Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2173(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0101/2019

Ingediende teksten :

A8-0101/2019

Debatten :

PV 26/03/2019 - 12
CRE 26/03/2019 - 12

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 13.9

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0250

Aangenomen teksten
PDF 147kWORD 56k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Kwijting 2017: Algemene begroting EU - Comité van de Regio's
P8_TA-PROV(2019)0250A8-0101/2019
Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling VII – Comité van de Regio's (2018/2173(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017(1),

–  gezien de geconsolideerde jaarrekening van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017 (COM(2018)0521 – C8-0324/2018)(2),

–  gezien het jaarverslag van het Comité van de Regio's aan de kwijtingsautoriteit over de in 2017 uitgevoerde interne controles,

–  gezien het jaarverslag van de Rekenkamer over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017, tezamen met de antwoorden van de instellingen(3),

–  gezien de verklaring van de Rekenkamer(4) voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 314, lid 10, en de artikelen 317, 318 en 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(5), en met name de artikelen 55, 99, 164, 165 en 166,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(6), en met name de artikelen 59, 118, 260, 261 en 262,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0101/2019),

1.  verleent de secretaris-generaal van het Comité van de Regio's kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Comité van de Regio's voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in bijgaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan het Comité van de Regio's, de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie, de Rekenkamer, de Europese Ombudsman, de Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en de Europese Dienst voor extern optreden, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB L 51 van 28.2.2017.
(2) PB C 348 van 28.9.2018, blz. 1.
(3) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 1.
(4) PB C 357 van 4.10.2018, blz. 9.
(5) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(6) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.


2. Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling VII – Comité van de Regio's (2018/2173(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017, afdeling VII – Comité van de Regio's,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0101/2019),

A.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het bijzonder belang van het verder versterken van de democratische legitimiteit van de instellingen van de Unie door de transparantie en de verantwoordingsplicht te vergroten, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

1.  stelt vast dat de Rekenkamer in zijn jaarverslag over de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (het "verslag van de Rekenkamer") geen significante tekortkomingen heeft vastgesteld met betrekking tot de gecontroleerde aspecten inzake personele middelen en aanbesteding door het Comité van de Regio's ("het Comité");

2.  stelt met tevredenheid vast dat de Rekenkamer op basis van zijn controlewerkzaamheden heeft geconcludeerd dat de betalingen als geheel over het per 31 december 2017 afgesloten jaar, alsook de administratieve en andere uitgaven van de instellingen en organen geen materiële fouten vertonen;

3.  stelt vast dat het Comité in 2017 beschikte over een goedgekeurde begroting van 93 295 000 EUR (ten opzichte van 90 500 000 EUR in 2016), waarvan 91,5 miljoen EUR aan vastleggingskredieten (ten opzichte van 89,4 miljoen EUR in 2016) met een benuttingspercentage van 98,0 % (98,7 % in 2016) en waarvan 83,9 miljoen EUR aan betalingskredieten met een benuttingspercentage van 89,9 %;

4.  merkt op dat de begroting van het Comité voornamelijk van administratieve aard is en dat een groot deel ervan wordt gebruikt voor uitgaven met betrekking tot personeel, gebouwen, meubilair, uitrusting en diverse werkingskosten;

5.  verzoekt het Comité om de methode van resultaatgericht begroten uit te breiden naar de relevante onderdelen van zijn begroting; vraagt om geregeld te worden geïnformeerd over de verwezenlijkingen betreffende de toepassing van de beginselen van resultaatgericht begroten;

6.  merkt op dat het totale uitvoeringspercentage voor betalingen eind december 2017 89,9 % bedroeg; stelt vast dat het definitieve uitvoeringspercentage voor dit begrotingsjaar (na betaling van overdrachten) nog hoger zal liggen en idealiter dicht bij het vastleggingspercentage zou moeten liggen;

7.  merkt op dat gebruik wordt gemaakt van het monitoringinstrument voor de uitvoering van de begroting "Budget Watch" om centraal toe te zien op de uitvoering van vastleggingen en betalingen van alle begrotingsonderdelen, hetgeen bijdraagt aan een optimalisering van de begrotingsuitvoering door middel van een betere voorbereiding op de herverdeling van middelen; verzoekt het Comité grotere inspanningen te leveren in verband met de uitvoeringsgraad van betalingen, met name voor begrotingstitel 2 betreffende gebouwen, materieel en diverse huishoudelijke uitgaven, waarvan de uitvoeringsgraad van de betalingen 77,1 % bedroeg;

