wetgeving op dit gebied uitvaardigen of zulks overwegen, wat kan leiden tot een lappendeken van nationale wetten waardoor de ontwikkeling van zelfrijdende voertuigen belemmerd wordt; dringt daarom aan op één enkel pakket van EU-regels waarin het juiste evenwicht wordt gevonden tussen de belangen van en de potentiële risico's voor gebruikers, bedrijven en andere betrokken partijen, en waarmee tegelijk overregulering inzake robotica en AI-systemen wordt voorkomen;

121.  dringt er bij de lidstaten op aan hun beroepsopleidings- en onderwijsstelsels te moderniseren teneinde rekening te houden met de wetenschappelijke vooruitgang en ontwikkelingen op het gebied van AI, in overeenstemming met de richtlijn betreffende een evenredigheidsbeoordeling(10) en de richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties(11), en om de professionele diensten van de EU in de komende decennia wereldwijd concurrerend te maken;

122.  benadrukt dat AI wordt toegepast in diverse sectoren waar standaardisering van groot belang is, zoals slimme productie, robotica, autonome voertuigen, virtuele realiteit, gezondheidszorg en gegevensanalyse, en is van mening dat de standaardisering van AI op EU-niveau innovatie zal bevorderen en een hoog niveau van consumentenbescherming zal garanderen; erkent dat er wel tal van normen bestaan op het gebied van veiligheid, betrouwbaarheid, interoperabiliteit en beveiliging, maar dat verdere bevordering en ontwikkeling van gemeenschappelijke normen voor robotica en AI noodzakelijk is en een van de prioriteiten van de Unie moet zijn; roept de Commissie op om, in samenwerking met de EU-normalisatie-instellingen, proactief te blijven samenwerken met internationale normalisatie-instellingen om de normen op dit gebied te verbeteren;

123.  herinnert eraan dat veel beleidsaspecten die relevant zijn voor op AI-gebaseerde diensten, met inbegrip van regels inzake consumentenbescherming en beleid inzake ethiek en aansprakelijkheid, bestreken worden door het bestaande regelgevingskader voor diensten, namelijk de dienstenrichtlijn(12), de richtlijn betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en de richtlijn inzake elektronische handel(13); onderstreept in dit verband dat de mens altijd de eindverantwoordelijkheid moet dragen voor de besluitvorming, met name voor professionele diensten zoals de medische, juridische en boekhoudkundige beroepen; is van mening dat moet worden nagedacht over de vraag of toezicht door een gekwalificeerde beroepsbeoefenaar noodzakelijk is om legitieme doelstellingen van algemeen belang te beschermen en diensten van hoge kwaliteit te leveren;

124.  erkent het belang van betere digitale diensten, zoals virtuele assistenten, chatbots en virtuele agenten, die een ongekende operationele efficiëntie opleveren, maar stelt ook met nadruk dat er een mensgerichte en marktgestuurde AI moet worden ontwikkeld om betere en betrouwbaardere beslissingen te kunnen nemen, gezien de limieten van de autonomie van AI en robotica;

4.2.Persoonsgegevens en privacy

125.  benadrukt dat een hoog niveau van veiligheid, beveiliging en privacy moet worden gewaarborgd met betrekking tot de gegevens die worden gebruikt voor de communicatie tussen mensen en robots en artificiële intelligentie; verzoekt de Commissie en de lidstaten daarom om de beginselen van ingebouwde beveiliging en privacy in hun beleid inzake robotica en artificiële intelligentie te integreren;

126.  wijst er nogmaals op dat het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, zoals neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten en in artikel 16 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, van toepassing zijn op alle gebieden van robotica en artificiële intelligentie en dat het rechtskader van de Unie op het gebied van gegevensbescherming ten volle moet worden nageleefd; wijst erop dat ontwerpers van roboticasystemen en artificiële intelligentie gehouden zijn producten zodanig te ontwikkelen dat zij veilig en betrouwbaar zijn en geschikt voor het beoogde doel en procedures voor gegevensverwerking volgen die stroken met de bestaande wetgeving en met de beginselen van vertrouwelijkheid, anonimiteit, eerlijke behandeling en eerlijke rechtsbedeling;

127.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat Unie-wetgeving over artificiële intelligentie maatregelen en regels bevat die rekening houden met de snelle technologische evolutie op dit gebied om ervoor te zorgen dat Unie-wetgeving niet achterblijft bij de curve van technologische ontwikkeling en toepassing; benadrukt dat dergelijke wetgeving in overeenstemming moet zijn met de voorschriften inzake privacy en gegevensbescherming; dringt aan op herziening van regels, beginselen en criteria inzake het gebruik van camera's en sensoren in robotsystemen en met betrekking tot artificiële-intelligentiesystemen overeenkomstig het rechtskader van de Unie voor gegevensbescherming;

128.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat elk EU-regelgevingskader inzake artificiële intelligentie de privacy en vertrouwelijkheid van communicatie en de bescherming van persoonsgegevens waarborgt, met inbegrip van de beginselen van rechtmatigheid, eerlijkheid en transparantie, gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen, doelbinding, opslagbeperking, nauwkeurigheid en gegevensminimalisatie, overeenkomstig de gegevensbeschermingswetgeving van de Unie;

129.  benadrukt dat het recht op privacy te allen tijde moet worden geëerbiedigd en dat individuele personen niet identificeerbaar mogen zijn; wijst erop dat AI-ontwikkelaars duidelijke en ondubbelzinnige geïnformeerde toestemming van de betrokkenen moeten hebben en benadrukt dat AI-ingenieurs in dit opzicht de verantwoordelijkheid hebben om procedures te ontwikkelen voor geldige instemming, vertrouwelijkheid, anonimiteit, rechtvaardige behandeling en recht op eerlijke rechtsbedeling; benadrukt dat ontwerpers aan elk verzoek dienen te voldoen om aanverwante gegevens te vernietigen en uit gegevensverzamelingen te verwijderen;

130.  herinnert eraan dat in de Verordening (EU) nr. 2018/1807 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake een kader voor het vrije verkeer van niet-persoonsgebonden gegevens in de Europese Unie(14) bepaald is dat indien de technologische ontwikkelingen het mogelijk maken geanonimiseerde gegevens om te zetten in persoonsgegevens, dergelijke gegevens als persoonsgegevens moeten worden behandeld, en dat de algemene verordening gegevensbescherming (GDPR) (15) dienovereenkomstig van toepassing is;

4.3.Aansprakelijkheid

131.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie om een deskundigengroep voor aansprakelijkheid en nieuwe technologieën op te richten, die de EU deskundig advies moet gaan verlenen als het gaat om de toepasselijkheid van de productaansprakelijkheidsrichtlijn(16) op traditionele producten, nieuwe technologieën en nieuwe maatschappelijke uitdagingen, en die de EU ondersteuning moet gaan bieden bij de ontwikkeling van beginselen die als richtsnoeren kunnen dienen voor mogelijke herzieningen van geldende wetgevingsinstrumenten op EU- en nationaal niveau met betrekking tot nieuwe technologieën;

132.  betreurt evenwel dat er tijdens deze zittingsperiode geen wetgevingsvoorstel is ingediend, waardoor de actualisering van de aansprakelijkheidsregels op EU-niveau vertraging heeft opgelopen en de rechtszekerheid op dit gebied voor handelaren en consumenten in de hele EU in gevaar is gebracht;

133.  merkt op dat AI-ingenieurs of de bedrijven die hen in dienst nemen, verantwoordelijk moeten blijven voor de sociale, milieu- en aan de menselijke gezondheid gerelateerde gevolgen die AI-systemen of robotica voor de huidige en toekomstige generaties kunnen inhouden;

4.4.Consumentenbescherming en empowerment

134.  onderstreept dat consumentenvertrouwen van essentieel belang is voor de ontwikkeling van AI en dat op AI gebaseerde systemen steeds meer consumentengegevens verwerken, waardoor ze een belangrijk doelwit voor cyberaanvallen worden; wijst er ook op dat AI moet functioneren op een manier die niet schadelijk is voor burgers en consumenten en meent dat daarom de integriteit van de gegevens en algoritmen waarop het gebaseerd is, gewaarborgd moet worden;

135.  is van mening dat voor productie en individueel gebruik ontwikkelde AI-technologieën moeten worden onderworpen aan productveiligheidscontroles door markttoezichtautoriteiten en regels voor consumentenbescherming, waardoor waar nodig minimale veiligheidsnormen gewaarborgd worden en het risico van ongevallen als gevolg van interactie met of werken in de nabijheid van mensen wordt tegengegaan; meent dat ethiek en gegevensbescherming, waaronder bescherming van gegevens van derden en persoonsgegevens, wettelijke aansprakelijkheid en cyberbeveiliging punten zijn die in elk beleid inzake AI aandacht moeten krijgen;

4.5.Intellectuele-eigendomsrechten

136.  herinnert aan zijn hierboven reeds vermelde resolutie van 16 februari 2017, waarin het Parlement stelde dat er geen specifieke wettelijke bepalingen voor robotica zijn, maar dat de bestaande rechtsstelsels en doctrines zonder meer op robotica kunnen worden toegepast, waarbij bepaalde aspecten echter wel nader moeten worden onderzocht; herhaalt het in die resolutie gedane verzoek aan de Commissie om steun te verlenen aan een horizontale en technologieneutrale benadering ten aanzien van intellectuele eigendom, die gehanteerd kan worden in alle sectoren waarin gebruik kan worden gemaakt van robotica;

137.  is in dit kader ingenomen met de mededeling van de Commissie aan de instellingen over richtsnoeren inzake bepaalde aspecten van Richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten(17) (COM(2017)0708), maar wijst erop dat de relevantie en de doeltreffendheid van de regels inzake intellectuele-eigendomsrechten voor de ontwikkeling van AI beoordeeld moeten worden; wijst in dit verband op het belang van geschiktheidscontroles;

5.Ethische aspecten

138.  is van mening dat acties en toepassingen op het gebied van artificiële intelligentie in overeenstemming moeten zijn met ethische beginselen en de toepasselijke nationale, EU- en internationale wetten;

139.  pleit voor de totstandbrenging van een ethisch handvest van optimale werkmethoden voor AI en robotica waaraan bedrijven en deskundigen zich moeten houden;

140.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om nauwe en transparante samenwerking tussen de publieke sector, de particuliere sector en de academische wereld te stimuleren, omdat daarmee de uitwisseling van kennis wordt bevorderd, en om onderwijs en scholing voor ontwerpers over ethische aspecten, veiligheid en eerbiediging van de grondrechten te bevorderen, alsmede onderwijs en scholing voor consumenten over het gebruik van robotica en artificiële intelligentie, met bijzondere aandacht voor veiligheid en gegevensbescherming;

141.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat op AI gebaseerde toepassingen geen uit diverse bronnen verkregen gegevens gebruiken zonder de voorafgaande nadrukkelijke toestemming van het datasubject; dringt er bij de Commissie op aan een kader op te stellen dat ervoor zorgt dat door het datasubject gegeven nadrukkelijke toestemming alleen gegevens voor het beoogde doel genereert;

142.  verzoekt de Commissie het recht van burgers op een offlineleven te eerbiedigen en ervoor te zorgen dat er geen sprake zal zijn van discriminatie van burgers omwille van het feit dat geen gegevens over hen zijn geregistreerd;

5.1.Op de mens gerichte technologie

143.  benadrukt dat ethische regels voorhanden moeten zijn om te zorgen voor op de mens gerichte ontwikkeling van AI, de verantwoordingsplicht en transparantie van algoritmische besluitvormingsprocessen, duidelijke aansprakelijkheidsregels en billijkheid;

144.  is ingenomen met het initiatief van de Commissie voor de oprichting van de deskundigengroep op hoog niveau voor artificiële intelligentie alsook het AI-alliantienetwerk van de EU met als doel ethische richtsnoeren voor AI op te stellen; verzoekt de Commissie te zorgen voor de grootst mogelijke integratie van die ethische richtsnoeren door de industrie, de academische wereld en overheidsinstanties; beveelt aan dat de lidstaten de richtsnoeren in hun nationale AI-strategie opnemen en structuren voor werkelijke verantwoordingsplicht voor bedrijfstakken en overheden ontwikkelen bij het ontwerp en de toepassing van AI;

145.  is van mening dat een voortdurende follow-up van de uitvoering van de ethische richtsnoeren inzake AI en de impact ervan op de ontwikkeling van op de mens gerichte AI van essentieel belang is; verzoekt de Commissie te analyseren of de vrijwillige ethische richtsnoeren toereikend zijn om te zorgen voor de inclusieve toepassing van AI met ingebouwde ethiek die niet tot economische en sociale kloven in EU-samenlevingen leiden, en indien nodig regelgevings- en beleidsmaatregelen voor te stellen;

146.  neemt nota van de recente ontwikkelingen qua monitoring van en aanpassing aan gedragsanalyses; verzoekt de Commissie een ethisch kader te ontwikkelen dat het gebruik ervan beperkt; dringt er bij de Commissie op aan bewustwording te creëren en een voorlichtingscampagne op te zetten op het gebied van AI en de toepassing ervan op gedragsanalyses;

5.2.Ingebouwde waarden in technologie – ethisch ontwerp

147.  wijst erop dat het richtinggevend ethisch kader zou moeten stoelen op de beginselen van de plicht tot weldoen, geen schade berokkenen, autonomie en rechtvaardigheid, op de beginselen die zijn neergelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Handvest van de grondrechten, zoals menselijke waardigheid, gelijkheid, gerechtigheid en billijkheid, non-discriminatie, geïnformeerde toestemming, bescherming van privacy, gezinsleven en gegevens, alsmede andere onderliggende beginselen en waarden van de Uniewetgeving, zoals niet-stigmatisering, transparantie, autonomie, individuele en maatschappelijke verantwoordelijkheid, en op bestaande ethische benaderingen en codes;

148.  meent dat Europa wereldwijd de toon moet zetten door uitsluitend AI met ingebouwde ethiek toe te passen; benadrukt dat om dit te bereiken, de toepassing van ethiek in AI op verschillende niveaus moet worden gewaarborgd; beveelt de lidstaten aan organen voor controle van en toezicht op AI op te zetten en bedrijven die AI ontwikkelen, aan te moedigen ethische commissies op te richten en ethische leidraden voor hun AI-ontwikkelaars uit te werken;

149.  benadrukt dat Europese normen voor AI gebaseerd moeten zijn op de beginselen van digitale ethiek, menselijke waardigheid, eerbiediging van de grondrechten, gegevensbescherming en beveiliging, en zo bijdragen aan het vertrouwen van de gebruikers; benadrukt dat het belangrijk is het potentieel te benutten van de EU om een sterke infrastructuur te creëren voor AI-systemen die zijn geworteld in strenge normen voor gegevens en respect voor mensen; merkt op dat transparantie en verklaarbaarheid in de ontwikkeling van AI moeten worden ingebouwd;

