Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2166(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0110/2019

Ingediende teksten :

A8-0110/2019

Debatten :

PV 26/03/2019 - 12
CRE 26/03/2019 - 12

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 13.1
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0242

Aangenomen teksten
PDF 316kWORD 112k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Commissie en uitvoerende agentschappen
P8_TA-PROV(2019)0242A8-0110/2019
Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545),

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2017 (COM(2018)0457),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05824/2019 – C8-0053/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(6), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de Commissie kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(7);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2018, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 1.
(4) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 9.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(7) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


2. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2017(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545) en het (de) bijbehorende werkdocument(en) van de diensten van de Commissie,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05826/2019 – C8-0054/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/776/EU van de Commissie van 18 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur en tot intrekking van Besluit 2009/336/EG(10),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(11);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 413 van 14.11.2018, blz. 2.
(4) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 16.
(5) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 209.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 343 van 19.12.2013, blz. 46.
(11) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


3. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2017(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545) en het (de) bijbehorende werkdocument(en) van de diensten van de Commissie,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05826/2019 – C8-0054/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/771/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen en tot intrekking van de Besluiten 2004/20/EG en 2007/372/EG(10),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(11);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 413 van 14.11.2018, blz. 11.
(4) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 16.
(5) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 213.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 341 van 18.12.2013, blz. 73.
(11) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


4. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2017(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545) en het (de) bijbehorende werkdocument(en) van de diensten van de Commissie,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05826/2019 – C8-0054/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van een Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding en tot intrekking van Besluit 2004/858/EG(10),

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2014/927/EU van de Commissie van 17 december 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2013/770/EU teneinde het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid en voeding" om te vormen tot het "Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding"(11),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(12);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap voor consumenten, gezondheid, landbouw en voeding, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 413 van 14.11.2018, blz. 2.
(4) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 16.
(5) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 229.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 341 van18.12.2013, blz. 69.
(11) PB L 363 van 18.12.2014, blz. 183.
(12) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


5. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2017(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545) en het (de) bijbehorende werkdocument(en) van de diensten van de Commissie,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05826/2019 – C8-0054/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/779/EU van de Commissie van 17 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad en tot intrekking van Besluit 2008/37/EG(10),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(11);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap Europese Onderzoeksraad, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 413 van 14.11.2018, blz. 9.
(4) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 16.
(5) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 217.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 58.
(11) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


6. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2017(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545) en het (de) bijbehorende werkdocument(en) van de diensten van de Commissie,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap onderzoek voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05826/2019 – C8-0054/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/778/EU van de Commissie van 13 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap onderzoek en tot intrekking van Besluit 2008/46/EG(10),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(11);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap onderzoek, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 413 van 14.11.2018, blz. 12.
(4) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 16.
(5) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 225.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 346 van 20.12.2013, blz. 54.
(11) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


7. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2017(3),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545) en het (de) bijbehorende werkdocument(en) van de diensten van de Commissie,

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Agentschap(4),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(5) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05826/2019 – C8-0054/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(8), en met name artikel 14, lid 3,

–  gezien Verordening (EG) nr. 1653/2004 van de Commissie van 21 september 2004 houdende een model voor het financieel reglement van de uitvoerende agentschappen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(9), en met name artikel 66, eerste en tweede alinea,

–  gezien Uitvoeringsbesluit 2013/801/EU van de Commissie van 23 december 2013 tot oprichting van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken en tot intrekking van Besluit 2007/60/EG, als gewijzigd bij Besluit 2008/593/EG(10),

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

1.  verleent de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Uitvoerend Agentschap voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(11);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit, het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie, en de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van deze besluiten, te doen toekomen aan de directeur van het Uitvoerend Agentschap innovatie en netwerken, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 413 van 14.11.2018, blz. 11.
(4) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 16.
(5) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 221.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(8) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(9) PB L 297 van 22.9.2004, blz. 6.
(10) PB L 352 van 24.12.2013, blz. 65.
(11) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


8. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0318/2018)(2),

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0545) en het (de) bijbehorende werkdocument(en) van de diensten van de Commissie,

–  gezien het jaarlijks beheers- en prestatieverslag van de Commissie over de EU-begroting 2016 (COM(2018)0457),

–  gezien het jaarverslag van de Commissie aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles (COM(2018)0661) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0429),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3), en de speciale verslagen van de Rekenkamer,

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05824/2019 – C8-0053/2019),

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de uitvoerende agentschappen te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05826/2019 – C8-0054/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(6), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien Verordening (EG) nr. 58/2003 van de Raad van 19 december 2002 tot vaststelling van het statuut van de uitvoerende agentschappen waaraan bepaalde taken voor het beheer van communautaire programma's worden gedelegeerd(7), en met name artikel 14, leden 2 en 3,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van de besluiten tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen, evenals in zijn resolutie van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer, in de context van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017(8);

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer en de Europese Investeringsbank, alsmede aan de nationale parlementen en de nationale en regionale controle-instanties van de lidstaten, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017, blz. 1.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 1.
(4) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 9.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(7) PB L 11 van 16.1.2003, blz. 1.
(8) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0243.


9. Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie en uitvoerende agentschappen (2018/2166(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begrotingen van de uitvoerende agentschappen voor het begrotingsjaar 2017,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de overige betrokken commissies (A8-0110/2019),

A.  overwegende dat de begroting van de Unie een belangrijke rol speelt bij de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen van de Unie, hoewel zij slechts 1 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie vertegenwoordigt;

B.  overwegende dat het Parlement bij het verlenen van kwijting aan de Commissie controleert of de middelen correct zijn besteed en of de beleidsdoelstellingen zijn verwezenlijkt;

Uitvoering van de begroting 2017 en bereikte resultaten

1.  merkt op dat de begroting van de Unie in 2017 het vierde jaar van uitvoering van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) was, en 159,8 miljard EUR bedroeg, met inbegrip van zes gewijzigde begrotingen, en dat de toewijzingen op verschillende gebieden als volgt waren:

   a) 75,4 miljard EUR voor slimme en inclusieve groei;
   b) 58,6 miljard EUR voor steun aan de Europese landbouwsector;
   c) 4,3 miljard EUR voor de versterking van de buitengrenzen van de Unie en de aanpak van de vluchtelingencrisis en illegale migratie;
   d) 10,7 miljard EUR voor activiteiten buiten de Unie;
   e) 9,4 miljard EUR voor de administratie van de instellingen van de Unie;

2.  onderstreept dat de begroting van de Unie de uitvoering van het beleid van de Unie en de verwezenlijking van de prioriteiten en doelstellingen ervan ondersteunt door de middelen van de lidstaten voor dezelfde doeleinden aan te vullen; wijst in dit verband op de verwezenlijking van de volgende resultaten:

   a) in 2017 was in het kader van Horizon 2020 een bedrag van 8,5 miljard EUR beschikbaar gesteld, waardoor directe aanvullende investeringen werden gemobiliseerd, hetgeen in totaal 10,6 miljard EUR en financiering voor 5 000 projecten opleverde;
   b) eind 2017 leverde COSME financiering aan meer dan 275 000 kleine en middelgrote ondernemingen (waarvan 50 % startende ondernemingen) in 25 landen die anders moeite zouden hebben met het aantrekken van particuliere financiering vanwege hun hoge risicoprofiel;
   c) wat de door de lidstaten tot eind 2016 gerapporteerde resultaten van de programma’s betreft, hadden de uitgevoerde projecten in het kader van het Cohesiefonds (CF) en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) al gezorgd voor:
   steun aan 84 579 ondernemingen, waarvan er meer dan 36 000 worden ondersteund door financiële instrumenten;
   10 300 nieuwe banen en 636 nieuwe plaatsen voor onderzoekers;
   41 800 huishoudens met een verbeterde energieverbruiksclassificatie en een daling van 14,9 miljoen kWh/jaar in het jaarlijkse primaire energieverbruik van openbare gebouwen;
   verbeterde gezondheidsdiensten voor 2,7 miljoen mensen; een betere watervoorziening voor 156 000 meer mensen en een verbeterde behandeling van afvalwater voor 73 000 mensen;
   breedbandtoegang voor 1 miljoen extra huishoudens;
   d) tegen het einde van 2016 hadden de programma’s voor plattelandsontwikkeling bijgedragen tot de herstructurering en modernisering van bijna 45 000 landbouwbedrijven;
   e) in 2017 heeft het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) steun verleend voor het creëren van meer dan 7 000 extra plaatsen in opvangcentra; het aantal aangepaste opvangplaatsen voor niet-begeleide minderjarigen, een bijzonder kwetsbare groep migranten, is ook gestegen van slechts 183 plaatsen in 2014 naar 17 070 plaatsen in 2017; eind 2017 hadden 1 432 612 onderdanen van derde landen integratiebijstand ontvangen;
   f) de Unie verstrekte meer dan 2,2 miljard EUR aan humanitaire hulp in 80 verschillende landen; de humanitaire hulp van de Unie steunt het onderwijs van meer dan 4,7 miljoen kinderen in nood in meer dan 50 landen;

Betrouwbaarheidsverklaring van de Rekenkamer

3.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer geen bezwaar heeft gemaakt wat betreft de betrouwbaarheid van de rekeningen van de Europese Unie voor 2017, wat reeds sinds 2007 het geval is, en dat zij heeft vastgesteld dat de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen voor 2017 op alle materiële punten wettig en regelmatig waren;

4.  stelt vast dat de Rekenkamer voor 2017 voor het tweede achtereenvolgende jaar een oordeel met beperking heeft afgegeven over de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen, waarbij de Rekenkamer opmerkt dat een aanzienlijk deel van de door haar gecontroleerde uitgaven voor 2017 geen materiële fouten vertoonde en dat het niveau van de onregelmatigheden in de Unie-uitgaven is blijven dalen;

5.  is ingenomen met de positieve trend van een aanhoudende daling van het meest waarschijnlijke foutenpercentage voor betalingen zoals vastgesteld door de Rekenkamer in de afgelopen jaren, dat in 2017 het laagste niveau ooit bereikte van 2,4 %, hetgeen helaas nog steeds boven de drempel van 2 % ligt, maar bijna een twee derde daling is van het door de Rekenkamer geschatte meest waarschijnlijke foutenpercentage voor het begrotingsjaar 2007, dat 6,9 % bedroeg voor de betalingen; betreurt evenwel het feit dat er nog steeds sprake is van fouten bij de betalingen omdat het controle- en toezichtsysteem slechts ten dele doeltreffend is;

6.  merkt op dat wanneer betalingen plaatsvonden op basis van kostenvergoedingen (waarbij de Unie subsidiabele kosten voor subsidiabele activiteiten vergoedt), de Rekenkamer het foutenpercentage op 3,7 % raamt (4,8 % in 2016), terwijl het foutenpercentage voor uitbetalingen op basis van rechten (die gebaseerd zijn op het voldoen aan bepaalde voorwaarden) onder de materialiteitsdrempel van 2 % lag;

7.  merkt op dat de Rekenkamer verrichtingen ter waarde van in totaal 100,2 miljard EUR heeft gecontroleerd, hetgeen minder dan twee derde van de totale begroting voor 2017 vertegenwoordigt, en dat het gebied "Natuurlijke hulpbronnen" het grootste deel van de totale populatie uitmaakt (57 %), terwijl het aandeel van het gebied "Economische, sociale en territoriale cohesie" in tegenstelling tot voorgaande jaren relatief klein is (ongeveer 8 %);

8.  betreurt dat de Rekenkamer geen onderzoek heeft gedaan naar het foutenpercentage met betrekking tot rubriek 3 "Veiligheid en burgerschap" en rubriek 4 "Europa als wereldspeler"; is van mening dat, hoewel de bedragen van deze rubrieken relatief laag zijn, het gaat om beleidsterreinen van bijzonder politiek belang; benadrukt dat het nemen van een representatieve steekproef voor de controle van deze twee rubrieken van wezenlijk belang is om een grondige en onafhankelijke beoordeling van de financiële transacties mogelijk te maken, en om een beter toezicht te waarborgen op het gebruik van Uniemiddelen door het Europees Parlement, en roept de Rekenkamer op om in haar volgende jaarverslagen gegevens op te nemen over het foutenpercentage van de betalingen;

9.  wijst erop dat de Commissie zelf heeft opgemerkt dat het verbeterde foutenpercentage voor 2017 grotendeels te danken was aan de score voor "Natuurlijke hulpbronnen"(1);

10.  dringt er bij de Rekenkamer op aan in haar toekomstige verslagen het foutenpercentage voor de visserij niet samen met die voor milieu, plattelandsontwikkeling en gezondheid te presenteren, maar afzonderlijk; wijst erop dat het door de samenvoeging van sectoren niet mogelijk is om het foutenpercentage voor het visserijbeleid te zien; constateert dat het activiteitengebied maritieme zaken en visserij in het jaarverslag van de Rekenkamer onvoldoende gedetailleerd is, waardoor het moeilijk is het financieel beheer op dit gebied correct te beoordelen; is van oordeel dat, ter wille van de transparantie, de cijfers betreffende DG MARE in het jaarverslag van de Rekenkamer in de toekomst uitgesplitst moeten worden;

11.  betreurt dat de Rekenkamer voor het beleidsgebied "Concurrentievermogen voor groei en banen", waaronder vervoerbeleid valt, geen volledige informatie verschaft over de controles die met betrekking tot de vervoerssector zijn uitgevoerd, met name wat de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen (CEF) betreft;

Ontvangsten

12.  merkt op dat de Unie in 2017 beschikte over eigen middelen ter hoogte van 115,4 miljard EUR en andere ontvangsten ter hoogte van 17,2 miljard EUR, en dat het van 2016 overgedragen overschot 6,4 miljard EUR bedroeg;

13.  neemt met tevredenheid kennis van de conclusie van de Rekenkamer dat de ontvangsten in 2017 vrij waren van materiële fouten en dat de door de Rekenkamer onderzochte inkomstengerelateerde systemen over het geheel genomen doeltreffend waren, maar dat sommige controles voor traditionele eigen middelen (TEM) slechts gedeeltelijk doeltreffend waren;

14.  stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer van oordeel is dat de maatregelen van de Commissie ter bescherming van de ontvangsten van de Unie moeten worden verbeterd om de tekortkomingen in haar beheer van het risico van ondergewaardeerde invoer in verband met de TEM en in haar verificaties van de eigen middelen btw aan te pakken;

15.  is ernstig bezorgd dat deze tekortkomingen een negatieve invloed kunnen hebben op de bijdragen van de lidstaten aan de Uniebegroting; verzoekt de Commissie in dit verband om:

   a) haar monitoring van invoerstromen te verbeteren, en onder meer breder gebruik te maken van redelijke en legale dataminingtechnieken om ongebruikelijke patronen en de onderliggende redenen daarvoor te analyseren, en snel te handelen om te waarborgen dat de verschuldigde TEM-bedragen ter beschikking worden gesteld;
   b) het bestaande controlekader te herzien en de toepassing ervan beter te documenteren bij de verificatie van de berekeningen van de lidstaten van het gewogen gemiddelde btw-tarief dat door de lidstaten in hun btw-overzichten wordt gepresenteerd en dat de Commissie gebruikt om de geharmoniseerde btw-grondslagen te verkrijgen;

16.  stelt met bezorgdheid vast dat DG Budget voor het tweede jaar op rij een voorbehoud maakte inzake de waarde van de door het VK geïnde TEM omdat dat land had nagelaten om ontweken douanerechten op textiel- en schoeiselimport ter beschikking van de Uniebegroting te stellen;

17.  is verheugd over de inbreukprocedure die de Commissie op 8 maart 2018 heeft ingeleid naar aanleiding van de zaak van de Britse douanefraude, maar betreurt, vooral in het licht van de beslissing van het Verenigd Koninkrijk om zich terug te trekken uit de Europese Unie en van de toenemende moeilijkheden die de brexit met zich mee zal brengen voor het inningsproces, dat de Commissie er meer dan zeven jaar over heeft gedaan om deze procedure te starten na haar verzoek aan het Verenigd Koninkrijk in 2011 om risicoprofielen vast te stellen voor ondergewaardeerde textiel- en schoeiselimporten uit China; wijst erop dat in andere lidstaten soortgelijke fraudenetwerken actief zijn, hetgeen er toe heeft geleid dat sinds 2015 ten minste 2,5 miljard EUR aan douanerechten is ontweken; verzoekt de Commissie dergelijke zaken in de toekomst zonder aarzeling en zonder onnodig uitstel aan te pakken; wijst andermaal op de noodzaak van nauwere samenwerking tussen de douanediensten van de lidstaten om te voorkomen dat de begrotingen van de Unie en de lidstaten worden geschaad en inbreuk wordt gemaakt op de productnormenvan de Unie; verzoekt de Commissie om het Parlement informatie te verstrekken over producten die op de interne markt komen zonder aan de productnormen van de Unie te voldoen;

18.  betreurt de verschillen die tussen de lidstaten zijn vastgesteld wat betreft het niveau van de douanecontroles; onderstreept hoe belangrijk het is de controles bij alle punten van binnenkomst in de douane-unie te harmoniseren en verzoekt de lidstaten te zorgen voor een gecoördineerde, uniforme en efficiënte uitvoering van het grenssysteem en daarbij uiteenlopende praktijken tussen de lidstaten te ontmoedigen om de hiaten in de douanecontrolesystemen te verminderen; verzoekt de Commissie in dit verband om de verschillende douanecontrolepraktijken in de Unie en de impact ervan op de verlegging van het handelsverkeer te onderzoeken en zich daarbij met name toe te leggen op de Uniedouane aan de buitengrenzen en om te voorzien in referentieanalyses en informatie over de douaneoperaties en de procedures van de lidstaten;

Financieel en begrotingsbeheer

19.  wijst erop dat in 2017 in totaal 99,3 % van het voor vastleggingen beschikbare bedrag (158,7 miljard EUR) is uitgevoerd, maar dat de uitgevoerde betalingen slechts 124,7 miljard EUR bedroegen, aanzienlijk lager dan begroot, en lager dan de betalingen in het overeenkomstige jaar tijdens de meerjarige programmeringsperiode 2007-2013, voornamelijk doordat de lidstaten minder aanvragen hebben ingediend dan verwacht voor de meerjarenprogramma's van de Europese structuur- en investeringsfondsen 2014-2020 (ESIF), en ook door de late goedkeuring van het MFK en de sectorale wetgeving;wijst erop dat dit toekomstige risico’s voor de uitvoering van de begroting met zich mee kan brengen indien er sprake is van een groot aantal achterstallige betalingen aan het einde van de programmeringsperiode; verzoekt de Commissie de lidstaten zoveel mogelijk te ondersteunen bij de verbetering van hun absorptiepercentage;

