Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2219(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0088/2019

Ingediende teksten :

A8-0088/2019

Debatten :

PV 26/03/2019 - 12
CRE 26/03/2019 - 12

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 13.2
CRE 26/03/2019 - 13.2

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0243

Aangenomen teksten
PDF 258kWORD 88k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Kwijting 2017: Speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017
P8_TA-PROV(2019)0243A8-0088/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over de speciale verslagen van de Rekenkamer in het kader van de verlening van kwijting aan de Commissie voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2219(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de speciale verslagen van de Rekenkamer overeenkomstig artikel 287, lid 4, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8‑0370/2018)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien zijn besluit van 26 maart 2019 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie(5) en zijn opmerkingen in de resolutie die een integrerend deel uitmaakt van dat besluit;

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan de Commissie te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05824/2019 – C8-0053/2019),

–  gezien de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(6), en met name de artikelen 62, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(7), en met name de artikelen 69, 260, 261 en 262,

–  gezien artikel 93 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0088/2019),

A.  overwegende dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de begroting uitvoert en de programma's beheert en dit overeenkomstig artikel 317 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in samenwerking met de lidstaten doet onder haar eigen verantwoordelijkheid en overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer;

B.  overwegende dat de speciale verslagen van de Rekenkamer informatie bevatten over belangrijke aspecten van de besteding van financiële middelen, en dat deze informatie nuttig is voor het Parlement bij het uitoefenen van zijn taken als kwijtingsautoriteit;

C.  overwegende dat zijn opmerkingen over de speciale verslagen van de Rekenkamer een integrerend deel uitmaken van bovenvermeld besluit van het Parlement van 26 maart 2019 tot het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling III – Commissie;

Deel I – Speciaal verslag nr. 15/2017 van de Rekenkamer getiteld "Ex-antevoorwaarden en prestatiereserve bij cohesie: innovatieve, maar vooralsnog geen doeltreffende instrumenten"

1.  neemt kennis van de bevindingen en conclusies van de Rekenkamer, en betreurt het dat de Commissie daar geen rekening mee heeft gehouden bij het formuleren van voorstellen voor desbetreffende regels voor de volgende programmeringsperiode;

2.  betreurt het in het bijzonder dat enkele van de criteria die de Commissie in haar voorstel voor de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen 2021-2027 heeft voorgesteld, de uitvoering van de bijbehorende specifieke doelstellingen misschien niet beïnvloeden en de doeltreffendheid en efficiëntie van het cohesiebeleid niet wezenlijk zouden verbeteren, in tegenstelling tot wat er in de aanbeveling van de Rekenkamer te lezen is in dit verband;

3.  herinnert eraan dat ex-antevoorwaarden voor de periode 2014-2020 werden ingevoerd om de implementatie van de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESIF) te vergemakkelijken door te voorzien in de noodzakelijke precondities voor het doeltreffende en efficiënte gebruik van EU-steun;

4.  vestigt er de aandacht op dat de Rekenkamer evenwel betwijfelt of de introductie van ex-antevoorwaarden daadwerkelijk tot veranderingen in de praktijk heeft geleid, en dát hoewel de Rekenkamer vindt dat ze wel degelijk een kader vormden voor het beoordelen van de mate waarin de lidstaten in staat zijn het cohesiebeleid ten uitvoer te leggen;

5.  onderstreept dat indien ex-antevoorwaarden in de volgende programmeringsperiode worden gehandhaafd en worden vervangen door randvoorwaarden, deze aan moeten sluiten bij de nationale en regionale context, op prikkels moeten stoelen, en dienstig moeten zijn aan een soepele implementatie van regionale ontwikkelingsdoelstellingen, én dat overlappingen, dubbelzinnigheden en interpretatieverschillen uitgesloten moeten zijn;

6.  stelt vast dat op het moment van goedkeuring van de ESIF-programma's aan ongeveer 75 % van alle toepasselijke ex-antevoorwaarden werd voldaan, dat dit aan het begin van 2017 86 % was en 99 % in mei 2018, hetgeen aangeeft dat het aan de ex-antevoorwaarden voldoen langer duurde dan de periode zoals bedoeld in Verordening (EU) nr. 1303/2013 (de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen), en dat op het moment van de deadline (december 2016) aan ongeveer 15 % van de ex-antevoorwaarden nog niet was voldaan;

7.  onderkent dat ex-antevoorwaarden een bijkomende administratieve last zijn geweest en, zoals aangegeven door de Commissie, één van de mogelijke redenen voor de geconstateerde vertragingen bij de implementatie van de ESIF 2014-2020; onderkent daarnaast dat hoewel er tegen eind 2016 geen gevallen waren geweest waarin de Commissie de betalingen aan programma's moest opschorten in verband met het niet voldoen aan ex-antevoorwaarden, beheerautoriteiten wel hebben afgezien van het indienen van betalingsclaims, waarmee dus sprake was van een vorm van zelfrestrictie en vertraging van de implementatie, erin resulterend dat de absorptie aan het eind van het vierde jaar van de huidige periode (2017) aanzienlijk lager was dan de absorptie op de dienovereenkomstige datum (eind 2010) van de voorgaande periode (2007-2013) (17 %, respectievelijk 41 %), hetgeen eens te meer de vraag opwerpt naar de meerwaarde van ex-antevoorwaarden als een instrument dat bedoeld is om de implementatie van het cohesiebeleid te vergemakkelijken;

8.  beklemtoont, wat de tijd tot het eind van de huidige programmeringsperiode betreft, dat het essentieel is dat de Commissie de lidstaten de noodzakelijke bijstand verleent om aan de overblijvende ex-antevoorwaarden te voldoen, alsmede om uitvoering te geven aan de bepalingen inzake openbare aanbestedingen, respectievelijk staatssteun;

9.  neemt nota van het standpunt van de Rekenkamer dat de opname van de prestatiereserve in het prestatiekader bedoeld was als een prikkel om de beoogde outputs en resultaten te behalen;

10.  is het eens met het standpunt van de Rekenkamer dat – in het algemeen – het prestatiekader 2014-2020 niet aanzienlijk méér resultaatgericht is dan vergelijkbare regelingen in voorgaande perioden, in de zin dat het zich in essentie richt op uitgaven en projectoutputs, waarbij verreweg de meeste indicatoren die de basis vormen voor het toekennen van de prestatiereserve outputindicatoren (57,1 %), financiële indicatoren (33,4 %) en indicatoren van de belangrijkste uitvoeringsstappen (9,2 %) zijn, met – jammer genoeg – een marginaal gebruik van resultaatindicatoren (0,3 %);

11.  stelt in dit verband vast dat, zoals bepaald in bijlage II bij de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen, mijlpalen voor intermediaire streefdoelen in verband met de implementatie van resultaatindicatoren voor toepassing in het prestatiekader alleen 'in voorkomend geval' waren voorzien, in tegenstelling tot de verplichte opname van mijlpalen in verband met de implementatie van outputindicatoren die nauw verband houden met de ondersteunende beleidsinterventies;

12.  is van oordeel dat het besluit om de programma's voor elke lidstaat in 2019 aan een prestatie-evaluatie te onderwerpen erin heeft geresulteerd dat landen en regio's die hun mijlpalen hadden gehaald, toch niet vóór het laatste jaar van de periode over de aan hun toegewezen fondsen kunnen beschikken omdat die vastzitten in de prestatiereserve; dringt er derhalve op aan te voorzien in de mogelijkheid om de prestaties eerder aan een evaluatie te onderwerpen en, in het verlengde daarvan, eerder over de fondsen in kwestie te kunnen beschikken;

13.  verzoekt de Commissie om, indien de prestatiereserve ook in de periode ná 2020 wordt voortgezet, haar voorstel te stoelen op de lessen uit de periode 2014-2020 en het herziene prestatiekader zo vorm te geven dat het daadwerkelijke prikkels bevat voor een resultaatgericht systeem; is van oordeel dat een dergelijk systeem ook moet worden gekenmerkt door een noodzakelijk evenwicht tussen vereenvoudiging met het oog op een soepele uitvoering van projecten en de noodzakelijke bepalingen inzake goed financieel beheer en controle;

14.  herinnert eraan dat het cohesiebeleid in eerste instantie een kwestie is van steun en solidariteit, hetgeen betekent dat facilitering en prikkels geëigender instrumenten zijn dan disciplinaire maatregelen en sancties.

Deel II – Speciaal verslag nr. 19/2017 van de Rekenkamer getiteld "Invoerprocedures: tekortkomingen in het rechtskader en een ondoeltreffende uitvoering zijn van invloed op de financiële belangen van de EU"

15.  verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de lacunes in de inning van douanerechten die de Commissie bij de inspecties van de traditionele eigen middelen heeft vastgesteld, en op basis van die gegevens een volledige analyse op te stellen;

16.  verzoekt de Commissie informatie te verstrekken over de bedragen aan douanerechten die bij de lidstaten zijn gevorderd en ten behoeve van de begroting van de Unie zijn geïnd; is van mening dat het huidige systeem van stimulansen voor douanecontroles kan worden verbeterd;

17.  verzoekt de Commissie een analyse op te stellen van de maatregelen waarom de lidstaten in de mededelingen in het kader van de wederzijdse bijstand hebben verzocht, alsmede van de mate waarin de belangrijkste doelstelling, het behalen van gelijkwaardige resultaten, is verwezenlijkt;

18.  verzoekt de Commissie een beoordeling te maken van de kwantitatieve resultaten van de uitvoering van de EU-programma's "Douane 2020" en "Hercules III", die moeten zorgen voor de financiering van de uitwisseling van informatie en de samenwerking tussen de douanediensten bij het beschermen van de financiële belangen van de Unie tijdens het huidige meerjarig financieel kader (MFK);

19.  verzoekt de Commissie de mate van misbruik van de vrijstellingen voor zendingen met een te verwaarlozen waarde voor elektronische handel in goederen uit derde landen te onderzoeken;

Deel III – Speciaal verslag nr. 20/2017 van de Rekenkamer getiteld "Door de EU gefinancierde leninggarantie-instrumenten: positieve resultaten, maar betere gerichtheid op begunstigden en coördinatie met nationale regelingen zijn nodig"

20.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en de daarin opgenomen bevindingen en aanbevelingen;

21.  is verheugd over het feit dat de Commissie de meeste aanbevelingen heeft aanvaard en op basis hiervan actie zal ondernemen;

22.  is net als de Rekenkamer van mening dat financieringsinstrumenten alleen gebruikt moeten worden wanneer het niet mogelijk is een commerciële lening te verkrijgen, bijvoorbeeld omdat een project te kleinschalig of te riskant is of omdat de lener over onvoldoende onderpand beschikt; dringt er bij de Commissie op aan een methodologie te ontwikkelen voor het analyseren van het effect van garanties op het leenaanbod, de concurrentie tussen banken, en de innovatie-activiteit van ondernemingen, waarbij ook de verdeling van de impliciete subsidie tussen verlener en begunstigde wordt onderzocht;

23.  wijst de Commissie en de Rekenkamer erop dat de leninggarantiefaciliteit en de Mkb-garantiefaciliteit InnovFin mogelijkerwijs leningportefeuilles voor intermediairs creëren ter waarde van 24,42 miljard EUR waarop de kwijtingsautoriteit weinig zicht heeft, aangezien het hier om een uiterst gecompliceerd en ondoorzichtig systeem gaat;

24.  herhaalt het standpunt van het Parlement zoals verwoord in zijn resolutie van 27 april 2017 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van de besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015, afdeling III — Commissie en uitvoerende agentschappen:

   "20. wijst erop dat in de periode 2014-2020 in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van financieringsinstrumenten die voornamelijk uit leningen, eigenvermogensinstrumenten, garanties en risicodelingsinstrumenten onder indirect beheer bestaan, en wijst er voorts op dat de door de Europese Investeringsbank beheerde financiële instrumenten vrijwel allemaal onder indirect beheer staan; is van oordeel dat de informatie over de behaalde resultaten onvoldoende is om dergelijke instrumenten te beoordelen, met name met betrekking tot hun sociale en milieueffecten; benadrukt dat financieringsinstrumenten subsidies kunnen aanvullen, maar niet mogen vervangen;"

25.  herinnert commissaris Oettinger aan zijn voornemen de verschillende schaduwbegrotingen op termijn weer in de Uniebegroting te integreren; is van mening dat dit de democratische controleerbaarheid sterk zou verhogen; verzoekt de Commissie voor juni 2019 een mededeling op te stellen over de wijze waarop dit kan worden gedaan;

Deel IV – Speciaal verslag nr. 22/2017 van de Rekenkamer getiteld "Verkiezingswaarnemingsmissies – er zijn inspanningen geleverd om follow-up te geven aan de aanbevelingen, maar de monitoring moet beter"

26.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

27.  herinnert eraan dat de verkiezingswaarnemingsmissies van de EU een zeer zichtbaar instrument van het buitenlands beleid van de Unie zijn en ook een strategische doelstelling van het Parlement aangezien de hoofdwaarnemer van verkiezingswaarnemingsmissies een EP-lid is, alsook een instrument om de democratisering te bevorderen en het verkiezingsproces te verbeteren;

28.  is van mening dat – correct, eerlijk en objectief uitgevoerde – verkiezingswaarnemingsactiviteiten een belangrijke rol spelen in de publieksdiplomatie door onpartijdige beoordelingen en constructieve aanbevelingen aan te reiken die door nationale belanghebbenden, waaronder organisaties uit het maatschappelijk middenveld, kunnen worden opgevolgd;

29.  herinnert eraan dat er geen standaardmodel bestaat om de kwestie goed te beheren en dat er sprake moet zijn van flexibiliteit, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke situatie van het gastland;

30.  is van mening dat rechtstreekse raadpleging van belanghebbenden over de mogelijke aanbevelingen van de verkiezingswaarnemingsmissie vóór de afronding van het verslag betwistbaar is en dat dit voor een hoofdwaarnemer in geen geval een mogelijkheid mag zijn omdat de onafhankelijkheid van de verkiezingswaarnemingsmissie moet worden gewaarborgd;