150.  merkt op dat voor geautomatiseerde wapensystemen een benadering van artificiële intelligentie moet blijven worden gevolgd waarbij de mens de controle heeft;

5.3.Besluitvorming – grenzen aan de autonomie van artificiële intelligentie en robotica

151.  wijst op de moeilijkheid en complexiteit om de toekomstige gedragingen van tal van complexe AI-systemen en de opkomende gedragingen van interagerende AI-systemen te voorspellen; verzoekt de Commissie na te gaan of specifieke regelgeving ten aanzien van door AI mogelijk gemaakte besluitvorming is vereist;

152.  merkt op dat artificiële intelligentie een nuttig instrument zal blijven omdat het prestaties van menselijk handelen kan verbeteren en het aantal fouten kan terugdringen;

153.  vindt dat mensen moeten beschikken over het recht om te weten, het recht van beroep en een recht van bezwaar als AI wordt ingezet voor beslissingen met gevolgen voor mensen, die een significant risico voor de rechten en vrijheden van het individu inhouden of hun schade kunnen berokkenen;

154.  benadrukt dat in besluitvormingssystemen gebruikte algoritmes niet mogen worden toegepast zonder een voorafgaande beoordeling van de impact van algoritmes (AIA) tenzij het duidelijk is dat zij geen significante impact op het leven van individuen hebben;

155.  is van mening dat artificiële intelligentie, met name systemen met ingebouwde autonomie, inclusief de capaciteit om zelfstandig gevoelige informatie te selecteren, te verzamelen en met verschillende belanghebbenden te delen en de mogelijkheid tot zelf leren of zelfs tot de overgang naar zelfwijziging, onder robuuste beginselen moet vallen; benadrukt dat AI-systemen geen persoonlijke vertrouwelijke informatie zonder nadrukkelijke goedkeuring van de bron ervan mogen bewaren of bekendmaken;

5.4.Transparantie, subjectiviteit en de verklaarbaarheid van algoritmes

156.  wijst erop dat AI weliswaar veel voordelen oplevert op het vlak van automatisering en besluitvorming, maar dat er ook een risico aan kleeft als de algoritmes statisch en ondoorgrondelijk zijn; benadrukt in dit verband dat algoritmes transparanter moeten zijn;

157.  wenst dat de Commissie, de lidstaten en de gegevensbeschermingsautoriteiten algoritmische discriminatie en vertekening in kaart brengen en te vermijden of tot een minimum beperken, en dat zij een sterk en gemeenschappelijk ethisch kader opzetten, zowel voor de transparante verwerking van persoonsgegevens als voor geautomatiseerde besluitvorming, om te fungeren als richtsnoer voor gegevensgebruik en de handhaving van het Unierecht;

158.  benadrukt dat elk AI-systeem moet worden ontwikkeld met inachtneming van de beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht voor algoritmen, zodat mensen de activiteiten ervan kunnen begrijpen; merkt op dat, om het vertrouwen te vergroten in en de progressie mogelijk te maken van AI, de gebruikers zich bewust moeten zijn van de wijze waarop hun gegevens, evenals andere gegevens en gegevens die uit hun gegevens afgeleid worden, worden gebruikt, en wanneer zij communiceren of interageren met een AI-systeem of met mensen die door een AI-systeem ondersteund worden; is van mening dat dit zal bijdragen tot een beter begrip en vertrouwen onder de gebruikers; benadrukt dat de verklaarbaarheid van besluiten een EU-norm moet zijn in overeenstemming met de artikelen 13, 14 en 15 van de GDPR; herinnert eraan dat de GDPR al voorziet in het recht te worden geïnformeerd over welke logica aan de gegevensverwerking ten grondslag ligt; benadrukt dat personen, overeenkomstig artikel 22 van de GDPR, het recht hebben om menselijke tussenkomst te vragen wanneer een besluit op basis van een geautomatiseerde verwerking hen in aanzienlijke mate treft;

159.  wijst erop dat de Commissie, het Europees Comité voor gegevensbescherming, nationale gegevensbeschermingsautoriteiten en andere onafhankelijke toezichthoudende autoriteiten in de toekomst een cruciale rol moeten spelen ten aanzien van de bevordering van de transparantie, eerlijke rechtsbeoordeling en rechtszekerheid in het algemeen en, meer in het bijzonder, ten aanzien van concrete normen ter bescherming van de grondrechten en waarborgen in verband met de verwerking en de analyse van gegevens; dringt aan op nauwere samenwerking tussen de autoriteiten die belast zijn met het toezicht op of het reguleren van gedrag in de digitale omgeving; wenst dat aan die instanties voldoende middelen en personeel ter beschikking wordt gesteld;

160.  erkent dat algoritmes voor automatisch leren worden getraind om zelf te leren, met voordelen voor automatisering en besluitvorming; vraagt dat richtsnoeren voor ethiek op het gebied van AI betrekking hebben op kwesties aangaande algoritmische transparantie, verantwoordingsplicht en billijkheid;

161.  wijst op het belang van de verklaarbaarheid van resultaten van AI-systemen door ze begrijpelijk te maken voor niet-technisch publiek en hen te voorzien van relevante informatie, wat nodig is om de billijkheid te evalueren en het vertrouwen te winnen;

162.  wijst erop dat het gebrek aan transparantie van deze technologieën en hun toepassingen een aantal ethische kwesties opwerpt;

163.  merkt op dat AI-systemen verklaarbaar moeten zijn aan mensen en dat AI-systemen relevante informatie moeten verstrekken zodat feedback kan worden gegeven; erkent dat de kracht van AI-modellen afhangt van feedback en herbeoordeling, en moedigt dit proces aan;

164.  merkt op dat burgers bezorgd zijn over het feit dat zij niet weten wanneer AI wordt ingezet en welke informatie wordt verwerkt; beveelt aan duidelijk openbaar te maken wanneer AI door burgers wordt gebruikt; benadrukt derhalve dat om het vertrouwen van de consument te behouden, gegevensverzending veilig moet blijven plaatsvinden;

165.  is van mening dat de verantwoordingsplicht voor de algoritmes moet worden gereguleerd door beleidsmakers via effectbeoordelingen aan de hand van vooraf vastgestelde parameters;

166.  merkt op dat openbaarmaking van de computercode alleen de kwestie van transparantie van AI niet zal oplossen, omdat de achterliggende subjectieve tendensen daardoor niet aan het licht zouden komen en het leerproces van de machine daarmee nog niet verklaard is; benadrukt dat transparantie niet alleen transparantie van de code inhoudt, maar ook van gegevens en geautomatiseerde besluitvorming;

167.  erkent dat openbaarmaking van de broncode kan leiden tot misbruik van en het spelen met algoritmes;

168.  wijst op het belang van het aanpakken van "ontwikkelaarsvoorkeuren", en onderstreept de behoefte aan een divers personeelsbestand in alle takken van de IT-sector, en aan vrijwaringsmechanismen om te voorkomen dat vooroordelen op basis van gender en leeftijd in AI-systemen worden opgenomen;

169.  beseft dat het onthullen van de code of van handelsgeheimen bedrijven ook zou ontmoedigen om een nieuwe code te onderzoeken en te ontwikkelen, aangezien hun intellectuele eigendom dan in het gedrang zou komen; merkt op dat de ontwikkeling van AI in de plaats daarvan de interpreteerbaarheid van modellen en de interactie ervan met de input en trainingsgegevens moet bevorderen;

170.  erkent dat hoewel transparantie en verklaarbaarheid gebreken aan het licht kunnen brengen, zij niet de betrouwbaarheid, veiligheid en billijkheid kunnen waarborgen; beschouwt aansprakelijkheid derhalve als een integraal bestanddeel voor de ontwikkeling van betrouwbare artificiële intelligentie, die kan worden bereikt via verschillende manieren, zoals AIA’s, auditing en certificering;

171.  benadrukt dat protocollen voor de voortdurende controle en opsporing van algoritmische subjectiviteit moeten worden ontwikkeld;

172.  wijst erop dat ontwikkelaars van algoritmes moeten garanderen dat aan essentiële vereisten zoals billijkheid en verklaarbaarheid vanaf het begin van de ontwerpfase en door de hele ontwikkelingscyclus heen is voldaan;

173.  wijst op de noodzaak van richtsnoeren ter beschrijving van goede ontwikkelingspraktijken;

174.  benadrukt het belang van gebruikmaking van lineage om de geschiedenis van het AI-model te kunnen traceren; is van mening dat dit zal bijdragen tot het begrip van en het vertrouwen in die modellen op basis van die geschiedenis;

175.  benadrukt dat het gebruik van AI-systemen duidelijk moet worden aangegeven in interacties met gebruikers;

176.  benadrukt dat de bredere inzet van artificiële intelligentie en robotica moet plaatsvinden met volledige eerbiediging van de mensenrechten en dat bij de machines en robots in geen geval sprake mag zijn van stereotypering tegen vrouwen, noch van enige andere vorm van discriminatie;

177.  wijst erop dat zelfs kwalitatief hoogwaardige trainingsgegevens, als zij niet zorgvuldig en bewust worden gebruikt, het voortbestaan van discriminatie en onrechtvaardigheid in de hand kunnen werken; merkt op dat het gebruik van kwalitatief inferieure, gedateerde, onvolledige of onjuiste gegevens in de verschillende fases van de gegevensverwerking kan resulteren in slechte voorspellingen en beoordelingen en daardoor in vooroordelen, die uiteindelijk kunnen leiden tot schendingen van de grondrechten van mensen of compleet onjuiste conclusies of onjuiste resultaten; is daarom van oordeel dat het belangrijk is in het tijdperk van big data te waarborgen dat algoritmen worden getraind met representatieve hoogwaardige gegevens om statistische gelijkheid te bereiken; benadrukt dat voorspellingen op basis van AI slechts een statistische waarschijnlijkheid kunnen bieden, zelfs als correcte kwalitatief hoogwaardige gegevens worden gebruikt; herinnert eraan dat volgens de GDPR de verdere verwerking van persoonsgegevens voor statistische doeleinden, met inbegrip van AI, alleen geaggregeerde gegevens mag opleveren die niet opnieuw op individuele personen kunnen worden toegepast;

178.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat degenen die valse inhoud of valse video's of enig ander realistisch ogend vals materiaal produceren, nadrukkelijk verklaren dat die niet origineel zijn;

179.  merkt op dat AI onlosmakelijk is verbonden met de verzameling van grote hoeveelheden gegevens en vaak ook met de samenstelling van nieuwe gegevensbanken die worden ingezet om aannames over mensen te doen; meent dat de nadruk moet liggen op het identificeren en opzetten van responsmechanismen voor potentiële bedreigingen teneinde negatieve gevolgen te verminderen;

180.  herhaalt dat AI-systemen geen subjectiviteit mogen bewerkstelligen of versterken; onderstreept dat voor de ontwikkeling en het gebruik van algoritmes overwegingen inzake subjectiviteit en billijkheid in alle stadia van ontwerp tot uitvoering moeten worden meegenomen; is van mening dat de datasets en algoritmes regelmatig moeten worden beoordeeld en getest om te waarborgen dat de besluitvorming accuraat is;

6.Governance

6.1.Coördinatie op Unieniveau

181.  verzoekt de Commissie te werken aan de ontwikkeling van sterk EU-leiderschap waarmee overlapping en versnippering van inspanningen kan worden voorkomen en coherent beleid op nationaal niveau en de uitwisseling van beste praktijken voor breder gebruik van AI kunnen worden gewaarborgd;

182.  is ingenomen met de verschillende nationale strategieën die ontwikkeld zijn door de lidstaten; is verheugd over het gecoördineerd plan voor artificiële intelligentie van de Commissie, dat op 7 december 2018 is gepubliceerd; roept in dit verband op tot betere coördinatie tussen de lidstaten en de Commissie;

183.  merkt op dat een aantal lidstaten al hun eigen nationale AI-strategieën hebben en is verheugd over het feit dat alle lidstaten in april 2018 een verklaring van samenwerking op het gebied van artificiële intelligentie hebben ondertekend; is tevens verheugd over het komende gecoördineerde plan betreffende AI tussen de Commissie en de lidstaten, maar roept alle betrokken partijen op om te streven naar het hoogst mogelijke niveau van samenwerking;

184.  is van mening dat er nauwere samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie nodig is om te waarborgen dat er coherente grensoverschrijdende regels in de Unie komen die de samenwerking tussen Europese sectoren aanmoedigen en het mogelijk maken in de gehele Unie AI in te zetten die voldoet aan de vereiste veiligheidsniveaus en aan de ethische beginselen die in de Uniewetgeving zijn neergelegd;

185.  benadrukt dat een geharmoniseerd, op risico gebaseerd en progressief EU-kader inzake gegevensbeleid het vertrouwen zou vergroten en de ontwikkeling van AI in Europa zou ondersteunen, waarbij wordt gezorgd voor de voltooiing van de digitale interne markt en verhoging van de productiviteit van in Europa gevestigde bedrijven;

186.  raadt aan bestaande en toekomstige initiatieven en proefprojecten op het gebied van AI, die door de Commissie worden uitgevoerd, goed te coördineren, eventueel onder begeleiding van het voorgestelde toezichtsmechanisme, zodat synergieën en reële toegevoegde waarde worden gecreëerd en dure dubbele structuren worden vermeden;

187.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de oprichting te overwegen van een Europees regelgevend agentschap voor AI en algoritmische besluitvorming dat belast is met:

   de opstelling van een risicobeoordelingsmatrix voor het classificeren van soorten algoritmes en toepassingsgebieden naargelang van hun potentiële significante negatieve gevolgen voor burgers,
   onderzoek naar het gebruik van algoritmische systemen wanneer een inbreuk op de mensenrechten wordt vermoed (bijv. op basis van door een klokkenluider verschaft bewijs),
   advies aan andere regelgevingsautoriteiten over algoritmische systemen die onder hun bevoegdheid vallen;
   verhoging van de doeltreffendheid van het aansprakelijkheidsmechanisme als een manier om de verantwoordingsplicht van algoritmische systemen te reguleren door een contactpunt te verstrekken voor burgers die niet vertrouwd zijn met juridische procedures;
   controle van de AIA’s van systemen met een hoge impact voor het goedkeuren of verwerpen van de voorgestelde toepassingen van algoritmische besluitvorming op zeer gevoelige en/of veiligheidskritieke toepassingsgebieden (bijv. particuliere gezondheidszorg); de AIA voor toepassingen in de private sector kan volgens een zeer gelijksoortig proces als dat voor de overheidssector verlopen, met het mogelijke verschil dat de verschillende stadia van openbaarmaking worden behandeld als vertrouwelijke communicatie aan het regelgevende agentschap (in het kader van een geheimhoudingsovereenkomst) teneinde belangrijke handelsgeheimen veilig te stellen;
   onderzoek naar vermoedelijke gevallen van rechtenschendingen door algoritmische besluitvormingssystemen, voor zowel gevallen van individuele besluitvorming (bijv. bijzondere afwijkende resultaten) als statistische besluitpatronen (bijv. discriminerende subjectiviteit); onderzoeken kunnen worden ingesteld naar aanleiding van ingediende klachten of op grond van door klokkenluiders, onderzoeksjournalisten of onafhankelijke onderzoekers (met inbegrip van ngo's en academici) verschaft bewijs;

