Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2171(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0097/2019

Ingediende teksten :

A8-0097/2019

Debatten :

PV 26/03/2019 - 12
CRE 26/03/2019 - 12

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 13.7

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0248

Aangenomen teksten
PDF 158kWORD 54k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Rekenkamer
P8_TA-PROV(2019)0248A8-0097/2019
Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling V - Rekenkamer (2018/2171(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8‑0322/2018)(2),

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017, vergezeld van de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd(4), als bedoeld in artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(6), en met name de artikelen 59, 118, 260, 261 en 262,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0097/2019),

1.  verleent de secretaris-generaal van de Rekenkamer kwijting voor de uitvoering van de begroting van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de Rekenkamer, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Europese Ombudsman, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 1.
(4) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 9.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.


2. Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling V – Rekenkamer (2018/2171(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling V — Rekenkamer,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0097/2019),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit, in het kader van de kwijtingsprocedure, sterk de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het concept van resultaatgericht begroten ten uitvoer te leggen, en een goed personeelsbeheer te verzekeren;

1.  constateert dat de jaarrekening van de Rekenkamer wordt gecontroleerd door een onafhankelijke extern controleur om dezelfde beginselen van transparantie en verantwoordingsplicht toe te passen als de Rekenkamer hanteert voor de instanties die zij controleert; neemt kennis van het oordeel van de controleur dat de financiële staten van de Rekenkamer een getrouw beeld geven van de financiële positie van de Rekenkamer;

2.  merkt op dat de Rekenkamer in 2017 over een totaalbedrag van 141 240 000 EUR aan definitieve kredieten beschikte (ten opzichte van 137 557 000 EUR in 2016) en dat het algemene uitvoeringspercentage voor de begroting 97,73 % bedroeg (tegenover 99 % in 2016);

3.  benadrukt dat de begroting van de Rekenkamer louter administratief is, waarbij een groot deel wordt gebruikt voor uitgaven met betrekking tot het personeel dat voor de instelling werkzaam is (titel 1) en met betrekking tot gebouwen, meubilair, uitrusting en diverse werkingskosten (titel 2); verzoekt de Rekenkamer de uitvoeringspercentages van betalingen verder te blijven verbeteren, met name in verband met titel 2, waar het betalingspercentage 55,75 % van de definitieve kredieten en 57,13 % van de vastleggingen bedroeg (tegenover respectievelijk 52,8 % en 53,8 % in 2016);

4.  merkt op dat het percentage kredieten voor dienstreizen 87,98 % van de definitieve kredieten bedroeg (tegenover 93,76 % in 2016); is ingenomen met de toezegging van de Rekenkamer om alle mogelijke maatregelen te nemen teneinde ervoor te zorgen dat de kredieten voor dienstreizen uitsluitend worden benut met inachtneming van de beginselen van zuinigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid;

5.  is ingenomen met de deelname van de Rekenkamer aan de interinstitutionele geïntegreerde financiële en activiteitenplanning (IFAP), hetgeen een eerste stap is in de richting van de tenuitvoerlegging van resultaatgericht begroten als onderdeel van het initiatief voor een resultaatgerichte begroting van de Unie; verzoekt de Rekenkamer in het volgende jaarlijkse activiteitenverslag verslag uit te brengen aan de Commissie begrotingscontrole van het Parlement met betrekking tot de voortgang;

6.  is ingenomen met de lancering van het internetportaal "Controle van de overheidsfinanciën in de Europese Unie", dat informatie bevat over de werkzaamheden en de rol van de 29 hoge controle-instanties van de Unie en de lidstaten; verzoekt de Rekenkamer op het internetportaal korte activiteitenverslagen te publiceren die concrete gegevens bevatten over de analyses van de Rekenkamer en de hoge controle-instanties en over de concrete resultaten, met inbegrip van kosten-batenanalyses en teruggevorderde bedragen;

