Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2150(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0091/2019

Ingediende teksten :

A8-0091/2019

Debatten :

PV 12/03/2019 - 16
CRE 12/03/2019 - 16

Stemmingen :

PV 13/03/2019 - 19.12
CRE 13/03/2019 - 19.12
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0200

Aangenomen teksten
PDF 165kWORD 60k
Woensdag 13 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Verslag 2018 over Turkije
P8_TA-PROV(2019)0200A8-0091/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het Commissieverslag 2018 over Turkije (2018/2150(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Turkije, met name die van 24 november 2016 over de betrekkingen tussen de EU en Turkije(1), die van 27 oktober 2016 over de situatie van journalisten in Turkije(2), en die van 8 februari 2018 over de huidige mensenrechtensituatie in Turkije(3),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 17 april 2018 aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's inzake het uitbreidingsbeleid van de EU voor 2018 (COM(2018)0450), het verslag over Turkije 2018 (SWD(2018)0153) en het in augustus 2018 goedgekeurde herziene indicatieve strategiedocument voor Turkije (2014-2020),

–  gezien de conclusies van het voorzitterschap van 13 december 2016 en de conclusies van de Raad van 26 juni 2018, en de eerdere relevante conclusies van de Raad en de Europese Raad,

–  gezien het kader voor onderhandelingen met Turkije van 3 oktober 2005, en gezien het feit dat Turkije, net als alle andere landen die willen toetreden, de criteria van Kopenhagen volledig moet naleven,

–  gezien Besluit 2008/157/EG van de Raad van 18 februari 2008 over de beginselen, prioriteiten en voorwaarden die zijn opgenomen in het partnerschap voor de toetreding met de Republiek Turkije ("het toetredingspartnerschap")(4), en de eerdere besluiten van de Raad van 2001, 2003 en 2006 betreffende het toetredingspartnerschap,

–  gezien de gezamenlijke verklaring na de EU-Turkije-top van 29 november 2015, en het actieplan EU-Turkije,

–  gezien de verklaring van de Europese Gemeenschap en haar lidstaten op 21 september 2005, waarin onder meer staat dat de erkenning van alle lidstaten van de EU een noodzakelijke component is van het toetredingsproces, en dat Turkije het aanvullend protocol bij de Overeenkomst van Ankara met betrekking tot alle lidstaten volledig moet uitvoeren door alle belemmeringen van het vrij verkeer van goederen zonder beperkingen en zonder discriminatie weg te nemen,

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien artikel 46 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) waarin staat dat de verdragsluitende partijen zich ertoe verbinden zich te houden aan de einduitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaken waarbij zij partij zijn, en gezien de daaruit voortvloeiende verplichting van Turkije om alle uitspraken van het EHRM ten uitvoer te leggen,

–  gezien het feit dat Turkije op de 180 landen tellende wereldindex voor persvrijheid 2018 van Verslaggevers zonder grenzen op de 151e plaats staat,

–  gezien Resolutie 1625 (2008) van de Raad van Europa betreffende eigendoms- en erfrechten van de Grieks-orthodoxe bevolking en haar stichtingen op de eilanden Gökçeada (Imbros) en Bozcaada (Tenedos),

–  gezien zijn resolutie van 13 november 2014 over het Turkse optreden dat tot spanningen leidt in de exclusieve economische zone van de Republiek Cyprus(5), en zijn resolutie van 15 april 2015 over de honderdjarige herdenking van de Armeense genocide(6),

–  gezien de adviezen van de Commissie van Venetië van de Raad van Europa, met name de adviezen van 10-11 maart 2017 over de wijzigingen in de grondwet die worden onderworpen aan een nationaal referendum, over de maatregelen in de recente wetsdecreten inzake de noodtoestand met betrekking tot de mediavrijheid, en over de taken, bevoegdheden en werking van de strafrechtelijke vredegerechten, het advies van 6-7 oktober 2017 over de bepalingen van wetsdecreet nr. 674 betreffende de uitoefening van de lokale democratie, het advies van 9-10 december 2016 over de wetsdecreten inzake de noodtoestand nrs. 667-676 die zijn aangenomen na de mislukte coup van 15 juli 2016, en het advies van 14-15 oktober 2016 over de opschorting van het tweede lid van artikel 83 van de grondwet (parlementaire onschendbaarheid),

–  gezien de verklaring van de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa van 26 juli 2016 over de maatregelen die zijn genomen in het kader van de noodtoestand in Turkije,

–  gezien de bevindingen en conclusies van de missie ter inventarisatie van de behoeften van de OVSE/ODIHR over de vervroegde presidents- en parlementsverkiezingen van 24 juni 2018,

–  gezien resolutie nr. 2156 van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 25 april 2017 over de werking van de democratische instellingen in Turkije, die geleid heeft tot de heropening van de toezichtsprocedure,

–  gezien de Verklaring EU-Turkije van 18 maart 2016,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 maart 2017 aan het Europees Parlement en de Raad over het eerste jaarverslag over de Vluchtelingenfaciliteit voor Turkije (COM(2017)0130), de mededeling van de Commissie van 14 maart 2018 aan het Europees Parlement en de Raad over het tweede jaarverslag over de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (COM/2018/0091), en het vijfde verslag van de Commissie van 2 maart 2017 aan het Europees Parlement, de Europese Raad en de Raad over de vooruitgang bij de uitvoering van de Verklaring EU-Turkije (COM(2017)0204),

–  gezien de aanbeveling van de Commissie van 21 december 2016 voor een Besluit van de Raad houdende machtiging tot het opstarten van onderhandelingen met Turkije met het oog op het sluiten van een overeenkomst betreffende de uitbreiding van het toepassingsgebied van de bilaterale preferentiële handelsbetrekkingen en betreffende de modernisering van de douane-unie, en de conclusies van de Raad van 26 juni 2018 waarin wordt gesteld dat er geen verdere inspanningen zijn voorzien om de douane-unie tussen de EU en Turkije te moderniseren,

–  gezien het speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 14 maart 2018 getiteld "Pretoetredingssteun van de EU aan Turkije: tot dusver slechts beperkte resultaten",

