Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 13 februari 2019 - Straatsburg 
Europees Bureau voor visserijcontrole ***I
 Geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake de overbrenging van en de controle op accijnsgoederen ***I
 Het recht dat van toepassing is op de derdenwerking van de cessie van vorderingen ***I
 Uitwisselingen, bijstand en opleiding, voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij voor de periode 2021-2027 (programma “Pericles IV”) ***I
 Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore ***
 Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore (resolutie)
 Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore ***
 Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore (resolutie)
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore ***
 Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore (resolutie)
 Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap ***
 Verslag 2018 over Bosnië en Herzegovina
 Gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen ***I
 Programma Justitie ***I
 Stand van het debat over de toekomst van Europa
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: niveaus van geografische uitsplitsing
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting teneinde de uitgestelde data van toepassing van de clearingverplichting voor bepaalde otc-derivatencontracten te verschuiven
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum tot wanneer tegenpartijen hun risicobeheerprocedures voor bepaalde niet door een centrale tegenpartij geclearde otc-derivatencontracten mogen blijven toepassen
 Samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken ***I
 Betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ***I
 Gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het wegvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie ***I
 Gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het luchtvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie ***I
 Luchtvaartveiligheid in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot‑Brittannië en Noord‑Ierland uit de Europese Unie ***I
 GATS: de compensaties die noodzakelijk zijn als gevolg van de toetreding van Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Oostenrijk, Polen, Slovenië, Slowakije, Finland en Zweden tot de EU ***
 Stroomlijnen van maatregelen met het oog op een snellere voltooiing van het trans-Europees vervoersnetwerk ***I
 Verzekering van motorrijtuigen ***I
 Een stap terug op het gebied van rechten van de vrouw en gendergelijkheid in de EU
 Beleidsuitdagingen en strategieën tegen vrouwspecifieke vormen van kanker en aanverwante comorbiditeiten
 Gebruik van cannabis voor medische doeleinden
 Beraadslagingen van de Commissie verzoekschriften in 2018

Europees Bureau voor visserijcontrole ***I
PDF 220kWORD 77k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Bureau voor visserijcontrole (codificatie) (COM(2018)0499 – C8-0313/2018 – 2018/0263(COD))
P8_TA-PROV(2019)0084A8-0037/2019

(Gewone wetgevingsprocedure – codificatie)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0499),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0313/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 december 1994 voor een versnelde werkmethode voor de officiële codificatie van wetteksten(2),

–  gezien de artikelen 103 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0037/2019),

A.  overwegende dat naar de mening van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie het voorstel in kwestie een eenvoudige codificatie van de bestaande teksten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over zoals dit is aangepast aan de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 februari 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Bureau voor visserijcontrole (codificatie)

P8_TC1-COD(2018)0263


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad(5) is herhaaldelijk ingrijpend gewijzigd(6). Ter wille van de duidelijkheid en een rationele ordening van de tekst dient tot codificatie van die verordening te worden overgegaan.

(2)  Op grond van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7) moeten de lidstaten zorgen voor een doeltreffende controle, inspectie en handhaving inzake de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid en daartoe onderling en met derde landen samenwerken.

(3)  Om aan die verplichtingen te voldoen, moeten de lidstaten de controles en inspecties op hun landgebied, in Uniewateren en internationale wateren coördineren in overeenstemming met het internationale recht en, in het bijzonder, de verplichtingen van de Unie in het kader van regionale visserijorganisaties en overeenkomsten met derde landen.

(4)  Een inspectieregeling kan niet kosteneffectief zijn als er geen inspecties aan wal plaatsvinden. Daarom moeten de gezamenlijke inzetplannen ook het landgebied bestrijken.

(5)  Een dergelijke samenwerking moet, door middel van een operationele coördinatie van de controles en inspecties, bijdragen tot de duurzame exploitatie van levende aquatische hulpbronnen en zorgen voor gelijke voorwaarden voor de bij deze exploitatie betrokken visserijsector, waardoor de concurrentieverstoring afneemt.

(6)  Effectieve visserijcontroles en -inspecties worden essentieel geacht met het oog op de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij.

(7)  Onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is voor de organisatie van de samenwerking en de coördinatie tussen de lidstaten inzake visserijcontroles en -inspecties een technisch en administratief orgaan van de Unie nodig.

(8)  Het Europees Bureau voor visserijcontrole („het Bureau”) dient de mogelijkheid te hebben een uniforme uitvoering van de controleregeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid te ondersteunen, te zorgen voor het organiseren van operationele samenwerking, bijstand aan de lidstaten te verlenen en een noodeenheid op te richten wanneer er een ernstig risico voor het gemeenschappelijk visserijbeleid wordt geconstateerd. Daarnaast dient het Bureau de mogelijkheid te hebben zich de vereiste uitrusting te verschaffen om gezamenlijke inzetplannen uit te voeren en samen te werken bij de uitvoering van het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie.

(9)  Het Bureau moet in staat zijn om, op verzoek van de Commissie, de Unie en de lidstaten bij te staan bij hun betrekkingen met derde landen of regionale visserijorganisaties of met beide, en met hun bevoegde autoriteiten samen te werken in het kader van de internationale verplichtingen van de Unie.

(10)  Bovendien moet worden toegewerkt naar een effectieve toepassing van de inspectieprocedures van de Unie. Het Bureau zou mettertijd een referentiebron inzake wetenschappelijke en technische bijstand voor visserijcontroles en -inspecties kunnen worden.

(11)  Ter verwezenlijking van het oogmerk van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zijnde de duurzame exploitatie van levende aquatische hulpbronnen in het kader van een duurzame ontwikkeling, moet de Unie maatregelen vaststellen betreffende de instandhouding, het beheer en de exploitatie van levende aquatische hulpbronnen.

(12)  Met het oog op een deugdelijke handhaving van dergelijke maatregelen moeten de lidstaten toereikende middelen voor controle en handhaving inzetten. Om die controle en handhaving effectiever en efficiënter te maken, dient de Commissie volgens de in artikel 47, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde procedure en in overleg met de betrokken lidstaten specifieke controle- en inspectieprogramma's vast te stellen.

(13)  Het Bureau moet de operationele samenwerking tussen de lidstaten coördineren op basis van gezamenlijke inzetplannen waarin het gebruik van de beschikbare controle- en inspectiemiddelen van de betrokken lidstaten wordt georganiseerd met het oog op de uitvoering van controle- en inspectieprogramma's. De door de lidstaten verrichte visserijcontroles en -inspecties moeten plaatsvinden op grond van gemeenschappelijke criteria, prioriteiten, benchmarks en procedures betreffende controles en inspecties op basis van die programma’s.

(14)  Indien er een controle- en inspectieprogramma wordt vastgesteld, zijn de lidstaten ertoe verplicht de voor de uitvoering van dat programma benodigde middelen effectief ter beschikking te stellen. De lidstaten moeten de controle- en inspectiemiddelen waarmee zij voornemens zijn uitvoering aan dat programma te geven onverwijld bij het Bureau aanmelden. Een gezamenlijk inzetplan dient niet te leiden tot het opleggen van extra verplichtingen inzake controle, inspectie en handhaving of met betrekking tot het beschikbaar stellen van de in deze context noodzakelijke middelen.

(15)  Het Bureau mag geen gezamenlijk inzetplan opstellen dat niet in het werkprogramma is opgenomen.

(16)  Het werkprogramma moet worden vastgesteld door de raad van bestuur, die voor voldoende consensus moet zorgen, onder meer ten aanzien van de koppeling van de in het werkprogramma voor het Bureau geplande taken en de middelen waarover het Bureau kan beschikken, op basis van de door de lidstaten te verstrekken informatie.

(17)  De uitvoerend directeur dient als voornaamste taak te hebben in zijn overleg met de leden van de raad van bestuur en met de lidstaten ervoor te zorgen dat tegenover de in het werkprogramma van elk jaar uiteengezette ambities toereikende middelen staan die de lidstaten met het oog op de uitvoering van het werkprogramma aan het Bureau ter beschikking stellen.

(18)  De uitvoerend directeur moet in het bijzonder nauwkeurige inzetplannen opstellen waarvoor gebruik wordt gemaakt van de middelen die de lidstaten voor de uitvoering van elk controle- en inspectieprogramma ter beschikking stellen en waarin de regels en doeleinden van het specifieke controle- en inspectieprogramma, alsmede andere toepasselijke regels, bijvoorbeeld de regels inzake inspecteurs van de Unie, in acht worden genomen.

(19)  In dit verband is het noodzakelijk dat de uitvoerend directeur tijdschema's hanteert die de lidstaten in de gelegenheid stellen op grond van hun operationele deskundigheid opmerkingen te plaatsen, zonder het werkprogramma van het Bureau en de bij deze verordening ingestelde termijnen te buiten te gaan. De uitvoerend directeur dient rekening te houden met het belang van de betrokken lidstaten ten aanzien van de visserij die onder ieder van de plannen valt. Om voor een efficiënte en tijdige coördinatie van de gezamenlijke controles en inspecties te kunnen zorgen, moet worden voorzien in een procedure die besluitvorming over de vaststelling van de inzetplannen mogelijk maakt ingeval de betrokken lidstaten onderling niet tot een akkoord kunnen komen.

(20)  Voor de opstelling en vaststelling van gezamenlijke inzetplannen voor operaties buiten de Uniewateren moet een soortgelijke procedure worden gevolgd als voor operaties in Uniewateren. Een dergelijk gezamenlijk inzetplan moet berusten op een internationaal controle- en inspectieprogramma waarmee uitvoering wordt gegeven aan bindende internationale verplichtingen van de Unie inzake controle en inspectie.

(21)  Voor de uitvoering van gezamenlijke inzetplannen moeten de betrokken lidstaten hun voor die inzetplannen toegezegde controle- en inspectiemiddelen bundelen en inzetten. Het Bureau moet beoordelen of de beschikbare controle- en inspectiemiddelen toereikend zijn en in voorkomend geval de betrokken lidstaten en de Commissie ervan verwittigen dat er onvoldoende middelen zijn om de krachtens het controle- en inspectieprogramma vereiste taken te vervullen.

(22)  Hoewel de lidstaten hun controle- en inspectieverplichtingen dienen na te komen, met name hun verplichtingen krachtens het uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma, mag het Bureau niet de bevoegdheid te hebben om door middel van gezamenlijke inzetplannen extra verplichtingen op te leggen, noch om lidstaten sancties op te leggen.

(23)  Het Bureau moet de gezamenlijke inzetplannen regelmatig beoordelen op hun doeltreffendheid.

(24)  Het is passend te voorzien in de mogelijkheid om specifieke uitvoeringsbepalingen vast te stellen voor de opstelling en goedkeuring van gezamenlijke inzetplannen. Het kan nuttig zijn van deze mogelijkheid gebruik te maken wanneer het Bureau zijn werkzaamheden heeft aangevangen en indien de uitvoerend directeur van oordeel is dat dergelijke bepalingen in het Unierecht moeten worden opgenomen.

(25)  Het Bureau moet het recht hebben om, op verzoek, op contractbasis diensten te verlenen met betrekking tot controle- en inspectiemiddelen die door de betrokken lidstaten voor gezamenlijke inzet worden gebruikt.

(26)  Met het oog op de vervulling van de taken van het Bureau moeten de Commissie, de lidstaten en het Bureau via een informatienetwerk relevante informatie inzake controle en inspectie uitwisselen.

(27)  De status en de structuur van het Bureau moeten in overeenstemming zijn met het objectieve karakter van de resultaten die het geacht wordt te produceren en moeten het in staat stellen zijn functie uit te oefenen in nauwe samenwerking met de lidstaten en de Commissie. Daarom moet het Bureau juridische, financiële en bestuurlijke autonomie krijgen, maar tegelijkertijd nauwe banden onderhouden met de instellingen van de Unie en de lidstaten. Daartoe moet het Bureau een orgaan van de Unie met rechtspersoonlijkheid zijn dat de bevoegdheden uitoefent die bij deze verordening aan het orgaan worden verleend.

(28)  Inzake de contractuele aansprakelijkheid van het Bureau, waarvoor het recht geldt dat van toepassing is op het door het Bureau gesloten contract, moet het Hof van Justitie van de Europese Unie bevoegd zijn uitspraak te doen overeenkomstig eventuele arbitrageclausules in het contract. Het Hof van Justitie moet eveneens bevoegd zijn om uitspraak te doen in geschillen met betrekking tot de vergoeding van schade die uit de niet-contractuele aansprakelijkheid van het Bureau voortvloeit, overeenkomstig de algemene beginselen die de rechtsstelsels der lidstaten gemeen hebben.

(29)  De Commissie en de lidstaten moeten vertegenwoordigd zijn in een raad van bestuur die moet toezien op het correct en doelmatig functioneren van het Bureau.

(30)  Aangezien het Bureau moet voldoen aan verplichtingen van de Unie en op verzoek van de Commissie moet samenwerken met derde landen en regionale visserijorganisaties in het kader van de internationale verplichtingen van de Unie, dient de voorzitter van de raad van bestuur te worden gekozen uit de vertegenwoordigers van de Commissie.

(31)  Bij de stemprocedure in de raad van bestuur moet rekening worden gehouden met de belangen van de lidstaten en de Commissie in de effectieve werking van het Bureau.

(32)  Er moet een raad van advies worden ingesteld die de uitvoerend directeur adviseert en instaat voor nauwe samenwerking met belanghebbenden.

(33)  Het is passend dat een vertegenwoordiger van de raad van advies zonder stemrecht aan de beraadslagingen van de raad van bestuur deelneemt.

(34)  Er moet worden voorzien in regels betreffende de benoeming en het ontslag van de uitvoerend directeur van het Bureau, alsmede in regels voor de uitoefening van zijn of haar functie.

(35)  Om een transparante werking van het Bureau te bevorderen, moet Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad(8) onverkort op het Bureau van toepassing zijn.

(36)  In het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(9) worden toegepast op de onderhavige verordening.

(37)  Om de functionele autonomie en onafhankelijkheid van het Bureau te garanderen, moet het een eigen begroting krijgen waarvan de inkomsten komen uit een bijdrage van de Unie en uit betalingen voor door het Bureau op contractbasis verleende diensten. Voor de bijdrage van de Unie en andere subsidies die ten laste komen van de algemene begroting van de Europese Unie is de begrotingsprocedure van de Unie van toepassing. De controle van de rekeningen moet worden uitgevoerd door de Rekenkamer.

(38)  Om fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten te bestrijden, moet Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10) onverkort van toepassing zijn op het Bureau, dat moet toetreden tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de interne onderzoeken die zijn uitgevoerd door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF)(11).

(39)  De voor de uitvoering van de onderhavige verordening noodzakelijke maatregelen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(12),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

DOEL EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel

Deze verordening voorziet in een Europees Bureau voor visserijcontrole (hierna „het Bureau” genoemd), dat tot doel heeft de operationele coördinatie van de visserijcontroles en -inspecties van de lidstaten te organiseren en de lidstaten bij te staan bij hun samenwerking, teneinde te voldoen aan de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid en ervoor te zorgen dat dit beleid effectief en uniform wordt toegepast.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  „controle en inspectie”: in het bijzonder overeenkomstig de artikelen 5, 11, 71, 91 en 117 en titel VII van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(13) door de lidstaten getroffen maatregelen voor de controle en inspectie van visserijactiviteiten binnen het toepassingsgebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid, met inbegrip van activiteiten op het gebied van bewaking en toezicht, bijvoorbeeld door het gebruik van satellietvolgsystemen voor vissersvaartuigen en waarnemersregelingen;

b)  „controle- en inspectiemiddelen”: bewakingsvaartuigen, vliegtuigen, voertuigen en andere materiële middelen, alsmede inspecteurs, waarnemers en andere personele middelen die door de lidstaten worden gebruikt voor controle en inspectie;

c)  „gezamenlijk inzetplan”: een plan waarin de operationele regelingen voor het inzetten van de beschikbare controle- en inspectiemiddelen zijn vastgesteld;

d)  „internationaal controle- en inspectieprogramma”: een programma waarin doelstellingen, gemeenschappelijke prioriteiten en procedures voor de controles en inspecties zijn vastgelegd met het oog op de uitvoering van de internationale verplichtingen van de Unie inzake controle en inspectie;

e)  „specifiek controle- en inspectieprogramma”: een op grond van artikel 95 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgesteld programma waarin doelstellingen, gemeenschappelijke prioriteiten en procedures voor de controles en inspecties zijn vastgelegd;

f)  „visserijtak”: de visserijactiviteiten omschreven in artikel 4, lid 1, punt 28, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

g)  „inspecteurs van de Unie”: de inspecteurs die zijn opgenomen in de in artikel 79, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde lijst.

HOOFDSTUK II

OPDRACHT EN TAKEN VAN HET BUREAU

Artikel 3

Opdracht

De opdracht van het Bureau bestaat erin:

a)  de door de lidstaten in verband met de controle- en inspectieverplichtingen van de Unie verrichte controles en inspecties te coördineren;

b)  de door de lidstaten overeenkomstig deze verordening gebundelde inzet van de nationale controle- en inspectiemiddelen te coördineren;

c)  de lidstaten bij de verslaglegging over de visserijactiviteiten en de controles en inspecties aan de Commissie en aan derden bij te staan;

d)  de lidstaten binnen zijn bevoegdheden bij te staan bij het vervullen van hun taken en verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid;

e)  de lidstaten en de Commissie bij te staan bij het harmoniseren van de toepassing van het gemeenschappelijk visserijbeleid in de hele Unie ;

f)  bij te dragen tot de werkzaamheden van de lidstaten en de Commissie inzake het onderzoek naar en de ontwikkeling van controle- en inspectietechnieken;

g)  bij te dragen tot de coördinatie van de opleiding van inspecteurs en de uitwisseling van ervaringen tussen de lidstaten;

h)  de operaties ter bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij („IOO-visserij”) overeenkomstig de voorschriften van de Unie te coördineren;

i)  de uniforme uitvoering van de controleregeling van het gemeenschappelijk visserijbeleid te ondersteunen, met inbegrip van met name:

–  de organisatie van de operationele coördinatie van controleactiviteiten van de lidstaten voor de uitvoering van specifieke controle- en inspectieprogramma’s, controleprogramma’s betreffende IOO-visserij en internationale controle- en inspectieprogramma’s;

–  de inspecties die nodig zijn voor de vervulling van de taken van het Bureau overeenkomstig artikel 19;

j)  samen te werken met het bij Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad(14) opgerichte Europees grens- en kustwachtagentschap en het bij Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad(15) opgerichte Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, elk handelend binnen zijn opdracht, om nationale autoriteiten, belast met kustwachtfuncties als bedoeld in artikel 8 van deze verordening, te ondersteunen door hun diensten, informatie, uitrusting en opleiding te bieden en door multifunctionele actie te coördineren.

Artikel 4

Taken betreffende de internationale verplichtingen van de Unie inzake controle en inspectie

1.  Op verzoek van de Commissie vervult het Bureau de volgende taken:

a)  de Unie en de lidstaten bijstaan in hun betrekkingen met derde landen en met de regionale internationale visserijorganisaties waarvan de Unie lid is;

b)  met betrekking tot de controle- en inspectieverplichtingen van de Unie samenwerken met de bevoegde autoriteiten van regionale internationale visserijorganisaties, in het kader van met die organisaties gemaakte werkafspraken.

2.  Op verzoek van de Commissie kan het Bureau bij kwesties inzake de controle en inspectie in het kader van tussen de Unie en derde landen gesloten overeenkomsten samenwerken met de bevoegde autoriteiten van die derde landen.

3.  Het Bureau mag, binnen zijn bevoegdheden, namens de lidstaten taken vervullen in het kader van internationale visserijovereenkomsten waarbij de Unie partij is.

Artikel 5

Taken in verband met operationele coördinatie

1.  De operationele coördinatie van het Bureau heeft betrekking op de controle van alle activiteiten die onder het gemeenschappelijk visserijbeleid vallen.

2.  Het Bureau stelt met het oog op de operationele coördinatie gezamenlijke inzetplannen op en organiseert de operationele coördinatie van de controle en inspectie door de lidstaten overeenkomstig hoofdstuk III.

3.  Met het oog op een versterkte operationele coördinatie tussen de lidstaten kan het Bureau samen met de betrokken lidstaten werkprogramma’s opstellen en de uitvoering ervan coördineren.

Artikel 6

Contractuele dienstverlening aan lidstaten

Het Bureau kan, op verzoek van een lidstaat, aan die lidstaat op contractbasis diensten verlenen die betrekking hebben op de controle en inspectie in verband met de verplichtingen ten aanzien van de visserij in Unie- en/of internationale wateren, zoals het huren, exploiteren en bemannen van controle- en inspectieplatforms en het ter beschikking stellen van waarnemers voor gezamenlijke operaties door de betrokken lidstaten.

Artikel 7

Bijstand aan de Commissie en de lidstaten

Het Bureau staat de Commissie en de lidstaten bij teneinde een hoog niveau te verzekeren van uniforme en doeltreffende nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid, inclusief wat betreft de bestrijding van IOO-visserij, en het staat hen bij in hun betrekkingen met derde landen. Het Bureau heeft met name de volgende taken:

a)  het opstellen en ontwikkelen van een kerncurriculum voor de opleiding van de instructeurs van de visserijinspectie van de lidstaten en het zorgen voor aanvullende opleidingscursussen en seminars voor die functionarissen en andere bij controle en inspectieactiviteiten betrokken personeelsleden;

b)  het opstellen en ontwikkelen van een kerncurriculum voor de opleiding van inspecteurs van de Unie voordat zij voor het eerst worden ingezet, en het regelmatig aanbieden van bijgewerkte bijscholing en seminars aan deze functionarissen;

c)  het gezamenlijk aankopen, op verzoek van de lidstaten, van goederen en diensten met betrekking tot de door de lidstaten te verrichten controle- en inspectieactiviteiten, alsmede het voorbereiden en coördineren van de uitvoering door de lidstaten van gezamenlijke proefprojecten;

d)  het opstellen van gezamenlijke operationele procedures voor controle- en inspectieactiviteiten die gezamenlijk door twee of meer lidstaten worden verricht;

e)  het vaststellen van criteria voor de uitwisseling van controle- en inspectiemiddelen tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en derde landen en voor de verstrekking van die middelen door de lidstaten;

f)  het verrichten van risicoanalyses op basis van de gegevens betreffende vangsten, aanlandingen en visserijinspanning, alsook een risicoanalyse van niet-gemelde aanlandingen, inclusief een vergelijking van gegevens betreffende vangsten en invoer met gegevens betreffende uitvoer en nationale consumptie;

g)  het ontwikkelen, op verzoek van de Commissie of van de lidstaten, van gezamenlijke inspectiemethoden en -procedures;

h)  het ondersteunen van de lidstaten, op hun verzoek, bij het nakomen van hun Unieverplichtingen en van hun internationale verplichtingen, inclusief de bestrijding van IOO-visserij, en de verplichtingen in het kader van regionale organisaties voor visserijbeheer;

i)  het bevorderen en coördineren van de ontwikkeling van uniforme risicobeoordelingsmethoden op de gebieden die onder zijn bevoegdheid vallen;

j)  het coördineren en bevorderen van samenwerking tussen de lidstaten en van gemeenschappelijke normen voor de ontwikkeling van in Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde steekproefplannen.

Artikel 8

Europese samenwerking inzake kustwachttaken

1.  Het Bureau biedt, in samenwerking met het Europees grens- en kustwachtagentschap en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, ondersteuning aan nationale autoriteiten bij de uitvoering van kustwachttaken op nationaal en Unieniveau en, waar passend, op internationaal niveau, door:

a)  het delen, samenbrengen en analyseren van informatie die beschikbaar is in systemen voor de rapportage van vaartuigen en andere informatiesystemen die worden gehost door of die toegankelijk zijn voor die agentschappen, overeenkomstig hun respectieve rechtsgronden en onverminderd het eigendomsrecht van de lidstaten op de gegevens;

b)  het verstrekken van bewakings- en communicatiediensten op basis van geavanceerde technologie, waaronder in de ruimte gestationeerde infrastructuur en grondinfrastructuur en sensoren die op platformen worden geplaatst;

c)  capaciteitsopbouw door het opstellen van richtsnoeren en aanbevelingen, het instellen van beste praktijken, alsook door het verstrekken van opleiding en uitwisseling van personeel;

d)  verbetering van informatie-uitwisseling en samenwerking op het gebied van kustwachttaken, onder meer door operationele problemen en nieuwe risico's op maritiem gebied te analyseren;

e)  capaciteitsdeling door planning en uitvoering van operaties met meerdere doeleinden en door het delen van middelen en andere vermogens, voor zover deze activiteiten door die agentschappen worden gecoördineerd en de instemming hebben gekregen van de bevoegde instanties van de betrokken lidstaten.

2.  De precieze vormen van samenwerking inzake kustwachttaken tussen het Bureau, het Europees grens- en kustwachtagentschap en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid worden vastgelegd in werkafspraken, overeenkomstig hun respectieve opdrachten en de voor die agentschappen geldende financiële regeling. Een dergelijke regeling wordt goedgekeurd door de raad van bestuur van het Bureau, de raad van bestuur van het Europees grens- en kustwachtagentschap en de raad van bestuur van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid.

3.  De Commissie stelt, in nauwe samenwerking met de lidstaten, het Bureau, het Europees grens- en kustwachtagentschap en het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid, een praktische handleiding inzake Europese samenwerking op het gebied van kustwachttaken ter beschikking. Die handleiding bevat richtsnoeren, aanbevelingen en beste praktijken voor informatie-uitwisseling. De handleiding wordt door de Commissie in de vorm van een aanbeveling vastgesteld.

HOOFDSTUK III

OPERATIONELE COÖRDINATIE

Artikel 9

Uitvoering van verplichtingen van de Unie inzake controle en inspectie

1.  Het Bureau coördineert op verzoek van de Commissie de op grond van internationale controle- en inspectieprogramma’s door de lidstaten verrichte controles en inspecties, door gezamenlijke inzetplannen vast te stellen.

2.  Het Bureau mag de uitrusting aanschaffen of huren die voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde gezamenlijke inzetplannen nodig is.

Artikel 10

Uitvoering van specifieke controle- en inspectieprogramma’s

1.  Het Bureau coördineert de uitvoering van de overeenkomstig artikel 95 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma’s door middel van gezamenlijke inzetplannen.

2.  Het Bureau mag de uitrusting aanschaffen of huren die voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde gezamenlijke inzetplannen nodig is.

Artikel 11

Inhoud van gezamenlijke inzetplannen

In elk gezamenlijk inzetplan:

a)  worden de vereisten van het toepasselijke controle- en inspectieprogramma in acht genomen;

b)  wordt praktische toepassing gegeven aan de criteria, de benchmarks, de prioriteiten en de gemeenschappelijke inspectieprocedures die de Commissie in de controle- en inspectieprogramma’s heeft vastgesteld;

c)  wordt getracht de op grond van artikel 12, lid 2, aangemelde bestaande nationale controle- en inspectiemiddelen te koppelen aan de behoeften en de inzet ervan te organiseren;

d)  wordt het gebruik van personele en materiële hulpmiddelen georganiseerd met betrekking tot de periodes en de gebieden waarin zij moeten worden ingezet, met inbegrip van de werkzaamheden van teams van inspecteurs van de Unie uit meer dan een lidstaat;

e)  wordt rekening gehouden met de bestaande verplichtingen van de betrokken lidstaten in het kader van andere gezamenlijke inzetplannen, alsmede met eventuele specifieke regionale of plaatselijke dwingende omstandigheden;

f)  wordt bepaald onder welke voorwaarden de controle- en inspectiemiddelen van een lidstaat zich in wateren onder de soevereiniteit of de jurisdictie van een andere lidstaat mogen begeven.

Artikel 12

Aanmelding van controle- en inspectiemiddelen

1.  De lidstaten melden het Bureau jaarlijks vóór 15 oktober welke controle- en inspectiemiddelen zij het daaropvolgende jaar voor controle- en inspectiedoeleinden ter beschikking hebben.

2.  Elke lidstaat meldt het Bureau met welke middelen hij voornemens is het op hem toepasselijke internationale of specifieke controle- en inspectieprogramma uit te voeren; die aanmelding geschiedt uiterlijk een maand nadat de lidstaten in kennis zijn gesteld van het besluit tot instelling van het bewuste programma.

Artikel 13

Procedure voor de goedkeuring van gezamenlijke inzetplannen

1.  De uitvoerend directeur van het Bureau stelt, op basis van de in artikel 12, lid 2, bedoelde aanmeldingen en binnen drie maanden na ontvangst van die aanmeldingen, in overleg met de betrokken lidstaten een ontwerp op voor een gezamenlijk inzetplan.

2.  In het ontwerpinzetplan wordt, met het oog op de uitvoering van het controle- en inspectieprogramma waarop het plan betrekking heeft, uitgaande van het belang van de betrokken lidstaten in de visserijtak in kwestie, nagegaan welke controle- en inspectiemiddelen kunnen worden gebundeld.

Het belang van een lidstaat in een visserijtak wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria, waarvan het relatieve gewicht kan variëren naargelang de specifieke kenmerken van elk plan:

a)  de relatieve uitgestrektheid van de wateren onder zijn soevereiniteit of jurisdictie die in voorkomend geval onder het gezamenlijke inzetplan vallen;

b)  de hoeveelheid vis die in een bepaalde referentieperiode op zijn grondgebied wordt aangeland in verhouding tot de totale hoeveelheid die wordt aangeland in de visserijtak waarvoor het gezamenlijke inzetplan wordt opgesteld;

c)  het relatieve aantal vissersvaartuigen van de Unie dat de vlag van die lidstaat voert (motorvermogen en brutotonnage) en betrokken is in de visserijtak waarvoor het gezamenlijke inzetplan wordt opgesteld, in verhouding tot het totale aantal vaartuigen dat in die visserijtak betrokken is;

d)  de relatieve omvang van het aan de lidstaat toegewezen quotum of, als geen quotum is vastgesteld, de hoeveelheid vis die hij in een bepaalde referentieperiode in die visserijtak heeft gevangen.

3.  Indien bij de voorbereiding van een ontwerp voor een gezamenlijk inzetplan blijkt dat er onvoldoende controle- en inspectiemiddelen beschikbaar zijn om aan de vereisten van het betreffende controle- en inspectieprogramma te voldoen, stelt de uitvoerend directeur de betrokken lidstaten en de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

4.  De uitvoerend directeur stelt de betrokken lidstaten en de Commissie in kennis van het ontwerpinzetplan. Indien de betrokken lidstaten of de Commissie binnen vijftien werkdagen te rekenen vanaf die kennisgeving geen bezwaren hebben geuit, stelt de uitvoerend directeur het inzetplan vast.

5.  Indien een of meer lidstaten of de Commissie bezwaren hebben geuit, legt de uitvoerend directeur de kwestie voor aan de Commissie. De Commissie kan het inzetplan, in voorkomend geval met de nodige aanpassingen, vaststellen volgens de in artikel 47, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde procedure.

6.  Elk gezamenlijk inzetplan wordt jaarlijks in overleg met de lidstaten door het Bureau beoordeeld om rekening te houden met elk nieuw controle- en inspectieprogramma dat voor de betrokken lidstaten is vastgesteld, en met door de Commissie in de controle- en inspectieprogramma’s gestelde prioriteiten.

Artikel 14

Uitvoering van de gezamenlijke inzetplannen

1.  De gezamenlijke controles en inspecties worden verricht op basis van de gezamenlijke inzetplannen.

2.  De bij een gezamenlijk inzetplan betrokken lidstaten:

a)  stellen de controle- en inspectiemiddelen ter beschikking die zijn toegezegd voor het gezamenlijke inzetplan;

b)  stellen een nationale contractpersoon/coördinator aan die voldoende bevoegdheden krijgt om tijdig te kunnen reageren op verzoeken van het Bureau met betrekking tot de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan, en stellen het Bureau daarvan in kennis;

c)  zetten hun gebundelde controle- en inspectiemiddelen in, overeenkomstig het gezamenlijke inzetplan en de in lid 4 vermelde vereisten;

d)  verstrekken het Bureau online toegang tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan;

e)  werken met het Bureau samen bij de uitvoering van het gezamenlijke inzetplan;

f)  zorgen ervoor dat de aan een gezamenlijk inzetplan van de Unie toegewezen controle- en inspectiemiddelen hun werkzaamheden overeenkomstig de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid verrichten.

3.  Onverminderd de verplichtingen van de lidstaten in het kader van een krachtens artikel 13 vastgesteld gezamenlijk inzetplan, vallen het bevel over en de controle op de voor een gezamenlijk inzetplan toegezegde controle- en inspectiemiddelen onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde nationale autoriteiten overeenkomstig het nationale recht.

4.  De uitvoerend directeur kan vereisten vaststellen voor de uitvoering van een krachtens artikel 13 vastgesteld gezamenlijk inzetplan. Die vereisten gelden uitsluitend binnen het kader van dat plan.

Artikel 15

Beoordeling van de gezamenlijke inzetplannen

Elk jaar beoordeelt het Bureau de doeltreffendheid van elk gezamenlijk inzetplan en analyseert het, aan de hand van het beschikbare bewijs, of het risico bestaat dat de visserijactiviteiten niet in overeenstemming zijn met de geldende controlemaatregelen. Deze beoordelingen worden onverwijld toegezonden aan het Europees Parlement, de Commissie en de lidstaten.

Artikel 16

Visserijtakken waarvoor geen controle- en inspectieprogramma’s zijn vastgesteld

Twee of meer lidstaten kunnen het Bureau verzoeken de inzet van hun controle- en inspectiemiddelen voor een visserijtak of een gebied waarvoor geen controle- en inspectieprogramma is vastgesteld, te coördineren. Deze coördinatie vindt plaats overeenkomstig de controle- en inspectiecriteria en de prioriteiten die de betrokken lidstaten zijn overeengekomen.

Artikel 17

Informatienetwerk

1.  De Commissie, het Bureau en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen de relevante informatie waarover zij beschikken uit met betrekking tot de gezamenlijke controles en inspecties in Unie- en internationale wateren.

2.  Elke nationale bevoegde autoriteit neemt, overeenkomstig de desbetreffende wetgeving van de Unie, maatregelen om het vertrouwelijke karakter van door haar op grond van lid 1 van dit artikel ontvangen gegevens naar behoren te waarborgen, overeenkomstig de artikelen 112 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 18

Uitvoeringsbepalingen

Nadere bepalingen voor de uitvoering van dit hoofdstuk kunnen worden vastgesteld volgens de in artikel 47, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde procedure.

Die bepalingen kunnen met name betrekking hebben op de procedures voor het voorbereiden en vaststellen van ontwerpen voor gezamenlijke inzetplannen.

HOOFDSTUK IV

BEVOEGDHEDEN VAN HET BUREAU

Artikel 19

Aanwijzing van functionarissen van het Bureau als inspecteurs van de Unie

Functionarissen van het Bureau kunnen overeenkomstig artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 als inspecteur van de Unie worden aangewezen in internationale wateren.

Artikel 20

Maatregelen van het Bureau

In voorkomend geval kan het Bureau:

a)  handboeken inzake geharmoniseerde inspectienormen uitgeven;

b)  een handleiding ontwikkelen met de beste praktijken inzake controle van het gemeenschappelijk visserijbeleid, inclusief over de opleiding van controlefunctionarissen, en dergelijk materiaal regelmatig bijwerken;

c)  de Commissie de noodzakelijke technische en administratieve ondersteuning verlenen bij de uitoefening van haar taken.

Artikel 21

Samenwerking

1.  De lidstaten en de Commissie werken met het Bureau samen en verlenen het de nodige bijstand voor de vervulling van zijn opdracht.

2.  Terdege rekening houdend met de verschillende rechtssystemen in de individuele lidstaten, vergemakkelijkt het Bureau de samenwerking tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de Commissie bij de ontwikkeling van geharmoniseerde controlenormen overeenkomstig de wetgeving van de Unie en met inachtneming van de beste praktijken in de lidstaten en van internationaal overeengekomen normen.

Artikel 22

Noodeenheid

1.  Wanneer de Commissie, op eigen initiatief of op verzoek van minstens twee lidstaten, een situatie constateert waarin zich een ernstig direct, indirect of potentieel risico voor het gemeenschappelijk visserijbeleid voordoet en dat risico niet met behulp van de bestaande voorzieningen kan worden voorkomen, weggenomen of beperkt of niet adequaat kan worden beheerst, wordt het Bureau onverwijld in kennis gesteld.

2.  Het Bureau zet na een kennisgeving door de Commissie of op eigen initiatief onverwijld een noodeenheid op en stelt de Commissie daarvan in kennis.

Artikel 23

Taken van de noodeenheid

1.  De door het Bureau opgezette noodeenheid is belast met de verzameling en beoordeling van alle relevante informatie en het onderzoeken van de mogelijkheden om het risico voor het gemeenschappelijk visserijbeleid zo doeltreffend en snel mogelijk te voorkomen, weg te nemen of te beperken.

2.  De noodeenheid kan de hulp inroepen van overheidsinstanties of particulieren indien hun expertise nodig wordt geacht om de noodsituatie doeltreffend aan te pakken.

3.  Het Bureau zorgt voor de nodige coördinatie om adequaat en tijdig op de noodsituatie te reageren.

4.  De noodeenheid houdt het publiek, in voorkomend geval, op de hoogte van de risico’s en de getroffen maatregelen.

Artikel 24

Meerjarig werkprogramma

1.  In het meerjarig werkprogramma van het Bureau worden de algemene doelstellingen, het mandaat, de taken, de prestatie-indicatoren en de prioriteiten voor elke actie van het Bureau voor een periode van vijf jaar vastgesteld. Het omvat een presentatie van het personeelsbeleidsplan en een raming van de begrotingskredieten die moeten worden vrijgemaakt om de doelstellingen voor die vijfjarige periode te bereiken.

2.  Het meerjarig werkprogramma wordt gepresenteerd volgens het systeem en de methode van activiteitsgestuurd management van de Commissie. Het wordt goedgekeurd door de raad van bestuur.

3.  Het in artikel 32, lid 2, onder c), vermelde werkprogramma verwijst naar het meerjarig werkprogramma. Het geeft duidelijk de toevoegingen, wijzigingen of schrappingen aan ten opzichte van het werkprogramma van het vorige jaar, en de vooruitgang die is geboekt bij het bereiken van de algemene doelstellingen en prioriteiten van het meerjarig werkprogramma.

Artikel 25

Samenwerking in maritieme zaken

Het Bureau draagt bij tot de uitvoering van het geïntegreerd maritiem beleid van de Unie en sluit met name administratieve overeenkomsten met andere instanties op door deze verordening bestreken gebieden, na goedkeuring door de raad van bestuur. De uitvoerend directeur stelt de Commissie en de lidstaten hiervan in een vroeg stadium van de onderhandelingen in kennis.

Artikel 26

Uitvoeringsbepalingen

De bepalingen ter uitvoering van dit hoofdstuk worden vastgesteld volgens de in artikel 47, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde procedure.

Die bepalingen kunnen met name betrekking hebben op de opstelling van plannen om te reageren op noodsituaties, de oprichting van de noodeenheid en de toe te passen praktische procedures.

HOOFDSTUK V

INTERNE STRUCTUUR EN WERKING

Artikel 27

Rechtsvorm en hoofdzetel

1.  Het Bureau is een orgaan van de Unie en heeft rechtspersoonlijkheid.

2.  In elke lidstaat geniet het Bureau de meest uitgebreide handelingsbevoegdheid die op grond van de wetgeving in de betreffende lidstaat aan rechtspersonen wordt verleend. Het Bureau kan met name roerend en onroerend goed verwerven of vervreemden, en kan in rechte optreden.

3.  Het Bureau wordt vertegenwoordigd door zijn uitvoerend directeur.

4.  Het Bureau heeft zijn zetel in Vigo, Spanje.

Artikel 28

Personeel

1.  Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie, als vastgesteld in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad(16), en de regels die gezamenlijk door de instellingen van de Europese Unie zijn vastgesteld ter uitvoering van dat Statuut en die Regeling, zijn van toepassing op het personeel van het Bureau. De raad van bestuur stelt, in overleg met de Commissie, de noodzakelijke uitvoeringsbepalingen vast.

2.  Onverminderd artikel 39 worden ten aanzien van het eigen personeel van het Bureau de bevoegdheden die door het Statuut van de ambtenaren en door de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden aan het tot aanstelling bevoegde gezag zijn toegekend, uitgeoefend door het Bureau.

3.  Het personeel van het Bureau bestaat uit ambtenaren die door de Commissie tijdelijk worden toegewezen of gedetacheerd en uit andere personeelsleden die door het Bureau worden aangeworven naargelang zijn werkzaamheden zulks vereisen.

Het Bureau kan ook ambtenaren in dienst hebben die tijdelijk worden gedetacheerd door de lidstaten.

Artikel 29

Voorrechten en immuniteiten

Het Protocol inzake voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie is van toepassing op het Bureau.

Artikel 30

Aansprakelijkheid

1.  De contractuele aansprakelijkheid van het Bureau wordt beheerst door het recht dat op de betrokken overeenkomst van toepassing is.

2.  Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd uitspraak te doen krachtens een arbitragebeding vervat in een door het Bureau gesloten overeenkomst.

3.  In geval van niet-contractuele aansprakelijkheid vergoedt het Bureau, overeenkomstig de algemene beginselen die de wetgevingen van de lidstaten gemeen hebben, alle schade die door het Bureau zelf of zijn personeelsleden in de uitoefening van hun functie is veroorzaakt. Het Hof van Justitie is bevoegd voor alle in dit verband gerezen geschillen over schadevergoeding.

4.  De persoonlijke aansprakelijkheid van de personeelsleden jegens het Bureau wordt beheerst door de bepalingen van het Statuut van de ambtenaren of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden.

Artikel 31

Talen

1.  Op het Bureau zijn de bepalingen van Verordening nr. 1 van de Raad(17) van toepassing.

2.  De voor het functioneren van het Bureau vereiste vertaaldiensten worden geleverd door het Vertaalbureau voor de organen van de Europese Unie.

Artikel 32

Instelling en bevoegdheden van de raad van bestuur

1.  Het Bureau heeft een raad van bestuur.

2.  De raad van bestuur:

a)  benoemt en ontslaat de uitvoerend directeur overeenkomstig artikel 39;

b)  keurt uiterlijk op 30 april van elk jaar het algemeen verslag van het Bureau over het voorafgaande jaar goed en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer en de lidstaten. Het verslag wordt openbaar gemaakt;

c)  stelt uiterlijk op 31 oktober van elk jaar en rekening houdend met het advies van de Commissie en de lidstaten het werkprogramma van het Bureau voor het komende jaar vast en zendt het toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten.

Het werkprogramma bevat de prioriteiten van het Bureau. De hoogste prioriteit wordt gegeven aan de taken van het Bureau met betrekking tot controle- en bewakingsprogramma’s. Het werkprogramma wordt vastgesteld onverminderd de jaarlijkse begrotingsprocedure van de Unie. Indien de Commissie binnen 30 dagen na de datum waarop het werkprogramma is vastgesteld, te kennen geeft het niet eens te zijn met dat werkprogramma, bespreekt de raad van bestuur het werkprogramma opnieuw en keurt hij het, eventueel gewijzigd, binnen twee maanden in tweede lezing goed;

d)  stelt vóór het begin van het begrotingsjaar de definitieve begroting van het Bureau vast, eventueel na aanpassing aan de bijdrage van de Unie en andere ontvangsten van het Bureau;

e)  verricht zijn taken met betrekking tot de begroting van het Bureau overeenkomstig de artikelen 44, 45 en 47;

f)  treedt als tuchtraad op ten aanzien van de uitvoerend directeur;

g)  stelt zijn reglement van orde vast, waarbij zo nodig mag worden voorzien in het instellen van subcomités van de raad van bestuur;

h)  stelt de nodige procedures vast voor de uitvoering van de taken van het Bureau.

Artikel 33

Samenstelling van de raad van bestuur

1.  De raad van bestuur bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten en zes vertegenwoordigers van de Commissie. Iedere lidstaat mag één lid aanwijzen. De lidstaten en de Commissie wijzen voor elk lid een plaatsvervanger aan die het lid in diens afwezigheid vertegenwoordigt.

2.  De leden van de raad van bestuur worden benoemd op basis van hun relevante ervaring en deskundigheid op het gebied van visserijcontroles en -inspecties.

3.  De duur van de ambtstermijn van elk lid bedraagt vijf jaar vanaf de benoemingsdatum. Deze ambtstermijn kan worden verlengd.

Artikel 34

Voorzitterschap van de raad van bestuur

1.  De raad van bestuur kiest uit de vertegenwoordigers van de Commissie een voorzitter. De raad van bestuur kiest uit zijn midden een vicevoorzitter. De vicevoorzitter vervangt ambtshalve de voorzitter wanneer hij of zij is verhinderd zijn of haar taken te verrichten.

2.  De ambtstermijn van de voorzitter en de vicevoorzitter bedraagt drie jaar en loopt af wanneer hun respectieve lidmaatschap van de raad van bestuur ten einde loopt. Deze ambtstermijn kan eenmaal worden verlengd.

Artikel 35

Vergaderingen

1.  De voorzitter roept de raad van bestuur in vergadering bijeen. De agenda wordt opgesteld door de voorzitter, rekening houdend met de voorstellen van de leden van de raad van bestuur en de uitvoerend directeur van het Bureau.

2.  De uitvoerend directeur en de door de raad van advies aangewezen vertegenwoordiger nemen zonder stemrecht deel aan de beraadslagingen.

3.  De raad van bestuur houdt ten minste eenmaal per jaar een gewone vergadering. Daarnaast komt de raad van bestuur op initiatief van de voorzitter of op verzoek van de Commissie of van een derde van de in de raad van bestuur vertegenwoordigde lidstaten bijeen.

4.  De raad van bestuur kan, wanneer er sprake is van geheimhouding of van een belangenconflict, besluiten specifieke agendapunten te bespreken buiten aanwezigheid van de door de raad van advies aangewezen vertegenwoordiger. Nadere voorschriften voor de toepassing van deze bepaling kunnen worden vastgelegd in het reglement van orde.

5.  De raad van bestuur kan eenieder wiens advies dienstig kan zijn, uitnodigen om als waarnemer de vergaderingen bij te wonen.

6.  De leden van de raad van bestuur kunnen zich op de door het reglement van orde van de raad bepaalde wijze laten bijstaan door adviseurs of deskundigen.

7.  Het secretariaat voor de raad van bestuur wordt geleverd door het Bureau.

Artikel 36

Stemprocedure

1.  De raad van bestuur neemt besluiten met absolute meerderheid van de stemmen.

2.  Elk door een lidstaat aangewezen lid heeft één stem. Bij afwezigheid van een lid heeft zijn of haar plaatsvervanger het recht zijn of haar stemrecht uit te oefenen.

3.  In het reglement van orde worden de nadere bijzonderheden van de stemprocedure bepaald en in het bijzonder onder welke voorwaarden een lid namens een ander lid kan handelen, alsmede de quorumvoorschriften, indien van toepassing.

Artikel 37

Verklaring omtrent belangen

De leden van de raad van bestuur leggen een verklaring omtrent hun belangen af, waarin zij hetzij verklaren dat zij geen belangen hebben die afbreuk zouden kunnen doen aan hun onafhankelijkheid, hetzij al hun directe en indirecte belangen vermelden die geacht zouden kunnen worden afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid. Deze verklaringen worden jaarlijks schriftelijk afgelegd, of telkens wanneer er zich met betrekking tot punten op de agenda een belangenconflict zou kunnen voordoen. In het laatste geval mag het betrokken lid voor deze punten geen stem uitbrengen.

Artikel 38

Taken en bevoegdheden van de uitvoerend directeur

1.  Het Bureau wordt beheerd door zijn uitvoerend directeur. Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de Commissie en de raad van bestuur mag de uitvoerend directeur van geen enkele overheid, noch van enige andere instantie instructies verlangen of aanvaarden.

2.  De uitvoerend directeur geeft bij de uitoefening van zijn of haar taken uitvoering aan de beginselen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

3.  De uitvoerend directeur heeft de volgende taken en bevoegdheden:

a)  hij of zij stelt het ontwerp van werkprogramma op en legt het na raadpleging van de Commissie en de lidstaten voor aan de raad van bestuur. Hij of zij neemt passende maatregelen voor de uitvoering van het werkprogramma binnen de bij deze verordening, de uitvoeringsbepalingen en enige geldende wetgeving gestelde grenzen;

b)  hij of zij neemt alle nodige maatregelen, waaronder de vaststelling van interne administratieve instructies en de bekendmaking van mededelingen, om de organisatie en het functioneren van het Bureau overeenkomstig deze verordening te waarborgen;

c)  hij of zij neemt alle nodige maatregelen, waaronder de vaststelling van besluiten ten aanzien van de verantwoordelijkheden van het Bureau op grond van de hoofdstukken II en III, alsmede het huren en exploiteren van controle- en inspectiemiddelen en het beheren van een informatienetwerk;

d)  hij of zij reageert op verzoeken van de Commissie en op verzoeken om bijstand van een lidstaat krachtens de artikelen 6, 7 en 16;

e)  hij of zij organiseert een efficiënt toetsingssysteem teneinde de resultaten van het Bureau te kunnen vergelijken met de operationele doelstellingen. Op basis hiervan stelt de uitvoerend directeur elk jaar een ontwerp van een algemeen verslag op dat hij of zij aan de raad van bestuur voorlegt. Hij of zij voert een methode van geregelde evaluatie in die aan erkende vaknormen voldoet;

f)  hij of zij oefent met betrekking tot het personeel de in artikel 28, lid 2, bedoelde bevoegdheden uit;

g)  hij of zij stelt overeenkomstig artikel 44 ramingen van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau op en voert de begroting overeenkomstig artikel 45 uit.

4.  De uitvoerend directeur legt over zijn of haar activiteiten verantwoording af aan de raad van bestuur.

Artikel 39

Ontslag en benoeming van de uitvoerend directeur

1.  De uitvoerend directeur wordt op grond van zijn of haar verdienste en gedocumenteerde relevante ervaring op het gebied van het gemeenschappelijk visserijbeleid en van visserijcontrole en visserij-inspectie door de raad van bestuur benoemd uit een lijst van ten minste twee kandidaten die door de Commissie zijn voorgedragen na een selectieprocedure, nadat voor die post in het Publicatieblad van de Europese Unie en op andere plaatsen een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling is verschenen.

2.  De raad van bestuur heeft de bevoegdheid om de uitvoerend directeur te ontslaan. De raad van bestuur beraadt zich op een dergelijk ontslag op verzoek van de Commissie of van een derde van zijn leden.

3.  De raad van bestuur neemt de in de leden 1 en 2 bedoelde besluiten met een meerderheid van twee derde van de leden.

4.  De ambtstermijn van de uitvoerend directeur bedraagt vijf jaar. Deze ambtstermijn kan op voorstel van de Commissie eenmaal met vijf jaar worden verlengd; een dergelijke verlenging wordt goedgekeurd bij besluit van twee derde van de leden van de raad van bestuur.

Artikel 40

Raad van advies

1.  De raad van advies bestaat uit vertegenwoordigers van de krachtens artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 opgerichte adviesraden; elke adviesraad wijst één vertegenwoordiger aan. De vertegenwoordigers kunnen zich laten vervangen door gelijktijdig benoemde plaatsvervangers.

2.  De leden van de raad van advies zijn geen lid van de raad van bestuur.

De raad van advies wijst een van zijn leden aan om zonder stemrecht aan de beraadslagingen van de raad van bestuur deel te nemen.

3.  De raad van advies staat de uitvoerend directeur op diens verzoek bij in de uitoefening van zijn of haar taken overeenkomstig deze verordening.

4.  De raad van advies wordt voorgezeten door de uitvoerend directeur. De voorzitter roept de raad van advies ten minste eenmaal per jaar bijeen.

5.  De logistieke steun die de raad van advies nodig heeft en het secretariaat voor zijn vergaderingen worden geleverd door het Bureau.

6.  De leden van de raad van bestuur kunnen de vergaderingen van de raad van advies bijwonen.

Artikel 41

Transparantie en communicatie

1.  Verordening (EG) nr. 1049/2001 is van toepassing op de documenten die bij het Bureau berusten.

2.  De raad van bestuur stelt binnen zes maanden na de datum van zijn eerste vergadering de praktische regelingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1049/2001 vast.

3.  Het Bureau kan op eigen initiatief communiceren op de gebieden die tot zijn taken behoren. Het draagt er met name zorg voor dat het publiek en belanghebbenden snel objectieve, betrouwbare en begrijpelijke informatie omtrent zijn werkzaamheden ontvangen.

4.  De raad van bestuur stelt de nodige interne regels voor de toepassing van lid 3 vast.

5.  Tegen de beslissingen van het Bureau uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan een klacht worden ingediend bij de Europese Ombudsman of een beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie, op grond van de artikelen 228 en 263 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) .

6.  Verordening (EU) 2018/1725 is van toepassing op de informatie die de Commissie en het Bureau overeenkomstig de onderhavige verordening verzamelen.

Artikel 42

Geheimhouding

1.  De leden van de raad van bestuur, de uitvoerend directeur en de personeelsleden van het Bureau zijn ook na beëindiging van hun werkzaamheden onderworpen aan de geheimhoudingsplicht van artikel 339 VWEU.

2.  De raad van bestuur stelt interne regels vast voor de praktische uitvoering van de in lid 1 bedoelde geheimhoudingsplicht.

Artikel 43

Toegang tot informatie

1.  De Commissie heeft onbelemmerde toegang tot alle door het Bureau verzamelde gegevens. Het Bureau verstrekt op verzoek alle gegevens en beoordelingen van die gegevens aan de Commissie, in de door haar gespecificeerde vorm.

2.  De lidstaten die betrokken zijn bij een bepaalde operatie van het Bureau hebben toegang tot alle door het Bureau verzamelde gegevens met betrekking tot die operatie, op voorwaarden die bepaald kunnen worden volgens de in artikel 47, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde procedure.

HOOFDSTUK VI

FINANCIËLE BEPALINGEN

Artikel 44

Begroting

1.  De ontvangsten van het Bureau bestaan uit:

a)  een in de algemene begroting van de Europese Unie (afdeling Commissie) opgenomen bijdrage van de Unie ;

b)  voor overeenkomstig artikel 6 door het Bureau aan de lidstaten geleverde diensten in rekening gebrachte kosten;

c)  voor publicaties, opleiding en andere door het Bureau geleverde diensten in rekening gebrachte kosten.

2.  De uitgaven van het Bureau bestaan uit personeels-, administratieve, infrastructurele en operationele kosten.

3.  De uitvoerend directeur stelt een ontwerpraming op van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau voor het volgende begrotingsjaar en zendt deze samen met een ontwerppersoneelsformatie naar de raad van bestuur.

4.  De ontvangsten en uitgaven moeten in evenwicht zijn.

5.  De raad van bestuur stelt elk jaar op basis van de ontwerpraming van de ontvangsten en uitgaven een raming op van de ontvangsten en uitgaven van het Bureau voor het volgende begrotingsjaar.

6.  De in lid 5 bedoelde raming, waarin een ontwerppersoneelsformatie en een voorlopig werkprogramma zijn opgenomen, wordt uiterlijk op 31 maart door de raad van bestuur aan de Commissie toegezonden.

7.  De raming wordt samen met het voorontwerp van de algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (hierna „de begrotingsautoriteit” genoemd) toegezonden.

8.  Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.

9.  De begrotingsautoriteit keurt de kredieten voor de subsidie aan het Bureau goed. De begrotingsautoriteit stelt de personeelsformatie van het Bureau vast.

10.  De begroting wordt goedgekeurd door de raad van bestuur. De begroting wordt definitief na de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Europese Unie. De begroting wordt zo nodig dienovereenkomstig aangepast.

11.  De raad van bestuur stelt de begrotingsautoriteit zo spoedig mogelijk in kennis van de projecten die hij voornemens is te realiseren en die aanzienlijke financiële gevolgen voor de financiering van de begroting kunnen hebben, met name onroerendgoedprojecten zoals de huur of aankoop van gebouwen. De raad van bestuur brengt de Commissie daarvan op de hoogte.

12.  Wanneer een tak van de begrotingsautoriteit kennis heeft gegeven van zijn voornemen om een advies te verstrekken, doet hij dit advies aan de raad van bestuur toekomen binnen een termijn van zes weken te rekenen vanaf de kennisgeving van het project.

Artikel 45

Uitvoering en controle van de begroting

1.  De uitvoerend directeur voert de begroting van het Bureau uit.

2.  Uiterlijk op 1 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van het Bureau de voorlopige rekeningen met het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar in bij de rekenplichtige van de Commissie. De rekenplichtige van de Commissie consolideert de voorlopige rekeningen van de instellingen en de gedecentraliseerde organen overeenkomstig artikel 245 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad(18) („het Financieel Reglement”).

3.  Uiterlijk op 31 maart van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar dient de rekenplichtige van de Commissie de voorlopige rekeningen van het Bureau met het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar in bij de Rekenkamer. Het verslag over het budgettaire en financiële beheer van dat begrotingsjaar wordt ook toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

4.  Na ontvangst van de opmerkingen van de Rekenkamer over de voorlopige rekeningen van het Bureau overeenkomstig artikel 246 van het Financieel Reglement maakt de uitvoerend directeur onder zijn of haar eigen verantwoordelijkheid de definitieve rekeningen van het Bureau op en legt deze voor advies aan de raad van bestuur voor.

5.  De raad van bestuur brengt advies uit over de definitieve rekeningen van het Bureau.

6.  Uiterlijk op 1 juli van het jaar dat volgt op het afgesloten begrotingsjaar, dient de uitvoerend directeur de definitieve rekeningen met het advies van de raad van bestuur in bij het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

7.  De definitieve rekeningen worden gepubliceerd.

8.  Het Bureau stelt een interne auditfunctie in die wordt ingevuld overeenkomstig de toepasselijke internationale normen.

9.  De uitvoerend directeur zendt de Rekenkamer uiterlijk op 30 september een reactie op haar opmerkingen. Hij of zij dient dat antwoord ook in bij de raad van bestuur.

10.  De uitvoerend directeur verstrekt het Europees Parlement op verzoek, overeenkomstig artikel 261, lid 3, van het Financieel Reglement, alle inlichtingen die nodig zijn voor het goede verloop van de kwijtingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar.

11.  Het Europees Parlement verleent op aanbeveling van de Raad vóór 30 april van het tweede daaropvolgende jaar aan de uitvoerend directeur van het Bureau kwijting inzake de uitvoering van de begroting van het betrokken jaar.

Artikel 46

Fraudebestrijding

1.  Ter bestrijding van fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten zijn de bepalingen van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 onverkort op het Bureau van toepassing.

2.  Het Bureau treedt toe tot het Interinstitutioneel Akkoord van 25 mei 1999 betreffende de interne onderzoeken verricht door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en stelt onverwijld de passende voorschriften vast die op alle personeelsleden van het Bureau van toepassing zijn.

3.  De financieringsbesluiten en alle daarmee verband houdende uitvoeringsovereenkomsten en ‑instrumenten bepalen uitdrukkelijk dat de Rekenkamer en OLAF indien nodig bij de begunstigden van middelen van het Bureau en bij de tussenpersonen die deze middelen verdelen, tot controle ter plaatse kunnen overgaan.

Artikel 47

Financiën

De raad van bestuur stelt na verkrijging van de goedkeuring van de Commissie en het advies van de Rekenkamer het financieel reglement van het Bureau vast. Dat financieel reglement mag slechts van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie(19) afwijken indien de specifieke vereisten van de taakverrichting van het Bureau dit noodzakelijk maken, en met voorafgaande instemming van de Commissie.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 48

Evaluatie

1.  Binnen vijf jaar nadat het Bureau een begin heeft gemaakt met de uitvoering van zijn taken en vervolgens om de vijf jaar geeft de raad van bestuur de opdracht tot een onafhankelijke externe evaluatie van de uitvoering van deze verordening. De Commissie verstrekt het Bureau alle gegevens welke het voor deze evaluatie relevant acht.

2.  Bij elke evaluatie wordt een beoordeling gegeven van de effecten van deze verordening alsmede van het nut, de relevantie en de doeltreffendheid van het Bureau en zijn werkmethoden en de mate waarin het bijdraagt tot de strikte naleving van de voorschriften uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid. De raad van bestuur stelt in overleg met de Commissie een specifieke opdracht vast, na raadpleging van de betrokken partijen.

3.  De raad van bestuur ontvangt de evaluatie en legt de Commissie aanbevelingen voor met het oog op wijzigingen in deze verordening, het Bureau en de werkmethoden. De resultaten van de evaluatie en de aanbevelingen worden door de Commissie toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad en worden bekendgemaakt.

Artikel 49

Intrekking

Verordening (EG) nr. 768/2005 wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar de onderhavige verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage II.

