Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2207(DEC)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0152/2019

Ingediende teksten :

A8-0152/2019

Debatten :

PV 26/03/2019 - 12
CRE 26/03/2019 - 12

Stemmingen :

PV 26/03/2019 - 13.29

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0270

Aangenomen teksten
PDF 158kWORD 55k
Dinsdag 26 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Kwijting 2017: Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT)
P8_TA-PROV(2019)0270A8-0152/2019
Besluit
 Besluit
 Resolutie

1. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie (EIT) voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2207(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2017,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie betreffende het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Instituut(1),

–  gezien de verklaring(2) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05825/2019 – C8‑0097/2019),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(4), en met name artikel 70,

–  gezien Verordening (EG) nr. 294/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(5), en met name artikel 21,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0152/2019),

1.  verleent de waarnemend directeur van het Europees Instituut voor innovatie en technologie kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Instituut voor het begrotingsjaar 2017;

2.  formuleert zijn opmerkingen in onderstaande resolutie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en de resolutie die daarvan een integrerend deel uitmaakt, te doen toekomen aan de waarnemend directeur van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L‑serie).

(1) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 64.
(2) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 64.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(5) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 1.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


2. Besluit van het Europees Parlement van 26 maart 2019 over de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2207(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien de definitieve jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2017,

–  gezien het verslag van de Rekenkamer over de jaarrekening van het Europees Instituut voor innovatie en technologie betreffende het begrotingsjaar 2017, vergezeld van het antwoord van het Instituut(1),

–  gezien de verklaring(2) van de Rekenkamer voor het begrotingsjaar 2017 waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de wettigheid en regelmatigheid van de onderliggende verrichtingen worden bevestigd, overeenkomstig artikel 287 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de aanbeveling van de Raad van 12 februari 2019 over de aan het Instituut te verlenen kwijting voor de uitvoering van de begroting voor het begrotingsjaar 2017 (05825/2019 – C8‑0097/2019),

–  gezien artikel 319 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002(3), en met name artikel 208,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(4), en met name artikel 70,

–  gezien Verordening (EG) nr. 294/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot oprichting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie(5), en met name artikel 21,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad(6), en met name artikel 108,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0152/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de afsluiting van de rekeningen van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2017;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de waarnemend directeur van het Europees Instituut voor innovatie en technologie, de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, en te zorgen voor bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie (L-serie).

(1) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 64.
(2) PB C 434 van 30.11.2018, blz. 64.
(3) PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1.
(4) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(5) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 1.
(6) PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42.


3. Resolutie van het Europees Parlement van 26 maart 2019 met de opmerkingen die een integrerend deel uitmaken van het besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2017 (2018/2207(DEC))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn besluit over het verlenen van kwijting voor de uitvoering van de begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie voor het begrotingsjaar 2017,

–  gezien artikel 94 en bijlage IV van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0152/2019),

A.  overwegende dat volgens zijn staat van ontvangsten en uitgaven(1) de definitieve begroting van het Europees Instituut voor innovatie en technologie ("het Instituut") voor het begrotingsjaar 2017 in totaal 338 465 181 EUR bedroeg, een toename van 15,20 % vergeleken met 2016, voornamelijk als gevolg van de toename van de aan het Instituut toegekende subsidies ter verdeling over de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's); overwegende dat de totale bijdrage van de Unie aan de begroting van het Instituut voor 2017 315 147 801,58 EUR bedroeg;

B.  overwegende dat de Rekenkamer in haar verslag over de jaarrekening van het Instituut voor het begrotingsjaar 2017 ("het verslag van de Rekenkamer") verklaart redelijke zekerheid te hebben gekregen dat de jaarrekening van het Instituut betrouwbaar is en de onderliggende verrichtingen wettig en regelmatig zijn;