31.  is van mening dat de follow-up van de verkiezingswaarnemingsmissies verder moet worden verbeterd in het kader van een politieke dialoog, onder meer met deelname van de ad-hocdelegaties van het Parlement, door eventueel nieuwe manieren zoals een verkiezingsdialoog te verkennen om het algemene verkiezingswaarnemingsproces, met name de feitelijke beoordeling van een verkiezingsproces, te verrijken;

32.  verzoekt de Europese Dienst voor extern optreden de effectieve uitvoering in derde landen van de aanbevelingen van verkiezingswaarnemingsmissies zo goed mogelijk te volgen, waarbij de soevereiniteit van elk land in acht wordt genomen en waarbij het Parlement wordt betrokken, alsook voldoende personele middelen van de delegaties van de Unie met adequate technische deskundigheid toe te wijzen aan deze belangrijke politieke taak, die nodig is op bepaalde door de verkiezingswaarnemingsmissies geïdentificeerde gebieden;

33.  is van mening dat het nuttig zou zijn te overwegen de hoofdwaarnemer in een vroeg stadium te betrekken bij de samenstelling van het kernteam van de verkiezingswaarnemingsmissie (met name voor bepaalde functies zoals de politiek adviseur, de verkiezingsdeskundige of het plaatsvervangend hoofd van de verkiezingswaarnemingsmissie) om een snelle, efficiëntere en consistentere inzet van verkiezingswaarnemingsmissies te vergemakkelijken;

34.  is van mening dat in dat verband de oprichting van een databank voor de verkiezingswaarnemingsmissies een waardevolle operationele optie is om de geloofwaardigheid en de transparantie van dit instrument en proces van de Unie op de middellange termijn te consolideren;

35.  dringt erop aan om in het algemeen meer nadruk te leggen op de duurzaamheid van de door het Europees instrument voor democratie en mensenrechten gefinancierde acties, met name in het kader van verkiezingswaarnemingsmissies, waar er aanzienlijke mogelijkheden zijn om de overdracht van kennis aan lokale actoren te intensiveren en de follow-up van aanbevelingen te verbeteren;

Deel V – Speciaal verslag nr. 23/2017 van de Rekenkamer getiteld "De Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad: de werkzaamheden aan een uitdagende opdracht voor de bankenunie zijn gestart, maar er is nog een lange weg te gaan"

36.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

37.  bekritiseert de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) omdat deze niet alle documentatie heeft verstrekt waar tijdens deze controle om is gevraagd; wijst de GAR erop dat de Rekenkamer krachtens het VWEU volledige toegang heeft tot alle documentatie van de gecontroleerde die noodzakelijk is voor de controle;

38.  betreurt dat de GAR sinds hij operationeel onafhankelijk is geworden met een personeelstekort kampt; verzoekt de GAR zijn inspanningen op het gebied van aanwerving te intensiveren, vooral door afwikkelings- en beleidsdeskundigen aan te trekken, ook op hoog niveau;

39.  is bezorgd over het huidige memorandum van overeenstemming tussen de GAR en de Europese Centrale Bank (ECB), waardoor niet wordt gewaarborgd dat de GAR consistent en tijdig alle informatie van de ECB ontvangt; verzoekt de GAR besprekingen met de ECB aan te gaan om de situatie te verbeteren;

Deel VI – Speciaal verslag nr. 1/2018 van de Rekenkamer getiteld "Gezamenlijke ondersteuning van projecten in de Europese regio's (Jaspers) - tijd voor een meer doelgerichte aanwending"

40.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer, haar bevindingen en de bereidheid van de Commissie om uitvoering te geven aan haar aanbevelingen;

41.  is ingenomen met het feit dat de inspanningen van Jaspers in sommige gevallen hebben geleid tot een betere capaciteit van de lidstaten om projecten voor te bereiden en dat de projecten van goede kwaliteit zijn, wat blijkt uit de snelle goedkeuring ervan door de Commissie;

42.  verzoekt de Commissie en de EIB ervoor te zorgen dat het programma zo wordt uitgevoerd dat het betere resultaten oplevert op het gebied van de administratieve capaciteit van de lidstaten;

43.  constateert dat de werkelijke kosten voor Jaspers en de financiële bijdrage van de Commissie tussen 2006 en 2016 aanvankelijk zijn gestegen en vervolgens stabiel zijn gebleven op ongeveer 30 miljoen EUR per jaar, waarbij de bijdrage van de Commissie tussen 70 en 80 % schommelde;

44.  is van mening dat begunstigden op een passend niveau moeten bijdragen aan de kosten van Jaspers;

45.  is van mening dat de taak van Jaspers, namelijk "(...) de lidstaten die in 2004 of later tot de Unie toetraden te voorzien van onafhankelijk, gratis advies om hen te helpen hoogwaardige voorstellen voor grote investeringsprojecten op te stellen voor financiering uit het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling van de Unie (...)", logischerwijs lichter zou moeten zijn geworden naarmate deze nieuwe lidstaten zich aanpassen aan de systemen en procedures van de Unie;

46.  is ten zeerste verontrust over de volgende opmerking van de Rekenkamer: "VIII. De EIB [Europese Investeringsbank] was niet bereid om informatie te verstrekken over de werkelijke kosten van het Jaspers-initiatief en de Commissie kon de plausibiliteit van de standaardkosten voor Jaspers die tot 2014 werden gebruikt voor personeel dat door de EIB werd gefinancierd, slechts gedeeltelijk aantonen";

47.  dringt erop aan dat de EIB de Rekenkamer alle informatie verstrekt die relevant is voor haar controlewerkzaamheden; verzoekt de Commissie alle nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de EIB in dit opzicht meewerkt.

Deel VII – Speciaal verslag nr. 2/2018 van de Rekenkamer getiteld "De doelmatigheid van de crisisbeheersing voor banken door de ECB"

48.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer over de doelmatigheid van de crisisbeheersing voor banken door de ECB, haar aanbevelingen en de bereidheid van de Commissie om alle aanbevelingen, op één na, uit te voeren;

49.  is uiterst bezorgd over het feit dat niet alle documenten of informatie waar de Rekenkamer om heeft gevraagd en die zij noodzakelijk achtte voor het uitvoeren van haar taak door de ECB aan de Rekenkamer zijn verstrekt, en verzoekt de ECB om dit beleid recht te zetten;

50.  is van mening dat de volledige medewerking van de ECB absoluut noodzakelijk is, dat daar nu werk van moet worden gemaakt en dat deze medewerking de transparantie en verantwoordingsplicht zou hebben verbeterd;

51.  moet helaas constateren dat de Rekenkamer niet de voornaamste externe accountant van de ECB is, en dat de Rekenkamer alleen bevoegd is om een doelmatigheidscontrole van de ECB uit voeren (artikel 27 van Protocol nr. 4, gehecht aan het VWEU);

52.  wijst op een duidelijke interinstitutionele onevenwichtigheid: terwijl het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) een belangrijke rol speelt bij het toezicht op de activiteiten van de ECB (artikel 35 van Protocol nr. 4), is aan de Rekenkamer slechts een bescheiden rol toebedeeld bij het verifiëren van het financiële beheer van de bank (het uitvoeren van een doelmatigheidscontrole), ten koste van de transparantie en de verantwoordingsplicht;

53.  verzoekt de lidstaten en de instellingen van de Unie daarom om de rol van de Rekenkamer ten opzichte van de ECB verder te ontwikkelen bij de volgende herziening van de Verdragen;

Deel VIII – Speciaal verslag nr. 3/2018 van de Rekenkamer getiteld "Controle van de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden"

54.  neemt kennis van het speciaal verslag van de Rekenkamer over de procedure voor macro-economische onevenwichtigheden (PMO), haar aanbevelingen en de bereidheid van de Commissie om het merendeel ervan uit te voeren;

55.  wijst erop dat de PMO deel uitmaakt van de procedure van het Europees Semester, die begint met de jaarlijkse groeianalyse en het waarschuwingsmechanismeverslag in de herfst van jaar n-1; als in het waarschuwingsmechanismeverslag, dat gebaseerd is op een scorebord van indicatoren en drempelwaarden, het mogelijke ontstaan van een specifiek probleem wordt gesignaleerd, wordt de desbetreffende lidstaat onderworpen aan een diepgaande evaluatie;

56.  merkt op dat als de Commissie naar aanleiding van de uitkomsten van de diepgaande evaluatie van oordeel is dat er sprake is van macro-economische onevenwichtigheden, zij het Europees Parlement, de Raad en de Eurogroep hiervan op de hoogte stelt; de Raad kan dan, op aanbeveling van de Commissie, een aanbeveling tot de betrokken lidstaat richten (overeenkomstig de procedure van artikel 121, lid 2, VWEU); deze preventieve PMO-maatregelen maken deel uit van de landspecifieke aanbevelingen;

57.  stelt samen met de Rekenkamer vast dat de aanbevelingen van de Raad onderhevig zijn aan politieke afwegingen; dit lijkt eerder regel dan uitzondering te zijn;

Deel IX – Speciaal verslag nr. 4/2018 van de Rekenkamer getiteld "EU-bijstand voor Myanmar/Birma"

58.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

59.  erkent de moeilijke politieke situatie en de complexe operationele uitdagingen waarmee de EDEO, de diensten van de Commissie en de delegatie van de Unie worden geconfronteerd, met name in de deelstaten Rakhine, Kachin en Shan;

60.  verzoekt de EDEO en de Commissie om verder te werken aan een breed en ambitieus programma voor ontwikkelingssamenwerking op de lange termijn, en daarbij gebruik te maken van alle beschikbare middelen, om Myanmar te helpen zijn algemene ontwikkelingsstrategie uit te bouwen en te verfijnen en tegelijkertijd geleidelijk een kader voor de beoordeling van nationale resultaten uit te tekenen met instrumenten om de impact en duurzaamheid van de steun te meten;

61.  pleit ervoor een passende beleidsmix vast te stellen voor het optreden van de Unie en de keuze van de belangrijkste ontwikkelingssectoren, op basis van een regelmatige sectorale evaluatie van de behoeften, teneinde de levensvatbaarheid, het aanvullende karakter en de duurzaamheid van de projecten te verbeteren; wenst dat de resultaten van de strategische beoordeling van het land, die in 2018 wordt afgerond, zo spoedig mogelijk aan het Parlement worden voorgelegd;

62.  acht het tevens noodzakelijk om blijk te geven van voldoende flexibiliteit bij de vaststelling van de steunprogramma's en bij de tenuitvoerlegging ervan, in bijzonder moeilijke politieke en operationele omstandigheden, om de nationale capaciteiten op systematischer wijze te versterken en een passende geografische dekking te verzekeren, rekening houdend met het reële absorptievermogen van het land;

63.  betreurt dat de Commissie de regionale geografische prioriteiten van haar steun onvoldoende heeft gedefinieerd; wijst erop dat de eerste studie over de specifieke behoeften van de deelstaat Rakhine pas in 2017 werd uitgevoerd; meent dat een specifieke evaluatie van deze deelstaat de prioriteit van de delegatie van de Unie had moeten zijn vanaf haar aankomst in 2013;

64.  pleit voor capaciteitsopbouw in de openbare sector en voor de versterking van de institutionele structuren om het kader te creëren voor een meer verantwoord bestuur, waarbij meer strategische steun wordt toegekend aan de belangrijkste controle-instanties van het land;

65.  herinnert eraan dat staatsopbouw centraal moet staan in de ontwikkelingsstrategie van de Unie, overeenkomstig de beginselen voor optreden in een onstabiele context, met name het versterken van de instellingen, de transparantie en de doeltreffendheid van het beheer van de overheidsfinanciën, alsook een versterkte politieke dialoog;

66.  is voorstander van nauwere samenwerking op het terrein met de internationale partners, om de kosteneffectiviteit van multidonoracties te verbeteren, aangezien een doeltreffende coördinatie tussen de donoren een essentiële voorwaarde blijft om overlappingen en versnippering van de steun te voorkomen;

67.  betreurt de tekortkomingen die zijn vastgesteld bij de uitwisseling van informatie tussen DG DEVCO en DG ECHO in de deelstaten Rakhine en Kachin; betreurt dat het tot september 2016 heeft geduurd alvorens een procedure voor de uitwisseling van informatie tussen de twee directoraten-generaal werd opgezet; dringt in dit verband aan op een betere afstemming van de humanitaire hulp en de ontwikkelingshulp, alsook op een betere koppeling van noodhulp, herstel en ontwikkeling (LRRD) middels een permanent LRRD-interdienstenplatform; is van oordeel dat waar mogelijk gewerkt moet worden volgens geïntegreerde benaderingswijzen, met duidelijk gedefinieerde doelstellingen voor samenwerking en een coherente landenstrategie tussen DG ECHO en DG DEVCO, en dat ook gezorgd moet worden voor de uitwisseling van goede praktijken; pleit in dit verband voor een systematische integratie van de LRRD-aanpak in de financieringscyclus van de acties;

68.  verzoekt de diensten van de Commissie om daarnaast te zorgen voor een betere afstemming en overgang tussen humanitaire acties met een kortetermijnkarakter en ontwikkelingshulp met een langetermijnkarakter, alsook voor een betere coördinatie, zowel tussen de verschillende actoren van ontwikkelingssamenwerking op het terrein als tussen nationale prioriteiten, en dat middels een gemeenschappelijke strategie en een gemeenschappelijk kader voor humanitaire en ontwikkelingshulp;

69.  pleit voor een betere opvolging van de tenuitvoerlegging van projecten en acties door in de programmerings- en beheersdocumenten een betere motivering op te nemen van de toegekende bedragen per prioritaire sector, om indien nodig een aanpassing van de steun aan de nieuwe behoeften voor 2020 te kunnen overwegen, en tegelijk een betere zichtbaarheid te geven aan het optreden van de Unie; meent dat de zichtbaarheid van de donoren en het bestaan van passende beheersinformatie over de projecten belangrijk zijn opdat eenieders bijdrage zou worden erkend en aan de verantwoordingsplicht zou worden voldaan;

70.  betreurt dat het belangrijkste onderdeel van het gemeenschappelijk vredesfonds niet bestemd is voor de deelstaat Rakhine; meent dat dit een gemiste kans is voor deze bijzonder kwetsbare regio; verzoekt de Commissie het toepassingsgebied van het fonds uit te breiden tot de deelstaat Rakhine;

