Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2210(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0140/2019

Ingediende teksten :

A8-0140/2019

Debatten :

PV 26/03/2019 - 12
CRE 26/03/2019 - 12

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 13.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0254

Aangenomen teksten
PDF 171kWORD 56k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Kwijting 2017: functioneren, financieel beheer en controle van de agentschappen van de EU
P8_TA-PROV(2019)0254A8-0140/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017: functioneren, financieel beheer en controle (2018/2210(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluiten over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van de agentschappen van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2017,

–  gezien het verslag van de Commissie betreffende de follow-up van de kwijting voor het begrotingsjaar 2016 (COM(2018)0545),

–  gezien het jaarverslag(1) van de Europese Rekenkamer (hierna "de Rekenkamer") over de jaarrekeningen van de gedecentraliseerde agentschappen voor het begrotingsjaar 2017,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 en met name artikel 1, lid 2 en artikel 208 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(2), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 en met name de artikelen 68 en 70, tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(3), en met name artikel 70,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 en met name artikel 110, houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(4), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0140/2019),

A.  overwegende dat deze resolutie voor elk orgaan in de zin van artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 de horizontale op- en aanmerkingen bevat die overeenkomstig artikel 110 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie en afdeling V van bijlage V bij zijn Reglement bij de kwijtingsbesluiten behoren;

B.  overwegende dat de aanbevelingen van de interinstitutionele werkgroep (IIWG2) over de middelen van de gedecentraliseerde agentschappen op 18 januari 2018 door de Conferentie van voorzitters zijn goedgekeurd; herinnert aan de zes aanbevelingen die in het kader van zijn mandaat zijn gedaan, met name in verband met het streefcijfer van 5 % voor personeelsinkrimping, behandeling van nieuwe taken, stelselmatige evaluatie van agentschappen, deling van diensten, evaluatie van agentschappen met meerdere vestigingen, en door vergoedingen gefinancierde agentschappen;

C.  overwegende dat de kwijtingsautoriteit in het kader van de kwijtingsprocedure de nadruk legt op het belang van het verder versterken van de doelmatigheid, de doeltreffendheid, de economie en de verantwoordingsplicht van de instellingen, en het uitvoeren van het concept van resultaatgericht begroten en een goed personeelsbeheer;

1.  benadrukt dat de zichtbaarheid van de agentschappen in de lidstaten bijzonder groot is en dat de agentschappen een aanzienlijke invloed hebben op het beleid, de besluitvorming en de programma-uitvoering op gebieden van zeer groot belang voor de Europese burgers, te weten veiligheid, beveiliging, gezondheid, onderzoek, economische zaken, milieu, gendergelijkheid, energie, vervoer, vrijheid en justitie; onderstreept andermaal het belang van de door agentschappen uitgevoerde taken en hun rechtstreekse invloed op het dagelijks leven van EU-burgers; wijst ook nogmaals op het belang van de autonomie van de agentschappen, met name van de regelgevende agentschappen en van agentschappen die tot taak hebben onafhankelijk informatie te verzamelen; herinnert eraan dat agentschappen vooral zijn opgericht om EU-systemen te beheren, de tenuitvoerlegging van de interne markt te vergemakkelijken en onafhankelijke technische of wetenschappelijke evaluaties uit te voeren; is in dit verband ingenomen met de effectieve algemene prestaties van de agentschappen en de geboekte vooruitgang voor wat betreft het vergroten van hun zichtbaarheid voor de Europese burgers;

2.  merkt tevreden op dat volgens het verslag van de Europese Rekenkamer over de EU-agentschappen betreffende het begrotingsjaar 2017 (het "verslag van de Rekenkamer"), de Rekenkamer een goedkeurend oordeel heeft gegeven over de betrouwbaarheid van de rekeningen van alle agentschappen; merkt ook op dat de Rekenkamer een goedkeurend oordeel heeft gegeven over de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende ontvangsten bij de rekeningen van alle agentschappen; stelt vast dat de Rekenkamer voor alle agentschappen een goedkeurend oordeel heeft gegeven over de wettigheid en de regelmatigheid van de onderliggende betalingen bij de rekeningen van alle agentschappen, behalve voor het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO); merkt teleurgesteld op dat de Rekenkamer voor de betalingen van het EASO een afkeurend oordeel heeft afgegeven;

