Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2001(BUD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0172/2019

Ingediende teksten :

A8-0172/2019

Debatten :

PV 13/03/2019 - 26
CRE 13/03/2019 - 26

Stemmingen :

PV 14/03/2019 - 11.8

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0210

Aangenomen teksten
PDF 167kWORD 54k
Donderdag 14 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Richtsnoeren voor de begroting 2020 - Afdeling III
P8_TA-PROV(2019)0210A8-0172/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2019 over de algemene richtsnoeren voor de voorbereiding van de begroting 2020, afdeling III – Commissie (2019/2001(BUD))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), (hierna "het Financieel Reglement"),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), (hierna "de MFK-verordening"),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(4),

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019(5) en de daaraan gehechte gemeenschappelijke verklaringen van het Parlement, de Raad en de Commissie,

–  gezien resolutie 70/1 van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties van 25 september 2015 met als titel "Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling", die op 1 januari 2016 in werking is getreden, en de onlangs door de Commissie gepresenteerde discussienota met als titel "Naar een duurzaam Europa in 2030",

–  gezien de conclusies van de Raad van 12 februari 2019 betreffende de begrotingsrichtsnoeren voor 2020 (06323/2019),

–  gezien artikel 86 bis van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A8‑0172/2019),

A.  overwegende dat de onderhandelingen over de begroting van de Unie voor 2020 zullen samenvallen met de onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader (MFK) en de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU; overwegende dat 2019 het zevende jaar zal zijn van het MFK 2014-2020;

B.  overwegende dat de Raad zich de afgelopen jaren herhaaldelijk heeft tegengesproken door enerzijds nieuwe politieke prioriteiten voor de EU voor te stellen maar anderzijds niet bereid te zijn in nieuwe kredieten te voorzien om deze prioriteiten te financieren; overwegende dat de nieuwe politieke prioriteiten en de toekomstige uitdagingen voor de EU moeten worden gefinancierd met nieuwe kredieten en niet door inkrimping van de kredieten voor bestaande programma's;

C.  overwegende dat tegen het eind van de huidige financiële programmeringsperiode adequate financiële middelen nodig zullen zijn om de meerjarige programma's uit te voeren en derhalve moet worden geanticipeerd op de nodige betalingen in 2020 teneinde een nieuwe betalingscrisis te voorkomen in de eerste jaren van het MFK 2021-2027;

Begroting 2020: brug naar het toekomstige Europa – Investeren in innovatie, duurzame ontwikkeling, bescherming van de burgers en veiligheid

1.  onderstreept dat de EU-begroting 2020 de brug vormt naar het volgende MFK voor de periode 2021-2027 en moet bijdragen aan de totstandkoming van een gemeenschappelijke langetermijnvisie op de toekomstige politieke prioriteiten van de Unie, alsmede Europese meerwaarde moet opleveren; verwacht op het moment dat de begroting 2020 wordt vastgesteld, met de Raad volwaardige onderhandelingen over het MFK te voeren, na een politiek akkoord in de Europese Raad; gelooft dat een sterke, verantwoorde en toekomstgerichte begroting 2020 een akkoord en de overgang naar het volgende MFK zal vergemakkelijken; is daarom van plan ten volle gebruik te maken van de bestaande flexibiliteit en andere bepalingen van de MFK-verordening en van het Financieel Reglement, teneinde de belangrijkste EU-programma's in de begroting 2020 te versterken, naar behoren rekening houdend met de op prestaties gebaseerde begrotingsbenadering in de EU-begroting;

2.  benadrukt dat specifieke landbouwprogramma's enerzijds korte afzetkanalen, eerlijke prijzen voor producenten, stabiele en waardige inkomens voor landbouwers, en, anderzijds, een eerlijke herverdeling van betalingen tussen landen, soorten productie en producenten moeten bevorderen, om zo de huidige ongelijkheden weg te nemen en de lidstaten met de grootste productietekorten, evenals kleine en middelgrote producenten relatief het meeste te laten profiteren;