7.  neemt kennis van het feit dat de dienst Interne Audit de uitvoering van de strategie 2013-2017 van de Rekenkamer en de operationele structuur van de directie van het Presidentschap heeft onderzocht met betrekking tot onderwerpen zoals softwarelicenties en risicobeheer; is ingenomen met het feit dat de dienst Interne Audit van mening is dat de bestaande procedures voor bestuur, risicobeheer en interne controle redelijke zekerheid bieden over de verwezenlijking van de doelstellingen van de Rekenkamer;

8.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer haar definitieve rekeningen vóór 31 maart 2018 heeft gepubliceerd, zoals het Parlement in zijn vorige kwijting had aanbevolen; moedigt de Rekenkamer aan haar procedures te stroomlijnen om ervoor te zorgen dat haar jaarlijks activiteitenverslag ook uiterlijk 31 maart wordt gepubliceerd met het oog op de optimalisering en bespoediging van de kwijtingsprocedure; stelt voor dat de Rekenkamer in haar toekomstige adviezen onderzoekt in hoeverre de voorgestelde regelingen het mogelijk maken de kwijtingsprocedure te verkorten;

9.  betreurt het feit dat de Rekenkamer sinds 2012 geen enkel speciaal verslag heeft gepubliceerd over de omgang met belangenconflicten bij bepaalde agentschappen van de Unie; dringt er bij de Rekenkamer op aan jaarlijks een speciaal verslag te publiceren over de omgang met belangenconflicten bij agentschappen van de Unie die samenwerken met bedrijfssectoren, namelijk het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA); merkt op dat voor agentschappen die werken met bedrijfssectoren, het risico van een belangenconflict groter is dan voor andere agentschappen van de Unie;

10.  waardeert de samenwerking tussen de Rekenkamer en de Commissie begrotingscontrole van het Parlement; is ingenomen met de presentatie van het werkprogramma voor de Conferentie van commissievoorzitters van het Parlement, met daarin een verzoek aan alle vaste parlementaire commissies om mogelijke controletaken aan te bevelen; is ingenomen met het feit dat ongeveer twee derde van deze suggesties gevolgen zal hebben voor de werkzaamheden van de Rekenkamer; merkt op dat er zestig presentaties voor het Parlement zijn gegeven en dat er veel bilaterale bijeenkomsten hebben plaatsgevonden;

11.  merkt op dat het controlerisico op het gebied van de administratieve uitgaven laag is en dat de ramingen van de foutenpercentages al enkele jaren onder het materialiteitsniveau liggen; merkt op dat de Rekenkamer daarom van mening is dat het aantal getoetste transacties volstaat om tot conclusies voor haar controle te komen; betreurt echter dat de reikwijdte van de overwegingen in hoofdstuk 10 van het jaarverslag over "Administratie" slechts een zeer beperkte evaluatie mogelijk maakt van de tekortkomingen in de administratieve uitgaven van elke instelling; betreurt het feit dat de Rekenkamer geen analyse heeft uitgevoerd van de door het Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité geboekte vooruitgang met betrekking tot de aanbevelingen van 2014 voor "Administratie", aangezien de controle van de Rekenkamer voor 2017 geen onderzoek van de administratieve uitgaven van deze instellingen omvatte; verzoekt de Rekenkamer spoedig follow-up te geven aan deze aanbevelingen en in de toekomst sneller follow-up te geven aan de in dit hoofdstuk gedane aanbevelingen;

12.  verwelkomt de samenwerking van de Rekenkamer met andere overheidsinstellingen en belanghebbenden; neemt met tevredenheid kennis van de samenwerking tussen de hoofden van de hoge controle-instanties en de vaststelling van een gezamenlijk werkplan vanaf 2018; steunt bovendien de partnerschappen die met verschillende universiteiten zijn aangegaan in het kader van het beleid van de Rekenkamer om haar opleidingen uit te breiden;