71.  herinnert eraan dat de Commissie, indien begrotingssteun een aanzienlijke rol speelt in de tenuitvoerlegging van de steun, in samenwerking met andere donoren:

   passende steun voor capaciteitsopbouw moet bieden, met bijzondere aandacht voor de belangrijkste aspecten van het beheer van overheidsgelden, waaronder mechanismen inzake verantwoordingsplicht en corruptiebestrijding;
   de tijdige opstelling moet ondersteunen van een passend programma voor de hervorming van het beheer van de overheidsfinanciën;
   indien nodig, maatregelen op kortere termijn moet vaststellen om de middelen van de Unie te beschermen tegen verspilling, weglekken en ondoeltreffendheid;

Deel X – Speciaal verslag nr. 5/2018 van de Rekenkamer getiteld "Hernieuwbare energie voor duurzame plattelandsontwikkeling: aanzienlijke synergieën mogelijk, waarvan de meeste echter niet zijn gerealiseerd"

72.  verzoekt de Commissie en de lidstaten bij het ontwerpen van hun toekomstige beleid inzake hernieuwbare energie rekening te houden met de omstandigheden en specifieke behoeften van de plattelandsbevolking en -economie, en de potentiële positieve en negatieve effecten van het beleid in overweging te nemen, en ervoor te zorgen dat in plattelandsgebieden billijke beleidsresultaten worden verwezenlijkt; daartoe dient de Commissie, in samenwerking met de lidstaten, een relevant mechanisme te ontwikkelen dat geënt zou kunnen zijn op het mechanisme voor "rural proofing" (plattelandstoets) dat is voorzien in "beleidsoriëntatie 1" van de verklaring van Cork 2.0 van 2016;

73.  verzoekt de Commissie dit instrument te introduceren in het overleg met de lidstaten over de geïntegreerde nationale energie- en klimaatplannen, die vóór 1 januari 2019 moeten worden meegedeeld aan de Commissie, en de lidstaten te helpen bij de toepassing ervan;

74.  verzoekt de Commissie, samen met de medewetgevers, het toekomstige beleidskader voor bio-energie zo te ontwerpen dat wordt voorzien in voldoende waarborgen tegen het niet-duurzame gebruik van biomassa voor energie; in het kader moeten de duurzaamheidrisico's van de stimulering van het gebruik van bio-energie worden onderkend en aangepakt door middel van streefdoelen en regelingen voor financiële ondersteuning, en moet ervoor worden gezorgd dat de hiermee samenhangende sociaal-economische en milieurisico's worden beperkt;

75.  verzoekt de Commissie uiteen te zetten wat met de investeringen in hernieuwbare energie in het kader van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) moet worden bereikt; hoe zij in plattelandsgebieden een toegevoegde waarde kunnen bieden; en hoe het Elfpo de bestaande financieringsregelingen van de Unie en de lidstaten moet aanvullen zonder het risico te lopen om slechts een financieringsbron voor hernieuwbare energie te worden zonder prioriteit voor plattelandsontwikkeling bij het uitstippelen van hun toekomstige plattelandsontwikkelingsbeleid;

76.  verzoekt de Commissie in dit verband gebruik te maken van de relevante ervaring met goede praktijken die is opgedaan tijdens de audit van de Rekenkamer (evaluatie van hernieuwbare energie in plattelandsgebieden, uit het Elfpo gefinancierde energievoorzieningsprojecten van derden, projecten voor eigen gebruik van hernieuwbare energie), alsook van soortgelijke ervaringen die zijn beschreven in de OESO-studie "Linking Renewable Energy to Rural Development";

77.  verzoekt de lidstaten met betrekking tot Elfpo-steun voor hernieuwbare energie de Commissie in hun verbeterde jaarlijkse uitvoeringsverslagen van 2019 relevante informatie te verstrekken over de programmaresultaten van projecten voor hernieuwbare energie; aan de hand van deze informatie kan de Commissie vaststellen hoeveel Elfpo-uitgaven zijn uitgekeerd voor projecten op het gebied van hernieuwbare energie, hoeveel energiecapaciteit is geïnstalleerd, en hoeveel energie is geproduceerd door dergelijke projecten; verzoekt de Commissie bij de voorbereiding van de programmeringsperiode na 2020 een nauwkeuriger formulering te verstrekken van de verschillende soorten indicatoren;

78.  verzoekt de Commissie de lidstaten te herinneren aan de noodzaak om relevante selectieprocedures toe te passen, zodat uitsluitend steun wordt verstrekt aan levensvatbare projecten voor hernieuwbare energie met een duidelijk voordeel voor duurzame plattelandsontwikkeling;

Deel XI – Speciaal verslag nr. 6/2018 van de Rekenkamer getiteld "Vrij verkeer van werknemers – de fundamentele vrijheid is gewaarborgd, maar de mobiliteit van werknemers zou gebaat zijn bij een doelgerichter inzet van EU-middelen"

79.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer;

80.  onderstreept dat het vrije verkeer van werknemers een grondbeginsel van de Unie is en een van de grootste voordelen van de interne markt zolang er sprake is van een voordeel voor beide zijden van de werkrelatie; het waarborgt de bescherming van de rechten van werknemers en de afschaffing van elke discriminatie op grond van nationaliteit tussen de werknemers van de lidstaten wat betreft werkgelegenheid, beloning en de overige arbeidsvoorwaarden;

81.  constateert met bezorgdheid dat veel belemmeringen voor een vrije en eerlijke mobiliteit van werknemers in de Unie nog steeds bestaan en dat de acties van de Commissie en de lidstaten de problemen waarmee werknemers geconfronteerd worden die willen werken in andere lidstaten niet geheel oplossen, zoals ontoereikende informatie over de rechten van werknemers met betrekking tot werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden en de rechten op het gebied van sociale zekerheid; ook is er sprake van onvoldoende maatregelen om discriminatie van mobiele werknemers te voorkomen en een efficiënte handhaving van hun rechten te waarborgen;

82.  neemt kennis van de opmerkingen van de Rekenkamer dat de Commissie instrumenten in het leven heeft geroepen om burgers te informeren over hun rechten en systemen heeft ingesteld voor de melding van discriminatie die strijdig is met de vrijheid van verkeer van werknemers; is evenwel bezorgd over de bevinding van de Rekenkamer dat de Commissie ondanks deze instrumenten en systemen niet weet in hoeverre de burgers deze instrumenten momenteel kennen en wat de omvang is van de discriminatie die strijdig is met de vrijheid van verkeer op het niveau van de Unie;

83.  merkt op dat sommige van de instrumenten van de Commissie ter ondersteuning van de arbeidsmobiliteit vaak onbekend zijn bij de potentiële begunstigden en is bezorgd over het feit dat in een aantal lidstaten slechts een klein percentage van de vacatures wordt gepubliceerd op het Europees portaal voor arbeidsmobiliteit (Eures); vestigt de aandacht op het feit dat deze instrumenten worden gefinancierd via de begroting van de Unie en dat het Europees Sociaal Fonds (ESF) en het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie (EaSI) in het meerjarig financieel kader 2014-2020 voorzien in mogelijkheden voor de financiering van maatregelen en activiteiten inzake arbeidsmobiliteit op het niveau van de Unie en de lidstaten, maar dat die echter onvoldoende worden benut;

84.  verzoekt de Commissie en de lidstaten gebruik te maken van de beschikbare financieringsmogelijkheden om maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat de instrumenten voorzien in volledige informatie over bestaande vacatures en rechten van werknemers, de burgers beter bekend te maken met deze instrumenten en de informatie die zij bieden, en toezicht te houden op de bekendheid teneinde die verder te verhogen; dringt er in dit verband bij de Commissie op aan de voorlichting over de praktische aspecten van de arbeidsmobiliteit te bevorderen, met name aan de hand van nieuwe technologieën, zoekmachines en publiciteit, en dringt aan op een nauwere samenwerking tussen de Commissie en de lidstaten; verzoekt met name de respectieve nationale autoriteiten en coördinatoren van Eures actiever samen te werken met werkgevers om het gebruik van Eures en de mogelijkheden voor beroepsmobiliteit in de hele Unie te bevorderen; dringt er tevens bij de Commissie en de lidstaten op aan te zorgen voor een goede complementariteit en additionaliteit tussen acties die worden gefinancierd uit het ESF en EaSI;

85.  deelt de mening van de Rekenkamer dat informatie over en inzicht in de omvang en de aard van de bestaande, met het vrije verkeer van werknemers strijdige discriminatie noodzakelijk is om dergelijke gevallen doeltreffend aan te pakken; dringt er daarom bij de Commissie op aan, in samenwerking met de lidstaten, maatregelen te treffen ter verbetering van de doeltreffendheid van de bestaande systemen teneinde gevallen van discriminatie op te sporen en verdere stappen te ondernemen om belemmeringen voor en discriminatie in verband met eerlijke arbeidsmobiliteit te voorkomen en weg te nemen;

86.  benadrukt dat door het gebrek aan overdraagbaarheid van sociale premies werknemers bepaalde sociale rechten worden ontzegd en dat dit een belemmering vormt voor de mobiliteit van werknemers; verzoekt de Commissie na te denken over relevante wetgevingsvoorstellen en moedigt aan tot het creëren van stimulansen voor de lidstaten die bereid zijn pensioenrechten overdraagbaar te maken, met volledige inachtneming van het bestaande wetgevingskader;

87.  merkt op dat wederzijdse erkenning van universitaire diploma's en beroepskwalificaties door lidstaten een probleem blijft en een belangrijk obstakel is voor de arbeidsmobiliteit; benadrukt dat dit proces eenvoudig, betaalbaar en gebruiksvriendelijk moet zijn voor zowel de burgers als de betrokken nationale overheden; spoort de Commissie ertoe aan de uitwisseling van optimale praktijken tussen de lidstaten te bevorderen in het kader van de werkgroepen van de Raad en, in voorkomend geval, van de OESO-platforms;

88.  is bezorgd over het gebrek aan vergelijkbaarheid van de door de lidstaten verstrekte gegevens over arbeidsmobiliteit; verzoekt de Commissie richtsnoeren te verstrekken aan de lidstaten met betrekking tot de gegevens en het doel waarvoor die moeten worden verzameld; dringt erop aan dat de Commissie de verzameling en presentatie verbetert van de statistische gegevens met betrekking tot het vrije verkeer van werknemers, en in het bijzonder de problemen die mobiele werknemers in het buitenland ondervinden;

89.  betreurt het dat de afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt alsook de aansluiting van vaardigheden op de behoeften van de arbeidsmarkt in alle lidstaten nog steeds een te verwezenlijken doelstelling is van het beleid inzake arbeidsmobiliteit; verzoekt de lidstaten optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden die worden geboden door het ESF, het EaSI en Eures voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit, teneinde de werkloosheid in sommige lidstaten en regio's te verlagen en discrepanties tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden en personeelstekorten elders aan te pakken;

90.  neemt met bezorgdheid kennis van de problemen in verband met de vereisten voor projecten inzake grensoverschrijdende mobiliteit die worden gefinancierd in het kader van het EaSI, en verzoekt de Commissie om deze kwesties in haar komende oproepen tot het indienen van voorstellen aan te pakken door daarin verplichte resultaatindicatoren op te nemen die het mogelijk maken in de praktijk de meerwaarde van Uniefinanciering en de impact van de verleende steun te meten;

91.  verzoekt de Commissie en de lidstaten, gezien de bevindingen van de Rekenkamer aangaande de noodzaak van extra inspanningen om de arbeidsmobiliteit in de Unie te versterken en bestaande belemmeringen te overwinnen, in de periode 2021-2027 te zorgen voor een adequate financiering van maatregelen inzake eerlijke arbeidsmobiliteit waardoor de desbetreffende instrumenten en systemen op dit gebied kunnen worden voortgezet en onbelemmerd kunnen blijven functioneren; verzoekt de Commissie en de lidstaten de continuïteit en een grotere doeltreffendheid van de maatregelen en activiteiten die het vrije verkeer van werknemers vergemakkelijken, te waarborgen, zowel door een betere gerichtheid van financiële middelen als door versterkte samenwerking en coördinatie tussen de verantwoordelijke diensten van de Commissie, nationale autoriteiten en alle belanghebbenden op het niveau van de Unie en op nationaal niveau;

Deel XII – Speciaal verslag nr. 7/2018 van de Rekenkamer getiteld "Pretoetredingssteun van de EU aan Turkije: tot dusver slechts beperkte resultaten"

92.  is van mening dat de Commissie vanaf het programma voor 2018 van het instrument voor pretoetredingssteun (IPA) de IPA-middelen doelgerichter moet aanwenden op gebieden waarop hervormingen al lang hadden moeten plaatsvinden en noodzakelijk zijn voor geloofwaardige vooruitgang op weg naar toetreding tot de Unie, met name ten aanzien van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechtspraak, de strijd tegen corruptie op hoog niveau en georganiseerde misdaad, de versterking van de persvrijheid, het voorkomen van belangenconflicten en het versterken van de externe controle en het maatschappelijk middenveld;

93.  verzoekt de Commissie bij haar volgende actualisering van haar beoordelingen van de sectorale aanpak alle belangrijke kenmerken van de donorcoördinatie van Turkije, een analyse van de sectorbegroting en met name haar kader voor prestatiebeoordeling te behandelen;