–  gezien de begroting voor 2019, krachtens welke de IPA II-middelen voor Turkije met 146,7 miljoen zullen worden verlaagd, gezien de situatie in Turkije op het gebied van de mensenrechten, de democratie en de rechtsstaat,

–  gezien het verslag van het Hoge Commissariaat voor de mensenrechten van de Verenigde Naties van maart 2018 over de gevolgen van de noodtoestand voor de mensenrechten in Turkije, met name in het zuidoosten van het land,

–  gezien de overnameovereenkomst tussen de EU en Turkije,

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0091/2019),

A.  overwegende dat de Gemengde Parlementaire Commissie (GPC) EU-Turkije, na drie jaar van stilstand in de interparlementaire betrekkingen, op 28 april 2018 in Brussel haar langverwachte 77e vergadering heeft gehouden;

B.  overwegende dat Turkije volgens het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen (UNHCR) de grootste vluchtelingenpopulatie ter wereld opvangt, met meer dan 3 miljoen geregistreerde vluchtelingen uit Syrië, Irak en Afghanistan;

C.  overwegende dat eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten, inclusief scheiding der machten, democratie, vrijheid van meningsuiting en de media, mensenrechten, de rechten van minderheden en godsdienstvrijheid, vrijheid van vereniging en het recht op vreedzaam protest, corruptiebestrijding, en de bestrijding van racisme en discriminatie jegens kwetsbare groepen, centraal staat in het onderhandelingsproces;

D.  overwegende dat het Parlement de Commissie en de lidstaten in november 2016 heeft verzocht de lopende toetredingsonderhandelingen met Turkije tijdelijk te bevriezen, en heeft toegezegd zijn standpunt te zullen herzien zodra de disproportionele maatregelen in het kader van de noodtoestand in Turkije zijn teruggedraaid;

E.  overwegende dat het Parlement de Commissie en de lidstaten in juli 2017 overeenkomstig het onderhandelingskader heeft verzocht de toetredingsonderhandelingen met Turkije onverwijld formeel op te schorten indien het constitutionele hervormingspakket ongewijzigd wordt uitgevoerd;

1.  merkt op dat de noodtoestand die na de couppoging in 2016 werd uitgeroepen, zeven keer is verlengd; is ingenomen met het besluit van 19 juli 2018 om de noodtoestand op te heffen; betreurt echter dat met de in juli 2018 ingevoerde nieuwe wetgeving, met name wet nr. 7145, de president en de uitvoerende macht veel van de bevoegdheden die in het kader van de noodtoestand aan hen zijn toegekend, behouden, en dat de noodtoestand derhalve feitelijk blijft voortduren, met alle gevolgen van dien voor de vrijheden en fundamentele mensenrechten; benadrukt dat dit elk positief effect van de beëindiging van de noodtoestand tempert; merkt op dat de langdurige noodtoestand heeft geleid tot de uitholling van de rechtsstaat en de verslechtering van de mensenrechtensituatie in Turkije, hetgeen langdurige gevolgen kan hebben voor het institutionele en sociaaleconomische weefsel van het land; maakt zich zorgen over het feit dat veel van de procedures die tijdens de noodtoestand van kracht waren, nog steeds worden toegepast door politie en lokale bestuurders; is eveneens bezorgd over de ernstige terugval op het gebied van vrijheid van meningsuiting, vrijheid van vergadering, vrijheid van vereniging en procedurele en eigendomsrechten;

2.  maakt zich grote zorgen over het feit dat bij de repressie na de coup meer dan 150 000 mensen in hechtenis zijn genomen en dat 78 000 mensen zijn gearresteerd op verdenking van terrorisme, en dat meer dan 50 000 mensen nog steeds in de gevangenis zitten, meestal zonder afdoende bewijs; uit zijn bezorgdheid over de buitensporig lange voorlopige hechtenissen en gerechtelijke procedures, het feit dat in verschillende gevallen nog geen aanklacht is ingediend en de barre detentieomstandigheden; is tevens bezorgd over de wijdverspreide praktijk om paspoorten van familieleden van gedetineerden en verdachten in te trekken, en beklemtoont dat eerlijke rechtsbedeling gewaarborgd moet worden en er administratieve rechtsmiddelen voorhanden moeten zijn wanneer de intrekking van het paspoort niet terdege gerechtvaardigd is; maakt zich met name zorgen over het feit dat dergelijke arrestaties ook gericht lijken te zijn tegen personen die op legitieme wijze een afwijkende mening uiten, zoals mensenrechtenactivisten, journalisten of leden van de oppositie; is zeer bezorgd over de aantijgingen van mishandeling en foltering van gedetineerden, waarvan diverse mensenrechtenorganisaties en het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten melding maken; maakt zich ernstig zorgen over verslagen waaruit blijkt dat langdurige eenzame opsluiting veelvuldig wordt toegepast, en een tweede straf voor de gedetineerden wordt; waarschuwt voor het gevaar dat onderdrukking van mensenrechten wordt gerechtvaardigd onder het mom van antiterreurmaatregelen; dringt er bij Turkije op aan het evenredigheidsbeginsel te eerbiedigen wanneer het maatregelen neemt in het kader van terrorismebestrijding, en zijn antiterrorismewetgeving in overeenstemming te brengen met internationale mensenrechtennormen;

3.  betreurt het optreden van de Turkse regering tegen Turkse burgers in derde landen, waaronder gevallen van intimidatie, ontvoeringen en geheime surveillance, evenals de invoering van meldpunten waarmee mensen worden aangemoedigd andere burgers aan te geven bij de overheid; maakt zich ernstig zorgen over de door de Turkse autoriteiten in hun verklaring van 16 juli 2018 bevestigde illegale ontvoering en uitlevering van 101 Turkse staatsburgers uit 18 landen; dringt er bij de EU-lidstaten op aan uitleveringsverzoeken van Turkije op transparante wijze te behandelen, waarbij gerechtelijke procedures gevolgd moeten worden die volledig in overeenstemming zijn met internationale mensenrechtennormen; herhaalt dat aanhoudingsbevelen van Interpol niet mogen worden misbruikt tegen Turkse dissidenten, mensenrechtenverdedigers, journalisten en mensen die kritisch zijn op de regering, zoals Can Dündar, die genomineerd was voor de Sacharovprijs;

