Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2121(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0170/2019

Ingediende teksten :

A8-0170/2019

Debatten :

PV 25/03/2019 - 13
CRE 25/03/2019 - 13

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 7.20
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0240

Aangenomen teksten
PDF 416kWORD 157k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Verslag over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking
P8_TA-PROV(2019)0240A8-0170/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (2018/2121(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 4 en 13 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien de artikelen 107, 108, 113, 115 en 116 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn besluit van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3)(1),

–  gezien de resolutie van de commissie TAXE van 25 november 2015(2) en de resolutie van de commissie TAX2 van 6 juli 2016(3) over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect,

–  gezien zijn resolutie van 16 december 2015 met aanbevelingen aan de Commissie betreffende meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid in de Unie(4),

–  gezien de resultaten van de Enquêtecommissie witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, die op 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie werden voorgelegd(5),

–  gezien de follow-up van de Commissie van elk van de bovengenoemde resoluties,(6)

–  gezien de talrijke onthullingen door onderzoeksjournalisten, zoals LuxLeaks, de Panama Papers, de Paradise Papers en, recenter, de cum-ex-schandalen, evenals de witwaszaken waar in het bijzonder banken in Denemarken, Estland, Duitsland, Letland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk bij betrokken zijn,

–  gezien de resolutie van het Europees Parlement van 29 november 2018 over het cum-ex-schandaal: financiële criminaliteit en de mazen in het huidige wetgevingskader(7),

–  gezien zijn resolutie van 19 april 2018 over de bescherming van onderzoeksjournalisten in Europa: de zaak van de Slowaakse journalist Ján Kuciak en Martina Kušnírová(8),

–  gezien de studies die zijn opgesteld door de onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS) getiteld "Citizenship by investment (CBI) and residency by investment (RBI) schemes in the EU: state of play, issues and impacts", "Money laundering and tax evasion risks in free ports and customs warehouses" en "An overview of shell companies in the European Union"(9),

–  gezien de studies getiteld "VAT fraud: economic impact, challenges and policy issues"(10), "Cryptocurrencies and blockchain – Legal context and implications for financial crime, money laundering and tax evasion" en "Impact of Digitalisation on International Tax Matters"(11),

–  gezien de studies van de Commissie naar indicatoren voor agressieve belastingplanning(12),

–  gezien het door de commissie TAX3 verkregen bewijs in 34 hoorzittingen met experts en uitwisselingen van standpunten met commissarissen en ministers en tijdens dienstreizen naar Washington, Riga, het eiland Man, Estland en Denemarken,

–  gezien het gemoderniseerde en robuustere kader voor de vennootschapsbelasting dat tijdens deze zittingsperiode is ingevoerd, met name de richtlijnen bestrijding belastingontwijking (ATAD I(13) en ATAD II(14)) en de evaluaties van de richtlijn administratieve samenwerking(15),

–  gezien de voorstellen van de Commissie, in afwachting van goedkeuring, in het bijzonder die voor gemeenschappelijke (geconsolideerde) heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (C(C)CTB)(16), het digitale belastingpakket(17) en openbare rapportage per land(18), alsmede het standpunt van het Parlement over deze stukken,

–  gezien de resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van 1 december 1997 over een Groep gedragscode inzake belastingregelingen voor ondernemingen en gezien de regelmatige verslagen van deze groep aan de Raad Ecofin,

–  gezien de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden die de Raad op 5 december 2017 heeft aangenomen en heeft gewijzigd op basis van de voortdurende monitoring van toezeggingen van derde landen,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 over de nieuwe eisen tegen belastingontwijking in de EU-wetgeving betreffende met name financiering en investeringen (C(2018)1756),

–  gezien de modernisering van het btw-kader, met name de definitieve btw-regeling,

–  gezien zijn resolutie van 24 november 2016 over wegen naar een definitief btw-stelsel en bestrijding van btw-fraude(19),

–  gezien het onlangs goedgekeurde nieuwe EU-kader voor de bestrijding van witwaspraktijken, in het bijzonder na de goedkeuring van de vierde(20) en vijfde(21) herziening van de antiwitwasrichtlijn,

–  gezien de door de Commissie tegen 28 lidstaten ingestelde inbreukprocedures wegens het niet naar behoren omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving,

–  gezien het actieplan van de Commissie van 2 februari 2016 ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering (COM(2016)0050)(22),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 over de versterking van het Uniekader voor prudentieel en antiwitwastoezicht voor financiële instellingen (COM(2018)0645),

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over de dringende noodzaak om een zwarte lijst van derde landen op te stellen in het kader van de antiwitwasrichtlijn(23),

–  gezien het platform voor de financiële-inlichtingeneenheden van de EU (EU-FIE's) op 15 december 2016 een inventarisatie en analyse van de hiaten heeft gemaakt van de bevoegdheden van de Europese FIE's en hun belemmeringen bij het verkrijgen en uitwisselen van informatie, en gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 26 juni 2017 over de verbetering van de samenwerking tussen financiële-inlichtingeneenheden van de EU (SWD(2017)0275),

–  gezien de aanbeveling van de Europese Bankautoriteit (EBA) en de Commissie van 11 juli 2018 aan de Maltese Financial Intelligence Analysis (FIAU) over de maatregelen die noodzakelijk zijn om aan de richtlijn inzake de bestrijding van witwassen en de financiering van terrorisme te voldoen,

–  gezien de brief d.d. 7 december 2018 van de voorzitter van het TAX3-comité aan de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU, zijne excellentie Daniel Azzopardi, waarin wordt verzocht om uitleg over het bedrijf "17 Black",

–  gezien de onderzoeken inzake staatssteun en besluiten van de Commissie(24),

–  gezien het voorstel voor een ri–chtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2018 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218),

–  gezien het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk,

–  gezien de resultaten van verschillende G7-, G8-, en G20-topontmoetingen over internationale belastingaangelegenheden,

–  gezien de resolutie over het actieprogramma van Addis Abeba die de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 27 juli 2015 heeft goedgekeurd,

–  gezien het verslag van de groep op hoog niveau over illegale geldstromen uit Afrika dat tijdens de conferentie van de Commissie van de Afrikaanse Unie (AUC)/Economische Commissie voor Afrika (ECA) is opgesteld op gezamenlijk verzoek van de Afrikaanse ministers van Financiën, Planning en Economische Ontwikkeling,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 28 januari 2016 over een externe strategie voor effectieve belastingheffing (COM(2016)0024), waarin de Commissie de EU ook oproept "het goede voorbeeld te geven",

–  gezien zijn resoluties van 8 juli 2015 over belastingontwijking en belastingontduiking als uitdagingen voor bestuur, sociale bescherming en ontwikkeling in ontwikkelingslanden(25) en die van 15 januari 2019 over gendergelijkheid en belastingbeleid in de EU(26),

–  gezien de verplichting die in artikel 8, lid 2, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is opgenomen, om het recht op het privéleven te allen tijde te eerbiedigen,

–  gezien het verslag van de Commissie van 23 januari 2019 inzake burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie (COM(2019)0012),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 15 januari 2019 getiteld "Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU" (COM(2019)0008),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2017, getiteld "EU-ontwikkelingspartnerschappen en de uitdaging van internationale belastingverdragen",

–  gezien artikel 52 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (A8-0170/2019),

1.Algemene inleiding: voorbereiding

1.1.Wijzigingen

1.  stelt dat de bestaande belastingregels dikwijls geen gelijke tred houden met de toenemende vaart van de economie; herinnert eraan dat huidige internationale en nationale belastingregels grotendeels zijn ontstaan in de vroege 20e eeuw; stelt dat de regels dringend en voortdurend moeten worden hervormd, zodat de internationale, EU-, en nationale belastingstelsels klaar zijn voor de nieuwe economische, sociale en technologische uitdagingen van de 21e eeuw; merkt op dat de huidige belastingstelsels en boekhoudmethoden niet zijn toegerust om gelijke tred te houden met deze ontwikkelingen en ervoor te zorgen dat alle marktdeelnemers hun eerlijke aandeel aan belastingen betalen;

2.  benadrukt dat het Europees Parlement een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd aan de bestrijding van financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking, zoals onder meer aan het licht is gebracht met de LuxLeaks, Panama Papers, Paradise Papers, Football Leaks, Bahamas Leaks en het cum-ex-schandaal, met name door het werk van de Bijzondere Commissies TAXE, TAX2(27) en TAX3, de onderzoekscommissie van PANA en de Commissie economische en monetaire zaken (ECON);

3.  is verheugd dat de Commissie tijdens haar huidige zittingsperiode 26 wetgevingsvoorstellen heeft ingediend om een aantal van de mazen te dichten, de strijd tegen financiële misdrijven en agressieve fiscale planning te verhogen en de efficiëntie van de belastinginning en fiscale rechtvaardigheid te verbeteren; betreurt het gebrek aan vooruitgang in de Raad met betrekking tot de belangrijkste initiatieven tot hervorming van de vennootschapsbelasting, die nog niet zijn afgerond als gevolg van het gebrek aan echte politieke wil; roept op tot een snelle goedkeuring van EU-initiatieven die nog niet zijn afgerond en tot een zorgvuldige controle op de uitvoering om de efficiëntie en een goede handhaving te waarborgen, teneinde gelijke tred te houden met de beweeglijkheid van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning;

4.  herinnert eraan dat een belastingrechtsgebied alleen zeggenschap heeft over belastingaangelegenheden die verband houden met zijn grondgebied, terwijl economische stromen en sommige belastingbetalers, zoals multinationale ondernemingen en zeer vermogende particulieren, mondiaal opereren;

5.  benadrukt dat het definiëren van belastinggrondslagen vereist dat men een volledig beeld heeft van de situatie van een belastingplichtige, met inbegrip van de componenten die buiten het belastingrechtsgebied vallen, en dat wordt bepaald welke component verwijst naar welk rechtsgebied; merkt op dat het eveneens noodzakelijk is dat dergelijke belastinggrondslagen worden toegewezen aan belastingrechtsgebieden om dubbele belasting en dubbele niet-belasting te voorkomen; bevestigt dat voorrang moet worden gegeven aan het uitsluiten van dubbele niet-belastingheffing en dat ervoor moet worden gezorgd dat de kwestie van dubbele belasting wordt aangepakt;

6.  is van mening dat alle EU-instellingen, alsook de lidstaten zich moeten inspannen om de burgers uit te leggen wat zij op het gebied van belastingen doen en welke maatregelen zij nemen om bestaande problemen en hiaten te verhelpen; is van mening dat de EU een brede strategie moet vaststellen, waarbij de EU de lidstaten met relevant beleid steunt om van hun huidige schadelijke belastingstelsels over te gaan naar een belastingstelsel dat verenigbaar is met het rechtskader van de EU en de geest van de EU-verdragen;

7.  merkt op dat de economische stromen(28) en mogelijkheden om de fiscale woonplaats te wijzigen aanzienlijk zijn toegenomen; waarschuwt dat sommige nieuwe verschijnselen(29) inherent ondoorzichtig zijn of ondoorzichtigheid vergemakkelijken, waardoor ruimte ontstaat voor belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld;

8.   betreurt het feit dat sommige EU-lidstaten de belastinggrondslag van andere lidstaten confisqueren door elders gegenereerde winsten aan te trekken, waardoor ondernemingen hun belastinggrondslag kunstmatig kunnen verlagen; wijst erop dat deze praktijk niet alleen schadelijk is voor het beginsel van EU-solidariteit, maar ook leidt tot een herverdeling van rijkdom richting multinationals en hun aandeelhouders ten koste van EU-burgers; ondersteunt het belangrijke werk van academici en journalisten die helpen om deze praktijken aan het licht te brengen;

1.2.Het doel van belastingheffing en het effect van belastingfraude, belastingontduiking, schadelijke belastingpraktijken en witwaspraktijken op Europese samenlevingen

9.  is van mening dat eerlijke belastingheffing en de vastberaden bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken van cruciaal belang zijn voor het vormgeven van een eerlijke maatschappij en een sterke economie, alsook voor de bescherming van het sociaal contract en de rechtsstaat; merkt op dat een eerlijk en efficiënt belastingstelsel van groot belang is om ongelijkheid aan te pakken, niet alleen door middel van overheidsinvesteringen om sociale mobiliteit te ondersteunen, maar ook door inkomensongelijkheid te verminderen; wijst erop dat belastingbeleid van grote invloed kan zijn op werkgelegenheidsbesluiten, investeringsniveaus en de bereidheid van bedrijven om uit te breiden;

10.  benadrukt dat bovenal prioriteit moet worden verleend aan het verkleinen van de belastingkloof die het resultaat is van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken en de gevolgen hiervan voor de nationale en EU-begrotingen, teneinde een gelijk speelveld en fiscale rechtvaardigheid voor alle belastingbetalers te waarborgen en het vertrouwen in de democratische beleidsvorming te versterken, door ervoor te zorgen dat fraudeurs geen concurrentievoordeel hebben ten opzichte van eerlijke belastingbetalers;

11.  benadrukt dat gemeenschappelijke inspanningen op EU- en nationaal niveau van cruciaal belang zijn om de EU- en nationale begrotingen te beschermen tegen verliezen als gevolg van niet-betaalde belastingen; wijst erop dat landen slechts met volledig en doeltreffend geïnde belastinginkomsten kunnen zorgen voor, onder meer, kwaliteitsvolle publieke diensten, met inbegrip van betaalbaar onderwijs, gezondheid en huisvesting, veiligheid, criminaliteitsbestrijding en noodhulp, sociale zekerheid en zorg, handhaving van beroeps- en milieunormen, de strijd tegen klimaatverandering, bevordering van gendergelijkheid, openbaar vervoer, en essentiële infrastructuur, teneinde sociaal evenwichtige ontwikkeling te bevorderen en, indien nodig, te herstellen met het oog op de verwezenlijking van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen;

12.  is van mening dat recente ontwikkelingen op het gebied van belastingheffing en belastinginning, waarbij het belastingeffect is verschoven van rijkdom naar inkomen, van kapitaalinkomsten naar inkomsten uit arbeid en consumptie, van multinationals naar kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's), en van de financiële sector naar de reële economie, een disproportioneel effect hebben gehad op vrouwen en mensen met een laag inkomen, die doorgaans sterker afhankelijk zijn van inkomsten uit arbeid en een groter deel van hun inkomen aan consumptie besteden(30); wijst erop dat de percentages van belastingontduiking hoger zijn onder de allerrijksten(31); dringt er bij de Commissie op aan om in haar wetgevingsvoorstellen op het gebied van belastingheffing en de bestrijding van witwaspraktijken rekening te houden met het effect op sociale ontwikkeling, inclusief gendergelijkheid en andere eerdergenoemde beleidsterreinen;

1.3.Risico's en voordelen van contante transacties

13.  benadrukt dat contante transacties nog steeds een zeer hoog risico geven op witwaspraktijken en belastingontduiking, inclusief btw-fraude, ondanks de voordelen ervan, zoals toegankelijkheid en snelheid; stelt vast dat een aantal lidstaten al beperkingen op contante betalingen heeft ingesteld; wijst er eveneens op dat terwijl regels inzake de controle van liquide middelen aan de buitengrenzen van de EU zijn geharmoniseerd, de regels inzake de bewegingen van contanten binnen de EU-grenzen van lidstaat tot lidstaat variëren;

14.  merkt op dat fragmentatie en de verschillende aard van deze maatregelen de goede werking van de interne markt mogelijk kunnen verstoren; dringt er daarom bij de Commissie op aan met een voorstel te komen over Europese beperkingen op contante betalingen, zonder contant geld af te schaffen als betaalmiddel; wijst er voorts op dat eurobiljetten met een hoge nominale waarde een groter risico op witwaspraktijken met zich meebrengen; is ingenomen met de aankondiging van de Europese Centrale Bank (ECB) in 2016 aankondigde dat ze geen nieuwe biljetten van 500 EUR meer zou uitgeven (hoewel de bestaande voorraad een wettig betaalmiddel blijft); dringt er bij de ECB op aan een tijdschema op te stellen om de mogelijkheid om met biljetten van 500 euro te betalen geleidelijk af te schaffen;

1.4.Kwantitatieve evaluatie

15.  benadrukt dat belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning resulteren in verloren middelen voor nationale en Europese begrotingen(32); erkent dat de kwantificering van deze verliezen niet eenvoudig is; merkt echter op dat verhoogde transparantievereisten niet alleen betere gegevens zouden opleveren, maar ook zouden bijdragen aan het verminderen van de ondoorzichtigheid;

16.  wijst erop dat in diverse beoordelingen is geprobeerd om de grootte van de verliezen als gevolg van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning te kwantificeren; herinnert eraan dat geen van deze verslagen op zichzelf een voldoende volledig beeld geeft als gevolg van de aard van de gegevens of het ontbreken daarvan; wijst erop dat sommige van de recente beoordelingen elkaar aanvullen, op basis van verschillende, maar aanvullende methodologieën;

17.  merkt op dat de Commissie een raming maakt van de btw-belastingkloof in de EU, maar dat momenteel slechts vijftien lidstaten hun eigen nationale ramingen opstellen; roept elke lidstaat op om onder begeleiding van de Commissie een alomvattende raming van de belastingkloof op te stellen die niet beperkt is tot de btw en een beoordeling van de kosten van alle belastingfaciliteiten omvat;

18.  betreurt eens te meer "het ontbreken van betrouwbare en objectieve statistieken over de omvang van belastingontwijking en belastingontduiking" en benadrukt dat "het van belang is adequate en transparante methoden te ontwikkelen om de omvang van deze verschijnselen te beoordelen, evenals het effect ervan op de overheidsfinanciën, de economische activiteiten en de overheidsinvesteringen van landen"(33); wijst op het belang van politiek en financieel onafhankelijke bureaus voor de statistiek met het oog op het waarborgen van de betrouwbaarheid van de statistische gegevens; dringt erop aan om technische bijstand van Eurostat te vragen voor de verzameling van uitgebreide en nauwkeurige statistieken, zodat ze in een vergelijkbaar en eenvoudig te coördineren digitaal formaat worden verstrekt;

19.  herinnert in het bijzonder aan de in 2015 opgestelde empirische beoordeling van de omvang van de jaarlijkse inkomstenderving als gevolg van agressieve belastingplanning door vennootschappen in de EU; merkt op dat de beoordeling varieert van 50 miljard tot 70 miljard EUR (bedrag dat verloren gaat aan winstverschuiving alleen, en neerkomt op minstens 17 % van de inkomsten uit de vennootschapsbelasting in 2013 en 0,4 % van het bbp) tot 160-190 miljard EUR (verhoogd met de geïndividualiseerde belastingregelingen van de grootste multinationale ondernemingen en ondoelmatige inning);

20.  verzoekt de Raad en de lidstaten prioriteit te geven aan projecten, met name met steun van het Fiscalis-programma, die erop gericht zijn de omvang van de belastingontwijking te beoordelen om de huidige belastingkloof beter aan te pakken; benadrukt dat het Europees Parlement een verhoging van het Fiscalis-programma heeft goedgekeurd(34); verzoekt de lidstaten om, onder coördinatie van de Commissie, een schatting te maken van hun belastingverschillen en de resultaten jaarlijks te publiceren;

21.  merkt op dat in het werkdocument van het IMF(35) de wereldwijde verliezen als gevolg van grondslaguitholling en winstverschuiving (BEPS) en in verband met belastingparadijzen op ongeveer 600 miljard USD per jaar wordt geschat; merkt op dat de ramingen van het IMF voor de lange termijn 400 miljard dollar bedragen voor de OESO-landen (1 % van hun BBP) en 200 miljard USD voor de ontwikkelingslanden (1,3 % van hun bbp);

22.  is ingenomen met de recente ramingen van de niet-waargenomen economie ("non-observed economy", NOE), vaak de schaduweconomie genoemd, in het overzicht van belastingbeleid in de Europese Unie van 2017(36), die een bredere indicatie van belastingontduiking verschaft; benadrukt dat de waarde van de NOE economische activiteiten meet die misschien niet worden vastgelegd in de elementaire gegevensbronnen die worden gebruikt voor het opstellen van nationale rekeningen;

23.  wijst erop dat elk jaar bijna 40 % van de winst van multinationals wordt verlegd naar belastingparadijzen wereldwijd, waarbij sommige landen van de Europese Unie de grootste verliezers van deze winstverschuiving lijken te zijn, omdat 35 % van de verschoven winsten afkomstig is uit EU-landen, gevolgd door ontwikkelingslanden (30 %)(37); wijst erop dat ongeveer 80 % van de winsten die vanuit diverse EU-lidstaten worden verschoven naar of via enkele andere EU-lidstaten wordt gesluisd; brengt in herinnering dat multinationals soms tot wel 30 % minder belasting betalen dan binnenlandse concurrenten, en dat agressieve belastingplanning de concurrentiepositie van binnenlandse bedrijven, en met name kmo's, ondermijnt;

24.  merkt op dat de recentste ramingen met betrekking tot belastingontduiking binnen de EU uitkomen op ongeveer 825 miljard EUR per jaar(38);

25.  wijst erop dat de door de Commissie TAX3 gehoorde multinationals hun eigen ramingen van effectieve belastingtarieven opstellen(39); wijst erop dat deze ramingen door sommige deskundigen in twijfel worden getrokken;

26.  roept op tot het verzamelen van statistieken over grote transacties in vrijhavens, douane-entrepots en speciale economische zones, evenals openbaarmakingen door tussenpersonen en klokkenluiders;

1.5. Belastingfraude, belastingontduiking, belastingontwijking en agressieve belastingplanning

27.  herinnert eraan dat in de strijd tegen belastingontduiking en -fraude illegale praktijken worden aangepakt, terwijl de strijd tegen belastingontwijking zich richt op situaties waarin a priori mazen in de wetgeving worden benut binnen de grenzen van de wet – tenzij ze door de belastingdienst of uiteindelijk de rechterlijke instanties als onwettig worden beschouwd – maar die indruisen tegen de geest ervan; dringt daarom aan op een vereenvoudiging van het belastingkader;

28.  herinnert eraan dat een verbeterd stelsel voor de belastingheffing in de EU-landen waarschijnlijk minder misdrijven met zich mee zal brengen in verband met belastingontduiking en het daaruit voortvloeiende witwassen van geld;

29.  herinnert eraan dat agressieve belastingplanning wordt getypeerd als een opzet van het belastingstelsel dat gericht is op het verminderen van de belastingverplichting door gebruik te maken van de technische aspecten van een belastingstelsel of van arbitrage tussen twee of meer nationale belastingstelsels die indruisen tegen de geest van de wet;

30.  is verheugd over het antwoord van de Commissie op zijn oproepen in de resoluties TAXE, TAX2 en PANA om agressieve belastingplanning en schadelijke belastingpraktijken beter in kaart te brengen;

31.  verzoekt de Commissie en de Raad een alomvattende en nauwkeurige definitie van indicatoren voor agressieve belastingplanning voor te stellen en vast te stellen, voortbouwend op zowel de kenmerken die in de vijfde herziening van de richtlijn inzake administratieve samenwerking zijn vastgesteld (DAC6)(40) als de relevante studies en aanbevelingen van de Commissie(41); benadrukt dat deze duidelijke indicatoren in voorkomend geval mogen worden gebaseerd op normen die op internationaal niveau zijn vastgesteld; roept de lidstaten op om deze indicatoren te gebruiken om een halt toe te roepen aan alle schadelijke belastingpraktijken die voortvloeien uit de bestaande mazen in de belastingwetgeving; roept de Commissie en de Raad op deze indicatoren regelmatig bij te werken als zich nieuwe regelingen of praktijken voor agressieve belastingplanning voordoen;

32.  benadrukt de gelijkenis tussen belastingplichtige bedrijven en vermogende particulieren bij het gebruik van bedrijfsstructuren en soortgelijke structuren zoals trusts en offshore-locaties voor agressieve belastingplanning; wijst op de rol van tussenpersonen(42) bij het opzetten van dergelijke regelingen op het gebied van agressieve belastingplanning; herinnert er in dit verband aan dat voor de vermogende particulieren het grootste deel van hun inkomen eerder in de vorm van vermogenswinsten komt dan in de vorm van inkomsten uit arbeid;

33.  is ingenomen met de beoordeling door de Commissie en de opname van indicatoren voor agressieve belastingplanning in haar landenverslagen van het Europees semester 2018; roept ertoe op dat een dergelijke beoordeling een vast onderdeel wordt om te zorgen voor een gelijk speelveld op de interne markt van de EU en voor meer stabiele overheidsinkomsten op de lange termijn; verzoekt de Commissie te zorgen voor een duidelijke follow-up om praktijken van agressieve belastingplanning een halt toe te roepen, indien gewenst in de vorm van formele aanbevelingen;

34.  herhaalt zijn oproep aan ondernemingen, als belastingbetalers, om hun fiscale verplichtingen volledig na te komen en af te zien van agressieve belastingplanning die tot grondslaguitholling en winstverschuiving leidt, en om een eerlijke belastingstrategie, evenals het niet-nastreven van schadelijke belastingpraktijken, te zien als een belangrijk onderdeel van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid , met inachtneming van de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake zaken en mensenrechten en de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen, teneinde het vertrouwen van belastingbetalers in belastingstelsels te waarborgen;

35.  dringt er bij de lidstaten die aan de procedure voor nauwere samenwerking deelnemen op aan, zo spoedig mogelijk overeenstemming te bereiken over een belasting op financiële transacties, en daarbij te onderkennen dat een mondiale oplossing de voorkeur zou verdienen;

2.Vennootschapsbelasting

36.  herinnert eraan dat door de globalisering en digitalisering de mogelijkheden om op basis van het regelgevingskader een bedrijfs- of verblijfslocatie te kiezen, zijn toegenomen;

37.  herinnert eraan dat belasting betaald moet worden in de rechtsgebieden waar de feitelijke inhoudelijke en daadwerkelijke economische activiteiten worden ontplooid en de economische waarde wordt gecreëerd of, in geval van indirecte belastingen, waar de consumptie plaatsvindt; benadrukt dat dit kan worden gerealiseerd door de gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB) in de EU goed te keuren en daarbij te zorgen voor een passende en eerlijke verdeling, met inachtneming van, onder meer alle materiële activa;

38.  merkt op dat de EU in ATAD I een exitheffing heeft ingevoerd, waardoor lidstaten de economische waarde van vermogenswinsten die op het grondgebied van die staat zijn gecreëerd, kunnen belasten, ook als deze winsten op het tijdstip van vertrek nog niet zijn gerealiseerd; is van mening dat het beginsel van belastingheffing op winsten die in de lidstaten worden gemaakt voordat ze de Unie verlaten, moet worden versterkt, bijvoorbeeld door middel van gecoördineerde bronbelasting op rente en royalty's om de bestaande hiaten te dichten en te voorkomen dat winsten de EU onbelast verlaten; verzoekt de Raad de onderhandelingen over het voorstel inzake interest en royalty's(43) te hervatten; wijst erop dat in belastingverdragen de bronbelasting vaak wordt verlaagd teneinde dubbele belastingheffing te voorkomen(44);

39.  bevestigt opnieuw dat de aanpassing van internationale belastingregels een antwoord moet zijn op de ontwijking die voortvloeit uit het mogelijke gebruik van de wisselwerking tussen nationale belastingbepalingen en netwerken van belastingverdragen, met als resultaat een uitholling van de belastinggrondslag en een dubbele niet-belastingheffing, terwijl er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat er geen sprake is van dubbele belasting;

2.1.BEPS-actieplan en uitvoering ervan in de EU: ATAD

40.  erkent dat het door de G20/OESO geleide BEPS-project was bedoeld om de oorzaken en omstandigheden die tot BEPS-praktijken hebben geleid op gecoördineerde wijze aan te pakken door de samenhang van de belastingregels over de grenzen heen te verbeteren, de materiële eisen te versterken en de transparantie en zekerheid te vergroten; wijst er echter op dat de mate van bereidheid en inzet om samen te werken aan het BEPS-actieplan van de OESO verschilt tussen landen en per desbetreffende specifieke actie;

41.  merkt op dat het uit 15 punten bestaande BEPS-actieplan van de G20/OESO, bedoeld om op gecoördineerde wijze de oorzaken en omstandigheden aan te pakken waardoor BEPS-praktijken worden voortgebracht, wordt uitgevoerd en gecontroleerd en dat er via het Inclusief Kader verdere besprekingen plaatsvinden, in een bredere context dan alleen de oorspronkelijke deelnemende landen; roept de lidstaten daarom op om een hervorming van zowel het mandaat als de werking van het Inclusief Kader te ondersteunen om ervoor te zorgen dat de resterende mazen in de belastingwetgeving en onopgeloste belastingkwesties onder het huidige internationale kader vallen; is ingenomen met het initiatief van het Inclusief Kader om de discussie aan te gaan en tot een mondiale consensus te komen voor een betere verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen landen;;

42.  merkt op dat de acties moeten worden uitgevoerd; neemt kennis van de beleidsnota(45) van het Inclusieve Kader inzake BEPS, dat erop is gericht mogelijke oplossingen te formuleren voor de geïdentificeerde uitdagingen in verband met belasting van de digitale economie;

43.  wijst erop dat sommige landen onlangs eenzijdige tegenmaatregelen hebben genomen tegen schadelijke belastingpraktijken (zoals de Britse Diverted Profit Tax (belasting op omgeleide winst) en de bepalingen van de belastinghervorming in de VS: Global Immangible Low Taxed Income (GILTI)) om ervoor te zorgen dat de buitenlandse inkomsten van multinationals naar behoren worden belast tegen een minimaal effectief belastingtarief in het land van vestiging van de moederonderneming; dringt erop aan dat de EU deze maatregelen beoordeelt; merkt op dat de EU, in tegenstelling tot deze unilaterale maatregelen, in het algemeen multilaterale en consensuele oplossingen voor een billijke toewijzing van belastingrechten bevordert; benadrukt dat de EU bijvoorbeeld de voorkeur geeft aan een mondiale oplossing als het gaat om belastingheffing op de digitale sector, maar desalniettemin een belasting op digitale diensten voorstelt, aangezien de mondiale discussies slechts traag vorderen;

44.  herinnert eraan dat het EU-"anti-belastingsontwijkingspakket" van 2016 een aanvulling vormt op de bestaande bepalingen om de 15 BEPS-acties op een gecoördineerde manier binnen de gehele interne markt van de EU ten uitvoer te leggen;

45.  is verheugd over de vaststelling door de EU van ATAD I en ATAD II; neemt er nota van dat zij voor eerlijkere belastingheffing zorgen doordat zij in de hele EU een minimumniveau van bescherming tegen ontwijking van vennootschapsbelasting bieden en tegelijkertijd zorgen voor een eerlijker en stabieler klimaat voor bedrijven, zowel vanuit het oogpunt van vraag als aanbod; is ingenomen met de bepalingen inzake hybride mismatches om dubbele niet-heffing te voorkomen, teneinde bestaande mismatches weg te nemen en geen nieuwe mismatches te creëren tussen lidstaten en met derde landen;

46.  is verheugd over de bepalingen inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen (cfc's) in ATAD I om ervoor te zorgen dat de winsten van verbonden ondernemingen die in landen met een lage of geen belastingheffing zijn geparkeerd, daadwerkelijk worden belast; erkent dat zij voorkomen dat de afwezigheid of diversiteit van nationale cfc-regels binnen de Unie de werking van de interne markt verstoort, naast de situaties van volstrekt kunstmatige constructies, zoals herhaaldelijk door het Parlement is gevraagd; betreurt het naast elkaar bestaan van twee benaderingen voor de uitvoering van cfc-regels in ATAD I en roept de lidstaten op om alleen de eenvoudigere en meest efficiënte cfc-regels uit te voeren, zoals in artikel 7, lid 2, onder a), van ATAD I;

47.  is ingenomen met de algemene antimisbruikregel voor de berekening van de verschuldigde vennootschapsbelasting in ATAD I, waarmee lidstaten constructies die kunstmatig zijn buiten beschouwing kunnen laten, rekening houdend met alle relevante feiten en omstandigheden met als enige doel een belastingvoordeel te verkrijgen; herhaalt zijn oproep om een algemene en gemeenschappelijke stringente antimisbruikregel vast te stellen in de bestaande wetgeving en met name in de moeder-dochterrichtlijn, de fusierichtlijn en de rente- en royaltyrichtlijn;