8.  moedigt het Comité ertoe aan zijn jaarlijkse activiteitenverslag en zijn jaarrekening te publiceren vóór 31 maart van het jaar dat volgt op het boekjaar in kwestie, teneinde de kwijtingsprocedure te optimaliseren en te versnellen;

9.  betreurt dat het Comité in zijn follow-up van de kwijtingsresolutie 2016 slechts indirecte antwoorden geeft op de opmerkingen van het Parlement door in verschillende punten te verwijzen naar het jaarlijkse activiteitenverslag; benadrukt dat het follow-upverslag van essentieel belang is voor de Commissie begrotingscontrole van het Parlement om te kunnen nagaan of het Comité uitvoering heeft gegeven aan de aanbevelingen van het Parlement; verzoekt het Comité in zijn volgende follow-upverslag alle nodige antwoorden en uitleg over de uitvoering van de aanbevelingen van het Parlement op te nemen;

10.  merkt op dat het Comité het aantal posten in zijn organigram met 48 posten heeft verminderd (van 537 in 2013 tot 489 in 2017), hetgeen voornamelijk het gevolg is van de vermindering van het personeelsbestand met 5 % en de tenuitvoerlegging van een in 2014 gesloten samenwerkingsovereenkomst met het Parlement; is verheugd dat het Comité er ondanks de personeelsinkrimping in is geslaagd zijn politieke werkzaamheden op te drijven door meer personele middelen uit ondersteunende diensten toe te wijzen aan de kernactiviteiten in verband met politieke en wetgevende werkzaamheden; vraagt het Comité het Parlement op de te hoogte te houden van de oefening om de werklast binnen de organisatie in kaart te brengen om na te gaan of taken en middelen in evenwicht zijn;

11.  stelt vast dat het aantal arbeidscontractanten is gestegen van 34 posten in 2013 tot 54 in 2017, en dat het aantal tijdelijke functionarissen is gestegen van 64 posten in 2013 tot 71 in 2017; merkt op dat de toename van het aantal tijdelijke functionarissen en arbeidscontractanten hoofdzakelijk te maken heeft met veiligheidskwesties als gevolg van de situatie in Brussel; is bezorgd dat deze toename voor een deel voortvloeit uit de noodzaak om de algemene vermindering van het personeelsbestand te compenseren en schadelijk kan zijn voor de verdeling van de werklast en de manier waarop de organisatie van de instelling zich ontwikkelt op lange termijn;

12.  is ingenomen met de verbintenis om duidelijke politieke doelen vast te stellen om het Comité een grotere rol te geven in de politieke en wetgevingscyclus van het beleid van de Unie door middel van een versterking van doeltreffende partnerschappen met andere instellingen van de Unie; benadrukt hoe belangrijk het is de betrokkenheid van regionale en lokale autoriteiten te bevorderen, gezien hun rol bij de uitvoering van het beleid van de Unie; roept het Comité van de Regio's op te streven naar een betere coördinatie met de werkzaamheden van de Commissie, het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot aanverwante dossiers, door zijn adviezen af te stemmen op de tijdschema's van deze instellingen, om een grotere effectiviteit te bereiken;

13.  is ingenomen met de dialoog op politiek niveau tussen het Comité en het Parlement; neemt met tevredenheid kennis van de uitwisselingen tussen de commissies van het Comité en de commissies van het Parlement, en van de samenwerking met de Onderzoeksdienst van het Europees Parlement (EPRS); spoort het Comité en het Parlement ertoe aan deze samenwerking systematischer aan te pakken;

14.  verheugt zich over de interinstitutionele administratieve samenwerking met het Parlement en de tussentijdse beoordelingsresultaten over de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Comité en het Europees Economisch en Sociaal Comité, waaruit blijkt dat verscheidene maatregelen met succes zijn uitgevoerd; stelt vast dat 70 vertalers in het kader van een herschikkingsplan zijn overgeheveld naar andere diensten, waaronder EPRS;

15.  is ingenomen met de sluiting en ondertekening van verscheidene overeenkomsten inzake dienstverleningsniveau (SLA's) met de Commissie;

16.  verheugt zich over de resultaten van de tussentijdse beoordeling over de uitvoering van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Comité en het Europees Economisch en Sociaal Comité, waaruit blijkt dat de administratieve en governancestructuur met succes zijn vereenvoudigd; is verheugd dat de samenwerking tussen eigen en gezamenlijke diensten, onder meer op het gebied van IT, EMAS of het beheer van vergaderruimten, goed blijkt te werken; stelt vast dat de besparingen die zijn verwezenlijkt op deze operationele domeinen veel groter zijn dan de middelen die zijn uitgegeven aan coördinatie;

