Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0180(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0483/2018

Ingediende teksten :

A8-0483/2018

Debatten :

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 7.17
CRE 26/03/2019 - 7.17

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0237

Aangenomen teksten
PDF 213kWORD 61k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans ***I
P8_TA-PROV(2019)0237A8-0483/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake koolstofarme benchmarks en benchmarks met een positieve koolstofbalans (COM(2018)0355 – C8-0209/2018 – 2018/0180(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0355),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0209/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 december 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0483/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 26 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1011 inzake EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks(1)

P8_TC1-COD(2018)0180

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 25 september 2015 heeft de Algemene Vergadering van de VN een nieuw mondiaal kader voor duurzame ontwikkeling aangenomen: de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, waarvan de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) de kern vormen. In de mededeling van de Commissie van 2016 over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst worden de SDG's gekoppeld aan het Europese beleidskader, zodat deze reeds in het allereerste stadium en zowel binnen de Unie als mondiaal in alle EU-acties en beleidsinitiatieven worden geïntegreerd. De conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2017 bevestigden het vaste voornemen van de Unie en de lidstaten om de agenda 2030 volledig en op samenhangende, geïntegreerde en doeltreffende wijze uit te voeren, in nauwe samenwerking met partners en andere belanghebbenden.

(2)  In 2015 heeft de Unie de klimaatovereenkomst van Parijs gesloten(5). In artikel 2, onder c), van deze overeenkomst wordt als doelstelling bepaald dat de reactie op de klimaatverandering moet worden versterkt, onder meer door een financieringsbeleid te voeren dat gericht is op lage broeikasgasemissies en een klimaatbestendige ontwikkeling.

(3)   In 2018 publiceerde het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zijn speciale rapport met als titel "Global Warming of 1,5 °C", waarin werd gesteld dat er, als wij de opwarming van de aarde tot 1,5 °C willen beperken, met betrekking tot alle aspecten van de samenleving snelle drastische en nieuwe aanpassingen moeten worden doorgevoerd, en dat het beperken van de opwarming van de aarde tot 1,5 °C in plaats van 2 °C zal leiden tot een duurzamer en rechtvaardiger samenleving.

(4)  Duurzaamheid en de transitie naar een koolstofarme en klimaatbestendige, meer hulpbronnenefficiënte en circulaire economie zijn cruciaal om het concurrentievermogen van de economie van de Unie op lange termijn te waarborgen. Duurzaamheid staat al lange tijd centraal in het Europees project en de Verdragen erkennen de sociale en ecologische aspecten ervan. Er is niet veel tijd om in de financiële sector te zorgen voor een cultuuromslag naar duurzaamheid, om eraan bij te dragen dat de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C wordt gehouden. Het is daarom essentieel dat nieuwe investeringen in infrastructuur op lange termijn duurzaam zijn.

(5)  In maart 2018 heeft de Commissie haar actieplan over de financiering van duurzame groei(6) gepubliceerd waarin een ambitieuze en alomvattende strategie voor duurzame financiering wordt gelanceerd. Een van de doelstellingen van dit actieplan is kapitaalstromen meer te richten op duurzame investeringen om een duurzame en inclusieve groei te realiseren. Gezien de enorme toename van rampen die worden veroorzaakt door onvoorspelbare weersomstandigheden, is het van cruciaal belang dat er meer aandacht wordt besteed aan het temperen van de impact van de klimaatverandering.

(6)  In Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(7) werd opgeroepen tot een uitbreiding van de financiering door de particuliere sector van milieu- en klimaatgerelateerde uitgaven, met name door het creëren van stimulansen en methodologieën ▌die bedrijven aanzetten tot meting van de milieukosten van hun activiteiten en van de winst als gevolg van het gebruik van milieudiensten.

(7)  Om de SDG's in de Unie te verwezenlijken, moeten kapitaalstromen naar duurzame investeringen worden geleid. Het is belangrijk dat het potentieel van de eengemaakte markt volledig wordt benut om deze doelen te bereiken. In dat verband dienen belemmeringen voor een efficiënte stroom van kapitaal in de richting van duurzame investeringen in de eengemaakte markt te worden opgeruimd en moet worden voorkomen dat dergelijke obstakels opnieuw opduiken.