Artikel 50

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Ingetrokken verordening met overzicht van de achtereenvolgende wijzigingen ervan

Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad

(PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1)

 

Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad

(PB L 343 van 22.11.2009, blz. 1)

Uitsluitend artikel 120

Verordening (EU) 2016/1626 van het Europees Parlement

en de Raad

(PB L 251 van 16.9.2016, blz. 80)

 

_____________

BIJLAGE II

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 768/2005

De onderhavige verordening

Artikelen 1 tot en met 7

Artikelen 1 tot en met 7

Artikel 7 bis

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 17 bis

Artikel 19

Artikel 17 ter

Artikel 20

Artikel 17 quater

Artikel 21

Artikel 17 quinquies

Artikel 22

Artikel 17 sexies

Artikel 23

Artikel 17 septies

Artikel 24

Artikel 17 octies

Artikel 25

Artikel 17 nonies

Artikel 26

Artikel 18

Artikel 27

Artikel 19

Artikel 28

Artikel 20

Artikel 29

Artikel 21

Artikel 30

Artikel 22

Artikel 31

Artikel 23

Artikel 32

Artikel 24

Artikel 33

Artikel 25

Artikel 34

Artikel 26

Artikel 35

Artikel 27

Artikel 36

Artikel 28

Artikel 37

Artikel 29

Artikel 38

Artikel 30

Artikel 39

Artikel 31

Artikel 40

Artikel 32

Artikel 41

Artikel 33

Artikel 42

Artikel 34

Artikel 43

Artikel 35

Artikel 44

Artikel 36

Artikel 45

Artikel 37

Artikel 46

Artikel 38

Artikel 47

Artikel 39

Artikel 48

Artikel 40

-

Artikel 41

-

-

Artikel 49

Artikel 42

Artikel 50

-

Bijlage I

-

Bijlage II

_____________

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(2) PB C 102 van 4.4.1996, blz. 2.
(3)Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 13 februari 2019.
(5)Verordening (EG) nr. 768/2005 van de Raad van 26 april 2005 tot oprichting van een Europees Bureau voor visserijcontrole en houdende wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 tot invoering van een controleregeling voor het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 128 van 21.5.2005, blz. 1).
(6)Zie bijlage I.
(7)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(8)Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).
(9) Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(10)Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(11)PB L 136 van 31.5.1999, blz. 15.
(12)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(13)Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(14)Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht en tot wijziging van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 863/2007 van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 2007/2004 van de Raad en Besluit 2005/267/EG van de Raad (PB L 251 van 16.9.2016, blz. 1).
(15)Verordening (EG) nr. 1406/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 tot oprichting van een Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 1).
(16)PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.
(17)Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385).
(18)Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
(19)Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42).


Geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake de overbrenging van en de controle op accijnsgoederen ***I
PDF 101kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 13 februari 2019 om de zaak terug naar de bevoegde commissie te verwijzen voor interinstitutionele onderhandelingen op basis van het ongewijzigde voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake de overbrenging van en de controle op accijnsgoederen (herschikking) (COM(2018)0341 – C8-0215/2018 – 2018/0187(COD))(1)
P8_TA-PROV(2019)0085A8-0010/2019

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

(1) Besluit aangenomen op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van zijn Reglement (A8-0010/2019).


Het recht dat van toepassing is op de derdenwerking van de cessie van vorderingen ***I
PDF 207kWORD 53k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het recht dat van toepassing is op de derdenwerking van de cessie van vorderingen (COM(2018)0096 – C8-0109/2018 – 2018/0044(COD))
P8_TA(2019)0086A8-0261/2018

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Uitwisselingen, bijstand en opleiding, voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij voor de periode 2021-2027 (programma “Pericles IV”) ***I
PDF 211kWORD 58k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een programma inzake uitwisselingen, bijstand en opleiding voor de bescherming van de euro tegen valsemunterij voor de periode 2021-2027 (het Pericles IV-programma) (COM(2018)0369 – C8-0240/2018 – 2018/0194(COD))
P8_TA(2019)0087A8-0069/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore ***
PDF 122kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore (07971/2018 – C8-0446/2018 – 2018/0093(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0088A8-0053/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07971/2018),

–  gezien de ontwerpvrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore (07972/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0446/2018),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 2017(1),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 13 februari 2019(2) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0053/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Singapore.

(1) Advies van het Hof van Justitie van 16 mei 2017, 2/15, ECLI:EU:C:2017:376.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0089.


Vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore (resolutie)
PDF 142kWORD 56k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore (07971/2018 – C8-0446/2018 – 2018/0093M(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0089A8-0048/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07971/2018),

–  gezien de voorgestelde tekst voor een vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore (Singapore), die grotendeels de op 20 september 2013 geparafeerde overeenkomst weerspiegelt,

–  gezien het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (COM(2018)0194),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0446/2018),

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Singapore, die op 19 oktober 2018 zal worden ondertekend,

–  gezien advies 2/15 van het Hof van Justitie van 16 mei 2017, uit hoofde van artikel 218, lid 11, VWEU, waarom de Europese Commissie op 10 juli 2015 had verzocht,

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(1),

–  gezien zijn resolutie van 3 februari 2016 houdende aanbevelingen van het Europees Parlement aan de Commissie voor de onderhandelingen over de Overeenkomst betreffende de handel in diensten (TiSA)(2),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoordelijk handels- en investeringsbeleid",

–  gezien het besluit van de Raad van 22 december 2009 om bilaterale onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten te voeren met afzonderlijke lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN), te beginnen met Singapore,

–  gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van 23 april 2007 voor een interregionale vrijhandelsovereenkomst met de landen van de ASEAN,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name Titel V daarvan over het extern optreden van de Unie,

–  gezien het VWEU en met name de artikelen 91, 100, 168 en 207, juncto artikel 218, lid 6, onder a), punt v),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 13 febrauri 2019(3) over het ontwerp van besluit van de Raad,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0048/2019),

A.  overwegende dat de EU en Singapore belangrijke waarden delen, waaronder democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten, culturele en taalkundige verscheidenheid en een sterke betrokkenheid bij een open en op regels gebaseerde handel en het multilaterale handelsstelsel;

B.  overwegende dat deze overeenkomst de eerste bilaterale handelsovereenkomst is die wordt gesloten tussen de EU en een lidstaat van de ASEAN en een belangrijke opstap vormt naar de uiteindelijke doelstelling van een interregionale vrijhandelsovereenkomst; overwegende dat de overeenkomst ook als benchmark zal dienen voor de overeenkomsten waarover de EU op dit moment onderhandelt met de andere grote economieën van de ASEAN;

C.  overwegende dat Singapore binnen de ASEAN-regio veruit de belangrijkste handelspartner van de EU is en goed is voor iets minder dan een derde van de handel in goederen en diensten tussen de EU en de ASEAN, en ongeveer twee derde van de investeringen tussen de twee regio's;

D.  overwegende dat de waarde van de handel tussen de EU en Singapore jaarlijks meer dan 50 miljard EUR bedraagt;

E.  overwegende dat wordt voorspeld dat 90 % van de toekomstige economische groei buiten Europa en met name in Azië zal worden gegenereerd;

F.  overwegende dat Singapore partij is bij het alomvattende en vooruitstrevende trans-Pacifische partnerschap (Comprehensive and Progressive Trans-Pacific Partnership, CPTPP), en bij de lopende onderhandelingen over het regionaal alomvattend economisch partnerschap (Regional Comprehensive Economic Partnership, RCEP);

G.  overwegende dat Singapore sinds 2017 een hoge-inkomenseconomie is, met een bruto nationaal inkomen van 52 600 USD per hoofd van de bevolking; overwegende dat zijn economische groei tot de hoogste van de wereld behoort, met een jaarlijks gemiddelde van 7,7 % sinds de onafhankelijkheid;

H.  overwegende dat Singapore een van de makkelijkste landen ter wereld is om zaken mee te doen, een van 's werelds meest concurrerende economieën is en een van de minst corrupte landen ter wereld is;

I.  overwegende dat de industrie, in het bijzonder de elektronica en precisiemechanica, samen met de dienstensector de twee pijlers van Singapore's economie met een hoge toegevoegde waarde blijven;

J.  overwegende dat Singapore een mondiale speler is in financiële en verzekeringsdiensten;

K.  overwegende dat meer dan 10 000 Europese bedrijven hun regionale kantoren in Singapore hebben en in een klimaat van rechtszekerheid en zekerheid functioneren; overwegende dat ongeveer 50 000 Europese bedrijven naar Singapore exporteren, waarvan 83 % kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) zijn;

L.  overwegende dat de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Singapore waarschijnlijk een zeer positief effect zal hebben op de handels- en investeringsstromen tussen de EU en Singapore; overwegende dat in een studie van 2018, opgesteld voor het Europees Parlement, wordt geschat dat gedurende de eerste vijf jaar het handelsvolume tussen de EU en Singapore met 10 % zal toenemen;

M.  overwegende dat andere grote economieën, zoals Japan, de VS en China, al over vrijhandelsovereenkomsten met Singapore beschikken, waardoor de Europese Unie een concurrentienadeel ondervindt;

N.  overwegende dat uit de handelsgerelateerde duurzaamheidseffectbeoordeling van de vrijhandelsovereenkomst EU-ASEAN van 2009 is gebleken dat deze bilaterale vrijhandelsovereenkomst voor beide partijen voordelig zal zijn wat betreft het nationaal inkomen, het bbp en de werkgelegenheid; overwegende dat voor de handelsbetrekkingen tussen de EU en Singapore en voor de recente periode geen specifieke handels- en duurzaamheidseffectbeoordeling is uitgevoerd;

O.  overwegende dat uit de analyse van de economische gevolgen van de vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Singapore, die de Europese Commissie in 2013 heeft uitgevoerd, bleek dat het bbp van Singapore met 0,94 % (of 2,7 miljard EUR) en het bbp van de EU met 550 miljoen EUR zou kunnen groeien;

1.  is verheugd over de ondertekening van de vrijhandelsovereenkomst op 19 oktober 2018 in Brussel;

2.  onderstreept dat de onderhandelingen oorspronkelijk in 2012 waren afgerond en waren gebaseerd op de in april 2007 aangenomen onderhandelingsrichtsnoeren van de Raad voor een vrijhandelsovereenkomst EU-ASEAN; betreurt de lange vertraging waarmee de overeenkomst ter ratificatie werd voorgelegd en die onder andere te wijten was aan het verzoek van de Commissie om een advies van het Europese Hof van Justitie teneinde duidelijkheid te verschaffen over de vraag of onder de overeenkomst vallende aangelegenheden tot de exclusieve bevoegdheid van de EU behoren of dat zij onder een gedeelde bevoegdheid vallen; is verheugd over de juridische duidelijkheid die het advies van het Europees Hof van Justitie heeft opgeleverd en is van mening dat dit de democratische en legitieme rol van het Europees Parlement heeft versterkt en duidelijkheid over de bevoegdheden van de EU op het gebied van het handelsbeleid heeft verschaft; is ingenomen met de ononderbroken inzet van Singapore ondanks deze vertraging, en dringt aan op een snelle inwerkingtreding van de overeenkomst, zodra die door het Parlement is geratificeerd;

3.  acht het van essentieel belang dat de EU een voortrekkersrol blijft vervullen bij een open en op regels gebaseerd handelsstelsel en is ingenomen met het feit dat 10 jaar na de start van de onderhandelingen de vrijhandelsovereenkomst EU-Singapore nu een belangrijk onderdeel daarvan is; doet derhalve een beroep op de Commissie en de lidstaten om actief contact met andere partners in de wereld te zoeken bij het voortdurend streven naar een ambitieuze mondiale, billijke en open handelsagenda waarbij lering wordt getrokken uit en wordt voortgebouwd op de vrijhandelsovereenkomst met Singapore;

4.  benadrukt het economische en strategische belang van deze overeenkomst, aangezien Singapore een knooppunt is voor de hele ASEAN-regio; is van mening dat deze overeenkomst een belangrijke stap is naar en de precedent zal scheppen voor handels- en investeringsovereenkomsten met andere ASEAN-lidstaten en dat zij een opstap is voor een toekomstige interregionale handelsovereenkomst; benadrukt tevens dat deze overeenkomst zal voorkomen dat de exporteurs van de EU concurrentienadeel ondervinden ten opzichte van de andere CPTPP- en RCEP-landen; is verheugd over het feit dat de sluiting van deze overeenkomst, als onderdeel van een wereldwijde billijke en open handelsagenda van de EU, niet alleen consumenten grote voordelen zal opleveren, maar ook de werknemers;

5.  wijst erop dat Singapore de meeste van zijn tarieven op EU-producten al had afgeschaft en dat door deze overeenkomst de weinige resterende tarieven volledig zullen worden geschrapt zodra de overeenkomst in werking treedt;

6.  is verheugd over het feit dat Singapore bepaalde maatregelen zal schrappen die handelsbelemmeringen kunnen vormen, zoals dubbele veiligheidstests voor auto's en auto-onderdelen en elektronica, hetgeen de export van goederen door EU-bedrijven naar Singapore zal vereenvoudigen;

7.  onderstreept dat EU-bedrijven dankzij de overeenkomst een betere toegang hebben tot de dienstenmarkt van Singapore, bijvoorbeeld op het gebied van financiële, telecommunicatie- en postdiensten, engineering en architectonische diensten en zeevervoer, en dat deze liberalisering een aanpak met een "positieve lijst" volgt;

8.  herinnert eraan dat met betrekking tot de liberalisering van financiële diensten de overeenkomst een prudentiële uitzonderingsbepaling bevat, die partijen toestaat maatregelen om prudentiële redenen te nemen of te handhaven en met name om spaarders en beleggers te beschermen en om de integriteit en stabiliteit van de financiële systemen van partijen te waarborgen;

9.  is verheugd over het feit dat Singapore op 21 juni 2017 de Multilaterale overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten (Multilateral Competent Authority Agreement, MCAA) voor het toepassen van de mondiale standaard voor de automatische uitwisseling van gegevens voor belastingdoeleinden heeft ondertekend, en op 30 juni 2017 de OESO op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om de automatische uitwisseling in het kader van die overeenkomst op te starten met alle lidstaten van de EU waarmee geen bilaterale overeenkomst met ditzelfde doel bestond; stelt vast dat Singapore noch op de "zwarte lijst" noch op de "watchlist" van niet-coöperatieve rechtsgebieden van de Groep gedragscode van de EU staat, hoewel het land kritiek van sommige ngo's te verduren kreeg vanwege het toekennen van belastingfaciliteiten aan ondernemingen;

10.  benadrukt dat de toegang tot de markt voor overheidsopdrachten van Singapore in het kader van deze overeenkomst is verbeterd in vergelijking met de Overeenkomst inzake overheidsopdrachten; onderstreept dat bij de gunning van openbare aanbestedingen eveneens rekening moet worden gehouden met sociale en milieucriteria; benadrukt dat bij openbare aanbestedingen zowel in de EU als in Singapore het belang van de burger voorop moet blijven staan;

11.  is ingenomen met het feit dat Singapore ermee heeft ingestemd een registratiesysteem voor geografische aanduidingen op te zetten waarmee rond 190 geografische aanduidingen van de EU zullen worden beschermd, met de mogelijkheid om in een later stadium aanduidingen toe te voegen; herinnert eraan dat de EU in 2016 voor 2,2 miljard EUR aan agrovoedingsproducten naar Singapore heeft geëxporteerd en merkt op dat Singapore de op vier na grootste markt in Azië is voor de EU-uitvoer van voedsel en drank, hetgeen grote kansen biedt voor EU-landbouwers en producenten van agrovoeding; is derhalve ingenomen met de toezegging van Singapore om in deze overeenkomst nulrechten op agrovoeding te handhaven en een systeem in te voeren voor de certificering van EU-vleesproducerende bedrijven die naar Singapore willen exporteren; betreurt echter het feit dat de overeenkomst geen automatische bescherming biedt voor de 196 geografische aanduidingen van de EU, die in de bijlage bij het hoofdstuk over intellectuele-eigendomsrechten zijn opgenomen, aangezien alle geografische aanduidingen van de EU, ongeacht hun oorsprong, moeten worden onderzocht en de publicatieprocedure (en eventueel de oppositieprocedure) moeten doorlopen, volgens de registratieprocedure in Singapore, om te worden beschermd; onderstreept dat de uitvoeringswetgeving inzake geografische aanduidingen waarmee het Singaporese register voor geografische aanduidingen en de Singaporese registratieprocedure voor geografische aanduidingen worden ingevoerd, in werking treedt zodra de overeenkomst door het Parlement is geratificeerd; verzoekt de Singaporese autoriteiten onmiddellijk werk te maken van de registratieprocedure en onverwijld het register op te zetten en in werking te stellen na ratificatie van de overeenkomst door het Parlement; moedigt de Commissie ertoe aan intensief met de Singaporese autoriteiten te blijven samenwerken om ervoor te zorgen dat het hoogste aantal geografische aanduidingen van de EU wordt beschermd overeenkomstig de in de vrijhandelsovereenkomst vastgelegde bescherming, zonder enige uitzondering of beperking (met inbegrip van bijlagen of voetnoten);

12.  benadrukt dat de overeenkomst het recht erkent van de lidstaten om op alle niveaus openbare diensten te bepalen en te verlenen, en dat de overeenkomst regeringen niet belet om geprivatiseerde diensten opnieuw tot openbare diensten te maken;

13.  onderstreept dat de overeenkomst het recht van de EU vrijwaart om haar eigen normen te handhaven en toe te passen op alle in de EU verkochte goederen en diensten en dat derhalve alle invoer uit Singapore aan de EU-normen moet voldoen; onderstreept dat de EU-normen nooit als handelsbelemmeringen mogen worden beschouwd, en onderstreept het belang van het bevorderen van deze normen op wereldniveau; wijst erop dat niets in de overeenkomst de toepassing van het voorzorgsbeginsel, zoals vervat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, belet;

14.  benadrukt het belang van een op waarden gebaseerd en verantwoord handelsbeleid en de noodzaak om de duurzame ontwikkeling te bevorderen; is derhalve verheugd over het feit dat beide partijen in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling hebben toegezegd hoge niveaus van milieu- en arbeidsbescherming te zullen waarborgen, en dat deze overeenkomst bijgevolg kan worden beschouwd als een progressieve handelsovereenkomst; merkt op dat de overeenkomst ook een hoofdstuk over niet-tarifaire belemmeringen bij de opwekking van duurzame energie bevat; wijst erop dat de overeenkomst tussen de EU en Singapore een instrument zou kunnen zijn om de klimaatverandering te bestrijden en de maatregelen en investeringen die voor een duurzame, koolstofarme toekomst nodig zijn te versnellen; verzoekt de EU en Singapore alle nodige acties te ondernemen om de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling ten uitvoer te leggen;

15.  herinnert eraan dat de partijen hebben toegezegd aanhoudende inspanningen te zullen verrichten om de fundamentele IAO-verdragen te ratificeren en daadwerkelijk ten uitvoer te leggen; neemt nota van de tot dusver door de regering van Singapore verstrekte informatie met betrekking tot de naleving door Singapore van de drie resterende fundamentele IAO-verdragen, namelijk die betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht, betreffende discriminatie en betreffende gedwongen arbeid, en roept Singapore op verder met de IAO samen te werken teneinde vorderingen te maken op weg naar de volledige overeenstemming met de inhoud van de verdragen, en ze uiteindelijk binnen een redelijke termijn te ratificeren;

16.  is verheugd over de toezegging om de multilaterale milieuovereenkomsten zoals de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, en over het streven naar het duurzaam beheer van bossen en visserij;

17.  benadrukt dat de samenwerking op regelgevingsgebied vrijwillig is en op geen enkele manier het recht om te reguleren mag beperken;

18.  spoort de partijen ertoe aan om volledig gebruik te maken van de regels inzake dierenwelzijn en om zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van de vrijhandelsovereenkomst een gezamenlijke werkgroep op te richten om overeenstemming te bereiken over een actieplan voor relevante sectoren zoals het welzijn van vissen in de aquacultuur;

19.  benadrukt dat de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners bij het toezicht op de uitvoering van de overeenkomst van cruciaal belang is, en pleit ervoor snel na de inwerkingtreding van de overeenkomst interne adviesgroepen op te richten en bepleit een evenwichtige vertegenwoordiging van het maatschappelijk middenveld in deze adviesgroepen; roept de Commissie ertoe op voldoende financiële middelen toe te wijzen om hen in staat te stellen doeltreffend te werken, alsmede ondersteuning te bieden om een constructieve deelname van het maatschappelijk middenveld te garanderen;

20.  merkt opdat de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Singapore de mogelijkheid voor de EU omvat om de vrijhandelsovereenkomst op te schorten indien Singapore de fundamentele mensenrechten schendt;

21.  verzoekt de Commissie goed gebruik te maken van de algemene evaluatieclausule van de overeenkomst zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen teneinde de afdwingbaarheid van de arbeids- en milieuregels te verbeteren mede, onder de verschillende handhavingsmethodes, het overwegen van een op sancties gebaseerd mechanisme als laatste redmiddel;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Republiek Singapore.

(1) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.
(2) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 21.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0088.


Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore ***
PDF 123kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (07979/2018 – C8-0447/2018 – 2018/0095(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0090A8-0054/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07979/2018),

–  gezien de voorgestelde investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (07980/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8‑0447/2018),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 mei 2017(1),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 13 februari 2019(2) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel (A8-0054/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Singapore.

(1) Advies van het Hof van Justitie van 16 mei 2017, 2/15, ECLI:EU:C: 2017:376.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0091.


Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore (resolutie)
PDF 142kWORD 55k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (07979/2018 – C8-0447/2018 – 2018/0095M(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0091A8-0049/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (07979/2018),

–  gezien het ontwerp van investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (07980/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), punt v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (C8-0447/2018),

–  gezien de onderhandelingsrichtsnoeren van 23 april 2007 voor een vrijhandelsovereenkomst met de lidstaten van de Associatie van Zuidoost-Aziatische staten (ASEAN),

–  gezien het besluit van de Raad van 22 december 2009 om bilaterale onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten te voeren met afzonderlijke lidstaten van de ASEAN, te beginnen met Singapore,

–  gezien zijn resolutie van 6 april 2011 over het toekomstig Europees internationaal investeringsbeleid(1),

–  gezien de wijzigingen van 12 september 2011 van de oorspronkelijke onderhandelingsrichtsnoeren om de Commissie te machtigen over investeringen te onderhandelen,

–  gezien Verordening (EU) nr. 1219/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 tot vaststelling van overgangsregelingen voor bilaterale investeringsbeschermingsovereenkomsten tussen lidstaten en derde landen(2),

–  gezien zijn resolutie van 5 juli 2016 over een nieuw op te stellen toekomstgerichte en innovatieve strategie voor handel en investeringen(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2015 getiteld "Handel voor iedereen – Naar een meer verantwoord handels- en investeringsbeleid" (COM(2015)0497),

–  gezien het advies van het Hof van Justitie van 16 mei 2017 in procedure 2/15(4), waarom de Europese Commissie op 10 juli 2015 had verzocht, overeenkomstig artikel 218, lid 11, VWEU,

–  gezien zijn resolutie van 4 oktober 2018 over de bijdrage van de EU aan een bindend VN-instrument inzake transnationale bedrijven en andere ondernemingen met transnationale kenmerken met betrekking tot de mensenrechten(5),

–  gezien de voorschriften betreffende transparantie van op een verdrag gebaseerde arbitrage tussen investeerders en staten van de Commissie van de Verenigde Naties voor internationaal handelsrecht (Uncitral),

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), en met name titel V over het extern optreden van de Unie,

–  gezien het VWEU, met name deel vijf, titels I, II en V, in het bijzonder artikel 207, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder a), punt v),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 13 februari 2019(6) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, lid 2 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel (A8-0049/2019),

A.  overwegende dat de EU en Singapore dezelfde fundamentele waarden delen, waaronder de democratie, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten, culturele en taalkundige verscheidenheid en een sterke betrokkenheid bij de op regels gebaseerde handel binnen het multilaterale handelssysteem;

B.  overwegende dat de EU de grootste ontvanger en bron van directe buitenlandse investeringen in de wereld is;

C.  overwegende dat Singapore de op zeven na belangrijkste bestemming van directe buitenlandse investeringen uit de EU is en de eerste in de ASEAN-regio;

D.  overwegende dat Singapore in Zuidoost-Azië veruit de belangrijkste handelspartner van de EU is en goed is voor iets minder dan een derde van de handel in goederen en diensten tussen de EU en ASEAN en voor ongeveer twee derde van alle investeringen tussen de twee regio's; overwegende dat meer dan 10 000 Europese bedrijven hun regionale kantoren in Singapore hebben en normaal in een context van rechtszekerheid en zekerheid functioneren;

E.  overwegende dat Singapore de nummer één locatie voor Europese investeringen in Azië is, met bilaterale investeringsvoorraden van 256 miljard EUR in 2016;

F.  overwegende dat momenteel meer dan 3 000 internationale investeringsverdragen van kracht zijn en dat de EU-lidstaten partij zijn bij zo'n 1 400 van deze verdragen;

G.  overwegende dat dit de eerste overeenkomst tussen de EU en een derde land is die alleen de investeringsbescherming betreft, in aansluiting op discussies tussen de instellingen over de nieuwe architectuur van de vrijhandelsovereenkomsten van de EU op basis van Advies 2/15 van het EHvJ van 16 mei 2017;

H.  overwegende dat Singapore, in het licht van de nieuwe benadering door de EU van investeringsbescherming en het bijbehorende handhavingsmechanisme, te weten het stelsel van investeringsgerechten (ICS), in 2017 ermee instemde de in 2014 overeengekomen bepalingen inzake investeringsbescherming te herzien waardoor een gesloten overeenkomst opnieuw werd geopend;

I.  overwegende dat de overeenkomst voortbouwt op de bepalingen inzake investeringsbescherming die zijn opgenomen in de Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen de EU en Canada (CETA), die op 15 februari 2017 door het Europees Parlement is geratificeerd;

J.  overwegende dat België op 6 september 2017 heeft gevraagd om een advies van het EHvJ over de verenigbaarheid van de bepalingen van de CETA inzake het ICS met de EU-verdragen;

K.  overwegende dat ontwikkelde economieën met behoorlijk functionerende rechtsstelsels de behoefte aan mechanismen voor de beslechting van geschillen tussen investeerders en staten verminderen, hoewel deze mechanismen voor een snellere oplossing van geschillen kunnen zorgen; overwegende niettemin dat de instelling van een onafhankelijk multilateraal investeringsgerecht het vertrouwen in het stelsel en de rechtszekerheid zou vergroten;

L.  overwegende dat de overeenkomst de bestaande bilaterale investeringsovereenkomsten tussen 13 lidstaten van de EU en Singapore vervangt, waarin de nieuwe benadering van de EU inzake investeringsbescherming en het bijbehorende handhavingsmechanisme (ICS) niet is opgenomen;

M.  overwegende dat de partijen zich hebben verbonden tot het instellen van een multilateraal investeringsgerecht, een initiatief dat door het Parlement nadrukkelijk wordt ondersteund;

N.  overwegende dat de Raad op 20 maart 2018 onderhandelingsrichtsnoeren heeft aangenomen die de Commissie machtigen namens de EU te onderhandelen over een verdrag tot oprichting van een multilateraal investeringsgerecht; overwegende dat deze onderhandelingsrichtsnoeren openbaar zijn gemaakt;

O.  overwegende dat de EU een soortelijke overeenkomst inzake investeringsbescherming met Vietnam heeft gesloten, die op 17 oktober 2018 door de Commissie is goedgekeurd;

1.  is verheugd over de nieuwe benadering door de EU van de investeringsbescherming en het bijbehorende handhavingsmechanisme (ICS) dat de zeer controversiële beslechting van geschillen tussen investeerders en staten (ISDS) heeft vervangen, waarbij enkele van de tekortkomingen in het proces werden aangepakt, evenals de afzonderlijke benaderingen van de EU-lidstaten in bestaande bilaterale investeringsverdragen;

2.  acht het van essentieel belang dat de overeenkomst zorgt voor een hoog niveau van investeringsbescherming, transparantie en verantwoordingsplicht waarbij tegelijkertijd voor beide partijen het recht wordt gewaarborgd om op alle regeringsniveaus te reguleren en legitieme doelstellingen van overheidsbeleid na te streven, zoals de bescherming van de volksgezondheid en het milieu; benadrukt dat als een partij regels oplegt op een manier die een investering negatief beïnvloedt of die de winstverwachting van een investeerder verstoort, dit als zodanig niet neerkomt op een schending van de normen voor investeringsbescherming en daarom geen compensatie vergt; benadrukt dat de overeenkomst op geen enkele manier de autonomie van de sociale partners en de vakbondsrechten mag beperken;

3.  onderstreept dat de overeenkomst waarborgt dat de investeerders uit de EU in Singapore niet worden gediscrimineerd ten voordele van investeerders uit Singapore en dat zij terdege worden beschermd tegen onwettige onteigening;

4.  herinnert aan het feit dat het ICS voorziet in de oprichting van een permanent investeringsgerecht van eerste aanleg en een gerecht van beroep waarvan de leden over kwalificaties moeten beschikken die vergelijkbaar zijn met die van het Internationaal Gerechtshof, met inbegrip van expertise in internationaal publiekrecht en niet alleen handelsrecht, en zich moeten houden aan strikte regels inzake onafhankelijkheid, integriteit en ethisch gedrag op basis van een bindende gedragscode die is bedoeld om belangenconflicten te voorkomen;

5.  is verheugd over het feit dat de transparantieregels op de procedures bij de gerechten van toepassing zijn, dat casusdocumenten openbaar worden gemaakt en dat hoorzittingen in het openbaar worden gehouden; meent dat meer transparantie ertoe zal bijdragen het vertrouwen van de burgers in het stelsel te versterken; is bovendien verheugd over de duidelijkheid ten aanzien van de gronden waarop een investeerder een vordering kan instellen, hetgeen voor extra transparantie en eerlijkheid in het proces zorgt;

6.  onderstreept dat derde partijen, zoals arbeids- en milieuorganisaties, geen juridische status voor de gerechten hebben en derhalve geen partij kunnen zijn om de verplichtingen van investeerders af te dwingen, maar dat zij kunnen bijdragen tot de procedures van het ICS via amicus curiae opmerkingen; onderstreept dat het investeringsgerecht nog altijd een afzonderlijk stelsel voor alleen buitenlandse investeerders vormt;

7.  onderstreept dat forumshopping onmogelijk moet zijn en dat meervoudige en parallelle procedures moeten worden vermeden;

8.  herinnert eraan dat de overeenkomst grotendeels voortbouwt op de bepalingen inzake investeringsbescherming in de CETA, aangezien zij bepalingen inzake de verplichtingen voor voormalige rechters, een gedragscode ter voorkoming van belangenconflicten en een volledig werkend gerecht van beroep omvat;

9.  is verheugd over de toezegging van Singapore met betrekking tot het oprichten van het multilateraal investeringsgerecht, een openbaar en onafhankelijk internationaal gerecht dat bevoegd zal zijn te oordelen over geschillen inzake investeringen tussen investeerders en staten die zijn jurisdictie over hun bilaterale investeringsovereenkomsten hebben erkend, en dat uiteindelijk tot doel moet hebben de huidige onevenwichtige, dure en gefragmenteerde regeling inzake investeringsbescherming te hervormen en te vervangen; beschouwt de overeenkomst als een cruciale stap op weg naar dit doel; moedigt de Commissie aan met derde landen in contact te treden teneinde het multilateraal investeringsgerecht zo snel mogelijk in te stellen;

10.  is ingenomen met het besluit van de Raad om de onderhandelingsrichtsnoeren van 20 maart 2018 inzake het multilateraal investeringsgerecht openbaar te maken en doet een beroep op de Raad om alle onderhandelingsrichtsnoeren inzake vorige en toekomstige handels- en investeringsovereenkomsten onmiddellijk nadat ze zijn aangenomen, openbaar te maken om de transparantie en openbare controle te vergroten;

11.  onderstreept dat de overeenkomst de bestaande bilaterale investeringsverdragen tussen 13 EU‑lidstaten en Singapore zal vervangen, waardoor er meer samenhang is in vergelijking met de bilaterale investeringsverdragen, die gebaseerd zijn op achterhaalde bepalingen inzake investeringsbescherming en die ISDS omvatten; onderstreept dat de overeenkomst ook nieuwe rechten zal creëren voor claims van investeerders in de resterende 15 lidstaten; onderstreept dat functionele nationale rechtbanken de eerste optie zijn om geschillen tussen investeerders op te lossen, maar is van oordeel dat de overeenkomst een belangrijke stap vormt bij de herziening van de mondiale regels inzake investeringsbescherming en de beslechting van investeringsgeschillen;

12.  betreurt het ontbreken van bepalingen inzake de verantwoordelijkheden van investeerders en benadrukt in dit verband het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen; verzoekt de Commissie wetgeving te overwegen die vergelijkbaar is met die inzake conflictmineralen en hout, zoals voor de kledingindustrie; benadrukt het belang van de OESO-richtsnoeren voor multinationale ondernemingen en de VN-richtsnoeren voor het bedrijfsleven en mensenrechten;

13.  betreurt het feit dat een algemene benadering van de naleving van de wetgeving inzake de mensenrechten door ondernemingen en de beschikbaarheid van herstelmechanismen ontbreken; neemt nota van het werk dat in de VN is opgestart door de Intergouvernementele werkgroep voor onbepaalde duur voor het uitwerken van een bindend VN-instrument voor transnationale en andere ondernemingen met betrekking tot de mensenrechten; moedigt de Commissie en de EU-lidstaten ertoe aan om dit initiatief op een constructieve manier te aan te gaan;

14.  moedigt de Commissie ertoe aan haar werkzaamheden voor te zetten om het ICS voor in het bijzonder de kmo's en kleinere bedrijven toegankelijker te maken;

15.  verzoekt de Commissie en Singapore strengere sancties overeen te komen voor de gevallen waarin een lid van de gerechten zich niet aan de gedragscode houdt, en ervoor te zorgen dat deze van kracht zijn zodra deze overeenkomst in werking treedt;

16.  is van oordeel dat de goedkeuring van deze overeenkomst de EU meer gewicht zal geven bij onderhandelingen over soortgelijke overeenkomsten met andere ASEAN-landen teneinde soortgelijke regels inzake investeringsbescherming in de gehele regio in te voeren;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Republiek Singapore.

(1) PB C 296 E van 2.10.2012,blz. 34.
(2) PB L 351 van 20.12.2012, blz. 40.
(3) PB C 101 van 16.3.2018, blz. 30.
(4) Advies van het Hof van Justitie van 16 mei 2017, 2/15, ECLI:EU:C:2017:376.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0382.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0090.


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore ***
PDF 121kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (15375/2018 – C8-0026/2019 – 2018/0403(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0092A8-0020/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15375/2018),

–  gezien het ontwerp voor een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (08224/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 212 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0026/2019),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 13 februari 2019(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0020/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Singapore.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0093.


Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en de Republiek Singapore (resolutie)
PDF 162kWORD 56k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Singapore, anderzijds (15375/2018 – C8-0026/2019 – 2018/0403M(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0093A8-0023/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15375/2018),

–  gezien het ontwerp voor een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Singapore, anderzijds (08224/2014),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend overeenkomstig artikel 212 en artikel 218, lid 6, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0026/2019),

–  gezien de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Singapore, die op 19 oktober 2018 is ondertekend in Brussel,

–  gezien de vrijhandelsovereenkomst en de investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de EU en Singapore, die op 19 oktober 2018 zijn ondertekend in Brussel,

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst tussen de EEG en de ASEAN, die in maart 1980 werd ondertekend en die het juridisch kader vormt voor de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN(1),

–  gezien de twaalfde topconferentie EU-Azië (ASEM), die op 18 en 19 oktober 2018 werd gehouden in Brussel,

–  gezien de tiende interparlementaire vergadering EU-Singapore, die op 23 mei 2017 werd gehouden in Brussel,

–  gezien de integrale strategie voor het buitenlands en veiligheidsbeleid van de Europese Unie, die in juni 2016 door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) werd gepresenteerd,

–  gezien de richtsnoeren inzake het buitenlands en veiligheidsbeleid van de EU in Oost‑Azië, die de Raad op 15 juni 2012 heeft goedgekeurd,

–  gezien de conclusies van de Raad van 28 mei 2018 over nauwere samenwerking op het gebied van veiligheid in en met Azië,

–  gezien de EU-strategie inzake het verbinden van Europa en Azië, die gebaseerd is op het principe van duurzame connectiviteit,

–  gezien zijn recente resoluties over de ASEAN, met name die van 3 oktober 2017 over de politieke betrekkingen tussen de EU en ASEAN(2) en van 15 januari 2014 over de toekomst van de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN(3),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 13 februari 2019(4) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0023/2019),

A.  overwegende dat de EU en Singapore reeds decennialang betrekkingen onderhouden, die gebaseerd zijn op een lange geschiedenis van vriendschap en nauwe historische, politieke en economische banden; overwegende dat het bilaterale partnerschap gebaseerd is op gedeelde waarden en een engagement voor een wereld van vrede en welvaart;

B.  overwegende dat beide partijen bij de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst (PSO) bevestigen dat zij de democratische beginselen, de rechtsstaat, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de rechten van de mens en andere toepasselijke internationale mensenrechteninstrumenten, zullen eerbiedigen;

C.  overwegende dat Singapore een van de oprichters is van de Associatie van Zuidoost-Aziatische Staten (ASEAN), die in 2017 haar 40-jarig bestaan vierde;

D.  overwegende dat Singapore tijdens het voorzitterschap van de ASEAN in 2018, onder het motto "Veerkracht en innovatie", twee topconferenties van de ASEAN heeft georganiseerd en de eenheid, veiligheid en economische samenwerking in de ASEAN heeft bevorderd, onder meer met initiatieven zoals het ASEAN Youth Fellowship;

E.  overwegende dat Singapore een nauwe bondgenoot is van de Verenigde Staten, waarmee het in 2003 een vrijhandelsovereenkomst sloot, en de VS onontbeerlijk acht voor de veiligheid, stabiliteit en evenwicht in de regio Azië-Stille Oceaan;

F.  overwegende dat Singapore in 2017 de 9e plaats innam op de Human Development Index van het Ontwikkelingsprogramma van de VN;

G.  overwegende dat Singapore in 2017 de 6e plaats innam op de corruptieperceptie-index van Transparency International, waarmee het een van de minst corrupte landen ter wereld is;

H.  overwegende dat het eerste Forum voor jonge leiders tussen de EU en de ASEAN in februari 2018 heeft plaatsgevonden;

I.  overwegende dat Singapore een recordniveau inzake luchtverontreiniging heeft bereikt door de bosbranden in de buurlanden, die grotendeels opzettelijk zijn, om grond vrij te maken voor de teelt van palmolie en houtaanplantingen;

J.  overwegende dat het recht op vrijheid van meningsuiting, het recht op vreedzame vergadering en het recht op vereniging in de grondwet van Singapore gegarandeerd zijn, maar dat deze rechten sterk beperkt zijn om redenen van veiligheid, bescherming van de openbare orde, moraliteit, parlementaire onschendbaarheid en raciale en religieuze harmonie; overwegende dat Singapore de 151e van 180 plaatsen inneemt op de wereldindex voor persvrijheid van 2018; overwegende dat de Singaporese wetten inzake belediging, opruiing en smaad worden gebruikt om kritische stemmen onder activisten, bloggers en de media het zwijgen op te leggen;

K.  overwegende dat Singapore nog steeds de doodstraf toepast; overwegende dat een tijdlang geen executies werden uitgevoerd, maar dat het aantal sinds 2014 opnieuw toeneemt;

L.  overwegende dat de rechten van de LGBTI-gemeenschap in Singapore sterk worden beperkt; overwegende dat een consensuele seksuele relatie tussen twee mannen er illegaal is en met tot twee jaar opsluiting kan worden bestraft; overwegende dat relaties tussen personen van hetzelfde geslacht in Singapore niet wettelijk worden erkend;

M.  overwegende dat Singapore twee kernverdragen van de IAO, het Verdrag betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht en het Verdrag betreffende discriminatie, nog niet heeft geratificeerd;

Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst EU-Singapore

1.  is ingenomen met de sluiting van de PSO, die van strategisch belang is en een juridisch kader vormt voor de langdurige bilaterale betrekkingen en het engagement om de samenwerking in regionale en internationale fora, op gebieden zoals milieubescherming, internationale stabiliteit, justitie, veiligheid en ontwikkeling, te versterken en uit te breiden;

2.  wijst op de kansen die de PSO biedt voor nieuwe samenwerkingsgebieden zoals mensenrechten, justitie, vrijheid en veiligheid en non-proliferatie van kernwapens, en voor wetenschappelijke en technologische samenwerking op gebieden zoals energie, milieu, de strijd tegen klimaatverandering, de bescherming van natuurlijke hulpbronnen en vervoer, met name zee- en luchtvervoer;

3.  verwelkomt de samenwerking op het gebied van interpersoonlijke contacten, de informatiemaatschappij, de audiovisuele sector en de media, onderwijs en culturele uitwisselingen, werkgelegenheid en sociale zaken, gezondheid en statistieken die zullen helpen bij de evaluatie van de voortgang van de overeenkomst;

4.  meent dat de PSO als raamovereenkomst politiek nauw samenhangt en een aanvulling vormt op de vrijhandelsovereenkomst en de investeringsbeschermingsovereenkomst; herinnert eraan dat artikel 44 van de PSO voorziet in de niet-uitvoering van de overeenkomsten in geval van systematische ernstige schending van essentiële onderdelen ervan, waaronder de democratische beginselen, de rechtsstaat en de mensenrechten;

5.  is verheugd dat Singapore op 21 juni 2017 de Multilaterale overeenkomst tussen bevoegde autoriteiten (Multilateral Competent Authority Agreement, MCAA) voor het toepassen van de mondiale standaard voor de automatische uitwisseling van gegevens voor belastingdoeleinden heeft ondertekend, en op 30 juni 2017 de OESO op de hoogte heeft gesteld van zijn voornemen om de automatische uitwisseling in het kader van die overeenkomst op te starten met alle lidstaten van de EU waarmee geen bilaterale overeenkomst met ditzelfde doel was gesloten; moedigt de partijen aan om ten volle gebruik te maken van de bepalingen van de PSO inzake belastingsamenwerking;

Mensenrechten en fundamentele vrijheden

6.  bevestigt nogmaals de noodzakelijke toezeggingen en het engagement inzake eerbiediging van de mensenrechten, inclusief sociale rechten, democratie, fundamentele vrijheden, goed bestuur en de rechtsstaat, en om samen te werken op dit gebied; herinnert eraan dat de mensenrechten centraal staan in de betrekkingen van de EU met derde landen; roept de Singaporese autoriteiten op om ervoor te zorgen dat het internationale recht, de democratie, de mensenrechten en de grondrechten, in overeenstemming met het VN-Handvest en de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, te allen tijde worden geëerbiedigd en meent dat de EU Singapore moet blijven ondersteunen op het gebied van sociale inclusie, eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, en bevordering van vrede, veiligheid en hervorming van het rechtsstelsel; is ingenomen met het open publieke debat over de herziening van de niet-toegepaste wet inzake de bestraffing van consensuele relaties tussen personen van hetzelfde geslacht en verzoekt de regering van Singapore om de rechten van de LGBTI-gemeenschap ten volle te beschermen; dringt er bij de regering van Singapore op aan om de wetten die seksuele betrekkingen tussen mensen van hetzelfde geslacht strafbaar stellen, af te schaffen; benadrukt de behoefte aan verdere samenwerking op het gebied van vrouwenrechten en dringt er bij de regering van Singapore op aan de goedkeuring van wetgeving te faciliteren die elke vorm van discriminatie van vrouwen of op basis van seksuele geaardheid verbiedt;

7.  verzoekt de EU een dialoog aan te gaan met de regering van Singapore om een onmiddellijk moratorium in te stellen op de toepassing van de doodstraf als een stap in de richting van de afschaffing ervan;

8.  verzoekt de regering van Singapore om de vrijheid van meningsuiting en vergadering te beschermen, aangezien deze essentieel zijn voor een goed functionerende democratie;

9.  verzoekt de EU een dialoog aan te gaan met de Singaporese autoriteiten om de ratificatie van de mensenrechteninstrumenten en de kernverdragen van de IAO door het land te faciliteren; constateert dat Singapore de verdragen betreffende de vrijheid tot het oprichten van vakverenigingen en de bescherming van het vakverenigingsrecht en betreffende discriminatie nog niet heeft geratificeerd en het Verdrag betreffende gedwongen of verplichte arbeid heeft afgewezen; verwacht dat Singapore verder met de IAO zal samenwerken om vorderingen te maken in de richting van volledige overeenstemming met de inhoud van de verdragen, en ze uiteindelijk te ratificeren;

Betrekkingen tussen de EU en Singapore

10.  benadrukt dat de sluiting van de PSO een sterke impuls geeft voor een grotere betrokkenheid tussen de EU, Singapore en de regio Zuidoost-Azië in het algemeen;

11.  wijst op de politieke waarde van sterke handels- en investeringsbetrekkingen tussen Singapore en de EU;

12.  wijst op de bijzondere ervaring die de EU heeft met de opbouw van instellingen, de interne markt, convergentie van de regelgeving, crisisbeheer, humanitaire hulp en rampenbestrijding, alsook mensenrechten en democratie; benadrukt dat de EU de beleidsdialoog en samenwerking op het gebied van de grondrechten en kwesties van gemeenschappelijk belang zoals de rechtsstaat en veiligheid en de bescherming van de vrijheid van meningsuiting moet intensiveren;

13.  is ingenomen met het feit dat de PSO interpersoonlijke uitwisselingen zoals academische mobiliteit in het kader van het Erasmus Mundus-programma ondersteunt en de verdere ontwikkeling van culturele uitwisselingen faciliteert, teneinde het wederzijds begrip en de kennis van elkaars cultuur te vergroten;

14.  onderstreept de rol van de in Singapore gevestigde stichting Azië-Europa als belangrijkste instrument voor culturele uitwisselingen tussen Azië en Europa; is ingenomen met de bijdrage die de stichting levert om van de zorgen van het maatschappelijke middenveld een essentieel onderdeel te maken van de beraadslagingen van de ASEM;

15.  wijst erop dat het Centrum van de Europese Unie in Singapore, dat in 2009 in partnerschap met de Nationale Universiteit van Singapore en de Technologische Universiteit van Nanyang werd opgericht, kennis en begrip van de EU en haar beleid bevordert en deel uitmaakt van het mondiale netwerk van EU-kenniscentra;

16.  moedigt Singaporese onderzoekers aan tot het uitvoeren van gezamenlijke onderzoeks- en innovatieprojecten met EU-entiteiten in het kader van EU-onderzoeksinitiatieven zoals het Horizon 2020-programma, en tot het aanpakken van gezamenlijke mondiale uitdagingen op het gebied van klimaatverandering, milieu, biotechnologie, gezondheid, vergrijzing, energie, natuurlijke hulpbronnen en voedselzekerheid;

Regionale en internationale samenwerking

17.  beschouwt Singapore als een belangrijke partner voor de respons op humanitaire rampen in Zuidoost-Azië, en als een belangrijke speler voor de politieke stabiliteit in de hele regio;

18.  is bezorgd dat klimaatverandering een grote invloed zal hebben op Singapore en de ASEAN-regio; is ingenomen met de positieve bijdrage van Singapore aan de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling en de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling; is verheugd dat Singapore de Overeenkomst van Parijs op 21 september 2016 heeft geratificeerd en verwacht dat het tegen 2030 aan de vooropgezette emissiereductiedoelstellingen zal voldoen; wil met Singapore en de ASEAN samenwerken aan een snellere tenuitvoerlegging van het Klimaatakkoord van Parijs; wijst er met klem op dat Singapore en de andere ASEAN-landen hulp moeten krijgen bij het verbeteren van de bescherming en het duurzaam gebruik van biodiversiteit, met name koraalriffen, en het systematische herstel van bosecosystemen; is verheugd over de rol van Singapore bij de regionale aanpak om de ontbossing te beperken; dringt aan op verdere samenwerking tussen de EU en Singapore om op doeltreffende wijze een halt toe te roepen aan bosbranden en meer milieuvriendelijke technologieën voor transport en gebouwen in te voeren;

19.  is van mening dat de nodige ruimte, belangstelling en behoefte bestaan voor samenwerking tussen de EU en de ASEAN om een gemeenschappelijke strategie voor circulaire economie te ontwikkelen;

20.  is verheugd over de oprichting van het Forum voor jonge leiders tussen de EU en de ASEAN, waar jonge leiders uit beide regio's ideeën kunnen uitwisselen en relaties kunnen opbouwen om de betrekkingen tussen de EU en de ASEAN te verdiepen;

21.  benadrukt dat de PSO voor de EU een mogelijkheid betekent om haar bijdrage aan de verwezenlijking van gedeelde doelstellingen in de Indo-Pacifische regio te versterken; dringt aan op versterkte gezamenlijke inspanningen voor een vrije Indo-Pacifische regio;

22.  roept op tot samenwerking met Singapore bij het nastreven van gemeenschappelijke belangen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het connectiviteitsbeleid van de ASEAN en de EU; benadrukt de noodzaak van samenwerking met betrekking tot het Nieuwe Zijderoute-initiatief om toe te werken naar de verwezenlijking van de connectiviteitsdoelstellingen waarover tijdens de recente top EU-China overeenstemming is bereikt; wijst opnieuw op de noodzaak om multilaterale governance te bevorderen;

23.  wijst erop dat Singapore zich een sterke voorstander heeft getoond van regionaal multilateralisme in Zuidoost-Azië; neemt kennis van de rol van Singapore in de interregionale diplomatieke, economische en institutionele dialogen tussen de EU en de ASEAN en onderstreept de steun van Singapore voor regionale integratie in Zuidoost-Azië;

24.  merkt op dat Singapore strategisch gelegen is; neemt nota van de bijdrage van Singapore tot de regionale en mondiale veiligheid; is ingenomen met de jaarlijkse veiligheidstop voor Azië, ook bekend als de Shangri-La-dialoog, die sinds 2002 in het Shangri-La Hotel in Singapore wordt gehouden;

25.   maakt zich ernstige zorgen over de toenemende spanningen in de Zuid-Chinese Zee; verzoekt de ASEAN om het overleg over een gedragscode voor de vreedzame oplossing van geschillen en controversen in dit gebied te bespoedigen en verzoekt de EU dit proces te steunen; blijft erbij dat dit vraagstuk moet worden opgelost overeenkomstig het internationaal recht uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (UNCLOS); is verheugd dat Singapore, dat in deze geschillen geen eisende partij is, de betrokkenen heeft opgeroepen om hun meningsverschillen vreedzaam aan te pakken, in overeenstemming met het internationaal recht, inclusief UNCLOS;

26.  pleit samen met Singapore voor de vrijheid van scheepvaart en van overvliegen in het gebied en onderstreept dat de EU een groot belang heeft bij het bevorderen van de stabiliteit in Zuidoost-Azië; wijst op de belangrijke rol van het Regionaal Forum van de ASEAN en de Oost-Aziatische top voor de bevordering van veiligheidsdialogen tussen de regio en de machten van buiten de regio, China en de Verenigde Staten;

27.  verwelkomt het programma voor cybercapaciteitsopbouw van de ASEAN, dat op initiatief van Singapore werd gelanceerd, en dat de ASEAN-landen moet helpen bij het identificeren van en reageren op cyberdreigingen; begrijpt dat de ASEAN geen wederzijdse normen voor cyberbeveiliging heeft, wat de samenwerking op het gebied van cyberbeveiliging in de regio zou kunnen bemoeilijken; verzoekt de EU haar ervaringen in het omgaan met cyber- en hybride bedreigingen te delen en de capaciteitsopbouw van de ASEAN op dit gebied te ondersteunen;

28.  looft Singapore voor het inzetten van troepen en materieel ter ondersteuning van de multilaterale coalitie in Irak van 2003 tot 2008 en de daaropvolgende bijdrage aan de operaties tegen ISIS in Irak en Syrië;

29.  erkent de bereidheid van Singapore om gastheer te zijn en een rol te spelen in het organiseren van topbijeenkomsten om vrede en vertrouwen in Azië en daarbuiten te bevorderen;

Institutioneel kader van de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst

30.  is verheugd over de oprichting, in het kader van de PSO, van een Gemengd Comité, bestaande uit vertegenwoordigers van beide partijen op een passend hoog niveau, om de goede werking en uitvoering van de overeenkomst te waarborgen, prioriteiten te stellen en aanbevelingen te doen om de doelstellingen van de overeenkomst te bevorderen;

31.  roept op tot regelmatig overleg tussen de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en het Parlement, zodat het Parlement de tenuitvoerlegging van de PSO en de verwezenlijking van de doelstellingen kan opvolgen;

o
o   o

32.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de Europese Dienst voor extern optreden, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten en de regering en het parlement van Singapore.

(1) PB L 144 van 10.6.1980, blz. 2.
(2) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 44.
(3) PB C 482 van 23.12.2016, blz. 75.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0092.


Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap ***
PDF 123kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 betreffende het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap (13111/2018 – C8-0473/2018 – 2018/0282(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0094A8-0022/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (13111/2018),

–  gezien het Verdrag tot oprichting van de Vervoersgemeenschap(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 91, artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0473/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0022/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van het verdrag;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo(2), Montenegro en de Republiek Servië.

(1) PB L 278 van 27.10.2017, blz. 3.
(2) Deze benaming laat de standpunten over de status van Kosovo onverlet en is in overeenstemming met Resolutie 1244/1999 van de VN-Veiligheidsraad en het advies van het Internationaal Gerechtshof over de onafhankelijkheidsverklaring van Kosovo.


