Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 13 maart 2019 - Straatsburg 
Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: vrijstelling van de vereisten in verband met transparantie voor en na de handel in Verordening (EU) nr. 600/2014 voor de Bank of England
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van vrijgestelde entiteiten lijst van vrijgestelde entiteiten
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van vrijgestelde entiteiten
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: vrijstelling van de Bank of England en het Debt Management Office van het Verenigd Koninkrijk van de toepassing van Verordening (EU) nr. 596/2014
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: mogelijkheid om het gemiddelde dagelijkse aantal transacties aan te passen voor een aandeel indien het handelsplatform met de hoogste omzet in dat aandeel buiten de Unie gevestigd is
 Afwezigheid van meerderheid van stemmen in de commissie over een voorstel voor een juridisch bindende handeling (interpretatie van artikel 171, lid 1, eerste alinea, onder b), van het Reglement)
 Verlening van een uniale algemene uitvoervergunning voor de uitvoer van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik uit de Unie naar het Verenigd Koninkrijk ***I
 Voortzetting van de territoriale samenwerkingsprogramma's Peace IV (Ierland-Verenigd Koninkrijk) en Verenigd Koninkrijk-Ierland (Ierland/Noord-Ierland/Schotland) in de context van de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
 Voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten uit hoofde van het Erasmus+-programma in het kader van de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
 Luchtvaartveiligheid in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU ***I
 Samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan ***
 Samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan (resolutie)
 Deelname van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein aan eu-Lisa ***
 Reikwijdte en mandaat voor speciale vertegenwoordigers van de EU
 Toegankelijkheidseisen voor producten en diensten ***I
 Visuminformatiesysteem ***I
 Fonds voor asiel en migratie ***I
 Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa ***I
 Fonds voor interne veiligheid ***I
 Definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken ***I
 Voorgestelde wijzigingen van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie ***I
 Vaststelling van noodmaatregelen op het gebied van de coördinatie van de sociale zekerheid na de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
 Gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het wegvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie ***I
 Gemeenschappelijke regels ter waarborging van basisconnectiviteit in het luchtvervoer in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie ***I
 Voorschriften met betrekking tot het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, na de terugtrekking van het VK uit de Unie ***I
 Vismachtigingen voor Unievissersvaartuigen in wateren van het Verenigd Koninkrijk en visserijactiviteiten van vissersvaartuigen van het Verenigd Koninkrijk in wateren van de Unie ***I
 Bepaalde aspecten van spoorwegveiligheid en spoorverbindingen in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie ***I
 Een Europa dat beschermt: schone lucht voor iedereen
 Door de EDEO gegeven follow-up twee jaar na het EP-verslag over strategische communicatie van de EU in reactie op negatieve EU-propaganda door derden
 Associatieovereenkomst tussen de EU en Monaco, Andorra en San Marino
 Europees kenniscentrum voor industrie, technologie en onderzoek op het gebied van cyberbeveiliging en het netwerk van nationale coördinatiecentra ***I
 Wijzigingsverordening (EG) nr. 391/2009 in verband met de terugtrekking van het VK uit de Unie ***I
 Wijzigingsverordening (EU) nr. 1316/2013 in verband met de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
 Havenontvangstvoorzieningen voor de afgifte van scheepsafval ***I
 Verlenging van het tijdelijke gebruik van andere middelen dan de elektronische gegevensverwerkingstechnieken waarin het douanewetboek van de Unie voorziet ***I
 Bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten ***I
 Bezwaar tegen een uitvoeringshandeling: Maximumresidugehalten voor verschillende stoffen, waaronder clothianidin
 Genetisch gemodificeerde mais 4114 (DP-ØØ4114-3)
 Genetisch gemodificeerde mais MON 87411 (MON-87411-9)
 Genetisch gemodificeerde mais Bt11 × MIR162 × 1507 × GA21 en subcombinaties Bt11 × MIR162 × 1507, MIR162 × 1507 × GA21 en MIR162 × 1507
 Werkzame stoffen, met inbegrip van thiacloprid
 Verslag 2018 over Turkije
 Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid: jaarlijkse groeianalyse 2019
 Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid: sociale en werkgelegenheidsaspecten in de jaarlijkse groeianalyse 2019

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: vrijstelling van de vereisten in verband met transparantie voor en na de handel in Verordening (EU) nr. 600/2014 voor de Bank of England
PDF 122kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 januari 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2017/1799 wat betreft de vrijstelling van de vereisten in verband met transparantie voor en na de handel in Verordening (EU) nr. 600/2014 voor de Bank of England (C(2019)00793 – 2019/2546(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0159B8-0143/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)00793),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 30 januari 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 21 februari 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012(1), en met name artikel 1, lid 9, en artikel 50, lid 5,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling in kwestie belangrijke wijzigingen bevat die erop gericht zijn te waarborgen dat de Bank of England ook na verandering van de status van het Verenigd Koninkrijk tot die van derde land kan blijven genieten van de huidige vrijstelling overeenkomstig artikel 1, lid 9, van Verordening (EU) nr. 600/2014;

B.  overwegende dat het Parlement het belang erkent van de snelle vaststelling van deze verordening, teneinde te waarborgen dat de Europese Unie erop voorbereid is indien het Verenigd Koninkrijk zich zonder een terugtrekkingsakkoord terugtrekt uit de Europese Unie;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van vrijgestelde entiteiten lijst van vrijgestelde entiteiten
PDF 121kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 januari 2019 tot wijziging van Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van vrijgestelde entiteiten (C(2019)00794 – 2019/2547(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0160B8-0144/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)00794),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 30 januari 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 21 februari 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik, en met name artikel 2, lid 4, en artikel 30, lid 5(1),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling belangrijke wijzigingen omvat om te waarborgen dat de centrale bank en overheidsinstanties van het Verenigd Koninkrijk die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld vrijgesteld zullen zijn van de rapportageverplichting uit hoofde van artikel 4 en de transparantievereisten inzake hergebruik uit hoofde van artikel 15 van Verordening (EU) 2015/2365;

B.  overwegende dat het Parlement het belang erkent van de snelle vaststelling van deze verordening teneinde te waarborgen dat de Europese Unie erop voorbereid is indien het Verenigd Koninkrijk zich zonder een terugtrekkingsakkoord terugtrekt uit de Europese Unie;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van vrijgestelde entiteiten
PDF 121kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 januari 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de lijst van vrijgestelde entiteiten (C(2019)00791 – 2019/2549(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0161B8-0145/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)00791),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 30 januari 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 21 februari 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), met name artikel 1, lid 6, en artikel 82, lid 6,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling belangrijke wijzigingen omvat om te waarborgen dat de centrale bank en overheidsinstanties van het Verenigd Koninkrijk die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld vrijgesteld zullen zijn van de clearing- en rapportageverplichting en de vereiste toepassing van risicolimiteringstechnieken voor niet-geclearde transacties uit hoofde van Verordening (EU) 648/2012;

B.  overwegende dat het Parlement het belang erkent van de snelle vaststelling van deze verordening teneinde te waarborgen dat de Europese Unie erop voorbereid is indien het Verenigd Koninkrijk zich zonder een terugtrekkingsakkoord terugtrekt uit de Europese Unie;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: vrijstelling van de Bank of England en het Debt Management Office van het Verenigd Koninkrijk van de toepassing van Verordening (EU) nr. 596/2014
PDF 123kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar aan te tekenen tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 30 januari 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/522 wat betreft de vrijstelling van de Bank of England en het Debt Management Office van het Verenigd Koninkrijk van de toepassing van Verordening (EU) nr. 596/2014 (C(2019)00792 – 2019/2550(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0162B8-0146/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)00792),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 30 januari 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 21 februari 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie(1), en met name artikel 6, lid 5, en artikel 35, lid 5,

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling in kwestie belangrijke wijzigingen bevat die erop gericht zijn te waarborgen dat de Bank of England en het Debt Management Office van het Verenigd Koninkrijk ook na verandering van de status van het Verenigd Koninkrijk tot die van derde land kunnen blijven genieten van de huidige vrijstelling overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 596/2014;

B.  overwegende dat het Parlement het belang erkent van de snelle vaststelling van deze verordening teneinde te waarborgen dat de Europese Unie erop voorbereid is indien het Verenigd Koninkrijk zich zonder een terugtrekkingsakkoord terugtrekt uit de Europese Unie;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: mogelijkheid om het gemiddelde dagelijkse aantal transacties aan te passen voor een aandeel indien het handelsplatform met de hoogste omzet in dat aandeel buiten de Unie gevestigd is
PDF 124kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 13 februari 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/588 wat betreft de mogelijkheid om het gemiddelde dagelijkse aantal transacties aan te passen voor een aandeel indien het handelsplatform met de hoogste omzet in dat aandeel buiten de Unie gevestigd is (C(2019)00904 – 2019/2579(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0163B8-0149/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)00904),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 21 februari 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 4 maart 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU(1), met name artikel 49, lid 3,

–  gezien artikel 10, lid 1, en artikel 13, van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie(2),

–  gezien de op 8 november 2018 krachtens artikel 49, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU door de Europese Autoriteit voor effecten en markten ingediende ontwerpen van technische reguleringsnormen inzake de "wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/588 (RTS 11)",

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de gedelegeerde handeling belangrijke wijzigingen bevat om de concurrentiepositie te behouden van EU-handelsplatforms die handel in die aandelen aanbieden die toegelaten zijn tot de handel of die gelijktijdig zowel in de Unie als in een derde land worden verhandeld, en wanneer het handelsplatform met de hoogste omzet in die aandelen buiten de Unie gevestigd is;

B.  overwegende dat het Parlement het belang erkent van de snelle vaststelling van deze verordening teneinde te waarborgen dat de Europese Unie erop voorbereid is indien het Verenigd Koninkrijk zich zonder een terugtrekkingsakkoord terugtrekt uit de Europese Unie;

C.  overwegende dat het Parlement van oordeel is dat de technische reguleringsnormen die zijn aangenomen en de ontwerpen van technische reguleringsnormen die door de Europese Autoriteit voor effecten en markten zijn ingediend niet "hetzelfde" zijn aangezien de Commissie wijzigingen heeft aangebracht in de ontwerpen, en dat het van mening is dat het drie maanden de tijd heeft om bezwaar te maken tegen de technische reguleringsnormen (de "controleperiode"); overwegende dat het Parlement de Commissie aanspoort de controleperiode van één maand alleen toe te passen als de Commissie de ontwerpen van de Europese toezichthoudende autoriteiten zonder wijzigingen heeft aangenomen, d.w.z. als de ontwerpen en de aangenomen technische reguleringsnormen "hetzelfde" zijn;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen.

(1) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.
(2) PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84.


Afwezigheid van meerderheid van stemmen in de commissie over een voorstel voor een juridisch bindende handeling (interpretatie van artikel 171, lid 1, eerste alinea, onder b), van het Reglement)
PDF 116kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 13 maart 2019 betreffende de afwezigheid van meerderheid van stemmen in de commissie over een voorstel voor een juridisch bindende handeling (interpretatie van artikel 171, lid 1, eerste alinea, onder b), van het Reglement) (2019/2011(REG))
P8_TA-PROV(2019)0164

Het Europees Parlement,

–  gezien de brief van 7 maart 2019 van de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken

–  gezien artikel 226 van zijn Reglement,

1.  besluit de volgende interpretatie op te nemen in artikel 171, lid 1, eerste alinea, onder b), van het Reglement:"“Indien het al dan niet geamendeerde voorstel voor een juridisch bindende handeling geen meerderheid van de in de commissie uitgebrachte stemmen behaalt, stelt de commissie aan het Parlement voor om de handeling te verwerpen.”"

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit ter informatie te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie.


Verlening van een uniale algemene uitvoervergunning voor de uitvoer van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik uit de Unie naar het Verenigd Koninkrijk ***I
PDF 140kWORD 50k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad door de verlening van een uniale algemene uitvoervergunning voor de uitvoer van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik uit de Unie naar het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (COM(2018)0891 – C8-0513/2018 – 2018/0435(COD))
P8_TA-PROV(2019)0165A8-0071/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0891),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0513/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 6 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0071/2019),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad door de verlening van een uniale algemene uitvoervergunning voor de uitvoer van bepaalde producten voor tweeërlei gebruik uit de Unie naar het Verenigd Koninkrijk

P8_TC1-COD(2018)0435


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen zullen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na die kennisgeving, dat wil zeggen met ingang van 30 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van die termijn besluit.

(2)  Bij Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad(2) is een gemeenschappelijk stelsel voor de controle op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik tot stand gebracht, dat nodig is om de veiligheid van de Unie en de internationale veiligheid te bevorderen en een gelijk speelveld voor exporteurs in de Unie te creëren.

(3)  Verordening (EG) nr. 428/2009 voorziet in uniale algemene uitvoervergunningen ter vergemakkelijking van de controles op de uitvoer van producten voor tweeërlei gebruik naar bepaalde derde landen die weinig risico oplevert. De uniale algemene uitvoervergunning nr. EU001 in bijlage IIbis bij Verordening (EG) nr. 428/2009 is momenteel geldig voor Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein) en de Verenigde Staten van Amerika.

(4)  Het Verenigd Koninkrijk is een partij bij de relevante internationale verdragen en lid van internationale regimes op het gebied van non-proliferatie, leeft de daarmee verband houdende verplichtingen en toezeggingen ten volle na. Het Verenigd Koninkrijk voert, in overeenstemming met de bepalingen en doelstellingen van Verordening (EG) nr. 428/2009, evenredige en passende controles uit met het oog op een doeltreffende aanpak van overwegingen omtrent het voorgenomen eindgebruik en het onttrekkingsgevaar.

(5)  Aangezien het Verenigd Koninkrijk een belangrijke bestemming is voor in de Unie vervaardigde producten voor tweeërlei gebruik, is het passend het Verenigd Koninkrijk toe te voegen aan de lijst van bestemmingen waarvoor de uniale algemene uitvoervergunning nr. EU001 geldig is teneinde de uniforme en consistente toepassing van de controles in de hele Unie te waarborgen, een gelijk speelveld voor exporteurs in de Unie te bevorderen en onnodige administratieve lasten te vermijden, en tegelijkertijd de veiligheid van de Unie en de internationale veiligheid te beschermen.

(6)  Gezien de urgentie die voortvloeit uit de omstandigheden van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie moet deze verordening betreffende de opneming van het Verenigd Koninkrijk in uniale algemene uitvoervergunning nr. EU001 spoedig van toepassing kunnen worden. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(7)  Slechts in een situatie waarin op de datum waarop de Verdragen krachtens artikel 50, lid 3, VEU niet langer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn, geen overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden, moet het Verenigd Koninkrijk worden toegevoegd aan de lijst van bestemmingen waarvoor uniale algemene uitvoervergunning nr. EU001 geldig is,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IIa bij Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel "Uitvoer naar Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland, met inbegrip van Liechtenstein, en de Verenigde Staten" wordt vervangen door:"

"Uitvoer naar Australië, Canada, Japan, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Zwitserland, met inbegrip van Liechtenstein, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, en de Verenigde Staten".

"

b)  in deel 2 wordt het volgende streepje ingevoegd na het streepje "Zwitserland (met inbegrip van Liechtenstein)":"

"– Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland".

"

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van de dag volgend op die waarop de Verdragen niet langer op het Verenigd Koninkrijk van toepassing zijn krachtens artikel 50, lid 3, VEU.

Deze verordening is niet van toepassing indien uiterlijk op de in de tweede alinea van dit artikel bedoelde datum een in overeenstemming met artikel 50, lid 2, VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2019.
(2)Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).


Voortzetting van de territoriale samenwerkingsprogramma's Peace IV (Ierland-Verenigd Koninkrijk) en Verenigd Koninkrijk-Ierland (Ierland/Noord-Ierland/Schotland) in de context van de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
PDF 164kWORD 51k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad om de voortzetting van de territoriale samenwerkingsprogramma's Peace IV (Ierland-Verenigd Koninkrijk) en Verenigd Koninkrijk-Ierland (Ierland/Noord-Ierland/Schotland) mogelijk te maken in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie (COM(2018)0892 – C8-0512/2018 – 2018/0432(COD))
P8_TA-PROV(2019)0166A8-0021/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0892),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 178 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0512/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 februari 2019(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie regionale ontwikkeling (A8-0021/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad om de voortzetting van de territoriale samenwerkingsprogramma's Peace IV (Ierland-Verenigd Koninkrijk) en Verenigd Koninkrijk-Ierland (Ierland/Noord-Ierland/Schotland) mogelijk te maken in de context van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie

P8_TC1-COD(2018)0432


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 178,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen zullen niet langer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk vanaf de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving, te weten vanaf 30 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk unaniem tot verlenging van deze termijn besluit.

(2)  De terugtrekking zal plaatsvinden tijdens de programmeringsperiode 2014-2020, waarin het Verenigd Koninkrijk deelneemt aan vijftien samenwerkingsprogramma’s in het kader van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking". Bij twee van die programma’s, namelijk Peace IV (Ierland-Verenigd Koninkrijk) en Verenigd Koninkrijk-Ierland (Ierland/Noord-Ierland/Schotland) (hierna gezamenlijk de "samenwerkingsprogramma's" genoemd), is Noord-Ierland betrokken en wordt steun verleend voor vrede, verzoening en samenwerking tussen Noord en Zuid in het kader van het vredesakkoord van Noord-Ierland ("Goede-Vrijdagakkoord"); de Unie wenst die programma's voort te zetten zelfs als het Verenigd Koninkrijk zich terugtrekt uit de Unie zonder dat een terugtrekkingsakkoord in werking is getreden tegen de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 50, lid 3, VEU. Daarom moet deze verordening beperkt blijven tot die samenwerkingsprogramma's.

(3)  De samenwerkingsprogramma's vallen met name onder Verordeningen (EU) nr. 1299/2013(4), (EU) nr. 1303/2013(5) en (EU, Euratom) 2018/1046(6) van het Europees Parlement en de Raad. In deze verordening moeten bepalingen worden vastgesteld met het oog op de voortzetting van de samenwerkingsprogramma's overeenkomstig de genoemde verordeningen na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie.

(4)  Wat de samenwerkingsprogramma’s betreft, is de beheersautoriteit ondergebracht in het speciale orgaan voor EU-programma's (Special EU Programmes Body, SEUPB), dat is opgericht in het kader van de "Agreement between the Government of Ireland and the Government of the United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland establishing Implementation Bodies" (Overeenkomst tussen de regering van Ierland en de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland tot oprichting van uitvoeringsorganen), die op 8 maart 1999 is ondertekend. Aangezien Noord-Ierland bij de samenwerkingsprogramma's betrokken is, moeten de programma's worden voortgezet met de nodige aanvullende bepalingen.

(5)  Met het oog op de voortzetting van de samenwerkingsprogramma’s moet worden verduidelijkt dat onverminderd artikel 20, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1299/2013, de betrokken samenwerkingsprogramma's de deelnemende regio’s in het Verenigd Koninkrijk kunnen omvatten, die gelijkwaardig moeten zijn aan regio’s van NUTS-niveau 3.

(6)  Met het oog op de voortzetting van de samenwerkingsprogramma’s met financiering uit de algemene Uniebegroting moet een administratieve overeenkomst worden gesloten tussen de Commissie en de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk die moet ingaan op de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, om de controles en audits van de samenwerkingsprogramma's mogelijk te maken. Als die controles en audits niet kunnen worden uitgevoerd, moet de Commissie de mogelijkheid hebben om betalingstermijnen uit te stellen, betalingen te schorsen en financiële correcties toe te passen overeenkomstig de artikelen 83, 142, 144 en 145 van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

(7)  Overeenkomstig artikel 76 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 moeten de uitvoeringsbesluiten van de Commissie tot goedkeuring van het Peace IV-programma (Ierland-Verenigd Koninkrijk) van 30 november 2015 en het Interreg VA-programma van 12 februari 2015, financieringsbesluiten blijven in de zin van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 en derhalve een juridische verbintenis in de zin van verordening (EU, Euratom) 2018/1046. Het Verenigd Koninkrijk blijft aansprakelijk voor de financiële verplichtingen die het als lidstaat is aangegaan met betrekking tot deze juridische verbintenissen van de Unie.

(8)  Vanaf de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk, zal het Verenigd Koninkrijk niet langer deel uitmaken van het tot de Unie behorende deel van het programmagebied in de zin van artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1299/2013. Daarom moeten de bepalingen van die Verordening inzake de subsidiabiliteit van concrete acties afhankelijk van de plaats van uitvoering worden aangepast.

(9)  Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie de voortzetting van de samenwerkingsprogramma's mogelijk te maken, niet voldoende door de afzonderlijke lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(10)  Om ervoor te zorgen dat de in deze verordening opgenomen maatregelen meteen kunnen worden toegepast, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Deze verordening dient slechts van toepassing te zijn indien geen met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden op de datum waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Deze verordening bevat bepalingen om de gevolgen van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie aan te pakken indien geen met het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden op de datum waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU, evenals bepalingen in verband met de voortzetting van de volgende twee onder Verordening (EU) nr. 1299/2013 vallende samenwerkingsprogramma’s met deelname van het Verenigd Koninkrijk (hierna gezamenlijk de "samenwerkingsprogramma's" genoemd):

(1)  Peace IV (Ierland-Verenigd Koninkrijk);

(2)  Verenigd Koninkrijk-Ierland (Ierland/Noord-Ierland/Schotland).

2.  Verordening (EU) nr. 1299/2013 blijft van toepassing op de samenwerkingsprogramma’s, onder voorbehoud van het bepaalde in deze verordening.

Artikel 2

Geografische reikwijdte

Onverminderd artikel 20, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1299/2013 kunnen de betrokken samenwerkingsprogramma's de deelnemende regio’s in het Verenigd Koninkrijk omvatten, die gelijkwaardig zijn aan regio’s van NUTS-niveau 3.

Artikel 3

Programma-autoriteiten

In afwijking van artikel 21, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1299/2013:

–  blijft het speciale orgaan voor EU-programma's (Special EU Programmes Body, SEUPB) waar de beheersautoriteit en de certificeringsautoriteit van de samenwerkingsprogramma’s zijn ondergebracht, zijn functies uitoefenen;

–  blijft het ministerie van Financiën van Noord-Ierland de auditautoriteit van de samenwerkingsprogramma’s.

Artikel 4

Bevoegdheden van de Commissie met betrekking tot controles

De toepassing van de regels inzake de controles en audit van de samenwerkingsprogramma's wordt overeengekomen tussen de Commissie en de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk. De controles en audits bestrijken de volledige looptijd van de samenwerkingsprogramma’s.

Als de nodige controles en audits van de samenwerkingsprogramma's niet kunnen worden uitgevoerd in alle betrokken regio's, wordt dit beschouwd als een ernstige tekortkoming in het beheers- en controlesysteem voor de toepassing van maatregelen overeenkomstig de artikelen 83, 142, 144 en 145 van Verordening (EU) nr. 1303/2013.

Artikel 5

Subsidiabiliteit van concrete acties afhankelijk van de plaats van uitvoering

Het bij artikel 20, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1299/2013 vastgestelde plafond is niet van toepassing op de samenwerkingsprogramma's.

Artikel 6

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf de dag die volgt op de dag waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 50, lid 3, VEU.

Deze verordening is echter niet van toepassing als een overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord tegen de in de tweede alinea van dit artikel bedoelde datum in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2)Standpunt van 20 februari 2019 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2019.
(4)Verordening (EU) nr. 1299/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende specifieke bepalingen voor steun uit het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling ter verwezenlijking van de doelstelling "Europese territoriale samenwerking" (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 259).
(5)Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(6)Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).


Voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten uit hoofde van het Erasmus+-programma in het kader van de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
PDF 165kWORD 49k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van bepalingen voor de voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten uit hoofde van het Erasmus+-programma in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (het "Verenigd Koninkrijk") uit de Europese Unie (COM(2019)0065 – C8-0040/2019 – 2019/0030(COD))
P8_TA-PROV(2019)0167A8-0082/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2019)0065),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0040/2019),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 februari 2019(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs (A8-0082/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van bepalingen voor de voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten uit hoofde van het Erasmus+-programma vastgelegd door Verordening (EU) nr. 1288/2013, in het kader van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie

P8_TC1-COD(2019)0030


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 165, lid 4, en artikel 166, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). De Verdragen zijn niet meer van toepassing op het Verenigd Koninkrijk met ingang van de datum van inwerkingtreding van het terugtrekkingsakkoord of, bij gebrek aan een akkoord, twee jaar na die kennisgeving, namelijk met ingang van 30 maart 2019, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen besluit deze termijn te verlengen.

(2)  De terugtrekking vindt plaats tijdens de programmeringsperiode 2014-2020 van het Erasmus+-programma, waaraan het Verenigd Koninkrijk deelneemt.

(3)  Het Erasmus+-programma wordt vastgesteld en geregeld bij Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad(4). Deze verordening moet regels vaststellen om, na de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, de voortzetting mogelijk te maken van de reeds aangegane juridische verbintenissen, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1288/2013, met betrekking tot lopende leermobiliteitsactiviteiten waarbij het Verenigd Koninkrijk betrokken is.

(4)  Vanaf de datum waarop de Verdragen niet langer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, zal het Verenigd Koninkrijk niet langer deel uitmaken van een programmaland in de zin van artikel 24, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1288/2013. Om te vermijden dat de huidige deelnemers aan Erasmus + hun lopende leermobiliteitsactiviteiten moeten onderbreken, moeten de regels inzake de subsidiabiliteit van lopende leermobiliteitsactiviteiten in het kader van het Erasmus+-programma worden aangepast.