4.  merkt op dat sinds het uitroepen van de noodtoestand meer dan 152 000 ambtenaren, waaronder leerkrachten, artsen, academici (waaronder leden van de groep "Academici voor vrede"), advocaten, rechters en openbaar aanklagers, zijn ontslagen; merkt op dat 125 000 mensen een klacht hebben ingediend bij de onderzoekscommissie voor de maatregelen in verband met de noodtoestand (CoSEM), die als taak heeft binnen twee jaar te beoordelen en te beslissen over klachten in verband met maatregelen die genomen zijn in het kader van de noodtoestand en de daarmee verband houdende decreten, en dat 81 000 klachten nog steeds in behandeling zijn; wijst erop dat bij slechts 7 % van de behandelde klachten de indiener in het gelijk werd gesteld en zijn of haar baan heeft teruggekregen; maakt zich zorgen over de beperkte reikwijdte van het mandaat van deze onderzoekscommissie, haar gebrek aan onafhankelijkheid en het feit dat de onderzoeken uitsluitend plaatsvinden op basis van stukken in het procesdossier, zonder deelname van de betrokkene; merkt op dat deze ontslagen zeer ernstige gevolgen hebben gehad voor de betrokken personen en hun gezinnen, onder meer in financieel opzicht, en dat de ontslagen gepaard gaan met een blijvend sociaal en professioneel stigma; roept de Turkse regering op ervoor te zorgen dat alle personen het recht hebben op een eerlijke rechtsgang en het recht hebben om hun zaak overeenkomstig de internationale normen te laten toetsen door een onafhankelijke rechtbank die ervoor kan zorgen dat ze vergoed worden voor de materiële en morele schade als gevolg van hun willekeurig ontslag; dringt er bij Turkije op aan de operationele, structurele en financiële onafhankelijkheid van zowel de nationale instantie voor de mensenrechten en gelijke behandeling als de ombudsman te waarborgen, zodat deze instellingen mensen daadwerkelijk de mogelijkheid kunnen bieden om in beroep te gaan tegen een beslissing of verhaal te halen;

5.  maakt zich grote zorgen over meldingen die erop wijzen dat de Turkse geheime dienst gebruik maakt van het Presidium voor Godsdienstzaken (de Diyanet) bij haar jacht op oppositieleiders van de Gülenbeweging en andere tegenstanders, en dringt er bij de Europese en nationale veiligheidsdiensten op aan onderzoek te doen naar deze ernstige schending van hun soevereiniteit en de openbare orde;

6.  veroordeelt de toegenomen controle door de uitvoerende macht en de politieke druk die wordt uitgeoefend op rechters en aanklagers; benadrukt dat de wetgevende en rechterlijke macht in Turkije drastisch moeten worden hervormd om de toegang tot het rechtsstelsel te verbeteren, de doeltreffendheid ervan te vergroten en het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn beter te beschermen; benadrukt dat deze hervormingen bovendien noodzakelijk zijn, wil Turkije voldoen aan zijn verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht inzake de mensenrechten; is bezorgd dat door het ontslag van meer dan 4 000 rechters en openbare aanklagers de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke macht in gevaar komt; is van mening dat de arrestatie van meer dan 570 advocaten een belemmering vormt voor het recht op verdediging, en een schending vormt van het recht op een eerlijk proces; veroordeelt de detentie en gerechtelijke intimidatie van mensenrechtenadvocaten; verzoekt de actiegroep voor hervormingen om de strategie voor justitiële hervormingen te herzien en deze in overeenstemming te brengen met de door de EU en de Raad van Europa vastgestelde normen; roept Turkije op om tijdens het hervormingsproces de deelname van alle relevante belanghebbenden, en met name maatschappelijke organisaties, te waarborgen; dringt er bij de Commissie op aan erop toe te zien dat EU-financiering wordt aangewend om ambtenaren van de rechterlijke macht en rechtshandhavingsambtenaren op te leiden, en niet om repressie te legitimeren;

7.  stelt met bezorgdheid vast dat het aantal asielaanvragen van Turkse staatsburgers sinds het uitroepen van de noodtoestand drastisch is gestegen, waardoor Turkije volgens het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken wat betreft het aantal ingediende asielaanvragen in de EU-lidstaten nu op de vijfde plaats staat; wijst erop dat er in september 2018 nog meer dan 16 000 asielaanvragers in afwachting waren van een beslissing in eerste aanleg inzake hun aanvraag;

8.  wijst nogmaals op het belang van de vrijheid en de onafhankelijkheid van de media als een van de kernwaarden van de EU en als hoeksteen van elke democratie; uit zijn ernstige bezorgdheid over de onevenredige en willekeurige maatregelen die de vrijheid van meningsuiting, mediavrijheid en toegang tot informatie beknotten; veroordeelt de sluiting van meer dan 160 mediabedrijven, het grote aantal arrestaties van journalisten en mensen die in de mediasector werkzaam zijn in de nasleep van de couppoging, de ongefundeerde en onevenredige vonnissen die zijn uitgesproken en de blokkade van meer dan 114 000 websites, waaronder Wikipedia, in Turkije, die voortduurde tot vorig jaar; wijst erop dat de rechten van journalisten en mensenrechtenverdedigers die zich bezighouden met de Koerdische kwestie worden ingeperkt; dringt er bij Turkije op aan het waarborgen van mediavrijheid tot een prioriteit te verheffen, en onmiddellijk alle onrechtmatig vastgehouden journalisten vrij te spreken en vrij te laten; verzoekt de Turkse autoriteiten een lik-op-stukbeleid te voeren met betrekking tot alle gevallen van fysiek en verbaal geweld of bedreigingen jegens journalisten, en mediabedrijven die zonder geldige reden zijn gesloten, toe te staan hun werkzaamheden te hervatten;