Financieel en begrotingsbeheer

1.  merkt op dat de inspanningen op het gebied van begrotingstoezicht gedurende het begrotingsjaar 2017 hebben geleid tot een uitvoeringspercentage van de begroting van 91,23 %, wat neerkomt op een daling van 3,8 % ten opzichte van 2016; wijst erop dat dit lage cijfer verband houdt met het lage uitvoeringspercentage van de vastleggingskredieten voor subsidies; verneemt van het Instituut dat het zal proberen zijn begrotingsprocedures te verbeteren om de uitvoering ervan te bevorderen; stelt vast dat het uitvoeringspercentage van de betalingskredieten 99,5 % bedroeg, wat neerkomt op een lichte stijging van 0,36 % ten opzichte van 2016; merkt op dat het uitvoeringspercentage laag was als gevolg van een onvoorziene vertraging bij de invoering van Sysper voor personeelsbeheer en een overschatting van andere onderhoudskosten; doet met name een oproep aan het Instituut om de uitvoering op dit gebied te verbeteren;

2.  stelt bezorgd vast dat de kennis- en innovatiegemeenschappen (KIG's) volgens het verslag van de Rekenkamer de door het Instituut toegekende subsidies niet volledig hebben gebruikt, voornamelijk als gevolg van een onvolledige tenuitvoerlegging van de bedrijfsplannen; maakt uit het antwoord van het Instituut op dat het voornemens is deze kwestie aan te pakken door te streven naar meerjarige subsidieovereenkomsten met KIG's in de periode na 2020; verzoekt het Instituut verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de op dit gebied ondernomen stappen;

3.  stelt bezorgd vast dat er volgens het verslag van de Rekenkamer in verscheidene KIG's sprake is geweest van een stijging van het vaste vergoedingspercentage, hetgeen in strijd is met het doel om KIG's te stimuleren eigen financieringsbronnen te vinden en geleidelijk onafhankelijk van het Instituut te worden; neemt kennis van het antwoord van het Instituut dat de aanpassing van de vaste vergoedingspercentages in overeenstemming is met de toepasselijke rechtsgrondslag, en dat het van oordeel is dat sommige KIG's in staat zijn op eigen kracht een aanzienlijk deel van de middelen te verkrijgen;

4.  betreurt het dat er enkele activiteiten werden toegevoegd aan twee KIG's, waarbij de oorspronkelijke bedrijfsplannen en de aan hen toegekende subsidies werden gewijzigd, hetgeen in strijd is met de uitvoeringsvoorschriften van het Financieel Reglement, aangezien dit een gelijke behandeling van de KIG's in de weg staat; maakt uit het antwoord van het Instituut op dat het van mening is dat dit niet het geval is, aangezien het mogelijk is om taken aan de KIG's toe te voegen en de wijzigingen in de subsidies niet aanzienlijk zijn (3,9 % en 0,6 %);

5.  stelt met tevredenheid vast dat het vastgestelde foutenpercentage tijdens de verificatie achteraf van de subsidies voor 2016, die door een externe dienstverlener werd uitgevoerd, 0,98 % bedroeg en dat het restfoutenpercentage 0,95 % bedraagt, wat ver onder het materialiteitsniveau van 2 % ligt;

Annulering van overdrachten

6.  betreurt het dat de annuleringen van overdrachten van 2016 naar 2017 95 721 EUR bedroegen, d.w.z. 16,26 % van het totale overgedragen bedrag, een opmerkelijke stijging van 5,33 % ten opzichte van 2016; stelt bezorgd vast dat dit hoge bedrag voornamelijk te wijten is aan het feit dat de KIG's de overgedragen subsidies niet kunnen opnemen;

Prestaties

7.  erkent dat het Instituut bepaalde kernprestatie-indicatoren (KPI's) gebruikt om de prestaties van de KIG's te meten, alsook Horizon 2020-KPI's om zijn eigen prestaties te beoordelen voor wat het beheer van de KIG's betreft en indicatoren als beschreven in het enig programmeringsdocument om andere operationele activiteiten te meten; merkt verder op dat het aanvullende KPI's gebruikt om zijn begrotingsbeheer te verbeteren;

8.  is ingenomen met het feit dat het Instituut gezamenlijke openbare aanbestedingsprocedures heeft uitgevoerd en gezamenlijke personeelsselectiecomités heeft opgezet met het Agentschap van de Europese Unie voor opleiding op het gebied van rechtshandhaving, met het voordeel dat zij beide in Boedapest zijn gevestigd;