Verslag 2018 over Bosnië en Herzegovina
PDF 170kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het verslag 2018 van de Commissie over Bosnië en Herzegovina (2018/2148(INI))
P8_TA-PROV(2019)0095A8-0467/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina (BiH), anderzijds,

–  gezien het op 18 juli 2016 geparafeerde en op 1 februari 2017 in werking getreden Protocol tot aanpassing van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie,

–  gezien het verzoek van BiH om toetreding tot de Europese Unie van 15 februari 2016 en de op 28 februari 2018 ingediende antwoorden van het land op de vragenlijst van de Commissie,

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2003 over de Westelijke Balkan en de bijlage daarbij met als titel "De agenda van Thessaloníki voor de Westelijke Balkan: op weg naar Europese integratie",

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 16 oktober 2017 over Bosnië en Herzegovina, van 26 juni 2018 over uitbreiding en het stabilisatie- en associatieproces, en van 15 oktober 2018 over Bosnië en Herzegovina / operatie Althea van EUFOR,

–  gezien de eerste bijeenkomst van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité (SAPC) EU-BiH die op 5 en 6 november 2015 werd gehouden, de tweede bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-BiH die op 10 juli 2017 werd gehouden, de derde bijeenkomst van het Stabilisatie- en Associatiecomité EU-BiH die op 27 maart 2018 werd gehouden en de derde bijeenkomst van de Stabilisatie- en Associatieraad EU-BiH die op 13 juli 2018 werd gehouden,

–  gezien het proces van Berlijn, en met name de conclusies van de voorzitter van de leidersbijeenkomst tijdens de te Londen op 10 juli 2018 gehouden top EU-Westelijke Balkan, de drie op dezelfde dag ondertekende gezamenlijke verklaringen over regionale samenwerking en goede nabuurschapsbetrekkingen, over vermiste personen en over oorlogsmisdaden, en de door BiH bij dezelfde gelegenheid uitgebrachte anti-corruptieverklaring,

–  gezien de tijdens de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018 aangenomen verklaring van Sofia en de hieraan gehechte prioriteitenagenda van Sofia,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 6 februari 2018 getiteld "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan" (COM(2018)0065),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 getiteld "Mededeling over het EU-uitbreidingsbeleid 2018" (COM(2018)0450), vergezeld van het werkdocument van de diensten van de Commissie getiteld "Verslag 2018 over Bosnië en Herzegovina" (SWD(2018)0155),

–  gezien de verklaring van 2 mei 2018 van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV/VV), Federica Mogherini, en de commissaris voor Europees nabuurschapsbeleid en uitbreidingsonderhandelingen, Johannes Hahn, over de hervorming van het kiesrecht in BiH voor de verkiezingen van het Huis van Volkeren van de Federatie,

–  gezien de uitslag van de op 7 oktober 2018 gehouden verkiezingen,

–  gezien de op 8 oktober 2018 gepubliceerde verklaring met eerste bevindingen en conclusies van de internationale verkiezingswaarnemingsmissie van de OVSE/ODIHR,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de HV/VV Mogherini en commissaris Hahn van 8 oktober 2018 over de verkiezingen in Bosnië en Herzegovina,

–  gezien de gezamenlijke conclusies van de economische en financiële dialoog tussen de EU en de Westelijke Balkan en Turkije van 25 mei 2018,

–  gezien de plaatselijke verklaring van de EU van 1 juni 2018 over het wetboek van strafvordering van BiH,

–  gezien het drieënvijftigste(1) en vierenvijftigste(2) verslag aan de VN-Veiligheidsraad van de hoge vertegenwoordiger voor de uitvoering van het vredesakkoord betreffende Bosnië en Herzegovina van 3 mei 2018 en 31 oktober 2018,

–  gezien de in juli 2015 goedgekeurde hervormingsagenda voor BiH 2015-2018 en het coördinatiemechanisme dat op 23 augustus 2016 door de Raad van ministers van BiH en de regeringen van de Federatie van BiH en de Republika Srpska (RS) werd vastgesteld,

–  gezien zijn eerdere resoluties over het land,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0467/2018),

A.  overwegende dat de EU zich blijft inzetten voor het Europees perspectief van BiH en voor de territoriale integriteit, soevereiniteit en eenheid van het land;

B.  overwegende dat het verzoek om toetreding tot de EU een strategische keuze is en het land zich hiermee verbindt tot toenadering tot de EU;

C.  overwegende dat de Commissie haar advies over het verzoek om EU-toetreding van BiH momenteel voorbereidt; overwegende dat BiH met behulp van de coördinatiemechanismen voor EU-zaken zijn antwoorden op de vragenlijst van de Commissie heeft opgesteld en op 28 februari 2018 heeft ingediend; overwegende dat BiH op 20 juni 2018 meer dan 600 vervolgvragen heeft ontvangen en zijn antwoorden op de bijkomende vragen nog niet heeft kunnen opsturen;

D.  overwegende dat de doorvoering van de met de EU verband houdende hervormingen sinds medio 2017 aanzienlijk is vertraagd, ofschoon BiH zich had verbonden tot de hervormingsagenda; overwegende dat toetreding tot de EU een alomvattend proces is dat politieke wil, gezamenlijke inspanningen van alle belanghebbenden en consensus over de hervormingsagenda vereist; overwegende dat de burgers van BiH centraal moeten staan bij de institutionele, economische en sociale hervormingen;

E.  overwegende dat op 7 oktober 2018 algemene verkiezingen zijn gehouden in BiH; overwegende dat de politieke partijen het niet eens zijn geworden over de wijzigingen van de kieswet die moeten worden doorgevoerd om de juridische leemte aan te pakken ten gevolge van de besluiten van het Grondwettelijk Hof in de zaak Ljubić over de verkiezing van de leden van het Huis van Volkeren van de Federatie; overwegende dat de door de ambassadeurs van de EU en de VS geleide bemiddelingsinspanningen en de betrokkenheid daarbij van de Commissie van Venetië geen vruchten hebben afgeworpen;

F.  overwegende dat BiH in gebreke blijft wat betreft het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, zoals blijkt uit de zaak Sejdić-Finci en uit andere daarmee verband houdende gevallen; overwegende dat de Raad de Commissie heeft verzocht bijzondere aandacht aan dit punt te besteden bij het opstellen van haar advies over het verzoek om toetreding van BiH; overwegende dat de Commissie in haar advies dan ook naar verwachting met functionaliteit verband houdende vraagstukken zal onderzoeken en het rechtskader op verenigbaarheid met het EU-acquis zal toetsen en daarbij grondwettelijke en andere noodzakelijke hervormingen zal benoemen; overwegende dat naarmate BiH dichter in de buurt van het EU-lidmaatschap komt, de behoefte aan grondwettelijke hervormingen ter verbetering van de functionaliteit en ter waarborging van de bescherming van de mensenrechten, zich steeds sterker zal doen voelen; overwegende dat het politieke leiderschap van het land tot nu toe niet in staat geweest om de desbetreffende tekortkomingen in de grondwet van BiH te verhelpen;

G.  overwegende dat 13 besluiten van het Grondwettelijk Hof van BiH en vele besluiten van constitutionele aard op het niveau van de entiteiten (28 in de federatie en 7 in de Republika Srpska) tot nu toe nog niet ten uitvoer zijn gelegd; overwegende dat de tenuitvoerlegging van besluiten van het Grondwettelijk Hof een wezenlijke voorwaarde is voor de eerbiediging van de rechtsstaat;

H.  overwegende dat Bosnië en Herzegovina ook het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband (Espoo, 1991) heeft ondertekend;

I.  overwegende dat er in het moderne Europa geen plaats is voor persoonsverheerlijking van mensen die zijn veroordeeld wegens oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid;

J.  overwegende dat de hardnekkige problemen in het verzoeningsproces krachtiger moeten worden aangepakt;

K.  overwegende dat corruptie, ook op het hoogste niveau, nog steeds wijdverspreid is;

1.  is verheugd over de indiening van de antwoorden van BiH op de vragenlijst van de Commissie; spoort BiH ertoe aan tijdig en op transparante en nauwkeurige wijze te antwoorden op de vervolgvragen, die meer technisch van aard zijn, om bij te kunnen dragen aan het advies van de Commissie over het verzoek tot toetreding tot de EU;

2.  is bezorgd over de duidelijke vertraging die is opgelopen in het hervormingsproces vanwege meningsverschillen tussen partijen en de zeer vroeg gestarte en sterk gepolariseerde verkiezingscampagne; benadrukt dat de door de autoriteiten van BiH uitgesproken wil om het Europese pad voort te zetten gepaard moet gaan met een consequente uitvoering van hervormingen op basis van de hervormingsagenda en moet worden vertaald in concrete resultaten, in het voordeel van de burgers ongeacht hun etnische afkomst of geloofsovertuiging; betreurt dat, afgezien van de aanneming van nationale strategieën op het gebied van milieu, plattelandsontwikkeling en energie, en van een aantal belangrijke hervormingsmaatregelen, zoals de wijzigingen van de accijnswet, die noodzakelijk zijn om financiering door het IMF en de EBWO te verzekeren, geen substantiële vooruitgang is geboekt;

3.  betreurt dat verdeeldheid zaaiende etno-nationalistische retoriek weer eens de boventoon voerde in de verkiezingscampagne en ook nu nog het politieke discours van politieke spelers van alle partijen kenmerkt; roept alle politieke leiders op zich onverwijld in te zetten voor het vormen van regeringen op alle niveaus en daartoe op opbouwende wijze samen te werken in het belang van de burgers van het land; wenst dat het EU-integratieproces duidelijk aan het grote publiek wordt uitgelegd, ook als project voor verzoening en de ontwikkeling van een op compromis en wederzijds begrip gebaseerde politieke cultuur;

4.  merkt op dat deze verkiezingscyclus wederom in het teken stond van segmentatie langs etnische lijnen en dat de verkiezingscampagne vooral was gericht op verdeeldheid zaaiende vraagstukken uit het verleden in plaats van op voorstellen voor concrete oplossingen voor de dagelijkse problemen van burgers; betreurt de nationalistische en opruiende retoriek in de aanloop naar de verkiezingen waardoor de kloof tussen de drie constituerende bevolkingsgroepen alleen maar groter is geworden; merkt op dat de verkiezingen van 7 oktober 2018 competitief waren en in het algemeen ordelijk zijn verlopen, niettegenstaande enkele onregelmatigheden, en dat de burgers van BiH hun democratisch recht op een rustige en ordelijke wijze hebben uitgeoefend; herhaalt dat alle vermeende onregelmatigheden bij de verkiezingen moeten worden onderzocht en in de meest duidelijke bewoordingen moeten worden veroordeeld, en dat onwettige activiteiten moeten worden vervolgd; beklemtoont dat er nog steeds tekortkomingen zijn in het democratisch verkiezingsproces en verwacht dat de aanbevelingen van de OCSE/ODIHR onverwijld worden omgezet; herinnert eraan dat het besluit van het Grondwettelijk Hof van 2010 betreffende het democratische recht van de burgers van Mostar om te stemmen bij lokale verkiezingen, nog niet ten uitvoer is gelegd;

5.  betreurt dat voorafgaand aan de verkiezingen geen compromis is bereikt over de wijzigingen van de kieswetgeving die vereist zijn om de juridische leemte aan te pakken ten gevolge van de besluiten van het Grondwettelijk Hof in de zaak Ljubić over de verkiezing van de leden van het Huis van Volkeren van de Federatie; neemt nota van het op 18 december 2018 aangenomen besluit van de centrale kiescommissie over de toewijzing van de zetels in het Huis van Volkeren van de Federatie en dringt er bij alle politieke actoren op aan de resterende politieke lacunes in de BiH kieswet systematisch recht te zetten; spoort alle politieke leiders en gekozen leden van de parlementen aan om blijk te geven van verantwoordelijkheidsgevoel, geen verklaringen af te leggen waarmee de eenheid van het land in het gedrang komt, hun conflicterende standpunten ter zijde te schuiven en te komen tot compromissen en oplossingen die voor allen aanvaardbaar zijn; waarschuwt voor vertragingen en pogingen om de formatie van overheden na de verkiezingen te dwarsbomen, daar dit zou indruisen tegen de belangen van de burgers en tegen het doel van de Europese integratie; benadrukt dat het houden van verkiezingen, het ten uitvoer leggen van de resultaten ervan en het vormen van een regering overeenkomstig de relevante wetsbepalingen wezenlijke kenmerken zijn van goed functionerende democratieën, evenals vereisten voor landen die tot de EU willen toetreden;

6.  dringt nogmaals krachtig aan op de noodzaak om snel het Huis van Volkeren van de Federatie op te richten in overeenstemming met uitspraken van het Grondwettelijk Hof van Bosnië en Herzegovina, waaraan wordt herinnerd in de gezamenlijke verklaring van de HV/VV Mogherini en commissaris Hahn over de verkiezingen in BiH;

7.  betreurt dat nog altijd geen oplossing is gevonden voor het vraagstuk betreffende de democratische en rechtmatige vertegenwoordiging van de drie constituerende bevolkingsgroepen en van alle burgers; dringt er bij alle partijen op aan om spoedig tot een compromis te komen aangezien de nieuwe wetgevers dit vraagstuk zo spoedig mogelijk moeten behandelen, onder meer door de besluiten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Sejdić-Finci en in daarmee verband houdende zaken ten uitvoer te leggen; herhaalt dat de constitutionele, politieke en electorale hervormingen moeten worden voortgezet om BiH om te vormen tot een volledig doeltreffende, inclusieve en functionerende staat die gegrondvest is op de rechtsstaat;

8.  betreurt dat de afgevaardigden van BiH het nog altijd niet eens zijn geworden over het reglement voor het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité wegens pogingen om in de bepalingen van het reglement inzake stemmingen etnische blokkering op te nemen, waardoor dit comité al drie jaar niet bijeen is gekomen; betreurt het gebrek aan samenwerking met het Europees Parlement, brengt in herinnering dat dit een duidelijke schending vormt van de verplichtingen op grond van de stabilisatie- en associatieovereenkomst, en dringt er bij alle betrokkenen op aan het eens te worden over het reglement van het Parlementair Stabilisatie- en Associatiecomité op basis van de aanbevelingen van het Europees Parlement over dit onderwerp en dit reglement te aanvaarden; merkt op dat goed functionerende democratische instellingen, waaronder een parlement, een basisvoorwaarde zijn voor vooruitgang in het Europees integratieproces;

9.  is bezorgd over het gebrek aan stelselmatige effectbeoordelingen van de regelgeving en openbare raadplegingen, alsmede over de ontoereikende uitvoering en gebrekkige kwaliteit van toezicht en verslaglegging en de afwezigheid van formele verplichtingen om belangrijke documenten met betrekking tot overheidsplanning openbaar te maken;

10.  roept op tot de aanneming van verdere niet-discriminerende en gendergevoelige nationale strategieën op gebieden zoals werkgelegenheid en openbaar financieel beheer, hetgeen zal leiden tot een consequente uitvoering van hervormingen in het gehele land, evenals tot toegang tot aanvullende IPA-middelen; merkt met voldoening op dat dankzij de goedkeuring van de relevante nationale strategieën aanvullende IPA-middelen ter beschikking konden worden gesteld van belangrijke sectoren als landbouw en plattelandsontwikkeling, milieu en energie op grond van het onlangs herzien indicatief strategisch document voor de periode 2014-2020; benadrukt dat het noodzakelijk is te zorgen voor een betere absorptie van pretoetredingssteun, met name door de donorcoördinatie en de bestuurlijke capaciteit te verbeteren; spoort aan tot de aanneming van een nationaal programma om de nationale wetgeving in overeenstemming met het EU-acquis te brengen, hetgeen een wettelijke verplichting is op grond van de stabilisatie- en associatieovereenkomst en een noodzakelijke voorbereiding vormt op EU-toetreding;

11.  verzoekt opnieuw om de aanneming van een nationale strategie betreffende mensenrechten; onderstreept dat onverwijld wijzigingen op de wet op de ombudsman moeten worden aangenomen, om ervoor te zorgen dat deze in overeenstemming met de Beginselen van Parijs is; acht het noodzakelijk dat BiH een nationaal mechanisme voor preventie van foltering en mishandeling in het leven roept en een wet op staatsniveau aanneemt inzake de rechten van tijdens de oorlog gefolterde burgers, overeenkomstig de internationale verplichtingen van het land; is van mening dat BiH meer inspanningen moet ondernemen om de omstandigheden in gevangenissen en detentievoorzieningen van de politie in overeenstemming te brengen met de internationale normen; spoort de autoriteiten van de Republika Srpska opnieuw aan om de bepaling betreffende de doodstraf in de grondwet van de entiteit in te trekken; herhaalt de noodzaak om te zorgen voor een niet-discriminerende toegang tot justitie in het gehele land door middel van een geharmoniseerd en duurzaam stelsel voor kosteloze rechtsbijstand; roept de autoriteiten op om de Europese waarden actief te bevorderen en een Europees perspectief te blijven nastreven;

12.  roept de autoriteiten in BiH op concrete stappen te zetten om gendermainstreaming van alle beleidsvormen, inclusief de hervormingsagenda, te waarborgen, en uit zijn bezorgdheid over de ondervertegenwoordiging van vrouwen in besluitvormende posities, met name op lokaal niveau; dringt er bij de politieke partijen in BiH op aan om meer te doen voor de vertegenwoordiging van vrouwen op alle niveaus van het politieke bestel;

13.  betreurt het feit dat BIH nog altijd het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens schendt doordat het de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens in de zaken Sejdić-Finci, Zornić, Pilav en Šlaku niet ten uitvoer heeft gelegd, waardoor openlijke discriminatie van burgers in BiH mogelijk is, hetgeen lijnrecht indruist tegen de waarden en de normen van de EU; brengt in herinnering dat de Commissie deze zaken in overweging moet nemen bij de voorbereiding van haar advies; stelt dat tenuitvoerlegging van deze uitspraken zal helpen om een goed functionerende democratische samenleving tot stand te brengen; benadrukt dat, zoals van elke kandidaat-lidstaat, van BiH wordt verwacht dat het zijn grondwettelijk en rechtsstelsel geleidelijk in overeenstemming brengt met de vereisten van het EU-acquis betreffende non-discriminatie, en verwacht dat op deze wezenlijke punten te zijner tijd vooruitgang wordt geboekt; benadrukt dat de tenuitvoerlegging van deze uitspraken niet van invloed mag zijn op de verdere uitvoering van de hervormingsagenda en moet leiden tot de opheffing van elke beperking van het passief kiesrecht op grond van etniciteit en verblijfplaats of vanwege de keuze van een burger om zich niet aan te sluiten bij een constituerende bevolkingsgroep; is van mening dat de hervormingen van de grondwet en de kieswet derhalve hand in hand moeten gaan; roept de politieke leiders op om nationalistische retoriek te vermijden, waardoor verdeling in de samenleving teweeg wordt gebracht, en de politieke dialoog en activiteiten voort te zetten die samenwerking tussen de politieke vertegenwoordigers van de drie bevolkingsgroepen en anderen bevorderen;

14.  roept op tot doeltreffendere maatregelen ter bestrijding van alle vormen van discriminatie, in het bijzonder door de aanneming van nationale mensenrechten- en anti-discriminatiestrategieën; moedigt samenwerking tussen de drie bevolkingsgroepen en anderen aan op het gebied van cultureel, godsdienst en onderwijs, waardoor ethische verschillen worden overbrugt; betreurt dat geen vooruitgang is geboekt bij de aanpak van het fenomeen "twee scholen onder één dak"; spoort aan tot daadkrachtige maatregelen op alle niveaus om te komen tot systemische oplossingen die zullen leiden tot inclusief en niet-discriminerend onderwijs voor alle kinderen; merkt op dat bij de vaststelling van programma's en leerplannen op het hele grondgebied van BiH de culturele en taalkundige diversiteit van de bevolkingsgroepen moet worden geëerbiedigd en de nadruk moet worden gelegd op wederzijds begrip en verzoening; is bezorgd over het feit dat door het gebrek aan middelen en coördinatie de tenuitvoerlegging van het kinderactieplan 2015-2018 wordt belemmerd; is verheugd over de wetgeving van BiH inzake pleegzorg en onderstreept de noodzaak steun te geven aan de verdere deïnstitutionalisering van de zorg voor kinderen in heel het land; roept op tot een betere toegang tot onderwijs en gepaste sociale diensten voor gehandicapte kinderen en meer in het algemeen tot een betere toegang tot gebouwen, instellingen en vervoer voor personen met een handicap;

15.  roept op tot een doeltreffendere uitvoering van de wettelijke bepalingen betreffende gelijkheid tussen mannen en vrouwen, waardoor de loonkloof tussen mannen en vrouwen kan worden verkleind en de toegang tot de arbeidsmarkt voor vrouwen kan worden verbeterd, en tot de bestrijding van genderstereotypen in de maatschappij; merkt met bezorgdheid op dat de wetgeving inzake preventie van en bescherming tegen gendergerelateerd geweld, en met name huiselijk geweld, niet doeltreffend ten uitvoer wordt gelegd; wijst op de noodzaak de wetgeving in overeenstemming te brengen met de Overeenkomst van Istanbul; spoort aan tot vooruitgang om ervoor te zorgen dat de rechten van personen met een handicap worden geëerbiedigd, in het bijzonder door een snelle uitvoering van de betreffende VN-aanbevelingen; erkent de maatregelen die zijn genomen voor de wettelijke bescherming van LGBTI-personen, maar benadrukt dat meer moet worden gedaan om geweld en haatmisdrijven tegen hen te vervolgen, en om hun daadwerkelijke opname in de samenleving te bevorderen;

16.  is bezorgd over het feit dat het gebrek aan coördinatie tussen de verschillende bestuursniveaus en het tekort aan financiële middelen de effectieve bescherming van minderheden en kwetsbare groepen, in het bijzonder Roma, nog altijd in de weg staan; roept op tot aanvullende maatregelen om de bescherming van de minderheidsrechten te versterken; stelt met bezorgdheid vast dat uit de resultaten van het onderzoek uit 2017 naar gemarginaliseerde Roma in BiH blijkt dat zij slechts beperkte toegang hebben tot kansen in elk aspect van menselijke ontwikkeling; veroordeelt de stigmatisering en sociale uitsluiting van Roma; roept de overheid op de slachtoffers van de Romaholocaust te herdenken, 2 augustus uit te roepen tot de dag ter herdenking van de Romaholocaust en Romaslachtoffers te betrekken bij de herdenking die elk jaar op 27 januari wordt gehouden ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de holocaust; is verheugd over de aanneming van een herzien Roma-actieplan 2017-2020 voor huisvesting, werkgelegenheid en gezondheidszorg; dringt erop aan dat maatregelen worden genomen om het onderwijs, de werkgelegenheid, de gezondheidszorg, de huisvesting en de leefomstandigheden van de Roma en andere minderheden verder te verbeteren en vraagt dat daarbij de klemtoon wordt gelegd op de verbetering en de volledige tenuitvoerlegging van de bestaande relevante beleidsvormen en wetgevingskaders; uit zijn bezorgdheid over het feit dat de leden van nationale minderheden ondervertegenwoordigd zijn in het politieke en openbare leven;

17.  neemt nota van de deelname van BiH aan het Pisa-onderzoek van de OESO van 2018, die mogelijk werd dankzij de financiële ondersteuning van de Europese Commissie; feliciteert de onderwijsinstellingen van BiH (de bevoegde ministeries en instellingen op het niveau van de staat, de kantons en de entiteiten, en in het District Brčko) met hun medewerking en hun bereidheid om samen te werken; verzoekt de toekomstige regeringen op alle niveaus om de onderzoeksresultaten, die naar verwachting in 2019 zullen worden gepubliceerd, te gebruiken om een opbouwend debat op gang te brengen over en te beginnen met de ontwikkeling van onderwijshervormingen die tot een kwalitatief betere onderwijsoutput zullen leiden;

18.  roept op tot een alomvattende hervorming van de socialebeschermingsstelsels door een einde te maken aan discriminerende praktijken overeenkomstig de verplichtingen inzake mensenrechten en door te zorgen voor de vaststelling van adequate minimumnormen ter bescherming van de meest kwetsbare bevolkingsgroepen, waarbij onder meer ook de leemten in de wet ongedaan moeten worden gemaakt die sommige kinderen beletten een ziektekostenverzekering te hebben; verzoekt alle relevante instellingen van BiH om te zorgen voor een betere coördinatie en samenwerking bij het bewaken van de kinderrechten, onder meer door de invoering van een alomvattend mechanisme voor het vergaren van gegevens over kinderrechten in BiH ;

19.  stelt vast dat Bosnië en Herzegovina nog steeds fungeert als een land van herkomst, doorreis en bestemming voor mensenhandel; dringt aan op de verbetering van het grensbeheer en de versterking van de speciale eenheden voor onderzoek naar mensenhandel om mensenhandelaren effectief te kunnen bestrijden;

20.  is bezorgd over het gebrek aan hervormingen in het onderwijs en de economie, hetgeen leidt tot hoge jeugdwerkloosheid en hoge economische migratie, en over het gebrek aan adequate beleidsvormen en investeringen met betrekking tot kinderen en jongeren; spoort BiH aan om de sterke onbalans tussen de participatiepercentages van vrouwen en mannen op de arbeidsmarkt aan te pakken, evenals de uitsluiting van jongeren die behoren tot minderheidsgroepen van onderwijs- en werkgelegenheidsmaatregelen; roept ertoe op in BiH een proactiever en stelselmatiger jeugdbeleid te voeren ter stimulering van de zelfontplooiing van de jongeren in het land; moedigt BiH er in dit verband toe aan een specifiek kader vast te stellen en te zorgen voor de volledige werking van de coördinatiecommissie jeugdzaken binnen het Ministerie van Burgerzaken van BiH;

21.  verzoekt om de volledige uitvoering en ondersteuning door middel van overheidsmiddelen van strategieën en wetgeving inzake de rechten van personen die tot een minderheid behoren en hun bescherming;

22.  doet een beroep op BiH om het recht op eigendom te verzekeren; wijst op het gebrek aan een alomvattend wetgevingskader inzake de behandeling van eisen inzake teruggave en moedigt de autoriteiten aan een dialoog te beginnen met de belanghebbende partijen over vraagstukken in verband met teruggave of vergoeding van in beslag genomen eigendommen;

23.  betreurt het gebrek aan vooruitgang op het gebied van de vrijheid van meningsuiting en de onafhankelijkheid van de media; verwerpt resoluut de herhaalde pogingen om de media politiek en financieel onder druk te zetten; veroordeelt de herhaalde gevallen van intimidatie, doodsbedreigingen, en verbale en fysieke aanvallen aan het adres van journalisten, in het bijzonder onderzoeksjournalisten die verslag uitbrengen over gevallen van niet-vervolgde oorlogsmisdaden; verzoekt de autoriteiten gegevens over deze gevallen te verzamelen, voor snelle onderzoeken naar en vervolging van de daders te zorgen en een gunstig klimaat voor de vrijheid van meningsuiting te bevorderen; wijst op de noodzaak om de financiële stabiliteit en de politieke neutraliteit van het Regelgevend Bureau voor Communicatie te versterken; herhaalt nogmaals zijn oproep tot waarborging van de onafhankelijkheid en stabiele financiering van de openbare omroep, evenals van de beschikbaarheid van inhoud in alle officiële talen; roept op tot meer aandacht voor de arbeidsomstandigheden van journalisten in heel de sector; uit zijn bezorgdheid over het gebrek aan transparante media-eigendom en herhaalt zijn verzoek om waarborging van volledige transparantie door de aanneming van een passend wetgevingskader; betreurt dat vanwege politieke belemmering, geen functionele openbare omroep tot stand is gebracht; herhaalt zijn verzoek om te zorgen voor pluralisme van de media en benadrukt dat de productie en uitzending van televisie- en radio-inhoud in alle officiële talen van BiH tot de bescherming van de culturele diversiteit in het land zou bijdragen; benadrukt dat er, net als bij andere landen in de regio het geval is, nog steeds zorgen zijn met betrekking tot de politieke instrumentalisering van de media, ofwel rechtstreeks door politieke spelers of door bedrijven die proberen politieke invloed uit te oefenen;

24.  is verheugd over de inspanningen ter bevordering van verzoening, wederzijds respect en religieuze tolerantie in het land, waaronder die van de Interreligieuze Raad van BiH; betreurt de aanhoudende gevallen van discriminatie op grond van religie, evenals de incidenten met religieuze plaatsen als doelwit; prijst en steunt degenen die strijden voor vrijheid van meningsuiting en tegen haattaal en religieuze haat en die insluiting bevorderen; verwerpt het inboezemen van angst voor anderen en verzoekt de autoriteiten om onverwijld consequente maatregelen hiertegen te treffen;

25.  is verheugd over de aanneming van het strategisch kader voor de hervorming van de overheid in Bosnië en Herzegovina 2018-2022 en roept op tot de spoedige tenuitvoerlegging ervan; vestigt opnieuw de aandacht op de fragmentatie en politisering van het besluitvormingsstelsel in BiH en benadrukt de noodzaak om het grondwettelijk kader te hervormen met inachtneming van de hoogste normen op het gebied van mensenrechten en vrijheden en de noodzaak om de kwaliteit, de samenhang en de financiële haalbaarheid van openbaar beleid in het gehele land te verbeteren; roept op tot de aanneming van een nationale strategie betreffende openbaar financieel beheer en tot meer openheid over de begroting in BiH, evenals tot sterkere mechanismen om ondoelmatigheid en verspilling van overheidsmiddelen te voorkomen, ook op het gebied van openbare aanbestedingen; roept in het bijzonder op tot maatregelen om het risico op politisering van het ambtenarenapparaat te verminderen, door een doeltreffend systeem voor personeelsbeheer op alle administratieve niveaus in te voeren, en door de procedures betreffende het ambtenarenapparaat op alle overheidsniveaus te standaardiseren, en in het bijzonder de procedures op het niveau van de federatie en op het niveau van de kantons van de Federatie op elkaar af te stemmen

26.  erkent dat enige vooruitgang is geboekt bij de totstandbrenging van institutionele mechanismen voor samenwerking tussen de overheid en maatschappelijke organisaties en om ervoor te zorgen dat deze organisaties openbaar worden gefinancierd; herhaalt zijn verzoek om de aanneming van een strategisch kader voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld op alle bestuursniveaus om meer transparantie in het openbaar besluitvormingsproces te brengen en de inspanningen ter bevordering van publieke controle op de werkzaamheden van de regeringen te versterken; onderstreept verder de noodzaak om de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld bij de planning, bewaking en tenuitvoerlegging van de EU-steunprogramma's te versterken; dringt bij de autoriteiten aan op een doelmatige dialoog die initiatieven op het gebied van wetgeving en capaciteitsopbouw kan voortbrengen die de capaciteiten van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld zouden versterken; wijst erop dat er overheidsfinanciering beschikbaar moet worden gemaakt voor maatschappelijke organisaties die actief zijn op het gebied van mensenrechten, democratie en de rechtsstaat, met inbegrip van organisaties die optreden als waakhond en die aan belangenbehartiging doen, evenals kleine basisorganisaties;

27.  is nog altijd bezorgd over de wijdverspreide corruptie in BiH en over de aanhoudende kloof tussen de uitgesproken politieke wil om corruptie te bestrijden en het gebrek aan concrete resultaten; onderstreept dat een voorgeschiedenis van zaken tegen personen met een hoog profiel ontbreekt en dat het wettelijk en institutioneel kader voor de bestrijding van systemische corruptie, bijvoorbeeld op het gebied van partijfinanciering, openbare aanbestedingen, belangenconflicten en belangenverklaringen, zwak en ontoereikend is; roept op tot maatregelen om het wettelijke en institutionele kader ter bestrijding van corruptie te verbeteren in overeenstemming met de Europese normen, door een betere afstemming van de op de verschillende niveaus aangenomen actieplannen, de uitvoering van de bestaande strategieën en een verbetering van de samenwerking tussen de organen voor corruptiepreventie en met het agentschap voor corruptiebestrijding;

28.  is van mening dat aanvullende inspanningen noodzakelijk zijn om de strijd tegen de wijdverspreide corruptie te verbeteren; wenst dat onverwijld actie wordt ondernomen om de resultaten op het gebied van de preventie en bestrijding van corruptie aanzienlijk te verbeteren, met inbegrip van maatregelen om doeltreffende en afschrikkende sancties op te kunnen leggen, met inbegrip van beslaglegging op opbrengsten van misdaden; benadrukt dat het noodzakelijk is capaciteit op te bouwen voor het bestrijden en onderzoeken van economische, financiële en met overheidsopdrachten verband houdende misdrijven; benadrukt dat bijzondere aandacht moet uitgaan naar doeltreffende controles van de financiering van politieke partijen en verkiezingscampagnes en naar de verbetering van de openbare toegang tot en het toezicht op de vermogensaangiften van ambtenaren, waaronder verkiezingskandidaten; roept op tot de uitvoering van de Greco-aanbevelingen, met name de aanbevelingen betreffende de financiering van politieke partijen en belangenconflicten; acht het van wezenlijk belang dat er in BiH een wet over belangenconflicten wordt aangenomen in overeenstemming met Europese en internationale normen; vraagt BiH met klem een analyse van het bestaand rechtskader voor corruptiebestrijding te verrichten en vervolgens een samenhangende strategie aan te nemen voor de aanpak van de vastgestelde leemten en zwakke punten overeenkomstig de internationale en Europese normen;

29.  is verheugd over de aanneming van het actieplan over de uitvoering van de strategie voor de hervorming van het rechtswezen 2014-2018 in maart 2017 en de invoering van de noodzakelijke verslagleggings- en toezichtsstructuren; wijst op het belang van een daadkrachtig optreden voor de tenuitvoerlegging ervan; is bezorgd over de voortdurende politiek gemotiveerde bedreigingen van de rechterlijke macht; herhaalt dat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht moet worden versterkt, waaronder van politieke beïnvloeding, evenals de onpartijdigheid, het professionalisme, de doeltreffendheid en de verantwoordingsplicht ervan; is verheugd over het gedetailleerde actieplan dat is aangenomen ter uitvoering van de aanbevelingen van de Europese Commissie inzake de onder de bevoegdheid van de hoge raad voor justitie en rechtsvervolging (HJPC) vallende vraagstukken, dat gericht is op de versterking van maatregelen betreffende benoemingen en disciplinaire en integriteitsbevorderende maatregelen in het rechtswezen, via onder meer betere vermogensaangiften; dringt aan op een snelle aanneming en uitvoering van de hiermee verbonden wetshandelingen; benadrukt de noodzaak de wet op de HJPC te herzien uitgaande van de aanbevelingen van de Commissie en het advies van de Commissie van Venetië; dringt aan op normalisatie van de wetboeken van strafrecht voor gevallen van oorlogsmisdaden en benadrukt het belang van gendereffectbeoordelingen van de huidige hervormingen van het gerechtelijk apparaat;

30.  betreurt het feit dat de autoriteiten op ongeacht welk niveau bindende beslissingen van rechtbanken, zelfs van de hoogste gerechtelijke instantie, blijven negeren of weigeren, en herinnert eraan dat iets dergelijks een ernstige betwisting van de rechtsstaat inhoudt;

31.  is verheugd over het feit dat de achterstand bij zaken betreffende oorlogsmisdrijven verder is ingehaald, over de voortdurende positieve tendens bij de vervolging van oorlogsmisdrijven met seksueel geweld en over de verbeteringen op het gebied van rechtsbijstand aan slachtoffers en getuigen; verzoekt de autoriteiten van BiH dringend om de wetgeving inzake burgerslachtoffers van de oorlog te harmoniseren en daaronder ook de slachtoffers van seksueel geweld op te nemen om aldus discriminatie te voorkomen op grond van status en toegang tot schadeloosstelling in de verschillende entiteiten; roept op tot een snelle wijziging van de nationale strategie op het gebied van oorlogsmisdrijven, om te zorgen voor een doeltreffendere verdeling van zaken tussen de verschillende bestuursniveaus, naast nieuwe criteria en tijdslimieten voor de behandeling van de meest complexe zaken;

32.  merkt op dat er nog steeds geen sprake is van een alomvattende strategie voor overgangsjustitie en een stevig mechanisme voor schadevergoeding bij ernstige schendingen van de mensenrechten tijdens de oorlog, ook als het gaat om mensen die het slachtoffer zijn geworden van oorlogsgerelateerd seksueel geweld; roept op tot aanneming van de wet inzake slachtoffers van foltering, de strategie inzake overgangsjustitie en het programma voor slachtoffers van seksueel geweld, en tot de oprichting van een speciaal fonds voor schadeloosstelling van slachtoffers van verkrachting, foltering en misbruik in oorlogstijd en de invoering van adequate mechanismen voor schadeloosstelling van burgerslachtoffers van de oorlog, met inbegrip van teruggave, vergoeding, rehabilitatie, schadeloosstelling en waarborgen voor niet-herhaling;

33.  spreekt nogmaals zijn steun uit voor het initiatief tot oprichting van de regionale commissie voor de vaststelling van feiten over alle slachtoffers van oorlogsmisdaden en andere ernstige schendingen van de mensenrechten die zijn begaan op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië (Recom); benadrukt hoe belangrijk het is dat de leiders van BiH serieuze maatregelen nemen voor de oprichting ervan; onderstreept het belang van dit proces en de behoefte aan actieve inzet van alle regionale politieke leiders opdat Recom haar werkzaamheden zonder verdere vertraging kan aanvatten; vraagt aandacht voor het voorstel van de Coalitie van Recom voor een actieplan met duidelijke datums en benchmarks;

34.  betreurt elke vorm van persoonsverheerlijking van mensen die zijn veroordeeld wegens de ergste misdaden tegen de mensheid; roept dringend op tot de bevordering van het respect voor de slachtoffers van oorlogsmisdrijven evenals van verzoening; herinnert alle politieke leiders en instellingen in BiH eraan dat zij een verantwoordelijkheid hebben om oorlogsgebeurtenissen objectief te beoordelen, in het belang van de waarheid, verzoening en een vreedzame toekomst, en om misbruik van de rechterlijke macht voor politieke doeleinden te vermijden; benadrukt dat de behandeling van oorlogsmisdrijven moet worden gebaseerd op het concept van onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en niet mag worden geëxploiteerd voor politisering ten behoeve van alledaagse politieke doeleinden, historisch revisionisme of het verder aanwakkeren van verdeeldheid binnen de samenleving; neemt met betreuren nota van het besluit van de nationale vergadering van de Republika Srpska om haar steun aan het rapport van de Srebrenica-commissie uit 2004 in te trekken en spreekt zijn veroordeling uit over de verklaringen van ongeacht welke kant die erop uit zijn oorlogsmisdadigers te verheerlijken;

35.  onderstreept dat niettegenstaande de aanzienlijke vooruitgang er in BiH nog steeds niet voldoende aandacht wordt geschonken aan de gevolgen van aan conflicten gerelateerd seksueel geweld (CRSV) en trauma van de oorlog van 1992 tot 1995; benadrukt dat de vrouwelijke en mannelijke slachtoffers en de in die context geboren kinderen eerlijke toegang tot zorg, ondersteuning en justitie moet worden gewaarborgd en alomvattende schadeloosstelling moet worden geboden, inclusief rehabilitatie en maatregelen tegen de stigmatisering van slachtoffers van CRSV;

36.  erkent dat enige maar nog niet voldoende vooruitgang is geboekt bij de tenuitvoerlegging van bijlage VII bij het vredesakkoord van Dayton over vluchtelingen en binnenlands ontheemden; wijst op de trage voortgang bij de omgang met het nog altijd grote aantal binnenlandse ontheemden, teruggekeerde personen die deel uitmaken van minderheden, vluchtelingen en vermisten; dringt er bij de autoriteiten op aan intensieve samenwerking in gang te zetten tussen de twee entiteiten en alle relevante gegevens van het leger en de inlichtingendiensten volledig te delen om de personen terug te vinden die nog steeds vermist worden ten gevolge van de oorlog; is verheugd over de recente initiatieven ter versterking van de regionale samenwerking bij de oplossing van het vraagstuk van vermiste personen en roept de autoriteiten van BiH op aan dit proces deel te nemen; onderstreept het belang van het vergaren van gegevens over terugkerende mensen; veroordeelt de aanvallen op eigendommen en wijst erop dat het welslagen van het terugkeerbeleid in BiH van doorslaggevend belang is voor de verzoening;

37.  verzoekt erom dat aanvullende maatregelen en concrete programma's ten uitvoer worden gelegd voor de duurzame terugkeer van vluchtelingen en voor toegang tot gezondheidszorg en banen, sociale bescherming, veiligheid en onderwijs en dat veel aandacht wordt besteed aan schadevergoedingen voor eigendom dat niet kan worden gerestitueerd; dringt in dit verband aan op de hervatting van de werkzaamheden van de Commission for Real Property Claims of Displaced Persons and Refugees (commissie voor de behandeling van eisen inzake onroerend goed van vermisten en vluchtelingen);

38.  betreurt dat het land nog steeds te lijden heeft onder landmijnen die verspreid liggen over een gebied dat ongeveer 2,2 % van het totale grondgebied uitmaakt en die een rechtstreekse bedreiging vormen voor de veiligheid van meer dan 540 000 inwoners; is verheugd over de niet aflatende steun van de EU aan mijnopruiming en feliciteert het ontmijningsbataljon van de strijdmachten van BiH met het uitstekende werk; wijst met bezorgdheid op het gebrek aan voldoende ultramoderne ontmijningstechnologie, hetgeen ertoe kan leiden dat de omvang van het jaarlijks ontmijnde gebied vanaf 2020 zal afnemen van de huidige 3 km2 per jaar naar minder dan 1 km2 per jaar; roept derhalve de lidstaten dringend op het ontmijningsbataljon naar behoren uit te rusten met de noodzakelijke middelen en uitrusting;

39.  is verheugd over de aanneming van de strategie ter bestrijding van georganiseerde misdaad 2017-2020 en over de vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van de actieplannen betreffende anti-witwasmaatregelen en betreffende de financiering van terrorisme; verzoekt om verhoogde inspanningen om goede resultaten te kunnen boeken bij het onderzoek naar en vervolgingen, definitieve veroordelingen en de confiscatie van opbrengsten in georganiseerde-misdaadzaken; is verheugd over het feit dat op 17 september 2018 eindelijk de wijzigingen van het wetboek van strafvordering door het Huis van Afgevaardigden van BiH zijn aangenomen, die onontbeerlijk zijn om de instellingen van de rechtsstaat in staat te stellen gevoelige onderzoeken te verrichten en met internationale wetshandhavingsinstanties samen te werken, en roept de Commissie op de tenuitvoerlegging van deze wijzigingen op de voet te volgen; benadrukt dat het in overeenstemming brengen van de wet op het inlichtingen- en veiligheidsagentschap met de Europese en internationale normen topprioriteit moet blijven voor de autoriteiten; is verheugd over het feit dat BiH geschrapt is van de FATF-lijst van derde landen met een hoog risico die structurele tekortkomingen vertonen bij de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme, en dringt aan op verdere inspanningen opdat BiH van de EU-lijst van landen met een hoog risico kan worden geschrapt;

40.  roept op tot voortdurende inspanningen ter bestrijding van radicalisering en tot meer maatregelen voor het opsporen van buitenlandse strijders en het voorkomen en breed aanpakken van dit fenomeen, naast de illegale wapenhandel, en tot het traceren van voor verdere radicalisering bestemd geld; spoort de autoriteiten ertoe aan de vermogens van BiH op het gebied van terrorismebestrijding verder te verbeteren door betere coördinatie, samenwerking en uitwisseling van inlichtingen betreffende misdrijven, de preventie van radicalisering van jongeren, en deradicaliseringsprogramma's; roept de autoriteiten op een strategie voor de bestrijding van cybercriminaliteit en soortgelijke veiligheidsbedreigingen uit te werken; herinnert aan de noodzaak de samenwerking met buurlanden bij grensbeheersvraagstukken te versterken;

41.  prijst de autoriteiten van BiH voor hun inspanningen om het vertrek van burgers naar buitenlandse oorlogsgebieden tegen te gaan, en dringt er bij de autoriteiten op aan dat buitenlandse terroristische strijders gepaste straffen krijgen opgelegd en dat daarna wordt gezorgd voor hun maatschappelijke herintegratie; merkt met bezorgdheid op dat het bestaan van radicaliseringscellen is gemeld op bepaalde plaatsen in het land;

42.  wijst met bezorgdheid op het toenemend aantal vluchtelingen dat de afgelopen tijd in BiH is aangekomen en de gebrekkige coördinatie tussen de verschillende bestuursniveaus in respons hierop; is van mening dat het migratievraagstuk niet moet worden gepolitiseerd; is verheugd over de humanitaire hulp van de EU om in te spelen op de toenemende behoeften van vluchtelingen, asielzoekers en migranten in het land, alsmede over de aanneming op 10 augustus 2018 van een speciale maatregel (ter waarde van 6 miljoen EUR) ter ondersteuning van BiH bij het beheer van migratiestromen; benadrukt dat rekening moet worden gehouden met gendervraagstukken bij humanitaire hulp evenals met de impact van vluchtelingenkampen op gastgemeenschappen; is van mening dat samenwerking met de buurlanden en de EU van wezenlijk belang is om deze gezamenlijke uitdaging aan te kunnen gaan;

43.  roept op tot de aanneming van een nieuwe reeks op de EU gerichte hervormingen zodra de nieuwe overheden in BiH zijn geformeerd, zodat de draad van het hervormingsproces weer kan worden opgepakt en vooruitgang kan worden geboekt bij de Europese integratie van het land; dringt erop aan dat de financiële steun van de EU vergezeld gaat van doelmatige voorwaarden, en dat de EU aan de hand van de twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten actieplannen en toezichtskaders uitwerkt, om de "nieuwe versterkte sociale dimensie", die is vastgesteld in de strategie voor de Westelijke Balkan van 2018, te kunnen verwezenlijken; erkent dat BiH enige vooruitgang heeft geboekt op het gebied van economische ontwikkeling en concurrentievermogen, maar wijst erop dat het land zich nog slechts in het beginstadium bevindt van de oprichting van een goed functionerende markteconomie; is er sterk van overtuigd dat vooruitgang bij de doorvoering van sociaaleconomische hervormingen, in daadwerkelijk overleg met de sociale partners, een topprioriteit moet zijn na de verkiezingen, om de levensomstandigheden in het land te verbeteren; merkt op dat zeer weinig vooruitgang is geboekt op sociaal gebied; onderstreept dat beter moet worden gepresteerd inzake de economische basisparameters, zoals groei, werkgelegenheid en de strijd tegen de informele economie; wijst op het belang van herstructurering van de overheidssector, met inbegrip van overheidsondernemingen, de verdere beperking van de informele economie en de hiermee samenhangende belastingdruk op arbeid, de verbetering van het bedrijfsklimaat, door onder meer een eengemaakte economische ruimte in BiH tot stand te brengen, de versterking van een groei bevorderend gebruik van overheidsfinanciën, door met name de klemtoon te leggen op de behoeften op middellange termijn zoals infrastructuur en onderwijs, en de tijdige verstrekking van volledige statistieken overeenkomstig de Europese en internationale normen;

44.  wijst op de trage vooruitgang bij de bescherming van het milieu en het klimaat; herhaalt dat de wetgeving aan het EU-acquis moet worden aangepast en dat ervoor moet worden gezorgd dat, in overeenstemming met de EU-normen en volgens de landelijke strategie voor aanpassing van de milieuwetgeving, de milieuwetgeving in heel het land doelmatig en gestructureerd ten uitvoer wordt gelegd; benadrukt opnieuw dat de grensoverschrijdende luchtverontreiniging door de olieraffinaderij in Brod met spoed moet worden aangepakt in overeenstemming met het milieubeleid van de EU; onderstreept dat BiH volledig moet voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband en het Protocol betreffende strategische milieueffectrapportage, in het bijzonder in verband met het stroomgebied van de Neretva en Trebišnjica; onderstreept dat de planning en aanleg van waterkrachtcentrales en -projecten de naleving van internationale en EU-milieuwetgeving vereist, waaronder de vogelrichtlijn, de habitatrichtlijn en de milieueffectbeoordelingsrichtlijn; benadrukt de dringende noodzaak om negatieve effecten op gebieden met een hoge natuurwaarde te vermijden door de kwaliteit van milieueffectbeoordelingen te verbeteren en de participatie van het publiek aan en de raadpleging van het maatschappelijk middenveld over relevante projecten te waarborgen;

45.  merkt op dat de elektriciteits- en gasmarkt nog steeds gefragmenteerd zijn en de gevestigde ondernemingen daar de scepter zwaaien; roept de autoriteiten van BiH op de vervoers- en energie-infrastructuur van het land verder te ontwikkelen en op korte termijn voor goed functionerende energie- en vervoersketens te zorgen; roept BiH op te profiteren van het nieuwe EU-pakket voor ontwikkeling van regionale connectiviteit, en te ijveren voor de voltooiing van de regionale energiemarkt overeenkomstig zijn verbintenissen op het gebied van klimaat; pleit voor voortdurende investeringen in infrastructuurprojecten om de vervoersverbindingen binnen BiH en met buurlanden te verbeteren; vraagt om inachtneming van aanbestedingsregels en het transparantiebeginsel bij het kiezen van de aannemers teneinde machtsmisbruik en corruptie te voorkomen en te garanderen dat de beste inschrijvingen worden geselecteerd; ondersteunt het voorstel om de roamingkosten in de Westelijke Balkan te verminderen;

46.  is verheugd over de opbouwende en stabiele bilaterale betrekkingen van BiH en de ondertekening van een aantal bilaterale overeenkomsten met zijn buren; roept op tot een versterking van de goede nabuurschapsbetrekkingen met de landen in de regio en tot verdere inspanningen teneinde alle openstaande bilaterale kwesties, zoals de afbakening van de grenzen met Servië en Kroatië, te kunnen oplossen, en tevens vooruitgang te kunnen maken in de richting van lidmaatschap van Europese organisaties;

47.  is verheugd over de door het Presidentschap van de BiH aangenomen strategie inzake het buitenlands beleid van BiH voor de periode 2018-2023, waarin duidelijk wordt verklaard dat lidmaatschap van de EU een van de belangrijkste strategische doelstellingen van het land is; betreurt dat de mate van aanpassing aan de EU-verklaringen en besluiten van de Raad met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) is afgenomen tot 61 % in 2017; benadrukt dat resultaten moeten worden geboekt wat betreft de geleidelijke aanpassing aan het GBVB en roept op tot aanzienlijke verbeteringen op dit gebied, dat een wezenlijk onderdeel vormt van het EU-lidmaatschap; verzoekt BiH met klem zich te conformeren aan de besluiten van de Raad inzake de invoering van restrictieve EU-maatregelen in de context van de illegale annexatie van de Krim door Rusland en de gebeurtenissen in het oosten van Oekraïne, en betreurt het opzettelijke gebrek aan samenwerking in dit opzicht door sommige politieke spelers;

48.  wijst op de groeiende invloed van buitenlandse mogendheden in BiH en is er stellig van overtuigd dat een sterkere op de EU gerichte inzet van BiH nog steeds de beste manier is om vooruitgang te verwezenlijken in de richting van Europese waarden, stabiliteit en welvaart in het land; is verheugd over de continue presentie van de operatie EUFOR-Althea in het land, die bijstand verleent bij capaciteitsopbouw en opleiding van het leger van BiH, en die tevens dient als een afschrikkingscapaciteit ter ondersteuning van een veilige en beveiligde omgeving; is ingenomen met de verlenging van het EUFOR-mandaat door de VN-Veiligheidsraad tot november 2019;

49.  dringt er bij de autoriteiten op aan te zorgen voor een nauwkeurige afstemming op internationale en EU-normen en beleidsdoelstellingen op het gebied van energie en klimaatverandering; betreurt dat de inspanningen van het land om de klimaatverandering te bestrijden beperkt blijven tot woorden, terwijl tegelijkertijd besluiten worden genomen over de planning van nieuwe op kolen gestookte thermische centrales; verzoekt daarom om annulering van de waterkrachtprojecten en -plannen die schadelijk zijn voor de natuur, ingaan tegen de wil van de lokale bevolking en niet in overeenstemming zijn met ruimtelijkeordeningsplannen op lokaal niveau of op het niveau van de entiteiten, en die alleen de investeerders ten goede komen;

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, het presidentschap van Bosnië en Herzegovina, de ministerraad van Bosnië en Herzegovina, de Parlementaire Vergadering van Bosnië en Herzegovina, de regeringen en de parlementen van de Federatie van Bosnië en Herzegovina, de Republika Srpska en het District Brčko, en de regeringen van de tien kantons.

(1) S/2018/416, 3.5.2018.
(2) S/2018/974, 31.10.2018.


Gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen ***I
PDF 457kWORD 144k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 februari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa (COM(2018)0375 – C8-0230/2018 – 2018/0196(COD))(1)
P8_TA-PROV(2019)0096A8-0043/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa
houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  In artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie zich met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ten doel stelt de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen, met bijzondere aandacht voor plattelandsgebieden, regio's die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen. Ingevolge artikel 175 VWEU moet de Unie de verwezenlijking van deze doelstellingen ondersteunen door haar optreden via het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de Europese Investeringsbank en andere instrumenten. Artikel 322 VWEU voorziet in de grondslag voor de vaststelling van financiële regels betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd en waarop de rekeningen worden ingediend en nagezien alsook van regels betreffende de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren.
(1)  In artikel 174 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) is bepaald dat de Unie zich met het oog op de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang ten doel stelt de verschillen tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's en de achterstand van de minst begunstigde regio's of eilanden te verkleinen, met bijzondere aandacht voor plattelandsgebieden, regio's die een industriële overgang doormaken en regio's die kampen met ernstige en permanente natuurlijke of demografische belemmeringen. Deze regio's profiteren in het bijzonder van het cohesiebeleid. Ingevolge artikel 175 VWEU moet de Unie de verwezenlijking van deze doelstellingen ondersteunen door haar optreden via het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de landbouw, afdeling Oriëntatie, het Europees Sociaal Fonds, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, de Europese Investeringsbank en andere instrumenten. Artikel 322 VWEU voorziet in de grondslag voor de vaststelling van financiële regels betreffende de wijze waarop de begroting wordt opgesteld en uitgevoerd en waarop de rekeningen worden ingediend en nagezien alsook van regels betreffende de controle van de verantwoordelijkheid van de financiële actoren.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Voor de toekomst van de Europese Unie en haar burgers is het belangrijk dat het cohesiebeleid het belangrijkste investeringsbeleid van de Unie blijft, waarbij de financiering in de periode 2021-2027 ten minste op het niveau van de programmeringsperiode 2014-2020 wordt gehouden. Nieuwe financiering voor andere activiteitsgebieden of programma's van de Unie mag niet ten koste gaan van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus of het Cohesiefonds.
Amendement 430
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Met het oog op een verdere ontwikkeling van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de EU-Fondsen onder gedeeld beheer, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, maatregelen gefinancierd onder gedeeld beheer in het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") moeten financiële regels op basis van artikel 322 VWEU worden vastgesteld voor al deze Fondsen ("de Fondsen"), waarbij het toepassingsgebied van de verschillende bepalingen duidelijk wordt gespecificeerd. Voorts moeten gemeenschappelijke bepalingen op basis van artikel 177 VWEU worden vastgesteld met het oog op beleidsspecifieke regels voor het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV.
(2)  Met het oog op een verdere ontwikkeling van de coördinatie en harmonisatie van de uitvoering van de EU-Fondsen onder gedeeld beheer, namelijk het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, maatregelen gefinancierd onder gedeeld beheer in het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") moeten financiële regels op basis van artikel 322 VWEU worden vastgesteld voor al deze Fondsen ("de Fondsen"), waarbij het toepassingsgebied van de verschillende bepalingen duidelijk wordt gespecificeerd. Voorts moeten gemeenschappelijke bepalingen op basis van artikel 177 VWEU worden vastgesteld met het oog op beleidsspecifieke regels voor het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds, het EFMZV en tot op zekere hoogte ook het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo).
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  De ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra financiering overeenkomstig artikel 349 van het VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994.
(4)  De ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's moeten in aanmerking komen voor specifieke maatregelen en extra financiering overeenkomstig artikel 349 van het VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 om de specifieke nadelen als gevolg van hun geografische ligging te helpen compenseren.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("VEU") en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en het genderperspectief te integreren, alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen aan enige vorm van segregatie. De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in de artikelen 11 en 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel "de vervuiler betaalt" wordt toegepast. Om de integriteit van de interne markt te beschermen moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU.
(5)  Horizontale beginselen als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie ("VEU") en in artikel 10 VWEU, met inbegrip van de beginselen subsidiariteit en evenredigheid als bedoeld in artikel 5 van het VEU moeten worden nageleefd bij de uitvoering van de Fondsen, rekening houdend met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten moeten ook voldoen aan de verplichtingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind en van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, en toegankelijkheid garanderen in overeenstemming met artikel 9 en met de wetgeving van de Unie tot harmonisering van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten. In dat verband moeten de Fondsen worden uitgevoerd op een manier die de-institutionalisering en door de gemeenschap gedragen zorg bevordert. Lidstaten en de Commissie moeten ernaar streven ongelijkheden op te heffen, de gelijkheid van mannen en vrouwen te bevorderen en het genderperspectief te integreren, alsmede discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische oorsprong, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid te bestrijden. De Fondsen mogen geen maatregelen ondersteunen die bijdragen tot enige vorm van segregatie of uitsluiting en mogen geen infrastructuur ondersteunen die ontoegankelijk is voor personen met een handicap. De doelstellingen van de Fondsen moeten worden nagestreefd in het kader van duurzame ontwikkeling en van de bevordering door de Unie van de in artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU verankerde doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu, waarbij het beginsel "de vervuiler betaalt" wordt toegepast en rekening wordt gehouden met de afgesproken verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs. Om de integriteit van de interne markt te beschermen, moeten concrete acties waarbij ondernemingen gebaat zijn, in overeenstemming zijn met de staatssteunregels van de Unie zoals bedoeld in de artikelen 107 en 108 van het VWEU. Armoede is een van de grootste uitdagingen van de EU. Daarom moet met de Fondsen een bijdrage worden geleverd aan de uitbanning van armoede. Ook moeten zij bijdragen aan het streven van de Unie en haar lidstaten om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties te verwezenlijken.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen fonds bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 25 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen.
(9)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, zullen de Fondsen bijdragen aan de integratie van klimaatactie en aan de verwezenlijking van een algemene doelstelling van 30 % van de EU-begroting in het kader van de klimaatdoelstellingen. Mechanismen voor de opbouw van klimaatbestendigheid moeten integraal deel uitmaken van de programmering en uitvoering.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Gezien het effect van de migratiestromen uit derde landen moet het cohesiebeleid bijdragen aan integratieprocessen, met name door infrastructuurondersteuning te bieden aan dorpen en steden en lokale en regionale autoriteiten die de eerste linie vormen in en meer betrokken zijn bij de uitvoering van het integratiebeleid.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad12 ("het Financieel Reglement"). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie.
(10)  Een deel van de begroting van de Unie die aan de Fondsen is toegewezen, moet door de Commissie worden uitgevoerd in gedeeld beheer met de lidstaten in de zin van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe Financieel Reglement] van het Europees Parlement en de Raad12 ("het Financieel Reglement"). Bij de uitvoering van de Fondsen onder gedeeld beheer moeten de Commissie en de lidstaten derhalve de in het Financieel Reglement opgenomen beginselen in acht nemen, zoals goed financieel beheer, transparantie en non-discriminatie. De lidstaten moeten worden belast met de voorbereiding en de uitvoering van de programma's. Op het passende territoriale niveau overeenkomstig hun institutionele, juridische en financiële kader moeten de instanties die zij daartoe hebben aangewezen, daarmee worden belast. De lidstaten mogen geen bijkomende regels vaststellen die het gebruik van de middelen voor de begunstigden gecompliceerd maken.
__________________
__________________
12 PB L […] van […], blz. […].
12 PB L […] van […], blz. […].
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie13 van toepassing blijven.
(11)  Het principe van partnerschap is een essentieel kenmerk bij de uitvoering van de Fondsen, waarbij wordt voortgebouwd op de aanpak van meerlagig bestuur en wordt gezorgd voor de betrokkenheid van regionale, lokale en andere overheden, het maatschappelijk middenveld en de sociale partners. Met het oog op continuïteit bij de organisatie van het partnerschap moet de Commissie worden gemachtigd Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie13 te wijzigen en aan te passen.
__________________
__________________
13 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
13 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Op het niveau van de Unie is het Europees Semester Europees voor coördinatie van het economisch beleid het kader om nationale hervormingsprioriteiten vast te stellen en toezicht te houden op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Deze strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden voorgesteld om een overzicht te bieden van en te zorgen voor de coördinatie van de prioritaire investeringsprojecten die met nationale middelen en EU-middelen moeten worden ondersteund. Voorts kan met deze strategieën de EU-financiering op een samenhangende wijze worden gebruikt en kan de toegevoegde waarde van de met name van de Fondsen, de Stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU te ontvangen financiële steun worden gemaximaliseerd.
Schrappen
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  De lidstaten moeten bepalen op welke wijze bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna "de landspecifieke aanbevelingen" genoemd). Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna "programmeringsperiode" genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma's ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen. Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd.
(13)  De lidstaten moeten bij het opstellen van de programmeringsdocumenten rekening houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en de relevante aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 148, lid 4, VWEU (hierna "de landspecifieke aanbevelingen" genoemd), voor zover zij in overeenstemming zijn met de doelstellingen van het programma. Tijdens de programmeringsperiode 2021-2027 (hierna "programmeringsperiode" genoemd) moeten de lidstaten op gezette tijden het toezichtcomité en de Commissie in kennis stellen van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van de programma's ter ondersteuning van de landspecifieke aanbevelingen en van de Europese pijler van sociale rechten. Tijdens een tussentijdse evaluatie moeten de lidstaten onder meer nagaan of programmawijzigingen noodzakelijk zijn om rekening te houden met de relevante landspecifieke aanbevelingen die sinds de start van de programmeringsperiode zijn vastgesteld of gewijzigd.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Lidstaten moeten rekening houden met de inhoud van de ontwerpen van hun nationale energie- en klimaatplannen die moeten worden ontwikkeld in het kader van de Verordening betreffende de governance van de energie-unie14 en met de resultaten van het proces dat moet leiden tot de aanbevelingen van de Unie met betrekking tot deze plannen, zowel voor hun programma's als voor de financiële behoeften die worden toegewezen aan koolstofarme investeringen.
(14)  Lidstaten moeten rekening houden met de inhoud van de ontwerpen van hun nationale energie- en klimaatplannen die moeten worden ontwikkeld in het kader van de Verordening betreffende de governance van de energie-unie14 en met de resultaten van het proces dat moet leiden tot de aanbevelingen van de Unie met betrekking tot deze plannen, zowel voor hun programma's, ook in het kader van de tussentijdse evaluatie, als voor de financiële behoeften die worden toegewezen aan koolstofarme investeringen.
__________________
__________________
14 [Verordening inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM/2016/0759 final/2 - 2016/0375 (COD)].
14 [Verordening inzake de governance van de energie-unie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (COM/2016/759 final/2 - 2016/0375 (COD)].
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De door elke lidstaat opgestelde partnerschapovereenkomst moet een strategisch document zijn dat dient als richtsnoer bij de onderhandelingen tussen de Commissie en de desbetreffende lidstaat over het ontwerp van programma's. Om de administratieve last te verminderen, zou het niet nodig moeten zijn om de partnerschapsovereenkomsten tijdens de programmeringsperiode te wijzigen. Om de programmering te vergemakkelijken en overlappende inhoud in programmeringsdocumenten te voorkomen, kunnen de partnerschapsprogramma's worden opgenomen als onderdeel van een programma.
(15)  De door elke lidstaat opgestelde partnerschapovereenkomst moet een strategisch document zijn dat dient als richtsnoer bij de onderhandelingen tussen de Commissie en de desbetreffende lidstaat over het ontwerp van programma's. Om de administratieve last te verminderen, zou het niet nodig moeten zijn om de partnerschapsovereenkomsten tijdens de programmeringsperiode te wijzigen. Om de programmering te vergemakkelijken en overlappende inhoud in programmeringsdocumenten te voorkomen, moet het mogelijk zijn partnerschapsovereenkomsten op te nemen als onderdeel van een programma.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Elke lidstaat moet over de flexibiliteit beschikken om bij te dragen tot InvestEU voor de voorziening van budgettaire garanties voor investeringen in deze lidstaat.
(16)  Elke lidstaat kan over de flexibiliteit beschikken om bij te dragen tot InvestEU voor de voorziening van budgettaire garanties voor investeringen in deze lidstaat, onder bepaalde voorwaarden die zijn gespecificeerd in artikel 10 van deze verordening.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Om te zorgen voor de noodzakelijke precondities voor een doeltreffend en efficiënt gebruik van de door de Fondsen verleende steun van de Unie, moet een beperkte lijst van randvoorwaarden alsook een beknopte en exhaustieve reeks van objectieve criteria voor de beoordeling ervan worden opgesteld. Elke randvoorwaarde moet aan een specifieke doelstelling worden gekoppeld en moet automatisch kunnen worden toegepast wanneer de specifieke doelstelling voor steun wordt geselecteerd. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, kunnen uitgaven die verband houden met concrete acties onder de desbetreffende specifieke doelstellingen niet worden opgenomen in de betaalaanvragen. Om een gunstig investeringskader te handhaven, moet op gezette tijden worden nagegaan of nog steeds is voldaan aan de randvoorwaarden. Het is ook belangrijk dat de voor steun geselecteerde acties worden uitgevoerd in overeenstemming met de bestaande strategieën en planningdocumenten die aan de basis liggen van de randvoorwaarden waaraan is voldaan. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat alle medegefinancierde concrete acties in overeenstemming zijn met het beleidskader van de Unie.
(17)  Om te zorgen voor de noodzakelijke precondities voor een inclusief, niet-discriminerend, doeltreffend en efficiënt gebruik van de door de Fondsen verleende steun van de Unie, moet een beperkte lijst van randvoorwaarden alsook een beknopte en exhaustieve reeks van objectieve criteria voor de beoordeling ervan worden opgesteld. Elke randvoorwaarde moet aan een specifieke doelstelling worden gekoppeld en moet automatisch kunnen worden toegepast wanneer de specifieke doelstelling voor steun wordt geselecteerd. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, kunnen uitgaven die verband houden met concrete acties onder de desbetreffende specifieke doelstellingen niet worden opgenomen in de betaalaanvragen. Om een gunstig investeringskader te handhaven, moet op gezette tijden worden nagegaan of nog steeds is voldaan aan de randvoorwaarden. Het is ook belangrijk dat de voor steun geselecteerde acties worden uitgevoerd in overeenstemming met de bestaande strategieën en planningdocumenten die aan de basis liggen van de randvoorwaarden waaraan is voldaan. Hierdoor wordt ervoor gezorgd dat alle medegefinancierde concrete acties in overeenstemming zijn met het beleidskader van de Unie.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  De lidstaten moeten een prestatiekader vaststellen voor elk programma dat betrekking heeft op alle indicatoren, mijlpalen en doelstellingen met het oog op de monitoring, rapportage en evaluatie van de programmaprestaties.
(18)  De lidstaten moeten een prestatiekader vaststellen voor elk programma dat betrekking heeft op alle indicatoren, mijlpalen en doelstellingen met het oog op de monitoring, rapportage en evaluatie van de programmaprestaties. Dit moet een resultaatgerichte selectie en evaluatie van projecten mogelijk maken.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  De lidstaat moet een tussentijdse evaluatie uitvoeren van elk programma dat door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds wordt ondersteund. In deze evaluatie moet een volwaardige aanpassing van de programma's zijn opgenomen die gebaseerd is op de programmaprestaties, waarbij ook wordt voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met nieuwe uitdagingen en de in 2024 gedane landspecifieke aanbevelingen. Daarnaast moet de Commissie in 2024 samen met de technische aanpassing voor het jaar 2025 een herziening uitvoeren van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" van het cohesiebeleid voor de jaren 2025, 2026 en 2027 heeft verricht, met toepassing van de toewijzingsmethode in de desbetreffende basishandeling. Deze herziening moet samen met de resultaten van de tussentijdse evaluatie resulteren in aanpassingen van het programma, waarbij de financiële toewijzingen voor de jaren 2025, 2026 en 2027 worden gewijzigd.
(19)  De lidstaat moet een tussentijdse evaluatie uitvoeren van elk programma dat door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds wordt ondersteund. In deze evaluatie moet een volwaardige aanpassing van de programma's zijn opgenomen die gebaseerd is op de programmaprestaties, waarbij ook wordt voorzien in de mogelijkheid om rekening te houden met nieuwe uitdagingen en de in 2024 gedane landspecifieke aanbevelingen, evenals met vooruitgang met de nationale energie- en klimaatplannen en de Europese pijler van sociale rechten. Er moet ook rekening worden gehouden met demografische uitdagingen. Daarnaast moet de Commissie in 2024 samen met de technische aanpassing voor het jaar 2025 een herziening uitvoeren van de totale toewijzingen die elke lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" van het cohesiebeleid voor de jaren 2025, 2026 en 2027 heeft verricht, met toepassing van de toewijzingsmethode in de desbetreffende basishandeling. Deze herziening moet samen met de resultaten van de tussentijdse evaluatie resulteren in aanpassingen van het programma, waarbij de financiële toewijzingen voor de jaren 2025, 2026 en 2027 worden gewijzigd.
Amendementen 425rev, 444rev. 448 en 469
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Mechanismen die het financieringsbeleid van de Unie moeten koppelen aan het economisch bestuur van de Unie moeten verder worden verfijnd, waarbij de Commissie aan de Raad een voorstel kan doen om alle of een deel van de vastleggingen voor een of meer programma's van de desbetreffende lidstaten te schorsen wanneer deze lidstaat geen doeltreffende actie in het kader van het economisch bestuur onderneemt. Om te zorgen voor een uniforme uitvoering en met het oog op het belang van de financiële gevolgen van de voorgestelde maatregelen, dienen uitvoeringsbevoegdheden aan de Raad te worden verleend, die moet handelen op basis van een voorstel van de Commissie. Om de vaststelling van besluiten te vergemakkelijken die nodig zijn om een doeltreffend optreden in het kader van het economisch bestuur te garanderen, moet gebruik worden gemaakt van stemming bij omgekeerde gekwalificeerde meerderheid.
Schrappen
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)  Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen die in het kader van financiering uit de Europese structuur- en investeringsfondsen ("ESI-fondsen") zijn gestart. De Commissie moet het desbetreffende verzoek zorgvuldig beoordelen bij de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Een aanzienlijk deel van de uitgaven van de Unie gaat naar grote projecten die vaak van strategisch belang zijn voor het welslagen van de strategie van de Unie voor slimme, duurzame en inclusieve groei. Het is dan ook gerechtvaardigd dat concrete acties boven bepaalde drempels in het kader van deze verordening nog steeds onder specifieke goedkeuringsprocedures vallen. De drempel moet worden vastgesteld in verhouding tot de totale subsidiabele kosten, rekening houdend met verwachte netto-inkomsten. Met het oog op duidelijkheid moet in verband hiermee worden gedefinieerd wat een aanvraag voor een groot project inhoudt. De aanvraag moet de nodige informatie bevatten om er zekerheid over te verkrijgen dat de financiële bijdrage uit de Fondsen niet leidt tot aanzienlijk banenverlies op bestaande locaties in de Unie. De lidstaat moet alle vereiste informatie verstrekken en de Commissie moet het grote project beoordelen om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage gerechtvaardigd is.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Om de geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling te versterken, moeten investeringen in de vorm van territoriale instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen ("ITI"), vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling ("CLLD") of elk ander territoriaal instrument onder de beleidsdoelstelling "Een Europa dat dichter bij de burger staat" ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn gebaseerd op territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën. Voor de doelstellingen van de ITI's en door de lidstaten ontworpen territoriale instrumenten moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van de territoriale strategieën. Deze territoriale strategieën moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties. Met het oog op de betrokkenheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties bij de uitvoering van de territoriale strategieën, moeten deze autoriteiten of organen verantwoordelijk zijn voor selectie van de te ondersteunen concrete acties of betrokken zijn bij deze selectie.
(23)  Om de geïntegreerde aanpak voor territoriale ontwikkeling te versterken, moeten investeringen in de vorm van territoriale instrumenten zoals geïntegreerde territoriale investeringen ("ITI"), vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling ("CLLD", bekend onder de naam "Leader" in het kader van het Elfpo) of elk ander territoriaal instrument onder de beleidsdoelstelling "Een Europa dat dichter bij de burger staat" ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn gebaseerd op territoriale en lokale ontwikkelingsstrategieën. Hetzelfde moet gelden voor verwante initiatieven zoals "slimme dorpen". Voor de doelstellingen van de ITI's en door de lidstaten ontworpen territoriale instrumenten moeten minimumvereisten worden vastgesteld voor de inhoud van de territoriale strategieën. Deze territoriale strategieën moeten worden ontwikkeld en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties. Met het oog op de betrokkenheid van de desbetreffende autoriteiten of instanties bij de uitvoering van de territoriale strategieën, moeten deze autoriteiten of organen verantwoordelijk zijn voor selectie van de te ondersteunen concrete acties of betrokken zijn bij deze selectie.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Om het potentieel op lokaal niveau beter te mobiliseren, is het noodzakelijk de CLLD te versterken en te bevorderen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale behoeften en mogelijkheden, alsook met de relevante sociaal-culturele kenmerken, en moet voorzien worden in structurele veranderingen, waarbij de lokale capaciteiten worden opgebouwd en innovatie wordt bevorderd. De nauwe samenwerking en het geïntegreerd gebruik van de Fondsen om lokale ontwikkelingsstrategieën tot stand te brengen, moeten worden versterkt. Het is van wezenlijk belang dat lokale actiegroepen die de belangen van de gemeenschap vertegenwoordigen verantwoordelijk zijn voor het ontwerp en de uitvoering van CLLD-strategieën. Om de gecoördineerde steun van verschillende Fondsen aan de CLLD-strategieën te bevorderen en hun uitvoering te vergemakkelijken, moet het gebruik van een aanpak via een "hoofdfonds" worden bevorderd.
(24)  Om het potentieel op lokaal niveau beter te mobiliseren, is het noodzakelijk de CLLD te versterken en te bevorderen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale behoeften en mogelijkheden, alsook met de relevante sociaal-culturele kenmerken, en moet voorzien worden in structurele veranderingen, waarbij de lokale en bestuurlijke capaciteiten worden opgebouwd en innovatie wordt bevorderd. De nauwe samenwerking en het geïntegreerd gebruik van de Fondsen om lokale ontwikkelingsstrategieën tot stand te brengen, moeten worden versterkt. Het is van wezenlijk belang dat lokale actiegroepen die de belangen van de gemeenschap vertegenwoordigen verantwoordelijk zijn voor het ontwerp en de uitvoering van CLLD-strategieën. Om de gecoördineerde steun van verschillende Fondsen aan de CLLD-strategieën te bevorderen en hun uitvoering te vergemakkelijken, moet het gebruik van een aanpak via een "hoofdfonds" worden bevorderd.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Om de administratieve last te beperken, moet technische bijstand op initiatief van de lidstaat tot stand komen door middel van een vast percentage op basis van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van het programma. De technische bijstand kan worden aangevuld met gerichte maatregelen voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit waarbij terugbetalingsmethoden worden gebruikt die niet gekoppeld zijn aan kosten. Over acties en resultaten alsook de overeenkomstige betalingen van de Unie kan overeenstemming worden bereikt in een stappenplan, hetgeen kan resulteren in betalingen voor het behalen van concrete resultaten.
(25)  Om de administratieve last te beperken, moet technische bijstand op initiatief van de lidstaat tot stand komen door middel van een vast percentage op basis van de geboekte vooruitgang bij de uitvoering van het programma. De technische bijstand kan worden aangevuld met gerichte maatregelen voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit, zoals de evaluatie van de waaier aan vaardigheden van de werknemers, waarbij terugbetalingsmethoden worden gebruikt die niet gekoppeld zijn aan kosten. Over acties en resultaten alsook de overeenkomstige betalingen van de Unie kan overeenstemming worden bereikt in een stappenplan, hetgeen kan resulteren in betalingen voor het behalen van concrete resultaten.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Om de prestaties van de programma's te onderzoeken, moet de lidstaat toezichtcomités oprichten. Voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten de jaarlijkse uitvoeringsverslagen worden vervangen door een jaarlijkse gestructureerde beleidsdialoog op basis van meest recente informatie en gegevens over de uitvoering van het programma die door de lidstaat beschikbaar zijn gesteld.
(27)  Om de prestaties van de programma's te onderzoeken, moet de lidstaat toezichtcomités oprichten, waarin ook vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld en de sociale partners zetelen. Voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moeten de jaarlijkse uitvoeringsverslagen worden vervangen door een jaarlijkse gestructureerde beleidsdialoog op basis van meest recente informatie en gegevens over de uitvoering van het programma die door de lidstaat beschikbaar zijn gesteld.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201616 moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de fondsen in de praktijk worden verzameld.
(28)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201616 moeten de Fondsen worden geëvalueerd op basis van gegevens die uit hoofde van specifieke voorschriften voor monitoring worden verzameld, waarbij echter overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften ook meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan gegevens over de effecten van de Fondsen in de praktijk worden verzameld. De indicatoren moeten zo mogelijk op genderbewuste wijze worden ontwikkeld.
_________________
_________________
16 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
16 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Om de beschikbaarheid te waarborgen van uitvoerige en bijgewerkte informatie over de uitvoering van het programma, is meer frequente digitale rapportering over de kwantitatieve data vereist.
(29)  Om de beschikbaarheid te waarborgen van uitvoerige en bijgewerkte informatie over de uitvoering van het programma, is doeltreffende en tijdige digitale rapportering over de kwantitatieve data vereist.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om de voorbereiding van gerelateerde programma's en activiteiten van de volgende programmeringsperiode te ondersteunen, moet de Commissie een tussentijdse evaluatie van de Fondsen uitvoeren. Op het einde van de programmeringsperiode moet de Commissie evaluaties achteraf uitvoeren van de Fondsen, die moeten toegespitst zijn op de effecten van de Fondsen.
(30)  Om de voorbereiding van gerelateerde programma's en activiteiten van de volgende programmeringsperiode te ondersteunen, moet de Commissie een tussentijdse evaluatie van de Fondsen uitvoeren. Op het einde van de programmeringsperiode moet de Commissie evaluaties achteraf uitvoeren van de Fondsen, die moeten toegespitst zijn op de effecten van de Fondsen. De resultaten van deze evaluaties moeten openbaar worden gemaakt.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  Wat betreft de aan begunstigden verleende subsidies, moeten lidstaten steeds vaker gebruik maken van vereenvoudigde kostenopties. De drempel voor het verplichte gebruik van vereenvoudigde kostenopties moet worden gekoppeld aan de totale kosten van de concrete actie om ervoor te zorgen dat alle concrete acties onder de drempelwaarde op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht of het gaat om publieke of particuliere steun.
(34)  Wat betreft de aan begunstigden verleende subsidies, moeten lidstaten steeds vaker gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties. De drempel voor het verplichte gebruik van vereenvoudigde kostenopties moet worden gekoppeld aan de totale kosten van de concrete actie om ervoor te zorgen dat alle concrete acties onder de drempelwaarde op dezelfde wijze worden behandeld, ongeacht of het gaat om publieke of particuliere steun. Wanneer een lidstaat voornemens is het gebruik van vereenvoudigde kostenopties voor te stellen, kan hij het toezichtcomité raadplegen.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Om de benutting van medegefinancierde milieu-investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën met het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie, in het bijzonder door strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten.
(36)  Om de benutting van medegefinancierde milieu-investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd voor synergieën met het LIFE-programma voor het milieu en klimaatactie, in het bijzonder door strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten, evenals projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa en andere programma's van de Unie.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Om ervoor te zorgen dat de Fondsen een doeltreffend, billijk en duurzaam effect sorteren, zijn bepalingen nodig die het duurzame karakter van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen garanderen, en voorkomen dat de Fondsen worden gebruikt om een onrechtmatig voordeel te behalen. De beheersautoriteiten moeten in het bijzonder erop letten om geen verplaatsing te ondersteunen bij de selectie van concrete acties en om bedragen die ten onrechte zijn betaald aan concrete acties zonder te voldoen aan de duurzaamheidsvereiste als onregelmatigheden te behandelen.
(38)  Om ervoor te zorgen dat de Fondsen een inclusief, doeltreffend, billijk en duurzaam effect sorteren, zijn bepalingen nodig die het niet-discriminerende en duurzame karakter van investeringen in infrastructuur of productieve investeringen garanderen, en voorkomen dat de Fondsen worden gebruikt om een onrechtmatig voordeel te behalen. De beheersautoriteiten moeten in het bijzonder erop letten om geen verplaatsing te ondersteunen bij de selectie van concrete acties en om bedragen die ten onrechte zijn betaald aan concrete acties zonder te voldoen aan de duurzaamheidsvereiste als onregelmatigheden te behandelen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd naar synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, met inbegrip van het hervormingsinstrument. Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen.
(40)  Teneinde de toegevoegde waarde van gedeeltelijk of geheel via de begroting van de Unie gefinancierde investeringen te optimaliseren, moet worden gezorgd naar synergieën, in het bijzonder tussen de Fondsen en direct beheerde instrumenten, met inbegrip van het hervormingsinstrument. Deze beleidscoördinatie moet gebruiksvriendelijke mechanismen en meerlagig bestuur bevorderen. Deze synergieën moeten tot stand komen door middel van belangrijke mechanismen, met name de erkenning van vaste tarieven voor subsidiabele kosten van Horizon Europa voor een soortgelijke concrete actie en de mogelijkheid financiering uit verschillende Unie-instrumenten in dezelfde concrete actie te combineren en daarbij dubbele financiering te vermijden. In deze verordening moeten derhalve regels worden opgenomen voor de aanvullende financiering van de Fondsen.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 bis (nieuw)
(42 bis)   De beheersautoriteiten moeten de mogelijkheid hebben om financieringsinstrumenten uit te voeren via onderhandse gunning van een opdracht aan de EIB-groep, aan nationale stimuleringsbanken en aan internationale financiële instellingen (IFI's).
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Met volledige inachtneming van de toepasselijke regels inzake staatssteun en openbare aanbestedingen, die reeds verduidelijkt werden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moeten de beheersautoriteiten kunnen beslissen over de meeste geschikte uitvoeringsopties voor financiële instrumenten om de specifieke behoeften van de doelregio's aan te pakken.
(44)  Met volledige inachtneming van de toepasselijke regels inzake staatssteun en openbare aanbestedingen, die reeds verduidelijkt werden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, moeten de beheersautoriteiten kunnen beslissen over de meeste geschikte uitvoeringsopties voor financieringsinstrumenten om de specifieke behoeften van de doelregio's aan te pakken. In dit kader moet de Commissie, in samenwerking met de Europese Rekenkamer, richtsnoeren geven aan de controleurs, beheersautoriteiten en begunstigden voor de beoordeling van de naleving van de regels inzake staatssteun en voor de ontwikkeling van regelingen voor staatssteun.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 45 bis (nieuw)
(45 bis)   Om de verantwoording en transparantie te vergroten, moet de Commissie voorzien in een systeem voor klachtenbehandeling dat in alle voorbereidings- en uitvoeringsfasen van de programma's, met inbegrip van het toezicht en de evaluatie, toegankelijk is voor alle burgers en belanghebbenden.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen van de vorige programmeringsperiode worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet - waar nodig, aangepast - gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is.
(46)  Om de aanvang van de uitvoering van het programma te versnellen, moet de doorrol van de uitvoeringsregelingen, met inbegrip van bestuurlijke en IT-systemen, van de vorige programmeringsperiode indien mogelijk worden bevorderd. Het gebruik van het reeds voor de vorige programmeringsperiode ontwikkelde computersysteem moet - waar nodig, aangepast - gehandhaafd blijven, tenzij een nieuwe technologie noodzakelijk is.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 48 bis (nieuw)
(48 bis)  Om het doeltreffende gebruik van de Fondsen te ondersteunen, moet elke lidstaat op verzoek kunnen beschikken over de EIB-steun. Deze kan betrekking hebben op capaciteitsopbouw, op steun bij de identificatie, voorbereiding en uitvoering van projecten en op advies over financieringsinstrumenten en investeringsplatformen.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 50
(50)  Om te zorgen voor een passend evenwicht tussen de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en de hieraan gerelateerde administratieve kosten en lasten, moeten de frequentie, reikwijdte en dekking van beheersverificaties gebaseerd zijn op een risicobeoordeling die rekening houdt met factoren zoals het soort uitgevoerde concrete acties, de begunstigden en het door vorige beheersverificaties en audits vastgestelde risiconiveau.
(50)  Om te zorgen voor een passend evenwicht tussen de doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Fondsen en de hieraan gerelateerde administratieve kosten en lasten, moeten de frequentie, reikwijdte en dekking van beheersverificaties gebaseerd zijn op een risicobeoordeling die rekening houdt met factoren zoals het soort uitgevoerde concrete acties, het aantal concrete acties en de complexiteit ervan, de begunstigden en het door vorige beheersverificaties en audits vastgestelde risiconiveau. De beheers- en controlemaatregelen voor de Fondsen moeten in verhouding staan tot het niveau van het risico voor de begroting van de Unie.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 58
(58)  Ook moeten de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden met inbegrip van fraude door begunstigden te voorkomen, op te sporen en doeltreffend aan te pakken. Voorts kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/201318 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/9519 en nr. 2185/9620 administratieve onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/193921 kan het Europees Openbaar Ministerie fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, onderzoeken en vervolgens zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/137122 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. Lidstaten moeten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle meewerkt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verleent aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer en ervoor zorgt dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Lidstaten moet bij de Commissie verslag uitbrengen over de geconstateerde onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, alsook over de follow-up die zij hieraan hebben gegeven en over de follow-up van de OLAF-onderzoeken.
(58)  Ook moeten de lidstaten het nodige doen om onregelmatigheden met inbegrip van fraude door begunstigden te voorkomen, op te sporen en doeltreffend aan te pakken. Voorts kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/201318 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2988/9519 en nr. 2185/9620 administratieve onderzoeken uitvoeren, met inbegrip van controles en inspecties ter plaatse, om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/193921 kan het Europees Openbaar Ministerie fraude en andere strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, onderzoeken en vervolgen zoals bepaald in Richtlijn (EU) 2017/137122 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt. Lidstaten moeten de noodzakelijke maatregelen nemen opdat elke persoon of entiteit die middelen van de Unie ontvangt, ten volle meewerkt aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verleent aan de Commissie, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer en ervoor zorgt dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen. Lidstaten moeten bij de Commissie een gedetailleerd verslag indienen over de geconstateerde onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, alsook over de follow-up die zij hieraan hebben gegeven en over de follow-up van de OLAF-onderzoeken. Lidstaten die niet deelnemen aan de nauwere samenwerking in het kader van het EOM, moeten bij de Commissie verslag uitbrengen over de besluiten van de nationale strafvervolgingsautoriteiten in verband met onregelmatigheden die gevolgen hebben voor de begroting van de Unie.
__________________
__________________
18 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
18 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
19 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
19 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
20 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
20 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
21 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM"), PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
21 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM"), PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1.
22 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
22 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 61
(61)  Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio's en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio's in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad23, gewijzigd door Verordening (EGnr. 868/2014 van de Commissie24.
(61)  Er moeten objectieve criteria worden vastgesteld om te bepalen welke regio's en gebieden voor steun uit de Fondsen in aanmerking komen. Daartoe moet de identificatie van de regio's en gebieden op Unieniveau worden gebaseerd op het gemeenschappelijke classificatiesysteem voor de regio's in Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad23, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU2016/2066 van de Commissie24.
__________________
__________________
23 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
23 Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1).
24 Verordening (EU) nr. 868/2014 van de Commissie van 8 augustus 2014 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 241 van 13.8.2014, blz. 1).
24 Verordening (EU) 2016/2066 van de Commissie van 21 november 2016 tot wijziging van de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (PB L 322 van 29.11.2016, blz. 1).
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 62
(62)  Met het oog op de vaststelling van een passend financieel kader voor het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" vaststellen samen de lijst van de subsidiabele regio's en de toewijzingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg). Rekening houdende met het feit dat de nationale toewijzingen van lidstaten moeten worden vastgesteld op basis in 2018 beschikbare statistische gegevens en prognoses en gezien de onzekerheden rond de prognoses moet de Commissie de totale toewijzingen van alle lidstaten in 2024 herzien op basis van meest recente statistieken die op dat moment beschikbaar zijn en als het gecumuleerde verschil meer bedraagt dan +/-5 %, moeten de toewijzingen voor de jaren 2025 tot 2027 worden aangepast om ervoor te zorgen dat de resultaten van de tussentijdse evaluatie en de technische aanpassing worden weerspiegeld in de programmawijzigingen die dan tot stand komen.
(62)  Met het oog op de vaststelling van een passend financieel kader voor het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Cohesiefonds moet de Commissie de jaarlijkse verdeling van de beschikbare toewijzingen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in groei en werkgelegenheid" vaststellen samen de lijst van de subsidiabele regio's en de toewijzingen voor de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg). Rekening houdend met het feit dat de nationale toewijzingen van lidstaten moeten worden vastgesteld op basis van de in 2018 beschikbare statistische gegevens en prognoses en gezien de onzekerheden rond de prognoses moet de Commissie de totale toewijzingen van alle lidstaten in 2024 herzien op basis van de meest recente statistieken die op dat moment beschikbaar zijn en als het gecumuleerde verschil meer bedraagt dan +/- 5 %, moeten de toewijzingen voor de jaren 2025 tot 2027 worden aangepast om ervoor te zorgen dat de resultaten van de tussentijdse evaluatie en de technische aanpassing worden weerspiegeld in de programmawijzigingen die dan tot stand komen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 63
(63)  Projecten met betrekking tot de trans-Europese vervoersnetwerken zullen overeenkomstig Verordening (EU) [nieuwe CEF-verordening]25 ook in het vervolg uit het Cohesiefonds worden gefinancierd, zowel via gedeeld beheer als via de modaliteit voor directe uitvoering in het kader van de Connecting Europe Facility ("CEF"). Voortbouwend op de succesvolle benadering van de programmeringsperiode 2014-2020 moet met het oog hierop een bedrag van 10 000 000 000 EUR van het Cohesiefonds worden overgedragen naar het CEF.
(63)  Projecten met betrekking tot de trans-Europese vervoersnetwerken zullen overeenkomstig Verordening (EU) [nieuwe CEF-verordening]25 ook in het vervolg uit het Cohesiefonds worden gefinancierd, zowel via gedeeld beheer als via de modaliteit voor directe uitvoering in het kader van de Connecting Europe Facility ("CEF"). Voortbouwend op de succesvolle benadering van de programmeringsperiode 2014-2020 moet met het oog hierop een bedrag van 4 000 000 000 EUR van het Cohesiefonds worden overgedragen naar het CEF.
__________________
__________________
25 Verordening (EU) [...] van het Europees Parlement en de Raad van [...] met betrekking tot [CEF ] (PB L [...] van [...], blz. [...]).
25 Verordening (EU) [...] van het Europees Parlement en de Raad van [...] met betrekking tot [CEF ] (PB L [...] van [...], blz. [...]).
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 64
(64)  Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het Stedelijk Europa"-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd.
(64)  Een zekere hoeveelheid middelen uit het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds moet aan het "Stedelijk Europa"-initiatief worden toegewezen, dat door de Commissie via direct of indirect beheer moet worden uitgevoerd. In de toekomst moet verder worden nagedacht over de specifieke steun die wordt verleend aan achtergestelde regio's en gemeenschappen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 65 bis (nieuw)
(65 bis)   Om de in het zevende cohesieverslag1 bis beschreven uitdagingen voor regio's met een gemiddeld inkomen aan te pakken (lage groei in vergelijking met meer ontwikkelde regio's, maar ook in vergelijking met minder ontwikkelde regio's, met name een probleem in regio's met een bbp per hoofd van 90 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27), moeten "overgangsregio's" toereikende steun ontvangen en omschreven worden als regio's waarvan het bbp per hoofd 75 % à 100 % van het gemiddelde bbp van de EU-27 bedraagt.
___________________
1 bis Het zevende verslag van de Commissie inzake economische, sociale en territoriale cohesie, getiteld "Mijn regio, mijn Europa, onze toekomst: Het zevende verslag inzake economische, sociale en territoriale cohesie" (COM(2017)0583 final van 9 oktober 2017).
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 66 bis (nieuw)
(66 bis)  Vanwege hun geografische ligging en de aard en/of intensiteit van hun handelsbetrekkingen zullen verschillende regio's en lidstaten meer dan de andere te maken krijgen met de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie. Daarom is het belangrijk om ook in het kader van het cohesiebeleid praktische oplossingen te vinden voor steun om de uitdagingen voor de betrokken regio's en lidstaten aan te pakken zodra de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk heeft plaatsgevonden. Bovendien zal een permanente samenwerking tot stand moeten komen, waarbij de lokale en regionale autoriteiten en lidstaten die het hardst getroffen worden informatie en goede praktijken uitwisselen.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 67
(67)  De maximale medefinancieringspercentages op het vlak van het cohesiebeleid moeten per regiocategorie worden vastgesteld teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van medefinanciering door middel van een passend niveau van publieke of private nationale steunverlening in acht wordt genomen. Deze percentages moet een weerspiegeling zijn van het niveau van economische ontwikkeling van regio's op het vlak van bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27.
(67)  De maximale medefinancieringspercentages op het vlak van het cohesiebeleid moeten per regiocategorie worden vastgesteld teneinde ervoor te zorgen dat het beginsel van medefinanciering door middel van een passend niveau van publieke of private nationale steunverlening in acht wordt genomen. Deze percentages moeten een weerspiegeling zijn van het niveau van economische ontwikkeling van regio's op het vlak van bbp per hoofd van de bevolking ten opzichte van het gemiddelde van de EU-27, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat verschuivingen van categorie niet tot een minder gunstige behandeling leiden.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 69
(69)  Voorst moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de vaststelling van de criteria voor het bepalen van de onregelmatigheden die moeten worden gemeld, de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houd met kosten die van toepassing zijn op alle lidstaten alsook de vaststelling van gestandaardiseerde vlot inzetbare steekproefmethoden.
(69)  Voorts moet de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de wijziging van de Europese gedragscode inzake partnerschap teneinde de code aan te passen aan deze verordening, en met betrekking tot de vaststelling van de criteria voor het bepalen van de onregelmatigheden die moeten worden gemeld, de vaststelling van eenheidskosten, vaste bedragen, vaste percentages en financiering die geen verband houdt met kosten die van toepassing zijn op alle lidstaten alsook de vaststelling van gestandaardiseerde vlot inzetbare steekproefmethoden.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 70
(70)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden de nodige raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
(70)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden met alle belanghebbenden de nodige transparante raadplegingen houdt, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 73
(73)  De doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van de economische, sociale en territoriale samenhang en het vaststellen van gemeenschappelijke financiële regels voor het deel van de begroting van de Unie dat in het kader van gedeeld beheer wordt uitgevoerd, kan vanwege enerzijds de mate van ongelijkheid tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de achterstand van de minst begunstigde regio's en de beperktheid van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's, en anderzijds wegens de noodzaak voor een samenhangend uitvoeringskader dat betrekking heeft op verscheidene fondsen van de Unie onder gedeeld beheer, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(73)  De doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van de economische, sociale en territoriale samenhang en het vaststellen van gemeenschappelijke financiële regels voor het deel van de begroting van de Unie dat in het kader van gedeeld beheer wordt uitgevoerd, kan vanwege enerzijds de mate van ongelijkheid tussen de ontwikkelingsniveaus van de onderscheiden regio's, de specifieke uitdagingen voor de minst begunstigde regio's en de beperktheid van de financiële middelen van de lidstaten en de regio's, en anderzijds wegens de noodzaak voor een samenhangend uitvoeringskader dat betrekking heeft op verscheidene fondsen van de Unie onder gedeeld beheer, niet voldoende door de lidstaten worden verwezenlijkt. Aangezien deze doelstellingen beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel van artikel 5 VEU maatregelen nemen. In overeenstemming met het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – letter a
(a)  de financiële regels voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") (hierna "de Fondsen" genoemd)
(a)  de financiële regels voor het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ("EFRO"), het Europees Sociaal Fonds Plus ("ESF+"), het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling ("Elfpo"), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ("EFMZV"), het Fonds voor asiel en migratie ("AMIF"), het Fonds voor interne veiligheid ("ISF") en het Instrument voor grensbeheer en visa ("BMVI") (hierna "de Fondsen" genoemd);
Amendement 431
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 – letter b
b)  gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV.
b)  gemeenschappelijke bepalingen die van toepassing zijn op het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds, het EFMZV en het Elfpo als voorgeschreven in lid 1 bis van dit artikel.
Amendement 432
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   Titel I, hoofdstuk I, artikel 2, lid 4 bis, hoofdstuk II, artikel 5, titel III, hoofdstuk II, de artikelen 22 tot en met 28, en titel IV, hoofdstuk III, afdeling I, de artikelen 41 tot en met 43, zijn van toepassing op door het Elfpo gefinancierde steunmaatregelen, en titel I, hoofdstuk I, artikel 2, leden 15 tot en met 25, en titel V, hoofdstuk II, afdeling II, de artikelen 52 tot en met 56 zijn van toepassing op de in artikel 74 van Verordening (EU) .../... [verordening strategische GLB-plannen] bedoelde financiële instrumenten die in het kader van het Elfpo worden ondersteund.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
(1)  "relevante landspecifieke aanbevelingen": aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2 en artikel 148, lid 4, VWEU in verband met de structurele uitdagingen die behoren te worden aangepakt via meerjarige investeringen die onder het toepassingsgebied vallen van de Fondsen zoals beschreven in de fondsspecifieke verordeningen, en de desbetreffende aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel [XX] van Verordening (EU) nr. [nummer van de nieuwe verordening inzake governance van de energie-unie] van het Europees Parlement en de Raad;
(1)  "relevante landspecifieke aanbevelingen": aanbevelingen van de Raad die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 121, leden 2 en 4, en artikel 148, lid 4, VWEU in verband met de structurele uitdagingen die behoren te worden aangepakt via meerjarige investeringen die onder het toepassingsgebied vallen van de Fondsen zoals beschreven in de fondsspecifieke verordeningen, en de desbetreffende aanbevelingen die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel [XX] van Verordening (EU) nr. [nummer van de nieuwe verordening inzake governance van de energie-unie] van het Europees Parlement en de Raad;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
(1 bis)   "randvoorwaarde": een concrete en nauwkeurig omschreven voorwaarde die daadwerkelijk verband houdt met een rechtstreeks effect op de doeltreffende en efficiënte verwezenlijking van een specifieke doelstelling van het programma;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
(4 bis)  "programma": in de context van het Elfpo, de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) [...] (de "Verordening inzake strategische GLB‑plannen");
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8 – letter c
(c)  in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt;
(c)  in de context van staatssteunregelingen, de instantie die de steun ontvangt, behalve wanneer de steun per instantie minder dan 200 000 EUR bedraagt; in dat geval kan de betrokken lidstaat besluiten dat de steunverlenende instantie de begunstigde is, onverminderd de Verordeningen (EU) nr. 1407/20131 bis, (EU) nr. 1408/20131 ter en (EU) nr. 717/2014 van de Commissie1 quater;
__________________
1 bis PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1.
1 ter PB L 352 van 24.12.2013, blz. 9.
1 quater PB L 190 van 28.6.2014, blz. 45.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 9
(9)  "fonds voor kleinschalige projecten": een concrete actie in een Interreg-programma die gericht is op de selectie en uitvoering van projecten van beperkte financiële omvang;
(9)  "fonds voor kleinschalige projecten": een concrete actie in een Interreg-programma die gericht is op de selectie en uitvoering van projecten, met inbegrip van people-to-people-projecten, van beperkte financiële omvang;
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 21
(21)  "specifiek fonds": een fonds dat door een beheersautoriteit of een holdingfonds is opgericht om financiële producten te verstrekken voor de eindontvangers;
(21)  "specifiek fonds": een fonds dat door een beheersautoriteit of een holdingfonds is opgericht, waarmee zij financiële producten verstrekken voor de eindontvangers;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 36 bis (nieuw)
(36 bis)  "beginsel energie-efficiëntie eerst": dat bij het nemen van alle besluiten over energieplanning, ‑beleid en ‑investeringen prioriteit wordt gegeven aan maatregelen om de vraag naar energie en de energievoorziening efficiënter te maken;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 37
(37)  "klimaatbestendig maken": een proces dat ervoor moet zorgen dat infrastructuur bestendig is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering overeenkomstig nationale regelgeving en richtsnoeren en in voorkomend geval internationaal erkende normen.
(37)  "klimaatbestendig maken": een proces dat ervoor moet zorgen dat infrastructuur bestendig is tegen de negatieve gevolgen van klimaatverandering overeenkomstig internationaal erkende normen of nationale regelgeving en richtsnoeren, in voorkomend geval, dat het beginsel energie-efficiëntie eerst in acht wordt genomen en dat scenario's voor specifieke emissiereductie en decarbonisatie worden gekozen;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 37 bis (nieuw)
(37 bis)  "EIB": de Europese Investeringsbank, het Europees Investeringsfonds of een eventuele dochterinstelling van de Europese Investeringsbank.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter a
(a)  een slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie;
(a)  een competitiever en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en door de versterking van kleine en middelgrote ondernemingen;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter b
(b)  een groener, koolstofarm Europa door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer;
(b)  een Europa dat groen en veerkrachtig is en koolstofarm en dat de overgang maakt naar een koolstofneutrale economie, door de bevordering van een schone en eerlijke energietransitie, groene en blauwe investeringen, de circulaire economie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en risicobeheer;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter c
(c)  een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit;
(c)  een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit, met inbegrip van slimme en duurzame mobiliteit, en regionale ICT-connectiviteit;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter d
(d)  een socialer Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;
(d)  een socialer en inclusiever Europa door de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten;
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1 – letter e
(e)  een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van stads-, plattelands- en kustgebieden, alsook lokale initiatieven te bevorderen.
(e)  een Europa dat dichter bij de burger staat door de duurzame en geïntegreerde ontwikkeling van alle regio's, gebieden en lokale initiatieven te bevorderen.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 3
3.  De lidstaten verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I.
3.  De lidstaten zorgen ervoor relevante concrete acties tijdens het gehele plannings- en uitvoeringsproces klimaatbestendig te maken en verstrekken informatie over de steun voor de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaatverandering volgens een methode op basis van de interventiecategorieën voor elke type Fonds. Deze methode bestaat uit het toekennen van een specifiek gewicht aan de verstrekte steun op een passend niveau om te weerspiegelen in welke mate de steun een bijdrage levert aan de verwezenlijking van de doelstellingen op het gebied van milieu en klimaat. In het geval van het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds worden de gewichten gekoppeld aan de dimensies en codes voor de interventiecategorieën van bijlage I.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4
4.  De lidstaten en de Commissie zorgen voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. Zij zullen de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, optimaliseren om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen.
4.  Overeenkomstig hun respectieve verantwoordelijkheden en in overeenstemming met de beginselen van subsidiariteit en meerlagig bestuur, zorgen de lidstaten en de Commissie voor de coördinatie, complementariteit en samenhang tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie zoals het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. Zij optimaliseren de coördinatiemechanismen tussen degenen die verantwoordelijk zijn, om dubbel werk tussen de planning en uitvoering te voorkomen.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de relevante staatssteunregels in acht worden genomen.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 1
1.  De lidstaten en de Commissie voeren de begroting van de Unie die is toegewezen aan de Fondsen in gedeeld beheer uit overeenkomstig artikel [63] van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe financieel reglement] (hierna "het financieel reglement" genoemd).
1.  De lidstaten, in overeenstemming met hun institutionele en juridische kader, en de Commissie voeren de begroting van de Unie die is toegewezen aan de Fondsen in gedeeld beheer uit overeenkomstig artikel [63] van Verordening (EU, Euratom) [nummer van het nieuwe financieel reglement] (hierna "het financieel reglement" genoemd).
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  De Commissie zorgt evenwel voor de uitvoering van het steunbedrag dat van het Cohesiefonds naar de Connecting Europe Facility (CEF), het Europees Urban-initiatief, interregionale innovatieve investeringen wordt overgedragen, het steunbedrag dat wordt overgedragen van het ESF+ naar transnationale samenwerking, de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU37 en technische bijstand op initiatief van de Commissie in direct of indirect beheer overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a) en c)] van het financieel reglement.
2.   Onverminderd artikel 1, lid 2, zorgt de Commissie voor de uitvoering van het steunbedrag dat van het Cohesiefonds naar de Connecting Europe Facility (CEF), het Europees Urban-initiatief, interregionale innovatieve investeringen wordt overgedragen, het steunbedrag dat wordt overgedragen van het ESF+ naar transnationale samenwerking, de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU37 en technische bijstand op initiatief van de Commissie in direct of indirect beheer overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a) en c)] van het financieel reglement.
_________________
_________________
37 [Verordening (EU) nr. [...] van [...] (PB L […] van […], blz. […])].
37 [Verordening (EU) nr. [...] van [...] (PB L […] van […], blz. […])].
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 3
3.  De Commissie kan de samenwerking met ultraperifere gebieden in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) uitvoeren onder direct beheer.
3.  De Commissie kan, met instemming van de lidstaat en de betrokken regio, de samenwerking met ultraperifere gebieden in het kader van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) uitvoeren onder indirect beheer.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – inleidende formule
1.  Elke lidstaat organiseert een partnerschap met de bevoegde regionale en lokale autoriteiten. Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken:
1.  Elke lidstaat organiseert voor de partnerschapsovereenkomst en voor elk programma, in overeenstemming met zijn institutionele en juridische kader, een volwaardig en doeltreffend partnerschap. Bij dit partnerschap zijn ten minste de volgende partners betrokken:
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter a
(a)  stedelijke en andere overheden;
(a)  regionale, lokale, stedelijke en andere overheden;
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter c
(c)  de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, milieupartners en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.
(c)  de desbetreffende instanties die het maatschappelijk middenveld vertegenwoordigen, zoals milieupartners, niet-gouvernementele organisaties en de instanties die tot taak hebben sociale insluiting, grondrechten, rechten van personen met een handicap, gendergelijkheid en non-discriminatie te bevorderen.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)   onderzoeksinstellingen en universiteiten, in voorkomend geval.
Amendementen 78 en 459
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  De lidstaten betrekken deze partners volgens het beginsel van meerlagig bestuur bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten alsook gedurende de voorbereiding en de uitvoering van programma's, onder meer door middel van deelname aan de toezichtcomités overeenkomstig artikel 34.
2.  De lidstaten betrekken deze partners volgens het beginsel van meerlagig bestuur en volgens een bottom-upbenadering bij de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomsten alsook gedurende de voorbereiding, de uitvoering en de evaluatie van programma's, onder meer door middel van deelname aan de toezichtcomités overeenkomstig artikel 34. In dit verband wijzen de lidstaten een passend percentage van de middelen uit de Fondsen toe voor de opbouw van bestuurlijke capaciteit van de sociale partners en maatschappelijke organisaties. Indien het grensoverschrijdende programma’s betreft, betrekken de betrokken lidstaten de partners uit alle deelnemende lidstaten erbij.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 3
3.  De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie38.
3.  De organisatie en uitvoering van het partnerschap worden uitgevoerd overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie38. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 107 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 om die gedelegeerde verordening aan te passen aan deze verordening.
_________________
_________________
38 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
38 Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 4
4.  Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen, over de uitvoering van programma's.
4.  Ten minste een keer per jaar raadpleegt de Commissie de organisaties die de partners op het niveau van de Unie vertegenwoordigen over de uitvoering van programma's en brengt zij verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over het resultaat daarvan.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 bis (nieuw)
Artikel 6 bis
Horizontale beginselen
1.  De lidstaten en de Commissie zorgen bij de uitvoering van de Fondsen voor de eerbiediging van de grondrechten en de naleving van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
2.  De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat de gelijkheid van vrouwen en mannen, gendermainstreaming en de integratie van het genderperspectief worden meegewogen en bevorderd tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's, onder meer op het vlak van toezicht, rapportage en evaluatie.
3.  De lidstaten en de Commissie nemen passende maatregelen om discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid bij de voorbereiding en de uitvoering van, het toezicht op, de rapportage over en de evaluatie van programma's te voorkomen. Tijdens de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt met name rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een handicap.
4.  De doelstellingen van de Fondsen worden nagestreefd in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling, waarbij rekening wordt gehouden met de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, en in overeenstemming met de bevordering door de Unie van de doelstelling inzake behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu en bestrijding van klimaatverandering, rekening houdend met het beginsel dat de vervuiler betaalt, als vastgesteld in artikel 191, leden 1 en 2, VWEU.
De lidstaten en de Commissie zien erop toe dat bij de voorbereiding en uitvoering van programma's wordt bijgedragen tot milieubescherming, efficiënt gebruik van hulpbronnen, het beginsel energie-efficiëntie eerst, een sociaal rechtvaardige energietransitie, matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, biodiversiteit, herstelvermogen voor rampen, risicopreventie en risicobeheer. Zij trachten investeringen te voorkomen die verband houden met de productie, verwerking, distributie, opslag of verbranding van fossiele brandstoffen.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1
1.  Elke lidstaat bereidt een partnerschapsovereenkomst voor waarin de regels zijn opgenomen om de Fondsen op doeltreffende en doelmatige wijze te gebruiken voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2027.
1.  Elke lidstaat bereidt een partnerschapsovereenkomst voor waarin de regels zijn opgenomen om de Fondsen op doeltreffende en doelmatige wijze te gebruiken voor de periode van 1 januari 2021 tot 31 december 2027. Een dergelijke partnerschapsovereenkomst wordt voorbereid in overeenstemming met de gedragscode die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 2
2.  De lidstaat dient de partnerschapsovereenkomst in bij de Commissie vóór of tegelijkertijd met de indiening van het eerste programma.
2.  De lidstaat dient de partnerschapsovereenkomst in bij de Commissie vóór of tegelijkertijd met de indiening van het eerste programma, en uiterlijk op 30 april 2021.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  De partnerschapsovereenkomst kan samen met het desbetreffende jaarlijkse nationale hervormingsprogramma worden ingediend.
3.  De partnerschapsovereenkomst kan samen met het desbetreffende jaarlijkse nationale hervormingsprogramma en het nationale energie- en klimaatplan worden ingediend.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter a
(a)  de geselecteerde beleidsdoelstellingen waarbij wordt aangegeven met welke Fondsen en programma's zij zullen worden nagestreefd en een motivering daarvan, en in voorkomend geval, een motivering voor het gebruik van het uitvoeringsmodel van InvestEU, waarbij rekening wordt gehouden met de relevante landspecifieke aanbevelingen;
(a)  de geselecteerde beleidsdoelstellingen waarbij wordt aangegeven met welke Fondsen en programma's zij zullen worden nagestreefd en een motivering daarvan, waarbij rekening wordt gehouden met en een opsomming wordt gegeven van de relevante landspecifieke aanbevelingen evenals de regionale uitdagingen;
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt i
(i)  een samenvatting van de beleidskeuzes en de belangrijkste resultaten die voor elk van de Fondsen wordt verwacht, onder meer, in voorkomend geval, door het gebruik van InvestEU;
(i)  een samenvatting van de beleidskeuzes en de belangrijkste resultaten die voor elk van de Fondsen wordt verwacht;
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt ii
(ii)  coördinatie, afbakening en complementariteit tussen de Fondsen en in voorkomend geval, coördinatie tussen nationale en regionale programma's;
(ii)  coördinatie, afbakening en complementariteit tussen de Fondsen en in voorkomend geval, coördinatie tussen nationale en regionale programma's, met name met betrekking tot de strategische GLB-plannen als bedoeld in Verordening (EU) [...] (de "Verordening inzake strategische GLB-plannen");
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt iii
(iii)  complementariteit tussen de Fondsen en andere instrumenten de Unie, waaronder strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten;
(iii)  complementariteit en synergie tussen de Fondsen en andere instrumenten van de Unie, waaronder strategische, geïntegreerde projecten van LIFE en strategische natuurprojecten, en, in voorkomend geval, projecten die gefinancierd worden in het kader van Horizon Europa;
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter b – punt iii bis (nieuw)
(iii bis)   verwezenlijking van doelstellingen, beleid en maatregelen in het kader van de nationale energie- en klimaatplannen;
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter c
(c)  de voorlopige financiële toewijzing voor elk van de Fondsen per beleidsdoelstelling op nationaal niveau, waarbij wordt rekening gehouden met fondsspecifieke doelstellingen inzake thematische concentratie;
(c)  de voorlopige financiële toewijzing voor elk van de Fondsen per beleidsdoelstelling op nationaal en in voorkomend geval op regionaal niveau, waarbij rekening wordt gehouden met fondsspecifieke doelstellingen inzake thematische concentratie;
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter d
(d)  in voorkomend geval, de opsplitsing van financiële middelen per categorie van regio's opgesteld overeenkomstig artikel 102, lid 2 en de bedragen van de voorgestelde toewijzingen die moeten worden overgedragen tussen categorieën van regio's overeenkomstig artikel 105;
(d)  de opsplitsing van financiële middelen per regiocategorie, opgesteld overeenkomstig artikel 102, lid 2, en de bedragen van de voorgestelde toewijzingen die moeten worden overgedragen tussen regiocategorieën overeenkomstig artikel 105;
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter e
(e)  de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU;
Schrappen
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter g
(g)  een samenvatting van de acties die de desbetreffende lidstaat zal ondernemen om de administratieve capaciteit van de uitvoering van de Fondsen te versterken.
(g)  een samenvatting van de acties die de desbetreffende lidstaat zal ondernemen om de bestuurlijke capaciteit van de uitvoering van de Fondsen en zijn beheers- en controlesysteem te versterken.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter g bis (nieuw)
(g bis)   in voorkomend geval een geïntegreerde benadering om de demografische uitdagingen van regio's en gebieden het hoofd te bieden en/of te voorzien in hun specifieke behoeften;
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 – letter g ter (nieuw)
(g ter)   een communicatie- en zichtbaarheidsstrategie.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 1 bis (nieuw)
De EIB kan op verzoek van de lidstaten deelnemen aan de voorbereiding van de partnerschapsovereenkomst, alsook aan activiteiten in verband met de voorbereiding van concrete acties, financieringsinstrumenten en PPP's.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – alinea 2
Met betrekking tot de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) bevat de partnerschapsovereenkomst alleen de lijst van geplande programma's.
Met betrekking tot de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) bevat de partnerschapsovereenkomst alleen de lijst van geplande programma's en de grensoverschrijdende investeringsbehoeften in de betrokken lidstaat.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen.
1.  De Commissie beoordeelt de partnerovereenkomst en haar overeenstemming met de onderhavige verordening en de fondsspecifieke voorschriften. Bij haar beoordeling houdt de Commissie rekening met de bepalingen van de artikelen 4 en 6, de relevante landspecifieke aanbevelingen, evenals de maatregelen in verband met de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en de manier waarop deze worden aangepakt.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop de partnerschapovereenkomst door de lidstaat is ingediend haar opmerkingen doen toekomen.
2.  De Commissie kan binnen twee maanden na de datum waarop de partnerschapovereenkomst door de lidstaat is ingediend haar opmerkingen doen toekomen.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3
3.  De lidstaat evalueert de partnerschapsovereenkomst en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.
3.  De lidstaat evalueert de partnerschapsovereenkomst en houdt rekening met de binnen een maand na de datum van indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 4
4.  Uiterlijk vier maanden na indiening van de partnerschapsovereenkomst door de desbetreffende lidstaat stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van de partnerschapovereenkomst. De partnerschapovereenkomst wordt niet gewijzigd.
4.  Uiterlijk vier maanden na de eerste indiening van de partnerschapsovereenkomst door de desbetreffende lidstaat stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een besluit vast tot goedkeuring van de partnerschapovereenkomst. De partnerschapovereenkomst wordt niet gewijzigd.
Amendement 428
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 1
1.  Lidstaten kunnen in de partnerschapsovereenkomst of in het verzoek tot wijziging van een programma het bedrag van EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Het aan InvestEU bij te dragen bedrag mag niet meer bedragen dat 5 % van de totale toewijzing van elk Fonds, behoudens in naar behoren gemotiveerde gevallen. Dergelijke bijdragen zijn geen overdrachten van middelen overeenkomstig artikel 21.
1.  Vanaf 1 januari 2023 kunnen lidstaten, met instemming van de betrokken beheersautoriteiten, in het verzoek tot wijziging van een programma een bedrag van maximaal 2 % van het EFRO, het ESF+, het Cohesiefonds en het EFMZV toewijzen dat aan InvestEU moet worden bijgedragen en door middel van begrotingsgaranties moet worden verstrekt. Verder kan maximaal 3 % van de totale toewijzing van elk Fonds aan InvestEU worden toegewezen in het kader van de tussentijdse evaluatie. Dergelijke bijdragen zijn beschikbaar voor investeringen die stroken met de doelstellingen van het cohesiebeleid en die bestemd zijn voor dezelfde regiocategorie als de middelen uit de oorspronkelijke Fondsen. Indien een bedrag van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds wordt bijgedragen aan InvestEU, zijn de in artikel 11 en in de bijlagen III en IV bij deze verordening beschreven randvoorwaarden van toepassing. Toewijzingen zijn alleen mogelijk voor middelen van toekomstige kalenderjaren.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 2
2.   Voor de partnerschapsovereenkomst kunnen middelen van het huidige en toekomstige kalenderjaar worden toegewezen. Voor een verzoek tot wijziging van een programma kunnen alleen middelen van toekomstige kalenderjaren worden toegewezen.
Schrappen
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3
3.  Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt gebruikt voor de voorziening van het deel van de EU-garantie in het compartiment van de lidstaat.
3.  Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt gebruikt voor de voorziening van het deel van de EU-garantie in het compartiment van de respectieve lidstaat.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 1
Indien vóór 31 december 2021 geen bijdrageovereenkomst, als vermeld in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening] is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in de partnerschapsovereenkomst, dient de lidstaat een verzoek tot wijziging van een programma of programma's in, teneinde gebruik te maken van het desbetreffende bedrag.
Indien uiterlijk op 31 december 2023 geen bijdrageovereenkomst, als vermeld in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening] is gesloten voor een in lid 1 bedoeld bedrag, dient de lidstaat een verzoek tot wijziging van een programma of programma's in, teneinde gebruik te maken van het desbetreffende bedrag.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 – alinea 2
De bijdrageovereenkomst voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in het verzoek tot wijziging van een programma, wordt gelijktijdig met de goedkeuring van het besluit tot wijziging van het programma gesloten.
De bijdrageovereenkomst voor een in lid 1 bedoeld bedrag dat is toegewezen in het verzoek tot wijziging van een programma, wordt gelijktijdig met de goedkeuring van het besluit tot wijziging van het programma gesloten of, naargelang van het geval, gewijzigd.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 5
5.  Indien binnen negen maanden na de goedkeuring van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], is gesloten, worden de respectievelijke bedragen die naar het gemeenschappelijk voorzieningsfonds zijn overgemaakt als voorziening, terug overgedragen naar een programma of programma's en dient de lidstaat een overeenkomstig verzoek tot programmawijziging in.
5.  Indien binnen negen maanden na de goedkeuring van de bijdrageovereenkomst geen garantieovereenkomst, als omschreven in artikel [9] van de [InvestEU-Verordening], is gesloten, worden de respectievelijke bedragen die naar het gemeenschappelijk voorzieningsfonds zijn overgemaakt als voorziening, terug overgedragen naar het oorspronkelijke programma of de oorspronkelijke programma's en dient de lidstaat een overeenkomstig verzoek tot programmawijziging in. In dit specifieke geval kunnen de middelen van afgelopen kalenderjaren worden gewijzigd, zolang de vastleggingen nog niet zijn uitgevoerd.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 7
7.  De middelen die worden gegenereerd door of toe te schrijven zijn aan de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU en verstrekt door middel van begrotingsgaranties, worden ter beschikking gesteld aan de lidstaat en gebruikt voor steun in het kader van dezelfde doelstelling of doelstellingen in de vorm van financiële instrumenten.
7.  De middelen die worden gegenereerd door of toe te schrijven zijn aan de bedragen die worden bijgedragen aan InvestEU en verstrekt door middel van begrotingsgaranties, worden ter beschikking gesteld aan de lidstaat en de bij de bijdrage betrokken lokale of regionale autoriteit en gebruikt voor steun in het kader van dezelfde doelstelling of doelstellingen in de vorm van financieringsinstrumenten.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 1 – alinea 1
Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden ("randvoorwaarden") vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan.
Voor elke specifieke doelstelling worden in deze verordening voorafgaande voorwaarden ("randvoorwaarden") vastgesteld voor de daadwerkelijke en doeltreffende tenuitvoerlegging ervan. De randvoorwaarden zijn van toepassing voor zover zij bijdragen aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van het programma.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  Bij de voorbereiding van een programma of de invoering van een nieuwe specifieke doelstelling als onderdeel van een programmawijziging, beoordeelt de lidstaat of de randvoorwaarden die samenhangen met de geselecteerde specifieke doelstelling, zijn vervuld. Een randvoorwaarde is vervuld wanneer is voldaan aan alle gerelateerde criteria. De lidstaat identificeert in elk programma of in de programmawijziging de vervulde en niet-vervulde randvoorwaarden en wanneer de lidstaat van oordeel is dat een randvoorwaarde is vervuld, wordt dit door de lidstaat gemotiveerd.
2.  Bij de voorbereiding van een programma of de invoering van een nieuwe specifieke doelstelling als onderdeel van een programmawijziging, beoordeelt de lidstaat of de randvoorwaarden die samenhangen met de geselecteerde specifieke doelstelling, zijn vervuld. Een randvoorwaarde is vervuld wanneer is voldaan aan alle gerelateerde criteria. De lidstaat identificeert in elk programma of in de programmawijziging de vervulde en niet-vervulde randvoorwaarden en wanneer de lidstaat van oordeel is dat een randvoorwaarde is vervuld, wordt dit door de lidstaat gemotiveerd. Op verzoek van een lidstaat kan de EIB bijdragen aan de beoordelingen van de acties die nodig zijn om aan de relevante randvoorwaarden te voldoen.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4 – alinea 1
Binnen drie maanden na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij de lidstaat ervan in kennis of zij akkoord gaat met de naleving.
Binnen twee maanden na de ontvangst van de in lid 3 bedoelde informatie voert de Commissie een evaluatie uit en stelt zij de lidstaat ervan in kennis of zij akkoord gaat met de naleving.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 4 – alinea 2
Wanneer de Commissie het oneens is met de beoordeling van de lidstaat, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van één maand kenbaar te maken.
Wanneer de Commissie het oneens is met de beoordeling van de lidstaat, stelt zij de lidstaat hiervan in kennis en stelt zij de lidstaat in de gelegenheid zijn opmerkingen binnen een termijn van maximaal twee maanden kenbaar te maken.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 5 – alinea 1
Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen niet worden opgenomen in de betalingsaanvragen totdat de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4.
Uitgaven die verband houden met concrete acties die gekoppeld zijn aan de specifieke doelstelling, kunnen worden opgenomen in de betalingsaanvragen vóór de Commissie de lidstaat ervan in kennis heeft gesteld dat de randvoorwaarde is vervuld overeenkomstig lid 4, onverminderd de schorsing van de vergoeding zelf totdat de voorwaarde is vervuld.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1 – alinea 1
De lidstaat stelt een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen.
De lidstaat stelt, in voorkomend geval in samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten, een prestatiekader op dat de mogelijkheid biedt tot toezicht op, rapportage over en evaluatie van de prestaties van het programma tijdens de uitvoering ervan en dat bijdraagt tot het meten van algemene prestaties van de Fondsen.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  Mijlpalen en doelstellingen worden vastgesteld met betrekking tot elke specifieke doelstelling binnen een programma, met uitzondering van technische bijstand en van de in artikel [4(c)(vii)] van de ESF+ Verordening bedoelde specifieke doelstelling voor de aanpak van materiële deprivatie.
2.  Mijlpalen en doelstellingen worden vastgesteld met betrekking tot elke specifieke doelstelling binnen een programma, met uitzondering van technische bijstand en van de in artikel [4, lid 1, onder xi),] van de ESF+ Verordening bedoelde specifieke doelstelling voor de aanpak van materiële deprivatie.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – inleidende formule
1.  Voor de programma's ondersteund door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds, verricht de lidstaat een evaluatie van elk programma, rekening houdende met de volgende punten:
1.  Voor de programma's ondersteund door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds, verrichten de lidstaat en de bevoegde beheersautoriteiten een evaluatie van elk programma, rekening houdend met de volgende punten:
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter a
(a)  de in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen;
(a)  nieuwe, in de desbetreffende in 2024 aangenomen landspecifieke aanbevelingen vastgestelde problemen, en de doelstellingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, indien relevant;
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter b
(b)  de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio;
(b)  de sociaal-economische situatie van de betrokken lidstaat of regio, met inbegrip van de stand van zaken bij de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten en territoriale behoeften met het oog op de vermindering van verschillen, evenals economische en sociale ongelijkheden;
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  alle belangrijke negatieve financiële, economische of sociale ontwikkelingen die een aanpassing van het programma noodzakelijk maken, bijvoorbeeld naar aanleiding van symmetrische of asymmetrische schokken in de lidstaten en hun regio's.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1
De lidstaat dient uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie een verzoek tot wijziging van elk programma in overeenkomstig artikel 19, lid 1. De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten.
Afhankelijk van het resultaat van de herziening dient de lidstaat uiterlijk op 31 maart 2025 bij de Commissie een verzoek in tot wijziging van elk programma overeenkomstig artikel 19, lid 1, of stelt de lidstaat dat er geen wijzigingen nodig zijn. De lidstaat rechtvaardigt de wijziging op basis van de in lid 1 bedoelde punten, of motiveert in voorkomend geval waarom hij niet om wijziging van een programma verzoekt.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 2 – letter a
(a)  de toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2026 en 2027;
(a)  de herziene initiële toewijzingen van de financiële middelen per prioriteit met inbegrip van de bedragen voor de jaren 2026 en 2027;
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 2 – alinea 2 – letter b bis (nieuw)
(b bis)   de bedragen per Fonds en per categorie van regio die moeten worden bijgedragen tot InvestEU, in voorkomend geval;
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   De Commissie stelt uiterlijk op 31 maart 2026 een verslag vast met een samenvatting van de resultaten van de in de leden 1 en 2 bedoelde evaluatie. De Commissie legt het verslag voor aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendementen 425/rev, 444/rev, 448 en 469
Voorstel voor een verordening
Artikel 15
[...]
Schrappen
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1
1.  De lidstaten bereiden programma's voor voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.
1.  De lidstaten bereiden programma's voor in samenwerking met de in artikel 6 bedoelde partners voor de tenuitvoerlegging van de Fondsen tijdens de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2 – alinea 1
Een programma bestaat uit prioriteiten. Elke prioriteit stemt overeen met één beleidsdoelstelling of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Met eenzelfde beleidsdoelstelling kunnen meerdere prioriteiten overeenstemmen.
Een programma bestaat uit prioriteiten. Elke prioriteit stemt overeen met een of meerdere beleidsdoelstellingen of met technische bijstand. Een prioriteit die overeenstemt met een beleidsdoelstelling, bestaat uit een of meerdere specifieke doelstellingen. Met eenzelfde beleidsdoelstelling kunnen meerdere prioriteiten overeenstemmen.
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt i
i)  economische, sociale en territoriale verschillen, behalve voor door het EFMZV ondersteunde programma's;
i)  economische, sociale en territoriale verschillen en ongelijkheden, behalve voor door het EFMZV ondersteunde programma's;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt ii
ii)  tekortkoming van de markt, investeringsbehoeften en een aanvulling op andere vormen van steun;
ii)  tekortkoming van de markt, investeringsbehoeften en een aanvulling op en synergieën met andere vormen van steun;
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt iii
iii)  uitdagingen die zijn vastgesteld in relevante landspecifieke aanbevelingen en andere relevante aanbevelingen van de Unie aan de lidstaat;
iii)  uitdagingen die zijn vastgesteld in de relevante landspecifieke aanbevelingen;
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt iv
iv)  uitdagingen op het vlak van administratieve capaciteit en bestuur;
iv)  uitdagingen op het vlak van administratieve capaciteit en bestuur en vereenvoudigingsmaatregelen;
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt iv bis (nieuw)
iv bis)   een geïntegreerde benadering voor de aanpak van demografische uitdagingen, in voorkomend geval;
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt vi bis (nieuw)
vi bis)   uitdagingen en daarmee verband houdende doelstellingen die in de nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten zijn vastgesteld;
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter a – punt vii
vii)  voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's de vooruitgang met de uitvoering van het relevante EU-acquis en actieplannen;
vii)  voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's de vooruitgang met de uitvoering van het relevante EU-acquis en actieplannen, evenals de geconstateerde tekortkomingen;
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt i
i)  de gerelateerde soorten acties, met inbegrip van een lijst met geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en hun bijdrage aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien van toepassing
i)  de gerelateerde soorten acties, met inbegrip van een indicatieve lijst en een tijdschema voor de geplande concrete acties die van strategisch belang zijn, en de verwachte bijdrage daarvan aan die specifieke doelstellingen en aan macroregionale strategieën en zeebekkenstrategieën, indien van toepassing;
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt iii bis (nieuw)
iii bis)   acties ter waarborging van gelijkheid, inclusie en non-discriminatie;
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt v
v)  de interregionale en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;
v)  de interregionale, grensoverschrijdende en transnationale acties waarvan de begunstigden in ten minste één andere lidstaat gevestigd zijn;
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt v bis (nieuw)
v bis)   de duurzaamheid van investeringen;
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter d – punt vii bis (nieuw)
vii bis)   een beschrijving van de wijze waarop complementariteit en synergieën met andere Fondsen en instrumenten moeten worden nagestreefd;
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter i
(i)  de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, de communicatieactiviteiten op sociale media, de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie;
(i)  de voorziene aanpak van de communicatie en zichtbaarheid van het programma door het vaststellen van de doelstellingen, het doelpubliek, de communicatiekanalen, in voorkomend geval de communicatieactiviteiten op sociale media, evenals de geplande begroting en de relevante indicatoren voor toezicht en evaluatie;
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 1 – letter j
(j)  de beheersautoriteit, de auditautoriteit en de instantie die de betalingen van de Commissie ontvangt.
(j)  de beheersautoriteit, de auditautoriteit, de instantie die verantwoordelijk is voor de boekhoudfunctie overeenkomstig artikel 70, en de instantie die de betalingen van de Commissie ontvangt.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 2
De punten c) en d) van dit lid zijn niet van toepassing op in artikel 4, onder c), punt vii), van de ESF+-verordening bedoelde specifieke doelstelling.
De punten c) en d) van dit lid zijn niet van toepassing op de in artikel [4, lid 1, onder xi),], van de ESF+-verordening bedoelde specifieke doelstelling.
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 3 – alinea 2 bis (nieuw)
Een milieurapport met relevante informatie over de effecten op het milieu overeenkomstig Richtlijn 2001/42/EG wordt als bijlage bij het programma gevoegd, rekening houdend met de behoeften ten aanzien van matiging van de klimaatverandering.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 6
6.  Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma's bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel uitsluitend de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2025.
6.  Voor overeenkomstig artikel 16 ingediende EFRO-, ESF+- en Cohesiefondsprogramma's bevat de in lid 3, onder f), ii), bedoelde tabel de bedragen voor de jaren 2021 tot en met 2027.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1
1.  De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen.
1.  De Commissie beoordeelt het programma en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, net als de verenigbaarheid ervan met de partnerschapsovereenkomst. Bij haar beoordeling houdt de Commissie met name rekening met de relevante landspecifieke aanbevelingen, evenals met de relevante uitdagingen die zijn vastgesteld bij de uitvoering van de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen en in de Europese pijler van sociale rechten, en met de manier waarop deze worden aangepakt.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2