3.  merkt op dat de begrotingen voor 2017 voor de 32 gedecentraliseerde agentschappen van de Unie ongeveer 2,35 miljard EUR aan vastleggingskredieten bedroegen, een stijging van ongeveer 13,36 % ten opzichte van 2016, en 2,24 miljard EUR aan betalingskredieten, een stijging van 10,31 % ten opzichte van 2016; merkt bovendien op dat van de 2,24 miljard EUR ongeveer 1,62 miljard EUR uit de algemene begroting van de Unie werd gefinancierd, hetgeen neerkomt op 72,08 % van de totale financiering van de agentschappen in 2017 (69,81 % in 2016); stelt voorts vast dat een bedrag van circa 627 miljoen EUR gefinancierd werd met vergoedingen en heffingen alsmede rechtstreekse bijdragen van deelnemende landen;

4.  wijst nogmaals op zijn verzoek om de kwijtingsprocedure te stroomlijnen en te versnellen zodat kwijting wordt verleend in het jaar dat onmiddellijk volgt op het jaar waarvoor kwijting wordt verleend, en de procedure wordt afgesloten binnen het jaar na het boekjaar in kwestie; is in dit verband ingenomen met de positieve inspanningen en de goede samenwerking met het netwerk van agentschappen van de Europese Unie (hierna "het netwerk") en de afzonderlijke agentschappen, en met name de Rekenkamer, waaruit duidelijk blijkt dat het van hun kant mogelijk is om de procedure te stroomlijnen en te versnellen; waardeert de tot dusver geboekte vooruitgang en nodigt alle betrokken partijen uit zich te blijven inspannen om de procedure verder te bevorderen;

De belangrijkste door de Rekenkamer vastgestelde risico's

5.  stelt tevreden vast dat de Rekenkamer, zoals blijkt uit haar verslag, het algemene risico voor de betrouwbaarheid van de rekeningen voor alle agentschappen laag acht, aangezien de rekeningen van de agentschappen gebaseerd zijn op internationaal aanvaarde boekhoudnormen, en in het verleden slechts van enkele materiële fouten sprake was;

6.  merkt op dat er volgens het verslag van de Rekenkamer een middelhoog risico bestaat voor de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen bij de rekeningen van de agentschappen, dat varieert van laag tot hoog voor specifieke begrotingstitels; merkt op dat het risico voor titel I (personeelsuitgaven) over het algemeen laag is, voor titel II (administratieve uitgaven) het risico als middelgroot wordt beschouwd, en het risico voor titel III (operationele uitgaven) wordt geacht laag tot hoog te zijn, afhankelijk van de agentschappen en de aard van hun operationele uitgaven; wijst erop dat de risico's doorgaans voortvloeien uit aanbestedingen en betalingen in het kader van subsidies;

7.  merkt op dat volgens het verslag van de Rekenkamer het risico voor goed financieel beheer gemiddeld is en voornamelijk wordt vastgesteld op het gebied van informatietechnologie (IT) en overheidsopdrachten; vindt het betreurenswaardig dat IT en overheidsopdrachten foutgevoelige gebieden blijven;

8.  benadrukt dat, vanuit een breder perspectief, het aantal kleine agentschappen, elk met hun eigen administratieve structuren en procedures, een risico vormt op administratieve inefficiëntie en een mogelijke overlap van onsamenhangende methoden, tenzij harmonisatie is gewaarborgd en de middelen efficiënt worden gedeeld;

Financieel en begrotingsbeheer

9.  stelt met tevredenheid vast dat uit het verslag van de Rekenkamer kan worden opgemaakt dat het aantal opmerkingen over de wettigheid en regelmatigheid van de betalingen is gedaald van 11 in 2016 tot 8 in 2017, waaruit blijkt dat de agentschappen zich blijven inzetten voor de naleving van het Reglement;