17.  is ingenomen met de positieve resultaten van de voorlopige beoordeling van het proefproject inzake gezamenlijk beheer van vertaaleenheden; spoort het Comité ertoe aan deze samenwerking verder te ontwikkelen om meer synergieën tot stand te brengen;

18.  stelt vast dat de doelstelling om de vertaalproductie met 5 à 10 % te doen dalen niet is behaald in 2017, hoewel er een daling van 4,6 % is ten opzichte van 2016; is ingenomen met de verbintenis van het Comité om in 2018 verdere maatregelen te nemen om een beheersbaar niveau van vertaalproductie te bereiken, en spoort het Comité ertoe aan bijkomende rationaliseringsmaatregelen te treffen, met inbegrip van de noodzakelijke IT-ontwikkelingen;

19.  neemt kennis van het lage uitvoeringspercentage voor begrotingsonderdeel 1420 (aanvullende diensten voor de vertaaldienst), meer bepaald 55 % voor vastleggingen en 45 % voor betalingen; stelt vast dat het Comité in 2017 in totaal 27 231 105 EUR heeft uitgegeven aan vertaling, waarvan 2 376 591 EUR aan uitbestede vertalingen; stelt vast dat uitbesteding in 2017 goed was voor 17,1 % van de totale kosten van vertaling; spoort het Comité ertoe aan de aanpassingen in zijn vertaaleenheden te voltooien om het streefcijfer voor uitbesteding van ten minste 20 % snel te kunnen bereiken;

20.  stelt vast dat het bedrag dat bestemd is voor reisuitgaven van de leden in 2017 8 882 955 EUR bedroeg;

21.  neemt kennis van de lijst in het jaarlijks activiteitenverslag 2017 met alle door de leden bijgewoonde evenementen; betreurt dat deze lijst minder gedetailleerd is dan de lijst die werd verstrekt naar aanleiding van de vragenlijst voor de kwijting 2016; verzoekt het Comité om in het kader van de follow-up van deze kwijting een meer gedetailleerde lijst te verstrekken, met meer specifieke informatie over de deelnemende leden en de naam, plaats, datum en kosten van het evenement; verzoekt het Comité om in zijn volgende jaarlijkse activiteitenverslag een dergelijke lijst op te nemen voor het jaar 2018;

22.  merkt op dat voor de periode 2017-2018 het streefcijfer van het Comité voor de publicatie van dossiers en studies 15 per jaar was, en stelt met bezorgdheid vast dat in 2017 het aantal publicaties 9 bedroeg, en 12 in 2016; verzoekt het Comité de nodige inspanningen te leveren om de streefcijfers inzake publicaties te halen en in het follow-updocument betreffende de kwijting 2017 de laatste stand van zaken te vermelden;

23.  is verheugd over de resultaten die het Comité heeft geboekt op het gebied van communicatieactiviteiten ten behoeve van verhoogde zichtbaarheid en media-impact, met onder meer een groeiende aanwezigheid op de sociale media; is met name verheugd over het initiatief "Nadenken over Europa" om de burger meer te betrekken bij het lopende debat over de toekomst van de Unie en over de 180 burgerdialogen die in dit kader hebben plaatsgevonden; spoort het Comité ertoe aan zijn samenwerking met andere instellingen van de Unie te verbeteren op het vlak van gezamenlijke communicatiecampagnes en andere initiatieven;

24.  merkt op dat een aantal bepalingen inzake flexibele werktijden, ouderschapsverlof en jaarlijkse vergoeding van de reiskosten in 2017 is bijgewerkt naar aanleiding van een grondige herziening van het regelgevingskader voor human resources; stelt vast dat er in maart 2017 een regeling van wachtdienst en ploegendienst is ingevoerd bij de veiligheidsdienst; is ingenomen met de volgehouden inspanningen om processen van het personeelsbeleid verder te vereenvoudigen, met name door middel van nieuwe werkprocessen in de besluitvorming; merkt op dat het eerste interne jaarverslag over human resources werd gepubliceerd;