(5)  Met het oog op de voortzetting van de financiering van lopende leermobiliteitsactiviteiten uit de Uniebegroting moeten de Commissie en het Verenigd Koninkrijk overeenkomen om de uitoefening van controles en audits van deze activiteiten toe te laten. Als de nodige controles en audits niet kunnen worden uitgevoerd, moet dit worden beschouwd als een ernstige tekortkoming in het beheers- en controlesysteem.

(6)  Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten met betrekking tot het Verenigd Koninkrijk waarmee uiterlijk van start is gegaan op de datum waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(7)  Aangezien bij het uitblijven van een terugtrekkingsovereenkomst of van een verlenging van de periode van twee jaar na de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk, de Verdragen vanaf 30 maart 2019 niet langer van toepassing zullen zijn op het Verenigd Koninkrijk, en om de voortzetting van de lopende leermobiliteitsactiviteiten van het Erasmus+-programma te garanderen, werd het passend geacht, vóór de datum van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie, in een uitzondering te voorzien op de voorziene periode van 8 weken als bedoeld in Artikel 4 van Protocol nr. 1 met betrekking tot de rol van de nationale parlementen in de Europese Unie, gehecht aan het VEU, en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie.

(8)  Deze verordening moet dringend in werking treden en gelden vanaf de dag volgend op die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie en na die waarop de Verdragen niet langer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, tenzij een met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord tegen die datum in werking is getreden.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening bevat bepalingen voor de voortzetting van de in de artikelen 7 en 13 bedoelde leermobiliteitsactiviteiten van Verordening (EU) nr. 1288/2013, die plaatsvinden in het Verenigd Koninkrijk of waarbij instanties of deelnemers uit het Verenigd Koninkrijk betrokken zijn, en waarmee uiterlijk van start is gegaan op de dag waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 2

Subsidiabiliteit

1.  De in artikel 1 bedoelde leermobiliteitsactiviteiten blijven subsidiabel.

2.  Voor de toepassing van bepalingen van Verordening (EU) nr. 1288/2013 en de uitvoeringshandelingen van die verordening die nodig zijn om lid 1 uit te voeren, wordt het Verenigd Koninkrijk behandeld als een lidstaat, behoudens deze verordening.

Vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk nemen echter niet deel aan het in artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1288/2013 bedoelde comité.

Artikel 3

Controles en audits

De Commissie en de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk bereiken overeenstemming over de toepassing van de regels inzake de controles en audits van de in artikel 1 bedoelde leermobiliteitsactiviteiten. De controles en audits hebben betrekking op de volledige duur van de leermobiliteitsactiviteiten en de follow-up ervan.

Als de nodige controles en audits van het Erasmus+-programma niet kunnen worden uitgevoerd in het Verenigd Koninkrijk, is dat een ernstige tekortkoming bij de naleving van de belangrijkste verplichtingen bij de uitvoering van de juridische verbintenis tussen de Commissie en het nationale agentschap van het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf de dag volgende op die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 50, lid 3, VEU.

Deze verordening is evenwel niet van toepassing indien uiterlijk op de in de tweede alinea van dit artikel bedoelde datum een overeenkomstig artikel 50, lid 2, VEU met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(2)Advies van 20 februari 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2019.
(4)Verordening (EU) nr. 1288/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van "Erasmus+": het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Besluiten nr. 1719/2006/EG, nr. 1720/2006/EG en nr. 1298/2008/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 50).


Luchtvaartveiligheid in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU ***I
PDF 182kWORD 56k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van de luchtvaartveiligheid in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot‑Brittannië en Noord‑Ierland uit de Europese Unie (COM(2018)0894 – C8-0514/2018 – 2018/0434(COD))
P8_TA-PROV(2019)0168A8-0061/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0894),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 100, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0514/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 20 februari 2019(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 22 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0061/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde aspecten van de luchtvaartveiligheid in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie

P8_TC1-COD(2018)0434


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van een terugtrekkingsakkoord of, bij gebreke daarvan, na verloop van twee jaar na de kennisgeving, namelijk vanaf 30 maart 2019, zullen de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, tenzij de Europese Raad met instemming van het Verenigd Koninkrijk met eenparigheid van stemmen tot verlenging van deze termijn besluit.

(2)  De voornaamste doelstelling van Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad(4) is de totstandbrenging en instandhouding van een hoog en uniform luchtvaartveiligheidsniveau in de Unie. Daartoe is voor verschillende luchtvaartactiviteiten een systeem van certificaten opgezet, met als doel de vereiste veiligheidsniveaus te bereiken en te zorgen voor de noodzakelijke verificaties en de wederzijdse aanvaarding van afgegeven certificaten.

(3)  Op het gebied van luchtvaartveiligheid kunnen veel belanghebbenden verschillende maatregelen nemen om zich te wapenen tegen de gevolgen die de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie heeft voor certificaten en goedkeuringen. Zo kunnen zij overstappen naar een burgerluchtvaartautoriteit van een van de overblijvende 27 lidstaten, of vóór de terugtrekkingsdatum een aanvraag indienen voor een door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, ("het agentschap"), afgegeven certificaat dat slechts van toepassing is vanaf die datum en dus alleen mits het Verenigd Koninkrijk een derde land is geworden.

(4)  In tegenstelling tot in andere gebieden van het Unierecht, zijn er echter een aantal specifieke gevallen waarin het niet mogelijk is om een certificaat van een andere lidstaat of van het agentschap te verkrijgen, aangezien het Verenigd Koninkrijk vanaf de terugtrekkingsdatum voor zijn rechtsgebied opnieuw zijn rol opneemt als "land van ontwerp" uit hoofde van het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart. Het Verenigd Koninkrijk kan op zijn beurt enkel certificaten in die nieuwe rol afgeven zodra het die nieuwe rol heeft opgenomen, namelijk zodra het Unierecht niet langer van toepassing is op het Verenigd Koninkrijk naar aanleiding van de terugtrekking uit de Unie.

(5)  Daarom moet worden voorzien in een tijdelijk mechanisme om de geldigheid van bepaalde veiligheidscertificaten te verlengen, teneinde de betrokken exploitanten en het agentschap voldoende tijd te geven voor de afgifte van de noodzakelijke certificaten uit hoofde van artikel 68 van Verordening (EU) 2018/1139, gezien de status van het Verenigd Koninkrijk als derde land.

(6)  De geldigheid van die certificaten mag echter slechts worden verlengd voor de duur die strikt noodzakelijk is om rekening te houden met het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit het luchtvaartveiligheidssysteem van de Unie.

(7)  Om er, indien nodig, voor te zorgen dat er meer tijd beschikbaar is voor het afgeven van certificaten aan de betrokken exploitanten overeenkomstig artikel 68 van Verordening (EU) 2018/1139, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden verleend om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen tot verdere verlenging van de geldigheidsduur van de in afdeling I van de bijlage bij deze verordening bedoelde certificaten. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(5). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(8)  Voorts, en dit in tegenstelling tot de situatie op de meeste andere gebieden van het Unierecht inzake goederen, heeft de ongeldigheid van certificaten geen gevolgen voor het in de handel brengen, maar wel voor het daadwerkelijke gebruik van luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken in de Unie, bijvoorbeeld bij de installatie van onderdelen en uitrustingsstukken in een luchtvaartuig van de Unie dat in de Unie wordt ingezet. Een dergelijk gebruik van luchtvaartproducten in de Unie mag niet door de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk worden belemmerd.

(9)  In het luchtvaartveiligheidssysteem van de Unie zijn de opleidingen voor piloten en technici streng gereguleerd en zijn de opleidingsmodules geharmoniseerd. Wie in één lidstaat deelneemt aan een opleidingsmodule kan niet altijd overstappen naar een andere lidstaat tijdens die opleidingsmodule. In de noodmaatregelen van de Unie moet met die specifieke situatie rekening worden gehouden.

(10)  De bepalingen van deze verordening dienen met spoed in werking te treden en in beginsel van toepassing te zijn met ingang van de dag na die waarop de Verdragen niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk, tenzij uiterlijk op die datum een terugtrekkingsakkoord met het Verenigd Koninkrijk in werking is getreden. Om er echter voor te zorgen dat de nodige administratieve procedures zo spoedig mogelijk kunnen worden uitgevoerd, dienen sommige bepalingen met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening van toepassing te zijn,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Deze verordening voorziet, in het licht van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ("het Verenigd Koninkrijk") uit de Europese Unie, in specifieke bepalingen voor bepaalde luchtvaartveiligheidscertificaten die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad(6) of uit hoofde van Verordening (EU) 2018/1139 worden afgegeven aan natuurlijke personen en rechtspersonen die hun hoofdkantoor in het Verenigd Koninkrijk hebben, alsmede voor bepaalde situaties met betrekking tot luchtvaartopleidingen.

2.  Deze verordening is van toepassing op de in de bijlage bij deze verordening vermelde certificaten die geldig zijn op de dag voorafgaand aan de datum van toepassing van deze verordening en die zijn afgegeven door :

a)  het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, ("het agentschap"), aan natuurlijke personen of rechtspersonen die hun hoofdkantoor in het Verenigd Koninkrijk hebben, zoals vermeld in afdeling 1 van de bijlage; of

b)  de natuurlijke of rechtspersonen die zijn gecertificeerd door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, zoals vermeld in afdeling 2 van de bijlage.

3.  Naast de in lid 2 vermelde certificaten is deze verordening van toepassing op de opleidingsmodules als bedoeld in artikel 5.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de overeenkomstige definities van Verordening (EU) 2018/1139 en de uit hoofde van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen.

Artikel 3

In artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde certificaten

De in artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde certificaten blijven geldig gedurende negen maanden na de datum van toepassing van deze verordening.

Indien meer tijd nodig is voor het afgeven van de in artikel 68 van Verordening (EU) 2018/1139 bedoelde certificaten aan de betrokken exploitanten, kan de Commissie bij gedelegeerde handelingen de in de eerste alinea van dit artikel bedoelde geldigheidsduur verlengen.

Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 4

In artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde certificaten

De in artikel 1, lid 2, onder b), bedoelde certificaten, betreffende het gebruik van producten, onderdelen en uitrustingsstukken, blijven geldig.

Artikel 5

Overdracht van opleidingsmodules

In afwijking van de Verordeningen (EU) nr. 1178/2011(7) en (EU) nr. 1321/2014(8) van de Commissie houden de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of het agentschap, naargelang het geval, rekening met de examens die vóór de datum van toepassing als bedoeld in artikel 10, lid 2, tweede alinea, van deze verordening zijn afgelegd maar die nog niet hebben geleid tot de afgifte van de vergunning bij opleidingsorganisaties die onder toezicht staan van de bevoegde autoriteit van het Verenigd Koninkrijk, alsof zij waren afgelegd bij een opleidingsorganisatie die onder toezicht staat van de bevoegde autoriteit van een lidstaat.

Artikel 6

Regels en verplichtingen ten aanzien van onder de artikelen 3 of 4 vallende certificaten

1.  Onder artikel 3 of artikel 4 van deze verordening vallende certificaten zijn onderworpen aan de regels die erop van toepassing zijn overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 en de uit hoofde van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen. Het agentschap beschikt over de bevoegdheden die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2018/1139 en de uit hoofde van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen en die betrekking hebben op entiteiten met een hoofdkantoor in een derde land.

2.  Op verzoek van het agentschap verstrekken de houders van de in artikel 3 bedoelde certificaten en de afgevers van de in artikel 4 bedoelde certificaten, een kopie van alle auditverslagen, bevindingen en corrigerende actieplannen die betrekking hebben op het certificaat en die zijn afgegeven in de drie jaren voorafgaande aan het verzoek. Indien die documenten niet zijn verstrekt binnen de door het agentschap in zijn verzoek vermelde termijn, kan het agentschap overgaan tot intrekking van het voordeel dat is verkregen uit hoofde van artikel 3 of artikel 4, naargelang het geval.

3.  Houders van de in artikel 3 bedoelde certificaten of afgevers van de in artikel 4 van deze verordening bedoelde certificaten stellen het agentschap onverwijld in kennis van enige actie van de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk die mogelijk strijdig is met hun verplichtingen krachtens deze verordening of Verordening (EU) 2018/1139.

Artikel 7

Bevoegde autoriteit

Voor de toepassing van deze verordening en met het oog op het toezicht op de houders en de afgevers van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde certificaten treedt het agentschap op als de bevoegde autoriteit voor entiteiten van derde landen in het kader van Verordening (EU) 2018/1139 en de uit hoofde van die verordening of van Verordening (EG) nr. 216/2008 vastgestelde uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen.

Artikel 8

Toepassing van Verordening (EU) nr. 319/2014 van de Commissie

Verordening (EU) nr. 319/2014 van de Commissie(9) voor de veiligheid van de luchtvaart is van toepassing op de natuurlijke personen en rechtspersonen die houder of afgever zijn van de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde certificaten, onder dezelfde voorwaarden als voor houders van de overeenkomstige certificaten die worden afgegeven aan natuurlijke personen en rechtspersonen van derde landen.

Artikel 9

Aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren

Het agentschap kan, in overeenstemming met artikel 76, lid 3, van Verordening (EU) 2018/1139, aanvaardbare wijzen van naleving en richtsnoeren voor de toepassing van deze verordening opstellen.

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

1.  Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Zij is van toepassing met ingang van de dag na die waarop de Verdragen overeenkomstig artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie niet meer van toepassing zijn op het Verenigd Koninkrijk.

Artikel 5 is evenwel van toepassing met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

3.  Deze verordening is niet van toepassing indien uiterlijk op de in lid 2, eerste alinea, van dit artikel bedoelde datum een overeenkomstig artikel 50, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie met het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord in werking is getreden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Lijst van in artikel 1 bedoelde certificaten

Afdeling 1: Certificaten die zijn afgegeven door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart ("het agentschap") aan natuurlijke of rechtspersonen die hun hoofdkantoor in het Verenigd Koninkrijk hebben, en voor luchtvaartuigen, als bedoeld in:

1.1.  Verordening (EU) van de Commissie nr. 748/2012(10), bijlage I, deel 21, afdeling A, subdeel B (typecertificaten en beperkte typecertificaten)

1.2.  Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, afdeling A, subdeel D (goedkeuring van wijzigingen aan de typecertificaten en beperkte typecertificaten)

1.3.  Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, afdeling A, subdeel E (aanvullende typecertificaten)

1.4.  Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, afdeling A, subdeel M (goedkeuring met betrekking tot reparaties)

1.5.  Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, afdeling A, subdeel O (ETSO-autorisaties)

1.6.  Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, deel 21, afdeling A, subdeel J (erkenningen als ontwerporganisatie)

Afdeling 2: Certificaten voor producten, onderdelen en uitrustingsstukken die zijn afgegeven door natuurlijke of rechtspersonen die zijn gecertificeerd door de bevoegde autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk, , als bedoeld in:

2.1.  Verordening (EU) nr. 748/2012, bijlage I, afdeling A, subdeel G, punt 21.A.163, onder c) (certificaten van vrijgave voor producten, onderdelen en uitrustingsstukken)

2.2.  Verordening (EU) nr. 1321/2014, bijlage II, deel 145, punt 145.A.75, onder e) (vrijgavecertificaten bij het voltooien van onderhoud)

2.3.  Verordening (EU) nr. 1321/2014, bijlage II, deel 145, punt 145.A.75, onder f) (certificaten van beoordeling van de luchtwaardigheid voor ELA1-luchtvaartuigen)

2.4.  Verordening (EU) nr. 1321/2014, bijlage I, deel M, afdeling A, subdeel F, punt M.A.615, onder d) (certificaten van vrijgave voor gebruik bij voltooiing van onderhoud)

2.5.  Verordening (EU) nr. 1321/2014, bijlage I, deel M, afdeling A, subdeel F, punt M.A.615, onder e) (certificaten van beoordeling van de luchtwaardigheid voor ELA1-luchtvaartuigen)

2.6.  Verordening (EU) nr. 1321/2014, bijlage I, deel M, afdeling A, subdeel G, punt M.A.711, onder a), 4, of onder b), 1 (certificaten van beoordeling van de luchtwaardigheid en verlengingen daarvan)

2.7.  Verordening (EU) nr. 1321/2014, bijlage I, deel-M, afdeling A, onderdeel H, punten M.A.801 onder b), 2 en 3 en onder c) (vrijgavecertificaten bij het voltooien van onderhoud).

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.
(2)Advies van 20 februari 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2019.
(4)Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1).
(5) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(6)Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1).
(7)Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).
(8)Verordening (EU) nr. 1321/2014 van de Commissie van 26 november 2014 betreffende de permanente luchtwaardigheid van luchtvaartuigen en luchtvaartproducten, -onderdelen en -uitrustingsstukken, en betreffende de goedkeuring van bij voornoemde taken betrokken organisaties en personen (PB L 362 van 17.12.2014, blz. 1).
(9)Verordening (EU) nr. 319/2014 van de Commissie van 27 maart 2014 inzake de vergoedingen en rechten die worden geheven door het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 593/2007 (PB L 95 van 28.3.2014, blz. 58).
(10) Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).


Samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan ***
PDF 121kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Islamitische Republiek Afghanistan, anderzijds (15093/2016 – C8-0107/2018 – 2015/0302(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0169A8-0026/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15093/2016),

–  gezien het ontwerp van samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Islamitische Republiek Afghanistan, anderzijds (05385/2015),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens de artikelen 207 en 209 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), en lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0107/2018),

–  gezien zijn niet-wetgevingsresolutie van 13 maart 2019(1) over het ontwerp van besluit,

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie buitenlandse zaken en het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking (A8-0026/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en de Islamitische Republiek Afghanistan.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0170.


Samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de EU en Afghanistan (resolutie)
PDF 200kWORD 67k
Niet-wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Unie, van de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Islamitische Republiek Afghanistan, anderzijds (15093/2016 – C8-0107/2018 – 2015/0302M(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0170A8-0058/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerpbesluit van de Raad (15093/2016),

–  gezien de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling tussen de Europese Unie en de lidstaten, enerzijds, en de Islamitische Republiek Afghanistan, anderzijds(1), ondertekend op 18 februari 2017 door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) Federica Mogherini,

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad op 6 februari 2018 heeft ingediend krachtens artikel 37 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en de artikelen 207, 209, 218, lid 6, onder a), tweede alinea, en artikel 218, lid 8, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (C8‑0107/2018),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 13 april 2019 over het voorstel voor een besluit van de Raad(2),

–  gezien de voorlopige toepassing van de delen van de samenwerkingsovereenkomst inzake partnerschap en ontwikkeling (CAPD) onder de exclusieve bevoegdheid van de EU sinds 1 december 2017,

–  gezien zijn resolutie van 13 juni 2013 over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Afghanistan(3),

–  gezien zijn eerdere resoluties over Afghanistan, met name die van 16 december 2010 over een nieuwe strategie voor Afghanistan(4), die van 15 december 2011 over de begrotingscontrole van financiële steun door de EU aan Afghanistan(5), die van 12 maart 2014 over de regionale rol van Pakistan en politieke betrekkingen met de EU(6), die van 8 oktober 2015 over de doodstraf(7), die van 26 november 2015 over Afghanistan, met name de moorden in de provincie Zabul(8), die van 28 april 2016 over aanvallen op ziekenhuizen en scholen (schendingen van het internationaal humanitair recht)(9), die van 5 april 2017 over de aanpak van de vluchtelingen- en migrantenbewegingen: de rol van het externe optreden van de EU(10), die van 13 september 2017 over de politieke betrekkingen van de EU met India(11), en die van 14 december 2017 over de situatie in Afghanistan(12),

–  gezien de conclusies van de Raad van 19 november 2018 en van 16 oktober 2017 over Afghanistan,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de VV/HV en de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 24 juli 2017 getiteld "Bouwstenen voor een EU-strategie ten aanzien van Afghanistan" (JOIN(2017)0031),

–  gezien het meerjarige indicatieve programma voor Afghanistan voor de periode 2014‑2020 in het kader van het financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking van de Unie,

–  gezien de EU-routekaart per land 2018-2020 voor samenwerking met het maatschappelijk middenveld in Afghanistan,

—  gezien de beëindiging van de politiemissie van de Europese Unie in Afghanistan (EUPOL Afghanistan) in 2016,

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN van 10 september 2018 over de situatie in Afghanistan en de implicaties hiervan voor de internationale vrede en veiligheid,

—  gezien de "Gezamenlijke koersbepaling van de EU en Afghanistan inzake migratie" van 2 oktober 2016,

—  gezien resoluties 2210 (2015) en 2344 (2017) van de VN-Veiligheidsraad en het mandaat van de VN-bijstandsmissie in Afghanistan (Unama),

–  gezien het verslag van de speciale VN-rapporteur voor de mensenrechten van intern ontheemden van 12 april 2017 over zijn bezoek aan Afghanistan,

–  gezien het verzoek van 3 november 2017 van Fatou Bensouda, hoofdaanklager bij het Internationaal Strafhof, om een onderzoek in te stellen naar de oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid die sinds 1 mei 2003 in Afghanistan gepleegd zouden zijn,

–  gezien het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien de ministeriële conferentie over Afghanistan van 27 en 28 november 2018 in Genève,

—  gezien de resultaten van de internationale conferentie over Afghanistan, die op 5 oktober 2016 in Brussel is gehouden onder medevoorzitterschap van de Europese Unie, en de wederzijdse verbintenissen die zijn gedaan tijdens de internationale conferenties over Afghanistan in Bonn op 5 december 2011, in Tokio op 8 juli 2012 en in Londen op 4 december 2014,

–  gezien de conferentie over Afghanistan van 26 en 27 maart in Tasjkent,

—  gezien het "Hart van Azië"-proces dat gelanceerd is in Istanbul op 2 November 2011,

—  gezien de Verklaring van Kabul van 22 december 2002 over goede nabuurschapsbetrekkingen,

–  gezien de Internationale strijdmacht voor bijstand aan de veiligheid (ISAF) van de VN, onder leiding van NAVO (2003-2014), en de conclusies van de NAVO-top die op 24 en 25 mei 2017 in Brussel werd gehouden, met betrekking tot het voortzetten van haar missie "Resolute Support" (opleiding, advies en bijstand) (2014 tot heden),

–  gezien het plan voor humanitaire hulp van Afghanistan (2018-2021),

–  gezien het kader voor zelfredzaamheid door wederzijdse verantwoording (SMAF), overeengekomen tijdens de conferentie in Brussel over Afghanistan van 4 en 5 oktober 2016,

–  gezien artikel 99, lid 2, van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken, het advies van de Commissie ontwikkelingssamenwerking en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie internationale handel (A8-0058/2019),

A.  overwegende dat de Raad op 10 november 2011 een besluit heeft aangenomen tot machtiging van de Commissie tot het voeren van onderhandelingen voor een CAPD tussen de Europese Unie en de Islamitische Republiek Afghanistan(13); overwegende dat de CAPD vanaf 1 december 2017 reeds voorlopig en gedeeltelijk wordt toegepast, voordat het Europees Parlement hiertoe zijn goedkeuring heeft verleend;

B.  overwegende dat de VV/HV en de Commissie op 13 januari 2016 het gezamenlijke voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de sluiting van de CAPD aan de Raad hebben voorgesteld als een overeenkomst tussen de Europese Unie en Afghanistan (een uitsluitend de EU betreffende overeenkomst);

C.  overwegende dat de lidstaten weliswaar akkoord gaan met de essentie van de CAPD, maar dat ze hun voorkeur hebben uitgesproken voor een "gemengde" overeenkomst met voorlopige toepassing; overwegende dat ze de Commissie en de VV/HV daarom hebben gevraagd de voorstellen in die zin te herzien, om rekening te houden met de gemengde en voorlopige toepassing;

D.  overwegende dat de CAPD op 18 februari 2017 is ondertekend;

E.  overwegende dat de CAPD de grondslag zal vormen van de betrekkingen tussen de EU en Afghanistan voor de volgende tien jaar, en automatisch telkens voor vijf jaar zou kunnen worden verlengd;

F.  overwegende dat het Parlement tijdens de onderhandelingen gedeeltelijk maar niet volledig op de hoogte werd gehouden; overwegende dat het Parlement de onderhandelingsrichtsnoeren voor de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) van de Raad pas op 16 maart 2018 heeft ontvangen in plaats van in november 2011 toen het Parlement op de hoogte werd gesteld van het besluit om de onderhandelingen van start te laten gaan;

G.  overwegende dat dit rechtskader voortbouwt op de huidige EU-strategie ten aanzien van Afghanistan en op de ruime externe financieringsbijstand van de EU;

H.  overwegende dat de CAPD de eerste contractuele verbintenis tussen de EU en Afghanistan zal zijn, die een bevestiging vormt van de EU-inzet voor de toekomstige ontwikkeling van Afghanistan tijdens het "decennium voor verandering" (2014-2024), en de historische, politieke en economische banden tussen de twee partijen versterkt;

I.  overwegende dat de CAPD de beginselen en voorwaarden weergeeft waarop het toekomstige partnerschap tussen de EU en Afghanistan gegrondvest zal zijn (de titels I en II), met onder meer de mensenrechtenbepalingen en de belangrijke bepalingen over de non-proliferatie van massavernietigingswapens; overwegende dat de CAPD voorziet in de mogelijkheid van samenwerking op velerlei gebieden, onder meer ontwikkeling (titel III), handel en investeringen (titel IV), justitie en de rechtsstaat (titel V), met inbegrip van de strijd tegen de georganiseerde misdaad, witwassen van geld en drugshandel, samenwerking inzake migratie en een mogelijke overnameovereenkomst in de toekomst, evenals sectorale samenwerking (titel VI);

J.  overwegende dat de CAPD de EU en Afghanistan ook in staat zal stellen om gezamenlijk wereldwijde uitdagingen aan te pakken, zoals nucleaire veiligheid, non-proliferatie en klimaatverandering;

K.  overwegende dat Afghanistan op een cruciaal punt staat, wat betekent dat, als er geen verdere inspanningen komen, het gevaar bestaat dat alle inzet, voortgang en opoffering ten voordele van de ontwikkeling van Afghanistan verloren zullen gaan;