20.  is ernstig bezorgd dat de niet-afgewikkelde begrotingsvastleggingen in 2017 als gevolg van een combinatie van hoge vastleggingen en lage betalingen zijn gestegen tot een nieuw record van 267,3 miljard EUR (2016: 238,8 miljard EUR) en dat de prognoses van de Rekenkamer erop wijzen dat dit bedrag tegen het einde van het huidige MFK nog verder zal stijgen, hetgeen kan leiden tot een aanzienlijk hoger risico van onvoldoende betalingskredieten, maar ook tot een risico van fouten onder druk van een snelle absorptie, gezien een potentieel verlies van EU-financiering; benadrukt dat de Uniebegroting geen tekort mag vertonen en dat het toenemende bedrag aan achterstallige betalingen in feite een financiële schuld vormt;

21.  roept de Commissie op om een nauwkeurige analyse voor te leggen van de redenen waarom in bepaalde regio's het absorptiepercentage van de fondsen laag blijft en specifieke acties te bestuderen om de structurele problemen op te lossen die aan de basis liggen van die lage percentages; verzoekt de Commissie om de technische bijstand ter plaatse te verhogen om de absorptiecapaciteit van de lidstaten die op dat gebied problemen ondervinden te verbeteren;

22.  herinnert eraan dat de vraag of speciale instrumenten wel of niet moeten worden meegeteld in de maxima voor betalingskredieten volgens de Rekenkamer nog niet is beantwoord; meent dat dit een bijkomend risico vormt voor het creëren van een betalingsachterstand;

23.  verzoekt de Commissie de nauwkeurigheid van de betalingsprognose te verbeteren en de lessen die uit de vorige programmeringsperiode zijn getrokken te gebruiken om de geaccumuleerde betalingsachterstand aan te pakken, de negatieve gevolgen ervan voor het volgende MFK te vermijden en het actieplan ter voorkoming van betalingsachterstanden tijdens het meerjarige financieel kader 2021-2027 te presenteren;

24.  constateert met grote bezorgdheid dat de algehele financiële blootstelling van de begroting van de Unie is toegenomen, met aanzienlijke schulden, garanties en juridische verbintenissen op lange termijn, wat inhoudt dat er in de toekomst sprake moet zijn van zorgvuldig beheer; roept de Commissie daarom op om, wanneer zij wetgevingsvoorstellen indient waardoor aanzienlijke voorwaardelijke verplichtingen ontstaan of aanzienlijk toenemen, deze vergezeld laat gaan van een overzicht van de totale waarde van de voorwaardelijke verplichtingen ten laste van de begroting en een analyse van stresstestscenario's en de mogelijke impact daarvan op de begroting;

25.  betreurt dat de Unie tekort is geschoten in het beheersen van en het vinden van een passende reactie op de financiële en sociaaleconomische crisis van 2008 (zoals in het geval van Griekenland, getuige de recente verontschuldigingen van de Commissie aan het adres van deze lidstaat) en de vluchtelingencrisis van 2015, wat heeft geleid tot een verdere verbreding van de kloof tussen Noord en Zuid en tussen Oost en West, tot grotere ongelijkheid en tot groeiend wantrouwen onder de lidstaten;

26.  herhaalt zijn verzoek om toevoeging van een op toerisme gerichte begrotingslijn aan toekomstige begrotingen van de Unie, teneinde de transparantie te verbeteren van de middelen van de Unie die voor maatregelen op het gebied van toerisme worden gebruikt;

GEDEELD BEHEER

27.  wijst erop dat volgens de Rekenkamer vooruitgang is geboekt bij de verlaging van het foutenpercentage in de uitgavencategorieën "Natuurlijke hulpbronnen" (2,4 %) en "Economische, sociale en territoriale cohesie" (3 %), die onder gedeeld beheer tussen de Commissie en de lidstaten vallen;

28.  merkt op dat de Rekenkamer in 2017 minder uitgaven heeft gecontroleerd dan vorig jaar op het gebied van "Economische, sociale en territoriale cohesie", met betalingen ter waarde van 8 miljard EUR;

29.  wijst erop dat net als in 2016 fouten met betrekking tot de subsidiabiliteit (d.w.z. niet-subsidiabele kosten in kostendeclaraties, niet-naleving van agromilieu- en klimaatverbintenissen en niet-subsidiabele projecten/activiteiten of begunstigden) de grootste bijdrage leverden aan het geschatte foutenpercentage voor 2017;

30.  houdt rekening met het feit dat de bedragen die de begunstigden in de landbouwsector ontvangen relatief klein zijn in vergelijking met andere projecten van de Unie, en dat de administratieve lasten om het deugdelijk gebruik van het geld aan te tonen daarom proportioneel hoger zijn;

31.  wijst op een recente studie van de Commissie waaruit blijkt dat de grote meerderheid van de ESIF-beheersinstanties tussen 2014 en 2017 van vereenvoudigde kostenopties (SCO's) gebruik heeft gemaakt (voor 64 % van de plattelandsontwikkelingsprogramma’s (RDP's) van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO), 73 % van de operationele programma’s van het EFRO/CF (OP’s) en 95 % van het Europees sociaal fonds (ESF)); wat de projecten betreft, bedraagt het aantal projecten waarbij gebruik wordt gemaakt van SCO’s 19 % voor het ELFPO, 65 % voor het ESF, 50 % voor het EFRO en 25 % voor het Cohesiefonds; is van mening dat het gebruik van SCO’s zou kunnen bijdragen tot een vermindering van de subsidiabiliteitsfouten;

32.  benadrukt dat de vereenvoudiging van de wetgeving van de Unie en de vermindering van de administratieve rompslomp voor landbouwers en andere begunstigden ook in de toekomst moet worden voortgezet;

33.  wijst erop dat de toegang tot gegevens en een goede monitoring, met name van milieuaspecten, essentieel is voor de toekomst, aangezien bepaalde natuurlijke hulpbronnen, zoals bodem en biodiversiteit, bepalend zijn voor de productiviteit van de landbouw op de lange termijn;

34.  stelt vast dat de Rekenkamer in 2017 zeer weinig fouten op het gebied van aanbesteding heeft vastgesteld: minder dan 1 % (tegenover 18 % in 2016), maar merkt op dat dit betrekking kan hebben op het relatief lage niveau van de in het kader van het EFRO en het CF aanvaarde uitgaven, dat vatbaarder was voor fouten bij overheidsopdrachten; verzoekt de Commissie en de lidstaten hun waakzaamheid ten aanzien van de correcte toepassing van de regels inzake overheidsopdrachten niet te laten verslappen, maar te blijven versterken;

35.  acht het noodzakelijk om de transparantie van aanbestedingsprocedures en de betrekkingen met bieders in de lidstaten verder te verhogen, aangezien inschrijvingsprocedures dreigen te veranderen in semilegale procedures die een eerlijke concurrentie verhinderen en fraude in de hand werken; is ingenomen met de studie van de Commissie over procedures met slechts één bieder en met de diepgaande analyse "Gaps and errors in the TED database", uitgevoerd in opdracht van de commissie CONT; neemt met bezorgdheid kennis van de conclusies van deze studie dat de kwaliteit en betrouwbaarheid van TED-gegevens zeer problematisch zijn, wat de analytische waarde van een beoordeling van de gegevens inzake openbare aanbestedingen beperkt; verzoekt de lidstaten de wijze waarop zij informatie inzake openbare aanbestedingen in TED publiceren aanzienlijk te verbeteren; verzoekt daarnaast om de invoering van een mechanisme voor regelmatige controle op procedures met één bieder;

36.  staat volledig achter het standpunt van de Rekenkamer dat het niet haar taak is om verslag te doen over afzonderlijke lidstaten, maar om advies uit te brengen over de controle van de wettigheid en regelmatigheid van de uitvoering van de begroting van de Unie als geheel;

37.  wenst niettemin de aandacht te vestigen op de punten van voorbehoud die de diensten van de Commissie in het kader van de normale jaarlijkse kwijtingsprocedure hebben gemaakt met betrekking, en op het feit dat de lidstaten bij de gebruikmaking van de grote verscheidenheid aan Uniemiddelen uiteenlopende prestaties laten zien en dat er altijd gebieden zijn waarop verbetering noodzakelijk is; merkt in dit verband op dat voor 2017 punten van voorbehoud werden gemaakt door:

   DG AGRI voor: AT, BE, BG, HR, CZ, DK, FI, FR, DE, HU, IT, PT, RO, SK, SI, ES, SE, UK;
   DG MARE voor: BG, CZ, IT, NL, RO;
   DG REGIO voor: BG, HR, CZ, ET, FI, FR, DE, HU, IT, LV, PL, RO, SK, SI, SE, UK;
   DG EMPL voor: AT, CZ, FR, DE, HU, IT, PL, RO, SK, UK;
   DG HOME voor: FI, DE, GR, UK;

38.  merkt in dit verband op dat de diensten van de Commissie in 2017 weliswaar geen punten van voorbehoud hebben gemaakt voor IE, LUX, M, CY, LT, maar dit in 2016 wel hebben gedaan voor DG AGRI: IE, LT, M, CY, voor DG EMPL: CY en voor DG REGIO: IE;

39.  is verheugd over de vooruitgang die is geboekt bij de uitvoering van de 181 prioritaire projecten in Griekenland:

   a) 119 projecten met uitgaven van 7,1 miljard EUR worden als afgerond gerapporteerd;
   b) 17 projecten met uitgaven van 0,5 miljard EUR moeten uiterlijk in maart 2019 zijn voltooid met nationale financiering (waarvoor naar schatting nog een bedrag van 0,53 miljard EUR vereist is);
   c) met de lopende uitvoering van 24 projecten (0,8 miljard EUR) in de periode 2014-2020 is naar schatting nog eens een bedrag van 1,1 miljard EUR gemoeid;
   d) 21 posten met een geraamde begroting van 1,1 miljard EUR zijn geschrapt;

meent dat de wijze waarop de Commissie Griekenland heeft ondersteund bij de uitvoering en voltooiing van de Unieprojecten als een succes kan worden beschouwd;

40.  is zeer teleurgesteld te moeten vaststellen dat de Commissie ondanks meerdere waarschuwingen van het Europees Parlement pas heeft gereageerd op de zaak betreffende belangenconflicten van de premier van de Tsjechische Republiek nadat Transparency International Tsjechië in juni 2018 een klacht tegen hem had ingediend; uit zijn diepe bezorgdheid over het feit dat situatie inzake de Tsjechische premier volgens een juridisch document van de Unie van 19 november 2018 aangemerkt kan worden als belangenverstrengeling, aangezien hij invloed heeft kunnen uitoefenen op beslissingen over het gebruik van Uniefondsen waaruit middelen zijn verstrekt aan ondernemingen die met hem in verband kunnen worden gebracht(2);

41.  roept de Commissie in dit verband op een volledig onderzoek in te stellen naar de belangenconflicten van de Tsjechische premier, zoals geëist in de resolutie van het Europees Parlement van december 2018, en zonder uitstel krachtig op te treden naar aanleiding van haar bevindingen, en tevens onderzoek te doen naar zijn eigenaarschap in de mediasector, en conclusies te trekken uit deze zaak;

42.  herinnert eraan dat de diensten van de Commissie de voor de coördinatie van de Uniefondsen verantwoordelijke nationale autoriteit (het ministerie van Regionale Ontwikkeling) hebben gevraagd om de nodige informatie(3) over het verstrekken van financiering aan ondernemingen die tot zijn holding behoren, te weten:

43.  is verheugd dat de Tsjechische minister van Regionale Ontwikkeling de gewenste informatie heeft opgevraagd bij de verschillende betrokken beheersautoriteiten en deze heeft doorgestuurd naar de Commissie; vraagt de Commissie welke maatregelen zij voornemens is te treffen in het licht van de recente juridische beoordeling van de zaak;

44.  herinnert eraan dat het Europees Parlement de Commissie vorig jaar heeft gevraagd de op 8 januari 2016 geopende conformiteitsgoedkeuringsprocedure te bespoedigen om gedetailleerde en nauwkeurige informatie te verkrijgen over het risico van belangenconflicten in verband met het Staatsinterventiefonds voor de landbouw in Tsjechië;

Economische, sociale en territoriale cohesie

Successen

45.  merkt op dat er vooruitgang is geboekt bij de selectie van projecten en dat in januari 2018 in totaal 673 800 projecten zijn geselecteerd voor steun uit het EFRO, het CF, het ESF en het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI), voor een bedrag van 260 miljard EUR of 54 % van de totale financiering die beschikbaar is voor de periode 2014-2020; merkt op dat het projectselectiepercentage eind 2018 een niveau had bereikt van 70 % van de totaal beschikbare financiering en gelijk was aan het selectiepercentage op hetzelfde tijdstip in de vorige periode;

46.  is ingenomen met het feit dat van de 450 000 tot eind 2016 geselecteerde projecten ter ondersteuning van kmo’s reeds 84 500 voltooid zijn, wat bijdraagt aan de productiviteit en het concurrentievermogen van de ondernemingen;

47.  is ook ingenomen met het feit dat tot eind 2017 ongeveer 5 500 projecten ter plaatse werden geselecteerd ter ondersteuning van de totstandbrenging van een connectieve digitale eengemaakte markt, wat neerkomt op 9,1 miljard EUR aan totale investeringen;

48.  stelt met tevredenheid vast dat er op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energie een extra capaciteit van meer dan 2 000 MW aan productie van hernieuwbare energie is gecreëerd en dat de uitstoot van broeikasgassen tegen het einde van 2016 met bijna 3 miljoen ton CO2-equivalent is teruggedrongen; benadrukt evenwel dat grotere inspanningen nodig zijn om de doelen van de Klimaatovereenkomst van Parijs van 2015 te bereiken;

49.  merkt op dat tegen het einde van 2017 99 % van de actieplannen voor ex-antevoorwaarden voor het ESF, het CF en het EFRO voltooid waren;

50.  is voor wat de structuurfondsen betreft in het bijzonder ingenomen met de controlewerkzaamheden van de Rekenkamer met betrekking tot preventieve maatregelen en financiële correcties, de ex-antevoorwaarden, de prestatiereserve en absorptie;

51.  stelt met tevredenheid vast dat de verwezenlijking van de voor het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD) beschreven output en resultaten op schema ligt en dat het instrument een aanvulling vormt op de nationale inspanningen om armoede uit te roeien en de sociale inclusie te bevorderen;

52.  stelt vast dat bij de beoordeling door de Rekenkamer van 113 voltooide projecten in het kader van het uitgaventerrein "Economische, sociale en territoriale cohesie" 65 % ervan beschikte over een systeem voor prestatiemeting met output- en resultaatindicatoren die verband houden met de doelstellingen van het operationele programma – hetgeen een verbetering is ten opzichte van voorgaande jaren; stelt met bezorgdheid vast dat 30 % van de projecten niet over resultaatindicatoren of doelstellingen beschikte, waardoor het onmogelijk was om de specifieke bijdrage van deze projecten aan de verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het programma te beoordelen;

Kritieke punten die moeten worden verbeterd

53.  betreurt dat de Rekenkamer 36 fouten heeft vastgesteld en gekwantificeerd in haar steekproef van 217 verrichtingen voor 2017, die de auditautoriteiten in de lidstaten niet hadden opgespoord, en dat het aantal en de impact van deze fouten wijzen op aanhoudende tekortkomingen in de regelmatigheid van de door de beheersautoriteiten gedeclareerde uitgaven; betreurt tevens dat de Rekenkamer tekortkomingen heeft geconstateerd in de wijze van steekproefneming van sommige auditautoriteiten; verzoekt de Commissie om nog nauwer samen te werken met de beheers- en auditautoriteiten van de afzonderlijke lidstaten om dergelijke fouten op te sporen en hierbij specifiek op de meest voorkomende fouten te letten;

54.  betreurt het feit dat de Commissie voor 2017, zoals opgemerkt door de Rekenkamer, ten minste 13 verschillende foutenpercentages op het gebied van economische, sociale en territoriale cohesie heeft gepresenteerd voor de programmeringsperioden 2007-2013 en 2014-2020, wat de rapportage onduidelijk en verwarrend maakt, en het moeilijk maakt de gegevens te evalueren;

55.  merkt op dat de auditautoriteiten van de lidstaten de foutenpercentages voor de structuurfondsen aan DG REGIO doorgeven na toepassing van correcties, zodat geen reëel beeld van de situatie rond de Unieprojecten ter plaatse en van het foutenpercentage voor de feitelijke betalingen in 2017 wordt gepresenteerd;

56.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat ondanks de aanzienlijke stijging van het gemiddelde absorptiepercentage in termen van betalingen door de Commissie van 3,7 % in 2016 naar 16,4 % in 2017, de absorptie nog lager is dan in het overeenkomstige jaar van het vorige MFK, te weten 22,1 % in 2010;

57.  stelt met bezorgdheid vast dat er per september 2018 nog zeven niet-afgeronde actieplannen zijn met betrekking tot ex-antevoorwaarden en dat één schorsing van tussentijdse betalingen is goedgekeurd en dat er over de andere twee interdepartementaal overleg ter goedkeuring wordt gevoerd; betreurt dat is gebleken dat de vervulling van de ex-antevoorwaarden administratieve lasten met zich meebrengt voor de beheersautoriteiten en een van de redenen is voor de vertraagde absorptie; is met name ingenomen met de doelgerichte steun aan programma-autoriteiten en de het hogere niveau van uitvoering dat is bereikt door middel van de door de Commissie genomen initiatieven voor "Catching-up Regions" en de "taskforce voor een betere tenuitvoerlegging"; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in de volgende programmeringsperiode de geconstateerde tekortkomingen en problemen in verband met de vervulling van randvoorwaarden, die de ex-antevoorwaarden zullen vervangen, naar behoren worden aangepakt;