9.  maakt zich grote zorgen over de steeds beperktere ruimte voor het maatschappelijk middenveld en de bevordering van de fundamentele rechten en vrijheden; benadrukt dat tijdens de noodtoestand een groot aantal activisten, waaronder verdedigers van de mensenrechten, gearresteerd zijn en betogingen herhaaldelijk verboden zijn; roept Turkije op alle mensenrechtenactivisten, journalisten en anderen die vastzitten op basis van ongegronde beschuldigingen vrij te laten, de beschuldigingen tegen hen in te trekken en ervoor te zorgen dat deze mensen hun werkzaamheden onder alle omstandigheden kunnen uitvoeren zonder hierbij te worden gehinderd of bedreigd; roept Turkije op de grondrechten van alle minderheden te beschermen, met inbegrip van de rechten van etnische, religieuze en seksuele minderheden; herinnert eraan dat de Turkse wetgeving inzake haatzaaiende uitingen niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van het EHRM; dringt er bij de regering en het parlement van Turkije op aan een wet inzake haatmisdrijven aan te nemen waarmee alle leden van minderheidsgroeperingen worden beschermd tegen fysieke en verbale aanvallen, en te voldoen aan de criteria van Kopenhagen voor toetredingslanden met betrekking tot de eerbiediging en bescherming van minderheden; roept de Commissie en de lidstaten op hun bescherming van en steun voor mensenrechtenactivisten die in Turkije gevaar lopen, op te voeren, onder meer door de beschikbaarstelling van noodsubsidies;

10.  veroordeelt de willekeurige detentie van Osman Kavala, een vooraanstaand en gerespecteerde voorman van het maatschappelijk middenveld in Turkije, die momenteel al meer dan anderhalf jaar wordt vastgehouden zonder tenlastelegging; is ontzet over de recente formele aanklacht tegen Osman Kavala en 15 anderen, tegen wie "verzwaard" levenslang is geëist voor poging tot het omverwerpen van de regering wegens hun vermeende rol in de Gezi-protesten van 2013; dringt aan op hun onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating en verzoekt de EU-delegatie in Turkije deze zaak van zeer nabij te blijven volgen; pleit er voorts voor dat een delegatie van het Europees Parlement de strafzittingen in het kader van deze zaak bijwoont; spreekt zijn afkeuring uit over de arrestatie op 16 november 2018 van 13 academici en activisten in verband met de zaak tegen Osman Kavala; merkt op dat twaalf van hen zijn vrijgelaten nadat zij een verklaring hebben afgelegd en dat een van hen nog steeds vastzit; verzoekt Turkije in afwachting van het proces ook deze laatste persoon vrij te laten, en het reisverbod dat aan de anderen is opgelegd op te heffen;

11.  is ernstig bezorgd over de gebrekkige eerbiediging van de vrijheid van godsdienst, de discriminatie van religieuze minderheden, met inbegrip van christenen en alevieten, en het geweld op religieuze gronden; benadrukt dat kerken nog steeds problemen ondervinden wanneer zij een ruimte willen gaan of willen blijven gebruiken als kerkgebouw; roept de Turkse autoriteiten op positieve en doeltreffende hervormingen op het gebied van de vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst te bevorderen, door religieuze gemeenschappen in staat te stellen rechtspersoonlijkheid te verwerven, liefdadigheidsstichtingen toe te staan hun besturen te kiezen, alle restricties ten aanzien van de opleiding, benoeming en opvolging van geestelijken weg te nemen, te voldoen aan de desbetreffende arresten van het EHRM en de aanbevelingen van de Commissie van Venetië, en door alle vormen van discriminatie of belemmeringen op grond van godsdienst uit te bannen; roept Turkije op het eigen karakter en het belang van het oecumenisch patriarchaat te respecteren en zijn rechtspersoonlijkheid te erkennen; herhaalt de noodzaak om het seminarie van Halki te laten heropenen en alle obstakels voor de goede werking ervan uit de weg te ruimen; dringt aan op de publicatie van de verkiezingsreglementen voor niet-islamitische stichtingen; is verheugd dat de Turkse regering vijftig Aramese kerken, kloosters en begraafplaatsen in Mardin heeft teruggegeven, en dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan ook het bijbehorende land terug te geven aan de rechtmatige eigenaars; wijst op de gevolgen van de veiligheidsmaatregelen voor de bevolking van Tur Abdin en dringt er bij Turkije op aan ervoor te zorgen dat de inwoners van Tur Abdin verzekerd blijven van toegang tot onderwijs, economische activiteiten en religieuze plaatsen; dringt er bij Turkije op aan al het mogelijke te doen om te voorkomen dat het Aramees cultureel erfgoed wordt vernietigd als gevolg van de lopende voorbereidende werkzaamheden voor de bouw van een dam bij Ilisiu; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan stevige maatregelen te nemen om alle uitingen van antisemitisme in de samenleving te bestrijden;

12.  uit zijn bezorgdheid over schendingen van de mensenrechten van LGBTI-personen, met name het herhaalde verbod op pride-optochten en LGBTI-gerelateerde evenementen in het hele land, dat ondanks de opheffing van de noodtoestand nog steeds wordt opgelegd, en dringt erop aan deze discriminatoire verboden onmiddellijk op te heffen; roept Turkije op om passende maatregelen te nemen om haatzaaiende uitingen of haatmisdrijven tegen achtergestelde groepen zoals Roma en Syrische vluchtelingen en asielzoekers te voorkomen en bestraffen, en dringt aan op permanente inspanningen om hun situatie te verbeteren; verzoekt Turkije om het Strategisch plan voor de integratie van Roma 2016-2021 volledig ten uitvoer te leggen, waarbij er met name moet worden gelet op de bestrijding van zigeunerhaat, en om Roma gegarandeerd toegang te geven tot betaalbare hoogwaardige huisvesting en onderwijs, maatregelen te nemen om vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen, segregatie tegen te gaan en de arbeidsparticipatie van Roma te verbeteren; neemt met bezorgdheid kennis van de toename van het aantal gevallen van zogeheten "eerwraak"; verzoekt Turkije zijn nationale wetgeving te harmoniseren met het Verdrag van Istanbul van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen; dringt er bij Turkije op aan te zorgen voor gelijkheid van alle burgers en om de problemen aan te pakken waarmee leden van minderheden worden geconfronteerd, met name wat onderwijs en eigendomsrechten betreft; herinnert eraan dat de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over de eilanden Imbros en Tenedos volledig ten uitvoer moet worden gelegd, en dringt er bij Turkije op aan gezinnen die tot een minderheid behoren en wensen terug te keren naar deze eilanden, te ondersteunen; is verheugd over de opening van een school voor de Griekse minderheid op het eiland Imbros, hetgeen een positieve stap vormt;