L.  overwegende dat de opkomst van de terreurdreiging van de met Da'esh gelinkte groep die bekend staat als Islamitische Staat-Khorasan (IS-KP), fors heeft bijgedragen tot de verdere verslechtering van de veiligheidssituatie; overwegende dat de Afghaanse overheid sinds mei 2018 56 % van de provincies van Afghanistan in handen heeft, evenals 56 % van het grondgebied met 65 % van de bevolking en dat daarnaast nog wordt gestreden om 32 % van de provincies en dat 12 % in handen is van opstandelingen(14),(15);

M.  overwegende dat de Europese Unie en haar lidstaten sinds 2002 samen de grootste internationale donor voor Afghanistan en de Afghaanse bevolking vormden, en meer dan 3,66 miljard euro aan ontwikkelings- en humanitaire hulp hebben verstrekt; overwegende dat volgens het meerjarige indicatieve programma voor Afghanistan (2014-2020) voor de periode 2014-2020 nieuwe financiering voor ontwikkeling wordt toegewezen voor een bedrag van 1,4 miljard EUR; overwegende dat het bbp van Afghanistan momenteel 20 miljard USD bedraagt en dat het groeipercentage sinds 2014 is gedaald; overwegende dat de Afghaanse economie nog altijd voor een aantal uitdagingen gesteld wordt, onder meer corruptie, lage belastinginning, slechte infrastructuur en een zwakke banencreatie;

N.  overwegende dat sinds 2001 tal van EU-lidstaten, NAVO-partners en bondgenoten met militaire en civiele middelen hebben bijgedragen aan de stabilisering en ontwikkeling van Afghanistan, en dat daarbij doden en zwaar gewonden zijn gevallen; overwegende dat een stabiel en onafhankelijk Afghanistan dat voor zichzelf kan zorgen en geen toevluchtsoord meer wil zijn voor terroristische groeperingen nog altijd van het grootste belang is voor de veiligheid van de NAVO, de EU en haar lidstaten; overwegende dat er zich nog steeds meer dan 3 000 militairen uit de lidstaten van de EU in Afghanistan bevinden waar zij deelnemen aan de NAVO-operatie "Resolute Support";

O.  overwegende dat er 2,5 miljoen vluchtelingen geregistreerd staan en dat tussen 2 en 3 miljoen Afghanen zonder papieren zich in Iran en Pakistan bevinden; overwegende dat er in Afghanistan als gevolg van het conflict meer dan 2 miljoen intern ontheemden zijn, van wie meer dan 300 000 in 2018 ontheemd raakten; overwegende dat veel van die mensen geen voedselzekerheid of fatsoenlijk onderdak hebben, dat ze onvoldoende toegang hebben tot sanitaire en gezondheidsvoorzieningen en dat ze niet worden beschermd, en overwegende dat het in veel gevallen gaat om kinderen die zijn aangemerkt als bijzonder kwetsbaar voor het risico op kinderarbeid, seksueel misbruik of mogelijke rekrutering door criminele groeperingen; overwegende dat sinds begin 2018 meer dan 450 000 Afghaanse burgers uit Iran zijn teruggekeerd of weggevoerd; overwegende dat de Pakistaanse regering heeft aangekondigd dat de 1,7 miljoen Afghaanse vluchtelingen die in dat land geregistreerd zijn, gedwongen naar Afghanistan zullen moeten terugkeren;

P.  overwegende dat de corruptie in Afghanistan volgens de VN de legitimiteit van de staat ondergraaft en een ernstige bedreiging vormt voor goed bestuur en duurzame ontwikkeling omdat hierdoor wordt verhinderd dat er een "echte" economie op gang komt;

Q.  overwegende dat Afghanistan een door land omsloten laaginkomensland is dat kampt met de nasleep van een conflict, en daardoor de internationale gemeenschap en haar instellingen voor bijzondere uitdagingen stelt;

R.  overwegende dat Afghanistan, volgens de Global Adaptation Index, een van de kwetsbaarste landen voor klimaatverandering ter wereld is;

S.  overwegende dat nieuwe dreigingen en internationale crises in de lucht hangen en dat het publiek daardoor de situatie in Afghanistan uit het oog verliest en er niet langer steun en bezorgdheid aan wijdt;

T.  overwegende dat naar schatting 87 % van de Afghaanse vrouwen gebukt gaat onder gendergerelateerd geweld; overwegende dat Afghanistan in de gendergelijkheidsindex van de VN van 2017 op de 153e plaats staat, op een totaal van 159 landen;

U.  overwegende dat de opiumteelt in Afghanistan in 2017 floreerde als ooit tevoren, met een toename van 63 % ten opzichte van 2016; overwegende dat de opiummokkel instabiliteit en opstanden aanwakkert en terroristische groeperingen in Afghanistan van meer geld voorziet;

V.  overwegende dat de Afghaanse begroting van 2018 voor het eerst voldoet aan internationale normen voor prognoses en boekhouding;

W.  overwegende dat de politiemissie van de EU in Afghanistan in 2016 na negen jaar vooruitgang werd beëindigd;

Politiek-strategische aspecten

1.  blijft zich inzetten voor de ondersteuning van de Afghaanse overheid in haar inspanningen om een veilige, bestendige toekomst op te bouwen voor het Afghaanse volk door belangrijke hervormingen door te voeren om het bestuur en de rechtsstaat te verbeteren, terrorisme en extremisme te bestrijden, duurzame vrede en ontwikkeling te bewerkstelligen, legitieme, democratische instellingen op te bouwen, de weerbaarheid ten aanzien van de nationale en regionale veiligheidsvraagstukken te vergroten, de naleving van de mensenrechten, inclusief de rechten van de vrouw en van etnische en religieuze minderheden, te waarborgen, corruptie te bestrijden, een eind te maken aan de productie van verdovende middelen, een duurzamer begrotingsbeleid te voeren en inclusieve en duurzame economische groei en maatschappelijke en plattelandsontwikkeling te stimuleren, teneinde jongeren, die twee derde van de bevolking uitmaken, een betere toekomst te bieden; benadrukt dat een vreedzame oplossing van het conflict in Afghanistan nodig is en dat alle inspanningen op die uiterst dringende doelstelling gericht moeten zijn;

2.  onderstreept dat de ontwikkeling van Afghanistan op lange termijn zal afhangen van de verantwoordingsplicht, behoorlijk bestuur, het bieden van duurzame bescherming aan de bevolking, inclusief de uitbanning van armoede en het scheppen van banen, toegang tot maatschappelijke dienstverlening en gezondheidszorg, onderwijs en de bescherming van fundamentele vrijheden en mensenrechten, met inbegrip van de rechten van vrouwen en minderheden; benadrukt de noodzaak om te besturen op een manier die duurzame en inclusieve economische groei waarborgt, evenals gunstige voorwaarden voor buitenlandse investeringen ten behoeve van de Afghaanse bevolking, met volledige naleving van de sociale, milieu- en arbeidsnormen;

3.  is bezorgd over de kwetsbaarheid en de instabiliteit van de centrale overheid en het gebrek aan controle in een groot deel van het land, waardoor de impact van het conflict op de burgerbevolking wordt verergerd; vraagt de EU en de internationale gemeenschap bemiddeling te bevorderen bijvoorbeeld bij vraagstukken die na de verkiezingen onopgelost zijn gebleven;

4.  verzoekt de EU om te helpen bij inspanningen ter bestrijding van de langdurige spanningen tussen etnische groepen die bijdragen tot de afbrokkeling van het centrale gezag en om de rijke multi-etnische samenstelling van de Afghaanse samenleving te ondersteunen;

5.  benadrukt zijn steun op lange termijn voor geloofwaardige, eerlijke en transparante verkiezingen volgens de internationale normen en drukt zijn steun uit voor EU-verkiezingswaarneming in het land, inclusief waarneming van de presidentsverkiezing in 2019; Benadrukt dat ten gevolge van de chronische politieke rivaliteit de resultaten van deze verkiezing een enorme invloed zullen hebben op de toekomstige stabiliteit van de Afghaanse regering;

6.  wijst uitdrukkelijk op het enorme economische potentieel van het land dat het te danken heeft aan zijn geografische ligging en zijn menselijke en natuurlijke hulpbronnen;

7.  onderstreept dat de EU forse financiële en politieke steun verleent voor de sociale en economische ontwikkeling van Afghanistan, humanitaire hulp en regionale connectiviteit; dringt aan op verdere inspanningen voor een gezamenlijke programmering van de EU en de lidstaten;

8.  benadrukt in dit opzicht de behoefte aan een sterkere beleidscoördinatie en dialoog tussen de EU en de VS over Afghanistan en regionale kwesties;

9.  is ingenomen met het gezamenlijke communiqué dat werd aangenomen op de door de VN georganiseerde ministeriële conferentie over Afghanistan die op 27 en 28 november 2018 plaatsvond in Genève, in het licht van de toezeggingen die werden gedaan tijdens de conferentie in Brussel over Afghanistan in 2016;

Rol en verantwoordelijkheid van regionale actoren

10.  herinnert eraan dat Afghanistan door land wordt omgeven en op het kruispunt van Azië en het Midden-Oosten ligt, en erkent dat steun en positieve samenwerking van buurlanden en regionale mogendheden, in het bijzonder China, Iran, India, Rusland en Pakistan, van het grootste belang zijn voor de stabilisering, ontwikkeling en economische levensvatbaarheid van Afghanistan; betreurt dat een stabiel, succesvol Afghanistan voor deze regionale actoren niet altijd het einddoel is, en benadrukt de cruciale rol die deze landen spelen in het vredesproces; roept buurlanden op de Afghaanse export in de toekomst niet te blokkeren, zoals in het verleden is gebeurd;

11.  beklemtoont dat de mobiliteit en onophoudelijke activiteit van terreurnetwerken die actief zijn in Afghanistan en ook in Pakistan bijdragen tot de instabiele situatie in de gehele regio;

12.  wijst erop dat Afghanistan vaak verscheurd wordt door regionale mogendheden die conflicterende doelstellingen hebben; spoort deze regionale mogendheden aan de vredesinspanningen in Afghanistan ten volle te steunen; steunt regionale samenwerkingsfora, maar is bezorgd over de parallelle indirecte inmenging van enkele buurlanden van Afghanistan in het conflict, wat de vredesinspanningen ondermijnt; dringt er bij deze buurlanden op aan geen derden te betrekken bij hun rivaliteit in Afghanistan en spoort zowel buurlanden als regionale mogendheden aan ten volle samen te werken teneinde in Afghanistan een langdurige en duurzame vrede te bewerkstelligen;

13.  spoort de EU aan haar inspanningen voor dialoog en samenwerking met de regionale partners te verhogen om drugsmokkel, witwassen van geld, terrorismefinanciering en mensensmokkel te bestrijden;

14.  benadrukt het cruciale belang van infrastructuur en regionale ontwikkeling in Afghanistan voor de verbetering van de handel en connectiviteit tussen de landen van Centraal- en Zuid-Azië en als een stabiliserende factor in de regio;

15.  verzoekt de EU in haar strategieën voor Centraal- en Zuid-Azië overwegingen over de samenwerking tussen de EU en Afghanistan op te nemen;

Veiligheid en vredesopbouw

16.  blijft uiterst bezorgd over de voortdurende verslechtering van de veiligheidssituatie in Afghanistan en over de groeiende terreinwinst van de talibanmilitanten en diverse terroristische groeperingen zoals IS-KP, die aanzienlijk versterkt lijken te worden door de aanwezigheid van buitenlandse strijders; veroordeelt door deze groeperingen gepleegde aanvallen op Afghaanse burgers, veiligheidstroepen, instellingen en het maatschappelijk middenveld met klem; schaart zich andermaal volledig achter de bestrijding van alle vormen van terrorisme en drukt haar dankbaarheid uit aan alle coalities en de Afghaanse troepen en burgers die de hoogste prijs hebben betaald voor een democratisch, inclusief, welvarend, veilig en stabiel Afghanistan; merkt op dat meer dan de helft van de aanvallen die in 2018 tegen de regering gericht waren, werden toegeschreven aan IS-KP, die als doel heeft het verzoenings- en vredesproces te verstoren en te laten ontsporen; merkt bezorgd op dat de huidige jihadistische organisaties, IS-KP, Al Qaida en hun diverse dochterorganisaties, erin geslaagd zijn zich aan te passen en vaste voet aan de grond te krijgen zodat ze nu een grote bedreiging vormen voor de veiligheid van Afghanistan, de regio en Europa;

17.  benadrukt voortdurende steun van de EU voor een inclusief vredes- en verzoeningsproces onder leiding van en gestuurd door Afghanistan zelf, met inbegrip van de uitvoering van het met Hezb-e-Islami overeengekomen vredesakkoord; is bereid hieraan een bijdrage te leveren met alle EU-instrumenten zodra er een betekenisvol vredesproces op gang is gekomen; dringt er bij de taliban op aan het geweld af te zweren, deel te nemen aan het vredesproces en de Afghaanse grondwet te aanvaarden; onderstreept zijn steun voor het uitgebreide vredesaanbod dat de regering herhaaldelijk aan de taliban heeft gedaan; dringt erop aan dat het maatschappelijk middenveld volledig wordt betrokken bij die onderhandelingen; erkent dat het vraagstuk van een gecombineerde militaire aanwezigheid op de lange termijn aan de orde moet worden gesteld om de Afghaanse veiligheidsdiensten bij te staan bij hun inspanningen om het land te stabiliseren en te voorkomen dat het opnieuw een toevluchtsoord voor terroristische groeperingen en een bron van regionale instabiliteit wordt; roept alle bij het conflict betrokken partijen op het internationaal humanitair recht te eerbiedigen;

18.  is verheugd over de eerste bestandsperiode sinds 2001, Eid al-Fitr, die aantoont dat er bij de Afghanen een wijdverspreid verlangen naar vrede leeft; dringt er bij de taliban op aan om in te gaan op de oproepen van de Afghaanse president om een nieuwe bestandsperiode te laten ingaan;

19.  wijst erop dat veertig jaar oorlog en conflict, te beginnen met de invasie van Afghanistan door de Sovjet-Unie in 1979, heeft geleid tot veel van de onopgeloste problemen waarmee Afghanistan nu wordt geconfronteerd; erkent in dit verband de rol van jongeren en van de Afghaanse diaspora bij de opbouw van een veiligere en betere toekomst voor het land; vraagt de EU steun te verlenen aan overgangsjustitie voor de slachtoffers van het geweld;

20.  merkt op dat de Unie, na de beëindiging in december 2016 van de gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid-missie EUPOL Afghanistan, waarbij speciale opleiding en advies werden verstrekt aan de Afghaanse staatspolitie en het ministerie van Binnenlandse Zaken, de samenwerking met de Afghaanse politie heeft voortgezet via de externe instrumenten van de EU, zoals het instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede (IcSP) waarmee ook verzoeningsmaatregelen worden gefinancierd;

21.  merkt op dat de ISAF-missie erin geslaagd is de Afghaanse nationale veiligheidstroepen van de grond af op te bouwen tot een bekwame troepenmacht van 352 000 soldaten en politieagenten, met infanterie, militaire politie, een inlichtingendienst, controle van wegen om ze vrij te maken van geïmproviseerde explosieven, capaciteiten op medisch, logistiek en luchtvaartgebied, en dat zij er op die manier in geslaagd is de invloed van opstandelingen in het land te bestrijden;

22.  merkt op dat ISAF een veilige omgeving voor beter bestuur en sterkere economische ontwikkeling tot stand heeft gebracht, die heeft geleid tot de grootste procentuele toename van basisvoorzieningen voor de gezondheidszorg en andere ontwikkelingsindicatoren in eender welk land; merkt op dat het succes van ISAF ook heeft geleid tot de opkomst van levendige media en dat miljoenen Afghanen nu hun stemrecht uitoefenen;

23.  moedigt de "Resolute Support"-missie van de NAVO verder aan om het Afghaanse leger te blijven opleiden en superviseren; moedigt de lidstaten aan om de nationale en lokale overheden van Afghanistan opleidingen aan te bieden over civiel crisisbeheer;

24.  spoort de NAVO en de EU aan om samen te werken bij het verzamelen van inlichtingen over opstandelingengroepen die Afghanistan bedreigen en de beleidsaanbevelingen aan de Afghaanse veiligheidstroepen gezamenlijk te coördineren;

25.  betreurt ten zeerste dat de taliban en andere opstandelingengroepen de aanwezigheid van de EU en de internationale gemeenschap in Afghanistan en de door hen gerealiseerde ontwikkeling, voor propagandadoeleinden gebruiken in een discours waarin wordt gesteld dat buitenlandse bezettingsmachten Afghanistan in hun greep houden en de Afghaanse manier van leven willen vernietigen; spoort de EU en de Afghaanse regering aan dergelijke propaganda tegen te gaan;

26.  onderstreept het feit dat de bestrijding van terrorismefinanciering van cruciaal belang is om in Afghanistan een veiligheidsbevorderend klimaat te scheppen; dringt er bij alle betrokken partners op aan meer inspanningen te leveren voor de ontmanteling van alle netwerken die terrorisme financieren, en onder meer het misbruik van hawalanetwerken en internationale donaties hiervoor te beëindigen, teneinde radicalisering, extremisme en de rekruteringsmethoden die Afghaanse terroristische organisaties nog steeds hanteren te bestrijden;

27.  spoort de Afghaanse regering aan alle nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de preventie en bestrijding van de verspreiding van extremistische ideologieën de hoogste prioriteit krijgen;

28.  steunt het Afghaanse programma voor vrede en herintegratie, aan de hand waarvan talibanleden die zich overgeven en geweld afzweren opnieuw in de samenleving worden opgenomen; prijst het VK omdat dit hieraan reeds meer dan 9 miljoen GBP heeft bijgedragen;

29.  verzoekt de regering van Afghanistan de resoluties over vrouwen, vrede en veiligheid van de VN-Veiligheidsraad volledig ten uitvoer te leggen en te garanderen dat vrouwen inspraak hebben, bescherming genieten en rechten kunnen uitoefenen tijdens de gehele conflictcyclus, van conflictpreventie tot de wederopbouw na afloop van het conflict;

30.  spoort de Afghaanse overheid aan effectieve chemische, biologische, radiologische en nucleaire (CBRN) afweermiddelen uit te werken; dringt er bij de EU op aan operationele, technische en financiële steun te verlenen voor de CBRN-capaciteitsopbouw;

31.  moedigt de Afghaanse overheid aan haar binnenlandse controlesystemen voor de bestrijding van de verspreiding van handvuurwapens en lichte wapens (SALW) te versterken in overeenstemming met de bestaande internationale normen;

Staatsopbouw

32.  benadrukt dat het voor de Afghaanse overheid en de internationale gemeenschap noodzakelijk is om zich krachtiger in te zetten teneinde een einde te maken aan de corruptie in het land, om responsieve en inclusieve instellingen te versterken en het lokaal bestuur te verbeteren aangezien dit allemaal cruciale stappen zijn voor de opbouw van een stabiele en legitieme staat die conflicten en opstanden kan voorkomen; roept de Afghaanse regering op de nationale capaciteit om gestolen activa terug te vorderen te verhogen via programma's als het Stolen Asset Recovery Initiative van de Wereldbankgroep en het VN-Bureau voor drugs- en misdaadbestrijding (UNODC);

33.  verzoekt de regering van Afghanistan de politieke inclusiviteit te versterken, de verantwoordingsplicht te vergroten en corruptie actief te bestrijden;

34.  beklemtoont dat de kloof tussen de nationale en lokale overheden van Afghanistan moet worden gedicht; erkent dat dit probleem mogelijk kan worden verzacht als de regering van Afghanistan het statuut afdwingt waarbij regionale bestuurders zich moeten vestigen in de regio's die zij vertegenwoordigen;

35.  verzoekt de EU ervoor te zorgen dat de EU-middelen worden geïnvesteerd in projecten die de Afghaanse bevolking helpen, en dat passende ondersteuning wordt geboden aan gemeenten bij de verlening van essentiële diensten en het opbouwen van lokaal bestuur teneinde een basislevensstandaard voor de bevolking te garanderen, de coördinatie tussen centrale autoriteiten en lokale gemeenten te garanderen teneinde de prioriteiten waarin geïnvesteerd moet worden, te identificeren, de steun aan het maatschappelijk middenveld, met name mensenrechtenactivisten, te vergroten, en in het bijzonder prioriteit te verlenen aan de financiering voor projecten die actoren steunen die verantwoordingsplicht, mensenrechten en democratische beginselen bevorderen en die een lokaal ingebedde dialoog en regelingen voor geschillenbeslechting aanmoedigen;

36.  roept de EU op om haar afbouwplan sinds de beëindiging van de EUPOL-missie voort te zetten, om onder andere een duurzame overgang van de activiteiten naar de lokale en internationale partners van EUPOL te verzekeren; spoort alle partijen aan om hun inspanningen voort te zetten om de Afghaanse nationale politie om te vormen tot een professionele politiemacht die bescherming en veiligheid biedt, om alle wetshandhavingsinstellingen te versterken, met een bijzondere nadruk op de onafhankelijkheid van het rechtsstelsel, om de toestand in de Afghaanse gevangenissen te verbeteren en om de rechten van gevangenen te eerbiedigen;

37.  betreurt dat drugsbestrijdingscampagnes in Afghanistan steevast mislukken en dat er onvoldoende inspanningen zijn gedaan om de drugslaboratoria van de taliban en internationale criminele netwerken, die het hart van de drugshandel vormen en die financiering verschaffen aan de taliban en aan terreuroperaties, aan te pakken; steunt en onderschrijft de nieuwe drugsbestrijdingsstrategie van de Afghaanse overheid, die ook wordt gesteund door het UNODC; maakt zich zorgen over de toename van de opiumteelt in Afghanistan(16) en vraagt de regering van Afghanistan om beleidsmaatregelen toe te passen om deze trend te keren; merkt op dat het van cruciaal belang is om haalbare en duurzame alternatieven voor de papaverproductie te vinden en deze aan de producenten ervan aan te bieden;

38.  onderstreept dat de voornaamste inkomstenbronnen van de taliban illegale mijnbouw en de opiumproductie zijn; merkt op dat de taliban volgens recente ramingen jaarlijks 200 tot 300 miljoen EUR verdienen aan illegale mijnbouw;

39.  roept op tot de invoering van passende controles en waarborgen en verhoogde transparantie om de doeltreffendheid van het openbaar bestuur, inclusief financieel beheer en de preventie van enig misbruik van buitenlandse of ontwikkelingshulp, te verzekeren in lijn met de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van ontwikkelingshulp;

40.  is verheugd over het feit dat de EU in 2016 een overeenkomst voor staatsopbouw met Afghanistan (State Building Contract - SBC) heeft ondertekend, waarbij gedurende een periode van twee jaar 200 miljoen EUR aan begrotingssteun wordt toegewezen om overheidsinstellingen te versterken en de middelen voor ontwikkelingsprioriteiten, zoals het stimuleren van de economische groei, het terugdringen van de armoede en de bestrijding van corruptie, te verhogen; benadrukt dat de middelen doeltreffend moeten worden gebruikt;

41.  merkt op dat de SBC steunt op een in het algemeen positieve beoordeling van de voortgang die Afghanistan heeft geboekt op belangrijke hervormingsgebieden; erkent het belang van de SBC in het kader van de vaststelling van de doelstellingen en de voorwaarden voor financiering; benadrukt voorts het belang van toezicht en systematische monitoring om misbruik te voorkomen: onderstreept dat de Afghaanse regering de nadruk moet leggen op ontwikkeling en stabiliteit; roept de Commissie op het Parlement regelmatig op de hoogte te brengen van de uitvoering van de SBC en benadrukt dat haar bevindingen in dit verband moeten worden gebruikt om de voortzetting van de activiteiten op het gebied van begrotingssteun voor de periode 2018‑2021 voor te bereiden;

Maatschappelijke organisaties en mensenrechten

42.  is ingenomen met het feit dat de CAPD tussen de EU en Afghanistan de nadruk legt op de dialoog over mensenrechtenkwesties, inclusief de rechten van vrouwen, kinderen, en etnische en religieuze minderheden, teneinde de toegang tot middelen te waarborgen en de volledige uitoefening van hun grondrechten te ondersteunen, onder meer door meer vrouwen in dienst te nemen bij de Afghaanse overheidsinstanties, alsook bij de veiligheids- en gerechtelijke diensten; verzoekt Afghanistan werk te maken van de uitbanning van alle vormen van geweld tegen en de discriminatie van vrouwen en meisjes; benadrukt dat meer moet worden gedaan om de in titel I en titel II opgenomen CAPD-bepalingen uit te voeren;

43.  benadrukt dat de EU standvastig moet blijven wat betreft de tenuitvoerlegging van de mensenrechten en dat democratische beginselen, mensenrechten, in het bijzonder de rechten van vrouwen en minderheden, en de rechtsstaat essentiële onderdelen van de overeenkomst vormen; herhaalt nogmaals dat de EU specifieke maatregelen moet nemen indien de regering van Afghanistan essentiële onderdelen van de overeenkomst schendt;

44.  herinnert eraan dat de EU zich voornamelijk richt op de verbetering van de omstandigheden van vrouwen, kinderen, mensen met een handicap en mensen in armoede en dat deze groepen een bijzondere behoefte hebben aan hulp, inclusief op het gebied van gezondheid en onderwijs;

45.  is ingenomen met de zeer prominente plek die gendergelijkheid en verwante beleidsmaatregelen in de overeenkomst innemen en de sterke focus in de overeenkomst op de ontwikkeling van het maatschappelijk middenveld; roept de EU op om gelijkheid tussen vrouwen en mannen en de empowerment van vrouwen verder te bevorderen met behulp van haar inspanningen op het gebied van ontwikkelingshulp, rekening houdend met het feit dat om de maatschappelijke houding tegenover de sociaaleconomische rol van vrouwen te veranderen overeenkomstige maatregelen moeten worden genomen op het gebied van bewustmaking, onderwijs en de hervorming van het regelgevingskader;