94.  verzoekt de Commissie, gezien de gevolgen die de terugval reeds heeft voor de duurzaamheid van projecten in Turkije, het gebruik van politieke en projectvoorwaarden uit te breiden door:

   het IPA II-comité voorstellen voor te leggen om de totale IPA II-toewijzingen voor jaar N aan te passen, waarbij IPA II-middelen geheroriënteerd of verminderd kunnen worden om gevallen van achteruitgang in de sectoren rechtsstatelijkheid en bestuur aan te pakken die werden geconstateerd in het jaarlijks verslag van de Commissie over Turkije in het jaar N-1;
   eind 2017 en 2020 een beslissing te nemen over het al dan niet toekennen van de prestatiebeloning aan Turkije. Deze beslissing moet nauwkeurig weergeven welke vooruitgang is geboekt ten aanzien van de uitbreiding, een doelmatige uitvoering van het IPA en de verwezenlijking van goede resultaten;
   geleidelijk meer gebruik te maken van direct beheer om fundamentele behoeften aan te pakken wanneer sprake is van een gebrek aan politieke wil, met name bij de strijd tegen corruptie op hoog niveau en georganiseerde misdaad, het versterken van de persvrijheid, het voorkomen van belangenconflicten en het versterken van het maatschappelijk middenveld;
   voor nieuwe projecten, en indien van toepassing, voorwaarden vast te stellen in de vorm van minimumeisen ter ondersteuning van de tijdige realisatie van de verwachte output en duurzaamheid. Wanneer niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, moet dit leiden tot corrigerende maatregelen (bijv. de opschorting van betalingen of de annulering van een project);

95.  spoort de Commissie ertoe aan de reikwijdte van haar verslagen over resultaatgeoriënteerd toezicht betreffende de door de Unie gefinancierde activiteiten in Turkije uit te breiden en de relevantie en betrouwbaarheid van haar projectindicatoren te verbeteren door, indien van toepassing, te zorgen voor de beschikbaarheid van uitgangswaarden;

96.  is van mening dat de Commissie in het kader van IPA II indirect beheer selectief moet toepassen, rekening houdend met de omvang van de betrokken middelen, de complexiteit van de projecten die door de Turkse autoriteiten moeten worden voorbereid en aanbesteed, en de capaciteit van het agentschap dat belast is met de contractering en financiering van door de Unie gefinancierde programma's;

Deel XIII – Speciaal verslag nr. 8/2018 van de Rekenkamer getiteld "EU-steun voor productieve investeringen in ondernemingen – meer aandacht voor duurzaamheid nodig"

97.  verwelkomt het speciaal verslag van de Rekenkamer omdat het tijdig wijst op het feit dat er behoefte bestaat aan aanvullende monitoring en garantiemechanismen op zowel het niveau van de Unie als dat van de lidstaten, teneinde te waarborgen dat projecten duurzame resultaten genereren; onderstreept in dit verband de bevindingen van de Rekenkamer dat a) in de onderzochte operationele programma's de specifieke behoeften van de ondernemingen in de verschillende sectoren en van verschillende grootte (marktfalen) onvoldoende in kaart zijn gebracht, en b) het verwezenlijken van duurzame resultaten geen prioriteit was;

98.  is van oordeel dat de rol van productieve investeringen van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) moet worden vergroot, als een sleutelfactor voor groei, duurzame banen, en het verkleinen van de verschillen en de ongelijkheid in het kader van de ontwikkeling van het cohesiebeleid voor de volgende programmeringsperiode, teneinde te komen tot opwaartse convergentie en economische, sociale en territoriale cohesie tussen de lidstaten en de regio's;

99.  stelt vast dat hoewel een aantal van de gecontroleerde projecten de desbetreffende regels in acht heeft genomen en de nagestreefde outputs heeft gerealiseerd, zij geen bewijs konden overleggen van de doeltreffendheid van de projecten en van de gegenereerde duurzame verbeteringen;

100.  geeft in dit verband aan dat de verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen (artikel 71) voor de periode 2014-2020 geen bepalingen bevat waarin het verwezenlijken van resultaten en de duurzaamheid daarvan als criteria voor de duurzaamheid van acties worden gedefinieerd; vestigt dan ook de aandacht op de bevinding van de Rekenkamer met betrekking tot het aanzienlijke verschil – wat het beoordelen van de duurzaamheid van projecten betreft – tussen het meten van outputs enerzijds en resultaten anderzijds;

101.  is van oordeel dat, teneinde te bewerkstelligen dat productieve investeringen een daadwerkelijke meerwaarde hebben, het verwezenlijken van resultaten als een centrale overweging in de beoordeling van de duurzaamheid van projecten moet worden opgenomen; steunt in dit verband met klem de definitie van de Rekenkamer van duurzaamheid als "het vermogen van een project de voordelen ervan te handhaven gedurende een lange periode na afloop van het project";

102.  betreurt het dat de Commissie in haar wetgevingsvoorstellen voor verordeningen voor de periode 2021-2027 geen rekening heeft gehouden met de expliciete aanbeveling van de Rekenkamer betreffende het toekennen van prioriteit aan zowel outputs, als de noodzakelijke indicatoren voor het meten van resultaten;

103.  deelt de bezorgdheid van de Rekenkamer met betrekking tot het waarborgen van de duurzaamheid van investeringen in kmo's, gezien hun beperkte bedrijfscapaciteit, het hoge percentage faillissementen en/of hun specifieke kwetsbaarheid voor ongunstige economische omstandigheden; verzoekt de Commissie en de lidstaten in dit verband zich te concentreren op manieren en middelen voor het bevorderen van succesvolle en duurzame verbindingen tussen geïnteresseerde kmo's, met inachtneming van zowel de positieve als de negatieve ervaringen uit het verleden;

104.  is verder van mening dat toekomstige productieve investeringen tot duurzame resultaten kunnen leiden indien ze als onderdeel van het cohesiebeleid van de toekomst in een geactualiseerde alomvattende industriestrategie worden geïntegreerd; is van oordeel dat productieve investeringen aldus een aanzienlijke bijdrage kunnen leveren aan het gladstrijken van de verschillen in industriële ontwikkeling tussen de lidstaten en de regio's, zoals aangegeven in het 6e en 7e cohesieverslag;

105.  verzoekt de Commissie volledig uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer en de lidstaten tijdig van passende adviezen te voorzien, waaronder in de vorm van heldere en transparante richtsnoeren voor het vaststellen en toepassen van criteria voor de duurzaamheid van projecten, alsook middels gebruikmaking van alle beschikbare mechanismen, zoals de goedkeuring van operationele programma's, monitoring en toezicht, om de lidstaten aan te sporen invulling te geven aan hun respectieve verantwoordelijkheden, onder voorkoming van aanvullende administratieve lasten voor de begunstigden en de respectieve nationale autoriteiten;

106.  verzoekt de Commissie in het algemeen in de voorbereidings- en onderhandelingsfase van de toekomstige programmeringsperiode meer de nadruk te leggen op de duurzaamheid van projecten, waaronder in de vorm van een helder kader van 'earmarks' en doelstellingen; spoort de autoriteiten van de lidstaten verder aan de aanbevelingen van de Rekenkamer op te volgen en ten uitvoer te leggen, en met de Commissie samen te werken bij het tegen het licht houden van de bestaande praktijken en het vaststellen van gemeenschappelijke regels en procedures voor het waarborgen van de duurzaamheid van de resultaten van projecten;

Deel XIV– Speciaal verslag nr. 9/2018 van de Rekenkamer getiteld "Publiek-private partnerschappen in de EU: algemeen voorkomende tekortkomingen en beperkte voordelen"

107.  is van mening dat de Commissie en de lidstaten geen intensiever en breder gebruik van publiek-private partnerschappen (PPP's) zouden mogen bevorderen voordat de in dit verslag vastgestelde problemen zijn aangepakt en de volgende aanbevelingen op succesvolle wijze zijn uitgevoerd; met name het verbeteren van de institutionele en wettelijke kaders en het projectbeheer, en het bieden van meer zekerheid dat de keuze voor de PPP-optie de beste prijs-kwaliteitsverhouding oplevert en dat PPP-projecten waarschijnlijk op succesvolle wijze zullen worden beheerd; benadrukt dat als projectrisico's niet correct in kaart worden gebracht en verdeeld, dit financiële gevolgen kan hebben voor de publieke partner en het behalen van de projectdoelstellingen in de weg kan staan;

108.  om de kosten van vertragingen en nieuwe onderhandelingen beter te verdelen tussen de partners, met het oog op de beperking van de financiële gevolgen van vertragingen die te wijten zijn aan de publieke partner en nieuwe onderhandelingen over contracten voor de uiteindelijke kosten van PPP's die door de publieke partner worden gedragen, beveelt aan dat:

   lidstaten standaardbepalingen voor contracten vaststellen en voorstellen die de bedragen aan mogelijke extra kosten beperken die door de publieke partner moeten worden betaald;
   lidstaten eventuele vroegtijdige nieuwe onderhandelingen over contracten beoordelen om ervoor te zorgen dat de hieruit voortvloeiende kosten die door de publieke partner worden gedragen naar behoren gerechtvaardigd zijn en in overeenstemming zijn met kosteneffectiviteitsbeginselen;

109.  om te waarborgen dat de PPP-optie de optie is die de optimale prijs-kwaliteitsverhouding biedt en de potentiële voordelen behaalt, beveelt aan dat:

   de lidstaten de keuze voor de PPP-optie baseren op deugdelijke vergelijkende analyses, zoals de vergelijking met de overheidssector, en dat er passende benaderingen voorhanden zijn om ervoor te zorgen dat de PPP-optie alleen wordt gekozen wanneer deze de optimale prijs-kwaliteitsverhouding biedt, ook bij pessimistische scenario's;
   de Commissie ervoor zorgt dat de Rekenkamer volledige toegang heeft tot de nodige informatie om de keuze voor de aanbestedingsoptie en de bijbehorende aanbesteding door de overheden te kunnen beoordelen, zelfs wanneer de steun van de Unie rechtstreeks wordt verstrekt aan private entiteiten door middel van financieringsinstrumenten;

110.  om ervoor te zorgen dat de lidstaten over de nodige administratieve capaciteit beschikken en dat er duidelijk PPP-beleid en duidelijke PPP-strategieën zijn vastgesteld om succesvolle door de Unie gesteunde PPP-projecten uit te voeren, beveelt aan dat:

   de lidstaten duidelijk PPP-beleid en duidelijke PPP-strategieën vaststellen waarin de rol die PPP's moeten spelen in hun investeringsbeleid voor infrastructuur duidelijk wordt gemaakt, met het oog op het aanwijzen van de sectoren waarin PPP's het meest geschikt zijn en het vaststellen van mogelijke grenzen waarbinnen PPP's op doeltreffende wijze kunnen worden gebruikt;
   de Commissie wetswijzigingen voorstelt om financiële steun aan toekomstige PPP's te concentreren in sectoren die zij van groot strategisch belang acht en die verenigbaar zijn met de langetermijnverplichtingen van PPP's, zoals het TEN-T-kernnetwerk;

111.  teneinde het risico op een voorkeur voor het kiezen voor de PPP-optie te beperken, om te zorgen voor meer transparantie en om te waarborgen dat PPP's op doeltreffende wijze kunnen worden ondersteund met middelen van de Unie, beveelt aan dat:

   de Commissie aan de steun van de Unie voor PPP-projecten de garantie verbindt dat de keuze voor de PPP-optie wordt gerechtvaardigd door kostenefficiëntieoverwegingen en dus niet al te sterk werd beïnvloed door overwegingen met betrekking tot budgettaire beperkingen of de statistische verwerking ervan;
   de lidstaten de transparantie verbeteren door periodieke lijsten van PPP-projecten te publiceren, met onder meer toereikende en betekenisvolle gegevens over de gefinancierde activa, de toekomstige verplichtingen ervan en de behandeling ervan op de balans, terwijl tegelijkertijd de bescherming van vertrouwelijke en commercieel gevoelige gegevens gewaarborgd is;
   de Commissie de bijkomende complexiteit beoordeelt van gemengde EU-PPP-projecten met het oog op verdere maatregelen gericht op de vereenvoudiging van relevante regels en procedures voor programma's van de Unie;

Deel XV – Speciaal verslag nr. 10/2018 van de Rekenkamer getiteld "De basisbetalingsregeling voor landbouwers – operationeel op de rails, maar beperkte impact op vereenvoudiging, doelgerichtheid en de convergentie van steunniveaus"

112.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de lidstaten de essentiële controles naar behoren uitvoeren en dat zij BBR-rechten corrigeren wanneer het niet toepassen van de relevante regels of het ontbreken van actuele informatie over landgebruik van grote invloed is op de waarden;

113.  verzoekt de Commissie om:

   de doeltreffendheid van haar systemen voor de verspreiding van informatie onder de lidstaten te inventariseren en te beoordelen om de interpretatie en toepassing van het BBR-rechtskader zo consistent mogelijk te maken;
   te beoordelen welke mogelijkheden er zijn om door middel van toekomstige wetgeving de overdracht door de lidstaten van essentiële informatie over de uitvoering van directe steunregelingen te kunnen afdwingen;
   de respectieve taken van de Commissie en de certificerende instanties te verduidelijken wat betreft de controle van het bestaan van doeltreffende essentiële controles en de centrale berekening van BBR-rechten;

114.  verzoekt de Commissie, voordat zij een voorstel voor de toekomstige opzet van het gemeenschappelijk landbouwbeleid doet, de inkomenspositie voor alle groepen landbouwers te beoordelen en hun behoefte aan inkomenssteun te analyseren, rekening houdend met de huidige verdeling van Unie- en nationale steun, het landbouwpotentieel van grond, verschillen in arealen die hoofdzakelijk zijn bedoeld voor landbouwproductie of de instandhouding van landbouwgrond, kosten en levensvatbaarheid van de landbouw, inkomsten uit voedsel en andere landbouwproductie, alsmede uit niet-agrarische bronnen, de factoren voor de efficiëntie en het concurrentievermogen van bedrijven en de waarde van de collectieve goederen die landbouwers leveren; is van mening dat de Commissie de voorgestelde maatregelen van meet af aan dient te koppelen aan passende operationele doelstellingen en uitgangswaarden waarmee de prestatie van de steun kan worden vergeleken;

Deel XVI – Speciaal verslag nr. 11/2018 van de Rekenkamer getiteld "Nieuwe opties voor de financiering van projecten voor plattelandsontwikkeling: eenvoudiger, maar niet resultaatgericht"

115.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter een aantal van de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

116.  betreurt het dat de nieuwe vereenvoudigde kostenopties slechts worden gebruikt voor een marginaal gedeelte van de uitgaven voor plattelandsontwikkeling en dat ze het potentieel van deze financieringsbron niet vergroten, ondanks dat vereenvoudiging een manier zou moeten zijn om begunstigden bij projecten te betrekken;