(8)  Om de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake de opwarming van de aarde te verwezenlijken en de risico's en gevolgen van klimaatverandering aanzienlijk te beperken, moet de algemene doelstelling erin bestaan de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C ten opzichte van het pre-industriële niveau te houden en ernaar te streven de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven dat niveau.

(9)  Met Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad(8) worden eenvormige regels voor benchmarks in de Unie ingevoerd en wordt voorzien in verschillende soorten benchmarks. Steeds meer beleggers volgen koolstofarme beleggingsstrategieën en maken gebruik van koolstofarme benchmarks om de prestaties van beleggingsportefeuilles te vergelijken of te meten. EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks, onderbouwd door een methodologie die gekoppeld is aan de verbintenissen inzake emissiereductie van de klimaatovereenkomst van Parijs, kunnen bijdragen aan een betere transparantie en kunnen groenwassen helpen voorkomen.

(10)  Een breed spectrum van indices behoort momenteel tot de groep van koolstofarme indices. Deze koolstofarme indices worden gebruikt als benchmarks voor beleggingsportefeuilles en -producten die over de grenzen heen worden verkocht. De kwaliteit en de integriteit van koolstofarme benchmarks zijn belangrijk voor de goede werking van de eengemaakte markt met betrekking tot een grote verscheidenheid van individuele en collectieve beleggingsportefeuilles. Veel koolstofarme indices die gebruikt worden als prestatie-indicatoren voor beleggingsportefeuilles, met name voor gescheiden beleggingsrekeningen en collectieve beleggingsregelingen, worden aangeboden in één lidstaat maar worden gebruikt door portefeuille- en vermogensbeheerders in andere lidstaten. Daarnaast dekken portefeuille- en vermogensbeheerders hun blootstellingsrisico's inzake koolstofuitstoot vaak af door gebruik te maken van benchmarks die in andere lidstaten zijn opgesteld.

(11)  Op de markt zijn verschillende categorieën koolstofarme indices in gebruik geraakt die wat hun ambitie betreft een uiteenlopend niveau kunnen hebben. Terwijl sommige benchmarks tot doel hebben de koolstofvoetafdruk van standaardportefeuilles te verkleinen, zijn andere benchmarks alleen gericht op het selecteren van bestanddelen die bijdragen tot het bereiken van de 2 °C-doelstelling zoals bepaald in de klimaatovereenkomst van Parijs. Ondanks verschillen in doelstellingen en strategieën worden veel van deze benchmarks gewoonlijk gepresenteerd als benchmarks met een lage koolstofuitstoot ("koolstofarme benchmarks"). Minimumnormen en een gemeenschappelijke methodologie voor EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks kunnen groenwassen helpen voorkomen.

(12)  Het verschil in aanpak inzake benchmarkmethodologieën leidt tot een versnippering van de eengemaakte markt omdat gebruikers van benchmarks geen duidelijk zicht hebben op de vraag of een koolstofarme index een benchmark is die afgestemd is op de 2 °C-doelstelling dan wel als benchmark alleen gericht is op het verkleinen van de koolstofvoetafdruk van een standaardportefeuille van beleggingen. De kans bestaat dat lidstaten, om eventuele onrechtmatige beweringen van beheerders over het koolstofarme karakter van hun benchmarks aan te pakken, uiteenlopende regels vaststellen om verwarring bij beleggers te voorkomen, alsmede onduidelijkheid bij beleggers over de doelstellingen en het niveau van ambitie waarop de verschillende categorieën van zogenoemde koolstofarme indices, gebruikt als benchmark voor koolstofarme beleggingsportefeuilles, gebaseerd zijn.

(13)  Bij gebrek aan een geharmoniseerd kader om de nauwkeurigheid en de integriteit van de belangrijkste categorieën koolstofarme benchmarks die in individuele of collectieve beleggingsportefeuilles worden gebruikt te waarborgen, is de kans groot dat verschillen in aanpak tussen de lidstaten de goede werking van de eengemaakte markt zullen belemmeren.