46.  beklemtoont dat etnische en religieuze minderheden die worden bedreigd of aangevallen, moeten worden beschermd; merkt op dat de etnische groep van de sjiitische Hazara's vaker een doelwit vormt dan andere groepen en daarom bijzondere aandacht verdient;

47.  pleit voor de versterking en ondersteuning van nationale en regionale mensenrechteninstellingen, maatschappelijke organisaties en de academische wereld in Afghanistan; dringt er bij zijn internationale tegenhangers op aan om nauwere samenwerking en contacten met deze Afghaanse partners aan te moedigen;

48.  steunt de inspanningen van het Internationaal Strafhof om mensen rekenschap te laten afleggen voor de oorlogsmisdaden en misdaden tegen de mensheid die sinds mei 2003 in Afghanistan gepleegd zouden zijn;

49.  is bezorgd over het groeiende aantal gewelddadigere en doelbewustere aanvallen op gezondheidszorgvoorzieningen en gezondheidswerkers, en over de aanvallen op burgerinfrastructuur; dringt er bij alle partijen op aan dat zij hun verplichtingen in het kader van het internationaal recht inzake de mensenrechten en het internationaal humanitair recht nakomen, teneinde aanvallen tegen burgers en burgerinfrastructuur te voorkomen;

50.  verzoekt de Afghaanse regering om een onmiddellijk moratorium in te stellen op de toepassing van de doodstraf, en dit te beschouwen als een stap in de richting van volledige afschaffing;

Ontwikkeling en handel

51.  erkent dat het einddoel van de EU-hulp aan Afghanistan is de armoede uit te bannen en de overheid en de economie van het land te helpen ontwikkelen tot een staat van onafhankelijkheid en groei met interne ontwikkeling en regionale samenwerking via buitenlandse handel en duurzame overheidsinvesteringen, teneinde de overmatige afhankelijkheid van buitenlandse hulp te verminderen, door bij te dragen aan de sociale, economische en milieuontwikkeling van Afghanistan;

52.  merkt op dat Afghanistan een van de landen ter wereld is die de meeste ontwikkelingssteun ontvangen en dat de EU‑instellingen tussen 2002 en 2016, 3,6 miljard euro aan steun voor dit land hebben vastgelegd; betreurt het feit dat het deel van de Afghaanse bevolking dat in armoede leeft, van 38 % (2012) tot 55 % (2017) is gestegen en benadrukt het feit dat het land sinds 2014 te maken heeft met een langzame groei door de geleidelijke terugtrekking van de internationale veiligheidstroepen, de daarmee gepaard gaande verlagingen van internationale subsidies, en de verslechterende veiligheidssituatie;

53.  beklemtoont dat de hoge werkloosheid moet worden aangepakt en dat de armoede moet worden bestreden zodat er kan worden gewerkt aan vrede en stabiliteit in het land;

54.  beklemtoont dat meer banen buiten de landbouw en de overheid nodig zijn om te voorkomen dat jonge mannen worden gerekruteerd door de taliban en andere opstandelingennetwerken;

55.  is verheugd over het Afghaans Nationaal Vredes- en Ontwikkelingskader uit 2016 (ANPDF) en het Kader voor zelfredzaamheid door wederzijdse verantwoording (SMAF) die zijn aangenomen door de Afghaanse regering; roept de EU en haar lidstaten op om, door middel van de CAPD, de door het land zelf gevolgde ontwikkelingsprioriteiten te blijven ondersteunen overeenkomstig de beginselen inzake de doeltreffendheid van ontwikkelingssamenwerking;

56.  verzoekt de VV/HV en de Commissie om alle maatregelen van de EU in Afghanistan regelmatig te beoordelen aan de hand van expliciete kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, met name in verband met ontwikkelingshulp, goed bestuur, onder meer justitie, eerbiediging van de mensenrechten en veiligheid; vraagt in dit verband ook om een beoordeling van de relatieve effecten van deze EU-maatregelen op de algemene toestand van het land en de mate van coördinatie en samenwerking tussen actoren van de EU en andere internationale missies en maatregelen, en dringt erop aan dat deze bevindingen en aanbevelingen worden gepubliceerd en dat verslag wordt uitgebracht aan het Parlement;

57.  betreurt het feit dat de buitenlandse hulp weinig effect heeft gesorteerd, ondanks de aanzienlijke omvang ervan; verzoekt de Europese Rekenkamer een speciaal verslag op te stellen over de doeltreffendheid van de bijstand die de EU het voorbije decennium aan Afghanistan heeft verstrekt;

58.  spoort de EU en andere internationale agentschappen die betrokken zijn bij de ontwikkeling van Afghanistan aan om samen te werken met de Afghaanse media en aldus te zorgen voor strategische communicatie over de ontwikkelingsinspanningen, de bronnen, doelstellingen en gevolgen ervan voor de Afghaanse bevolking;

59.  wijst erop dat er momenteel een gebrek aan burgerdeskundigen is in Afghanistan; spoort de EU en haar lidstaten ertoe aan om burgerdeskundigen in dienst te nemen en naar behoren op te leiden op belangrijke terreinen die van cruciaal belang zijn voor de economische ontwikkeling en de drugsbestrijding, zodat ze Afghaanse functionarissen en de plaatselijke bevolking kunnen bijstaan en opleiden;

60.  onderstreept dat het noodzakelijk is het onderwijssysteem in Afghanistan te ondersteunen, teneinde het aantal schoolgaande kinderen op alle niveaus te vergroten;

61.  is ingenomen met de vertienvoudiging van het aantal inschrijvingen op scholen sinds 2001, waarbij meisjes 39 % van de leerlingen vormen;

62.  dringt erop aan dat bijzondere aandacht wordt besteed aan de jongere generatie en vraagt om programma's zoals Erasmus+ en Horizon 2020 volop te benutten om verbanden tot stand te brengen tussen onderwijsinstellingen, de academische wereld, onderzoekssectoren en kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's);

63.  steunt maatregelen van de EU en de lidstaten die bijdragen tot het trustfonds voor de wederopbouw van Afghanistan dat samen wordt beheerd door de Wereldbank en het ministerie van Financiën van Afghanistan en waarmee ernaar wordt gestreefd cruciale basisdiensten te verstrekken met specifieke aandacht voor gezondheid en onderwijs;

64.  is verheugd dat Afghanistan in 2016 is toegetreden tot de Wereldhandelsorganisatie (WTO) en erkent de toegevoegde waarde die handel en buitenlandse directe investeringen zullen hebben voor de toekomst van Afghanistan; erkent de positieve rol die WTO-lidmaatschap kan spelen bij de integratie van Afghanistan in de wereldeconomie;

65.  merkt op dat de EU na de toetreding van Afghanistan tot de WTO in 2016, waardoor de banden van Afghanistan met de wereldeconomie werden versterkt, het land belasting- en quotavrije toegang tot de markt van de EU heeft verleend, maar erkent dat er verdere concrete maatregelen nodig zijn om de particuliere sector de mogelijkheid te bieden van deze regeling te profiteren en op die manier de interne ontwikkeling van het land te stimuleren;

66.  beklemtoont dat de Afghaanse autoriteiten een duurzaam economisch model zouden moeten opzetten met herverdeling als basisbeginsel; verzoekt de EU Afghanistan te steunen bij zijn milieuontwikkeling en de energietransitie, aangezien de voorziening van schone en duurzame energie van essentieel belang is om de uitvoering van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te versnellen;

67.  onderstreept voorts dat verdere inspanningen nodig zijn om de overheidsinstellingen beter in staat te stellen handelsstrategieën en -beleid te formuleren en uit te voeren, het grensoverschrijdende handelsverkeer te verbeteren en de kwaliteit van producten beter te doen beantwoorden aan internationale normen;

68.  vraagt om de onderlinge relaties tussen bedrijven die in de EU gevestigd zijn en de Afghaanse particuliere sector te versterken; moedigt de toepassing van gunstige voorwaarden voor de ontwikkeling van kleine en middelgrote ondernemingen aan;

69.  ondersteunt ieder door de EU, de afzonderlijke lidstaten of leden van de internationale gemeenschap opgestart ontwikkelingsprogramma dat erop is gericht de eigenaars van kleine bedrijven en ondernemers bijstand te verlenen bij het vervullen van verplichtingen in verband met gerechtskosten, reglementeringen en andere belemmeringen voor de productie die anders ontmoedigend zouden werken om de markt te betreden en/of er verdere groei te realiseren;

70.  erkent dat de reserves aan bodemschatten in Afghanistan het land de mogelijkheid bieden om inkomsten te genereren en banen te creëren; merkt op dat China belangstelling heeft getoond voor deze bodemschatten en daarbij vooral interesse bleek te hebben voor zeldzame aardmetalen;

Migratie

71.  erkent dat migratie voor Afghanistan een voortdurende uitdaging is die ook problemen met zich meebrengt voor zijn buurlanden en voor de lidstaten van de EU; is bezorgd over de ongekende aantallen terugkerende migranten, voornamelijk uit Pakistan en Iran en in mindere mate uit Europa; erkent dat vraagstukken in verband met intern ontheemden en vluchtelingen het gevolg zijn van de geweldsdreiging die uitgaat van opstandelingengroepen in Afghanistan, alsook van economische en milieufactoren; benadrukt dat de inspanningen van de EU en de internationale gemeenschap gericht moeten zijn op het wegnemen van de onderliggende oorzaken van massale migratie; is ingenomen met de nationale Afghaanse strategie voor terugkeerbeheer; is evenwel bezorgd over het gebrek aan integratiebeleid aan de hand waarvan de Afghaanse autoriteiten de huidige terugkeer van migranten in goede banen zouden kunnen leiden; is ervan overtuigd dat een deugdelijke herintegratie van terugkerende migranten, met name van kinderen, voor wie toegang tot primaire en middelbaar onderwijs moet worden gegarandeerd, van cruciaal belang is om de stabiliteit in het land te waarborgen en dat mensen die zijn teruggekeerd niet mogen zijn onderworpen aan geweld of dwang;

72.  onderstreept het feit dat volgens het Bureau van de VN voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden (OCHA) 5,5 miljoen mensen in Afghanistan humanitaire hulp nodig hebben, waaronder mensen die intern ontheemd zijn als gevolg van conflicten of droogte, en benadrukt dat droogte heeft geleid tot de gedwongen verplaatsing van meer dan 250 000 mensen in het noorden en het westen van het land; merkt op dat het plan voor humanitaire hulp slechts voor 33,5 % wordt gefinancierd en spoort de EU en haar lidstaten derhalve aan om hun inspanningen te vergroten om de belangrijkste humanitaire uitdagingen en menselijke behoeften aan te pakken en om in het bijzonder aandacht te schenken aan kwetsbare personen, waaronder mensen die zich op moeilijk bereikbare plekken bevinden;

73.  betreurt dat ondanks artikel 28, lid 4, van de CAPD, waarin staat dat de partijen een overnameovereenkomst moeten sluiten, geen formele maar enkel informele overeenstemming is bereikt, in de vorm van de gezamenlijke koersbepaling; acht het van belang dat eventuele overeenkomsten betreffende overname worden geformaliseerd om democratische verantwoording te waarborgen; betreurt het gebrek aan parlementair toezicht en democratische controle op het sluiten van de gezamenlijke koersbepaling en benadrukt het belang van het voeren van een voortdurende dialoog met de relevante actoren om een duurzame oplossing te vinden betreffende de regionale dimensie van het vraagstuk van de Afghaanse vluchtelingen;

74.  betreurt de migratiegolf vanuit Afghanistan naar het Westen, vooral de migratie van opgeleide en jonge mensen, doordat er in het land zelf geen vooruitzichten zijn; onderstreept dat de EU bijstand verleent om het leven van de Afghaanse emigranten die in Pakistan en Iran verspreid zijn te verbeteren; verzoekt die landen deze mensen niet uit te wijzen, omdat dit zeer negatieve gevolgen zou kunnen hebben voor de stabiliteit en economie van Afghanistan; pleit ervoor dat de terugkeer van vluchtelingen naar huis op een veilige en ordelijke manier wordt georganiseerd en op vrijwillige basis plaatsvindt;

75.  prijst de Commissie omdat zij in 2016 een belangrijk project heeft opgericht voor betere herintegratie van migranten die terugkeren naar Afghanistan, Bangladesh en Pakistan, waarbij specifiek voor Afghanistan in de periode 2016-2020 72 miljoen EUR werd uitgetrokken;

76.  benadrukt dat de ontwikkelingshulp van de EU aan Afghanistan niet uitsluitend moet worden bekeken vanuit het oogpunt van migratie en de doelstellingen betreffende grensbeheer, en is van mening dat ontwikkelingshulp op doeltreffende wijze de onderliggende oorzaken van migratie moet aanpakken;

Sectorale samenwerking

77.  dringt er bij de Commissie op aan om voor elke sector alomvattende strategieën voor te stellen met de bedoeling wijdverbreide ontwikkeling te garanderen op alle gebieden waarop met Afghanistan wordt samengewerkt;

78.  roept op tot inspanningen om nuttig gebruik te maken van de ervaring van de EU wat betreft capaciteitsopbouw en openbaar bestuur en hervorming van het overheidsapparaat; benadrukt dat het dringend noodzakelijk is om het bestuur op het gebied van belasting te verbeteren; vraagt om maatschappelijke organisaties te ondersteunen, met volledige eerbiediging van hun verschillende etnische, religieuze, sociale of politieke achtergrond;

79.  onderstreept het feit dat landbouw 50 % van het inkomen van de Afghaanse bevolking en een kwart van het bbp van Afghanistan voor zijn rekening neemt; merkt op dat de EU heeft toegezegd om tussen 2014 en 2020 1,4 miljard EUR uit te geven aan ontwikkelingsprojecten in plattelandsgebieden; merkt voorts op dat deze projecten van cruciaal belang zijn om ervoor te zorgen dat landbouwers niet gaan deelnemen aan de zwarte economie;

80.  merkt op dat 80 % van de Afghaanse bevolking aan landbouw doet om in zijn levensonderhoud te voorzien in een omgeving die landbouw bemoeilijkt en met slechte irrigatiemethoden; ondersteunt verdere inspanningen om de voedselzekerheid te garanderen;

81.  merkt bezorgd op dat de huidige droogte in Afghanistan de ergste is sinds decennia en mensen, vee en de landbouw bedreigt; maakt zich voorts zorgen over de vaak voorkomende natuurrampen, zoals plotselinge overstromingen, aardbevingen, aardverschuivingen en strenge winters;

82.  merkt bezorgd op dat schade aan landbouwproducten zoals tarwe kan leiden tot ontheemding, armoede, hongersnood, en in sommige gevallen deelname aan de zwarte economie, en dat drie miljoen mensen een bijzonder hoog risico lopen dat zij geen voedselzekerheid hebben en niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien;

83.  erkent dat de verplaatsing naar Afghanistan van een groter gedeelte van de waardeketen betreffende de voedselverwerking het inkomen van de gezinnen zou kunnen doen toenemen, de voedselzekerheid zou kunnen vergroten, de kosten voor voeding zou kunnen verlagen en voor meer werkgelegenheid zou kunnen zorgen;

84.  spoort de EU aan om haar inspanningen voort te zetten voor de verbetering van de gezondheidszorg in Afghanistan en benadrukt het belang van vaccinatie voor iedereen, maar in het bijzonder voor diegenen die erg vatbaar zijn voor ziektes, zoals kinderen;

85.  is ingenomen met het feit dat de primaire toegang tot gezondheidszorg van 9 % gestegen is naar meer dan 57 %, dat de levensverwachting is toegenomen van 44 naar 60 jaar en dat deze verbeteringen mogelijk zijn gemaakt dankzij bijdragen van de EU, afzonderlijke lidstaten en de internationale gemeenschap; erkent in het licht van deze verwezenlijkingen dat er nog meer moet worden gedaan om de levensverwachting op te trekken en de sterfte van vrouwen in het kraambed en de zuigelingensterfte te doen dalen;

86.  veroordeelt de corrupte praktijken in het Afghaanse gezondheidzorgstelsel, zoals de invoer van illegale farmaceutische producten, uitdrukkelijk, en dringt er bij de EU op aan druk te blijven uitoefenen op de Afghaanse regering om meer inspanningen te leveren om dergelijke corrupte praktijken in de kiem te smoren;

87.  herhaalt dat er in Afghanistan behoefte is aan opgeleide gezondheidswerkers en spoort de EU en haar lidstaten aan om gezondheidswerkers te blijven uitsturen naar dat land om er lokale artsen en verpleegkundigen op te leiden;

88.  merkt op dat mensenhandel en de smokkel van migranten voor alle partijen schadelijk zijn, maar bovenal voor de Afghaanse samenleving; pleit voor een snelle tenuitvoerlegging van bestaande overeenkomsten, met inbegrip van informatie-uitwisseling, met het oog op de ontmanteling van de transnationale criminele netwerken die garen spinnen bij instabiliteit en zwakke instellingen;

Uitvoering van de CAPD

89.  is ingenomen met de CAPD als de eerste contractuele verbintenis tussen de EU en Afghanistan;

90.  merkt op dat de CAPD voorziet in de grondslag voor de ontwikkeling van betrekkingen op verschillende terreinen, zoals de rechtsstaat, gezondheid, plattelandsontwikkeling, onderwijs, wetenschap en technologie, migratie, nucleaire veiligheid en de non-proliferatie van massavernietigingswapens, en de bestrijding van corruptie, witwassen van geld, terrorismefinanciering, georganiseerde criminaliteit, drugs en klimaatverandering;

91.  is ingenomen met de oprichting van de gezamenlijke overleginstanties op bestuursniveau, met de nadruk op het houden van regelmatige dialogen over politieke onderwerpen zoals mensenrechten, in het bijzonder de rechten van vrouwen en kinderen, die een uiterst belangrijk onderdeel zijn van deze overeenkomst, en op de aanpak van problemen en het scheppen van kansen voor een krachtiger partnerschap;

92.  spreekt zijn bezorgdheid uit over het ontbreken van bepalingen in de CAPD over gezamenlijk parlementair toezicht op de tenuitvoerlegging ervan; bevordert de rol van het Europees Parlement, de parlementen van de lidstaten en het Afghaanse parlement bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de CAPD;

93.  neemt kennis van het feit dat de EU de speciale vertegenwoordiger voor Afghanistan in september 2017 vervangen heeft door een speciale gezant, in overeenstemming met de structuur van de EDEO;

94.  betreurt dat de Raad heeft besloten tot voorlopige toepassing op gebieden waar het Parlement goedkeuring voor moet geven en die onder de exclusieve bevoegdheid van de EU vallen, zoals hoofdstuk inzake handel en investeringen, in plaats van, voor het nemen van deze stap, om ratificatie in een vroeg stadium van het proces te verzoeken; is van oordeel dat dit besluit niet in overeenstemming is met het beginsel van loyale samenwerking van artikel 4, lid 3, van het VEU, en de wettelijke rechten en verantwoordelijkheden van het Parlement ondermijnt;

o
o   o

95.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de VV/HV, de speciale gezant van de EU voor Afghanistan, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Afghanistan.

(1) PB L 67 van 14.3.2017, blz. 3.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0169.
(3) PB C 65 van 19.2.2016, blz. 133.
(4) PB C 169 E van 15.6.2012, blz. 108.
(5) PB C 168 E van 14.6.2013, blz. 55.
(6) PB C 378 van 9.11.2017, blz. 73.
(7) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 41.
(8) PB C 366 van 27.10.2017, blz. 129.
(9) PB C 66 van 21.2.2018, blz. 17.
(10) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 39.
(11) PB C 337 van 20.9.2018, blz. 48.
(12) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 85.
(13) Besluiten van de Raad van 10 november 2011 (16146/11 en 16147/11).
(14) Informatieverslag van het EASO, Afghanistan Security Situation - Update, mei 2018, https://coi.easo.europa.eu/administration/easo/PLib/Afghanistan-security_situation_2018.pdf
(15) Speciale inspecteur-generaal van de VS voor de wederopbouw van Afghanistan (SIGAR), kwartaalverslag aan het Amerikaans congres, 30 oktober 2018, https://www.sigar.mil/pdf/quarterlyreports/2018-10-30qr.pdf
(16) https://www.unodc.org/unodc/en/frontpage/2018/May/last-years-record-opium-production-in-afghanistan-threatens-sustainable-development--latest-survey-reveals.html


Deelname van Noorwegen, IJsland, Zwitserland en Liechtenstein aan eu-Lisa ***
PDF 125kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Unie, van de regeling tussen de Europese Unie, enerzijds, en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein, anderzijds, over de deelname van deze landen aan het Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (15832/2018 – C8-0035/2019 – 2018/0316(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0171A8-0081/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15832/2018),

–  gezien de ontwerpregeling tussen de Europese Unie en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein (12367/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 74, artikel 77, lid 2, onder a) en b), artikel 78, lid 2, onder e), artikel 79, lid 2, onder c), artikel 82, lid 1, onder d), artikel 85, lid 1, artikel 87, lid 2, onder a), artikel 88, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0035/2018),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0081/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de regeling;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en het Koninkrijk Noorwegen, de Republiek IJsland, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein.


Reikwijdte en mandaat voor speciale vertegenwoordigers van de EU
PDF 158kWORD 56k
Aanbeveling van het Europees Parlement van 13 maart 2019 aan de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de reikwijdte en het mandaat voor speciale vertegenwoordigers van de EU (2018/2116(INI))
P8_TA-PROV(2019)0172A8-0171/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 2, 3, 6, 21, 33 en 36 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien het besluit van de Raad van 26 juli 2010 tot vaststelling van de inrichting en werking van de Europese dienst voor extern optreden(1),

–  gezien de verklaring van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over politieke verantwoordingsplicht(2),

–  gezien de jaarverslagen van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europese Parlement, over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,

–  gezien de jaarverslagen van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 20 november 2002 tussen het Europees Parlement en de Raad over de toegang van het Europees Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid,

–  gezien de handleiding inzake de benoeming, het mandaat en de financiering van de speciale vertegenwoordigers van de EU van 9 juli 2007 en de desbetreffende nota van de Raad van 11 maart 2014 (7510/14),

–  gezien zijn resolutie van 8 juli 2010 over het voorstel voor een besluit van de Raad tot vaststelling van de inrichting en werking van de Europese dienst voor extern optreden(3),

–  gezien de mondiale strategie van de Europese Unie voor buitenlands en veiligheidsbeleid, op 28 juni 2016 gepresenteerd door de VV/HV, en de daaropvolgende uitvoeringsverslagen,

–  gezien de EU-richtsnoeren ter bevordering en bescherming van het genot van alle mensenrechten door lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en interseksuelen (LHBTI), die de Raad in 2013 heeft aangenomen,

–  gezien de Slotakte van Helsinki van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) uit 1975 en alle beginselen daarvan, als gronddocument voor de Europese en bredere regionale veiligheidsorde,

–  gezien zijn resoluties over de jaarverslagen van de hoge vertegenwoordiger van de Europese Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan het Europees Parlement, over de uitvoering van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid,

–  gezien zijn resoluties over de jaarverslagen van de EU over mensenrechten en democratie in de wereld,

–  gezien zijn aanbeveling van 15 november 2017 aan de Raad, de Commissie en de EDEO over het Oostelijk Partnerschap, in aanloop naar de top in november 2017(4),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over de bestrijding van mensenrechtenschendingen in de context van oorlogsmisdrijven, en misdrijven tegen de menselijkheid, met inbegrip van genocide(5),

–  gezien zijn resoluties over Oekraïne waarin wordt aangedrongen op de benoeming van een speciale vertegenwoordiger (SVEU's) van de EU voor de Krim en de regio Donbas,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad van 13 juni 2012 over de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten(6),

–  gezien de artikelen 110 en 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8-0171/2019),

A.  overwegende dat de EU de ambitie heeft een sterkere mondiale speler te worden, zowel op economisch als op politiek gebied, die er in haar optreden en beleid naar streeft een bijdrage te leveren aan de instandhouding van internationale vrede en veiligheid en een op regels gebaseerde wereldorde;

B.  overwegende dat de speciale vertegenwoordigers van de EU (SVEU's) door de Raad worden benoemd op voorstel van de VV/HV, met het mandaat om specifieke doelstellingen met een thematisch of geografisch gebonden politieke of veiligheidsdimensie te bevorderen; overwegende dat zij een waardevol en flexibel instrument voor de EU-diplomatie zijn gebleken, aangezien zij in cruciale gebieden en situaties de EU verpersoonlijken en vertegenwoordigen, met de steun van alle lidstaten; overwegende dat de flexibiliteit van het mandaat van de SVEU's ervoor zorgt dat zij als operationeel instrument snel kunnen worden ingezet zodra er in bepaalde landen of rond bepaalde thema's bezorgdheid ontstaat;

C.  overwegende dat de SVEU's vanwege hun veelvuldige aanwezigheid op het terrein in een bevoorrechte positie verkeren om een dialoog met het maatschappelijk middenveld en lokale actoren aan te knopen en onderzoek op het terrein te verrichten; overwegende dat zij door deze directe ervaring in staat zijn op constructieve wijze bij te dragen aan beleidsvorming en de ontwikkeling van strategieën;

D.  overwegende dat er momenteel vijf regionale SVEU's zijn (voor de Hoorn van Afrika, de Sahel, Centraal-Azië, het vredesproces in het Midden-Oosten, de zuidelijke Kaukasus en de crisis in Georgië), twee landspecifieke SVEU's (Kosovo en Bosnië en Herzegovina) en één thematische SVEU die verantwoordelijk is voor de mensenrechten;

