Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2899(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0212/2019

Ingediende teksten :

B8-0212/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 7.19
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0239

Aangenomen teksten
PDF 146kWORD 56k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Grondrechten van mensen van Afrikaanse afkomst
P8_TA-PROV(2019)0239B8-0212/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa (2018/2899(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), met name de tweede en de vierde tot en met de zevende alinea van de preambule, artikel 2, artikel 3, lid 3, tweede alinea, en artikel 6,

–  gezien de artikelen 10 en 19 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2000/43/EG van de Raad van 29 juni 2000 houdende toepassing van het beginsel van gelijke behandeling van personen ongeacht ras of etnische afstamming(1),

–  gezien Richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep(2),

–  gezien Kaderbesluit 2008/913/JBZ van de Raad van 28 november 2008 betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht(3),

–  gezien Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ van de Raad(4),

–  gezien de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU‑MIDIS II), die in december 2017 werd gepubliceerd door het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), en het verslag van het FRA over ervaringen van mensen van Afrikaanse afkomst met rassendiscriminatie en racistisch geweld in de EU(5),

–  gezien zijn resolutie van 1 maart 2018 over de situatie van de grondrechten in de Europese Unie in 2016(6),

–  gezien de oprichting in juni 2016 van de EU-groep op hoog niveau voor de bestrijding van racisme, vreemdelingenhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid,

–  gezien de gedragscode ter bestrijding van onrechtmatige haatuitingen op het internet, die de Commissie en grote IT-bedrijven alsmede andere platforms en socialemediabedrijven op 31 mei 2016 overeengekomen zijn,

–  gezien algemene aanbeveling nr. 34 van 3 oktober 2011 van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie betreffende rassendiscriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst,

–  gezien resolutie 68/237 van de Algemene Vergadering van de VN van 23 december 2013, waarin de periode 2015-2024 is uitgeroepen tot het internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse herkomst,

–  gezien resolutie 69/16 van de Algemene Vergadering van de VN van 18 november 2014 houdende het activiteitenprogramma voor de tenuitvoerlegging van het internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse afkomst,

–  gezien de verklaring van Durban en het actieprogramma van de internationale conferentie van 2001 over racisme, waarin wordt erkend dat mensen van Afrikaanse afkomst al eeuwenlang te maken hebben met racisme, discriminatie en onrecht,

–  gezien de algemene beleidsaanbevelingen van de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI),

–  gezien de aanbeveling van het Comité van Ministers van de Raad van Europa van 19 september 2001 betreffende de Europese code voor politie-ethiek(7),

–  gezien de mensenrechtennota van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa van 25 juli 2017, getiteld "Afrophobia: Europe should confront this legacy of colonialism and the slave trade",

–  gezien protocol nr. 12 bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) inzake non-discriminatie,

–  gezien de vraag aan de Commissie over de mensenrechten van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa (O-000022/2019 – B8‑0016/2019),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat naast "mensen van Afrikaanse afkomst" ook begrippen worden gebruikt als "Afro-Europese", "Afrikaans-Europese" of "Afro-Caribische" mensen, en dat daarmee personen van Afrikaanse afkomst of personen met Afrikaanse voorouders worden aangeduid die geboren zijn in Europa, Europees burger zijn of in Europa wonen;

B.  overwegende dat de begrippen "afrofobie", "afrifobie" en "tegen mensen met een donkere huidskleur gericht racisme" duiden op een specifieke vorm van racisme, met inbegrip van geweld en discriminatie, die zijn voedingsbodem heeft in misstanden uit het verleden en negatieve stereotypering, en die leidt tot uitsluiting en ontmenselijking van personen van Afrikaanse afkomst; overwegende dat dergelijke praktijken een gelijkenis vertonen met de repressieve structuren uit de tijd van het kolonialisme en de trans-Atlantische slavenhandel en dat dit ook door de Commissaris voor de Mensenrechten van de Raad van Europa wordt erkend;