188.  wijst op de werkzaamheden inzake AI die door de Internationale Organisatie voor normalisatie (ISO) op het gebied van artificiële intelligentie worden verricht, en dringt bij de lidstaten aan op coördinatie tussen hun ISO-leden, opdat de Europese belangen in het kader van de ontwikkeling van normen naargelang behartigd worden;

6.2.Internationale governance

189.  is ingenomen met de oprichting van een waarnemingspost voor het AI-beleid van de OESO, en dringt aan op meer ambitie om een stappenplan voor nauwere samenwerking op te stellen;

190.  wijst nadrukkelijk op de verschillende modellen die worden ontwikkeld in derde landen, met name in de VS, China, Rusland en Israël, en benadrukt de door waarden ingegeven benadering die in Europa wordt gehanteerd en de noodzaak om te werken met internationale partners in een bilaterale en multilaterale context, ten behoeve van een ethische ontwikkeling en toepassing van AI; onderkent dat deze technologie geen grenzen kent en dat de samenwerking verder moet reiken dan alleen tussen de EU-lidstaten;

191.  verzoekt de Commissie op internationaal niveau te opereren en optimale consistentie tussen de internationale spelers te garanderen en wereldwijd te pleiten voor de ethische beginselen van de EU;

192.  onderstreept dat AI een technologie met een mondiale impact is, die gedeelde voordelen oplevert en navenante uitdagingen met zich meebrengt; wijst erop dat, net als in het geval van het economische systeem, een mondiale aanpak vereist is en met name in het geval van een technologie met significante impact op de markten; benadrukt dat AI op de agenda van bestaande instellingen en organisaties moet worden gezet, en dat de behoefte aan aanvullende fora moet worden beoordeeld, die zo nodig moeten worden gecreëerd;

o
o   o

193.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 239.
(2) PB C 307 van 30.8.2018, blz. 163.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0341.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0332.
(5) PB L 252 van 8.10.2018, blz. 1.
(6) COM(2018)0237.
(7) FET - Technologieën van de toekomst en opkomende technologieën:
(8) OECD Digital Economy Outlook 2017.
(9) Speciale Eurobarometer 460.
(10) Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen, PB L 173 van 9.7.2018, blz. 25.
(11) Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening"), PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132.
(12) Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36.
(13) Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt ("richtlijn inzake elektronische handel") (PB L 178 van 17.7.2000, blz. 1).
(14) PB L 303 van 28.11.2018, blz. 59.
(15) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(16) Richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der lidstaten inzake de aansprakelijkheid voor producten met gebreken, PB L 210 van 7.8.1985, blz. 29.
(17) PB L 195 van 2.6.2004, blz. 16.


Duurzaam gebruik van pesticiden
PDF 191kWORD 64k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 inzake de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (2017/2284(INI))
P8_TA-PROV(2019)0082A8-0045/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden(1),

–  gezien Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad(3),

–  gezien artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie(4),

–  gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad(5);

–  gezien de in april 2018 door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement gepubliceerde beoordeling van de uitvoering van de verordening en de relevante bijlagen bij die beoordeling,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad(6),

–  gezien Richtlijn 98/24/EG van de Raad van 7 april 1998 betreffende de bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers tegen risico's van chemische agentia op het werk(7) en Richtlijn 2004/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico's van blootstelling aan carcinogene en mutagene agentia op het werk(8),

–  gezien Richtlijn 92/43/EG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (de habitatrichtlijn)(9) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (de vogelrichtlijn)(10),

–  gezien Richtlijn 98/83/EG van de Raad van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water(11),

–  gezien Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid(12),

–  gezien Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(13),

–  gezien Richtlijn 2009/127/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2006/42/EG met betrekking tot machines voor de toepassing van pesticiden(14),

–  gezien Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid(15),

–  gezien het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0392),

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie: ‘Agriculture and Sustainable Water Management in the EU’ (landbouw en duurzaam waterbeheer in de EU) (SWD(2017)0153),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 juli 2006 aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: 'Een thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden' (COM(2006)0373 - SEC(2006)0894 - SEC(2006)0895 - SEC(2006)0914),(16)

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over de bevordering van innovatie en economische ontwikkeling in het toekomstige Europese landbouwbeheer(17),

–  gezien zijn resolutie van 7 juni 2016 over technologische oplossingen voor duurzame landbouw in de EU(18),

–  gezien zijn resolutie van 15 februari 2017 over biologische pesticiden met een laag risico(19),

–  gezien zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de ontwerpuitvoeringsverordening van de Commissie tot hernieuwde goedkeuring van de werkzame stof glyfosaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011(20),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 inzake vooruitzichten en uitdagingen voor de bijenteeltsector in de EU(21),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 1107/2009 betreffende gewasbeschermingsmiddelen(22),

–  gezien de lopende Europese uitvoeringsbeoordeling van Richtlijn 2009/128/EG tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden, en gezien het door de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (DG EPRS) op 15 oktober 2018 gepubliceerde verslag,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden(23),

–  gezien het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1185/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende statistieken over pesticiden (COM(2017)0109),

–  gezien Speciaal verslag nr. 4/2014 van de Europese Rekenkamer: 'Integratie van doelstellingen van het EU-waterbeleid in het GLB: een gedeeltelijk succes',

–  gezien het verslag van de Commissie van 10 oktober 2017 inzake de nationale actieplannen van de lidstaten en de vooruitgang op het gebied van de uitvoering van Richtlijn 2009/128/EG betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (COM(2017)0587),

–  gezien het overzichtsverslag van oktober 2017 van het directoraat-generaal Gezondheid en Voedselveiligheid van de Commissie (DG SANTE) over de tenuitvoerlegging van de maatregelen van de lidstaten met het oog op een duurzaam gebruik van pesticiden op grond van Richtlijn 2009/128/EG(24),

–  gezien de mededeling van de Commissie: 'Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst - Europese duurzaamheidsmaatregelen' (COM(2016)0739),

–  gezien het zevende milieuactieprogramma(25),

–  gezien het VN-verslag 2017 van de speciale rapporteur voor het recht op voedsel dat is opgesteld overeenkomstig de resoluties 6/2, 31/10 en 32/8 van de VN-Mensenrechtenraad(26),

–  gezien het door de deskundigengroep over duurzame gewasbescherming opgestelde en op 28 juni 2016 door de Raad bekrachtigde uitvoeringsplan(27) om de beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico te vergroten en de toepassing van geïntegreerde plaagbestrijding in de lidstaten te versnellen,

–  gezien de resolutie van de Franse senaat van 19 mei 2017 ter beperking van het gebruik van pesticiden in de Europese Unie(28),

–  gezien zijn resolutie van 16 januari 2019 over de toelatingsprocedure van de Unie voor pesticiden(29),

–  gezien het op 18 oktober 2017 verschenen onderzoek naar de biomassa aan vliegende insecten(30),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0045/2019),

A.  overwegende dat Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende een duurzaam gebruik van pesticiden (hierna: "de richtlijn") voorziet in een reeks maatregelen om een duurzaam gebruik van pesticiden in de EU tot stand te brengen door de risico's en gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken en het gebruik van geïntegreerde gewasbescherming (IPM) en alternatieve benaderingswijzen of technieken, bijvoorbeeld niet-chemische alternatieven voor pesticiden en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009, te bevorderen teneinde de afhankelijkheid van pesticiden te verkleinen en de gezondheid van mens en dier alsook het milieu te beschermen;

B.  overwegende dat de richtlijn een waardevol instrument is om een goede bescherming van het milieu, ecosystemen en de gezondheid van mens en dier tegen gevaarlijke stoffen in pesticiden te kunnen waarborgen en tegelijkertijd duurzame en ecologische oplossingen biedt voor een groter en gevarieerder arsenaal waarmee door plagen, ziekten, onkruid en invasieve uitheemse soorten veroorzaakte verliezen voorkomen en resistentievormen bij ziekteverwekkers bestreden kunnen worden; overwegende dat volledige en omvattende tenuitvoerlegging van de richtlijn noodzakelijk is om een hoge mate van bescherming te verwezenlijken en een overgang naar een duurzame agrarische sector, de productie van veilig en gezond voedsel en een niet-toxisch milieu tot stand te brengen, waarmee grondige bescherming van de gezondheid van mens en dier gewaarborgd is;

C.  overwegende dat geïntegreerde gewasbescherming weliswaar kan bijdragen aan het voorkomen van door plagen veroorzaakte opbrengstverliezen, maar dat het belangrijkste doel ervan is gebruikers van pesticiden in staat te stellen over te stappen op praktijken en producten met het laagste risico voor de menselijke gezondheid en het milieu, zoals uiteengezet in artikel 14 van de richtlijn; merkt op dat in elk geval veel studies hebben aangetoond dat het gebruik van pesticiden aanzienlijk kan worden teruggedrongen zonder negatieve gevolgen voor de opbrengst;

D.  overwegende dat de richtlijn moet worden gelezen in samenhang met de andere twee belangrijke stukken wetgeving met betrekking tot de volledige levenscyclus van een pesticide, beginnend met het op de markt brengen ervan (Verordening (EG) nr. 1107/2009) en eindigend met de vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen (Verordening (EG) nr. 396/2005); overwegende dat de doelstelling van de richtlijn om de menselijke gezondheid en het milieu te beschermen tegen de met het gebruik van pesticiden verbonden risico's dan ook niet gehaald kan worden wanneer het totale "pesticidenpakket" niet volledig ten uitvoer gelegd en niet naar behoren gehandhaafd wordt;

E.  overwegende dat de Commissie en de lidstaten, om de risico's en de gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken, maatregelen dienen te nemen voor het aanpakken van namaak- en illegale bestrijdingsmiddelen, alsook van het verontrustende probleem van ingevoerde landbouwproducten die behandeld zijn met chemische stoffen die in de EU hetzij verboden, hetzij aan beperkingen onderworpen zijn;

F.  overwegende dat de huidige werkwijzen van de Commissie en de lidstaten met betrekking tot de goedkeuring van werkzame stoffen en de toelating van gewasbeschermingsmiddelen niet verenigbaar zijn met het doel en de doelstellingen van de richtlijn; overwegende dat de huidige werkwijzen het bereiken van het hoogst mogelijke niveau van bescherming en de overgang naar een duurzame landbouwsector en een niet-giftig milieu in de weg staan;

G.  overwegende dat het beschikbare bewijs duidelijk aantoont dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn niet voldoende is afgestemd op aanverwant EU-beleid op het gebied van pesticiden, landbouw en duurzame ontwikkeling, met name maar niet uitsluitend het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen; overwegende dat de richtlijn, alsook aanverwante acties op EU-niveau, een enorm potentieel bieden om waarde toe te voegen aan nationale inspanningen en acties in de landbouwsector en deze uit te breiden, en om het milieu en de gezondheid van de mens beter te beschermen;

H.  overwegende dat het huidige regelgevingskader, met inbegrip van de gegevensvereisten, werd ontwikkeld voor de beoordeling en het beheer van chemische gewasbeschermingsmiddelen en dus weinig geschikt is voor biologische werkzame stoffen en producten met een laag risico; overwegende dat dit ongeschikte regelgevingskader het op de markt brengen van biologische gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico aanzienlijk vertraagt, omdat het aanvragers vaak afschrikt; overwegende dat dit innovatie in de weg staat en het concurrentievermogen van EU-landbouw belemmert; overwegende dat dit tevens tot gevolg heeft dat zestig werkzame stoffen, die volgens de Commissie voor vervanging in aanmerking komen, niet worden vervangen vanwege het gebrek aan veiligere alternatieven, waaronder biologische werkzame stoffen met een laag risico;

I.  overwegende dat gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waaronder biologische, onvoldoende beschikbaar zijn; overwegende dat op een totaal van nagenoeg vijfhonderd op de EU-markt verkrijgbare werkzame stoffen slechts dertien stoffen zijn goedgekeurd als gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waarvan twaalf biologisch zijn; overwegende dat de ontoereikende tenuitvoerlegging van de richtlijn de facto heeft geresulteerd in een ongelijk speelveld in Europa met uiteenlopende nationale werkwijzen die de optimale introductie van duurzame alternatieven op de markt belemmeren; overwegende dat deze situatie het voldoende doordringen op de EU-markt van alternatieve risicoarme en niet-chemische producten heeft bemoeilijkt, hetgeen ze minder aantrekkelijk maakt voor landbouwers, die in plaats daarvan op korte termijn kiezen voor kosteneffectievere alternatieven; overwegende dat de slechte beschikbaarheid van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, waaronder biologische, de ontwikkeling en uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming in de weg staat;

J.  overwegende dat biologische landbouw een belangrijke rol speelt als een systeem met een gering gebruik van pesticiden en verder moet worden aangemoedigd;

K.  overwegende dat er steeds meer bewijs is voor een aanhoudende enorme afname van de insectenpopulatie in Europa die in verband wordt gebracht met de huidige omvang van het gebruik van pesticiden; overwegende dat de waargenomen sterke afname van het aantal insecten niet alleen negatieve gevolgen heeft voor het volledige ecosysteem en de biologische diversiteit, maar ook voor de landbouwsector en zijn economische welzijn en productie in de toekomst;

L.  overwegende dat Europa momenteel op een kruispunt staat dat bepalend is voor de toekomst van de landbouwsector en voor de mogelijkheden van de Unie om duurzaam gebruik van pesticiden te realiseren, met name door middel van hervorming van het GLB; overwegende dat de hervorming van het GLB een aanzienlijk potentieel meebrengt om de stroomlijning en harmonisatie van beleid alsook de tenuitvoerlegging van de richtlijn te versterken en de overgang naar ecologisch duurzamere landbouwpraktijken te vergemakkelijken;

M.  overwegende dat het gebruik van conventionele gewasbeschermingsmiddelen in toenemende mate ter discussie komt te staan wegens de risico's die zij vormen voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu;

N.  overwegende dat het van belang is de ontwikkeling van alternatieve procedures of technieken te bevorderen teneinde de afhankelijkheid van gangbare pesticiden te verminderen en het hoofd te bieden aan het toenemende gevaar van resistentie tegen gangbare gewasbeschermingsmiddelen;

O.  overwegende dat de Raad uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 verplicht is erop toe te zien dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming, inclusief goede gewasbeschermingspraktijken en niet-chemische methoden van gewasbescherming, alsook plaagbestrijding en gewasbeheer, deel uitmaken van de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers(31);