48.  herhaalt zijn oproep om een heldere definitie van "vaste inrichting" en "aanmerkelijke economische aanwezigheid", zodat ondernemingen de belastingplicht in een lidstaat waar zij economische activiteiten ontplooien niet kunnen omzeilen;

49.  dringt erop aan dat de werkzaamheden van het gezamenlijk EU-forum voor verrekenprijzen over de ontwikkeling van goede praktijken en het toezicht van de Commissie op de tenuitvoerlegging door de lidstaten worden afgerond;

50.  herinnert aan zijn bezorgdheid over het gebruik van verrekenprijzen bij agressieve belastingplanning en herinnert derhalve aan de noodzaak van adequate maatregelen en verbeteringen van het kader voor verrekenprijzen om deze kwestie aan te pakken; benadrukt dat zij de economische realiteit moeten weerspiegelen, zekerheid, duidelijkheid en eerlijkheid moeten bieden voor de lidstaten en voor bedrijven die binnen de Unie actief zijn, en het risico van misbruik van de regels voor winstverschuiving moeten verminderen, rekening houdend met de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten 2010(46); wijst er evenwel op dat, zoals is benadrukt door deskundigen en in publicaties, de toepassing van het "onafhankelijke entiteiten-concept" of het "arm's length-beginsel" een van de belangrijkste factoren vormt die schadelijke belastingpraktijken mogelijk maakt(47);

51.  benadrukt dat de EU-acties die gericht zijn op het aanpakken van BEPS en agressieve belastingplanning, de belastingautoriteiten hebben uitgerust met een geactualiseerd instrumentarium om een eerlijke belastinginning te waarborgen , waarbij het concurrentievermogen van EU-bedrijven gehandhaafd blijft; benadrukt dat de belastingautoriteiten verantwoordelijk moeten zijn voor een doeltreffend gebruik van de instrumenten zonder de verantwoordelijke belastingplichtigen, met name kmo's, extra lasten op te leggen;

52.  erkent dat door de nieuwe informatiestroom naar de belastingautoriteiten na de goedkeuring van ATAD I en DAC4 er een behoefte is aan adequate middelen om ervoor te zorgen dat deze informatie zo efficiënt mogelijk wordt gebruikt en de huidige belastingkloof effectief wordt verkleind; roept alle lidstaten op te waarborgen dat de door de autoriteiten gehanteerde instrumenten voldoende en adequaat zijn om deze informatie te gebruiken en om informatie uit verschillende bronnen en gegevensreeksen te combineren en na te trekken;

2.2.Ondersteuning van EU-acties om agressieve belastingplanning te bestrijden en aanvulling van het BEPS-actieplan

2.2.1.Onderzoek van belastingstelsels van de lidstaten en het algemene belastingklimaat - agressieve belastingplanning binnen de EU (Europees semester)

53.  is verheugd over het feit dat de belastingstelsels van de lidstaten en het algemene belastingklimaat deel zijn gaan uitmaken van het Europees semester, overeenkomstig de oproep van het Parlement in die zin(48); is ingenomen met de studies en gegevens van de Commissie(49), die het mogelijk maken om situaties die economische indicatoren voor agressieve belastingplanning opleveren, beter aan te pakken, die een duidelijke indicatie geven van de blootstelling aan belastingplanning en die voor alle lidstaten een rijke gegevensbank over dit verschijnsel verschaffen; wijst erop dat de lidstaten, in de geest van loyale samenwerking, de totstandbrenging van agressieve belastingplanningsconstructies die niet verenigbaar zijn met het rechtskader van de EU en de geest van de EU-verdragen, niet mogen faciliteren;

54.  dringt erop aan dat deze nieuwe belastingindicatoren voor het Europees semester dezelfde status krijgen als de indicatoren met betrekking tot uitgavencontrole; onderstreept dat het gunstig is het Europees semester te voorzien van deze fiscale dimensie, aangezien het de mogelijkheid biedt bepaalde schadelijke belastingpraktijken aan te pakken die door de ATAD-richtlijn en andere bestaande Europese verordeningen tot nu toe niet zijn aangepakt;

55.  is verheugd over het feit dat de DAC6 de kenmerken van de meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies vastlegt waarvan tussenpersonen verslag moeten uitbrengen aan de belastingautoriteiten, zodat ze door laatstgenoemden kunnen worden beoordeeld; is verheugd over het feit dat de kenmerken van dergelijke constructies kunnen worden geactualiseerd als zich nieuwe constructies of praktijken voordoen; wijst erop dat de termijn voor de tenuitvoerlegging van de richtlijn nog niet is verstreken en dat de bepalingen moeten worden gecontroleerd om te zorgen dat zij efficiënt zijn;

56.  verzoekt de Groep gedragscode jaarlijks verslag uit te brengen aan de Raad en het Parlement over de belangrijkste in de lidstaten gerapporteerde constructies, zodat de beleidsmakers gelijke tred kunnen houden met de nieuwe belastingregelingen die worden uitgewerkt en de nodige tegenmaatregelen kunnen nemen die eventueel nodig kunnen zijn;

57.  roept zowel de EU-instellingen als de lidstaten op ervoor te zorgen dat overheidsopdrachten belastingontwijking door leveranciers niet vergemakkelijken; wijst erop dat de lidstaten moeten controleren of en ervoor zorgen dat ondernemingen of andere juridische entiteiten die bij aanbestedingen en aanbestedingscontracten betrokken zijn, niet deelnemen aan belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning; verzoekt de Commissie de bestaande aanbestedingspraktijken in het kader van de EU-aanbestedingsrichtlijn te verduidelijken en indien nodig een actualisering voor te stellen van de richtlijn die de toepassing van belastinggerelateerde overwegingen als criteria voor uitsluiting of zelfs als selectiecriteria bij overheidsopdrachten niet verbiedt;

58.  verzoekt de Commissie een voorstel te publiceren dat de lidstaten ertoe zou verplichten ervoor te zorgen dat marktdeelnemers die deelnemen aan openbare aanbestedingsprocedures voldoen aan een minimumniveau van transparantie met betrekking tot belastingen, met name openbare verslaglegging per land en transparante eigendomsstructuren;

59.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een voorstel in te dienen tot intrekking van de octrooiboxen en verzoekt de lidstaten niet-schadelijke en, indien nodig, rechtstreekse steun voor O&O op hun grondgebied te bevorderen; benadrukt dat belastingvoordelen voor ondernemingen zorgvuldig moeten worden gecreëerd en alleen worden toegepast wanneer er sprake is van een positief effect op de werkgelegenheid en groei duidelijk en het risico op het ontstaan van nieuwe mazen in het belastingstelsel wordt uitgesloten;

60.  herhaalt in de tussentijd zijn oproep om ervoor te zorgen dat de huidige octrooiboxen daadwerkelijk verband houden met economische activiteiten, zoals uitgaventests, en dat zij de concurrentie niet verstoren; wijst op de toenemende rol van immateriële activa in de waardeketen; is ingenomen met de verbeterde definitie van O&O-kosten in het voorstel voor een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB); herhaalt het standpunt van het Parlement inzake belastingvoordelen voor werkelijke O&O-uitgaven in plaats van belastingaftrek met betrekking tot O&O;

2.2.2.Betere samenwerking op het gebied van belasting, inclusief de CCCTB

61.  benadrukt dat het belastingbeleid in de Europese Unie gericht moet zijn op zowel de bestrijding van belastingontwijking en agressieve belastingplanning, als op het faciliteren van grensoverschrijdende economische activiteiten door samenwerking tussen belastingautoriteiten en slimme fiscale beleidsvorming;

62.  onderstreept dat er tal van belastinggerelateerde obstakels zijn die grensoverschrijdende economische activiteiten belemmeren; wijst in dit verband op zijn resolutie van 25 oktober 2012 over de twintig belangrijkste zorgpunten van Europese burgers en ondernemingen ten aanzien van de werking van de interne markt(50), dringt er bij de Commissie op aan een actieplan goed te keuren waarin deze obstakels met voorrang worden aangepakt;

63.  is verheugd over de herlancering van het CCCTB-project, met de goedkeuring door de Commissie van onderling samenhangende voorstellen inzake de CCTB en de CCCTB; benadrukt dat de CCCTB, wanneer deze volledig ten uitvoer is gelegd, het mogelijk zal maken de hiaten tussen de nationale belastingstelsels, met name met betrekking tot verrekenprijzen, te dichten;

64.  verzoekt de Raad de twee voorstellen snel goed te keuren en gelijktijdig ten uitvoer te leggen, rekening houdend met het advies van het Parlement, dat reeds het concept van virtuele vaste inrichting en toewijzingsformules omvat, waardoor de resterende mazen in de wetgeving die belastingontwijking mogelijk maken, worden gedicht en het speelveld in het licht van de digitalisering wordt gelijkgetrokken; betreurt dat bepaalde lidstaten blijven weigeren om een oplossing te zoeken, en dringt er bij de lidstaten op aan hun meningsverschillen te overbruggen;

65.  herinnert eraan dat de toepassing van de C(C)CTB gepaard zou moeten gaan met de tenuitvoerlegging van gemeenschappelijke boekhoudregels en een passende harmonisering van administratieve praktijken;

66.  herinnert eraan dat de CCTB en CCCTB gelijktijdig in alle lidstaten moeten worden ingevoerd om de praktijk van winstverschuiving te beëindigen en het beginsel in te voeren dat er belasting wordt betaald wanneer er winst wordt gegenereerd; verzoekt de Commissie om, als de Raad zou nalaten een unaniem besluit te nemen over het voorstel tot oprichting van een CCCTB, een nieuw voorstel in te dienen op basis van artikel 116 van het VWEU, volgens hetwelk het Europees Parlement en de Raad de gewone wetgevingsprocedure volgen om de nodige wetgeving vast te stellen;

2.2.3.Digitale belasting voor ondernemingen

67.  merkt op dat het fenomeen digitalisering een nieuwe marktsituatie heeft gecreëerd, waarbij digitale en gedigitaliseerde bedrijven kunnen profiteren van lokale markten zonder dat zij fysiek, en dus belastbaar, aanwezig zijn op die markt, waardoor een ongelijk speelveld ontstaat en traditionele bedrijven in een nadelige positie komen; merkt op dat digitale bedrijfsmodellen in de EU te maken hebben met een lagere gemiddelde effectieve belastingdruk dan traditionele bedrijfsmodellen(51);

68.  wijst in dit verband op de geleidelijke verschuiving van materiële productie naar immateriële activa in de waardeketens van multinationals, zoals wordt weerspiegeld in de relatieve groeipercentages van royalty's en inkomsten uit licentievergoedingen over de laatste vijf jaar (bijna 5 % per jaar), vergeleken met handel in goederen en directe buitenlandse investeringen (DBI) (minder dan 1 %per jaar)(52); betreurt dat digitale bedrijven in sommige lidstaten bijna geen belasting betalen, ondanks hun aanzienlijke digitale aanwezigheid en grote inkomsten in die lidstaten;

69.  is van mening dat de EU een aantrekkelijk ondernemersklimaat mogelijk moet maken om te zorgen voor een goed werkende digitale eengemaakte markt, en daarbij te zorgen voor een eerlijke belasting van de digitale economie; herinnert eraan dat als het gaat om de digitalisering van de hele economie er bij de locatie van de waardecreatie rekening moet worden gehouden met de input van gebruikers alsook met informatie die is verzameld over online-consumentengedrag;

70.  onderstreept dat het ontbreken van een gemeenschappelijke Uniestrategie voor het aanpakken van de belasting van de digitale economie ertoe zal leiden - en er reeds toe heeft geleid - dat de lidstaten unilaterale oplossingen zullen kiezen die zullen leiden tot regelgevingsarbitrage, tot versplintering van de interne markt, en tot een last voor bedrijven die grensoverschrijdend opereren, alsook voor belastingautoriteiten;

71.  wijst op de leidende rol van de Commissie en enkele lidstaten in het mondiale debat over de belasting op de gedigitaliseerde economie; spoort de lidstaten aan hun proactieve werkzaamheden op OESO- en VN-niveau voort te zetten, met name via de door het Inclusieve Kader inzake BEPS in zijn beleidsnota voorgestelde procedure(53); herinnert er echter aan dat de EU niet op een wereldwijde oplossing mag wachten maar onmiddellijk moet optreden;

72.  is verheugd over het door de Commissie op 21 maart 2018 goedgekeurde digitale belastingpakket; noemt het evenwel betreurenswaardig dat Denemarken, Finland, Ierland en Zweden hun voorbehoud of fundamentele oppositie ten aanzien van het pakket "belasting op digitale diensten" tijdens de ECOFIN-vergadering van 12 maart 2019 hebben gehandhaafd(54);

73.  benadrukt dat het akkoord over wat een digitale vaste inrichting inhoudt - het enige tot op heden bereikte akkoord - een stap in de goede richting is, doch geen oplossing vormt voor de toewijzing van belastinggrondslagen;

74.  dringt er bij de lidstaten op aan de invoering van een digitale belasting te overwegen binnen het kader van nauwere samenwerking, ter voorkoming van de verdere fragmentatie van de eengemaakte markt, waarvan reeds sprake is in afzonderlijke lidstaten die overwegen nationale maatregelen in te voeren;

75.  begrijpt dat de zogenaamde tijdelijke oplossing niet optimaal is; meent dat zij de zoektocht naar een betere oplossing op mondiaal niveau zal helpen versnellen, terwijl het speelveld op de lokale markten enigszins wordt gelijkgetrokken; roept de EU-lidstaten op om de langetermijnoplossing voor de belasting van de digitale economie (inzake de aanmerkelijke digitale aanwezigheid) zo snel mogelijk te bespreken, goed te keuren en ten uitvoer te leggen, zodat de EU op mondiaal niveau toonaangevend kan blijven; benadrukt dat de door de Commissie voorgestelde langetermijnoplossing als basis moet dienen voor verdere werkzaamheden op internationaal niveau;

76.  wijst erop dat EU-burgers warm voorstander van een belasting op digitale diensten zijn; herinnert eraan dat uit enquêtes is gebleken dat 80 % van de burgers uit Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Nederland, Zweden en Denemarken een digitaledienstenbelasting en vindt dat de EU vooruit moet lopen op internationale inspanningen; onderstreept bovendien dat een meerderheid van de ondervraagde burgers een breed toepassingsgebied voor een digitaledienstenbelasting wenst(55);

77.  verzoekt de lidstaten ervoor te zorgen dat de digitaledienstenbelasting een tijdelijke maatregel blijft door een "vervalclausule" op te nemen in het voorstel voor een richtlijn van de Raad van 21 maart 2018 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting voor inkomsten die voortvloeien uit het aanbieden van bepaalde digitale diensten(56) (COM(2018)0148), en door de discussie over een Aanmerkelijke Digitale Aanwezigheid te versnellen;

2.2.4.Effectieve belastingheffing

78.  merkt op dat de nominale tarieven van de vennootschapsbelasting op EU-niveau zijn gedaald, van gemiddeld 32 % in 2000 tot 21,9 % in 2018(57), hetgeen neerkomt op een afname van 32 %; is bezorgd over de gevolgen van deze concurrentie voor de duurzaamheid van belastingstelsels en de mogelijke overloopeffecten op andere landen; merkt op dat het eerste het eerste door de G20/OESO geleide BEPS-project dit fenomeen ongemoeid laat; is ingenomen met de aankondiging van het Inclusieve Kader inzake BEPS(58) dat het voor 2020 op een onbevooroordeelde manier zal gaan kijken naar belastingbevoegdheden die de mogelijkheid van rechtsgebieden zouden vergroten om winsten te belasten wanneer het andere rechtsgebied met belastingbevoegdheden een laag effectief belastingtarief op deze winsten toepast, hetgeen zou neerkomen op een minimale effectieve belasting; wijst erop dat, zoals vermeld in het Inclusieve Kader inzake BEPS, het huidige door de OESE geleide werkzaamheden niets veranderen aan het feit dat landen of rechtsgebieden de vrijheid hebben om hun eigen belastingtarieven vast te stellen of zelfs helemaal geen vennootschapsbelasting te heffen(59);

79.  is ingenomen met de nieuwe wereldwijde standaard van de OESO over de toepassing van de factor substantiële activiteiten op rechtsgebieden zonder belastingen of met slechts nominale belastingen(60), die grotendeels is geïnspireerd door de werkzaamheden van de EU tijdens het proces voor het opstellen van de EU-lijst (Eerlijk criterium 2.2 van de EU-lijst);

80.  wijst op de discrepanties tussen de ramingen van effectieve belastingtarieven door grote bedrijven - vaak gebaseerd op belastingregels(61) - en de belasting die daadwerkelijk door grote multinationals wordt betaald; merkt op dat de traditionele sectoren gemiddeld een effectief vennootschapsbelastingtarief van 23 % betalen, terwijl de digitale sector ongeveer 9,5 % betaalt(62);

81.  wijst op de uiteenlopende methodologieën om effectieve belastingtarieven te beoordelen, hetgeen het onmogelijk maakt om effectieve belastingtarieven binnen de EU en wereldwijd op een betrouwbare manier te vergelijken; wijst erop dat sommige schattingen van effectieve belastingtarieven in de EU variëren van 2,2 % tot 30 %(63); dringt er bij de Commissie op aan haar eigen methodologie te ontwikkelen en de effectieve belastingtarieven in de lidstaten geregeld openbaar te maken;

82.  dringt er bij de Commissie op aan het fenomeen van afnemende nominale belastingtarieven en de gevolgen ervan voor de effectieve belastingtarieven in de EU te beoordelen, en oplossingen voor te stellen, zowel binnen de EU als, in voorkomend geval, richting derde landen, met inbegrip van krachtige antimisbruikregels, defensieve maatregelen, zoals regels inzake gecontroleerde buitenlandse vennootschappen, en een aanbeveling om belastingverdragen te wijzigen;

83.  is van mening dat de wereldwijde coördinatie met betrekking tot de belastinggrondslag die voortvloeit uit het BEPS-project van de OESO vergezeld moet gaan van een betere coördinatie op het gebied van belastingtarieven met het oog op grotere efficiëntie;

84.  verzoekt de lidstaten het mandaat van de Groep gedragscode te actualiseren om hierin ook het onderzoeken van het concept van minimale effectieve belasting van bedrijfswinsten op te nemen, teneinde zo voort te bouwen op de OESO-werkzaamheden "Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy";

85.  neemt kennis van de verklaring van de Franse minister van Financiën tijdens de TAX3-vergadering van 23 oktober 2018 over de noodzaak om het concept van een minimumbelasting te bespreken; is verheugd over de bereidheid van Frankrijk om het debat over minimumbelasting op te nemen als een van de prioriteiten van het Franse voorzitterschap van de G7 in 2019, zoals tijdens de ECOFIN-vergadering van 12 maart 2019 werd herhaald;

2.3.Administratieve samenwerking wat betreft directe belastingen

86.  benadrukt dat de richtlijn administratieve samenwerking (DAC) sinds juni 2014 vier keer is gewijzigd;

87.  roept de Commissie op om voorstellen te beoordelen en in te dienen om hiaten in de tweede richtlijn administratieve samenwerking te dichten, met name door harde activa en cryptovaluta op te nemen in het toepassingsgebied van de richtlijn, door straffen voor te schrijven voor niet-naleving of valse verslaglegging door financiële instellingen, alsook door meer types financiële instellingen en types rekeningen op te nemen waarover momenteel geen verslag wordt uitgebracht, zoals pensioenfondsen;

88.  herhaalt zijn verzoek om een ruimer toepassingsgebied met betrekking tot de uitwisseling van fiscale rulings en ruimere toegang voor de Commissie, en om meer harmonisatie van de praktijken inzake fiscale ruling van verschillende nationale belastingautoriteiten;

89.  verzoekt de Commissie haar eerste beoordeling van DAC3 in dit verband snel bekend te maken, met name wat betreft het aantal uitgewisselde rulings en het aantal keren dat de nationale belastingdiensten toegang hebben gehad tot informatie die in het bezit is van een andere lidstaat; dringt erop aan dat bij de beoordeling ook wordt gekeken naar de gevolgen van de bekendmaking van belangrijke informatie over fiscale rulings (het aantal rulings, de namen van de begunstigden, het effectieve belastingtarief dat uit elke ruling voortvloeit); roept de lidstaten op om binnenlandse fiscale rulings openbaar te maken;

90.  betreurt dat de voor belastingheffing verantwoordelijke commissaris niet onderkent dat het noodzakelijk is om het bestaande systeem voor de informatie-uitwisseling tussen nationale belastingautoriteiten uit te breiden;

91.  herhaalt voorts zijn verzoek om te zorgen voor gelijktijdige belastingcontroles van personen met gemeenschappelijke of complementaire belangen (met inbegrip van moederondernemingen en hun dochterondernemingen) en zijn verzoek om de fiscale samenwerking tussen de lidstaten verder te versterken door middel van een verplichting om op groepsverzoeken over belastingzaken in te gaan; herinnert eraan dat tegenover de belastingdiensten het zwijgrecht niet kan worden ingeroepen bij administratieve onderzoeken en dat medewerking verplicht is(64);

92.  is van mening dat gecoördineerde inspecties ter plaatse en gezamenlijke audits deel moeten uitmaken van het Europees kader voor samenwerking tussen belastingdiensten;

93.  benadrukt dat niet alleen de uitwisseling en verwerking van informatie, maar ook de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de belastingdiensten bijdraagt tot een efficiëntere belastinginning; roept de lidstaten op om prioriteit te geven aan de uitwisseling van optimale werkwijzen tussen de belastingdiensten, in het bijzonder wat betreft de digitalisering van belastingdiensten;

94.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de procedures voor een digitaal systeem voor het indienen van belastingaangiften te harmoniseren om grensoverschrijdende activiteiten te vergemakkelijken en bureaucratie te verminderen;

95.  verzoekt de Commissie de tenuitvoerlegging van DAC4 snel te evalueren en na te gaan of de nationale belastingdiensten daadwerkelijk toegang hebben tot informatie per land die in het bezit is van een andere lidstaat; verzoekt de Commissie na te gaan hoe DAC4 zich verhoudt tot actie 13 van het BEPS-actieplan van de G20 voor de uitwisseling van informatie per land;

96.  is ingenomen met de automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen op basis van de wereldwijde standaard die door de OESO is ontwikkeld met Andorra, Liechtenstein, Monaco, San Marino en Zwitserland; verzoekt de Commissie en de lidstaten de bepalingen van het Verdrag aan te passen aan de gewijzigde DAC;

97.  benadrukt voorts de bijdrage die wordt geleverd via het Fiscalis 2020-programma, dat tot doel heeft de samenwerking tussen deelnemende landen, hun belastingdiensten en hun ambtenaren te verbeteren; benadrukt de toegevoegde waarde van gezamenlijke acties op dit gebied en de rol van het mogelijke programma bij de ontwikkeling en exploitatie van belangrijke trans-Europese IT-systemen;

98.  herinnert de lidstaten aan al hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag(65), met name om loyaal, oprecht en prompt samen te werken; dringt er daarom in het licht van grensoverschrijdende gevallen, met name de zogenaamde cum-ex-dossiers, op aan dat de nationale belastingautoriteiten van alle lidstaten centrale contactpunten (SPOC: Single Point of Contact) aanwijzen, overeenkomstig het SPoC-systeem van de Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration (JITSIC) in het kader van de OESO(66), om de samenwerking bij de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning te vergemakkelijken en te versterken; verzoekt de Commissie daarnaast om de samenwerking tussen de SPoC's van de lidstaten te vergemakkelijken en te coördineren;

99.  beveelt aan dat de autoriteiten van de lidstaten die door hun tegenhangers in andere lidstaten in kennis worden gesteld van mogelijke inbreuken op de wetgeving, verplicht zijn om tijdig een officiële kennisgeving van ontvangst en, in voorkomend geval, een inhoudelijk antwoord te geven op de maatregelen die naar aanleiding van de bovengenoemde kennisgeving zijn genomen;

2.4.Dividendstripping en couponwassen

100.  constateert dat cum-ex-transacties een wereldwijd probleem vormen en ook in Europa al sinds de jaren negentig bekend zijn maar dat er geen gecoördineerde maatregelen tegen zijn genomen; betreurt de belastingfraude die aan het licht werden gebracht door het zogenaamde "cum-ex-dossiers"-schandaal, dat volgens sommige ramingen van de media tot openbaar gemaakte verliezen aan belastinginkomsten van de lidstaten heeft geleid, tot een bedrag van wel 55,2 miljard EUR; benadrukt dat het consortium van Europese journalisten Duitsland, Denemarken, Spanje, Italië en Frankrijk als vermeende belangrijkste doelmarkten voor cum-ex-handelspraktijken aanwijst, gevolgd door België, Finland, Polen, Nederland, Oostenrijk en Tsjechië;

101.  benadrukt dat de complexiteit van belastingstelsels kan leiden tot mazen in de wetgeving die constructies voor belastingfraude zoals cum-ex in de hand werken;

102.  merkt op dat de systematische fraude rond de cum-ex- en cum-cum-constructies gedeeltelijk mogelijk was omdat de desbetreffende autoriteiten in de lidstaten de aanvragen om terugbetaling van belastingen niet voldoende hebben gecontroleerd en geen duidelijk en volledig beeld hebben van het feitelijke eigendom van aandelen; roept de lidstaten op om alle desbetreffende autoriteiten toegang te geven tot volledige en actuele informatie over de eigendom van aandelen; verzoekt de Commissie te beoordelen of EU-actie op dit gebied nodig is en een wetgevingsvoorstel in te dienen als uit de beoordeling blijkt dat er behoefte is aan een dergelijke actie;

103.  onderstreept dat de onthullingen lijken te wijzen op mogelijke tekortkomingen in nationale belastingwetgeving en in de huidige systemen voor informatie-uitwisseling en samenwerking tussen de autoriteiten van de lidstaten; dringt er bij de lidstaten op aan effectief gebruik te maken van alle communicatiekanalen, nationale gegevens en gegevens die beschikbaar worden gesteld door het versterkte kader voor informatie-uitwisseling;

104.  benadrukt dat de grensoverschrijdende aspecten van de cum-ex-dossiers multilateraal moeten worden behandeld; waarschuwt dat de invoering van nieuwe bilaterale verdragen inzake informatie-uitwisseling en bilaterale samenwerkingsmechanismen tussen afzonderlijke lidstaten het al ingewikkelde kluwen van internationale regels nog moeilijker af te wikkelen zou maken, nieuwe mazen zou introduceren en zou bijdragen aan een gebrek aan transparantie;

105.  dringt er bij alle lidstaten op aan de praktijken rond dividendbetalingen in hun rechtsgebied grondig te onderzoeken en te analyseren, de mazen in hun belastingwetgeving te identificeren die mogelijkheden creëren voor misbruik door belastingfraudeurs en belastingontwijkers, alle mogelijke grensoverschrijdende aspecten van deze praktijken te analyseren en een einde te maken aan al deze schadelijke belastingpraktijken; verzoekt lidstaten in dit opzicht beste praktijken uit te wisselen;

106.  verzoekt de lidstaten en hun financiële toezichthoudende autoriteiten de noodzaak te beoordelen om uitsluitend fiscaal gedreven financiële praktijken, zoals dividendarbitrage of dividendstripping en soortgelijke constructies, te verbieden, tenzij de emittent bewijst dat deze financiële praktijken een wezenlijk economisch doel hebben anders dan ongerechtvaardigde belastingteruggave en/of belastingontwijking; dringt er bij de EU-wetgevers op aan de mogelijkheid te overwegen om deze maatregel op EU-niveau toe te passen;

107.  dringt er bij de Commissie op aan onmiddellijk werk te maken van een voorstel voor een Europese financiële politiemacht binnen het kader van Europol met eigen opsporingscapaciteiten, alsook van een Europees kader voor grensoverschrijdend belastingonderzoek en onderzoek naar andere grensoverschrijdende financiële misdrijven;

108.  concludeert dat uit de cum-ex-dossiers blijkt dat het dringend noodzakelijk is de samenwerking tussen de belastingautoriteiten van EU-lidstaten te verbeteren, met name wat betreft het delen van informatie; dringt er derhalve bij de lidstaten op aan hun samenwerking te verbeteren op het gebied van het opsporen, stoppen, onderzoeken en vervolgen van belastingfraude en constructies voor belastingontduiking, zoals cum-ex en, in voorkomend geval, cum-cum, met inbegrip van uitwisseling van beste praktijken, en op EU-niveau oplossingen te ondersteunen waar dit gerechtvaardigd is;

2.5.Transparantie met betrekking tot vennootschapsbelasting

109.  is verheugd over de goedkeuring van DAC4 die voorziet in rapportage per land aan belastingautoriteiten, in overeenstemming met de norm van BEPS-actie 13;

110.  herinnert eraan dat openbare rapportage per land een van de belangrijkste maatregelen is om meer transparantie te realiseren inzake belastinginformatie van ondernemingen; benadrukt dat het voorstel voor openbare rapportage per land door bepaalde ondernemingen en bedrijfstakken aan de medewetgevers is voorgelegd net na het "Panama Papers"-schandaal van 12 april 2016 en dat het Parlement zijn standpunt hierover op 4 juli 2017 heeft vastgesteld(67); herinnert eraan dat het Parlement op 4 juli 2017 heeft opgeroepen om de reikwijdte van de verslaglegging uit te breiden en commercieel gevoelige informatie te beschermen, met inachtneming van de concurrentiepositie van EU-ondernemingen;

111.  herinnert aan het standpunt van het Parlement in de aanbevelingen van PANA waarin het oproept tot uitgebreide openbare verslaglegging per land om de fiscale transparantie en het publieke toezicht op multinationale ondernemingen te verbeteren; dringt er bij de Raad op aan een gemeenschappelijk akkoord te bereiken teneinde een openbare verslaglegging per land vast te stellen, een van de belangrijkste maatregelen om meer transparantie voor alle burgers te bereiken met betrekking tot de belastinginformatie van ondernemingen;

112.  betreurt het gebrek aan vooruitgang en samenwerking van de Raad sinds 2016; dringt erop aan dat in de Raad spoedig vooruitgang wordt geboekt, zodat deze de onderhandelingen met het Parlement kan beginnen;

113.  herinnert eraan dat openbaar toezicht van belang is voor onderzoekers(68), onderzoeksjournalisten, beleggers en andere belanghebbenden, en hen in staat stelt risico's, aansprakelijkheden en kansen te beoordelen, teneinde eerlijk ondernemerschap te bevorderen; herinnert eraan dat soortgelijke bepalingen reeds bestaan voor de banksector krachtens artikel 89 van Richtlijn 2013/36/EU (CDRIV)(69) en voor de winningsindustrie en de houtindustrie uit hoofde van Richtlijn 2013/34/EU(70); wijst erop dat sommige particuliere belanghebbenden vrijwillig nieuwe rapportage-instrumenten ontwikkelen om de transparantie op belastinggebied te vergroten, zoals de Global Reporting Initiative-norm "Openbaarmaking van belastingen en betalingen aan regeringen", als onderdeel van hun beleid voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;

114.  herinnert eraan dat de maatregelen inzake transparantie van de vennootschapsbelasting geacht moeten worden verband te houden met artikel 50, lid 1, van het VWEU betreffende de vrijheid van vestiging, en benadrukt dat bovengenoemd artikel dan ook de passende rechtsbasis vormt voor het voorstel voor een openbare rapportage per land, zoals vastgesteld in de effectbeoordeling van de Commissie die is gepubliceerd op 12 april 2016 (COM(2016)0198);

115.  wijst erop dat, gezien de beperkte capaciteit van ontwikkelingslanden om te voldoen aan vereisten via de bestaande procedures voor informatie-uitwisseling, transparantie van groot belang is om de belastingdiensten van deze landen eenvoudiger toegang tot informatie te verschaffen;

2.6.Regels inzake staatssteun

116.  herinnert eraan dat de directe belastingen op ondernemingen onder de werkingssfeer van de staatssteun vallen(71) wanneer fiscale maatregelen onderscheid maken tussen belastingbetalers, in tegenstelling tot fiscale maatregelen van algemene aard die zonder onderscheid van toepassing zijn op alle ondernemingen;

117.  verzoekt de Commissie, en met name het directoraat-generaal Concurrentie, na te gaan of er maatregelen kunnen worden genomen om de lidstaten ervan te weerhouden dergelijke staatssteun toe te kennen in de vorm van een belastingvoordeel;