13.  maakt zich zorgen over de omvang en de ernst van het geweld tegen vrouwen in de Turkse samenleving, met inbegrip van eremoorden, illegale kindhuwelijken en seksueel misbruik, en over de onwil van de Turkse autoriteiten om de daders van gendergerelateerd geweld te bestraffen; benadrukt dat er in 2018 440 vrouwen om het leven zijn gekomen door huiselijk geweld, een stijging ten opzichte van voorgaande jaren, en dat de strafrechtelijke procedures zich vaak lang voortslepen en vaak vertraging oplopen; dringt er bij de Turkse regering op aan om op dit gebied een lik-op-stukbeleid vast te stellen en uit te voeren;

14.  roept de Turkse regering op de juridische verbintenissen die zij is aangegaan ten aanzien van de bescherming van het cultureel erfgoed, te eerbiedigen en volledig ten uitvoer te leggen, en meer in het bijzonder te goeder trouw een omvattende inventaris te maken van het Grieks, Armeens, Assyrisch en ander erfgoed dat in de vorige eeuw is vernietigd of vernield; verzet zich in deze context tegen alle extreme ideeën om het uitzicht van het historisch-religieuze monument Hagia Sophia te veranderen en deze tot moskee om te vormen; dringt er bij Turkije op aan het Unesco-verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen te ratificeren; roept Turkije op samen te werken met de relevante internationale organisaties, met name de Raad van Europa, teneinde de illegale handel in en de opzettelijke vernieling van cultureel erfgoed te bestrijden;

15.  is zeer bezorgd over de situatie in het zuidoosten van Turkije en de ernstige beschuldigingen van mensenrechtenschendingen, buitensporig geweld, martelingen en zware beperking van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting en van politieke participatie in het zuidoosten, met name sinds de ineenstorting van de vredesbesprekingen met de Koerden in 2015, zoals gedocumenteerd door het Hoge Commissariaat van de Verenigde Naties voor mensenrechten en mensenrechtenverdedigers in Turkije; veroordeelt nogmaals krachtig het feit dat de Koerdische arbeiderspartij (PKK), die al sinds 2002 op de EU-lijst van terroristische organisaties staat, opnieuw zijn toevlucht neemt tot geweld; benadrukt dat dringend een geloofwaardig politiek proces op gang moet worden gebracht om tot een vreedzame oplossing van de Koerdische kwestie te komen; roept Turkije op ernstige beschuldigingen van mensenrechtenschendingen en moorden onmiddellijk te onderzoeken en internationale waarnemers toe te staan op onafhankelijke wijze toezicht te houden; maakt zich zorgen over de verwoesting van historisch erfgoed in het zuidoosten, waaronder het oude district Sur in Diyarbakir dat op de werelderfgoedlijst van Unesco staat, hetgeen het behoud van de Koerdische identiteit en cultuur in Turkije bedreigt;

16.  merkt met bezorgdheid op dat tijdens de noodtoestand een zeer groot aantal burgemeesters en locoburgemeesters in het zuidoosten ontslagen en/of gearresteerd is en dat de regering plaatsvervangende burgemeesters heeft aangewezen; benadrukt dat als gevolg daarvan een groot deel van de Turkse bevolking op lokaal niveau niet wordt vertegenwoordigd; is van mening dat de gemeenteraadsverkiezingen die in maart 2019 worden gehouden, moeten worden gezien als een belangrijke kans om weer ten volle uitvoering te geven aan het beginsel van het rechtstreekse democratische mandaat;

17.  merkt met bezorgdheid op dat het vermogen van de Grote Nationale Vergadering om democratische controle uit te oefenen en de regering ter verantwoording te roepen door de noodtoestand en door bepaalde voorschriften in het kader van de grondwettelijke hervormingen verder is beperkt; neemt met grote bezorgdheid kennis van de arrestatie van twee leden van de Republikeinse Volkspartij (CHP) en van het feit dat met name de Democratische Volkspartij (HDP) bijzonder gemarginaliseerd wordt en dat vele parlementsleden van de HDP zijn gearresteerd omdat zij steun zouden hebben verleend aan terroristische activiteiten; dringt aan op de vrijlating van alle leden van de Grote Nationale Vergadering die worden vastgehouden op basis van wat ze hebben gezegd en gedaan in het kader van hun parlementaire activiteiten; benadrukt dat de Grote Nationale Vergadering de centrale instelling in de Turkse democratie zou moeten zijn en alle burgers op voet van gelijkheid zou moeten vertegenwoordigen; betreurt de hoge kiesdrempel, die ervoor zorgt dat echte politieke vertegenwoordiging wordt belemmerd en de Grote Nationale Vergadering geen goede afspiegeling is van de pluralistische Turkse samenleving;

18.  veroordeelt het feit dat Selahattin Demirtaș, oppositieleider en presidentskandidaat, nog altijd gevangen wordt gehouden; is ingenomen met de uitspraak van het EHRM over zijn zaak, waarin de Turkse autoriteiten worden opgeroepen om hem onmiddellijk vrij te laten; benadrukt dat het EHRM in zijn uitspraak voorts heeft gesteld dat de detentie van de heer Demirtaș voornamelijk diende om het pluralisme te verstikken en de vrijheid van het politieke debat te beperken; veroordeelt de houding van de Turkse autoriteiten ten opzichte van deze uitspraak; verwacht van de Commissie en de lidstaten dat zij deze zaak nauwgezet zullen volgen, en dringt aan op de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van de heer Demirtaş;