P.  overwegende dat geïntegreerde gewasbescherming overeenkomstig de richtlijn in de Unie verplicht is; overwegende dat de lidstaten en lokale autoriteiten meer nadruk moeten leggen op duurzaam gebruik van pesticiden, waaronder ook de risicoarme alternatieven voor gewasbescherming;

Q.  overwegende dat "duurzaam gebruik" van pesticiden niet kan worden bewerkstelligd zonder rekening te houden met de blootstelling van de mens aan combinaties van werkzame stoffen en formuleringshulpstoffen alsook de cumulatieve en eventuele onderling versterkende gevolgen ervan voor de menselijke gezondheid;

Belangrijkste conclusies

1.  herinnert aan de specifieke doelstellingen van de thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden zijnde, onder meer, de minimalisering van gevaren en risico's voor de gezondheid en het milieu door het gebruik van pesticiden, verbeterde controles op het gebruik en de distributie van pesticiden, de vermindering van de toegepaste hoeveelheden schadelijke werkzame stoffen, onder meer door vervanging van de gevaarlijkste stoffen door veiligere, waaronder niet-chemische, alternatieven, de bevordering van teelten met een gering of geen gebruik van pesticiden, en de opzet van een transparant systeem voor rapportage en monitoring van de vorderingen bij de verwezenlijking van de doelstellingen van de strategie, ook middels de ontwikkeling van passende indicatoren;

2.  acht het essentieel dat de tenuitvoerlegging van de richtlijn wordt geëvalueerd in samenhang met het overkoepelende pesticidenbeleid van de EU, inclusief de bepalingen van de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen, van Verordening (EU) nr. 528/2012 (de biocidenverordening)(32), van de verordening betreffende maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen, en van Verordening (EG) nr. 178/2002 (de algemene levensmiddelenwetgeving)(33);

3.  betreurt het dat de lidstaten zich weliswaar inspannen, maar over het geheel genomen onvoldoende voortgang bij de tenuitvoerlegging boeken om de belangrijkste doelstellingen van de richtlijn te halen en de mogelijkheden ervan ten volle te benutten, zoals beperking van de algehele risico's die voortkomen uit het gebruik van pesticiden waarbij de afhankelijkheid van pesticiden wordt teruggedrongen, bevordering van de overgang naar ecologisch duurzame en veilige gewasbeschermingstechnieken, en de dringend noodzakelijke verbetering van het milieu en de menselijke gezondheid waarvoor de richtlijn oorspronkelijk was bedoeld; betreurt het dat de Commissie het verslag over de tenuitvoerlegging van de richtlijn drie jaar te laat heeft ingediend;

4.  benadrukt dat de richtlijn volledig ten uitvoer gelegd moet worden en dat de tenuitvoerlegging alle aspecten moet bestrijken, en dat een gedeeltelijke tenuitvoerlegging, dat wil zeggen van bepaalde onderdelen en andere niet, onvoldoende is om de overkoepelende doelstelling van de richtlijn te verwezenlijken, te weten een duurzaam gebruik van pesticiden; onderstreept dat het doorvoeren van geïntegreerde gewasbescherming, zoals niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, bijzonder belangrijk is bij de inspanningen ter verwezenlijking van dit doel;

5.  merkt op dat in het voortgangsverslag van de Commissie van 2017 aanzienlijke lacunes worden blootgelegd in de nationale actieplannen van de lidstaten, hetgeen erop lijkt te duiden dat het animo om het milieu en de gezondheid te beschermen in sommige landen lager is wat mogelijk leidt tot oneerlijke marktconcurrentie en ondermijning van de eengemaakte markt; behoudt zich het recht voor lidstaten die niet aan hun verplichtingen voldoen te verwijzen naar de commissaris voor Mededinging;

6.  is verontrust over het feit dat circa 80 % van de nationale actieplannen van de lidstaten geen specifieke informatie bevat over de wijze waarop het behalen van veel doelstellingen en streefcijfers gekwantificeerd moet worden, met name wat betreft de streefcijfers voor geïntegreerde gewasbescherming en waterbeschermingsmaatregelen, benadrukt dat dit het aanzienlijk moeilijker maakt om te meten in hoeverre de lidstaten voortgang hebben geboekt bij de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van de richtlijn;

7.  is verontrust over het feit dat de nationale actieplannen inconsistent zijn wanneer het gaat om het stellen van kwantitatieve doelen, streefcijfers, metingen en tijdschema's voor de verscheidene gebieden waarbinnen actie ondernomen moet worden, zodat onmogelijk bepaald kan worden in hoeverre voortgang is geboekt; betreurt dat in slechts vijf nationale actieplannen meetbare doelstellingen op hoog niveau zijn vastgesteld, waarvan er vier verband houden met risicobeperking en slechts één met gebruiksbeperking; betreurt dat tot op heden slechts 11 lidstaten een herzien nationaal actieplan hebben ingediend, hoewel de uiterste termijn voor herziening eind 2017 was;

8.  betreurt het dat er in veel lidstaten niet voldoende engagement is om geïntegreerde gewasbescherming op basis van de acht beginselen ervan toe te passen, waarbij voorrang wordt gegeven aan niet-chemische alternatieven voor pesticiden; betreurt dat een van de belangrijkste uitdagingen ten aanzien van de uitvoering van geïntegreerde gewasbescherming, die de hoeksteen van de richtlijn vormt, lijkt te bestaan in het huidige ontbreken van passende controle-instrumenten en -methoden ter beoordeling van de naleving in de lidstaten alsook van duidelijke voorschriften en richtsnoeren; onderstreept dat de volledige tenuitvoerlegging van geïntegreerde gewasbescherming een van de cruciale maatregelen is om de afhankelijkheid van het gebruik van pesticiden te verminderen binnen een duurzame landbouw die milieuvriendelijk is, economisch levensvatbaar en sociaal verantwoordelijk, die bijdraagt aan de voedselveiligheid in Europa, die tegelijkertijd de biodiversiteit stimuleert, de gezondheid van mens en dier versterkt, de plattelandseconomie een impuls geeft, en die de kosten voor landbouwers drukt door het gemakkelijker te maken dat in de verschillende Europese zones niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico op de markt worden gebracht; onderstreept dat extra financiële impulsen en educatieve maatregelen noodzakelijk zijn om ervoor te zorgen dat meer individuele landbouwbedrijven geïntegreerde gewasbescherming invoeren;

9.  is van mening dat geïntegreerde gewasbescherming een waardevol instrument voor landbouwers vormt bij de bestrijding van plagen en ziekten en ter waarborging van de productieopbrengsten; merkt op dat een toegenomen gebruik van geïntegreerde gewasbescherming een tweeledig doel dient, met name het bevorderen van de bescherming van het milieu en de biodiversiteit en het verminderen van de kosten voor landbouwers om over te stappen op duurzamere alternatieven en het gebruik van gangbare pesticiden te beperken; is van mening dat meer inspanningen moeten worden geleverd om de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming te stimuleren door middel van onderzoek en via adviesorganen van de lidstaten; herinnert eraan dat geïntegreerde gewasbescherming een belangrijke rol kan spelen bij het verminderen van de hoeveelheden en soorten pesticiden die worden gebruikt;

10.  merkt op dat biologische bestrijding in het kader van de toolkit voor geïntegreerde gewasbescherming behelst dat nuttige soorten worden gestimuleerd of geïntroduceerd die jagen op schadelijke populaties en deze zo reguleren en onder controle houden; benadrukt daarom dat duurzame, biologische, fysische en andere niet-chemische methoden de voorkeur moeten krijgen boven chemische pesticiden wanneer zij voldoende resultaat opleveren bij de bestrijding van plagen; benadrukt tevens hoe belangrijk het is dat chemische pesticiden tevens selectief en gericht moeten worden ingezet, omdat deze nuttige plaagbestrijders anders dreigen uit te sterven, waardoor de gewassen kwetsbaarder worden voor toekomstige plagen;

11.  is verontrust dat er zeer weinig voortgang is geboekt bij het bevorderen en stimuleren van de innovatie, de ontwikkeling en de inzet van niet-chemische alternatieven voor gangbare pesticiden met een laag risico; merkt op dat slechts een handjevol nationale actieplannen stimulansen bevatten voor de registratie van dergelijke alternatieve producten en methoden; benadrukt dat vooral beperkte toepassingen kwetsbaar zijn als gevolg van het gebrek aan beschikbare werkzame stoffen;

12.  benadrukt dat duurzaam en verantwoord gebruik van pesticiden een voorwaarde is voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen.

13.  betreurt het dat werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico slecht beschikbaar zijn, hetgeen voornamelijk veroorzaakt wordt door het langdurige evaluatie-, toelatings- en registratieproces en gedeeltelijk is terug te voeren op het feit dat de voor zulke gevallen voorziene kortere toelatingstermijn van 120 dagen zelden in acht genomen wordt op het niveau van de lidstaten; benadrukt dat de huidige situatie niet in overeenstemming is met de beginselen van het bevorderen en uitvoeren van geïntegreerde gewasbescherming, en beklemtoont dat het van groot belang is dat er pesticiden met een laag risico voorhanden zijn, er toereikend onderzoek wordt gedaan en beste praktijken worden uitgewisseld binnen en tussen de lidstaten om de mogelijkheden van geïntegreerde gewasbescherming ten volle te benutten; is van oordeel dat een snellere goedkeuringsprocedure bevorderlijk zou zijn voor onderzoek in de sector naar de ontwikkeling van nieuwe werkzame bestanddelen met een laag risico, waaronder innovatieve stoffen met een laag risico, om ervoor te zorgen dat landbouwers over voldoende gewasbeschermingsinstrumenten beschikken en daardoor sneller op duurzame gewasbeschermingsmiddelen kunnen overstappen en de doeltreffendheid van geïntegreerde gewasbescherming kunnen verhogen;

14.  herinnert eraan dat toenemende resistentie tegen pesticiden leidt tot een toename van het gebruik en de afhankelijkheid ervan; merkt op dat gebruik op grotere schaal en afhankelijkheid van pesticiden landbouwers zeer duur komt te staan, zowel door de hoge inputkosten als vanwege het verlies aan opbrengst als gevolg van uitputting van de bodem en verminderde bodemkwaliteit;

15.  merkt op dat een ruimere beschikbaarheid op de markt van gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico het risico van resistentie tegen werkzame bestanddelen en de gevolgen voor niet-doelsoorten die in verband gebracht worden met gangbare gewasbeschermingsmiddelen zou verminderen;

16.  merkt in dit opzicht op dat resistentie tegen werkzame stoffen in pesticiden biologisch gezien onvermijdelijk is bij zich snel vermeerderende plagen en ziekten, en een groeiend probleem vormt; benadrukt daarom dat duurzame, biologische, fysische en andere niet-chemische methoden de voorkeur moeten krijgen boven chemische pesticiden wanneer zij voldoende resultaat opleveren bij de bestrijding van plagen; herinnert eraan dat chemische pesticiden selectief en gericht moeten worden ingezet; benadrukt dat deze nuttige plaagbestrijders anders dreigen uit te sterven, waardoor de gewassen kwetsbaarder worden voor toekomstige plagen;

17.  merkt verder op dat de grootste vermindering in het gebruik van pesticiden vermoedelijk zal voortvloeien uit systeemveranderingen die de gevoeligheid voor plagen verminderen, voorrang geven aan structurele en biologische diversiteit boven monoculturen en continuteelt, en de resistentie van plagen tegen werkzame bestanddelen verminderen; onderstreept daarom dat de aandacht, de financiering en de integratie-inspanningen met name gericht moeten zijn op ecologische landbouwmethoden die de landbouw als geheel beter bestand maken tegen plagen;

18.  onderstreept dat het GLB in zijn huidige vorm onvoldoende aanmoediging en stimulansen biedt voor het verminderen van de afhankelijkheid van landbouwbedrijven van pesticiden en voor het toepassen van biologische productietechnieken; is van mening dat in het GLB van na 2020 specifieke beleidsinstrumenten noodzakelijk zijn die ertoe bijdragen dat landbouwers hun gedrag bij het gebruik van pesticiden veranderen;

19.  betreurt het feit dat in het voorstel van de Commissie over het nieuwe GLB van na 2020 het beginsel van geïntegreerde gewasbescherming niet in de uit de regelgeving voortvloeiende beheerseisen van bijlage III bij dat voorstel is opgenomen; benadrukt dat het ontbreken van een onderling verband tussen deze richtlijn en het nieuwe GLB-model het verminderen van de afhankelijkheid van pesticiden daadwerkelijk in de weg zal staan;

20.  merkt op dat de meeste lidstaten gebruikmaken van nationale risico-indicatoren om de negatieve gevolgen van het gebruik van pesticiden geheel of gedeeltelijk te beoordelen; herinnert eraan dat de lidstaten nog altijd geen overeenstemming hebben bereikt over geharmoniseerde risico-indicatoren voor de hele EU, ook al zijn zij daar uit hoofde van artikel 15 van de richtlijn expliciet toe verplicht, hetgeen het nagenoeg onmogelijk maakt om de voortgang van de verschillende lidstaten en van de Unie als geheel te vergelijken; is ingenomen met het feit dat het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders op 25 januari 2019 geharmoniseerde risico-indicatoren heeft vastgesteld;

21.  benadrukt het fundamentele belang van biodiversiteit en weerbare ecosystemen, met name in het geval van bijen en andere bestuivende insecten, die essentieel zijn om een gezonde en duurzame agrarische sector te kunnen garanderen; onderstreept dat de bescherming van biodiversiteit niet uitsluitend een zaak is van bescherming van het milieu, maar ook een middel om de voedselveiligheid voor Europa in de toekomst voor de langere termijn te garanderen;

22.  is uiterst bezorgd over het voortdurende en mogelijk onomkeerbare verlies van biodiversiteit in Europa, en over de alarmerende afname van gevleugelde insecten, met inbegrip van bestuivende insecten, zoals het onderzoek van oktober 2017 naar de biomassa aan vliegende insecten(34) heeft uitgewezen, waaruit blijkt dat de populatie vliegende insecten in 63 beschermde natuurgebieden in Duitsland in 27 jaar met meer dan 75 % is afgenomen; benadrukt voorts de aanzienlijke achteruitgang van veelvoorkomende vogelsoorten in heel Europa, hetgeen mogelijk het gevolg is van de gekrompen insectenpopulatie; wijst voorts op de onbedoelde effecten van pesticiden op de bodem en bodemorganismen(35), en op andere niet-doelsoorten; is van mening dat pesticiden behoren tot de belangrijkste factoren die verantwoordelijk zijn voor de afname van insecten, plattelandsvogels en andere niet-doelorganismen, en onderstreept voorts dat Europa genoodzaakt is over te gaan op een duurzamer gebruik van pesticiden en het aantal niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico voor landbouwers moet verhogen;