118.  is verheugd over de nieuwe proactieve en open benadering van de Commissie met betrekking tot onderzoeken naar illegale staatssteun tijdens de huidige zittingsperiode, die heeft geleid tot een aantal zeer ingrijpende zaken die door de Commissie zijn afgerond;

119.  betreurt het dat ondernemingen overeenkomsten kunnen sluiten met overheden om in een bepaald land bijna geen belasting te hoeven betalen, ondanks het feit dat zij in dit land substantiële werkzaamheden uitvoeren; wijst in dit verband op een fiscale ruling tussen de Belastingdienst en Royal Dutch Shell plc, die in strijd lijkt te zijn met de Nederlandse belastingwetgeving op de enkele grond dat het hoofdkantoor na de fusie van de twee voormalige moederondernemingen in Nederland zou zijn gevestigd, hetgeen resulteert in een vrijstelling van Nederlandse bronbelasting op dividenden; wijst erop dat tegelijkertijd uit recente onderzoeken blijkt dat de onderneming ook geen winstbelasting in Nederland betaalt; roept de Commissie nogmaals op om onderzoek te doen naar dit geval van mogelijk illegale overheidssteun;

120.  is ingenomen met het feit dat de Commissie sinds 2014 de fiscale rulingpraktijken van de lidstaten onderzoekt naar aanleiding van beschuldigingen over gunstige fiscale behandeling van bepaalde ondernemingen, en sinds 2014 negen formele onderzoeken heeft gestart. In zes ervan werd de conclusie getrokken dat de fiscale ruling illegale staatssteun was(72); merkt op dat één ervan werd afgesloten met de conclusie dat de dubbele niet-belasting van bepaalde winst geen staatssteun vormde(73), terwijl de andere twee zijn nog niet afgerond(74);

121.  betreurt het dat de Commissie, bijna vijf jaar na de LuxLeaks-onthullingen, enkel een formeel onderzoek(75) heeft ingesteld naar een van de ruim vijfhonderd door Luxemburg verstrekte fiscale rulings die dankzij het onder leiding van het Internationaal Consortium van Onderzoeksjournalisten (ICIJ) uitgevoerde LuxLeaks-onderzoek aan het licht zijn gekomen;

122.  merkt op dat ondanks het feit dat de Commissie constateerde dat McDonald's heeft geprofiteerd van dubbele niet-belasting op bepaalde winsten in de EU, er geen besluit op grond van de EU-staatssteunregels kon worden genomen, aangezien de Commissie tot de conclusie is gekomen dat de dubbele niet-belasting voortkwam uit verschillen tussen de Luxemburgse en Amerikaanse belastingwetgeving en het verdrag tussen Luxemburg en de Verenigde Staten tot het vermijden van dubbele belasting(76); neemt kennis van de aankondiging van Luxemburg dat het zijn verdragen tot het vermijden van dubbele belasting zal aanpassen aan de internationale belastingwetgeving;

123.  is bezorgd over het feit dat de Commissie heeft geoordeeld dat de dubbele niet-belastingheffing die McDonald's heeft bedongen het gevolg is van een discrepantie tussen de Luxemburgse en Amerikaanse belastingwetgeving en het verdrag tussen Luxemburg en de Verenigde Staten betreffende het vermijden van dubbele belasting, een discrepantie waarvan McDonald's profiteerde door middel van arbitrage tussen de jurisdicties; is verder bezorgd over het feit dat een dergelijke door arbitrage aangestuurde belastingontwijking in de EU mogelijk wordt gemaakt;

124.  is bezorgd over de omvang van de niet-betaalde belasting voor alle lidstaten gedurende lange perioden(77); herinnert eraan dat de terugvordering van onrechtmatige steun tot doel heeft naar de vroegere situatie terug te keren en dat de berekening van het precieze bedrag van de terug te betalen steun deel uitmaakt van de op nationale autoriteiten rustende uitvoeringsverplichting; verzoekt de Commissie om werkbare tegenmaatregelen, waaronder boetes, te onderzoeken en vast te stellen, om te helpen voorkomen dat de lidstaten een selectieve gunstige fiscale behandeling aanbieden die staatssteun vormt en niet in overeenstemming is met de EU-regels;

125.  dringt nogmaals bij de Commissie aan op richtsnoeren om te verduidelijken wat belastinggerelateerde staatssteun en "passende" verrekenprijzen zijn; verzoekt de Commissie eveneens de rechtsonzekerheid voor zowel belastingplichtigen als belastingdiensten weg te nemen en bijgevolg een kader te bieden voor de belastingpraktijken van de lidstaten op dit gebied;

126.  betreurt dat de Commissie er niet in slaagt gebruik te maken van staatssteunregels tegen belastingmaatregelen die ernstige concurrentieverstoringen teweegbrengen, en dat ze deze regels enkel toepast in selectieve gevallen met bepaalde kenmerken om de praktijk in het land in kwestie te veranderen; verzoekt de Commissie alles in het werk te stellen om ongepaste staatssteun terug te vorderen, onder meer voor alle ondernemingen die worden genoemd in het Luxleaks-schandaal, zodat er weer een gelijk speelveld wordt gecreëerd; roept de Commissie er tevens toe op verdere richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten en aan marktdeelnemers over de toepassing van de staatssteunregels en welke gevolgen dit heeft voor de praktijken van ondernemingen op het gebied van fiscale planning;

127.  dringt aan op een hervorming van het mededingingsrecht om het toepassingsgebied van de staatssteunregels uit te breiden zodat krachtiger kan worden opgetreden tegen schadelijke fiscale staatssteun voor multinationale ondernemingen, waaronder fiscale rulings;

2.7.Brievenbusfirma's

128.  merkt op dat er geen eenduidige definitie van brievenbusfirma's bestaat, d.w.z. ondernemingen die in een rechtsgebied zijn geregistreerd voor uitsluitend belastingontwijking of belastingontduiking en zonder enige significante economische aanwezigheid; benadrukt echter dat eenvoudige criteria zoals reële economische activiteit of de fysieke aanwezigheid van personeel dat voor de onderneming werkt, kunnen helpen om brievenbusfirma's op te sporen en ertegen op te treden; herhaalt zijn oproep voor een duidelijke definitie;

129.  benadrukt dat, zoals het Parlement heeft voorgesteld in zijn standpunt voor de interinstitutionele onderhandelingen over de wijzigingsrichtlijn betreffende grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen(78), lidstaten moeten worden verplicht ervoor te zorgen dat grensoverschrijdende omzettingen overeenkomen met de daadwerkelijke nastreving van een echte economische activiteit, ook in de digitale sector, teneinde het opzetten van brievenbusfirma's te voorkomen;

130.  roept de lidstaten op te verlangen dat financiële informatie wordt uitgewisseld tussen de bevoegde autoriteiten vóór de uitvoering van grensoverschrijdende omzettingen, fusies of splitsingen;

131.  beveelt aan om elke entiteit die een offshoreconstructie opricht aan de bevoegde instanties de legitieme redenen voor dit besluit te laten meedelen, om te waarborgen dat offshorerekeningen niet worden gebruikt voor witwaspraktijken of belastingontduiking;

132.  eist dat de daadwerkelijke eigenaren aan de belastingautoriteiten worden bekendgemaakt;

133.  wijst op nationale maatregelen om commerciële relaties met brievenbusfirma's specifiek te verbieden; wijst met name op de Letse wetgeving, waarin een brievenbusfirma wordt gedefinieerd als een entiteit die geen daadwerkelijke economische activiteit heeft en niet over bewijzen van het tegendeel beschikt, als een onderneming die is geregistreerd in een rechtsgebied waar ondernemingen geen financiële overzichten hoeven in te dienen en/of geen vestiging heeft in het land waar zij gevestigd is; wijst er evenwel op dat het verbod op brievenbusfirma's in Letland volgens het EU-recht niet kan worden gebruikt om in EU-lidstaten gevestigde brievenbusfirma's te verbieden, omdat dit als discriminerend zou worden beschouwd(79); verzoekt de Commissie wijzigingen op de huidige EU-wetgeving voor te stellen die het mogelijk maken brievenbusfirma's te verbieden, zelfs als zij gevestigd zijn in EU-lidstaten;

134.  wijst erop dat het hoge niveau van inkomende en uitgaande directe buitenlandse investeringen als percentage van het bbp in zeven lidstaten (België, Cyprus, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland) slechts voor een klein deel kan worden verklaard door de reële economische activiteiten die in deze lidstaten plaatsvinden(80);

135.  benadrukt het hoge niveau van buitenlandse directe investeringen in diverse lidstaten, met name in Luxemburg, Malta, Cyprus, Nederland en Ierland(81); wijst erop dat deze buitenlandse directe investeringen vaak in handen zijn van voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten (special purpose entity (SPE)) die vaak dienen om mazen in de wetgeving te benutten; verzoekt de Commissie de rol van SPE's bij buitenlandse directe investeringen te beoordelen;

136.  merkt op dat economische indicatoren zoals een ongewoon hoog niveau aan buitenlandse directe investeringen, alsmede buitenlandse directe investeringen die in handen zijn van SPE's, indicatoren zijn voor agressieve belastingplanning(82);

137.  merkt op dat de antimisbruikregels in de richtlijn bestrijding belastingontwijking (kunstmatige regelingen) betrekking hebben op brievenbusfirma's, terwijl de CCTB en CCCTB ervoor zouden zorgen dat de inkomsten worden toegekend aan de plaats waar de werkelijke economische activiteit plaatsvindt;

138.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan om gecoördineerde, bindende, afdwingbare en substantiële vereisten inzake economische activiteit en toetsing van de uitgaven op te stellen;

139.  verzoekt de Commissie om binnen twee jaar de geschiktheid te controleren van de onderling samenhangende wetgevings- en beleidsinitiatieven die gericht zijn op het aanpakken van het gebruik van brievenbusfirma's in de context van belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld;

3.Btw

140.  onderstreept de noodzaak van harmonisatie van de btw-regels op EU-niveau voor zover dat nodig is om de totstandbrenging en de werking van de interne markt te waarborgen en concurrentievervalsing te voorkomen(83);

141.  benadrukt dat btw een belangrijke bron van belastinginkomsten is voor de nationale begrotingen; merkt op dat de btw-inkomsten in de 28 lidstaten van de EU in 2016 1 044 miljard EUR bedroegen, wat overeenkomt met 18 % van alle belastinginkomsten in de lidstaten; merkt op dat de jaarlijkse EU-begroting voor 2017 157 miljard EUR bedroeg;

142.  betreurt het echter dat elk jaar grote bedragen van de verwachte btw-inkomsten verloren gaan als gevolg van fraude; benadrukt dat volgens de statistieken van de Commissie de btw-kloof (dat wil zeggen het verschil tussen de verwachte btw-inkomsten en de werkelijk geïnde btw, waarmee een schatting kan worden gemaakt van de misgelopen btw als gevolg van fraude, maar ook als gevolg van faillissementen, misrekeningen en belastingontwijking) in de EU in 2016 147 miljard EUR bedroeg, wat neerkomt op meer dan 12 % van de totale verwachte btw-inkomsten(84), hoewel de situatie veel ernstiger is in een aantal lidstaten waar de kloof in de buurt van 20 % ligt of zelfs daarboven, hetgeen tekenend is voor de grote verschillen tussen de manieren waarop lidstaten de btw-kloof aanpakken;

143.  merkt op dat de Commissie schat dat ongeveer 50 miljard EUR, of 100 EUR per EU-burger per jaar, verloren gaat door grensoverschrijdende btw-fraude(85); wijst erop dat Europol bovendien schat dat ongeveer 60 miljard EUR van de btw-fraude verband houdt met de financiering van georganiseerde misdaad en terrorisme; wijst op de toegenomen harmonisering en vereenvoudiging van btw-stelsels in de EU, hoewel de samenwerking tussen lidstaten nog steeds niet voldoende nog doeltreffende is; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan hun samenwerking te intensifiëren om btw-fraude beter te bestrijden; verzoekt de volgende Commissie prioriteit te geven aan de invoering en tenuitvoerlegging van het definitieve btw-stelsel, teneinde dit te verbeteren;

144.  dringt aan op betrouwbare statistieken om de btw-kloof in te schatten en benadrukt de behoefte aan een gemeenschappelijke aanpak voor het verzamelen en delen van gegevens binnen de EU; dringt er bij de Commissie op aan ervoor te zorgen dat geharmoniseerde statistieken regelmatig in de lidstaten worden verzameld en gepubliceerd;

145.  onderstreept dat fraudeurs misbruik hebben gemaakt van het huidige btw-stelsel (overgangsregeling) door een vrijstelling toe te passen op intracommunautaire leveringen binnen de EU en uitvoer, met name bij de btw-carrouselfraude of intracommunautaire ploffraude;

146.  neemt kennis van het feit dat volgens de Commissie bedrijven die grensoverschrijdend actief zijn, momenteel 11 % hogere nalevingskosten hebben in vergelijking met bedrijven die alleen in eigen land handel drijven; merkt met name kmo's lijden onder buitenproportionele btw-nalevingskosten, wat een van de redenen is waarom kmo's terughoudend zijn geweest bij het benutten van de voordelen van de eengemaakte markt; verzoekt de Commissie en de lidstaten oplossingen uit te werken om de aan grensoverschrijdende handel verbonden btw-nalevingskosten te verlagen;

3.1.Modernisering van het btw-kader

147.  is daarom ingenomen met het btw-actieplan van de Commissie van 6 april 2016 voor hervorming van het in december 2016 door de Commissie goedgekeurde btw-kader en 13 wetgevingsvoorstellen die betrekking hebben op de verschuiving naar het definitieve btw-stelsel, de btw-belemmeringen voor e-commerce wegnemen, het btw-stelsel voor kmo's herzien, het btw-tarievenbeleid moderniseren en de btw-kloof aanpakken;

148.  is verheugd over het feit dat in 2015 een mini-éénloketsysteem (MOSS) voor btw inzake telecommunicatie, uitzendingen en elektronische diensten is ingevoerd als een vrijwillig systeem voor de registratie, aangifte en betaling van btw; is verheugd over de uitbreiding van het MOSS naar andere leveringen van goederen en diensten aan eindgebruikers met ingang van 1 januari 2021;

149.  merkt op dat de Commissie schat dat de hervorming om de btw te moderniseren de administratieve rompslomp naar verwachting met 95 % zal verminderen, wat neerkomt op een geraamd bedrag van 1 miljard EUR;

150.  is met name ingenomen met het feit dat de Raad op 5 december 2017 nieuwe regels heeft aangenomen die het voor onlinebedrijven eenvoudiger maken om aan de btw-verplichtingen te voldoen; is in het bijzonder ingenomen met het feit dat de Raad het advies van het Parlement heeft overgenomen met betrekking tot de invoering van aansprakelijkheid van onlineplatforms voor de inning van de btw op de afstandsverkopen die zij faciliteren; is van mening dat deze maatregel zal zorgen voor een gelijk speelveld met bedrijven van buiten de EU, aangezien veel goederen die worden ingevoerd voor afstandsverkopen, momenteel btw-vrij de EU binnenkomen; roept de lidstaten op om de nieuwe regels tegen 2021 correct in te voeren;

151.  is verheugd over de op 4 oktober 2017(86) en 24 mei 2018(87) goedgekeurde definitieve voorstellen voor een btw-stelsel; is met name ingenomen met het voorstel van de Commissie om het bestemmingsbeginsel toe te passen op belastingheffing, wat betekent dat de btw zou worden betaald aan de belastingautoriteiten in de lidstaat van de eindconsument tegen het in die lidstaat geldende tarief;

152.  is met name verheugd over de vooruitgang die de Raad heeft geboekt in de richting van de definitieve btw-regeling door op 4 oktober 2018 de snelle oplossingen(88) aan te nemen; spreekt echter zijn bezorgdheid uit over het feit dat er geen waarborgen met betrekking tot de fraudegevoelige aspecten van het voorstel zijn aangenomen dat aansluit op het standpunt van het Parlement(89) inzake het voorstel wat betreft de gecertificeerd belastingplichtige(90), zoals geformuleerd in zijn advies van 3 oktober 2018(91); betreurt ten zeerste dat de Raad het besluit over de invoering van de status gecertificeerd belastingplichtige heeft uitgesteld tot de goedkeuring van de definitieve btw-regeling;

153.  verzoekt de Raad ervoor te zorgen dat de CTP-status overeenstemt met de status van geautoriseerde marktdeelnemer (AEO) die wordt afgegeven door de douaneautoriteiten;

154.  dringt aan op een minimaal op EU-niveau transparante coördinatie inzake de definitie van de CTP-status, met inbegrip van een regelmatige beoordeling door de Commissie van de wijze waarop de lidstaten de CTP-status toekennen; dringt aan op uitwisseling van informatie tussen de belastingautoriteiten van de lidstaten over weigeringen om de CTP-status aan bepaalde ondernemingen te verlenen, teneinde de samenhang en gemeenschappelijke normen te verbeteren;

155.  is bovendien verheugd over de herziening van de speciale regelingen voor kmo's(92), die essentieel zijn om gelijke concurrentievoorwaarden te waarborgen, aangezien btw-vrijstellingsregelingen momenteel alleen beschikbaar zijn voor binnenlandse entiteiten, en kunnen bijdragen tot de verlaging van de btw-nalevingskosten voor kmo's; verzoekt de Raad rekening te houden met het advies van het Parlement van 11 september 2018(93), met name wat betreft de verdere administratieve vereenvoudiging voor kmo's; roept de Commissie derhalve op om een online portaal op te zetten waar kmo's zich moeten registreren indien zij gebruik willen maken van de vrijstelling in een andere lidstaat, en om een één enkel loket op te zetten waar kleine ondernemingen btw-aangifte kunnen doen voor de verschillende lidstaten waar zij actief zijn;

156.  neemt kennis van de goedkeuring van het voorstel van de Commissie voor een veralgemeende verleggingsregeling(94), dat tijdelijke vrijstellingen van de normale btw-regels mogelijk maakt om carrouselfraude beter te voorkomen in die lidstaten die het zwaarst worden getroffen door dit soort fraude; verzoekt de Commissie de toepassing en de mogelijke risico's en voordelen van deze nieuwe wetgeving nauwlettend te volgen; benadrukt evenwel dat de veralgemeende verleggingsregeling de snelle uitvoering van een definitief btw-stelsel onder geen beding mag vertragen;

157.  merkt op dat de uitbreiding van e-commerce vaak een belangrijke uitdaging vormt voor de belastingautoriteiten, bijvoorbeeld vanwege de afwezigheid van fiscale identificatie in de EU, en de registratie van btw-aangiften ruim onder de reële waarde van de aangegeven transacties; is verheugd over de geest van de voorgestelde uitvoeringsvoorschriften inzake afstandsverkopen die op 11 december 2018 door de Commissie zijn goedgekeurd (COM(2018)0819 en COM(2018)0821), volgens welke met name vanaf 2021 grote onlineplatformen de verantwoordelijkheid moeten dragen ervoor te zorgen dat btw wordt geïnd bij de verkoop van goederen door niet-EU-ondernemingen aan EU-consumenten die plaatsvindt op hun platformen;

158.  dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan toe te zien op elektronische handelstransacties waar handelaren van buiten de EU bij betrokken zijn die geen btw zouden opgeven (bijvoorbeeld door onrechtmatig gebruik te maken van de "steekproef"-regeling) of die de waarde opzettelijk onderschatten teneinde btw-afdracht te vermijden of deze te verminderen; is van mening dat dergelijke praktijken de integriteit en de soepele werking van de eengemaakte markt van de EU in gevaar brengen; verzoekt de Commissie, indien gewenst en nodig, snel wetgevingsvoorstellen in te dienen;

3.2.De btw-kloof, de bestrijding van btw-fraude en de administratieve samenwerking op btw-gebied

159.  herhaalt zijn oproep om de factoren die bijdragen tot de belastingkloof, zoals btw, aan te pakken;

160.  is ingenomen met de inbreukprocedure die de Commissie op 8 maart 2018 heeft ingeleid tegen Cyprus, Griekenland en Malta, en op 8 november 2018 tegen Italië en Isle of Man, inzake oneigenlijke btw-praktijken in verband met de aankoop van jachten en vliegtuigen, om ervoor te zorgen dat deze landen geen vermeende onwettelijke gunstige btw-regeling meer hanteren voor privéjachten en-vliegtuigen, wat de concurrentie in de maritieme en luchtvaartsector verstoort;

161.  is ingenomen met de wijzigingen van Verordening (EU) nr. 904/2010 wat betreft maatregelen ter versterking van de administratieve samenwerking op btw-gebied; is ingenomen met de monitoringbezoeken die de Commissie in 2017 aan tien lidstaten heeft gebracht, in het bijzonder met de hieruit voortgekomen aanbeveling om de betrouwbaarheid van het systeem voor de uitwisseling van btw-informatie (VIES) te verhogen;

162.  merkt op dat de Commissie onlangs bijkomende controlehulpmiddelen en een versterkte rol voor Eurofisc heeft voorgesteld, alsook mechanismen voor nauwere samenwerking tussen douane- en belastingdiensten; roept alle lidstaten op actiever deel te nemen aan het Transactional Network Analysis-systeem in het kader van Eurofisc;

163.  is van mening dat de deelname van alle lidstaten aan Eurofisc verplicht moet zijn en een voorwaarde om EU-middelen te ontvangen; sluit zich aan bij de bezorgdheid van de Europese Rekenkamer over btw-teruggave in de cohesie-uitgaven(95) en over het fraudebestrijdingsprogramma van de EU(96);

164.  dringt er bij de Commissie op aan de mogelijkheden van het realtime verzamelen en mededelen van transactionele btw-gegevens door de lidstaten te onderzoeken, aangezien dit de doeltreffendheid van Eurofisc zou vergroten en verdere ontwikkeling van nieuwe strategieën voor de bestrijding van btw-fraude mogelijk zou maken; roept alle relevante autoriteiten op verschillende statistische en dataminingtechnologieën te gebruiken om onregelmatigheden, verdachte relaties en patronen te identificeren, waardoor belastingdiensten een breed spectrum van niet-nalevingsgedrag op een proactieve, doelgerichte en kosteneffectieve manier beter kunnen aanpakken;

165.  is ingenomen met de vaststelling van de Richtlijn betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Unie(97), waarin duidelijk uiteen is gezet welke problemen gemoeid zijn met de grensoverschrijdende samenwerking en wederzijdse rechtshulp tussen de lidstaten, Eurojust, Europol, het Europees Openbaar Ministerie (EOM), het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Commissie bij de bestrijding van btw-fraude; roept het EOM, OLAF, Eurofisc, Europol en Eurojust op nauw samen te werken om hun inspanningen tegen btw-fraude te coördineren en nieuwe frauduleuze praktijken te identificeren en aan te passen;

166.  wijst echter op de noodzaak van een betere samenwerking tussen de bestuurlijke, rechterlijke en wetshandhavende autoriteiten in de EU, zoals door experts is opgemerkt bij de hoorzitting op 28 juni 2018, alsook in een onderzoek dat in opdracht van de TAX3-commissie is uitgevoerd;

167.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie om de bevoegdheden van het EOM uit te breiden tot grensoverschrijdende misdrijven; dringt er bij de Commissie en de lidstaten op aan ervoor te zorgen dat het EOM zo snel mogelijk en niet later dan in 2022 van start kan gaan, en te zorgen voor nauwe samenwerking met de reeds bestaande instellingen, organen, agentschappen en kantoren van de Unie, belast met de bescherming van de financiële belangen van de Unie; dringt erop aan exemplarische, afschrikkende en evenredige sancties op te leggen; is van mening dat iedereen die betrokken is bij georganiseerde btw-fraudepraktijken streng moet worden gestraft om de perceptie van straffeloosheid te vermijden;

168.  is van mening dat een van de belangrijkste factoren die frauduleus gedrag op btw-gebied in de hand werkt, ligt bij de kaswinst die een fraudeur kan maken; roept de Commissie dan ook op om het voorstel(98) te analyseren waarin experts opperen om alle gegevens over grensoverschrijdende transacties via blockchaintechnologie vast te leggen en om geen fiduciair geld meer te gebruiken voor btw-betalingen, maar alleen beveiligde digitale valuta's (specifiek voor dat doel);

169.  is ingenomen met het feit dat de Raad importfraude in dit verband aan de orde heeft gesteld(99); is van mening dat een gedegen integratie van de gegevens van douaneaangiften in het VIES de lidstaten van bestemming in staat stelt om de douane- en btw-gegevens tegen elkaar af te zetten en zo te verzekeren dat btw wordt afgedragen in het land van bestemming; verzoekt de lidstaten deze nieuwe wetgeving uiterlijk 1 januari 2020 op een effectieve en tijdige manier in te voeren;

170.  is van mening dat de administratieve samenwerking tussen belastingdiensten suboptimaal is(100); verzoekt de lidstaten Eurofisc opdracht te geven om nieuwe strategieën te ontwikkelen voor het volgen van goederen onder douaneregeling 42, het mechanisme dat de importeur in staat stelt een btw-vrijstelling te verkrijgen wanneer de ingevoerde goederen bedoeld zijn om uiteindelijk naar een zakelijke klant te worden vervoerd in een andere lidstaat dan de lidstaat van invoer;

171.  benadrukt het belang van de invoering van een register van uiteindelijk begunstigden van ondernemingen in het kader van de vijfde antiwitwasrichtlijn als een belangrijk instrument om btw-fraude aan te pakken; dringt er bij de lidstaten op aan de bevoegdheden en kwalificaties van politie- en belastingdiensten, aanklagers en rechters om met dit soort fraude om te gaan, te versterken;

172.  uit zijn bezorgdheid over de resultaten van het onderzoek(101) dat in opdracht van de TAX3-commissie is uitgevoerd en waarin staat dat de voorstellen van de Commissie de importfraude wel zullen terugdringen, maar niet helemaal uit de wereld zullen helpen; merkt op dat het probleem van de algemene onderwaardering en handhaving van EU-regels in het geval van niet-EU-belastingplichtigen niet wordt opgelost; verzoekt de Commissie om voor deze leveringen alternatieve inningsmethoden voor de langere termijn te onderzoeken; benadrukt dat het geen blijvende oplossing is om te blijven rekenen op de goede wil van niet-EU-belastingplichtigen om EU-btw te innen; is van mening dat dergelijke alternatieve inningsmodellen niet alleen gericht moeten zijn op verkooptransacties via elektronische platforms, maar op alle verkooptransacties door niet-EU-belastingplichtigen, ongeacht hun bedrijfsmodel;

173.  dringt er bij de Commissie op aan de gevolgen van de invoering van het definitieve stelsel voor btw-inkomsten in de lidstaten nauwlettend te volgen; verzoekt de Commissie grondig onderzoek te doen naar mogelijk nieuwe frauderisico's in het uiteindelijke btw-stelsel, in het bijzonder het risico dat het type carrouselfraude waarbij de klant ontbreekt mogelijk wordt vervangen door een soort fraude waarbij de leverancier ontbreekt; benadrukt in dit verband dat onder meer het douanevervoersysteem de handel binnen de EU zeker kan vergemakkelijken; wijst er evenwel op dat misbruik mogelijk is en dat criminele organisaties, door de betaling van belastingen en heffingen te omzeilen, een enorm verlies kunnen veroorzaken, zowel voor de lidstaten als voor de EU (door het vermijden van btw); dringt er daarom bij de Commissie op aan toezicht te houden op het douanevervoersysteem en te komen met voorstellen op basis van de aanbevelingen van met name OLAF, Europol en Eurofisc;

174.  is van mening dat een grote meerderheid van de Europese burgers duidelijke Europese en nationale wetgeving verlangt die het mogelijk maakt dat degenen die de door hen verschuldigde belasting niet betalen, worden geïdentificeerd en bestraft, en dat de ontbrekende belasting tijdig wordt terugbetaald;

4.Belastingheffing voor particulieren

175.  benadrukt dat natuurlijke personen over het algemeen geen gebruikmaken van het vrije verkeer met het oog op belastingfraude, belastingontduiking of agressieve fiscale planning; onderstreept echter dat er natuurlijke personen zijn wier belastinggrondslag groot genoeg is om meerdere fiscale rechtsgebieden te overspannen;

176.  betreurt dat zeer vermogende particulieren en ultrarijken, die complexe belastingstructuren gebruiken waaronder het opzetten van ondernemingen, nog steeds mogelijkheden hebben om met de hulp van een vermogensbeheerder en andere tussenpersonen hun inkomsten, fondsen of aankopen zodanig langs verschillende fiscale rechtsgebieden te sluizen dat zij hun belastingplicht geheel of gedeeltelijk weten te ontlopen; betreurt dat sommige EU-lidstaten regelingen hebben ingevoerd om zeer vermogende particulieren aan te trekken zonder dat zij werkelijke economische activiteit genereren;

177.  merkt op dat de nominale tarieven voor arbeidsinkomen in de hele EU gewoonlijk hoger liggen dan de tarieven voor inkomen uit kapitaal; constateert dat de bijdrage van vermogensbelastingen aan de totale belastinginkomsten in het algemeen vrij beperkt is gebleven: namelijk 4,3 % van de totale belastinginkomsten in de EU(102);

178.  merkt op dat belastingfraude door bedrijven, belastingontduiking en agressieve fiscale planning er spijtig genoeg toe leiden dat de belastingplicht deels wordt afgewend op eerlijke belastingbetalers die zich wel aan de regels houden;

179.  dringt er bij de lidstaten op aan afschrikkende, doeltreffende en evenredige sancties op te leggen voor gevallen van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning, en ervoor te zorgen dat deze sancties worden gehandhaafd;

180.  betreurt dat sommige lidstaten een dubieus belastingklimaat hebben geschapen waarin personen die om belastingtechnische redenen inwoner zijn geworden, kunnen profiteren van voordelen op het gebied van inkomstenbelasting, en dat zij op die manier de belastinggrondslag van andere lidstaten ondermijnen en een beleid voeren dat nadelig is voor hun eigen burgers; wijst erop dat een dergelijk fiscaal klimaat voordelen kan omvatten die niet gelden voor de eigen onderdanen, zoals niet-belasting van buitenlandse bezittingen en inkomsten, forfaitaire belasting op buitenlandse inkomsten, belastingvrijstellingen op een deel van de in het land verdiende inkomsten, of lagere belastingtarieven op naar het land van herkomst overgemaakte pensioenen;

181.  herinnert eraan dat de Commissie in haar mededeling van 2001 heeft voorgesteld om speciale regelingen voor hooggekwalificeerde expats op te nemen in de lijst van schadelijke belastingpraktijken van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen)(103), maar heeft sindsdien geen gegevens verstrekt over de omvang van het probleem; dringt er bij de Commissie op aan de kwestie opnieuw te bekijken en, in het bijzonder de risico's van dubbele belastingheffing en dubbele niet-belastingheffing bij dergelijke regelingen te beoordelen;

4.1.Regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen

182.  is verontrust over het feit dat de meeste lidstaten een regeling voor burgerschap of verblijf door investeringen hebben(104), beter bekend als goudenvisum- of -paspoortprogramma's of programma's voor investeerders, waarbij burgers uit de EU en derde landen het burgerschap of een verblijfsvergunning kunnen krijgen in ruil voor een financiële investering;

183.  wijst erop dat de investeringen die in het kader van deze programma's worden gedaan niet noodzakelijkerwijs bijdragen tot de reële economie van de lidstaten die burgerschap of een verblijfsvergunning verstrekken, en dat van de aanvragers vaak niet verlangd wordt enige tijd door te brengen op het grondgebied waar de investering wordt gedaan, en dat zelfs wanneer een dergelijke eis wel bestaat, doorgaans niet wordt gecontroleerd of eraan wordt voldaan; benadrukt dat dergelijke regelingen schadelijk zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie en bijgevolg in strijd zijn met het beginsel van loyale samenwerking;

184.  merkt op dat ten minste 5 000 niet-EU-burgers het EU-burgerschap hebben gekregen door middel van een regeling voor burgerschap door investeringen(105); merkt op dat, volgens een onderzoek(106), ten minste 6 000 personen burgerschap hebben verkregen en er bijna 100 000 verblijfsvergunningen zijn verstrekt;

185.  vreest dat burgerschap en verblijf door investeringen in het kader van deze regelingen worden verstrekt zonder gedegen veiligheidsscreening van de aanvragers, onder wie onderdanen van derde landen met een hoog risico, en dat deze regelingen bijgevolg veiligheidsrisico's voor de Unie inhouden; betreurt dat de ondoorzichtigheid rondom de herkomst van het geld in verband met de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen politieke, economische en veiligheidsrisico's voor Europese landen met zich meebrengt

186.  benadrukt dat er aanzienlijke andere risico's kleven aan regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, zoals devaluatie van het EU- en nationale burgerschap en mogelijke corruptie, witwaspraktijken en belastingontduiking; merkt op dat het besluit van een lidstaat om regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen uit te voeren, overloopeffecten heeft op andere lidstaten; herhaalt zijn bezorgdheid over het toekennen van burgerschap of een verblijfsvergunning via deze regelingen zonder dat een grondig cliëntenonderzoek is uitgevoerd, voor zover dit überhaupt wordt uitgevoerd door de bevoegde autoriteiten;

187.  merkt op dat de in de vijfde antiwitwasrichtlijn vastgelegde verplichting, op grond waarvan meldingsplichtige entiteiten aanvragers van burgerschap of verblijf door investeringen als een hoge risicofactor moeten beschouwen gedurende hun due diligence-proces, de lidstaten niet ontslaat van hun verantwoordelijkheid om zelf versterkte zorgvuldigheidsnormen vast te stellen en te hanteren; merkt op dat op nationaal en EU-niveau diverse formele onderzoeken zijn gestart naar corruptie en witwassen die rechtstreeks in verband zouden staan met regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen;

188.  onderstreept dat tegelijkertijd de economische duurzaamheid en levensvatbaarheid van investeringen die in het kader van deze regelingen zijn gedaan onzeker blijven; benadrukt dat burgerschap en alle rechten die hieraan verbonden zijn, nooit te koop zouden mogen zijn;

189.  merkt op dat van regelingen voor burgerschap en verblijf van sommige lidstaten gretig gebruikt is gemaakt door Russische onderdanen en onderdanen van landen die onder Russische invloed staan; benadrukt dat deze regelingen door Russische onderdanen die na de illegale annexatie van de Krim en de agressie van Rusland op de Krim op de sanctielijst zijn geplaatst, kunnen worden gebruikt om EU-sancties te omzeilen;

190.  uit kritiek op het feit dat deze programma's vaak ook voorzien in fiscale voordelen of speciale fiscale regelingen voor de begunstigden; uit zijn bezorgdheid over het feit dat deze voordelen mogelijk indruisen tegen de doelstelling dat alle burgers op eerlijke wijze belasting afdragen;

191.  is bezorgd over het gebrek aan transparantie over het aantal aanvragers en hun herkomst, het aantal mensen dat het burgerschap of een verblijfsvergunning krijgt via deze regelingen, de bedragen die in het kader van deze regelingen worden geïnvesteerd en de herkomst van deze bedragen; waardeert dat sommige lidstaten expliciet de naam en nationaliteit bekendmaken van de personen die via deze regelingen het burgerschap of een verblijfsvergunning krijgen; moedigt andere lidstaten aan dit goede voorbeeld te volgen;

192.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen volgens de OESO kunnen worden gebruikt om de zorgvuldigheidsprocedures van de gezamenlijke rapportagestandaard (Common Reporting Standard, CRS) te ondermijnen, wat tot onjuiste of onvolledige verslagen conform de CRS kan leiden, met name wanneer niet alle jurisdictie betreffende fiscale vestigingsplaats bekend is bij de financiële instantie; merkt op dat de visumregelingen die volgens de OESO potentieel een hoog risico vormen voor de integriteit van de CRS regelingen betreffen die een belastingbetaler recht geven op een laag inkomstenbelastingtarief van minder dan 10 % op financiële activa in het buitenland, en dat daaraan geen verplichting verbonden is om minimaal 90 dagen fysiek tijd door te brengen in het rechtsgebied dat de gouden-visumregeling aanbiedt;

193.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat Malta en Cyprus regelingen(107) hebben die potentieel een hoog risico vormen voor de integriteit van de CRS.