58.  maakt zich zorgen over het gebrek aan transparantie bij bestedingen via financieringsinstrumenten, aangezien in het huidige MFK vier keer zoveel geld voor financieringsinstrumenten is uitgetrokken dan in het vorige; neemt kennis van het feit dat eind 2017 in totaal 24 lidstaten gebruik hebben gemaakt van financieringsinstrumenten en dat de totale programmabijdragen aan financieringsinstrumenten bijna 18,8 miljard EUR bedroegen (13,3 miljard EUR aan het einde van 2016), waarvan 14,2 miljard EUR afkomstig was uit de ESI-fondsen; merkt eveneens op dat in totaal 5,5 miljard EUR (ongeveer 29 %) van deze vastgelegde bedragen aan FI’s was betaald (3,6 miljard EUR eind 2016), waaronder 4,4 miljard EUR van de ESI-fondsen; is echter bezorgd over het feit dat drie jaar na de start van dit MFK slechts 1,9 miljard EUR (10,1 %) was betaald aan de uiteindelijke begunstigden (1,2 miljard EUR eind 2016), waarvan 1,5 miljard EUR (10,5 %) van de ESI-fondsen;

59.  is het met de Rekenkamer eens dat een meer gedetailleerde verslaglegging inzake financieringsinstrumenten noodzakelijk is en roept de Commissie op de verslaglegging over de resultaten van die instrumenten voor 2017-2013 en 2014-2020 aanzienlijk te verbeteren;

60.  verzoekt de Commissie om na afsluiting van het MFK 2007-2013 nauwkeurige en volledige informatie over de financieringsinstrumenten onder gedeeld beheer te presenteren en daarbij aan te geven welke bedragen terugvloeien naar de begroting van de Unie en welke in de lidstaten blijven;

61.  betreurt het ten zeerste dat de controleurs in verband met de financieringsinstrumenten niet in staat waren om de selectie en uitvoering van investeringen op het niveau van de financiële intermediairs te controleren, waar een aantal onregelmatigheden hebben plaatsgevonden, die 1 % uitmaakten van het geschatte foutenpercentage voor "Economische, sociale en territoriale cohesie";

62.  benadrukt dat het geschatte foutenpercentage voor cohesie, anders dan in 2016, een kwantificering omvat van de stortingen in financieringsinstrumenten in 2017; herinnert eraan dat de subsidiabiliteitstermijn voor uitgaven in het kader van de structuurfondsen voor de periode 2007-2013 werd verlengd tot eind maart 2017, zodat bij de berekening van het foutenpercentage rekening moet worden gehouden met de stortingen in de financiële instrumenten voor de eerste drie maanden van 2017; betreurt niettemin dat de Rekenkamer nergens in haar jaarverslag het duidelijke foutenpercentage voor deze uitkeringen heeft vermeld, behalve in een kader; verzoekt de Rekenkamer bij het bepalen van het meest waarschijnlijke foutenpercentage rekening te houden met alle onregelmatigheden die een financiële impact hebben, en het percentage van de betreffende fondsen duidelijk aan te geven; verzoekt de Commissie een wetgevingsvoorstel in te dienen om een einde te maken aan toekomstige unilaterale besluiten over de uitbreiding van de subsidiabiliteit van uitgaven voor structuurfondsen door middel van uitvoeringshandelingen;

63.  verzoekt de Commissie juiste en volledige informatie te verschaffen over de afsluiting van financiële instrumenten voor het MFK 2007-2013, met inbegrip van de definitieve bedragen die terugvloeien naar de Uniebegroting en de bedragen die toebehoren aan de lidstaten;

64.  verzoekt de Commissie bij grootschalige infrastructuurprojecten rekening te houden met alle risico's in verband met het effect op het milieu en alleen projecten te financieren waarvan is aangetoond dat ze werkelijk toegevoegde waarde hebben, voor de plaatselijke bevolking en uit milieu-, sociaal en economisch oogpunt; onderstreept hoe belangrijk het is om nauwlettend toe te zien op de mogelijke risico's van corruptie en fraude in dit verband, alsmede de noodzaak om accurate, onafhankelijke ex-ante- en ex-postbeoordelingen uit te voeren met betrekking tot de te financieren projecten;

65.  merkt op dat volgens de Commissie afgezien van het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief (YEI) de lidstaten weinig evaluaties met betrekking tot het Europees Sociaal Fonds hebben uitgevoerd; verzoekt de lidstaten het Europees Sociaal Fonds systematisch te beoordelen om op feiten gebaseerde beleidsvorming mogelijk te maken, en verzoekt de Commissie dit te bevorderen;

66.  herinnert eraan dat de Rekenkamer in speciaal verslag nr. 5/2017 "Jeugdwerkloosheid" heeft vastgesteld dat, hoewel er enige vooruitgang was geboekt met de uitvoering van de jongerengarantie en er enkele resultaten waren bereikt, de situatie achterbleef bij de aanvankelijke verwachtingen die waren gewekt bij de invoering van de jongerengarantie; beklemtoont evenwel dat het YEI en de jongerengarantie nog steeds tot de meest innovatieve en ambitieuze beleidsmaatregelen als reactie op de jeugdwerkloosheid in de nasleep van de economische crisis behoren, en derhalve door de Europese, de nationale en de regionale instellingen financieel en politiek ondersteund moeten blijven worden bij hun implementatie;

67.  beklemtoont dat de vraag of de YEI-middelen goed worden besteed en of het ultieme doel van het YEI om jonge werklozen aan een duurzame baan te helpen wordt gerealiseerd, alleen kan worden beantwoord indien de implementatie nauw en op transparante wijze wordt gemonitord op basis van betrouwbare en vergelijkbare gegevens, en indien de lidstaten die geen vooruitgang boeken op meer ambitieuze wijze worden aangespoord; dringt er daarom op aan dat de lidstaten de monitoring, verslaggeving en de kwaliteit van de gegevens zo snel mogelijk verbeteren, en waarborgen dat betrouwbare en vergelijkbare gegevens en cijfers over de huidige implementatie van het YEI verzameld worden en op redelijke termijn worden gepubliceerd, en in ieder geval met een grotere frequentie dan is voorgeschreven in het kader van hun jaarlijkse rapportageverplichting als bedoeld in artikel 19, lid 2, van de ESF-verordening; verzoekt de Commissie haar richtsnoeren over gegevensverzameling in overeenstemming met de aanbevelingen van de Rekenkamer te herzien om het risico op te rooskleurig voorgestelde resultaten tot een minimum te beperken;

68.  dringt erop aan dat programma's voor stages of leerlingplaatsen voorzien in betaalde stages die op geen enkele wijze in de plaats komen van banen en gebaseerd zijn op schriftelijke stage- of leerlingplaatsovereenkomsten die voldoen aan de toepasselijke regels en/of collectieve overeenkomsten van het land waarin zij plaatsvinden, en dat deze bovendien in overeenstemming zijn met de beginselen van de Aanbeveling van de Raad van 10 maart 2014 inzake een kwaliteitskader voor stages(4);

Natuurlijke hulpbronnen

Enkele successen

69.  is ingenomen met de positieve ontwikkeling van het foutenpercentage op het gebied van "Natuurlijke hulpbronnen" in 2017, namelijk 2,4 % (in vergelijking met 2,5 % in 2016, 2,9 % in 2015 en 3,6 % in 2014), en is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer voor driekwart van de landbouwbegroting in verband met "Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) — rechtstreekse betalingen" inschat dat het foutenpercentage op een niveau ligt beneden de materialiteitsdrempel van 2 %;

70.  is ingenomen met het feit dat het totale foutenpercentage dat de Rekenkamer heeft vastgesteld en het totale foutenpercentage voor het GLB in het jaarlijkse activiteitenverslag 2017 van DG AGRI vrijwel gelijk zijn, wat wijst op de doeltreffendheid van de corrigerende actieplannen die de lidstaten de afgelopen jaren hebben uitgevoerd;

71.  benadrukt dat de positieve resultaten op het gebied van de rechtstreekse betalingen in het kader van het ELGF hoofdzakelijk het gevolg waren van de kwaliteit van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem (GBCS) en het landbouwpercelenidentificatiesysteem (LPIS) en de geleidelijke invoering van de Geo-Spatial Aid Application en de nieuwe, voorlopige kruiscontroles van aanvragen van landbouwers, waardoor de steunaanvragen van de begunstigden minder tijd in beslag hebben genomen, en naar verwachting bepaalde fouten zullen worden voorkomen en de verwerking van de aanvragen minder tijd in beslag zal nemen;

72.  merkt op dat rechtstreekse betalingen uit het Europees Landbouwgarantiefonds goed zijn voor ongeveer drie kwart van de uitgaven en geen fouten van materieel belang bevatten; wijst erop dat rechtstreekse betalingen aan landbouwers op rechten zijn gebaseerd en baat hebben gehad bij vereenvoudigde regels voor de subsidiabiliteit van grond en een doeltreffend systeem voor controle vooraf (het GBCS) waarmee geautomatiseerde kruiscontroles tussen databanken kunnen worden uitgevoerd; vindt het zorgelijk dat er nog steeds sprake is van een aanhoudend hoog foutenpercentage op de andere uitgaventerreinen met betrekking tot plattelandsontwikkeling, het milieu, klimaatactie en visserij; wijst er voorts op dat projecten voor plattelandsontwikkeling inherent complexer zijn vanwege de bredere doelstellingen die worden nagestreefd, dat uitgaven voor de drie ander terreinen worden medegefinancierd of betaald via de vergoeding van kosten en dat niet-subsidiabele begunstigden, activiteiten, projecten of uitgaven goed zijn voor circa twee derde van het geschatte foutenpercentage in die MFK-rubriek;

73.  is ingenomen met de bevindingen van de Rekenkamer dat 26 van de 29 onderzochte projecten voor investeringen op het vlak van plattelandsontwikkeling in overeenstemming zijn met de prioriteiten en aandachtsgebieden die zijn vastgesteld in de programma's voor plattelandsontwikkeling, en dat de lidstaten passende selectieprocedures hebben uitgevoerd; is tevens verheugd over het feit dat de begunstigden in de meerderheid van de onderzochte projecten de projecten volgens de planning hebben uitgevoerd en dat de lidstaten hebben gecontroleerd of de kosten gerechtvaardigd waren; is daarom van mening dat plattelandsontwikkeling ook in de toekomst een volledig ondersteund, aanzienlijk en centraal element van de strategische plannen voor het GLB moet blijven;

74.  is ingenomen met het feit dat de directeur-generaal van DG AGRI in zijn jaarlijkse activiteitenverslag (AAR) over 2017 verwees naar een lichte stijging van het inkomen van landbouwers, en eraan herinnerde dat de afgelopen 4 jaar sprake was van een lichte daling;

75.  benadrukt dat de corrigerende capaciteit van de financiële correcties en terugvorderingen is gestegen van 2,04 % in 2016 naar 2,10 % in 2017, waarmee het risicobedrag voor het GLB verder is gedaald;

Kritieke punten die moeten worden verbeterd

76.  neemt nota van het feit dat de rechtstreekse betalingen per hectare zijn afgenomen met een toename van de omvang van de landbouwbedrijven, terwijl het inkomen per werknemer toenam, en dat kleine landbouwbedrijven met minder dan 5 ha volgens de Commissie meer dan de helft van de begunstigden vertegenwoordigen; constateert met bezorgdheid dat volgenst het AAR van DG AGRI grote landbouwbedrijven met van meer dan 250 ha 1,1 % van alle landbouwbedrijven uitmaken, 27,8 % van de totale landbouwgrond beheren en 22,1 % van de totale rechtstreekse steun ontvangen; wijst erop dat de meeste van deze grote landbouwbedrijven een omvang van tussen de 250 en 500 ha hebben; dringt er bij de Commissie op aan een einde te maken aan deze ongerechtvaardigde en oneerlijke behandeling;

77.  merkt op dat de ongelijkheid bij rechtstreekse betalingen in sommige lidstaten snel is toegenomen, met name in Slowakije en de Tsjechische Republiek, waar 7 % van de begunstigden momenteel meer dan 70 % van alle rechtstreekse betalingen ontvangt, evenals in Estland, Letland, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en Denemarken, waar in de afgelopen tien jaar een toenemend aantal begunstigden meer dan 100 000 EUR ontvangt; verzoekt de Commissie en de nationale autoriteiten passende maatregelen te nemen om een einde te maken aan die groeiende ongelijkheden en daarover verslag uit te brengen;

78.  is ernstig verontrust te moeten vaststellen dat de Rekenkamer een aanhoudend hoog foutenpercentage heeft vastgesteld in gebieden die overeenkomen met een kwart van de begroting voor "Natuurlijke hulpbronnen", waaronder de uitgaven voor marktmaatregelen in het kader van het ELGF, plattelandsontwikkeling, milieu, klimaatactie en visserij; merkt bovendien op dat de belangrijkste bronnen van fouten waren: niet-naleving van subsidiabiliteitsvoorwaarden, de verstrekking van onjuiste informatie over oppervlakten en niet-naleving van agromilieuverbintenissen; benadrukt dat dergelijke fouten beter moeten worden opgespoord door de beheersautoriteiten van de afzonderlijke lidstaten en dat in gevallen waarin dergelijke fouten bij controles achteraf aan het licht komen de steekproeven voor toekomstige controles en inspecties ter plekke moeten worden aangepast om de controles te verbeteren;

79.  verzoekt de Commissie haar werkzaamheden ter beoordeling van de doeltreffendheid van de maatregelen van de lidstaten om de onderliggende oorzaken van deze fouten aan te pakken, voort te zetten en indien nodig nadere richtsnoeren of directe ondersteuning te verstrekken;

80.  verzoekt de Commissie om de procedure en de documenten die nodig zijn om toegang te krijgen tot de financiering daadwerkelijk te vereenvoudigen, zonder daarbij afbreuk te doen aan de beginselen van controle en toezicht; verzoekt om bijzondere aandacht te schenken aan de administratieve ondersteuning van kleine producenten;

81.  stelt met grote bezorgdheid vast dat de resultaten van de controle door DG AGRI op de controles ter plaatse zorgwekkend zijn, en dat met name 47 % van het totale aantal controles ter plaatse heeft geleid tot sancties; dringt er bij de Commissie op aan na te gaan of de corrigerende maatregelen door de autoriteiten van de lidstaten zijn uitgevoerd in gevallen waarin zij constateerde dat zij geen of beperkt vertrouwen kon stellen in de werkzaamheden van een certificerende instantie;

82.  beveelt aan dat:

   a) de Rekenkamer, net als de directeur-generaal van DG AGRI in haar jaarlijkse activiteitenverslag, aparte foutenpercentages vaststelt met betrekking tot rechtstreekse betalingen, markttransacties en de uitgaven voor plattelandsontwikkeling in het kader van het GLB,
   b) de Commissie een beoordeling maakt van de doeltreffendheid van de maatregelen van de lidstaten om de onderliggende oorzaken van fouten aan te pakken, en indien nodig nadere richtsnoeren vaststelt,
   c) de lidstaten ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden die worden geboden door het systeem van vereenvoudigde kostenopties op het gebied van plattelandsontwikkeling,
   d) de Commissie in haar voorstellen voor het toekomstige GLB rekening houdt met het feit dat landbouwbedrijven met een groter inkomen in tijden van crisis vanwege inkomensschommelingen niet noodzakelijkerwijs evenveel steun nodig hebben om het landbouwinkomen te stabiliseren als kleinere bedrijven, aangezien zij mogelijk profiteren van potentiële schaalvoordelen en daarom veelal weerbaarder zijn,
   e) DG AGRI een nieuwe kernprestatiedoelstelling vastlegt, vergezeld van indicatoren, om de inkomensongelijkheid tussen landbouwers te verminderen,
   f) de Commissie een nader onderzoek instelt naar de kwaliteit van de toetsing van verrichtingen door de certificerende instanties;
   g) de financiering van het GLB ten minste op het huidige niveau wordt gehandhaafd en het wordt gericht op haar oorspronkelijk taak, namelijk steun te verlenen aan de producenten zodat deze in hun levensonderhoud kunnen voorzien, en tegelijkertijd een betaalbare voedselvoorziening van hoge kwaliteit voor de burgers van de Unie te waarborgen;
   h) is voorts van mening dat de Commissie stappen moet ondernemen om ervoor te zorgen dat de GLB-middelen op een evenwichtige wijze worden verdeeld, zodat de betalingen per hectare met toenemende grootte van het landbouwbedrijf/de onderneming afnemen;

83.  is van mening dat de Commissie de lidstaten moet verplichten in hun actieplannen corrigerende maatregelen op te nemen om de vaakst voorkomende oorzaken van fouten aan te pakken;

84.  verzoekt de Commissie, gezien het feit dat de milieudoelstellingen van "vergroening" aan geen enkele verwachting hebben voldaan en tot een aanzienlijke verhoging van de administratieve lasten voor landbouwers en overheden hebben geleid, ervoor te zorgen dat de groene opzet van het nieuwe GLB-voorstel met de zogenoemde ecoregeling betere milieuresultaten oplevert op basis van de vruchten van de inspanningen om de conditionaliteit in het nieuwe voorstel te versterken;

85.  herinnert er in het bijzonder aan dat de directeur-generaal van DG AGRI verwijst naar de door een externe contractant verrichte analyse, waaruit bleek dat de vergroeningsmaatregelen afgezien van een aantal specifieke gebieden over het algemeen slechts weinig verandering in de landbouwpraktijken van de boerenbedrijven teweeg hebben gebracht, en dat de aandacht van de lidstaten en de landbouwers niet zozeer uitging naar milieuprioriteiten, maar doorgaans eerder naar het verminderen van de administratieve lasten waarmee de uitvoering van de maatregelen gepaard gaat, en naar het voorkomen van fouten, aangezien controles en handhavingsmaatregelen tot een verlaging van de GLB-betalingen kunnen leiden;

86.  verzoekt de Commissie structurele gegevens te verstrekken over de twintig grootste ontvangers van rechtstreekse betalingen in de lidstaten;