10.  wenst dat de Commissie, het netwerk van agentschappen van de Unie en de afzonderlijke agentschappen nauw met elkaar samenwerken, constructieve feedback geven tijdens de onderhandelingen over het meerjarig financieel kader voor de periode na 2020 en op zoek gaan naar nieuwe financieringsbronnen voor de gedecentraliseerde agentschappen van de Unie, waarmee de bestaande begrotingsbijdragen van de Unie kunnen worden aangevuld; beklemtoont dat toekomstige besluiten over middelen niet op een algemene basis moeten worden genomen, maar gekoppeld moeten worden aan de taken van de agentschappen die zij op basis van de geldende wetgeving uitvoeren; onderstreept in dit verband het belang van de thematische bundeling en samenwerking van de agentschappen al naar gelang van de beleidsterreinen;

11.  stelt vast dat de gecontroleerde verslagen over de tenuitvoerlegging van de begroting van bepaalde agentschappen minder gedetailleerd zijn dan die van de meeste andere agentschappen, hetgeen aantoont dat er duidelijke richtsnoeren nodig zijn voor de begrotingsverslagen van de agentschappen; erkent de inspanningen die geleverd zijn om de samenhang bij de presentatie van en de verslaggeving over de rekeningen te waarborgen; constateert dat bepaalde door de agentschappen openbaar gemaakte informatie en documenten discrepanties vertonen, met name wat betreft personeelsgerelateerde cijfers, onder meer in verslagen over de personeelsformatie (in te vullen posten of maximaal toegestane posten in het kader van de begroting van de Unie); wijst erop dat sommige agentschappen in hun verslagen niet duidelijk aangeven welke prestatie-indicatoren zij hanteren voor hun begroting, en dat de agentschappen de respectieve bedragen en percentages niet altijd op coherente wijze hebben berekend aan de hand van dezelfde berekeningselementen; roept de Commissie, het netwerk en de afzonderlijke agentschappen op toe te werken naar gestroomlijnde en geharmoniseerde indicatoren en over de in dit verband genomen maatregelen verslag uitbrengen aan de kwijtingsautoriteit; verzoekt de Commissie bovendien om de komende jaren automatisch de officiële begroting (in vastleggingskredieten en betalingskredieten) en de personeelscijfers (personeelsformatie, arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen per 31 december van het jaar in kwestie) van de 32 gedecentraliseerde agentschappen, ter beschikking te stellen aan de kwijtingsautoriteit;

12.  herinnert aan het voorstel van het netwerk in verband met de verslaglegging van geannuleerde overdrachten van meer dan 5 % van de totale begroting van het voorgaande jaar; is echter van mening dat het rapporteren van het aandeel geannuleerde overdrachten van het totaal bedrag aan overdrachten van het jaar N-2 naar N-1 een relevantere indicator is voor de uitvoering van het begrotingsbeginsel van jaarperiodiciteit; wijst erop dat het niveau van geannuleerde overdrachten een aanwijzing is voor de mate waarin de agentschappen hun financiële behoefte juist hebben voorzien; verzoekt de Rekenkamer en de Commissie een consistente formule voor de berekening van geannuleerde overdrachten voor te stellen en te definiëren, en verzoekt de agentschappen deze informatie op te nemen in hun respectieve geconsolideerde jaarlijkse activiteitenverslagen voor de komende begrotingsjaren;

13.  wijst op de noodzaak om in heldere definities vast te leggen wat in termen van overdrachten aanvaardbaar is, om zo de verslaglegging van de Rekenkamer en de agentschappen over dit onderwerp te stroomlijnen en de kwijtingsautoriteit in staat te stellen onderscheid te maken tussen de overdrachten die een teken zijn van slechte begrotingsplanning en de overdrachten die als begrotingsinstrument fungeren en zowel meerjarenplanning als inkoopplanning ondersteunen;

Functioneren

14.  moedigt de agentschappen en de Commissie aan het beginsel van resultaatgericht begroten toe te passen, consequent te zoeken naar de meest doeltreffende manieren om toegevoegde waarde te creëren, en de mogelijke verbeteringen op het gebied van efficiëntie in verband met het beheer van middelen verder te onderzoeken;