(14)  Om de goede werking van de eengemaakte markt te handhaven ten behoeve van de eindbelegger, de omstandigheden waarin de markt functioneert te verbeteren en een hoog niveau van bescherming voor consumenten en beleggers te garanderen, is het derhalve passend om Verordening (EU) 2016/1011 te wijzigen door een regelgevingskader in te voeren dat voorziet in minimumvereisten op het niveau van de Unie voor EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks. Het is in dit kader bijzonder belangrijk dat dergelijke benchmarks geen ernstige afbreuk doen aan andere milieu-, sociale en governancedoelstellingen ("ESG-doelstellingen").

(15)  Invoering van een duidelijk onderscheid tussen EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks, en ontwikkeling van minimumnormen voor elk van deze benchmarks zal een bijdrage leveren aan de consistentie tussen de verschillende benchmarks. De op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmark moet op indexniveau overeenstemmen met de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde.

(16)  Om ervoor te zorgen dat de kwalificaties "EU‑klimaattransitiebenchmark" en "op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark" betrouwbaar zijn en voor beleggers in de hele Unie gemakkelijk te herkennen zijn, moeten alleen beheerders die voldoen aan de vereisten van deze verordening deze kwalificaties kunnen gebruiken als zij benchmarks in de Unie op de markt brengen.

(17)  Deze verordening moet alleen van toepassing zijn op benchmarks die gebruikmaken van de kwalificatie "EU‑klimaattransitiebenchmark" of "op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmark".

(18)  Om ondernemingen te stimuleren om betrouwbare doelstellingen inzake het verminderen van koolstofemissies openbaar te maken, moet de beheerder van een EU‑klimaattransitiebenchmark bij de selectie of weging van onderliggende activa ondernemingen in aanmerking nemen die zich ten doel stellen hun koolstofemissie aldus te verminderen dat deze in overeenstemming is met de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde. Een dergelijke doelstelling moet openbaar zijn gemaakt en geloofwaardig zijn in die zin dat ze een echte toezegging tot decarbonisering inhoudt, en moet voldoende gedetailleerd en technisch haalbaar zijn.

(19)  De gebruikers van ▌benchmarks hebben echter niet altijd de noodzakelijke informatie over de mate waarin ESG-factoren in aanmerking worden genomen in de methodologie van ▌benchmarkbeheerders. De bestaande informatie is vaak versnipperd of ontbreekt zelfs volledig, waardoor een daadwerkelijke vergelijking voor beleggingsactiviteiten over de grenzen heen niet mogelijk is. Om marktdeelnemers in staat te stellen weloverwogen keuzes te maken, moeten alle benchmarkbeheerders, uitgezonderd beheerders van rentevoet- en wisselkoersbenchmarks, ertoe verplicht worden in de benchmarkverklaring bekend te maken of hun benchmarks of benchmarkgroepen al dan niet met de ESG-doelstellingen overeenstemmen en of de benchmarkbeheerder al dan niet dergelijke benchmarks aanbiedt.

(20)  Om beleggers te informeren over de mate van overeenstemming met de klimaatovereenkomst van Parijs, moet de benchmarkbeheerder voor significante aandelen- en obligatiebenchmarks, alsook voor EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks gedetailleerde informatie publiceren over de vraag of en in hoeverre een algemene mate van overeenstemming met de doelstelling van vermindering van de koolstofemissies of de verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde wordt gewaarborgd.

(21)  Om dezelfde redenen moeten beheerders van zowel EU‑klimaattransitiebenchmarks als op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks de methodologie publiceren die zij gebruiken voor hun berekening. In deze informatie moet worden beschreven hoe de onderliggende activa werden geselecteerd en gewogen en welke activa werden uitgesloten en om welke reden. ▌Om te beoordelen hoe de benchmark bijdraagt tot de milieudoelstellingen, moet de benchmarkbeheerder bekendmaken hoe de koolstofemissies van de onderliggende activa zijn gemeten, welke hun respectieve waarden zijn, waaronder de totale koolstofvoetafdruk van de benchmark, en welk type gegevens en welke gegevensbron zijn gebruikt. Om activabeheerders in staat te stellen de meest geschikte benchmark te kiezen voor hun beleggingsstrategie, moeten benchmarkbeheerders de parameters van hun methodologie motiveren en toelichten hoe de benchmark bijdraagt tot de milieudoelstellingen ▌. De gepubliceerde informatie moet ook nader ingaan op de frequentie van de herzieningen en de gevolgde procedure.