3.  is derhalve van mening dat de EU-begroting voor volgend jaar duidelijke politieke prioriteiten moet vaststellen en de Unie in staat moet stellen duurzame en inclusieve economische groei en banen te creëren, verder in innovatie- en onderzoekscapaciteiten voor toekomstige oplossingen te investeren, het concurrentievermogen te stimuleren, voor een veilig en vreedzaam Europa te zorgen, de arbeids- en levensomstandigheden van de burgers te verbeteren, de Unie te steunen in haar strijd tegen milieu-uitdagingen en klimaatverandering met het oog op het nakomen van haar verplichtingen op grond van de Overeenkomst van Parijs, bij te dragen tot de volledige tenuitvoerlegging van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling en resultaten te boeken met betrekking tot de Europese pijler van sociale rechten;

4.  wijst erop dat, aangezien 2020 het laatste jaar van het huidige MFK is, de uitvoering van EU-programma's, met name de programma's onder gedeeld beheer op het gebied van cohesie, gemeenschappelijk landbouwbeleid en gemeenschappelijk visserijbeleid, verder moet worden versneld om eerdere vertragingen te compenseren en in de afsluitingsfase te komen; verwacht dat dit tot uiting komt in een aanzienlijke verhoging van de betalingsverzoeken en verwacht daarom een piek in het jaarlijkse niveau van de betalingskredieten voor 2020; benadrukt het feit dat het Parlement zich engageert om de nodige betalingen in 2020 te garanderen en een nieuwe betalingscrisis in de eerste jaren van het MFK 2021-2027, zoals het geval was in de huidige periode, te voorkomen; onderstreept dat de controle- en correctiemechanismen voortdurend moeten worden verbeterd om een correcte en snelle uitvoering van de EU-programma's te waarborgen;

5.  wijst erop dat gedecentraliseerde agentschappen belangrijk zijn voor het waarborgen van de uitvoering van de wetgevingsprioriteiten van de EU en daarmee het verwezenlijken van de beleidsdoelstellingen van de EU, zoals degene die verband houden met concurrentievermogen, duurzame groei, werkgelegenheid en de beheersing van de huidige vluchtelingen- en migratiestromen; verwacht dat de onderhandelingen over de begroting 2020 zullen leiden tot passende operationele en administratieve financiering van de EU-agentschappen, zodat zij in staat zijn hun toenemende taken te vervullen en optimale resultaten te behalen; herhaalt zijn standpunt dat 2018 het laatste jaar was dat de personeelsinkrimping van 5 % en de zogeheten "herschikkingspool" werden geïmplementeerd; verwacht dat de Commissie en de Raad in de begroting 2020 afzien van verdere bezuinigingen bij de agentschappen;

Innovatie en onderzoek met het oog op toekomstige oplossingen: ondersteunen van duurzame en inclusieve economische groei om te anticiperen op veranderingen en het concurrentievermogen te versterken

6.  onderstreept het belang van de Europese aanspraak op leiderschap in belangrijke technologieën op gebieden als ruimtevaart, gezondheidszorg, milieu, landbouw, veiligheid en vervoer; benadrukt het feit dat ervoor moet worden gezorgd dat onderzoeks- en innovatieactiviteiten blijven leiden tot oplossingen voor de behoeften, de uitdagingen en het concurrentievermogen van Europa, en herinnert in dit verband aan de belangrijke rol van fundamenteel onderzoek; benadrukt dat de overgang van Horizon 2020 naar Horizon Europa soepel moet verlopen om stabiliteit voor bedrijven, onderzoeksfaciliteiten en de academische wereld te waarborgen; is verontrust over de aanzienlijke onderfinanciering van Horizon 2020 over de hele periode, die leidt tot een laag succespercentage voor excellente aanvragen; is daarom van plan in de begroting van volgend jaar de grootst mogelijke jaarlijkse toewijzing voor Horizon 2020 veilig te stellen, door ten volle gebruik te maken van de bestaande flexibiliteitsbepalingen van de MFK-verordening en het Financieel Reglement; benadrukt ook het feit dat het belangrijk is de synergieën met de Europese structuur- en investeringsfondsen te verdiepen;