117.  betreurt het dat er zeer weinig indicatoren voorhanden zijn om te kunnen beoordelen of de doelstellingen van deze maatregel gehaald zijn of niet;

118.  verzoekt de lidstaten, de begunstigden en hun partnerschappen de mogelijkheden die worden geboden door het systeem van vereenvoudigde kostenopties voor plattelandsontwikkeling volledig te benutten;

119.  wijst erop dat vereenvoudiging toereikende controleniveaus mogelijk moet maken waarvoor de verantwoordelijkheid duidelijk moet worden bepaald;

120.  wijst erop dat vereenvoudiging voordelen moet opleveren voor zowel overheden als projectontwikkelaars;

Deel XVII– Speciaal verslag nr. 12/2018 van de Rekenkamer getiteld "Breedband in de EU-lidstaten: hoewel er vooruitgang is geboekt, zullen niet alle Europa 2020-streefdoelen worden gehaald"

121.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen hieronder uiteen;

122.  is ingenomen met het voornemen van de Commissie om in de toekomstige digitale transformatie te investeren, zoals blijkt uit het voorstel voor een meerjarig financieel kader voor de periode 2021-2027;

123.  erkent het aanzienlijke wetgevingsinitiatief van de Commissie op het gebied van digitalisering en vestigt de aandacht op initiatieven zoals "WiFi4EU", dat de installatie van hoogtechnologische wifi-uitrusting in de centra van het openbare leven ondersteunt;

124.  wijst op de inspanningen van de Commissie om de breedbanddekking in de Unie te verbeteren, maar betreurt het dat veel plattelandsgebieden nog steeds een zeer slechte breedbanddekking hebben;

125.  erkent de inspanningen van de Commissie voor het aanzienlijk verbeteren en diversifiëren van de financieringsbronnen ter ondersteuning van de breedbandconnectiviteit; herinnert eraan dat de Unie in de programmeringsperiode 2007-2013 2,74 miljard EUR heeft geïnvesteerd, terwijl de investeringen van de Unie voor de huidige programmeringsperiode bijna 15 miljard EUR bedragen, wat meer dan vijf keer zoveel is;

126.  is ervan overtuigd dat snelle internetverbindingen een essentieel onderdeel van de digitale eengemaakte markt zijn en lidstaten daardoor een concurrentievoordeel kunnen bieden in economische, sociale en onderwijsaangelegenheden; is ervan overtuigd dat goede internetsnelheid en -toegang cruciaal zijn voor ons leven, bedrijven en nationale overheden;

127.  onderstreept dat investeringen in breedband zullen bijdragen tot de sociale cohesie en de strijd tegen ontvolking in plattelandsgebieden en geïsoleerde gebieden; onderstreept dat plattelandsgebieden en meer afgelegen gebieden toegang tot breedband moeten hebben, teneinde een homogene eengemaakte markt te creëren;

128.  is in dit verband ingenomen met het voorstel van de Commissie voor herziene Europese telecomregels, dat tot doel heeft investeringen te genereren, met name in gebieden die economisch minder levensvatbaar zijn en die worden gekenmerkt door een lage bevolkingsdichtheid, of in plattelandsgebieden;

129.  is het eens met de aanbeveling van de Rekenkamer dat de lidstaten herziene plannen moeten ontwikkelen voor de periode na 2020;

130.  verzoekt derhalve alle lidstaten om ervoor te zorgen dat niet alleen de doelstellingen van Europa 2020 tijdig worden verwezenlijkt, maar ook de doelstellingen van de Commissie in het kader van de gigabitmaatschappij 2025; pleit voor ononderbroken 5G-dekking voor alle stedelijke gebieden en alle belangrijke transportroutes over land, en toegang voor alle Europese huishoudens, kmo's en lokale overheden, zowel op het platteland als in stedelijke gebieden, en in het bijzonder in ontvolkte en dunbevolkte regio's, tot internetconnectiviteit met een downloadsnelheid van ten minste 100 Mbps, die kan worden opgewaardeerd tot gigabitsnelheid;

131.  deelt het standpunt van de Rekenkamer dat de lidstaten het mandaat van hun nationale regelgevende instanties opnieuw moeten bekijken in het licht van het herziene wetgevingskader van de Unie voor telecommunicatie, zodat deze in staat zijn hun aanbevelingen en corrigerende maatregelen (inclusief sancties wegens niet-naleving) op te leggen aan exploitanten;

132.  is van mening dat financiële ondersteuning voor breedband een evenwichtige mix moet vormen van subsidies en financieringsinstrumenten, waarbij investeringen moeten worden geleid via interventielogica en rekening moeten houden met de plaatselijke realiteit en de realiteit op de markt;

133.  is ervan overtuigd dat de ondersteuning van breedband via financiële instrumenten hoofdzakelijk gericht is op economisch levensvatbare regio's en goed ontwikkelde lokale markten; merkt op dat subsidies geschikter zijn voor plattelands-, berg- en afgelegen gebieden, waar particuliere investeringen en maatregelen met financieringsinstrumenten standaard risicovoller zijn;

134.  deelt de opvatting van de Rekenkamer dat de Commissie beste praktijken op het gebied van breedband moet verzamelen en verspreiden, meer bepaald over het plannen van investeringen en de uitvoering van projecten;

135.  is ervan overtuigd dat de Commissie de toepassing van de regels voor staatssteun voor breedbandinvesteringen voor de lidstaten zal blijven verduidelijken, en is ingenomen met het voornemen van de Commissie om meer informatie bij te voegen over de doelstellingen inzake 100 Mbps en de gigabitmaatschappij.

Deel XVIII – Speciaal verslag nr. 13/2018 van de Rekenkamer getiteld "Aanpak van radicalisering die tot terrorisme leidt: de Commissie kwam tegemoet aan de behoeften van de lidstaten, maar de coördinatie en evaluatie vertoonden enkele tekortkomingen"

136.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer, onderschrijft de aanbevelingen erin en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

137.  verzoekt de Commissie na te gaan hoe het beheer van acties ter bestrijding van radicalisering kan worden vereenvoudigd, bijvoorbeeld door de integratie van het aantal financieringsbronnen waarvan de acties afhankelijk zijn of door de acties te laten beheren door minder instanties; momenteel zijn hiervoor acht directoraten-generaal van de Commissie, en bovendien Europol, Eurojust en de lidstaten, verantwoordelijk; dit komt de coördinatie en de doeltreffendheid niet ten goede;

138.  wijst erop dat begroten op basis van prestaties lastig kan zijn voor acties ter voorkoming van radicalisering, maar benadrukt dat het voor het meten van prestaties niet genoeg is om bijvoorbeeld het aantal deskundigen te tellen dat bij vergaderingen aanwezig is; roept de Commissie op om uit te zoeken waarom er tussen de lidstaten zulke grote verschillen zijn wat betreft het aantal deelnemers aan haar activiteiten; daarbij moet ze vooral aandacht besteden aan activiteiten die van belang zijn voor de meeste lidstaten;

139.  verzoekt de Commissie het Parlement op de hoogte te houden van de stappen die worden genomen naar aanleiding van het interimrapport van de deskundigengroep op hoog niveau van de Commissie inzake radicalisering, vooral wat betreft het overleg met de lidstaten over een betere evaluatie van de programma's en acties op dit gebied;

140.  wijst erop dat voor het voorkomen van radicalisering vaak een diepgaande kennis nodig is van de situatie in bepaalde buurten, en dat dit soort informatie niet algemeen kan worden toegepast; elke buurt heeft immers te maken met haar eigen negatieve en positieve punten; wijst in dit verband op de belangrijke rol die wordt gespeeld door onderwijsinstellingen, sociale en liefdadigheidsorganisaties en plaatselijke overheden, waaronder politieagenten die in bepaalde buurten surveilleren; verzoekt de Commissie en de lidstaten hier rekening mee te houden bij het uitwisselen van ervaringen, en stereotypes en generalisaties te vermijden;

141.  benadrukt dat de activiteiten van de Commissie om de lidstaten te helpen bij het voorkomen van radicalisering waarschijnlijk het doeltreffendst zijn als ze over de grenzen heen uitgevoerd worden, bijvoorbeeld op het gebied van informatie op internet; steunt de procedure voor conflictoplossing van de EU-eenheid voor de melding van internetuitingen van Europol (EU IRU), en steunt ook het besluit om de EU IRU zich vooral bezig te laten houden met online propaganda van terroristen, die daarmee zoveel mogelijk volgelingen proberen te winnen; verzoekt de Commissie te zoeken naar betere methoden om de doeltreffendheid van de EU IRU te meten, door te onderzoeken hoeveel content van terroristen is verwijderd door internetproviders op uitsluitend verzoek van de EU IRU, zonder dat nationale IRU's, maatschappelijke organisaties of de internetproviders zelf die content hebben gemeld; verzoekt de Commissie ook methoden te ontwikkelen om de doeltreffendheid van de EU IRU vast te stellen door na te gaan hoeveel propaganda van terroristen er nog op internet te vinden is, bijvoorbeeld doordat de gewiste propaganda simpelweg opnieuw op internet of op andere platforms wordt geplaatst;

Deel XIX – Speciaal verslag nr. 14/2018 van de Rekenkamer getiteld "De chemische, biologische, radiologische en nucleaire kenniscentra van de EU: meer vooruitgang nodig"

142.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en stelt met voldoening vast dat de Rekenkamer, de Commissie en de EDEO het met de meeste aanbevelingen eens zijn;

143.  verzoekt de Commissie en de EDEO een gezamenlijke EU-analyse uit te voeren om externe CBRN-risico's voor de Unie te identificeren teneinde interne en externe actie volledig te koppelen;

144.  verzoekt de Commissie systeemrisicoanalyses te integreren in de methodologieën voor de analyse van behoeften en voor nationale actieplannen en snel te reageren op partnerlanden die verzoeken om bijstand om hun behoeftenanalyses en nationale actieplannen af te ronden;

145.  verzoekt de Commissie het aantal regionale activiteiten, zoals veld- en simulatieoefeningen, te verhogen;

146.  verzoekt de Commissie en de EDEO CBRN-verantwoordelijkheden toe te kennen aan aangewezen steunpunten en/of aan in het kader van het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) voor een lange periode aangestelde functionarissen voor regionale samenwerking in alle delegaties van de Unie, en CBRN op te nemen in de beleids-, veiligheids- en politieke dialoog;

147.  verzoekt DG DEVCO van de Commissie en de EDEO samen te werken met andere relevante directoraten-generaal, met name met DG NEAR, alsook met andere donoren om potentiële synergieën en beschikbare financieringsbronnen vast te stellen die beter kunnen worden benut om CBRN-activiteiten te ondersteunen;

148.  verzoekt de Commissie de algemene doelstelling van het initiatief te vertalen in specifiekere doelstellingen die op projectniveau kunnen worden gebruikt, zodat resultaten vanaf projectniveau tot op nationaal, regionaal en initiatiefbreed niveau gemeten kunnen worden;

149.  verzoekt de Commissie ook uitkomst- en impactindicatoren te beschrijven zodat de doeltreffendheid van het initiatief kan worden beoordeeld aan de hand van vastgelegde doelstellingen;

150.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat alle relevante informatie beschikbaar is op haar webportaal met de passende niveaus van toegangsbevoegdheid, en te waarborgen dat beste praktijken en richtsnoeren toegankelijk zijn via het CBRN-portaal;

Deel XX – Speciaal verslag nr. 15/2018 van de Rekenkamer getiteld "Versterking van de capaciteit van de binnenlandse veiligheidstroepen in Niger en Mali: slechts beperkte en trage vooruitgang"

151.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer over de versterking van de capaciteit van de binnenlandse veiligheidstroepen in Niger en Mali en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

152.  onderstreept eerst de inspanningen van alle partijen die betrokken zijn bij de uitvoering van deze twee missies van de Unie en van het personeel dat wordt ingezet op het terrein om de institutionele capaciteit op het gebied van binnenlandse veiligheid in Niger en Mali structureel en duurzaam te versterken, in een regionale geopolitieke context die voorlopig erg moeilijk en kritiek is, door de combinatie van de bestaande dreigingen;

153.  betreurt het feit dat het personeel van de missies vóór zijn inzet geen opleiding heeft gekregen en dat het ook geen hulp heeft gekregen bij het leren over de procedures en de projecten op het terrein; is van mening dat dit gebrek aan opleiding duidelijk heeft geleid tot vertragingen bij de uitvoering van de operaties;

154.  is van mening dat de EDEO en de Commissie permanent bijzondere aandacht moeten besteden aan de ondersteuningsfuncties ter facilitering van een snelle, efficiënte en coherente inzet van de GVDB-missies, dat zij vóór de inzet opleiding moeten verstrekken aan al het personeel over de procedures en het beleid van de Unie en dat zij volledige richtsnoeren moeten opstellen voor de operationele taken (evaluatie van de behoeften, planning en follow-up van de taken en rapporten); is voorts van mening dat de lessen die getrokken zijn uit eerdere GVDB-missies, ook gebruikt moeten worden om de operationele efficiëntie van de georganiseerde missies te verbeteren en om de overdracht van kennis en synergie-effecten tussen de verschillende missies te faciliteren;

155.  betreurt het feit dat de veiligheid van het personeel in Niger in gevaar is gebracht, doordat het gedurende zes maanden gedwongen was te verblijven en te werken in hotels zonder specifieke beveiliging;

156.  onderstreept het feit dat een veilige werkomgeving essentieel is voor een efficiënte uitvoering van de operaties en de aanwerving van gekwalificeerd personeel; verzoekt de EDEO en de Commissie in de begroting van de missies een toereikend uitgavenniveau voor veiligheid te handhaven, om ervoor te zorgen dat hun mandaat op optimale wijze kan worden uitgevoerd;

157.  herhaalt bovendien dat bij toekomstige GVDB-missies op efficiënte wijze gebruik moet worden gemaakt van alle passende financieringskanalen, namelijk het Instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP), het Europees Ontwikkelingsfonds, het Noodtrustfonds van de Europese Unie voor Afrika en humanitaire hulp, om te zorgen voor het realiseren van de politieke doelstellingen van de missies en voor een goed financieel beheer;