25.  is verheugd over het uitgebreide beleid inzake welzijn, gezondheid en absentiebeheer, dat verder werd geconsolideerd in samenwerking met de Medische Dienst en de afdeling Arbeidsvoorwaarden; stelt vast dat het absenteïsmepercentage nauwgezet wordt gevolgd met nadruk op preventie, controle en succesvolle re-integratie na langdurig ziekteverlof; stelt vast dat het absenteïsmepercentage in de loop der jaren is afgenomen (van 4,86 % in 2015 tot 4,60 % in 2016 en 4,50 % in 2017); is ingenomen met de transparantie van het Comité met betrekking tot het aantal personeelsleden dat getroffen is door een burn-out en stelt met genoegen vast dat het Comité in 2018 is begonnen met een beoordeling van de werklast om de verdeling van de werklast binnen de organisatie in kaart te brengen en na te gaan of taken en middelen overeenstemmen; vraagt op de hoogte te worden gehouden van de resultaten van die beoordeling;

26.  betreurt dat het aandeel vrouwen in het middenkader in 2017 niet merkelijk is verbeterd en ongeveer 38 % bedraagt (ten opzichte van 37 % in 2015 en 33 % in 2016); betreurt ten zeerste dat het aandeel vrouwen in hogere leidinggevende functies verder is afgenomen van 33 % in 2016 tot ongeveer 25 % in 2017 als gevolg van het vertrek van een vrouw in een leidinggevende functie in 2017; is verheugd over de uitgebreide maatregelen die het Comité heeft genomen om de situatie te verbeteren, waaronder de opstelling van een nieuw schema inzake functioneel management, dat onder meer is ontworpen om meer vrouwen ertoe aan te zetten een formele leidinggevende functie te ambiëren; moedigt het Comité aan om zijn prestaties in dit verband aanzienlijk te verbeteren en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de vooruitgang op dit gebied;

27.  merkt op dat 13,3 % van de leidinggevende functies werd bekleed door onderdanen van de lidstaten die na 2004 tot de Unie zijn toegetreden (EU13); roept het Comité ertoe op zijn inspanningen voort te zetten om het geografisch evenwicht in leidinggevende functies te verbeteren, met als doel tot 20 % te komen, aangezien dit percentage overeenstemt met het aandeel van de EU13-bevolking ten opzichte van de volledige EU-bevolking;

28.  is ingenomen met de maatregelen van het Comité om intimidatie op het werk actief te voorkomen, zoals regelmatige opleiding over het beleid tegen intimidatie en het werk van de vertrouwenspersonen; moedigt het Comité aan om nauwlettend toe te zien op de doeltreffendheid van zijn beleid in dit verband, het bewustzijn over intimidatie op de werkplek te blijven vergroten en een cultuur van nultolerantie ten aanzien van intimidatie te stimuleren; toont zich echter bezorgd over de afwezigheid in het Comité van interne klachtenmechanismen of straffen in verband met gevallen van intimidatie waarbij de leden betrokken partij zijn; verzoekt het Comité zijn gedragscode voor de leden en het interne reglement op dit vlak bij te werken en hierover aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen;

29.  is ingenomen met de gebouwenstrategie voor de lange termijn die door het Comité en het Europees Economisch en Sociaal Comité in 2017 is goedgekeurd; merkt op dat die gebouwenstrategie een kader biedt voor in de toekomst te nemen beslissingen over het gebouwenbeleid en een reeks richtsnoeren met betrekking tot vastgoed omvat; stelt vast dat er meerdere scenario's zijn opgesteld en onderzocht ter voorbereiding van het gebouwenbeleid na 2021, met een voorkeur voor scenario's waarin het VMA-gebouw in gebruik blijft; verzoekt op de hoogte te worden gehouden van de lopende onderhandelingen met de Commissie over het verdere gebruik van het VMA-gebouw; spoort het Comité en het Europees Economisch en Sociaal Comité ertoe aan een beoordeling uit te voeren van eventuele renovatiebehoeften en een raming te maken van de kosten voor het scenario waarin beide Comités het volledige VMA-gebouw overnemen;

30.  stelt met tevredenheid vast dat, na de lage cijfers in 2016 als gevolg van de terreuraanslagen in Brussel, het aantal geregistreerde deelnemers en de activiteitsgraad van de onlinecursus ((MOOC) van het Comité voor regionale en lokale overheden met 5 % is toegenomen voor de geregistreerde deelnemers en met 5 procentpunt voor de activiteitsgraad; stelt tevens met tevredenheid vast dat het aantal bezoekers in 2017 met 14 % is toegenomen;