7.  wijst op het potentieel voor economische groei dat wordt geboden door de technologische transformatie van Europa en dringt erop aan dat de EU-begroting een passende bijdrage levert aan de ondersteuning van de digitalisering van de Europese industrie en de bevordering van digitale vaardigheden en digitaal ondernemerschap; onderstreept het feit dat het belangrijk is meer te investeren in de digitale capaciteit, zoals Europese high-performance computing, artificiële intelligentie en cyberbeveiliging; benadrukt het feit dat het programma Digitaal Europa naar verwachting in het MFK 2021-2027 een aanzienlijk hogere toewijzing zal krijgen en is daarom van plan de financiering op dit gebied in de begroting van volgend jaar te verhogen;

8.  wijst op het succes van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) bij het aantrekken van extra investeringen in de EU teneinde een investeringsdoelstelling te realiseren van ten minste 500 miljard EUR tegen 2020, na de verlenging van de looptijd; wijst echter op de aanbevelingen van de Europese Rekenkamer om de uitvoering ervan verder te verbeteren wat de additionaliteit van de geselecteerde projecten betreft; herinnert eraan dat het EFSI-garantiefonds gedeeltelijk is gefinancierd door herschikkingen van Horizon 2020 en de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, en bevestigt nogmaals zijn aloude standpunt dat nieuwe initiatieven volledig gefinancierd moeten worden met nieuwe middelen;

9.  is er vast van overtuigd dat het verbeteren van de billijkheid en het bieden van gelijke kansen in de Europese sociale markteconomie een voorwaarde vormen voor de duurzame ontwikkeling van de Unie; is voornemens voldoende middelen te garanderen voor programma's als Cosme en toekomstige en opkomende technologieën (Future and Emerging Technologies, FET), die in aanzienlijke mate bijdragen aan het succes van start-ups en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), die de ruggengraat van de Europese economie vormen en belangrijke drijvende krachten achter economische groei, banencreatie, innovatie en sociale integratie zijn; onderstreept het feit dat het uitvoeringsniveau van deze programma's hoog ligt en wijst op de capaciteit ervan om nog meer middelen op te slorpen;

Veiligheid en vrede voor de Europese burgers

10.  is van mening dat de bescherming van de buitengrenzen en de binnenlandse veiligheid van de EU met de steun van een versterkte Europese grens- en kustwacht en Europol, een Europese Unie zonder binnengrenzen en de goede werking van het Schengengebied en het vrije verkeer binnen de EU, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en elkaar onderling ten goede komen; beklemtoont tegelijk het feit dat het belangrijk is dat er robuuste EU-investeringen worden gedaan op het gebied van interne veiligheid, onder meer om de Europese rechtshandhaving en justitiële reactie op grensoverschrijdende criminele dreigingen te verbeteren en de informatie-uitwisseling te bevorderen, met meer steun voor Eurojust en het Europees Openbaar Ministerie; beschouwt het als een plicht te zorgen voor voldoende financiering, personeel en personeelsopleiding voor alle agentschappen die actief zijn op het gebied van veiligheid, justitie en grenscontrole, aangezien het huidige financieringsniveau gezien de aanzienlijke toename van hun verantwoordelijkheden, het feit dat onderlinge samenwerking belangrijk is, de behoefte aan technologische innovaties en aanpassing, en hun cruciale rol bij het versterken van de samenwerking en de coördinatie tussen de lidstaten;

11.  benadrukt parallel hiermee de humanitaire verantwoordelijkheid van de EU op het gebied van migratiebeleid en erkent dat het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken en het Bureau voor de grondrechten een sleutelrol vervullen bij de ontwikkeling en toepassing van gemeenschappelijke asielpraktijken in de lidstaten; acht het een verplichting om te zorgen voor adequate financiering, personeel en opleiding van personeel voor alle agentschappen die actief zijn op het gebied van migratie, asiel en mensenrechten, met voldoende financiële middelen en personeel om hun rol naar behoren te vervullen;