194.  concludeert dat de potentiële economische voordelen van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen niet opwegen tegen de ernstige veiligheidsrisico's en risico's van witwassen en belastingontduiking die daaraan kleven;

195.  verzoekt de lidstaten alle huidige regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen zo snel mogelijk uit te faseren;

196.  benadrukt dat de lidstaten er in de tussentijd een fysieke aanwezigheid in het land als voorwaarde moeten stellen om voor de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen in aanmerking te komen, en er streng op moeten toezien dat een uitgebreid cliëntenonderzoek wordt uitgevoerd voor al degenen die in het kader van deze regelingen het burgerschap of een verblijfsvergunning aanvragen, conform de vijfde antiwitwasrichtlijn; benadrukt dat de vijfde antiwitwasrichtlijn uitgebreid cliëntenonderzoek voor politiek geëxponeerde personen (PEP's) vereist; roept de lidstaten op ervoor te zorgen dat regeringen de uiteindelijke verantwoordelijkheid dragen voor de zorgvuldigheidsprocedures ten aanzien van aanvragers van de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen; verzoekt de Commissie om zorgvuldig en consequent een vinger aan de pols te houden bij de implementatie en toepassing van het grondige cliëntenonderzoek in het kader van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, tot het moment dat deze in elke lidstaat worden ingetrokken;

197.  merkt op dat het verkrijgen van een verblijfsvergunning voor of het burgerschap van een lidstaat de begunstigde toegang geeft tot een brede waaier van rechten op het hele grondgebied van de Unie, waaronder het recht van vrij verkeer en vrij verblijf in het Schengengebied; verzoekt de lidstaten die regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen toepassen daarom naar behoren na te gaan wat het karakter van de aanvragers is en hun aanvraag te weigeren als zij veiligheidsrisico's vormen, waaronder op het witwassen van geld, totdat deze regelingen definitief worden ingetrokken; waarschuwt verder voor de gevaren van regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen die daarmee gepaard gaande gezinshereniging mogelijk maken, waarbij gezinsleden van begunstigden van deze regelingen burgerschap of verblijf kunnen verwerven met minimale of geen controles;

198.  verzoekt alle lidstaten in deze context om transparante gegevens met betrekking tot hun regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen samen te stellen en bekend te maken, waaronder het aantal weigeringen en de redenen voor weigering; verzoekt de Commissie om, tot de regelingen uiteindelijk zijn ingetrokken, richtsnoeren te verstrekken en toe te zien op betere gegevensverzameling en informatie-uitwisseling tussen lidstaten in het kader van hun regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen, onder meer over aanvragers van wie de aanvraag is geweigerd op grond van veiligheidsproblemen;

199.  is van mening dat totdat de regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen definitief zijn ingetrokken, lidstaten dezelfde verplichtingen moeten opleggen aan tussenpersonen in de handel van burgerschap en verblijf als aan meldingsplichtige entiteiten in het kader van de antiwitwaswetgeving, en verzoekt de lidstaten om belangenverstrengeling in verband met regelingen voor burgerschap en verblijf door investeringen te voorkomen, aangezien daar sprake van kan zijn wanneer bedrijven die de regering hebben ondersteund bij het ontwerp, het beheer en de promotie van deze regelingen ook advies en ondersteuning hebben geboden aan particulieren door deze regelingen te screenen op geschiktheid en namens hen een aanvraag voor het burgerschap of een verblijfsvergunning in te dienen;

200.  is ingenomen met het verslag van de Commissie van 23 januari 2019 inzake burgerschaps- en verblijfsregelingen voor investeerders in de Europese Unie (COM(2019)0012); wijst erop dat beide soorten regelingen volgens het verslag ernstige veiligheidsrisico's voor de lidstaten en de Unie als geheel inhouden, met name wat betreft veiligheid, witwaspraktijken, corruptie, het omzeilen van EU-regels en belastingontduiking, en dat deze ernstige risico's verder worden versterkt door de tekortkomingen die deze regelingen vertonen op het gebied van transparantie en governance; verneemt met zorg dat de Commissie vreest dat de maatregelen die de lidstaten nemen niet altijd voldoende zijn om de risico's die deze regelingen met zich meebrengen te beperken;

201.  neemt kennis van het voornemen van de Commissie om een groep van deskundigen op te zetten om de transparantie, governance en veiligheid van deze regelingen onder de loep te nemen; is ingenomen met het feit dat de Commissie zich ertoe heeft verbonden om in het kader van het opschortingsmechanisme voor de visumvrijstelling het effect te beoordelen van door visumvrije landen gehanteerde burgerschapsregelingen voor investeerders; verzoekt de Commissie om het delen van informatie tussen lidstaten over verworpen aanvragen te coördineren; verzoekt de Commissie om een beoordeling van de risico's die gepaard gaan met de verkoop van burgerschap en verblijf als onderdeel van haar volgende supranationale risicobeoordeling; roept de Commissie op te beoordelen in welke mate EU-burgers van deze regelingen gebruik hebben gemaakt;

4.2.Vrijhavens, douane-entrepots en andere speciale economische zones

202.  is ingenomen met het feit dat vrijhavens conform de vijfde antiwitwasrichtlijn meldingsplichtige entiteiten worden en dat deze verplicht zullen zijn om een cliëntenonderzoek uit te voeren en verdachte transacties te melden bij de financiële inlichtingeneenheden (FIE's);

203.  merkt op dat vrijhavens in de EU kunnen worden aangewezen volgens de procedure voor vrije zones; merkt op dat vrije zones afgebakende gebieden zijn binnen het douanegebied van de Unie waarin goederen van buiten de Unie kunnen worden ingevoerd zonder dat deze onderworpen zijn aan invoerrechten, andere opslagen (d.w.z. btw) of commercieel beleid;

204.  herinnert aan het feit dat vrijhavens dienstdoen als entrepot in vrije zones en oorspronkelijk bedoeld waren als tussentijdse opslagplaats van handelsgoederen; betreurt het feit dat ze inmiddels vaak worden gebruikt voor de (veelal permanente(108)) opslag van vervangende activa, zoals kunst, edelstenen, antiek, goud en wijnverzamelingen, en via onbekende geldbronnen worden gefinancierd; beklemtoont dat vrijhavens of vrije zones niet mogen worden misbruikt voor belastingontduiking of om dezelfde effecten als belastingparadijzen te verwezenlijken;

205.  merkt op dat de redenen voor het gebruik van vrijhavens niet alleen veilige opslag omvatten, maar ook een hoge mate van geheimhouding en uitgestelde invoerrechten en andere belastingen, zoals btw en gebruikersbelastingen;

206.  onderstreept dat er in de EU(109) meer dan 80 vrije zones zijn plus nog eens vele duizenden andere entrepots onder de "speciale opslagregeling", vooral "douane-entrepots", die dezelfde mate van geheimhouding en (indirecte) belastingvoordelen(110) kunnen bieden;

207.  merkt op dat douane-entrepots volgens het douanewetboek van de Unie vrijwel dezelfde rechtsgrondslag hebben als vrijhavens; beveelt daarom aan deze dezelfde rechtsgrondslag te geven als vrijhavens met wettelijke maatregelen die de inherente risico's van witwassen en belastingontduiking ondervangen, zoals in de vijfde antiwitwasrichtlijn; is van mening dat douane-entrepots moeten worden uitgerust met voldoende en gekwalificeerd personeel dat de nodige onderzoeken kan uitvoeren naar de activiteiten die ze aanbieden;

208.  merkt op dat de witwasrisico's in vrijhavens rechtstreeks verband houden met de witwasrisico's in de markt van de vervangende activa;

209.  merkt op dat directe-belastingautoriteiten volgens de vijfde richtlijn administratieve samenwerking sinds 1 januari 2018 op verzoek toegang krijgen tussen een breed pakket inlichtingen over uiteindelijke begunstigden die conform de vijfde antiwitwasrichtlijn is verzameld; merkt op dat de antiwitwaswetgeving van de EU berust op het vertrouwen in betrouwbare cliëntenonderzoeken en de consequente melding van verdachte transacties door meldingsplichtige entiteiten, die als antiwitwaspoortwachters zullen fungeren; merkt bezorgd op dat deze "toegang op verzoek" tot inlichtingen van vrijhavens in specifieke gevallen mogelijk slechts een beperkt effect heeft(111);

210.  verzoekt de Commissie te onderzoeken in welke mate vrijhavens en scheepvaartvergunningen voor belastingontduiking worden misbruikt(112); verzoekt de Commissie daarnaast met een wetgevingsvoorstel te komen waarin de automatische uitwisseling van inlichtingen over uiteindelijk belanghebbenden en transacties in vrijhavens, douane-entrepots of specifieke economische regio's tussen de desbetreffende autoriteiten (zoals handhavings-, belasting- en douaneautoriteiten, en Europol) wordt geregeld, en verplichte traceerbaarheid in te voeren;

211.  verzoekt de Commissie met een voorstel te komen voor een dringende uitfasering van het systeem van vrijhavens in de EU;

212.  merkt op dat het einde van het bankgeheim heeft geleid tot de opkomst van investeringen in nieuwe activa, zoals kunst, hetgeen de laatste jaren voor een snelle groei van de kunstmarkt heeft gezorgd; benadrukt dat in vrije zones voor een veilige en op grote schaal buiten beschouwing gelaten opslagruimte wordt geboden waar onbelast handel kan worden gedreven en eigen inbreng kan worden verborgen, terwijl kunst zelf een ongereguleerde markt blijft, onder meer door de moeilijkheden bij het bepalen van de marktprijzen en het vinden van deskundigen; wijst erop dat het bijvoorbeeld gemakkelijker is om een waardevol schilderij naar de andere kant van de wereld te sturen dan een vergelijkbare som geld;

4.3.Fiscale amnestie

213.  herinnert eraan(113) dat fiscale amnestie met zeer grote terughoudendheid of helemaal niet moet worden toegepast, aangezien het uitsluitend een bron van gemakkelijke en snelle belastinginning op de korte termijn vormt, die vaak wordt gebruikt om begrotingsgaten te dichten, maar die ingezetenen er ook toe kan aanzetten de belastingen te ontduiken en te wachten op de volgende amnestie in het kader waarvan ze ontsnappen aan afschrikkende sancties of boetes; verzoekt de lidstaten die met amnestieregelingen werken om begunstigden verplicht te stellen nadere uitleg te geven over de herkomst van de fondsen die zij eerder niet hadden aangegeven;

214.  verzoekt de Commissie om amnestieprogramma's die lidstaten in het verleden hebben aangeboden te beoordelen, met name hoeveel belastinggeld zo alsnog is geïnd en welke impact ze op de middellange en lange termijn hebben gehad op de stabiliteit van de belastinggrondslag; dringt er bij de lidstaten op aan erop toe te zien dat relevante gegevens met betrekking tot de begunstigden van fiscale amnestie in het verleden en in de toekomst naar behoren worden gedeeld met de rechterlijke, handhavings- en belastingautoriteiten, en om naleving van de regels voor de bestrijding van witwassen en van terrorismefinanciering en de mogelijke vervolging van andere financiële misdaden te verzekeren;

215.  meent dat de Groep gedragscode elke fiscale-amnestieregeling verplicht moet screenen en goedkeuren voordat een lidstaat deze aanbiedt; is van mening dat een belastingbetaler of uiteindelijk begunstigde van een bedrijf die al gebruik heeft gemaakt van een of meer amnestieregelingen nooit meer in aanmerking mag komen voor een volgende amnestieregeling; verzoekt de nationale autoriteiten die gegevens bijhouden over degenen die van fiscale amnestie hebben geprofiteerd om een effectieve uitwisseling op te zetten met gegevens van politie, justitie of andere bevoegde autoriteiten die zich met misdaadonderzoek bezighouden (anders dan btw-fraude of belastingontduiking);

4.4.Administratieve samenwerking

216.  erkent het feit dat administratieve samenwerking op het gebied van de kaders voor directe belastingen nu betrekking heeft op zowel individuele belastingbetalers, als belastingplichtige bedrijven;

217.  benadrukt dat de internationale normen inzake administratieve samenwerking minimumnormen zijn; is daarom van mening dat de lidstaten meer moeten doen dan alleen die minimumnormen naleven; roept de lidstaten daarnaast op om alle hindernissen voor administratieve en wetgevingssamenwerking te elimineren;

218.  is ingenomen met het feit dat met de vaststelling van de internationale norm voor automatische uitwisseling van inlichtingen zoals ingevoerd in de eerste richtlijn voor administratieve samenwerking plus de intrekking van de richtlijn uit 2003 over spaargelden één EU-mechanisme is ontstaan voor de uitwisseling van inlichtingen;

5.Bestrijding van witwaspraktijken

219.  benadrukt dat geld op diverse manieren kan worden witgewassen en dat het witgewassen geld afkomstig kan zijn van diverse illegale activiteiten, variërend van corruptie tot wapenhandel en mensensmokkel, de handel in verdovende middelen, en belastingontduiking en fraude, en gebruikt kan worden voor het financieren van terrorisme; merkt bezorgd op dat de opbrengsten uit criminele activiteiten in de EU worden geschat op 110 miljard EUR per jaar(114), wat neerkomt op 1 % van het totale bbp van de Unie; wijst erop dat de Commissie inschat dat de witwaspraktijken in sommige lidstaten in 70 % van de gevallen een grensoverschrijdend karakter hebben(115); merkt verder op dat de VN(116) de omvang van witwaspraktijken inschat op 2 à 5 % van het internationale bbp, oftewel ongeveer 715 miljard en 1,87 triljoen EUR per jaar;

220.  beklemtoont dat meerdere recente witwaszaken in de Unie tot kapitaal, regerende elites en/of burgers uit Rusland en met name uit het Gemenebest van Onafhankelijke Staten (GOS) konden worden herleid; maakt zich zorgen over de dreiging voor de Europese veiligheid en stabiliteit van illegaal geld uit Rusland en de GOS-staten dat met het oog op witwaspraktijken en vervolgens het financieren van criminele activiteiten het Europees financieel systeem wordt binnengesluisd; beklemtoont dat dit geld een gevaar vormt voor de veiligheid van de burgers van de EU, en voor gezagsgetrouwe burgers en bedrijven verstoringen en oneerlijke concurrentievoordelen creëert; is van oordeel dat, naast kapitaalvlucht, die niet kan worden ingedamd zonder dat oplossingen worden gevonden voor de economische en administratieve problemen van de landen van herkomst, en witwaspraktijken voor puur criminele redenen, deze vijandige activiteiten, die erop gericht zijn de Europese democratieën en hun economieën en instellingen te verzwakken, zo omvangrijk zijn dat ze een bedreiging vormen voor de stabiliteit van het Europese continent; dringt aan op betere samenwerking tussen de lidstaten daar waar het gaat om toezicht op kapitaal dat vanuit Rusland de Unie wordt binnengebracht;

221.  roept eens te meer op(117) tot EU-brede sancties voor mensenrechtenschendingen naar het voorbeeld van de Amerikaanse wereldwijde Magnitsky-wet, die het mogelijk moet maken een visumverbod en doelgerichte sancties op te leggen zoals de bevriezing van eigendommen en belangen in eigendommen binnen EU-rechtsgebied voor individuele openbare ambtenaren of personen die optreden in een openbare hoedanigheid die verantwoordelijk zijn voor handelingen van corruptie of ernstige mensenrechtenschendingen; verwelkomt de goedkeuring door het Parlement van het verslag over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie(118); dringt aan op meer en nauwlettender toezicht op de bankportefeuilles van niet-ingezetenen en het deel daarvan dat zijn oorsprong heeft in landen die geacht worden een veiligheidsrisico te vormen voor de Unie;

222.  is ingenomen met de vaststelling van de vierde en vijfde antiwitwasrichtlijn; benadrukt dat deze een grote sprong voorwaarts betekenen voor het vergroten van de effectiviteit van de inspanningen van de Unie om het witwassen van geld uit criminele activiteiten te bestrijden en de financiering van terroristische activiteiten tegen te gaan; stelt vast dat het Uniekader voor de bestrijding van witwassen voornamelijk gestoeld is op een preventieve aanpak van witwaspraktijken, met de nadruk op detectie en melding van verdachte transacties;

223.  betreurt het feit dat bepaalde lidstaten niet de deadline hebben gehaald voor het omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving (deels of helemaal) en dat de Commissie hierdoor genoodzaakt was om inbreukprocedures tegen hen in te leiden, ook met verwijzing naar het Europees Hof van Justitie(119); verzoekt deze lidstaten om dit zo snel mogelijk op te lossen; dringt er bij de lidstaten in het bijzonder op aan hun wettelijke plicht te respecteren om zich te houden aan de deadline van 10 januari 2020 voor het omzetten van de vijfde antiwitwasrichtlijn in nationale wetgeving; beklemtoont en steunt de conclusies van de Raad van 23 november 2018 waarin de lidstaten wordt gevraagd de vijfde antiwitwasrichtlijn vóór de deadline van 2020 om te zetten in hun nationale wetgeving; verzoekt de Commissie volledig gebruik te maken van alle instrumenten die haar ter beschikking staan om de lidstaten te ondersteunen bij het op zo kort mogelijke termijn in hun nationale wetgeving omzetten, én in de praktijk toepassen, van de vijfde antiwitwasrichtlijn, en daar toezicht op uit te oefenen;

224.  wijst nogmaals op het cruciale belang van cliëntenonderzoeken als onderdeel van de verplichting voor meldingsplichtige entiteiten om hun klanten zorgvuldig te identificeren, en na te gaan waar hun fondsen vandaan komen en wie de uiteindelijk belanghebbenden zijn van de activa, alsook om anonieme rekeningen te blokkeren; betreurt het feit dat sommige financiële instellingen en hun desbetreffende bedrijfsmodellen witwaspraktijken actief mogelijk hebben gemaakt; verzoekt de particuliere sector alles te doen wat in zijn vermogen licht om de financiering van terrorisme actief te bestrijden en terroristische activiteiten te voorkomen; verzoekt de financiële instellingen hun interne procedures actief tegen het licht te houden om het risico van witwassen te voorkomen;

225.  verwelkomt het actieplan dat de Raad op 4 december 2018 heeft goedgekeurd, dat diverse niet-wetgevingsmaatregelen omvat om witwaspraktijken en terrorismefinanciering in de EU beter te bestrijden; verzoekt de Commissie het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen van de vooruitgang van de tenuitvoerlegging van het actieplan;

226.  is bezorgd over het ontbreken van concrete procedures om de oprechtheid van de leden van de raad van bestuur van de ECB te beoordelen en te toetsen, met name wanneer zij formeel beschuldigd zijn van criminele activiteiten; roept ertoe op mechanismen in te voeren om het gedrag en het fatsoen van de leden van de raad van bestuur van de ECB te controleren en te toetsen, en hen te beschermen in geval van machtsmisbruik door de autoriteit die de nominatiebevoegdheid heeft;

227.  veroordeelt het feit dat systematische fouten bij de handhaving van de antiwitwasvoorschriften in combinatie met onvoldoende toezicht hebben geleid tot enkele geruchtmakende gevallen van witwaspraktijken bij Europese banken die terug te voeren waren op een systematische inbreuk op de meest fundamentele voorschriften voor de identificatie van klanten en voor cliëntenonderzoek;

228.  wijst nogmaals op het feit dat de identificatie van klanten en cliëntenonderzoek essentiële elementen zijn die bij zakelijke relaties steeds moeten terugkeren en dat de transacties van klanten continu heel aandachtig gecontroleerd moeten worden op verdachte of ongebruikelijke activiteiten; wijst in dit verband nogmaals op de verplichting voor meldingsplichtige entiteiten om hun nationale financiële inlichtingeneenheid proactief en onmiddellijk op de hoogte te stellen van verdachte witwastransacties, daaraan gerelateerde basisdelicten of de financiering van terrorisme; betreurt het feit dat natuurlijke personen met een hoge leidinggevende positie op grond van de vijfde antiwitwasrichtlijn, als laatste redmiddel, ondanks de inspanningen van het Parlement, nog altijd als uiteindelijke begunstigde van een bedrijf of trust kunnen worden geregistreerd terwijl de daadwerkelijke begunstigde eigenaar niet bekend is of het onderwerp is van verdenkingen; verzoekt de Commissie bij de volgende herziening van de antiwitwasvoorschriften in de EU een duidelijke beoordeling uit te voeren van de gevolgen van deze bepaling voor de beschikbaarheid van betrouwbare informatie over uiteindelijke begunstigden in de lidstaten en voor te stellen de bepaling te schrappen indien blijkt dat deze vatbaar is voor misbruik ter bescherming van de identiteit van uiteindelijke begunstigden;

229.  stelt vast dat in enkele lidstaten niet nader toegelichte mechanismen voor toezicht op vermogen bestaan voor het traceren van de opbrengsten van criminele activiteiten; benadrukt dat deze mechanismen in veel gevallen een rechterlijke beslissing is die vereist dat een persoon die redelijkerwijs wordt verdacht van betrokkenheid bij, of van het hebben van connecties met een persoon die betrokken is bij, ernstige misdaden, de aard en omvang van zijn belangen in specifieke eigendommen verklaart, en ook verklaart hoe de eigendom daarvan was verkregen, wanneer er redelijke gronden zijn om te vermoeden dat het gekende wettelijk verkregen inkomen van de respondent onvoldoende zou zijn om hem in staat te stellen die eigendom te verwerven; verzoekt de Commissie de effecten en haalbaarheid van dergelijke mechanismen op het niveau van de Unie te onderzoeken;

230.  is verheugd over het feit dat meerdere lidstaten besloten hebben de uitgifte van aandelen aan toonder te verbieden en om de reeds in omloop zijnde aandelen aan toonder om te zetten in effecten op naam; verzoekt de lidstaten te bekijken of er, in het licht van de nieuwe bepalingen van de vijfde antiwitwasrichtlijn betreffende het melden van de uiteindelijke begunstigde en de in kaart gebrachte risico's, noodzaak bestaat om in hun eigen rechtsgebied vergelijkbare mechanismen in te voeren;

231.  benadrukt de dringende noodzaak om een doeltreffender systeem voor de uitwisseling van communicatie en informatie tussen gerechtelijke autoriteiten binnen de Unie uit te werken ter vervanging van de traditionele instrumenten van wederzijdse rechtsbijstand in strafzaken, die leiden tot langdurige en omslachtige procedures, wat schadelijk is voor grensoverschrijdende onderzoeken naar witwaspraktijken en andere ernstige misdrijven; herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de behoefte aan wetgevingsactie op dit gebied te beoordelen;

232.  verzoekt de Commissie een beoordeling uit te voeren van en aan het Parlement verslag uit te brengen over de rol van wettelijke regelingen zoals Special Purpose Vehicles (SPV's), Special Purpose Entities (SPE's) en Non Charitable Purpose Trusts (NCPT's) en de witwasrisico's die zij vertegenwoordigen, met name in het VK en van de Kroon afhankelijke gebieden en overzeese gebiedsdelen;

233.  verzoekt de lidstaten met klem bij de uitgifte van staatsobligaties op de financiële markten de wetgeving inzake de bestrijding van witwaspraktijken volledig na te leven; is van oordeel dat bij dergelijke financiële verrichtingen verder de "due diligence"-regels strikt moeten worden opgevolgd;

234.  merkt op dat alleen al tijdens het mandaat van de TAX3-commissie drie betreurenswaardige gevallen van witwaspraktijken via EU-banken aan het licht zijn gekomen: ING Bank N.V. heeft onlangs grove nalatigheid bij de uitvoering van de wetgeving tegen witwassen en terrorismefinanciering toegegeven en met het Nederlandse Openbaar Ministerie een schikking van 775 miljoen EUR getroffen(120); ABLV Bank in Letland heeft zichzelf vrijwillig failliet verklaard nadat de ABLV van het Financial Crimes Enforcement Network (FinCEN) van de Verenigde Staten in dat land geen correspondentrekening meer mocht aanhouden vanwege vermoedelijke witwaspraktijken(121), en na een onderzoek naar 15 000 klanten en ongeveer 9,5 miljoen transacties met vestigingen in Estland heeft Danske Bank toegegeven dat er sprake was van ernstige tekortkomingen in het goede bestuur en de controlesystemen waardoor de vestigingen in Estland voor verdachte transacties gebruikt konden worden(122);

235.  stelt met bezorgdheid vast dat de "Trojka Laundromat"-zaak ook publiekelijk aan het licht heeft gebracht hoe 4,6 miljard USD vanuit Rusland en andere landen door Europese banken en bedrijven werd gesluisd; onderstreept dat de Trojka Dialog, voorheen een van de grootste Russische particuliere investeringsbanken, en het netwerk dat de heersende Russische elite in staat heeft gesteld om illegale opbrengsten heimelijk te gebruiken voor de verwerving van aandelen in staatsbedrijven en de aankoop van onroerend goed in Rusland en in het buitenland, alsook van luxeproducten, in het schandaal centraal staan; betreurt voorts dat verschillende Europese banken naar verluidt bij deze verdachte transacties betrokken waren, namelijk Danske Bank, Swedbank AB, Nordea Bank Abp, ING Groep NV, Credit Agricole SA, Deutsche Bank AG, KBC Group NV, Raiffeisen Bank International AG, ABN Amro Group NV, Coöperatieve Rabobank U.A. en de Nederlandse eenheid van Turkiye Garanti Bankasi A.S.;

236.  merkt op dat in het geval van Danske Bank transacties ter waarde van ruim 200 miljard EUR via haar vestigingen in Estland liepen(123), terwijl de bank niet had voorzien in adequate interne procedures met betrekking tot de bestrijding van witwassen en cliëntenonderzoek, hetgeen de bank zelf heeft toegegeven en is bevestigd door de autoriteiten voor financieel toezicht van zowel Estland als Denemarken; is van mening dat dit geval het bewijs is van een volslagen gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, zowel bij de bank als bij de bevoegde nationale autoriteit; verzoekt de bevoegde autoriteiten om met spoed bij alle Europese banken een evaluatie uit te voeren van hun interne procedures met betrekking tot de bestrijding van witwassen en cliëntenonderzoek, zodat een passende handhaving van de witwaswetgeving van de Unie kan worden gewaarborgd;

237.  merkt verder op dat 6 200 klanten van de Danske Bank-vestigingen in Estland betrokken bleken te zijn bij verdachte transacties, dat ongeveer 500 klanten in verband zijn gebracht met openbaar gemaakte witwaspraktijken, dat 177 klanten in verband zijn gebracht met het Russische Laundromat-schandaal, dat 75 klanten in verband zijn gebracht met het Azerbeidzjaanse Laundromat-schandaal en dat 53 klanten bedrijven met dezelfde adressen en directeuren bleken te zijn(124); roept de relevante nationale autoriteiten op de bestemmingen na te gaan van de als verdacht bestempelde transacties door de 6 200 klanten van de Estse tak van Danske Bank om te bevestigen dat het witgewassen geld niet gebruikt is voor nog andere criminele activiteiten; roept de betreffende nationale autoriteiten op naar behoren samen te werken in deze kwestie aangezien de ketens van verdachte transacties duidelijk grensoverschrijdend zijn;

238.  wijst op het feit dat de ECB de vergunning van de Maltese Pilatus Bank heeft ingetrokken nadat in de Verenigde Staten de voorzitter en enig aandeelhouder, Ali Sadr Hashemi Nejad, was aangehouden op verdenking van onder meer witwassen; benadrukt dat de EBA heeft geconcludeerd dat de Maltese Financial Intelligence Analysis Unit (FIAU) de EU-wetgeving had overtreden omdat ze had nagelaten effectief toezicht uit te oefenen op Pilatus Bank, onder meer vanwege tekortkomingen in de procedures en een gebrek aan toezichthoudende activiteiten; stelt vast dat de Commissie de Maltese FIAU op 8 november 2018 een formeel advies heeft doen toekomen, waarin het de eenheid oproept aanvullende maatregelen te nemen om aan haar wettelijke verplichtingen te voldoen(125); verzoekt de Maltese FIAU gevolg te geven aan de respectieve aanbevelingen;