2.  De Commissie kan binnen drie maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
2.  De Commissie kan binnen twee maanden na de datum waarop het programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3
3.  De lidstaat evalueert het programma en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.
3.  De lidstaat evalueert het programma en houdt rekening met de binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen.
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 4
4.  De Commissie stelt uiterlijk zes maanden na indiening van het programma door de lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast.
4.  De Commissie stelt uiterlijk vijf maanden na de eerste indiening van het programma door de lidstaat door middel van een uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van het programma vast.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 2
2.  De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin het deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen drie maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
2.  De Commissie beoordeelt de wijziging en de mate waarin die deze verordening en de fondsspecifieke verordeningen nakomt, met inbegrip van verplichtingen op nationaal niveau, en kan binnen twee maanden na de datum waarop het gewijzigde programma door de lidstaat is ingediend, opmerkingen formuleren.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 3
3.  De lidstaat evalueert het gewijzigde programma en houdt rekening met de opmerkingen van de Commissie.
3.  De lidstaat evalueert het gewijzigde programma en houdt rekening met de binnen twee maanden na de indiening ervan door de Commissie gemaakte opmerkingen.
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 4
4.  De Commissie keurt uiterlijk zes maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed.
4.  De Commissie keurt uiterlijk drie maanden na de indiening ervan door de lidstaat, de wijziging van een programma goed.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 5 – alinea 1
De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 5 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 3 % van de programmabegroting overdragen naar een ander fonds van hetzelfde programma. Voor de door het EFRO en het ESF+ ondersteunde programma's heeft de overdracht enkel betrekking op toewijzingen uit dezelfde regiocategorie.
De lidstaat kan tijdens de programmeringsperiode een bedrag van maximaal 7 % van de initiële toewijzing van een prioriteit en niet meer dan 5 % van de programmabegroting overdragen naar een andere prioriteit van hetzelfde Fonds van hetzelfde programma. Daarbij neemt de lidstaat de gedragscode in acht die is vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie. Voor de door het EFRO en het ESF+ ondersteunde programma's heeft de overdracht enkel betrekking op toewijzingen uit dezelfde regiocategorie.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 19 – lid 6
6.  Voor het corrigeren van tikfouten of louter redactionele wijzigingen die de uitvoering van het programma niet beïnvloeden, wordt geen goedkeuring van de Commissie vereist. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties.
6.  Voor het corrigeren van tikfouten of louter technische of redactionele wijzigingen die de uitvoering van het programma niet beïnvloeden, wordt geen goedkeuring van de Commissie vereist. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke correcties.
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 2
2.  Het EFRO en het ESF+ kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 10 % aan steun van deze fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren.
2.  Het EFRO en het ESF+ kunnen op complementaire wijze en met inachtneming van een maximum van 15 % aan steun van deze Fondsen voor elke prioriteit van een programma, financiering verlenen voor een gehele of een deel van een concrete actie waarvan de kosten volgens de desbetreffende subsidiabiliteitsregels in aanmerking komen voor steun uit een ander Fonds, op voorwaarde dat deze kosten noodzakelijk zijn om de concrete actie uit te voeren.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 1
1.  De lidstaten kunnen verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de fondsen naar een ander fonds in gedeeld beheer of naar een instrument in direct of indirect beheer.
1.  Met het oog op de flexibiliteit kunnen de lidstaten, indien het toezichtcomité van het programma daarmee instemt, verzoeken om de overdracht van maximaal 5 % van de financiële toewijzingen van een programma uit een van de Fondsen naar het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds of het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij.
Amendementen 171 en 434
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 2
2.  Overgedragen middelen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van het fonds of instrument waarnaar de middelen worden overgedragen en, in het geval van overdrachten naar instrumenten in direct of indirect beheer, ten voordele van de lidstaat in kwestie.
2.  Overgedragen middelen worden uitgevoerd overeenkomstig de regels van het Fonds of instrument waarnaar de middelen worden overgedragen.
Amendementen 172, 433 en 434
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 – lid 3
3.  In verzoeken op grond van artikel 1 wordt vastgesteld welk totaalbedrag jaarlijks wordt overgedragen per fonds en per regiocategorie; dergelijke verzoeken worden naar behoren gemotiveerd en gaan vergezeld van het herziene programma of de herziene programma's van waaruit overeenkomstig artikel 19 de middelen worden overgedragen, met vermelding van naar welk fonds of instrument zij worden overgedragen.
3.  In verzoeken op grond van artikel 1 wordt vastgesteld welk totaalbedrag jaarlijks wordt overgedragen per Fonds en per regiocategorie, in voorkomend geval; dergelijke verzoeken worden naar behoren gemotiveerd met het oog op de te verwezenlijken complementariteit en impact, en gaan vergezeld van het herziene programma of de herziene programma's vanwaaruit overeenkomstig artikel 19 de middelen worden overgedragen, met vermelding van naar welk Fonds of instrument zij worden overgedragen.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Titel 3 – hoofdstuk I bis (nieuw)
HOOFDSTUK I bis - Grote projecten
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 bis (nieuw)
Artikel 21 bis
Inhoud
In het kader van een of meer programma's kunnen het EFRO en het Cohesiefonds steun verlenen aan een concrete actie die een reeks werkzaamheden, activiteiten of diensten omvat en die bedoeld is om op zichzelf een ondeelbare taak van nauwkeurig omschreven economische of technische aard, met duidelijk omschreven doelen, te vervullen en waarvoor de totale subsidiabele kosten hoger zijn dan 100 miljoen EUR ("groot project"). Financieringsinstrumenten worden niet als grote projecten beschouwd.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 ter (nieuw)
Artikel 21 ter
Voor de goedkeuring van een groot project noodzakelijke informatie
Vooraleer een groot project wordt goedgekeurd, legt de beheersautoriteit de Commissie de volgende informatie voor:
a)  nadere gegevens betreffende de instantie die verantwoordelijk wordt voor de uitvoering van het grote project en de capaciteit ervan;
b)  een beschrijving van de investering en de plaats van uitvoering;
c)  totale kosten en totale subsidiabele kosten;
d)  de uitgevoerde haalbaarheidsstudies, met inbegrip van de analyse van de opties en de resultaten;
e)  een kosten-batenanalyse, met inbegrip van een economische en financiële analyse, en een risicobeoordeling;
f)  een analyse van het milieueffect, waarin rekening wordt gehouden met de behoeften ten aanzien van aanpassing aan en matiging van de klimaatverandering en herstelvermogen voor rampen;
g)  uitleg over de wijze waarop het grote project consistent is met de desbetreffende prioriteiten van het betrokken programma of de betrokken programma's, de verwachte bijdrage ervan aan de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen van die prioriteiten en de verwachte bijdrage aan de sociaal-economische ontwikkeling;
h)  het financieringsplan, waarin het geplande totaalbedrag aan financiële middelen en de geplande steun uit de Fondsen, van de EIB en uit alle andere financieringsbronnen zijn aangegeven, met materiële en financiële indicatoren voor het toezicht op de vorderingen, rekening houdend met de vastgestelde risico's;
i)  het tijdschema voor de uitvoering van het grote project en, wanneer wordt verwacht dat de uitvoeringsperiode langer zal zijn dan de programmeringsperiode, de fasen waarvoor steun uit de Fondsen wordt gevraagd tijdens de programmeringsperiode.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 21 quater (nieuw)
Artikel 21 quater
Besluit over een groot project
1.  De Commissie beoordeelt het grote project aan de hand van de in artikel 21 ter bedoelde informatie, om te bepalen of de gevraagde financiële bijdrage voor het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project gerechtvaardigd is. De Commissie stelt uiterlijk drie maanden na indiening van de in artikel 21 ter bedoelde informatie bij uitvoeringshandeling een besluit tot goedkeuring van de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project vast.
2.  De goedkeuring door de Commissie op grond van lid 1 is afhankelijk van de voorwaarde dat het eerste contract voor werken moet zijn gesloten, of, in het geval van in het kader van PPP-structuren uitgevoerde concrete acties, van de ondertekening van de PPP-overeenkomst tussen de overheidsinstantie en de private instantie binnen drie jaar na de datum van goedkeuring.
3.  Als de Commissie de financiële bijdrage aan het geselecteerde grote project niet goedkeurt, geeft zij de redenen daarvoor weer in haar besluit.
4.  Grote projecten die krachtens lid 1 ter goedkeuring worden ingediend, worden in de lijst van grote projecten van een programma opgenomen.
5.  Uitgaven voor grote projecten kunnen worden opgenomen in een betalingsaanvraag na de in lid 1 bedoelde indiening ter goedkeuring. Indien de Commissie het door de beheersautoriteit geselecteerde grote project niet goedkeurt, wordt de uitgavendeclaratie na de intrekking van de aanvraag door de lidstaat of de vaststelling van het besluit van de Commissie dienovereenkomstig gerectificeerd.
(Dit amendement vereist hieruit voortvloeiende aanpassingen in bijlage V.)
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1 – letter c
(c)  een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die voor het EFRO zijn geprogrammeerd in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder e), bedoelde beleidsdoelstelling.
(c)  een ander territoriaal instrument ter ondersteuning van door de lidstaten ontworpen initiatieven voor investeringen die zijn geprogrammeerd in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder e), bedoelde beleidsdoelstelling.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaat zorgt voor samenhang en coördinatie wanneer strategieën voor lokale ontwikkeling door meer dan één Fonds worden gefinancierd.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1 – letter a
(a)  het geografische toepassingsgebied van de strategie;
(a)  het geografische toepassingsgebied van de strategie met inbegrip van de onderlinge economische, sociale en ecologische verbanden;
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1 – letter d
(d)  een beschrijving van de betrokkenheid van partners overeenkomstig artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie.
d)  een beschrijving van de betrokkenheid van partners uit hoofde van artikel 6 bij de voorbereiding en de uitvoering van de strategie.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 2
2.  Territoriale strategieën worden opgesteld onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties.
2.  Territoriale strategieën worden voorbereid en goedgekeurd onder de verantwoordelijkheid van de desbetreffende regionale, lokale en andere overheden. Reeds bestaande strategische documenten betreffende de bestreken gebieden kunnen worden bijgewerkt en gebruikt voor territoriale strategieën.
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 – alinea 1
Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken.
Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, selecteren de desbetreffende regionale, lokale of andere territoriale autoriteiten of instanties de acties of worden zij bij de selectie betrokken.
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   Bij de voorbereiding van de territoriale strategieën werken de in lid 2 bedoelde autoriteiten samen met de bevoegde beheersautoriteiten om de reikwijdte te bepalen van de in het kader van het desbetreffende programma te ondersteunen acties.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4
4.  Wanneer een stedelijke, lokale of andere territoriale autoriteit of instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt de autoriteit overeenkomstig de fondsspecifieke regels door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie.
4.  Wanneer een regionale, lokale of andere overheid of andere instantie taken uitvoert die onder de verantwoordelijkheid van de beheersautoriteit vallen, andere dan de selectie van acties, wordt deze overheid of instantie door de beheersautoriteit aangewezen als intermediaire instantie.
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De geselecteerde acties kunnen in het kader van meer dan een prioriteit van hetzelfde programma worden ondersteund.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 1
1.  Wanneer een in overeenstemming met artikel 23 uitgevoerde strategie investeringen inhoudt waarvoor steun wordt geboden uit een of meerdere fondsen, uit een of meerdere programma's of uit een of meerdere prioriteiten in eenzelfde programma, kunnen acties ter zake als geïntegreerde territoriale investering worden uitgevoerd.
1.  Wanneer een in overeenstemming met artikel 23 uitgevoerde strategie investeringen inhoudt waarvoor steun wordt geboden uit een of meerdere Fondsen, uit een of meerdere programma's of uit een of meerdere prioriteiten in eenzelfde programma, kunnen acties ter zake als geïntegreerde territoriale investering worden uitgevoerd. In voorkomend geval kan elke geïntegreerde territoriale investering worden aangevuld met financiële steun uit het Elfpo.
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 24 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Als de lijst met te ondersteunen acties niet in de territoriale strategie is opgenomen, worden de desbetreffende regionale, lokale of andere overheden of instanties bij de selectie van de acties betrokken.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1
1.  Vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling kan steun krijgen uit het EFRO, het ESF+ en het EFMZV.
1.  Het EFRO, het ESF+, het EFMZV en het Elfpo bieden steun aan vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling. In het kader van het Elfpo wordt dergelijke ontwikkeling "plaatselijke ontwikkeling in het kader van Leader" genoemd.
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2 – letter b
(b)  wordt geleid door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaaleconomische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming;
(b)  wordt geleid door plaatselijke actiegroepen bestaande uit vertegenwoordigers van de publieke en private lokale sociaal-economische belangen, waarbij niet één belangengroep alleen de controle heeft over de besluitvorming, ook de overheidssector niet;
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 2 – letter d
(d)  ondersteuning biedt voor netwerkvorming, aspecten die in de lokale context innovatief zijn en in voorkomend geval samenwerking.
(d)  ondersteuning biedt voor netwerkvorming, bottom-upbenaderingen, toegankelijkheid, aspecten die in de lokale context innovatief zijn en in voorkomend geval samenwerking.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 4
4.  Wanneer de uitvoering van een dergelijke strategie steun uit meer dan een fonds betreft, kan de bevoegde beheersautoriteit een van de fondsen als hoofdfonds aanwijzen.
4.  Wanneer de uitvoering van een dergelijke strategie steun uit meer dan een fonds betreft, kan de bevoegde beheersautoriteit een van de fondsen als hoofdfonds aanwijzen. Ook kan per fonds in kwestie worden gespecificeerd welke soorten maatregelen en concrete acties zullen worden gefinancierd.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1 – letter d
(d)  de doelstellingen van de strategie, met meetbare streefdoelen voor resultaten, en bijhorende geplande acties;
(d)  de doelstellingen van de strategie, met meetbare streefdoelen voor resultaten, en bijhorende geplande acties om in te spelen op lokale behoeften die door de lokale gemeenschap zijn vastgesteld;
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 1 – letter f
(f)  een financieel plan, met daarin begrepen de geplande toewijzing uit elk betrokken fonds en programma.
(f)  een financieel plan, met daarin begrepen de geplande toewijzing uit elk betrokken fonds, waaronder het Elfpo indien van toepassing, en elk betrokken programma.
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 4
4.  In het besluit tot goedkeuring van een strategie wordt beschreven hoeveel elk fonds en elk programma krijgt toegewezen en wat de verantwoordelijkheden beschreven voor de beheers- en controletaken in het kader van het programma of de programma's zijn.
4.  In het besluit tot goedkeuring van een strategie wordt beschreven hoeveel elk fonds en elk programma krijgt toegewezen en wat de verantwoordelijkheden beschreven voor de beheers- en controletaken in het kader van het programma of de programma's zijn. Overeenkomstige nationale overheidsbijdragen worden vooraf voor de hele periode gewaarborgd.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2
2.  De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen hetzij één partner van de groep kiezen die in administratieve en financiële aangelegenheden als hoofdpartner optreedt, hetzij zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur.
2.  De beheersautoriteiten zorgen ervoor dat de plaatselijke actiegroepen inclusief zijn en dat deze hetzij één partner van de groep kiezen die in administratieve en financiële aangelegenheden als hoofdpartner optreedt, hetzij zich verenigen in een gemeenschappelijke rechtsstructuur, met het oog op het uitvoeren van taken in verband met de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 3 – letter a
(a)  de opbouw van capaciteit van lokale actoren om concrete acties te ontwikkelen en uit te voeren;
(a)  de opbouw van de bestuurlijke capaciteit van lokale actoren om concrete acties te ontwikkelen en uit te voeren;
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 5
5.  De plaatselijke actiegroep kan een begunstigde zijn en acties uitvoeren conform de strategie.
5.  De plaatselijke actiegroep kan een begunstigde zijn en acties uitvoeren conform de strategie, waarbij een scheiding van functies binnen de plaatselijke actiegroep wordt aangemoedigd.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaat zorgt dat de steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling betrekking heeft op:
1.  Om complementariteit en synergieën te waarborgen, zorgt de lidstaat ervoor dat de steun uit de Fondsen voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling betrekking heeft op:
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – letter a
(a)  capaciteitsopbouw en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategieën;
(a)  de opbouw van de bestuurlijke capaciteit en voorbereidende acties ter ondersteuning van het ontwerp en de toekomstige uitvoering van de strategieën;
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Artikel 28 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
(b bis)   dynamisering van de strategie voor vanuit de gemeenschap aangestuurde lokale ontwikkeling om uitwisseling tussen belanghebbenden te faciliteren, informatie te verstrekken aan belanghebbenden en potentiële begunstigden te ondersteunen bij de voorbereiding van aanvragen;
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.   De in de eerste alinea bedoelde maatregelen kunnen met name betrekking hebben op:
(a)  ondersteuning voor de voorbereiding en beoordeling van projecten;
(b)  steun voor institutionele versterking en vergroting van de bestuurlijke capaciteit voor een doeltreffend beheer van de Fondsen;
(c)  studies in verband met de rapportage van de Commissie over de Fondsen en het cohesieverslag;
(d)  maatregelen in verband met analyse, beheer, toezicht, uitwisseling van informatie en uitvoering van de Fondsen, alsook maatregelen in verband met de uitvoering van controlesystemen en technische en administratieve ondersteuning;
(e)  evaluaties, deskundigenverslagen, statistieken en studies, ook van algemene aard, over de huidige en toekomstige werking van de Fondsen;
(f)  acties om informatie te verspreiden, netwerkvorming te ondersteunen, communicatieactiviteiten uit te voeren met bijzondere nadruk op de resultaten en meerwaarde van de steun uit de Fondsen, te zorgen voor bewustmaking en aan te zetten tot samenwerking en uitwisseling van ervaringen, ook met derde landen;
(g)  het opzetten, doen functioneren en onderling koppelen van computersystemen voor beheer, toezicht, audit, controle en evaluatie;
(h)  acties om de evaluatiemethoden te verbeteren en informatie over de evaluatiepraktijk uit te wisselen;
(i)  acties in verband met auditing;
(j)  de versterking van de nationale en regionale capaciteit voor investeringsplanning, financieringsbehoeften, voorbereiding, ontwerp en uitvoering van financieringsinstrumenten, gezamenlijke actieplannen en grote projecten;
(k)  de verspreiding van goede praktijken teneinde de lidstaten te helpen bij de versterking van de capaciteit van de in artikel 6, lid 1, bedoelde betrokken partners en hun overkoepelende organisaties.
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.   De Commissie zet ten minste 15 % van de middelen voor technische bijstand op initiatief van de Commissie in om de communicatie met het publiek efficiënter te maken en de synergie tussen de op initiatief van de Commissie verrichte communicatieactiviteiten te versterken, door de kennisbasis over de resultaten uit te breiden, met name via een effectievere gegevensvergaring en -verspreiding, evaluaties en rapportage, en vooral door te benadrukken dat de Fondsen er mee voor hebben gezorgd dat de levensomstandigheden van de burgers verbeterd zijn en de zichtbaarheid van de steun uit de Fondsen te vergroten, alsook door het publiek beter bekend te maken met de resultaten en de meerwaarde van die steun. De informatie-, communicatie- en zichtbaarheidsmaatregelen met betrekking tot de resultaten en de meerwaarde van de steun uit de Fondsen, met bijzondere nadruk op concrete acties, worden in voorkomend geval voortgezet na beëindiging van de programma's. Deze maatregelen dragen ook bij tot de institutionele communicatie betreffende de politieke prioriteiten van de Unie voor zover zij verband houden met de algemene doelstellingen van deze verordening.
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2
2.  Dergelijke acties kunnen betrekking hebben op toekomstige en eerdere programmeringsperiodes.
2.  Dergelijke acties kunnen betrekking hebben op eerdere en toekomstige programmeringsperiodes.
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Teneinde situaties te voorkomen waarin betalingen worden geschorst, zorgt de Commissie ervoor dat de lidstaten en de regio's die worden geconfronteerd met nalevingsproblemen ten gevolge van een gebrek aan bestuurlijke capaciteit, passende technische bijstand ontvangen om die bestuurlijke capaciteit te verbeteren.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 1
1.  Op initiatief van een lidstaat kunnen de Fondsen acties ondersteunen die betrekking kunnen hebben op eerdere en volgende programmeringsperiodes en die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze fondsen.
1.  Op initiatief van een lidstaat kunnen de Fondsen acties ondersteunen die betrekking kunnen hebben op eerdere en volgende programmeringsperiodes en die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze fondsen, voor de capaciteitsopbouw van de in artikel 6 bedoelde partners, alsook voor het waarborgen van bepaalde functies zoals voorbereiding, opleiding, beheer, monitoring, evaluatie, zichtbaarheid en communicatie.
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 30 – lid 3
3.  Binnen elk programma krijgt de technische bijstand de vorm van een prioriteit die verband houdt met één enkel fonds.
3.  Binnen elk programma krijgt de technische bijstand de vorm van een prioriteit die verband houdt met hetzij één enkel fonds, hetzij meerdere fondsen.
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – inleidende formule
2.  Het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand is:
2.  Op basis van een overeenkomst tussen de Commissie en de lidstaten en met inachtneming van het financiële plan van het programma, kan het percentage dat uit de Fondsen wordt vergoed voor technische bijstand worden vastgesteld op maximaal:
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – letter a
(a)  voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en voor de Cohesiefonds-steun: 2,5 %;
(a)  voor de EFRO-steun in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" en voor de Cohesiefonds-steun: 3 %;
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – letter b
(b)  voor de ESF+-steun: 4 % en voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening: 5 %;
(b)  voor de ESF+-steun: 5 % en voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening: 6 %;
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – letter d
(d)  voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 6 %.
(d)  voor de AMIF-, ISF- en BMVI-steun: 7 %.
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 31 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
Voor de ultraperifere gebieden is het percentage voor de punten a), b) en c), maximaal 1 % hoger.
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – alinea 1
Bovenop artikel 31 kan de lidstaat aanvullende acties op het gebied van technische bijstand voorstellen om de capaciteit te versterken van de autoriteiten, begunstigden en relevante partners van de lidstaat die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze Fondsen.
Bovenop artikel 31 kan de lidstaat aanvullende acties op het gebied van technische bijstand voorstellen om de institutionele capaciteit en efficiëntie te versterken van overheden en openbare diensten, begunstigden en relevante partners van de lidstaat die nodig zijn voor het doeltreffend bestuur en gebruik van deze Fondsen.
Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 32 – alinea 2
Steun voor dergelijke acties wordt uitgevoerd via financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89.
Steun voor dergelijke acties wordt uitgevoerd via financiering die geen verband houdt met kosten overeenkomstig artikel 89. Technische bijstand in de vorm van een optioneel specifiek programma kan worden uitgevoerd door middel van financiering die geen verband houdt met kosten voor technische bijstand, of door middel van een terugbetaling van de directe kosten.
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 1 – alinea 1
Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma ("toezichtcomité").
Binnen drie maanden na de datum waarop aan de lidstaat kennis wordt gegeven van het besluit tot goedkeuring van het programma, richt de lidstaat, na raadpleging van de beheersautoriteit, een comité op dat toezicht houdt op de uitvoering van het programma ("toezichtcomité").
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 2
2.  Ieder toezichtcomité stelt zijn reglement van orde vast.
2.  Ieder toezichtcomité stelt zijn reglement van orde vast, waarbij rekening wordt gehouden met de noodzaak van volledige transparantie.
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Artikel 33 – lid 5
5.  De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op in artikel [4, onder c), vi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's en daarmee samenhangende technische bijstand.
5.  De leden 1 tot en met 4 zijn niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder xi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's en daarmee samenhangende technische bijstand.
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 1 – alinea 1
De lidstaat bepaalt de samenstelling van het toezichtcomité en zorgt voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de bevoegde lidstaatautoriteiten, intermediaire instanties en de in artikel 6 bedoelde partners.
De lidstaat bepaalt de samenstelling van het toezichtcomité en zorgt aan de hand van een transparant proces voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de bevoegde lidstaatautoriteiten, intermediaire instanties en de in artikel 6 bedoelde partners.
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2
2.  Vertegenwoordigers van de Commissie nemen met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel.
2.  Vertegenwoordigers van de Commissie nemen als toezichthouder en met raadgevende stem aan de werkzaamheden van het toezichtcomité deel. Vertegenwoordigers van de EIB kunnen in voorkomend geval worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de werkzaamheden van het toezichtcomité.
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 34 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Voor het AMIF, het ISF en het BMVI nemen de relevante gedecentraliseerde agentschappen met raadgevende stem deel aan de werkzaamheden van het toezichtcomité.
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
(a bis)   voorstellen voor mogelijke vereenvoudigingsmaatregelen voor begunstigden;
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – alinea 1 – letter b
(b)  vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het programma en de genomen maatregelen;
(b)  vraagstukken die van invloed zijn op de prestaties van het programma en de genomen maatregelen, in voorkomend geval met inbegrip van eventuele onregelmatigheden;
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 1 – letter i
(i)  de vorderingen met de capaciteitsopbouw voor overheidsinstanties en begunstigden, indien van toepassing.
(i)  de vorderingen met de opbouw van bestuurlijke capaciteit voor overheidsinstanties, partners en begunstigden, indien van toepassing.
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 2 – letter b
(b)  de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's;
(b)  de jaarlijkse prestatieverslagen van de door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's, en het eindverslag over de prestaties voor door het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunde programma's;
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
(d bis)   wijzigingen in de lijst van geplande concrete acties van strategisch belang als bedoeld in artikel 17, lid 3, onder d);
Amendement 226
Voorstel voor een verordening
Artikel 35 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Het toezichtcomité kan de beheersautoriteit nieuwe interventiegebieden voorstellen.
Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Artikel 36 – lid 1 – alinea 1
Tussen de Commissie en elke lidstaat wordt een jaarlijkse evaluatievergadering gehouden om de prestaties van elk programma te onderzoeken.
Tussen de Commissie en elke lidstaat wordt een jaarlijkse evaluatievergadering gehouden om de prestaties van elk programma te onderzoeken. Beheersautoriteiten worden naar behoren betrokken bij dit proces.
Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Artikel 36 – lid 6
6.  Voor door het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's dient de lidstaat een jaarlijks prestatieverslag in in overeenstemming met de fondsspecifieke verordeningen.
6.  Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's dient de lidstaat een jaarlijks prestatieverslag in in overeenstemming met de fondsspecifieke verordeningen.
Amendement 229
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 1 – alinea 2
De gegevens worden uiterlijk op 31 januari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 31 januari 2030 voor het laatst.
De gegevens worden uiterlijk op 28 februari 2022 voor het eerst ingediend en uiterlijk op 28 februari 2030 voor het laatst.
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 1 – alinea 3
Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder c), vii), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend.
Voor programma's in het kader van artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening worden de gegevens jaarlijks uiterlijk op 30 november ingediend.
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 2 – letter a
(a)  het aantal geselecteerde concrete acties, hun totale subsidiabele kost, de bijdrage van de Fondsen en het totaal van de door de begunstigden aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype;
(a)  in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 januari, 31 maart, 31 mei, 31 juli, 30 september en 30 november van elk jaar, het aantal geselecteerde concrete acties, hun totale subsidiabele kost, de bijdrage van de Fondsen en het totaal van de door de begunstigden aan de beheersautoriteit gedeclareerde subsidiabele uitgaven, steeds opgesplitst per interventietype;
Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Artikel 37 – lid 2 – letter b
(b)  de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties en de door de concrete acties bereikte waarden.
(b)  uitsluitend in de overdracht van gegevens op uiterlijk 31 mei en 30 november van elk jaar, de waarden van de output- en resultaatindicatoren voor de geselecteerde concrete acties en de door de concrete acties bereikte waarden.
Amendement 233
Voorstel voor een verordening
Artikel 39 – lid 1
1.  De beheersautoriteit voert evaluatie van het programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang en EU-meerwaarde met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de programma's.
1.  De beheersautoriteit voert evaluaties van het programma uit. Elke evaluatie bevat een beoordeling van de inclusiviteit, niet-discriminerende aard, doeltreffendheid, efficiëntie, relevantie, samenhang, zichtbaarheid en EU-meerwaarde van het programma met het oog op de verbetering van de kwaliteit van het ontwerp en de uitvoering van de programma's.
Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Artikel 40 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De in lid 2 bedoelde evaluatie omvat een evaluatie van de sociaal-economische gevolgen en de financieringsbehoeften met betrekking tot de beleidsdoelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, in het kader van en tussen de programma's, met een bijzondere nadruk op een concurrerender en slimmer Europa door de bevordering van een innovatieve en slimme economische transformatie en een meer verbonden Europa door de versterking van de mobiliteit, waaronder slimme en duurzame mobiliteit en regionale ICT-connectiviteit. De Commissie publiceert de resultaten van de evaluatie op haar website en deelt die resultaten mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Artikel 43 – lid 1 – alinea 2 – letter b
(b)  andere relevante partners en instanties.
(b)  andere relevante partners en instanties, met inbegrip van regionale, lokale en andere overheden, en economische en sociale partners.
Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 1
1.  De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het programma voor een website met informatie over de programma's waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, activiteiten, beschikbare financieringsmogelijkheden en verwezenlijkingen van het programma.
1.  De beheersautoriteit zorgt binnen zes maanden na de goedkeuring van het programma voor een website met informatie over de programma's waarvoor zij verantwoordelijk is, met inbegrip van informatie over de doelstellingen, de activiteiten, het indicatieve tijdschema voor de oproep tot het indienen van voorstellen, de beschikbare financieringsmogelijkheden en de verwezenlijkingen van het programma.
Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Artikel 44 – lid 3 – alinea 1 – letter a
(a)  in het geval van rechtspersonen, de naam van de begunstigde;
(a)  in het geval van rechtspersonen, de naam van de begunstigde en van de contractant;
Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter a
(a)  op de professionele website van de begunstigde of op de sociale media, indien die bestaan, een korte beschrijving – in verhouding tot de ontvangen steun – van de concrete actie op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie;
(a)  op de professionele website van de begunstigde en op de sociale media, indien die bestaan, een korte beschrijving – in verhouding tot de ontvangen steun – van de concrete actie op te nemen, met inbegrip van het doel en de resultaten ervan, en daarbij de nadruk te leggen op de financiële steun door de Unie;
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter c – inleidende formule
(c)  een plaat of bord te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal van start gaat, over:
(c)  een permanente plaat of permanent bord op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen zodra de materiële uitvoering van de concrete actie die gepaard gaat met fysieke investeringen of de aankoop van materiaal van start gaat, over:
Amendement 243
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter d
(d)  voor concrete acties die niet onder punt c) vallen, ten minste één affiche of elektronisch beeldscherm (minimaal in A3-formaat) met informatie over de concrete actie met vermelding van de steun uit de Fondsen, op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen;
(d)  voor concrete acties die niet onder punt c) vallen, ten minste één affiche of elektronisch beeldscherm (minimaal in A3-formaat) met informatie over de concrete actie met vermelding van de steun uit de Fondsen, op een voor het publiek duidelijk zichtbare plek te plaatsen;
Amendement 244
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
(e bis)   vanaf het moment dat de materiële uitvoering van start gaat het embleem van de Unie permanent op een voor het publiek zichtbare plek te plaatsen in overeenstemming met de in bijlage VIII vastgestelde technische kenmerken;
Amendement 245
Voorstel voor een verordening
Artikel 45 – lid 1 – alinea 2
Deze vereiste is niet van toepassing voor concrete acties die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii) van de ESF+-verordening.
Deze vereiste is niet van toepassing voor concrete acties die worden ondersteund in het kader van de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening.
Amendement 246
Voorstel voor een verordening
Artikel 47 – alinea 1
Lidstaten gebruiken de bijdrage uit de Fondsen om begunstigden steun te verlenen in de vorm van subsidies, financieringsinstrumenten of prijzen of een combinatie daarvan.
Lidstaten gebruiken de bijdrage uit de Fondsen om begunstigden steun te verlenen in de vorm van subsidies, beperkt gebruik van financieringsinstrumenten of prijzen of een combinatie daarvan.
Amendement 247
Voorstel voor een verordening
Artikel 49 – alinea 1 – letter c
(c)  een vast percentage van maximaal 25 % van de subsidiabele directe kosten, als dat percentage overeenkomstig artikel 48, lid 2, onder a), wordt berekend.
(c)  een vast percentage van maximaal 25 % van de subsidiabele directe kosten, als dat percentage overeenkomstig artikel 48, lid 2, onder a), of artikel 48, lid 2, onder c), wordt berekend.
Amendement 248
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – letter a
(a)  door de meest recente met documenten gestaafde jaarlijkse bruto arbeidskosten te delen door 1720 uren voor voltijdse werknemers, of door een overeenkomstig pro rata van 1720 uren voor deeltijdse werknemers;
(a)  door de meest recente met documenten gestaafde jaarlijkse bruto arbeidskosten, met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door 1720 uren voor voltijdse werknemers, of door een overeenkomstig pro rata van 1720 uren voor deeltijdse werknemers;
Amendement 249
Voorstel voor een verordening
Artikel 50 – lid 2 – letter b
(b)  door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving.
(b)  door de meest recente met documenten gestaafde maandelijkse bruto arbeidskosten, met verwachte extra kosten voor factoren zoals een stijging van tarieven of bevordering van personeel, te delen door de maandelijkse werktijd van de betrokken persoon overeenkomstig de in het arbeidscontract vermelde nationale wetgeving.
Amendement 250
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 2
2.  Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor nieuwe investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering te vinden is.
2.  Met financieringsinstrumenten wordt aan eindontvangers uitsluitend steun verstrekt voor nieuwe investeringen die naar verwachting financieel levensvatbaar zijn, bijvoorbeeld door inkomsten of besparingen te genereren, en waarvoor op de markt niet voldoende financiering te vinden is. Deze steun kan investeringen in materiële en immateriële activa omvatten, alsmede bedrijfskapitaal, met inachtneming van de toepasselijke staatssteunregels van de Unie.
Amendement 251
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 3 – alinea 2 – letter a
(a)  het voorgestelde bedrag aan programmabijdragen aan een financieringsinstrument en het verwachte hefboomeffect;
(a)  het voorgestelde bedrag aan programmabijdragen aan een financieringsinstrument en het verwachte hefboomeffect, vergezeld van de desbetreffende beoordelingen;
Amendement 252
Voorstel voor een verordening
Artikel 52 – lid 5
5.  Financieringsinstrumenten kunnen worden gecombineerd met aanvullende programmaondersteuning in de vorm van subsidies als concrete actie in één enkel financieringsinstrument, met één financieringsovereenkomst, waarbij beide verschillende vormen van steun worden verstrekt door de instantie die het financieringsinstrument uitvoert. In dat geval gelden de op de financieringsinstrumenten toepasselijke regels voor die concrete actie in één enkel financieringsinstrument.
5.  Financieringsinstrumenten kunnen worden gecombineerd met aanvullende programmaondersteuning in de vorm van subsidies als concrete actie in één enkel financieringsinstrument, met één financieringsovereenkomst, waarbij beide verschillende vormen van steun worden verstrekt door de instantie die het financieringsinstrument uitvoert. Indien het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van subsidie minder is dan het bedrag van de programmaondersteuning in de vorm van een financieringsinstrument, gelden de op de financieringsinstrumenten toepasselijke regels.
Amendement 253
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 2 – alinea 2
De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert.
De beheersautoriteit selecteert de instantie die een financieringsinstrument uitvoert via een rechtstreekse of onrechtstreekse gunning van een opdracht.
Amendement 254
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
De beheersautoriteit kan via de rechtstreekse gunning van een opdracht uitvoeringstaken toevertrouwen aan:
(a)  de EIB;
(b)  een internationale financiële instelling waarvan een lidstaat aandeelhouder is;
(c)  een bank of instelling in handen van de overheid, opgericht als juridische entiteit die op professionele basis financiële activiteiten uitvoert.
Amendement 255
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 7
7.  De beheersautoriteit die het financieringsinstrument beheert overeenkomstig lid 2, of de instantie die het financieringsinstrument uitvoert bij het beheer van het financieringsinstrument overeenkomstig lid 3, houdt afzonderlijke rekeningen bij of gebruikt een boekhoudkundige code per prioriteit en per regiocategorie voor elke programmabijdrage en apart voor respectievelijk in artikel 54 en artikel 56 bedoelde middelen.
7.  De beheersautoriteit die het financieringsinstrument beheert overeenkomstig lid 2, of de instantie die het financieringsinstrument uitvoert bij het beheer van het financieringsinstrument overeenkomstig lid 3, houdt afzonderlijke rekeningen bij of gebruikt een boekhoudkundige code per prioriteit en per regiocategorie of, voor het Elfpo, per type interventie, voor elke programmabijdrage en apart voor respectievelijk in artikel 54 en artikel 56 bedoelde middelen.
Amendement 256
Voorstel voor een verordening
Artikel 53 – lid 7 bis (nieuw)
7 bis.   De rapportagevereisten betreffende het gebruik van het financieringsinstrument voor de beoogde doeleinden gelden alleen voor de beheersautoriteiten en financiële intermediairs.
Amendement 257
Voorstel voor een verordening
Artikel 54 – lid 2
2.  Rente en andere voordelen die kunnen worden toegeschreven aan steun uit de Fondsen die aan financieringsinstrumenten is betaald, moeten worden gebruikt voor dezelfde doeleinden als de oorspronkelijke steun uit de Fondsen, hetzij binnen hetzelfde financieringsinstrument hetzij, na de vereffening van dat financieringsinstrument, in andere financieringsinstrumenten of andere vormen van steun, tot aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode.
2.  Rente en andere voordelen die kunnen worden toegeschreven aan steun uit de Fondsen die aan financieringsinstrumenten is betaald, moeten worden gebruikt voor dezelfde doeleinden als de oorspronkelijke steun uit de Fondsen, hetzij binnen hetzelfde financieringsinstrument hetzij, na de vereffening van dat financieringsinstrument, in andere financieringsinstrumenten of andere vormen van steun voor verdere investeringen in eindontvangers, of, in voorkomend geval, ter dekking van de verliezen in het nominale bedrag van de bijdrage uit de Fondsen aan het financieringsinstrument ten gevolge van negatieve rente, indien dergelijke verliezen zich voordoen ondanks een actief beheer van de kasmiddelen door de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren, tot aan het einde van de subsidiabiliteitsperiode.
Amendement 258
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 1
1.  Steun uit de Fondsen voor financieringsinstrumenten die in eindontvangers wordt geïnvesteerd, en andere door die investeringen gegenereerde inkomsten, die toe te schrijven zijn aan de steun uit de Fondsen, kunnen worden gebruikt voor een gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken door een passende deling van de risico's en de winsten.
1.  Steun uit de Fondsen voor financieringsinstrumenten die in eindontvangers wordt geïnvesteerd, en andere door die investeringen gegenereerde inkomsten, die toe te schrijven zijn aan de steun uit de Fondsen, kunnen worden gebruikt voor een gedifferentieerde behandeling van investeerders die volgens het beginsel van de markteconomie werken of voor andere vormen van Uniesteun, door een passende deling van de risico's en de winsten, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer.
Amendement 259
Voorstel voor een verordening
Artikel 55 – lid 2
2.  Het niveau van een dergelijke gedifferentieerde behandeling ligt niet hoger dan wat nodig is om stimulansen te creëren voor het aantrekken van private middelen, vastgesteld door een concurrentieprocedure of een onafhankelijke beoordeling.
2.  Het niveau van een dergelijke gedifferentieerde behandeling ligt niet hoger dan wat nodig is om stimulansen te creëren voor het aantrekken van private middelen, vastgesteld door een concurrentieprocedure of een overeenkomstig artikel 52 van deze verordening uitgevoerde ex-antebeoordeling.
Amendement 260
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1
1.  Middelen die voor het einde van de subsidiabiliteitsperiode aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald uit uitvesteringen in eindontvangers of doordat middelen vrijkomen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, met inbegrip van terugbetaald kapitaal en andere gegenereerde inkomsten die zijn toe te schrijven aan de steun uit de Fondsen, worden hergebruikt voor dezelfde of andere financieringsinstrumenten voor verdere investeringen in eindontvangers, onder dezelfde specifieke doelstelling of doelstellingen en voor beheerskosten en -vergoedingen die met dergelijke investeringen samenhangen.
1.  Middelen die voor het einde van de subsidiabiliteitsperiode aan financieringsinstrumenten worden terugbetaald uit investeringen in eindontvangers of doordat middelen vrijkomen die voor garantiecontracten zijn vastgelegd, met inbegrip van terugbetaald kapitaal en andere gegenereerde inkomsten die zijn toe te schrijven aan de steun uit de Fondsen, worden hergebruikt voor dezelfde of andere financieringsinstrumenten voor verdere investeringen in eindontvangers, onder dezelfde specifieke doelstelling of doelstellingen en voor beheerskosten en -vergoedingen die met dergelijke investeringen samenhangen, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer.
Amendement 261
Voorstel voor een verordening
Artikel 56 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Besparingen dankzij efficiëntere concrete acties worden niet beschouwd als gegenereerde inkomsten voor de toepassing van de eerste alinea. Met name kostenbesparingen als gevolg van energie-efficiëntiemaatregelen leiden niet tot een overeenkomstige verlaging van de exploitatiesubsidies.
Amendement 262
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 2 – alinea 1
Uitgaven komen voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij zijn gedaan door een begunstigde of de particuliere partner van een concrete PPP-actie en zijn betaald tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2029.
Uitgaven komen voor een bijdrage uit de Fondsen in aanmerking als zij zijn gedaan door een begunstigde of de particuliere partner van een concrete PPP-actie en zijn betaald tussen de datum van indiening van het programma bij de Commissie of, als dat eerder is, 1 januari 2021, en 31 december 2030.
Amendement 263
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 4
4.  Een concrete actie of een deel van een concrete actie kan buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie bijdraagt tot de doelstellingen van het programma.
4.  Een concrete actie of een deel van een concrete actie in het kader van het EFRO, het ESF+ of het Cohesiefonds kan buiten een lidstaat worden uitgevoerd, ook indien dit buiten het grondgebied van de Unie is, mits de concrete actie onder een van de vijf componenten van de doelstelling Europese territoriale samenwerking (Interreg) valt als gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) [...] (de ETS-verordening), en bijdraagt tot de doelstellingen van het programma.
Amendement 264
Voorstel voor een verordening
Artikel 57 – lid 6
6.  Concrete acties die fysiek voltooid zijn of volledig ten uitvoer zijn gelegd voordat de financieringsaanvraag in het kader van het programma bij de beheersautoriteit is ingediend, worden niet voor steun uit de Fondsen geselecteerd, ongeacht of alle betrokken betalingen zijn verricht.
6.  Concrete acties die fysiek voltooid zijn of volledig ten uitvoer zijn gelegd voordat de financieringsaanvraag in het kader van het programma bij de beheersautoriteit is ingediend, worden niet voor steun uit de Fondsen geselecteerd, ongeacht of alle betrokken betalingen zijn verricht. Dit lid is niet van toepassing op EFMZV-compensaties voor extra kosten in de ultraperifere gebieden, noch op uitgaven die zijn gefinancierd via specifieke aanvullende EFRO- en ESF+-toewijzingen ten behoeve van de ultraperifere gebieden.
Amendement 265
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1 – alinea 1 – letter a
(a)  debetrente, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen;
(a)  debetrente, behalve met betrekking tot subsidies verleend in de vorm van een rentesubsidie of een subsidie voor garantievergoedingen, of met betrekking tot een bijdrage aan financieringsinstrumenten die voortkomt uit een negatieve rente;
Amendement 266
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1 – alinea 1 – letter c
(c)   belasting over de toegevoegde waarde (btw), behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR.
Schrappen
Amendement 267
Voorstel voor een verordening
Artikel 58 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
De subsidiabiliteit met betrekking tot belasting over de toegevoegde waarde (btw) wordt per geval bepaald, behalve voor concrete acties waarvan de totale kostprijs lager is dan 5 000 000 EUR en voor investeringen en uitgaven van eindbegunstigden.
Amendement 268
Voorstel voor een verordening
Artikel 59 – lid 1 – alinea 2
De lidstaat kan de in de eerste alinea vastgestelde termijn verkorten tot drie jaar bij behoud van investeringen of door kleine en middelgrote ondernemingen gecreëerde banen.
De lidstaat kan in de onder a), b) en c), bedoelde naar behoren gemotiveerde gevallen de in de eerste alinea vastgestelde termijn verkorten tot drie jaar bij behoud van door kleine en middelgrote ondernemingen gecreëerde banen.
Amendement 269
Voorstel voor een verordening
Artikel 59 – lid 3
3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.
3.  De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op programmabijdragen aan of afkomstig uit financieringsinstrumenten, noch op concrete acties waarvan een productieactiviteit wordt beëindigd wegens een niet-frauduleus faillissement.
Amendement 270
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3 – alinea 1
Voor de toepassing van lid 1, onder d), zijn de beheersvergoedingen gebaseerd op prestaties. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 3, wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instanties betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van maximaal 5 % van het totaalbedrag van programmabijdragen die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, of bedragen die als overeengekomen in garantiecontracten zijn gereserveerd.
Voor de toepassing van lid 1, onder d), zijn de beheersvergoedingen gebaseerd op prestaties. Voor de eerste twaalf maanden van de uitvoering van het financieringsinstrument is een basisvergoeding voor beheerskosten en -vergoedingen subsidiabel. Indien een instantie die een holdingfonds en/of specifieke fondsen uitvoert, overeenkomstig artikel 53, lid 2, wordt geselecteerd door middel van een rechtstreekse gunning van een opdracht, is het bedrag van de aan deze instanties betaalde beheerskosten en -vergoedingen dat kan worden gedeclareerd als subsidiabele uitgave onderworpen aan een drempel van maximaal 5 % van het totaalbedrag van programmabijdragen die zijn uitbetaald aan eindontvangers in de vorm van leningen, investeringen in eigen vermogen of investeringen in quasi-eigenvermogen, of bedragen die als overeengekomen in garantiecontracten zijn gereserveerd.
Amendement 271
Voorstel voor een verordening
Artikel 62 – lid 3 – alinea 2
Die drempel is niet van toepassing wanneer de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de openbare aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen aantoont.
Wanneer de instanties die de financieringsinstrumenten uitvoeren door middel van een openbare aanbesteding zijn geselecteerd in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving, en de openbare aanbesteding de noodzaak van hogere beheerskosten en -vergoedingen, die gebaseerd zijn op prestaties, aantoont.
Amendement 272
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen voor de wettigheid en regelmatigheid van in de rekeningen opgenomen uitgaven die bij de Commissie zijn ingediend, en treffen alle nodige maatregelen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen, te verbeteren en te rapporteren.
2.  De lidstaten zorgen voor de wettigheid en regelmatigheid van in de rekeningen opgenomen uitgaven die bij de Commissie zijn ingediend, en treffen alle nodige maatregelen om onregelmatigheden, met inbegrip van fraude, te voorkomen, op te sporen, te verbeteren en te rapporteren. De lidstaten verlenen hun volledige samenwerking aan OLAF.
Amendement 273
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 4
4.  De lidstaten waarborgen de kwaliteit en de betrouwbaarheid van het monitoringsysteem en van de gegevens over indicatoren.
4.  De lidstaten waarborgen de kwaliteit, de onafhankelijkheid en de betrouwbaarheid van het monitoringsysteem en van de gegevens over indicatoren.
Amendement 274
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 6 – alinea 1
De lidstaten beschikken over regelingen die ervoor zorgen dat klachten over de Fondsen daadwerkelijk worden onderzocht. Op verzoek van de Commissie onderzoeken zij de bij de Commissie ingediende klachten die in het toepassingsgebied van hun programma's vallen en zij informeren de Commissie over de resultaten van de onderzoeken.
De lidstaten beschikken over regelingen die ervoor zorgen dat klachten over de Fondsen daadwerkelijk worden onderzocht. De lidstaten zijn overeenkomstig hun institutioneel en juridisch kader verantwoordelijk voor het toepassingsgebied, de regels en de procedures betreffende deze regelingen. Op verzoek van de Commissie overeenkomstig artikel 64, lid 4 bis, onderzoeken zij de bij de Commissie ingediende klachten die in het toepassingsgebied van hun programma's vallen en zij informeren de Commissie over de resultaten van de onderzoeken.
Amendement 275
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 7 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden.
De lidstaten zorgen ervoor dat de uitwisseling van alle informatie tussen de begunstigden en de programma-autoriteiten door middel van gebruiksvriendelijke elektronische systemen voor gegevensuitwisseling overeenkomstig bijlage XII kan plaatsvinden.
Amendement 276
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 7 – alinea 2
Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's is de eerste alinea van toepassing vanaf 1 januari 2023.
Voor door het EFMZV, het AMIF, het ISF en het BMVI ondersteunde programma's is de eerste alinea van toepassing vanaf 1 januari 2022.
Amendement 277
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 7 – alinea 3
Het eerste lid is niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder c), vii)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's.
Het eerste lid is niet van toepassing op in artikel [4, lid 1, onder xi)], van de ESF+-verordening bedoelde programma's.
Amendement 278
Voorstel voor een verordening
Artikel 63 – lid 11
11.  De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed om het model op te stellen dat moet worden gebruikt voor de rapportering van onregelmatigheden in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden te garanderen voor de uitvoering van dit artikel.
11.  De Commissie keurt een uitvoeringshandeling goed om het model op te stellen dat moet worden gebruikt voor de rapportering van onregelmatigheden in overeenstemming met de in artikel 109, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure om eenvormige voorwaarden en regels te garanderen voor de uitvoering van dit artikel.
Amendement 279
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 1 – alinea 1
De Commissie vergewist zich ervan dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die aan deze verordening voldoen en dat die systemen tijdens de uitvoering van de programma's doeltreffend functioneren. De Commissie stelt een auditstrategie en een auditplan op op basis van een risicobeoordeling.
De Commissie vergewist zich ervan dat de lidstaten beheers- en controlesystemen hebben opgezet die aan deze verordening voldoen en dat die systemen tijdens de uitvoering van de programma's doeltreffend en efficiënt functioneren. De Commissie stelt voor de lidstaten een auditstrategie en een auditplan op op basis van een risicobeoordeling.
Amendement 280
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 2
2.  De audits van de Commissie worden uitgevoerd tot drie jaar na de goedkeuring van de rekeningen waar de betreffende uitgave in was begrepen. Deze termijn is niet van toepassing op concrete acties waarvoor een vermoeden van fraude bestaat.
2.  De audits van de Commissie worden uitgevoerd tot twee jaar na de goedkeuring van de rekeningen waar de betreffende uitgave in was begrepen. Deze termijn is niet van toepassing op concrete acties waarvoor een vermoeden van fraude bestaat.
Amendement 281
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 1 – letter a
(a)  behalve in dringende gevallen stelt de Commissie de bevoegde programma-autoriteit ten minste twaalf werkdagen van tevoren in kennis van de controle. Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen;
(a)  behalve in dringende gevallen stelt de Commissie de bevoegde programma-autoriteit ten minste vijftien werkdagen van tevoren in kennis van de controle. Aan deze audits mogen ambtenaren of gemachtigde vertegenwoordigers van de lidstaat deelnemen;
Amendement 282
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 1 – letter c
(c)  de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat;
(c)  de Commissie zendt de voorlopige auditbevindingen in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk twee maanden na de laatste dag van de audit aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat;
Amendement 283
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 1 – letter d
(d)  de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk drie maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen.
(d)  de Commissie zendt het auditverslag in ten minste één officiële taal van de Unie uiterlijk twee maanden na de laatste dag van ontvangst van een volledig antwoord van de bevoegde autoriteit van de lidstaat op de voorlopige auditbevindingen. Het antwoord van de lidstaat wordt als volledig beschouwd als de Commissie binnen twee maanden niet heeft laten weten dat er nog over te leggen documenten zijn.
Amendement 284
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 – alinea 2
De Commissie kan de onder c) en d) bedoelde termijnen met drie maanden verlengen.
De Commissie kan de onder c) en d) bedoelde termijnen in naar behoren gemotiveerde gevallen met twee maanden verlengen.
Amendement 285
Voorstel voor een verordening
Artikel 64 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.   Onverminderd artikel 63, lid 6, voorziet de Commissie in een klachtenbehandelingssysteem dat toegankelijk is voor burgers en belanghebbenden.
Amendement 286
Voorstel voor een verordening
Artikel 65 – lid 2
2.  De auditautoriteit is een openbare autoriteit die volledig onafhankelijk is van de geauditeerde.
2.  De auditautoriteit is een openbare of particuliere autoriteit die volledig onafhankelijk is van de beheersautoriteit en de organen of entiteiten aan wie taken zijn toevertrouwd of gedelegeerd.
Amendement 287
Voorstel voor een verordening
Artikel 66 – lid 1 – letter e
(e)  in een elektronisch systeem de gegevens van elke concrete actie registreren en opslaan voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, en de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers waarborgen.
(e)  in elektronische systemen de gegevens van elke concrete actie registreren en opslaan voor toezicht, evaluatie, financieel beheer, controles en audits, en de beveiliging, integriteit en vertrouwelijkheid van de gegevens en de authenticatie van gebruikers waarborgen.
Amendement 288
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 1 – alinea 1
Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU.
Voor de selectie van concrete acties moet de beheersautoriteit criteria en procedures vaststellen en toepassen die niet-discriminerend en transparant zijn, toegankelijk zijn voor personen met een handicap, gendergelijkheid waarborgen en rekening houden met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van duurzame ontwikkeling en van het beleid van de Unie op milieugebied overeenkomstig artikel 11 en artikel 191, lid 1, VWEU.
Amendement 289
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3 – letter a
(a)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties in overeenstemming zijn met het programma en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan;
(a)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties duurzaam zijn, in overeenstemming zijn met het programma en met territoriale strategieën, en op effectieve wijze bijdragen tot de verwezenlijking van de specifieke doelstellingen ervan;
Amendement 290
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – alinea 3 – letter c
(c)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties de beste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten vertegenwoordigen;
(c)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties een juiste verhouding tussen het steunbedrag, de uitgevoerde activiteiten en de verkregen resultaten vertegenwoordigen;
Amendement 291
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3 – letter e
(e)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad48 worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad49;
(e)  waarborgen dat de geselecteerde concrete acties die onder het toepassingsgebied vallen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad48 worden onderworpen aan een milieueffectbeoordeling of een screeningprocedure en dat naar behoren rekening is gehouden met de beoordeling van alternatieve oplossingen en een uitgebreide openbare raadpleging, overeenkomstig de voorschriften van die richtlijn zoals gewijzigd bij Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad49;
_________________
_________________
48 Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
48 Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
49 Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).
49 Richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/92/EU betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 124 van 25.4.2014, blz. 1).
Amendement 292
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3 – letter f
(f)  verifiëren dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit;
(f)  waarborgen dat er voldaan is aan het toepasselijke recht indien de concrete acties zijn begonnen vóór de indiening van een financieringsaanvraag bij de beheersautoriteit;
Amendement 293
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 3– letter j
(j)  de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar.
(j)  voordat er investeringsbesluiten worden genomen, de klimaatbestendigheid waarborgen van investeringen in infrastructuur met een verwachte levensduur van ten minste vijf jaar, alsook de toepassing waarborgen van het beginsel "energie-efficiëntie eerst".
Amendement 294
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.   In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de beheersautoriteit eveneens beslissen om tot 5 % van de financiële middelen voor een programma in het kader van het EFRO en het ESF+ toe te wijzen aan specifieke projecten binnen de lidstaat die in aanmerking komen voor Horizon Europa, met inbegrip van de projecten die in de tweede fase worden geselecteerd, op voorwaarde dat die specifieke projecten bijdragen aan de doelstellingen van het programma in die lidstaat.
Amendement 295
Voorstel voor een verordening
Artikel 67 – lid 6
6.  Wanneer de beheersautoriteit een concrete actie van strategisch belang selecteert, stelt zij de Commissie daar onmiddellijk van in kennis en verstrekt zij de Commissie alle informatie over die actie.
6.  Wanneer de beheersautoriteit een concrete actie van strategisch belang selecteert, stelt zij de Commissie daar binnen één maand van in kennis en verstrekt zij de Commissie alle informatie over die actie, met inbegrip van een kosten-batenanalyse.
Amendement 296
Voorstel voor een verordening
Artikel 68 – lid 1 – alinea 1 – letter b
(b)  waarborgt dat, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van de financiering, de begunstigde uiterlijk negentig dagen na de datum waarop hij de betalingsaanvraag heeft ingediend, het verschuldigde totale bedrag ontvangt;
(b)  waarborgt in het geval van voorfinanciering en tussentijdse betalingen dat de begunstigde uiterlijk zestig dagen na de datum waarop hij de betalingsaanvraag heeft ingediend het verschuldigde totale bedrag voor geverifieerde uitgaven ontvangt;
Amendement 297
Voorstel voor een verordening
Artikel 70 – lid 1 – letter a
(a)  betalingsaanvragen opstellen en indien bij de Commissie overeenkomstig de artikelen 85 en 86;
(a)  betalingsaanvragen opstellen en indienen bij de Commissie overeenkomstig de artikelen 85 en 86, en rekening houden met de audits die worden verricht door of onder de verantwoordelijkheid van de auditautoriteit;
Amendement 298
Voorstel voor een verordening
Artikel 70 – lid 1 – letter b
(b)  rekeningen opstellen overeenkomstig artikel 92 en bescheiden bijhouden van alle elementen van de rekeningen in een elektronisch systeem;
(b)  rekeningen opstellen en presenteren, de volledigheid, nauwkeurigheid en juistheid bevestigen overeenkomstig artikel 92, en bescheiden bijhouden van alle elementen van de rekeningen in een elektronisch systeem;
Amendement 299
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 6 bis (nieuw)
6 bis.   De audit wordt uitgevoerd met verwijzing naar de toepasselijke norm op het moment dat de gecontroleerde actie wordt afgesproken, behalve wanneer nieuwe normen gunstiger zijn voor de begunstigde.
Amendement 300
Voorstel voor een verordening
Artikel 71 – lid 6 ter (nieuw)
6 ter.   De vaststelling van een onregelmatigheid, in het kader van de audit van een actie met een financiële boete als gevolg, mag niet resulteren in het uitbreiden van het toepassingsgebied van de controle of in financiële correcties naast de uitgaven met betrekking tot het boekjaar van de gecontroleerde uitgaven.
Amendement 301
Voorstel voor een verordening
Artikel 72 – lid 1
1.  De auditautoriteit stelt een auditstrategie op op basis van een risicobeoordeling, rekening houdend met het beheers- en controlesysteem als beschreven in artikel 63, lid 9, betreffende systeemaudits en audits van concrete acties. De auditstrategie omvat systeemaudits van nieuw geïdentificeerde beheersautoriteiten en autoriteiten belast met de boekhoudfunctie binnen een termijn van negen maanden na hun eerste werkjaar. De auditstrategie wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage XVIII opgenomen model en wordt jaarlijks bijgewerkt nadat het eerste jaarlijkse controleverslag en auditoordeel bij de Commissie is ingediend. Zij kan betrekking hebben op een of meerdere programma's.
1.  De auditautoriteit stelt, na raadpleging van de beheersautoriteit, een auditstrategie op op basis van een risicobeoordeling, rekening houdend met het beheers- en controlesysteem als beschreven in artikel 63, lid 9, betreffende systeemaudits en audits van concrete acties. De auditstrategie omvat systeemaudits van nieuw geïdentificeerde beheersautoriteiten en autoriteiten belast met de boekhoudfunctie. De audit wordt binnen een termijn van negen maanden na hun eerste werkjaar uitgevoerd. De auditstrategie wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage XVIII opgenomen model en wordt jaarlijks bijgewerkt nadat het eerste jaarlijkse controleverslag en auditoordeel bij de Commissie is ingediend. Zij kan betrekking hebben op een of meerdere programma's. De auditautoriteit kan in de auditstrategie een grens vaststellen voor audits van één enkele rekening.
Amendement 302
Voorstel voor een verordening
Artikel 73 – lid 3 – alinea 1 bis (nieuw)
Indien de Commissie en een lidstaat het niet eens zijn over de bevindingen van een audit, wordt er een schikkingsprocedure ingesteld.
Amendement 303
Voorstel voor een verordening
Artikel 74 – lid 1 – alinea 2
De Commissie en de auditautoriteiten gebruiken eerst alle in het in artikel 66, lid 1, onder e), bedoelde elektronische systeem beschikbare gegevens, met inbegrip van beheersverificaties, en vragen en verkrijgen alleen aanvullende documenten en auditbewijs van de begunstigden als zij dit, op basis van hun professionele oordeel, nodig achten ter staving van betrouwbare auditconclusies.
De Commissie en de auditautoriteiten gebruiken eerst alle in de in artikel 66, lid 1, onder e), bedoelde elektronische systemen beschikbare gegevens, met inbegrip van beheersverificaties, en vragen en verkrijgen alleen aanvullende documenten en auditbewijs van de begunstigden als zij dit, op basis van hun professionele oordeel, nodig achten ter staving van betrouwbare auditconclusies.
Amendement 304
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 1
1.  De beheersautoriteit verricht overeenkomstig artikel 68, lid 1, beheersverificaties ter plaatse, uitsluitend op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken.
1.  De beheersautoriteit verricht overeenkomstig artikel 68, lid 1, beheersverificaties ter plaatse, uitsluitend op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de beheersautoriteit, indien het financieringsinstrument voorziet in controleverslagen ter ondersteuning van de betalingsaanvraag, besluiten geen beheersverificaties ter plaatse te verrichten.
Amendement 305
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 2 – alinea 2
De EIB of andere internationale financiële instellingen waarvan een lidstaat aandeelhouder is, bezorgen de beheersautoriteit evenwel bij elke betalingsaanvraag een controleverslag.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 306
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 3
3.  De auditautoriteit verricht overeenkomstig de artikelen 71, 73 en 77 systeemaudits en audits van concrete acties op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken.
3.  De auditautoriteit verricht overeenkomstig de artikelen 71, 73 en 77 systeemaudits en audits van concrete acties op het niveau van de instanties die het financieringsinstrument uitvoeren en, in het kader van garantiefondsen, op het niveau van de instanties die de onderliggende nieuwe leningen verstrekken. Onverminderd het bepaalde in artikel 127 van het Financieel Reglement kan de auditautoriteit, indien het financieringsinstrument de auditautoriteit een jaarlijks auditverslag bezorgt dat aan het eind van elk kalenderjaar door hun externe auditors is opgesteld en betrekking heeft op de in bijlage XVII opgenomen elementen, besluiten geen verdere audits uit te voeren.
Amendement 307
Voorstel voor een verordening
Artikel 75 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.   In het kader van garantiefondsen kunnen voor de audit van programma's verantwoordelijke instanties alleen verificaties of audits verrichten van de instanties die onderliggende nieuwe leningen verstrekken in een of meer van de volgende situaties:
a)  er zijn geen bewijsstukken ter staving van de steun uit het financieringsinstrument aan eindontvangers beschikbaar op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren;
b)  er is bewijs dat de documenten die beschikbaar zijn op het niveau van de beheersautoriteit of op het niveau van de instanties die financieringsinstrumenten uitvoeren, geen waarheidsgetrouwe en nauwkeurige weergave van de verleende steun zijn.
Amendement 308
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 1
1.  Onverminderd de regels over staatssteun zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot een door de fondsen ondersteunde concrete actie op het gepaste niveau worden bewaard gedurende vijf jaar te rekenen vanaf 31 december vanaf het jaar waarin de laatste betaling van de beheersautoriteit aan de begunstigde wordt verricht.
1.  Onverminderd de regels over staatssteun zorgt de beheersautoriteit ervoor dat alle bewijsstukken met betrekking tot een door de fondsen ondersteunde concrete actie op het gepaste niveau worden bewaard gedurende drie jaar te rekenen vanaf 31 december vanaf het jaar waarin de laatste betaling van de beheersautoriteit aan de begunstigde wordt verricht.
Amendement 309
Voorstel voor een verordening
Artikel 76 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De bewaartermijn van de documenten kan op besluit van de beheersautoriteit worden teruggebracht, in verhouding met het risicoprofiel en de omvang van de begunstigden.
Amendement 310
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, afhankelijk van de beschikbare middelen, als volgt:
De voorfinanciering voor elk fonds wordt vóór 1 juli van elk jaar betaald in jaarlijkse tranches, als volgt:
Amendement 311
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter b
(b)  2022: 0,5 %;
(b)  2022: 0,7 %;
Amendement 312
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter c
(c)  2023: 0,5 %;
(c)  2023: 1 %;
Amendement 313
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter d
(d)  2024: 0,5 %;
(d)  2024: 1,5 %;
Amendement 314
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter e
(e)  2025: 0,5 %;
(e)  2025: 2 %;
Amendement 315
Voorstel voor een verordening
Artikel 84 – lid 2 – alinea 1 – letter f
(f)  2026: 0,5 %.
(f)  2026: 2 %.
Amendement 316
Voorstel voor een verordening
Artikel 85 – lid 3 – letter b
(b)  het bedrag voor technische bijstand dat is berekend overeenkomstig artikel 31, lid 2;
(b)  het bedrag voor technische bijstand dat is berekend overeenkomstig artikel 31;
Amendement 317
Voorstel voor een verordening
Artikel 85 – lid 4 – letter c bis (nieuw)
(c bis)   in geval van staatssteun kan de betalingsaanvraag voorschotten omvatten die door de steunverlenende instantie aan de begunstigde zijn betaald, onder de volgende cumulatieve voorwaarden: ze zijn gedekt door een bankgarantie of een gelijkwaardige garantie, ze bedragen niet meer dan 40 % van het totale bedrag van de steun die aan een begunstigde wordt verleend voor een bepaalde concrete actie en worden binnen drie jaar gebruikt voor de uitgaven van de begunstigden en gestaafd door vereffende facturen.
Amendement 318
Voorstel voor een verordening
Artikel 86 – lid 1
1.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 2, bevatten de overeenkomstig bijlage XIX ingediende betalingsaanvragen de totaalbedragen die de beheersautoriteit heeft uitgekeerd aan of, in het geval van garanties, de in garantiecontracten overeengekomen bedragen die de beheersautoriteit heeft gereserveerd voor eindbegunstigden, als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder a), b) en c).
1.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 1, bevatten de overeenkomstig bijlage XIX ingediende betalingsaanvragen de totaalbedragen die de beheersautoriteit heeft uitgekeerd aan of, in het geval van garanties, de in garantiecontracten overeengekomen bedragen die de beheersautoriteit heeft gereserveerd voor eindbegunstigden, als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder a), b) en c).
Amendement 319
Voorstel voor een verordening
Artikel 86 – lid 2 – inleidende formule
2.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 3, worden betalingsaanvragen die uitgaven voor financieringsinstrumenten bevatten, ingediend overeenkomstig de volgende voorwaarden:
2.  Bij de uitvoering van financieringsinstrumenten overeenkomstig artikel 53, lid 2, worden betalingsaanvragen die uitgaven voor financieringsinstrumenten bevatten, ingediend overeenkomstig de volgende voorwaarden:
Amendement 320
Voorstel voor een verordening
Artikel 87 – lid 1
1.  Onder voorbehoud van de beschikbare begrotingsmiddelen voert de Commissie tussentijdse betalingen uit binnen 60 dagen na de datum waarop de Commissie de betalingsaanvraag heeft ontvangen.
1.  De Commissie voert tussentijdse betalingen uit binnen 60 dagen na de datum waarop de Commissie de betalingsaanvraag heeft ontvangen.
Amendement 321
Voorstel voor een verordening
Artikel 90 – lid 1 – letter a
(a)  er zijn aanwijzingen van een ernstige tekortkoming waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen;
(a)  er zijn sterke bewijzen van een ernstige tekortkoming waarvoor geen corrigerende maatregelen zijn genomen;
Amendement 322
Voorstel voor een verordening
Artikel 91 – lid 1 – letter e
(e)  de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig artikel 15, lid 6.
Schrappen
Amendement 323
Voorstel voor een verordening
Artikel 99 – lid 1
1.  Het bedrag van een programma dat op 26 december van het tweede kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie.
1.  Het bedrag van een programma dat op 31 december van het derde kalenderjaar na het jaar van de vastleggingen in de begroting voor de jaren 2021 tot en met 2026 niet is gebruikt voor voorfinanciering overeenkomstig artikel 84 of waarvoor geen betalingsaanvraag is ingediend overeenkomstig de artikelen 85 en 86, wordt vrijgemaakt door de Commissie.
Amendement 324
Voorstel voor een verordening
Artikel 99 – lid 2
2.   Het bedrag dat binnen de in lid 1 vastgestelde termijn met betrekking tot de vastlegging in de begroting van 2021 moet worden gedekt door een voorfinanciering of betalingsaanvraag, bedraagt 60 % van die vastlegging. 10 % van de vastlegging in de begroting van 2021 wordt toegevoegd aan elke vastlegging in de begroting voor de jaren 2022 tot en met 2025 om de te dekken bedragen te berekenen.
Schrappen
Amendement 325
Voorstel voor een verordening
Artikel 99 – lid 3
3.  Het deel van de vastleggingen dat op 31 december 2029 nog openstaat, wordt vrijgemaakt indien het zekerheidspakket en het eindverslag over de prestaties voor programma's die steun ontvangen uit het ESF+, het EFRO en het Cohesiefonds niet binnen de in artikel 38, lid 1, vastgestelde termijn zijn ingediend bij de Commissie.
3.  Het deel van de vastleggingen dat op 31 december 2030 nog openstaat, wordt vrijgemaakt indien het zekerheidspakket en het eindverslag over de prestaties voor programma's die steun ontvangen uit het ESF+, het EFRO en het Cohesiefonds niet binnen de in artikel 38, lid 1, vastgestelde termijn zijn ingediend bij de Commissie.
Amendement 326
Voorstel voor een verordening
Artikel 100 – lid 1 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
(b bis)  niet op tijd een betalingsaanvraag kon worden ingediend als gevolg van vertragingen op het niveau van de Unie bij de oprichting van het juridisch en administratief kader voor de Fondsen voor de periode 2021-2027.
Amendement 327
Voorstel voor een verordening
Artikel 101 – lid 2
2.  De lidstaat heeft één maand de tijd om in te stemmen met het vrij te maken bedrag of zijn opmerkingen te doen toekomen.
2.  De lidstaat heeft twee maanden de tijd om in te stemmen met het vrij te maken bedrag of zijn opmerkingen te doen toekomen.
Amendement 328
Voorstel voor een verordening
Artikel 102 – lid 1
1.  Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunen de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" in alle regio's die behoren tot niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("regio's van NUTS-niveau 2") zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003, gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 868/2014 van de Commissie.
1.  Het EFRO, het ESF+ en het Cohesiefonds ondersteunen de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" in alle regio's die behoren tot niveau 2 van de gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek ("regio's van NUTS-niveau 2") zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1059/2003, gewijzigd bij Verordening (EU2016/2066 van de Commissie.
Amendement 329
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 1 – alinea 1
De middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang die voor de periode 2021-2027 voor vastlegging in de begroting beschikbaar zijn, bedragen 330 624 388 630 EUR in prijzen van 2018.
De middelen voor economische, sociale en territoriale samenhang die voor de periode 2021-2027 voor vastlegging in de begroting beschikbaar zijn, bedragen 378 097 000 000 EUR in prijzen van 2018.
(Dit amendement heeft de herinvoering tot doel van een bedrag dat gelijkwaardig is aan het bedrag dat beschikbaar is voor de periode 2014-2020, met de noodzakelijke verhogingen, in overeenstemming met het standpunt van het EP inzake het MFK-voorstel voor 2021-2027. Het amendement vereist overeenkomstige aanpassingen in de berekeningen in bijlage XXII.)
Amendement 330
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 2 – alinea 1
De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio's overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode.
De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een besluit vast tot vastlegging van de jaarlijkse verdeling van de totale middelen per lidstaat in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" per regiocategorie, samen met de lijst van in aanmerking komende regio's overeenkomstig de in bijlage XXII vastgestelde methode. De minimale totale toewijzing uit de Fondsen, op nationaal niveau, moet gelijk zijn aan 76 % van de aan elke lidstaat of regio voor de periode 2014-2020 toegewezen begroting.
Amendement 429
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 2 – alinea 2 bis (nieuw)
Onverminderd de nationale toewijzingen ten behoeve van de lidstaten, worden de middelen voor regio's die in de programmaperiode 2021-2027 in een lagere categorie vallen, gehandhaafd op het niveau van de toewijzingen voor de periode 2014-2020.
Amendement 331
Voorstel voor een verordening
Artikel 103 – lid 2 – alinea 2 ter (nieuw)
Gezien het bijzondere belang van de cohesiesteun voor grensoverschrijdende en transnationale samenwerking en voor de ultraperifere gebieden, mogen de subsidiabiliteitscriteria voor deze steun niet minder gunstig zijn dan in de periode 2014-2020 en moeten ze maximale continuïteit met bestaande programma's waarborgen.
(Dit amendement vereist overeenkomstige aanpassingen in de berekeningen in bijlage XXII.)
Amendement 332
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – inleidende formule
1.  De middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 97,5 % van de totale middelen (d.w.z. in totaal 322 194 388 630 EUR) en worden als volgt verdeeld:
1.  De middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 97 % van de totale middelen, d.w.z. in totaal 366 754 000 000 EUR (in prijzen van 2018). Van dit bedrag wordt 5 900 000 000 EUR toegewezen aan de kindergarantie uit de middelen van het ESF+. Het resterende bedrag van 360 854 000 000 EUR (in prijzen van 2018) wordt als volgt verdeeld:
Amendement 333
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter a
(a)  61,6 % (d.w.z. in totaal 198 621 593 157 EUR) voor de minder ontwikkelde regio's;
(a)  61,6 % (d.w.z. in totaal 222 453 894 000 EUR) voor de minder ontwikkelde regio's;
Amendement 334
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter b
(b)  14,3 % (d.w.z. in totaal 45 934 516 595 EUR) voor de overgangsregio's;
(b)  14,3 % (d.w.z. in totaal 51 446 129 000 EUR) voor de overgangsregio's;
Amendement 335
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter c
(c)  10,8 % (d.w.z. in totaal 34 842 689 000 EUR) voor de meer ontwikkelde regio's;
(c)  10,8 % (d.w.z. in totaal 39 023 410 000 EUR) voor de meer ontwikkelde regio's;
Amendement 336
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter d
(d)  12,8 % (d.w.z. in totaal 41 348 556 877 EUR) voor de door het Cohesiefonds ondersteunde lidstaten;
(d)  12,8 % (d.w.z. in totaal 46 309 907 000 EUR) voor de door het Cohesiefonds ondersteunde lidstaten;
Amendement 337
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 1 – letter e
(e)  0,4 % (d.w.z. in totaal 1 447 034 001 EUR) als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 voldoen.
(e)  als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria in artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Toetredingsakte van 1994 voldoen.
Amendement 338
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 3 – alinea 1
De middelen die beschikbaar zijn voor het ESF+ in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" bedragen 88 646 194 590 EUR.
De middelen die beschikbaar zijn voor het ESF+ bedragen 28,8 % van de middelen in het kader van de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" (d.w.z. 105 686 000 000 EUR in prijzen van 2018). De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid zijn niet in dit bedrag inbegrepen.
Amendement 339
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 3 – alinea 2
Het bedrag van de in lid 1, onder e), bedoelde aanvullende financiering voor de ultraperifere gebieden dat wordt toegewezen aan het ESF+ bedraagt 376 928 934 EUR.
Het bedrag van de in lid 1, onder e), bedoelde aanvullende financiering voor de ultraperifere gebieden dat wordt toegewezen aan het ESF+ komt overeen met 0,4 % van de in de eerste alinea genoemde middelen (d.w.z. 424 296 054 EUR in prijzen van 2018).
Amendement 340
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 4 – alinea 1
De steun uit het Cohesiefonds die moet worden overgedragen naar de CEF bedraagt 10 000 000 000 EUR. Zij wordt besteed aan vervoersinfrastructuurprojecten door specifieke oproepen te doen overeenkomstig Verordening (EU) [nummer van de nieuwe CEF-verordening], uitsluitend in de lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen.
De steun uit het Cohesiefonds die moet worden overgedragen naar de CEF bedraagt 4 000 000 000 EUR in prijzen van 2018. Zij wordt besteed aan vervoersinfrastructuurprojecten, rekening houdend met de investeringsbehoeften van de lidstaten en regio's op het gebied van infrastructuur, door specifieke oproepen te doen overeenkomstig Verordening (EU) [nummer van de nieuwe CEF-verordening], uitsluitend in de lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen.
Amendement 341
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 4 – alinea 5
30 % van de naar de CEF overgedragen middelen worden onmiddellijk na de overdracht beschikbaar gemaakt voor alle lidstaten die voor steun uit het Cohesiefonds in aanmerking komen, voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening].
Schrappen
Amendement 342
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 4 – alinea 6
Op de in de eerste alinea bedoelde specifieke oproepen zijn de regels van toepassing die in het kader van Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening] gelden voor de vervoerssector. Tot en met 31 december 2023 worden bij de selectie van financierbare projecten de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds geëerbiedigd voor 70 % van de naar de CEF overgedragen middelen.
Op de in de eerste alinea bedoelde specifieke oproepen zijn de regels van toepassing die in het kader van Verordening (EU) [de nieuwe CEF-verordening] gelden voor de vervoerssector. Tot en met 31 december 2023 worden bij de selectie van financierbare projecten de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds geëerbiedigd.
Amendement 343
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 5
5.  500 000 000 EUR van de middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan het Europees Urban-initiatief in het kader van direct of indirect beheer door de Commissie.
5.  560 000 000 EUR in prijzen van 2018 van de middelen voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan het Europees Urban-initiatief in het kader van direct of indirect beheer door de Commissie.
Amendement 344
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 6
6.  175 000 000 EUR van de middelen uit het ESF+ voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan transnationale samenwerking waarmee steun wordt geboden aan innovatieve oplossingen in het kader van direct of indirect beheer.
6.  196 000 000 EUR in prijzen van 2018 van de middelen uit het ESF+ voor de doelstelling "investeren in werkgelegenheid en groei" wordt toegewezen aan transnationale samenwerking waarmee steun wordt geboden aan innovatieve oplossingen in het kader van direct of indirect beheer.
Amendement 345
Voorstel voor een verordening
Artikel 104 – lid 7
7.  De middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) bedragen 2,5 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal 8 430 000 000 EUR).
7.  De middelen voor de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (Interreg) bedragen 3 % van de totale middelen die beschikbaar zijn voor vastleggingen in de begroting uit de fondsen voor de periode 2021-2027 (d.w.z. in totaal 11 343 000 000 EUR in prijzen van 2018).
Amendement 346
Voorstel voor een verordening
Artikel 105 – lid 1 – letter a
(a)  van niet meer dan 15 % van de totale toewijzingen voor minder ontwikkelde regio's naar overgangsregio's of meer ontwikkelde regio's en van overgangsregio's naar meer ontwikkelde regio's;
(a)  van niet meer dan 5 % van de totale toewijzingen voor minder ontwikkelde regio's naar overgangsregio's of meer ontwikkelde regio's en van overgangsregio's naar meer ontwikkelde regio's;
Amendement 347
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 1 – letter a
(a)  70 % voor de minder ontwikkelde regio's;
(a)  85 % voor de minder ontwikkelde regio's;
Amendement 348
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 1 – letter b
(b)  55 % voor de overgangsregio's;
(b)  65 % voor de overgangsregio's;
Amendementen 349 en 447
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 1 – letter c
(c)  40 % voor de meer ontwikkelde regio's.
(c)  50 % voor de meer ontwikkelde regio's.
Amendement 350
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 2
De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden.
De onder a) vastgestelde medefinancieringspercentages zijn ook van toepassing op de ultraperifere gebieden en op de extra toewijzing voor de ultraperifere gebieden.
Amendement 351
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 3
Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 70 %.
Het medefinancieringspercentage voor het Cohesiefonds op het niveau van elke prioriteit ligt niet hoger dan 85 %.
Amendement 352
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 3 – alinea 4
In de ESF+-verordening kunnen hogere medefinancieringspercentages worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [14] van die verordening.
In de ESF+-verordening kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen hogere medefinancieringspercentages van maximaal 90 % worden vastgesteld voor prioriteiten ter ondersteuning van innovatieve acties overeenkomstig artikel [13] en artikel [4, lid 1, onder x)] en[xi)] van die verordening, alsook voor programma's waarmee wordt ingespeeld op materiële deprivatie overeenkomstig artikel [9], jeugdwerkloosheid overeenkomstig artikel [10], de ondersteuning van de Europese kindergarantie overeenkomstig artikel [10 bis] en transnationale samenwerking overeenkomstig artikel [11 ter].
Amendement 353
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 4 – alinea 1
Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma's ligt niet hoger dan 70 %.
Het medefinancieringspercentage voor Interreg-programma's ligt niet hoger dan 85 %.
Amendement 453
Voorstel voor een verordening
Artikel 106 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Binnen het huidige kader van het stabiliteits- en groeipact mogen de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen om een grotere mate van flexibiliteit verzoeken voor de structurele overheidsuitgaven of daarmee gelijk te stellen structurele uitgaven die door de overheid worden ondersteund bij wijze van medefinanciering van investeringen in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen. Met het oog op de vaststelling van de begrotingsaanpassing onder het preventieve of onder het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact wordt het desbetreffende verzoek zorgvuldig door de Commissie beoordeeld, met inachtneming van het strategische belang van investeringen.
Amendement 354
Voorstel voor een verordening
Artikel 107 – alinea 1
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening om in te spelen op veranderingen die zich voordoen tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële onderdelen van deze verordening, met uitzondering van de bijlagen III, IV, X en XXII.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen bij deze verordening om in te spelen op veranderingen die zich voordoen tijdens de programmeringsperiode voor niet-essentiële onderdelen van deze verordening, met uitzondering van de bijlagen III, IV, X en XXII. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 108 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de in artikel 6, lid 3, bedoelde Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 204/2014 om die aan te passen aan deze verordening.
Amendement 355
Voorstel voor een verordening
Artikel 108 – lid 2
2.  De in artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.  De in artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening tot en met 31 december 2027.
Amendement 356
Voorstel voor een verordening
Artikel 108 – lid 3
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, en artikel 89, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
Amendement 357
Voorstel voor een verordening
Artikel 108 – lid 6
6.  Een overeenkomstig artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 6, lid 3, artikel 63, lid 10, artikel 73, lid 4, artikel 88, lid 4, artikel 89, lid 4, en artikel 107 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
Amendement 359
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 001 – kolom 1
001 Investeringen in vaste activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
001 Investeringen in vaste activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 360
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 002 – kolom 1
002 Investeringen in vaste activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
002 Investeringen in vaste activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 361
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 004 – kolom 1
004 Investeringen in immateriële activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
004 Investeringen in immateriële activa in micro-ondernemingen die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 362
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 1 – rij 005 – kolom 1
005 Investeringen in immateriële activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie
005 Investeringen in immateriële activa in kleine en middelgrote ondernemingen (met inbegrip van particuliere onderzoekscentra) die rechtstreeks verband houden met onderzoek en innovatie of verband houden met concurrentievermogen
Amendement 363
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 2 – rij 035 – kolom 1
035 Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico's: overstromingen (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)
035 Maatregelen voor aanpassing aan de klimaatverandering en preventie en beheer van aan het klimaat gerelateerde risico's: overstromingen en aardverschuivingen (met inbegrip van bewustmaking, civiele bescherming en rampenbestrijdingssystemen en -infrastructuren)
Amendement 364
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 2 – rij 043 – kolom 1