E.  overwegende dat momenteel slechts twee SVEU's vrouwen zijn;

F.  overwegende dat in het geval van SVEU's met mandaten voor specifieke landen, hun dubbele functie (de SVEU is tevens het hoofd van de EU-delegatie in het betrokken land) heeft bijgedragen aan de samenhang en efficiëntie van de aanwezigheid van de EU in de wereld; overwegende dat de inzet van meer landspecifieke SVEU's in overeenstemming moet zijn met de strategieën voor het extern optreden van de EU, gezien de versterking van de EU-delegaties via het Verdrag van Lissabon, waardoor zij de verantwoordelijkheid hebben gekregen voor de coördinatie van alle EU-maatregelen ter plaatse, inclusief het beleid in het kader van het GBVB;

G.  overwegende dat er andere gebieden en conflicten zijn die een hoge prioriteit moeten krijgen, onder meer in het onmiddellijke nabuurschap van de EU, en dat deze bijzondere aandacht, een grotere betrokkenheid en een grotere zichtbaarheid van de EU vereisen, zoals in het geval van de Russische agressie in Oekraïne en illegale bezetting van de Krim;

H.  overwegende dat de SVEU's met name hun nut hebben bewezen bij het voeren van politieke dialogen op hoog niveau en door hun vermogen om partners op hoog niveau te bereiken in een uiterst gevoelig politiek klimaat;

I.  overwegende dat de SVEU's worden gefinancierd uit de GBVB-begroting, zoals in de medebeslissingsprocedure is vastgesteld door het Parlement, en dat zij verantwoording moeten afleggen tegenover de Commissie over de uitvoering van de begroting;

J.  overwegende dat de VV/HV zich ertoe heeft verbonden positief te reageren op verzoeken van het Europees Parlement om de nieuw benoemde SVEU's eerst te horen voor ze geïnstalleerd worden, en om regelmatige briefings aan het Parlement door de SVEU's te vergemakkelijken;

K.  overwegende dat de selectie van SVEU's plaatsvindt onder personen die eerder een hoog diplomatiek of politiek ambt bekleedden in hun eigen land of binnen een internationale organisatie; overwegende dat SVEU's een aanzienlijke mate van flexibiliteit en beslissingsvrijheid krijgen wat betreft de wijze waarop zij hun mandaat uitvoeren, wat bevorderlijk kan zijn om gestelde doelen te verwezenlijken, strategieën uit te voeren en de EU een toegevoegde waarde te bieden;

L.  overwegende dat de SVEU's in de eerste plaats moeten bijdragen aan de eenheid, consistentie, samenhang en doeltreffendheid van het externe optreden en de externe vertegenwoordiging van de EU; overwegende dat zij blijk geven van de belangstelling van de EU voor een bepaald land, bepaalde regio of een bepaald thematisch gebied en de zichtbaarheid van de EU vergroten, en dat zij bijdragen aan de uitvoering van bepaalde strategieën of beleid van de EU ten aanzien van het land, de regio of het thema waarop hun mandaat betrekking heeft;

1.  beveelt de Raad, de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid het volgende aan:

Mandaat

Instrumenten

Persoonlijk profiel

Bestreken gebieden

Interactie en samenwerking

   (a) een strategische bezinning voor te bereiden over de inzet, de rol, het mandaat en de bijdrage van de SVEU's in het licht van de uitvoering van de integrale EU-strategie;
   (b) ervoor te zorgen dat er alleen SVEU's worden benoemd als het gebruik van dit instrument een duidelijke toegevoegde waarde heeft, d.w.z. als hun taken niet doeltreffend kunnen worden vervuld door bestaande structuren binnen de EDEO, met inbegrip van EU-delegaties, of binnen de Commissie;
   (c) ervoor te zorgen dat de SVEU's in de eerste plaats worden ingezet om de inspanningen van de EU op het gebied van conflictpreventie en -oplossing en uitvoering van de EU-strategieën op te voeren, in het bijzonder door middel van bemiddeling en de facilitering van dialoog, en om de beleidsdoelstellingen van de EU te bevorderen op specifieke thematische gebieden die alle onder de bevoegdheid van externe betrekkingen vallen en onder naleving van het internationaal recht;
   (d) te voorkomen dat er een wildgroei van SVEU's en een versnippering van hun mandaten optreedt hetgeen tot overlappingen met andere EU-instellingen en tot hogere coördinatiekosten zou leiden;
   (e) ervoor te zorgen dat de mandaten en werkzaamheden van SVEU's op het gebied van regionale veiligheid en conflictpreventie, -bemiddeling en -oplossing uitgaan van de beginselen van het internationaal recht zoals vastgelegd in de Slotakte van Helsinki uit 1975 en andere essentiële normen van het internationaal recht, alsook van de vreedzame oplossing van conflicten, als essentieel onderdeel van de Europese veiligheidsorde en zoals benadrukt in de integrale EU-strategie; en dat deze in overeenstemming zijn met alle door de EU vastgestelde regels en beleidsmaatregelen ten aanzien van de regio of het conflict dat onder hun verantwoordelijkheid valt;
   (f) alle mogelijke middelen in overweging te nemen die de rol van de SVEU's als doeltreffend instrument van het externe beleid van de EU versterken, een instrument om initiatieven voor het buitenlands beleid van de EU te ontwikkelen en uit te voeren, en om synergiën te bevorderen, met name door ervoor te zorgen dat SVEU's vrij kunnen reizen binnen het gebied dat onder hun mandaat valt, met inbegrip van conflictgebieden, om hun taken op doeltreffende wijze te kunnen uitvoeren;
   (g) te zorgen voor grotere transparantie en zichtbaarheid van het werk van de SVEU's, onder meer door hun bezoeken aan landen, hun werkprogramma en hun prioriteiten bekend te maken en afzonderlijke websites tot stand te brengen om openbaar toezicht op hun optreden mogelijk te maken;
   (h) de elementen te versterken die de toegevoegde waarde van de SVEU zijn, namelijk legitimiteit op basis van de steun van de VV/HV en de lidstaten, nationale, regionale en thematische verantwoordelijkheden, politiek gewicht, flexibiliteit, en een betere aanwezigheid en zichtbaarheid van de EU in partnerlanden, zodat het profiel van de EU als doeltreffende internationale speler wordt versterkt;
   (i) voor een passende lengte van het mandaat te zorgen, hetgeen de aanwerving van gekwalificeerd hoger personeel mogelijk maakt en ruimte laat voor de uitvoering van het mandaat, evenals het opbouwen van vertrouwen met partners, het opzetten van netwerken en het beïnvloeden van processen; te zorgen voor een regelmatige evaluatie die aansluit bij de ontwikkelingen in het land, de regio of het onderwerp in kwestie, en het ook mogelijk te maken dat het mandaat wordt verlengd indien de omstandigheden dit vereisen;
   (j) bij te dragen aan de uitvoering van EU-beleid of EU-strategieën ten aanzien van het gebied waarop het mandaat betrekking heeft, en aan de opstelling of herziening van strategieën of beleid;
   (k) ervoor te zorgen dat conflictpreventie en -oplossing, bemiddeling en facilitering van dialoog, alsook fundamentele vrijheden, mensenrechten, democratie, de rechtsstaat en gendergelijkheid, worden gezien als horizontale prioriteiten en bijgevolg als hoekstenen van het mandaat van SVEU's, en dat passende verslaglegging over de genomen maatregelen op deze gebieden wordt gewaarborgd;
   (l) evaluatie- en toezichtprocedures verplicht te stellen met aandacht voor behaalde resultaten, ondervonden obstakels, belangrijkste uitdagingen, bijdragen aan beleidsformulering en de beoordeling van de coördinatie van de activiteiten van de SVEU met andere EU-actoren, om uitwisselingen van beste praktijken te bevorderen tussen SVEU's, evenals om de prestaties te beoordelen en te overwegen de mandaten te verlengen en te evalueren;
   (m) ervoor te zorgen dat het mandaat voor Centraal-Azië in samenhang is met de EU-strategie voor Centraal-Azië van 2007, die in 2015 is herzien om de doeltreffendheid en zichtbaarheid van de Unie in de regio te vergroten;
   (n) een aanzienlijke "afkoelingsperiode" in te voeren voor SVEU's, om te waarborgen dat de hoogst mogelijke ethische normen inzake belangenvermenging worden gehanteerd;
   (o) ervoor te zorgen dat de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement wordt betrokken bij de opstelling van de mandaten van de SVEU's, zowel de nieuwe als de verlengde;
   (p) de flexibiliteit en autonomie te handhaven die de SVEU's momenteel ervaren als een onderscheidend GBVB-instrument met een afzonderlijke financieringsbron en een bevoorrechte relatie met de Raad; tegelijkertijd de coördinatie- en rapportageverbindingen met de betrokken EDEO-directoraten (regionaal, thematisch, GVDB en crisisrespons) en met de betrokken DG's van de Commissie te versterken; te zorgen voor een snelle en transparante benoemings- en bekrachtigingsprocedure;
   (q) de tekortkomingen bij het in stand houden van het institutionele "geheugen" en de continuïteit tussen uitgaande en binnenkomende SVEU's aan te pakken door de logistieke en administratieve ondersteuning van de EDEO te versterken, met inbegrip van archivering, en hoofdzakelijk door beleidsadviseurs van de EDEO en andere EU-instellingen, waar nodig, te detacheren naar de SVEU-teams;
   (r) personen met uitgebreide diplomatieke en politieke expertise en een passend profiel tot SVEU te benoemen, waarbij zij in het bijzonder politiek gewicht in de schaal moeten kunnen leggen om banden en wederzijds vertrouwen met hooggeplaatste gesprekspartners op te bouwen; in dit verband te profiteren van de bestaande pool van personen met politieke en diplomatieke ervaring in de EU; genderevenwicht en geografisch evenwicht in acht te nemen; ervoor te zorgen dat de besluitvorming om een specifieke persoon te benoemen op transparante wijze verloopt en het besluit pas valt nadat de aanvaardbaarheid van de kandidaat is bevestigd, met name wat eventuele belangenconflicten betreft en om ervoor te zorgen dat de kandidaat voldoet aan de normen inzake ethisch handelen;
   (s) ervoor te zorgen dat de benoeming van SVEU's pas wordt bekrachtigd wanneer zij een positieve evaluatie van de Commissie buitenlandse zaken van het Parlement hebben gekregen;
   (t) te zorgen voor eenvoudiger toegang tot informatie en motiveringen betreffende geselecteerde kandidaten;
   (u) de mandaten van de SVEU's te richten op versterking van de regionale veiligheid en op conflictpreventie en -oplossing, in het bijzonder door facilitering van dialoog en bemiddeling waarbij EU-betrokkenheid een toegevoegde waarde kan zijn; ervoor te zorgen dat in geval van een thematische focus, de benoeming van een SVEU niet met de rol van de Commissie en de EDEO overlapt of deze ondermijnt;
   (v) gezien de rol van de SVEU's als specifiek diplomatiek instrument in het extern optreden van de EU en het belang van stabiliteit in het Europees nabuurschap, SVEU's aan te moedigen steeds nauwere betrekkingen tot stand te brengen met de landen die door langdurige conflicten worden getroffen, waarbij het accent erop ligt hoe belangrijk het is dat SVEU's bijdragen aan de vreedzame oplossing van conflicten in het nabuurschap van de EU;
   (w) tevredenheid te uiten over de benoeming van de nieuwe SVEU voor de mensenrechten, alsook erkenning voor het werk van de vorige SVEU op dit gebied, die zijn taak om de doeltreffendheid en zichtbaarheid van het mensenrechtenbeleid van de EU te verbeteren, met succes heeft vervuld; merkt op dat het nu ook de taak van deze SVEU is om de naleving van het internationaal humanitair recht en de ondersteuning van het internationaal strafrecht, te bevorderen;
   (x) de capaciteit en de rol van de SVEU voor de mensenrechten te versterken, en er hierbij rekening mee te houden dat deze functie een wereldwijd mandaat inhoudt en bijgevolg politieke dialoog met derde landen, relevante partners, de bedrijfswereld, het maatschappelijk middenveld en internationale en regionale organisaties vereist en omvat, alsook een optreden in de desbetreffende internationale fora;
   (y) ermee rekening houdend dat het aantal SVEU's niet aanzienlijk moet toenemen, zodat de bijzondere aard van deze functie niet uit het oog wordt verloren, de mandaten van de bestaande landspecifieke SVEU's geleidelijk af te bouwen en, in afwachting van de algemene verdeling van de verantwoordelijkheden in de komende Commissie en de EDEO, de benoeming van regionale SVEU's te overwegen; de benoeming van thematische SVEU's te overwegen voor de internationale coördinatie van de bestrijding van klimaatverandering, voor het internationaal humanitair recht en internationale rechtspraak en voor ontwapening en non-proliferatie, in het laatst genoemde geval om het werk van de huidige speciale gezant van de EU op dit gebied over te nemen;
   (z) een nieuwe SVEU te benoemen voor Oekraïne, in de eerste plaats gericht op de Krim en de regio Donbas, die verantwoordelijk is voor het toezicht op de mensenrechtensituatie in de bezette gebieden, de tenuitvoerlegging van de Minsk-akkoorden, een de-escalatie in de Zee van Azov en de uitoefening van de rechten van intern ontheemden, in overeenstemming met eerdere oproepen van het Parlement in zijn resoluties;
   (aa) de interactie en coördinatie van SVEU's met de verschillende EU-instellingen, het maatschappelijk middenveld en de lidstaten te versterken, teneinde te zorgen voor maximale synergie en samenhangende inzet van alle actoren; de betrokkenheid van SVEU's bij het EU-systeem voor vroegtijdige waarschuwing bij conflicten te vergroten; ervoor te zorgen dat er geen overlappingen ontstaan met andere diplomatieke functies op hoog niveau, zoals de speciale gezanten van de EU; te zorgen voor samenwerking met andere gelijkgezinde partners en gezanten, waaronder die van de VN, de NAVO en de VS;
   (ab) gezien het feit dat het Europees Parlement medewetgever is voor de burgerlijke aspecten van de GBVB-begroting, die wordt beheerd door de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid (FPI), het toezicht van het Parlement op de activiteiten van de SVEU's te versterken, alsook de verantwoordingsplicht van de SVEU's en de transparantie van hun werk te vergroten, waarbij eraan wordt herinnerd dat dit doel kan worden bereikt door regelmatig informatie uit te wisselen over de uitvoering door de SVEU's van hun mandaat, over hun werk, hun successen en de uitdagingen waarmee zij worden geconfronteerd, door middel van regelmatige en tenminste jaarlijkse bijeenkomsten en gedachtewisselingen tussen SVEU's en de betrokken organen van het EP, in het bijzonder de Commissie buitenlandse zaken, de Subcommissie mensenrechten en de Subcommissie veiligheid en defensie, en door het systematisch delen met het EP van verslagen en landspecifieke strategieën die de SVEU's aan het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) van de Raad en aan de EDEO hebben gestuurd; en er hiertoe op aan te dringen dat deze documenten worden opgenomen in het interinstitutioneel akkoord op het gebied van het GBVB;
   (ac) de interactie met het maatschappelijk middenveld en de burgers te stimuleren en de dialoog met deze partners te faciliteren, in de regio's die worden gedekt door SVEU's, als onderdeel van de preventieve diplomatie en bemiddelingsprocessen, maar ook om de zichtbaarheid van de EU te vergroten; er in het bijzonder voor te zorgen dat SVEU's zich proactief opstellen ten aanzien van actoren uit het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenverdedigers en personen met een afwijkende mening die mogelijk worden bedreigd of in het vizier worden genomen door de lokale autoriteiten;

2.  beveelt aan dat het volgende Europees Parlement van de nieuwe VV/HV verlangt om binnen de eerste zes maanden van zijn of haar mandaat te komen met een strategische bezinning op het inzetten van SVEU's, in de context van de uitvoering van de mondiale strategie en in overeenstemming met de hierboven uiteengezette beginselen en aanbevelingen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, en de speciale vertegenwoordigers van de EU.

(1) PB L 201van 3.8.2010, blz. 30.
(2) PB C 210 van 3.8.2010, blz. 1.
(3) PB C 351E van 2.12.2011, blz. 454.
(4) PB C 356 van 4.10.2018, blz. 130.
(5) PB C 334 van 19.9.2018, blz. 69.
(6) PB C 332 E van 15.11.2013, blz. 114.


Toegankelijkheidseisen voor producten en diensten ***I
PDF 381kWORD 130k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidseisen voor producten en diensten (COM(2015)0615 – C8-0387/2015 – 2015/0278(COD))
P8_TA-PROV(2019)0173A8-0188/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2015)0615),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0387/2015),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 mei 2016(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie interne markt en consumentenbescherming en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie vervoer en toerisme, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid en de Commissie verzoekschriften (A8-0188/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt om hernieuwde voorlegging indien de Commissie haar voorstel door een nieuwe tekst vervangt, ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aanbrengt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegankelijkheidsvoorschriften voor producten en diensten

P8_TC1-COD(2015)0278


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Deze richtlijn strekt ertoe een bijdrage te leveren tot het goed functioneren van de interne markt middels onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidsvoorschriften voor bepaalde producten en diensten, in het bijzonder door belemmeringen voor het vrije verkeer van bepaalde toegankelijke producten en diensten ten gevolge van uiteenlopende toegankelijkheids­voorschriften in de lidstaten, weg te nemen en te voorkomen. Dit zou de beschikbaarheid van toegankelijke producten en diensten in de interne markt vergroten en de toegankelijkheid van relevante informatie verbeteren.

(2)  Er is veel vraag naar toegankelijke producten en diensten, en volgens ramingen zal het aantal personen met een handicap aanzienlijk toenemen ▌. Een omgeving waar producten en diensten beter toegankelijk zijn, draagt bij tot een inclusievere samenleving en maakt het voor personen met een handicap gemakkelijker om zelfstandig te leven. In dit verband moet voor ogen worden gehouden dat in de Unie handicaps vaker voorkomen bij vrouwen dan bij mannen.

(3)  In deze richtlijn worden personen met een handicap gedefinieerd volgens het op 13 december 2006 vastgestelde VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap (VN-VRPH), waarbij de Unie sinds 21 januari 2011 partij is en dat door alle lidstaten is geratificeerd. Volgens het VN-VRPH omvat personen met een handicap "personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die in hun interactie te kampen hebben met diverse drempels die hen kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen te participeren in de samenleving". Deze richtlijn bevordert de volledige en effectieve participatie op voet van gelijkheid door te zorgen voor betere toegang tot veelgebruikte producten en diensten die door hun oorspronkelijke vormgeving of latere aanpassing tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van personen met een handicap.

(4)  Andere personen met een functionele beperking, zoals ouderen, zwangere vrouwen of personen die reizen met bagage, zouden eveneens voordeel bij deze richtlijn hebben. Het concept "personen met een functionele beperking" als bedoeld in deze richtlijn omvat personen die, permanent dan wel tijdelijk, beperkingen hebben van lichamelijke, geestelijke, intellectuele of zintuiglijke aard, als gevolg van leeftijd of door andere lichamelijke oorzaken, die in wisselwerking met diverse belemmeringen tot gevolg heeft dat zij slechts beperkt toegang hebben tot producten en diensten, en er een situatie ontstaat dat deze producten en diensten aan hun specifieke behoeften moeten worden aangepast.

(5)  De verschillen tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten met betrekking tot de toegankelijkheid van producten en diensten voor ▌personen met een handicap, leiden tot belemmeringen in het vrije verkeer van producten en diensten ▌ en verstoren de daadwerkelijke mededinging in de interne markt. Bij bepaalde producten en diensten worden deze verschillen in de Unie waarschijnlijk groter na de inwerkingtreding van het VN- VRPH. Marktdeelnemers, met name kleine en middelgrote ondernemingen, ondervinden in het bijzonder hinder van deze belemmeringen.

(6)  De uiteenlopende nationale toegankelijkheidsvoorschriften ontmoedigen met name zelfstandigen, kleine en middelgrote ondernemingen en micro-ondernemingen om zakelijke activiteiten buiten hun binnenlandse markt te ontplooien. De nationale of zelfs regionale of lokale toegankelijkheidsvoorschriften die de lidstaten hebben vastgesteld, verschillen momenteel zowel wat betreft toepassingsgebied als mate van gedetailleerdheid. Door de extra kosten die nodig zijn om toegankelijke producten en diensten voor elke nationale markt te ontwikkelen en te verhandelen, hebben deze verschillen een negatief effect op het concurrentievermogen en de groei.

(7)  Door de beperkte concurrentie tussen leveranciers worden gebruikers van toegankelijke producten en van hulptechnologieën en diensten geconfronteerd met hoge prijzen. De potentiële voordelen van het uitwisselen van ervaringen tussen nationale en internationale marktdeelnemers bij het inspelen op maatschappelijke en technologische ontwikkelingen worden beperkt door de versnippering van de nationale regelingen.

(8)  Voor het goed functioneren van de interne markt is het daarom noodzakelijk de nationale maatregelen op Unieniveau op elkaar af te stemmen, teneinde een einde te maken aan de fragmentatie van de markt voor toegankelijke producten en diensten, schaalvoordelen tot stand te brengen, de grensoverschrijdende handel en mobiliteit te vergemakkelijken en de marktdeelnemers te helpen hun beschikbare middelen aan innovatie te besteden en niet aan kosten voortvloeiend uit versnipperde wetgeving in de Unie.

(9)  De voordelen van het harmoniseren van toegankelijkheidsvoorschriften voor de interne markt blijken uit de toepassing van Richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad(5) betreffende liften en Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad(6) op het gebied van vervoer.

(10)  Bij verklaring nr. 22, betreffende personen met een handicap, gehecht aan het Verdrag van Amsterdam, is de Conferentie van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten overeengekomen dat de instellingen van de Unie bij het vaststellen van maatregelen krachtens artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) rekening houden met de behoeften van personen met een handicap.

(11)  Het algemene doel van de mededeling van de Commissie van 6 mei 2018 "Een strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa" is het realiseren van duurzame economische en sociale voordelen dankzij een connectieve digitale eengemaakte markt, waardoor de handel wordt gefaciliteerd en de werkgelegenheid in de Unie wordt bevorderd. Consumenten in de Unie kunnen nog steeds niet optimaal profiteren van de prijsvoordelen en keuzemogelijkheden die de eengemaakte markt kan bieden, omdat grensoverschrijdende onlinetransacties nog zeer beperkt zijn. Ook de versnippering van de markt beperkt de vraag naar grensoverschrijdende e-handelstransacties. Tevens is een gecoördineerde aanpak nodig om ervoor te zorgen dat ▌elektronische inhoud, elektronischecommunicatiediensten en toegang tot audiovisuele mediadiensten ▌ volledig toegankelijk zijn voor personen met een handicap. Daarom is het nodig de toegankelijkheids­voorschriften in de hele digitale eengemaakte markt te harmoniseren en ervoor te zorgen dat alle burgers van de Unie, ongeacht hun vermogens, de voordelen ervan kunnen genieten.

(12)  Sinds de Unie partij is bij het VN-VRPH, maken de bepalingen ervan integraal deel uit van de rechtsorde van de Unie en zijn zij bindend voor de instellingen en de lidstaten van de Unie.

(13)  Bij het VN-VRPH is bepaald dat de partijen bij dat verdrag passende maatregelen nemen om personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen de toegang te garanderen tot de fysieke omgeving, tot vervoer, tot informatie en communicatie, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën en -systemen, en tot andere voorzieningen en diensten die openstaan voor of verleend worden aan het publiek, zowel in stedelijke als in landelijke gebieden. Het VN-comité voor de rechten van personen met een handicap heeft geconstateerd dat er een wetgevingskader nodig is met concrete, afdwingbare en tijdgebonden ijkpunten voor het toezicht op de geleidelijke invoering van toegankelijkheid.

(14)  Het VN-VRPH roept de partijen bij dit verdrag op tot het uitvoeren of bevorderen van onderzoek naar en ontwikkeling van, en het bevorderen van de beschikbaarheid en het gebruik van nieuwe technologieën, met inbegrip van informatie- en communicatietechnologieën, mobiliteitshulpmiddelen, instrumenten en hulptechnologieën, die geschikt zijn voor personen met een handicap. In het VN-VRPH wordt tevens verzocht om prioriteit te geven aan betaalbare technologieën.

(15)  Doordat het VN-VRPH doorwerkt in de rechtsorde van de lidstaten, zijn er aanvullende nationale bepalingen over de toegankelijkheid van producten en diensten nodig. Zonder optreden van de Unie zouden die bepalingen tot nog grotere verschillen tussen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten leiden.

(16)  Daarom is het noodzakelijk de uitvoering van het VN- VRPH in de Unie te faciliteren met gemeenschappelijke EU-regels. Deze richtlijn helpt voorts de lidstaten hun nationale afspraken en hun verplichtingen uit hoofde van het VN-VRPH in verband met toegankelijkheid op geharmoniseerde wijze na te komen.

(17)  In de mededeling van de Commissie van 15 november 2010 getiteld "Europese strategie inzake handicaps 2010-2020 - Een hernieuwd engagement voor een onbelemmerd Europa" wordt in overeenstemming met het VN- VRPH toegankelijkheid tot een van de acht actieterreinen bestempeld, wordt gesteld dat toegankelijkheid een basisvoorwaarde voor deelname aan de samenleving is, en wordt beoogd ervoor te zorgen dat producten en diensten toegankelijk zijn.

(18)  Welke producten en diensten onder deze richtlijn vallen, is bepaald op basis van een screening in het kader van de effectbeoordeling die ▌de voor personen met ▌een handicap relevante producten en diensten in kaart heeft gebracht ▌, waarvoor de lidstaten uiteenlopende nationale, het functioneren van de interne markt verstorende toegankelijkheidsvoorschriften hebben vastgesteld of vermoedelijk zullen vaststellen.