C.  overwegende dat er naar schatting 15 miljoen mensen van Afrikaanse afkomst in Europa wonen(8), maar dat gelijkheidsgegevens in de EU-lidstaten niet systematisch worden verzameld, dat de gegevens niet gebaseerd zijn op zelfidentificatie, en dat migranten van de tweede of derde generatie of nog latere generaties vaak niet worden meegeteld;

D.  overwegende dat volgens het FRA met name minderheden die afkomstig zijn uit Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara te maken krijgen met racisme en discriminatie op alle gebieden van het leven(9);

E.  overwegende dat uit de onlangs door het FRA uitgevoerde tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU‑MIDIS II)(10) blijkt dat jonge respondenten van Afrikaanse afkomst in de leeftijdscategorie 16-24 jaar in de twaalf maanden voorafgaand aan de enquête vaker te maken kregen met door haat ingegeven intimidatie (32 %) dan oudere respondenten, en dat cyberintimidatie het vaakst voorkomt bij jonge respondenten en afneemt naarmate de leeftijd stijgt;

F.  overwegende dat de geschiedenis talloze voorbeelden kent van onrecht tegen Afrikanen en personen van Afrikaanse afkomst, waaronder slavernij, gedwongen arbeid, apartheid, bloedbaden en genociden in het kader van het Europese kolonialisme en de trans-Atlantische slavenhandel, maar dat deze misstanden in de lidstaten op institutioneel niveau nog altijd nauwelijks worden erkend en grotendeels worden genegeerd;

G.  overwegende dat bij bepaalde Europese tradities, zoals het zwart schminken van gezichten, wordt vastgehouden aan discriminerende stereotypen, waardoor diepgewortelde stereotyperingen van mensen van Afrikaanse afkomst blijven bestaan, hetgeen het gevaar van discriminatie verergert;

H.  overwegende dat het belangrijke werk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling en van het Europees netwerk van nationale organen voor de bevordering van gelijke behandeling (Equinet) moet worden toegejuicht en ondersteund;

I.  overwegende dat uit het jaarverslag van het Bureau voor Democratische Instellingen en Mensenrechten van de OVSE (ODIHR) over haatmisdrijven(11) blijkt dat mensen van Afrikaanse afkomst dikwijls het slachtoffer zijn van racistisch geweld, maar dat er in veel landen geen juridische bijstand of financiële ondersteuning wordt geboden aan de slachtoffers van dergelijke gewelddadige aanvallen;

J.  overwegende dat de regeringen de primaire verantwoordelijkheid dragen voor de eerbiediging van de rechtsstaat en de grondrechten van hun burgers, en overwegende dat de primaire verantwoordelijkheid voor het voorkomen en monitoren van geweld, waaronder afrofoob geweld, en voor het vervolgen van personen die zich daaraan schuldig maken derhalve ook op de regeringen rust;

K.  overwegende dat er slechts in beperkte mate gegevens beschikbaar zijn over rassendiscriminatie in het onderwijs; overwegende dat echter is gebleken dat kinderen van Afrikaanse afkomst in de lidstaten lagere cijfers krijgen dan hun blanke klasgenoten en dat het percentage vroegtijdige schoolverlaters onder kinderen van Afrikaanse afkomst hoger ligt(12);

L.  overwegende dat volwassenen en kinderen van Afrikaanse afkomst in hechtenis steeds vaker het slachtoffer worden van tal van geweldsincidenten, meermaals met dodelijke afloop; overwegende dat machtsmisbruik aan de orde van de dag is doordat raciale profilering en discriminerende aanhouding, fouillering en controle routinematig worden ingezet in het kader van rechtshandhaving, misdaadpreventie;

M.  overwegende dat er rechtsmiddelen tegen discriminatie bestaan en dat er krachtig en specifiek beleid nodig is om structurele discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa tegen te gaan, onder meer op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, gezondheid, het strafrechtelijk systeem en politieke participatie en wat betreft de gevolgen van beleid en praktijken op het gebied van migratie en asiel;

N.  overwegende dat personen van Afrikaanse afkomst op de Europese woningmarkt worden gediscrimineerd en veelal in arme wijken terechtkomen, waar de huizen klein en van slechte kwaliteit zijn en dat er dus sprake is van ruimtelijke segregatie;