239.  neemt nota van de brief van de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU aan de TAX3-commissie naar aanleiding van de door deze commissie geuite bezorgdheid in verband met de vermeende betrokkenheid van een aantal Maltese PEP's bij een mogelijk nieuw geval van witwassen en belastingontduiking rondom het in de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) gevestigde bedrijf "17 Black"(126); betreurt het vage karakter van de ontvangen antwoorden; maakt zich zorgen over de klaarblijkelijke politieke desinteresse van de Maltese autoriteiten; vindt het met name zorgwekkend dat volgens de "17 Black"-onthullingen PEP's in de hoogste regionen van de Maltese regering bij het schandaal betrokken lijken te zijn; verzoekt de Maltese autoriteiten de VAE om bewijzen te vragen in de vorm van letters met verzoeken om juridische bijstand; verzoekt de VAE met de Maltese en de Europese autoriteiten samen te werken en erop toe te zien dat het geld dat op de bankrekeningen van "17 Black" bevroren is niet wordt vrijgegeven voordat een grondig onderzoek heeft plaatsgevonden; wijst in het bijzonder op het klaarblijkelijke gebrek aan onafhankelijkheid van zowel de Maltese FIAU, als de Maltese commissaris van politie; betreurt het feit dat er tot nu toe geen maatregelen zijn genomen tegen de PEP's die bij de vermeende corruptiezaken betrokken zijn; beklemtoont dat het Maltese onderzoek baat zou hebben bij de instelling - op basis van een ad-hocovereenkomst(127) - van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (GOT), teneinde iets te doen aan de serieuze twijfels omtrent de onafhankelijkheid en de kwaliteit van de lopende nationale onderzoeken, met ondersteuning van Europol en Eurojust;

240.  merkt op dat onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia werd vermoord op het ogenblik dat ze werkte aan het grootste informatielek dat ze ooit onder ogen had gekregen, met informatie die afkomstig was van de servers van ElectroGas, de onderneming die de elektriciteitscentrale van Malta exploiteert; merkt verder op dat de eigenaar van "17 Black", die grote sommen geld moest overschrijven naar Maltese PEP's die verantwoordelijk zijn voor deze elektriciteitscentrale, ook bestuurder en aandeelhouder van ElectroGas is;

241.  is bezorgd over de toename van witwaspraktijken in de context van andere vormen van zakelijke activiteiten, met name de fenomenen van "flying money" en "notorious streets"; benadrukt dat een betere coördinatie en nauwere samenwerking tussen lokale en regionale administratieve en handhavingsautoriteiten nodig is om deze kwesties in Europese steden aan te pakken;

242.  is zich ervan bewust dat het huidige rechtskader voor de bestrijding van witwaspraktijken tot nu toe ingevuld is door richtlijnen en stoelt op een minimale harmonisatie, wat qua nationaal toezicht en nationale handhaving heeft geleid tot praktische verschillen tussen de lidstaten; verzoekt de Commissie om bij een toekomstige herziening van de antiwitwaswetgeving in het kader van de verplichte effectrapportage te onderzoeken of een verordening wellicht een passendere wetshandeling is dan een richtlijn; roept in deze context op om de antiwitwaswetgeving snel om te zetten in een verordening wanneer uit de effectbeoordeling blijkt dat dit gerechtvaardigd is;

5.1.Samenwerking tussen antiwitwas- en prudentiële toezichthouders in de Europese Unie

243.  is verheugd over het feit dat de voorzitter van de Commissie, naar aanleiding van recente gevallen van schending of vermeende schending van de antiwitwasregels, in zijn Staat van de Unie van 12 september 2018 aanvullende maatregelen heeft aangekondigd;

244.  wijst met klem op de noodzaak van meer controle van en permanent toezicht op de leden van de raden van bestuur en de aandeelhouders van kredietinstellingen, beleggingsondernemingen en verzekeringsmaatschappijen in de Unie, en benadrukt in het bijzonder hoe moeilijk het is om bankvergunningen of gelijkwaardige specifieke vergunningen in te trekken;

245.  steunt de werkzaamheden van de gezamenlijke werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van het directoraat-generaal Justitie en consumenten en het directoraat-generaal Financiële stabiliteit, financiële diensten en kapitaalmarktenunie van de Commissie, de ECB, de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) en de voorzitter van het Gemengd Comité tegen het witwassen van geld van de ETA's, teneinde de huidige tekortkomingen op te sporen en maatregelen voor te stellen om een doeltreffende samenwerking en coördinatie en uitwisseling van informatie tussen de toezichthoudende en handhavingsinstanties mogelijk te maken;

246.  komt tot de conclusie dat het huidige niveau van coördinatie van het toezicht op financiële instellingen ter bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, met name in gevallen met grensoverschrijdende effecten, niet voldoende is om de huidige uitdagingen in deze sector aan te pakken en dat het vermogen van de Unie om gecoördineerde antiwitwasregels en -praktijken te handhaven momenteel ontoereikend is;

247.  roept op tot een beoordeling van langetermijndoelstellingen die leiden tot een versterkt antiwitwaskader, zoals vermeld in de discussienota over mogelijke elementen van een routekaart voor naadloze samenwerking tussen antiwitwas- en bedrijfseconomische toezichthouders in de Europese Unie(128), zoals de instelling van een mechanisme op EU-niveau om de activiteiten van toezichthouders voor de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering op entiteiten uit de financiële sector beter te coördineren, met name in situaties waarin deze grensoverschrijdende effecten kunnen hebben, en een mogelijke centralisatie van toezicht op witwassen via een bestaand of nieuw EU-orgaan dat bevoegd is om geharmoniseerde regels en praktijken in EU-lidstaten te handhaven; steunt verdere inspanningen gericht op centralisatie van het toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken en is van oordeel dat een dergelijk mechanisme voldoende personele en financiële middelen ter beschikking moeten worden gesteld om zijn taken doeltreffend uit te voeren;

248.  herinnert eraan dat de ECB bevoegd en verantwoordelijk is voor het intrekken van de vergunning van kredietinstellingen voor ernstige inbreuken op de regelgeving inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering; stelt evenwel vast dat de ECB volledig afhankelijk is van nationale toezichthouders voor de bestrijding van witwassen voor informatie over dergelijke inbreuken die nationale autoriteiten vaststellen; roept de nationale autoriteiten voor de bestrijding van witwassen dan ook op tijdig kwalitatief hoogwaardige informatie aan de ECB ter beschikking te stellen zodat zij haar functie naar behoren kan vervullen; verwelkomt in dit verband het multilateraal akkoord over de praktische modaliteiten voor de uitwisseling van informatie tussen de ECB en alle bevoegde autoriteiten die belast zijn met het toezicht op de inachtneming van de verplichtingen krachtens de regelgeving inzake de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering door krediet- en financiële instellingen;

249.  is van oordeel dat bedrijfseconomisch toezicht en toezicht op antiwitwasmaatregelen niet afzonderlijk kunnen worden behandeld; beklemtoont dat de ETA's ten gevolge van hun besluitvormingsprocedures, een gebrek aan bevoegdheden en te weinig middelen slechts beperkt in staat zijn een grotere rol te spelen bij de bestrijding van witwaspraktijken; beklemtoont dat de EBA bij deze bestrijding het voortouw zou moeten nemen, alsook voor nauwe coördinatie moet zorgen met de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa), en met het oog daarop op zo kort mogelijke termijn voldoende personele en materiële middelen moet krijgen om haar in staat te stellen daadwerkelijk een bijdrage te leveren aan de stelselmatige en doeltreffende preventie van het gebruik van het financiële systeem voor witwaspraktijken, waaronder door het uitvoeren van risicobeoordelingen van bevoegde autoriteiten en toetsingen binnen haar algemene kader; dringt erop aan meer ruchtbaarheid aan deze toetsingen te geven en - met name - het Parlement en de Raad stelselmatig relevante informatie te verstrekken in gevallen waarin op nationaal of EU-niveau ernstige tekortkomingen worden geconstateerd(129);

250.  wijst op het toenemende belang van nationale financiële toezichthouders; spoort de Commissie aan om na overleg met de EBA een voorstel te doen voor mechanismen ter facilitering van nauwere samenwerking en coördinatie tussen autoriteiten belast met financieel toezicht; vindt, wat de lange termijn betreft, dat de toezichtpraktijken van de verschillende met de bestrijding van witwassen belaste nationale instanties nauwer op elkaar moeten worden afgestemd;

251.  is ingenomen met de mededeling van de Commissie van 12 september 2018 over de versterking van het Uniekader voor bedrijfseconomisch toezicht en toezicht op de bestrijding van witwaspraktijken voor financiële instellingen (COM(2018)0645) en het daarin vervatte voorstel over de herziening van de ETA's ter versterking van de toezichtconvergentie; is van oordeel dat de EBA op het niveau van de Unie een leidende, coördinerende en toezichthoudende rol moet vervullen om het financieel systeem doeltreffend te beschermen tegen witwaspraktijken en de risico's van terrorismefinanciering, in het licht van de ongewenste potentiële gevolgen voor de financiële stabiliteit van de Unie van het misbruik van de financiële sector voor witwas- of terrorismefinancieringsdoeleinden, en in het licht van de ervaring die de EBA - als autoriteit met de bevoegdheid om in alle lidstaten toezicht uit te oefenen - reeds heeft opgedaan bij het beschermen van de banksector tegen dergelijke vormen van misbruik;

252.  neemt nota van de zorgen van de EBA met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de richtlijn kapitaalvereisten (2013/36/EU) betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen(130); is verheugd over de suggesties van de EBA om de tekortkomingen in het huidige rechtskader van de Unie aan te pakken; verzoekt de lidstaten de onlangs aangenomen wijzigingen van de richtlijn kapitaalvereisten snel in de nationale wetgeving om te zetten;

5.2.Samenwerking tussen financiële-inlichtingeneenheden (FIE's)

253.  herinnert eraan dat de lidstaten krachtens de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn geautomatiseerde gecentraliseerde mechanismen op te zetten die een snelle identificatie van houders van bank- en betaalrekeningen mogelijk maken, en ervoor te zorgen dat elke FIE in staat is om informatie die in deze gecentraliseerde mechanismen wordt bewaard, tijdig aan elke andere FIE te verstrekken; beklemtoont het belang van het tijdig toegang hebben tot informatie, teneinde financiële criminaliteit te voorkomen en te verhinderen dat onderzoeken moeten worden stopgezet; verzoekt de lidstaten de invoering van deze mechanismen te bespoedigen, zodat de FIE's van de lidstaten doeltreffend met elkaar kunnen samenwerken om witwaspraktijken op te sporen en tegen te gaan; verzoekt de FIE's van de lidstaten met klem het FIU.net-systeem te gebruiken; wijst erop dat gegevensbescherming ook in dit kader belangrijk is;

254.  is van oordeel dat een bijdrage leveren aan het doeltreffend bestrijden van witwaspraktijken alleen mogelijk is indien de nationale FIE's voldoende middelen en capaciteiten ter beschikking worden gesteld;

255.  wijst er in het bijzonder op dat niet alleen samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten, maar ook samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten en de FIE's van derde landen van essentieel belang is voor een doeltreffende bestrijding van witwaspraktijken; neemt nota van de politieke akkoorden over de interinstitutionele onderhandelingen(131) met het oog op de vaststelling in de toekomst van de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ;

256.  roept de Commissie op gespecialiseerde opleidingen te ontwikkelen voor FIE's, met name gezien het feit dat een aantal lidstaten over minder capaciteit beschikken; neemt akte van de bijdrage van de Egmont-groep, die uit 159 FIE's bestaat en tot doel heeft hun operationele samenwerking te versterken door de voortzetting en uitvoering van tal van projecten aan te moedigen; wacht op de beoordeling van de Commissie van het kader voor samenwerking van FIE's met derde landen, en van de hindernissen voor en de mogelijkheden tot uitbreiding van de samenwerking tussen FIE's in de Unie, met inbegrip van de mogelijkheid om een coördinatie- en ondersteuningsmechanisme op te richten; herinnert eraan dat deze beoordeling vóór 1 juni 2019 afgerond moet zijn; dringt er bij de Commissie op aan deze mogelijkheid te overwegen om een wetgevingsvoorstel te doen voor een FIE van de EU, waarbij een hub wordt gecreëerd voor gezamenlijk onderzoekswerk en coördinatie, met een eigen takenpakket, autonomie en onderzoeksbevoegdheden inzake grensoverschrijdende financiële criminaliteit, evenals een vroeg waarschuwingsmechanisme; is van mening dat een FIE van de EU een brede rol moet vervullen bij het coördineren, bijstaan en ondersteunen van de FIE's van de lidstaten in grensoverschrijdende gevallen, teneinde de informatie-uitwisseling te vergroten en te zorgen voor gezamenlijke analyses van grensoverschrijdende gevallen en intensieve coördinatie van de werkzaamheden;

257.  roept de Commissie op om samen met de lidstaten actief te zoeken naar mechanismen om de samenwerking tussen de FIE's van de lidstaten en de FIE's van derde landen te verbeteren en te versterken; roept de Commissie op om in dit verband passende maatregelen te nemen in de relevante internationale fora, zoals de OESO en de Financiële-actiegroep (FATF); is van mening dat in een eventueel daaruit voortvloeiende overeenkomst de bescherming van persoonsgegevens naar behoren in aanmerking moet worden genomen;

258.  verzoekt de Commissie om het Parlement en de Raad in een rapport erover te informeren of de verschillen in status en organisatie tussen de FIE's van de lidstaten een belemmering vormen voor de samenwerking bij de bestrijding van de zware grensoverschrijdende misdaad;

259.  wijst erop dat de niet-standaardisering van de formaten voor het melden van verdachte transacties en van de drempels voor de desbetreffende meldingen tussen de lidstaten en met betrekking tot de verschillende meldingsplichtige entiteiten tot problemen bij de verwerking en uitwisseling van informatie tussen FIE's leidt; verzoekt de Commissie - met ondersteuning van de EBA - na te gaan hoe op zo kort mogelijke termijn gestandaardiseerde meldingsformaten voor meldingsplichtige entiteiten kunnen worden opgezet om de verwerking en uitwisseling van informatie tussen FIE's in gevallen met een grensoverschrijdend karakter te vergemakkelijken en te verbeteren, en te overwegen de drempels voor verdachte transacties te standaardiseren;

260.  verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken om geautomatiseerde terugzoeksystemen met meldingen van verdachte transacties op te zetten waarin de FIE's van de lidstaten transacties en hun initiatiefnemers en ontvangers die herhaaldelijk in verschillende lidstaten als verdacht zijn gemeld, kunnen opzoeken;

261.  moedigt de bevoegde autoriteiten en de FIE's aan om met de financiële instellingen en andere meldingsplichtige entiteiten in contact te treden om de melding van verdachte activiteiten te verbeteren en defensieve melding te verminderen, wat helpt ervoor te zorgen dat de FIE's nuttiger, doelgerichter en vollediger informatie ontvangen om hun taken naar behoren uit te voeren, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de algemene verordening gegevensbescherming wordt nageleefd;

262.  herinnert er eens te meer aan dat het belangrijk is betere kanalen te ontwikkelen voor dialoog, communicatie en de uitwisseling van informatie tussen overheden en specifieke particuliere belanghebbenden, in het algemeen bekend als publiek-private partnerschappen (PPP's), met name voor meldingsplichtige entiteiten als bedoeld in de richtlijn bestrijding witwaspraktijken, en beklemtoont verder de positieve resultaten van het enige grensoverschrijdende PPP, te weten het publiek-private partnerschap Financiële inlichtingen van Europol, dat de strategische uitwisseling van informatie tussen banken, FIE's, handhavende autoriteiten en nationale regelgevende instanties in de lidstaten bevordert;

263.  steunt de continu verbetering van de uitwisseling van informatie tussen FIE's en handhavende autoriteiten, met inbegrip van Europol; is van oordeel dat een dergelijk partnerschap ook tot stand moet worden gebracht met betrekking tot nieuwe technologieën, inclusief virtuele activa, om de in de lidstaten reeds bestaande acties te formaliseren; roept het Europees Comité voor gegevensbescherming op meer duidelijkheid te verschaffen aan marktdeelnemers die als onderdeel van hun zorgvuldigheidsverplichtingen persoonsgegevens verwerken, teneinde ze in staat te stellen de toepasselijke gegevensbeschermingsregels in acht te nemen;

264.  beklemtoont dat meer en betere samenwerking tussen nationale toezichthouders en FIE's essentieel is voor een doeltreffende bestrijding van witwaspraktijken en belastingontduiking; benadrukt daarnaast dat de strijd tegen witwaspraktijken en belastingontduiking ook een goede samenwerking tussen FIE's en douane-autoriteiten vereist;

265.  roept de Commissie op verslag uit te brengen over de stand van zaken van en de verbeteringen bij de FIE's van de lidstaten met betrekking tot de verspreiding, uitwisseling en verwerking van informatie, naar aanleiding van de PANA-aanbevelingen(132) en het verslag waarin het platform van FIE's van de lidstaten de problemen in kaart brengt;

5.3.Meldingsplichtige entiteiten (toepassingsgebied)

266.  is verheugd over het feit dat de vijfde antiwitwasrichtlijn de lijst van meldingsplichtige entiteiten heeft uitgebreid met aanbieders van wisseldiensten tussen virtuele en chartale valuta, aanbieders van een bewaarportemonnee, kunsthandelaren en vrijhavens;

267.  verzoekt de Commissie maatregelen te nemen om de handhaving van grondig cliëntenonderzoek te verbeteren, met name om beter te verduidelijken dat de verantwoordelijkheid voor de correcte uitvoering hiervan altijd bij de meldingsplichtige entiteit ligt, zelfs wanneer deze wordt uitbesteed, en om te voorzien in sancties in geval van nalatigheid of belangenconflicten in gevallen van uitbesteding; onderstreept dat meldingsplichtige entiteiten krachtens de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn in het kader van grondig cliëntenonderzoek in verband met zakelijke betrekkingen of transacties met landen die door de Commissie met betrekking tot witwaspraktijken als landen met een hoog risico zijn aangemerkt, versterkte controles te verrichten en daarover stelselmatig verslag uit te brengen;

5.4.Registers

268.  is verheugd over de toegang tot informatie over uiteindelijke begunstigden en andere informatie uit grondig cliëntenonderzoek die in het kader van krachtens de richtlijn administratieve samenwerking aan de belastingautoriteiten wordt verleend; herinnert eraan dat deze toegang noodzakelijk is om de belastingautoriteiten in staat te stellen hun taken naar behoren uit te voeren;

269.  merkt op dat de antiwitwaswetgeving van de Unie de lidstaten verplicht om centrale registers op te zetten met volledige gegevens over de uiteindelijk begunstigden van bedrijven en trusts, en dat deze wetgeving ook voorziet in de onderlinge koppeling van deze registers; is ingenomen met het feit dat de lidstaten op grond van de vijfde antiwitwasrichtlijn verplicht zijn ervoor te zorgen dat de informatie over uiteindelijk begunstigden in alle gevallen toegankelijk is voor het publiek;

270.  stelt evenwel vast dat - met betrekking tot trusts - de nationale registers in principe uitsluitend toegankelijk zullen zijn voor personen die kunnen aantonen dat ze een gewettigd belang bij toegang hebben; benadrukt dat het de lidstaten vrij staat de registers van uiteindelijke begunstigden voor trusts open te stellen voor het publiek, zoals het Parlement al eerder heeft aanbevolen; roept de lidstaten op om vrij toegankelijke en open gegevensregisters op te zetten; wijst er nogmaals op dat de eventueel te verlangen vergoeding niet hoger mag zijn dan de administratieve kosten (met inbegrip van de kosten voor onderhoud en ontwikkeling van de registers) van het toegankelijk maken van de informatie;

271.  benadrukt dat de Commissie voor de koppeling van de registers moet zorgen; is van mening dat de Commissie nauwlettend moet toezien op de werking van dit gekoppelde systeem en binnen een redelijke termijn moet beoordelen of het goed functioneert en of het moet worden aangevuld met een openbaar EU-register van uiteindelijk begunstigden, of met een ander instrument dat eventuele tekortkomingen afdoende verhelpt; roept de Commissie op om in de tussentijd technische richtsnoeren op te stellen en uit te geven om convergentie van formaat, interoperabiliteit en koppeling van de registers van de lidstaten te bevorderen; is van oordeel dat in het kader van de toepassing van de vijfde antiwitwasrichtlijn ten aanzien van uiteindelijke begunstigden van trusts dezelfde mate van transparantie moet worden betracht als ten aanzien van bedrijven, mét garanties voor passende vrijwaringsmaatregelen;

272.  vindt het zorgwekkend dat de informatie in de registers van uiteindelijke begunstigden niet altijd compleet en/of nauwkeurig is; verzoekt de lidstaten dan ook erop toe te zien dat registers van uiteindelijke begunstigden controlemechanismen bevatten om de nauwkeurigheid van de gegevens te verzekeren; verzoekt de Commissie om bij haar controles de controlemechanismen van de lidstaten en de betrouwbaarheid van de gegevens te beoordelen;

273.  dringt aan op een striktere en preciezere definitie van uiteindelijk begunstigden om ervoor te zorgen dat alle natuurlijke personen die uiteindelijk eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over een juridische entiteit, worden geïdentificeerd;

274.  herinnert eraan dat er heldere regels moeten komen om een duidelijke identificatie van de uiteindelijke begunstigden te bevorderen, waaronder een verplichting dat de oprichting van een trust of soortgelijke constructie schriftelijk is vastgelegd en dat deze is geregistreerd in de lidstaat waar de trust is opgezet, wordt beheerd of actief is;

275.  onderstreept het probleem van het witwassen van geld door investeringen in onroerend goed in Europese steden via buitenlandse lege vennootschappen; herinnert eraan dat de Commissie de noodzaak en evenredigheid van de harmonisatie van de informatie in de grond- en onroerendgoedregisters moet beoordelen en de noodzaak van de koppeling van deze registers moet beoordelen; verzoekt de Commissie het verslag indien nodig vergezeld te laten gaan van een wetgevingsvoorstel; is van mening dat de lidstaten moeten beschikken over voor het publiek toegankelijke informatie over de uiteindelijke begunstigden van land en vastgoed;

276.  herhaalt zijn standpunt over de ontwikkeling van registers van uiteindelijke begunstigden van levensverzekeringscontracten, zoals geformuleerd tijdens de interinstitutionele onderhandelingen over de vijfde antiwitwasrichtlijn; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het haalbaar en nodig is informatie over de uiteindelijke begunstigden van levensverzekeringscontracten en financiële instrumenten aan de relevante autoriteiten ter beschikking te stellen;

277.  merkt op dat de Commissie in het kader van de vijfde antiwitwasrichtlijn een analyse moet uitvoeren van de haalbaarheid van specifieke maatregelen en mechanismen op het niveau van de Unie en de lidstaten die het mogelijk maken om informatie over de uiteindelijk begunstigden van ondernemingen en andere rechtspersonen met rechtspersoonlijkheid buiten de Unie te verzamelen en er toegang toe te krijgen; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel voor een dergelijk mechanisme in te dienen indien de haalbaarheidsanalyse positief uitvalt;

5.5.Technologische risico's en virtuele activa, waaronder virtuele en cryptovaluta

278.  onderstreept het positieve potentieel van nieuwe gedistribueerde grootboektechnologieën (DLT's), zoals blockchaintechnologie; stelt tegelijkertijd vast dat er steeds meer misbruik wordt gemaakt van nieuwe betalings- en overschrijvingsmethoden die op deze technologieën zijn gebaseerd om de opbrengsten van misdrijven wit te wassen of om andere financiële misdrijven te plegen; erkent dat de snelle technologische ontwikkelingen moeten worden gevolgd om ervoor te zorgen dat de wetgeving misbruik van nieuwe technologieën en anonimiteit, die criminele activiteiten in de hand werkt, op doeltreffende wijze aanpakt, zonder de positieve aspecten ervan in te perken;

279.  verzoekt de Commissie de relevante cryptospelers die momenteel niet onder het toepassingsgebied van de vijfde antiwitwasrichtlijn vallen aan een grondig onderzoek te onderwerpen en de lijst van meldingsplichtige entiteiten, waarbij met name moet worden gedacht aan dienstverleners op het gebied van transacties met één of meerdere virtuele valuta, in voorkomend geval uit te breiden; verzoekt de lidstaten ondertussen de bepalingen van de vijfde antiwitwasrichtlijn die inhouden dat verleners van portemonneediensten voor virtuele valuta en de uitwisseling van diensten hun klanten moeten identificeren, hetgeen het anonieme gebruik van virtuele valuta erg moeilijk zou maken, zo snel mogelijk in nationaal recht om te zetten;

280.  verzoekt de Commissie de technologische ontwikkelingen, waaronder de snelle uitbreiding van innovatieve zakelijke Fintech-modellen en de uitrol van opkomende technologieën zoals kunstmatige intelligentie, DLT's, cognitieve computing en machineleren, nauwlettend in de gaten te houden, teneinde de technologische risico's en eventuele leemten in kaart te brengen en beter bestand te zijn tegen cyberaanvallen of systeemfalen, in concreto middels een betere gegevensbescherming; spoort de bevoegde autoriteiten en de Commissie aan de mogelijke systeemrisico's van DLT-applicaties aan een grondige beoordeling te onderwerpen;

281.  beklemtoont dat de ontwikkeling en het gebruik van virtuele activa een langetermijntrend is die zich waarschijnlijk zal voortzetten en in de komende jaren verder zal toenemen, met name middels het gebruik van virtuele tokens voor allerlei toepassingen, zoals corporate financing; verzoekt de Commissie een passend kader op het niveau van de EU voor de omgang met deze ontwikkelingen uit te werken en zich daarbij te laten leiden door de werkzaamheden ter zake op internationaal vlak, maar ook door Europese instanties zoals de ESMA; is van mening dat dit kader de nodige beschermingsmaatregelen moet bevatten ten aanzien van de specifieke risico's van virtuele activa en tegelijkertijd voldoende ruimte moet laten voor innovatie;

282.  merkt met name op dat de ondoorzichtigheid van virtuele activa zou kunnen worden gebruikt om witwaspraktijken en belastingontduiking te vergemakkelijken; verzoekt de Commissie in dit verband duidelijkheid te verschaffen omtrent de voorwaarden waaronder virtuele activa in MiFID2 als een bestaand of nieuw financieel instrument zouden kunnen worden aangemerkt, alsook over de omstandigheden waarin de EU-wetgeving van toepassing is op de uitgifte van digitale tokens;

283.  verzoekt de Commissie onderzoek te doen naar een verbod op bepaalde anonimiteitsmaatregelen voor specifieke virtuele activa en, in voorkomend geval, te overwegen virtuele activa onder de regels voor financiële instrumenten te laten vallen; is van oordeel dat FIE's de mogelijkheid zouden moeten hebben om adressen van virtuele en cryptovaluta te koppelen aan de identiteit van de eigenaar van de virtuele activa; vindt dat de Commissie moet bekijken of het mogelijk is te komen tot de verplichte registratie van gebruikers van virtuele activa; herinnert eraan dat sommige lidstaten al verschillende soorten maatregelen hebben vastgesteld voor specifieke segmenten van die sector, zoals de uitgifte van digitale tokens, die voor de EU een bron van inspiratie zouden kunnen zijn voor acties in de toekomst;

284.  benadrukt dat de FATF er onlangs op heeft gewezen dat alle landen dringend gecoördineerde actie moeten ondernemen om het gebruik van virtuele activa voor misdaad en terrorisme te voorkomen, en er bij alle rechtsgebieden op aandringt om juridische en praktische stappen te ondernemen om misbruik van virtuele activa te voorkomen(133); dringt er bij de Commissie op aan de aanbevelingen en normen van de FATF voor het regelen van virtuele activa snel in het Europese rechtskader op te nemen; benadrukt dat de Unie zich hard moet blijven maken voor een coherent en gecoördineerd internationaal regelgevend kader voor virtuele valuta, voortbouwend op inspanningen die zij heeft ondernomen binnen de G20;

285.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op korte termijn een evaluatie uit te voeren van het verband tussen elektronische gokactiviteiten enerzijds en het witwassen van geld en fiscale misdrijven anderzijds; is van mening dat die evaluatie met voorrang moet worden uitgevoerd; stelt vast dat de e-gamingsector in meerdere rechtsgebieden in opkomst is, waaronder in enkele van de Britse Kroon afhankelijke gebieden, zoals het Isle of Man, en daar reeds goed is voor 18 % van het nationaal inkomen;

286.  neemt kennis van het werk van deskundigen op het gebied van elektronische identificatie en klantidentificatieprocessen op afstand, waarbij kwesties worden onderzocht zoals de mogelijkheid voor financiële instellingen om elektronische identificatie (e-ID) te gebruiken en de overdraagbaarheid van klantidentificatie om klanten digitaal te identificeren; verzoekt de Commissie in dit verband in kaart te brengen wat de potentiële voordelen zijn van het invoeren van een Europees e-ID-systeem; herhaalt eens te meer dat het belangrijk is een goed evenwicht te handhaven tussen data- en privacybescherming enerzijds en de noodzaak voor bevoegde autoriteiten om met het oog op strafrechtelijke onderzoeken toegang te hebben tot informatie anderzijds;

5.6.Sancties

287.  beklemtoont dat de antiwitwaswetgeving van de EU vereist dat de lidstaten sancties vaststellen voor inbreuken op de antiwitwasregels; benadrukt dat de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend moeten zijn; dringt aan op de invoering, in de lidstaten, van vereenvoudigde procedures voor de implementatie van in verband met inbreuken op de witwaswetgeving opgelegde sancties;

288.  verzoekt de lidstaten met klem toe te zeggen dat ze zo snel mogelijk informatie zullen verstrekken over de aard en de waarde van de opgelegde sancties, naast informatie over het soort en de aard van de inbreuk en de identiteit van de inbreukpleger; roept de lidstaten op om ook sancties en maatregelen op te leggen aan de leden van raad van bestuur en andere natuurlijke personen die onder nationaal recht verantwoordelijk zijn voor een inbreuk op de regels inzake de bestrijding van witwaspraktijken(134);

289.  verzoekt de Commissie elke twee jaar verslag uit te brengen aan het Parlement over de nationale wetgeving en praktijken op het gebied van sancties voor inbreuken op de wetgeving inzake de bestrijding van witwaspraktijken;

290.  is verheugd over de goedkeuring van Verordening (EU) 2018/1805 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 inzake de wederzijdse erkenning van beslissingen tot bevriezing en confiscatie(135), die erop gericht is de grensoverschrijdende ontneming van criminele vermogensbestanddelen te vergemakkelijken, hetgeen de capaciteit van de Unie zal helpen versterken om de georganiseerde misdaad en terrorisme te bestrijden en de financieringsbronnen voor criminelen en terroristen in de hele Unie af te snijden;

291.  is ingenomen met de goedkeuring van Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld(136), waarmee nieuwe strafrechtelijke bepalingen worden ingevoerd en doeltreffendere en snellere grensoverschrijdende samenwerking tussen de bevoegde instanties mogelijk moet worden gemaakt om het witwassen van geld en de daarmee samenhangende financiering van terrorisme en georganiseerde misdaad op doeltreffender wijze te voorkomen; merkt op dat de lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat hun bevoegde autoriteiten in overeenstemming met Richtlijn 2014/42/EU(137)in voorkomend geval de opbrengsten van en de hulpmiddelen die werden gebruikt of bestemd waren om te worden gebruikt bij het plegen of het bijdragen aan het plegen van deze strafbare feiten, bevriezen of in beslag nemen;

5.7.Internationale dimensie

292.  stelt vast dat de Commissie overeenkomstig de vierde antiwitwasrichtlijn in kaart moeten brengen welke derde hoogrisicolanden met strategische tekortkomingen te kampen hebben in hun systeem voor de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme;

293.  is van mening dat het weliswaar goed is om rekening te houden met de werkzaamheden die op internationaal niveau, en met name in de FATF, worden ondernomen om derde landen met een hoog risico op te sporen met het oog op de bestrijding van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme, maar dat het een conditio sine qua non is dat de Unie over een autonome lijst van derde landen met een hoog risico beschikt; verwelkomt in dit kader de Gedelegeerde verordening van de Commissie van 13 februari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen (C(2019)1326), en betreurt het dat de Raad hiertegen bezwaar heeft gemaakt; verwelkomt daarnaast de Gedelegeerde Verordening van 31 januari 2019 tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen inzake de minimumactie en de soort bijkomende maatregelen waartoe krediet- en financiële instellingen verplicht zijn met het oog op het beperken van het witwasrisico en het risico van terrorismefinanciering in bepaalde derde landen(138);