13.  is ingenomen met het feit dat 92 % van de in 2014 gedane aanbevelingen van de Rekenkamer eind 2017 zijn uitgevoerd, evenals 53 % van de in 2017 verstrekte aanbevelingen;

14.  merkt op dat, overeenkomstig het Financieel Reglement, de Rekenkamer ervoor moet zorgen dat speciale verslagen worden opgesteld en vastgesteld binnen een passende termijn die, in het algemeen, niet langer duurt dan 13 maanden; merkt op dat het in 2017 gemiddeld 14,6 maanden duurde vanaf het begin van een controleopdracht tot de goedkeuring van het speciaal verslag, terwijl ook het jaar voordien de streeftermijn van 13 maanden voor het opstellen van speciale verslagen niet werd gehaald; betreurt dat slechts 8 van de in 2017 gepubliceerde speciale verslagen (29 %) binnen de streeftermijn van 13 maanden zijn geproduceerd; merkt op dat de tijd tot de publicatie gemiddeld 16 maanden bedroeg, wat ongeveer 2 maanden minder is dan in 2016, en verzoekt de Rekenkamer in dit verband haar prestaties te blijven verbeteren, zonder dit ten koste te laten gaan van de kwaliteit van de speciale verslagen en de gerichte aard van haar aanbevelingen;

15.  merkt met belangstelling op dat de Rekenkamer vertalers in toenemende mate betrekt bij haar kernactiviteiten, waardoor verdere synergieën met de controleurs worden gecreëerd; neemt kennis van het feit dat de vertalers de controleurs redactionele ondersteuning hebben geboden voor speciale verslagen en het jaarverslag, maar ook tijdens 38 controlebezoeken;

16.  is verheugd over de communicatiestrategie van de Rekenkamer "De boodschap duidelijk overbrengen aan ons publiek", en over de resultaten die de Rekenkamer heeft geboekt op het gebied van communicatieactiviteiten ten behoeve van verhoogde zichtbaarheid en media-impact, met onder meer een groeiende aanwezigheid op sociale media; verwelkomt het gebruik van uitgebreide analyses van sociale media om beter te begrijpen in hoeverre doelgroepen worden bereikt en of mediacampagnes succesvol zijn geweest; spoort de Rekenkamer aan te blijven streven naar een optimaal gebruik van diverse communicatiekanalen om de kennis over haar werkzaamheden onder burgers te vergroten;

17.  verwelkomt de gedetailleerde evaluatie van het gebruik van dienstauto’s door de leden van de Rekenkamer en de secretaris-generaal, per gebruiker, afgelegde afstand en de door de Rekenkamer betaalde kosten, in het kader van de kwijtingsprocedure 2017; merkt op dat verschillende regelingen van toepassing zijn op reizen die worden gedekt door een dienstreisopdracht en andere reizen in het kader van de uitoefening van officiële taken, tot een maximale vergoeding van 10 000 km per jaar; merkt voorts op dat voor alle andere reizen leden en de secretaris-generaal alle andere daarmee gepaard gaande kosten zelf moeten dragen; stelt vast dat 17 % van al het gebruik van dienstvoertuigen niet voor beroepsdoeleinden is; stelt vast dat chauffeurs die belast zijn met het vervoeren van leden voor officiële dienstreizen en protocolreizen ook diverse administratieve taken verrichten, zoals de Rekenkamer heeft aangegeven in het kader van de kwijtingsprocedure 2017; verzoekt de Rekenkamer een analyse uit te voeren om misbruik te voorkomen van reizen in de categorie "Overige reizen in het kader van de uitoefening van officiële taken";