15.  merkt tevreden op dat het netwerk van EU-agentschappen door de agentschappen werd opgericht als een platform voor samenwerking tussen de agentschappen, zodat hun zichtbaarheid wordt vergroot, mogelijke efficiëntiewinsten kunnen worden vastgesteld en bevorderd en er toegevoegde waarde wordt gecreëerd; erkent de toegevoegde waarde van het netwerk in zijn samenwerking met het Parlement en is ingenomen met de inspanningen van het netwerk om acties en informatie te coördineren, te verzamelen en te consolideren ten behoeve van de instellingen van de Unie; is voorts ingenomen met de richtsnoeren die het netwerk de agentschappen heeft aangereikt ter ondersteuning van hun inspanningen om de resultaten, de begroting en de gebruikte middelen zo goed mogelijk te plannen, te monitoren en te rapporteren;

16.  stelt met tevredenheid vast dat sommige agentschappen, zoals de agentschappen voor justitie en binnenlandse zaken(5) en de Europese toezichthoudende autoriteiten(6), samenwerken volgens hun thematische verwantschap; moedigt de overige agentschappen aan om waar mogelijk verdere samenwerking aan te gaan met andere agentschappen, niet enkel door gedeelde diensten en synergieën tot stand te brengen, maar ook door samen te werken op gemeenschappelijke beleidsterreinen; is ingenomen met de nieuwe geaggregeerde vorm van het verslag van de Rekenkamer waarin de agentschappen overeenkomstig de rubrieken van het meerjarig financieel kader worden gepresenteerd en dus per beleidsterrein gegroepeerd zijn;

17.  benadrukt dat bij de vestiging/verplaatsing van agentschappen in de lidstaten rekening moet worden gehouden met de efficiëntie; spreekt in dit verband zijn teleurstelling uit over het resultaat van de interinstitutionele werkgroep gedecentraliseerde agentschappen (IIWG), aangezien er geen specifieke voorstellen zijn opgesteld om agentschappen die zich met aanverwante beleidsgebieden bezighouden, samen te voegen of een locatie te laten delen; wenst dat de Commissie onverwijld een evaluatie voorlegt van agentschappen met meerdere vestigingsplaatsen, zoals aanbevolen door de IIWG, evenals voorstellen voor mogelijke fusies, sluitingen en/of de overdracht van taken aan de Commissie, op basis van een zorgvuldige en grondige analyse en met gebruikmaking van duidelijke en transparante criteria, die in de taakomschrijving van de IIWG was voorzien, maar nooit echt is onderzocht bij gebrek aan voorstellen in die zin van de Commissie;

18.  vindt het betreurenswaardig dat de agentschappen voor het beheer van de begroting en de boekhouding weliswaar meer gebruikmaken van vergelijkbare systemen, maar op andere belangrijke gebieden nog steeds een veelheid aan IT-oplossingen gebruiken, zoals voor het beheer van de personele middelen, aanbestedingen en het beheer van contracten; deelt het standpunt van de Rekenkamer dat verdere harmonisering van IT‑oplossingen op deze gebieden de kostenefficiëntie zou verbeteren, internecontrolerisico's zou beperken en het IT-beheer zou versterken;

Personeelsbeleid

19.  merkt op dat de 32 gedecentraliseerde agentschappen in 2017 een totaal van 7 324 ambtenaren, tijdelijke functionarissen, arbeidscontractanten en gedetacheerde nationale deskundigen in dienst hadden, hetgeen een toename van 5,52 % betekent ten opzichte van het voorgaande jaar toen dit aantal nog 6 941 bedroeg;

20.  merkt op dat de agentschappen, teneinde nieuwe taken naar behoren te kunnen uitvoeren, te streven naar constante efficiëntieverbeteringen, snel en doeltreffend in vacatures te kunnen voorzien en hun vermogen om deskundigen aan te trekken te vergroten, hun personeelsbestand en behoeften aan extra personele en financiële middelen voortdurend in het oog moeten houden en evalueren, en indien nodig desbetreffende verzoeken moeten indienen om ervoor te zorgen dat ze hun taken en verantwoordelijkheden adequaat kunnen uitvoeren;

21.  herinnert eraan dat de Commissie tijdens de follow-upvergadering van het IIWG2 van 12 juli 2018 een nota heeft gepresenteerd over de ontwikkeling van het aantal posten in de personeelsformatie, waarin zij stelde dat de personeelsinkrimping van 5 % is bereikt; wijst erop dat deze conclusie gesteund werd door het Parlement(7);