294.  verwelkomt de goedkeuring door de Commissie van de op 22 juni 2018 gepubliceerde methode voor de identificatie van derde landen met een hoog risico in het kader van Richtlijn (EU) 2015/849)(139); verwelkomt de beoordeling door de Commissie van "prioriteit 1"-landen van 31 januari 2019;

295.  beklemtoont dat voor consistentie en complementariteit moet worden gezorgd van de antiwitwaslijst van hoogrisicolanden en de Europese lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden; herhaalt zijn oproep om de Commissie een centrale rol toe te kennen in het beheer van beide lijsten; verzoekt de Commissie te zorgen voor transparantie van het proces van screening van rechtsgebieden;

296.  maakt zich zorgen over de beschuldigingen als zouden de bevoegde autoriteiten in Zwitserland hun taken op het gebied van de aanpak van witwaspraktijken en terrorismefinanciering niet naar behoren uitvoeren(140); verzoekt de Commissie met deze elementen rekening te houden wanneer zij de lijst van hoogrisicolanden actualiseert, alsook in de bilaterale betrekkingen tussen Zwitserland en de Unie;

297.  verzoekt de Commissie technische bijstand te verlenen aan derde landen om doeltreffende systemen te ontwikkelen voor de bestrijding van het witwassen van geld en die systemen voortdurend te verbeteren;

298.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de EU in de FATF met één stem spreekt en een actieve bijdrage levert aan het lopende proces van reflectie over de hervorming ervan, met het oog op de terbeschikkingstelling van meer middelen en vergroting van haar legitimiteit; verzoekt de Commissie het personeel van het Europees Parlement als waarnemer op te nemen in de delegatie van de Commissie bij de Financiële-actiegroep;

299.  roept de Commissie op om een wereldwijd initiatief te leiden voor de oprichting van openbare centrale registers van uiteindelijke begunstigden in alle rechtsgebieden; benadrukt in dit verband de cruciale rol van internationale organisaties zoals de OESO en de VN;

6.Internationale dimensie van belastingheffing

300.  wijst erop dat een Europees eerlijk belastingstelsel een eerlijker belastingomgeving in de hele wereld vereist; herhaalt zijn oproep om toezicht te houden op lopende belastinghervormingen van derde landen;

301.  erkent de inspanningen die sommige derde landen zich hebben getroost om resoluut tegen BEPS op te treden; benadrukt echter dat dergelijke hervormingen in overeenstemming moeten blijven met de bestaande WTO-regels;

302.  acht de informatie die tijdens het commissiebezoek aan Washington D.C. is verzameld over de belastinghervormingen in de VS en de mogelijke gevolgen daarvan voor de internationale samenwerking, van bijzonder belang; wijst erop dat sommige bepalingen van de Amerikaanse Tax Cuts and Jobs Act van 2017 volgens sommige deskundigen onverenigbaar zijn met de bestaande WTO-regels; merkt op dat een aantal onderdelen van de belastinghervormingen in de VS erop gericht is om, eenzijdig en zonder enige wederkerigheid, transnationale winsten die toe te schrijven zijn aan Amerikaans grondgebied nieuw leven in te blazen (in de veronderstelling dat deze voor minstens 50 % op Amerikaans grondgebied worden gegenereerd); is verheugd over het feit dat de Commissie momenteel bezig is met de beoordeling van de mogelijke gevolgen van met name de BEAT-, GILTI- en FDII(141)-bepalingen van de nieuwe belastinghervorming in de VS voor de regelgeving en de handel; verzoekt de Commissie het Parlement in te lichten over de resultaten van de beoordeling;

303.  stelt vast dat er twee soorten intergouvernementele overeenkomsten (IGA's) met betrekking tot de Foreign Account Tax Compliance Act (FATCA) zijn ontwikkeld om de FATCA te helpen zich aan de internationale wetgeving te houden(142); merkt op dat slechts één van de IGA-modellen een wederkerig karakter heeft; betreurt het dat deze overeenkomsten wat wederkerigheid betreft aan alle kanten rammelen, gezien het feit dat de VS in de regel veel meer informatie van de regeringen van andere landen krijgt dan dat ze zelf verstrekt; roept de Commissie op een inventarisatie uit te voeren om de mate van wederkerigheid bij de uitwisseling van informatie tussen de VS en de lidstaten in kaart te brengen;

304.  verzoekt de Raad de Commissie te mandateren met de VS te onderhandelen over een overeenkomst om met betrekking tot de FATCA wederkerigheid te waarborgen;

305.  herhaalt de voorstellen in zijn resolutie van 5 juli 2018 over de nadelige gevolgen van de FATCA voor EU-burgers en met name "accidental Americans"(143), waarin de Commissie wordt opgeroepen actie te ondernemen teneinde ervoor te zorgen dat de grondrechten van alle burgers, en met name die van "accidental Americans", worden gerespecteerd;

306.  verzoekt de Commissie en de Raad een gezamenlijke EU-aanpak van de FATCA te presenteren om de rechten van Europese burgers (met name "accidental Americans") te beschermen en te zorgen voor wederkerigheid bij de automatische uitwisseling van informatie met de VS, het liefst op basis van de CRS; verzoekt de Commissie en de Raad om ondertussen na te denken over tegenmaatregelen, zoals - in voorkomend geval - een inhouding aan de bron om voor een 'level playing field' te zorgen indien de VS in het kader van de FATCA niet akkoord gaat met wederkerigheid;

307.  roept de Commissie en de lidstaten op om toezicht te houden op nieuwe vennootschapsbelastingen van landen die met de EU samenwerken op basis van een internationale overeenkomst(144);

6.1.Belastingparadijzen en rechtsgebieden die agressieve belastingplanning in de EU en in derde landen faciliteren

308.  herinnert aan het belang van een gemeenschappelijke EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (hierna de "EU-lijst") op basis van volledige, transparante, robuuste, objectief controleerbare en algemeen aanvaarde criteria, die regelmatig wordt bijgewerkt;

309.  betreurt het feit dat bij het opstellen van de hier bedoelde EU-lijst in eerste instantie uitsluitend naar derde landen is gekeken; neemt er nota van dat de Commissie in het kader van het Europees Semester vast heeft gesteld dat de belastingstelsels van sommige lidstaten tekortkomingen hebben die de deur openzetten voor agressieve belastingplanning; is desalniettemin ingenomen met de verklaring van de voorzitter van de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie op 10 oktober 2018, waarin verwezen wordt naar de mogelijkheid om de lidstaten te screenen volgens dezelfde criteria als die waarmee wordt gewerkt voor de EU-lijst waarover momenteel wordt besproken in de context van de herziening van het mandaat van de Groep gedragscode(145);

310.  is verheugd over de goedkeuring door de Raad op 5 december 2017 van de eerste EU-lijst en het voortdurende toezicht op de door derde landen gedane toezeggingen; merkt op dat de lijst meerdere keren is bijgewerkt op basis van de beoordeling van deze toezeggingen en dat dit erin heeft geresulteerd dat diverse landen van de EU-lijst zijn geschrapt; merkt op dat de lijst nu, ten gevolge van de herziening van 12 maart 2019, de volgende fiscale rechtsgebieden omvat: de Amerikaanse Maagdeneilanden, Amerikaans-Samoa, Aruba, Barbados, Belize, Bermuda, Dominica, Fiji, Guam, de Marshalleilanden, Oman, Samoa, Trinidad en Tobago, de Verenigde Arabische Emiraten en Vanuatu;

311.  stelt vast dat er nog twee andere rechtsgebieden zijn toegevoegd aan de grijze lijst (Australië en Costa Rica)(146);

312.  stelt vast dat acht grote "pass-through"-economieën (Nederland, Luxemburg, Hongkong, de Britse Maagdeneilanden, Bermuda, de Kaaimaneilanden, Ierland en Singapore) optreden als gastland voor meer dan 85 % van de wereldwijde investeringen in special purpose entities, die vaak om fiscale redenen worden opgericht(147); betreurt dat slechts één van hen (Bermuda) momenteel is opgenomen in de EU-lijst van rechtsgebieden die niet-coöperatief zijn op belastinggebied(148);

313.  beklemtoont dat de screening- en controleprocessen ondoorzichtig zijn en dat het onduidelijk is of ten aanzien van de landen die van de lijst verwijderd zijn inhoudelijke vooruitgang is geboekt;

314.  onderstreept dat de beoordeling door de Raad en de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen gebaseerd is op criteria die voortvloeien uit een door de Commissie bijgehouden technisch scorebord en dat het Parlement juridisch niet bij dit proces betrokken was; verzoekt de Commissie en de Raad in dit verband het Parlement voorafgaand aan de indiening van voorstellen tot wijziging van de lijst gedetailleerd te informeren; roept de Raad op om regelmatig een voortgangsverslag te publiceren over de vorderingen met betrekking tot de zwarte en grijze lijsten van rechtsgebieden als onderdeel van de regelmatige update van de Groep gedragscode aan de Raad;

315.  verzoekt de Commissie en de Raad een ambitieuze en objectieve methodologie te ontwikkelen die niet stoelt op toezeggingen, maar op een beoordeling van de effecten van stipt en correct ten uitvoer gelegde wetgeving in de landen in kwestie;

316.  betreurt ten zeerste het gebrek aan transparantie bij het oorspronkelijke proces voor het opstellen van de lijst, alsook de niet-objectieve toepassing van de door Ecofin vastgestelde criteria daarvoor; hamert erop dat het proces niet het onderwerp mag zijn van politieke beïnvloeding; is echter ingenomen met de verbetering van de transparantie door de openbaarmaking van brieven aan rechtsgebieden die door de Groep gedragscode zijn gescreend, alsook met de reeks ontvangen toezeggingsbrieven; dringt erop aan dat alle resterende niet openbaar gemaakte brieven openbaar worden gemaakt om ervoor te zorgen dat de naleving van de gedane toezeggingen wordt gecontroleerd en de toezeggingen naar behoren ten uitvoer worden gelegd; is van oordeel dat rechtsgebieden die weigeren hun toezeggingen openbaar te maken de verdenking op zich laden niet te zullen samenwerken met betrekking tot fiscale aangelegenheden;

317.  is ingenomen met de recente verduidelijkingen van de Groep gedragscode over eerlijke belastingcriteria, met name wat betreft het ontbreken van economische inhoud voor rechtsgebieden zonder vennootschapsbelastingtarief of met een tarief van bijna 0 %; roept de lidstaten op om te werken aan de geleidelijke verbetering van de EU-criteria voor de opstelling van een lijst met alle schadelijke belastingmaatregelen, met name door een gedetailleerde economische analyse uit te voeren in het kader waarvan gekeken wordt of belastingontduiking wordt gefaciliteerd, of een land een belastingtarief van 0 % kent en of er geen vennootschapsbelasting geheven wordt, als op zichzelf staand criterium(149);

318.  is ingenomen met de nieuwe wereldwijde standaard van de OESO voor de toepassing van de factor substantiële activiteiten op rechtsgebieden zonder belastingen of met slechts nominale belastingen(150), die grotendeels geïnspireerd is door de werkzaamheden van de EU tijdens het proces voor het opstellen van de EU-lijst(151); verzoekt de lidstaten de G20 aan te sporen tot het hervormen van de zwartelijstcriteria van de OESO zodat deze verder gaan dan loutere belastingtransparantie, alsook tot het aanpakken van belastingontduiking en agressieve belastingplanning;

319.  neemt kennis van en is ingenomen met het werk dat door de onderhandelingsteams van de EU en het VK is verzet in verband met de kwestie van belastingheffing, zoals vermeld in bijlage IV bij het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie(152); maakt zich zorgen over de onregelmatigheden die zich mogelijk al kort na de terugtrekking van het VK uit de EU tussen de twee partijen kunnen voordoen in beleid tegen financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking, en nieuwe economische, fiscale en veiligheidsrisico's met zich mee kunnen brengen; verzoekt de Commissie en de Raad onmiddellijk op dergelijke risico's te reageren en erop toe te zien dat de belangen van de EU worden beschermd;

320.  wijst erop dat de toekomstige betrekkingen overeenkomstig artikel 79 van de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk(153) een klimaat van open en eerlijke mededinging met zich mee moeten brengen door middel van bepalingen op het gebied van overheidssteun, mededinging, sociale en arbeidsnormen, milieunormen, klimaatverandering en belastingaangelegenheden; neemt met bezorgdheid kennis van de aankondiging van de Britse premier Theresa May dat in het Verenigd Koninkrijk "de laagste vennootschapsbelasting in de G20" zal worden ingevoerd; vraagt het VK om ook in de toekomst een sterke bijdrage te leveren aan de mondiale inspanningen ter waarborging van een betere en efficiëntere belastingheffing, alsook om als lid van de internationale gemeenschap financiële misdrijven te blijven bestrijden; dringt er bij de Commissie en de Raad op aan om het VK, zodra het een derde land is geworden, mee te nemen in de beoordeling van de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden en de EU-lijst van rechtsgebieden met tekortkomingen in hun regelingen voor de bestrijding van witwaspraktijken, alsook om toezicht te houden op de economische betrekkingen van het VK met zijn direct van de Kroon afhankelijke gebieden en overzeese gebieden;

321.  benadrukt dat het VK, ongeacht wat er na de uiterste datum van terugtrekking gebeurt, lid zal blijven van de OESO, aangezien het gebonden is aan zijn aanbevelingen in het kader van het BEPS-actieplan van de OESO en andere maatregelen op het gebied van goed fiscaal bestuur;

322.  dringt er in het specifieke geval van Zwitserland, waarvoor geen precieze termijn is voorzien vanwege een eerdere overeenkomst tussen Zwitserland en de EU, op aan dat het land tegen eind 2019 in bijlage I wordt opgenomen, op voorwaarde dat Zwitserland, na de juiste escalatieprocedure, zijn niet-conforme belastingstelsels, die een ongelijke behandeling van buitenlandse en binnenlandse inkomsten en belastingvoordelen voor bepaalde soorten bedrijven mogelijk maken, tegen die tijd niet intrekt;

323.  stelt bezorgd vast dat derde landen niet-conforme belastingstelsels mogen intrekken om ze vervolgens te vervangen door nieuwe stelsels die potentieel schadelijk zijn voor de EU; beklemtoont dat dit in het bijzonder kan gebeuren in het geval van Zwitserland; verzoekt de Raad Zwitserland, en elk ander derde land(154) dat soortgelijke wetswijzingen aanbrengt(155), opnieuw aan een grondige beoordeling te onderwerpen;

324.  merkt op dat de onderhandelingen tussen de EU en Zwitserland over de herziening van de bilaterale benadering van wederzijdse markttoegang nog aan de gang zijn; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de definitieve overeenkomst tussen de EU en Zwitserland een clausule in verband met goed fiscaal bestuur omvat, mét specifieke regels voor staatssteun in de vorm van een belastingvoordeel, de automatische uitwisseling van informatie over belastingheffing, algemene toegang tot informatie over uiteindelijke begunstigden (in voorkomend geval), en bepalingen inzake de bestrijding van witwaspraktijken; verzoekt de onderhandelaars van de EU te komen tot een overeenkomst die onder andere de tekortkomingen(156) in het Zwitserse systeem voor de uitoefening van toezicht elimineert en klokkenluiders beschermt;

325.  is ingenomen met de herziene EU-lijst van 12 maart 2019(157); is ingenomen met de beschikbaarstelling van de uitvoerige beoordeling van de toezeggingen en hervormingen van jurisdicties die opgenomen waren in bijlage II toen de eerste EU-lijst werd vrijgegeven, op 5 december 2017; is ingenomen met het feit dat jurisdicties die voorheen op basis van in 2017 gedane toezeggingen opgenomen waren in bijlage II, nu in bijlage I zijn opgenomen omdat de toegezegde hervormingen eind 2018 of niet binnen de overeengekomen termijn waren uitgevoerd;

326.  is er bezorgd over dat Oostenrijkse ingezetenen met bankrekeningen bij kredietinstellingen in Liechtenstein niet onder de wet inzake gemeenschappelijke rapportagestandaarden vallen als hun inkomsten uit kapitaal afkomstig zijn uit vermogensstructuren (privéstichtingen, vestigingen, trusts en dergelijke), en als de kredietinstelling in Liechtenstein zorg draagt voor de belastingheffing in overeenstemming met bilaterale verdragen; verzoekt Oostenrijk zijn wet ter zake te wijzigen en aldus het achterpoortje in de gezamenlijke rapportagestandaard te sluiten;

327.  merkt ter illustratie op dat volgens gegevens van de OESO over rechtstreekse buitenlandse investeringen Luxemburg en Nederland samen meer investeringen van buitenaf kennen dan de VS, en dat het overgrote deel daarvan naar special-purpose entities (SPE's) zonder waarneembare inhoudelijke economische activiteiten gaat, en dat Ierland meer investeringen van buitenaf kent dan Duitsland of Frankrijk; wijst erop dat de buitenlandse investeringen in Malta volgens het Maltese Bureau voor de Statistiek 1 474 % van de omvang van zijn economie bedragen;

328.  verwijst naar een studie waarin werd aangetoond dat de belastingontwijking via zes EU-lidstaten tot een verlies van 42,8 miljard EUR aan belastinginkomsten in de andere 22 lidstaten leidt(158), hetgeen betekent dat de nettobetalingspositie van die landen kan worden verrekend met de verliezen die zij veroorzaken voor de belastinggrondslag van die andere lidstaten; merkt op dat bijvoorbeeld Nederland de Unie netto in totaal 11,2 miljard EUR kost, hetgeen betekent dat het land andere lidstaten van belastinginkomsten berooft ten gunste van multinationals en hun aandeelhouders;

329.  herinnert eraan dat, om de aanpak van belastingfraude, belastingontwijking en witwaspraktijken door de Unie en de lidstaten te versterken, alle beschikbare gegevens, ook macro‑economische gegevens, doeltreffend moeten worden gebruikt;

330.  herinnert eraan dat de Commissie kritiek heeft uitgeoefend op zeven lidstaten(159) - België, Cyprus, Hongarije, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland - wegens onvolkomenheden in hun belastingsystemen die de deur openzetten voor agressieve belastingplanning, erop wijzend dat zij de integriteit van de Europese interne markt ondermijnen; is van oordeel dat ook kan worden gesteld dat deze rechtsgebieden agressieve belastingplanning wereldwijd faciliteren; benadrukt dat de Commissie heeft erkend dat enkele van de hier genoemde lidstaten maatregelen ter verbetering van hun belastingstelsels hebben genomen om aan de kritiekpunten van de Commissie tegemoet te komen(160); merkt op dat in een recent onderzoek(161) vijf lidstaten van de EU als belastingparadijzen voor ondernemingen zijn aangemerkt: Cyprus, Ierland, Luxemburg, Malta en Nederland; benadrukt dat de criteria en methodologie die zijn gebruikt om deze lidstaten als zodanig aan te merken onder meer bestaan uit een uitgebreide beoordeling van hun schadelijke belastingpraktijken, maatregelen die agressieve belastingplanning mogelijk maken en verstoring van de economische stromen, en dat deze beoordeling is gebaseerd op Eurostat-gegevens, waaronder een combinatie van hoge inkomende en uitgaande directe buitenlandse investeringen, royalty's, rente en dividendstromen; roept de Commissie op om momenteel ten minste deze vijf lidstaten als belastingparadijzen in de EU aan te merken totdat er substantiële belastinghervormingen worden doorgevoerd;

331.  verzoekt de Raad een uitvoerige beoordeling vrij te geven van de toezeggingen van rechtsgebieden die uit eigen beweging hervormingen hebben beloofd en die opgenomen waren in bijlage II toen de eerste EU-lijst werd vrijgegeven, op 5 december 2017;

6.2.Tegenmaatregelen

332.  roept de EU en haar lidstaten eens te meer op doeltreffende en ontmoedigende tegenmaatregelen te nemen tegen niet-coöperatieve rechtsgebieden, als stimulans voor goede samenwerking op het gebied van belastingen en voor 'compliance' door de landen op de EU-lijst in bijlage I;

333.  betreurt het feit dat het wat de meeste van de door de Raad voorgestelde tegenmaatregelen betreft aan de lidstaten is of ze deze al dan niet daadwerkelijk willen treffen; vindt het zorgwekkend dat meerdere deskundigen(162) tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie op 15 mei 2018 hebben benadrukt dat tegenmaatregelen niet-coöperatieve rechtsgebieden mogelijkerwijs onvoldoende stimuleren tot 'compliance', aangezien een aantal van de meest notoire belastingparadijzen helemaal niet op de EU-lijst voorkomen; is van oordeel dat dit ondermijnend werkt voor de geloofwaardigheid van het proces voor het opstellen van een lijst, zoals sommige deskundigen ook hebben gezegd;

334.  verzoekt de lidstaten één enkel pakket krachtige tegenmaatregelen vast te stellen, zoals inhoudingen aan de bron, uitsluiting van overheidsopdrachten, oplegging van strengere auditvereisten en toepassing van automatische CFC-regels op bedrijven die in niet-coöperatieve rechtsgebieden gevestigd zijn, tenzij de belastingbetalers daar echte economische activiteiten naartoe brengen;

335.  verzoekt zowel de belastingdiensten, als de belastingbetalers samen te werken om de relevante feiten te verzamelen indien de gecontroleerde buitenlandse onderneming wezenlijke reële economische activiteiten uitoefent en een aanzienlijke economische aanwezigheid heeft die wordt ondersteund door personeel, uitrusting, activa en gebouwen, zoals blijkt uit relevante feiten en omstandigheden;

336.  merkt op dat ontwikkelingslanden mogelijkerwijs over onvoldoende middelen beschikken om uitvoering te geven aan nieuw overeengekomen internationale of Europese belastingnormen; verzoekt de Raad dan ook tegenmaatregelen zoals de vermindering van ontwikkelingshulp, uit te sluiten;

337.  stelt vast dat tegenmaatregelen cruciaal zijn voor het aanpakken van belastingontduiking, agressieve belastingplanning en witwaspraktijken; merkt daarnaast op dat het economische gewicht dat de Europese Unie in de schaal legt ertoe kan dienen niet-coöperatieve rechtsgebieden en belastingbetalers ervan te weerhouden misbruik te maken van fiscale achterdeurtjes en de door die rechtsgebieden mogelijk gemaakte schadelijke belastingpraktijken;

338.  roept de Europese financiële instellingen(163) op te overwegen om per project meer en betere zorgvuldigheid te betrachten in de in bijlage II van de EU-lijst vermelde rechtsgebieden om te voorkomen dat EU-middelen worden geïnvesteerd in of gekanaliseerd via entiteiten in derde landen die niet voldoen aan de fiscale normen van de EU; neemt nota van de goedkeuring door de EIB van haar herziene beleid "Group Policy Towards Weakly Regulated, Non-Transparent and Non-Cooperative Jurisdictions and Tax Good Governance" en roept ertoe op dit beleid regelmatig te actualiseren en er - in overeenstemming met de EU-normen - strengere vereisten inzake transparantie in op te nemen; verzoekt de EIB om dit beleid openbaar te maken zodra zij dit heeft vastgesteld; dringt aan op een gelijk speelveld en vindt het belangrijk dat voor alle Europese financiële instellingen dezelfde normen gelden;

6.3.Positie van de EU als wereldleider

339.  herhaalt zijn oproep aan de EU en haar lidstaten om na voorafgaande coördinatie een leidende rol te spelen in de wereldwijde strijd tegen belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld, met name via initiatieven van de Commissie in alle betrokken internationale fora, waaronder de VN, de G20 en de OESO, die op fiscaal gebied een spilfunctie hebben gespeeld, in het bijzonder na de internationale financiële crisis;

340.  herinnert eraan dat multilaterale maatregelen en internationale samenwerking tussen landen, inclusief ontwikkelingslanden, met inachtneming van het wederkerigheidsbeginsel, dé manier is om concrete resultaten te behalen; betreurt het feit dat sommige wetgevingsvoorstellen die verder gaan dan de BEPS-aanbevelingen van de OESO en als uitgangspunt zouden kunnen dienen voor verdere vruchtbare werkzaamheden op internationaal niveau, in de Raad worden tegengehouden;

341.  is van mening dat de oprichting van een intergouvernementeel fiscaal orgaan in VN-verband, dat goed uitgerust moet zijn en de beschikking moet hebben over voldoende middelen en, in voorkomend geval, handhavingsbevoegdheden, ervoor zou zorgen dat alle landen op voet van gelijkheid kunnen deelnemen aan de uitwerking en hervorming van de wereldwijde belastingagenda(164) voor de doeltreffende bestrijding van schadelijke belastingpraktijken, en voor een passende verdeling van de heffingsbevoegdheid; neemt nota van het feit dat er onlangs meerdere keren toe is opgeroepen het VN-Comité van deskundigen inzake internationale samenwerking in belastingaangelegenheden op te waarderen tot een intergouvernementeel wereldwijd VN-belastingorgaan(165); benadrukt dat het modelverdrag van de VN inzake belastingheffing zorgt voor een eerlijker verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen het bronland en het vestigingsland;

342.  roept op tot een intergouvernementele top over de resterende noodzakelijke wereldwijde belastinghervormingen om de internationale samenwerking te versterken en druk uit te oefenen op alle landen, met name hun financiële centra, om te voldoen aan de normen inzake transparantie en eerlijke belastingheffing; verzoekt de Commissie het initiatief voor een dergelijke top te nemen, die de aanzet moet geven tot een tweede pakket internationale belastinghervormingen in het verlengde van het BEPS-actieplan en de oprichting van het bovengenoemde intergouvernementele belastingorgaan mogelijk moet maken;

343.  neemt nota van het werk van de Commissie en haar bijdragen aan het Mondiaal Forum inzake transparantie en uitwisseling van inlichtingen voor belastingdoeleinden van de OESO en het Inclusief Kader inzake BEPS, in het bijzonder om wereldwijd beter fiscaal bestuur te bevorderen, en er tegelijkertijd voor te zorgen dat de internationale normen voor goed fiscaal bestuur in de EU ook in de toekomst volledig worden nageleefd;

6.4.Ontwikkelingslanden

344.  is van mening dat steun aan ontwikkelingslanden bij de bestrijding van belastingontduiking en agressieve belastingplanning, alsmede corruptie en geheimhouding, die illegale geldstromen vergemakkelijken, van het allergrootste belang is voor de versterking van de beleidscoherentie voor ontwikkeling in de EU en de verbetering van de belastingcapaciteit van ontwikkelingslanden en het vermogen om hun eigen middelen te mobiliseren voor duurzame economische ontwikkeling; beklemtoont dat de belastingautoriteiten van ontwikkelingslanden meer financiële en technische bijstand moet worden geboden met het oog op het tot stand brengen van stabiele en moderne kaders voor belastingheffing;

345.  is verheugd over de samenwerking tussen de EU en de Afrikaanse Unie (AU) in het kader van het Addis Tax Initiative (ATI), het initiatief inzake transparantie van winningsindustrieën (EITI) en het Kimberleyproces; verzoekt de Commissie en de lidstaten de landen van de AU te helpen bij het ten uitvoer leggen van transparantiebeleid; spoort de nationale en regionale belastingautoriteiten in dit verband aan automatisch informatie uit te wisselen; wijst nog eens op het belang van nauwe en versterkte samenwerking tussen Interpol en Afripol;

346.  wijst erop dat de lidstaten - in nauwe samenwerking met de Commissie - regelmatig de overloopeffecten moeten analyseren van de materiële gevolgen van het belastingbeleid en bilaterale belastingverdragen op andere lidstaten en op ontwikkelingslanden, en erkent dat op dit gebied reeds bepaalde werkzaamheden hebben plaatsgevonden in het kader van het platform voor goed fiscaal bestuur; verzoekt alle lidstaten dergelijke analyses van overloopeffecten te verrichten onder toezicht van de Commissie;

347.  dringt er bij de lidstaten op aan bilaterale overeenkomsten inzake belastingheffing tussen lidstaten en met derde landen te herzien en bij te werken om de mazen te dichten die aanzetten tot fiscaal geïnspireerde handelspraktijken met het oog op belastingontwijking;

348.  herinnert eraan dat rekening moet worden gehouden met de specifieke juridische kenmerken en kwetsbaarheden van ontwikkelingslanden, met name in het kader van de automatische uitwisseling van informatie, d.w.z. wat betreft de overgangsperiode en hun behoefte aan ondersteuning bij hun capaciteitsopbouw;

349.  merkt op dat nauwere samenwerking met regionale organisaties nodig is, met name met de AU, om illegale geldstromen en corruptie in de particuliere en de publieke sector te bestrijden;

350.  is verheugd over de gelijkwaardige deelname van alle landen die betrokken zijn bij het Inclusief Kader, dat meer dan 115 landen en rechtsgebieden samenbrengt om samen te werken bij de tenuitvoerlegging van het BEPS-pakket van de OESO/G20; roept de lidstaten op om een hervorming van zowel het mandaat als de werking van het Inclusief Kader te ondersteunen om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de belangen van de ontwikkelingslanden; herinnert evenwel aan de uitsluiting van meer dan 100 ontwikkelingslanden van de onderhandelingen over de BEPS-maatregelen;

351.  onderkent dat ook onder ontwikkelingslanden belastingparadijzen voorkomen; verwelkomt het voorstel van de Commissie voor versterkte samenwerking met derde landen bij de aanpak van terrorismefinanciering en in het bijzonder de invoering van een importvergunning voor antiek;

352.  herinnert eraan dat de officiële ontwikkelingshulp die tot doel heeft de armoede terug te dringen, meer moet worden gebruikt voor de totstandbrenging van een passend regelgevingskader en voor het versterken van de belastingdiensten en de instanties die belast zijn met de bestrijding van illegale geldstromen; vindt dat deze hulp moet worden geboden in de vorm van technische knowhow op het gebied van beheer van middelen, financiële kennis en corruptiebestrijdingsregels; dringt erop aan dat deze hulp ook gericht moet zijn op bevordering van de regionale samenwerking op de gebieden belastingfraude, belastingontduiking, agressieve belastingplanning en het witwassen van geld; benadrukt dat deze hulp ook steun moet omvatten aan het maatschappelijk middenveld en de media in ontwikkelingslanden om te zorgen voor publieke controle op het nationale belastingbeleid;

353.  verwacht van de Commissie dat zij voldoende middelen ter beschikking stelt om de aanpak "meer innen – beter besteden" ten uitvoer te leggen, met name via haar vlaggenschipprogramma's(166);

354.  pleit voor een gecoördineerd extern optreden van de EU en haar lidstaten op alle beleidsniveaus teneinde derde landen en met name ontwikkelingslanden in staat te stellen een evenwichtige economische groei te realiseren en te voorkomen dat zij afhankelijk zijn van één enkele sector, met name de financiële sector;

355.  herinnert eraan dat ontwikkelingslanden eerlijk moeten worden behandeld bij de onderhandelingen over belastingverdragen, waarbij rekening moet worden gehouden met hun specifieke situatie en moet worden gezorgd voor een eerlijke toewijzing van belastingrechten op basis van echte economische activiteit en waardecreatie; dringt er in dit verband op aan het VN-model voor belastingverdragen als minimumnorm te hanteren en bij onderhandelingen over verdragen transparantie te waarborgen; erkent dat het OESO-model voor belastingverdragen meer rechten verleent aan het land van vestiging;

356.  verzoekt de Commissie in het nieuwe verdrag met de ACS-landen, waarover moet worden onderhandeld wanneer de huidige Overeenkomst van Cotonou in februari 2020 verstrijkt, bepalingen over de aanpak van financiële misdaad, belastingontduiking en agressieve belastingplanning op te nemen; wijst erop dat dergelijke bepalingen alleen doeltreffend ten uitvoer kunnen worden gelegd indien op belastinggebied transparantie wordt betracht;

6.5.EU-overeenkomsten met derde landen

357.  wijst erop dat goed fiscaal bestuur een mondiale uitdaging is die bovenal mondiale oplossingen vereist; herinnert daarom aan zijn standpunt dat in alle nieuwe relevante EU-overeenkomsten met derde landen een clausule inzake goed fiscaal bestuur moet worden opgenomen om ervoor te zorgen dat deze overeenkomsten niet door ondernemingen of tussenpersonen kunnen worden misbruikt om belastingen te ontwijken of te ontduiken of illegale opbrengsten wit te wassen, zonder dat dit ten koste gaat van de exclusieve bevoegdheden van de EU; is van mening dat deze clausule specifieke regels moet bevatten voor staatssteun in de vorm van een belastingvoordeel, transparantievereisten en bepalingen ter bestrijding van witwaspraktijken;