158.  moedigt samenwerking aan van de EDEO met de lidstaten om ervoor te zorgen dat de huidige en toekomstige GVDB-missies beschikken over voldoende personeel om snel te opereren op een niveau dicht bij hun toegestane maximumcapaciteit (of het totale aantal beschikbare posten) en, indien mogelijk, gedurende perioden die overeenkomen met de duur van het mandaat van de missies;

159.  onderstreept het feit dat het gebrek aan operationele efficiëntie van deze twee missies een grote belemmering heeft gevormd voor een goed verloop van het optreden van de Unie; betreurt het feit dat het 18 maanden heeft geduurd vóór de EUCAP Niger-missie beschikte over een juridische entiteit;

160.  is van mening dat de Raad en de Commissie erop moeten toezien dat toekomstige GVDB-missies zo snel mogelijk over rechtspersoonlijkheid en de nodige budgetten beschikken;

161.  verzoekt de EDEO en de Commissie in het bijzonder aandacht te besteden aan aanbestedings- en aanwervingsprocedures om te garanderen dat deze in overeenstemming zijn met de operationele behoeften van het GVDB; merkt op dat de uitvoering van de operaties te lijden heeft gehad onder omslachtige aanbestedingsprocedures, met als gevolg ondermaatse prestaties;

162.  merkt de moeilijkheden op bij het opvullen van vacatures; herinnert eraan dat de bezettingsgraad van de posten in Niger 72 % en in Mali 77 % bedroeg; moedigt de EDEO en de Commissie ertoe aan langere detacheringen voor te stellen van personeel van de EU-lidstaten bij de missies, ruimer gebruik te maken van arbeidscontractanten en oproepen te doen voor bijdragen die kunnen worden gebruikt om reservelijsten op te stellen van potentiële personeelsleden om de aanwerving te versnellen zodra posten vacant zijn;

163.  moedigt de EDEO ertoe aan, met het oog op een grotere duurzaamheid van de resultaten van de GVDB-missies, erop toe te zien dat bij de operationele planning van alle activiteiten in het kader van de missie rekening wordt gehouden met duurzaamheidsaspecten, via een systematische evaluatie van de lokale behoeften en van het vermogen om de resultaten lokaal duurzaam te maken;

164.  verzoekt de EDEO de follow-up te versterken van de in het kader van de missies uitgevoerde acties (opleiding, advies of verstrekking van apparatuur) door de regelmatige uitvoering van evaluaties, aan de hand van indicatoren, van de verkregen resultaten en van de mate van zeggenschap van de betrokken nationale autoriteiten;

165.  verzoekt de EDEO en de Commissie GVDB-missies doeltreffender af te stemmen op andere initiatieven van de Unie op regionaal niveau (zoals de missie voor bijstandsverlening inzake geïntegreerd grensbeheer in Libië (EUBAM Libië) en de G5 Sahel), bilaterale missies en internationale initiatieven met soortgelijke doelstellingen; roept in verband hiermee op tot meer samenwerking en coördinatie tussen de Unie en haar lidstaten, met bevordering van de synergieën;

166.  verzoekt de EDEO en de Commissie ervoor te zorgen dat de afsluiting van GVDB-missies en de vereffening van de gerelateerde activa verloopt in de beste omstandigheden; is op dit punt van mening dat de EDEO en de Commissie een gemeenschappelijke algemene exitstrategie moeten ontwikkelen waarin de taken en verantwoordelijkheden bij de sluiting van GVDB-missies duidelijk worden afgebakend en tegelijkertijd de specifieke risico's die inherent zijn aan de afsluiting van een missie, worden beperkt;

167.  herhaalt meer algemeen dat de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid moet worden verbeterd om schaalvoordelen en kostenverminderingen te realiseren; benadrukt het feit dat het voor de lidstaten van cruciaal belang is om resoluut te kunnen reageren op de gemeenschappelijke problemen op het gebied van veiligheid en beheer van de migratiestromen in een periode waarin deze uitdagingen aanzienlijk toenemen en zich scherper stellen dan ooit;

Deel XXI – Speciaal verslag nr. 16/2018 van de Rekenkamer getiteld "Toetsing achteraf van EU-wetgeving: een goed opgezet, maar onvolledig systeem"

168.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en staat achter de daarin opgenomen opmerkingen en aanbevelingen;

169.  wijst erop dat het toezicht voor 2018 krachtens het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven (IIA) zeer binnenkort zal starten en dat de interinstitutionele vergadering op hoog niveau aan het einde van dit jaar zal plaatsvinden;

170.  wijst erop dat de Rekenkamer een zeer grondig en uitgebreid onderzoek heeft gedaan (onder meer met een steekproef van voldoende omvang), dat kan dienen als voorbeeld voor toekomstige analyses op andere terreinen die worden bestreken door het IIA; wijst er tevens op dat overwogen moet worden om bijkomende prestatie-indicatoren te ontwikkelen voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van het IIA;

171.  is van mening dat een actieve betrokkenheid en deelname van de Rekenkamer positief zal zijn voor de tenuitvoerlegging van het IIA omdat dit kan bijdragen aan een versterking van het toezicht; is van mening dat het in dit kader ook nuttig kan zijn om meer gebruik te maken van de briefingdocumenten van de Rekenkamer;

172.  wijst erop dat de invoering van een gezamenlijk interinstitutioneel vademecum inzake toetsings- en toezichtsclausules met richtsnoeren inzake het opstellen van clausules kan leiden tot een verbetering van de toetsing van wetgeving, mits het de politieke keuzevrijheid van de medewetgevers niet beperkt;

173.  wijst erop dat gemeenschappelijke richtsnoeren voor toetsingen achteraf overwogen kunnen worden bij een toekomstige herziening van het IIA;

174.  wijst erop dat het belangrijk is een kader vast te stellen waarbinnen de lidstaten de Commissie informatie moeten verstrekken over de omzetting van Uniewetgeving in nationale wetgeving;

Deel XXII – Speciaal verslag nr. 17/2018 van de Rekenkamer getiteld "Met de maatregelen die de Commissie en de lidstaten tijdens de laatste jaren van de programma's voor de periode 2007-2013 namen, werd lage absorptie aangepakt, maar ze waren te weinig resultaatgericht"

175.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en de waardevolle vergelijking tussen de vorige en de huidige programmeringsperiode, waardoor de aandacht wordt toegespitst op de uitdagingen die de lidstaten en de Commissie in de toekomst mogen verwachten in verband met de gezonde en resultaatgerichte absorptie van de middelen in het kader van het cohesiebeleid;

176.  vindt het antwoord van de Commissie in verband met de aanbeveling om een tijdschema op te stellen met data voor essentiële mijlpalen voor de vaststelling van het wetgevingskader zodat de uitvoering van operationele programma's op tijd start, onbevredigend en verzoekt de Commissie een concreet voorstel te doen op basis van haar evaluatie van het tijdsbestek dat nodig is voor een tijdige uitvoering van de programma's;

177.  deelt het standpunt van de Rekenkamer dat hoewel absorptie van belang is om beleidsdoelstellingen te verwezenlijken, het geen doel op zich is maar veeleer een manier om resultaten te bereiken die stroken met de doelstellingen van het cohesiebeleid; is er stellig van overtuigd dat het er bij kosteneffectiviteit niet om gaat hoeveel er is besteed, maar wat er met de uitgegeven middelen is bereikt;

178.  vindt het zeer zorgwekkend dat de Commissie het ook door de Rekenkamer aangehaalde risico lijkt te onderschatten dat de achterstand bij de uitvoering van de begroting in de periode 2014‑2020 groter zou kunnen zijn dan in de periode 2007‑2013, wat aan het einde van de programmeringsperiode aanzienlijke druk veroorzaakt om de middelen correct te absorberen en het risico vergroot dat er onvoldoende aandacht wordt besteed aan kosteneffectiviteit en het bereiken van resultaten;

179.  vindt het zorgwekkend dat de Commissie het ook door de Rekenkamer aangehaalde risico verwaarloost dat schuilgaat in het uiterst onbevredigende absorptieniveau in het midden van de programmeringsperiode – dat tweemaal lager ligt dan op hetzelfde moment in de vorige periode – en in de druk op de absorptie als gevolg van de overlapping van het einde van de huidige periode met de eerste jaren van uitvoering van de volgende periode;

180.  verzoekt de Commissie voor elke lidstaat een prognose en beoordeling te presenteren met betrekking tot de opstapeling van vastleggingen die niet tijdig vóór het einde van de periode dreigen te worden geabsorbeerd, en maatregelen voor te stellen om de lidstaten te helpen een mogelijk negatief effect wegens onvoldoende absorptie van de beschikbare middelen te milderen;

181.  verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat de maatregelen die de lidstaten treffen om een automatische schrapping te voorkomen, stroken met de doelstellingen en beoogde resultaten van de operationele programma's en projecten en dat naar behoren wordt toegezien op en verslag wordt uitgebracht over gewijzigde operationele programma's;

182.  verzoekt de Commissie op eigen initiatief gebruik te maken van de beschikbare middelen voor technische bijstand en de lidstaten te helpen om de resultaatgerichte absorptie van de middelen van het cohesiebeleid te versnellen;

183.  wijst erop dat het cohesiebeleid uiteindelijk tot doel heeft de economische en sociale cohesie tussen de verschillende regio's en landen in de Unie te ondersteunen en bij te dragen aan het verkleinen van de verschillen en de ongelijkheid in de Unie; onderstreept dat dit voor de lidstaten, de Commissie en alle belanghebbenden het leidende beginsel moet zijn bij de tenuitvoerlegging en absorptie van de Uniemiddelen;

Deel XXIII – Speciaal verslag nr. 18/2018 van de Rekenkamer getiteld "Is de belangrijkste doelstelling van het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact behaald?"

184.  is van mening dat het speciaal verslag nr. 18/2018 van de Rekenkamer een zeer actuele en belangrijke analyse bevat, waarbij wordt onderzocht op welke wijze de Commissie de bepalingen die voor het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact gelden, ten uitvoer heeft gelegd vanuit het oogpunt van de verwezenlijking van de hoofddoelstelling, namelijk dat de lidstaten met succes hun respectieve tussentijdse doelstellingen met betrekking tot de begrotingssaldi zullen halen;

Deel XXIV – Speciaal verslag nr. 19/2018 van de Rekenkamer getiteld "Een Europees hogesnelheidsnet: geen realiteit, maar een ondoeltreffende lappendeken"

185.  is verheugd over het speciaal verslag van de Rekenkamer;

186.  deelt het standpunt van de Rekenkamer en staat achter haar bevindingen;

187.  stelt met tevredenheid vast dat de Commissie de aanbevelingen van de Rekenkamer zal uitvoeren;

188.  benadrukt dat de kansen op verbetering van de situatie klein blijven, tenzij de lidstaten daartoe elk de politieke wil aan de dag leggen;

189.  wijst in dit verband op de belangrijke rol van de "Europese coördinatoren" op dit gebied (TEN-V);

190.  wijst op het mandaat van de Europese coördinatoren, dat de volgende taken omvat:

   de opstelling van het betreffende werkplan voor de corridor (samen met de betrokken lidstaten) of het werkplan voor een horizontale prioriteit;
   de ondersteuning en monitoring van de uitvoering van het werkplan; het melden van problemen en zoeken van passende oplossingen wanneer dat nodig is;
   regelmatig overleg met het corridorforum (een adviesorgaan bestaande uit de lidstaten en diverse belanghebbenden);
   het doen van aanbevelingen op gebieden zoals ontwikkeling van het vervoer langs de corridors of toegang tot financieringsbronnen;
   het uitbrengen van een jaarlijks voortgangsverslag aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de betrokken lidstaten;

191.  benadrukt de Europese meerwaarde van grensoverschrijdende projecten die gefinancierd worden uit de Europese structuur- en investeringsfondsen en de Connecting Europe Facility; benadrukt dat het belangrijk is te blijven inzetten op deze financieringsmechanismen teneinde politieke en infrastructurele belemmeringen te overwinnen en sneller de territoriale en sociaal-economische cohesie van de regio's van de Unie te verzekeren met hogesnelheidsverbindingen;

192.  wijst de Commissie er nogmaals op dat, samen met het toegankelijk en kwaliteitsvol passagiersvervoer per spoor, ook het goederenvervoer per spoor bevorderd moet worden, omdat het economische, ecologische, logistieke en veiligheidsvoordelen biedt;

Deel XXV – Speciaal verslag nr. 20/2018 van de Rekenkamer getiteld "De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur: het accent van de EU-steun moet worden verlegd"

193.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer en zet zijn opmerkingen en aanbevelingen hieronder uiteen;

194.  erkent dat de EDEO en de Commissie worden geconfronteerd met uiterst complexe situaties in Afrika, met talloze politieke en operationele uitdagingen en beperkingen op vele gebieden, met name de samenwerking van de belangrijkste betrokken partijen, de financiering en de beperkingen van de instellingen, en de politieke bereidheid om in te grijpen en conflicten te voorkomen en te beheersen;

195.  wijst erop dat het huidige institutionele kader voor conflictpreventie en de bevordering van vrede en veiligheid erg complex is, met de Afrikaanse Unie, de Afrikaanse Vredesfaciliteit (APF), subregionale organisaties, regionale economische gemeenschappen en regionale mechanismen voor conflictpreventie, -beheer en ‑oplossing;

196.  merkt met bezorgdheid op dat de Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur (APSA) sterk afhankelijk is van externe financiële bronnen (vanwege de geringe bijdrage van de lidstaten aan het Vredesfonds en de beperkte aanvullende financiering van de APSA uit alternatieve financieringsbronnen);

197.  betreurt dat dit gebrek aan eigen Afrikaanse inbreng en aan financiële stabiliteit, met een hoge afhankelijkheid van donoren en internationale partners, leidt tot operationele tekortkomingen, vooral met betrekking tot personeel, wat zich uit in het feit dat er maar weinig gekwalificeerd personeel of militaire deskundigen zijn die zich bezighouden met het beheer van de belangrijkste vredes- en veiligheidsmissies op het Afrikaanse continent;