Door de Commissie voorgestelde tekst

043

Beheer van huishoudelijk afval: biomechanische behandeling, thermische behandeling

0 %

100 %

Amendement

 

Schrappen

 

 

Amendement 365
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 056 – kolom 1
056 Nieuw aangelegde snelwegen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
056 Nieuw aangelegde snelwegen, bruggen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
Amendement 366
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 057 – kolom 1
057 Nieuw aangelegde snelwegen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
057 Nieuw aangelegde snelwegen, bruggen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
Amendement 367
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 060 – kolom 1
060 Heraangelegde of verbeterde snelwegen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
060 Heraangelegde of verbeterde snelwegen, bruggen en wegen – TEN-T-kernnetwerk
Amendement 368
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 3 – rij 061 – kolom 1
061 Heraangelegde of verbeterde snelwegen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
061 Heraangelegde of verbeterde snelwegen, bruggen en wegen – uitgebreid TEN-T-netwerk
Amendement 369
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 5 – rij 128 – kolom 1
128 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van openbare toeristische activa en daarmee verband houdende toeristische diensten
128 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van openbare toeristische activa en toeristische diensten
Amendement 370
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 1 – Beleidsdoelstelling 5 – rij 130 – kolom 1
130 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van natuurlijk erfgoed en ecotoerisme
130 Bescherming, ontwikkeling en bevordering van natuurlijk erfgoed en ecotoerisme behalve Natura 2000-gebieden
Amendement 371
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 12 – kolom "Geïntegreerde territoriale investering (ITI)"
Steden, dorpen en voorsteden
Steden, dorpen, voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden
Amendement 372
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 16 – kolom "Geïntegreerde territoriale investering (ITI)"
Dunbevolkte gebieden
Landelijke en dunbevolkte gebieden
Amendement 373
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 22 – kolom "Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)"
Steden, dorpen en voorsteden
Steden, dorpen, voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden
Amendement 374
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 26 – kolom "Vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling (CLLD)"
Dunbevolkte gebieden
Landelijke en dunbevolkte gebieden
Amendement 375
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 32 – kolom "Ander type territoriaal instrument in het kader van beleidsdoelstelling 5"
Steden, dorpen en voorsteden
Steden, dorpen, voorsteden en daarmee verbonden plattelandsgebieden
Amendement 376
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 3 – rij 36 – kolom "Ander type territoriaal instrument in het kader van beleidsdoelstelling 5"
Dunbevolkte gebieden
Landelijke en dunbevolkte gebieden
Amendement 377
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – Tabel 4 – rij 17
17 Verschaffen van accommodatie en maaltijden
17 Verschaffen van toeristische activiteiten, accommodatie en maaltijden
Amendement 378
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – Tabel Horizontale randvoorwaarden – rij 6 – kolom 2
Er is voorzien in een nationaal kader voor de uitvoering van het UNCRPD, met onder meer:
Er is voorzien in een nationaal kader voor de uitvoering van het UNCRPD, met onder meer:
1.  Meetbare doelstellingen, gegevensverzameling en toezichtmechanismen.
1.  Meetbare doelstellingen, gegevensverzameling en toezichtmechanismen, toepasbaar op alle beleidsdoelstellingen.
2.  Regelingen om ervoor te zorgen dat het beleid, de wetgeving en de normen inzake toegankelijkheid naar behoren tot uiting komen in de voorbereiding en de uitvoering van de programma's.
2.  Regelingen om ervoor te zorgen dat het beleid, de wetgeving en de normen inzake toegankelijkheid naar behoren tot uiting komen in de voorbereiding en de uitvoering van de programma's, in overeenstemming met de bepalingen van het UNCRPD en vervat in de criteria en verplichtingen betreffende het selecteren van projecten.
2 bis.  Regelingen voor rapportage aan het toezichtcomité over de conformiteit van de ondersteunde concrete acties.
Amendement 379
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – Tabel Horizontale randvoorwaarden – rij 6 bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Uitvoering van de beginselen en rechten van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot daadwerkelijke convergentie en cohesie in de Europese Unie.

Regelingen op nationaal niveau ter waarborging van de behoorlijke uitvoering van de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten die bijdragen tot opwaartse sociale convergentie en cohesie in de EU, met name de beginselen ter voorkoming van oneerlijke concurrentie op de interne markt.

Amendement 380
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – Tabel Horizontale randvoorwaarden – rij 6 ter (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Doeltreffende toepassing van het partnerschapsbeginsel

Er is voorzien in een kader waarbinnen alle partners een volwaardige rol kunnen vervullen bij de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie van programma's, waaronder:

 

1.  Regelingen die transparante procedures voor de betrokkenheid van partners waarborgen.

 

2.  Regelingen voor de verspreiding en bekendmaking van informatie waarover partners moeten beschikken voor de voorbereiding en follow-up van vergaderingen.

 

3.  Steun om de positie van partners te versterken en capaciteit op te bouwen.

Amendement 381
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 2 – rij 2 – kolom 4
Er zijn nationale energie- en klimaatplannen vastgesteld en deze omvatten:
Er zijn nationale energie- en klimaatplannen vastgesteld die voldoen aan de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C, en deze omvatten:
1.  alle elementen van het model in bijlage I van de verordening betreffende de governance van de energie-unie;
1.  alle elementen van het model in bijlage I van de verordening betreffende de governance van de energie-unie;
2.  een indicatief overzicht van de geplande financiële middelen en mechanismen voor maatregelen ter bevordering van koolstofarme energie.
2.  een overzicht van de geplande financiële middelen en mechanismen voor maatregelen ter bevordering van koolstofarme energie.
Amendement 382
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 2 – rij 4 – kolom 2
EFRO en Cohesiefonds:
EFRO en Cohesiefonds:
2.4  Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering, risicopreventie en herstelvermogen voor rampen
2.4  Bevordering van de aanpassing aan de klimaatverandering en structurele veranderingen, risicopreventie en herstelvermogen voor rampen
Amendement 383
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 2 – rij 7 – kolom 4
Er is voorzien in een prioritair actiekader in de zin van artikel 8 van Richtlijn 92/43/EEG en dit kader omvat:
Er is voorzien in een prioritair actiekader in de zin van artikel 8 van Richtlijn 92/43/EEG en dit kader omvat:
1.  Alle elementen die vereist zijn in het model voor het prioritaire actiekader voor de periode 2021-2027 zoals overeengekomen door de Commissie en de lidstaten
1.  Alle elementen die vereist zijn in het model voor het prioritaire actiekader voor de periode 2021-2027 zoals overeengekomen door de Commissie en de lidstaten, waaronder de prioritaire maatregelen en een raming van de financiële behoeften
2.  De vaststelling van de prioritaire maatregelen en een raming van de financiële behoeften
Amendement 384
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – punt 3.2 – kolom 2
3.2  Ontwikkeling van een duurzame, klimaatbestendige, intelligente, veilige en intermodale TEN-T
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 385
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – punt 3.2 – kolom 4 – punt -1 bis (nieuw)
-1 bis.  vereist dat sociale, economische en territoriale cohesie wordt gewaarborgd en, in hogere mate, dat aandacht wordt besteed aan de ontbrekende schakels en knelpunten in het TEN-T-netwerk, hetgeen ook investeringen in harde infrastructuur inhoudt
Amendement 386
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – punt 3.2 – kolom 4 – punt 1
1.  de economische motivering van de geplande investeringen omvat, op grond van een degelijke analyse van de vraag en verkeersmodellering, waarbij rekening moet worden gehouden met het verwachte effect van de liberalisering van de spoorwegen;
1.  de economische motivering van de geplande investeringen omvat, op grond van een degelijke analyse van de vraag en verkeersmodellering, waarbij rekening moet worden gehouden met het verwachte effect van de openstelling van de markt voor spoorwegdiensten;
Amendement 387
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 2
2.  de luchtkwaliteitsplannen weerspiegelt, met name rekening houdend met de nationale decarbonisatieplannen;
2.  de luchtkwaliteitsplannen weerspiegelt, met name rekening houdend met de nationale strategieën ter beperking van de emissies van de vervoersector;
Amendement 388
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 3
3.  investeringen omvat in de corridors van het TEN-T-kernnetwerk, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1316/2013, in overeenstemming met de respectieve TEN-T-werkprogramma's;
3.  investeringen omvat in de corridors van het TEN-T-kernnetwerk, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1316/2013, in overeenstemming met de respectieve TEN-T-werkprogramma's en de geselecteerde segmenten van het uitgebreide netwerk;
Amendement 389
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 4
4.  ervoor zorgt dat investeringen buiten het TEN-T-kernnetwerk complementair zijn door de regio's en lokale gemeenschappen voldoende connectiviteit met het TEN-T-kernnetwerk en -knooppunten te bieden
4.  ervoor zorgt dat investeringen buiten het TEN-T-kernnetwerk complementair zijn door de stedelijke netwerken, regio's en lokale gemeenschappen voldoende connectiviteit met het TEN-T-kernnetwerk en de TEN-T-knooppunten te bieden
Amendement 390
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 3 – rij 2 – kolom 4 – punt 9 bis (nieuw)
9 bis.  duurzame regionale en grensoverschrijdende toeristische initiatieven bevordert die leiden tot win-winsituaties voor zowel de toeristen als de inwoners, zoals het verbinden van het EuroVelo-netwerk met het trans-Europese spoorwegnet
Amendement 391
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 1 – kolom 2 – punt ESF
ESF:
ESF:
4.1.1  Verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle werkzoekenden, dus ook voor jongeren, en niet-inactieven en bevordering van arbeid als zelfstandige en van de sociale economie;
4.1.1  Verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt voor alle werkzoekenden, met name voor jongeren, langdurig werklozen en niet-inactieven, en bevordering van arbeid als zelfstandige en van de sociale economie;
4.1.2  Modernisering van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om te zorgen voor tijdige en op maat gesneden hulp en ondersteuning voor aansluiting op de arbeidsmarkt, loopbaanveranderingen en mobiliteit;
4.1.2  Modernisering van de arbeidsmarktinstellingen en -diensten om de behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen, en te zorgen voor tijdige en op maat gesneden hulp en ondersteuning voor aansluiting op de arbeidsmarkt, loopbaanveranderingen en mobiliteit;
Amendement 392
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 2 – kolom 2 – punt ESF
ESF:
ESF:
4.1.3  Bevordering van een beter evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder de toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarin gezondheidsrisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden;
4.1.3  Bevordering van de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen en een beter evenwicht tussen werk en privéleven, waaronder de toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarin gezondheidsrisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden;
Amendement 393
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 2 – kolom 4 – punt 2
2.  Maatregelen om de genderkloof op het gebied van werkgelegenheid, verloning en pensioenen aan te pakken en een evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen, onder meer door betere toegang tot opvang en onderwijs voor jonge kinderen, met streefdoelen
2.  Maatregelen om de genderkloof op het gebied van werkgelegenheid, verloning, sociale zekerheiden pensioenen aan te pakken en een evenwicht tussen werk en privéleven te bevorderen, onder meer door betere toegang tot opvang en onderwijs voor jonge kinderen, met streefdoelen
Amendement 394
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 3 – kolom 2 – punt ESF
ESF:
ESF:
4.2.1  Verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels op het gebied van kwaliteit, doeltreffendheid en relevantie voor de arbeidsmarkt;
4.2.1  Verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels op het gebied van kwaliteit, inclusiviteit, doeltreffendheid en relevantie voor de arbeidsmarkt om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer digitale vaardigheden – te bevorderen en de overgang van onderwijs naar werk te vergemakkelijken;
4.2.2  Bevordering van ieders mogelijkheden tot flexibele bijscholing en omscholing, onder meer door loopbaanverandering te vergemakkelijken en beroepsmobiliteit te bevorderen
4.2.2  Bevordering van ieders mogelijkheden tot een leven lang leren, met name flexibele bijscholing en omscholing, alsook informeel en niet-formeel leren, onder meer door loopbaanverandering te vergemakkelijken en beroepsmobiliteit te bevorderen
4.2.3  Bevordering van gelijke toegang, met name voor achtergestelde groepen, tot hoogwaardige en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, van opvang en onderwijs voor jonge kinderen, over algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, tot het tertiaire niveau;
4.2.3  Bevordering van gelijke toegang tot en afronding van hoogwaardige en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten, met name voor achtergestelde groepen, van opvang en onderwijs voor jonge kinderen, over algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding, tot het tertiaire niveau, evenals volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken;
Amendement 395
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – rij 4.2 – kolom 4: Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde - punt 1
1.  Empirisch onderbouwde systemen om op het vlak van vaardigheden te anticiperen en prognoses te maken, alsook mechanismen voor het volgen van afgestudeerden en diensten voor kwaliteitsvolle en doeltreffende begeleiding voor lerenden van alle leeftijden
1.  Empirisch onderbouwde systemen om op het vlak van vaardigheden te anticiperen en prognoses te maken, alsook follow-upmechanismen voor het volgen van afgestudeerden en diensten voor kwaliteitsvolle en doeltreffende begeleiding voor lerenden van alle leeftijden, met inbegrip van op de lerende gerichte benaderingen
Amendement 396
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – rij 4.2 – kolom 4: Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde - punt 2
2.  Maatregelen om te zorgen voor gelijke toegang tot, participatie in en voltooiing van kwaliteitsvolle, relevante en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten en de verwerving van sleutelcompetenties op alle niveaus, met inbegrip van het hoger onderwijs
2.  Maatregelen om te zorgen voor gelijke toegang tot, participatie in en voltooiing van kwaliteitsvolle, betaalbare, relevante, niet-gesegregeerde en inclusieve onderwijs- en opleidingstrajecten en de verwerving van sleutelcompetenties op alle niveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijs
Amendement 397
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – rij 4.2 – kolom 4: Criteria voor de vervulling van de randvoorwaarde - punt 3
3.  Mechanisme voor coördinatie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijs, en een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden aan de betrokken nationale en/of regionale instanties
3.  Mechanisme voor coördinatie op alle onderwijs- en opleidingsniveaus, met inbegrip van het tertiaire onderwijs en verstrekkers van niet-formeel en informeel onderwijs, en een duidelijke toewijzing van verantwoordelijkheden aan de betrokken nationale en/of regionale instanties
Amendement 398
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 2 – punt 4.3
EFRO:
EFRO:
4.3  Bespoediging van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, migranten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten
4.3  Bespoediging van de sociaal-economische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, vluchtelingen en migranten die internationale bescherming genieten en achtergestelde groepen, door middel van geïntegreerde maatregelen, onder meer op het vlak van huisvesting en sociale diensten
Amendement 399
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 2 – punt 4.3.1
ESF:
ESF:
4.3.1  Bevordering van actieve inclusie, mede met het oog op de bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en verbetering van de inzetbaarheid.
4.3.1  Aanmoediging van actieve inclusie, mede met het oog op de bevordering van gelijke kansen en actieve participatie, en verbetering van de inzetbaarheid.
Amendement 400
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 2 – punt 4.3.1 bis (nieuw)
4.3.1 bis.   Bevordering van de sociale integratie van mensen die in een situatie van armoede of sociale uitsluiting dreigen terecht te komen, waaronder de meest hulpbehoevenden en kinderen
Amendement 401
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 4 – kolom 4
Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader voor sociale inclusie en armoedebestrijding. Dit omvat:
Er is voorzien in een nationaal strategisch beleidskader en een actieplan voor sociale inclusie en armoedebestrijding. Deze omvatten:
1.  Een empirisch onderbouwde diagnose van armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van kinderarmoede, dakloosheid, ruimtelijke segregatie, segregatie in het onderwijs, beperkte toegang tot essentiële diensten en infrastructuur, en de specifieke behoeften van kwetsbare personen
1.  Een empirisch onderbouwde diagnose van armoede en sociale uitsluiting, met inbegrip van kinderarmoede, dakloosheid, ruimtelijke segregatie, segregatie in het onderwijs, beperkte toegang tot essentiële diensten en infrastructuur, en de specifieke behoeften van kwetsbare personen
2.  Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van segregatie op alle gebieden, onder meer door te voorzien in passende inkomenssteun, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten voor kwetsbare personen, onder wie migranten
2.  Maatregelen ter voorkoming en bestrijding van segregatie op alle gebieden, onder meer door te voorzien in passende inkomenssteun, sociale bescherming, inclusieve arbeidsmarkten en toegang tot hoogwaardige diensten voor kwetsbare personen, onder wie migranten en vluchtelingen
3.  Maatregelen voor de overgang van institutionele naar door de gemeenschap gedragen zorg
3.  Maatregelen voor de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg op basis van een nationale de-institutionaliseringsstrategie en een actieplan
4.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties
4.  Regelingen om te waarborgen dat het ontwerp, de uitvoering, het toezicht en de evaluatie gebeuren in nauwe samenwerking met sociale partners en betrokken maatschappelijke organisaties
Amendement 402
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 5 – kolom 2
ESF:
ESF:
4.3.2  Bevordering van de sociaaleconomische integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma
4.3.2  Bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen en gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma
Amendement 403
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 6 – kolom 2
ESF:
ESF:
4.3.4  Verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten; verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels; verbetering van de toegang tot diensten voor langdurige zorg
4.3.4  Verbetering van gelijke en tijdige toegang tot kwaliteitsvolle, duurzame en betaalbare diensten; modernisering van de socialebeschermingsstelsels, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen; verbetering van de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels; verbetering van de toegang tot diensten voor langdurige zorg
Amendement 404
Voorstel voor een verordening
Bijlage IV – Beleidsdoelstelling 4 – rij 6 – kolom 4 – punten 2, 3 en 3 bis (nieuw)
Er is voorzien in een nationaal of regionaal strategisch beleidskader inzake gezondheid dat het volgende omvat:
Er is voorzien in een nationaal of regionaal strategisch beleidskader inzake gezondheid dat het volgende omvat:
1.  Inventarisatie van de behoeften inzake gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van medisch personeel, met het oog op duurzame en gecoördineerde maatregelen
1.  Inventarisatie van de behoeften inzake gezondheidszorg en langdurige zorg, met inbegrip van medisch personeel, met het oog op duurzame en gecoördineerde maatregelen
2.  Maatregelen om ervoor te zorgen dat gezondheidszorg en langdurige zorg efficiënt, duurzaam, toegankelijk en betaalbaar zijn, met inbegrip van een bijzondere nadruk op personen die buiten de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg vallen
2.  Maatregelen om ervoor te zorgen dat gezondheidszorg en langdurige zorg efficiënt, duurzaam, toegankelijk en betaalbaar zijn, met inbegrip van een bijzondere nadruk op personen die buiten de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg vallen en de personen die het moeilijkst te bereiken zijn
3.  Maatregelen ter bevordering van gemeenschapsdiensten, met inbegrip van preventie, eerstelijnszorg en thuiszorg
3.  Maatregelen ter bevordering van gemeenschapsdiensten, met inbegrip van preventie, eerstelijnszorg en thuiszorg, en de overgang van institutionele naar door de familie en de gemeenschap gedragen zorg
3 bis.   Maatregelen ter waarborging van de doeltreffendheid, duurzaamheid, toegankelijkheid en betaalbaarheid van socialebeschermingsstelsels
Amendement 405
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – Tabel 1 T – Programmastructuur*

 

Door de Commissie voorgestelde tekst

ID

Titel [300]

TA

Grondslag voor de berekening

Fonds

Categorie ondersteunde regio

Geselecteerde specifieke doelstelling

1

Prioriteit 1

Nee

 

EFRO

Meer

SD 1

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 2

Ultraperifeer en dunbevolkt

Meer

SD 3

2

Prioriteit 2

Nee

 

ESF+

Meer

SD 4

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 5

Ultraperifeer

3

Prioriteit 3

Nee

 

CF

n.v.t.

 

3

Prioriteit technische bijstand

Ja

 

 

 

n.v.t.

..

Specifieke prioriteit jeugdwerkgelegenheid

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit landspecifieke aanbevelingen

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit innovatieve acties

Nee

 

ESF+

 

SD 8

 

Specifieke prioriteit materiële deprivatie

Nee

 

ESF+

 

SD 9

 

Amendement

ID

Titel [300]

TA

Grondslag voor de berekening

Fonds

Categorie ondersteunde regio

Geselecteerde specifieke doelstelling

1

Prioriteit 1

Nee

 

EFRO

Meer

SD 1

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 2

Ultraperifeer en dunbevolkt

Meer

SD 3

2

Prioriteit 2

Nee

 

ESF+

Meer

SD 4

Overgang

Minder ontwikkeld

SD 5

Ultraperifeer

3

Prioriteit 3

Nee

 

CF

n.v.t.

 

3

Prioriteit technische bijstand

Ja

 

 

 

n.v.t.

..

Specifieke prioriteit jeugdwerkgelegenheid

Nee

 

ESF+

 

 

 

Specifieke prioriteit kindergarantie

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit landspecifieke aanbevelingen

Nee

 

ESF+

 

 

..

Specifieke prioriteit innovatieve acties

Nee

 

ESF+

 

SD 8

 

Specifieke prioriteit materiële deprivatie

Nee

 

ESF+

 

SD 9

Amendement 406
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2.1 – tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

[ ] Deze is een prioriteit voor een relevante landspecifieke aanbeveling

[ ] Dit is een prioriteit voor jeugdwerkgelegenheid

[ ] Dit is een prioriteit voor innovatieve acties

[ ] Dit is een prioriteit voor de aanpak van materiële deprivatie

Amendement

[ ] Dit is een prioriteit voor een relevante landspecifieke aanbeveling

[ ] Dit is een prioriteit voor jeugdwerkgelegenheid

[ ] Dit is een prioriteit voor de kindergarantie

[ ] Dit is een prioriteit voor innovatieve acties

[ ] Dit is een prioriteit voor de aanpak van materiële deprivatie

Amendement 407
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – inleidende formule
2.1.1.  Specifieke doelstelling54 (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV) – herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling of elk geselecteerd ondersteuningsgebied, voor andere prioriteiten dan technische bijstand
2.1.1.  Specifieke doelstelling54 (werkgelegenheid en groei) of ondersteuningsgebied (EFMZV) – herhaald voor elke geselecteerde specifieke doelstelling of elk geselecteerd ondersteuningsgebied, voor andere prioriteiten dan technische bijstand
__________________
__________________
54 Met uitzondering van een specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii), van de ESF+-verordening.
54 Met uitzondering van een specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening.
Amendement 408
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – punt 2.1.1.2 – inleidende formule
2.1.1.2  Indicatoren55
2.1.1.2  Indicatoren
_________________
55 Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, uitsplitsing voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.
Amendement 409
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.1 – punt 2.1.1.3 – inleidende formule
2.1.1.3  Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per type steunverlening56 (niet van toepassing op het EFMZV)
2.1.1.3  Indicatieve uitsplitsing van de programmamiddelen (EU) per type steunverlening (niet van toepassing op het EFMZV)
_________________
56 Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, uitsplitsing voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.
Amendement 410
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 2 – alinea 3 – punt 2.1 – punt 2.1.2 – alinea 8
Criteria voor de selectie van concrete acties57
Criteria voor de selectie van concrete acties57
__________________
__________________
57 Uitsluitend voor programma's die beperkt blijven tot de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder c), punt vii), van de ESF+-verordening
57 Uitsluitend voor programma's die beperkt blijven tot de specifieke doelstelling bepaald in artikel 4, lid 1, onder xi), van de ESF+-verordening
Amendement 411
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 3 – tabel 16
[...]
Schrappen
Amendement 412
Voorstel voor een verordening
Bijlage V – punt 3 – punt 3.2 – inleidende formule
3.2  Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering59
3.2  Totale financiële toewijzingen per fonds en nationale medefinanciering
_________________
59 Vóór de tussentijdse herziening in 2025 voor het EFRO, het ESF+ en het CF, financiële toewijzingen voor de jaren 2021 tot en met 2025 alleen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0043/2019).