9.  wijst erop dat in 2017 een externe evaluatie is uitgevoerd om de impact, het bestuur, de processen en de vooruitgang op het gebied van financiële duurzaamheid van de eerste golf KIG's voor de periode 2010-2016 te beoordelen, en dat het Instituut de evaluatie in 2018 zal afsluiten; verzoekt het Instituut bij de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de conclusies van deze evaluatie;

Personeelsbeleid

10.  stelt vast dat de personeelsformatie op 31 december 2017 voor 92,68 % was ingevuld, aangezien 38 tijdelijke functionarissen waren aangesteld van de 41 tijdelijke functionarissen die in het kader van de begroting van de Unie waren toegestaan (39 toegestane posten in 2016); stelt vast dat in 2017 bovendien 20 arbeidscontractanten en 2 gedetacheerde nationale deskundigen voor het Instituut hebben gewerkt; dringt er bij het Instituut op aan om niet al te veel gebruik te maken van tijdelijke contracten;

11.  merkt op dat het Instituut beleidsmaatregelen heeft goedgekeurd ter bescherming van de persoonlijke waardigheid en ter voorkoming van intimidatie; erkent dat het heeft deelgenomen aan de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor vertrouwenspersonen van verschillende agentschappen;

12.  neemt kennis van het feit dat het Instituut te kampen heeft met een structureel personeelstekort, zoals ook bevestigd wordt in het speciaal verslag van de Rekenkamer nr. 4/2016; betreurt het dat de Commissie de verzoeken van het Instituut om zijn personeelsbestand aanzienlijk te verhogen, heeft afgewezen; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van eventuele ontwikkelingen op dit gebied;

13.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het Instituut volgens zijn statuten tijdelijke functionarissen uitsluitend contracten van maximaal vijf jaar kan aanbieden, die met nog eens vijf jaar kunnen worden verlengd, en is bezorgd over het feit dat de continuïteit van de activiteiten mogelijk zal worden belemmerd, aangezien een aantal belangrijke personeelsleden in 2020 het maximum van tien jaar zal bereiken; maakt uit het antwoord van het Instituut op dat het zich bewust is van dit probleem en om die reden de Commissie schriftelijk om juridisch advies heeft verzocht; verzoekt het Instituut de kwijtingsautoriteit op de hoogte te houden van de ontwikkelingen op dit gebied;

14.  betreurt het dat volgens het verslag van de Rekenkamer de huidige waarnemend directeur van het Instituut in 2014 werd benoemd en de functie sindsdien ad interim vervult; wijst erop dat die praktijk in strijd is met het Ambtenarenstatuut, waarin de periode beperkt is tot maximaal één jaar; betreurt het dat een in 2016 gestarte selectieprocedure voor de benoeming van een nieuwe directeur niet tot het gewenste resultaat heeft geleid; neemt ter kennis dat in juni 2018 opnieuw een vacature werd gepubliceerd; dringt er bij het Instituut op aan de waarnemend directeur zonder verder uitstel te vervangen door een nieuwe directeur; verzoekt het Instituut verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de resultaten van de lopende selectieprocedure;

15.  is ingenomen met de suggestie van de Rekenkamer om vacatures ook te publiceren op de website van het Europees Bureau voor personeelsselectie om er meer de aandacht op te vestigen; begrijpt het antwoord van het Instituut dat deze publicatie gepaard gaat met hoge vertaalkosten;

Aanbestedingsprocedures

16.  verneemt uit het verslag van de Rekenkamer dat het Instituut eind 2017 nog niet alle instrumenten ten uitvoer had gelegd die de Commissie heeft ingezet voor de invoering van één oplossing voor de elektronische uitwisseling van informatie met derden die deelnemen aan openbare aanbestedingsprocedures (e-aanbesteding); maakt uit het antwoord van het Instituut op dat het voornemens is de instrumenten voor e-aanbesteding en e-inschrijving goed te keuren, waarvoor de voorbereidingen in gang zijn gezet; verzoekt het Instituut aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van alle nodige instrumenten;