19.  benadrukt het belang van corruptiebestrijding en herinnert aan de bevindingen van het verslag van 2018 over Turkije, waarin werd vastgesteld dat corruptie nog steeds op grote schaal voorkomt en nog altijd een bijzonder ernstig probleem vormt; is bezorgd dat de geboekte resultaten op het gebied van onderzoeken naar corruptie en vervolgingen en veroordelingen in corruptiezaken schamel blijven, in het bijzonder met betrekking tot corruptie op hoog niveau;

20.  herinnert eraan dat de grondwetswijzigingen in verband met de invoering van een presidentieel stelsel volgens de beoordeling van de Commissie van Venetië onvoldoende controlemechanismen omvatten en een bedreiging vormen voor de scheiding der machten tussen de uitvoerende en de rechterlijke macht; herinnert er voorts aan dat het Europees Parlement de regering van Turkije heeft opgeroepen om in samenwerking met de Commissie van Venetië constitutionele en justitiële veranderingen en hervormingen door te voeren, en het afgelopen jaar ook heeft aangedrongen op de formele opschorting van de toetredingsonderhandelingen indien de constitutionele hervorming ongewijzigd zou worden uitgevoerd, aangezien deze hervorming in strijd is met de criteria van Kopenhagen;

21.  verzoekt, rekening houdend met al het bovenstaande, de Commissie en de Raad van de Europese Unie om in overeenstemming met het onderhandelingskader de toetredingsonderhandelingen met Turkije formeel op te schorten; blijft zich echter inzetten voor een democratische en politieke dialoog met Turkije; verzoekt de Commissie om de middelen die momenteel in het kader van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA II en het toekomstige IPA III) beschikbaar zijn te gebruiken om, via een specifieke enveloppe die rechtstreeks door de EU wordt beheerd, het maatschappelijk middenveld van Turkije, mensenrechtenverdedigers en journalisten te ondersteunen, en om meer mogelijkheden te creëren voor interpersoonlijke contacten, academische dialoog, toegang voor Turkse studenten tot Europese universiteiten en mediaplatformen voor journalisten, met het doel om democratische waarden en beginselen, de mensenrechten en de rechtsstaat te beschermen en bevorderen; verwacht dat de relatie tussen Turkije en de EU opnieuw wordt vormgegeven en er een effectief partnerschap tot stand wordt gebracht, een en ander onverminderd artikel 49 van het Verdrag betreffende de Europese Unie; benadrukt dat in het kader van alle politieke betrekkingen tussen de EU en Turkije voorwaarden moeten worden gesteld inzake de eerbiediging van de democratie, de rechtsstaat en de grondrechten;

22.  merkt op dat het EU-toetredingsproces in het begin weliswaar een sterke motivatie was voor hervormingen in Turkije, maar dat er de afgelopen jaren een sterke achteruitgang is opgetreden op het gebied van de rechtsstaat en de mensenrechten;

23.  beklemtoont dat de modernisering van de douane-unie ervoor kan dat de reeds hechte banden tussen Turkije en de Europese Unie verder versterkt worden en dat Turkije op economisch vlak met de EU verbonden blijft; is derhalve van mening dat de mogelijkheid om de douane-unie van 1995 tussen de EU en Turkije te moderniseren en op te waarderen open moet worden gehouden, zodat ook de landbouw, de dienstverlening en overheidsopdrachten, gebieden die er nu nog buitenvallen, in de douane-unie kunnen worden opgenomen; herinnert eraan dat Turkije de op vier na grootste handelspartner is van de EU, dat de EU de belangrijkste handelspartner is van Turkije, dat twee derde van de directe buitenlandse investeringen (DBI) in Turkije afkomstig is van EU-lidstaten en dat Turkije voor de EU een belangrijke groeimarkt is; is van mening dat de opwaardering van de douane-unie goede mogelijkheden kan bieden om voorwaarden te stellen op het gebied van de democratie, positieve druk uit te oefenen en een stappenplan te introduceren waarbij de opwaardering van de douane-unie hand in hand gaat met concrete verbeteringen door Turkije op het gebied van hervormingen met betrekking tot de democratie, mensenrechten, fundamentele vrijheden en de rechtsstaat, en met concrete stappen in de richting van een open samenleving waar maatschappelijke organisaties en pluralisme de ruimte krijgen; is voorts van mening dat de opwaardering van de douane-unie een belangrijke kans zou bieden voor een beleidsdialoog over sociaal en ecologisch duurzame economische ontwikkeling, klimaatverandering en arbeidsrechten in Turkije; verzoekt de Commissie voorbereidingen te starten voor de opwaardering van de douane-unie zodra de Turkse regering aangeeft bereid te zijn tot ingrijpende hervormingen; doet een beroep op de Commissie om in het kader van de opgewaardeerde douane-unie een clausule inzake de mensenrechten en fundamentele vrijheden vast te stellen, zodat de eerbiediging van de mensenrechten en fundamentele vrijheden in dit kader een basisvoorwaarde wordt; herinnert eraan dat de huidige douane-unie haar volledige potentieel slechts kan bereiken indien Turkije het aanvullend protocol volledig toepast ten aanzien van alle lidstaten;