(22)  De methodologieën die gebruikt worden voor de EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks moeten gebaseerd zijn op wetenschappelijk onderbouwde decarbonisatietrajecten of in overeenstemming zijn met de langetermijndoelstellingen van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde.

(23)  Om ervoor te zorgen dat de gekozen doelstelling inzake beperking van klimaatverandering voortdurend in acht wordt genomen, moeten beheerders van EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks hun methodologieën regelmatig herzien en hun gebruikers informeren over de procedures die toegepast worden om te komen tot inhoudelijke wijzigingen. Bij het doorvoeren van een inhoudelijke wijziging moeten benchmarkbeheerders de redenen daarvoor vermelden en toelichten hoe de betreffende wijziging strookt met de oorspronkelijke doelstellingen van de benchmarks.

(24)  Benchmarks zonder onderliggende activa die gevolgen hebben voor de klimaatverandering, zoals rentevoet- en wisselkoersbenchmarks, moeten vrijgesteld zijn van de verplichting om in de benchmarkverklaring bekend te maken of en in hoeverre een algemene mate van overeenstemming met de doelstelling van vermindering van de koolstofemissies of de verwezenlijking van de doelstellingen van de klimaatovereenkomst van Parijs wordt gewaarborgd. Voorts moet het voor die benchmarks of benchmarkgroepen die geen koolstofemissiedoelstellingen nastreven voldoende zijn als in de benchmarkverklaring duidelijk wordt aangegeven dat dergelijke doelstellingen niet worden nagestreefd.

(25)  Teneinde de transparantie te verhogen en een passend niveau van harmonisatie te verzekeren, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot ▌bepaling van de minimale inhoud van de bekendmakingsverplichtingen waaraan benchmarkbeheerders van EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks onderworpen zijn, alsmede tot ▌bepaling van de minimumnormen voor harmonisatie van de methodologie voor EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks, waaronder de methode voor de berekening van de koolstofemissies ▌die verbonden zijn aan de onderliggende activa, rekening houdend met de milieuvoetafdrukmethode voor producten en organisaties, zoals gedefinieerd in punt 2, onder a) en b), van Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie(9), en de werkzaamheden van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering (TEG). Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden voor elk van deze gedelegeerde handelingen tot passende, open en publieke raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ▌. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, en krijgen zij de notulen van alle vergaderingen van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering.

(26)  Artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1011 voorziet in een overgangsperiode waarbij een aanbieder van een index die een benchmark aanbiedt op 30 juni 2016, uiterlijk op 1 januari 2020 een vergunningsaanvraag moet indienen. Het stopzetten van een cruciale benchmark kan gevolgen hebben voor de marktintegriteit, de financiële stabiliteit, de consumenten, de reële economie of de financiering van huishoudens en bedrijven in de lidstaten. Het stopzetten van een cruciale benchmark door een beheerder kan van invloed zijn op de geldigheid van financiële overeenkomsten of financiële instrumenten. Het stopzetten van zo'n cruciale benchmark kan verstorend werken voor zowel de investeerders als de consumenten, met mogelijk ernstige gevolgen voor de financiële stabiliteit. Indien voorts de aanlevering van inputgegevens aan cruciale benchmarks wordt stopgezet, kan het representatieve karakter van die benchmarks worden ondermijnd, met negatieve gevolgen voor het vermogen van cruciale benchmarks om de onderliggende markt- of economische realiteit te weerspiegelen. De mogelijkheid om het beheer van cruciale benchmarks verplicht te stellen, alsmede de mogelijkheid om de bijdragen aan zulke benchmarks verplicht te stellen, moeten derhalve worden gewaarborgd voor een totale periode van vijf jaar. De cruciale benchmarks worden momenteel hervormd. De overschakeling van een bestaande cruciale benchmark naar een passende opvolger vergt een overgangsperiode, opdat alle noodzakelijke juridische en technischer regelingen voor die overschakeling kunnen worden afgerond zonder verstoring te veroorzaken. Tijdens deze overgangsperiode moet de bestaande cruciale benchmark samen met zijn uiteindelijke opvolger worden gepubliceerd. Derhalve moet de periode worden verlengd waarbinnen een bestaande cruciale benchmark kan worden gepubliceerd en gebruikt zonder dat de beheerder ervan een vergunning heeft aangevraagd.