18.  is ingenomen met het feit dat Besluit 81-2016, waarbij de jaarlijkse limiet voor de vergoeding van reizen in het kader van de uitoefening van officiële taken van 15 000 tot 10 000 km is verlaagd, tot een besparing van ongeveer 15 % heeft geleid; is echter bezorgd over het feit dat de huidige regeling nog steeds leidt tot een onevenredige last op het gebied van administratie en documentatie; verzoekt de Rekenkamer verdere vereenvoudigingen door te voeren en tegelijkertijd de betrouwbaarheid van het afwikkelingssysteem te verbeteren; stelt voor dat de leden van de Rekenkamer een maandelijkse vergoeding ontvangen, die wordt berekend in verhouding tot de catalogusprijs van hun respectieve officiële voertuig, in plaats van het huidige systeem dat gebaseerd is op afgelegde afstand;

19.  merkt op dat tankpassen bestemd zijn voor specifieke officiële voertuigen en dat de persoon die dat voertuig bestuurt deze mag gebruiken om tijdens dienstreizen benzine en tol te betalen; merkt op dat de leden van de Rekenkamer en de secretaris-generaal voor hun eigen diplomatieke voertuig een tankpas kunnen aanvragen, maar dat de volledige werkelijke kosten van de benzine door hen worden betaald;

20.  merkt op dat het lopende project van de Rekenkamer om de veiligheid van de instellingen en het personeel te versterken volgens plan verloopt; wijst erop dat het nieuwe beveiligingscentrum, het externe centrum voor accreditatie en het centrum voor toegangscontrole voor personeelsleden en bezoekers inmiddels operationeel zijn;

21.  is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer is gecertificeerd in het kader van het milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS); is ingenomen met de maatregelen van de Rekenkamer om haar afvalbeheer te verbeteren, haar energie-efficiëntie te verhogen en haar koolstofvoetafdruk te verkleinen, en moedigt de Rekenkamer aan haar inspanningen in deze richting voort te zetten; is ingenomen met de opmerkelijke daling van de energiekosten;

22.  neemt kennis van het feit dat over de periode 2013-2017 een personeelsinkrimping van 5 % is gerealiseerd, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(1), hetgeen in totaal heeft gezorgd voor een verlaging met 45 posten; merkt op dat de Rekenkamer één post meer heeft geschrapt dan in het streefcijfer voor de periode 2013-2017; merkt op dat het aantal arbeidscontractanten in dezelfde periode van 59 tot 73 is gestegen, hetgeen voornamelijk het gevolg is van de versterking van de beveiligingsmaatregelen in de gebouwen van de Rekenkamer; merkt op dat de Rekenkamer de procedures heeft gestroomlijnd door gebruik te maken van IT-instrumenten en digitalisering en door verschillende taken uit te besteden aan het uitbetalingsbureau van de Commissie om de doelstellingen van het personeelsbestand te verwezenlijken;

23.  merkt op dat de Rekenkamer wil voldoen aan de aanbevelingen van de Internationale Federatie van Accountants, en er daarom naar streeft jaarlijks gemiddeld veertig uur (vijf dagen) beroepsopleiding aan zijn controleurs aan te bieden; merkt op dat deze doelstelling in 2017 werd overschreden, namelijk 6,7 dagen beroepsopleiding per controleur;

24.  is bezorgd over de toename van het ziekteverlof van het personeel van in totaal 8 636 dagen (voor 687 personeelsleden) in 2015 tot 10 327 dagen (voor 677 personeelsleden) in 2017; is ingenomen met de transparantie van de Rekenkamer met betrekking tot het aantal gevallen van burn-out onder het personeel in 2017; roept de Rekenkamer op deze zorgwekkende trend te erkennen en een actieplan op te stellen om het welzijn van het personeel te vergroten, en bijgevolg meer inspanningen te leveren om het welzijn van het personeel en het evenwicht tussen werk en privéleven te verbeteren;