12.  is ingenomen met het engagement van de lidstaten voor een hernieuwde EU-defensieagenda en hun bereidheid om verdere Europese defensiesamenwerking tot stand te brengen; wijst op het belang van de start van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie (EDIDP) als eerste fase van het Europees Defensiefonds; vraagt een verdere verhoging van de defensiebegroting van de Unie, die uitsluitend moet worden gefinancierd met nieuwe kredieten, om het concurrentievermogen en de innovatie van de Europese defensie-industrie te verbeteren;

13.  is groot voorstander van intensievere inspanningen van de EU om toenemende gevaren voor de veiligheid zoals radicalisering en gewelddadig extremisme in Europa en de buurlanden aan te pakken, alsmede van betere coördinatie van deze programma's op EU-niveau;

14.  benadrukt het feit dat cyberbeveiliging van cruciaal belang is voor de welvaart en veiligheid van de Unie en voor de privacy van haar burgers, dat cyberaanvallen, -misdaad en ‑manipulatie een bedreiging vormen voor open samenlevingen, en dat economische spionage de werking van de digitale eengemaakte markt belemmert en het concurrentievermogen van Europese bedrijven in gevaar brengt; vraagt toereikende financiële middelen om alle betrokken agentschappen te voorzien van voldoende financiën voor het vervullen van hun operationele en administratieve taken, zodat zij kunnen helpen bij het beveiligen van de netwerk- en informatiesystemen, het opbouwen van een grote cyberweerbaarheid en het bestrijden van cybercriminaliteit; steunt in deze context de strategische samenwerking tussen het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa) en Europol;

15.  herinnert eraan dat vrede en stabiliteit kernwaarden zijn die door de begroting van de Europese Unie worden ondersteund en benadrukt in verband hiermee de aanzienlijke bijdrage die de Unie heeft geleverd aan vrede en verzoening op het Ierse eiland, met name door haar steun voor het Goede Vrijdagakkoord en financiering van Peace- en Interregprogramma's; onderstreept dat het belangrijk is de financiering van deze programma's na de brexit te handhaven;

16.  is, onder verwijzing naar zijn resolutie van 25 oktober 2018 over het gebruik van gegevens van Facebookgebruikers door Cambridge Analytica en gevolgen voor de gegevensbescherming(6), van mening dat de strijd tegen desinformatie, met name het opsporen en aan het licht brengen van desinformatie en andere vormen van buitenlandse inmenging, een prioriteit is om eerlijke en democratische verkiezingen te waarborgen, met name in het jaar van de Europese verkiezingen; vraagt bijkomende financiële middelen ter bevordering van het systematische gebruik van strategische communicatie-instrumenten om een krachtige, gecoördineerde reactie van de EU mogelijk te maken; steunt de door de Commissie vastgestelde richtsnoeren inzake het toepassen van de bestaande EU-regels om het gebruik van persoonsgegevens voor het gerichte aanspreken van burgers op sociale media in verkiezingsperioden aan te pakken en een billijk verkiezingsproces te garanderen;

17.  is bezorgd over het feit dat onvoldoende Europese burgers de indruk hebben dat de Europese Unie hun iets oplevert en hun aanzienlijke voordelen biedt; vraagt adequate financiële middelen voor de Commissie om te investeren in instrumenten zoals de recente initiatieven van het Parlement "Wat de EU voor mij doet" en Citizens' App, om de burger voor te lichten over de werkzaamheden van de Unie en te wijzen op de inspanningen die worden geleverd om vrede, democratie, de rechtsstaat en vrijheid van meningsuiting te bevorderen; is van mening dat deze instrumenten beter kunnen worden verspreid op nationaal niveau;