(27)  Verordening (EU) 2016/1011 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1011

Verordening (EU) 2016/1011 wordt als volgt gewijzigd:

(1)  in artikel 3, lid 1, worden de volgende punten ▌ingevoegd:"

"23 bis) "EU-klimaattransitiebenchmark": een benchmark die als EU‑klimaattransitiebenchmark is aangemerkt, waarbij de onderliggende activa voor de toepassing van punt 1, b), ii), van dit lid zodanig worden geselecteerd, gewogen of uitgesloten dat de daaruit voortvloeiende benchmarkportefeuille zich op een decarbonisatietraject bevindt, en die tevens is samengesteld in overeenstemming met de minimumnormen die zijn neergelegd in de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 19 bis, lid 2.

De selectie, weging en uitsluiting van onderliggende activa die zijn uitgegeven door ondernemingen die een decarbonisatietraject volgen door aanbieders van EU-klimaattransitiebenchmarks geschiedt uiterlijk op 31 december 2022 en in overeenstemming met de volgende vereisten:

   i) de ondernemingen maken meetbare en tijdgebonden streefdoelen voor de reductie van koolstofemissies bekend;
   ii) de ondernemingen maken een koolstofemissiereductie bekend die is uitgesplitst tot op het niveau van de relevante operationele dochterondernemingen;
   iii) de ondernemingen maken jaarlijks gegevens bekend over de vooruitgang die is geboekt om de doelstellingen te bereiken;
   iv) de activiteiten van de onderliggende activa doen geen ernstige afbreuk aan andere ESG-doelstellingen.
   23 ter) "op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmark": een benchmark die als op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmark is aangemerkt en waarbij de onderliggende activa voor de toepassing van punt 1, b), ii), van dit lid zodanig worden geselecteerd dat de koolstofuitstoot van de daaruit voortvloeiende benchmarkportefeuille strookt met de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde, en die tevens is samengesteld in overeenstemming met de minimumnormen die zijn neergelegd in de gedelegeerde handelingen bedoeld in artikel 19 bis, lid 2.

De activiteiten van de onderliggende activa doen geen ernstige afbreuk aan andere ESG-doelstellingen.

Uiterlijk op 1 januari 2021 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 19 bis, lid 2, een gedelegeerde handeling vast betreffende de minimumnormen als bedoeld in artikel 3, lid 1, punt 23 bis, voor de vaststelling van sectoren die uitgesloten moeten worden omdat zij geen meetbare en tijdgebonden streefdoelen voor de reductie van koolstofemissie hebben die stroken met de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde.

De Commissie houdt bij de opstelling van de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handelingen rekening met de werkzaamheden van de technische deskundigengroep inzake duurzame financiering.

De gedelegeerde handeling wordt elke drie jaar geactualiseerd.

   23 quater) "decarboniseringstraject": een meetbaar, wetenschappelijk onderbouwd en tijdgebonden traject om emissies uit groep 1, 2 en 3 en koolstofemissies te verminderen met het oog op aanpassing aan de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde."

"

(2)  Artikel 13 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt het volgende punt ▌toegevoegd:"

"d) een toelichting over de wijze waarop de onder a) bedoelde essentiële aspecten van de methodologie voor elke benchmark of benchmarkgroep, uitgezonderd wisselkoers- en rentevoetbenchmarks, deze ESG-factoren weerspiegelen."

"

b)  het volgende lid ▌wordt ingevoegd:"

"2 bis. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere omschrijving van de minimuminhoud van de in lid 1, onder d), van dit artikel bedoelde toelichting, alsook het te gebruiken standaardformaat.";

"

(3)  in titel III wordt het volgende hoofdstuk ▌ingevoegd:"

"HOOFDSTUK 3 bis

EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks

Artikel 19 bis

EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks

1.  De vereisten van bijlage III zijn van toepassing op het aanbieden van of het aanleveren van gegevens voor benchmarks die zijn aangemerkt als EU‑klimaattransitiebenchmarks of op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks, naast of in plaats van de vereisten van titels II, III en IV.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere omschrijving van de minimumnormen voor benchmarks die zijn aangemerkt als EU‑klimaattransitiebenchmarks of op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks, ter vaststelling van:

   a) de criteria voor de keuze van de onderliggende activa, waaronder indien van toepassing ▌ uitsluitingscriteria voor activa;
   b) de criteria en de methode voor de weging van de onderliggende activa in de benchmark;
   c) de vaststelling van het decarbonisatietraject voor de EU‑klimaattransitiebenchmarks.