25.  wijst erop dat het lage salarisniveau voor aanvangsrangen en de beperkte carrièremogelijkheden in Luxemburg, vanwege het geringe aantal instellingen dat daar is gevestigd, rechtstreekse gevolgen hebben voor de aanwervingsprocedures van de Rekenkamer; is ingenomen met de oprichting, in november 2017, van een interinstitutionele taskforce die 24 aanbevelingen heeft gedaan inzake betere carrièreperspectieven en aanwervingsflexibiliteit, betere opvang- en vestigingsvoorwaarden in het land, een betere integratie van de werknemers van de instelling in de lokale gemeenschap en betere communicatie;

26.  is ingenomen met het feit dat in 2017 43 % van de controleurs en administrateurs vrouwen waren en dat genderevenwicht in de bevorderingsprocedure werd bereikt in het kader van het actieplan voor het gelijkekansenbeleid voor de periode 2013-2017; merkt op dat het percentage vrouwen in leidinggevende functies in de controlekamers is gestegen van 7 % in 2015 tot bijna 20 % in 2017; betreurt echter dat slechts 2 van de 11 directeuren en 7 van de 29 kabinetschefs in 2017 vrouwen waren; is verheugd over de vaststelling van een actieplan voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen voor de periode 2018-2020 en verzoekt de Rekenkamer haar inspanningen ter bevordering van het genderevenwicht in leidinggevende functies voort te zetten;

27.  betreurt dat op 1 mei 2018 slechts 6 van de 28 leden van de Rekenkamer vrouwen waren; herinnert eraan dat het Parlement heeft gewezen op het gebrek aan genderevenwicht onder de leden van de Rekenkamer in zijn resolutie van 4 februari 2014 over de toekomstige rol van de Rekenkamer: de procedure voor de benoeming van leden van de Rekenkamer: raadpleging van het Europees Parlement(2), en dringt er bij de lidstaten op aan om vrouwen actiever aan te moedigen naar functies te solliciteren met het oog op toekomstige vacatures; herhaalt dat de Raad in de loop van de benoemingsprocedure aan het Parlement ten minste twee kandidaten moet voorleggen, een vrouw en een man;

28.  merkt op dat er in 2017 geen gevallen van intimidatie zijn gemeld, onderzocht of afgerond; is ingenomen met het feit dat de Rekenkamer diverse maatregelen neemt om het bewustzijn met betrekking tot intimidatie in de werkomgeving te vergroten, met inbegrip van opleiding voor nieuwe werknemers; stelt met tevredenheid vast dat er procedures en sancties zijn gepland voor de follow-up van klachten tegen leden van het personeel en tegen leden van de Rekenkamer; moedigt de Rekenkamer aan om nauwlettend toe te zien op de doeltreffendheid van haar beleid in dit verband, het bewustzijn over intimidatie op de werkplek te blijven vergroten en een cultuur van nultolerantie ten aanzien van intimidatie te stimuleren;

29.  merkt op dat er in 2017 geen gevallen van klokkenluiden waren; merkt op dat de Juridische Dienst van de Rekenkamer optreedt als openbaarmakings-, advies- en verwijzingsorgaan voor interne en externe klokkenluiders; wijst er verder op dat er een netwerk van ethische adviseurs aanwezig is om advies te verlenen over de verstrekking van informatie in gevallen van onregelmatigheden, zoals bepaald in het reglement van orde van de Rekenkamer; benadrukt dat elk personeelslid verplicht is zowel frauduleuze als niet-frauduleuze onregelmatigheden te melden aan de Juridische Dienst van de Rekenkamer; verzoekt de Rekenkamer de identiteit te beschermen van personeelsleden die onregelmatigheden melden, teneinde een correct onderzoek mogelijk te maken; verzoekt de Rekenkamer ervoor te zorgen dat alle personeelsleden naar behoren worden geïnformeerd over hun rechten, bijvoorbeeld bij de indiensttreding van nieuw personeel; is ingenomen met het advies dat de Rekenkamer in oktober 2018 heeft uitgebracht naar aanleiding van de op 23 april 2018 door de Commissie voorgestelde richtlijn inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden; onderstreept het belang van bewustmaking en opleiding van personeelsleden als een manier om een positieve omgeving te creëren waarin een sfeer van vertrouwen heerst en klokkenluiden een geaccepteerd onderdeel is van de organisatiecultuur;