87.  maakt zich zorgen over het feit dat de uiterst kritische speciale verslagen nrs. 10/2017 en 21/2017 van de Rekenkamer over jonge landbouwers en vergroening, waarin werd aangetoond dat de beoogde doelen niet of nauwelijks zijn behaald, geen financiële gevolgen hebben gehad; is bezorgd dat de financiering van deze beleidsgebieden gewoon wordt voortgezet alsof er niets aan de hand is;

88.  benadrukt dat het uitvoeringspercentage van het EFMZV voor de periode 2014-2020 vier jaar na de goedkeuring van het fonds op 15 mei 2014 te wensen overlaat, aangezien in oktober 2018 slechts 6,8 % van de onder gedeeld beheer beschikbare 5,7 miljard EUR was besteed;

Veiligheid en burgerschap

Enkele successen

89.  merkt op dat de middelen voor het AMIF (Fonds voor asiel, migratie en integratie) voor de periode 2014-2020 zijn gestegen van 2 752 miljoen EUR tot 5 391,5 miljoen EUR tegen het einde van 2017 en dat tussen 2014 en 2017 het aantal personen in de doelgroep dat bijstand heeft ontvangen (in de opvang- en asielstelsels) gestegen is van 148 045 naar 297 083, en dat daarvan het aantal personen dat rechtsbijstand heeft genoten, is toegenomen van 18 395 (12,4 %) tot 56 933 (19,1 %);

90.  benadrukt dat het belangrijkste voordeel op het niveau van de Unie wordt geacht afkomstig te zijn van de transnationale dimensie van acties zoals het Europees migratienetwerk, maar ook van de verdeling van de lasten, ondersteund door met name noodhulp en het herplaatsingsmechanisme;

91.  merkt dat in 2017 steun werd verleend uit het AMIF aan 48 250 repatrianten, tegenover 5 904 in 2014, en dat van degenen die zijn teruggekeerd, het percentage niet-vrijwillige terugkeer is toegenomen van een kwart (25 %) in 2014 tot de helft (50 %) in 2017, terwijl het aantal gemelde personen dat vrijwillig is teruggekeerd, 17 736 bedroeg in 2017; merkt tevens op dat er geen kernprestatie-indicator is om te meten wat er wordt ondernomen ter bescherming van de – al dan niet reguliere– migranten die het meest zijn aangewezen op bescherming, namelijk vrouwen en kinderen;

Kritieke punten die moeten worden verbeterd

92.  wijst erop dat de Rekenkamer betreurde dat in de door de Commissie in 2017 goedgekeurde nationale programma’s van het AMIF en het ISF (Fonds voor interne veiligheid) geen onderscheid werd gemaakt tussen voorfinancieringen (voorschotten) door lidstaten aan eindbegunstigden, en betalingen ter vergoeding van daadwerkelijk gedane uitgaven, waardoor de Commissie niet in staat is informatie te verkrijgen over hoeveel daadwerkelijk is uitgegeven;

93.  verzoekt de Commissie in dit verband de lidstaten te verplichten om in de jaarrekeningen van hun nationale programma’s in het kader van het AMIF en het ISF de gerapporteerde bedragen op te splitsen in terugvorderingen, voorfinanciering en daadwerkelijk verrichte uitgaven, en hen te verplichten om vanaf 2018 de werkelijke uitgaven per fonds te vermelden in hun AAR;

94.  wijst erop dat DG HOME voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie en het Fonds voor interne veiligheid alleen een foutenpercentage rapporteert waarop reeds financiële correcties zijn toegepast, waardoor niet duidelijk is welke correcties zijn toegepast en wat het huidige foutenpercentage voor betalingen in 2017 is;

95.  neemt nota van de opmerking van de Rekenkamer dat een te ingewikkelde bureaucratie een van de redenen voor de toegenomen achterstand aan vastleggingskredieten zou kunnen zijn en beveelt de Commissie aan de wettelijke vereisten die zijn ingevoerd voor de nationale autoriteiten die betrokken zijn bij het beheer van het AMIF en het ISF te vereenvoudigen, teneinde het snellere gebruik van de beschikbare middelen te vergemakkelijken en de transparantie en verantwoording van de uitgaven van het AMIF en het ISF te verbeteren;

96.  wijst erop dat de Rekenkamer inconsistenties heeft vastgesteld in de wijze waarop de lidstaten de subsidiabiliteit van de door overheidsinstanties opgegeven belasting over de toegevoegde waarde hebben behandeld, en verzoekt de Commissie de lidstaten richtsnoeren te verstrekken met betrekking tot de uitvoering van het AMIF en het ISF, met betrekking tot het feit dat, wanneer overheidsinstanties maatregelen van de Unie uitvoeren, de medefinanciering door de Unie niet hoger mag zijn dan de totale subsidiabele uitgaven exclusief btw;

97.  beveelt aan dat:

   a) de Commissie een gebalanceerd en omvattend migratiebeleid formuleert en invoert dat is gebaseerd op de beginselen van solidariteit en partnerschap, in plaats van het migratiebeleid te beschouwen als kwestie van crisisbeheer,
   b) DG HOME een kernprestatie-indicator introduceert voor de situatie van de meest kwetsbare migranten en met name minderjarige migranten en vluchtelingenvrouwen en -meisjes, teneinde misbruik en mensenhandel te voorkomen,
   c) DG HOME systematisch foutenpercentages verstrekt in de vorm van betalingsfoutenpercentages en restfoutenpercentages,
   d) de Commissie de lidstaten ertoe verplicht om in de jaarrekeningen van hun nationale programma's in het kader van het AMIF en het ISF de gerapporteerde bedragen op te splitsen in terugvorderingen, voorfinanciering en daadwerkelijk verrichte uitgaven, en de werkelijke uitgaven per fonds vanaf 2018 te vermelden in hun jaarlijkse activiteitenverslagen;

98.  is ernstig bezorgd over de tekortkomingen die in het beheer en de controle van het EASO zijn geconstateerd; acht het onacceptabel dat de Commissie geen doeltreffende controle heeft uitgeoefend en niet spoedig heeft ingegrepen om de situatie te verhelpen; verzoekt de Commissie om voortdurend toezicht te houden op de agentschappen die onder rubriek 3 vallen;

99.  is bezorgd dat het risico bestaat dat voor ontwikkeling bestemde Uniegelden voor andere doeleinden wordt gebruikt, zoals de bestrijding van irreguliere migratie of militaire acties;

DIRECT BEHEER

100.  wijst erop dat de Rekenkamer voor 2017 het hoogste geschatte foutenpercentage heeft vastgesteld voor de uitgaven in het kader van "Concurrentievermogen voor groei en banen", namelijk 4,2 %; merkt op dat dit uitgaven zijn die rechtstreeks door de Commissie worden beheerd en waarvoor de Commissie alleen en rechtstreeks verantwoording verschuldigd is; verwacht dat de Commissie een actieplan ter verbetering van de situatie vaststelt en alle beschikbare maatregelen treft om het foutenpercentage bij de uitgaven te verlagen;

101.  betreurt dat van de 130 door de Rekenkamer gecontroleerde verrichtingen 66 (51 %) fouten bevatten en dat in 17 gevallen waarin begunstigden kwantificeerbare fouten hadden gemaakt, de Commissie of onafhankelijke controleur beschikte over voldoende informatie in de vergoedingsaanvraag (bijv. onjuiste wisselkoers of kosten gemaakt buiten de verslagperiode) om de fouten te kunnen voorkomen, of te kunnen opsporen en corrigeren voor het accepteren van de uitgaven; benadrukt dat, indien de Commissie alle beschikbare informatie naar behoren had gebruikt, het geschatte foutenpercentage voor dit hoofdstuk 1,5 procentpunt lager zou zijn geweest;

102.  dringt er bij de Commissie op aan alle nodige maatregelen te nemen ter verbetering van het gebruik van de beschikbare informatie om fouten te voorkomen en te corrigeren voordat betalingen worden verricht, teneinde de positieve trend in de vermindering van het foutenpercentage in voorgaande jaren (van 5,6 % in 2014 tot 4,4 % in 2015 en 4,1 % in 2016) opnieuw op te pakken;

103.  merkt op dat de Rekenkamer geen afzonderlijk foutenpercentage voor veiligheid en burgerschap heeft vastgesteld, aangezien slechts een klein deel (2 %) van de betalingen uit de begroting 2017 betrekking heeft op dit gebied, maar dat DG HOME in zijn jaarlijkse activiteitenverslag de volgende foutenpercentages heeft gepresenteerd, die echter niet door de Rekenkamer zijn gecontroleerd:

   a) Solidariteit en beheer van de migratiestromen: geconstateerd foutenpercentage van 2,26 % en restfoutenpercentage van 0,75 %;
   b) Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF) en Fonds voor interne veiligheid (ISF): geconstateerd foutenpercentage van 0 % en restfoutenpercentage van 1,54 %;
   c) gedecentraliseerde agentschappen onder indirect beheer: restfoutenpercentage van minder dan 2 %;

104.  merkt op dat de Rekenkamer voor 2017 geen foutenpercentage heeft berekend voor de middelen van de Unie die zijn besteed aan rubriek 4 van het MFK "Europa als wereldspeler" en dat dit besluit is genomen naar aanleiding van de algemene strategie van de Rekenkamer om de gegevensgerichte toetsing ervan te verminderen en gedeeltelijk te steunen op het zogeheten "werk van anderen";

105.  neemt kennis van de positieve ontwikkeling van het restfoutenpercentage zoals vastgesteld in de in opdracht van DG DEVCO en DG NEAR uitgevoerde studies naar het restfoutenpercentage en merkt op dat de meest waarschijnlijke schatting van het representatieve restfoutenpercentage voor de verrichtingen van DG DEVCO 1,18 % bedroeg, vergeleken met 1,67 % in 2016, en 2,2 % in 2015, terwijl het restfoutenpercentage voor de transacties van DG NEAR 0,67 % bedroeg;

106.  merkt echter op dat het restfoutenpercentage van DG DEVCO en DG NEAR geen betrekking heeft op een steekproef van alle betalingen voor lopende projecten, maar wordt berekend aan de hand van afgesloten contracten, waarvoor alle controles en verificaties reeds zijn uitgevoerd, met het gevolg dat alleen betalingen van voor 2017 zijn geanalyseerd, maar niet het feitelijke foutenpercentage van de betalingen in 2017;

107.  merkt op dat de Rekenkamer van mening was dat de studies naar het restfoutenpercentage over het algemeen geschikt waren voor het beoogde doel, hoewel zij grote vraagtekens plaatste bij de kwaliteit van die studies;

108.  merkt met bezorgdheid op dat, ondanks de goede scores qua foutenpercentage, het enige uitgaventerrein met een indicatief foutenpercentage van meer dan 2 % "direct beheer - subsidies" is, met foutenpercentages van 2,80 % voor DG NEAR en 2,12 % voor DG DEVCO;

109.  verzoekt DG RTD zijn landspecifieke aanbevelingen te publiceren in zijn jaarlijkse activiteitenverslag;

110.  wijst op de zeer negatieve bevindingen van de Europese Rekenkamer over publiek-private partnerschappen(5) (PPP's) en de aanbeveling van de Rekenkamer om "een intensiever en breder gebruik van PPP's" binnen de Unie niet te bevorderen; verzoekt de Commissie om ten volle rekening te houden met deze aanbeveling met betrekking tot PPP's in ontwikkelingslanden, waar de omstandigheden voor een geslaagde invoering van PPP's nog moeilijker zijn dan binnen de Unie;

111.  is ingenomen met de resultaten die in 2017 zijn bereikt in het kader van de drie pijlers van het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI); vestigt de aandacht op het feit dat de EaSI-steun, met name de pijlers Progress en Eures (netwerk van Europese diensten voor arbeidsvoorziening) ervan, belangrijk zijn voor de tenuitvoerlegging van de Europese pijler van sociale rechten; stelt evenwel met bezorgdheid vast dat de thematische afdeling Sociaal ondernemerschap binnen het zwaartepunt Microfinanciering en sociaal ondernemerschap van het EaSI slecht blijft presteren; waardeert het dat de Commissie nauw met het Europees Investeringsfonds (EIF) samenwerkt om ervoor te zorgen dat het zich ertoe verplicht de middelen in het kader van de thematische afdeling voor Sociaal ondernemerschap volledig te benutten;

Onderzoek en innovatie

Successen

112.  stelt met tevredenheid vast dat Gérard Mourou met medefinanciering door de Unie in het kader van Horizon 2020 samen met twee andere onderzoekers de Nobelprijs voor natuurkunde heeft gewonnen voor hun onderzoek naar ultrakorte, ultrascherpe laserstralen die refractieve oogchirurgie vergemakkelijken, en dat het International Rare Diseases Research Consortium (IRDIRC) zijn doelstelling om drie jaar eerder dan gepland 200 nieuwe therapieën voor zeldzame ziekten te leveren, heeft gehaald;

113.  merkt bovendien op dat Horizon 2020 via de Marie Skłodowska-Curie-acties 36 000 onderzoekers in alle stadia van hun carrière heeft gefinancierd, ongeacht hun leeftijd en nationaliteit, en dat twee van de drie onderzoekers die in 2017 de Nobelprijs voor de scheikunde kregen voor de optimalisering van elektronenmicroscopen, hebben deelgenomen aan Marie Skłodowska-Curie-acties en andere door de Unie gefinancierde onderzoekprojecten;

114.  is verheugd over de start van de eerste fase van het proefproject van de Europese Innovatieraad in oktober 2017 als onderdeel van het werkprogramma 2018-2020 van Horizon 2020, waarvoor 2,7 miljard EUR is uitgetrokken, dat tot doel heeft topinnovatoren, startende bedrijven, kleine bedrijven en onderzoekers te ondersteunen met slimme ideeën die radicaal verschillen van bestaande producten, diensten of bedrijfsmodellen, zeer riskant zijn en het potentieel hebben om internationaal op te schalen;

115.  merkt op dat de Commissie de mogelijkheid onderzoekt om het gebruik van de vereenvoudigde kostenopties (SCO) nog verder uit te breiden, met name door gebruik te maken van vaste bedragen;

Kritieke punten die moeten worden verbeterd

116.  merkt op dat, volgens het Europees innovatiescorebord (EIS), de innovatieprestaties van de Unie sinds 2010 met 5,8 % zijn toegenomen; merkt echter op dat er geen convergentie is tussen de Unielanden; wijst erop dat de volgende landen het meest profiteren van de Horizon 2020-middelen (netto aangevraagde som aan Uniebijdragen per deelnemend land in EUR): Duitsland 5 710 188 927,80 / Verenigd Koninkrijk 5 152 013 650,95 / Frankrijk 3 787 670 675,13; verzoekt de Commissie meer aandacht te besteden aan de geografische verdeling van de onderzoeksfondsen om bij te dragen aan het creëren van een gelijk speelveld voor groei en banen in de Europese onderzoeksruimte;

117.  merkt op dat de Commissie erkent dat het prestatiekader voor Horizon 2020 zwakke punten vertoont, waardoor het moeilijk is om de voortgang van het programma op een bepaald moment in de richting van al haar doelstellingen te beoordelen; verwacht dat in de voorstellen voor Horizon Europa voor het volgende MFK deze zwakke punten zullen worden aangepakt en betreurt dat er in de huidige periode geen maatregelen worden overwogen om het prestatiekader te verbeteren;

118.  stelt vast dat in het jaarlijkse activiteitenverslag (AAR) van directoraat-generaal Onderzoek (DG RTD) zes verschillende foutenpercentages worden genoemd, drie voor het Zevende Kaderprogramma en drie voor Horizon 2020; benadrukt dat een dergelijke aanpak niet bevorderlijk is voor de transparantie en de verantwoording en dat onmiddellijk voor een betere aanpak moet worden gezorgd; aanvaardt echter dat dit betrekking had op twee verschillende programma's tijdens twee verschillende financiële perioden;

Veiligheid en burgerschap

Enkele successen

119.  wijst erop dat DG HOME een begroting beheerde van 1 831 miljoen EUR voor migratie en 313,75 miljoen EUR voor veiligheid, en dat de aanvankelijke totale begroting van 6,9 miljard EUR voor het meerjarig financieel kader 2014-2020 van 2015 tot 2017 aanzienlijk werd verhoogd met 3,9 miljard EUR;

120.  stelt vast dat de door DG HOME beheerde begroting en het aantal personeelsleden van dat DG zijn verhoogd om de toegenomen activiteiten te kunnen uitvoeren in de context van de migratiecrisis en de bedreigingen voor de interne veiligheid; DG HOME beschikte eind 2017 over 556 personeelsleden, tegen 480 in 2016;

Kritieke punten die moeten worden verbeterd

121.  merkt met bezorgdheid op dat het uitvoeringstempo van de door DG HOME beheerde middelen eind 2017 tot een stijging van 24 % van de totale RAL heeft geleid, en dat het goede uitvoeringspercentage in 2017 aantoont dat een deel van de vastleggingskredieten naar 2018 is overgedragen;

122.  is bezorgd over de aanzienlijke tekortkomingen die in de beheers- en controlesystemen van het EASO zijn geconstateerd en die de vaststelling van een voorbehoud om redenen van eventuele reputatieschade rechtvaardigden; benadrukt evenwel dat DG HOME heeft gereageerd door een nieuwe medebeslissingsprocedure voor raad van bestuur te introduceren en een nieuwe directie van het EASO aan te stellen om de situatie onder controle te krijgen;

123.  eist nogmaals dat in de begrotingsonderdelen die onder het programma "Rechten, gelijkheid en burgerschap" voor de periode 2014-2020 vallen, wordt aangegeven welke middelen er precies voor elk van de aan gendergelijkheid gerelateerde doelstellingen van het programma worden uitgetrokken, zodat naar behoren verantwoording kan worden afgelegd over de aan dit doel bestede middelen;

124.  pleit opnieuw voor een apart begrotingsonderdeel voor de specifieke doelstelling van Daphne als blijk van de inzet van de Unie voor de bestrijding van geweld tegen vrouwen en meisjes; pleit voor een verhoging van de middelen voor dit begrotingsonderdeel ter compensatie van de verlaging van de middelen voor Daphne in de periode 2014-2020; vraagt dat er continu inspanningen worden geleverd om de bekendheid van de subsidies en de maatregelen voor de vereenvoudiging van de bijbehorende administratieve procedures die in de specifieke doelstelling van Daphne zijn opgenomen, te vergroten;