23.  benadrukt dat bestrijdingsmiddelen op basis van neonicotinoïden een belangrijke rol spelen bij de verontrustende achteruitgang van de bijenpopulaties in Europa, zoals blijkt uit talrijke internationale onderzoeken die als grondslag hebben gediend voor door burgers ingediende verzoekschriften waarvoor honderdduizenden handtekeningen zijn verzameld in heel Europa;

24.  onderkent dat nationale actieplannen en geïntegreerde gewasbescherming een belangrijke rol spelen bij het terugdringen van het pesticidengebruik teneinde een onomkeerbaar verlies van biodiversiteit te voorkomen, en bij het bevorderen van ecologische landbouwmaatregelen en biologische landbouw in een zo groot mogelijke omvang;

25.  benadrukt verder dat de ontwikkeling van duurzame landbouwopties noodzakelijk is om de gevolgen van klimaatverandering voor de voedselveiligheid te beperken;

26.  is uitermate verontrust over het aanhoudende gebruik van pesticiden met werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of die hormoonverstorende eigenschappen hebben en schadelijk zijn voor mens en dier; benadrukt dat het gebruik van deze pesticiden onverenigbaar is met de doelstellingen van de richtlijn;

27.  benadrukt dat het aquatisch milieu bij uitstek gevoelig is voor pesticiden; is ingenomen met het feit dat bepaalde lidstaten diverse maatregelen hebben genomen om het aquatisch milieu tegen pesticiden te beschermen; betreurt echter dat de meeste lidstaten geen kwantitatieve streefcijfers of tijdschema's hebben vastgesteld voor maatregelen ter bescherming van het aquatisch milieu tegen pesticiden, en waarbij de lidstaten die dit wel hebben gedaan, niet duidelijk hebben omschreven hoe zij meten of de streefcijfers of doelen al dan niet zijn behaald; is voorts van mening dat beter toezicht moet worden gehouden op de thans gebruikte pesticiden in het aquatisch milieu;

28.  merkt op dat de landbouw een van de voornaamste veroorzakers is van het feit dat waterlichamen geen goede chemische toestand bereiken, aangezien de landbouw vervuiling door nitraten en pesticiden veroorzaakt; onderstreept dat het kosteneffectiever is te voorkomen dat pesticiden in zoetwatersystemen terechtkomen dan verwijderingstechnologieën toe te passen, en dat lidstaten landbouwers in dit opzicht de juiste stimulansen moeten bieden; onderkent in dit verband tevens hoe belangrijk de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water is voor de verbetering van de waterkwaliteit; is ingenomen met de vooruitgang die lidstaten hebben geboekt bij de aanpak van stoffen met een hoge prioriteit, hetgeen ertoe heeft geleid dat minder waterlichamen niet voldoen aan de normen voor stoffen als cadmium, lood en nikkel, alsmede pesticiden;

29.  betreurt het dat de verslechtering van de kwaliteit van waterbronnen in steeds grotere mate heeft geleid tot extra behandelingen door drinkwaterbedrijven om ervoor te zorgen dat water dat is bedoeld voor menselijke consumptie voldoet aan de limieten voor pesticiden die zijn vastgelegd in Richtlijn 98/83/EG betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, en dat de kosten daarvan worden gedragen door de consumenten en niet voor de vervuilers;

30.  benadrukt dat sommige pesticiden internationaal zijn erkend als persistente organische verontreinigende stoffen (POP's) in verband met hun vermogen om zich over lange afstanden te verplaatsen, hun persistentie in het milieu en hun vermogen tot bioconcentratie binnen de gehele voedselketen en biologische ophoping binnen ecosystemen, alsmede hun grote negatieve gevolgen voor de volksgezondheid;

31.  is ermee ingenomen dat in alle lidstaten opleidings- en certificatiestelsels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn opgezet, maar betreurt het dat in bepaalde lidstaten niet wordt voldaan aan de opleidingsvereisten ten aanzien van alle in bijlage I voorgeschreven onderwerpen; benadrukt dat opleiding van de gebruikers van groot belang is om veilig en duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen; acht het passend om onderscheid te maken tussen professionele en niet-professionele gebruikers, aangezien voor hen niet dezelfde verplichtingen gelden; benadrukt dat zowel professionele als niet-professionele gebruikers van gewasbeschermingsmiddelen passende scholing moeten krijgen;

32.  merkt op dat het gebruik van intelligente technologie en precisielandbouw mogelijkheden biedt om gewasbeschermingsmiddelen effectiever in te zetten en te voorkomen dat zij verspreid raken in gebieden waar zij niet nodig zijn, bijvoorbeeld door middel van drones of GPS-precisietechniek; benadrukt voorts dat het gebruik van dergelijke oplossingen in de lidstaten kan worden bevorderd als deze beter worden geïntegreerd in opleidingscursussen en certificeringsprogramma's voor gebruikers van pesticiden in het kader van nationale actieplannen;

33.  benadrukt dat gewasbeschermingsmiddelen niet alleen worden gebruikt in de landbouw, maar ook voor de bestrijding van onkruid en plagen in gebieden die worden gebruikt door een breed publiek of door kwetsbare groepen, zoals bepaald in artikel 12, onder a) van de richtlijn, waaronder parken en spoorwegen; overwegende dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in deze gebieden ongepast is; is ingenomen met het feit dat meerdere lidstaten en een groot aantal regionale en lokale overheden actie hebben ondernomen om het gebruik van pesticiden in gebieden die worden gebruikt door een breed publiek of door kwetsbare groepen te verminderen of te verbieden; stelt echter vast dat in de meerderheid van de lidstaten geen meetbare doelen zijn gesteld;

34.  is verontrust over het feit dat veel lidstaten de vereiste van artikel 12, onder a), onjuist hebben geïnterpreteerd door deze zo uit te leggen als uitsluitend betrekking hebbend op niet-agrarisch gebruik, terwijl bewoners die langdurig worden blootgesteld aan hoge concentraties pesticiden wel degelijk behoren tot de kwetsbare groepen zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1107/2009; merkt voorts op dat de Commissie heeft bevestigd dat er geen wettelijke grond is om agrarische toepassing uit te sluiten van de bepalingen van artikel 12;

35.  merkt op dat lidstaten steun blijven geven aan biologische landbouw als systeem met laag gebruik van pesticiden; is ingenomen met het feit dat het aantal biologische boerderijen in de Unie blijft toenemen, maar merkt op dat de vooruitgang nog altijd aanzienlijk verschilt van lidstaat tot lidstaat;

36.  merkt op dat biologische landbouwers economische verliezen lijden wanneer hun bodem en biologische producten verontreinigd raken als gevolg van het pesticidengebruik van in de buurt gevestigde landbouwbedrijven doordat bijvoorbeeld gesproeide pesticiden verwaaien en persistente werkzame stoffen zich verspreiden in het milieu; wijst er bijgevolg op dat biologische landbouwers zich daardoor gedwongen kunnen zien hun producten te verkopen als conventionele gewassen waardoor zij de meerprijs mislopen of zelfs hun certificering kunnen verliezen als gevolg van handelingen die zij niet kunnen beheersen;

37.  merkt op dat de lidstaten doorgaans weliswaar over systemen beschikken om informatie te vergaren over acute pesticidenvergiftiging, maar dat de nauwkeurigheid van de gegevens in kwestie en het gebruik ervan vragen oproepen; wijst erop dat systemen voor het vergaren van informatie over chronische vergiftiging niet algemeen worden toegepast;

38.  vestigt de aandacht op het feit dat het meest recente rapport van EFSA over residuen van pesticiden in voedsel laat zien dat 97,2 % van de monsters uit heel Europa binnen de wettelijke limieten uit hoofde van de EU-wetgeving bleef, waaruit blijkt dat het voedselproductiesysteem uiterst stringent en veilig is;

Aanbevelingen

39.  verzoekt de lidstaten de tenuitvoerlegging van de richtlijn onverwijld af te ronden;

40.  roept de Commissie en de lidstaten op te garanderen dat alle relevante belanghebbenden worden betrokken bij alle activiteiten voor belanghebbenden met betrekking tot pesticiden, waaronder het publiek, zoals wordt voorzien in Richtlijn 2003/35/EG en het Verdrag van Aarhus;

41.  verzoekt de lidstaten een proactieve rol te spelen bij de praktische tenuitvoerlegging van de richtlijn teneinde lacunes op te sporen en vast te stellen welke specifieke terreinen bijzondere aandacht nodig hebben wat betreft de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, en zich niet te beperken tot de gebruikelijke nationale omzetting en controlemechanismen;

42.  roept de lidstaten op te erkennen dat de EU onverwijld moet handelen om over te gaan naar een duurzamer gebruik van pesticiden en dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering van dergelijke praktijken bij de lidstaten ligt; benadrukt dat snel handelen essentieel is;

43.  verzoekt de lidstaten zich te houden aan het vastgestelde tijdsbestek voor de indiening van de herziene nationale actieplannen; verzoekt de lidstaten die nog geen herziene nationale actieplannen hebben ingediend, dit onverwijld te doen, deze keer echter met duidelijke kwantitatieve doelstellingen en een meetbare algemene doelstelling om de risico's en de impact van het gebruik van pesticiden onmiddellijk en blijvend terug te dringen, met duidelijk gedefinieerde jaarlijkse reductiestreefcijfers, waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de mogelijke gevolgen voor bestuivende insecten en aan het bevorderen en invoeren van duurzame niet-chemische alternatieven en gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico, overeenkomstig de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming;

44.  roept de Commissie op een ambitieuze bindende doelstelling voor de hele EU voor te stellen om het gebruik van pesticiden terug te dringen;

45.  verzoekt de Commissie verdere richtlijnen te ontwikkelen betreffende alle beginselen van geïntegreerde gewasbescherming en de tenuitvoerlegging daarvan; verzoekt de Commissie in verband hiermee richtlijnen te formuleren voor de vaststelling van criteria voor het meten en evalueren van de toepassing van geïntegreerde gewasbescherming in de lidstaten;

46.  verzoekt de Commissie en de lidstaten om alle vereiste maatregelen te nemen met het oog op het bevorderen van pesticiden met een laag risico en voorrang te geven aan niet-chemische opties en methoden die het geringste risico met zich meebrengen dat zij de gezondheid en de natuur schaden en tegelijkertijd zorgen voor effectieve en efficiënte gewasbescherming; benadrukt dat dit alleen kan slagen als de economische prikkels voor landbouwers om te kiezen voor dergelijke opties worden versterkt;

47.  verzoekt de Commissie en de lidstaten meer de nadruk te leggen op het stimuleren van de ontwikkeling van, het onderzoek naar en het op de markt brengen van biologische alternatieven met een laag risico, ook door in het kader van Horizon Europa en binnen het meerjarig financieel kader 2021-2027 meer mogelijkheden voor financiering te creëren; herinnert eraan dat duurzame, biologische, fysische en andere niet-chemische methoden de voorkeur moeten krijgen boven chemische pesticiden wanneer zij voldoende resultaat opleveren bij de bestrijding van plagen; herinnert eraan hoe belangrijk de toegevoegde waarde van ecologisch duurzame en veilige gewasbeschermingstechnieken ;

48.  verzoekt de Commissie zonder verder uitstel haar toezeggingen in het kader van het 7e milieuactieprogramma na te komen en een Uniestrategie te presenteren voor een gifvrij milieu dat innovatie en de ontwikkeling van duurzame vervangers, waaronder niet-chemische oplossingen, bevordert; verwacht van de Commissie dat zij in deze strategie met name rekening houdt met de gevolgen van pesticiden voor het milieu en de menselijke gezondheid;

49.  adviseert meer aandacht te schenken aan risicoverlaging, aangezien omvangrijk gebruik van stoffen met een laag risico wel eens schadelijker zou kunnen zijn dan beperkt gebruikt van stoffen met een hoog risico;

50.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat de richtlijn en de tenuitvoerlegging ervan beter afgestemd zijn op de EU-wetgeving en het EU-beleid op dit gebied, met name de GLB-bepalingen en Verordening nr. 1107/2009, en met name dat de beginselen van geïntegreerde gewasbescherming als wettelijke verplichtingen uit hoofde van het GLB worden geïntegreerd overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn;

51.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het aantal ontheffingen voor essentieel gebruik uit hoofde van Verordening nr. 1107/2009 strikt te beperken en de relevante richtsnoeren bij te werken om te waarborgen dat de risicobeoordeling van pesticiden in overeenstemming is met de blootstelling en omstandigheden in de praktijk, rekening houdend met alle mogelijke gevolgen voor de gezondheid en het milieu;

52.  beveelt aan de lidstaten de flexibiliteit te geven geïntegreerde gewasbescherming toe te passen in het kader van de vergroenende maatregelen uit hoofde van het GLB;

53.  is ingenomen met de recente vaststelling van geharmoniseerde risico-indicatoren door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, en verzoekt de lidstaten verder te gaan met de vaststelling en doorvoering van geharmoniseerde risico-indicatoren, zoals de Commissie onlangs heeft voorgesteld, zodat duidelijk kan worden gemonitord welke effecten het terugdringen van het gebruik van pesticiden heeft;

54.  verzoekt de Commissie een volledig operationeel en transparant systeem op te zetten voor de regelmatige verzameling van statistische gegevens over het gebruik van pesticiden, de gevolgen van professionele en niet-professionele blootstelling aan pesticiden voor de gezondheid van mens en dier, en de aanwezigheid van residuen van pesticiden in het milieu, met name in de bodem en het water;

55.  roept de Commissie en de lidstaten op tot het bevorderen van onderzoeksprogramma's die erop zijn gericht de gevolgen van het gebruik van pesticiden voor de volksgezondheid te bepalen, rekening houdend met alle toxicologische en langetermijneffecten, met inbegrip van immunotoxiciteit, verstoring van de hormoonhuishouding en toxische effecten op de neurologische ontwikkeling, en met extra aandacht voor de gevolgen van prenatale blootstelling aan pesticiden voor de gezondheid van kinderen;

56.  dringt bij de Commissie aan op een risicogebaseerde benadering voor beheer en gebruik van veelgebruikte gewasbeschermingsmiddelen, die wordt gestaafd door onafhankelijk, collegiaal getoetst, wetenschappelijk bewijs;

57.  verzoekt de Commissie voor het einde van haar huidige mandaat een specifiek wetsvoorstel in te dienen voor de wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009, buiten de algemene herziening in verband met het REFIT-initiatief om, met het oog op toevoeging van een definitie van en een aparte categorie voor 'in de natuur voorkomende stoffen’ en 'natuuridentieke stoffen’, waarbij als criterium wordt gehanteerd dat de stof in de natuur voorkomt en er sprake is van blootstelling aan deze stof, alsook een rigoureuze versnelde procedure vast te stellen voor de evaluatie, vergunning en registratie van biologische pesticiden met een laag risico, in lijn met de resoluties van het Parlement van 15 februari 2017 over pesticiden van biologische oorsprong, en van 13 september 2018 over de tenuitvoerlegging van de verordening betreffende gewasbeschermingsmiddelen;