(19)  Teneinde de toegankelijkheid van de onder deze richtlijn vallende diensten te garanderen, moeten producten die gebruikt worden bij het verlenen van die diensten waarvan de consument gebruikmaakt, eveneens aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn voldoen.

(20)  Zelfs als een dienst, of een deel daarvan, aan een derde wordt uitbesteed, mag de toegankelijkheid van die dienst niet in het gedrang worden gebracht en moeten de dienstverleners voldoen aan de verplichtingen van deze richtlijn. Dienstverleners moeten er tevens voor zorgen dat hun personeelsleden naar behoren en continu worden opgeleid, zodat zij de nodige kennis van zaken hebben met betrekking tot het gebruik van toegankelijke producten en diensten. Die opleiding moet onder meer betrekking hebben op informatieverschaffing, advies en reclame.

(21)  Toegankelijkheidsvoorschriften moeten zodanig worden ingevoerd dat ▌ de markt­deelnemers en de lidstaten zo min mogelijk worden belast ▌.

(22)  Om het vrije verkeer van producten en diensten die onder deze richtlijn vallen op de interne markt te waarborgen, ▌ moeten er toegankelijkheidsvoorschriften voor het in de handel brengen ervan worden vastgesteld.

(23)  Deze richtlijn dient functionele toegankelijkheidsvoorschriften verplicht te stellen en zij moeten worden uitgedrukt in de vorm van algemene doelstellingen. Deze voorschriften moeten nauwkeurig genoeg zijn om juridisch bindende verplichtingen te scheppen, en voldoende gedetailleerd om de conformiteit te kunnen beoordelen en zo het goed functioneren van de interne markt voor de onder deze richtlijn vallende producten en diensten te waarborgen, maar moeten tegelijkertijd een zekere flexibiliteit bieden om innovatie mogelijk te maken.

(24)  Deze richtlijn bevat een aantal functioneleprestatie-eisen met betrekking tot de bedieningswijzen van producten en diensten. Deze eisen zijn niet bedoeld als algemeen alternatief voor de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn, maar mogen uitsluitend in uiterst specifieke situaties worden toegepast. Indien de toegankelijkheids­voorschriften van deze richtlijn een of meerdere specifieke functies of eigenschappen van producten of diensten niet dekken, moeten deze eisen daarop worden toegepast, teneinde de producten of diensten in kwestie toegankelijk te maken. Bovendien, ingeval een toegankelijkheidsvoorschrift specifieke technische voorschriften bevat en een product of dienst voorziet in een alternatieve technische oplossing voor deze technische voorschriften, moet deze alternatieve technische oplossing nog altijd aan de betreffende toegankelijkheidsvoorschriften voldoen en in gelijkwaardige of verhoogde toegankelijkheid resulteren door aan de desbetreffende functioneleprestatie-eisen te voldoen.

(25)  Gewone computerapparatuur voor consumenten dient onder deze richtlijn te vallen. Om die apparatuur op een toegankelijke manier te kunnen laten werken, moet het besturingssysteem ervan eveneens toegankelijk zijn. Dergelijke computerapparatuur is multifunctioneel en kan, met de juiste software, de meest voorkomende, door consumenten gevraagde computertaken uitvoeren, en is bedoeld voor gebruik door consumenten. Personal computers, met inbegrip van desktops, laptops, smartphones en tablets, zijn voorbeelden van dergelijke computerapparatuur. Gespecialiseerde computers die zijn ingebouwd in consumentenelektronica behoren niet tot gewone computerapparatuur voor consumenten. Afzonderlijke componenten met specifieke functies, zoals een moederbord of een geheugenkaart, die in dergelijke apparatuur gebruikt worden of kunnen worden, mogen niet op individuele basis onder deze richtlijn te vallen.

(26)  Deze richtlijn moet ook van toepassing zijn op betaalterminals, inclusief apparatuur en software daarvoor, op bepaalde interactieve zelfbedieningsterminals voor gebruik ter verrichting van onder deze richtlijn vallende diensten, inclusief hun apparatuur en software daarvoor: bijvoorbeeld geldautomaten, ticketautomaten voor de uitgifte van fysieke tickets die toegang tot diensten geven, bijvoorbeeld reisticketautomaten en nummertjesautomaten in bankkantoren; incheckautomaten; en interactieve informatieverstrekkende zelfbedieningsterminals, met inbegrip van interactieve informatieschermen.

(27)  Bepaalde interactieve informatieverstrekkende zelfbedieningsterminals die als geïntegreerde delen van voertuigen, luchtvaartuigen, schepen of rollend materieel zijn geïnstalleerd, moeten van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten, aangezien zij onderdeel zijn van deze voertuigen, luchtvaartuigen, schepen of rollend materieel, die niet onder deze richtlijn vallen.

(28)  Onder deze richtlijn moeten tevens elektronischecommunicatiediensten vallen, met inbegrip van noodcommunicatie, zoals omschreven in Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad(7). Momenteel nemen de lidstaten wat betreft de toegankelijkheid voor personen met een handicap uiteenlopende maatregelen die niet in de gehele interne markt geharmoniseerd zijn. Wanneer in de hele Unie dezelfde toegankelijkheidsvoorschriften gelden, biedt dat schaalvoordelen voor marktdeelnemers die in meer dan één lidstaat actief zijn, en bevordert dat de daadwerkelijke toegang van personen met een handicap zowel in hun eigen lidstaat als op reis van de ene lidstaat naar de andere. Om ervoor te zorgen dat elektronischecommunicatiediensten, met inbegrip van noodcommunicatie, toegankelijk zijn, moeten dienstverleners bij het aanbieden van video niet alleen in stem voorzien maar tevens in realtimetekst en totaleconversatiediensten, en al deze communicatiemiddelen synchroon laten lopen. De lidstaten moeten, naast de voorschriften van deze richtlijn, in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2018/1972 bemiddelingsdiensten kunnen aanwijzen waarvan personen met een handicap gebruik kunnen maken.

(29)  Bij deze richtlijn worden toegankelijkheidsvoorschriften voor elektronische­communicatiediensten en verwante producten geharmoniseerd, en wordt Richtlijn (EU) 2018/1972, inzake voorschriften voor gelijkwaardige toegang en keuze voor eindgebruikers met een handicap, aangevuld. Bij Richtlijn (EU) 2018/1972 worden tevens voorschriften in het kader van de universeledienstverplichtingen vastgesteld wat betreft de betaalbaarheid van internettoegang en gesproken communicatie alsmede wat betreft de betaalbaarheid en beschikbaarheid van verwante eindapparatuur, specifieke uitrusting en diensten voor consumenten met een handicap.

(30)  Ook eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties die naar verwachting hoofdzakelijk voor toegang tot elektronischecommunicatiediensten zullen worden gebruikt, dient onder deze richtlijn te vallen. Deze apparatuur dient voor de toepassing van deze richtlijn tevens geacht te worden apparatuur te omvatten die gebruikt wordt als onderdeel van de voorziening voor het verkrijgen van toegang tot de elektronischecommunicatiediensten, zoals een router of een modem.

(31)  Voor de toepassing van deze richtlijn moet onder toegang tot audiovisuele mediadiensten verstaan worden dat de toegang tot audiovisuele inhoud toegankelijk is, en dat er mechanismen zijn waardoor gebruikers met een handicap gebruik kunnen maken van hulptechnologieën. Bij diensten die toegang verschaffen tot audiovisuele mediadiensten kan het onder meer gaan om websites, onlinetoepassingen, elektronische applicaties op basis van set-top-boxen, downloadbare toepassingen, diensten op basis van mobiele apparaten, daaronder begrepen mobiele applicaties en bijbehorende mediaspelers, alsmede geconnecteerde televisiediensten. De toegankelijkheid van audiovisuele mediadiensten is gereguleerd bij Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad(8) met uitzondering van de toegankelijkheid van elektronische programmagidsen (EPG's) die vallen onder de definitie van diensten die toegang verschaffen tot audiovisuele mediadiensten, die onder deze richtlijn vallen.

(32)  Wat betreft personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water dient deze richtlijn onder meer betrekking te hebben op het verstrekken van informatie over vervoers­diensten, met inbegrip van realtime-reisinformatie via websites, diensten op basis van mobiele apparaten, interactieve informatieschermen en interactieve zelfbedieningsterminals die passagiers met een handicap nodig hebben om te reizen. Hierbij kan het gaan om informatie over producten en -diensten voor personenvervoer van de dienstverlener, informatie vóór de reis, informatie tijdens de reis en informatie bij annulering van een vervoersdienst of vertraging bij vertrek. Anderzijds kan het ook gaan om informatie over prijzen en promoties.

(33)  Deze richtlijn dient tevens van toepassing te zijn op websites, diensten op basis van mobiele apparaten, onder meer mobiele applicaties die zijn ontwikkeld of beschikbaar worden gesteld door exploitanten van diensten voor personenvervoer, elektronische ticketing, elektronische tickets en interactieve zelfbedieningsterminals.

(34)  Bij het bepalen van de werkingssfeer van deze richtlijn ten aanzien van diensten voor personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water dient te worden uitgegaan van de bestaande sectorale wetgeving inzake passagiersrechten. Wanneer deze richtlijn niet van toepassing is op bepaalde soorten vervoersdiensten, dienen de lidstaten de dienstverleners aan te moedigen de betreffende toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn toe te passen.

(35)  Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad(9) verplicht overheids­instanties die vervoersdiensten, waaronder stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten en regionale vervoersdiensten, aanbieden, reeds hun websites toegankelijk te maken. Onderhavige richtlijn bevat nog vrijstellingen voor micro-ondernemingen die diensten, waaronder stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten en regionale vervoersdiensten, verlenen. Voorts bevat onderhavige richtlijn verplichtingen die ervoor zorgen dat websites voor e-handel toegankelijk zijn. Omdat deze richtlijn een grote meerderheid van particuliere aanbieders van vervoers­diensten verplicht hun websites toegankelijk te maken bij de onlineverkoop van tickets, behoeven in onderhavige richtlijn geen verdere voorschriften voor de websites van aanbieders van stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten en regionale vervoersdiensten te worden opgenomen.

(36)  Bepaalde elementen van de toegankelijkheidsvoorschriften, met name in verband met het verstrekken van informatie als bedoeld in deze richtlijn, worden reeds geregeld bij bestaande Uniewetgeving op het gebied van personenvervoer. Het gaat onder meer om onderdelen van Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad(10), Verordening (EU) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad(11), Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad(12), Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad(13) en Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad(14). Het gaat ook om relevante handelingen die zijn vastgesteld op basis van Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad(15). Ten behoeve van de samenhang in de regelgeving dienen de bij die verordeningen en handelingen opgelegde toegankelijkheidsvoorschriften te blijven gelden als voorheen. De extra voorschriften van deze richtlijn vormen evenwel een aanvulling op de bestaande voorschriften en kunnen het functioneren van de interne markt op vervoersgebied verbeteren en personen met een handicap ten goede komen.

(37)  Bepaalde onderdelen van vervoersdiensten mogen niet onder deze richtlijn te vallen voor zover zij buiten het grondgebied van de lidstaten worden verleend, zelfs indien de dienst tot de markt van de Unie is gericht. Met betrekking tot die onderdelen dient een exploitant van een personenvervoersdienst uitsluitend wat betreft het binnen het grondgebied van de Unie verleende deel van de dienst ertoe te worden verplicht de voorschriften van deze richtlijn na te leven. In het geval van luchtvervoer moeten de luchtvaartmaatschappijen van de Unie er evenwel voor zorgen dat de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn ook worden nageleefd op vluchten van een luchthaven in een derde land naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat. Voorts moeten alle luchtvaartmaatschappijen, ook die welke geen licentie hebben in de Unie, ervoor zorgen dat de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn worden nagekomen indien het vluchten betreft met vertrek op het grondgebied van de Unie en aankomst op het grondgebied van een derde land.

(38)  Stedelijke overheden moeten worden aangemoedigd om onbelemmerde toegankelijkheid tot stedelijke vervoersdiensten te integreren in hun duurzame stedelijke mobiliteits­plannen (SUMP's ), en om regelmatig lijsten van beste praktijken inzake onbelemmerde toegankelijkheid tot stedelijk openbaar vervoer en mobiliteit bekend te maken.

(39)  Het recht van de Unie inzake bankdiensten en financiële diensten strekt ertoe de afnemers van die diensten in de gehele Unie te beschermen en hun informatie te verstrekken, maar omvat geen toegankelijkheidsvoorschriften. Om personen met een handicap in staat te stellen in de gehele Unie gebruik te maken van deze mede via websites en diensten op basis van mobiele apparaten, daaronder begrepen mobiele applicaties, weloverwogen beslissingen te nemen en erop te kunnen vertrouwen dat zij voldoende, op gelijke voet met andere consumenten beschermd zijn, en om een gelijk speelveld voor dienstverleners te waarborgen, dient deze richtlijn gemeenschappelijke toegankelijkheidsvoorschriften vast te stellen voor bepaalde aan consumenten verleende bank- en financiële diensten.

(40)  De passende toegankelijkheidsvoorschriften moeten ook gelden voor identificatie­methoden, elektronische handtekening en betalingsdiensten, aangezien deze noodzakelijk zijn voor het sluiten van transacties op het gebied van bankieren door consumenten.

(41)  E-boekbestanden werken met behulp van een elektronische computercode die de verspreiding en raadpleging van een hoofdzakelijk tekstueel en grafisch intellectueel werk mogelijk maken. De nauwkeurigheid van deze code bepaalt de toegankelijkheid van e-boekbestanden, met name met betrekking tot de kwalificatie van de verschillende bestanddelen van het werk en de gestandaardiseerde beschrijving van de structuur ervan. Via interoperabiliteit op het gebied van toegankelijkheid moeten die bestanden optimaal compatibel worden gemaakt met de gebruikersagenten en de huidige en toekomstige hulptechnologieën. De specifieke kenmerken van bijzondere boeken, zoals strips, kinderboeken en kunstboeken, moeten worden bezien in het licht van alle toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften. Bij uiteenlopende toegankelijkheidsvoorschriften in de lidstaten is het moeilijk voor uitgeverijen en andere marktdeelnemers om te profiteren van de voordelen van de interne markt, kunnen er interoperabiliteitsproblemen met e-lezers ontstaan en wordt de toegang voor klanten met een handicap beperkt. In het geval van e-boeken kunnen onder dienstverlener ook worden verstaan uitgevers en andere marktdeelnemers die een rol in de distributie spelen.

Onderkend wordt dat personen met een handicap ook nog steeds moeilijkheden ondervinden om toegang te krijgen tot inhoud die wordt beschermd door auteursrechten en naburige rechten en dat er reeds bepaalde maatregelen zijn genomen om deze situatie te verhelpen, bijvoorbeeld door de vaststelling van Richtlijn (EU) 2017/1564 van het Europees Parlement en de Raad(16) en Verordening (EU) 2017/1563 van het Europees Parlement en de Raad(17), en dat er op dit gebied in de toekomst nog meer maatregelen van de Unie zouden kunnen worden genomen.

(42)  Deze richtlijn omschrijft diensten op het gebied van e-handel als diensten die geleverd worden op afstand, via websites en diensten op basis van mobiele apparaten, langs elektronische weg en op individueel verzoek van een consument, met het oog op het sluiten van een consumentenovereenkomst. Voor de toepassing van die definitie betekent "op afstand" een dienst die geleverd wordt zonder dat de partijen gelijktijdig aanwezig zijn; "langs elektronische weg" betekent dat de dienst verzonden en ontvangen wordt met behulp van elektronische apparatuur voor de verwerking, met inbegrip van digitale compressie, en de opslag van gegevens, en dat die geheel via kabel, radiogolven, optische middelen of andere elektromagnetische middelen wordt verzonden, doorgeleid en ontvangen; "op individueel verzoek van een consument" betekent dat de dienst wordt geleverd op individueel verzoek. Gezien het groeiende belang van diensten op het gebied van e-handel en de verregaand technologische aard daarvan, is het van groot belang over geharmoniseerde voorschriften voor de toegankelijkheid daarvan te beschikken.

(43)  De toegankelijkheidsvoorschriften voor e-handelsdiensten van deze richtlijn moeten gelden voor de onlineverkoop van willekeurig welke producten of diensten, en moeten bijgevolg tevens gelden voor de verkoop van producten of diensten die als zodanig onder deze richtlijn vallen.

(44)  De maatregelen in verband met de toegankelijkheid van het beantwoorden van nood­communicatie dienen te worden genomen, onverminderd, en zonder van invloed te zijn op, de organisatie van de noodhulpdiensten, welke de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten blijft.

(45)  De lidstaten dienen, in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2018/1972, ervoor te zorgen dat de toegang voor eindgebruikers met een handicap tot noodhulpdiensten via noodcommunicatie beschikbaar en gelijkwaardig is aan die van andere eindgebruikers, overeenkomstig het Unierecht ter harmonisatie van toegankelijkheidseisen voor producten en diensten.. De Commissie en de nationale regulerende instanties of andere bevoegde instanties moeten passende maatregelen treffen om te waarborgen dat, eindgebruikers met een handicap op voet van gelijkheid met andere eindgebruikers toegang hebben tot noodhulpdiensten wanneer zij in andere lidstaten reizen, waar mogelijk zonder registratie vooraf. Met die maatregelen wordt gestreefd naar interoperabiliteit onder de lidstaten, en zij moeten zoveel mogelijk gebaseerd zijn op Europese normen of specificaties die in overeenstemming met artikel 39 van Richtlijn (EU) 2018/1972 zijn neergelegd. Dergelijke maatregelen beletten de lidstaten niet aanvullende voorschriften vast te stellen met het oog op het bereiken van de in die richtlijn omschreven doelstellingen. Als alternatief voor het vervullen van de in deze richtlijn vervatte toegankelijkheidsvoorschriften met betrekking tot het beantwoorden van noodcommunicatie voor gebruikers met een handicap, moeten de lidstaten een derde aanbieder van bemiddelingsdiensten kunnen aanwijzen met behulp waarvan personen met een handicap met de alarmcentrale (Public Safety Answering Point - PSAP) kunnen communiceren, totdat deze alarm­centrales elektronischecommunicatiediensten kunnen gebruiken via internetprotocollen ter waarborging van de toegankelijkheid in verband met het beantwoorden van noodcommunicatie. In ieder geval mogen de verplichtingen van deze richtlijn niet in die zin worden opgevat dat zij leiden tot het beperken of minder streng maken van de verplichtingen ten behoeve van voor eindgebruikers met een handicap, met inbegrip van gelijkwaardige toegang tot elektronischecommunicatiediensten en noodhulpdiensten alsmede toegankelijkheidverplichtingen als vervat in Richtlijn (EU) 2018/1972.

(46)  Richtlijn (EU) 2016/2102 stelt een aantal toegankelijkheidsvoorschriften vast voor websites en mobiele applicaties van overheids­instanties en andere gerelateerde aspecten, met name conformiteitsvoorschriften waaraan de betrokken websites en mobiele applicaties moeten voldoen. Deze richtlijn bevat evenwel een specifieke lijst uitzonderingen. Soortgelijke uitzonderingen zijn relevant voor deze richtlijn. Bepaalde activiteiten die via onder deze richtlijn vallende websites en mobiele applicaties van de overheidssector worden verricht, zoals diensten voor personenvervoer of e-handelsdiensten, dienen bovendien aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn te voldoen opdat de onlineverkoop van producten en diensten toegankelijk is voor personen met een handicap, ongeacht of de verkoper een openbare dan wel een particuliere marktdeelnemer is. De toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn moeten worden afgestemd op de voorschriften van Richtlijn (EU) 2016/2102, ondanks verschillen in bijvoorbeeld toezicht, rapportering en handhaving.

(47)  De vier beginselen van toegankelijkheid van websites en mobiele applicaties, als gebruikt in Richtlijn (EU) 2016/2102, zijn: waarneembaarheid, waaronder wordt verstaan dat de informatie en de componenten van de gebruikersinterface zodanig aan gebruikers moeten kunnen worden gepresenteerd dat zij kunnen worden waargenomen; operabiliteit, waaronder wordt verstaan dat de componenten van de gebruikersinterface en de navigatie operabel (bedrijfsklaar) moeten zijn; begrijpelijkheid, waaronder wordt verstaan dat de informatie en de werking van de gebruikersinterface begrijpelijk moeten zijn; en robuustheid, waaronder wordt verstaan dat inhoud voldoende robuust moet zijn om op betrouwbare wijze te kunnen worden geïnterpreteerd door uiteenlopende useragents, waaronder hulptechnologieën. Die beginselen zijn ook voor deze Richtlijn relevant.

(48)  De lidstaten dienen alle passende maatregelen te nemen om te waarborgen dat het vrije verkeer binnen de Unie van producten en diensten die onder deze richtlijn vallen en die aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen, niet om redenen met betrekking tot toegankelijkheidsvoorschriften wordt belemmerd.

(49)  In sommige situaties zouden gemeenschappelijke toegankelijkheidsvoorschriften voor de gebouwde omgeving bevorderlijk zijn voor het vrije verkeer van de betrokken diensten en van personen met een handicap. Daarom moet deze richtlijn de lidstaten de mogelijkheid bieden tot het opnemen van de gebouwde omgeving die wordt gebruikt bij het verlenen van de diensten die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, om te waarborgen dat deze voldoet aan de toegankelijkheidseisen in bijlage III.

(50)  Toegankelijkheid moet worden bereikt door het systematisch wegnemen en voorkomen van belemmeringen, bij voorkeur middels een "universeel ontwerp"- of "ontwerp voor iedereen"-benadering, die ertoe bijdraagt dat personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen toegang wordt gegarandeerd. Overeenkomstig het VN-VRPH houdt deze benadering het volgende in: het "ontwerpen van producten, omgevingen, programma’s en diensten die door iedereen in de ruimst mogelijke zin gebruikt kunnen worden zonder dat aanpassing of een speciaal ontwerp nodig is". In de geest van het VN-VRPH omvat "'universeel ontwerp' [...] tevens hulpapparaten voor specifieke groepen personen met een handicap, indien die nodig zijn". Toegankelijkheid mag voorts het aanbrengen van redelijke aanpassingen niet uitsluiten als deze uit hoofde van het Unierecht of het nationale recht vereist zijn. De begrippen toegankelijkheid en universeel ontwerp moeten worden uitgelegd in overeenstemming met algemene opmerking nr. 2 (2014) - artikel 9: "Toegankelijkheid" van het Comité voor de rechten van personen met een handicap.

(51)  Producten of diensten die onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, vallen niet automatisch onder de werkingssfeer van Richtlijn 93/42/EEG van de Raad(18). Dat neemt niet weg dat sommige hulptechnologieën die medische hulpmiddelen zijn, wel onder de werkingssfeer van die richtlijn kunnen vallen.

(52)  De meeste banen in de Unie worden gecreëerd door kleine en middelgrote ondernemingen en micro-ondernemingen. Zij zijn essentieel voor toekomstige groei, maar worden bij de ontwikkeling van hun producten of diensten vaak met obstakels en belemmeringen geconfronteerd, met name in een grensoverschrijdende context. Daarom moet het werk van kleine en middelgrote ondernemingen en micro-ondernemingen worden vergemakkelijkt door de nationale bepalingen inzake toegankelijkheid te harmoniseren, met behoud van de noodzakelijke waarborgen.

(53)  Micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen komen voor deze richtlijn uitsluitend in aanmerking indien zij daadwerkelijk voldoen aan de voorschriften van Aanbeveling 2003/361/EC(19) van de Commissie en de ter zake doende jurisprudentie, die gericht is op voorkoming van het omzeilen van de regels ervan.

(54)  Om de samenhang van het Unierecht te waarborgen, dient deze richtlijn, aangezien zij betrekking heeft op producten die reeds onder andere rechts­handelingen van de Unie vallen, te worden gebaseerd op Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad(20), waarbij tegelijk het specifieke karakter van de toegankelijkheids­voorschriften van deze richtlijn wordt onderkend.

(55)  Alle marktdeelnemers die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en een rol in de toeleverings- en distributieketen vervullen, dienen te waarborgen dat zij uitsluitend producten op de markt aanbieden die aan ▌deze richtlijn voldoen. Hetzelfde dient te gelden voor marktdeelnemers die diensten verlenen. Er moet worden gezorgd voor een duidelijke en evenredige verdeling van de verplichtingen overeenkomstig de rol van alle markt­deelnemers in de toeleverings- en distributieketen.

(56)  Het is de verantwoordelijkheid van de marktdeelnemers om, naar gelang van hun rol in de toeleveringsketen, ervoor te zorgen dat producten en diensten aan deze voorschriften voldoen, opdat een sterke bescherming van de toegankelijkheid en eerlijke concurrentie op de markt van de Unie worden gewaarborgd.

(57)  De verplichtingen van deze richtlijn dienen evenzeer te gelden voor marktdeelnemers uit de overheidssector als voor marktdeelnemers uit de particuliere sector.

(58)  De fabrikant is op de hoogte van alle details van het ontwerp- en productieproces en verkeert als zodanig in de beste positie om de conformiteitsbeoordeling volledig uit te voeren. De verantwoordelijkheid voor de conformiteit van de producten berust weliswaar bij de fabrikant, maar de markttoezichtautoriteiten dienen een cruciale rol te spelen bij het controleren of de in de Unie aangeboden producten in overeenstemming met het Unierecht zijn vervaardigd.

(59)  Importeurs en distributeurs dienen te worden betrokken bij de markttoezichttaken van nationale autoriteiten en actief medewerking te verlenen, door de bevoegde autoriteiten alle nodige informatie over het betrokken product te verstrekken.