24.  wijst erop dat vakbondsvrijheid en sociale dialoog van vitaal belang zijn voor de ontwikkeling van een pluralistische samenleving; betreurt de tekortkomingen in de wetgeving inzake arbeids- en vakbondsrechten, en benadrukt dat het vakverenigingsrecht, het recht op collectieve onderhandelingen en het stakingsrecht fundamentele rechten van werknemers zijn; betreurt ten zeerste dat lidmaatschap van een vakvereniging tijdens rechtszaken in Turkije vaak wordt aanvaard als bewijs van een strafbaar feit; is van mening dat een dergelijke houding de status van de vakverenigingen in het land verder in gevaar brengen; maakt zich ernstige zorgen over de arbeidsomstandigheden van werknemers bij de bouw van de nieuwe luchthaven van Istanbul, gezien het feit dat sinds het begin van de bouw in mei 2015 naar verluidt 38 werknemers zijn omgekomen bij werkgerelateerde ongevallen en dat momenteel 31 mensen, waaronder een vakbondsleider, in de gevangenis zitten omdat zij geprotesteerd hebben tegen de slechte arbeidsomstandigheden en lage en onregelmatig uitbetaalde lonen; dringt er bij de Turkse autoriteiten op aan nauw overleg te plegen met de op dit gebied actieve vakbonden over de noodzakelijke waarborgen voor werknemers op de bouwplaats, een grondig onderzoek uit te voeren naar de sterfgevallen en ongelukken die zijn voorgevallen, en vakbonden toe te staan met de betrokken werknemers in contact te treden; merkt met bezorgdheid op dat kinderarbeid nog steeds voorkomt, met name in sectoren als de landbouw en bij seizoenwerk; neemt kennis van de inspanningen van de Turkse regering om vluchtelingen die tijdelijke bescherming genieten, nadat zij de juiste vergunning hebben verkregen, het recht te geven in Turkije te werken; merkt op dat er meer dan 20 000 arbeidsvergunningen zijn verstrekt aan Syriërs en dat daarin bepaalde voorwaarden zijn opgenomen betreffende het minimumloon en de sociale zekerheid; wijst erop dat er ondanks deze inspanningen nog altijd veel Syriërs zonder vergunning werken in tal van sectoren en in veel Turkse provincies; beklemtoont dat de taal voor Syrische werknemers nog altijd een van de belangrijkste belemmeringen is;

25.  roept de Turkse regering op haar plannen voor de bouw van een kerncentrale in Akkuyu stop te zetten; dringt er bij Turkije op aan zich te houden aan het Verdrag van Espoo; verzoekt de Turkse regering om de regeringen van naburige landen, zoals Griekenland en Cyprus, te betrekken bij alle verdere ontwikkelingen rondom de bouw van de kerncentrale in Akkuyu, of hen in dit kader in ieder geval te raadplegen;

26.  merkt op dat visumliberalisering voor Turkse burgers, met name voor studenten, academici, vertegenwoordigers van bedrijven en mensen met familiebanden in EU-lidstaten erg belangrijk is; spoort de Turkse regering ertoe aan volledig te voldoen aan de 72 criteria die zijn vastgesteld in het stappenplan voor visumliberalisering; benadrukt dat herziening van de Turkse antiterrorismewetgeving een belangrijke voorwaarde is om de eerbiediging van de grondrechten en fundamentele vrijheden te waarborgen; spoort Turkije ertoe aan de nodige inspanningen te leveren om aan de resterende criteria te voldoen; benadrukt dat visumliberalisering alleen mogelijk is wanneer volledig, effectief en op niet-discriminatoire wijze aan alle criteria wordt voldaan;

27.  herinnert aan de belangrijke rol die Turkije speelt bij de aanpak van de migratiecrisis als gevolg van de oorlog in Syrië; is van mening dat Turkije en zijn bevolking grote gastvrijheid hebben getoond door onderdak te bieden aan meer dan 3,5 miljoen Syrische vluchtelingen; onderstreept dat ongeveer één miljoen Syrische kinderen in Turkije de schoolleeftijd hebben en dat 60 % daarvan is ingeschreven in Turkse scholen; neemt nota van de Verklaring EU-Turkije van 18 maart 2016; dringt er bij Turkije op aan het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen; betreurt dat de EU in het kader van het Instrument voor pretoetredingssteun (IPA) 2011/2012 de verwerving van gepantserde Cobra II-bewakingsvoertuigen heeft gefinancierd, en roept de Commissie op nauwlettend toezicht te houden op het gebruik van apparatuur die is gekocht met behulp van (mede)financiering in het kader van EU-programma's, en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het beginsel van non-refoulement, met name langs de Syrische grens; roept de EU en haar lidstaten op om hun beloften met betrekking tot grootschalige hervestiging na te komen en te zorgen voor voldoende financiële middelen voor de langetermijnondersteuning van Syrische vluchtelingen in Turkije; erkent het Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer van 2018 waarin zij pleit voor grotere efficiëntie en meer transparantie bij de toewijzing en verdeling van financiering; wijst op de toenemende onzekerheid voor Syrische vluchtelingen over hun tijdelijke bescherming in Turkije en hun toekomst aldaar, en verzoekt Turkije na te denken over manieren om in wijken waar veel Syrische vluchtelingen wonen meer sociale cohesie te creëren, en ervoor te zorgen dat zij op de lange termijn op socio-economisch en cultureel vlak een plek krijgen in de Turkse samenleving en daadwerkelijk naar behoren toegang krijgen tot onderwijs en beroepsopleidingen; verzoekt de Commissie waakzaam te blijven en te waarborgen dat bij de inzet van EU-middelen de rechten van vluchtelingen naar behoren worden gewaarborgd en dat actie wordt ondernomen om kinderarbeid, seksuele uitbuiting van kinderen en andere mensenrechtenschendingen te voorkomen;

28.  wijst erop dat het zowel voor de EU en haar lidstaten als voor Turkije belangrijk is om een goede dialoog en een nauwe samenwerking te onderhouden inzake buitenlands beleid en veiligheidskwesties; pleit voor samenwerking en verdere onderlinge afstemming op het gebied van buitenlands beleid, defensie en veiligheidskwesties, met inbegrip van samenwerking op het vlak van terrorismebestrijding; herinnert eraan dat Turkije reeds lang lid is van het NAVO-bondgenootschap, en dat de geostrategische ligging van het land van groot belang is voor het behoud van de regionale en Europese veiligheid; merkt op dat de EU en Turkije in het kader van de NAVO blijven samenwerken bij kwesties van (militair) strategisch belang; verzoekt Turkije daarom om zijn samenwerking met EU-lidstaten die lid zijn van de NAVO voort te zetten uit hoofde van het lopende samenwerkingsprogramma van de NAVO met niet-EU-lidstaten;