Europa als wereldspeler

Enkele successen

125.  wijst erop dat uit het werk van de Rekenkamer met betrekking tot de regelmatigheid van de verrichtingen is gebleken dat de Commissie haar controlesystemen heeft versterkt, wat heeft geleid tot verhoudingsgewijs minder fouten dan bij eerdere DAS-exercities;

126.  merkt op dat de Rekenkamer ook de uitvoering van zeven projecten heeft gecontroleerd; is ingenomen met het feit dat alle zeven projecten relevante prestatie-indicatoren hadden en dat het kader goed was gestructureerd en dat er haalbare resultaten waren geformuleerd;

127.  neemt kennis van het speciale verslag van de Rekenkamer over Uniebijstand voor Myanmar/Birma en het antwoord daarop van de Commissie; is in dit verband ingenomen met de voortrekkersrol die de Unie bij de ondersteuning van ontwikkelingsprioriteiten onder moeilijke omstandigheden en met beperkte personele middelen heeft gespeeld; merkt echter op dat de Uniebijstand slechts ten dele doeltreffend is gebleken; sluit zich bij de Europese Rekenkamer aan en benadrukt dat, met name in opkomende economieën, meer aandacht moet worden besteed aan de mobilisering van binnenlandse inkomsten; toont zich, met het oog op de wreedheden die volgens berichten door het leger van Myanmar zijn begaan, uiterst bezorgd over het feit dat Myanmar nog altijd sectorale begrotingssteun uit de Uniebegroting ontvangt;

128.  pleit voor een op stimulansen gebaseerde benadering van ontwikkeling door het "meer-voor-meer"-beginsel in te voeren, en daarvoor het Europees nabuurschapsbeleid als voorbeeld te nemen; is van oordeel dat hoe meer en hoe sneller een land vooruitgang boekt bij interne hervormingen op het gebied van de opbouw en consolidatie van democratische instellingen, de eerbiediging van de mensenrechten en de rechtsstaat, des te meer steun dat land van de Unie moet ontvangen;

129.  onderstreept dat er meer fondsen moeten worden toegewezen die gericht zijn op de ondersteuning van goed bestuur, democratie en de rechtsstaat in ontwikkelingslanden met het oog op de bevordering van verantwoordingsplichtige en transparante instellingen, capaciteitsopbouw, participatieve besluitvorming en de beschikbaarheid van informatie voor het publiek;

130.  vestigt de aandacht op de omvang en de gevolgen van energiearmoede in ontwikkelingslanden en op de nauwe betrokkenheid van de Unie bij de inspanningen om deze armoede terug te dringen; onderstreept de noodzaak van krachtige en gecoördineerde inspanningen van regeringen en belanghebbenden in de getroffen landen om de energiearmoede te verminderen;

Kritieke punten die moeten worden verbeterd

131.  stelt met bezorgdheid vast dat de Rekenkamer herhaaldelijk fouten heeft ontdekt in de vorm van een te ruime goedkeuring van uitgaven in het kader van de tussentijdse betalingen;

132.  betreurt opnieuw dat de door de hoofden van de EU-delegaties opgestelde toezichtverslagen voor externe steun (EAMR's) niet als bijlage bij het jaarlijks activiteitenverslag van DG DEVCO en DG NEAR worden gevoegd zoals bepaald in artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement; betreurt het feit dat zij steevast worden aangemerkt als vertrouwelijk, hoewel ze op grond van artikel 67, lid 3, van het Financieel Reglement "ter beschikking [moeten worden] gesteld van het Europees Parlement en de Raad, in voorkomend geval met inachtneming van het vertrouwelijke karakter ervan";

133.  constateert met bezorgdheid de grote concentratie van overeenkomsten bij een zeer beperkt aantal nationale ontwikkelingsagentschappen, met het dienovereenkomstige risico van renationalisering van het ontwikkelingsbeleid van de Unie, hetgeen haaks staat op het belang van een verdere integratie van het externe beleid van de Unie; dringt er bij de Commissie op aan om niet alleen de toegang van de kwijtingsautoriteit tot de documentatie over de "pijlerbeoordeling" van de nationale agentschappen te vergemakkelijken, maar dit ook op een zodanige wijze te doen dat deze openbaar toegankelijk is; is in dit verband bezorgd over de commerciële insteek van deze nationale entiteiten waarop de Europese Commissie zich beroept om de toegang tot dergelijke informatie te beperken; verzoekt de Commissie de controle op aanbestedings- en gunningsprocedures zo spoedig mogelijk te versterken en te consolideren om elke vorm van concurrentievervalsing te voorkomen tussen dit beperkte aantal sterk gesubsidieerde nationale agentschappen en andere publieke en particuliere entiteiten met een duidelijke Europese roeping;

134.  merkt met bezorgdheid op dat de Rekenkamer heeft vastgesteld dat de studies naar het restfoutenpercentage bepaalde beperkingen hebben, aangezien zij studies zijn en geen audits, en dus niet voldoen aan de internationale auditnormen, en zeer beperkte controles op openbare aanbestedingen omvatten;

135.  roept DG NEAR en DG DEVCO op om met ingang van de studie naar het restfoutenpercentage voor 2019 de contractant die de studie uitvoert preciezere richtsnoeren te verstrekken voor de controle op de aanbestedingen op het tweede niveau en de populatie voor het restfoutenpercentage te stratificeren op basis van het inherente risico van de projecten, waarbij meer gewicht wordt toegekend aan directe beheersubsidies en minder aan transacties voor begrotingssteun;

136.  verzoekt de Commissie de nodige maatregelen te nemen om de door haar eigen IAS geconstateerde tekortkomingen te verhelpen en het toezichtsverslag externe steun (EAMR) om te vormen tot een betrouwbaar en volledig openbaar document dat de betrouwbaarheidsverklaring van de delegatiehoofden en de directeur-generaal van DG DEVCO naar behoren staaft;

137.  is van mening dat de Commissie bij het verlenen van externe steun meer aandacht moet besteden aan de eerbiediging van de mensenrechten conform het VN-Handvest en aan de toestand van de rechtsstaat in de ontvangende landen;

138.  is bezorgd over het gebrek aan zichtbaarheid van Uniefinanciering die voor projecten wordt gebundeld; dringt er bij de Commissie op aan de zichtbaarheid te verbeteren en de complementariteit van de acties van de verschillende instrumenten te versterken;

139.  is zeer verontrust over de tendens in voorstellen van de Commissie om voorbij te gaan aan juridisch bindende voorschriften van Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad(6) wanneer het gaat om voor officiële ontwikkelingshulp (ODA) in aanmerking komende uitgaven en om landen die voor middelen uit het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (DCI) in aanmerking komen; herinnert eraan dat de rechtmatigheid van de Unie-uitgaven een centraal beginsel van goed financieel beheer is en dat politieke overwegingen geen voorrang mogen krijgen boven duidelijk vastgelegde wettelijke bepalingen; herinnert eraan dat het DCI in de eerste plaats een instrument ter bestrijding van armoede is;

140.  betreurt het dat het directoraat-generaal Internationale Samenwerking en Ontwikkeling van de Commissie in elk jaarlijks activiteitenverslag sinds 2012 een voorbehoud moest maken ten aanzien van de regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen, hetgeen wijst op ernstige tekortkomingen bij het interne beheer;

Milieu, volksgezondheid en voedselveiligheid

141.  stelt vast dat het LIFE-programma in 2017 25 jaar bestond; onderstreept dat het programma 222 miljoen EUR ter beschikking heeft gesteld voor medefinanciering van 139 nieuwe projecten; benadrukt dat meer moet worden gedaan om de vertragingen bij de betalingen in het kader van het LIFE-programma terug te dringen, gezien het feit dat 5,8 % van de betalingen in 2017 na de wettelijke termijnen plaatsvonden (tegen 3,9 % in 2016, en 12 % in 2015);

142.  wijst erop dat in 2017 de tussentijdse beoordeling van het LIFE-programma voor de periode 2014-2015 openbaar is gemaakt; wijst erop dat die beoordeling, omdat de meeste projecten nog niet waren begonnen en slechts een klein aantal projecten was afgerond, hoofdzakelijk betrekking had op het proces voor het verwezenlijken van de doelstellingen van het LIFE-programma, en dat is geconcludeerd dat het LIFE-programma een meerwaarde voor de Unie oplevert, én dat aangegeven is op welke onderdelen nog winst kan worden geboekt; onderstreept dat de procedures voor subsidiebeheer, en met name die voor het indienen van aanvragen en voor verslaglegging, niet alleen vereenvoudigd, maar ook aanzienlijk versneld moeten worden;

143.  wijst erop dat de voorwaarden van het externaliseringsbesluit voor samenwerking met het Uitvoerend Agentschap voor kleine en middelgrote ondernemingen (EASME) wat personeel aangaat, doen vermoeden dat de personeelssituatie binnen DG ENV wat aan het LIFE-programma gerelateerde activiteiten betreft zeer nijpend is, hetgeen betekent dat de werkmethoden en -regelingen binnen dit DG misschien nog eens tegen het licht moeten worden gehouden;

144.  benadrukt dat de internecontrolesystemen van DG ENV en DG CLIMA die aan een audit zijn onderworpen slechts ten dele doeltreffend zijn gebleken, en dat een aantal zeer belangrijke aanbevelingen nog moet worden opgevolgd overeenkomstig de overeengekomen actieplannen;

145.  onderstreept dat DG CLIMA en DG BUDG zorg dragen voor het toezicht op de doelstelling van 20 % klimaatmainstreaming in het meerjarig financieel kader, en dat DG CLIMA andere DG's ondersteunt bij de integratie van klimaatactie in hun werkzaamheden; betreurt dat in 2017 slechts 19,3 % van de begroting van de Unie is besteed aan klimaatgerelateerde activiteiten en dat het gemiddelde voor de periode 2014-2020 naar verwachting slechts 18,8 % zal bedragen;

146.  maakt zich zorgen over het feit dat in het jaarlijks activiteitenverslag 2017 van DG CLIMA opnieuw een voorbehoud wordt gemaakt in verband met mogelijke reputatieschade vanwege resterende ernstige tekortkomingen wat betreft de beveiliging die zijn vastgesteld in het Unieregister van de regeling voor de handel in emissierechten (EU-ETS);

147.  betreurt dat het gemiddelde resterende foutenpercentage van DG SANTE voor alle activiteiten op het gebied van veiligheid van levensmiddelen en diervoeders in 2017 naar 2,5 % is opgelopen, waarmee het de materialiteitsdrempel van 2 % overschreed; wijst erop dat dit toe te schrijven is aan buitensporig hoge kostenclaims van de lidstaten, in de context van de structurele aanpassingen aan de systemen voor beheer en controle van die claims in één lidstaat; verzoekt DG SANTE alle noodzakelijke maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat dit zich in de toekomst niet herhaalt, bijvoorbeeld door meer gebruik te maken van de vereenvoudigingsmaatregelen waarin het Financieel Reglement voorziet;

148.  benadrukt dat DG SANTE in 2017 de tussentijdse evaluatie van het gemeenschappelijk financieel kader voor de voedselketen 2014-2020 heeft gepubliceerd, waarin de conclusie wordt getrokken dat het bestaande kader goed functioneert en bij heeft gedragen tot het tot stand brengen van een meerwaarde voor de Unie; stelt vast dat de Commissie, zoals aanbevolen door de Rekenkamer, werkt aan de ontwikkeling van een methode voor de analyse van de kostenefficiëntie op het gebied van de voedselketen, om toekomstige economische beoordelingen van door de Unie gefinancierde interventies betrouwbaarder te maken;

Vervoer en toerisme

149.  stelt vast dat de Commissie in 2017 152 projecten voor een bedrag van 2,7 miljard EUR afkomstig van CEF vervoer en een totale investering van 4,7 miljard EUR (met inbegrip van andere publieke en particuliere financiering) heeft geselecteerd; wijst andermaal op de betekenis van het CEF-financieringsinstrument voor de voltooiing van het TEN-V-netwerk, voor de totstandbrenging van een Europese vervoersruimte, en voor het ontwikkelen van de grensoverschrijdende verbindingen en het opvullen van de ontbrekende schakels;

150.  verzoekt de Europese TEN-V-coördinatoren een grondige beoordeling te verrichten van de voltooide projecten en de verbeteringen langs de TEN-V-corridors die tijdens de huidige programmeringsperiode zijn uitgevoerd, en deze beoordeling aan de Commissie en het Parlement voor te leggen;

151.  verzoekt de Commissie om voor de vervoerssector duidelijk een beoordeling van het effect van het EFSI op andere financieringsinstrumenten te presenteren, met name wat betreft de CEF en de samenhang van het CEF-schuldinstrument met andere EU-initiatieven, en wel ruim vóór het voorstel voor het volgende MFK; verzoekt om in deze beoordeling een duidelijke analyse op te nemen van het geografische evenwicht van de investeringen in de vervoerssector; herinnert er echter aan dat het bedrag dat uit hoofde van een financieringsinstrument wordt uitgegeven, niet als het enige relevante criterium voor de beoordeling van de prestaties daarvan mag worden beschouwd; verzoekt de Commissie daarom haar beoordeling van de resultaten die in het kader van door de Unie gefinancierde vervoersprojecten zijn behaald, te verdiepen en de toegevoegde waarde ervan te meten;

152.  is ingenomen met de resultaten van de blendingoproep voor CEF-financiering van 2017 en het besluit om de financiering tot 1,35 miljard EUR te verhogen, hetgeen de relevantie en toegevoegde waarde bevestigt van het gebruik van EU-subsidies voor blending met financiering van de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken of andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, al dan niet via publiek-private partnerschappen; is van mening dat de CEF daarom maatregelen moet blijven ondersteunen die het combineren van Uniesubsidie en andere financieringsbronnen mogelijk maken, waarbij subsidie het belangrijkste financieringsinstrument blijft;

153.  stelt vast dat de Dienst interne audit van de Commissie als onderdeel van zijn audit van het toezicht van de Commissie op de uitvoering van CEF-financieringsinstrumenten heeft geconstateerd dat het uitvoeringspercentage van de financiële instrumenten in het kader van de CEF uiterst gering was en dat het merendeel van het oorspronkelijk aan CEF-financieringsinstrumenten toegewezen bedrag (2,43 miljard EUR) opnieuw is toegewezen aan begrotingslijnen voor CEF-subsidie, waardoor er tot 2020 slechts 296 miljoen EUR beschikbaar is voor CEF-financieringsinstrumenten; stelt voorts vast dat een van de hiervoor opgegeven redenen was dat de subsidiabiliteitscriteria van de CEF-financieringsinstrumenten en van het Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) elkaar grotendeels overlappen en dat potentieel voor de CEF in aanmerking komende projecten in de praktijk door het EFSI zijn gefinancierd, omdat dit een grotere politieke prioriteit en een breder toepassingsgebied heeft; verzoekt de Commissie, wat de CEF betreft, de mate van bekendheid met de subsidiabiliteitsregeling bij de begunstigden te verbeteren, met name door een duidelijk onderscheid te maken tussen een uitvoeringscontract en een onderaannemingscontract, hetgeen de voornaamste bron van verwarring bij de begunstigden was; verzoekt de Commissie erop toe te zien dat financiële instrumenten elkaar aanvullen en niet vervangen;

154.  stelt vast dat 2017 het eerste jaar van de auditcampagne voor het CEF-programma was en dat er nog 2 à 3 jaar van CEF-audits nodig zijn om tot een betrouwbare berekening van de foutenpercentages voor alle CEF-sectoren te komen; is niettemin ingenomen met het feit dat het aantal geconstateerde fouten voor de in 2017 afgeronde CEF- en TEN-V-audits uitermate gering was;

155.  is bezorgd over het feit dat de Dienst interne audit van de Commissie aanzienlijke tekortkomingen heeft vastgesteld in het huidige toezichtsysteem van DG MOVE op het beleid inzake de veiligheid van zowel luchtvaart als zeevervoer, en drie uiterst belangrijke aanbevelingen heeft gedaan; verzoekt DG MOVE het actieplan dat het heeft voorbereid om de geconstateerde risico's aan te pakken, volledig uit te voeren;

Cultuur en onderwijs

156.  is ingenomen met de resultaten van het Erasmusprogramma, in het kader waarvan onder meer jongeren en studenten (en sinds kort ook bepaalde werknemers) al dertig jaar de mogelijkheid krijgen aan mobiliteitsactiviteiten deel te nemen en waar sinds 1987 negen miljoen mensen gebruik van hebben gemaakt; benadrukt de sterke Europese meerwaarde van het programma en de rol ervan als strategische investering in de Europese jeugd;

157.  merkt op dat in het kader van het Erasmusprogramma meer moet worden gedaan om het programma toegankelijker te maken voor gemarginaliseerde groepen, en met name voor personen met een handicap of met speciale onderwijsbehoeften, personen die in geografisch opzicht benadeeld zijn, vroegtijdige schoolverlaters, personen die tot een minderheid behoren, sociaal-economisch achtergestelde personen etc.;

158.  is verontrust over de geringe benutting van de Erasmus+-garantiefaciliteit voor studentenleningen en de ontoereikende geografische dekking ervan, die beperkt is tot banken in drie landen en universiteiten in twee andere landen; verzoekt de Commissie en het Europees Investeringsfonds met klem een uitvoeringsstrategie vast te stellen om de doeltreffendheid van de faciliteit tegen 2020 te optimaliseren, of, bij wijze van alternatief, de herverdeling van de ongebruikte middelen binnen het programma te vergemakkelijken om ervoor te zorgen dat maatregelen in het kader van de verschillende onderdelen beter kunnen worden gefinancierd;

159.  is bezorgd over de nog altijd lage succespercentages van projecten in het kader van het programma "Europa voor de burger" en het subprogramma "Cultuur van Creatief Europa" (respectievelijk 21 % en 22 % in 2017); benadrukt dat er meer financiële middelen nodig zijn om verandering te brengen in deze onbevredigende resultaten, die tegen de doelstellingen van het programma indruisen en burgers ervan weerhouden deel te nemen;