(60)  Importeurs dienen te waarborgen dat producten die vanuit derde landen in de Unie in de handel worden gebracht, aan ▌deze richtlijn voldoen, en met name dat de fabrikanten deze producten aan adequate conformiteitsbeoordelingsprocedures hebben onderworpen.

(61)  Wanneer importeurs een product in de handel brengen, dienen zij hun naam, geregistreerde handelsnaam of het geregistreerd merk, en het adres waarop met hen contact kan worden opgenomen, op het product te vermelden.

(62)  Distributeurs dienen ervoor te zorgen dat de wijze waarop zij met het product omgaan, de conformiteit van het product met de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn niet nadelig beïnvloedt.

(63)  Wanneer een marktdeelnemer een product onder zijn eigen naam of merk in de handel brengt of een reeds in de handel gebracht product zodanig wijzigt dat de conformiteit met de toepasselijke voorschriften in het gedrang kan komen, dient hij als de fabrikant te worden beschouwd en de verplichtingen van de fabrikant op zich te nemen.

(64)  Omwille van de evenredigheid dienen toegankelijkheidsvoorschriften uitsluitend van toepassing te zijn voor zover zij niet tot een onevenredige last voor de betrokken markt­deelnemer leiden of voor zover zij geen ingrijpende wijziging van de producten en diensten vergen waardoor deze als gevolg van deze richtlijn fundamenteel zouden worden gewijzigd. Niettemin moet worden voorzien in controlemechanismen om te kunnen nagaan of aanspraak kan worden gemaakt op uitzonderingen op de toepasselijkheid van de toegankelijkheidsvoorschriften.

(65)  Deze richtlijn dient het beginsel "denk eerst klein" te volgen en rekening te houden met de administratieve lasten voor kleine en middelgrote ondernemingen. Er dienen bij deze richtlijn lichte regels voor conformiteitsbeoordeling te worden vastgesteld en te worden voorzien in vrijwaringsclausules voor marktdeelnemers, in plaats van in algemene uitzonderingen en vrijstellingen voor die ondernemingen. Bij het vaststellen van de regels voor de selectie en uitvoering van de geschiktste procedures voor conformiteitsbeoordeling dient de situatie van kleine en middelgrote ondernemingen in aanmerking te worden genomen, en dienen de verplichtingen voor het beoordelen van de conformiteit met de toegankelijkheidsvoorschriften voldoende beperkt te blijven om kleine en middelgrote ondernemingen niet onevenredig te belasten. Voorts dienen de markttoezichtautoriteiten hun manier van werken af te stemmen op de omvang van de ondernemingen en op de vraag in welke mate er sprake is van serieproductie, zonder onnodige hindernissen voor kleine en middelgrote ondernemingen te scheppen en zonder afbreuk te doen aan de bescherming van het algemeen belang.

(66)  In uitzonderlijke gevallen waarin de naleving van de toegankelijkheids­voorschriften van deze richtlijn de marktdeelnemers onevenredig zou belasten, moet van de marktdeelnemers enkel worden verlangd dat zij deze voorschriften naleven voor zover die geen onevenredige last opleveren. In dergelijke naar behoren gemotiveerde gevallen zou het voor een marktdeelnemer redelijkerwijze niet mogelijk zijn een of meerdere van de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn volledig toe te passen. De marktdeelnemer moet de onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallende diensten en producten niettemin zo toegankelijk mogelijk maken door die voorschriften toe te passen voor zover zij geen onevenredige last opleveren. De toegankelijkheidsvoorschriften die volgens de marktdeelnemer geen onevenredige last opleveren, moeten onverkort gelden. Uitzonderingen op de naleving van een of meerdere toegankelijkheidsvoorschriften wegens de onevenredige last die zij opleveren, mogen niet verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is om die last met betrekking tot het product of de dienst in kwestie in elk individueel geval te beperken. Onder maatregelen die een onevenredige last zouden opleveren moeten maatregelen worden verstaan die de marktdeelnemer een extra buitensporige organisatorische of financiële last opleggen, evenwel overeenkomstig de criteria van deze richtlijn rekening houdend met het voordeel dat personen met een handicap wellicht ondervinden. Op basis van deze overwegingen moeten er criteria worden vastgesteld, opdat zowel marktdeelnemers als bevoegde autoriteiten verschillende situaties kunnen vergelijken en op systematische wijze kunnen beoordelen of er sprake is van een onevenredige last. Bij het beoordelen van de mate waarin niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften kan worden voldaan omdat zij een onevenredige last zouden opleveren, mag alleen rekening worden gehouden met legitieme redenen. Het ontbreken van prioriteit, tijd of kennis mag niet als legitieme reden worden beschouwd.

(67)  Voor de algemene beoordeling van het al dan niet onevenredige karakter van de lasten, dienen de in bijlage VI genoemde criteria te worden gebruikt. De marktdeelnemer moet zijn oordeel dat de lasten onevenredig zijn schriftelijk staven, zulks rekening houdend met de toepasselijke criteria. Dienstverleners dienen het al dan niet onevenredige karakter van de lasten ten minste om de vijf jaar opnieuw te beoordelen.

(68)  De marktdeelnemer moet de bevoegde autoriteiten meedelen dat hij zich baseert op de bepalingen in verband met een fundamentele wijziging en/of een onevenredige last. De marktdeelnemer hoeft een exemplaar van de beoordeling die uitleg bevat waarom een product of dienst niet volledig toegankelijk is, en die bewijs is voor de onevenredige last en/of fundamentele wijziging, of beide, uitsluitend op verzoek van de bevoegde autoriteiten over te leggen.

(69)  Ingeval een dienstverlener op grond van de voorgeschreven beoordeling tot de slotsom komt dat er een onevenredige last ontstaat indien alle voor de levering van de onder deze richtlijn vallende diensten gebruikte zelfbedieningsterminals aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn moeten voldoen, dient de dienstverlener die voorschriften slechts na te leven voor zover die voorschriften hem geen onevenredige last bezorgen. Bijgevolg moeten de dienstverleners beoordelen in welke mate een beperkt toegankelijkheidsniveau op alle zelfbedienings­terminals of een beperkt aantal volledig toegankelijke zelfbedieningsterminals hen in staat zou stellen een onevenredige last die anders voor hem zou ontstaan, te vermijden, en moet hen voorgeschreven worden alleen in die mate aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn te voldoen..

(70)  Micro-ondernemingen onderscheiden zich van alle andere ondernemingen door hun beperkte personele middelen, jaarlijkse omzet of jaarlijkse balanstotaal. De lasten waarmee naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften voor micro-ondernemingen gepaard gaat, leggen bijgevolg over het algemeen een groter beslag op hun financiële en personele middelen dan bij andere ondernemingen, en vormen vermoedelijk een onevenredig aandeel van de kosten. Een aanzienlijk gedeelte van de kosten voor micro-ondernemingen ontstaat door het invullen en bewaren van administratie en boekhouding om aan te tonen dat de verschillende door het Unierecht opgelegde voorschriften worden nageleefd. Hoewel alle marktdeelnemers die onder deze richtlijn vallen, in staat moeten zijn de evenredigheid van de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn te beoordelen en deze slechts in acht moeten nemen voor zover zij niet onevenredig zijn, zou het verlangen van een dergelijke beoordeling van dienstverlenende micro-ondernemingen op zichzelf een onevenredige last vormen. De voorschriften en verplichtingen van deze richtlijn dienen bijgevolg niet te gelden voor micro-ondernemingen die diensten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn verlenen.

(71)  Voor micro-ondernemingen die zich bezighouden met producten binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, moetende voorschriften en verplichtingen van deze richtlijn minder streng zijn, zodat het ontstaan van onevenredige administratieve lasten wordt verminderd.

(72)  Hoewel sommige micro-ondernemingen vrijgesteld zijn van de verplichtingen van deze richtlijn, moeten alle micro-ondernemingen er, met het oog op een groter concurrentie­vermogen en groeipotentieel ervan in de interne markt, toe worden aangemoedigd producten te vervaardigen, in te voeren of te distribueren en diensten te verlenen die voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn. De lidstaten moeten micro-ondernemingen derhalve de nodige richtsnoeren en instrumenten geven om de toepassing van de nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn te faciliteren.

(73)  Van alle marktdeelnemers wordt verwacht dat zij bij het in de handel brengen of op de markt aanbieden van producten of het op de markt verlenen van diensten verantwoordelijk optreden en aan alle toepasselijke wettelijke voorschriften voldoen.

(74)  Om de beoordeling van de conformiteit met de toepasselijke toegankelijkheids­voorschriften te vergemakkelijken, moet worden voorzien in een vermoeden van conformiteit voor producten en diensten die voldoen aan vrijwillige geharmoniseerde normen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad(21) zijn vastgesteld met de bedoeling die voorschriften in de vorm van gedetailleerde technische specificaties op te stellen. De Commissie heeft de Europese normalisatieorganisaties al een aantal normalisatieverzoeken op het gebied van toegankelijkheid toegestuurd, zoals de normalisatiemandaten M/376, M/473 en M/420, die relevant zouden zijn voor het opstellen van geharmoniseerde normen.

(75)  Verordening (EU) nr. 1025/2012 bevat een procedure voor formele bezwaren tegen geharmoniseerde normen die worden geacht niet aan de voorschriften van deze richtlijn te voldoen.

(76)   De Europese normen moeten marktgedreven zijn, rekening houden met het algemeen belang en met de beleidsdoelstellingen die duidelijk zijn geformuleerd in het verzoek van de Commissie aan één of meer Europese normalisatieorganisaties om geharmoniseerde normen op te stellen, en moeten stoelen op consensus. Bij gebrek aan geharmoniseerde normen en waar nodig ten behoeve van internemarktharmonisatie dient de Commissie in bepaalde gevallen uitvoeringshandelingen te kunnen vaststellen om voor de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn ▌ technische specificaties vast te stellen. Er dient uitsluitend in dergelijke gevallen gebruik te worden gemaakt van technische specificaties. De Commissie moet technische specificaties kunnen vaststellen bijvoorbeeld wanneer het normalisatieproces wordt geblokkeerd omdat er tussen de belanghebbenden geen consensus heerst of indien er bij de vaststelling van een geharmoniseerde norm onnodige vertraging optreedt, bijvoorbeeld omdat de vereiste kwaliteit niet wordt gehaald. De Commissie moet voldoende tijd laten tussen het in behandeling nemen van een verzoek aan één of meer Europese normalisatieorganisaties om geharmoniseerde normen op te stellen en het vaststellen van een technische specificatie in verband met het desbetreffende toegankelijkheidsvoorschrift. De Commissie mag geen technische specificatie vaststellen indien zij nog niet heeft getracht om via het Europese normalisatiestelsel aan de toegankelijkheidsvoorschriften te voldoen, tenzij zij kan aantonen dat de technische specificaties in overeenstemming zijn met de voorschriften in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1025/2012.

(77)  Opdat de met de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn overeenstemmende geharmoniseerde normen en technische specificaties voor producten en diensten zo efficiënt mogelijk worden vastgesteld, moet de Commissie hierbij, indien dit haalbaar is, Europese koepelorganisaties van personen met een handicap en alle andere relevante belanghebbenden betrekken.

(78)  Om de daadwerkelijke toegang tot informatie voor markttoezichtdoeleinden te waarborgen, dient de informatie die vereist is voor een verklaring van conformiteit met alle toepasselijke handelingen van de Unie beschikbaar te worden gemaakt in één enkele EU-conformiteits­verklaring. Ter beperking van hun administratieve lasten moeten marktdeelnemers alle relevante afzonderlijke conformiteitsverklaringen in die ene EU-conformiteitsverklaring kunnen integreren.

(79)  Voor de conformiteitsbeoordeling van producten dient deze richtlijn gebruik te maken van de in module A van bijlage II bij Besluit nr. 768/2008/EG vervatte interne productie­controle, waarmee marktdeelnemers kunnen aantonen - en de bevoegde autoriteiten kunnen waarborgen - dat op de markt aangeboden producten aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoen, zonder dat hun een buitensporig grote last wordt opgelegd.

(80)  Bij het uitoefenen van markttoezicht op producten en het controleren van de conformiteit van diensten, moeten de autoriteiten ook de conformiteitsbeoordelingen controleren, inclusief of de relevante beoordeling van het bestaan van een fundamentele wijziging of onevenredige last correct is verricht. De autoriteiten moeten hun taken tevens uitoefenen in samenwerking met personen met een handicap en de organisaties die hen en hun belangen vertegenwoordigen.

(81)  Wat diensten betreft, dient de informatie die nodig is om de ▌ conformiteit met de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn te beoordelen in de algemene voorwaarden of een gelijkwaardige document te worden verstrekt, onverminderd Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad(22).

(82)  De CE-markering, waarmee de conformiteit van een product met de toegankelijkheids­voorschriften van deze richtlijn wordt aangegeven, is de zichtbare uitkomst van het proces van conformiteitsbeoordeling in brede zin. Deze richtlijn moet sporen met de algemene beginselen voor de CE-markering van Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad(23) tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten. Naast het afgeven van de EU-conformiteitsverklaring moet de fabrikant consumenten op kosteneffectieve wijze informeren over de toegankelijkheid van zijn producten.

(83)  Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 verklaart de fabrikant door het aanbrengen van de CE-markering dat het product aan alle toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet en dat de fabrikant de volledige verantwoordelijkheid daarvoor op zich neemt.

(84)  Overeenkomstig Besluit nr. 768/2008/EG zijn de lidstaten op hun grondgebied verantwoordelijk voor een streng en doeltreffend markttoezicht op de producten en dienen zij hun markttoezichtautoriteiten voldoende bevoegdheden en middelen te geven.

(85)  De lidstaten dienen te controleren of de verplichtingen van deze richtlijn worden nageleefd en dienen actie te ondernemen bij klachten of meldingen in verband met het niet-naleven ervan om te waarborgen dat corrigerende maatregelen zijn getroffen.

(86)  Waar nodig kan de Commissie, in overleg met belanghebbenden, niet-bindende richtsnoeren opstellen ter bevordering van de coördinatie tussen markttoezichtautoriteiten en de voor het controleren van de conformiteit van diensten verantwoordelijke autoriteiten. De Commissie en de lidstaten moeten initiatieven kunnen opzetten voor het delen van de middelen en deskundigheid van autoriteiten.

(87)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de markttoezichtautoriteiten en de voor de conformiteit van diensten verantwoordelijke autoriteiten controleren of de marktdeelnemers overeenkomstig de hoofdstukken VIII en IX voldoen aan de in bijlage VI vastgelegde criteria. De lidstaten moeten een gespecialiseerde instantie kunnen aanwijzen voor het vervullen van de verplichtingen van markttoezichtautoriteiten en voor de conformiteit van diensten verantwoordelijke autoriteiten krachtens deze richtlijn. De lidstaten moeten kunnen besluiten om de bevoegdheden van die gespecialiseerde instantie te beperken tot het toepassingsgebied van deze richtlijn of bepaalde delen ervan, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten krachtens Verordening (EG) nr. 765/2008.

(88)  Er dient een vrijwaringsprocedure te worden ingesteld die moet worden gevolgd wanneer lidstaten het niet eens zijn over de door een lidstaat getroffen maatregelen waarbij belanghebbende partijen ingelicht worden over beoogde maatregelen tegen producten die niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn voldoen. De vrijwaringsprocedure dient de markttoezichtautoriteiten in staat te stellen om, in samenwerking met de betrokken marktdeelnemers, in een vroeger stadium tegen die producten op te treden.

(89)  Wanneer de lidstaten en de Commissie het erover eens zijn dat een maatregel van een lidstaat rechtmatig is, zijn verdere initiatieven van de Commissie niet nodig, behalve wanneer de niet-naleving te wijten is aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen of in de technische specificaties.

(90)  De Richtlijnen 2014/24/EU(24) en 2014/25/EU(25) van het Europees Parlement en de Raad inzake overheidsopdrachten, waarin de procedures voor de gunning van overheids­opdrachten en prijsvragen voor bepaalde leveringen (producten), diensten en werken worden omschreven, bepalen dat, voor alle aanbestedingen die zijn bedoeld voor gebruik door natuurlijke personen, hetzij door het grote publiek, hetzij door het personeel van de aanbestedende dienst of instantie, de technische specificaties, uitgezonderd in naar behoren gemotiveerde gevallen, zodanig moeten worden opgesteld dat rekening wordt gehouden met de criteria inzake toegankelijkheid voor personen met een handicap of de geschiktheid van het ontwerp voor alle gebruikers. Voorts vereisen deze richtlijnen dat, indien middels een rechtshandeling van de Unie verplichte toegankelijkheids­voorschriften zijn vastgesteld, de technische specificaties, voor zover het de criteria voor toegankelijkheid van personen met een handicap of het ontwerp voor iedereen betreft, onder verwijzing naar de desbetreffende criteria worden vastgesteld. Bij onderhavige richtlijn moeten verplichte toegankelijkheidsvoorschriften voor de onder de werkingssfeer ervan vallende producten en diensten worden vastgesteld. Voor niet onder de werkingssfeer van deze richtlijn vallende producten en diensten zijn de toegankelijkheids­voorschriften van deze richtlijn niet bindend. Het gebruik van deze toegankelijkheids­voorschriften voor het vervullen van de relevante verplichtingen die in andere Uniehandelingen dan deze richtlijn zijn opgenomen, zou echter de invoering van toegankelijkheid vergemakkelijken en bijdragen tot de rechtszekerheid en de onderlinge aanpassing van de toegankelijkheidsvoorschriften in de gehele Unie. De autoriteiten mag niet worden belet toegankelijkheidsvoorschriften vast te stellen die verder gaan dan de in bijlage I bij deze richtlijn opgenomen toegankelijkheidsvoorschriften.

(91)  Deze richtlijn mag het verplichte of vrijwillige karakter van de bepalingen betreffende toegankelijkheid in andere handelingen van de Unie niet wijzigen.

(92)  Deze richtlijn dient enkel van toepassing te zijn op overheidsopdrachten waarvoor een oproep tot mededinging is verzonden of, in gevallen waarin niet in een oproep tot mededinging is voorzien, overheidsopdrachten waarvoor de aanbestedende dienst of instantie de aanbestedingsprocedure na de datum van toepassing van deze richtlijn is begonnen.

(93)  Opdat deze richtlijn correct wordt toegepast, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot nadere bepaling van de toegankelijkheidsvoorschriften die vanwege de aard ervan het beoogde effect slechts kunnen sorteren indien zij nader worden bepaald in bindende rechtshandelingen van de Unie, tot wijziging van de periode gedurende welke marktdeelnemers andere marktdeelnemers kunnen aanwijzen die hun of aan wie zij producten hebben geleverd, en tot nadere bepaling van de toepasselijke criteria die de marktdeelnemer in acht moet nemen wanneer hij beoordeelt of het naleven van de toegankelijkheidsvoorschriften een onevenredige last zou opleveren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(26). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(94)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van ▌ deze richtlijn moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot technische specificaties. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(27).

(95)  De lidstaten moeten zorgen voor adequate en doeltreffende middelen om de naleving van deze richtlijn te waarborgen en moeten dus voorzien in gepaste controlemechanismen, zoals een controle achteraf door de markttoezichtautoriteiten, zodat kan worden nagegaan of de vrijstelling van de toepassing van de toegankelijkheidsvoorschriften te rechtvaardigen valt. De lidstaten moeten zich bij het behandelen van klachten over toegankelijkheid houden aan het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en met name aan de verplichting voor ambtenaren te garanderen dat ten aanzien van iedere klacht binnen een redelijke termijn een besluit wordt genomen.

(96)  Teneinde bij te dragen tot de eenvormige toepassing van deze richtlijn moet de Commissie een werkgroep met relevante autoriteiten en belanghebbenden instellen om de uitwisseling van informatie en beste praktijken te faciliteren en advies te verstrekken. De samenwerking tussen autoriteiten en relevante belanghebbenden, waaronder personen met een handicap en organisaties die hen vertegenwoordigen, moet worden bevorderd, onder meer met het oog op een grotere consistentie bij de toepassing van de bepalingen van deze richtlijn inzake de toegankelijkheidsvoorschriften en om de uitvoering van de bepalingen inzake fundamentele wijziging en onevenredige last te monitoren.

(97)  Gezien het bestaande wettelijk kader inzake rechtsmiddelen op de onder de Richtlijnen 2014/24/EU en 2015/25/EU vallende gebieden, mogen de bepalingen van deze richtlijn in verband met handhaving en sancties niet gelden voor de aanbestedings­procedures die onder de verplichtingen van deze richtlijn vallen. Die uitsluiting geldt onverminderd de verplichtingen voor de lidstaten krachtens de Verdragen om alle maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn om de toepassing en effectiviteit van de Uniewetgeving te waarborgen.

(98)  Sancties dienen in verhouding tot de aard van de inbreuken en de omstandigheden te staan, opdat marktdeelnemers deze niet als alternatief gebruiken voor het nakomen van hun verplichtingen om hun producten of diensten toegankelijk te maken.

(99)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er, overeenkomstig het bestaande Unierecht, alternatieve mechanismen voor geschillenbeslechting voorhanden zijn aan de hand waarvan een oplossing kan worden gevonden voor beweerde non-conformiteit met deze richtlijn voordat een vordering wordt ingesteld voor de rechter of een bevoegde administratieve instantie.

(100)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(28) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettings­maatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettings­instrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(101)  Teneinde dienstverleners voldoende tijd te geven om zich aan de voorschriften van deze richtlijn aan te passen, is het nodig te voorzien in een overgangsperiode van vijf jaar na de datum van toepassing van deze richtlijn, waarin voor dienstverlening gebruikte producten die vóór die datum in de handel zijn gebracht, niet hoeven te voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn, tenzij deze producten tijdens de overgangsperiode door de dienstverleners worden vervangen. Gezien de kostprijs en de lange levensduur van zelfbedieningsterminals moet worden geregeld dat, wanneer dergelijke terminals bij de dienstverlening worden gebruikt, zij tot het einde van hun economische levensduur, doch niet langer dan 20 jaar, mogen worden gebruikt, mits zij in deze periode niet vervangen worden.

(102)  De toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn dienen van toepassing te zijn op producten die in de handel worden gebracht en diensten die worden verleend na de datum waarop de nationale maatregelen tot omzetting van deze richtlijn van toepassing worden, met inbegrip van uit een derde land ingevoerde gebruikte en tweedehandsproducten die na die datum in de handel worden gebracht.

(103)  Deze richtlijn is in overeenstemming met de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest") worden erkend. Met deze richtlijn wordt meer bepaald gestreefd naar volledige eerbiediging van het recht van personen met een handicap om hun voordeel te doen met de maatregelen die bedoeld zijn om hun zelfstandigheid en hun integratie in de samenleving en het beroepsleven en hun deelname aan het gemeenschapsleven te waarborgen, alsmede naar een consequentere toepassing van de artikelen 21, 25 en 26 van het Handvest.

(104)  Daar de doelstelling van deze richtlijn - te weten het wegnemen van belemmeringen voor het vrije verkeer van bepaalde toegankelijke producten en diensten om bij te dragen tot het goede functioneren van de interne markt - niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt omdat dit de harmonisatie van verschillende voorschriften uit hun respectieve rechtsstelsels vereist, maar beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt door ▌ gemeenschappelijke toegankelijkheidsvoorschriften en regels voor het functioneren van de interne markt vast te stellen, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze richtlijn strekt ertoe een bijdrage te leveren tot het goed functioneren van de interne markt middels onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de toegankelijkheidsvoorschriften voor bepaalde producten en diensten, in het bijzonder door het wegwerken en voorkomen van belemmeringen voor het vrije verkeer van onder deze richtlijn vallende producten en diensten ten gevolge van uiteenlopende toegankelijkheidsvoorschriften in de lidstaten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op de volgende producten die na … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] in de handel worden gebracht:

a)  gewone computerapparatuur voor consumenten en besturingssystemen voor die apparatuur;

b)  de volgende zelfbedieningsterminals:

i)  betaalterminals;

ii)  de volgende zelfbedieningsterminals die worden gebruikt voor het verlenen van onder deze richtlijn vallende diensten:

–  geldautomaten;

–  ticketautomaten;

–  incheckautomaten;

–  interactieve informatieverstrekkende zelfbedieningsterminals, met uitzondering van terminals die als geïntegreerde delen van voertuigen, luchtvaartuigen, schepen, of rollend materieel zijn geïnstalleerd;

c)  eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, die gebruikt wordt voor elektronischecommunicatiediensten;

d)  eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties voor toegang tot audiovisuele mediadiensten; en

e)  e-lezers.

2.  Onverminderd artikel 32 is deze richtlijn van toepassing op de volgende diensten die na … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] aan consumenten worden verleend:

a)  elektronischecommunicatiediensten, met uitzondering van transmissiediensten die voor de levering van machine-to-machinediensten worden gebruikt;

b)  diensten die toegang verlenen tot audiovisuele mediadiensten ▌;

c)  navolgende elementen van personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water, met uitzondering van stedelijke, en voorstedelijke en regionale vervoersdiensten, waarvoor uitsluitend de elementen onder v) van toepassing zijn:

i)  websites;

ii)  op basis van mobiele apparaten, onder meer via mobiele applicaties, geleverde diensten;

iii)  elektronische tickets en elektronische ticketingdiensten;

iv)  het verstrekken van informatie over vervoersdiensten, waaronder realtime-reisinformatie; dit wordt, wat informatieschermen betreft, beperkt tot interactieve schermen die zich op het grondgebied van de Unie bevinden; en

v)  interactieve zelfbedieningsterminals op het grondgebied van de Unie, uitgezonderd terminals die als geïntegreerde onderdelen zijn geïnstalleerd in voertuigen, luchtvaartuigen, schepen en rollend materieel die voor het aanbieden van een of meer onderdelen van deze diensten voor personenvervoer worden gebruikt;

d)  bankdiensten voor consumenten;

e)  e-boeken en specifieke software daarvoor; en

f)  e-handelsdiensten.