31.  verheugt zich over de goede resultaten met betrekking tot het milieubeheersysteem die zijn geboekt via de samenwerking tussen het Comité en het Economisch en Sociaal Comité; is ingenomen met de maatregelen ter verbetering van het energieverbruik van het Comité en de toevoeging van milieucriteria in de meeste van zijn aanbestedingen; stelt vast dat bij 27 aanbestedingsprocedures een beroep is gedaan op de dienst EMAS in verband met milieucriteria; is verheugd dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het Good Food-label heeft toegekend aan het Comité en het Europees Economisch en Sociaal Comité, hetgeen een officiële bevestiging inhoudt van het duurzame beheer van de kantines van beide Comités;

32.  merkt op dat het Comité nog steeds wacht op het eindverslag van OLAF over de klokkenluiderszaak waarvan in oktober 2016 aangifte is gedaan bij OLAF; verzoekt het Comité de bevindingen en het resultaat van dit verslag volledig te eerbiedigen en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de resultaten en de genomen follow-upmaatregelen;

33.  neemt kennis van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie ("HvJ-EU") van 23 oktober 2018 in de zaak die tegen het Comité was aangespannen door een voormalige interne controleur; stelt vast dat het arrest de nietigverklaring inhoudt van het besluit van het Comité van 2 december 2014 houdende bevestiging van de conclusies van de tweede invaliditeitscommissie waarbij werd beslist dat de invaliditeit van de voormalige interne controleur niet door zijn beroep is veroorzaakt; merkt op dat het HvJ-EU in zijn arrest verklaart dat de beoordeling van de invaliditeitscommissie onvoldoende was gemotiveerd en dat de beoordelingsmethode een kennelijke fout bevatte; merkt op dat het HvJ-EU het Comité veroordeelt tot het betalen van een vergoeding ten bedrage van 5 000 EUR, maar de vordering van de voormalige interne controleur van een bijkomende vergoeding ter hoogte van 20 000 EUR verwerpt;

34.  verzoekt het Comité met klem spoedig te voldoen aan het arrest van het HvJ-EU en alle nodige maatregelen te treffen om gevolg te geven aan dit besluit; spoort het Comité ertoe aan te overwegen een minnelijke schikking met de voormalige interne controleur te treffen in het belang van beide partijen, en vraagt om het Parlement regelmatig op de hoogte te blijven houden;

35.  merkt op dat de voormalige interne controleur op 31 januari 2018 een verzoek heeft ingediend op grond van artikel 90, lid 1, van het personeelsstatuut om door het Comité formeel te worden erkend als bonafide klokkenluider op basis van artikel 22 bis van het personeelsstatuut; merkt voorts op dat de voormalige interne controleur op 23 augustus 2018 op grond van artikel 90, lid 2, van het personeelsstatuut een klacht heeft ingediend bij het tot aanstelling bevoegde gezag, naar aanleiding van het besluit van het Comité van 24 mei 2018 om hem niet te erkennen als bonafide klokkenluider;

36.  stelt vast dat het Comité het verzoek heeft onderzocht en tot de conclusie is gekomen dat er geen rechtsgrond is om de voormalige interne controleur te erkennen als bonafide klokkenluider; betreurt dat deze conclusie in strijd is met het standpunt van het Parlement, dat de voormalige interne controleur wel beschouwt als een bonafide klokkenluider, zoals bevestigd in zijn resolutie van 13 januari 2004 over de mededeling van de Commissie inzake het kader voor Europese regelgevende agentschappen; spoort het Comité ertoe aan een symbolische erkenning van de status van de interne controleur te overwegen, ondanks het gebrek aan een passende rechtsgrond op het moment van de feiten;

37.  dringt aan op bemiddeling tussen de voormalige interne controleur van het Comité en het Comité met het oog op een minnelijke schikking in het lopende geschil in het belang van beide partijen; wijst erop dat een dergelijke bemiddeling ook betrekking moet hebben op de bonafide klokkenluidersstatus van de voormalige interne controleur (als erkend door het Parlement in zijn resolutie van 2004), en merkt op dat hij in het belang van de Unie handelde door wanpraktijken te melden bij de instellingen van de Unie;

38.  merkt op dat de financiële gevolgen van het besluit van het Verenigd Koninkrijk om zich terug te trekken uit de Unie volgens schattingen van het Comité oplopen tot 373 666 EUR in 2019 en 576 559 EUR in 2020, omdat het lidmaatschap van het Comité wordt verminderd met de 24 zetels die momenteel zijn toegewezen aan het Verenigd Koninkrijk; is ingenomen met de oprichting van een reflectiegroep over het behoud van nauwe betrekkingen met de regionale en lokale autoriteiten in het Verenigd Koninkrijk na het vertrek van het VK uit de Unie.

Laatst bijgewerkt op: 28 maart 2019Juridische mededeling