3.  Een benchmarkbeheerder die een EU‑klimaattransitiebenchmark of een op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmark aanbiedt, voldoet uiterlijk op 30 april 2020 aan de in lid 1 genoemde vereisten;

Artikel 19 ter

In de Unie gevestigde beheerders die significante benchmarks aanbieden, vastgesteld op basis van de waarde van een of meer onderliggende activa of prijzen, streven ernaar uiterlijk op 1 januari 2022 een of meer EU‑klimaattransitiebenchmarks op de markt te brengen.

"

(4)  In artikel 21, lid 3, wordt de laatste alinea als volgt gewijzigd:"

"Aan het einde van deze periode evalueert de bevoegde autoriteit haar beslissing de beheerder te dwingen om de benchmark te blijven publiceren en kan zij indien nodig de periode verlengen met een passende periode van niet meer dan twaalf maanden. De maximumperiode van verplicht beheer duurt in totaal niet langer dan vijf jaar.";

"

(5)  In artikel 23, lid 6, wordt de laatste alinea als volgt gewijzigd:"

"De in de eerste alinea, onder a) en b), bedoelde maximumperiode van verplichte aanlevering duurt in totaal niet langer dan vijf jaar.";

"

(6)  In artikel 27 worden de volgende leden ingevoegd:"

"2 bis. Voor elk vereiste van lid 2 bevat de benchmarkverklaring een toelichting over de wijze waarop in elke aangeboden en gepubliceerde benchmark of benchmarkgroep ESG-factoren worden weerspiegeld. Voor benchmarks of benchmarkgroepen die geen ESG-doelstellingen nastreven, is het voldoende dat de benchmarkbeheerders in de benchmarkverklaring duidelijk aangeven dat zij geen dergelijke doelstellingen nastreven.

Indien er in de portefeuille van individuele benchmarkbeheerders geen benchmark overeenkomstig artikel 3, lid 1, punten 23 bis en 23 ter, beschikbaar is, of als zij geen benchmarks hebben die ESG-doelstellingen nastreven of in aanmerking nemen, wordt dit in de benchmarkverklaring van alle door de beheerder aangeboden benchmarks vermeld. Voor zijn significante aandelen- en obligatiebenchmarks maakt de benchmarkbeheerder een gedetailleerde benchmarkverklaring bekend over de vraag of en in hoeverre een algemene mate van overeenstemming met de doelstelling van vermindering van de koolstofemissies of de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde wordt gewaarborgd, overeenkomstig de openbaarmakingsregels voor financiële producten in artikel 5, lid 3, van [PB: verwijzing invoegen naar de verordening betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's].

Uiterlijk op 31 december 2021 moeten de benchmarkverklaringen van alle benchmarks of benchmarkgroepen, uitgezonderd wisselkoers- en rentevoetbenchmarks, een verklaring bevatten over de wijze waarop de gebruikte methodologie bijdraagt aan de verwezenlijking van de doelstelling om de koolstofemissie te verminderen, of aan de verwezenlijking van de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde."

2 ter.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 49 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot nadere omschrijving van de in lid 2 bis van dit artikel bedoelde informatie, alsook het te gebruiken standaardformaat voor verwijzingen naar ESG-factoren, om marktdeelnemers in staat te stellen weloverwogen keuzes te maken en om de technische haalbaarheid van dat lid te waarborgen."

"

(7)  Artikel 49 wordt vervangen door:"

"1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19, lid 2 bis, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van de wijzigingshandeling]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19, lid 2 bis, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 3, lid 2, artikel 13, lid 2 bis, artikel 19, lid 2 bis, artikel 20, lid 6, artikel 24, lid 2, artikel 27, lid 2 ter, artikel 33, lid 7, artikel 51, lid 6, en artikel 54, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd."

"

(8)  In artikel 51 worden de volgende leden ingevoegd:"

"4 bis. De aanbieder van een index mag tot 31 december 2021 doorgaan met het aanbieden van een bestaande benchmark die als "cruciaal" is aangemerkt bij een door de Commissie overeenkomstig artikel 20 vastgestelde uitvoeringshandeling.