Programma Justitie ***I
PDF 262kWORD 83k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 februari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Justitie (COM(2018)0384 – C8-0235/2018 – 2018/0208(COD))(1)
P8_TA-PROV(2019)0097A8-0068/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald: "De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. In artikel 3 wordt voorts bepaald: "De Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen” en "De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed". Deze waarden worden bevestigd en verder uitgewerkt in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het Handvest" genoemd).
(1)  In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie wordt bepaald: "De waarden waarop de Unie berust, zijn eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. In artikel 3 wordt voorts bepaald: "De Unie heeft als doel de vrede, haar waarden en het welzijn van haar volkeren te bevorderen” en "De Unie eerbiedigt haar rijke verscheidenheid van cultuur en taal en ziet toe op de instandhouding en de ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed". In artikel 8 VWEU wordt voorts bepaald dat de Unie er bij het bepalen en uitvoeren van haar beleid en acties door middel van al haar activiteiten naar streeft ongelijkheden op te heffen, gendergelijkheid te bevorderen en discriminatie te bestrijden. Deze waarden worden bevestigd en verder uitgewerkt in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna "het Handvest" genoemd) en het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)  Overeenkomstig de artikelen 8 en 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie moeten gendermainstreaming, waaronder genderbudgettering, en doelstellingen op het gebied van non-discriminatie in alle activiteiten van het programma Justitie worden ondersteund.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Deze rechten en waarden moeten voortdurend worden bevorderd en gehandhaafd, onder de burgers en volkeren worden verspreid, en kernwaarden zijn van de Europese samenlevingen. Met dat doel voor ogen dient binnen de EU-begroting een nieuw Fonds voor justitie, rechten en waarden te worden ingesteld, waarvan het programma Rechten en waarden en het programma Justitie deel uitmaken. Nu de Europese samenlevingen worden geconfronteerd met extremisme, radicalisering en verdeeldheid, is het belangrijker dan ooit om justitie en rechten en de waarden van de EU, mensenrechten, respect voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat te bevorderen, te versterken en te verdedigen. Dit zal vergaande, rechtstreekse gevolgen hebben voor het politieke, sociale, culturele en economische leven in de EU. In het programma Rechten en waarden, dat een onderdeel is van het nieuwe fonds, worden het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad10 vastgestelde programma Rechten, gelijkheid en burgerschap voor de periode 2014–2020 en het bij Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad11 vastgestelde programma Europa voor de burger samengebracht. Het programma Justitie (hierna "het programma" genoemd) zal steun blijven verlenen voor de totstandbrenging van een geïntegreerde Europese rechtsruimte en grensoverschrijdende samenwerking, in het verlengde van het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad12 vastgestelde programma Justitie 2014-2020 (hierna "het voorgaande programma" genoemd).
(2)  Deze rechten en waarden moeten voortdurend actief en op consistente wijze worden ontwikkeld, beschermd en bevorderd door de Unie en alle lidstaten in al hun beleid, alsook worden gehandhaafd en onder de burgers en volkeren worden verspreid, en kernwaarden zijn van de Europese samenlevingen. Tegelijk zijn een goed werkende Europese rechtsruimte en efficiënte, onafhankelijke en kwalitatief hoogwaardige nationale rechtsstelsels, evenals een groter wederzijds vertrouwen, noodzakelijk voor een bloeiende interne markt en voor de verdediging van de gemeenschappelijke waarden van de Unie. Met dat doel voor ogen dient binnen de EU-begroting een nieuw Fonds voor justitie, rechten en waarden te worden ingesteld, waarvan het programma Rechten en waarden en het programma Justitie deel uitmaken. Nu de Europese samenlevingen worden geconfronteerd met extremisme, radicalisering, polarisering en verdeeldheid en er procedures aan de gang zijn op grond van artikel 7 van het Verdrag betreffende de Europese Unie in verband met stelselmatige schendingen van de rechtsstaat, alsmede inbreukprocedures inzake kwesties in verband met de rechtsstaat in de lidstaten, is het belangrijker dan ooit om justitie en rechten en de waarden van de EU, mensenrechten en grondrechten, respect voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, inclusief gendergelijkheid, non-discriminatie en de rechtsstaat, te bevorderen, te versterken en te verdedigen, aangezien de aantasting van deze rechten en waarden in een lidstaat negatieve gevolgen kan hebben voor de Unie als geheel. Dit zal vergaande, rechtstreekse gevolgen hebben voor het politieke, sociale, culturele en economische leven in de EU. In het programma Rechten en waarden, dat een onderdeel is van het nieuwe fonds, worden het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad10 vastgestelde programma Rechten, gelijkheid en burgerschap voor de periode 2014–2020 en het bij Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad11 vastgestelde programma Europa voor de burger samengebracht. Het programma Justitie (hierna "het programma" genoemd) zal steun blijven verlenen voor de totstandbrenging van een geïntegreerde Europese rechtsruimte en grensoverschrijdende samenwerking, in het verlengde van het bij Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad12 vastgestelde programma Justitie 2014-2020 (hierna "het voorgaande programma" genoemd).
__________________
__________________
10 Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
10 Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
11 Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020 (PB L 115 van 17.4.2014, blz.3).
11 Verordening (EU) nr. 390/2014 van de Raad van 14 april 2014 tot vaststelling van het programma "Europa voor de burger" voor de periode 2014-2020 (PB L 115 van 17.4.2014, blz.3).
12 Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
12 Verordening (EU) nr. 1381/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 62).
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Het Fonds voor justitie, rechten en waarden en de twee onderliggende financieringsprogramma’s zullen voornamelijk gericht zijn op personen en entiteiten die ertoe bijdragen dat onze gemeenschappelijke waarden, rechten en rijke diversiteit levendig en dynamisch blijven. Het uiteindelijke doel is om onze op rechten gebaseerde, egalitaire, inclusieve en democratische samenleving te bevorderen en in stand te houden. Dat betekent dat een levendig maatschappelijk middenveld en de democratische, civiele en sociale participatie van de mensen moet worden aangemoedigd en dat de rijke diversiteit van de Europese samenleving, gebaseerd op onze gemeenschappelijke geschiedenis en ons collectief geheugen, moet worden bevorderd. Overeenkomstig artikel 11 van het EU-Verdrag moeten de instellingen de burgers en de representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden.
(3)  Het Fonds voor justitie, rechten en waarden en de twee onderliggende financieringsprogramma’s zullen gericht zijn op personen en entiteiten die ertoe bijdragen dat onze gemeenschappelijke waarden, rechten en rijke diversiteit levendig en dynamisch blijven. Het uiteindelijke doel is om onze op rechten gebaseerde, egalitaire, open, inclusieve en democratische samenleving te bevorderen en in stand te houden, met name door activiteiten te financieren die een levendig, goed ontwikkeld, veerkrachtig en mondig maatschappelijk middenveld bevorderen, door de democratische, civiele en sociale participatie van de mensen, alsmede de behoorlijke toepassing en tenuitvoerlegging van de mensenrechten en de grondrechten mogelijk te maken, en door de rijke diversiteit van de Europese samenleving, gebaseerd op onze gemeenschappelijke geschiedenis en ons collectief geheugen, te bevorderen. Artikel 11 van het EU-Verdrag vereist dat de instellingen een open, transparante en regelmatige dialoog met het maatschappelijk middenveld voeren en de burgers en de representatieve organisaties langs passende wegen de mogelijkheid bieden hun mening over alle onderdelen van het optreden van de Unie kenbaar te maken en daarover in het openbaar in discussie te treden. Dit is met name van belang in het licht van de steeds beperktere ruimte voor het onafhankelijke maatschappelijk middenveld in een aantal lidstaten.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd. Daartoe kan de Unie maatregelen vaststellen om de justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken te ontwikkelen en om het optreden van de lidstaten op het gebied van misdaadpreventie te stimuleren en te ondersteunen. Eerbiediging van de grondrechten en van gemeenschappelijke beginselen en waarden, zoals non-discriminatie, gendergelijkheid, daadwerkelijke toegang tot de rechter voor iedereen, de rechtsstaat en een goed functionerend onafhankelijk rechtsstelsel, moeten bij de verdere ontwikkeling van een Europese rechtsruimte worden gewaarborgd.
(4)  Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) voorziet in de totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, waarin de grondrechten en de verschillende rechtsstelsels en -tradities van de lidstaten worden geëerbiedigd. Eerbiediging en bevordering van de rechtsstaat, de grondrechten en de democratie in de Unie zijn voorwaarden voor de handhaving van alle rechten en plichten die in de Verdragen zijn vastgelegd en voor het opbouwen van het vertrouwen van de bevolking in de Unie. De manier waarop de rechtsstaat in de lidstaten ten uitvoer wordt gelegd, is essentieel voor de waarborging van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en tussen hun rechtsstelsels. Daartoe kan de Unie maatregelen vaststellen om de justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken en indien nodig in administratieve zaken te ontwikkelen en voor het stimuleren en ondersteunen van het optreden van de lidstaten op het gebied van misdaadpreventie, waarbij zij met name moet focussen op ernstige grensoverschrijdende delicten, fiscale delicten, milieudelicten, terrorisme en schendingen van grondrechten, zoals mensenhandel, en op het gebied van de bescherming van de rechten van slachtoffers. Eerbiediging van de mensenrechten en de grondrechten en van gemeenschappelijke beginselen en waarden, zoals non-discriminatie, solidariteit, gelijke behandeling met betrekking tot de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden, daadwerkelijke toegang tot de rechter voor iedereen, de rechtsstaat, democratie en een goed functionerend onafhankelijk rechtsstelsel, moeten bij de verdere ontwikkeling van een Europese rechtsruimte op lokaal, regionaal en nationaal niveau worden gewaarborgd en bevorderd.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Artikel 81 VWEU bepaalt uitdrukkelijk dat de Unie rechtshandelingen kan vaststellen om de wetgeving van de lidstaten onderling aan te passen. Overeenkomstig het Verdrag kunnen dergelijke handelingen onder meer worden vastgesteld met het oog op de wederzijdse erkenning en handhaving tussen lidstaten van rechterlijke beslissingen en beslissingen in buitengerechtelijke zaken; de grensoverschrijdende betekening en kennisgeving van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken; de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels van het internationaal privaatrecht voor collisie en jurisdictiegeschillen; samenwerking bij het vergaren van bewijsmiddelen; daadwerkelijke toegang tot de rechter; het wegnemen van hindernissen voor de goede werking van civielrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, zo nodig door de bevordering van de verenigbaarheid van nationale gerechtelijke procedures; de ontwikkeling van alternatieve geschillenbeslechting (ADR); en de ondersteuning van de opleiding van magistraten en justitieel personeel.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Financiering moet een van de belangrijke instrumenten voor de succesvolle uitvoering van de ambitieuze doelstellingen van de Verdragen blijven. Deze moeten onder meer worden verwezenlijkt door het opzetten van een flexibel en doeltreffend programma Justitie dat de planning en tenuitvoerlegging van die doelstellingen moet ondersteunen.
(5)  Financiering is een van de belangrijkste instrumenten voor de succesvolle uitvoering van de ambitieuze doelstellingen van de Verdragen. Deze moeten onder meer worden verwezenlijkt door het opzetten van een flexibel en doeltreffend programma Justitie dat de planning en tenuitvoerlegging van die doelstellingen moet ondersteunen, rekening houdend met de activiteiten die de grootste meerwaarde voor de Unie opleveren en, waar mogelijk, gebruikmakend van kernprestatie-indicatoren.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  Het programma moet gericht zijn op het vergroten van de flexibiliteit en toegankelijkheid van de voor het programma vrijgemaakte middelen en moet voorzien in gelijke financieringsmogelijkheden en -voorwaarden voor maatschappelijke organisaties binnen en buiten de Unie.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht moet de Unie maatregelen nemen in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken die is gebaseerd op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 een hoeksteen is van de justitiële samenwerking in de Unie. Wederzijdse erkenning vereist een hoge mate van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten. Op verscheidene gebieden werden maatregelen genomen voor de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de lidstaten ter bevordering van de wederzijdse erkenning en het wederzijds vertrouwen. Een goed functionerende rechtsruimte waarin de obstakels voor grensoverschrijdende gerechtelijke procedures en voor de toegang tot de rechter in grensoverschrijdende situaties zijn weggenomen is ook van essentieel belang om voor economische groei te zorgen.
(6)  Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht voor iedereen moet de Unie maatregelen nemen in verband met justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken die is gebaseerd op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, dat sinds de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 een hoeksteen is van de justitiële samenwerking in de Unie. Wederzijdse erkenning vereist een hoge mate van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten. Op verscheidene gebieden werden maatregelen genomen voor de onderlinge aanpassing van de wetgeving van de lidstaten ter bevordering van de wederzijdse erkenning en het wederzijds vertrouwen. Een goed functionerende rechtsruimte waarin de obstakels voor grensoverschrijdende gerechtelijke procedures en voor de toegang tot de rechter in grensoverschrijdende situaties zijn weggenomen is ook van essentieel belang om voor economische groei en verdere integratie te zorgen.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)   Zoals het Hof van Justitie van de Europese Unie opmerkte in zijn jurisprudentie1 bis, behoort de onafhankelijkheid van de rechters tot de kern van het grondrecht op een eerlijk proces en vormt deze onafhankelijkheid de basis van wederzijds vertrouwen en wederzijdse erkenning.
_________________
1 bis Arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 27 februari 2018, in zaak C-64/16, Associação Sindical dos Juízes Portugueses, ECLI:EU:C:2018:117; arrest van het Hof van Justitie (Grote kamer) van 25 juli 2018, in zaak C‑216/18 PPU, LM, ECLI:EU:C:2018:586.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)   Toegang tot de rechter moet in het bijzonder de toegang omvatten tot gerechtelijke instanties, tot alternatieve methoden voor geschillenbeslechting en tot ambtenaren die wettelijk verplicht zijn om partijen onafhankelijk en onpartijdig juridisch advies te verstrekken.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  Het integreren van het genderperspectief in de rechtsstelsels dient als belangrijke doelstelling te gelden voor het verder ontwikkelen van de Europese rechtsruimte. Intersectionele discriminatie in het rechtsstelsel vormt nog steeds een van de belangrijkste hindernissen waar het de gelijke toegang tot de rechter voor vrouwen betreft. Het programma moet daarom een actieve bijdrage leveren aan de uitbanning van iedere vorm van discriminatie en belemmeringen voor minderheden, personen met een handicap, migranten, asielzoekers, ouderen, personen die in afgelegen gebieden wonen en kwetsbare groepen die mogelijk slechts beperkte toegang tot de rechter hebben, en moet daarnaast slachtoffervriendelijke en genderbewuste procedures en beslissingen binnen de rechtsstelsels ondersteunen.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Eerbiediging van de rechtsstaat is van essentieel belang voor een hoge mate van wederzijds vertrouwen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken, met name voor doeltreffende justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, die op wederzijdse erkenning is gebaseerd. De rechtsstaat is een van de gemeenschappelijke waarden die zijn neergelegd in artikel 2 VEU en het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, dat wordt gewaarborgd krachtens artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, is een concrete uitdrukking van de rechtsstaat. Het bevorderen van de rechtsstaat door ondersteuning van de inspanningen om de onafhankelijkheid, kwaliteit en efficiëntie van nationale rechtsstelsels te verbeteren, zorgt voor meer wederzijds vertrouwen, dat onontbeerlijk is voor de justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken.
(7)  De volledige eerbiediging en bevordering van de rechtsstaat is van essentieel belang voor een hoge mate van wederzijds vertrouwen op het gebied van vrijheid, veiligheid en justitie en binnenlandse zaken, met name voor doeltreffende justitiële samenwerking in burgerlijke en handelszaken, die op wederzijdse erkenning is gebaseerd. De rechtsstaat is een van de gemeenschappelijke waarden die zijn neergelegd in artikel 2 VEU en het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming, dat wordt gewaarborgd krachtens artikel 19, lid 1, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten, is een concrete uitdrukking van de rechtsstaat. Het bevorderen van de rechtsstaat door ondersteuning van de inspanningen om de onafhankelijkheid, transparantie, aflegging van rekenschap, kwaliteit en efficiëntie van nationale rechtsstelsels te verbeteren, zorgt voor meer wederzijds vertrouwen, dat onontbeerlijk is voor de justitiële samenwerking in burgerlijke en strafzaken.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)   Er is belangrijk eraan te herinneren dat justitie erop neerkomt de rechtsstaat in de samenleving te bevestigen en te waarborgen dat iedereen recht heeft op een eerlijk proces voor een onafhankelijke en onpartijdige rechter met het oog op de bescherming van de Europese waarden.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Overeenkomstig artikel 81, lid 2, onder h), en artikel 82, lid 1, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dient de Unie de opleiding van magistraten en justitieel personeel te ondersteunen als instrument ter bevordering van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en in strafzaken, die berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen. De opleiding van justitiële beroepsbeoefenaars is een belangrijk instrument om een gemeenschappelijke visie te ontwikkelen over de beste manier om de rechtsstaat te handhaven. Zij draagt bij tot de totstandkoming van de Europese rechtsruimte door te voorzien in een gemeenschappelijke justitiële cultuur onder justitiële beroepsbeoefenaars van de lidstaten. Het is van essentieel belang te zorgen voor de correcte en coherente toepassing van het recht van de Unie en voor het wederzijdse vertrouwen tussen justitiële beroepsbeoefenaars in grensoverschrijdende procedures. De door het programma ondersteunde opleidingsactiviteiten moeten gebaseerd zijn op degelijke beoordelingen van opleidingsbehoeften, gebruik maken van geavanceerde methoden, grensoverschrijdende evenementen voor justitiële beroepsbeoefenaars uit verschillende lidstaten omvatten, alsmede elementen van actief leren en netwerking, en duurzaam zijn.
(8)  Overeenkomstig artikel 81, lid 2, onder h), en artikel 82, lid 1, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie dient de Unie de opleiding van magistraten en justitieel personeel te ondersteunen als instrument ter bevordering van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken en in strafzaken en indien nodig in administratieve zaken, die berust op het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen. De opleiding van justitiële beroepsbeoefenaars is een belangrijk instrument om een gemeenschappelijke visie te ontwikkelen over de beste manier om de rechtsstaat en de grondrechten ten uitvoer te leggen en te handhaven. Zij draagt bij tot de totstandkoming van de Europese rechtsruimte door te voorzien in een gemeenschappelijke justitiële cultuur onder justitiële beroepsbeoefenaars van de lidstaten. Het is van essentieel belang te zorgen voor de niet-discriminerende, correcte en coherente toepassing van het recht van de Unie en voor het wederzijdse vertrouwen en begrip tussen justitiële beroepsbeoefenaars in grensoverschrijdende procedures. De door het programma ondersteunde opleidingsactiviteiten moeten gebaseerd zijn op degelijke beoordelingen van opleidingsbehoeften, gebruikmaken van geavanceerde methoden, grensoverschrijdende evenementen voor justitiële beroepsbeoefenaars uit verschillende lidstaten, met inbegrip van diegenen die werken voor maatschappelijke organisaties, omvatten, alsmede elementen van actief leren en netwerking, en duurzaam zijn. De activiteiten moeten opleidingen voor rechters, advocaten, aanklagers en politie over de uitdagingen en belemmeringen die mensen in een kwetsbare situatie ondervinden, bijvoorbeeld kinderen, etnische minderheden, LGBTI's, personen met een handicap, slachtoffers van gendergerelateerd en andere vormen van persoonlijk geweld en slachtoffers van mensenhandel, en over de manier om te garanderen dat slachtoffers van misdrijven naar behoren worden beschermd, omvatten. De betrokkenen en organisaties die hen vertegenwoordigen en/of helpen, moeten bij de organisatie van deze opleidingen worden betrokken.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Redelijke termijnen voor procedures komen ten goede aan de rechtszekerheid, die essentieel is voor de rechtsstaat.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 ter (nieuw)
(8 ter)  Overeenkomstig Besluit (EU) 2017/865 van de Raad van 11 mei 2017 over de ondertekening, namens de Europese Unie, van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, met betrekking tot aangelegenheden die verband houden met justitiële samenwerking in strafzaken, en het respectieve besluit over asiel en non-refoulement, moet het programma in dit kader de opleiding ondersteunen van magistraten en justitieel personeel om de praktische toepassing van het verdrag onder de aandacht te brengen en te bevorderen, teneinde de slachtoffers van geweld tegen vrouwen en meisjes in de hele EU beter te beschermen.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Bij justitiële opleiding kunnen verschillende actoren betrokken zijn, waaronder gerechtelijke, justitiële en administratieve autoriteiten, academische instellingen, voor justitiële opleiding verantwoordelijke nationale instanties, opleidingsorganisaties en -netwerken op Europees niveau of netwerken van gerechtscoördinatoren voor Unierecht. Instanties en entiteiten die op het gebied van de opleiding van magistraten een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, zoals het Europees netwerk voor justitiële opleiding (EJTN), de Academie voor Europees Recht (ERA), het Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak (ENCJ), de Vereniging van Raden van State en Hoogste Administratieve Rechtscolleges van de Europese Unie (ACA-Europe), het netwerk van presidenten van de hooggerechtshoven van de Europese Unie (RPCSJUE) en het Europees Instituut voor bestuurskunde (EIPA) moeten hun rol blijven spelen bij de bevordering van opleidingsprogramma's met een wezenlijke Europese dimensie voor magistraten en justitieel personeel, en moeten daarom toereikende financiële steun ontvangen overeenkomstig de procedures en de criteria van de krachtens deze verordening door de Commissie vastgestelde jaarlijkse werkprogramma's.
(9)  Bij justitiële opleiding kunnen verschillende actoren betrokken zijn, waaronder gerechtelijke, justitiële en administratieve autoriteiten, academische instellingen, voor justitiële opleiding verantwoordelijke nationale instanties, opleidingsorganisaties en -netwerken op Europees niveau of netwerken van gerechtscoördinatoren voor Unierecht, alsmede maatschappelijke organisaties op dit gebied, inclusief organisaties die representatieve vorderingen instellen. Instanties en entiteiten die op het gebied van de opleiding van magistraten een doelstelling van algemeen Europees belang nastreven, zoals het Europees netwerk voor justitiële opleiding (EJTN), de Academie voor Europees Recht (ERA), het Europees Netwerk van Raden voor de rechtspraak (ENCJ), de Vereniging van Raden van State en Hoogste Administratieve Rechtscolleges van de Europese Unie (ACA-Europe), het netwerk van presidenten van de hooggerechtshoven van de Europese Unie (RPCSJUE) en het Europees Instituut voor bestuurskunde (EIPA) moeten hun rol blijven spelen bij de bevordering van opleidingsprogramma's met een wezenlijke Europese dimensie voor magistraten en justitieel personeel, en moeten daarom toereikende financiële steun ontvangen overeenkomstig de procedures en de criteria van de krachtens deze verordening door de Commissie vastgestelde jaarlijkse werkprogramma's. Daarnaast kunnen organisaties op het gebied van de grondrechten en professionals die werken met slachtoffers van geweld, alsmede gespecialiseerde academische instellingen ook tot deze opleidingsprogramma's bijdragen, zodat zij waar nodig bij de opleidingen moeten worden betrokken. Aangezien vrouwelijke rechters ondervertegenwoordigd zijn in topfuncties, moeten vrouwelijke rechters en openbaar aanklagers, alsook vrouwen in andere juridische beroepen, aangespoord worden om aan de opleidingsactiviteiten deel te nemen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   De lidstaten moeten meer investeren in de ontwikkeling van justitiële opleidingen en de voortdurende opleiding van rechters, aangezien deze activiteiten de basis vormen voor een efficiënt, onafhankelijk en onpartijdig rechtsstelsel.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Het programma moet ook de bevordering ondersteunen van de uitwisseling van beste praktijken tussen gerechten die zich specifiek bezighouden met gendergerelateerd geweld, en de uitwisseling van gezamenlijke middelen en opleidingsmateriaal inzake gendergerelateerd geweld voor rechters, openbaar aanklagers, advocaten, politie en andere beroepsbeoefenaars die in aanraking komen met slachtoffers van gendergerelateerd geweld.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  De maatregelen die in het kader van het programma worden genomen, moeten dienen ter ondersteuning van de versterkte wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, van de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgeving om de samenwerking tussen alle bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de financiële-inlichtingeneenheden, te vergemakkelijken, en van de rechterlijke bescherming van de rechten van het individu in burgerlijke en handelszaken. Het programma moet ook zorgen voor betere procesregels voor grensoverschrijdende zaken en een grotere convergentie in het burgerlijk recht, wat zal bijdragen tot het wegnemen van belemmeringen voor een goede en efficiënte werking van gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures in het voordeel van alle partijen bij een geschil in burgerlijke zaken. Met het oog op de ondersteuning van de doeltreffende handhaving en praktische toepassing van het recht van de Unie inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, moet het programma ten slotte de werking ondersteunen van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, dat bij Besluit 2001/470/EG van de Raad is opgericht.
(11)  De maatregelen die in het kader van het programma worden genomen, moeten dienen ter ondersteuning van de versterkte wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken en beslissingen, van het wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten, van de noodzakelijke onderlinge aanpassing van de wetgeving om de samenwerking tussen alle bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de financiële-inlichtingeneenheden, te vergemakkelijken, en van de rechterlijke bescherming van de rechten van het individu in burgerlijke en handelszaken. Het programma moet ook zorgen voor betere procesregels voor grensoverschrijdende zaken, inclusief bemiddelingsprocedures, met bijzondere nadruk op het faciliteren van niet-discriminerende toegang tot de rechter voor iedereen, en voor een grotere convergentie, met name in het burgerlijk recht, wat zal bijdragen tot het wegnemen van belemmeringen voor een goede en efficiënte werking van gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures in het voordeel van alle partijen bij een geschil in burgerlijke zaken. Met het oog op de ondersteuning van de doeltreffende handhaving en praktische toepassing van het recht van de Unie inzake justitiële samenwerking in burgerlijke zaken, moet het programma ten slotte de werking ondersteunen van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken, dat bij Besluit 2001/470/EG van de Raad is opgericht.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het VEU, artikel 24 van het Handvest en het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind, moet het programma de bescherming van de rechten van het kind ondersteunen en de bevordering van de rechten van het kind opnemen in de uitvoering van alle activiteiten van het programma.
(12)  Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het VEU, artikel 24 van het Handvest en het Verdrag van de Verenigde Naties van 1989 inzake de rechten van het kind, moet het programma de bescherming van de rechten van het kind ondersteunen en de bevordering van de rechten van het kind opnemen in de uitvoering van alle activiteiten van het programma. Met het oog hierop moet bijzondere aandacht worden geschonken aan maatregelen ter bescherming van de rechten van kinderen in de context van het burgerlijk recht en het strafrecht, waaronder de bescherming van kinderen die verblijven bij gedetineerde ouders en kinderen van ouders die in de gevangenis zitten. Ook dient te worden nagedacht over passende steun voor opleidingsactiviteiten met het oog op de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het VEU, artikel 23 van het Handvest en het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul), moet het programma de bescherming van vrouwenrechten ondersteunen en moet de bevordering van gendergerelateerde kwesties worden opgenomen in de uitvoering van alle activiteiten van het programma. Om de toegang van vrouwen en meisjes tot de rechter in geval van gendergerelateerd geweld te waarborgen en te versterken, moeten de lidstaten het Verdrag van Istanbul ratificeren en alomvattende wetgeving vaststellen ter bestrijding van gendergerelateerd geweld in de Unie.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 ter (nieuw)
(12 ter)   Overeenkomstig Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming, moet het programma de bescherming van personen bevorderen die behoren tot raciale of etnische minderheden, zoals Roma, en moet de bescherming van hun rechten, met name door een versterking van de antidiscriminatiemaatregelen, worden opgenomen in de uitvoering van alle activiteiten van het programma.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Het programma voor 2014-2020 heeft op leden van de rechterlijke macht en andere juridische beroepsbeoefenaars gerichte opleidingsactiviteiten over het recht van de Unie, en in het bijzonder over de werkingssfeer en de toepassing van het Handvest, mogelijk gemaakt. In zijn conclusies van 12 oktober 2017 over de toepassing van het Handvest in 2016 heeft de Raad erop gewezen dat het belangrijk is op zowel nationaal als Unieniveau het bewustzijn rond de toepassing van het Handvest te vergroten bij beleidsmakers, juristen en de rechthebbenden zelf. Om de grondrechten consistent te integreren, is het derhalve noodzakelijk om de financiële steun voor bewustmakingsactiviteiten uit te breiden tot andere overheidsinstanties dan de justitiële autoriteiten en beoefenaars van juridische beroepen.
(13)  Het programma voor 2014-2020 heeft op leden van de rechterlijke macht en andere juridische beroepsbeoefenaars gerichte opleidingsactiviteiten over het recht van de Unie, en in het bijzonder over de werkingssfeer en de toepassing van het Handvest, mogelijk gemaakt. In zijn conclusies van 12 oktober 2017 over de toepassing van het Handvest in 2016 heeft de Raad erop gewezen dat het belangrijk is op zowel nationaal als Unieniveau het bewustzijn rond de toepassing van het Handvest te vergroten bij beleidsmakers, juristen en de rechthebbenden zelf. Om de grondrechten consistent te integreren, is het derhalve noodzakelijk om de financiële steun voor bewustmakingsactiviteiten uit te breiden tot andere overheidsinstanties dan de justitiële autoriteiten en beoefenaars van juridische beroepen en ook tot ngo's die deze taak uitvoeren.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Overeenkomstig artikel 67 VWEU dient de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te zijn waarin de grondrechten worden geëerbiedigd, en daarbij is toegang tot de rechter van cruciaal belang. Om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te vergemakkelijken, en met het oog op de bevordering van het wederzijds vertrouwen dat onontbeerlijk is voor de goede werking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, is het noodzakelijk de financiële steun uit te breiden tot activiteiten van andere autoriteiten dan rechterlijke autoriteiten en juridische beroepsbeoefenaars, alsook van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, die tot deze doelstellingen bijdragen.
(14)  Overeenkomstig artikel 67 VWEU dient de Unie een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te zijn waarin de grondrechten worden geëerbiedigd, en daarbij is niet-discriminerende toegang tot de rechter voor iedereen van cruciaal belang. Om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te vergemakkelijken, en met het oog op de bevordering van het wederzijds vertrouwen dat onontbeerlijk is voor de goede werking van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, is het noodzakelijk de financiële steun uit te breiden tot activiteiten van andere autoriteiten dan rechterlijke autoriteiten op nationaal, regionaal en lokaal niveau en juridische beroepsbeoefenaars, alsook van organisaties uit het maatschappelijk middenveld, inclusief organisaties die opkomen voor de rechten van de slachtoffers van geweld, die tot deze doelstellingen bijdragen. Om ervoor te zorgen dat iedereen toegang tot de rechter heeft, moet met name steun worden verleend voor activiteiten die een effectieve en gelijke toegang tot de rechter faciliteren voor personen in een kwetsbare situatie, zoals kinderen, etnische minderheden, LGBTI's, personen met een handicap, slachtoffers van gendergerelateerd en andere vormen van persoonlijk geweld, slachtoffers van mensenhandel en migranten, ongeacht hun verblijfsstatus.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Overeenkomstig de artikelen 8 en 10 VWEU moeten de doelstellingen "gelijkheid van vrouwen en mannen" en "bestrijding van discriminatie" worden ondersteund in alle activiteiten van het programma.
(15)  Overeenkomstig de artikelen 8 en 10 VWEU moet in het programma een transversale benadering worden gehanteerd om gendergelijkheid te bevorderen en moeten de doelstellingen "gendergelijkheid" en "bestrijding van discriminatie" worden ondersteund in alle activiteiten van het programma. Er moet een regelmatige monitoring worden georganiseerd en er moeten regelmatige evaluaties worden uitgevoerd om te beoordelen hoe deze doelstellingen in de activiteiten van het programma worden aangepakt.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  De onder deze verordening vallende acties moeten bijdragen tot de totstandbrenging van een Europese rechtsruimte, de grensoverschrijdende samenwerking en netwerkvorming vergroten, en zorgen voor de correcte, coherente en consistente toepassing van het recht van de Unie. De financiering van activiteiten moet ook bijdragen tot een gemeenschappelijke visie op de waarden van de Unie, de rechtsstaat, een betere kennis van het recht en het beleid van de Unie, de uitwisseling van kennis en beste praktijken inzake het gebruik van instrumenten voor justitiële samenwerking door alle betrokken belanghebbenden, alsook tot de verspreiding van interoperabele digitale oplossingen als grondslag voor een vlotte en efficiënte grensoverschrijdende samenwerking, en moet zorgen voor een degelijke analytische basis voor de ondersteuning van de ontwikkeling, handhaving en correcte tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie. Het optreden van de Unie maakt het mogelijk deze acties in de hele Unie op consistente wijze uit te voeren en brengt schaalvoordelen mee. Bovendien is de Unie beter dan de lidstaten in staat om in te spelen op grensoverschrijdende situaties en om een Europees platform voor wederzijdse leerprocessen te bieden.
(16)  De onder deze verordening vallende acties moeten bijdragen tot de totstandbrenging van een Europese rechtsruimte, de onafhankelijkheid en doeltreffendheid van de rechterlijke macht bevorderen, de grensoverschrijdende samenwerking en netwerkvorming vergroten, het wederzijds vertrouwen tussen de gerechtelijke instanties van de lidstaten ondersteunen en zorgen voor de correcte, coherente en consistente toepassing van het recht van de Unie. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan de toepassing van het gelijkheidsrecht van de Unie, aan een betere uitvoering van de verschillende instrumenten van de Unie voor de bescherming van slachtoffers en aan een betere coördinatie tussen deze instrumenten. De financiering van activiteiten moet ook bijdragen tot een gemeenschappelijke visie op de waarden van de Unie, de rechtsstaat, een betere kennis van het recht en het beleid van de Unie, de uitwisseling van kennis en beste praktijken inzake het gebruik van instrumenten voor justitiële samenwerking door alle betrokken belanghebbenden, alsook tot de verspreiding en bevordering van interoperabele digitale oplossingen als grondslag voor een vlotte en efficiënte grensoverschrijdende samenwerking, en moet zorgen voor een degelijke analytische basis voor de ondersteuning van de ontwikkeling, de handhaving, het correcte begrip en de correcte tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie. Het optreden van de Unie maakt het mogelijk deze acties in de hele Unie op consistente wijze uit te voeren en brengt schaalvoordelen mee. Bovendien is de Unie beter dan de lidstaten in staat om in te spelen op grensoverschrijdende situaties en om een Europees platform voor wederzijdse leerprocessen en het delen van goede praktijken te bieden.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Het programma moet ook bijdragen tot nauwere samenwerking met derde landen wanneer het recht van de Unie een extraterritoriale toepassing heeft, om de toegang tot de rechter te verbeteren en de aanpak van justitiële en procedurele uitdagingen te faciliteren, met name in gevallen van mensenhandel en met betrekking tot de klimaatverandering en de verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)   Zoals benadrukt in het verslag van het Europees Parlement over het scorebord voor justitie van 2017 van de Commissie, zijn er nog altijd grote tekortkomingen op het gebied van genderevenwicht binnen de rechterlijke macht en onder het gerechtelijk personeel van de lidstaten, met name (maar niet uitsluitend) ten aanzien van de volgende aspecten: het bevorderen van vrouwelijke rechters op hogere niveaus van de rechterlijke macht, transparantie bij benoemingen, het evenwicht tussen werk en andere taken en het bestaan van mentorschappen. Het programma moet derhalve opleidingsactiviteiten ondersteunen die erop gericht zijn deze onevenwichtigheden aan te pakken. De activiteiten in kwestie kunnen bijvoorbeeld op maat ontworpen zijn voor vrouwelijke beroepsbeoefenaars binnen de rechterlijke macht en onder het gerechtelijk personeel van de lidstaten of, indien passend, zowel gericht zijn op vrouwelijke als op mannelijke beroepsbeoefenaars, om de bewustmaking onder alle betrokken personeelsleden te bevorderen.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 quater (nieuw)
(16 quater)  Het rechtsstelsel van de Unie biedt onvoldoende gerechtigheid en bescherming aan vrouwen en meisjes, wat inhoudt dat slachtoffers van gendergerelateerd geweld niet de nodige steun krijgen. Dit komt onder meer tot uiting in het gebrek aan bescherming en ondersteuning van slachtoffers van mensenhandel voor seksuele doeleinden, vrouwelijke vluchtelingen en migranten, LGBTIQ-personen en personen met een handicap.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  De Commissie moet zorgen voor de algehele samenhang, complementariteit en synergie met het werk van de organen en instanties van de Unie, zoals EUROJUST, eu-LISA en het Europees Openbaar Ministerie, en moet een balans opmaken van de werkzaamheden van andere nationale en internationale actoren, op de gebieden die onder het programma vallen.
(17)  De Commissie moet zorgen voor de algehele samenhang, complementariteit en synergie met het werk van de organen en instanties van de Unie, zoals EUROJUST, het FRA, OLAF, eu-LISA en het Europees Openbaar Ministerie, om een balans van de werkzaamheden van andere nationale en internationale actoren, op de gebieden die onder het programma vallen, op te maken en indien nodig verbeteringen aan te bevelen.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat alle acties en activiteiten die in het kader van het programma worden uitgevoerd, een Europese meerwaarde hebben, dat zij complementair zijn met de activiteiten van de lidstaten en dat zij consistent zijn met andere activiteiten van de Unie. Met het oog op een doeltreffende toewijzing van middelen uit de algemene begroting van de Unie, moet worden gestreefd naar samenhang, complementariteit en synergie met financieringsprogramma's ter ondersteuning van sterk met elkaar verbonden beleidsterreinen, meer bepaald in het kader van het Fonds voor justitie, rechten en waarden – en derhalve met het programma Rechten en waarden – en tussen het programma Justitie en het programma voor de interne markt, programma's inzake grensbeheer en veiligheid, met name het Fonds voor asiel en migratie en het Fonds voor interne veiligheid, programma's op het gebied van strategische infrastructuur, met name het programma voor een digitaal Europa, het programma Erasmus+, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, het instrument voor pretoetredingssteun, en de LIFE-verordening13.
(18)  Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat alle acties en activiteiten die in het kader van het programma Justitie worden uitgevoerd, doenlijk zijn, zichtbaar zijn, voldoen aan de essentiële vereiste van een Europese meerwaarde en worden uitgevoerd op basis van goed financieel beheer en dat zij complementair zijn met de activiteiten van de lidstaten en consistent zijn met andere activiteiten van de Unie. Met het oog op een doeltreffende en resultaatgerichte toewijzing van middelen uit de algemene begroting van de Unie, moet worden gestreefd naar samenhang, complementariteit en synergie met financieringsprogramma's ter ondersteuning van sterk met elkaar verbonden beleidsterreinen, meer bepaald in het kader van het Fonds voor justitie, rechten en waarden – en derhalve met het programma Rechten en waarden – en tussen het programma Justitie en het programma voor de interne markt, programma's inzake grensbeheer en veiligheid, met name het Fonds voor asiel en migratie en het Fonds voor interne veiligheid, programma's op het gebied van strategische infrastructuur, met name het programma voor een digitaal Europa, het Europees Sociaal Fonds Plus, het programma Erasmus+, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie, het instrument voor pretoetredingssteun, en de LIFE-verordening13. De uitvoering van het programma Justitie mag geen afbreuk doen aan en moet worden aangevuld met de wetgeving en beleidsmaatregelen van de Unie met betrekking tot de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten.
__________________
__________________
13 Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007. Voor de EER relevante tekst.
13 Verordening (EU) nr. 1293/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake de vaststelling van een programma voor het milieu en klimaatactie (LIFE) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 614/2007. Voor de EER relevante tekst.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   De mechanismen voor het garanderen van een koppeling tussen het financieringsbeleid van de Unie en de waarden van de Unie moeten verder worden verfijnd, waarbij de Commissie een voorstel kan doen aan de Raad om middelen in gedeeld beheer die zijn toegewezen aan een lidstaat, over te hevelen naar het programma, indien tegen deze lidstaat procedures lopen in verband met de waarden van de Unie. Een algemeen mechanisme van de Unie voor de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten moet garanderen dat alle lidstaten geregeld en op gelijke wijze worden geëvalueerd, zodat de nodige informatie wordt verkregen voor het in werking stellen van maatregelen in verband met algemene tekortkomingen op het gebied van de waarden van de Unie in de lidstaten. Teneinde te zorgen voor een uniforme uitvoering en gezien het feit dat de maatregelen die worden opgelegd, verstrekkende financiële gevolgen hebben, moeten uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend aan de Raad, die moet optreden op basis van een voorstel van de Commissie. Om de vaststelling te vergemakkelijken van de besluiten die nodig zijn voor het garanderen van een doeltreffend optreden, moet gebruik worden gemaakt van stemming bij omgekeerde gekwalificeerde meerderheid.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  Het is belangrijk te zorgen voor een degelijk financieel beheer van het programma en voor een zo effectief en gebruiksvriendelijk mogelijke uitvoering ervan, waarbij ook rechtszekerheid en de toegankelijkheid van het programma voor alle deelnemers gegarandeerd moeten worden.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 quater (nieuw)
(19 quater)  Een betere uitvoering en een betere kwaliteit van de bestedingen moeten de richtsnoeren zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma, terwijl gegarandeerd moet worden dat de financiële middelen optimaal gebruikt worden.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Verordening (EU, Euratom) [new FR], hierna "Financieel Reglement" genoemd, is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.
(20)  Verordening (EU, Euratom) [new FR], hierna "Financieel Reglement" genoemd, is op dit programma van toepassing. De verordening bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties, alsmede vereisten betreffende volledige transparantie met betrekking tot het gebruik van middelen, goed financieel beheer en verstandige besteding van middelen. Met name regels betreffende de mogelijkheid voor lokale, regionale, nationale en transnationale organisaties uit het maatschappelijk middenveld om te worden gefinancierd door middel van meerjarige exploitatiesubsidies, doorgifte van subsidies, bepalingen ter waarborging van snelle en flexibele subsidieprocedures, zoals een aanvraagprocedure die uit twee stappen bestaat, gebruiksvriendelijke aanvragen en rapportageprocedures, moeten in het kader van de uitvoering van dit programma worden toegepast en verder worden versterkt. Bij de criteria voor medefinanciering moet rekening worden gehouden met vrijwilligerswerk.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze begroting moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten, alsook financiering die niet gekoppeld is aan de kosten, als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
(21)  De financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze begroting moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van de beoogde resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten, de grootte en capaciteit van de betrokken belanghebbenden en de beoogde begunstigden, en het verwachte risico van niet-naleving. Dit houdt mede in het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages, eenheidskosten en doorgifte van subsidies, alsook financiering die niet gekoppeld is aan de kosten, als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad15, Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad16, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad17 en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad18 moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met evenredige maatregelen, daaronder begrepen preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
(22)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad15,Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad16, Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad17 en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad18 moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd met evenredige maatregelen, daaronder begrepen volledige transparantie over de financiering en selectieprocedures van het programma, preventie, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder moet het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 moet het Europees Openbaar Ministerie (EOM) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad. Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.
_________________
_________________
15 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
15 Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
16 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
16 Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
17 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
17 Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
18 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
18 Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
19 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
19 Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Derde landen die lidstaat zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen deelnemen aan Unieprogramma’s in het kader van de samenwerking binnen de EER-overeenkomst, die in de uitvoering van programma’s bij een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet. Derde landen kunnen ook deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. In deze verordening moet een specifieke bepaling worden opgenomen waarbij de nodige rechten worden toegekend en toegang wordt verleend aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
(23)  Derde landen die lidstaat zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen deelnemen aan Unieprogramma’s in het kader van de samenwerking binnen de EER-overeenkomst, die in de uitvoering van programma’s bij een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet. Derde landen kunnen ook deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. In deze verordening moet een specifieke bepaling worden opgenomen waarbij de nodige rechten worden toegekend en toegang wordt verleend aan de bevoegde ordonnateur, mensenrechtenorganen en ‑netwerken, inclusief de nationale instanties die bevoegd zijn voor de bescherming van de mensenrechten in elke lidstaat, organen en netwerken die bevoegd zijn voor het beleid inzake non-discriminatie en gelijke kansen, ombudsmannen, het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen en hun synergieën en samenwerking kunnen verbeteren. Het moet mogelijk zijn om derde landen bij het programma te betrekken, met name wanneer hun betrokkenheid de doelstellingen van het programma bevordert, in overeenstemming met de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 24 bis (nieuw)
(24 bis)  Het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten heeft tot doel de Unie in staat te stellen haar begroting beter te beschermen wanneer tekortkomingen in de rechtsstaat afbreuk doen of dreigen te doen aan een goed financieel beheer van de financiële belangen van de Unie. Het moet een aanvulling vormen op het programma Justitie, dat een andere rol heeft, namelijk de ontwikkeling van een Europese rechtsruimte die op de rechtsstaat en wederzijds vertrouwen gebaseerd is, ondersteunen en ervoor zorgen dat mensen hun rechten kunnen uitoefenen.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Volgens [artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad1] komen in landen en gebieden overzee (LGO) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.
(25)  Volgens [artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad1] komen in landen en gebieden overzee (LGO) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Het is essentieel dat het programma ervoor zorgt dat deze personen en entiteiten voldoende worden geïnformeerd over het feit dat zij eventueel in aanmerking komen voor financiering.
__________________
__________________
1 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (LGO-besluit) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
1 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (LGO-besluit) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)   Gezien het belang en de relevantie hiervan moet het programma bijdragen tot het nakomen van de verbintenis van de Unie en haar lidstaten om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die is verzameld aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, moeten worden vermeden. Waar passend kunnen in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan de effecten van het programma op het terrein worden beoordeeld.
(27)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het interinstitutioneel akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 moet dit programma worden geëvalueerd op basis van informatie die is verzameld aan de hand van specifieke monitoringvoorschriften, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de begunstigden van het programma, moeten worden vermeden. Waar mogelijk moeten in die voorschriften meetbare indicatoren worden opgenomen op basis waarvan de effecten van het programma op het terrein worden beoordeeld.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 2
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2027, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
1.  "magistraten en justitieel personeel": rechters, leden van het openbaar ministerie en gerechtsmedewerkers, alsmede andere beroepsbeoefenaars op justitieel gebied, zoals advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders of handhavingsambtenaren, insolventiedeskundigen, bemiddelaars, gerechtstolken en ‑vertalers, gerechtsdeskundigen, gevangenispersoneel en reclasseringsambtenaren.
1.  "magistraten en justitieel personeel": rechters, leden van het openbaar ministerie en gerechtsmedewerkers, alsmede andere beroepsbeoefenaars op justitieel gebied, zoals advocaten en openbaar aanklagers, notarissen, gerechtsdeurwaarders of handhavingsambtenaren, insolventiedeskundigen, bemiddelaars, gerechtstolken en ‑vertalers, gerechtsdeskundigen, gevangenispersoneel en reclasseringsambtenaren.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Het programma heeft als algemeen doel bij te dragen tot de verdere ontwikkeling van een Europese rechtsruimte die gebaseerd is op het beginsel van de rechtsstaat, wederzijdse erkenning en wederzijds vertrouwen.
1.  Het programma heeft als algemeen doel bij te dragen tot de verdere ontwikkeling van een Europese ruimte van vrijheid, veiligheid en recht die gebaseerd is op de beginselen van de rechtsstaat, waaronder de onafhankelijkheid van rechters en de onpartijdigheid van het rechtsstelsel, wederzijdse erkenning, wederzijds vertrouwen en grensoverschrijdende samenwerking, en zo ook bij te dragen tot de ontwikkeling van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – inleidende formule
2.  Het programma heeft de volgende specifieke doelstellingen, zoals nader omschreven in bijlage I:
2.  Het programma heeft de volgende specifieke doelstellingen:
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter a
(a)  facilitering en ondersteuning van justitiële samenwerking in civiele en strafzaken en bevordering van de rechtsstaat, onder meer door ondersteuning van het streven naar effectievere nationale rechtsstelsels en betere tenuitvoerlegging van beslissingen;
(a)  facilitering en ondersteuning, binnen een kader van democratie en eerbiediging van de grondrechten, van justitiële samenwerking in civiele en strafzaken, met inbegrip van samenwerking buiten de grenzen van de Unie wanneer het recht van de Unie extraterritoriale toepassingen kent, teneinde de toegang tot de rechter voor natuurlijke en rechtspersonen te versterken en de rechtsstaat en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht te bevorderen, onder meer door ondersteuning van het streven naar effectievere nationale rechtsstelsels, passende tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen en bescherming van slachtoffers;
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter b
(b)  ondersteuning en bevordering van opleidingen op justitieel gebied om de totstandkoming van een gemeenschappelijke rechtsstatelijke cultuur te stimuleren;
(b)  ondersteuning en bevordering van nationale en transnationale opleidingen op justitieel gebied – waaronder juridische terminologie – om de totstandkoming van een gemeenschappelijke rechtsstatelijke cultuur te stimuleren, alsook de consistente en doeltreffende tenuitvoerlegging van de rechtsinstrumenten van de Unie inzake wederzijdse erkenning en procedurele waarborgen. Deze opleidingen moeten gendergevoelig zijn, rekening houden met de specifieke behoeften van kinderen en personen met een handicap, in voorkomend geval slachtoffergericht zijn, en in het bijzonder gaan over burgerlijk recht, strafrecht en, in voorkomend geval, administratief recht, de grondrechten en de bestrijding van terrorisme en radicalisering;
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter c
(c)  vergemakkelijking van de toegang tot de rechter voor iedereen en beschikbaarheid van doeltreffende rechtsmiddelen, onder meer langs elektronische weg, door efficiënte civiel- en strafrechtelijke procedures te bevorderen en door de rechten van slachtoffers van misdrijven en de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures te bevorderen en te ondersteunen.
(c)  vergemakkelijking van daadwerkelijke en niet-discriminerende toegang tot de rechter voor iedereen, met nadruk op ongelijkheden en discriminatie op welke grond dan ook, zoals de in artikel 21 van het Handvest genoemde gronden, en beschikbaarheid van doeltreffende rechtsmiddelen, onder meer langs elektronische weg (ejustitie), door efficiënte civiel- en strafrechtelijke procedures en, in voorkomend geval, administratieve procedures te bevorderen, en door de rechten van alle slachtoffers van misdrijven en de procedurele rechten van verdachten en beklaagden in strafprocedures te bevorderen en te ondersteunen, met bijzondere aandacht voor kinderen en vrouwen.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
(c bis)   bevordering van de praktische toepassing van drugsgerelateerd onderzoek, ondersteuning van maatschappelijke organisaties, uitbreiding van de kennisbasis in het veld en ontwikkeling van innovatieve methoden om fenomenen zoals nieuwe psychoactieve stoffen, mensenhandel en illegale handel in goederen aan te pakken.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Bij de uitvoering van alle acties beoogt het programma als horizontale doelstelling de bescherming van gelijke rechten en het in artikel 21 van het Handvest vastgelegde non-discriminatiebeginsel te ondersteunen en te bevorderen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 1
1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 – 2027 bedragen [305 000 000] EUR in lopende prijzen.
1.  In de zin van [verwijzing die in voorkomend geval moet worden bijgewerkt overeenkomstig het nieuwe interinstitutioneel akkoord] punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer] bedragen de financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021 – 2027, het voornaamste referentiekader voor de begrotingsautoriteit gedurende de jaarlijkse begrotingsprocedure, 316 000 000 EUR in prijzen van 2018 (356 000 000 EUR in lopende prijzen).
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De voor maatregelen ter bevordering van gendergelijkheid toegewezen middelen worden elk jaar vermeld.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – lid 4
4.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.
4.  Op verzoek van de lidstaten of de Commissie kunnen de aan de lidstaten in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder a), van het Financieel Reglement op directe wijze uit. Indien mogelijk worden die middelen gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement.
2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in een van de vormen als vastgesteld in het Financieel Reglement, voornamelijk door middel van subsidies voor acties en jaarlijkse en meerjarige exploitatiesubsidies. Die financiering waarborgt goed financieel beheer, een verstandig gebruik van overheidsmiddelen, minder administratieve lasten voor de uitvoerder en de begunstigden van het programma, en de toegankelijkheid van de middelen van het programma voor potentiële begunstigden. Er kan gebruik worden gemaakt van vaste bedragen, eenheidskosten, vaste percentages en doorgifte van subsidies en financiële steun aan derden. Medefinanciering wordt in natura aanvaard en kan in geval van beperkte aanvullende financiering terzijde worden gesteld.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Soorten acties
Soorten acties
Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van een specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 3, kunnen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van deze verordening. Met name de in bijlage I genoemde activiteiten komen in aanmerking voor financiering.
Acties die bijdragen tot de verwezenlijking van een specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 3, kunnen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van deze verordening. Met name de volgende activiteiten komen in aanmerking voor financiering:
(1)   bewustmaking, verspreiding van informatie ter verbetering van de kennis van het beleid en het recht van de Unie, waaronder materieel recht en procesrecht, van instrumenten voor justitiële samenwerking, van de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van vergelijkend recht en van Europese en internationale normen, met bijzondere aandacht voor een beter begrip van multidisciplinaire, disciplineoverschrijdende en interdisciplinaire rechtsgebieden, zoals handel en mensenrechten, en voor manieren om extraterritoriale processen te vergemakkelijken;
(2)  wederzijdse leerprocessen door het uitwisselen van goede praktijken tussen belanghebbenden, inclusief maatschappelijke organisaties, met het oog op meer kennis en wederzijds begrip van het civiele en strafrecht en de rechtsstelsels van de lidstaten, met inbegrip van rechtsstatelijkheid en toegang tot de rechter, en door het bevorderen van wederzijds vertrouwen alsook het uitwisselen van goede praktijken inzake een kindvriendelijke justitie en de bevordering en integratie van het genderperspectief in het hele gerechtelijke apparaat;
(3)  opleidingen voor rechters, advocaten, aanklagers, politie en andere mensen die in het gerechtelijke apparaat werken, over de uitdagingen en belemmeringen die mensen in een kwetsbare situatie ondervinden, bijvoorbeeld kinderen, etnische minderheden, LGBTI's, personen met een handicap, slachtoffers van gendergerelateerd en andere vormen van persoonlijk geweld en slachtoffers van mensenhandel, en over de manier om te garanderen dat slachtoffers van misdrijven naar behoren worden beschermd;
(4)  analyse en monitoring ter verbetering van de kennis van en het inzicht in potentiële belemmeringen die de goede werking van een Europese rechtsruimte kunnen schaden en ter verbetering van de tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie in de lidstaten, mede rekening houdend met de gevolgen van het recht van de Unie voor derde landen;
(5)  activiteiten ter verbetering van de goede werking van een Europese rechtsruimte, onder meer door monitoring van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten in de lidstaten en onderzoek naar de wijze waarop belemmeringen voor een universele, niet-discriminerende en daadwerkelijke toegang tot de rechter voor iedereen kunnen worden weggenomen;
(6)  initiatieven om iets te doen aan genderonevenwichtigheden onder magistraten en justitieel personeel van de lidstaten door middel van opleidingen die hetzij op vrouwelijke beroepsbeoefenaren zijn afgestemd, hetzij op zowel vrouwelijke als mannelijke beroepsbeoefenaren zijn gericht, om aan bewustmaking te doen over kwesties zoals het lage percentage vrouwelijke rechters op hogere niveaus van de rechterlijke macht of de behoefte aan transparantie en objectieve criteria bij benoemingsprocedures;
(7)  opleiding van belanghebbenden, met inbegrip van maatschappelijke organisaties die slachtoffers van misdrijven verdedigen en vorderingen instellen, ter verbetering van de kennis van het beleid en het recht van de Unie, waaronder materieel recht en procesrecht, de grondrechten, de ondersteuning en bescherming van slachtoffers van misdrijven, het gebruik van collectieve verhaalmechanismen en universele jurisdictie, het gebruik van instrumenten van de Unie voor justitiële samenwerking, de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, juridisch taalgebruik en vergelijkend recht;
(8)  multidisciplinaire opleiding van justitieel personeel en andere relevante belanghebbenden op het gebied van het penitentiair recht, detentie en gevangenisbeheer, om de verspreiding van beste praktijken te vergemakkelijken;
(9)  multidisciplinaire opleiding van justitieel personeel en andere relevante belanghebbenden op het gebied van het jeugdrecht om de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn (EU) 2016/800 betreffende procedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure voor te bereiden en te bevorderen;
(10)  ontwikkeling en onderhoud van informatie- en communicatietechnologie (ICT) en instrumenten voor e-justitie ter verbetering van de efficiëntie van de justitiële systemen en hun samenwerking door middel van informatie- en communicatietechnologie, met inbegrip van grensoverschrijdende interoperabiliteit van systemen en toepassingen, privacy en gegevensbescherming;
(11)  ontwikkeling van de capaciteit van belangrijke netwerken op Europees niveau en Europese justitiële netwerken, met inbegrip van krachtens het Unierecht opgerichte netwerken, om te zorgen voor de doeltreffende toepassing en handhaving van het recht van de Unie en om het recht, de beleidsdoelstellingen en de strategieën van de Unie op gebieden die onder het programma vallen, te bevorderen verder te ontwikkelen;
(12)  structurele steun voor maatschappelijke organisaties en andere relevante belanghebbenden die actief zijn op de door het programma bestreken gebieden en voor capaciteitsopbouw en opleiding van juridische deskundigen die voor die organisaties werken, alsook voor specifieke activiteiten van dergelijke organisaties, zoals belangenbehartiging, netwerken, rechtszaken in verband met inbreuken op de democratie, de rechtsstaat en grondrechten, mobilisatie en educatie van het publiek, en verlening van relevante diensten;
(13)  bevordering van de kennis van het programma en van de verspreiding, overdraagbaarheid en transparantie van de resultaten ervan en bevordering van bewustmaking van burgers, onder meer door het opzetten en ondersteunen van onafhankelijke programmabureaus/een netwerk van nationale contactpunten;
(14)  benchmarkstudies, onderzoeken, analyses en enquêtes, evaluaties, effectbeoordelingen en ontwikkeling en publicatie van handleidingen, verslagen en educatief materiaal.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. [De cumulatieve financiering mag de totale subsidiabele kosten van de actie niet overschrijden en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend].
1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken en dat dubbele financiering wordt voorkomen door duidelijk de financieringsbronnen voor elke uitgavencategorie aan te geven, in overeenstemming met het beginsel van goed financieel beheer. [De cumulatieve financiering mag de totale subsidiabele kosten van de actie niet overschrijden en de steun uit de verschillende programma's van de Unie kan pro rata worden berekend].
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2 – letter a
(a)  de maatregelen zijn beoordeeld in het kader een oproep tot het indienen van voorstellen voor het programma;
(a)  de maatregelen zijn naar behoren beoordeeld in het kader een oproep tot het indienen van voorstellen voor het programma;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3
3.  Zonder oproep tot het indienen van voorstellen kunnen exploitatiesubsidies worden toegekend aan het Europees netwerk voor justitiële opleiding ter dekking van uitgaven die betrekking hebben op het permanente werkprogramma.
3.  Zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden exploitatiesubsidies toegekend aan het Europees netwerk voor justitiële opleiding ter dekking van uitgaven die betrekking hebben op het permanente werkprogramma.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 – lid 2
2.  Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 17 bedoelde raadplegingsprocedure.
2.  Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een gedelegeerde handeling. Die gedelegeerde handeling wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 14.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1
1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in bijlage II.
1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in de bijlage. De gegevens die worden verzameld met het oog op monitoring en verslaglegging worden in voorkomend geval uitgesplitst naar geslacht, leeftijd en personeelscategorie.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 12  lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De monitoring is ook een manier om te beoordelen hoe in de acties van het programma rekening is gehouden met gendergelijkheid en non-discriminatie.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 3
3.  Het systeem voor verslaglegging over de prestaties waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten aan evenredige verslagleggingsvereisten onderworpen.
3.  Het systeem voor verslaglegging over de prestaties waarborgt dat correcte gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma efficiënt, doeltreffend, accuraat en tijdig worden verzameld. Daartoe worden de ontvangers van middelen van de Unie en de lidstaten aan evenredige verslagleggingsvereisten onderworpen. De Commissie stelt gebruiksvriendelijke formulieren ter beschikking en voorziet in richtsnoeren en ondersteuning, met name voor aanvragers en begunstigden die mogelijk niet over voldoende middelen en personeel beschikken om aan de verslagleggingsvereisten te voldoen.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
1.  Evaluaties worden tijdig en op goed gedocumenteerde wijze uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen en de toepassing van de in het kader hiervan uitgevoerde maatregelen, evenals de verwezenlijking van de in artikel 3 opgenomen doelstellingen kan worden gemonitord. Alle evaluaties worden op genderbewuste wijze uitgevoerd en bevatten een gedetailleerde analyse van het deel van de programmabegroting dat is toegewezen voor activiteiten die verband houden met gendergelijkheid.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk drie jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk drie jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Bij de tussentijdse evaluatie en de eindevaluatie van het programma wordt onder meer het volgende beoordeeld:
(a)  de aan het programma toegeschreven invloed op de toegang tot de rechter, op basis van kwalitatieve en kwantitatieve gegevens die op Europees niveau zijn verzameld;
(b)  het aantal en de kwaliteit van de instrumenten en hulpmiddelen die zijn ontwikkeld via door het programma gefinancierde acties;
(c)  de Europese toegevoegde waarde van het programma;
(d)  de hoogte van de financiering in verhouding tot de bereikte resultaten;
(e)  de mogelijke administratieve, organisatorische en/of structurele belemmeringen voor een soepelere, doeltreffendere en efficiëntere uitvoering van het programma.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 4
4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.
4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. De groep van geraadpleegde deskundigen is evenwichtig samengesteld wat het aantal vrouwen en mannen betreft.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 1
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren over de Europese toegevoegde waarde van het programma, waardoor de toegevoegde waarde van de Unie wordt aangetoond en de inspanningen van de Commissie op het gebied van gegevensverzameling worden ondersteund om de budgettaire transparantie te vergroten.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1
1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 en wordt bijgestaan door relevante maatschappelijke organisaties en mensenrechtenorganisaties. In het comité wordt het genderevenwicht, alsook een gepaste vertegenwoordiging van minderheden en andere uitgesloten groepen gewaarborgd.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Bijlage I
Bijlage I
Schrappen
Activiteiten in het kader van het programma
De in artikel 3, lid 2, bedoelde specifieke doelstellingen van het programma worden met name nagestreefd door middel van ondersteuning van de volgende activiteiten:
1.  bewustmaking, verspreiding van informatie ter verbetering van de kennis van het beleid en het recht van de Unie, waaronder materieel recht en procesrecht, van instrumenten voor justitiële samenwerking, van de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van vergelijkend recht en van Europese en internationale normen;
2.  wederzijdse leerprocessen door uitwisseling van goede praktijken tussen belanghebbenden om de kennis en het wederzijds begrip van het civiele en strafrecht en de rechtsstelsels van de lidstaten, met inbegrip van rechtsstatelijkheid, te versterken en het wederzijds vertrouwen te bevorderen;
3.  analyse en monitoring25 ter verbetering van de kennis van en het inzicht in potentiële belemmeringen die de goede werking van een Europese rechtsruimte kunnen schaden en ter verbetering van de tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie in de lidstaten;
4.  opleiding van belanghebbenden ter verbetering van de kennis van het beleid en het recht van de Unie, waaronder materieel recht en procesrecht, van het gebruik van EU-instrumenten voor justitiële samenwerking, van de desbetreffende jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, van het juridisch taalgebruik en van vergelijkend recht;
5.  ontwikkeling en onderhoud van informatie- en communicatietechnologie (ICT) ter verbetering van de efficiëntie van de justitiële systemen en hun samenwerking door middel van informatie- en communicatietechnologie, met inbegrip van grensoverschrijdende interoperabiliteit van systemen en toepassingen;
6.  ontwikkeling van de capaciteit van belangrijke Europese netwerken en Europese justitiële netwerken, inclusief krachtens het Unierecht opgerichte netwerken, om te zorgen voor de doeltreffende toepassing en tenuitvoerlegging van het recht van de Unie en om het recht, de beleidsdoelstellingen en de strategieën van de Unie op gebieden die onder het programma vallen, te bevorderen, alsook de ondersteuning van maatschappelijke organisaties die actief zijn op de onder het programma vallende gebieden;
7.  bevordering van de kennis van het programma en van de verspreiding en overdraagbaarheid van de resultaten ervan en bevordering van de bewustmaking van burgers, onder meer door het opzetten en ondersteunen van programmabureaus/een netwerk van nationale contactpunten.
__________________
25 Deze activiteiten omvatten bijvoorbeeld het verzamelen van gegevens en statistieken; het ontwikkelen van gemeenschappelijke methoden en, in voorkomend geval, indicatoren of benchmarks; studies, onderzoeken, analyses en enquêtes; evaluaties; effectbeoordeling; het opstellen en publiceren van handleidingen, rapporten en educatief materiaal.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – alinea 1 – inleidende formule
Bijlage II
Bijlage
Indicatoren
Indicatoren
Het programma wordt gemonitord aan de hand van een reeks indicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, mede met het oog op verlichting van de administratieve lasten en de kosten. Daartoe zullen er gegevens worden vergaard met betrekking tot onderstaande indicatoren:
Het programma wordt gemonitord aan de hand van een reeks kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, mede met het oog op verlichting van de administratieve lasten en de kosten en het zorgen voor een optimale doeltreffendheid van de rechtsstelsels. Daartoe zullen er, met inachtneming van de rechten op het gebied van privacy en gegevensbescherming, gegevens worden verzameld en, indien van toepassing, naar geslacht, leeftijd en personeelscategorie worden uitgesplitst met betrekking tot onderstaande indicatoren:
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – alinea 1 – tabel
het aantal magistraten en justitiële personeelsleden dat heeft deelgenomen aan opleidingsactiviteiten (met inbegrip van uitwisseling van personeel, studiebezoeken, workshops en seminars) die worden gefinancierd door het programma, onder meer door de exploitatiesubsidie van het ENJO
het aantal magistraten en justitiële personeelsleden dat heeft deelgenomen aan opleidingsactiviteiten (met inbegrip van uitwisseling van personeel, studiebezoeken, workshops en seminars) die worden gefinancierd door het programma, onder meer door de exploitatiesubsidie van het ENJO
het aantal personeelsleden en leden van maatschappelijke organisaties dat heeft deelgenomen aan opleidingsactiviteiten
het aantal uitwisselingen van informatie in het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS)
het aantal uitwisselingen van informatie in het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS)
het aantal gevallen en activiteiten en het resultaat van grensoverschrijdende samenwerking, ook via samenwerking door middel van IT-tools en procedures op Unieniveau
het aantal treffers op het e-justitieportaal/bladzijden dat tegemoet komt aan de behoefte aan informatie over grensoverschrijdende civiele zaken
het aantal personen dat is bereikt door:
het aantal personen dat is bereikt door:
(i)   activiteiten inzake wederzijds leren en uitwisselen van goede praktijken;
(i)   activiteiten inzake wederzijds leren en uitwisselen van goede praktijken;
(ii)   activiteiten inzake bewustmaking, voorlichting en verspreiding
(ii)   activiteiten inzake bewustmaking, voorlichting en verspreiding
(ii bis)  activiteiten op het gebied van capaciteitsopbouw die bedoeld zijn voor maatschappelijke organisaties;
(ii ter)  activiteiten om mensen informatie te verstrekken over toegang tot de rechter;
(ii quater)  activiteiten voor rechters over uitdagingen op het gebied van procesvoering en de wijze waarop het internationaal privaatrecht en het Unierecht moeten worden toegepast in grensoverschrijdende/multidisciplinaire zaken;
(ii quinquies)  door het programma gefinancierde bewustmakingsactiviteiten.
de geografische dekking van de door het programma gefinancierde activiteiten
de beoordeling door de deelnemers van de activiteiten waaraan zij hebben deelgenomen en van de verwachte duurzaamheid ervan

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissies op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0068/2019).