30.  merkt op dat de Rekenkamer in 2017 13 gevallen van vermoedelijke fraude heeft gemeld bij het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), tegenover 11 in 2016, die tijdens de werkzaamheden in het kader van de betrouwbaarheidsverklaring voor de begrotingsjaren 2016 en 2017 en in het kader van de andere controletaken zijn geïdentificeerd; is ingenomen met de lopende onderhandelingen tussen de Rekenkamer en OLAF over een nieuwe administratieve regeling; wenst op de hoogte te worden gehouden van de ontwikkelingen inzake de betrekkingen met OLAF en over de voorbereidingen voor de samenwerking met het voorgestelde Europees Openbaar Ministerie (EOM);

31.  betreurt het dat leden van de Rekenkamer zonder motivering afwezig kunnen zijn van de Rekenkamer en zonder dat zij om een of meer dagen verlof hoeven te verzoeken; waardeert de invoering door de Rekenkamer van een presentieregister om de aanwezigheid van leden te registreren op vergaderingen van de Rekenkamer en haar kamers en commissies; merkt op dat de Rekenkamer een kalender van al deze vergaderingen op haar website publiceert; verzoekt de Rekenkamer procedures vast te stellen voor het bijhouden van een register van het jaarlijks verlof, ziekteverlof en arbeidsverzuim om andere redenen van de leden, om ervoor te zorgen dat alle door de leden genomen verlof daadwerkelijk wordt geregistreerd; benadrukt dat de huidige praktijk het vertrouwen van de burgers en instellingen van de Unie in de Rekenkamer kan ondermijnen;

32.  herinnert eraan dat de leden van de Rekenkamer, overeenkomstig artikel 285 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, hun ambt volkomen onafhankelijk uitoefenen en uitsluitend handelen in het algemeen belang van de Unie; is bezorgd over de huidige op eigen verklaringen gebaseerde naleving van deze criteria en dringt er bij de Rekenkamer op aan de externe activiteiten van de leden strenger te controleren en ervoor te zorgen dat zij belangenverklaringen indienen in plaats van verklaringen met betrekking tot de afwezigheid van belangenconflicten; onderstreept dat de huidige procedures, met inbegrip van de ethische commissie, versterkt moeten worden om ervoor te zorgen dat zich geen belangenconflicten voordoen; is ingenomen met de lopende externe collegiale toetsing van het ethische kader van de Rekenkamer en vraagt op de hoogte te worden gehouden van het resultaat;

33.  betreurt dat de in dienstreisopdrachten gevraagde informatie in het verleden ontoereikend was, waardoor de Rekenkamer niet kon beoordelen of de door de leden van de Rekenkamer geplande activiteiten in het belang van de Rekenkamer waren; verzoekt de Rekenkamer de hoeveelheid informatie die nodig is om mogelijk misbruik te voorkomen, op te voeren, en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de doorgevoerde wijzigingen; merkt op dat de Rekenkamer na de herziening van de regels inzake officiële dienstreizen van de leden(3) elk kwartaal informatie over de dienstreizen van de leden publiceert;

34.  neemt er evenwel met belangstelling kennis van dat de Rekenkamer sinds oktober 2016 een begin heeft gemaakt met het versterken van interne controles en financiële procedures in verband met de reiskosten en het beheer van officiële voertuigen, met name door de vaststelling van nieuwe regels voor het gebruik van voertuigen en chauffeurs, die nu door een centraal team worden beheerd(4), nieuwe regels voor de uitgaven voor dienstreizen(5) en nieuwe regels voor representatiekosten van leden van de Rekenkamer(6), waarbij de secretaris-generaal de gedelegeerd ordonnateur is voor uitgaven in verband met dienstreizen van leden van de Rekenkamer(7), en door gebruik te maken van hetzelfde systeem voor het beheer van de dienstreizen van andere personeelsleden van de instelling;