4 ter.  Tot en met 31 december 2021 mag er voor bestaande en nieuwe financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of prestatiemetingen van een beleggingsfonds een bestaande, bij een door de Commissie overeenkomstig artikel 20 vastgestelde uitvoeringshandeling als cruciaal aangewezen, benchmark worden gebruikt.

4 quater.  Tenzij de Commissie een gelijkwaardigheidsbesluit heeft genomen als bedoeld in artikel 30, lid 2 of 3, of tenzij een beheerder is erkend overeenkomstig artikel 32 of een benchmark is bekrachtigd overeenkomstig artikel 33, is het gebruik in de Unie door onder toezicht staande entiteiten van een benchmark die wordt aangeboden door een in een derde land gevestigde beheerder, waar de benchmark al in de Unie wordt gebruikt als referentie voor financiële instrumenten, financiële overeenkomsten of voor prestatiemeting van een beleggingsfonds, uitsluitend toegestaan voor die financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en prestatiemetingen van een beleggingsfonds die reeds naar de benchmark in de Unie verwijzen op 31 december 2021, of vóór die datum een verwijzing naar die benchmark toevoegen;

3 bis.  Uiterlijk op 31 december 2022 evalueert de Commissie de minimumnormen voor de benchmarks als bedoeld in artikel 1, lid 3, punten 23 bis en 23 ter, om te waarborgen dat de selectie van de onderliggende activa in overeenstemming is met ecologisch duurzame investeringen zoals vastgelegd in een kader voor de hele Unie.

4.  Vóór 31 december 2022 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de gevolgen van deze verordening en de haalbaarheid van "ESG-benchmarks", rekening houdend met het evoluerende karakter van duurzaamheidsindicatoren en de methoden die gebruikt worden voor het meten ervan. Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel."

"

(9)  in artikel 54 wordt de volgende alinea ingevoegd:"

"1 bis. Uiterlijk op 1 april 2020 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de wijze waarop de bepalingen in verband met de werking van benchmarks van derde landen in de EU in de praktijk ten uitvoer zijn gelegd, onder meer over het gebruik dat door benchmarkbeheerders uit derde landen wordt gemaakt van de regelingen inzake bekrachtiging, erkenning of gelijkwaardigheid, en mogelijke tekortkomingen van het huidige kader. Dit verslag bevat ook een beoordeling van de gevolgen van de toepassing van de bepalingen van artikel 51, leden 4 bis tot en met 4 quater voor benchmarkbeheerders uit de EU of van buiten de EU, onder meer wat betreft gelijke voorwaarden. Dat verslag bevat in het bijzonder een beoordeling van de vraag of het nodig is deze verordening te wijzigen, en gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel."

"

(10)  De bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening ▌.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Een benchmarkbeheerder die een EU‑klimaattransitiebenchmark of een op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmark aanbiedt overeenkomstig artikel 19 bis, voldoet uiterlijk op 30 april 2020 aan de vereisten van deze verordening. Benchmarkbeheerders voldoen uiterlijk op 30 april 2020 aan de vereisten van artikel 13, lid 1, onder d), artikel 27, lid 1, onder a) en b), en 2 bis.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

"BIJLAGE III

EU‑klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU‑benchmarks

Methodologie voor EU‑klimaattransitiebenchmarks

1.  De beheerder van een EU-klimaattransitiebenchmark formaliseert, documenteert en publiceert elke methodologie die voor de berekening van de benchmark wordt gebruikt, en geeft daarbij een beschrijving van het volgende, waarbij de vertrouwelijkheid en de bescherming van niet‑openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (handelsgeheimen) in de zin van Richtlijn (EU) 2016/943 worden gewaarborgd:

a)  de lijst van de belangrijkste onderdelen van de ▌benchmark;

b)  alle criteria en methoden, waaronder de selectie- en wegingsfactoren, maatstaven en indicatoren die in de methodologie van de benchmark worden gebruikt;

c)  de toegepaste criteria voor het uitsluiten van activa of ondernemingen waaraan een niveau van koolstofvoetafdruk of een niveau van fossielebrandstofreserves is verbonden dat onverenigbaar is met het gebruik daarvan in de ▌benchmark;