Stand van het debat over de toekomst van Europa
PDF 169kWORD 67k
Resolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over de stand van het debat over de toekomst van Europa (2018/2094(INI))
P8_TA-PROV(2019)0098A8-0427/2018

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, het Europees Sociaal Handvest, het aanvullend protocol hierbij en de herziene versie ervan,

–  gezien artikel 295 VWEU,

–  gezien de informele bijeenkomst van de 27 staatshoofden en regeringsleiders van 29 juni 2016,

–  gezien de verklaring en de routekaart van Bratislava van de 27 lidstaten van 16 september 2016,

–  gezien zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, de rechtsstaat en grondrechten(1),

–  gezien zijn resolutie van 19 januari 2017 over de Europese pijler van sociale rechten(2),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 inzake de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon(3),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele bestel van de Europese Unie(4),

–  gezien zijn resolutie van 16 februari 2017 over de begrotingscapaciteit voor de eurozone(5),

–  gezien zijn resolutie van 16 maart 2017 over constitutionele, juridische en institutionele gevolgen van een gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid: door het Verdrag van Lissabon geboden mogelijkheden(6),

–  gezien het witboek van de Commissie van 1 maart 2017 en de vijf achtereenvolgende discussienota's (COM(2017)2025, COM(2017)0206, COM(2017)0240, COM(2017)0291, COM(2017)0315, COM(2017)0358),

–  gezien de verklaring van Rome van 25 maart 2017,

–  gezien de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk van 29 maart 2017 betreffende zijn voornemen om zich uit de Europese Unie terug te trekken,

–  gezien de resolutie van het Europees Economisch en Sociaal Comité over het witboek van de Commissie over de toekomst van Europa en andere zaken van 6 juli 2017(7),

–  gezien de resolutie van het Europees Comité van de Regio's over het Witboek van de Europese Commissie over de toekomst van Europa – Beschouwingen en scenario's voor de EU-27 tegen 2025(8),

–  gezien de diverse bijdragen van nationale parlementen aan het witboek en de discussienota's van de Commissie over de toekomst van Europa,

–  gezien de toespraak van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, van 12 september 2018 over de Staat van de Unie in 2018,

–  gezien de toespraak van de voorzitter van de Commissie, Jean-Claude Juncker, over de Staat van de Unie 2017 van 13 september 2017 en de routekaart naar een meer verenigde, sterkere en democratischere Unie van 24 oktober 2017 (COM(2017)0650),

–  gezien de toespraak op de Sorbonne van de Franse president Emmanuel Macron van 26 september 2017 over het initiatief voor een Europa dat soeverein, verenigd en democratisch is,

–  gezien de informele top van staatshoofden en regeringsleiders van de EU in Tallinn van 29 september 2017,

–  gezien de Leiderschapsagenda die tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 19 en 20 oktober 2017 is aangenomen,

–  gezien de interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten door de Raad, het Parlement en de Commissie van 17 november 2017,

–  gezien de routekaart van de Commissie voor de verdere verdieping van Europa's economische en monetaire unie (EMU) van 6 december 2017 (COM(2017)0821) en in het bijzonder het voorstel voor het instellen van een Europees Monetair Fonds (EMF) (COM(2017)0827), het voorstel om de inhoud van het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur in het rechtskader van de Unie te integreren (COM(2017)0824) en de Mededeling betreffende een Europese minister van Economische Zaken en Financiën (COM(2017)0823),

–  gezien de bijeenkomst van de Europese Raad van 14 en 15 december 2017, en de leidersbijeenkomst en de Eurotop die in het verlengde daarvan plaatsvonden,

–  gezien de brief van 26 nationale parlementen uit 20 lidstaten van 20 december 2017 betreffende de transparantie van de besluitvorming in de Raad,

–  gezien de verklaring die op 10 januari 2018 werd aangenomen tijdens de top van de zuidelijke landen van de Europese Unie (Cyprus, Frankrijk, Griekenland, Malta, Portugal en Spanje), getiteld "Bringing the EU forward in 2018", de verklaring van 26 januari 2018 over de toekomst van Europa van de landen van de Visegrad-groep (Tsjechische Republiek, Hongarije, Polen en Slowakije), en de gezamenlijke verklaring van de Europese ministers van Financiën van Finland, Denemarken, Estland, Ierland, Letland, Litouwen, Nederland en Zweden van 6 maart 2018,

–  gezien de Mededeling van de Commissie van 13 februari 2018 getiteld: "Een Europa dat resultaten boekt: institutionele opties om de werkzaamheden van de Unie doeltreffender te maken" (COM(2018)0095),

–  gezien Aanbeveling (EU) 2018/234 van de Commissie van 14 februari 2018 over het bevorderen van het Europese karakter en het efficiënte verloop van de verkiezingen voor het Europees Parlement in 2019(9),

–  gezien de informele bijeenkomst van de 27 staatshoofden en regeringsleiders van 23 februari 2018,

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2016(10),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen(11),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 van 2 mei 2018 (COM(2018)0322),

–  gezien het voorstel van de Commissie voor een besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie van 2 mei 2018 (COM(2018)0325),

–  gezien de top EU-Westelijke Balkan van 17 mei 2018,

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Ombudsman van 16 mei 2018 naar aanleiding van het strategisch onderzoek OI/2/2017/TE inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad,

–  gezien de verklaring van Meseberg van 19 juni 2018,

–  gezien de bijeenkomst van de Europese Raad op 28 en 29 juni 2018,

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's getiteld "Nadenken over Europa: de inbreng van regionale en lokale overheden bij het herstellen van het vertrouwen in de Europese Unie" van 9 oktober 2018,

–  gezien de debatten over de toekomst van Europa met staatshoofden en regeringsleiders, die door het Europees Parlement zijn georganiseerd,

–  gezien het schrijven van de Commissie juridische zaken,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie constitutionele zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie internationale handel, de Begrotingscontrolecommissie en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0427/2018),

A.  overwegende dat de Europese Unie een ongekend voorbeeld is van supranationale integratie die haar volkeren sinds de grensverleggende Schuman-verklaring van 9 mei 1950 duurzame vrede, welvaart en welzijn heeft gebracht; overwegende dat gedeelde veiligheid, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en het welzijn van haar volkeren centraal staan in haar streven en optreden;

B.  overwegende dat, om maar een paar voorbeelden te noemen, het vrije verkeer van goederen, diensten, kapitaal en personen, de eenheidsmunt, het Erasmusprogramma, het regionaal, landbouw- en cohesiebeleid, en Horizon 2020, fundamentele verwezenlijkingen zijn van de Unie die bijdragen aan het welzijn van de Europese burgers; overwegende dat de Unie over de nodige bevoegdheden en middelen moet beschikken om de uitdagingen van de 21e eeuw het hoofd te bieden;

C.  overwegende dat de Unie de afgelopen jaren met meerdere crises is geconfronteerd die haar veerkracht en haar vermogen om daadkrachtig en eensgezind op te treden op de proef hebben gesteld;

D.  overwegende dat er in de periode 2014-2017 meer sociaal evenwichtig en effectief monetair en macro-economisch beleid is geweest dat heeft bijgedragen tot economisch en sociaal herstel, zoals de ongebruikelijke beleidsmaatregelen van de Europese Centrale Bank, de flexibiliteit van het stabiliteits- en groeipact en het investeringsplan voor Europa;

E.  overwegende dat Europa erin is geslaagd de meest kritieke momenten van de financiële en economische crisis onder controle te houden en voor een deel te overwinnen, maar dat er nog belangrijke en dringende hervormingen wachten op het niveau van de EU en de lidstaten op het gebied van het economische bestuur in het algemeen en meer specifiek met betrekking tot de euro, alsook wat betreft de verdere versterking van de eengemaakte markt en het herstel en de ontwikkeling van de sociale standaarden van onze welvaartsstaat;

F.  overwegende dat gezien de veelvoudige interne en externe huidige en toekomstige uitdagingen waarmee de Unie in een onstabiele en complexe wereld wordt geconfronteerd, met name uitdagingen die verband houden met migratie, krimpende bevolking, terrorisme, veiligheid, klimaatverandering, milieukwesties, de instandhouding van de multilaterale wereldorde, de voltooiing van de EMU, mondialisering, vrije en eerlijke op regels gebaseerde internationale handel, buitenlandse zaken en defensie, de ontwikkeling van de sociale pijler, en de bestrijding van anti-Europa-populisme, onverdraagzaamheid en vreemdelingenhaat, de EU de geest van samenwerking en solidariteit tussen de lidstaten nieuw leven moet inblazen, gebaseerd op de artikelen 2 en 3 van het VEU en het Handvest van de grondrechten, en het in het Verdrag van Lissabon verankerde doel om een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa tot stand te brengen het optreden van de Unie moet blijven inspireren om de Europese integratie verder te versterken en deze uitdagingen doeltreffend aan te pakken;

G.  overwegende dat het Parlement zich ernstig zorgen maakt over het toenemend aantal populistische, xenofobe en anti-Europese bewegingen in heel Europa; overwegende dat de Unie en haar lidstaten grotere inspanningen moeten leveren om de democratische waarden, de grondbeginselen en de doelstellingen van Europese integratie te verdedigen en te bevorderen;

H.  overwegende dat het referendum in het Verenigd Koninkrijk in juni 2016, dat ertoe heeft geleid dat het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017 kennis heeft gegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken, het debat over de toekomst van de Unie heeft verhevigd; overwegende dat de onderhandelingen over het geplande vertrek van het VK uit de EU hebben aangetoond hoe groot de onderlinge afhankelijkheid van de lidstaten is, hoezeer we ons allemaal verlaten op gezamenlijke instrumenten en beleid, en hoeveel het kost om ergens uit te stappen;

I.  overwegende dat het verhevigde debat over de toekomst van Europa, naast de resoluties van het Parlement zelf over de toekomst van Europa van 16 februari 2017, tot uitdrukking komt in de verklaring en de routekaart van Bratislava, het Witboek van de Commissie over de toekomst van Europa, de verklaring van Rome, de Leidersagenda die in oktober 2017 werd aangenomen door de Europese Raad, en in de diverse bijdragen van afzonderlijke of groepen lidstaten, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's, alsook in plenaire debatten in het Europees Parlement met staatshoofden en regeringsleiders over de "toekomst van Europa", in interparlementaire commissievergaderingen en in de organisatie van burgerdialogen en raadplegingen van verschillende instellingen, organen en lidstaten;

J.  overwegende dat uit de Parlemeter-enquête, die tussen 8 en 26 september 2018 is uitgevoerd, blijkt dat 62 % van de respondenten van mening is dat het lidmaatschap van hun land een goede zaak is en dat 68 % van mening is dat het EU-lidmaatschap hun land voordelen heeft opgeleverd, het hoogste resultaat dat sinds 1983 gemeten is;

K.  overwegende dat de waarden en beginselen waarop de Unie gebaseerd is een sfeer bepalen waarmee elke Europese burger zich kan identificeren, ongeacht de politieke of culturele verschillen die aan de nationale identiteit verbonden zijn;

L.  overwegende dat de aanstaande verkiezingen voor het Europees Parlement de gelegenheid bieden om een beeld te krijgen van de stand van het debat over de toekomst van Europa, mede gezien de voornaamste institutionele prioriteiten van het Europees Parlement, de Commissie en de Raad voor de komende mandaatsperiode;

M.  overwegende dat de EU voor een bijzonder belangrijke periode staat in haar constructieproces gezien de aard en de omvang van haar problemen, en dat deze alleen kunnen worden opgelost door samen te werken en door meer en betere integratie en solidariteit tussen de lidstaten, waarbij de huidige bepalingen van het Verdrag van Lissabon volledig worden benut, en vervolgens de Verdragen worden hervormd om de institutionele besluitvorming te verbeteren en voor een passend evenwicht tussen de bevoegdheden te zorgen;

N.  overwegende dat institutionele hervormingen erop gericht moeten zijn om de besluitvormingsprocessen democratischer te maken en de transparantie van de besluitvorming en controleerbaarheid van de Unie en haar instellingen te verbeteren; overwegende dat, gezien deze doelstellingen, het passend en een goed moment is om zinvolle participatie van burgers in het Europese project te bevorderen, raadplegingen te organiseren en een regelmatige dialoog aan te moedigen met burgers en representatieve organisaties, in overeenstemming met de bepalingen van artikel 11 van het VEU;

O.  overwegende dat de Unie een sterkere governancestructuur nodig heeft met meer democratische controle door het Parlement, om de uitdagingen van vandaag en morgen het hoofd te bieden; overwegende dat transparantie en integriteit van de instellingen en organen van de EU van essentieel belang zijn om het vertrouwen van de burgers te winnen;

P.  overwegende dat de gezamenlijke Frans-Duitse verklaring van Meseberg een reeks overwegingen en voorstellen bevat ter versterking van de Europese samenwerking, met name op het gebied van economisch bestuur;

Q.  overwegende dat de bevordering van een Europese dimensie van cultuur en onderwijs van essentieel belang is voor de versterking van het Europees burgerschap, gezien het feit dat een gebrek aan kennis van de Unie, als gevolg waarvan jongere generaties de neiging hebben de verwezenlijkingen van de Unie als vanzelfsprekend te beschouwen, haar parten speelt;

1.  wijst erop dat in de resoluties van het Parlement over de toekomst van Europa van 16 februari 2017 het belang benadrukt wordt van het enkelvoudige institutionele kader en de Gemeenschapsmethode, en diverse voorstellen en initiatieven van bijzonder belang voor de Europese integratie naar voren worden gebracht die een bijdrage kunnen leveren aan de toekomstige ontwikkeling van Europa;

2.  benadrukt dat de Unie de toekomstige uitdagingen het hoofd moet bieden door middel van sterkere en betere politieke integratie, waarbij mensenrechten, fundamentele vrijheden en democratische beginselen volledig in acht worden genomen en worden bevorderd, en door onderlinge samenwerking; wijst erop dat burgers een Europa wensen dat hun rechten, hun welzijn en hun maatschappelijk model beschermt op basis van gedeelde soevereiniteit, hetgeen passende politieke integratie noodzakelijk maakt; verzoekt de staatshoofden en regeringsleiders deze koers te volgen in een hernieuwde geest van solidariteit en samenwerking;

3.  wijst erop dat alle staatshoofden en regeringsleiders die de voltallige vergadering van het Parlement tijdens de debatten over de toekomst van Europa hebben toegesproken, hebben erkend dat het nodig is om de uitdagingen van de toekomst samen aan te gaan en datgene beter te doen wat alleen samen kan worden bereikt;

4.  spreekt opnieuw de overtuiging uit dat gedifferentieerde integratie open moet blijven staan voor alle lidstaten en als methode van verdergaande Europese integratie en solidariteit moet blijven fungeren, hoewel dit niet mag worden verward met het idee van een Europa "à la carte"; benadrukt dat in het huidige debat over gedifferentieerde integratie niet mag worden gezinspeeld op de invoering van een eersteklas- en tweedeklaslidmaatschap van de Unie;

5.  wijst erop dat gedifferentieerde integratie niet mag worden gebruikt als manier om een rem te zetten op de politieke integratie;

6.  benadrukt dat de crisis het evenwicht tussen de voornaamste instellingen van de Unie heeft verstoord en dat de Europese Raad zijn eigen politieke initiatief uitoefent ten koste van het recht van initiatief van de Commissie en de intergouvernementele methode versterkt; is van mening dat de communautaire methode het meest geschikt is voor de werking van de Unie; roept de talrijke resoluties in herinnering die het Parlement in dit verband heeft aangenomen en herhaalt zijn oproep aan de Europese Raad om de grenzen van zijn bevoegdheden als verankerd in met name artikel 15 VEU ten volle te eerbiedigen;

7.  wijst er nogmaals op dat unanimiteit, die volgens de Verdragen voor bepaalde fundamentele kwesties vereist is, op belangrijke momenten en bij belangrijke beslissingen een bijna onoverkomelijke hindernis vormt, en pleit daarom met betrekking tot de besluitvormingsprocedures voor toepassing in de Raad van het beginsel van besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid (BGM) en voor wetgeving het gebruik van de gewone wetgevingsprocedure op de terreinen waar dit mogelijk is; herinnert eraan dat dit op grond van de huidige Verdragen kan worden bereikt door gebruik te maken van de verschillende "passerelle"-clausules of, in het geval van nauwere samenwerking, door gebruik te maken van artikel 333 van de VWEU;

8.  is in dit verband ingenomen met de aankondiging van voorzitter Juncker in zijn toespraak over de Staat van de Unie op 13 september 2017 en 12 september 2018 dat hij voornemens is om het gebruik van BMG in de Raad voor te stellen op bepaalde specifieke beleidsterreinen, maar betreurt het dat de verordening betreffende het meerjarig financieel kader (MFK) niet tot de genoemde onderwerpen behoort;

9.  is bijzonder ingenomen met het feit dat de Commissie heeft voorgesteld om BMG te gebruiken voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), met betrekking tot standpunten over mensenrechtenkwesties in internationale fora, besluiten om sanctieregelingen vast te stellen, en besluiten om civiele missies te starten of uit te voeren als reactie op crises in het buitenland, gegeven het belang om de besluitvorming sneller en doeltreffender te maken, en de noodzaak voor de Unie om met één stem te spreken;

10.  herhaalt zijn voorstel om van de Raad een echte wetgevende kamer op gelijke voet met het Parlement te maken, zoals uiteengezet in zijn resolutie van 16 februari 2017 over de verbetering van de werking van de Europese Unie, voortbouwend op het potentieel van het Verdrag van Lissabon, en de transparantie van het besluitvormingsproces in de Raad te vergroten; wijst in dit verband op het speciaal verslag van de Europese Ombudsman inzake de transparantie van het wetgevingsproces in de Raad en op het schrijven van de COSAC-delegaties van 20 december 2017 waarin wordt aangedrongen op meer transparantie van de politieke besluitvorming, met name van de kant van de Raad en informele organen zoals de Eurogroep, in het verlengde van vergelijkbare verzoeken van het Parlement in dit verband;

11.  is van mening dat er verschillende opties zijn om door de aanpassing van de structuur en de werkmethoden van het college van commissarissen de Commissie flexibeler te maken, bijvoorbeeld door de benoeming van vicevoorzitters die verantwoordelijk zijn voor een beleidscluster of de benoeming van hogere en lagere commissarissen;

12.  herinnert eraan dat het Parlement weliswaar geen formeel initiatiefrecht heeft op grond van de huidige Verdragen, maar dat het de Commissie kan verzoeken passende voorstellen in te dienen inzake aangelegenheden die naar het oordeel van het Parlement besluiten van de Unie voor de tenuitvoerlegging van de Verdragen vergen, en herinnert de Commissie, in overeenstemming met artikel 10 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(12), aan haar verplichting om verzoeken om voorstellen voor besluiten van de Unie onverwijld en gedetailleerd in overweging te nemen; herinnert er voorts aan dat dit interinstitutioneel akkoord ook bepalingen bevat over de interinstitutionele jaarlijkse en meerjarenprogrammering, die een aanvullend instrument vormen voor het Parlement om de wetgevingsagenda vorm te geven;

13.  wijst nogmaals op zijn voorstel om, in het geval van een mogelijke toekomstige herziening van de Verdragen, het recht van wetgevend initiatief ook aan het Europees Parlement toe te wijzen, als rechtstreekse vertegenwoordiger van de EU-burger;

14.  benadrukt met klem dat het toetsingsrecht en met name het enquêterecht van het Parlement moet worden versterkt en dat het specifieke, reële en duidelijk omschreven bevoegdheden moet worden verleend;

15.  neemt nota van het verslag van de taskforce inzake subsidiariteit, evenredigheid en "minder en efficiënter optreden" van 10 juli 2018, waarin aanbevelingen worden gedaan voor een nieuwe manier van werken in verband met subsidiariteit en evenredigheid; is van mening dat veel van die aanbevelingen, met name in verband met de rol van de nationale parlementen in de Unie en de wenselijke hervorming van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, al door het Parlement aan de orde zijn gesteld; wijst erop dat de taskforce tot de conclusie kwam dat er op alle gebieden waarop de EU momenteel actief is een toegevoegde Europese waarde wordt geboden en dat ze dan ook geen in het Verdrag vastgelegde bevoegdheden of beleidsterreinen heeft kunnen vinden die opnieuw definitief aan de lidstaten moeten toekomen, gedeeltelijk noch als geheel;

16.  is ingenomen met de aanbevelingen van de verschillende instellingen waarin wordt opgeroepen tot een actievere rol van de nationale parlementen, met name bij de controle van het optreden van hun regeringen binnen de Europese instellingen; herinnert tevens aan de fundamentele rol van lokale autoriteiten en met name regionale parlementen met wetgevende bevoegdheden;

17.  benadrukt het belang van samenwerking op interinstitutioneel niveau, met inachtneming van de in de Verdragen neergelegde prerogatieven van elke instelling, die een nieuw kader heeft gekregen met het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven, en wijst erop dat vereenvoudiging een permanente oefening is die tot doel heeft de processen en procedures op EU-niveau gemakkelijker te begrijpen, ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de standpunten van alle belanghebbenden en uiteindelijk de deelname van de burgers aan de werking van de Europese Unie te vergemakkelijken;

18.  is ingenomen met de gezamenlijke afkondiging van de Europese pijler van sociale rechten die is ondertekend door de Raad, het Parlement en de Commissie tijdens de sociale top voor eerlijke banen en groei wijst erop dat de bevoegdheden en instrumenten om de pijler in praktijk te brengen hoofdzakelijk in handen zijn van lokale, regionale en nationale overheden, alsook van de sociale partners en het maatschappelijk middenveld, terwijl het Europees Semester een kader vormt om van de prestaties van de lidstaat in dit verband op de hoogte te blijven; herinnert er in dit verband voorts aan dat de sociale dialoog een onmisbaar instrument is gebleken om de beleidsvormings- en wetgevingsprocessen van de EU en de maatschappelijke legitimatie daarvan te verbeteren;

19.  neemt kennis van het niet-bindende karakter van de sociale pijler, waardoor het onmogelijk zal zijn de aandacht van de EU te verschuiven van economisch beleid, de interne markt en het begrotingsbeleid naar sociale beleidsdoelstellingen; wijst erop dat de Unie krachtens de in artikel 9 van het VWEU verankerde horizontale sociale clausule zorgvuldig rekening moet houden met de effecten van EU-wetgeving op sociale normen en werkgelegenheid, en maatschappelijk belanghebbenden hierbij naar behoren moet raadplegen;

20.  benadrukt dat milieubescherming een hoge prioriteit voor de EU moet zijn in het licht van de huidige achteruitgang van het milieu, en een plaats moet krijgen in alle beleid en maatregelen van de Unie; benadrukt dat de EU doeltreffende maatregelen moet nemen om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen en het aandeel van hernieuwbare energie in de energiemix en energiebesparing te verhogen tot het niveau dat nodig is om aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te voldoen;

21.  verzoekt de lidstaten nogmaals het herzien Europees Sociaal Handvest en het Europees Verdrag inzake sociale zekerheid (ETS nr. 78) te ondertekenen en te ratificeren;

22.  onderstreept dat het belangrijk is om het proces van verdieping en voltooiing van de EMU voort te zetten, om zo bij te dragen aan het behoud van de stabiliteit van de eenheidsmunt en de intensivering van de convergentie van het economisch, begrotings- en arbeidsmarktbeleid en sociale normen van de lidstaten; herhaalt dat alle lidstaten, afgezien van Denemarken dat over een opt-out beschikt, op zeker ogenblik de euro als hun munt moeten invoeren; steunt verdere stappen richting de ontwikkeling van het ESM;

23.  benadrukt in dit opzicht dat er behoefte is aan sterk politiek engagement, efficiënt bestuur en democratische verantwoording op Europees en nationaal niveau, met name aan parlementaire controle in de verschillende fasen van het Europees Semester, door zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen, teneinde het economische en financiële bestuur van de eurozone te voorzien van meer maatschappelijke, economische en democratische legitimiteit, en de follow-up van de aanbevelingen van de Unie te verbeteren;

24.  wijst op zijn standpunt in zijn resolutie van 16 februari 2017 over mogelijke ontwikkelingen en aanpassingen van het huidige institutionele kader van de Europese Unie, dat het begrotingsbeleid en economisch beleid een "gedeelde bevoegdheid" van de Unie en de lidstaten moet worden;

25.  neemt kennis van de toenadering van de standpunten van Frankrijk en Duitsland over het idee voor een begrotingscapaciteit voor de eurozone; herhaalt zijn standpunt dat een dergelijke capaciteit binnen het kader van de EU moet worden ontwikkeld;

26.  neemt nota van het voorstel van de Commissie betreffende een Europese stabilisatiefunctie voor investeringen en bespreekt nieuwe begrotingsinstrumenten gericht op stabilisering;

27.  neemt kennis van het voorstel van de Commissie betreffende een steunprogramma voor hervormingen; benadrukt dat de medebeslissende en toezichthoudende bevoegdheden van het Parlement met betrekking tot de besteding van EU-middelen niet mogen worden verzwakt; maakt zich zorgen over het feit dat in de periode 2011-2017 slechts 9 % van de landenspecifieke aanbevelingen (LSA's) volledig ten uitvoer is gelegd; neemt nota van de convergentiefaciliteit, die lidstaten buiten de eurozone met een duurzaam begrotings- en economisch beleid zal stimuleren en ondersteunen om hervormingen door te voeren en te voldoen aan de criteria voor toetreding tot de eurozone;

28.  is verheugd over het toekomstige InvestEU-programma en benadrukt dat met dit fonds de investeringskloof in de EU verder moet worden gedicht; steunt investeringen in materiële en immateriële activa, waaronder cultureel erfgoed, om groei, investeringen en werkgelegenheid te bevorderen, met speciale aandacht voor kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), kleine en middelgrote beursgenoteerde ondernemingen en sociale ondernemingen, en aldus bij te dragen tot een beter welzijn, een eerlijkere inkomensverdeling en economische, sociale en territoriale cohesie in de Unie;

29.  neemt kennis van de Mededeling van de Commissie over een Europese minister van Economische Zaken en Financiën; wijst erop dat de samenvoeging van de functies van vicevoorzitter van de Commissie voor Economische Zaken en voorzitter van de Eurogroep de parlementaire verantwoording op Europees niveau zou kunnen verbeteren;

30.  is van mening dat de toekomstige EU-begroting de toegevoegde waarde van Europa in sociaaleconomisch opzicht moet bevorderen, de modernisering van het EU-beleid moet ondersteunen, middelen voor nieuwe vraagstukken moet waarborgen, moet blijven bijdragen tot economische en sociale convergentie en cohesie tussen en binnen de lidstaten om zo de Europese solidariteit, stabiliteit, gelijkheid en slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen, ook in het licht van de door de EU gedane toezeggingen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, de eerbiediging en bevordering van de in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) genoemde fundamentele waarden moet waarborgen en moet worden toegerust met nieuwe eigen middelen, rekening houdend met het werk van de groep op hoog niveau inzake eigen middelen;

31.  is ingenomen met het feit dat het voorstel van de Commissie over de eigen middelen echte nieuwe eigen middelen bevat, zoals het Parlement had verzocht, maar betreurt het dat er geen andere mogelijke inkomstenbronnen worden voorgesteld; spreekt zijn bezorgdheid uit over het voorstel van de Commissie inzake het MFK voor de periode 2021-2027, omdat het onvoldoende financiële verbintenissen bevat om het hoofd te bieden aan zowel de huidige als de toekomstige uitdagingen van de EU; betreurt de standpunten van sommige lidstaten die weigeren om de EU meer middelen ter beschikking te stellen, hoewel unaniem erkend wordt dat aan nieuwe uitdagingen en verantwoordelijkheden het hoofd moet worden geboden, wat een behoefte aan extra financiële middelen met zich meebrengt; wijst erop dat uitgaven op EU-niveau een besparing op nationaal niveau kunnen inhouden doordat overlappingen worden vermeden en er schaalvoordelen ontstaan;

32.  benadrukt dat het belangrijk is om in het proces van het Europees Semester opwaartse economische en sociale convergentie te waarborgen; ziet het belang in van de vaststelling van de Europese pijler van sociale rechten; merkt op dat het Europees Semester versterkt en gestroomlijnd is, maar wijst erop dat meer betrokkenheid van nationale parlementen de nationale zeggenschap zou helpen verbeteren, hetgeen dan weer tot een betere tenuitvoerlegging van de LSA's zou leiden en het proces van het Europees Semester zou verbeteren; merkt op dat het eerst en vooral de lidstaten zijn die verantwoordelijk zijn voor de keuze van een passend en duurzaam begrotingsbeleid en economisch beleid;

33.  betreurt dat er tot op heden geen praktisch vervolg is gegeven aan zijn verzoek tot het vaststellen van een convergentiecode – aan te nemen volgens de medebeslissingsprocedure – om zo een meer effectief kader voor economische beleidscoördinatie te creëren; herinnert er voorts aan dat, zonder afbreuk te doen aan het gestroomlijnde Europees Semester, het Parlement verzocht heeft om de sluiting van een interinstutioneel akkoord waarin het Parlement een grotere rol in het Europees Semester wordt toebedeeld; herinnert in dit verband aan zijn suggestie die het met name in zijn resolutie over de tenuitvoerlegging van de Verdragsbepalingen betreffende nationale parlementen heeft gedaan, om de begrotingskalenders op nationaal en Europees niveau gedurende het hele proces beter op elkaar af te stemmen om zowel het Europees Parlement als de nationale parlementen nauwer bij het Europees Semester te betrekken;

34.  benadrukt dat het van belang is zich in te zetten voor de voltooiing van de bankenunie, dat er openheid moet zijn en dat alle lidstaten die deelnemen aan de bankenunie moeten kunnen rekenen op gelijke behandeling; brengt in herinnering dat de voltooiing van de bankenunie, met een Europees depositoverzekeringsstelsel en een budgettair vangnet voor het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds, en de uitvoering van de risicoreductiemaatregelen moeten worden voortgezet;

35.  is ingenomen met de antiwitwasmaatregelen die door de Commissie zijn voorgesteld in het kader van de herziening van het Europees Systeem voor financieel toezicht (ESFS); spoort de Raad aan de wetgevingsonderhandelingen met het Parlement voor het einde van deze zittingsperiode af te ronden aangezien het beleid ter bestrijding van het witwassen van geld moet worden versterkt om te voorkomen dat er zich in de toekomst situaties voordoen waarbij financiële instellingen actief meewerken aan het witwassen van geld;

36.  verzoekt de Commissie om met behulp van de Europese toezichthoudende autoriteiten belemmeringen op de interne markt in kaart te brengen en weg te nemen en de bescherming van de consument te helpen waarborgen; is van mening dat de daadwerkelijke handhaving van de EU-wetgeving een van de hoofdprioriteiten van de Commissie moet zijn;

37.  verzoekt de Commissie om waar passend en per geval verordeningen te verkiezen boven richtlijnen als wetgevingsinstrument voor de bankenunie en voor wetgeving inzake financiële diensten, om versnippering te voorkomen en te vermijden dat toezichthouders rekening moeten houden met verschillende nationale regelingen;

38.  benadrukt dat de kapitaalmarktenunie dringend moet worden voltooid; wijst erop dat diepe en goed geïntegreerde kapitaalmarkten complementair zijn aan de bankenunie, omdat deze bijdragen aan private risicodeling, zorgen voor meer economische convergentie, helpen bij het opvangen van toekomstige schokken en waar nodig kunnen leiden tot een betere toewijzing van middelen; vraagt dat er grondig wordt onderzocht welk kader het meest geschikt is om beter rekening te houden met de snel veranderende aard van financiële diensten; wijst erop dat een betere toegang tot aanvullende financieringsbronnen vooral nuttig zou zijn voor startende ondernemingen en kmo's, aangezien dit hun duurzame groei en ontwikkeling zou bevorderen;

39.  is ingenomen met de tot nu toe verrichte werkzaamheden en acht het noodzakelijk de omvattende herziening van de bestaande btw-wetgeving voort te zetten; dringt aan op de intensivering van de strijd tegen belastingfraude, belastingontwijking en belastingontduiking; neemt kennis van de werkzaamheden van de Commissie op het vlak van eerlijke belastingheffing in de digitale economie;

40.  vraagt alle Europese instellingen en organen, inclusief de Commissie, de Europese Centrale Bank, de Europese Investeringsbank en het gemeenschappelijk toezichtmechanisme, om hun inspanningen op het vlak van communicatie nog verder op te voeren, met als doel de Europese burgers beter uit te leggen wat zij doen en hen te voorzien van meer informatie;

41.  benadrukt dat Europa een positieve kracht in de wereld is en dit ook moet blijven, door vast te houden aan haar waarden, het multilateralisme en het internationaal recht; wijst erop dat de Unie en haar lidstaten de grootste bijdrage leveren aan de internationale ontwikkelingshulp;

42.  verwelkomt het besluit van de Raad tot instelling van de permanente gestructureerde samenwerking (PESCO), de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie (CARD) en het Europees Defensiefonds (EDF) als een belangrijke stap naar een gemeenschappelijk defensiebeleid, en neemt kennis van de voorstellen van bepaalde lidstaten voor het instellen van een EU-veiligheidsraad en een Europees Interventie Initiatief; herinnert aan zijn oproep tot het opzetten van een permanente Raad van ministers van Defensie voorgezeten door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV), en onderstreept het belang van gepaste democratische verantwoording voor de beslissingen die op dit gebied worden genomen, alsook de noodzaak van nauwere samenwerking tussen het Europees Parlement en de nationale parlementen in dit verband;

43.  is verheugd over de versterking van het Europese mechanisme voor civiele bescherming en dringt andermaal aan op de oprichting van een Europese noodhulpmacht voor civiele bescherming, aangezien de bestaande Verdragen daarvoor een goede basis vormen;

44.  wijst erop dat de toetreding van de Unie tot het Europees Verdrag voor de rechten van de mens nog steeds hangende is; verzoekt om het opnemen van de bepalingen van het Euratom-Verdrag in het VEU en het VWEU;

45.  betreurt het gebrek aan overeenstemming tussen de lidstaten over de prioriteiten en de uitvoering van een integraal immigratiebeleid op EU-niveau, dat het mogelijk moet maken om de migratiestromen te sturen en te reguleren, de buitengrenzen van de EU doeltreffender te controleren, samen te werken met landen van herkomst en doorvoer, en de eerbiediging van de grondrechten van migranten en asielzoekers te waarborgen, naast andere doelstellingen; benadrukt dat de duidelijk strijdige belangen die door de lidstaten worden aangevoerd, met elkaar moeten worden verzoend, en aan de onvrede van de burgers moet worden tegemoetgekomen, om het Europese integratieproject, dat rechtstreeks te lijden heeft onder de instrumentalisering van de migratiekwestie door de eurosceptische partijen, niet in gevaar te brengen;

46.  herinnert aan zijn standpunt met betrekking tot de herziening van het Dublinstelsel; onderstreept voorts hoe belangrijk het is om het partnerschap met Afrika te versterken en neemt kennis van de Mededeling van de Commissie van 12 september 2018 getiteld "Meer legale mogelijkheden voor migratie naar Europa: onmisbaar voor een evenwichtig en omvattend migratiebeleid" (COM(2018)0635);

47.  benadrukt het belang van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) ondersteund door een goed gefinancierde begroting; wijst op het centrale belang van het GLB voor de historische ontwikkeling van de Unie; merkt op dat het GLB een fundamentele rol speelt om voor bloeiende plattelandsgebieden en zekerheid van de voedselvoorziening te zorgen; stipt aan dat de komende hervorming van het GLB een gelegenheid is om de verwezenlijking van de doelstellingen kracht bij te zetten; onderstreept dat het GLB een van de oudste beleidsmaatregelen is en een van de belangrijkste en meest geïntegreerde beleidsmaatregelen moet blijven, en dat het GLB zal blijven bijdragen aan de opbouw van het toekomstige Europa door middel van meer integratie, milieubehoud, voedselzekerheid en veiligheid van de EU-burgers; merkt op dat het beleid inzake landbouw en plattelandsontwikkeling uitstekende mogelijkheden biedt voor de levering van collectieve goederen; benadrukt dat de Europese landbouw een cruciale rol speelt bij de voedselvoorziening op aarde, en 46 miljoen mensen werk biedt; wijst op de rol die het GLB speelt om bodem, water en andere natuurlijke hulpbronnen gezond en in goede toestand te houden; benadrukt dat landbouw een cruciale rol speelt bij de prioriteiten van de Unie om de gevolgen van de klimaatverandering te beperken en duurzame ontwikkeling te bevorderen; onderstreept hoe belangrijk een goed gefinancierd en hervormd GLB is om de vele uitdagingen waarvoor de Unie in de toekomst gesteld wordt het hoofd te kunnen bieden; onderstreept dat het GLB niet alleen om landbouw en landbouwers gaat maar ook om het helpen ontwikkelen van de bredere plattelandsgemeenschappen waarin zij actief zijn;

48.  benadrukt dat het gemeenschappelijk handelsbeleid een fundamentele pijler van het externe beleid van de Unie moet blijven, gegeven het feit dat het rechtstreekse gevolgen heeft voor de levens van de burgers, en dat het de Unie moet helpen zich aan te passen aan haar nieuwe rol in een wereld met meerdere leidende spelers op het wereldtoneel; dringt er bij de Raad, de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden op aan samen te werken op de volgende gebieden:

   a) het gemeenschappelijk handelsbeleid versterken door het in het bredere beleidskader te integreren; met betrekking tot het mondiale handelsbeleid het voortouw nemen op multi- en bilateraal niveau;
   b) een leidende rol spelen bij de verdediging van een open, op regels gebaseerd, eerlijk en op duurzame ontwikkeling gericht wereldhandelssysteem zodat EU-ondernemingen wereldwijd actief kunnen zijn onder gelijke voorwaarden, volgens voorspelbare regels, onder eerlijke concurrentie en overeenkomstig vastgestelde verplichtingen, onder meer door constructief te werken aan een gemeenschappelijk EU-standpunt voor de intergouvernementele onderhandelingen van de VN over aansprakelijkheid voor mensenrechtenschendingen en door de verantwoordingsplicht van bedrijven evenals bindende zorgvuldigheidsverplichtingen met betrekking tot de toeleverings- en productieketen te stimuleren;
   c) het Parlement volledig en onverwijld op de hoogte houden van de onderhandelingen en het mandaat van de Raad, en tijdens de gehele uitvoeringstermijn van internationale overeenkomsten, om te waarborgen dat het zijn bevoegdheden en prerogatieven kan uitoefenen; de onderhandelingsprocessen vereenvoudigen en verkorten en het toezicht van het Parlement in de loop daarvan versterken; de transparantie voor de EU-burgers vergroten door de onderhandelingsrichtsnoeren (mandaten) voor handelsovereenkomsten bekend te maken voor de start van de onderhandelingen; ten volle de Verdragsbepalingen en recente EU-rechtspraak respecteren waarin is bepaald dat de Unie exclusief bevoegd is voor de gemeenschappelijke handelspolitiek;
   d) in handelsovereenkomsten systematisch hoofdstukken opnemen over digitale handel en kmo's evenals bindende en afdwingbare hoofdstukken over handel en duurzame ontwikkeling naast bepalingen inzake gendergelijkheid en het voortouw nemen bij multilaterale besprekingen over deze thema's; ten volle de privacy van gegevens van EU-burgers verdedigen;
   e) de samenhang versterken van het gemeenschappelijk handelsbeleid met het GBVB en het Europees ontwikkelings- en klimaatbeleid, om de in artikel 3, lid 5, van het VEU en de artikelen 21, 207 en 208 van het VWEU vastgelegde waarden en doelstellingen te waarborgen, volledig overeenkomstig de Europese consensus inzake ontwikkeling;

49.  is van mening dat de Unie internationale handel moet blijven bevorderen zonder toegevingen te doen in verband met de verdediging van sociale, arbeids- en milieunormen; waarschuwt voor handelsoorlogen die voor iedereen nadelig uitpakken en de spanningen op het gebied van politiek en veiligheid doen oplopen;

50.  herinnert eraan dat in artikel 17, lid 7 van het VEU staat dat de Europese Raad, rekening houdend met de verkiezingen voor het Europees Parlement en na passende raadplegingen, bij het Europees Parlement met gekwalificeerde meerderheid van stemmen een kandidaat voordraagt voor het ambt van voorzitter van de Europese Commissie; benadrukt zijn vaste voornemen om door te gaan met het Spitzenkandidaten-proces voor de verkiezing van de volgende voorzitter van de Commissie, overeenkomstig het Verdrag van Lissabon, en is in dit verband ingenomen met de steun van de Commissie en bepaalde lidstaten; benadrukt dat tijdens de benoemingsprocedure van de voorzitter van de Commissie goed overleg met het Parlement van het allergrootste belang is, aangezien, na de verkiezingen, het Parlement bepaalt welke kandidaat door een meerderheid van zijn samenstellende leden kan worden gesteund en het resultaat van zijn interne besprekingen aan de Europese Raad zal doen toekomen; herinnert eraan dat de kandidaat moet zijn aangewezen als lijsttrekker door een van de Europese politieke partijen en in de aanloop naar de Europese verkiezingen campagne moet hebben gevoerd voor de functie van voorzitter van de Commissie; is van mening dat deze praktijk haar nut duidelijk heeft bewezen doordat zij het maatschappelijk draagvlak voor de Europese verkiezingen en de supranationale rol van het Europees Parlement als exponent van het Europese burgerschap en de Europese soevereiniteit vergroot; waarschuwt opnieuw dat het Parlement bereid is tijdens de benoemingsprocedure van de Commissievoorzitter elke kandidaat af te wijzen die in de aanloop naar de Europese verkiezingen niet als lijsttrekker werd aangewezen;

51.  betreurt de frequente en wijdverbreide neiging om impopulaire beslissingen toe te schrijven aan Brussel en nationale autoriteiten van hun politieke verantwoordelijkheden te ontslaan, aangezien deze oneerlijke en opportunistische houding schadelijk is voor Europa, anti-Europese gevoelens en nationalisme bevordert en de EU-instellingen in diskrediet brengt; is bovendien van mening dat het onterecht toeschrijven van beslissingen in strijd is met de verplichting om voor regeringsoptreden verantwoording af te leggen; benadrukt dat een correcte uitvoering en toepassing van het EU-recht van essentieel belang is voor de verwezenlijking van het beleid van de Unie en voor het bevorderen van wederzijds vertrouwen tussen de Unie, de lidstaten en de burgers en spreekt zijn bezorgdheid uit over het optreden van lidstaten die dit weigeren te doen;

52.  onderstreept dat de sociale en milieugevolgen van het EU-beleid grondiger moeten worden beoordeeld door ook rekening te houden met de kosten van het niet uitvaardigen van wetten op Europees niveau (de zogenaamde "kosten van het niet-bestaan van Europa");

53.  benadrukt dat bijzondere aandacht moet worden besteed aan het bestuursrecht van de EU, zoals blijkt uit zijn resolutie van 9 juni 2016 waarin wordt opgeroepen tot een open, doeltreffend en onafhankelijk Europees ambtenarenapparaat(13);

54.  benadrukt de noodzaak om de Europese publieke ruimte te versterken als een democratische supranationale ruimte; onderstreept dat de voornaamste uitdagingen waarmee Europa wordt geconfronteerd moeten worden aangepakt en besproken vanuit een Europees en niet uitsluitend nationaal perspectief, en door volledig uitvoering te geven aan de in de artikelen 10 en 11 van het VEU verankerde bepalingen; wijst er om deze reden op dat de Europese democratie de transnationale dimensie van haar doelstellingen en uitdagingen moet versterken, en tegelijkertijd een Europees burgerschap gebaseerd op de gemeenschappelijke waarden in de Europese Unie moet bevorderen, meer Europees georiënteerd formeel onderwijs en een maatschappelijk kader dat meer op overleg en participatie gebaseerd is en een campagne voor de komende Europese verkiezingen van 2019 die meer Europees en minder nationaal georiënteerd is;

55.  is ingenomen met de aanpak die door de Unie wordt gevolgd bij de onderhandelingen over de ordelijke uittreding van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, en onderstreept de opmerkelijke eensgezindheid die door de EU-instellingen en de lidstaten wordt getoond; constateert dat de ervaringen met de onderhandelingen de enorme complexiteit van dergelijke beslissingen laten zien;

56.  benadrukt nogmaals dat noch nationale soevereiniteit, noch subsidiariteit een rechtvaardiging of legitimering kan vormen voor het feit dat een lidstaat zich systematisch onttrekt aan de fundamentele waarden van de Europese Unie die als leidraad hebben gediend bij de opstelling van de inleidende artikelen van de Europese verdragen die alle lidstaten vrijwillig hebben onderschreven met de belofte zich hieraan te zullen houden; benadrukt bovendien dat het verdedigen van deze waarden fundamenteel is voor de cohesie van het Europese project, de rechten van alle Europeanen en het benodigde wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten; vraagt de Commissie nogmaals spoedig een voorstel in te dienen om gevolg te geven aan zijn resolutie van 25 oktober 2016 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende de instelling van een EU-mechanisme voor democratie, rechtsstaat en grondrechten;

57.  wijst erop dat de Europese instellingen volgens het Hof van Justitie (gevoegde zaken C-8/15 P tot en met C-10/15 P(14)) verplicht zijn de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie te eerbiedigen en te handhaven, ook al handelen ze buiten het rechtskader van de EU;

58.  herhaalt dat in de context van het debat over de toekomst van Europa aandacht moet worden geschonken aan de vraag hoe het begrotingsstelsel van de Unie kan worden hervormd om een toereikende begroting te garanderen om het voorgenomen beleid te financieren en een beter evenwicht te vinden tussen voorspelbaarheid en reactievermogen, en hoe kan worden gewaarborgd dat de algehele financieringsregelingen niet complexer zijn dan nodig om de beleidsdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken en om verantwoording te garanderen; is van mening dat er, waar nodig en zonder de werking van de programma's in het gedrang te brengen, meer voorwaarden aan beleidsmaatregelen moeten worden verbonden teneinde bij de uitvoering van de uitgaven van de Unie een goed en doeltreffend financieel beheer te waarborgen;

59.  wijst er op dat het belangrijk is meer aandacht te besteden aan een efficiënter gebruik van de financiële middelen en aan democratische controlemechanismen inzake de EU-begroting; vraagt alle EU-instellingen hun procedures en praktijken ter bescherming van de financiële belangen van de Unie te versterken en actief bij te dragen aan een resultaatgerichte kwijtingsprocedure; beschouwt de kwijtingsprocedure in dit verband als een onontbeerlijk instrument van de democratische verantwoordingsplicht ten aanzien van de burgers en de lidstaten van de Unie en wijst op de problemen die zich herhaaldelijk voordoen door gebrek aan medewerking van de zijde van de Raad; stelt met nadruk dat de Raad net als de andere instellingen een verantwoordingsplicht heeft en transparant moet zijn; onderstreept dat hierop geen uitzonderingen mogen gelden;

60.  vestigt de aandacht op het corruptieprobleem, dat aanzienlijke financiële gevolgen heeft en een ernstige bedreiging vormt voor de democratie, de rechtsstaat en overheidsinvesteringen; wijst erop hoe belangrijk het is het geld van de Europese belastingbetaler te beschermen tegen fraude en andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad;

61.  herhaalt dat de EU, rekening houdend met de huidige stand van het integratieproject, elke mogelijke piste moet bewandelen om de volledige uitvoering van het Verdrag van Lissabon te waarborgen; wijst erop dat een volgende herziening van de Verdragen moet vertrekken vanuit het bijeenroepen van een Conventie – waarvan de inclusiviteit moet worden gewaarborgd door de keuze van de vertegenwoordigers en die een discussieplatform moet bieden waarbij ook belanghebbenden en burgers betrokken worden – om te komen tot een debat en conclusies over de diverse bijdragen aan de denkoefening over de toekomst van Europa door de instellingen en overige organen van de Unie en de voorstellen die zijn gedaan door staatshoofden en regeringsleiders, nationale parlementen, maatschappelijke organisaties en geraadpleegde burgers;

62.  benadrukt dat de denkoefening over de toekomst van Europa reeds van start is gegaan op basis van de verschillende standpunten over de hervorming van de EU van het Parlement, de Europese Raad en de Commissie; betreurt dat er ondanks die standpunten slechts marginale hervormingen worden beoogd; benadrukt dat het nieuwe Parlement en de nieuwe Commissie, eens ze geïnstalleerd zijn, munt moeten slaan uit het werk dat is verricht in de vorige zittingsperiode en de reeds ingediende voorstellen moeten beginnen uitwerken;

63.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 162.
(2) PB C 242 van 10.7.2018, blz. 24.
(3) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 215.
(4) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 201.
(5) PB C 252 van 18.7.2018, blz. 235.
(6) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 125.
(7) PB C 345 van 13.10.2017, blz. 11.
(8) PB C 306 van 15.9.2017, blz. 1.
(9) PB L 45 van 17.2.2018, blz. 40.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0056.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0186.
(12) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(13) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 126.
(14) Arrest van het Hof (Grote kamer) van 20 september 2016, Ledra Advertising Ltd e.a./Europese Commissie en Europese Centrale Bank (ECB), ECLI:EU:C:2016:701.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: niveaus van geografische uitsplitsing
PDF 123kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van 19 december 2018 van de Commissie tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat de niveaus van geografische uitsplitsing betreft (C(2018)08872 – 2018/3002(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0099B8-0080/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)08872),

–  gezien de brief van de Commissie internationale handel van 28 januari 2019 aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EG) nr. 184/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 12 januari 2005 betreffende de communautaire statistiek inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen(1), en met name artikel 2, lid 3, en artikel 10, lid 6,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie internationale handel,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Verenigd Koninkrijk op 29 maart 2017 kennis heeft gegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; overwegende dat de Verdragen niet meer van toepassing zullen zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na die kennisgeving, dat wil zeggen met ingang van 30 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van die termijn besluit;

B.  overwegende dat Verordening (EG) nr. 184/2005 een gemeenschappelijk kader vaststelt voor de systematische productie van communautaire statistieken over de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen;

C.  overwegende dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie tot gevolg zou hebben dat het Verenigd Koninkrijk een derde land wordt en dat de communautaire statistieken inzake de betalingsbalans, de internationale handel in diensten en buitenlandse directe investeringen het Verenigd Koninkrijk als een derde land in plaats van een lidstaat zouden moeten weergeven;

D.  overwegende dat de enige wijziging waarin de gedelegeerde verordening C(2018)08872 voorziet, de classificatie van het Verenigd Koninkrijk als een derde land ten behoeve van de toepassing van Verordening (EG) nr. 184/2005 is;

E.  overwegende dat snelle publicatie van de gedelegeerde verordening in het Publicatieblad van de Europese Unie zou zorgen voor meer rechtszekerheid en meer tijd voor tenuitvoerlegging vóór 30 maart 2019;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening (C(2018)08872);

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 35 van 8.2.2005, blz. 23.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting teneinde de uitgestelde data van toepassing van de clearingverplichting voor bepaalde otc-derivatencontracten te verschuiven
PDF 124kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen inzake de clearingverplichting teneinde de uitgestelde data van toepassing van de clearingverplichting voor bepaalde otc-derivatencontracten te verschuiven (C(2018)09047 – 2018/2998(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0100B8-0088/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)09047),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 19 december 2018, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 4 februari 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name artikel 5, lid 2, en artikel 82, lid 6,

–  gezien artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(2),

–  gezien het ontwerp van technische reguleringsnormen getiteld "Clearing Obligation under EMIR (no. 6)", dat op 27 september 2018 door de Europese toezichthoudende autoriteiten is ingediend overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling belangrijke details bevat met betrekking tot de vrijstelling van de clearingverplichting voor intragroeptransacties met een in een derde land gevestigde entiteit van de groep indien er geen gelijkwaardigheidsbesluit krachtens artikel 13, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012 is vastgesteld voor het derde land waar de entiteit van de groep is gevestigd;

B.  overwegende dat het Parlement het belang erkent van de snelle vaststelling van deze handeling, aangezien de Commissie tot op heden geen dergelijke gelijkwaardigheidsbesluiten heeft vastgesteld en de eerste uitgestelde datum voor de toepassing van de clearingverplichting 21 december 2018 was, maar dat het ook van mening is dat de Commissie de vaststelling van deze handeling onnodig heeft uitgesteld tot 19 december 2018, hoewel de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) haar ontwerp van technische reguleringsnormen al op 27 september 2018 had gepubliceerd;

C.  overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de technische reguleringsnormen die zijn aangenomen en het ontwerp van technische reguleringsnormen dat door de Europese toezichthoudende autoriteiten is ingediend niet "hetzelfde" zijn aangezien de Commissie wijzigingen heeft aangebracht in het ontwerp, en dat het van mening is dat het drie maanden de tijd heeft om bezwaar te maken tegen de technische reguleringsnormen (de "controleperiode"); overwegende dat het Parlement de Commissie aanspoort de controleperiode van één maand alleen toe te passen als de Commissie de ontwerpen van de Europese toezichthoudende autoriteiten zonder wijzigingen heeft aangenomen, d.w.z. als het ontwerp en de aangenomen technische reguleringsnormen "hetzelfde" zijn;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten
PDF 126kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205 van de Commissie, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 van de Commissie en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 van de Commissie en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten (C(2018)09122 – 2018/3004(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0101B8-0090/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)09122),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 19 december 2018, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 4 februari 2019,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 december 2018 getiteld "Voorbereidingen treffen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie op 30 maart 2019: uitvoering van het noodplan van de Commissie" (COM(2018)0890),

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name de artikelen 5, lid 2, en artikel 82, lid 6,

–  gezien artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(2),

–  gezien de op 8 november 2018 krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012 door de Europese Autoriteit voor effecten en markten ingediende technische reguleringsnormen inzake de vernieuwing van contracten waarvoor de clearingverplichting nog niet in werking is getreden,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling belangrijke regels met betrekking tot transacties omvat die worden gesloten tussen een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde en een in de EU-27 gevestigde tegenpartij, en deel uitmaakt van het pakket noodmaatregelen in het geval van een no-dealbrexit;

B.  overwegende dat het Parlement onderschrijft dat het van belang is voor bevoegde autoriteiten en financiële markten om bepaalde transacties die voortvloeien uit een vernieuwing voor een beperkte periode van twaalf maanden vrij te stellen, indien de in het VK gevestigde tegenpartij wordt vervangen in een tegenpartij binnen de EU-27;

C.  overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de technische reguleringsnormen die zijn aangenomen en het ontwerp van technische reguleringsnormen dat door de Europese toezichthoudende autoriteiten is ingediend niet "hetzelfde" zijn aangezien de Commissie wijzigingen heeft aangebracht in het ontwerp, en dat het van mening is dat het drie maanden de tijd heeft om bezwaar te maken tegen de technische reguleringsnormen (de "controleperiode"); overwegende dat het Parlement de Commissie aanspoort de controleperiode van één maand alleen toe te passen als de Commissie de ontwerpen van de Europese toezichthoudende autoriteiten zonder wijzigingen heeft aangenomen, d.w.z. als het ontwerp en de aangenomen technische reguleringsnormen "hetzelfde" zijn;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum tot wanneer tegenpartijen hun risicobeheerprocedures voor bepaalde niet door een centrale tegenpartij geclearde otc-derivatencontracten mogen blijven toepassen
PDF 126kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2251 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum tot wanneer tegenpartijen hun risicobeheerprocedures voor bepaalde niet door een centrale tegenpartij geclearde otc-derivatencontracten mogen blijven toepassen (C(2018)09118 – 2018/3003(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0102B8-0089/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2018)09118),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 19 december 2018, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 4 februari 2019,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 19 december 2018 getiteld "Voorbereidingen treffen voor de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie op 30 maart 2019: uitvoering van het noodplan van de Commissie" (COM(2018)0890),

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name de artikelen 11, lid 5, en artikel 82, lid 6,

–  gezien artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie(2),

–  gezien artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie(3),

–  gezien artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(4),

–  gezien het ontwerp van technische reguleringsnormen inzake de vernieuwing van bilaterale contracten waarop geen bilaterale marges van toepassing zijn, dat op 27 november 2018 door de Europese toezichthoudende autoriteiten is ingediend overeenkomstig artikel 11, lid 15, van Verordening (EU) nr. 648/2012,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling belangrijke regels met betrekking tot transacties omvat die worden gesloten tussen een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde en een in de EU-27 gevestigde tegenpartij, en deel uitmaakt van het pakket noodmaatregelen in het geval van een no-dealbrexit;

B.  overwegende dat het Parlement onderschrijft dat het van belang is voor bevoegde autoriteiten en financiële markten om bepaalde transacties die voortvloeien uit een vernieuwing voor een beperkte periode van twaalf maanden vrij te stellen, indien de in het VK gevestigde tegenpartij wordt vervangen door een tegenpartij binnen de EU-27;

C.  overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de technische reguleringsnormen die zijn aangenomen en het ontwerp van technische reguleringsnormen dat door de Europese toezichthoudende autoriteiten is ingediend niet "hetzelfde" zijn aangezien de Commissie wijzigingen heeft aangebracht in het ontwerp, en dat het van mening is dat het drie maanden de tijd heeft om bezwaar te maken tegen de technische reguleringsnormen (de "controleperiode"); overwegende dat het Parlement de Commissie aanspoort de controleperiode van één maand alleen toe te passen als de Commissie de ontwerpen van de Europese toezichthoudende autoriteiten zonder wijzigingen heeft aangenomen, d.w.z. als het ontwerp en de aangenomen technische reguleringsnormen "hetzelfde" zijn;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12.
(3) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48.
(4) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken ***I
PDF 198kWORD 54k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (COM(2018)0378 – C8-0242/2018 – 2018/0203(COD))
P8_TA(2019)0103A8-0477/2018

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Betekening en kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken ***I
PDF 233kWORD 59k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 februari 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1393/2007 van het Europees Parlement en de Raad inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken (betekening en kennisgeving van stukken) (COM(2018)0379 – C8-0243/2018 – 2018/0204(COD))
P8_TA(2019)0104A8-0001/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het wegvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie ***I
PDF 148kWORD 50k
Amendementen van het Europees Parlement aangenomen op 13 februari 2019 op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het wegvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie (COM(2018)0895 – C8-0511/2018 – 2018/0436(COD))(1)
P8_TA-PROV(2019)0105A8-0063/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Om te vermijden dat daardoor ernstige verstoringen ontstaan, onder meer wat betreft de openbare orde, moet bijgevolg een tijdelijk stel maatregelen worden vastgesteld waardoor wegvervoerders met een vergunning uit het Verenigd Koninkrijk goederen over de weg kunnen vervoeren tussen het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en de resterende 27 lidstaten. Om een passend evenwicht tussen het Verenigd Koninkrijk en de resterende lidstaten te garanderen, moeten de aldus verleende rechten afhankelijk worden gesteld van de toekenning van gelijkwaardige rechten en moeten zij aan bepaalde voorwaarden die eerlijke concurrentie borgen, worden onderworpen.
(4)  Om te vermijden dat daardoor ernstige verstoringen ontstaan, onder meer wat betreft de openbare orde, moet bijgevolg een tijdelijk stel maatregelen worden vastgesteld waardoor wegvervoerders met een vergunning uit het Verenigd Koninkrijk goederen over de weg kunnen vervoeren tussen het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk en de resterende 27 lidstaten of van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk via een of meerdere lidstaten. Om een passend evenwicht tussen het Verenigd Koninkrijk en de resterende lidstaten te garanderen, moeten de aldus verleende rechten afhankelijk worden gesteld van de toekenning van gelijkwaardige rechten en moeten zij aan bepaalde voorwaarden die eerlijke concurrentie borgen, worden onderworpen.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – punt 2
(2)   "bilateraal vervoer":
(2)   "geautoriseerd vervoer":
a)  de verplaatsingen van een geladen voertuig waarvan het punt van vertrek en het punt van aankomst zich op, respectievelijk, het grondgebied van de Unie en het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk bevinden, met of zonder doorvoer via één of meer lidstaten of derde landen;
a)  de verplaatsingen van een geladen voertuig van het grondgebied van de Unie naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk of andersom, met of zonder doorvoer via één of meer lidstaten of derde landen;
b)   de lege ritten in verband met het onder a) bedoelde vervoer;
b)   de verplaatsingen van een geladen voertuig van het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk naar het grondgebied van het Verenigd Koninkrijk via het grondgebied van de Unie;
b bis)  de lege ritten in verband met het onder a) en b) bedoelde vervoer;
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – punt 5
(5)   "vergunning van het Verenigd Koninkrijk": een door het Verenigd Koninkrijk afgegeven vergunning ten behoeve van internationaal vervoer, daaronder begrepen bilateraal vervoer;
(5)   "vergunning van het Verenigd Koninkrijk": een door het Verenigd Koninkrijk afgegeven vergunning ten behoeve van internationaal vervoer, met betrekking tot geautoriseerd vervoer;
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – titel
Het recht om bilateraal vervoer te verrichten
Het recht om geautoriseerd vervoer te verrichten
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1
1.  Wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk mogen, op de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, bilateraal vervoer verrichten.
1.  Wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk mogen, op de in deze verordening vastgestelde voorwaarden, geautoriseerd vervoer verrichten.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – inleidende formule
2.  De volgende soorten bilateraal vervoer mogen worden verricht door in het Verenigd Koninkrijk gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen, zonder dat een vergunning uit het Verenigd Koninkrijk in de zin van artikel 2, lid 5, is vereist:
2.  De volgende soorten geautoriseerd vervoer mogen worden verricht door in het Verenigd Koninkrijk gevestigde natuurlijke personen of rechtspersonen, zonder dat een vergunning uit het Verenigd Koninkrijk in de zin van artikel 2, lid 5, is vereist:
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – inleidende formule
Bij bilateraal vervoer overeenkomstig deze verordening worden de volgende voorschriften in acht genomen:
Bij geautoriseerd vervoer overeenkomstig deze verordening worden de volgende voorschriften in acht genomen:
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – lid 2
2.  Wanneer de Commissie constateert dat de rechten die het Verenigd Koninkrijk aan wegvervoerders uit de Unie toekent rechtens of feitelijk niet gelijkwaardig zijn aan die welke op grond van deze verordening aan wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk zijn toegekend, of wanneer die rechten niet in gelijke mate voor alle wegvervoerders uit de Unie beschikbaar zijn, kan zij, om de gelijkwaardigheid te herstellen, door middel van gedelegeerde handelingen:
2.  Wanneer de Commissie constateert dat de rechten die het Verenigd Koninkrijk aan wegvervoerders uit de Unie toekent rechtens of feitelijk niet gelijkwaardig zijn aan die welke op grond van deze verordening aan wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk zijn toegekend, of wanneer die rechten niet in gelijke mate voor alle wegvervoerders uit de Unie beschikbaar zijn, kan zij, om de gelijkwaardigheid te herstellen, door middel van gedelegeerde handelingen:
a)  beperkingen vaststellen voor de toegestane beschikbare capaciteit en/of het aantal ritten voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk;
a)   de toepassing van artikel 3, leden 1 en 2, van deze verordening opschorten indien er geen gelijkwaardige rechten worden toegekend aan wegvervoerders uit de Unie of indien de toegekende rechten minimaal zijn;
b)   de toepassing van deze verordening opschorten; of
b)   beperkingen vaststellen voor de toegestane beschikbare capaciteit en/of het aantal ritten voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk; of
c)  andere dienstige maatregelen nemen.
c)  andere dienstige maatregelen nemen, zoals financiële heffingen of operationele beperkingen.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – lid 2
2.  Wanneer de Commissie constateert dat, als gevolg van een van de in lid 3 genoemde situaties, die voorwaarden merkbaar minder gunstig zijn dan die welke wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk genieten, kan zij, om die situatie te verhelpen, door middel van gedelegeerde handelingen:
2.  Wanneer de Commissie constateert dat, als gevolg van een van de in lid 3 genoemde situaties, die voorwaarden merkbaar minder gunstig zijn dan die welke wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk genieten, kan zij, om die situatie te verhelpen, door middel van gedelegeerde handelingen:
a)  beperkingen vaststellen voor de toegestane beschikbare capaciteit en/of het aantal ritten voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk;
a)   de toepassing van artikel 3, leden 1 en 2, van deze verordening opschorten indien er geen gelijkwaardige rechten worden toegekend aan wegvervoerders uit de Unie of indien de toegekende rechten minimaal zijn;
b)   de toepassing van deze verordening opschorten; of
b)   beperkingen vaststellen voor de toegestane beschikbare capaciteit en/of het aantal ritten voor wegvervoerders uit het Verenigd Koninkrijk; of
c)  andere dienstige maatregelen nemen.
c)  andere dienstige maatregelen nemen, zoals financiële heffingen of operationele beperkingen.

(1) De zaak werd voor interinstitutionele onderhandelingen terugverwezen naar de bevoegde commissie op grond van artikel 59, lid 4, vierde alinea, van het Reglement (A8-0063/2019).


Gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het luchtvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie ***I
PDF 166kWORD 54k