17.  betreurt een onopgeloste kwestie die aan de orde werd gesteld in het verslag van de Rekenkamer van 2016, waarin zij significante tekortkomingen aan het licht bracht die zij ontdekte bij de controle van de aanbestedingsprocedures van de juridische entiteiten van de KIG's (KIG-JE's), die als een gebied met een hoog risico worden beschouwd, waaronder onregelmatigheden zoals de onderhandse gunning van contracten en aanzienlijke verlengingen van initiële contracten of contracten zonder beperkingen in tijd, volume, kwaliteit of prijs, en waarin zij vaststelde dat de onregelmatige aanbestedingsprocedures in 2016 goed waren voor circa 2 200 000 EUR; is ingenomen met de maatregelen en aanbevelingen van het Instituut om deze kwestie aan te pakken; verzoekt het Instituut verslag uit te brengen aan de kwijtingsautoriteit over de uitvoering van de actieplannen van de KIG-JE's;

Preventie van en omgang met belangenconflicten en transparantie

18.  neemt kennis van de bestaande maatregelen en lopende inspanningen van het Instituut om te zorgen voor transparantie, preventie en beheer van belangenconflicten en bescherming van klokkenluiders; neemt kennis van het feit dat er in 2017 verschillende gevallen van belangenverstrengeling zijn geïdentificeerd en beoordeeld en dat er passende maatregelen zijn genomen; merkt op dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding in 2017 twee gevallen van vermoedelijke fraude heeft afgewezen, en dat er nog één onderzoek uit 2016 openstaat;

Interne controles

19.  merkt op dat de dienst Interne Audit van de Commissie de controle van de monitoring van subsidieovereenkomsten heeft afgerond, waarin werd geconcludeerd dat het kader toereikend is, maar dat de tenuitvoerlegging ervan moet worden verbeterd; betreurt het dat de evaluaties van de KIG's door het Instituut niet waren gebaseerd op hun jaarverslagen en dat het Instituut enkele risico's niet systematisch heeft afgedekt, niet alle bestuursvereisten in detail heeft behandeld en geen feedback over goed bestuur heeft gegeven aan de tweede golf KIG's; wijst er voorts op dat het Instituut, hoewel dit in het werkprogramma voor 2016 staat vermeld, geen verslag over goed bestuur van de KIG's heeft uitgebracht;

20.  betreurt het aantal openstaande kwesties en lopende corrigerende maatregelen naar aanleiding van de opmerkingen van de Rekenkamer in 2014, 2015 en 2016, met name met betrekking tot financieringsvoorwaarden, financiering uit publieke en private bronnen en subsidies; verzoekt het Instituut deze corrigerende maatregelen zo snel mogelijk af te ronden en aan de kwijtingsautoriteit verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging ervan;

21.  merkt bezorgd op dat er in 2017 twee uitzonderingsverslagen (geraamd op 5 318 720 EUR) met betrekking tot schrappingen van controles of afwijkingen van vastgelegde processen en procedures en vijf gevallen van niet-naleving (geraamd op 2 250 EUR) werden geregistreerd; verneemt echter van het Instituut dat alle gebeurtenissen zijn beoordeeld en dat er corrigerende maatregelen zijn genomen;

Overige opmerkingen

22.  merkt op dat de Commissie oorspronkelijk 2010 had vastgesteld als streefjaar voor financiële zelfstandigheid van het Instituut; erkent dat de Commissie het Instituut uiteindelijk in december 2017 volledige financiële autonomie heeft verleend, aangezien het voldeed aan de internecontrolenormen;

o
o   o

23.  verwijst voor andere opmerkingen van horizontale aard bij het kwijtingsbesluit naar zijn resolutie van 26 maart 2019(2) over het functioneren en het financiële beheer van en de controle op de agentschappen.

(1) PB C 166/14 van 24.5.2017, blz. 14.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0254.

Laatst bijgewerkt op: 28 maart 2019Juridische mededeling