58.  verzoekt de Commissie en de lidstaten toe te zien op de effectieve tenuitvoerlegging van de verplichtingen van de Unie krachtens het protocol bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand en het Verdrag van Stockholm inzake persistente organische verontreinigende stoffen uit 2004, en daarom hun inspanningen tot het elimineren van de fabricage, het op de markt brengen en het gebruik van pesticiden met persistente organische verontreinigende stoffen op te voeren, en tegelijkertijd bepalingen op te stellen betreffende de afvoer van afval dat dergelijke stoffen bevat of ermee is vervuild;

59.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat professioneel gekwalificeerde en onafhankelijke adviesdiensten beschikbaar zijn om advies te geven aan en opleidingen te verzorgen voor eindgebruikers, en met name op het gebied van geïntegreerde gewasbescherming;

60.  verzoekt de Commissie en de lidstaten sterker de nadruk te leggen op verdere investeringen in en onderzoek naar de ontwikkeling en toepassing van precisietechnieken en technieken voor digitale landbouw, zodat gewasbeschermingsmiddelen efficiënter worden en de afhankelijkheid van pesticiden aanzienlijk wordt teruggedrongen, overeenkomstig de doelstellingen van de richtlijn, waardoor minder sprake zal zijn van blootstelling van zowel professionele gebruikers als van het grote publiek; is van mening dat het gebruik van digitalisering respectievelijk precisielandbouw er niet toe mag leiden dat landbouwers afhankelijk raken van input of schulden aangaan;

61.  verzoekt de Commissie en de lidstaten het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gebieden die door een breed publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt, niet langer toe te staan, zoals bepaald in artikel 3, lid 14, van Verordening (EG) nr. 1107/2009;

62.  verzoekt de Commissie en de lidstaten met name aandacht te besteden aan de bescherming van kwetsbare groepen, zoals bepaald in artikel 3, lid 14, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, met name vanwege het bestaande gebrek aan bescherming van plattelandsbewoners die in landbouwgebieden wonen; verzoekt de Commissie en de lidstaten derhalve een onmiddellijk verbod voor te stellen op het gebruik van pesticiden binnen een aanzienlijke straal van woningen, scholen, speelplaatsen, kinderdagverblijven en ziekenhuizen;

63.  verzoekt de Commissie en de lidstaten te investeren in verder onderzoek naar de gevolgen van pesticiden voor niet-doelsoorten en onmiddellijke actie te nemen om deze gevolgen zoveel mogelijk te beperken;

64.  roept de Commissie en de lidstaten op een landbouwmodel te bevorderen dat is gebaseerd op preventieve en indirecte strategieën voor gewasbescherming, gericht op het verminderen van het gebruik van externe input en op multifunctionele, in de natuur voorkomende stoffen; erkent dat er meer onderzoek moet worden gedaan naar preventieve en indirecte ecologische landbouwstrategieën voor gewasbescherming en dat deze strategieën meer moeten worden toegepast;

65.  verzoekt de lidstaten meer te investeren in aanpassingsmethodes waarmee wordt voorkomen dat agrochemische stoffen in het oppervlakte- en grondwater terechtkomen, alsook in maatregelen om het weglekken van deze stoffen in waterlopen, rivieren en zeeën te beperken; beveelt aan het gebruik ervan te verbieden op bodems waar het gevaar bestaat dat ze afvloeien naar het grondwater;

66.  wijst er met klem op dat het van het allergrootste belang is dat aan de hand van gebruikersdatabanken en verkoopcijfers regelmatig wordt onderzocht hoe de hoeveelheid verkochte pesticiden en het landbouwgebied waarop deze worden toegepast zich tot elkaar verhouden;

67.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de op gevaren gebaseerde uitsluitingscriteria voor werkzame stoffen die mutageen, kankerverwekkend of giftig voor de voortplanting zijn, of die hormoonverstorende eigenschappen hebben, volledig en uniform worden toegepast;

68.  roept de lidstaten op zich strikt te houden aan het verbod op de invoer van verboden pesticiden in de EU vanuit derde landen, en de controles van ingevoerde voedingsmiddelen te intensiveren;

69.  verzoekt de Commissie zorgvuldig alle beschikbare maatregelen te overwegen ter waarborging van de naleving van deze richtlijn, met inbegrip van het instellen van inbreukprocedures tegen lidstaten die niet voldoen aan de verplichting tot volledige tenuitvoerlegging van de richtlijn;

70.  verzoekt de Commissie krachtdadig op te treden tegen lidstaten die systematisch misbruik maken van ontheffingen voor verboden pesticiden die neonicotinoïden bevatten;

71.  verzoekt de Commissie en de lidstaten erop toe te zien dat het beginsel "de vervuiler betaalt" volledig wordt toegepast en effectief word gehandhaafd met betrekking tot de bescherming van waterbronnen;

72.  verzoekt Horizon Europa voldoende financiering te verschaffen ter bevordering van de ontwikkeling van strategieën voor gewasbescherming op basis van een systeembenadering waarin innovatieve ecologische landbouwtechnieken worden gecombineerd met preventieve maatregelen om het gebruik van externe input zo laag mogelijk te houden;

73.  verzoekt de Commissie een pan-Europees platform voor duurzaam gebruik van pesticiden op te richten, waar belanghebbenden en vertegenwoordigers uit de sector op lokaal en regionaal niveau worden samengebracht, als platform voor het delen van informatie en uitwisselen van aanbevolen werkwijzen voor het terugdringen van het gebruik van pesticiden;

o
o   o

74.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71.
(2) PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.
(3) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(4) PB L 136 van 29.5.2007, blz. 3.
(5) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.
(7) PB L 131 van 5.5.1998, blz. 11.
(8) PB L 229 van 29.6.2004, blz. 23.
(9) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(10) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(11) PB L 330 van 5.12.1998, blz. 32.
(12) PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.
(13) PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36.
(14) PB L 310 van 25.11.2009, blz. 29.
(15) PB L 226 van 24.8.2013, blz. 1.
(16) https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=celex:52006DC0372
(17) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 62.
(18) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 51.
(19) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 184.
(20) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 117.
(21) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0057.
(22) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0356.
(23) PB L 324 van 10.12.2009, blz. 1
(24) http://ec.europa.eu/food/audits-analysis/overview_reports/details.cfm?rep_id=114
(25) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171.
(26) http://www.pan-uk.org/site/wp-content/uploads/United-Nations-Report-of-the-Special-Rapporteur-on-the-right-to-food.pdf
(27) http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-10041-2016-ADD-1/en/pdf
(28) http://www.senat.fr/leg/ppr16-477.html
(29) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0023.
(30) Caspar A. Hallmann et al., ‘More than 75 % decline over 27 years in total flying insect biomass in protected areas’, PLOS, 18 oktober 2017 - https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809
(31) PB L 270 van 21.10.2003, blz. 1.
(32) Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).
(33) Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(34) https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0185809
(35) Zie https://esdac.jrc.ec.europa.eu/public_path/shared_folder/doc_pub/EUR27607.pdf


Tenuitvoerlegging van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg
PDF 182kWORD 62k
Resolutie van het Europees Parlement van 12 februari 2019 over de tenuitvoerlegging van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg (2018/2108(INI))
P8_TA-PROV(2019)0083A8-0046/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende zorg(1),

–  gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), en met name de artikelen 114 en 168,

–  gezien Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels(2),

—  gezien Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene verordening gegevensbescherming)(3),

–  gezien de conclusies van de Raad van 6 juni 2011 met als titel "Naar moderne, responsieve en houdbare gezondheidszorgstelsels"(4),

–  gezien de meerjarige gezondheidsprogramma's voor de perioden 2003-2008(5), 2008-2013(6) en 2014-2020(7),

–  gezien de verslagen van de Commissie van 4 september 2015 en 21 september 2018 over de werking van de richtlijn grensoverschrijdende gezondheidszorg (COM(2015)0421, COM(2018)0651),

—  gezien de mededeling van de Commissie van 25 april 2018 over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt; de burger "empoweren" en bouwen aan een gezondere maatschappij (COM(2018)0233),

–  gezien het verslag van de Commissie van 18 juli 2018 over de gegevens van de lidstaten over grensoverschrijdende gezondheidszorg voor patiënten in het jaar 2016(8),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2011/890/EU van de Commissie van 22 december 2011 tot vaststelling van de voorschriften voor de oprichting, het beheer en de werking van het netwerk van nationale verantwoordelijke autoriteiten inzake e‑gezondheid(9),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 mei 2015 getiteld "Strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" (COM(2015)0192),

–  gezien het Actieplan e‑gezondheidszorg 2012-2020, en met name de uitdrukkelijke grensoverschrijdende dimensie (COM(2012)0736),

–  gezien de tussentijdse evaluatie van het Actieplan e‑gezondheidszorg 2012-2020 door de Commissie (COM(2017)0586),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 11 november 2008 over zeldzame ziekten (COM(2008)0679) en de aanbeveling van de Raad van 8 juni 2009 betreffende een optreden op het gebied van zeldzame ziekten(10),

–  gezien het voortgangsverslag van de Commissie van 5 september 2014 met betrekking tot haar mededeling over zeldzame ziekten (COM(2014)0548),

–  gezien de aanbevelingen betreffende de Europese referentienetwerken voor zeldzame aandoeningen van het EU-Comité van deskundigen voor zeldzame aandoeningen (EUCERD) van 31 januari 2013 en het addendum van 10 juni 2015,

–  gezien het achtergronddocument van de Europese Rekenkamer van mei 2018 over grensoverschrijdende gezondheidszorg in de EU(11),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 20 september 2017 getiteld "Groei en cohesie stimuleren in grensregio's van de EU" (COM(2017)0534),

–  gezien de interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten(12),

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement en artikel 1, lid 1, onder e), van en bijlage 3 bij het besluit van de Conferentie van voorzitters van 12 december 2002 betreffende de procedure inzake het verlenen van toestemming voor het opstellen van initiatiefverslagen,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0046/2019),

A.  overwegende dat voor iedereen betaalbare gezondheidsstelsels in de EU en de lidstaten van cruciaal belang zijn om een hoog niveau van volksgezondheid, sociale bescherming, sociale cohesie en sociale rechtvaardigheid te waarborgen door een universele toegang te handhaven en te garanderen, en overwegende dat de levenskwaliteit van de patiënten wordt erkend als een belangrijk onderdeel van de beoordeling van de kostenefficiëntie van de gezondheidszorg;

B.  overwegende dat Richtlijn 2011/24/EU (hierna "de richtlijn"), in overeenstemming met artikel 168, lid 7, VWEU, de vrijheid van elke lidstaat eerbiedigt om de nodige beslissingen op het gebied van gezondheidszorg te nemen en de fundamentele ethische keuzes van de bevoegde instanties in de lidstaten niet in de weg staat of ondermijnt; overwegende dat er verschillen zijn in de respectieve diensten die de lidstaten verlenen en in de wijze waarop ze worden gefinancierd; overwegende dat de richtlijn de Europese burgers naast de in hun eigen land beschikbare gezondheidszorg nog andere mogelijkheden biedt;

C.  overwegende dat gezondheid kan worden beschouwd als een grondrecht krachtens artikel 2 (betreffende het recht op leven) en artikel 35 (betreffende gezondheidszorg) van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie;

D.  overwegende dat de gezondheidszorgstelsels in de EU met uitdagingen worden geconfronteerd als gevolg van de vergrijzing, budgettaire beperkingen, de stijging van het aantal gevallen van chronische aandoeningen, moeilijkheden om basisgezondheidszorg te verstrekken in plattelandsgebieden, en de hoge prijs van geneesmiddelen; overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het ontwikkelen, bijhouden en grensoverschrijdend uitwisselen van informatie over een geactualiseerde lijst van geneesmiddelentekorten om de beschikbaarheid van essentiële geneesmiddelen te waarborgen;

E.  overwegende dat de gezondheidszorg die burgers nodig hebben, soms het best in een andere lidstaat kan worden verleend wegens de nabijheid, de gespecialiseerde aard van de zorg of een gebrek aan capaciteit, zoals een tekort aan essentiële geneesmiddelen, in hun eigen lidstaat;

F.  overwegende dat uit de resultaten van het verslag over de werking van de richtlijn blijkt dat niet alle lidstaten de richtlijn in 2015 volledig of correct ten uitvoer hebben gelegd;

G.  overwegende dat de gezondheidssector een essentieel onderdeel van de economie van de EU vormt en 10 % van het bbp van de EU vertegenwoordigt – een cijfer dat tegen 2060 als gevolg van sociaal-economische factoren tot 12,6 % zou kunnen stijgen;

H.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 20 van de richtlijn om de drie jaar een uitvoeringsverslag over de werking van de richtlijn moet indienen; overwegende dat de Commissie de patiëntenstromen, de administratieve, sociale en financiële aspecten van patiëntenmobiliteit en de werking van de Europese referentienetwerken (ERN's) en de nationale contactpunten voortdurend moet evalueren en hierover regelmatig gegevens moet presenteren;

I.  overwegende dat het volgens het verslag van de Commissie van 21 september 2018 over de werking van de richtlijn voor burgers moeilijk blijft om te achterhalen hoe zij hun rechten op het gebied van grensoverschrijdende gezondheidszorg kunnen uitoefenen; overwegende dat er meer duidelijkheid en transparantie nodig zijn over de voorwaarden waaronder zorgaanbieders werkzaam zijn, teneinde veilige patiëntenmobiliteit te waarborgen;

J.  overwegende dat de Commissie in haar mededeling van 25 april 2018 over e‑gezondheidszorg opmerkt dat de gezondheids- en zorgstelsels hervormingen en innovatieve oplossingen nodig hebben om veerkrachtiger, toegankelijker en doeltreffender te worden; overwegende dat het gebruik van nieuwe technologieën en digitale instrumenten moet worden versterkt om de kwaliteit en duurzaamheid van de gezondheidszorgdiensten te verbeteren;

K.  overwegende dat de richtlijn een duidelijke rechtsgrond biedt voor Europese samenwerking op het gebied van de evaluatie van gezondheidstechnologie (HTA), e‑gezondheid, zeldzame ziekten en de veiligheids- en kwaliteitsnormen voor gezondheidsdiensten en ‑producten;

L.  overwegende dat EU-burgers het recht hebben om gespecialiseerde zorg te ontvangen in hun eigen lidstaat; overwegende dat het aantal patiënten dat gebruikmaakt van het recht op grensoverschrijdende zorg uit hoofde van de richtlijn, waaronder preventieve medische tests, scans en gezondheidscontroles, echter slechts zeer langzaam toeneemt;

M.  overwegende dat vaccinatieprogramma's niet onder de richtlijn vallen, hoewel ze tot de meest doeltreffende beleidsmaatregelen van de EU behoren, en dat terwijl mensen er in sommige lidstaten moeilijk toegang toe krijgen;