22.  benadrukt dat de IIWG2 ook het proefproject van het EASA inzake met vergoedingen gefinancierde agentschappen heeft onderzocht; stelt dat agentschappen, zelfs als zij volledig door vergoedingen worden gefinancierd, nog steeds volledige verantwoording moeten afleggen aan de kwijtingsautoriteit, gelet op de reputatierisico's; benadrukt dat financiering door vergoedingen voor- en nadelen heeft; benadrukt dat financiering door vergoedingen kan leiden tot belangenconflicten en een onvoorspelbare inkomstenstroom, en dat er behoefte is aan hoogwaardige kwaliteitsindicatoren;

23.  stelt vast dat de Commissie gedurende de vijfjaarsperiode van 2014-2018 een aanvullende jaarlijkse heffing van 1 % heeft toegepast voor het creëren van een herindelingspool waaruit zij de posten zou toekennen aan de agentschappen die nieuwe taken hadden gekregen of in de startfase verkeerden(8);

24.  stelt vast dat de gedecentraliseerde agentschappen, als gedeeltelijke compensatie voor de personeelsinkrimping van 5 % en de heffing voor het opzetten van de herindelingspool, extra arbeidscontractanten hebben aangenomen voor de uitvoering van nieuwe taken; verzoekt het netwerk een algemeen beleid te ontwikkelen om het vaste personeel niet door duurdere externe consultants te vervangen;

25.  stelt vast dat sommige agentschappen met een personeelstekort kampen, en dat dit met name een uitdaging vormt wanneer er nieuwe taken worden toegewezen zonder dat wordt voorzien in extra personeel voor de uitvoering ervan; betreurt dat de Commissie geen rekening heeft gehouden met het verzoek van de betrokken agentschappen om hun personeelsbestand uit te breiden, waardoor hun goede prestaties in het gedrang komen;

26.  maakt zich zorgen over verschillende factoren die het operationele functioneren van agentschappen belemmeren, zoals moeilijkheden bij het aanwerven van gekwalificeerd personeel in bepaalde rangen, voor een deel vanwege de in bepaalde landen lage correctiecoëfficiënt, en de uitvoering van activiteiten waar een lange en administratief zware subsidieprocedure voor nodig is; wenst dat het netwerk en de afzonderlijke agentschappen met relevante oplossingen komen en verslag uitbrengen aan de kwijtingsautoriteit over de in dit verband bereikte vorderingen;

27.  dringt er bij alle agentschappen op aan het niveau van hun personeelsverloop bekend te maken en duidelijk aan te geven welke posten op 31 december van het betreffende begrotingsjaar daadwerkelijk zijn ingevuld, dit om de onderlinge vergelijkbaarheid van de agentschappen te waarborgen;

28.  betreurt dat het genderevenwicht binnen sommige agentschappen nog ver te zoeken is; verzoekt alle agentschappen voortdurend te werken aan een evenwichtige verdeling op alle niveaus van het personeelsbestand en verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de ingevoerde maatregelen en de geboekte vooruitgang;

29.  stelt met bezorgdheid vast dat de meeste agentschappen hun vacatures niet publiceren op de website van het Europees Bureau voor personeelsselectie (EPSO); begrijpt evenwel de bezorgdheid van de agentschappen met betrekking tot de hoge vertaalkosten; is in dit verband ingenomen met het door het netwerk gelanceerde en beheerde banenportaal en verzoekt de agentschappen dit platform ten volle te benutten; verzoekt EPSO de vacaturebank van het netwerk ook te promoten op zijn algemene website voor aankondigingen van vacatures bij de Unie;