18.  wijst erop dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het gemeenschappelijk visserijbeleid hoekstenen zijn van de Europese integratie, waarmee ernaar wordt gestreefd een veilige en hoogwaardige voedselvoorziening voor de Europese burger te waarborgen, evenals de goede werking van de eengemaakte landbouwmarkt, de duurzaamheid van plattelandsregio's gedurende vele jaren en het duurzame beheer van natuurlijke hulpbronnen te garanderen; herinnert eraan dat dit beleid bijdraagt tot de toekomstbestendigheid en de stabiliteit van de EU; verzoekt de Commissie de producenten in heel Europa te blijven helpen het hoofd te bieden aan onverwachte marktvolatiliteit en hen te blijven helpen een veilige en hoogwaardige voedselvoorziening te garanderen; vraagt bijzondere aandacht te besteden aan de kleinschalige landbouw en visserij;

Solidariteit en wederzijds begrip bevorderen

19.  vraagt extra financiële middelen om tegemoet te komen aan de toekomstige vraag naar Erasmus+, het voornaamste programma voor onderwijs en opleiding, inclusief beroepsopleiding, jeugd en sport in Europa, waarbij ook rekening wordt gehouden met de externe dimensie ervan; onderstreept het feit dat er voldoende middelen nodig zijn om het programma te "democratiseren", door de financiering ervan toegankelijk te maken voor mensen van alle achtergronden, waarbij moet worden gewerkt aan het Europees kader voor hoogwaardige en doeltreffende leerlingplaatsen, als manier om de jeugdwerkloosheid te bestrijden; herinnert eraan dat het Parlement heeft gevraagd dat de financiële middelen voor dit programma in het volgende MFK worden verdrievoudigd; vraagt dat de samenwerking tussen onderwijs, stageplaatsen, cultuur en onderzoek wordt versterkt;

20.  herinnert eraan dat het in een periode waarin het Europese project ter discussie wordt gesteld, van cruciaal belang is zich opnieuw sterk voor Europa in te zetten door middel van cultuur, kennis, creatie en innovatie; is daarom van mening dat de programma's Creatief Europa en MEDIA op een passend niveau moeten worden ondersteund;

21.  benadrukt het feit dat voor de bestrijding van de jeugdwerkloosheid aanzienlijke extra financiële inspanningen nodig zijn om mogelijkheden te creëren op het gebied van onderwijs, opleiding en werkgelegenheid; wijst in dit verband op het positieve effect van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief, dat eind 2017 ongeveer 1,7 miljoen jongeren heeft ondersteund; is ingenomen met het feit dat de onderhandelingen over de begroting 2019 door het krachtige aandringen van het Parlement hebben geleid tot de vaststelling van de begroting van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in 2019 op een totaalbedrag van 350 miljoen EUR; verwacht dat de begroting 2020 een hoge ambitie vertoont voor dit programma, om een soepele overgang naar het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) in het volgende MFK te garanderen; onderstreept het feit dat de tenuitvoerlegging van dit programma moet worden versneld en dat de efficiëntie ervan verder moet worden verbeterd, om ervoor te zorgen dat het meer Europese meerwaarde toevoegt aan het nationale werkgelegenheidsbeleid;

22.  is van mening dat de sociale cohesie in Europa moet bijdragen tot duurzame oplossingen voor de bestrijding van armoede, sociale uitsluiting en discriminatie, tot een betere inclusie van mensen met een handicap en tot structurele demografische veranderingen op lange termijn; benadrukt het feit dat er financiële middelen nodig zijn voor specifieke EU-programma's om de vergrijzende bevolking in Europa voldoende ondersteuning te bieden wat toegang tot mobiliteit, gezondheidszorg en openbare diensten betreft;

23.  herinnert eraan dat de lidstaten solidair moeten zijn en de verantwoordelijkheid moeten delen op het gebied van migratie en asiel en verzoekt de lidstaten naar behoren gebruik te maken van het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) via nationale programma's; dringt aan op passende begrotingsmiddelen voor dit fonds in 2020, ter ondersteuning van de opvang van asielzoekers in de lidstaten, effectieve terugkeerstrategieën, hervestigingsprogramma's, beleid inzake legale migratie en de bevordering van de effectieve integratie van onderdanen van derde landen; is van mening dat de ondersteuning van steden en gemeenten in het Europese asielstelsel moet worden versterkt;