O.  overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst in de loop van de geschiedenis een aanzienlijke bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van de Europese samenleving, maar op de arbeidsmarkt vaak worden gediscrimineerd;

P.  overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst onevenredig vaak tot de lagen van de Europese bevolking behoren met de laagste inkomens;

Q.  overwegende dat mensen van Afrikaanse afkomst in de Europese Unie sterk ondervertegenwoordigd zijn in de politieke en wetgevende instellingen, zowel op Europees niveau als op nationaal en lokaal niveau;

R.  overwegende dat het nog altijd voorkomt dat Europese of nationale politici van Afrikaanse afkomst in de publieke ruimte op schandelijke wijze worden aangevallen;

S.  overwegende dat het racisme en de discriminatie waar mensen van Afrikaanse afkomst mee te maken krijgen een structureel karakter hebben en dikwijls samengaan met andere vormen van discriminatie en onderdrukking op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid;

T.  overwegende er in Europa de laatste tijd steeds meer gerichte afrofobe aanvallen plaatsvinden tegen onderdanen van derde landen, met name vluchtelingen en migranten;

1.  verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen te erkennen dat mensen van Afrikaanse afkomst te maken hebben met racisme, discriminatie en vreemdelingenhaat, en in zijn algemeenheid minder in staat zijn om hun mensenrechten en grondrechten uit te oefenen, en dat er dus sprake is van structureel racisme; verzoekt de lidstaten en de Europese instellingen voorts te erkennen dat mensen van Afrikaanse afkomst, als individu en als groep, recht hebben op bescherming tegen deze ongelijkheden, onder meer door de vaststelling van positieve maatregelen ter bevordering van de volledige en gelijke uitoefening van hun rechten;

2.  is van mening dat actieve en betekenisvolle sociale, economische, politieke en culturele participatie door mensen van Afrikaanse afkomst essentieel is voor het aanpakken van afrofobie en voor het waarborgen van de sociale inclusie van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa;

3.  roept de Commissie op een EU-kader te ontwikkelen voor nationale strategieën voor de integratie en sociale inclusie van mensen van Afrikaanse afkomst;

4.  is fel gekant tegen alle fysieke en verbale aanvallen op mensen van Afrikaanse afkomst, of deze nu plaatsvinden in het openbaar of in de privésfeer;

5.  spoort de EU-instellingen en de lidstaten aan de geschiedenis van mensen van Afrikaanse afkomst in Europa formeel te erkennen, met inbegrip van in het verleden en het heden begane wandaden en misdrijven tegen de menselijkheid, zoals slavernij, de trans-Atlantische slavenhandel en andere misstanden ten tijde van het Europees kolonialisme, maar ook de belangrijke prestaties en positieve bijdragen van mensen van Afrikaanse afkomst, en er aandacht aan te schenken middels de officiële erkenning op Europees en nationaal niveau van de internationale dag voor de herdenking van de slachtoffers van slavernij en de trans-Atlantische slavenhandel, en de instelling van Black History Months;

6.  roept de lidstaten en de Europese instellingen op officieel aandacht te schenken aan het door de VN uitgeroepen internationaal decennium voor mensen van Afrikaanse herkomst en doeltreffende maatregelen te nemen met het oog op de uitvoering van het activiteitenprogramma daarvan in een geest van erkenning, gerechtigheid en ontwikkeling;

7.  herinnert eraan dat sommige lidstaten inspanningen hebben geleverd om zinvolle en doeltreffende rechtsmiddelen in te voeren met het oog op in het verleden begane wandaden en misdrijven tegen de menselijkheid die gericht waren tegen mensen van Afrikaanse afkomst, in gedachten houdend dat de gevolgen ervan ook nu nog merkbaar zijn;

8.  verzoekt de EU-instellingen en de overige lidstaten dit voorbeeld te volgen en wijst erop dat dit wellicht gepaard zou moeten gaan met een bepaalde mate van genoegdoening, bijvoorbeeld in de vorm van het publiekelijk aanbieden van excuses of het teruggeven of vergoeden van gestolen goederen aan de landen van herkomst;

9.  dringt er bij de lidstaten op aan hun koloniale archieven vrij te geven;