d)  de criteria voor de vaststelling van het decarbonisatietraject;

e)  het soort en de bron van de gegevens die zijn gebruikt voor de vaststelling van het decarbonisatietraject, waaronder:

i)  emissies van groep 1 die voortkomen uit bronnen waarover de onderneming die de onderliggende activa uitgeeft controle uitoefent;

ii)  emissies van groep 2 uit het verbruik van aangekochte elektriciteit, stoom of andere bronnen van energie die stroomopwaarts van de onderneming die de onderliggende activa uitgeeft wordt opgewekt;

iii)  alle indirecte emissies die niet onder punt h) ii) vallen en die zich voordoen in de waardeketen van de rapporterende onderneming, met inbegrip van emissies stroomopwaarts en stroomafwaarts uit groep 3, met name in sectoren met grote gevolgen voor klimaatverandering en het terugdringen van de klimaatverandering;

iv)  de vraag of de gegevens gebruikmaken van de milieuvoetafdrukmethoden voor producten en organisaties, zoals gedefinieerd in punt 2, a) en b), van Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie, of wereldwijde normen zoals de Taskforce voor de openbaarmaking van klimaatgerelateerde financiële informatie van de Raad voor financiële stabiliteit;

f)  de totale koolstofemissies van de indexportefeuille ▌;

Indien er een moederindex wordt gebruikt voor de vaststelling van een EU‑klimaattransitiebenchmark, wordt de tracking error tussen de EU‑klimaattransitiebenchmark en de moederindex gepubliceerd.

Indien er een moederindex wordt gebruikt voor de vaststelling van een EU‑klimaattransitiebenchmark, wordt de ratio tussen de marktwaarde van de effecten die in de EU‑klimaattransitiebenchmark zijn opgenomen, en de marktwaarde van de effecten in de moederindex gepubliceerd.

Methodologie voor op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks

"2. Naast de punten 1) onder a), b) en c), specificeert de beheerder van op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks de formule of de berekening die wordt gebruikt om te bepalen of de emissies in overeenstemming zijn met de langetermijndoelstelling van de klimaatovereenkomst van Parijs inzake opwarming van de aarde, waarbij de vertrouwelijkheid en de bescherming van niet‑openbaar gemaakte knowhow en bedrijfsinformatie (handelsgeheimen) in de zin van Richtlijn (EU) 2016/943 worden gewaarborgd.

Wijzigingen in de methodologie

3.  Beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks voorzien in procedures om inhoudelijke wijzigingen in hun methodologie voor te stellen, maken deze bekend aan de gebruikers en geven de redenen voor de wijzigingen. Deze procedures zijn in overeenstemming met de hoofddoelstelling dat benchmarkberekeningen doorlopend moeten aansluiten bij de doelstellingen inzake klimaattransitie of afstemming op de klimaatovereenkomst van Parijs. Deze procedures voorzien in:

a)  een voorafgaande kennisgeving volgens een duidelijk tijdschema waardoor gebruikers voldoende mogelijkheden hebben om de gevolgen van deze voorgestelde wijzigingen te analyseren en te becommentariëren, gelet op de berekening van de algemene omstandigheden door de beheerders;

b)  de mogelijkheid voor gebruikers om opmerkingen te maken bij deze wijzigingen en voor beheerders om op deze opmerkingen te reageren, waarbij deze opmerkingen na een bepaalde raadplegingsperiode toegankelijk worden gesteld voor alle marktgebruikers, tenzij de indiener van de opmerkingen om vertrouwelijkheid heeft verzocht.

4.  Beheerders van EU-klimaattransitiebenchmarks en op de klimaatovereenkomst van Parijs afgestemde EU-benchmarks onderzoeken regelmatig en ten minste jaarlijks hun methodologieën om ervoor te zorgen dat deze een betrouwbare afspiegeling vormen van de gestelde doelstellingen, en voorzien hierbij in een procedure om rekening te houden met de standpunten van alle betrokken gebruikers.

(1)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(2) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 103.
(3) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.
(4)Standpunt van het Europees Parlement van 26 maart 2019.
(5) PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.
(6) COM(2018)0097 final.
(7)Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet" (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
(8)Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1).
(9)Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie van 9 april 2013 over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 124 van 4.5.2013, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 27 maart 2019Juridische mededeling