24.  herinnert eraan dat de langdurige oplossing voor het huidige migratieverschijnsel te vinden is in de politieke, economische, sociale en ecologische ontwikkeling van de landen waaruit de migratiestromen afkomstig zijn; vraagt dat het Europees nabuurschapsinstrument en het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking worden voorzien van toereikende financiële middelen om deze prioriteit te ondersteunen en dat de verdere ontwikkeling wordt bevorderd van duurzame en wederzijds voordelige partnerschappen, bijvoorbeeld met Afrikaanse landen; bevestigt in deze context opnieuw het feit dat internationale organisaties, waaronder de Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen (UNRWA), het VN-vluchtelingenbureau (UNHCR) en de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), moeten worden voorzien van voldoende en continue financiële steun; vraagt meer financiële en organisatorische steun voor programma's die bijdragen tot uitwisselingen tussen EU-landen en partnerlanden op gebieden als beroepsopleiding, de oprichting van start-ups, steun voor kmo's, gezondheidszorg en onderwijs, en voor beleidsmaatregelen in verband met schoon water, afvalwaterbehandeling en afvalverwijdering;

25.  is van mening dat gendergerelateerde discriminatie ontoelaatbaar en onverenigbaar is met de waarden van de EU; wijst erop dat het succespercentage van aanvragen voor het Daphne-programma en andere instrumenten voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes alarmerend laag is, en is van plan te zorgen voor meer financiering voor het programma; is voorts van mening dat gendermainstreaming een doeltreffende strategie is om gendergelijkheid te verwezenlijken en discriminatie te bestrijden, en dringt erop aan dat een gendergelijkheidsperspectief wordt geïntegreerd in de relevante beleidslijnen en uitgavenprogramma's van de EU; verwacht dat de Commissie zo spoedig mogelijk een kader voor gendermainstreaming in de Uniebegroting voorstelt;

26.  wijst nogmaals op het belang van het Europees nabuurschapsbeleid, dat de betrekkingen met de buurlanden versterkt, vredesprocessen ondersteunt en economische en sociale groei en duurzame grensoverschrijdende samenwerking bevordert; wijst erop dat sterke betrekkingen tussen de EU en de Westelijke Balkan van vitaal belang zijn voor de stabilisering van de regio en het pretoetredingsproces van de betrokken landen; herinnert eraan dat financiering uit de begroting van de Unie moet worden toegesneden op de versterking van het vermogen van die landen om voort te gaan met de nodige juridische, politieke, sociale en economische hervormingen, met name door de goede werking van de overheid te verbeteren, de stabiliteit en veerkracht van de democratische instellingen te ondersteunen, en de rechtsstaat in te stellen;

Milieu-uitdagingen en klimaatverandering aanpakken

27.  benadrukt dat de begroting 2020 aanzienlijk moet bijdragen tot het aanpakken van de milieu-uitdagingen en de klimaatverandering, om de bestaande achterstand weg te werken en de toezeggingen van de EU te realiseren; herinnert eraan dat de Unie heeft beloofd een voortrekkersrol te zullen spelen bij de overgang naar een koolstofarme, circulaire en klimaatneutrale economie en betreurt het feit dat de Unie haar klimaatdoelstellingen niet realiseert, met name wat het streefdoel betreft om ervoor te zorgen dat 20 % van de uitgaven van de Unie in 2014-2020 klimaatgerelateerd zijn; is daarom van mening dat een aanzienlijke verhoging van de klimaatgerelateerde uitgaven van essentieel belang is om vooruitgang te boeken in de richting van de doelstellingen van het klimaatbeleid van de Unie en van de Overeenkomst van Parijs; is van mening dat de integratie van het klimaat in alle sectoren van het beleid van de Unie verder moet worden bevorderd en geoptimaliseerd en dat er, indien van toepassing, een klimaat- en duurzaamheidsbestendigheid moet worden ingevoerd; vraagt meer financiële middelen voor alle programma's van de Unie ter ondersteuning van projecten met een Europese meerwaarde die bijdragen aan een transitie naar schone energie en een efficiënt gebruik van hulpbronnen, aan de bevordering van een duurzame groene en blauwe economie en aan natuurbehoud, met nadruk op biodiversiteit, habitats en bedreigde soorten;