N.  overwegende dat niet alle lidstaten in staat waren gegevens of informatie te verstrekken over patiënten die naar het buitenland reizen, en overwegende dat de gegevensverzameling niet altijd vergelijkbaar is tussen de lidstaten;

O.  overwegende dat 83 % van de deelnemers aan een recente raadpleging van de Commissie voorstander was van het openbaar maken van medische gegevens ten behoeve van onderzoek en het verbeteren van de gezondheidstoestand van patiënten(13); overwegende dat bij de eventuele toekomstige integratie van gezondheidsstelsels vanuit digitaal oogpunt moet worden gegarandeerd dat de gezondheidsstelsels en de patiënten de uiteindelijke bewaarders en beheerders van de informatie in kwestie zijn, zodat billijkheid, duurzaamheid en veiligheid voor de patiënten wordt gewaarborgd;

P.  overwegende dat de patiëntenmobiliteit in de EU die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt, relatief laag blijft en geen significante budgettaire gevolgen heeft gehad voor de houdbaarheid van de nationale gezondheidsstelsels;

Q.  overwegende dat de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het verlenen van toegang tot de gezondheidszorg die mensen nodig hebben en voor de terugbetaling van alle betreffende kosten; overwegende dat de nationale gezondheidszorgdiensten van de lidstaten verantwoordelijk zijn voor het vaststellen van de criteria op grond waarvan burgers gezondheidszorg in een andere lidstaat kunnen ontvangen; overwegende dat patiënten in een aanzienlijk aantal lidstaten nog steeds met grote hindernissen worden geconfronteerd wat gezondheidsstelsels betreft; overwegende dat administratieve rompslomp vertraging bij de terugbetaling kan veroorzaken; overwegende dat de versnippering van de toegang tot diensten daardoor alleen maar erger wordt en dat die toegang daarom moet worden verbeterd door coördinatie tussen de lidstaten;

R.  overwegende dat de Europese ziekteverzekeringskaart (EHIC) wordt geregeld door de verordening betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en dat de toepassing ervan sterk verschilt van lidstaat tot lidstaat; overwegende dat een uniforme toepassing van de EHIC en een betere coördinatie tussen de lidstaten van essentieel belang zijn om de bestaande administratieve rompslomp te verminderen en een snelle, niet-discriminerende terugbetaling voor de patiënten te waarborgen, waarbij het vrije verkeer van EU-burgers wordt gewaarborgd;

S.  overwegende dat patiënten nog steeds met praktische en juridische moeilijkheden worden geconfronteerd wanneer ze medische recepten gebruiken in een andere lidstaat;

T.  overwegende dat de nationale contactpunten (NCP's) tot taak hebben ervoor te zorgen dat patiënten de juiste informatie krijgen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen;

U.  overwegende dat NCP's nog niet voldoende bekend zijn bij de burgers en dat de doeltreffendheid van de NCP's hiervan afhankelijk is; overwegende dat de doeltreffendheid en het bereik van de NCP's afhangen van de steun die zij van zowel de EU als de lidstaten ontvangen, alsook van de communicatiekanalen, de uitwisseling van good practices en informatie, waaronder contactgegevens, en de richtsnoeren voor het doorverwijzen van patiënten;

V.  overwegende dat er tussen de verschillende NCP's grote verschillen bestaan wat betreft het functioneren, de toegankelijkheid, de zichtbaarheid en de toewijzing van middelen, zowel uit kwalitatief als uit kwantitatief oogpunt;

W.  overwegende dat patiënten volgens een Eurobarometer-enquête van mei 2015(14) onvoldoende geïnformeerd zijn over hun rechten op het gebied van grensoverschrijdende gezondheidszorg en dat minder dan 20 % van de burgers zich goed geïnformeerd vindt;

X.  overwegende dat grensoverschrijdende gezondheidszorg slechts doeltreffend zal zijn als patiënten, zorgverleners, gezondheidswerkers en andere belanghebbenden er goed over geïnformeerd zijn en als de betreffende regels vlot beschikbaar en algemeen toegankelijk zijn;

Y.  overwegende dat patiënten, zorgverleners en gezondheidswerkers nog steeds te maken hebben met een groot gebrek aan informatie over patiëntenrechten in het algemeen en met name de rechten waarin de richtlijn voorziet;

Z.  overwegende dat gezondheidswerkers in aanraking komen met zeer gevoelige patiëntenkwesties die duidelijke en bevattelijke communicatie vereisen; overwegende dat taalbarrières de overdracht van informatie tussen gezondheidswerkers en hun patiënten kunnen belemmeren;

AA.  overwegende dat er in een aantal lidstaten nog veel ruimte is voor verbetering en vereenvoudiging van de terugbetalingsprocedures, met name op het gebied van recepten, weesgeneesmiddelen, geneesmiddelen die volgens magistrale receptuur zijn gemaakt, en vervolgtherapie en ‑procedures;

AB.  overwegende dat zes lidstaten en Noorwegen momenteel helemaal geen systeem van voorafgaande toestemming hebben, zodat patiënten keuzevrijheid hebben en de administratieve rompslomp wordt beperkt;

AC.  overwegende dat er een aantal bilaterale overeenkomsten tussen naburige lidstaten en regio's bestaan die als basis zouden kunnen dienen voor excellente best practices voor de verdere ontwikkeling van grensoverschrijdende gezondheidszorg in de hele EU;

Tenuitvoerlegging

1.  is ingenomen met de maatregelen die de Commissie heeft genomen om te beoordelen of de lidstaten de richtlijn correct hebben omgezet;

2.  wijst op de voordelen van de richtlijn voor het verduidelijken van de regels inzake grensoverschrijdende gezondheidszorg, voor het garanderen van de toegang tot veilige en hoogwaardige grensoverschrijdende gezondheidszorg in de Unie en voor het tot stand brengen van patiëntenmobiliteit in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Justitie; is teleurgesteld over het feit dat een groot aantal lidstaten de voorschriften inzake het waarborgen van patiëntenrechten niet effectief heeft uitgevoerd; vraagt de lidstaten dan ook met klem erop toe te zien dat de richtlijn naar behoren wordt uitgevoerd, en hierbij zowel het beginsel van vrij verkeer van personen binnen de interne markt te eerbiedigen als te zorgen voor een hoog niveau van bescherming van de volksgezondheid dat de gezondheid van de burgers helpt te verbeteren;

3.  verzoekt de Commissie voort te werken aan haar driejaarlijkse evaluatieverslagen over de werking van de richtlijn en deze bij het Parlement en de Raad in te dienen; benadrukt hoe belangrijk het is informatie voor statistische doeleinden te verzamelen over patiënten die voor behandeling naar het buitenland gaan en de redenen voor patiëntenstromen tussen landen te analyseren; verzoekt de Commissie tevens om – voor zover dat haalbaar is – jaarlijks een uitsplitsing te publiceren van de diensten die elke lidstaat heeft verstrekt en de totale bedragen die elke lidstaat heeft terugbetaald in het kader van grensoverschrijdende gezondheidszorg;

4.  verzoekt de Commissie bij haar evaluatie van de kostenefficiëntie van de tenuitvoerlegging van de richtlijn rekening te houden met de levenskwaliteit van de patiënten en de zorguitkomsten;

5.  herinnert de lidstaten eraan dat zij zich ertoe verbonden hebben de Commissie bij de uitvoering van haar evaluatie en de opstelling van bovengenoemde verslagen te helpen en haar daartoe alle nodige informatie te verstrekken waarover zij beschikken;

6.  verzoekt de Commissie richtsnoeren voor de tenuitvoerlegging op te stellen, in het bijzonder op gebieden waar de richtlijn en de verordening betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels in wisselwerking staan, en voor een betere coördinatie tussen alle stakeholders in de instellingen te zorgen;

7.  benadrukt dat de lidstaten de richtlijn correct moeten omzetten om patiënten hoogwaardige en toegankelijke grensoverschrijdende gezondheidszorg te bieden, met volledige inachtneming van de in de wetgeving vastgestelde tenuitvoerleggingstermijnen; erkent dat specifieke verbeteringen kunnen worden aangebracht met betrekking tot de toegang tot voorgeschreven geneesmiddelen en de continuïteit van de behandeling; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het toepassingsgebied van de richtlijn kan worden uitgebreid tot vaccinatieprogramma's;

8.  neemt met voldoening kennis van het positieve effect van initiatieven zoals de EHIC, die gratis wordt verstrekt en iedereen die door een wettelijk socialezekerheidsstelsel verzekerd of gedekt is, in staat stelt in een andere lidstaat gratis of tegen een lagere prijs medische verzorging te ontvangen; benadrukt het belang van geslaagde samenwerking tussen instellingen om misbruik van de EHIC te voorkomen;

9.  benadrukt dat er moet worden gezorgd voor duidelijkheid en transparantie met betrekking tot de voorwaarden waaronder zorgaanbieders werken; onderstreept hoe belangrijk het is dat zorgaanbieders en gezondheidswerkers een beroepsaansprakelijkheidsverzekering hebben, zoals voorgeschreven door de richtlijn alsook Richtlijn 2005/36/EG, om de kwaliteit van gezondheidsdiensten te verbeteren en de patiënten beter te beschermen;

Financiering

10.  herinnert eraan dat de financiering van grensoverschrijdende gezondheidszorg de verantwoordelijkheid is van de lidstaten, die de kosten terugbetalen volgens de regelgeving ter zake; herinnert er tevens aan dat de Commissie via gezondheidsprogramma's de samenwerking ondersteunt als bedoeld in hoofdstuk IV van de richtlijn;

11.  maakt zich in dit verband ernstig zorgen over de voorgestelde verlaging van de financiering voor het gezondheidsprogramma; vraagt opnieuw dat van dit programma in het meerjarig financieel kader (MFK) 2021-2027 weer een robuust en op zichzelf staand programma wordt gemaakt met een ruimere begroting, zodat de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) van de VN inzake volksgezondheid, gezondheidsstelsels en milieugerelateerde gezondheidsproblemen kunnen worden verwezenlijkt en zodat er een ambitieus gezondheidsbeleid kan worden gevoerd met aandacht voor grensoverschrijdende uitdagingen, met name door een aanzienlijke verhoging van de gezamenlijke inspanningen van de EU op het gebied van kankerbestrijding, preventie, vroegtijdige opsporing en behandeling van chronische en zeldzame ziekten, met inbegrip van genetische en pandemische ziekten en zeldzame kankers, bestrijding van antimicrobiële resistentie en vlottere toegang tot grensoverschrijdende gezondheidszorg;

12.  benadrukt het belang van het Europees Sociaal Fonds, het Europees Structuur- en Investeringsfonds voor gezondheid en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, waaronder het Interreg-programma, voor het verbeteren van gezondheidszorgdiensten en het wegwerken van ongelijkheden op het vlak van gezondheidszorg tussen de regio's en sociale groepen in de verschillende lidstaten; vraagt dat de structuurfondsen en het Cohesiefonds ook in het volgend MFK worden gebruikt om grensoverschrijdende gezondheidszorg te verbeteren en faciliteren;

Mobiliteit van patiënten

13.  stelt vast dat de oorzaken van de geringe mobiliteit van patiënten vierledig zijn: i) sommige lidstaten hebben de richtlijn erg laat ten uitvoer gelegd, ii) de burgers zijn zich zeer weinig bewust van hun algemene rechten op terugbetaling, iii) sommige lidstaten hebben een aantal obstakels voor grensoverschrijdende gezondheidzorg opgeworpen, zoals administratieve rompslomp, en iv) informatie over patiënten die op grond van de richtlijn gezondheidszorg in een andere lidstaat willen ontvangen, ontbreekt of is onvolledig;

14.  merkt op dat bepaalde regelingen voor voorafgaande goedkeuring al te omslachtig en/of restrictief zijn gezien het aantal aanvragen per jaar; verzoekt de Commissie de gestructureerde dialoog met de lidstaten voort te zetten en meer duidelijkheid te verschaffen over de vereisten inzake voorafgaande toestemming en de daaraan verbonden terugbetalingsvoorwaarden;

15.  verzoekt de Commissie richtsnoeren voor de lidstaten op te stellen opdat mensen, indien voorafgaande toestemming vereist is, de behandeling in het buitenland kunnen vergelijken met de behandeling die in hun eigen lidstaat beschikbaar is, met de kosteneffectiviteit voor de patiënt als leidend beginsel;

16.  herinnert de lidstaten eraan dat eventuele beperkingen van de toepassing van de richtlijn, zoals vereisten inzake voorafgaande toestemming of beperkingen op terugbetaling, noodzakelijk en evenredig moeten zijn, niet mogen leiden tot willekeurige of sociale discriminatie, geen ongerechtvaardigde obstakels voor het vrije verkeer van patiënten en diensten mogen opwerpen en de nationale gezondheidsstelsels niet overmatig mogen belasten; verzoekt de lidstaten rekening te houden met de problemen van patiënten met een laag inkomen die een grensoverschrijdende behandeling vooraf moeten betalen; merkt op dat voorafgaande toestemming is bedoeld om planning door de lidstaten mogelijk te maken en om patiënten te behoeden voor behandelingen die ernstige en specifieke problemen op het vlak van de kwaliteit of veiligheid van de zorg zouden veroorzaken;

17.  stelt met bezorgdheid vast dat verzekeringsmaatschappijen in bepaalde lidstaten willekeurige discriminatie of ongerechtvaardigde belemmeringen voor het vrije verkeer van patiënten en diensten hebben toegepast met nadelige financiële gevolgen voor de patiënten;

18.  dringt er bij de lidstaten op aan de Commissie in kennis te stellen van elk besluit tot invoering van beperkingen op de terugbetaling van kosten overeenkomstig artikel 7, lid 9, van de richtlijn en hun beweegredenen hiervoor mee te delen;

19.  betreurt dat sommige lidstaten soms minder terugbetalen voor grensoverschrijdende gezondheidszorg die door particuliere of niet-gecontracteerde zorgaanbieders op hun eigen grondgebied wordt verleend dan voor grensoverschrijdende gezondheidszorg die door openbare of gecontracteerde zorgaanbieders wordt verleend; is van mening dat particuliere zorgverlening op hetzelfde niveau moet worden terugbetaald als openbare zorgverlening, op voorwaarde dat de kwaliteit en veiligheid van de zorg kunnen worden gewaarborgd;

20.  verzoekt de Commissie en de lidstaten samen te werken om de terugbetalingsprocedures voor patiënten die grensoverschrijdende zorg ontvangen, te beoordelen, op elkaar af te stemmen en te vereenvoudigen, onder meer door de terugbetaling van vervolgzorg en ‑procedures te verduidelijken, en coördinerende éénloketsystemen op te zetten bij de betrokken zorgverzekeraars;