198.  is van oordeel dat, hoewel de steun van de Unie voor de APSA ontworpen is op basis van een in stappenplannen gedefinieerd strategisch kader, constant moet worden gestreefd naar een passende coördinatie van de donoren;

199.  betreurt ook dat de steun van de Unie voornamelijk gericht is op operationele kosten en er geen langetermijnplan is; benadrukt dat de Unie moet afstappen van de ondersteuning van de kosten van de APSA, en haar steun moet richten op duidelijke langetermijnvooruitzichten en -doelstellingen die bijdragen aan de stabiliteit van Afrika en, meer in het algemeen, het partnerschap tussen de Afrikaanse Unie (AU) en de Europese Unie;

200.  herinnert aan het belang van het bevorderen van een plan voor de opbouw van operationele capaciteit van de AU en de subregionale organisaties gekoppeld aan een beter coördinatiekader voor alle actoren, teneinde de coherentie van de activiteiten en de resultaten van de Uniesteun op langere termijn zoveel mogelijk te optimaliseren;

201.  is ernstig bezorgd over de tekortkomingen van de monitoringsystemen met betrekking tot de capaciteit om behoorlijke gegevens over de resultaten van activiteiten te verstrekken; vraagt de Commissie de activiteits- en prestatiecapaciteit van het evaluatiesysteem te versterken, zodat aangetoond kan worden dat de bijdragen van de Unie in grote mate gekoppeld kunnen worden aan tastbare en positieve effecten op de vrede en de veiligheid ter plaatse;

202.  wijst er als kernbeginsel op dat het monitoringsysteem moet worden uitgebouwd om gegevens/indicatoren op het gebied van activiteit, productie en niveau van specifieke en strategische doelstellingen te kunnen verzamelen en analyseren, teneinde de effectieve tenuitvoerlegging, relevantie en duurzaamheid van de overeengekomen APSA-routekaart te kunnen beoordelen;

203.  nodigt de diensten van de Commissie uit om een missie in het kader van resultaatgericht toezicht te lanceren en zo snel mogelijk bij het Parlement verslag uit te brengen;

Deel XXVI – Speciaal verslag nr. 21/2018 van de Rekenkamer getiteld "Selectie en monitoring van EFRO- en ESF-projecten zijn in de periode 2014-2020 nog steeds hoofdzakelijk outputgericht"

204.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer, en verzoekt de Commissie en de lidstaten om uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer;

205.  acht het zorgwekkend dat de lage uitvoeringspercentages in het midden van de huidige programmeringsperiode de verwezenlijking van de meest noodzakelijke resultaten op de door het EFRO en het ESF ondersteunde gebieden in gevaar brengen, waardoor het verwachte effect van de investeringen uit de begroting van de Unie voor cohesie en het terugdringen van regionale ongelijkheden vertraging oploopt;

206.  dringt er daarom bij de Commissie op aan de lidstaten bij te staan om de opname van middelen uit de ESI-fondsen te bespoedigen en haar monitoring en prestatiebeoordeling van de ESI-fondsen te versterken om ervoor te zorgen dat deze fondsen bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het cohesiebeleid en de doelstellingen van de Europa 2020-strategie;

207.  dringt er bij de Commissie op aan alle nodige maatregelen te nemen om de vastgestelde tekortkomingen in het huidige prestatiekader van de ESI-fondsen aan te pakken en de uit de periode 2014-2020 opgedane ervaringen te gebruiken om het prestatiekader voor de volgende periode te verbeteren en ervoor te zorgen dat duidelijke regels worden vastgesteld voor indicatoren, monitoring en evaluatie van de bereikte resultaten;

208.  verzoekt de Commissie te zorgen voor een soepel en ononderbroken proces van monitoring en rapportage van de behaalde resultaten tijdens de overgangsperiode naar een nieuw college van commissarissen, en ervoor te zorgen dat de resultaatgerichte prestaties van de ESI-fondsen aan het eind van de programmeringsperiode niet worden verzwakt door druk uit te oefenen om sneller middelen op te nemen;

209.  neemt kennis van de antwoorden van de Commissie dat haar wetgevingsvoorstel voor de programmeringsperiode na 2020 een lijst bevat van gemeenschappelijke resultaatindicatoren voor het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF;

210.  is echter bezorgd over het feit dat de wetgevingsvoorstellen van de Commissie voor het EFRO, het Cohesiefonds en het ESF geen bepalingen bevatten op grond waarvan "acties die worden vastgesteld in overeenstemming met sectorspecifieke regelgeving", zoals bepaald in de definities van "resultaat" en "output" in het Financieel Reglement, kunnen worden geïdentificeerd als beoogde resultaten en bijgevolg moeten worden gemeten met resultaatindicatoren in het kader van deze fondsen;

211.  verzoekt de Commissie deze tekortkoming te verhelpen en ervoor te zorgen dat eventuele negatieve gevolgen voor de vaststelling van het prestatiekader door de lidstaten voor de programmeringsperiode 2021-2027 worden vermeden;

212.  betreurt ten zeerste dat de Commissie geen alomvattend voorstel heeft ingediend voor een Uniebeleidsstrategie voor de periode na 2020, met mijlpalen voor de volgende MFK-doelstellingen en met de noodzakelijke oriëntatie voor de lidstaten om resultaten na te streven die bijdragen tot gemeenschappelijke prioriteiten van de Unie en tot de verwezenlijking van een coherentere en hechtere Unie;

Deel XXVII – Speciaal verslag nr. 22/2018 van de Rekenkamer getiteld "Mobiliteit in het kader van Erasmus+: miljoenen deelnemers en Europese meerwaarde in veel opzichten, maar de prestatiemeting moet verder worden verbeterd"

213.  is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat het Erasmus+-programma (2014-2020) vormen van Europese meerwaarde genereert die verder gaan dan de in de rechtsgrondslag vastgestelde vereisten; merkt op dat de evaluatietechnieken en indicatoren voor het Erasmus+-programma zoveel mogelijk algemeen toepasbaar en kwalitatief moeten zijn, gelet op het multidimensionale karakter van de effecten van dit soort langetermijnacties;

214.  merkt op dat de definitie van "achtergesteld/kansarm" momenteel niet geharmoniseerd is en per lidstaat verschilt; wijst erop dat een gemeenschappelijke definitie het mogelijk maakt om de impact van het programma nauwkeuriger te beoordelen en een stevigere basis biedt om meer te doen om deze deelnemers te bereiken en positieve acties te ontwikkelen ter ondersteuning van deze deelnemers;

215.  is verheugd dat in het voorstel voor het nieuwe Erasmusprogramma (2021-2027) individuele mobiliteit voor scholieren wordt ondersteund in het kader van kernactie 1 (KA1);

216.  erkent het belang van online taalkundige ondersteuning (OLS); is van mening dat alle deelnemers hiervan gebruik moeten kunnen maken en dat deze ondersteuning moet worden afgestemd op hun specifieke wensen, maar ook moet worden aangevuld met taalcursussen ter plaatse in de vorm van contactonderwijs;

217.  is ingenomen met de vereenvoudiging van de subsidies (forfaitaire subsidies, vaste bedragen en eenheidskosten); is echter van mening dat de subsidiebedragen voor de kosten van levensonderhoud en de verblijfskosten in het gastland of de gastregio regelmatig opnieuw moeten worden beoordeeld en bijgesteld, zodat Erasmus toegankelijker wordt voor kansarme deelnemers;

218.  is van mening dat om de toegang tot individuele mobiliteit voor deelnemers uit achtergestelde/kansarme groepen te bevorderen, voorfinanciering in het kader van kernactie 1 van het nieuwe Erasmusprogramma moet worden overwogen;

219.  merkt op dat de nu voorgestelde minimale mobiliteitsperiode van drie maanden niet flexibel genoeg is om de mobiliteit van promovendi te verbeteren;

220.  is het ermee eens dat de garantiefaciliteit voor studentenleningen niet aan de verwachtingen heeft voldaan en dat de faciliteit niet is opgenomen in het voorstel voor het nieuwe Erasmusprogramma (2021-2027);

Deel XXVIII – Speciaal verslag nr. 23/2018 van de Rekenkamer getiteld "Luchtverontreiniging: onze gezondheid nog steeds onvoldoende beschermd"

221.  verzoekt de Commissie, om doeltreffender actie te ondernemen ter verbetering van de luchtkwaliteit:

   beste praktijken van lidstaten te delen die de vereisten van de richtlijn luchtkwaliteit succesvol in hun luchtkwaliteitsplannen hebben geïntegreerd, ook met betrekking tot kwesties zoals informatie die relevant is voor monitoring; gerichte begrote kortetermijnmaatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit en geplande reducties van concentratieniveaus op specifieke locaties;
   elk stadium van de inbreukprocedure actief te beheren zodat zaken sneller kunnen worden opgelost of voorgelegd aan het Europees Hof van Justitie;
   op het gebied van samenwerking en gezamenlijke activiteiten haar medewerking te verlenen aan lidstaten die het meest te lijden hebben onder grensoverschrijdende luchtverontreiniging binnen de Unie, met inbegrip van de invoering van relevante maatregelen in hun luchtkwaliteitsplannen;

222.  verzoekt de Commissie de volgende kwesties aan te pakken bij het opstellen van haar voorstel voor de wetgever:

   overwegen de EU-grens- en streefwaarden (voor PM, SO2 en O3) te actualiseren, in overeenstemming met de meest recente richtsnoeren van de WHO; het aantal malen beperken dat concentraties de normen (voor PM, NO2, SO2 en O3) mogen overschrijden; en een grenswaarde voor de korte termijn vaststellen voor PM2,5, evenals alarmdrempels voor PM;
   de luchtkwaliteitsplannen verbeteren, met name door ze resultaatgerichter te maken, te vereisen dat er jaarlijks een uitvoeringsverslag over wordt uitgebracht en dat ze zo nodig worden geactualiseerd. Het aantal luchtkwaliteitsplannen per luchtkwaliteitszone moet worden beperkt;
   nauwkeuriger vereisten vaststellen voor het plaatsen van industriële en verkeersgerichte meetstations, zodat de hoogste blootstelling van de bevolking aan luchtverontreiniging beter kan worden gemeten, en een minimumaantal meetstations per soort vaststellen (verkeersgericht, industrieel of achtergrondstation);
   de Commissie de mogelijkheid geven om aanvullende meetstations te vereisen wanneer zij dit noodzakelijk acht om de luchtverontreiniging beter te meten;
   de datum voor het rapporteren van gevalideerde gegevens (momenteel 30 september van jaar n+1) vervroegen tot ten minste 30 juni n+1 en expliciet vereisen dat de lidstaten actuele (realtime)gegevens verstrekken;
   uitdrukkelijke bepalingen opnemen die het recht van burgers op toegang tot de rechter waarborgen;

223.  verzoekt de Commissie, om de luchtkwaliteit verder te integreren in het beleid van de Unie, beoordelingen uit te voeren van:

   ander beleid van de Unie dat elementen bevat die nadelig kunnen zijn voor de luchtkwaliteit en maatregelen te nemen om dit beleid beter af te stemmen op de doelstelling "schone lucht";
   het daadwerkelijke gebruik van relevante financiering ter ondersteuning van EU-luchtkwaliteitsdoelstellingen om luchtverontreiniging tegen te gaan, en met name PM-, NOX- en SOX-emissies;

224.  verzoekt de Commissie, om de kwaliteit van de informatie voor de burgers te verbeteren:

   met de hulp van gezondheidswerkers de belangrijkste informatie te identificeren en verzamelen die de Commissie en de autoriteiten van de lidstaten beschikbaar moeten stellen voor de burgers (onder meer informatie over gevolgen voor de gezondheid en aanbevelingen in verband met gedrag);
   de lidstaten te ondersteunen bij het toepassen van beste praktijken om met de burgers te communiceren en hen te betrekken bij aangelegenheden in verband met luchtkwaliteit;
   jaarlijks ranglijsten te publiceren van luchtkwaliteitszones waar de meeste en de minste vooruitgang is geboekt en de beste praktijken te delen die worden toegepast door de meest succesvolle locaties;
   een onlinetool te ontwikkelen waarmee burgers inbreuken met betrekking tot de luchtkwaliteit kunnen melden en de Commissie feedback kunnen geven over kwesties in verband met de luchtkwaliteitsmaatregelen van de lidstaten;
   de lidstaten te ondersteunen bij de ontwikkeling van gebruiksvriendelijke instrumenten voor de publieke toegang tot informatie over en monitoring van de luchtkwaliteit (bijvoorbeeld smartphoneapps en/of speciale pagina's op de sociale media);
   samen met de lidstaten proberen te komen tot eensgezindheid over het harmoniseren van de luchtkwaliteitsindices;

Deel XXIX – Speciaal verslag nr. 24/2018 van de Rekenkamer getiteld "Demonstratie van koolstofafvang en -opslag en innovatieve hernieuwbare energiebronnen op commerciële schaal in de EU: beoogde vooruitgang in het afgelopen decennium niet gerealiseerd"

225.  is ingenomen met het speciaal verslag van de Rekenkamer over "Demonstratie van koolstofafvang en -opslag en innovatieve hernieuwbare energiebronnen op commerciële schaal in de EU: beoogde vooruitgang in het afgelopen decennium niet gerealiseerd" en formuleert hieronder zijn opmerkingen en aanbevelingen;

226.  is ingenomen met de ambitieuze toezeggingen van de Unie om te streven naar een vermindering van de uitstoot met ten minste 20 % ten opzichte van het niveau van 1990 tegen 2020 en met 40 % tegen 2030, en om ten minste 20 % van haar begroting voor de begrotingsperiode 2014-2020 aan klimaatgerelateerde acties te besteden;

227.  is verheugd over de ambitie van de Unie om wereldwijd een leidende rol te spelen op het gebied van hernieuwbare energiebronnen; acht het van groot belang dat de Commissie voortdurend blijk geeft van voldoende leiderschap en inzet op het gebied van klimaatverandering om haar internationale geloofwaardigheid en de impact van haar instrumenten voor het scheppen van de voorwaarden voor het klimaatbeleid en de groene diplomatie van de Unie in de komende jaren te consolideren;