30.  moedigt de EU-agentschappen aan de vaststelling van een grondrechtenstrategie te overwegen, inclusief een verwijzing naar de grondrechten in een gedragscode waarin de taken van hun personeel en de opleiding van het personeel kunnen worden vastgelegd; de instelling van mechanismen om ervoor te zorgen dat elke schending van de grondrechten wordt opgespoord en gemeld en dat risico's van dergelijke schendingen snel onder de aandacht van de belangrijkste organen van het agentschap worden gebracht; de instelling, indien nodig, van de functie van een grondrechtenfunctionaris die rechtstreeks rapporteert aan de raad van bestuur, om een bepaalde mate van onafhankelijkheid te garanderen ten opzichte van andere personeelsleden, teneinde ervoor te zorgen dat bedreigingen voor de grondrechten onmiddellijk worden aangepakt en dat het beleid inzake de grondrechten binnen de organisatie voortdurend wordt verbeterd; de ontwikkeling van een regelmatige dialoog over grondrechtenkwesties met organisaties uit het maatschappelijk middenveld en internationale organisaties die actief zijn op dit gebied; de vaststelling van de eerbiediging van de grondrechten als centraal element van de criteria voor een mandaat van het betrokken agentschap om samen te werken met externe actoren, waaronder met name de leden van de nationale overheden waarmee zij op operationeel niveau interageren;

31.  neemt met bezorgdheid kennis van enkele terugkerende meldingen van intimidatie en misbruik in bepaalde agentschappen; acht het wenselijk een doeltreffend preventiebeleid te voeren en efficiënte procedures vast te stellen om het probleem voor de slachtoffers op te lossen; verzoekt de Commissie actief toezicht te houden op de door de agentschappen ingevoerde regels om elke vorm van mishandeling binnen de agentschappen te voorkomen;

Aanbestedingsprocedures

32.  merkt bezorgd op dat het beheer van aanbestedingen volgens het verslag van de Rekenkamer nog altijd te wensen overlaat, aangezien 14 agentschappen tekortkomingen vertonen op dit gebied, voornamelijk in verband met opdrachten voor diensten; merkt op dat deze zwakke punten onder meer bestaan uit een gebrekkig evenwicht tussen prijs- en kwaliteitsaspecten bij de gunning van opdrachten, een suboptimaal ontwerp van kaderovereenkomsten, ongerechtvaardigd gebruik van bemiddelingsdiensten en het gebruik van onvoldoende gedetailleerde kaderovereenkomsten; vraagt de agentschappen bijzondere aandacht te schenken aan de opmerkingen van de Rekenkamer en wenst dat zij hun beheer van openbare aanbestedingen verder verbeteren;

33.  acht de situatie binnen het EASO met betrekking tot aanbestedingsprocedures onaanvaardbaar en verzoekt de Commissie actiever toezicht te houden op de aanbestedingsprocedures die in de agentschappen worden uitgevoerd;

34.  is verheugd dat de agentschappen steeds meer gebruikmaken van het Joint Procurement Portal, het centrale register voor gezamenlijke aanbestedingen, dat wordt gehost op het extranet van de agentschappen en dat over functionaliteiten beschikt zoals de mogelijkheid tot het delen van documenten en het houden van forumdiscussies, waardoor de communicatie tussen agentschappen over aanbestedingsdiensten transparanter en gemakkelijker kan worden beheerd;

35.  deelt het standpunt van de Rekenkamer met betrekking tot het gebruik van soortgelijke instrumenten en een enkele oplossing voor de aanbesteding van opdrachten voor leveringen en diensten (e‑aanbestedingen) om tot een meer geharmoniseerd IT-kader tussen de agentschappen te komen; verzoekt het netwerk de kwijtingsautoriteit van de vorderingen op dit gebied op de hoogte te houden;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

36.  merkt op dat 77 % van de agentschappen al interne regels of richtsnoeren met betrekking tot klokkenluiders had opgesteld en uitgevoerd, en dat de overige 23 % bezig zijn met de vaststellingsprocedure; vraagt de resterende agentschappen met klem om onverwijld interne regels met betrekking tot klokkenluiden vast te stellen en toe te passen; verzoekt het netwerk verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de vaststelling en uitvoering van deze maatregelen;

37.  toont zich verheugd dat 29 agentschappen (94 %) richtsnoeren inzake de toegang van het publiek tot documenten voorhanden hebben; wenst dat de overige agentschappen die nog niet over dergelijke richtsnoeren beschikken, deze onverwijld vaststellen; is verheugd dat er bij agentschappen die met een hogere frequentie en complexiteit van verzoeken te maken hebben, interne systemen worden ontwikkeld om de aanvragen af te handelen, met speciaal voor toegang tot documenten opgeleide teams die de binnenkomende verzoeken afhandelen; vraagt het netwerk gemeenschappelijke richtsnoeren voor de toegang van het publiek tot documenten te ontwikkelen ten behoeve van de agentschappen;