10.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op etnische discriminatie en haatmisdrijven stelselmatig te bestrijden, en met andere belangrijke actoren doeltreffende en empirisch onderbouwde juridische en beleidsmaatregelen te ontwikkelen als antwoord op deze praktijken; is van mening dat er, overeenkomstig de nationale wettelijke kaders en de EU-wetgeving inzake gegevensbescherming, uitsluitend gegevens over etnische discriminatie en haatmisdrijven verzameld zouden mogen worden om de onderliggende oorzaken van xenofobe en discriminerende uitlatingen en handelingen in kaart te brengen en aan te pakken;

11.  verzoekt de lidstaten nationale racismebestrijdingsstrategieën te ontwikkelen voor de aanpak van de problemen op het gebied van onderwijs, huisvesting, gezondheid, werkgelegenheid, politiewerk, sociale diensten, het rechtsstelsel, politieke participatie en vertegenwoordiging waar mensen van Afrikaanse afkomst mee te maken hebben; verzoekt de lidstaten tevens om ervoor zorgen dat mensen van Afrikaanse afkomst vaker in de media en in televisieprogramma's verschijnen, om zo de ondervertegenwoordiging van mensen van Afrikaanse afkomst en het gebrek aan rolmodellen voor kinderen van Afrikaanse afkomst op adequate wijze aan te pakken;

12.  wijst op de belangrijke rol van organisaties uit het maatschappelijk middenveld in de strijd tegen racisme en discriminatie, en dringt erop aan dat er op Europees, nationaal en lokaal niveau meer financiële middelen voor deze organisaties beschikbaar worden gesteld;

13.  verzoekt de Commissie om zowel in haar lopende financieringsprogramma's als in de programma's die voor de volgende meerjarige periode worden opgezet, aandacht te besteden aan mensen van Afrikaanse afkomst;

14.  roept de Commissie op om binnen de relevante diensten van de Commissie een speciaal team in het leven te roepen met een bijzondere focus op mensen van Afrikaanse afkomst;

15.  verzoekt de lidstaten met klem om het kaderbesluit van de Raad betreffende de bestrijding van bepaalde vormen en uitingen van racisme en vreemdelingenhaat door middel van het strafrecht ten uitvoer te leggen en naar behoren te handhaven, en in het bijzonder de door vooroordelen ingegeven motieven voor misdrijven op grond van ras, nationale afkomst of etnische afkomst in het strafrecht op te nemen als een verzwarende omstandigheid, om zo de registratie, vervolging en bestraffing van en het onderzoek naar haatmisdrijven tegen mensen van Afrikaanse afkomst te garanderen;

16.  verzoekt de lidstaten effectief op haatmisdrijven te reageren en onder meer onderzoek te doen naar de door vooroordelen ingegeven motieven die aan de basis liggen van misdrijven op grond van ras, nationale afkomst of etnische afkomst, en te waarborgen dat haatmisdrijven tegen mensen van Afrikaanse afkomst worden geregistreerd, onderzocht, vervolgd en bestraft;

17.  dringt er bij de lidstaten op aan alle vormen van raciale en etnische profilering in het kader van rechtshandhaving, terrorismebestrijdingsmaatregelen en immigratiecontrole een halt toe te roepen, en onrechtmatige discriminerende praktijken en gewelddaden tegen te gaan door autoriteiten opleidingen te bieden op het gebied van de bestrijding van racisme en vooroordelen;

18.  wenst dat de lidstaten racistische en afrofobe tradities veroordelen en ontmoedigen;

19.  verzoekt de lidstaten te bewaken dat raciale vooroordelen binnen hun strafrechtelijke stelsels, onderwijssystemen en sociale diensten geen rol spelen, en roept de lidstaten op proactieve maatregelen te nemen om gelijke rechtspleging te waarborgen en de betrekkingen tussen rechtshandhavingsinstanties en minderheden te verbeteren, om gelijke toegang tot onderwijs te waarborgen en de betrekkingen tussen onderwijsinstanties en minderheden te verbeteren, en om gelijke toegang tot sociale dienstverlening te waarborgen en de betrekkingen tussen instanties voor sociale dienstverlening en minderheden te verbeteren, met name zwarte gemeenschappen en mensen van Afrikaanse afkomst;