29.  prijst Turkije voor de onderhandelingen in verband met het memorandum van overeenstemming inzake Idlib; betreurt dat door Turkije gesteunde gewapende groeperingen in het Vrije Syrische Leger (FSA) woningen van Koerdische burgers in het district Afrin in het noorden van Syrië hebben afgenomen, geplunderd en vernietigd; eist dat Turkije en de FSA-groeperingen in Afrin ontheemde bewoners wier woningen zij afgenomen, vernietigd of geplunderd hebben, compenseren, en benadrukt dat bewoners niet permanent uit hun woning gezet mogen worden; maakt zich zorgen over de berichten over het grote aantal schendingen dat wordt gepleegd in Afrin, meestal door Syrische gewapende groepen die zijn uitgerust en bewapend door Turkije, en tevens door de Turkse strijdkrachten, die naar verluidt een aantal scholen in beslag genomen hebben, en daarmee de opleiding van kinderen hebben verstoord; is bezorgd over het feit dat Turkije ook probeert het demografische evenwicht in het district Afrin te veranderen door soennitische Syrisch-Arabische vluchtelingen uit Turkije te hervestigen in deze door Koerden bewoonde regio; verzoekt de Turkse overheid alle aanklachten die zijn ingediend tegen burgers die de militaire acties van Turkije in Syrië hebben bekritiseerd, in te trekken, en het recht op vrijheid van meningsuiting te eerbiedigen;

30.  herinnert aan het belang van goede nabuurbetrekkingen; roept Turkije in dit verband op meer inspanningen te leveren om een oplossing te vinden voor de openstaande bilaterale vraagstukken, met inbegrip van niet nagekomen wettelijke verplichtingen en onbeslechte geschillen over land- en zeegrenzen en het luchtruim met zijn naaste buren, overeenkomstig de bepalingen van het VN-handvest en het internationaal recht; herhaalt zijn verzoek aan de Turkse regering om het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos) te ondertekenen en te ratificeren; dringt er bij de Turkse regering op aan om een einde te maken aan de herhaaldelijke schendingen van het Griekse luchtruim en de Griekse territoriale wateren, en de territoriale integriteit en soevereiniteit van al zijn buurlanden te eerbiedigen; betreurt dat het door de Turkse Grote Nationale Vergadering afgekondigde casus belli-dreigement tegen Griekenland nog altijd niet is ingetrokken;

31.  is ingenomen met de inspanningen onder toezicht van de VN om de onderhandelingen over de hereniging van Cyprus te hervatten; geeft opnieuw blijk van zijn steun voor een billijke, allesomvattende en haalbare regeling die gebaseerd is op een federatie bestaande uit twee gemeenschappen en twee zones, met één enkele internationale rechtspersoonlijkheid, één soevereiniteit, één burgerschap en politieke gelijkwaardigheid tussen de twee gemeenschappen, als bedoeld in de relevante resoluties van de VN-Veiligheidsraad, in overeenstemming met het internationaal recht en het EU-acquis, en op basis van de beginselen waarop de Unie is gegrondvest; wijst op het door de secretaris-generaal van de VN voorgestelde kader, en zijn oproep om de onderhandelingen te hervatten en voort te bouwen op de overeenkomsten die reeds werden bereikt in 2017; verzoekt de EU en haar lidstaten om zich actiever op te stellen om de onderhandelingen tot een goed einde te brengen; herhaalt zijn verzoek aan alle betrokken partijen, met name Turkije, om zich te engageren voor en bij te dragen aan een alomvattende regeling; verzoekt Turkije een begin te maken met de terugtrekking van zijn troepen van Cyprus, het afgegrendelde gebied rond Famagusta over te dragen aan de VN in overeenstemming met resolutie 550 van de VN-Veiligheidsraad, en af te zien van acties waarmee de demografische balans op het eiland wordt gewijzigd, zoals het bouwen van illegale nederzettingen; benadrukt het belang van de tenuitvoerlegging van het EU-acquis op het gehele eiland; neemt in dit verband kennis van de voortzetting van de werkzaamheden van het onder de twee gemeenschappen ressorterende ad-hoccomité inzake de voorbereidingen voor de toetreding tot de EU; verbindt zich ertoe om de Turks-Cypriotische gemeenschap meer te betrekken bij de voorbereidingen voor de volledige integratie van Cyprus in de EU na de beslechting van de Cyprische kwestie, en dringt er bij de Commissie op aan hetzelfde te doen; prijst het belangrijke werk van het onder de twee gemeenschappen ressorterende Comité vermiste personen (CMP) dat zich richt op zowel Turks-Cypriotische als Grieks-Cypriotische vermiste personen, en juicht het toe dat het CMP volledige toegang heeft tot alle relevante locaties, met inbegrip van militaire domeinen; dringt er bij Turkije op aan het CMP te assisteren door informatie uit zijn militaire archieven beschikbaar te stellen; erkent het recht van de Republiek Cyprus om bilaterale overeenkomsten aan te gaan inzake haar exclusieve economische zone; herhaalt zijn verzoek aan Turkije om de soevereine rechten van alle lidstaten volledig te eerbiedigen, met inbegrip van de rechten in verband met de zoektocht naar en de exploitatie van natuurlijke rijkdommen, in overeenstemming met het EU-acquis en het internationaal recht; dringt er bij Turkije op aan zich in te zetten voor de vreedzame beslechting van geschillen, en af te zien van dreigingen of acties die negatieve gevolgen zouden kunnen hebben voor de betrekkingen met de buurlanden;

32.  dringt er bij Turkije en Armenië op aan te streven naar de normalisering van hun betrekkingen; benadrukt dat het openstellen van de Turks-Armeense grens kan leiden tot de verbetering van de betrekkingen, in het bijzonder wat grensoverschrijdende samenwerking en economische integratie betreft;

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de lidstaten, de regering van Turkije en de Grote Nationale Vergadering van Turkije, en wenst dat dit verslag wordt vertaald in het Turks.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0450.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2016)0423.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0040.
(4) PB L 51 van 26.2.2008, blz. 4.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2014)0052.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2015)0094.

Laatst bijgewerkt op: 15 maart 2019Juridische mededeling