358.  spoort de lidstaten aan hun bilaterale betrekkingen met de respectieve derde landen op gecoördineerde manier te gebruiken, in voorkomend geval met ondersteuning van de Commissie, om tot meer bilaterale samenwerking te komen tussen FIE's, belastingautoriteiten en bevoegde autoriteiten met het oog op het bestrijden van financiële misdaad;

359.  merkt op dat de vrijhandelsovereenkomsten (FTA's) van de EU, parallel aan de politieke overeenkomsten waarin deze clausule inzake goed fiscaal bestuur is opgenomen, belastingvrijstellingen bevatten die beleidsruimte bieden voor de tenuitvoerlegging van de aanpak van de EU ter bestrijding van belastingontduiking en witwaspraktijken, bijvoorbeeld door aan te dringen op goed fiscaal bestuur en door een doeltreffend gebruik van de EU-lijst van op belastinggebied niet-coöperatieve rechtsgebieden; merkt voorts op dat vrijhandelsovereenkomsten ook tot doel hebben de desbetreffende internationale normen en de handhaving ervan in derde landen te bevorderen;

360.  is van mening dat de EU geen overeenkomsten moet sluiten met op belastinggebied niet-coöperatieve rechtsgebieden als opgenomen in bijlage I van de EU-lijst totdat het rechtsgebied de EU-normen voor goed fiscaal bestuur naleeft; verzoekt de Commissie te onderzoeken of de niet-naleving van de EU-normen voor goed fiscaal bestuur de goede werking van vrijhandelsovereenkomsten of van politieke overeenkomsten in gevallen waarin al een overeenkomst is ondertekend, in het gedrang brengt;

361.  wijst er nogmaals op dat clausules inzake goed fiscaal bestuur en transparantie, alsook de uitwisseling van informatie, moeten worden opgenomen in alle nieuwe relevante EU-overeenkomsten met derde landen, en onderdeel moeten vormen van onderhandelingen over de herziening van bestaande overeenkomsten, gezien het feit dat dit kerninstrumenten zijn van het extern beleid van de EU, maar dat er, afhankelijk van het specifieke beleidsgebied, verschillende bevoegdheidsniveaus bij betrokken zijn;

6.6.Door de lidstaten gesloten bilaterale belastingverdragen

362.  merkt op dat sommige deskundigen van mening zijn dat veel belastingverdragen die door EU-lidstaten zijn gesloten, de fiscale rechten van landen met een laag inkomen of laag middeninkomen beperken(167); verzoekt de Europese Unie en haar lidstaten zich bij onderhandelingen over belastingverdragen te houden aan het beginsel van samenhang in het ontwikkelingsbeleid zoals vastgelegd in artikel 208 VWEU; onderstreept dat het sluiten van belastingverdragen tot de bevoegdheden van de lidstaten behoort;

363.  merkt op dat de verliezen door belastingontwijking significant groter zijn in landen met een laag inkomen of een middeninkomen, met name in Afrika bezuiden de Sahara, Latijns-Amerika en de Caraïben, en in Zuid-Azië, dan in andere regio's(168); verzoekt de lidstaten dan ook opnieuw te onderhandelen over hun bilaterale belastingverdragen met derde landen, teneinde daar antimisbruikbepalingen in op te nemen, "verdragshopping" te voorkomen en een race naar de bodem tussen ontwikkelingslanden te verhinderen;

364.  verzoekt de Commissie alle geldende en door de lidstaten met derde landen ondertekende belastingverdragen te herzien om ervoor te zorgen dat ze allemaal in overeenstemming zijn met nieuwe mondiale normen, zoals het Multilateraal Verdrag ter implementatie van aan belastingverdragen gerelateerde maatregelen ter voorkoming van grondslaguitholling en winstverschuiving; merkt op dat dit Multilateraal Verdrag op de OESO gebaseerde normen bevat die niet werden vastgesteld met inachtneming van de behoeften of uitdagingen van ontwikkelingslanden; verzoekt de Commissie aanbevelingen te doen aan de lidstaten met betrekking tot hun bestaande bilaterale belastingverdragen om ervoor te zorgen dat daarin algemene antimisbruikregels worden opgenomen, waarbij wordt gekeken naar echte economische activiteit en waardecreatie;

365.  is zich ervan bewust dat bilaterale belastingverdragen geen rekening houden met de huidige realiteit van de digitale economie; verzoekt de lidstaten hun bilaterale belastingverdragen te actualiseren op basis van de aanbeveling van de Commissie betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid(169);

6.7.Dubbele belasting

366.  is ingenomen met het versterkte kader inzake het voorkomen van dubbele niet-belasting; beklemtoont dat de eliminatie van dubbele belastingheffing van groot belang is om ervoor te zorgen dat eerlijke belastingbetalers billijk worden behandeld en dat hun vertrouwen niet wordt ondermijnd; verzoekt de lidstaten zich te houden aan de verdragen ter voorkoming van dubbele belastingheffing die zij hebben gesloten, en oprecht en voortvarend samen te werken bij gevallen van gemelde dubbele belastingheffing;

367.  is verheugd over de goedkeuring van Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen voor de beslechting van belastinggeschillen in de EU, waarmee de norm van BEPS-actie 14 ten uitvoer wordt gelegd; wijst erop dat de termijn voor de omzetting van de richtlijn (30 juni 2019) nog niet is verstreken en dat de bepalingen moeten worden gecontroleerd om ervoor te zorgen dat zij efficiënt en effectief zijn;

368.  verzoekt de Commissie informatie te verzamelen en vrij te geven over het aantal ingediende en opgeloste belastinggeschillen, gesorteerd per soort geschil per jaar en per betrokken land, om het mechanisme te controleren en ervoor te zorgen dat het efficiënt en effectief is;

6.8.Ultraperifere gebieden

369.  verzoekt de Commissie en de lidstaten ervoor te zorgen dat de ultraperifere gebieden van de EU de BEPS-minimumnormen en de richtlijn bestrijding belastingontwijking toepassen;

370.  merkt op dat de Commissie een diepgaand onderzoek heeft geopend om na te gaan of Portugal de regionale steunregeling voor de vrijhandelszone van Madeira toepast(170);

7.Intermediairs

371.  is verheugd over de brede definitie van zowel "intermediair"(171) als "meldingsplichtige grensoverschrijdende constructie" in de onlangs goedgekeurde zesde richtlijn administratieve samenwerking(172); pleit voor een actualisering van die richtlijn, teneinde er bijvoorbeeld ook regelingen voor dividendarbitrage, met inbegrip van de restitutie van dividend- en vermogensaanwasbelasting, onder te laten vallen; verzoekt de Commissie de uitbreiding van de meldingsplicht in het kader van de zesde richtlijn administratieve samenwerking tot nationale gevallen nog eens tegen het licht te houden; herinnert eraan dat intermediairs krachtens de zesde richtlijn administratieve samenwerking verplicht zijn regelingen op basis van structurele leemten in de belastingwetgeving te melden aan de belastingautoriteiten, in het bijzonder tegen de achtergrond van het toenemende aantal grensoverschrijdende belastingontwijkingsstrategieën; is van oordeel dat regelingen waarvan de relevante nationale autoriteiten vinden dat ze schadelijk zijn op geanonimiseerde wijze moeten worden aangepakt en openbaar gemaakt;

372.  herhaalt dat intermediairs een cruciale rol spelen bij het vergemakkelijken van witwaspraktijken en de financiering van terrorisme en voor deze acties aansprakelijk moeten worden gesteld;

373.  wijst nogmaals op de noodzaak van een betere samenwerking tussen de belastingdiensten en de financiële toezichthouders om te komen tot gezamenlijk en doeltreffend toezicht op de rol van financiële intermediairs, in het licht van het gegeven dat bepaalde door fiscale overwegingen ingegeven financiële instrumenten een risico kunnen vormen voor de stabiliteit van de financiële markt en de integriteit van de markt;

374.  is van mening dat de Unie in haar voortrekkersrol ook het goede voorbeeld moet geven, en verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat intermediairs die agressieve belastingplanning en belastingontwijking bevorderen in verband met deze aangelegenheden geen sturende of adviserende rol mogen spelen naar de beleidsvormende instellingen van de Unie toe;

375.  verzoekt de Commissie en de lidstaten de ogen niet te sluiten voor en iets te doen aan de risico's van belangenconflicten die ontstaan wanneer juridische adviesdienstverstrekkers, belastingadviseurs en auditors zowel bedrijven, als overheden als klanten hebben; beklemtoont dat belangenconflicten verschillende vormen kunnen hebben, zoals openbare aanbestedingen die betaalde adviesverlening met betrekking tot deze diensten vereisen, informele of onbetaalde adviesverlening, officiële advies- en deskundigengroepen, en draaideurconstructies; beklemtoont in dit verband dat ondubbelzinnig moet worden aangegeven welke diensten aan een bepaalde klant worden geleverd en dat een helder onderscheid tussen deze diensten moet worden aangebracht; herhaalt zijn in eerdere verslagen(173) geformuleerde verzoeken met betrekking tot dit onderwerp;

376.  is verheugd over de controle op de handhaving van Richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen(174) en van Verordening (EU) 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie(175), in het bijzonder de bepaling betreffende wettelijke auditors of auditkantoren die de wettelijke controles van de jaarrekeningen van organisaties van openbaar belang uitvoeren; wijst erop dat moet worden gegarandeerd dat de regels naar behoren worden toegepast;

377.  verzoekt de lidstaten de invoering te overwegen van een fiscale aangifteplicht voor alle fiscale en financiële intermediairs als bedoeld in actiepunt 12 van het BEPS-project die in het kader van hun beroepsactiviteiten kennis nemen van het bestaan van misleidende of agressieve transacties, mechanismen of structuren;

378.  pleit er ter voorkoming van belangenconflicten en het tot een minimum beperken van de verlening van niet-auditdiensten voor dat om de zeven jaar van auditor wordt veranderd;

379.  herhaalt dat aan financiële instellingen, adviseurs en andere intermediairs die willens en wetens, stelselmatig en herhaaldelijk faciliterend optreden voor, uitvoering geven aan of betrokken zijn bij witwaspraktijken of belastingontduikingsactiviteiten, of die kantoren, filialen of dochterondernemingen vestigen in landen op de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden met als doel hun klanten agressieve belastingplanningsregelingen aan te bieden, doeltreffende, proportionele en afschrikkende sancties moeten worden opgelegd; vindt dat de vergunningen van de instellingen en personen in kwestie aan een serieuze toetsing moeten worden onderworpen in het geval dat zij veroordeeld worden voor deelname aan frauduleuze handelingen of zij ervan op de hoogte zijn dat hun klanten zich aan frauduleuze handelingen schuldig maken, en dat, in voorkomend geval, hun activiteiten op de interne markt aan banden moeten worden gelegd;

380.  wijst erop dat het beroepsgeheim niet kan worden ingeroepen voor het bieden van bescherming aan of het verdoezelen van illegale praktijken, of voor het schenden van de geest van de wet; benadrukt dat het beroepsgeheim van advocaten het conform de regels melden van verdachte transacties of andere potentieel illegale handelingen niet in de weg mag staan, onverminderd de rechten die worden gewaarborgd door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het strafrecht;

381.  verzoekt de Commissie richtsnoeren voor de beroepsgroep op te stellen met betrekking tot de interpretatie en toepassing van het beginsel van beroepsgeheim en een duidelijke scheidslijn aan te brengen tussen traditionele juridische advisering en de uitvoering van financiële transacties door advocaten, in overeenstemming met de jurisprudentie van de Europese rechtbanken;

8.Bescherming van klokkenluiders en journalisten

382.  is van mening dat de bescherming van klokkenluiders in zowel de particuliere, als de publieke sector van groot belang is om ervoor te zorgen dat onwettige activiteiten en misbruik van de wet worden voorkomen of niet tot bloei komen; erkent dat klokkenluiders een cruciale rol vervullen bij het versterken van democratie in samenlevingen, bij de bestrijding van corruptie en andere ernstige misdrijven of illegale activiteiten, en bij de bescherming van de financiële belangen van de Unie; benadrukt dat klokkenluiders voor onderzoekjournalisten vaak een cruciale bron van informatie zijn en daarom tegen elke vorm van intimidatie en vergelding moeten worden beschermd; wijst op het belang van het aanbieden van alle meldingskanalen;

383.  is van mening dat de vertrouwelijkheid van onderzoeksjournalistieke bronnen, waaronder klokkenluiders, moet worden beschermd om de rol van de onderzoeksjournalistiek als waakhond in democratische samenlevingen te waarborgen;

384.  is derhalve van oordeel dat slechts in uitzonderlijke omstandigheden van deze geheimhoudingsplicht moet kunnen worden afgeweken, wanneer de openbaarmaking van informatie over de identiteit van de melder een noodzakelijke en evenredige verplichting is die door de wetgeving van de Unie of door nationale wetgeving wordt opgelegd in het kader van een onderzoek of gerechtelijke procedures, dan wel ter bescherming van de vrijheden van anderen, zoals het recht op verdediging van de betrokkene, waarbij telkens passende waarborgen krachtens die wetgeving van toepassing dienen te zijn; is van oordeel dat in passende sancties moet worden voorzien als de plicht tot geheimhouding van de identiteit van de melder wordt geschonden(176);

385.  merkt op dat de Amerikaanse False Claims Act in een stevig kader voor de beloning van klokkenluiders voorziet in gevallen waarin de overheid geld terugvordert dat door fraude verloren was gegaan(177); onderstreept dat klokkenluiders volgens een rapport van het Amerikaanse Ministerie van Justitie rechtstreeks verantwoordelijk waren voor het opsporen en melden van 3,4 miljard van de in totaal teruggevorderde 3,7 miljard Amerikaaanse dollar; verzoekt de lidstaten bij de relevante autoriteiten en particuliere entiteiten veilige en vertrouwelijke communicatiekanalen in te richten voor meldingen van klokkenluiders;

386.  verzoekt de Commissie in kaart te brengen welke goede praktijken op het gebied van het beschermen van en het bieden van stimulansen aan klokkenluiders er in de wereld(178) zijn en, in voorkomend geval en indien nodig, te overwegen de bestaande wetgeving tegen het licht te houden om soortgelijke regelingen in de EU nog doeltreffender te maken;

387.  pleit voor de oprichting van een algemeen EU-fonds waarmee passende financiële ondersteuning wordt gegeven aan klokkenluiders die het risico lopen hun inkomen te verliezen ten gevolge van onthullingen van criminele handelingen of feiten met een duidelijk openbaar belang;

388.  vindt het verontrustend dat klokkenluiders hun zorgen vaak niet durven te melden uit angst voor vergelding en wijst erop dat als vergeldingsmaatregelen niet worden ontmoedigd of onbestraft blijven, dit een afschrikkend effect kan hebben op potentiële klokkenluiders; is van mening dat de erkenning in de vijfde antiwitwasrichtlijn van het recht van klokkenluiders om op een veilige manier een klacht in te dienen bij de respectieve bevoegde autoriteiten, in het bijzonder bij één enkel contactpunt in complexe internationale gevallen, wanneer zij worden blootgesteld aan een dreiging of vergelding, alsook van hun recht op een doeltreffende voorziening in rechte, een aanzienlijke verbetering inhoudt van de situatie van personen die intern binnen de onderneming of aan een FIE vermoedens van witwassen of financiering van terrorisme melden; verzoekt de lidstaten de bepalingen inzake de bescherming van klokkenluiders in de vijfde antiwitwasrichtlijn binnen de geldende termijnen in nationale wetgeving om te zetten en op passende wijze te handhaven;

389.  is ingenomen met het resultaat van de interinstitutionele onderhandelingen tussen het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden, en roept de lidstaten op de nieuwe normen zo spoedig mogelijk vast te stellen om klokkenluiders te beschermen door middel van maatregelen zoals duidelijke rapportagekanalen, vertrouwelijkheid, rechtsbescherming en sancties voor degenen die proberen klokkenluiders te vervolgen;

390.  herinnert eraan dat EU-ambtenaren die als klokkenluiders meldingen doen, bescherming genieten krachtens het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van diezelfde Unie(179), en verzoekt de lidstaten vergelijkbare regelingen voor hun nationale ambtenaren vast te stellen;

391.  is van oordeel dat niet-openbaarmakingsclausules in arbeidscontracten en ontslagregelingen werknemers er geenszins van mogen weerhouden verdachte gevallen van inbreuken op wetgeving en de mensenrechten(180) te melden aan de bevoegde autoriteiten; verzoekt de Commissie de mogelijkheid te onderzoeken voorstellen te doen voor wetgeving houdende een verbod op onrechtmatige niet-openbaarmakingsclausules;

392.  merkt op dat de TAX3-commissie de klokkenluiders in de zaken Julius Bär en Danske Bank heeft uitgenodigd om te getuigen tijdens openbare parlementaire hoorzittingen(181); vindt het zorgwekkend dat de bescherming van klokkenluiders in financiële instellingen niet geheel bevredigend is en dat angst voor vergelding door zowel werkgevers, als autoriteiten kan betekenen dat klokkenluiders zich niet melden met informatie over inbreuken op wetgeving; betreurt het ten zeerste dat de klokkenluider van de Danske Bank zijn inzichten in de zaak van de Danske Bank niet vrij en volledig kon delen wegens juridische beperkingen;

393.  betreurt het dat de Deense financiële toezichthouder geen contact heeft opgenomen met de klokkenluider die melding maakte van massale witwasactiviteiten bij de Danske Bank; is van mening dat dit verzuim een grove nalatigheid van de Deense financiële toezichthouder is met betrekking tot zijn plicht om naar aanleiding van ernstige beschuldigingen van grootschalige en systematische witwaspraktijken via een bank een behoorlijk onderzoek in te stellen; roept de bevoegde autoriteiten van de EU en de lidstaten op om ten volle gebruik te maken van de door klokkenluiders verstrekte informatie en om snel en resoluut te handelen op basis van de informatie die van hen is verkregen;

394.  verzoekt de lidstaten in de Raad van Europa nauw samen te werken voor de bevordering en omzetting in de nationale wetgeving van alle landen die bij de Raad van Europa aangesloten zijn van de aanbeveling inzake de bescherming van klokkenluiders; verzoekt de Commissie en de lidstaten in andere internationale fora het voortouw te nemen bij de bevordering van de goedkeuring van bindende internationale normen voor de bescherming van klokkenluiders;

395.  merkt op dat het niet alleen essentieel is om de identiteit van klokkenluiders geheim te houden met het oog op de bescherming van de persoon in kwestie die een melding doet, maar dat daarnaast anonieme meldingen verder moeten worden beschermd tegen algemene dreigementen en aanvallen waarmee degenen die zich aangevallen voelen de anonieme melder in diskrediet proberen te brengen;

396.  erkent de moeilijkheden die journalisten ondervinden bij het onderzoeken van of het verslag uitbrengen over gevallen van witwaspraktijken, belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning; vindt het zorgwekkend dat onderzoeksjournalisten vaak het onderwerp zijn van bedreigingen en intimidatie, waaronder juridische intimidatie in de vorm van strategische rechtszaken tegen publieke inspraak; verzoekt de lidstaten de bescherming van journalisten te verbeteren, in het bijzonder van journalisten die onderzoek doen naar financiële misdaad;

397.  verzoekt de Commissie zo spoedig mogelijk een financiële steunregeling voor onderzoeksjournalistiek op te zetten, eventueel door de invoering van een permanent en specifiek daarvoor bestemd begrotingsonderdeel voor de ondersteuning van onafhankelijke kwaliteitsmedia en onafhankelijke onderzoeksjournalistiek in het nieuwe meerjarig financieel kader;

398.  veroordeelt krachtig het gebruik van geweld tegen journalisten; herinnert er met ontzetting aan dat in de afgelopen jaren in Malta en Slowakije journalisten die betrokken waren bij het onderzoek naar dubieuze activiteiten met een witwascomponent zijn vermoord(182); onderstreept dat volgens de Raad van Europa misbruik en misdaden jegens journalisten de vrijheid van meningsuiting ernstig aantasten en het verschijnsel van zelfcensuur versterken;

399.  verzoekt de Maltese autoriteiten alle beschikbare middelen in te zetten om vooruitgang te boeken bij de identificatie van de aanstichters van de moord op de onderzoeksjournaliste Daphne Caruana Galizia; is ingenomen met het initiatief van 26 internationale organisaties voor mediavrijheid en van journalisten om aan te dringen op het openen van een onafhankelijk openbaar onderzoek naar de moord op Daphne Caruana Galizia en na te gaan of deze moord had kunnen worden voorkomen; verzoekt de Maltese regering dit onafhankelijk openbaar onderzoek zonder uitstel op te starten; merkt op dat de Maltese regering contact heeft opgenomen met internationale instellingen zoals Europol, de FBI en het Nederlands Forensisch Instituut, teneinde haar deskundigheid te versterken;

400.  verwelkomt de aanklacht die de Slowaakse autoriteiten hebben ingediend tegen de vermeende aanstichter van de moorden op Ján Kuciak en Martina Kušnírová en de vermeende daders van de moorden; moedigt de Slowaakse autoriteiten aan hun onderzoek naar de moorden voort te zetten en ervoor te zorgen dat alle aspecten van de zaak volledig worden onderzocht, met inbegrip van eventuele politieke verbanden met de misdaden; verzoekt de Slowaakse autoriteiten een diepgaand onderzoek in te stellen naar gevallen van grootschalige belastingontduiking, btw-fraude en witwaspraktijken die aan het licht zijn gebracht door het onderzoek van Ján Kuciak;

401.  betreurt het feit dat onderzoeksjournalisten, waaronder Daphne Caruana Galizia, vaak het slachtoffer zijn van onrechtmatige rechtszaken die bedoeld zijn om hen te censureren, te intimideren en het zwijgen op te leggen door hen te belasten met de kosten van de juridische verdediging totdat zij gedwongen worden hun kritiek of oppositie op te geven; herinnert eraan dat deze onrechtmatige rechtszaken een bedreiging vormen voor de fundamentele democratische rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid en de vrijheid om informatie te verspreiden en te ontvangen;

402.  roept de lidstaten op mechanismen in te voeren ter voorkoming van strategische rechtszaken tegen publieke inspraak; is van mening dat deze mechanismen naar behoren rekening moeten houden met het recht op een goede naam en reputatie; verzoekt de Commissie te onderzoeken of het mogelijk is op dit gebied concrete maatregelen te nemen, en wat de aard van die maatregelen zou kunnen zijn;

403.  betreurt het dat Zwitserse smaadwetten worden gebruikt om kritische stemmen in Zwitserland en overal ter wereld het zwijgen op te leggen omdat de bewijslast niet op de eisende partij, maar op de verwerende partij rust; beklemtoont dat dit niet alleen gevolgen heeft voor journalisten en klokkenluiders, maar ook voor rapporterende entiteiten in de Europese Unie en meldingsplichtige personen in het kader van het register van uiteindelijke begunstigden, aangezien in gevallen waarin zich de verplichting voordoet een Zwitserse uiteindelijke begunstigde te melden de rapporterende persoon in Zwitserland zou kunnen worden aangeklaagd wegens aansprakelijkheid en smaad, hetgeen strafbare feiten zijn(183);

9.Institutionele aspecten

9.1.Transparantie

404.  is verheugd over het werk van het platform voor goed fiscaal bestuur; merkt op dat het mandaat van het platform geldt tot 16 juni 2019; dringt erop aan dat het wordt verlengd of vernieuwd om ervoor te zorgen dat de lidstaten en de Commissie luisteren naar de zorgen en expertise van het maatschappelijk middenveld; moedigt de Commissie aan om het aantal deskundigen dat is uitgenodigd voor de deskundigengroep inzake witwassen en terrorismefinanciering uit te breiden met deskundigen uit de particuliere sector (bedrijfsleven en ngo's);

405.  benadrukt dat de Europese Ombudsman het mandaat heeft om de toepassing door de EU-instellingen van de EU-regels inzake de toegang van het publiek tot documenten te onderzoeken, met inbegrip van de werkmethoden van de Raad of de Groep gedragscode op het gebied van belastingen;

406.  herinnert aan de resultaten van het initiatiefonderzoek van de Ombudsman naar de werkmethoden van de Raad en zijn aanbeveling van 9 februari 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de praktijk van de Raad om wetgevingsdocumenten niet algemeen toegankelijk te maken, het onevenredig gebruik van de "LIMITÉ"-status en het systematisch niet-registreren van de identiteit van de lidstaten die een standpunt innemen in een wetgevingsprocedure, wanbeheer vormen(184);

407.  herinnert eraan dat belastingen onverminderd een nationale bevoegdheid zijn en dat het Europees Parlement in deze aangelegenheden over een zeer beperkte bevoegdheid beschikt;

408.  wijst erop dat kwesties als belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning evenwel niet doeltreffend kunnen worden aangepakt door de lidstaten afzonderlijk; betreurt het dan ook dat de TAX3-commissie ondanks verzoeken aan de Raad niet de beschikking heeft gekregen over relevante documenten; is uiterst bezorgd over het gebrek aan politieke wil van de lidstaten in de Raad om belangrijke stappen te zetten bij de bestrijding van witwaspraktijken, belastingfraude, belastingontduiking en agressieve belastingplanning, of om zich te houden aan het VEU en het beginsel van loyale samenwerking in acht te nemen(185) door voldoende transparantie en samenwerking met de andere EU-instellingen te garanderen;

409.  betreurt dat de bestaande regels voor de toegang tot geclassificeerde en overige vertrouwelijke informatie die door de Raad, de Commissie of de lidstaten ter beschikking wordt gesteld van het Europees Parlement geen volledige rechtszekerheid bieden, maar gewoonlijk worden geïnterpreteerd als zouden geaccrediteerde parlementaire medewerkers niet gemachtigd zijn in een afgesloten ruimte niet-geclassificeerde "overige vertrouwelijke informatie" te raadplegen en te analyseren; verzoekt daarom om de opname - in een via onderhandelingen tot stand gebracht interinstitutioneel akkoord - van een duidelijk geformuleerde bepaling die waarborgt dat geaccrediteerde parlementaire medewerkers op basis van het "need-to-know"-beginsel, ter ondersteuning van de leden, recht krijgen op toegang tot documenten;

410.  betreurt het feit dat de vertegenwoordigers van het voorzitterschap van de Raad, ondanks herhaalde uitnodigingen, geweigerd hebben voor de TAX3-commissie te verschijnen om verslag uit te brengen over de vooruitgang die geboekt is met de toepassing van de aanbevelingen van de TAXE-, TAX3- en PANA-commissies; beklemtoont dat werkcontacten tussen het voorzitterschap van de Raad en bijzondere commissies en onderzoekscommissies van het Europees Parlement de normale praktijk dienen te zijn;

9.2.Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen

411.  neemt kennis van de toegenomen communicatie van de Groep gedragscode en is met name verheugd over de halfjaarlijkse publicatie van zijn verslag aan de Raad, alsook over de brieven die naar rechtsgebieden zijn gestuurd en de toezeggingen die zijn ontvangen in het kader van het EU-proces voor het opstellen van lijsten;

412.  betreurt echter het ondoorzichtige karakter van de onderhandelingen over het EU-proces voor het opstellen van lijsten en roept de lidstaten op te zorgen voor transparantie bij de komende actualisering van de lijsten;

413.  is verheugd over het feit dat de voorzitter van de Groep gedragscode voor de TAX3-commissie is verschenen, waarmee werd teruggekomen op het eerdere standpunt van de Groep gedragscode; merkt ook op dat sinds de start van de werkzaamheden van de TAX3-commissie compilaties van de werkzaamheden van de Groep gedragscode beschikbaar zijn gesteld(186); betreurt echter dat deze documenten niet eerder zijn gepubliceerd maar in essentiële tekstgedeelten werden geschrapt;

414.  benadrukt dat de bovengenoemde aanbevelingen van de Ombudsman ook van toepassing zijn op de Groep gedragscode, die de nodige informatie moet verstrekken, met name over schadelijke belastingmaatregelen van de lidstaten en het EU-proces voor het opstellen van lijsten;

415.  verzoekt de Groep gedragscode aanvullende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat haar vergaderingen transparant zijn, in het bijzonder door het - niet later dan zes maanden na de vergadering - openbaar maken van de standpunten van de verschillende lidstaten over de punten op de agenda;

416.  verzoekt de Commissie verslag uit te brengen over de toepassing van de gedragscode inzake de belastingregeling voor ondernemingen en over de toepassing van fiscale staatssteun, zoals vastgesteld in artikel N van de gedragscode(187);

417.  is van mening dat het mandaat van de Groep gedragscode moet worden geactualiseerd, aangezien het zich niet alleen bezighoudt met de beoordeling van schadelijke EU-belastingmaatregelen, wat meer is dan alleen maar een technische bijdrage te leveren aan de besluiten van de Raad; dringt erop aan dat, op basis van de aard van de werkzaamheden van de Groep, die ook van politieke aard zijn, dergelijke taken opnieuw worden ondergebracht in een kader dat democratische controle of toezicht mogelijk maakt, te beginnen met de toepassing van transparantie;

418.  dringt er in dit verband op aan dat het ondoorzichtige karakter van de samenstelling van de Groep gedragscode wordt verbeterd door een lijst van zijn leden te publiceren;

9.3.Handhaving van de EU-wetgeving

419.  dringt erop aan dat het nieuwgekozen Parlement het initiatief neemt voor een algemene evaluatie van de vorderingen met betrekking tot de toegang tot documenten waarom de commissies TAXE, TAX2, PANA en TAX3 hebben verzocht, waarbij de verzoeken worden vergeleken met de verzoeken die door de Raad en andere EU-instellingen zijn ingewilligd, en zo nodig de nodige procedurele en/of juridische maatregelen neemt;

420.  roept op tot het creëren van een nieuw EU-centrum voor de coherentie en coördinatie van het fiscaal beleid (TPCCC) binnen de structuur van de Commissie, dat het belastingbeleid van de lidstaten op Unieniveau moet kunnen beoordelen en monitoren en moet kunnen waarborgen dat de lidstaten geen nieuwe schadelijke belastingmaatregelen ten uitvoer leggen;

9.4.Medewerking van niet-institutionele deelnemers

421.  verwelkomt de deelname aan en de input van belanghebbende partijen in de hoorzittingen van de TAX3-commissie, zoals vermeld in deel IV.3 van het overzicht van activiteiten gedurende het mandaat van de commissie in kwestie; betreurt het dat andere belanghebbenden geweigerd hebben aan hoorzittingen van de TAX3-commissie deel te nemen, zoals vermeld in deel IV.4 van het activiteitenoverzicht; merkt op dat geen ontmoedigende sancties konden worden gevonden voor zaken waarin geen reden was gegeven voor deze weigering;

422.  verzoekt de Raad en de Commissie overeenstemming te bereiken over de opstelling van een openbaar toegankelijke en regelmatig bijgewerkte lijst van niet-coöperatieve niet-institutionele partijen in het interinstitutioneel akkoord over een verplicht transparantieregister voor lobbyisten; is van mening dat in de tussentijd een register moet worden bijgehouden van de beroepsuitoefenaars en organisaties die zonder rechtvaardiging hebben geweigerd de hoorzittingen van de TAXE-, TAX2-, PANA- en TAX3-commissies bij te wonen; verzoekt de EU-instellingen hier rekening mee te houden bij contacten in de toekomst met de belanghebbenden in kwestie en hun passen voor toegang tot hun gebouwen in te trekken;

9.5.Het enquête- en onderzoeksrecht van het Parlement

423.  is van mening dat het van essentieel belang is voor de uitoefening van het democratische toezicht op de uitvoerende macht dat het Parlement dezelfde onderzoeks- en enquêtebevoegdheden krijgt als de nationale parlementen van de EU; is van mening dat het Parlement, om zijn taak te kunnen uitoefenen, bevoegd moet zijn om getuigen op te roepen en hen te verplichten om te verschijnen, en bevoegd moet zijn om te verplichten tot het overleggen van documenten;

424.  is van mening dat de lidstaten, opdat deze rechten zouden kunnen worden uitgeoefend, moeten overeenkomen om sancties op te leggen aan individuen die niet verschijnen of geen documenten overleggen in overeenstemming met het nationale recht inzake nationale parlementaire enquêtes en onderzoeken;

425.  verzoekt de Raad en de Commissie met klem te zorgen voor een tijdige afronding van de onderhandelingen over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement houdende gedetailleerde bepalingen betreffende de uitoefening van het recht van onderzoek van het Parlement;

9.6.Eenparigheid van stemmen t.o.v. gekwalificeerde meerderheid

426.  roept de Commissie nogmaals op, zo nodig, gebruik te maken van de in artikel 116 VWEU vastgelegde procedure die het mogelijk maakt de unanimiteitsvereiste te wijzigen ingeval de Commissie vaststelt dat een dispariteit tussen de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten de mededingingsvoorwaarden op de interne markt verstoort;

427.  is verheugd over de bijdrage van de Commissie in de vorm van haar mededeling getiteld "Naar een meer efficiënte en democratische besluitvorming in het fiscale beleid van de EU", met een voorstel voor een routekaart om stemming met gekwalificeerde meerderheid voor te stellen voor specifieke en dringende fiscale beleidskwesties waarbij essentiële wetgevingsdossiers en initiatieven ter bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking agressieve belastingplanning in de Raad geblokkeerd zijn ten nadele van een grote meerderheid van lidstaten; is verheugd over de steun die sommige lidstaten aan dit voorstel hebben gegeven(188);

428.  benadrukt dat alle scenario's open moeten blijven en niet alleen een verschuiving van eenparigheid van stemmen naar stemming met gekwalificeerde meerderheid door middel van een passerelle-clausule; verzoekt de Europese Raad dit punt toe te voegen aan de agenda van een topontmoeting vóór eind 2019, teneinde een productief debat te kunnen voeren over de vraag hoe het besluitvormingsproces over fiscale beleidskwesties kan worden gefaciliteerd in het belang van de werking van de interne markt;

9.7.Vervolgactie

429.  is van mening dat de werkzaamheden van de TAXE-, TAX2-, PANA- en TAX3-commissies in de komende parlementaire zittingsperiode moeten worden voortgezet in een permanente structuur binnen het Parlement, bijvoorbeeld in de vorm van een subcommissie van de Commissie economische en monetaire zaken (ECON), om commissieoverschrijdende participatie mogelijk te maken;

o
o   o

430.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad Economische en Monetaire Zaken, de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden, de Europese toezichthoudende autoriteiten, het Europees Openbaar Ministerie, de Europese Centrale Bank, Moneyval, de lidstaten, de nationale parlementen, de VN, de G20, de Financiële-actiegroep en de OESO.