35.  neemt kennis van het besluit van de Rekenkamer om met betrekking tot de periode 2012-2018 een volledige interne audit van de kosten van dienstreizen en het gebruik van dienstauto's van alle leden van de Rekenkamer, de secretaris-generaal en de directeuren te verrichten, teneinde mogelijke onregelmatigheden te identificeren en de met dergelijke onregelmatigheden gemoeide bedragen terug te vorderen; vraagt in kennis te worden gesteld van de resultaten van de audit zodra deze is afgerond, en verzoekt de Rekenkamer snel alle nodige maatregelen te nemen om mogelijke tekortkomingen aan te pakken die hierbij aan het licht zijn gekomen; verzoekt de Rekenkamer tevens een jaarlijkse lijst op te stellen van de ondernomen dienstreizen, met voor elke dienstreis vermelding van de data, de volledige kosten en het doel ervan;

36.  herinnert aan de aanbevolen criteria voor de benoeming van leden van de Rekenkamer door de lidstaten en de Raad, zoals bekrachtigd door het Parlement in zijn resolutie van 4 februari 2014; onderstreept dat strenge normen inzake integriteit en ethiek een belangrijk criterium vormden en dat kandidaten met ingang van de datum van hun benoeming geen gekozen ambt mogen bekleden of verantwoordelijkheden mogen hebben met betrekking tot een politieke partij; is van mening dat de selectieprocedure verder moet worden aangepast om ervoor te zorgen dat kandidaten de relevante kwalificaties bezitten en aan de relevante voorwaarden voldoen; stelt voor dat de voorselectieprocedure voor rechters bij het Hof van Justitie van de Europese Unie als model kan dienen voor een onafhankelijke voorselectieprocedure voor leden van de Rekenkamer;

37.  merkt op dat het besluit van het Verenigd Koninkrijk om zich uit de Europese Unie terug te trekken geen directe gevolgen zal hebben voor de personele of structurele organisatie van de Rekenkamer; is ingenomen met het voornemen van de Rekenkamer om per geval te besluiten over de verlenging van contracten van Britse tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten en hen niet te ontslaan louter omdat zij niet langer onderdaan van een lidstaat zijn; verzoekt de Rekenkamer om onverwijld een samenhangende strategie te ontwikkelen om de betrokkenen zekerheid te bieden; merkt voorts op dat het lid van de Rekenkamer van het Verenigd Koninkrijk vanaf 1 april 2019 niet meer in dienst zal zijn en dat de gevolgen voor de begroting van zijn vertrek, acht maanden vroeger dan de normale beëindiging van het mandaat, ongeveer 108 000 EUR zullen bedragen.

(1) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(2) PB C 93 van 24.3.2017, blz. 6.
(3) Besluit nr. 61-2017 van 14 december 2017 betreffende de kosten voor dienstreizen van de leden van de Rekenkamer.
(4) Notulen van de 218e vergadering van het Administratief Comité van donderdag 6 oktober 2016, punt 7.
(5) Besluit nr. 61-2017 van 14 december 2017 betreffende de kosten voor dienstreizen van de leden van de Rekenkamer.
(6) Besluit nr. 60-2017 van 14 december 2017 betreffende de regels voor het beheer van de representatiekosten van de leden.
(7) Besluit nr. 58-2017 van de Europese Rekenkamer van 14 december 2017 tot vaststelling van de interne regels voor de uitvoering van de begroting; Besluit nr. 59-2017 van de Rekenkamer van 14 december 2017 betreffende het mandaat van de gedelegeerd ordonnateur en de gesubdelegeerd ordonnateurs.

Laatst bijgewerkt op: 28 maart 2019Juridische mededeling