38.  merkt op dat de belangenverklaringen van de leden van de raad van bestuur en het hoger management in bijna alle agentschappen op orde zijn en dat deze door de meeste agentschappen op hun website worden gepubliceerd, samen met de desbetreffende cv's; vraagt het netwerk om de kwijtingsautoriteit verslag uit te blijven brengen over deze kwestie; benadrukt dat de leden van de raad van bestuur en het hoger management belangenverklaringen moeten indienen in plaats van verklaringen van afwezigheid van belangenconflicten; herhaalt dat het niet aan de leden van de raad van bestuur of het management is om te verklaren dat zij geen belangenconflicten hebben; wijst er nogmaals op dat een neutrale instantie moet beoordelen of er sprake is van belangenconflicten;

39.  herinnert eraan dat diverse agentschappen, met name degenen die vergunningen voor het op de markt brengen van producten afgeven aan derden, kwetsbaar zijn als zij geen duidelijke en doeltreffende regels hebben en toepassen om belangenconflicten te voorkomen; roept alle agentschappen op deel te nemen aan het interinstitutioneel akkoord betreffende het transparantieregister, waarover momenteel wordt onderhandeld door de Commissie, de Raad en het Parlement;

40.  verzoekt alle agentschappen een alomvattend en horizontaal beleid inzake het voorkomen van belangenconflicten ten uitvoer te leggen, en het onafhankelijkheidsbeleid van het ECHA (Europees Agentschap voor chemische stoffen) voor ogen te houden als goede praktijk en voorbeeld van een systeem voor toezicht op en het voorkomen van belangenconflicten; herinnert eraan dat alle betrokken personeelsleden en deskundigen uit hoofde van dit onafhankelijkheidsbeleid verplicht zijn elk jaar een belangenverklaring af te geven en dat deze belangenverklaringen geactualiseerd moeten worden als de situatie verandert, en iedereen die verklaard heeft bij een kwestie een belang te hebben, uitgesloten wordt van deelname aan de totstandbrenging van een besluit of advies ter zake; moedigt de agentschappen voorts aan een adviescomité inzake belangenconflicten in het leven te roepen;

Interne controles

41.  wijst op de opmerking van de Rekenkamer over de noodzaak om bij elf agentschappen de onafhankelijkheid van de rekenplichtige te versterken door hen rechtstreeks verantwoording te laten afleggen aan de directeuren en de raden van bestuur van de agentschappen; neemt kennis van het antwoord van het netwerk dat er geen sprake is van een achtergrond of risicoanalyse die deze opmerking rechtvaardigt; verzoekt de Rekenkamer en het netwerk om deze kwestie gezamenlijk aan te pakken en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de ontwikkelingen op dit gebied;

42.  stelt tevreden vast dat het merendeel van de agentschappen (28) geen tekortkomingen vertoont bij de uitvoering van de interne controlenormen betreffende hun continuïteitsplannen; verzoekt de overige agentschappen verbetering te brengen in hun situatie teneinde elk mogelijk risico te beperken en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van de genomen maatregelen;

Overige opmerkingen

43.  wijst erop dat het Verenigd Koninkrijk (VK) de Europese Raad op 29 maart 2017 in kennis heeft gesteld van zijn besluit om zich terug te trekken uit de Unie; stelt met bezorgdheid vast dat, in tegenstelling tot de meeste andere agentschappen, vijf agentschappen geen uitgebreide analyse hebben gemaakt van de waarschijnlijke gevolgen die de brexit zal hebben voor hun organisatie, activiteiten en boekhouding;