(1) Besluit van 1 maart 2018 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van een Bijzondere Commissie financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking (TAX3), Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0048.
(2) Resolutie van 25 november 2015 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, PB C 366, 27.10.2017, blz. 51.
(3) Resolutie van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, PB C 101, 16.3.2018, blz. 79.
(4) PB C 399 van 24.11.2017, blz. 74.
(5) Aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, PB C 369, 11.10.2018, blz. 132.
(6) De gezamenlijke follow-up van maart 2016 over meer transparantie, coördinatie en convergentie van het vennootschapsbelastingbeleid, de resoluties van TAXE 1, de follow-up van 16 november 2016 van de resolutie van TAXE 2 en de follow-up van april 2018 van de resolutie van PANA.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0475.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0183.
(9) Scherrer A. en Thirion E., Citizenship by Investment (CBI) and Residency by Investment (RBI) schemes in the EU, EPRS, PE 627.128, Europees Parlement, oktober 2018; Korver R., Money laundering and tax evasion risks in free ports, EPRS, PE 627.114, Europees Parlement, oktober 2018; en Kiendl Kristo I. en Thirion E., An overview of shell companies in the European Union, EPRS, PE 627.129, Europees Parlement, oktober 2018.
(10) Lamensch M. en Ceci, E., VAT fraud: Economic impact, challenges and policy issues, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A - Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 15 oktober 2018.
(11) Houben R. en Snyers A, Cryptocurrencies and blockchain, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A - Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 5 juli 2018 en Hadzhieva E., Impact of Digitalisation on International Tax Matters, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A - Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 15 februari 2019.
(12) Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators - Final Report (Taxation paper No 61, 27 januari 2016), The Impact of Tax Planning on Forward-Looking Effective Tax Rates (Taxation paper No 64, 25 oktober 2016) en Aggressive tax planning indicators - Final Report (Taxation paper No 71, 7 maart 2018).
(13) Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1.
(14) Richtlijn (EU) 2017/952 van de Raad van 29 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/1164 wat betreft hybride mismatches met derde landen, PB L 144, 7.6.2017, blz. 1.
(15) Met betrekking tot respectievelijk de automatische uitwisseling van fiscale rulings (Richtlijn (EU) 2015/2376 van 8 december 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB L 332 van 18.12.2015, blz. 1, DAC3), uitwisseling van landenrapporten tussen belastingautoriteiten (Richtlijn 2016/881 van 25 mei 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB L 146 van 3.6.2016, blz. 8, DAC4), toegang tot antiwitwasinlichtingen door belastingautoriteiten, uiteindelijke begunstigden en andere cliëntenonderzoek (Richtlijn 2016/2258 van 6 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB L 342 van 16.12.2016, blz. 1, DAC5), verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (Richtlijn 2018/822 van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, BP L 139 van 5.6.2018, blz. 1, DAC6).
(16) Voorstel van 25 oktober 2016 voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCTB),COM(2016)0685 en een voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (CCCTB), COM(2016)0683.
(17) Het pakket bestaat uit de mededeling van de Commissie van 21 maart 2018 getiteld "Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen" (COM(2018)0146), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad tot vaststelling van regels betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (COM(2018)0147), het voorstel van 21 maart 2018 voor een richtlijn van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van een digitaledienstenbelasting op inkomsten uit de levering van bepaalde digitale diensten (COM(2018)0148) en de aanbeveling van de Commissie van 21 maart 2018 betreffende de vennootschapsbelasting op een aanmerkelijke digitale aanwezigheid (C(2018)1650).
(18) Voorstel voor een Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 12 april 2016 tot wijziging van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft de openbaarmaking van informatie over de winstbelasting door bepaalde ondernemingen en bijkantoren (COM/2016/0198).
(19) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 107.
(20) Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 23).
(21) Richtlijn (EU) 2018/843 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van de Richtlijnen 2009/138/EG en 2013/36/EU, PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43.
(22) Mededeling van de Commissie van 2 februari 2016 aan het Europees Parlement en de Raad inzake een actieplan ter versterking van de strijd tegen terrorismefinanciering, COM(2016)0050.
(23) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0216.
(24) Met betrekking tot Fiat, Starbucks en de Belgische fiscale rulings voor overwinst, en besluiten om onderzoeken in te stellen naar McDonalds, Apple en Amazon.
(25) PB C 265 van 11.8.2017, blz. 59.
(26) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0014.
(27) Overeenkomstig de interne regels van het Parlement mogen voor de namen van commissie afkortingen worden gebruikt van maximaal vier letters. Bijgevolg wordt naar de voormalige tijdelijke commissies betreffende belastingheffing verwezen als TAXE, TAX2, PANA en TAX3. Opgemerkt zij echter dat het mandaat tot "de oprichting van de Bijzondere Commissie fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect" uitsluitend betrekking heeft op TAXE2.
(28) Bijvoorbeeld financialisering
(29) Bijvoorbeeld het gebruik van softwareprogramma's om automatisch contant geld van elektronische kassa's of point-of-sale-systemen af te romen ("zapping"), of het groeiende gebruik van externe payroll-processors waardoor fraudeurs verschuldigde belastingen kunnen wegsluizen.
(30) Gunnarsson A., Schratzenstaller M. en Spangenberg U., Gender equality and taxation in the European Union, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling C – Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, 15 maart 2017. Grown C. en Valodia I (redacteuren), Taxation and Gender Equity: A Comparative Analysis of Direct and Indirect Taxes in Developing and Developed Countries, Routledge, 2010, blz. 32 – 74, blz. 309 – 310, en blz. 315; Action Aid, Value-Added Tax (VAT), Progressive taxation policy briefing, 2018; en Stotsky J. G., Gender and Its Relevance to Macroeconomic Policy: A Survey, IMF Working Paper, WP/06/233, blz. 42.
(31) Hoorzitting van TAX3 van 24 januari 2018 over de belastingkloof in de EU: zie figuur 4.
(32) Paragraaf 49 van zijn standpunt van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027, Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.
(33) Zie paragraaf 59 van de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, PB C 369, 11.10.2018, blz. 132.
(34) In het meerjarig financieel kader 2021-2027 - standpunt van het Parlement met het oog op een overeenkomst en de op 17 januari 2019 door het Europees Parlement goedgekeurde wijzigingen op het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Fiscalis-programma voor samenwerking op het gebied van belasting (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0039).
(35) Crivelli E., De Mooij R. A., en Keen M., Base Erosion, Profit Shifting and Developing Countries, 2015.
(36) Tax Policies in the European Union 2017 Survey, ISBN 978-92-79-72282-0.
(37) Tørsløv T. R., Wier L. S. and Zucman G., The missing profits of nations, National Bureau of Economic Research, Working Paper 24701, 2018.
(38) Murphy R., "The European Tax Gap", 2019, http://www.taxresearch.org.uk/Documents/EUTaxGapJan19.pdf
(39) Verslag van het werkbezoek aan Washington D.C.Volledig verslag van de openbare hoorzitting van TAX3 van 27 november 2018.
(40) Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies, PB L 139, 5.6.2018, blz. 1.
(41) Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators – Final Report (Taxation paper No 61, 27 januari 2016) en Tax policies in the EU – 2017 Survey
(42) Soms ook wel "enablers" of "promoters" van belastingontduiking genoemd.
(43) Voorstel voor een richtlijn van de Raad van 11 november 2011 betreffende een gemeenschappelijke belastingregeling inzake betalingen van rente en royalty's tussen verbonden ondernemingen van verschillende lidstaten (COM(2011) 0714).
(44) Hearson M., The European Union’s Tax Treaties with Developing Countries: leading By Example?, 27 september 2018.
(45) Beleidsnota als goedgekeurd door het Inclusief Kader inzake BEPS getiteld "Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy", gepubliceerd op 29 januari 2019.
(46) Zie OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten 2017 van 10 Juli 2017.
(47) Openbare hoorzitting van 24 januari 2019 over de beoordeling van de belastingkloof en "Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy", Beleidsnota van de OESO, gepubliceerd op 29 januari 2019.
(48) Resolutie van 25 november 2015 van het Europees Parlement over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect, PB C 366, 27.10.2017, blz. 51, paragraaf 96.
(49) Bovenvermeld. De studies geven een overzicht van de blootstelling van de lidstaten aan structuren van agressieve belastingplanning die van invloed zijn op hun belastinggrondslag (erosie of toename), en hoewel er geen op zichzelf staande indicator van het verschijnsel is, bestaat er niettemin een reeks indicatoren die als een geheel van bewijzen worden gezien.
(50) PB C 72 E van 11.3.2014, blz. 1.
(51) Zoals blijkt uit de effectbeoordeling van 21 maart 2018 bij het digitale belastingpakket (SWD(2018)0081), volgens welke gedigitaliseerde bedrijven gemiddeld slechts een belastingtarief van 9,5 % betalen, tegen 23,2 % voor traditionele bedrijfsmodellen.
(52) UNCTAD, World Investment Report, 2018.
(53) Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy – Beleidsnota, gepubliceerd op 29 januari 2019.
(54) Conclusies van de Raad Economische en Financiële Zaken, 12 maart 2019.
(55) KiesKompas, Public Perception towards taxing digital companies in six countries, December 2018.
(56) COM(2018)0148.
(57) Taxation Trends in the European Union, Tabel 3: Top statutory corporate income tax rates (including surcharges), 1995-2018, Europese Commissie, 2018.
(58) Addressing the Tax Challenges of the Digitalisation of the Economy – Beleidsnota, goedgekeurd door het Inclusieve Kader inzake BEPS op 23 januari 2019.
(59) Ibidem.
(60) OESO, Resumption of Application of Substantial Activities Factor to No or only Nominal Tax Jurisdictions – Inclusive Framework on BEPS: Actie 5, 2018.
(61) Openbare hoorzitting van 27 november 2018 over vermeende agressieve belastingplanningsregelingen binnen de EU.
(62) mededeling van de Commissie getiteld "Tijd om een moderne, eerlijke en efficiënte standaard voor de belastingheffing van de digitale economie vast te stellen" (COM(2018)0146).
(63) Openbare hoorzitting van 24 januari 2019 over de evaluatie van de belastingkloof.
(64) EHRM, arrest van 16 juni 2015 (nr. 787/14), van Weerelt v Nederland.
(65) Artikel 4, lid 3, van het VEU.
(66) Joint International Taskforce on Shared Intelligence and Collaboration.
(67) Zie ook de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, PB C 369, 11.10.2018, blz. 132.
(68) Openbare hoorzitting van 24 januari 2019 over de evaluatie van de belastingkloof.
(69) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG, PB L 176 van 27.6.2013, blz. 63.
(70) Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19.
(71) Zoals het Europese Hof van Justitie in 1974 al heeft verklaard.
(72) Besluit van 20 juni 2018 betreffende de staatssteun die Luxemburg heeft verleend ten gunste van ENGIE (SA.44888);besluit van 4 oktober 2017 betreffende de staatssteun die Luxemburg heeft verleend aan Amazon (SA.38944);besluit van 30 augustus 2016 betreffende de verleende staatssteun van Ierland aan Apple (SA.38373);besluit van 11 januari 2016 betreffende vrijstelling van overwinst in België, art. 185, lid 2, onder b), WIB92 (SA.37667);besluit van 21 oktober 2015 betreffende de verleende staatssteun van Nederland aan Starbucks (SA.38374);en besluit van 21 oktober 2015 betreffende de staatssteun die Luxemburg heeft verleend aan Fiat (SA.38375).Er lopen procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Gerecht met betrekking tot alle zes beslissingen.
(73) Besluit van 19 september 2018 betreffende mogelijke steun voor McDonald’s - Luxemburg (SA.38945).
(74) "Mogelijke staatssteun ten faveure van Inter IKEA", geopend op 18 december 2017 (SA.46470)en "Britse belastingregeling voor multinationals (regels voor gecontroleerde buitenlandse vennootschappen)" geopend op 26 oktober 2018 (SA.44896).
(75) Besluit van 7 maart 2019 betreffende mogelijke steun voor Huhtamaki – Luxemburg (SA.50400).
(76) http://europa.eu/rapid/press-release_IP-18-5831_en.htm
(77) Zoals in de geval van het besluit van 30 augustus 2016 (SA.38373)betreffende steunmaatregel die Ierland ten gunste van Apple ten uitvoer heeft gelegd. De fiscale rulings werden afgegeven door Ierland op 29 januari 1991 en 23 mei 2007.
(78) Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46).
(79) werkbezoek van TAX3 aan Riga (Letland), 30-31 augustus 2018, Verslag werkbezoek.
(80) Kiendl Kristo I. en Thirion E., An overview of shell companies in the European Union, EPRS, PE 627.129, Europees Parlement, oktober 2018, blz. 23.
(81) Kiendl Kristo I. en Thirion E., ibid., blz. 23. Study on Structures of Aggressive Tax Planning and Indicators – Final Report (Taxation paper nr. 61, 27 januari 2016); "The Impact of Tax Planning on Forward-Looking Effective Tax Rates" (Taxation paper nr. 64, 25 oktober 2016) en "Aggressive tax planning indicators - Final Report" (Taxation paper nr. 71, 7 maart 2018).
(82) IHS, Aggressive tax planning indicators, opgesteld voor de Europese Commissie, DG TAXUD Taxation papers, werkdocument nr. 71, 7 maart 2018.
(83) Artikel 113 VWEU
(84) Studie en verslagen over de btw-kloof in de 28 lidstaten van de EU: 2018 eindverslag / TAXUD/2015/CC/131.
(85) Zie het persbericht van de Commissie.
(86) COM(2017)0569, COM(2017)0568 and COM(2017)0567.
(87) COM(2018)0329.
(88) Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft harmonisering en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel en tot invoering van het definitieve stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten (COM(2017) 0569).
(89) Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 3 oktober 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG wat betreft harmonisering en vereenvoudiging van bepaalde regels in het btw-stelsel en tot invoering van het definitieve stelsel voor de belastingheffing in het handelsverkeer tussen de lidstaten, P8_TA(2018)0366.
(90) Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG en Richtlijn 2009/132/EG wat betreft bepaalde btw-verplichtingen voor diensten en afstandsverkopen van goederen (COM(2016)0757).
(91) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0367.
(92) Voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen(COM(2018)0021).
(93) Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 11 september 2018 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de bijzondere regeling voor kleine ondernemingen, Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0319.
(94) Voorstel voor een richtlijn van de Raad van 21 december 2016 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft de tijdelijke toepassing van een veralgemeende verleggingsregeling voor leveringen van goederen en diensten boven een bepaalde drempel (COM(2016)0811).
(95) Snelle evaluatie door de Europese Rekenkamer, "Vergoeding van btw op cohesiegebied - een foutgevoelig en suboptimaal gebruik van EU-middelen", 29 november 2018.
(96) Advies nr. 9/2018 van de Europese Rekenkamer van 22 november 2018 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het fraudebestrijdingsprogramma van de EU.
(97) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt, PB L 198, 28.7.2017, blz. 29, met name de artikelen 3 en 15.
(98) Ainsworth, R. T., Alwohabi, M., Cheetham, M. en Tirand, C.: "A VATCoin Solution to MTIC Fraud: Past Efforts, Present Technology, and the EU’s 2017 Proposal", Boston University School of Law, Law and Economics Series Paper, No 18-08, 26 maart 2018. Zie ook: Ainsworth, R. T., Alwohabi, M. en Cheetham, M.: "VATCoin: Can a Crypto Tax Currency Prevent VAT Fraud?", Tax Notes International, Vol 84, 14 november 2016.
(99) Verordening (EU) 2017/2454 van de Raad van 5 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 348 van 29.12.2017, blz. 1).
(100) Lamensch M. en Ceci, E., VAT fraud: Economic impact, challenges and policy issues, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling A - Economische Zaken, Wetenschapsbeleid en Levenskwaliteit, 15 oktober 2018.
(101) Ibid.
(102) Gunnarson A., Spangenberg U. en Schratzenstaller M., Gender equality and taxation in the European Union, Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, beleidsondersteunende afdeling C – Rechten van de burger en Constitutionele Zaken, 17 januari 2017.
(103) Mededeling van de Commissie getiteld "Fiscaal beleid in de Europese Unie: prioriteiten voor de komende jaren"' (COM(2001)0260).
(104) Achttien lidstaten hebben een vorm van een regeling voor verblijf door investeringen. Vier daarvan hebben ook een regeling voor burgerschap door investeringen: Bulgarije, Cyprus, Malta en Roemenië. Tien lidstaten voorzien niet in dergelijke regelingen: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Hongarije, Oostenrijk, Polen, Slovenië, Slowakije en Zweden. Bron: Scherrer A. en Thirion E., Citizenship by Investment (CBI) and Residency by Investment (RBI) schemes in the EU, EPRS, PE 627.128, Europees Parlement, oktober 2018,blz. 12-13 en 55-56; ISBN: 978-92-846-3375-3.
(105) Zie voornoemd onderzoek. Andere studies laten hogere cijfers zien, inclusief regelingen voor verblijf door investeringen.
(106) Inside the Murky World of Golden Visas, 10 oktober 2018.
(107) Citizenship by Investment: Scheme for Naturalisation of Investors by Exception (Cyprus), Residence by Investment (Cyprus), Individual Investor Programme (Malta) en Residence and Visa programme (Malta).
(108) Korver R.,'Money Laundering and tax evasion risks in free ports', EPRS, PE: 627.114, oktober 2018; ISBN: 978-92-846-3333-3.
(109) Lijst met vrije zones in de EU van de Commissie.
(110) Korver R., op. cit.
(111) Korver R., op. cit.
(112) Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369, 11.10.2018, blz. 132).
(113) Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369, 11.10.2018, blz. 132).
(114) From illegal markets to legitimate businesses: the portfolio of organised crime in Europe, Final report of Project OCP – Organised Crime Portfolio, maart 2015.
(115) http://www.europarl.europa.eu/news/en/press-room/20171211IPR90024/new-eu-wide-penalties-for-money-laundering, voorstel van de Commissie van 21 december 2016 voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld (COM(2016)0826).
(116) UNODC
(117) Zie bijvoorbeeld de resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2017 over corruptie en mensenrechten in derde landen (PB C 337 van 20.9.2018, blz. 82), paragrafen 35 en 36, en de Resultaten van de 3662e vergadering van de Raad Buitenlandse Zaken in Brussel op 10 december 2018
(118) Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 14 februari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0121.
(119) De Commissie Griekenland en Roemenië op 19 juli 2018 naar het Europees Hof van Justitie heeft verwezen vanwege het niet in hun nationale wetgeving omzetten van de vierde antiwitwasrichtlijn. Ierland had slechts een heel beperkt deel van de regels omgezet en ook naar het Hof van Justitie is verwezen. Op 7 maart 2019 heeft de Commissie een gemotiveerd advies gestuurd aan Oostenrijk en Nederland en een ingebrekestelling aan de Republiek Tsjechië, Hongarije, Italië, Slovenië, Zweden en het Verenigd Koninkrijk vanwege hun onvermogen om de vierde antiwitwasrichtlijn volledig om te zetten.
(120) Netherlands' Public Prosecution Service, 4 September 2018
(121) Europees Parlement, directoraat-generaal Intern Beleid, afdeling Ondersteuning economische governance, diepgaande analyse "Money laundering - Recent cases from a EU banking supervisory perspective", april 2018, PE 614.496.
(122) Bruun & Hjejle: Report on the Non-Resident Portfolio at Danske Bank’s Estonian Branch, Kopenhagen, 19 september 2018.
(123) Ibid.
(124) Ibid.
(125) Advies van de Commissie van 8 november 2018 gericht tot de Maltese Financial Intelligence Analysis Unit, op basis van artikel 17, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1092/2010, over de maatregelen die nodig zijn om aan het recht van de Unie te voldoen (C(2018)7431).
(126) Brief van de permanente vertegenwoordiger van Malta bij de EU van 20 december 2018 in antwoord op de brief van de voorzitter van de TAX3-commissie van 7 december 2018.
(127) Op basis van de bijlage bij de resolutie van de Raad betreffende een modelovereenkomst ter instelling van een gemeenschappelijk onderzoeksteam (GOT) (PB C 18 van 19.1.2017, blz. 1).
(128) Reflection paper on possible elements of a Roadmap for seamless cooperation between Anti Money Laundering and Prudential Supervisors in the European Union, 31 August 2018.
(129) Op het moment van de stemming in de TAX3-commissie op 27 februari 2019 vonden er nog interinstitutionele onderhandelingen plaats.
(130) Letter to Tiina Astola of 24 September 2018 on the request to investigate a possible breach of Union law under Article 17 of Regulation (EU) No 1093/2010.
(131) COM(2018)0213.
(132) Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369, 11.10.2018, blz. 132).
(133) FATF, Regulation of virtual assets, 19 October 2018
(134) Verslag van het bezoek van de TAX3-commissie aan Estland en Denemarken van 6 t/m 8 februari 2019.
(135) PB L 303 van 28.11.2018, blz. 1.
(136) PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22.
(137) Richtlijn 2014/42/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 39).
(138) C(2019)0646.
(139) SWD(2018)0362.
(140) Tijdens de TAX3-hoorzitting op 1 oktober 2018 over de betrekkingen met Zwitserland op het gebied van fiscale aangelegenheden en de bestrijding van witwaspraktijken gaf een aantal panelleden aan dat Zwitserland geen uitvoering geeft aan de FATF-aanbevelingen 9 en 40.
(141) Respectievelijk "Base Erosion and Anti-Abuse Tax" (BEAT), "Global Intangible Low Tax Income" (GILTI) en "Foreign-Derived Intangible Income" (FDII).
(142) Meer bepaald: IGA-model 1, in het kader waarvan buitenlandse financiële instellingen relevante informatie aan hun thuisland rapporteren, die ze vervolgens overmaken aan de Amerikaanse belastingdienst, en IGA-model 2, in het kader waarvan buitenlandse financiële instellingen niet rapporteren aan de regeringen van hun thuisland maar rechtstreeks aan de Amerikaanse belastingdienst.
(143) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0316.
(144) Als genoemd in de TAX3-hoorzitting op 1 oktober 2018.
(145) Gedachtewisseling - tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie - met Fabrizia Lapecorella, voorzitter van de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen, op 10 oktober 2018.
(146) Conclusies van de Raad van 12 maart 2019 over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied, beschikbaar op https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7441-2019-INIT/nl/pdf
(147) https://www.oxfam.org/en/research/hook-how-eu-about-whitewash-worlds-worst-tax-havens
(148) Conclusies van de Raad van 12 maart 2019 over de herziene EU-lijst van jurisdicties die niet-coöperatief zijn op belastinggebied, beschikbaar op https://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-7441-2019-INIT/nl/pdf
(149) Werken aan eerlijke belastingcriteria 2.1 en 2.2 van Conclusies van de Raad 14166/16 van 8 november 2016.
(150) OESO,'Resumption of Application of Substantial Activities Factor to No or only Nominal Tax Jurisdictions Inclusive Framework on BEPS': Action 5, 2018.
(151) Eerlijk belastingcriterium 2.2 van de EU-lijst.
(152) De tekst van het ontwerpakkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie is te raadplegen op: https://ec.europa.eu/commission/publications/draft-agreement-withdrawal-united-kingdom-great-britain-and-northern-ireland-european-union-and-european-atomic-energy-community-agreed-negotiators-level-14-november-2018_en
(153) De tekst van de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige betrekkingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk is te raadplegen op: https://www.consilium.europa.eu/media/37059/20181121-cover-political-declaration.pdf
(154) Waaronder Andorra en Liechtenstein.
(155) Hoorzitting van de TAX3-commissie over de betrekkingen met Zwitserland op het gebied van fiscale aangelegenheden en de bestrijding van witwaspraktijken, op 1 oktober 2018, en gedachtewisseling met Fabrizia Lapecorella, voorzitter van de Groep gedragscode voor belastingheffing op ondernemingen, op 10 oktober 2018.
(156) Ibid.
(157) De herziene EU-lijst van jurisdicties die niet coöperatief zijn op belastinggebied - Conclusies van de Raad 7441/19 van 12 maart 2019.
(158) In het eerste deel van "The missing profits of nations" van Tørsløv T.R., Wier L.S. and Zucman G. wordt op basis van moderne macro‑economische modellen en onlangs gepubliceerde betalingsbalansgegevens geconcludeerd dat het verlies aan belastinginkomsten wereldwijd om en nabij de 200 miljard Amerikaanse dollar bedraagt en dat de via de rechtsgebieden van belastingparadijzen gekanaliseerde rechtstreekse buitenlandse investeringen 10 tot 30 % bedragen van alle rechtstreekse buitenlandse investeringen. Deze cijfers zijn een stuk hoger dan die waar tot dusver op basis van andere methoden vanuit werd gegaan.
(159) Country Report Belgium 2018; Country Report Cyprus 2018; Country Report Hungary 2018; Country Report Ireland 2018; Country Report Luxembourg 2018; Country Report Malta 2018; Country Report The Netherlands 2018.
(160) Zie Landverslag België 2019; Landverslag Cyprus 2019; Landverslag Hongarije 2019; Landverslag Ierland 2019; Landverslag Luxemburg 2019; Landverslag Malta 2019; Landverslag Nederland 2019 (https://ec.europa.eu/info/sites/info/files/file_import/2019-european-semester-country-report-netherlands_nl_0.pdf)
(161) https://www.oxfam.org/en/research/hook-how-eu-about-whitewash-worlds-worst-tax-havens
(162) Bijdragen van Alex Cobham (Tax Justice Network) en Johan Langerock (Oxfam) tijdens de hoorzitting van de TAX3-commissie over de aanpak van schadelijke belastingpraktijken in de EU en in derde landen op 15 mei 2018.
(163) Te weten de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling.
(164) De resolutie van het Europees Parlement van 6 juli 2016 over fiscale rulings en andere maatregelen van vergelijkbare aard of met vergelijkbaar effect (PB C 101 van 16.3.2018, blz. 79), en de aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132).
(165) De G77 heeft in 2017 aangedrongen op de oprichting van een dergelijk orgaan.
(166) Discussienota van de Europese Commissie: A Contribution to the Third Financing for Development Conference in Addis Ababa.
(167) Action Aid, Verslag over misbruikte belastingverdragen, februari 2016.
(168) Cobham A. en Janský P., 2017. 'Global distribution of revenue loss from tax avoidance'.
(169) C(2018)1650.
(170) Een diepgaand onderzoek van de Commissie om na te gaan of Portugal de regionale steunregeling voor de vrijhandelszone van Madeira heeft toegepast in overeenstemming met haar besluiten van 2007 en 2013 tot goedkeuring ervan, namelijk door na te gaan of de belastingvrijstellingen die door Portugal aan in de vrijhandelszone van Madeira gevestigde ondernemingen zijn verleend, in overeenstemming zijn met de besluiten van de Commissie en de EU-staatssteunregels; benadrukt dat de Commissie nagaat of Portugal aan de voorwaarden van de regelingen heeft voldaan, d.w.z. of de winst van de ondernemingen die profiteren van de verlagingen van de inkomstenbelasting uitsluitend afkomstig is van activiteiten op Madeira en of de begunstigde ondernemingen daadwerkelijk arbeidsplaatsen op Madeira hebben gecreëerd en behouden;
(171) In sommige wetgeving soms ook wel "enablers", "promoters" of "faciliteerders" genoemd.
(172) Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1).
(173) Zie bijvoorbeeld de aanbeveling van het Europees Parlement van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking, en in het bijzonder paragraaf 143 (PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132).
(174) PB L 158 van 27.5.2014, blz. 196.
(175) PB L 158 van 27.5.2014, blz. 77.
(176) Verslag over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2018 inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218 – C8 0159/2018 – 2018/0106(COD)).
(177) Hoorzitting van de TAX3-commissie op 21 november 2018.
(178) Met name de desbetreffende Amerikaanse wetgeving.
(179) Verordening (EG, Euratom) nr. 723/2004 van de Raad van 22 maart 2004 tot wijziging van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en van de regeling die van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen (PB L 124 van 27.4.2004, blz. 1).
(180) Zoals geopperd door de Raad van Europa in zijn Aanbeveling CM/Rec(2014)7 van het comité van ministers aan lidstaten over de bescherming van klokkenluiders (aangenomen op 30 april 2014).
(181) Rudolf Elmer, hoorzitting op 1 oktober 2018; Howard Wilkinson, hoorzitting op 21 november 2018.
(182) Daphne Caruana Galizia, vermoord in Malta op 16 oktober 2017; Ján Kuciak, samen met zijn partner Martina Kušnírová vermoord in Slowakije op 21 februari 2018.
(183) Hoorzitting van de TAX3-commissie op 1 oktober 2018.
(184) Aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak OI/2/2017/TE over de transparantie van het wetgevingsproces van de Raad.
(185) Artikel 4, lid 3, van het VEU.
(186) zoals in het verslag van de Groep gedragscode aan de Raad van juni 2018 wordt herhaald: de procedurele richtsnoeren voor het monitoringproces voor toezeggingen met betrekking tot de EU-lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden (doc. 6213/18); een compilatie van alle overeengekomen richtsnoeren sinds de oprichting van de Groep in 1998 (doc. 5814/18 REV1); een compilatie van alle door de voorzitter van de Groep gedragscode ondertekende brieven waarin wordt verzocht om toezeggingen van de rechtsgebieden (doc. 6671/18); een compilatie van de toezeggingsbrieven die in ruil daarvoor zijn ontvangen, wanneer het betrokken rechtsgebied toestemming heeft gegeven (doc. 6972/18 en addenda); en een overzicht van de afzonderlijke maatregelen die de groep sinds 1998 heeft beoordeeld (doc. 9639/9).
(187) De code bevindt zich in bijlage I bij de conclusies van de Raad-ECOFIN van 1 december 1997 over fiscaal beleid, waarvan overweging N betrekking heeft op de controle en herziening van de bepalingen van de code (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 1).
(188) TAX3-hoorzitting met de Spaanse staatssecretaris van Financiën op 19 februari 2019.

Laatst bijgewerkt op: 27 maart 2019Juridische mededeling