160.  vestigt de aandacht op de rol die het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) speelt bij de uitvoering van de drie cultuur- en onderwijsprogramma's; maakt zich evenwel zorgen om de zwakke punten van de interne controle van het EACEA, die tijdens een controle van het subsidiebeheer in het kader van Erasmus+ en Creatief Europa aan het licht zijn gekomen; merkt op dat de dienst Interne Audit van de Commissie (IAS) zelf tekortkomingen heeft geconstateerd met betrekking tot het beheer van de Erasmus+-subsidies door het EACEA; is derhalve van oordeel dat de Commissie en het EACEA zonder problemen de nodige corrigerende maatregelen moeten kunnen nemen om volledige transparantie te waarborgen en ervoor te zorgen dat de uitvoering van de cultuur- en onderwijsprogramma's van de hoogste kwaliteit is;

INDIRECT BEHEER EN FINANCIËLE INSTRUMENTEN

161.  wijst erop dat de Commissie in 2017 contracten met VN-Agentschappen heeft gesloten ter waarde van bijna 253,5 miljoen EUR aan bijdragen uit de Uniebegroting, waarbij het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties (119,21 miljoen EUR), Unicef (29,34 miljoen EUR) en het Bureau van de Verenigde Naties voor projectdiensten (20,05 miljoen EUR) de belangrijkste begunstigden zijn, alsook contracten met de Wereldbank ter waarde van 174,11 miljoen EUR;

162.  verzoekt de Raad, de Commissie en de Europese Investeringsbank, gezien de verschuiving van de steunmodaliteiten van rechtstreekse subsidies naar trustfondsen en gemengde financiering, onder meer via het Europees Fonds voor duurzame ontwikkeling, om met het Europees Parlement een interinstitutioneel akkoord aan te nemen inzake transparantie, verantwoordingsplicht en parlementaire controle op basis van de beleidsbeginselen die zijn vastgesteld in de nieuwe Europese consensus inzake ontwikkeling;

163.  is ingenomen met de in het Speciaal verslag 2018/35 gepubliceerde aanbevelingen van de Europese Rekenkamer ter verbetering van de transparantie van door ngo's uitgevoerde Uniefondsen, waarin onder meer wordt aanbevolen dat de Commissie de betrouwbaarheid van de informatie over ngo's in haar boekhoudsysteem en de verzamelde informatie over door ngo's uitgevoerde fondsen verbetert; verzoekt derhalve de Commissie om deze voorstellen voor het einde van het huidige mandaat uit te voeren;

164.  beseft maar al te goed dat veel uitdagingen complex van aard zijn en dat er als antwoord daarop rijkgeschakeerde en elkaar aanvullende acties nodig zijn, maar dringt aan op duidelijkheid over de financieringsregelingen en op naleving van internationale verplichtingen;

165.  stelt vast dat het aantal financieringsinstrumenten aanzienlijk is toegenomen, waardoor nieuwe blendingmogelijkheden in de vervoerssector ontstaan, maar waardoor er ook een ingewikkeld netwerk van regelingen rond de EU-begroting is gegroeid; vreest dat deze instrumenten naast de EU-begroting de mate van verantwoording en transparantie zouden kunnen ondermijnen, omdat verslaglegging, controle en publieke toetsing niet op elkaar zijn afgestemd; verzoekt de Commissie te onderzoeken hoe het begrotingssysteem van de Unie kan worden hervormd, en met name hoe kan worden bewerkstelligd dat de financieringsregels niet ingewikkelder zijn dan noodzakelijk is voor het verwezenlijken van de beleidsdoelstellingen, en voor het waarborgen van verantwoordingsplicht, transparantie en controleerbaarheid;

EFSI

166.  wijst erop dat de begrotingsautoriteit de EFSI-garantie heeft verhoogd van 16 miljard EUR tot 26 miljard EUR en het beoogde investeringsvolume van 315 miljard EUR tot 500 miljard EUR en dat de EIB-groep eind 2017 voor 36,7 miljard EUR aan contracten had ondertekend (2016: 21,3 miljard EUR);

167.  merkt op dat volgens de Rekenkamer 64 % van de totale waarde van de EFSI-contracten die de EIB-groep eind 2017 had ondertekend, geconcentreerd was in zes lidstaten: Frankrijk, Italië, Spanje, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Polen;

168.   betreurt dat met slechts 20 % van de EFSI-financiering projecten zijn ondersteund die bijdragen tot matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering, terwijl de standaardportefeuille van de EIB de drempel van 25 % heeft bereikt; verzoekt de Commissie om duurzame financieringsmogelijkheden en een gunstig investeringsklimaat te creëren als afspiegeling van de politieke toezeggingen en algemene doelstellingen van de Unie, ter bevordering van innovatie en economische, sociale en territoriale cohesie binnen de Unie en ter versterking van de sociale dimensie van de investeringen, door de investeringstekorten in de sociale sector en in de veiligheid van infrastructuur op te heffen;

169.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de bestuursorganen van het EFSI bij de ondertekening van contracten rekening houden met de noodzaak van een goed geografisch evenwicht bij het sluiten van contracten en verslag uit te brengen aan het Parlement over de geboekte vooruitgang;

Onderzoek

170.  merkt op dat de Commissie met betrekking tot de betalingen in 2017 in totaal 11,2 miljard EUR heeft geïnvesteerd op het gebied van onderzoek en innovatie (O & I), 58 % onder rechtstreeks beheer en 42 % via de met de uitvoering belaste organen, en dat van deze laatste 18,2 % (583 miljoen EUR) werd uitgevoerd via gemeenschappelijke ondernemingen en 16,8 % (540 miljoen EUR) werd verdeeld via de Europese Investeringsbank (EIB) en het Europees Investeringsfonds (EIF);

171.  verzoekt de Commissie in de tweede helft van 2019 verslag uit te brengen aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement over de tenuitvoerlegging en de resultaten van de financiële instrumenten op het gebied van onderzoek;

Trustfondsen

172.  wijst erop dat voor steun aan niet-EU-landen steeds meer gebruik is gemaakt van alternatieve financieringsmodellen (zoals trustfondsen en de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije), waardoor de bestaande financiële structuren complexer worden; erkent evenwel dat deze instrumenten het mogelijk hebben gemaakt om snel op uitdagende situaties te reageren en de nodige flexibiliteit bieden;

173.  wijst erop dat de bundeling van middelen van het EOF, de begroting van de Unie en andere donoren in trustfondsen niet tot gevolg mag hebben dat voor ontwikkelings- en samenwerkingsbeleid bestemde middelen hun eigenlijke begunstigden niet bereiken of dat de doelen waarvoor zij oorspronkelijk waren bestemd, zoals het uitbannen van armoede en het bevorderen van de mensenrechten, niet worden nagestreefd;

174.  wijst erop dat het toenemende gebruik van trustfondsen ook te wijten is aan een gebrek aan flexibiliteit binnen de begroting van de Unie;

175.  benadrukt dat het toenemende gebruik van andere financiële mechanismen om Uniebeleid uit te voeren, samen met de Uniebegrotingsrisico’s, dreigt het niveau van verantwoording en transparantie te ondermijnen, omdat de regelingen inzake verslaglegging, controle en publiek toezicht niet op elkaar zijn afgestemd; verzoekt de Commissie daarom te overwegen een einde te maken aan trustfondsen, met name wanneer het dringend noodzakelijke karakter hiervan niet naar behoren is aangetoond, wanneer zij niet in staat zijn een significante bijdrage van andere donoren aan te trekken en wanneer het gevaar van schendingen van de grondrechten bestaat of wanneer er autoriteiten van derde landen bij betrokken zijn die de grondrechten niet eerbiedigen;

Faciliteit voor Turkije

176.  merkt op dat de Rekenkamer in haar Speciaal verslag nr. 27/2018 over de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije heeft vastgesteld dat de faciliteit voor vluchtelingen in Turkije in een moeilijke context in korte tijd 3 miljard EUR heeft gemobiliseerd om snel te reageren op de vluchtelingencrisis, maar dat zij haar doelstelling van effectieve coördinatie van deze respons, of het waarborgen van voldoende meerwaarde, niet volledig heeft verwezenlijkt; verzoekt de Commissie alle aanbevelingen van de Rekenkamer over de vluchtelingenfaciliteit in Turkije ten uitvoer te leggen, met name wat betreft de verbetering van het toezicht op en de rapportage over projecten voor kassteun en de verbetering van de operationele omgeving voor (i)ngo's met de Turkse autoriteiten, en ervoor te zorgen dat de middelen doelgericht worden gebruikt voor vluchtelingenprojecten en niet voor andere doeleinden; dringt er bij de Commissie op aan regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de verenigbaarheid van de gefinancierde acties met de onderliggende rechtsgrond;

177.  wijst er daarnaast op dat volgens de Rekenkamer de gecontroleerde projecten nuttige steun voor vluchtelingen boden en dat de output van de meeste projecten is gerealiseerd, maar dat de helft ervan heeft nog niet tot de verwachte uitkomsten geleid;

178.  merkt op dat de Europese Ombudsman heeft geconcludeerd dat de Commissie meer moet doen om ervoor te zorgen dat de grondrechten in het kader van de verklaring EU-Turkije worden geëerbiedigd, en dringt er daarom bij de Commissie op aan om bij haar beslissingen in het kader van deze faciliteit stelselmatig rekening te houden met de grondrechten, onder meer door effectbeoordelingen inzake de grondrechten uit te voeren; roept de Commissie op hierover regelmatig verslag uit te brengen aan het Europees Parlement;

179.   betreurt dat bij een onderzoek van European Investigative Collaborations twijfel is gerezen over het gebruik van middelen uit dit instrument; verzoekt de Commissie om deze kwestie grondig te onderzoeken en de resultaten voor te leggen aan het Parlement;

180.  verzoekt DG DEVCO om uiterlijk 2020 de bestaande richtsnoeren voor begunstigden te herzien met betrekking tot onder indirect beheer uitgevoerde projecten teneinde ervoor te zorgen dat geplande activiteiten tijdig worden uitgevoerd, en bij te dragen tot het praktische gebruik van projectoutputs om zodoende de beste kosteneffectiviteit te realiseren;

181.  merkt op dat de Rekenkamer aangeeft dat de uitgaven aan de rubriek Administratie geen materieel foutenpercentage vertoonden, maar constateert desondanks met bezorgdheid dat het foutenpercentage is toegenomen ten opzichte van het voorafgaande jaar (0,55 % in 2017 tegen 0,2 % in 2016);

182.  constateert dat de Rekenkamer weliswaar geen belangrijke tekortkomingen heeft vastgesteld, maar wel gebieden heeft aangewezen waar nog steeds ruimte voor verbetering bestaat;

International Management Group (IMG)

183.  wijst erop dat het Hof van Justitie van de EU in zijn eindarrest van 31 januari 2019 - waartegen geen beroep mogelijk is - in de Internationale Management Group (IMG)-zaak(7) heeft besloten tot nietigverklaring van twee besluiten van de Commissie: 1) om vanaf 8 mei 2015 geen nieuwe delegatieovereenkomsten inzake indirect beheer te sluiten met de IMG, en 2) om 10 miljoen EUR van de IMG over te hevelen naar de Duitse publieke exploitant GIZ voor een contract inzake technische bijstand met betrekking tot het handelsbeleid van Myanmar; wijst er voorts op dat het volgens het arrest van het Hof noodzakelijk is om het bedrag vast te stellen dat aan de IMG is verschuldigd voor de financiële compensatie van de schade die is geleden als gevolg van het besluit van de Commissie van 8 mei 2015, terwijl de Commissie bovendien alle door haar ingestelde incidentele hogere voorzieningen moet intrekken;

184.  neemt kennis van de conclusie van het Hof van Justitie dat de juridische argumenten van OLAF waarop de Commissie haar besluiten met betrekking tot de IMG heeft gebaseerd een onjuiste rechtsopvatting vormen vanuit het oogpunt van zowel het internationaal recht als het Financiële Reglement van de EU; betreurt dat, zoals het Hof van Justitie uitlegt, OLAF in haar onderzoek naar de IMG buiten zijn bevoegdheden is getreden en geen rekening heeft gehouden met de door het Parlement zo vaak aangehaalde Code voor zekerheidstelling; ondersteunt in dit verband alle nadere maatregelen om te waarborgen dat bij de momenteel lopende herziening van de OLAF-verordening wordt voorzien in de noodzakelijke controle- en procedurele garantie- en beroepsmogelijkheden om dergelijke schadelijke acties te voorkomen die de geloofwaardigheid van en het vertrouwen van burgers in de EU schaden;

185.  neemt kennis van het arrest van 13 februari 2019 van het Permanent Hof van Arbitrage in Den Haag(8), op grond waarvan de Commissie 2 miljoen EUR moet betalen, hetgeen zij heeft geweigerd te doen op basis van de aantijgingen jegens de IMG en het onderzoek van OLAF, voor door de IMG in rekening gebrachte kosten in verband met zeven door de Commissie ondertekende contracten voor gezamenlijk beheer;

186.  betreurt ten zeerste dat het sinds 2012 niet mogelijk is gebleken tijdens de kwijtingsprocedure van het Parlement voor de Commissie de valse aantijgingen jegens de IMG te onthullen of de ernstige reputatie- en financiële schade voor de IMG, inclusief het verlies van meer dan 200 banen, te helpen voorkomen;

187.  dringt er bij de Commissie op aan de gerechtelijke besluiten ten uitvoer te leggen en de status van de IMG als een internationale organisatie, die door de Commissie en OLAF onterecht in twijfel is getrokken en ontkend, volledig te erkennen; verzoekt de Commissie alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de aan de IMG berokkende schade te herstellen en te compenseren en te waarborgen dat de IMG kan deelnemen aan een eerlijke procedure zoals die voor internationale organisaties is voorzien in het Financieel Reglement; verzoekt de Commissie bij de kwijtingsautoriteit zo snel mogelijk verslag uit te brengen over de genomen maatregelen;

Administratie

Benoemingsprocedure voor de aanwijzing van de secretaris-generaal van de Commissie

188.  is niet tevreden met de reacties van de Commissie op de terechte bezorgdheid van de media en het grote publiek over de procedure die werd geuit onmiddellijk na de benoeming van de secretaris-generaal van de Europese Commissie, noch met de uitleg die de Commissie heeft gegeven tijdens het plenaire debat van het Europees Parlement en in haar schriftelijke reactie op de resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018, die ontwijkend, defensief en legalistisch waren, waaruit blijkt dat zij niet gevoelig is voor het belang dat de Europese burgers hechten aan transparante, eerlijke en open aanwervingsprocedures;

189.  herinnert er in dit verband aan dat de Ombudsman in haar aanbeveling in de gezamenlijke zaken 488/2018/KR en 514/2018/KR vier gevallen van wanbeheer heeft vastgesteld; merkt op dat de conclusies van de Ombudsman grotendeels overeenkomen met die van het Europees Parlement en dat zij het eens is met het oordeel van het Europees Parlement dat met de dubbele benoeming "de grenzen van de wet zijn opgezocht en mogelijk zelfs overschreden"; benadrukt de definitieve aanbeveling van de Ombudsman aan de Commissie dat de Commissie een specifieke procedure moet ontwikkelen voor haar secretaris-generaal, die losstaat van en onafhankelijk is van andere benoemingen op hoog niveau; betreurt daarom het uitdagende antwoord van de Commissie aan de Europese Ombudsman van 3 december 2018, waaruit blijkt dat er nauwelijks aandacht is voor de punten die de Ombudsman naar aanleiding van het onderzoek van 11 000 bladzijden documentatie door de Ombudsman aan de orde heeft gesteld; verzoekt het volgende college van commissarissen en zijn voorzitter de benoeming te herzien in het licht van de bevindingen van de Ombudsman en de resolutie van het Parlement;

190.  neemt nota van het feit dat commissaris Oettinger op 25 september 2018 een interinstitutionele rondetafelconferentie over de selectie en benoeming van hogere leidinggevenden heeft georganiseerd, hoewel deze conferentie geen conclusie lijkt te hebben opgeleverd; verzoekt de Commissie daarom paragraaf 29 van zijn resolutie over het integriteitsbeleid in de Commissie in de praktijk te brengen;

191.  verzoekt de Commissie en alle Europese instellingen om, waar nodig, de benoemingsprocedures te herzien, met name voor hoge ambtenaren en waar nodig voor kabinetsleden, en aanvullende maatregelen te nemen om de transparantie, billijkheid en gelijke kansen bij benoemingsprocedures te verbeteren op basis van de bevindingen van de Europese Ombudsman en de komende studie van het Europees Parlement over de benoemingsprocedures van de instellingen van de Europese Unie; verzoekt de Commissie om uiterlijk op 31 augustus 2019 aan het Europees Parlement verslag uit te brengen over de geboekte vooruitgang;

192.  verzoekt om het onmiddellijke ontslag van de secretaris-generaal en om de opening van een eerlijke, volledig transparante en open sollicitatieprocedure voor deze functie;

Europese scholen

193.  merkt op dat de Europese scholen in 2017 een bedrag van 189,9 miljoen EUR uit de Europese begroting hebben ontvangen;

194.  wijst erop dat de controle van de Rekenkamer geen materiële fouten aan het licht heeft gebracht in de definitieve geconsolideerde financiële staten van de Europese scholen voor 2017 en dat de Europese scholen en het Centraal Bureau hun jaarrekeningen binnen de wettelijke termijn hebben opgesteld; merkt echter op dat het internecontrolesysteem van de Europese scholen nog verder moet worden verbeterd om te voldoen aan de aanbevelingen van de Rekenkamer en de IAS van de Europese Commissie;

195.  acht het zeer betreurenswaardig dat er na meer dan 15 jaar nog steeds geen goed financieel beheerssysteem voor Europese scholen bestaat;

196.  blijft bezorgd over de flagrante tekortkomingen in de internecontrolesystemen van het Centraal Bureau en de geselecteerde scholen, met name wat betreft de betalingssystemen, de controleomgeving en de aanwervingsprocedure;

197.  merkt op dat de Rekenkamer niet heeft kunnen bevestigen dat het financieel beheer van de scholen in 2017 in overeenstemming met het Financieel Reglement en de bijbehorende uitvoeringsvoorschriften is uitgevoerd; eist daarom dat er verdere inspanningen worden gedaan om de laatste hand te leggen aan de nog niet opgevolgde aanbevelingen met betrekking tot het beheer van buiten de begroting gehouden rekeningen, de verbetering van de boekhoud- en internecontrolesystemen alsook van de aanwervings- en betalingsprocedures, en de ontwikkeling van richtsnoeren ter verbetering van het begrotingsbeheer;