21.  betreurt dat de toepassing van de richtlijn op telegeneeskunde (op afstand verstrekte gezondheidsdiensten) tot enige onduidelijkheid heeft geleid wat de terugbetalingsregelingen betreft, aangezien sommige lidstaten consulten met huisartsen of specialisten op afstand wel vergoeden of aanbieden en andere lidstaten niet; verzoekt de Commissie de toepassing van de terugbetalingsregels overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 4, lid 1, te ondersteunen zodat ze in voorkomend geval ook van toepassing zijn op telegeneeskunde; moedigt de lidstaten aan om hun aanpak van de terugbetaling van telegeneeskunde op één lijn te brengen;

Grensregio's

22.  moedigt de lidstaten en grensregio's aan om de samenwerking op het gebied van grensoverschrijdende gezondheidszorg op efficiënte en financieel houdbare wijze te intensiveren, onder meer door toegankelijke, voldoende en begrijpelijke informatie te verstrekken, teneinde de best mogelijke zorg voor de patiënten te waarborgen; verzoekt de Commissie een structurele uitwisseling van best practices tussen grensregio's te ondersteunen en te stimuleren; moedigt de lidstaten aan om deze best practices te gebruiken om de gezondheidszorg ook in andere regio's te verbeteren;

23.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie om de cohesie tussen grensregio's te versterken door een aantal van de juridische en administratieve obstakels waarmee zij worden geconfronteerd, uit de weg te ruimen door de invoering van een grensoverschrijdend EU-mechanisme;

Informatie voor patiënten

24.  herinnert eraan dat de NCP's een essentiële rol spelen door patiënten informatie te verstrekken en hen te helpen om met kennis van zaken te besluiten of ze voor gezondheidszorg naar een ander EU-land gaan; verzoekt de Commissie en de lidstaten verder te investeren in de ontwikkeling en bevordering van toegankelijke en duidelijk zichtbare NCP's en e‑gezondheidsplatformen voor patiënten, die patiënten en gezondheidswerkers gebruiksvriendelijke, digitaal toegankelijke en onbelemmerde informatie in verscheidene talen moeten verstrekken;

25.  beveelt de Commissie aan om in samenwerking met patiëntenorganisaties richtsnoeren voor de werking van de NCP's te ontwikkelen om de systematische uitwisseling van informatie en werkwijzen verder te faciliteren en aanzienlijk te verbeteren, teneinde geharmoniseerde, vereenvoudigde en patiëntvriendelijke procedures, formulieren of handleidingen op te stellen en de NCP's toegang te geven tot de informatie- en kennisbronnen die in de lidstaten aanwezig zijn;

26.  vraagt de lidstaten voldoende financiële middelen ter beschikking te stellen zodat hun NCP's uitgebreide informatie kunnen ontwikkelen, en vraagt de Commissie de samenwerking tussen de NCP's in de hele Unie te intensiveren;

27.  benadrukt het potentieel van e-gezondheid om patiënten een betere toegang te bieden tot informatie over de mogelijkheden van grensoverschrijdende gezondheidszorg en over hun rechten uit hoofde van de richtlijn;

28.  vraagt de lidstaten gezondheidswerkers en ziekenhuizen aan te sporen om patiënten op voorhand een accurate en actuele kostenraming van de buitenlandse behandeling te geven, met inbegrip van geneesmiddelen, honoraria, overnachtingen en toeslagen;

29.  verzoekt de Commissie om, ten behoeve van nationale deskundigen en door middel van voorlichtingscampagnes, meer duidelijkheid te brengen in de complexiteit van de huidige juridische situatie als gevolg van de wisselwerking tussen de richtlijn en de verordening betreffende de coördinatie van de sociale zekerheidsstelsels;

30.  verzoekt de Commissie om samen met de bevoegde nationale autoriteiten, de NCP's, patiëntenorganisaties, ERN's en netwerken van gezondheidswerkers uitgebreide voorlichtingscampagnes voor het publiek te organiseren, ook met behulp van nieuwe digitale mogelijkheden, om structurele bewustmaking over de patiëntenrechten uit hoofde van de richtlijn te bevorderen;

31.  vraagt de Commissie de lidstaten aan te moedigen om ervoor te zorgen dat patiënten makkelijk informatie kunnen vinden over de procedures om klacht in te dienen als hun rechten uit hoofde van de richtlijn niet zijn geëerbiedigd of zelfs zijn geschonden;

32.  beveelt aan dat de Commissie richtsnoeren opstelt over het soort informatie dat de NCP's moeten verstrekken, in het bijzonder de lijst van behandelingen waarvoor al dan niet voorafgaande toestemming moet worden gegeven, de gehanteerde criteria, de toepasselijke procedures enz.;

33.  verzoekt de Commissie en de lidstaten na te gaan of de redenen om toegang te geven tot grensoverschrijdende gezondheidszorg zodanig moeten worden omschreven dat het vrije verkeer wordt gewaarborgd, maar gezondheidszorg geen doel op zich is zolang de organisatie van gezondheidszorgstelsels een nationale bevoegdheid is;

34.  moedigt de Commissie aan om meer samenwerking tussen de instanties van de lidstaten in het algemeen, niet alleen via de NCP's, te bevorderen en de voordelen van bestaande samenwerkingsinitiatieven, in het bijzonder in grensgebieden, verder te evalueren om te garanderen dat de burger toegang heeft tot veilige, hoogwaardige en efficiënte gezondheidszorg;

Zeldzame ziekten, zeldzame kankers en Europese referentienetwerken (ERN's)

35.  benadrukt het belang van samenwerking in de hele EU om te zorgen voor een efficiënte bundeling van kennis, informatie en middelen teneinde zeldzame ziekten, waaronder zeldzame kankers, in de hele EU doeltreffend aan te pakken; moedigt de Commissie in dat verband aan om haar steun te verlenen aan de oprichting van gespecialiseerde centra voor zeldzame ziekten in de EU, die volledig in de ERN's moeten worden geïntegreerd;

36.  beveelt aan om voort te bouwen op de maatregelen die reeds zijn genomen om het publiek beter bewust te maken van en meer inzicht te geven in zeldzame ziekten en zeldzame kankers, en om de financiering voor onderzoek en ontwikkeling te verhogen; vraagt de Commissie de toegang tot informatie, geneesmiddelen en medische behandeling voor patiënten met zeldzame ziekten in de hele EU verder te waarborgen en te streven naar een betere toegang tot vroegtijdige en correcte diagnose; dringt er bij de Commissie op aan iets te doen aan het lage registratiepercentage van zeldzame ziekten, en gemeenschappelijke normen voor het delen en uitwisselen van gegevens in registers van zeldzame ziekten verder te ontwikkelen en te bevorderen;

37.  wijst op het cruciale belang van betere therapietrouwmodellen, die gebaseerd moeten zijn op de meest betrouwbare resultaten van meta-analyses en grootschalige empirische studies, de realiteit van de medische praktijk moeten weerspiegelen en aanbevelingen moeten bevatten opdat patiënten zich beter houden aan hun behandeling, met name bij chronische ziekten – een belangrijke maatstaf om de efficiëntie en effectiviteit van gezondheidszorgstelsels te meten;

38.  onderstreept het belang en de toegevoegde waarde van EU-brede mobiliteit van gezondheidswerkers, zowel tijdens hun opleiding als tijdens hun loopbaan, en van hun bijzonder rol bij het verbeteren van de kennis en expertise op het gebied van zeldzame ziekten;

39.  stelt voor dat de Commissie een nieuwe oproep voor de ontwikkeling van nieuwe ERN's doet en de ontwikkeling en opschaling van het ERN-model blijft ondersteunen om geografische verschillen en kennishiaten aan te pakken; benadrukt echter dat een uitbreiding van de ERN's de werking van de bestaande ERN's in de eerste fase niet in het gedrang mag brengen;

40.  betreurt de onzekerheid rond de operationele beginselen van de ERN's en hun interactie met de nationale gezondheidszorgstelsels en andere EU-programma's; verzoekt de Commissie daarom de lidstaten en de ERN's te ondersteunen bij het vaststellen van duidelijke en transparante regels voor het doorverwijzen van patiënten en overeenstemming te bereiken over de vorm van de steun die de lidstaten aan de ERN's moeten verlenen;

41.  dringt er bij de Commissie op aan om via het Europees gemeenschappelijk programma voor zeldzame ziekten een actieplan ten uitvoer te leggen voor de verdere duurzame ontwikkeling en financiering van de ERN's en de patiëntennetwerken die ze ondersteunen; moedigt de lidstaten aan om de zorgaanbieders binnen de ERN's te ondersteunen en de ERN's in hun zorgstelsels te integreren door hun wet- en regelgevingskaders aan te passen en in hun nationale plannen voor zeldzame ziekten en kanker naar de ERN's te verwijzen;

Wederzijdse erkenning van (e-)recepten

42.  betreurt dat patiënten, met name in grensgebieden, moeilijkheden ondervinden met de toegang tot en de terugbetaling van geneesmiddelen in andere lidstaten als gevolg van de uiteenlopende beschikbaarheid en administratieve regels in de EU; vraagt de lidstaten en hun respectieve zorginstanties zich te buigen over de wettelijke en praktische belemmeringen voor de wederzijdse erkenning van medische recepten in de EU, en dringt er bij de Commissie op aan passende ondersteunende maatregelen te treffen;

43.  betreurt patiënten, met name in grensgebieden, moeilijkheden ondervinden met de toegang tot en de terugbetaling van geneesmiddelen in andere lidstaten als gevolg van de uiteenlopende beschikbaarheid en regels in de EU;

44.  verzoekt de Commissie een actieplan op te stellen om de te hoge geneesmiddelenprijzen en de grote verschillen tussen de geneesmiddelenprijzen in de verschillende lidstaten stelselmatig aan te pakken;

45.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat recepten die zijn verstrekt door expertisecentra die aan ERN's verbonden zijn, in alle lidstaten voor terugbetaling in aanmerking komen;

46.  verwelkomt de steun van de Connecting Europe Facility (CEF) als onderdeel van de inspanningen om ervoor te zorgen dat de huidige proefprojecten voor de uitwisseling van e‑recepten en patiëntendossiers met succes worden ontwikkeld en de weg effenen zodat tegen 2020 ook andere lidstaten kunnen volgen; dringt erop aan dat deze steun in het volgende MFK wordt voortgezet;

E-gezondheid

47.  erkent dat e-gezondheid er door bepaalde kostenverminderingen voor kan helpen zorgen dat de gezondheidsstelsels houdbaar zijn, en een belangrijk onderdeel kan vormen van het antwoord van de EU op de huidige uitdagingen in de gezondheidszorg; onderstreept dat de interoperabiliteit van e-gezondheid een prioriteit moet zijn om de patiëntendossiers en de continuïteit van de zorg te verbeteren en tegelijk de privacy van de patiënten te garanderen; meent dat er bijzondere aandacht moet worden besteed aan vlotte toegang tot zorg voor alle patiënten, in het bijzonder ouderen en mensen met een handicap; stelt in dit verband voor dat de lidstaten maatregelen nemen om te investeren in de digitale geletterdheid van de burgers en nieuwe oplossingen voor de vergrijzing op grotere schaal toe te passen, en daarbij alle beschikbare middelen gebruiken om uitsluiting door digitalisering te voorkomen;

48.  is verheugd over de oprichting van de EU-brede digitale diensteninfrastructuur voor e‑gezondheid (eHDSI), die de grensoverschrijdende uitwisseling van gezondheidsgegevens, met name e‑recepten en patiëntendossiers, zal bevorderen;

49.  verzoekt de lidstaten snel actie te ondernemen om hun gezondheidsstelsels via een specifiek NCP voor e‑gezondheid aan te sluiten op de eHDSI in overeenstemming met hun eigen risicobeoordelingen, en verzoekt de Commissie dit proces te vergemakkelijken;

50.  verzoekt de Commissie prioriteit te geven aan de digitale gezondheidsbehoeften in de lidstaten; is verheugd dat de Commissie zich inzet voor duurzame financiële middelen met het oog op sterke nationale strategieën voor digitale gezondheid en het creëren van een geschikt kader voor gemeenschappelijke acties op EU-niveau om te voorkomen dat er dubbel werk wordt verricht en te zorgen voor de uitwisseling van best practices opdat het gebruik van digitale technologie ingeburgerd raakt in de lidstaten;

51.  vraagt de lidstaten de Europese samenwerking tussen hun gezondheidsinstanties verder te intensiveren teneinde e‑gezondheidsgegevens en persoonlijke dossiers te koppelen aan e‑instrumenten om recepten te schrijven, zodat gezondheidswerkers hun patiënten gepersonaliseerde en weloverwogen zorg kunnen verstrekken met volledige inachtneming van de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming; vraagt de Commissie hiertoe ondersteunende maatregelen te treffen;

52.  vraagt de lidstaten de algemene verordening gegevensbescherming (GDPR) spoedig ten uitvoer te leggen teneinde de in e‑gezondheidstoepassingen gebruikte patiëntengegevens te beschermen, en onderstreept het belang – met name met betrekking tot gezondheid – van toezicht op de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) nr. 910/2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt(15); onderstreept dat burgers, in overeenstemming met de beginselen van de GDPR, toegang moeten kunnen krijgen tot hun eigen gezondheidsgegevens en die moeten kunnen gebruiken;

Brexit

53.  vraagt de Commissie te onderhandelen over een solide overeenkomst over gezondheid met het Verenigd Koninkrijk na de brexit, met bijzondere aandacht voor grensoverschrijdende patiëntenrechten en het functioneren van de ERN's;

54.  is ingenomen met het voornemen van de Europese Rekenkamer om een controle van de doeltreffendheid van de tenuitvoerlegging van de richtlijn uit te voeren en zich in het bijzonder te buigen over het toezicht op die tenuitvoerlegging door de Commissie, de tot dusver geboekte resultaten op het vlak van de toegankelijkheid van grensoverschrijdende gezondheidszorg, en de doeltreffendheid van het financieringskader van de EU met betrekking tot de gefinancierde actie;

55.  vraagt de lidstaten alle bepalingen van de richtlijn naar behoren en in nauwe samenwerking met de Commissie ten uitvoer te leggen;

o
o   o

56.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45.
(2) PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1.
(3) PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1.
(4) PB C 202 van 8.7.2011, blz. 10.
(5) Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008), PB L 271 van 9.10.2002, blz. 1).
(6) Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008-2013), PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3.
(7) Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).
(8) https://ec.europa.eu/health/sites/health/files/cross_border_care/docs/2016_msdata_en.pdf
(9) PB L 344 van 28.12.2011, blz. 48.
(10) PB C 151 van 3.7.2009, blz. 7.
(11) https://www.eca.europa.eu/Lists/ECADocuments/BP_CBH/BP_Cross-border_healthcare_EN.pdf
(12) PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10.
(13) Samenvattend verslag van de Commissie over haar raadpleging met als titel "Transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt", 2018, https://ec.europa.eu/health/sites/health/files/ehealth/docs/2018_consultation_dsm_en.pdf
(14) Speciale Eurobarometer 425 over patiëntenrechten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg in de Europese Unie.
(15) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73.

Juridische mededeling