44.  neemt er nota van dat tijdens de Raad Algemene Zaken van 20 november 2017 is overeengekomen om het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) en de Europese Bankautoriteit (EBA) van Londen naar respectievelijk Amsterdam en Parijs te verhuizen; maakt zich zorgen over de mogelijke gevolgen die het vertrek van het VK uit de Unie voor deze agentschappen zal hebben in de zin van toekomstige kosten en verlies van deskundigheid, waardoor de bedrijfscontinuïteit in het gedrang zou kunnen komen; neemt tevens nota van het mogelijke effect op de inkomsten en activiteiten van verscheidene niet in Londen gevestigde agentschappen; verzoekt de agentschappen zich voor te bereiden teneinde elk mogelijk toekomstig risico te beperken en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van deze voorbereidende maatregelen;

45.  stelt bezorgd vast dat enkele agentschappen nog steeds een dubbele operationele en bestuurlijke zetel hebben; meent dat alle dubbele vestigingsplaatsen die geen toegevoegde waarde hebben voor het functioneren van het agentschap, zo snel mogelijk moeten worden afgeschaft;

46.  vindt het betreurenswaardig dat het nieuwe Financiële Reglement niet voorziet in een vermindering van de administratieve lasten waarmee de gedecentraliseerde agentschappen nog steeds te kampen hebben; merkt op dat de controle van de gedecentraliseerde agentschappen geheel onder de verantwoordelijkheid van de Rekenkamer blijft vallen, die alle voorgeschreven administratieve procedures en procedures voor het toekennen van contracten beheert; herhaalt dat de nieuwe benadering voor controles, met controleurs uit de privésector, resulteerde in een aanzienlijke toename van de administratieve lasten voor de agentschappen en dat de tijd die aan de aanbestedingen en het beheer van de auditcontracten is besteed, tot extra uitgaven heeft geleid en zo de afnemende middelen van de agentschappen verder onder druk heeft gezet; benadrukt dat deze kwestie moet worden opgelost; verzoekt de betrokken partijen met oplossingen voor deze kwestie te komen die de administratieve lasten aanzienlijk zullen verminderen;

47.  merkt op dat de externe evaluaties van de agentschappen in het algemeen positief waren en dat de agentschappen actieplannen hebben opgesteld voor de follow-up van de in de evaluatieverslagen genoemde kwesties; merkt op dat in de oprichtingsverordeningen van de meeste agentschappen weliswaar een bepaling inzake een regelmatig uit te voeren externe evaluatie (gewoonlijk om de vier à zes jaar) is opgenomen, maar dat de oprichtingsverordeningen van vijf gedecentraliseerde agentschappen niet in een dergelijke bepaling voorzien, terwijl de oprichtingsverordening van het EMA slechts om de tien jaar een externe evaluatie voorschrijft; verzoekt de Commissie en de betrokken agentschappen deze kwestie aan te pakken en de kwijtingsautoriteit op de hoogte te stellen van de genomen maatregelen;

48.  is ingenomen met de herziening van de oprichtingsverordeningen van de drie tripartiete agentschappen, namelijk de Europese Stichting tot verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden (Eurofound), het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) en het Europees Agentschap voor de veiligheid en de gezondheid op het werk (EU-OSHA);

49.  herinnert eraan dat de jaarlijkse gedachtewisseling over de ontwerpen van de jaarlijkse werkprogramma's en de meerjarenstrategieën van de agentschappen in de bevoegde commissies ertoe bijdraagt dat de programma's en strategieën aan de feitelijke beleidsprioriteiten beantwoorden – met name in de context van de Europese pijler van sociale rechten en de Europa 2020-strategie;

o
o   o

50.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de onder deze kwijtingsprocedure vallende agentschappen, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 1.
(2) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(3) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(4) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.
(5) Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex), Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (eu-LISA), Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), Europees Instituut voor gendergelijkheid (EIGE), Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD), Europese Politieacademie (CEPOL), Europese Politiedienst (Europol), Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (FRA), Europese Eenheid voor justitiële samenwerking (Eurojust)
(6) Europese Bankautoriteit (EBA), Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EAVB), Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA)
(7) brief van J. Arthuis aan A. Tajani: Ref. D(2018)30134
(8) Volgens de terminologie van de Commissie, die gedecentraliseerde agentschappen indeelt in "startfase", "nieuwe taken" of "kruissnelheid" naargelang van hun ontwikkelingsfase en de toename van hun bijdragen van de Unie en de omvang van hun personeelsbestand.

Laatst bijgewerkt op: 27 maart 2019Juridische mededeling