198.  wijst nogmaals op het standpunt van het Parlement dat er dringend behoefte is aan een "uitgebreide herziening" van het systeem van de Europese Scholen om een hervorming van beheers-, financiële, organisatorische en pedagogische kwesties in overweging te nemen en herinnert aan zijn verzoek aan de Commissie om jaarlijks een verslag met een beoordeling van de vorderingen aan het Parlement voor te leggen;

199.  acht het onaanvaardbaar dat volgens de Commissie acht kritieke of zeer belangrijke aanbevelingen van de dienst Interne audit van de Commissie over de periode 2014-2017 nog hangende zijn; wenst uiterlijk op 30 juni 2019 een voortgangsverslag over de tenuitvoerlegging van deze aanbevelingen te ontvangen;

Follow-up van de kwijting aan de Commissie voor 2016

200.  wijst erop dat de Commissie in haar mededeling over de follow-up van de kwijting voor begrotingsjaar 2016 een selectie heeft gemaakt uit de 394 kwesties die door het Parlement met betrekking tot begrotingsjaar 2016 zijn aangekaart en dat zij op 108 punten niet is ingegaan; verlangt dat de Commissie uitvoerig antwoordt op alle kwesties die door het Europees Parlement aan de orde zijn gesteld in zijn resoluties die een integraal onderdeel vormen van zijn kwijtingsbesluiten;

201.  is ingenomen met het feit dat de Commissie heeft gereageerd op de in de resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2018 over kwijting voor het begrotingsjaar 2016(9) vervatte opmerkingen van het Parlement over de toezichtsverslagen externe steun en de kernprestatie-indicatoren, en daarin ter verbetering wijzigingen heeft aangebracht; merkt op dat de Commissie het toezichtsverslag externe steun van 2017 zonder beperkingen in verband met de vertrouwelijkheid aan het Parlement heeft toegezonden, maar betreurt dat het in wezen moeilijker is geworden om toegang te krijgen tot deze verslagen; kijkt ernaar uit dat het Parlement deze verslagen in de toekomst gemakkelijker kan raadplegen;

Diversen

202.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de vertraging die de Commissie heeft opgelopen bij het oplossen van het steeds problematischer wordende verschil in de aanpassingscoëfficiënt voor Europese ambtenaren die in Luxemburg gevestigd zijn, aangezien dit verschil boven de in het Statuut van de ambtenaren vastgestelde drempel van 5 % in 2018 meer dan verdrievoudigd is (16,8 %), met als gevolg dat Luxemburg steeds minder aantrekkelijk wordt en meer dan 11 000 personeelsleden van de Europese Unie onder een oneerlijke discriminatie te lijden hebben, waardoor meer dan een derde van hen wordt gedwongen in de buurlanden te gaan wonen en het grensoverschrijdende verkeer verder toeneemt; merkt op dat andere internationale instellingen die in Luxemburg zijn gevestigd, reeds een positieve oplossing voor dit probleem hebben gevonden; dringt er bij de Commissie op aan het bestaande probleem van de huidige aanpassingscoëfficiënt zelf te onderzoeken en de nodige maatregelen te nemen;

203.  wijst erop dat effectbeoordelingen een onmisbaar onderdeel van de beleidscyclus vormen; betreurt dat wetgevingsvoorstellen van de Commissie niet altijd vergezeld gaan van een uitvoerige effectbeoordeling; betreurt voorts dat de Commissie in sommige gevallen geen rekening heeft gehouden met de grondrechten; wijst er nogmaals op dat effectbeoordelingen gebaseerd moeten zijn op feitenmateriaal, moeten worden uitgevoerd en te allen tijde in overeenstemming moeten zijn met de grondrechten die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten;

204.  dringt er bij de Commissie op aan om, zoals reeds in 2018 is gebeurd met de overeenkomst met artsen en tandartsen, zo snel mogelijk de overeenkomst met Luxemburgse ziekenhuizen betreffende hogere tarieven voor de verzorging van Europese ambtenaren en personeelsleden in Luxemburg, die jaarlijks meer dan 2 miljoen EUR kost, op te zeggen naar aanleiding van het arrest van het Europees Hof van Justitie in 2000 (arrest Ferlini) en wegens schending van Richtlijn 2011/24 betreffende de gelijke behandeling van Europese patiënten;

205.  verzoekt de Commissie een zo nauwkeurige mogelijke en actuele analyse uit te voeren van de impact van het ontwerp van open ruimten, zoals die van het nieuwe JMO II-gebouw, met betrekking tot de gevolgen voor de productiviteit en het aanbod van fatsoenlijke werkplekken en arbeidsomstandigheden voor het betrokken personeel; verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te brengen van de resultaten van deze analyse;

206.  benadrukt de noodzaak om verdere actieve en doeltreffende maatregelen in te voeren om alle vormen van intimidatie en mobbing te voorkomen en te bestrijden; benadrukt dat er dringend behoefte is aan strengere normen voor mobbing en intimidatie op het werk, en dat er een ethische cultuur moet worden gecreëerd om elke vorm van misbruik binnen de Commissie en de EU-instellingen te voorkomen;

2014 - 2017: Hoe het Europees Parlement heeft bijgedragen en blijft bijdragen aan de totstandbrenging van goede structuren voor financieel beheer in de Commissie en in de lidstaten

Prestatiegericht begroten en controleren

207.  benadrukt dat de planning en uitvoering van de begroting van de Europese Unie en de verslaglegging over de behaalde resultaten daarvan beleidsgestuurd moet zijn;

208.  heeft benadrukt dat de uitvoering van de begroting van de Europese Unie gericht moet zijn op resultaten en het genereren van bredere baten en dat de structuur van de Uniebegroting moet worden gewijzigd om te voorzien in de meting van vooruitgang en prestaties;

209.  heeft de Commissie en de Rekenkamer in dit verband aangemoedigd om meer aandacht te besteden aan vereenvoudiging, behaalde resultaten en bredere effecten, doelmatigheidscontroles en de uiteindelijke impact van het beleid;

210.  benadrukt dat alle eventuele controles gericht moeten zijn op de gebieden waar de kans op fouten het grootst is, met name gebieden met de hoogste financieringsniveaus;

211.  heeft nauw samengewerkt met de Commissie om het artikel 318-evaluatieverslag te ontwikkelen tot een alomvattend syntheseverslag, waarin de vorderingen op verschillende beleidsterreinen worden vastgelegd, dat later het eerste deel van het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag is geworden;

Geïntegreerd internecontrolekader

212.  heeft de opname van artikel 63 in het herziene Financieel Reglement gesteund, dat de "single audit"-regeling in het gedeeld beheer introduceert, en benadrukt dat goed werkende beheers- en controlesystemen op nationaal en Europees niveau een cruciaal element vormen in de "single audit"-keten; is het ermee eens dat de "single audit"-benadering een efficiënter gebruik van middelen mogelijk maakt en dat een verdubbeling van controles op het niveau van de begunstigden moet worden vermeden; merkt op dat de "single audit"-strategie van de Commissie erop is gericht de betrouwbaarheid van de jaarlijks door de auditautoriteiten gerapporteerde controleresultaten en foutenpercentages te verifiëren en toezicht te houden op hun werkzaamheden door middel van een degelijk en gecoördineerd controle- en auditkader; spoort de Commissie aan om de werkzaamheden van de auditautoriteiten te blijven monitoren en te evalueren teneinde een gemeenschappelijk auditkader en betrouwbare resultaten te waarborgen;

Onderzoek

213.  heeft gepleit voor duidelijker regels en een intensiever gebruik van de vereenvoudigde kostenoptie (SCO), d.w.z. betalingen op basis van vaste bedragen in het kader van het Horizon 2020-programma;

Structuurfondsen

214.  heeft aangedrongen op versterking van de verantwoordelijkheden van de nationale beheers- en auditautoriteiten voor de uitvoering van de begroting;

215.  heeft de overstap gesteund van "vergoeding" (vergoeding van gemaakte kosten) naar "op rechten gebaseerde" regelingen die het risico op fouten aanzienlijk verminderen;

Landbouw

216.  heeft gepleit voor het aanscherpen van de milieueisen, het eerlijker verdelen van de inkomenssteun door middel van een progressieve betalingsregeling die gunstiger is voor kleine landbouwbedrijven en voor duurzame en milieuvriendelijke landbouw, en het op korte termijn aanzienlijk aantrekkelijker maken van het GLB voor jonge landbouwers;

217.  heeft ertoe opgeroepen het GLB milieuvriendelijker en tegelijkertijd boervriendelijker te maken;

Migratie

218.  heeft Uniemiddelen bijgedragen ter financiering van de toegenomen migratie-uitdagingen voor de periode 2015-2018 door deze te verdubbelen tot 22 miljard EUR;

219.  heeft een beroep gedaan op de lidstaten om de diepere oorzaken van migratie aan te pakken in coördinatie met het ontwikkelingsbeleid en met het externe beleid;

Buitenlands beleid van de Unie

220.  heeft ertoe opgeroepen dat het buitenlands beleid van de Unie consistent en goed gecoördineerd wordt en dat het EOF, de trustfondsen en de financiële instrumenten worden beheerd in overeenstemming met het interne beleid;

Administratie

221.  heeft aangedrongen op de herziening van de gedragscode voor commissarissen, die uiteindelijk op 31 januari 2018 in werking is getreden;

222.  heeft erop aangedrongen dat de aanwervingsprocedures voor hogere functies bij de Europese instellingen en organen worden herzien en dat alle vacatures worden gepubliceerd in het belang van de transparantie, integriteit en gelijke kansen;

223.  is blijven pleiten voor een nultolerantiebeleid voor fraude;

Aanbevelingen voor de toekomst

Verslaglegging

224.  herinnert eraan dat voor de komende jaren de Commissie overeenkomstig artikel 247, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement verplicht is jaarlijks aan het Europees Parlement en de Raad een geïntegreerde reeks financiële en verantwoordingsverslagen voor te leggen, met inbegrip van een langetermijnraming van toekomstige in- en uitstromen voor de komende vijf jaar;

225.  dringt erop aan dat in dit verslag het effect van de vastleggingen op de omvang van de betalingsachterstand van een bepaald meerjarig financieel kader wordt geanalyseerd;

226.  roept de Commissie op om voor beheer- en rapportagedoeleinden een manier te vinden om begrotingsuitgaven van de Unie zodanig te registreren dat alle financiering met betrekking tot de vluchtelingen- en migratiecrisis kan worden gerapporteerd, alsook met betrekking tot het toekomstige beleid van de Unie inzake de beheersing van migratiestromen en integratie;

227.  vraagt zich af waarom de Commissie twee reeksen doelstellingen en indicatoren hanteert om de prestaties van haar financiële beheer te meten: aan de ene kant evalueren de directoraten-generaal van de Commissie in hun jaarlijkse activiteitenverslagen de verwezenlijking van de doelstellingen die zijn vastgelegd in hun beheersplannen, en aan de andere kant meet de Commissie de prestaties van uitgavenprogramma's aan de hand van de programmaverklaringen over de operationele uitgaven, die bij de ontwerpbegroting zijn gevoegd; verzoekt de Commissie haar verslaglegging te baseren op één enkele reeks doelstellingen en indicatoren;

228.  wijst erop dat informatie over prestaties voornamelijk wordt gebruikt op het niveau van de DG’s om programma’s en beleid te beheren; is bezorgd dat de DG’s in het algemeen geen gebruik maken van kernprestatieverslagen om hun prestaties van de Uniebegroting te beheren, aangezien de informatie over prestaties die tegemoetkomt aan de behoeften van het dagelijks beheer, niet aansluit op de externe rapportageverantwoordelijkheden van de DG’s en de Commissie;

229.  wijst erop dat de DG's of de Commissie niet verplicht zijn in hun prestatieverslagen toe te lichten hoe informatie over prestaties gebruikt werd in de besluitvorming; verzoekt de Commissie informatie hierover op te nemen in haar toekomstige prestatieverslagen;

230.  betreurt opnieuw dat de jaarlijkse activiteitenverslagen geen verklaring bevatten over de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens over de prestaties, en dat het college van commissarissen bijgevolg bij de goedkeuring van het AMPR de algehele politieke verantwoordelijkheid voor het beheer van de Uniebegroting op zich neemt, maar niet voor de informatie over de prestaties en resultaten;

231.  wijst erop dat de mededeling aan de Commissie inzake governance in de Europese Commissie van 21 november 2018 niet voorziet in een wijziging van het onderscheid tussen de politieke verantwoordelijkheid van commissarissen en de operationele verantwoordelijkheid van directeuren-generaal, die bij de administratieve hervorming van 2000 is geïntroduceerd; merkt op dat niet altijd duidelijk is of "politieke verantwoordelijkheid" de verantwoordelijkheid voor de directoraten-generaal omvat of hiervan moet worden onderscheiden;

232.  herhaalt de conclusie uit het controleverslag 2017 van de Rekenkamer dat "de Commissie beter gebruik [moet] maken van haar eigen informatie over prestaties en een interne cultuur moet ontwikkelen die meer prestatiegericht is"; verzoekt de Commissie derhalve om in haar hele beleidscyclus een prestatiegerichte begrotingsbenadering te integreren;

233.  betreurt het dat het "Jaarverslag over de tenuitvoerlegging van de instrumenten van de Europese Unie voor de financiering van externe maatregelen" van de Commissie steeds later wordt gepubliceerd, wat in de praktijk een belemmering vormt voor het toezicht en de publieke verantwoording van het Parlement, aangezien het verslag van 2016 pas in maart 2018 verscheen en het verslag van 2017 nog altijd niet is gepubliceerd; verzoekt de Commissie het verslag van 2018 uiterlijk in september 2019 te publiceren en ook in de daaropvolgende jaren deze termijn aan te houden;

234.  merkt op dat een aantal tekortkomingen zijn vastgesteld in de prestatiemetingssystemen van de autoriteiten van de lidstaten, die grotendeels verband hielden met projecten die zijn afgerond in de periode 2007-2013; verzoekt de Commissie het algemene systeem voor prestatiemeting te verbeteren, onder meer door de aanwezigheid van resultaatindicatoren op projectniveau, zodat het mogelijk wordt de bijdrage van een bepaald project aan specifieke operationele programmadoelstellingen te beoordelen; merkt op dat de wetgeving voor de programmeringsperiode 2014-2020 de interventielogica en de nadruk op resultaten heeft versterkt;

235.  herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om, gezien de talrijke financieringsbronnen, een gemakkelijke toegang – in de vorm van één loket – tot projecten te bieden om de burgers in staat te stellen de ontwikkelingen en de financiering van infrastructuur die door EU-fondsen en het EFSI wordt medegefinancierd, duidelijk te volgen; spoort de Commissie derhalve aan om samen met de lidstaten een jaarlijks overzicht te publiceren van de vervoers- en toerismeprojecten die met EFRO-middelen en cohesiemiddelen medegefinancierd zijn, zoals ook gebeurt bij de CEF;

236.  verzoekt de Commissie om:

   a) de verslaglegging over prestaties te stroomlijnen door:
   het aantal doelstellingen en indicatoren dat zij voor haar verschillende prestatieverslagen gebruikt, verder te verminderen en zich op die doelstellingen en indicatoren te richten waarmee de prestaties van de begroting van de Unie het beste kunnen worden gemeten;
   de afstemming tussen algemene doelstellingen op hoog niveau en specifieke programma- en beleidsdoelstellingen te verbeteren;
   b) de verslaglegging over prestaties evenwichtiger te maken door de informatie over de belangrijkste uitdagingen van de Unie die nog moeten worden aangepakt duidelijk weer te geven;
   c) een verklaring af te leggen over de kwaliteit van de gerapporteerde gegevens over de prestaties;
   d) in het AMPR de algehele politieke verantwoordelijkheid voor de informatie over de prestaties en resultaten op zich te nemen;
   e) bijgewerkte informatie over prestaties op te nemen in de verslaglegging over prestaties, onder meer in het AMPR, betreffende de vooruitgang die is geboekt met betrekking tot de verwezenlijking van de streefdoelen, en altijd maatregelen te nemen of voorstellen voor dergelijke maatregelen te doen wanneer deze streefdoelen niet worden gehaald;
   f) aan te geven hoe informatie over prestaties betreffende de begroting van de Unie in de besluitvorming is gebruikt;
   g) maatregelen en stimulansen te introduceren om ervoor te zorgen dat in de interne cultuur van de Commissie meer de nadruk komt te liggen op prestaties, rekening houdend met de bijzondere mogelijkheden die worden geboden door het herziene Financieel Reglement, het initiatief inzake een resultaatgerichte begroting, verslaglegging over de prestaties van lopende projecten enzovoort;
   h) methoden te ontwikkelen voor de verwerking van de enorme hoeveelheden gegevens die bij de prestatieverslaglegging worden gecreëerd, teneinde de behaalde resultaten tijdig, eerlijk en reëel in beeld te brengen; dringt erop aan dat de prestatieverslaglegging als basis moet dienen voor corrigerende maatregelen wanneer de doelstellingen van een programma niet worden gehaald;

237.  beveelt de Rekenkamer aan in haar jaarverslag een afzonderlijk hoofdstuk over veiligheid en burgerschap op te nemen en haar analyse in dit verband te verdiepen, aangezien het openbaar en politiek belang van het deel van de begroting van de Unie voor veiligheid en migratie veel hoger is dan zijn financiële aandeel;

238.  verzoekt de Commissie het EP een overzicht te verstrekken van de gevallen bij door de Unie gefinancierde cohesie- en plattelandsontwikkelingsprojecten waarbij de EU-vergoeding hoger is dan de daadwerkelijk voor een bepaald project gemaakte kosten zonder btw;

239.  is verheugd over het voorstel in het raadplegingsdocument van de Rekenkamer betreffende de regelmatige verslaglegging over de prestaties van Unie-acties ("Recurrent reporting on the performance of EU action") om jaarlijks in november van het jaar n+1 een evaluatieverslag over de prestaties van EU-acties te publiceren, dat een gedetailleerde doorlichting bevat van de prestatiegegevens die door de Commissie worden gerapporteerd in haar in artikel 318 VWEU bedoelde evaluatieverslag; benadrukt andermaal dat dit verslag een tweede deel dient te omvatten met een gedetailleerde analyse van het samenvattend verslag over het financieel beheer van de Commissie dat is opgenomen in het tweede deel van het jaarlijks beheers- en prestatieverslag;