20.  dringt er bij de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat volwassenen en kinderen van Afrikaanse afkomst gelijke toegang hebben tot kwalitatief hoogwaardige zorg en scholing, zonder discriminatie en segregatie, en waar nodig te voorzien in passende maatregelen op het gebied van leerondersteuning; spoort de lidstaten aan om de geschiedenis van mensen van Afrikaanse afkomst op te nemen in de onderwijscurricula, een volledig beeld te geven van het kolonialisme en de slavernij en daarbij te erkennen dat deze praktijken, zowel in het verleden als in het heden, hun weerslag hebben gehad op mensen van Afrikaanse afkomst, en ervoor te zorgen dat leerkrachten naar behoren zijn opgeleid om dit deel van de geschiedenis te onderwijzen en om te gaan met diversiteit in de klas;

21.  roept de EU-instellingen en de lidstaten op werkgelegenheid, ondernemerschap en initiatieven ter versterking van de economische positie van mensen van Afrikaanse afkomst te stimuleren en te steunen, om de bovengemiddelde werkloosheidspercentages en de discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst aan te pakken;

22.  dringt er bij de lidstaten op aan om discriminatie van mensen van Afrikaanse afkomst op de woningmarkt tegen te gaan en concrete maatregelen nemen om de ongelijke toegang tot huisvesting aan te pakken, en passende huisvesting te waarborgen;

23.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat migranten, vluchtelingen en asielzoekers de EU via veilige en reguliere wegen kunnen binnenkomen, daarbij rekening houdend met de bestaande wetgeving en praktijken;

24.  verzoekt de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden om er op doeltreffende wijze voor te zorgen dat niet wordt samengewerkt met organisaties of groeperingen die zich bezighouden met of anderszins te maken hebben met slavernij, smokkel, foltering en uitbuiting van Afrikaanse migranten of andere migranten met een donkere huidskleur, en dat dergelijke organisaties of groeperingen geen Europese middelen of steun ontvangen;

25.  roept de Europese instellingen op een strategie inzake diversiteit en inclusie op de werkvloer vast te stellen, die, ter aanvulling van bestaande inspanningen, voorziet in een strategisch plan voor de vertegenwoordiging van etnische en raciale minderheden in hun personeelsbestand;

26.  verzoekt de Europese partijen en politieke stichtingen, alsook de parlementen op alle niveaus in de EU, initiatieven ter bevordering van de politieke participatie van mensen van Afrikaanse afkomst te steunen en te ontplooien;

27.  vraagt de Commissie om bij de bestrijding van afrofobie op internationaal niveau nauw samen te werken met internationale actoren zoals de OVSE, de VN, de Afrikaanse Unie en de Raad van Europa, alsmede andere internationale partners;

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de parlementen en regeringen van de lidstaten en de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa.

(1) PB L 180 van 19.7.2000, blz. 22.
(2) PB L 303 van 2.12.2000, blz. 16.
(3) PB L 328 van 6.12.2008, blz. 55.
(4) PB L 315 van 14.11.2012, blz. 57.
(5) "Being Black in Europe", november 2018, verslag over geselecteerde resultaten van EU-MIDIS II.
(6) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0056.
(7) https://search.coe.int/cm/Pages/result_details.aspx?ObjectID=09000016805e297e
(8) Zie het schaduwverslag 2014-2015 van het Europese Netwerk Tegen Racisme over afrofobie in Europa: http://www.enar-eu.org/IMG/pdf/shadowreport_afrophobia_final_with_corrections.pdf
(9) Zie de tweede enquête van de Europese Unie naar minderheden en discriminatie (EU-MIDIS II) (2017): http://fra.europa.eu/en/publication/2017/eumidis-ii-main-results
(10) Ibidem.
(11) Zie het meest recente, in 2016 gepubliceerde jaarverslag: http://hatecrime.osce.org/2016-data
(12) FRA-advies 11.

Laatst bijgewerkt op: 27 maart 2019Juridische mededeling