28.  benadrukt het feit dat de EU, met het oog op een samenhangende en doeltreffende aanpak van de klimaatverandering, van ratificatie en uitvoering van de Overeenkomst van Parijs een voorwaarde moet maken bij toekomstige handelsovereenkomsten; herinnert in dit verband aan zijn resolutie van 3 juli 2018 over klimaatdiplomatie(7) en de oproep daarin aan de Commissie om de consistentie van de bestaande vrijhandelsovereenkomsten met de Overeenkomst van Parijs uitgebreid te beoordelen; is van mening dat, als deze toezeggingen door een partner van de EU niet worden waargemaakt, de Commissie de toezeggingen voor liberalisering van de handel met die partner tijdelijk kan opschorten;

Openstaande kwesties voor de 2020-procedure

29.  verwacht dat de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie in maart 2019 geen directe gevolgen zal hebben voor de begroting 2020, aangezien het Verenigd Koninkrijk zal bijdragen en deelnemen aan de uitvoering van de begroting; dringt er niettemin bij de Commissie op aan een beoordeling te maken van en zich voor te bereiden op alle mogelijke scenario's teneinde een goed financieel beheer van de EU-begroting te waarborgen en een noodplan op te stellen, met vaststelling van duidelijke engagementen en van mechanismen, teneinde de EU-begroting te beschermen indien het Verenigd Koninkrijk niet bijdraagt tot of niet deelneemt aan de uitvoering van de EU-begroting voor 2020;

30.  herinnert eraan dat de Commissie volgens de gezamenlijke verklaring van het Parlement, de Raad en de Commissie over het verhogen van subrubriek 1a door middel van een gewijzigde begroting in de gezamenlijke conclusies betreffende de begroting 2019 een gewijzigde begroting zal voorstellen waarin de vastleggingen voor Erasmus+ en H2020 worden verhoogd zodra de technische bijstelling van het MFK voor 2020 in het voorjaar van 2019 zal zijn afgerond, zodat de Raad en het Parlement dit ontwerp van gewijzigde begroting snel kunnen behandelen;

31.  onderstreept het feit dat artikel 15, lid 3, van het Financieel Reglement toestaat dat bedragen die zijn vrijgemaakt ten gevolge van de gehele of gedeeltelijke niet-uitvoering van de bijbehorende onderzoeksprogramma's in het kader van de jaarlijkse begrotingsprocedure opnieuw beschikbaar worden gesteld voor onderzoeksprogramma's, zonder vaststelling van bijkomende voorwaarden voor de tenuitvoerlegging; verzoekt de Commissie specifiek verslag uit te brengen over de vrijgemaakte bedragen voor onderzoeksprogramma's en alle relevante informatie en details met betrekking tot dit artikel te verstrekken; vraagt het voorzitterschap van de Raad te verduidelijken of dit artikel nu volledig wordt begrepen door alle lidstaten; vraagt hoe dan ook dat deze bepaling en de bijbehorende procedure in gang worden gezet in het kader van de begrotingsprocedure 2020, te beginnen met de opname ervan in de ontwerpbegroting;

32.  is van mening dat het Parlement, als tak van de begrotingsautoriteit die rechtstreeks door de burgers wordt gekozen, zijn politieke rol moet vervullen en voorstellen voor proefprojecten en voorbereidende acties moet indienen waaruit zijn politieke visie voor de toekomst blijkt; verbindt er zich in deze context toe een pakket proefprojecten en voorbereidende acties voor te stellen dat is uitgewerkt in nauwe samenwerking met elk van zijn commissies, om de juiste balans te vinden tussen politieke wil en de door de Commissie beoordeelde technische haalbaarheid;

o
o   o

33.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
(5) PB L 67 van 7.3.2019.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0433.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0280.

Laatst bijgewerkt op: 15 maart 2019Juridische mededeling