240.  brengt in herinnering dat het uiteindelijke doel van een meer prestatiegerichte auditanalyse moet zijn om een algemeen en consistent model in te voeren dat niet alleen is gebaseerd op de beoordeling van de uitvoering van de Europese begroting, maar ook op de verwezenlijking van toegevoegde waarde en de doelstellingen van een politieke strategie van de EU voor de periode 2021-2027 die de Europa 2020-strategie moet vervangen;

241.  dringt erop aan dat de Rekenkamer de coördinatie tussen de prestatiebeoordelingen op projectniveau, die zij verricht in verband met haar werkzaamheden inzake betrouwbaarheidsverklaringen, en haar overige prestatiegerelateerde werkzaamheden moet verbeteren, met name door de belangrijkste conclusies van haar speciale verslagen op te nemen in sectorale hoofdstukken van haar jaarverslag; is van mening dat dit zinvol is om de systematische samenwerking van zijn sectorale beleidscommissies bij het gebruiken van de producten van de Rekenkamer te verbeteren en te versterken;

242.  verzoekt de Rekenkamer de kwijtingsautoriteiten zowel een nalevings- als een prestatiegerichte beoordeling van alle Europese beleidslijnen te doen toekomen, dat hoofdstuk voor hoofdstuk alle begrotingsonderdelen in het jaarverslag van de Rekenkamer volgt;

243.  dringt erop aan dat de Rekenkamer uitvoerig follow-up geeft aan haar aanbevelingen van doelmatigheidscontroles;

244.  benadrukt dat de rechten van de vrouw en gendergelijkheid op alle beleidsterreinen in acht moeten worden genomen en moeten worden gewaarborgd; pleit daarom opnieuw voor de toepassing van genderbudgettering in alle stadia van de begrotingsprocedure, met inbegrip van de uitvoering van de begroting en de beoordeling van deze uitvoering;

245.  herhaalt zijn verzoek om in de gemeenschappelijke reeks resultaatindicatoren voor de uitvoering van de begroting van de Unie eveneens genderspecifieke indicatoren op te nemen, met inachtneming van het beginsel van goed financieel beheer, namelijk overeenkomstig de beginselen van zuinigheid, efficiëntie en doeltreffendheid;

Berekening en rapportage van het foutenpercentage

246.  is van mening dat de door de Commissie toegepaste methode voor de schatting van het foutenpercentage bij de vaststelling van het risicobedrag in de afgelopen jaren is verbeterd, maar dat de schattingen van het percentage onregelmatige betalingen door de afzonderlijke DG's niet zijn gebaseerd op een consistente methode en dat de jaarlijkse activiteitenverslagen van de DG's en het jaarlijkse activiteitenverslag een complexe terminologie gebruiken die verwarrend zou kunnen zijn;

247.  merkt in het bijzonder op dat de diensten van de Commissie ten minste de volgende concepten toepassen: restfoutenpercentage, gerapporteerde foutenpercentage, foutenpercentage bij betaling, ontdekte foutenpercentage in het jaar, netto restfoutenpercentage, gewogen gemiddeld foutenpercentage, foutenpercentage bij afsluiting of gemeenschappelijk representatief foutenpercentage;

248.  wijst er bovendien op dat de DG's van de Commissie hun schattingen van het risicobedrag voor meer dan driekwart van de uitgaven in 2017 baseren op door de nationale autoriteiten verstrekte gegevens, hoewel uit de jaarlijkse activiteitenverslagen van de betrokken directoraten-generaal van de Commissie (DG AGRI en DG REGIO) blijkt dat de betrouwbaarheid van de controleverslagen van de lidstaten een probleem blijft;

249.  neemt kennis van het feit dat het gerapporteerde totale risicobedrag bij betaling, zoals geraamd door de Commissie in haar AMPR 2017, gebaseerd is op cijfers van de afzonderlijke diensten die verantwoordelijk zijn voor uitgavenprogramma's die gebruikmaken van verschillende methoden voor de berekening van het foutenpercentage die voortvloeien uit verschillende wettelijke en organisatorische kaders; onderstreept dat een verdere harmonisatie van de berekeningsmethoden de geloofwaardigheid, verantwoording en transparantie van het gerapporteerde totale risicobedrag zou verhogen en een duidelijk beeld geeft van de situatie met betrekking tot het restfoutenpercentage en het betalingsrisico in de toekomst;

250.  is bovendien bezorgd dat in het jaarverslag over het beheer en de prestaties zeer verschillende cijfers worden vergeleken en dat het daarom misleidend is, aangezien het geschatte foutenpercentage van de Rekenkamer een foutenpercentage bij de betaling en zonder aftrek van correcties is, terwijl het totale risicobedrag van de Commissie dat in het jaarlijkse beheers- en prestatierapport wordt gerapporteerd, wordt berekend na aftrek van correcties; vindt het dan ook onmogelijk om goede vergelijkingen te maken of betrouwbare conclusies te trekken; staat achter de benadering van de Rekenkamer waarbij het foutenpercentage wordt berekend zonder toepassing van correcties; verzoekt de Commissie in alle jaarlijkse activiteitenverslagen, alsook in het AMPR, foutenpercentages aan te geven zonder en met correcties; zou het op prijs stellen indien de Rekenkamer, om een oplossing te vinden voor deze onvergelijkbaarheid, advies uitbrengt over het foutenpercentage na correctie van de Commissie;

251.  verzoekt de Commissie in dit verband haar methoden voor de berekening van de foutenpercentages verder te harmoniseren met de Rekenkamer, rekening houdend met de verschillende beheersmethoden en rechtsgrondslagen en tegelijkertijd de foutenpercentages vergelijkbaar te maken, en een duidelijk onderscheid te maken tussen het risicobedrag met en zonder geïntegreerde financiële correcties; verzoekt de Commissie ook informatie te verstrekken over het corrigerend vermogen om ten onrechte betaalde bedragen uit de Uniebegroting terug te vorderen;

252.  herhaalt zijn bezorgdheid over het verschil tussen de methoden van de Commissie en de Rekenkamer voor het berekenen van fouten, waardoor een goede vergelijking van de door hen gerapporteerde foutenpercentages niet mogelijk is; benadrukt dat de Commissie, om een betrouwbare vergelijking te kunnen maken tussen de door de Commissie in haar jaarlijkse activiteitenverslagen en de jaarlijkse activiteitenverslagen van de directoraten-generaal gepresenteerde foutenpercentages en de percentages die door de Rekenkamer worden ingeschat, bij de beoordeling van het foutenpercentage een methode moet gebruiken die gelijkwaardig is aan die van de Rekenkamer en dat beide instellingen op dit punt dringend een akkoord moeten sluiten; verzoekt de Commissie om de gegevens op te presenteren op een manier die overeenstemt met de door de Rekenkamer vastgestelde methode en daarbij de geschatte correcties in aanmerking te nemen;

253.  verzoekt de Commissie en de lidstaten nogmaals deugdelijke procedures in te voeren om de timing, de herkomst en de bedragen van de corrigerende maatregelen te bevestigen en informatie te verstrekken die zoveel mogelijk aansluit bij het jaar waarin de betalingen worden verricht, het jaar waarin de desbetreffende fout wordt vastgesteld en het jaar waarin terugvorderingen of financiële correcties in de toelichting bij de rekeningen worden vermeld; verzoekt de Rekenkamer het correctiepercentage dat is toegepast bij de berekening van het foutenpercentage en het oorspronkelijke foutenpercentage vóór correctie in haar jaarverslag op te nemen;

254.  betreurt dat het AMPR niet door de Rekenkamer is gecontroleerd, terwijl een aantal jaarlijkse activiteitenverslagen (AAR’s), en met name die van DG EMPL en DG REGIO, door de Rekenkamer zijn onderzocht; verzoekt de Rekenkamer het AMPR in haar jaarverslag zorgvuldig te onderzoeken en te beoordelen;

Tijdige absorptie en prestaties

255.  wijst erop dat het lage absorptiepercentage voornamelijk te wijten was aan de latere afsluiting van het vorige MFK, de laattijdige vaststelling van rechtshandelingen, moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van de nieuwe voorschriften voor het huidige MFK, de wijziging van de vrijmakingsregels van n+2 in n+3 en de administratieve last waarmee de overlapping tussen de MFK-perioden gepaard gaat;

256.  betreurt het feit dat de Commissie nog geen alomvattende langetermijnprojectie ter ondersteuning van de besluitvorming voor het volgende MFK heeft gemaakt die volledig overeenstemt met het interinstitutioneel akkoord;

257.  merkt op dat de trage absorptie van middelen in sommige landen een probleem blijft; is daarom van mening dat het verstandig is de bestaande "taskforce voor een betere tenuitvoerlegging" te handhaven; merkt ook op dat de Commissie een "Catching-up Regions"-initiatief heeft opgezet; wijst in dit verband op het risico dat aan het einde van de financiële termijn een enorme achterstand op het gebied van de vastleggingskredieten kan ontstaan;

Belangenconflicten, rechtsstaat en bestrijding van fraude en corruptie

258.  betreurt elke dreigende schending van de waarden van artikel 2 VEU en de niet-naleving van artikel 61, lid 1, van het Financieel Reglement betreffende belangenconflicten, waardoor de uitvoering van de begroting van de Unie in het gedrang kan komen en het vertrouwen van de burgers van de Unie in een goed beheer van het geld van de belastingbetalers van de Unie kan worden ondermijnd; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat een nultolerantiebeleid wordt gevoerd zonder dubbele normen ten aanzien van elke schending van het Unierecht en ten aanzien van belangenconflicten;

259.  verzoekt de Commissie gevolg te geven aan de resolutie van het Europees Parlement van 17 mei 2017 over de situatie in Hongarije, de aanbeveling van de Commissie over de rechtsstaat in Polen ter aanvulling van de Aanbevelingen (EU) 2016/1374, (EU) 2017/146 en (EU) 2017/1520 van de Commissie, en het met redenen omkleed voorstel krachtens artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake de rechtsstaat in Polen van 20 december 2017;

260.  herinnert aan het onderzoek dat door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is ingesteld naar de projecten "ELIOS" en "Hart van Boedapest", waarbij ernstige onregelmatigheden werden vastgesteld; wijst erop dat in het eerste geval een klein bedrag kon worden teruggevorderd, terwijl de Hongaarse autoriteiten in het laatste geval een financiële correctie hebben aanvaard, die echter nog niet is uitgevoerd; merkt op dat de zaak betreffende metrolijn 4 nog steeds onderwerp is van een gerechtelijke procedure; wijst er daarnaast op dat er in Slowakije een OLAF-onderzoek loopt naar beschuldigingen van fraude, en dat de Commissie momenteel zes conformiteitsonderzoeken uitvoert met betrekking tot rechtstreekse betalingen;

261.  herinnert met bezorgdheid aan de resultaten van de missies van de Commissie begrotingscontrole van het Europees Parlement (CONT) naar Slowakije, die een reeks tekortkomingen en risico's voor het beheer en de controle van Uniemiddelen en een risico van infiltratie door de georganiseerde misdaad aan het licht hebben gebracht, met name in de context van de moord op de onderzoeksjournalist Ján Kuciak; verzoekt de Commissie en OLAF in dit verband de conclusies en aanbevelingen van de Commissie CONT, zoals uiteengezet in haar missieverslag, om de situatie actief te volgen, de nodige maatregelen te nemen en het Parlement op de hoogte te houden van de follow-up;

262.  verzoekt de Commissie als prioriteit een gezamenlijke Europese strategie te ontwikkelen voor de actieve vermijding van belangenconflicten, met een aangepaste strategie voor controle vooraf en achteraf; verzoekt de Commissie, OLAF en het toekomstige Europees Openbaar Ministerie in deze strategie de bescherming van zowel klokkenluiders als onderzoeksjournalisten op te nemen;

263.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat in elke lidstaat actieplannen inzake belangenconflicten worden opgesteld en uitgevoerd en verslag uit te brengen bij het Parlement over de vooruitgang die hiermee wordt geboekt;

264.  is ingenomen met het feit dat de Commissie bijeenkomsten van commissarissen met belangenvertegenwoordigers bekendmaakt; betreurt echter dat de inhoud van die besprekingen niet in het desbetreffende register wordt vermeld; verzoekt de Commissie het register te vervolledigen door daarin de inhoud van de besprekingen te vermelden;

265.  wijst erop dat de situatie in een groot aantal lidstaten volgens de corruptie-index van 2018 niet is verbeterd of zelfs is verslechterd; verzoekt de Commissie om bij het Parlement eindelijk een follow-up in te dienen van het corruptiebestrijdingsverslag van 2015, waarin zij, bij voorkeur op jaarbasis, een beschrijving geeft van de situatie met betrekking tot het corruptiebestrijdingsbeleid in de lidstaten en bij de Europese instellingen;

266.  onderstreept dat, volgens de sinds januari 2018 geldende gedragscode voor commissarissen, voormalige commissarissen gedurende een periode van twee jaar na hun ambtstermijn niet bij commissarissen of hun medewerkers mogen lobbyen voor hun eigen zakelijke belangen of die van opdrachtgevers of cliënten met betrekking tot aangelegenheden waarvoor zij binnen hun mandaat verantwoordelijk waren; verzoekt de Commissie om deze afkoelingsperiode in overeenstemming te brengen met die welke voor de voorzitter geldt, dat wil zeggen te verlengen tot drie jaar;

267.  is ingenomen met de bevindingen en aanbevelingen van de Ombudsman in haar besluit in het onderzoek OI/6/2014/NF betreffende de vraag hoe de Commissie "draaideurgevallen" onder haar medewerkers aanpakt; ondersteunt de aansporing van de Ombudsman aan het adres van de Commissie om zelf het goede voorbeeld te blijven geven, maar om een krachtigere aanpak te hanteren bij haar beoordeling van senior medewerkers die het EU-ambtenarenapparaat verlaten; dringt er bij de Commissie op aan de door de Ombudsman gesuggereerde verbeteringen door te voeren en voort te bouwen op de door haar vastgestelde goede transparantiepraktijken;

268.  benadrukt dat het ethisch comité voor belangenconflicten proactief adviezen dient uit te brengen, met name als het gaat om commissarissen die uit dienst treden; onderstreept voorts dat de samenstelling van het ethisch comité moet worden versterkt met leden van internationale organisaties, zoals de OESO, en ngo's met deskundigheid op het gebied van integriteitsbeleid;

269.  herinnert eraan dat het Europees Parlement in zijn resolutie van 18 april 2018 over het integriteitsbeleid van de Commissie uiting heeft gegeven aan zijn bezorgdheid over de benoemingsprocedures voor hooggeplaatste ambtenaren bij de Commissie; verzoekt de Commissie de discussie met het Parlement over de uitvoering van de verschillende aanbevelingen in de resolutie van het Parlement voort te zetten;

270.  is ernstig verontrust over de verklaring in de reactie van de Europese Commissie van 15 maart 2019, waarin wordt erkend dat "de secretaris-generaal heeft bijgedragen tot een correcte vaststelling van de antwoorden die op hem betrekking hebben om ervoor te zorgen dat deze volledig en exhaustief zijn", hetgeen absoluut in strijd is met artikel 11bis van het Statuut (Titel II: Rechten en plichten van de ambtenaren)(10).

(1) 1. AMPR blz. 81: "De belangrijkste verandering ten opzichte van 2016 is de aanzienlijke daling bij Cohesie, Migratie en Visserij. Op dit beleidsterrein komen de huidige programma's voor de periode 2014-2020 op kruissnelheid. Deze programma's houden een inherent lager risico in gezien de onlangs ingevoerde jaarlijkse goedkeuring van de rekeningen en het mechanisme om 10 % van de tussentijdse betalingen in te houden totdat alle controles en corrigerende maatregelen zijn uitgevoerd (zie onder "geboekte vooruitgang" in punt 2.2)".
(2) De Agrofert Holding is de grootste groep in de Tsjechische landbouw en voedingsindustrie, de op een na grootste in de chemische industrie, en speelt ook een belangrijke rol in de bosbouw. Bovendien is het eigenaar van de MAFRA Publishing Company, die enkele van de populairste gedrukte en online-media publiceert, zoals MF DNES, Lidové noviny en iDnes.
(3) a) een lijst van alle met Agrofert verband houdende projecten die sinds het aantreden van de huidige premier als minister van Financiën in 2012 zijn gefinancierd met middelen uit het EFRO, het CF, het ESF en het Elfpo, met vermelding of deze projecten nog gaande zijn of reeds zijn afgerond; b) de reeds uitbetaalde dan wel nog te betalen bedragen (en het betrokken fonds) die zijn toegekend aan deze ondernemingen of andere ondernemingen van de Agrofert-groep; c) de tijdstippen van toekenning en betaling van die bedragen; d) informatie over de vraag of de betrokken projecten het voorwerp waren van controles (van administratieve aard of ter plekke) met betrekking tot de bedoelde financiering en over de resultaten van die controles;
(4) PB C 88 van 27.3.2014, blz. 1.
(5) Speciaal verslag nr. 9/2018: Publiek-private partnerschappen in de EU: algemeen voorkomende tekortkomingen en beperkte voordelen.
(6) Verordening (EU) nr. 233/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking voor de periode 2014-2020 (PB L 77 van 15.3.2014, blz. 44).
(7) Arrest in hoger beroep van het HvJ-EU in de gevoegde zaken C-183/17 en C-184/17 P waarmee het arrest van het Gerecht van de EU van 02/02/2017 in Zaak T-381/15 nietig wordt verklaard.
(8) Zaak PHA nr. 2017-03.
(9) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(10) "Tenzij hierna anders is bepaald, mag een ambtenaar bij de uitoefening van zijn functie geen aangelegenheden behandelen waarbij hij, direct of indirect, enig persoonlijk belang, met name van familiale of financiële aard, heeft dat zijn onafhankelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen".

Laatst bijgewerkt op: 28 maart 2019Juridische mededeling