228.  is van mening dat er meer synergieën tussen de verschillende organen van de Unie, de betrokken diensten van de Commissie en industriële partners gecreëerd moeten worden en dat de inspanningen moeten worden gecombineerd om een gunstig klimaat te scheppen voor de overgang naar een koolstofarme economie met innovatieve koolstofarme technologieën, door het aanpassen en ontwikkelen van investeringsvoorwaarden en instrumenten;

229.  benadrukt dat de coördinatie tussen de diensten van de Commissie met betrekking tot klimaatkwesties verder moet worden verbeterd om niet alleen te voldoen aan de internationale verplichtingen, maar ook om de Unie in staat te stellen een voortrekkersrol te blijven spelen op het gebied van klimaatverandering;

230.  herhaalt zijn oproep aan de Commissie om de activiteiten op het gebied van de ontwikkeling van nieuwe technologieën en milieu-innovaties intensiever te coördineren;

231.  wijst erop dat de Commissie met name moet zorgen voor een betere coördinatie tussen de lidstaten op het gebied van klimaatveranderingsbeleid, zodat de doelstelling om ten minste 20 % van de begroting van de Unie te besteden aan een koolstofarme en klimaatbestendige samenleving, kan worden verwezenlijkt;

232.  betreurt het gebrek aan koolstofarme strategieën van de lidstaten, dat een klimaat van onzekerheid schept, de investeringsvoorwaarden schaadt, de financiële levensvatbaarheid en de voortgang van innovatieve koolstofarme energiedemonstratieprojecten aantast en slechts beperkte mogelijkheden biedt om geld terug te krijgen uit mislukte projecten; roept de Commissie op om de actieve deelname van de lidstaten aan de verwezenlijking van de koolstofarme doelstellingen te versterken;

233.  betreurt de algemene lage levensvatbaarheid en duurzaamheid van de gefinancierde projecten en het gebrek aan toepassing van de tastbare resultaten van de projecten;

234.  is van mening dat beter gerichte strategieën op Unie- en nationaal niveau nodig zijn om op dit gebied succes te boeken; roept de Commissie op om een concrete algemene strategie te ontwikkelen om de gestelde doelen te bereiken, die gebiedspecifieke actieplannen met inbegrip van grondige evaluaties, gedetailleerde maatregelen en instrumenten, meet- en rapportagemethoden en prestatie-indicatoren omvat;

235.  roept de Commissie op om de compatibiliteit van de verschillende begrotingsgebieden in het algemeen te vergroten ter aanvulling van de programma's voor de opbouw van een koolstofarme economie; betreurt het ontbreken van concrete doelstellingen in grote delen van de begroting van de Unie;

236.  verzoekt de Commissie dringend een gunstig klimaat voor de overgang naar een koolstofarme economie te ontwikkelen, door haar investeringsvoorwaarden, bestedingskaders en innovatie- en moderniseringsinstrumenten in alle belangrijke betrokken sectoren aan te passen;

Deel XXX – Speciaal verslag nr. 25/2018 van de Rekenkamer getiteld "Overstromingsrichtlijn: vooruitgang bij de beoordeling van risico's, maar planning en uitvoering moeten beter"

237.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn, bij de beoordeling van de overstromingsrisicobeheerplannen (FRMP's) van de tweede cyclus en daaropvolgende cycli te controleren of de lidstaten kwantificeerbare en tijdgebonden doelstellingen voor overstromingsgerelateerde maatregelen hebben vastgesteld, teneinde overeenkomstig de overstromingsrichtlijn de voortgang in de richting van de verwezenlijking ervan te beoordelen; verzoekt de Commissie goede praktijken voor het formuleren van doelstellingen met alle lidstaten te delen;

238.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn en op tijd voor de tweede cyclus van de overstromingsrichtlijn, te beoordelen en te rapporteren of de lidstaten:

   de financieringsbronnen hebben vastgesteld voor de investeringsbehoeften die voortvloeien uit de FRMP's, en een tijdpad hebben vastgelegd voor de uitvoering overeenkomstig de beschikbare financiering;
   grensoverschrijdende investeringen in overweging hebben genomen bij overstromingsmaatregelen voor internationale rivierbekkens;

239.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn en overeenkomstig het beginsel van gedeeld beheer, indien er middelen van de Unie worden aangevraagd, alleen overstromingsmaatregelen te cofinancieren die zijn geprioriteerd overeenkomstig de toekomstige FRMP's; benadrukt dat deze prioritering door de lidstaten gebaseerd moet zijn op objectieve en relevante criteria, waaronder:

   een hoogwaardige kosten-batenanalyse teneinde een optimale prijs-kwaliteitverhouding te behalen met de investeringen, en
   waar van toepassing, een criterium waarin rekening wordt gehouden met het grensoverschrijdend effect van projecten;

240.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn en de kaderrichtlijn water, de conformiteit van nieuwe overstromingsinfrastructuur die door de lidstaten wordt voorgesteld in FRMP's met de kaderrichtlijn water te handhaven;

241.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn en de kaderrichtlijn water, te controleren of de lidstaten, wanneer zij cofinanciering door de Unie aanvragen, de haalbaarheid van de uitvoering van aanzienlijke groene maatregelen hebben onderzocht, op zichzelf dan wel in combinatie met grijze infrastructuur;

242.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn, te controleren of de FRMP's maatregelen omvatten ter verbetering van de kennis en de modellering van de impact van klimaatverandering op overstromingen;

243.  verzoekt de Commissie, bij haar beoordeling van de documenten die vereist zijn voor de tweede cyclus van de overstromingsrichtlijn, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn, te controleren of de lidstaten:

   een schatting maken van de impact van klimaatverandering op overstromingen en er modellen voor opstellen op basis van studies en onderzoek;
   passende instrumenten ontwikkelen om het volgende beter te analyseren en te voorspellen:
   a) overstromingen door regenval, met inbegrip van stortvloeden;
   b) overstromingen van kustgebieden als gevolg van een stijging van de zeespiegel;
   flexibele maatregelen plannen indien de impact van de klimaatverandering niet kwantificeerbaar is, zodat het beschermingsniveau zo nodig kan worden aangepast;

244.  verzoekt de Commissie, bij haar beoordeling van de FRMP's voor de tweede cyclus, te controleren of de lidstaten maatregelen hebben gepland om:

   het publiek bewustzijn van de voordelen van verzekeringsdekking tegen overstromingsrisico's te vergroten; en
   de dekking te vergroten, bijvoorbeeld door middel van samenwerking tussen de publieke en de particuliere sector op het gebied van overstromingsverzekeringen;

245.  verzoekt de Commissie, in haar hoedanigheid van toezichthouder op grond van de overstromingsrichtlijn:

   te controleren of de lidstaten hun FRMP's hebben gebruikt om te beoordelen in hoeverre de voorschriften voor ruimtelijke ordening adequaat zijn ontworpen en op doeltreffende wijze worden gehandhaafd in gebieden met een overstromingsrisico; en
   goede praktijken en richtsnoeren te verspreiden onder de lidstaten;

Deel XXXI – Speciaal verslag nr. 26/2018 van de Rekenkamer getiteld "Een reeks vertragingen bij de IT-douanesystemen: wat ging er mis?"

246.  neemt kennis van de opmerkingen van de Rekenkamer in het kader van haar evaluatie van de invoering van de informatietechnologiesystemen van de douane;

247.  prijst de analyse van de situatie en de conclusies die de Rekenkamer presenteert;

248.  is tevreden met de aanbevelingen aan de Commissie voor de modernisering van de douaneprocessen, die van essentieel belang zijn voor het functioneren van de Unie; waardeert de benadering waarbij rekening wordt gehouden met de lessen die getrokken zijn uit het Douane 2020-programma;

249.  wijst erop dat de Commissie, ondanks enkele aanvullende verklaringen en meningsverschillen met betrekking tot een deel van de opmerkingen, alle aanbevelingen in het speciaal verslag van de Rekenkamer aanvaardt;

250.  wijst erop dat, hoewel de Commissie voor het volgende programma een bedrag plant van 950 miljoen EUR in lopende prijzen en er over dit bedrag een consensus bestaat met het Parlement, het absoluut noodzakelijk is dat de invoering tijdig plaatsheeft, en wel volledig en binnen de financiële grenzen;

251.  merkt op dat een goed meerjarig strategisch plan voorhanden moet zijn waarin een strategisch kader is vastgesteld en mijlpalen om IT‑projecten samenhangend en doeltreffend te beheren; merkt op dat de doelstellingen, de indicatoren, het tijdschema en de nodige financiële middelen naar behoren in dat plan moeten worden vastgesteld;

252.  merkt op dat, aangezien bij het begin van het nieuwe MFK diverse programma's, zoals het EU‑fraudebestrijdingsprogramma, Fiscalis en de douane, alsmede het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer in synergie moeten handelen, er een effectbeoordeling nodig is van de negatieve impact van mogelijke vertragingen bij de tenuitvoerlegging van een van de elementen op de werking van het hele systeem;

253.  wijst erop dat het van het grootste belang is dat gebruikgemaakt wordt van prestatiegebaseerde budgettering om de resultaten te verbeteren en te garanderen dat de doelstellingen van het programma worden gerealiseerd;

254.  aangezien de lidstaten het door hen ingehouden aandeel van 20 % van de inningskosten van de douanerechten niet hebben gebruikt voor de dekking van de uitgaven van de invoering van het IT‑systeem van de douane, steunt het in zijn Commissie begrotingscontrole het eigenmiddelenvoorstel van de Commissie om het percentage van de inningskosten te verlagen tot 10 %;

Deel XXXII – Speciaal verslag nr. 31/2018 van de Rekenkamer getiteld "Dierenwelzijn in de EU: het dichten van de kloof tussen ambitieuze doelstellingen en praktische uitvoering"

255.  verzoekt de Commissie, om richting te geven aan haar toekomstige dierenwelzijnsacties:

   een evaluatie te verrichten van de strategie voor dierenwelzijn 2012-2015 – met name in verband met het vervoer van levende dieren – om vast te stellen in welke mate de doelstellingen ervan zijn verwezenlijkt en of de richtsnoeren die zij heeft uitgebracht, worden toegepast;
   uitgangssituatie- en streefdoelindicatoren te definiëren om de mate van naleving door de lidstaten te meten en te vergelijken op de resterende risicogebieden die bij de evaluatie werden vastgesteld;
   na te denken over de wijze waarop zij de conclusies van bovengenoemde evaluatie (bijvoorbeeld door middel van een nieuwe strategie of een nieuw actieplan en/of een evaluatie van wetgeving op het gebied van dierenwelzijn) aan de orde zal stellen en de resultaten van haar beoordeling zal publiceren;

256.  is ingenomen met de conclusie van de Rekenkamer dat de maatregelen van de Unie inzake dierenwelzijn de naleving van vereisten op het vlak van dierenwelzijn hebben verbeterd en hebben geleid tot hogere normen met duidelijk positieve gevolgen voor dierenwelzijn, mits ze correct worden uitgevoerd;

257.  beveelt de Commissie het volgende aan, teneinde risicogebieden beter aan te pakken en goede praktijken te verspreiden:

   een handhavingsstrategie ontwikkelen ter versterking van de regelingen voor de follow-up van de aanbevelingen van DG SANTE teneinde de tijd te verkorten die nodig is om bevredigende acties in gang te zetten met betrekking tot haar aanbevelingen naar aanleiding van audits, en teneinde wettelijke bepalingen te handhaven, met name wanneer die al lange tijd van kracht zijn;
   samen met de lidstaten bepalen hoe de in Traces beschikbare instrumenten de opstelling van risicoanalyses voor inspecties van het vervoer van levende dieren kunnen ondersteunen en richtsnoeren verspreiden voor het gebruik van deze instrumenten;

258.  beveelt de Commissie het volgende aan, teneinde het verband tussen het cross-compliancesysteem en dierenwelzijn te versterken:

   in haar conformiteitscontroles inzake cross-compliance de volledigheid beoordelen van de melding door de lidstaten van gevallen van niet-naleving die werden vastgesteld tijdens officiële inspecties die door dezelfde controleautoriteit worden verricht als cross-compliancecontroles, door bijvoorbeeld de resultaten van officiële inspecties te vergelijken met de database van begunstigden die zijn onderworpen aan cross-compliance;
   voortbouwend op eerdere acties, beste praktijken inzake cross-compliance delen en de lidstaten informeren over de conformiteitsbevindingen die ten grondslag liggen aan besluiten om financiële correcties op te leggen, vanwege de soepele sanctiesystemen op het gebied van dierenwelzijn;

259.  beveelt de Commissie het volgende aan, teneinde doeltreffende gebruikmaking van steun voor dierenwelzijn in het kader van plattelandsontwikkeling aan te moedigen:

   bij de goedkeuring van wijzigingen in de bestaande programma's voor plattelandsontwikkeling en bij de goedkeuring van nieuwe programmeringsdocumenten voor de programmeringsperiode voor plattelandsontwikkeling na 2020 de lidstaten kritische vragen stellen over het gebruik van de maatregel inzake dierenwelzijn in sectoren waar bewijs bestaat van niet-naleving op grote schaal (zoals het couperen van staarten bij varkens) en de potentiële overlapping controleren met particuliere regelingen die betrekking hebben op soortgelijke verbintenissen;
   in het kader van het gemeenschappelijk monitoring- en evaluatiesysteem dat voor de programmeringsperiode na 2020 zal worden vastgesteld, de uitwisseling tussen de lidstaten van goede praktijken inzake aanvullende, vrijwillige resultaat- en impactindicatoren voor de maatregel inzake dierenwelzijn aanmoedigen;
   voor de programmeringsperiode na 2020 gestructureerde richtsnoeren verstrekken aan de lidstaten over de toepassing van andere maatregelen voor plattelandsontwikkeling ter ondersteuning van verbeterde dierenwelzijnsnormen om landbouwers een breder scala aan stimulansen te bieden om dierenwelzijn te verbeteren, met het oog op de volledige afschaffing van de wrede praktijken;

o
o   o

260.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 1.
(4) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 9.
(5) Aangenomen teksten van die datum, P8_TA-PROV(2019)0242.
(6) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(7) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 28 maart 2019Juridische mededeling