3.  Deze richtlijn is van toepassing op het beantwoorden van noodcommunicatie via het gemeenschappelijk Europees noodnummer "112".

4.  Deze richtlijn niet van toepassing op de volgende inhoud van websites en mobiele toepassingen:

a)  vooraf opgenomen, op tijd gebaseerde media die gepubliceerd zijn vóór … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn];

b)  kantoorbestandsformats die gepubliceerd zijn vóór … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn];

c)  onlinekaarten en -karteringsdiensten, indien essentiële informatie op een toegankelijke, digitale wijze wordt verstrekt in het geval van voor navigatie bestemde kaarten;

d)  van derden afkomstige inhoud die niet door de betrokken marktdeelnemer wordt gefinancierd of ontwikkeld en waarover deze geen zeggenschap heeft;

e)  inhoud van websites en toepassingen op basis van mobiele apparaten die kunnen worden aangemerkt als archieven, wat betekent dat zij enkel inhoud bevatten die niet wordt bijgewerkt of aangepast na … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

5.  Deze richtlijn laat Richtlijn (EU) 2017/1564 en Verordening (EU) 2017/1563 onverlet.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)  "personen met een handicap": ▌personen met langdurige fysieke, mentale, intellectuele of zintuiglijke beperkingen die in hun interactie te kampen hebben met diverse drempels die hen kunnen beletten volledig, effectief en op voet van gelijkheid met anderen in de samenleving te participeren;

2)  "product": door middel van een productieproces vervaardigde stof, preparaat of goed, uitgezonderd levensmiddelen, diervoeder, levende planten en dieren, producten van menselijke oorsprong en rechtstreeks met hun toekomstige reproductie verband houdende producten van planten en dieren;

3)  "dienst": dienst als omschreven in artikel 4, punt 1, van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad(29);

4)  "dienstverlener": natuurlijke of rechtspersoon die een dienst verleent op de markt van de Unie of aanbiedt consumenten in de Unie een dienst te verlenen;

5)  "audiovisuele mediadiensten": in artikel 1, lid 1, punt a), van Richtlijn 2010/13/EU omschreven diensten;

6)  "tot audiovisuele mediadiensten toegang verschaffende diensten": door middel van elektronischecommunicatienetwerken uitgezonden diensten die gebruikt worden om kennis te nemen van audiovisuele mediadiensten, ze te kiezen, er informatie over te ontvangen en ze te bekijken, alsmede alle beschikbaar gemaakte functies, zoals ondertiteling voor doven en slechthorenden, audiodescriptie, gesproken ondertiteling en vertolking in gebarentaal, die resulteren uit het toepassen van maatregelen voor het toegankelijk maken van die diensten in de zin van artikel 7 van Richtlijn 2010/13/EU; en omvat elektronische programmagidsen (EPG's);

7)  "eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computer­functies, voor toegang tot audiovisuele mediadiensten": elke soort apparatuur met als voornaamste functie het verlenen van toegang tot audiovisuele mediadiensten;

8)  "elektronischecommunicatiedienst": dienst voor elektronische communicatie in de zin van artikel 2, punt 4, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

9)  "diensten voor totale conversatie": diensten voor totale conversatie in de zin van artikel 2, punt 35, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

10)  "alarmcentrale" of "PSAP" (Public Safety Answering Point): alarmcentrale of PSAP in de zin van artikel 2, punt 36, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

11)  "meest geschikte alarmcentrale": meest geschikte alarmcentrale in de zin van artikel 2, punt 37, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

12)  "noodcommunicatie": noodcommunicatie in de zin van artikel 2, punt 38, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

13)  "noodhulpdienst": noodhulpdienst in de zin van artikel 2, punt 39, van Richtlijn (EU) 2018/1972;

14)  "realtimetekst": vorm van schriftelijke conversatie tussen twee punten of in meerpuntenconferenties, waarbij de ingevoerde tekst op zodanige wijze wordt verzonden dat het bericht door de gebruiker wordt ervaren als doorlopend en letter voor letter tot stand komend;

15)  "op de markt aanbieden": het in het kader van een handelsactiviteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik op de markt van de Unie;

16)  "in de handel brengen": het voor het eerst in de Unie op de markt aanbieden van een product;

17)  "fabrikant": natuurlijke of rechtspersoon die een product fabriceert of laat ontwerpen of fabriceren en dat product onder zijn benaming of merk in de handel brengt;

18)  "gemachtigde": in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die schriftelijk door een fabrikant is gemachtigd om namens hem specifieke taken te verrichten;

19)  "importeur": in de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die een product uit een derde land in de Unie in de handel brengt;

20)  "distributeur": natuurlijke of rechtspersoon in de toeleveringsketen, uitgezonderd de fabrikant of de importeur, die een product op de markt aanbiedt;

21)  "marktdeelnemer": fabrikant, gemachtigde, importeur, distributeur of dienstverlener;

22)  "consument": natuurlijke persoon die het desbetreffende product koopt of de desbetreffende dienst afneemt voor andere doeleinden dan zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit;

23)  "micro-onderneming": onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaaromzet of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 2 miljoen EUR;

24)  "kleine en middelgrote ondernemingen": categorie van ondernemingen met minder dan 250 werknemers en met een jaaromzet van ten hoogste 50 miljoen EUR of een jaarlijks balanstotaal van ten hoogste 43 miljoen EUR, micro-ondernemingen niet inbegrepen;

25)  "geharmoniseerde norm": geharmoniseerde norm als omschreven in artikel 2, punt 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1025/2012;

26)  " ▌technische specificatie": een technische specificatie als omschreven in artikel 2, punt 4, van Verordening (EU) nr. 1025/2012, ter nakoming van de op een product of dienst van toepassing zijnde toegankelijkheidsvoorschriften;

27)  "uit de handel nemen": maatregel om te voorkomen dat een product in de toeleveringsketen op de markt wordt aangeboden;

28)  "bankdiensten voor consumenten": het aan consumenten verlenen van de volgende bankdiensten of financiële diensten:

a)  kredietovereenkomsten die vallen onder Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad(30) of Richtlijn 2014/17/EU van het Europees Parlement en de Raad(31);

b)  diensten als omschreven in bijlage I, deel A, punten 1, 2, 4 en 5, en deel B, punten 1, 2, 4 en 5, van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(32);

c)  betalingsdiensten als omschreven in artikel 4, punt 3, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad(33);

d)  diensten verband houdende met betaalrekeningen als omschreven in artikel 2, punt 6, van Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad(34); en

e)  elektronisch geld als omschreven in artikel 2, punt 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad(35);

29)  "betaalterminal": apparaat met als voornaamste functie het verrichten van betalingen met gebruik van betaalinstrumenten als omschreven in artikel 4, punt 14, van Richtlijn (EU) 2015/2366 op een fysiek verkooppunt, doch niet in een virtuele omgeving;

30)  "e-handelsdiensten": diensten die worden verleend op afstand, via websites en diensten op basis van mobiele apparaten, langs elektronische weg en op individueel verzoek van een consument met het oog op het sluiten van een consumentenovereenkomst;

31)  "diensten voor personenvervoer per vliegtuig": commerciële luchtdiensten voor passagiers in de zin van artikel 2, punt l), van Verordening (EG) nr. 1107/2006, met vertrek van, doorreis via of aankomst op een luchthaven, indien deze luchthaven op het grondgebied van een lidstaat is gelegen, met inbegrip van vluchten vanaf een luchthaven in een derde land naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat ingeval de diensten door in de Unie gevestigde luchtvaartmaatschappijen worden verricht;

32)  "diensten voor personenvervoer per bus": onder artikel 2, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 181/2011 vallende diensten;

33)  "diensten voor personenvervoer per spoor": alle diensten voor treinreizigers als bedoeld in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1371/2007, met uitzondering van de in artikel 2, lid 2, van die verordening bedoelde diensten;

34)  "diensten voor personenvervoer over water": onder artikel 2, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1177/2010 vallende passagiersdiensten, met uitzondering van de onder artikel 2, lid 2, van genoemde verordening vallende diensten;

35)  “stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten”: stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten als omschreven in artikel 3, punt 6, van Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(36); voor de toepassing van onderhavige richtlijn omvat het echter enkel de volgende vervoers­wijzen: trein, bus en touringcar, metro, tram en trolleybus.

36)  "regionale vervoersdiensten": regionale vervoersdiensten als omschreven in artikel 3, punt 7, van Richtlijn 2012/34/EU; voor de toepassing van onderhavige richtlijn omvat het echter enkel de volgende vervoers­wijzen: trein, bus en touringcar, metro, tram en trolleybus;

37)  "hulptechnologie": onderdelen, uitrusting, diensten- of productsystemen, met inbegrip van software waarmee de functionele mogelijkheden van personen met een handicap of andere beperkingen worden verhoogd, in stand gehouden, vervangen of verbeterd, of waarmee stoornissen, beperkingen of participatiebeperkingen worden verlicht of gecompenseerd;

38)  "besturingssysteem": software die onder meer zorgt voor de verbinding met perifere apparatuur, taken plant, opslagruimte toekent en de gebruiker een standaard­interface aanbiedt wanneer geen toepassingsprogramma actief is, met inbegrip van een grafische gebruikersinterface, ongeacht of deze software integraal deel uitmaakt van gewone computerapparatuur voor consumenten, dan wel voor dergelijke apparatuur bestemde autonome software is, met uitzondering evenwel van de software voor het laden van een besturingssysteem, basis-input/output-systemen of andere firmware die nodig is voor het opstarten of het installeren van het besturingssysteem;

39)  "gewone computerapparatuur voor consumenten": de combinatie van apparatuur waaruit een volledige computer bestaat, gekenmerkt door multifunctionaliteit en het vermogen om met de juiste software de meest voorkomende, door consumenten gevraagde computertaken uit te voeren, en bedoeld voor gebruik door consumenten, met inbegrip van personal computers, in het bijzonder desktops, notebooks, smartphones en tablets;

40)  "interactieve computerfuncties": functionaliteiten ter ondersteuning van de interactie tussen mens en apparaat, die de verwerking en transmissie van gegevens, stem of video of iedere combinatie daarvan mogelijk maken;

41)  "e-boek en bijbehorende software": dienst voor het ter beschikking stellen van digitale bestanden met een elektronische versie van een boek, die kunnen worden geopend, doorgebladerd, gelezen en gebruikt, alsmede van de software, daaronder begrepen diensten op basis van mobiele apparaten, waaronder mobiele applicaties, die nodig is om deze bestanden te openen, te doorbladeren, te lezen en te gebruiken, met uitzondering van software die valt onder de definitie van punt 42;

42)  "e-lezer": speciaal toestel, met apparatuur en software, om e-boekbestanden te openen, te doorbladeren, te lezen en te gebruiken;

43)  "elektronische tickets": systeem waarmee een vervoersbewijs in de vorm van één of meerdere reistickets, een abonnement of reissaldo elektronisch wordt opgeladen op een fysiek vervoersbewijs of ander hulpmiddel, in plaats van op een papieren ticket te worden afgedrukt;

44)  "elektronische ticketingdiensten": systeem waarmee tickets voor personenvervoer worden aangekocht, ook online, door middel van een apparaat met interactieve computerfuncties, en dat die tickets in elektronische vorm aan de koper ter beschikking stelt, zodat deze op papier kunnen worden afgedrukt of tijdens de reis op een mobiel apparaat met interactieve computerfuncties kunnen worden getoond.

HOOFDSTUK II

TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN EN VRIJ VERKEER

Artikel 4

Toegankelijkheidsvoorschriften

1.  De lidstaten zien erop toe, overeenkomstig de leden 2, 3 en 5 van dit artikel en onder voorbehoud van artikel 14, dat marktdeelnemers uitsluitend producten in de handel brengen en uitsluitend diensten verlenen die voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften in bijlage I.

2.  Alle producten voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling I van bijlage I.

Alle producten, met uitzondering van zelfbedieningsterminals, voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling II van bijlage I.

3.  Onverminderd lid 5 van dit artikel voldoen alle diensten, met uitzondering van de stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten en regionale vervoersdiensten, aan de toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling III van bijlage I.

Onverminderd lid 5 van dit artikel voldoen alle diensten aan de toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling IV van bijlage I.

4.  De lidstaten kunnen, gelet op binnenlandse omstandigheden, bepalen dat de bebouwde omgeving die door klanten van onder deze richtlijn vallende diensten wordt gebruikt, moet voldoen aan de toegankelijkheidsvoorschriften van bijlage III teneinde het gebruik van deze diensten door personen met een ▌handicap zoveel mogelijk te bevorderen.

5.  Micro-ondernemingen die diensten aanbieden, worden vrijgesteld van de in lid 3 van dit artikel bedoelde toegankelijkheidsvoorschriften en van elke verplichting in verband met de naleving van die voorschriften.

6.  De lidstaten geven micro-ondernemingen de nodige richtsnoeren en instrumenten om de toepassing van de nationale maatregelen ter omzetting van deze richtlijn te faciliteren. De lidstaten ontwikkelen die instrumenten in samenspraak met relevante belanghebbenden.

7.  De lidstaten kunnen de marktdeelnemers in kennis stellen van de in bijlage II vervatte indicatieve voorbeelden van de wijze waarop ertoe kan worden bijgedragen dat aan de toegankelijkheidsvoorschriften in bijlage I kan worden voldaan.

8.  De lidstaten zien erop toe dat bij het beantwoorden van noodcommunicatie via het gemeenschappelijk Europees noodnummer "112" door de meest geschikte alarmcentrale, wordt voldaan aan de specifieke toegankelijkheidsvoorschriften van bijlage I, afdeling V, op de wijze die het meest geschikt is voor de nationale organisatie van noodhulpdiensten.

9.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van bijlage I, houdende nadere uitwerking van de toegankelijkheids­voorschriften die gezien hun aard het beoogde effect slechts kunnen sorteren indien zij verder worden uitgewerkt in bindende rechtshandelingen van de Unie, zoals voorschriften met betrekking tot interoperabiliteit.

Artikel 5

Bestaande Uniewetgeving op het gebied van personenvervoer

Diensten die voldoen aan de voorschriften voor de verstrekking van toegankelijke informatie en van informatie over toegankelijkheid in de zin van de Verordeningen (EG) nr. 261/2004, (EG) nr. 1107/2006, (EG) nr. 1371/2007, (EU) nr. 1177/2010 en (EU) nr. 181/2011, alsmede van de desbetreffende handelingen die zijn vastgesteld op basis van Richtlijn 2008/57/EG, worden geacht aan de overeenkomstige voorschriften van deze richtlijn te voldoen. Wanneer deze richtlijn ten opzichte van voornoemde verordeningen en handelingen aanvullende voorschriften bevat, zijn de aanvullende voorschriften geheel van toepassing.

Artikel 6

Vrij verkeer

De lidstaten werpen geen met toegankelijkheidsvoorschriften verband houdende belemmeringen op voor het op hun grondgebied in de handel brengen van producten of verlenen van diensten die aan deze richtlijn voldoen.

HOOFDSTUK III

VERPLICHTINGEN VAN MARKTDEELNEMERS DIE ZICH MET PRODUCTEN BEZIGHOUDEN

Artikel 7

Verplichtingen van fabrikanten

1.  Fabrikanten waarborgen bij het in de handel brengen van hun producten dat deze zijn ontworpen en vervaardigd overeenkomstig de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn.

2.  Fabrikanten stellen de technische documentatie op overeenkomstig bijlage IV en voeren de conformiteitsbeoordeling uit - of laten deze uitvoeren - volgens de in die bijlage vermelde procedure.

Indien via die procedure is aangetoond dat het product aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, stellen de fabrikanten een EU-conformiteits­verklaring op en brengen zij de CE-markering aan.

3.  Fabrikanten bewaren de technische documentatie en de EU-conformiteitsverklaring gedurende vijf jaar na het in de handel brengen van het product.

4.  Fabrikanten zorgen ervoor dat zij over procedures beschikken om een continue conformiteit van hun serieproductie met deze richtlijn te waarborgen. Er wordt naar behoren rekening gehouden met veranderingen in het ontwerp of de kenmerken van het product en met wijzigingen in de geharmoniseerde normen, of ▌ technische specificaties, waarnaar in de conformiteits­verklaring van het product wordt verwezen.

5.  Fabrikanten zorgen ervoor dat op hun producten een type-, partij- of serienummer, dan wel een ander identificatiemiddel is aangebracht, of wanneer dit door de omvang of aard van het product niet mogelijk is, dat de vereiste informatie op de verpakking of in een bij het product gevoegd document is vermeld.

6.  Fabrikanten vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of hun geregistreerd merk en het contactadres op het product, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het product gevoegd document. Het adres geeft één centraal punt aan waar contact kan worden opgenomen met de fabrikant. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

7.  De fabrikanten zien erop toe dat het product vergezeld gaat van instructies en informatie aangaande de veiligheid, opgesteld in een door de betrokken lidstaat bepaalde taal die consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen. Die instructies en informatie, evenals eventuele etikettering, zijn duidelijk en begrijpelijk.

8.  Fabrikanten die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht product niet aan deze richtlijn voldoet, treffen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of zo nodig uit de handel te nemen ▌. Voorts brengen fabrikanten, indien het product niet aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn voldoet, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de non-conformiteit en alle getroffen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven. In dergelijke gevallen houden fabrikanten een register bij van de producten die niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen en van de desbetreffende klachten.

9.  Fabrikanten verstrekken een bevoegde nationale autoriteit op haar met redenen omkleed verzoek alle benodigde informatie en documentatie ter staving van de conformiteit van het product, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Zij verlenen op verzoek van deze autoriteit medewerking aan alle maatregelen die worden getroffen om de non-conformiteit met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van door hen in de handel gebrachte producten weg te nemen, met name door de producten in overeenstemming met die voorschriften te brengen.

Artikel 8

Gemachtigden

1.  Een fabrikant kan via een schriftelijk mandaat een gemachtigde aanstellen. De verplichtingen uit hoofde van artikel 7, lid 1, en de opstelling van technische documentatie vallen niet onder het mandaat van de gemachtigde.

2.  Een gemachtigde voert de taken uit die vermeld zijn in het mandaat dat hij van de fabrikant heeft ontvangen. De gemachtigde mag uit hoofde van het mandaat ten minste de volgende taken verrichten:

a)  gedurende vijf jaar de EU-conformiteitsverklaring en de technische documentatie ter beschikking van de markttoezichtautoriteiten houden;

b)  een bevoegde nationale autoriteit, op haar met redenen omkleed verzoek daartoe, alle benodigde informatie en documentatie verstrekken ter staving van de conformiteit van het product;

c)  op verzoek van de bevoegde nationale autoriteiten meewerken aan alle maatregelen die getroffen worden om de non-conformiteit met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van onder hun mandaat vallende producten weg te nemen.

Artikel 9

Verplichtingen van importeurs

1.  Importeurs brengen alleen conforme producten in de handel.

2.  Alvorens een product in de handel te brengen, zien importeurs erop toe dat de fabrikant de in bijlage IV vermelde procedure voor conformiteitsbeoordeling heeft uitgevoerd. Zij zorgen ervoor dat de fabrikant de in die bijlage vereiste technische documentatie heeft opgesteld, dat het product is voorzien van de CE-markering, dat het vergezeld gaat van de vereiste documenten en dat de fabrikant heeft voldaan aan de voorschriften in artikel 7, leden 5 en 6.

3.  Indien een importeur van oordeel is, of redenen heeft om aan te nemen, dat een product niet aan de toepasselijke ▌toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn voldoet, brengt de importeur het product pas in de handel nadat het conform is gemaakt. Voorts brengt de importeur, indien het product niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, de fabrikant en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte.

4.  Importeurs vermelden hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd merk, alsmede hun contactadres op het product, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het product gevoegd document. De contactgegevens worden gesteld in een voor eindgebruikers en markttoezichtautoriteiten gemakkelijk te begrijpen taal.

5.  Importeurs zien erop toe dat het product vergezeld gaat van instructies en veiligheids­informatie in een door de betrokken lidstaat bepaalde taal die consumenten en andere eindgebruikers gemakkelijk kunnen begrijpen.

6.  Importeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor het product verantwoordelijk zijn voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van het product met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften, niet in gevaar komt.

7.  Importeurs houden gedurende vijf jaar een kopie van de EU-conformiteitsverklaring ter beschikking van de markttoezichtautoriteiten en zorgen ervoor dat de technische documentatie op verzoek aan die autoriteiten verstrekt kan worden.

8.  Importeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen in de handel gebracht product niet aan deze richtlijn voldoet, treffen onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om het product conform te maken of, zo nodig uit de handel te nemen ▌. Voorts brengen importeurs, indien het product niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de non-conformiteit en alle getroffen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven. In dergelijke gevallen houden importeurs een register bij van de producten die niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen en van de desbetreffende klachten.

9.  Importeurs verstrekken een bevoegde nationale autoriteit op haar met redenen omkleed verzoek alle benodigde informatie en documentatie ter staving van de conformiteit van het product, in een taal die deze autoriteit gemakkelijk kan begrijpen. Zij verlenen op verzoek van deze autoriteit medewerking aan alle maatregelen die worden getroffen om de non-conformiteit met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van door hen in de handel gebrachte producten weg te nemen.

Artikel 10

Verplichtingen van distributeurs

1.  Distributeurs die een product op de markt aanbieden, betrachten de nodige zorgvuldigheid in verband met de voorschriften van deze richtlijn.

2.  Voordat zij een product op de markt aanbieden, vergewissen distributeurs zich ervan dat de vereiste CE-markering op het product is aangebracht, dat het product vergezeld gaat van de vereiste documenten en van instructies en veiligheidsinformatie, in een taal die gemakkelijk te begrijpen is voor consumenten en andere eindgebruikers in de lidstaat waar het product op de markt wordt aangeboden, en dat de fabrikant en de importeur aan de voorschriften van artikel 7, leden 5 en 6, respectievelijk artikel 9, lid 4, hebben voldaan.

3.  Indien een distributeur van oordeel is of redenen heeft om aan te nemen dat een product niet conform is met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn, biedt de distributeur het product pas op de markt aan nadat het conform is gemaakt. Voorts brengt de distributeur, indien het product niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, de fabrikant of de importeur en de markttoezichtautoriteiten hiervan op de hoogte.

4.  Distributeurs zorgen gedurende de periode dat zij voor het product verantwoordelijk zijn, voor zodanige opslag- en vervoersomstandigheden dat de conformiteit van het product met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften niet in gevaar komt ▌.

5.  Distributeurs die van mening zijn of redenen hebben om aan te nemen dat een door hen op de markt aangeboden product niet aan deze richtlijn voldoet, zien erop toe dat de nodige corrigerende maatregelen worden getroffen om het product conform te maken of ▌zo nodig uit de handel te nemen ▌. Voorts brengen distributeurs, indien het product niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar zij het product op de markt hebben aangeboden hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de non-conformiteit en alle getroffen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

6.  Distributeurs verstrekken een bevoegde nationale autoriteit op haar met redenen omkleed verzoek alle benodigde informatie en documentatie ter staving van de conformiteit van het product. Op verzoek van deze autoriteit verlenen zij medewerking aan alle maatregelen die worden getroffen om de non-conformiteit met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften van de door hen op de markt aangeboden producten weg te nemen.

Artikel 11

Gevallen waarin de verplichtingen van fabrikanten van toepassing zijn op importeurs en distributeurs

Een importeur of distributeur wordt voor de toepassing van deze richtlijn als fabrikant beschouwd en moet aan de in artikel 7 vermelde verplichtingen van de fabrikant voldoen, wanneer hij een product onder zijn eigen naam of merk in de handel brengt of een reeds in de handel gebracht product zodanig wijzigt dat de conformiteit met de voorschriften van deze richtlijn in het gedrang kan komen.

Artikel 12

Identificatie van marktdeelnemers die zich met producten bezighouden

1.  In de artikelen 7 tot en met 10 bedoelde marktdeelnemers delen, op verzoek, de markttoezichtautoriteiten het volgende mede:

a)  welke andere marktdeelnemers hun een product hebben geleverd;

b)  aan welke andere marktdeelnemers zij een product hebben geleverd.

2.  In de artikelen 7 tot en met 10 bedoelde marktdeelnemers moeten tot vijf jaar nadat het product aan hen is geleverd en tot vijf jaar nadat zij het product hebben geleverd, de in het eerste lid van dit artikel bedoelde informatie kunnen verstrekken.

3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze richtlijn, ter wijziging van de in lid 2 van dit artikel voor specifieke producten bedoelde termijn. Deze gewijzigde termijn bedraagt meer dan vijf jaar en staat in verhouding tot de economische levensduur van het product in kwestie.

HOOFDSTUK IV

VERPLICHTINGEN VAN DIENSTVERLENERS

Artikel 13

Verplichtingen van dienstverleners

1.  Dienstverleners zorgen ervoor dat zij hun diensten ontwerpen en verlenen in overeenstemming met de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn .

2.  Dienstverleners stellen overeenkomstig bijlage V de vereiste informatie op en leggen uit op welke manier de diensten aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoen ▌. De informatie wordt het publiek schriftelijk en mondeling ter beschikking gesteld, mede op een manier die toegankelijk is voor ▌ personen met een handicap. Dienstverleners bewaren die informatie zolang de dienst in werking is.

3.  Onverminderd artikel 32 zorgen dienstverleners ervoor dat er procedures worden toegepast die garanderen dat de dienstverlening ▌in overeenstemming met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften blijft ▌. Dienstverleners houden op gepaste wijze rekening ▌ met veranderingen in de dienstverlening, veranderingen in de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften en veranderingen in de geharmoniseerde normen of in technische specificaties op basis waarvan wordt verklaard dat een dienst aan de toegankelijkheidsvoorschriften voldoet.

4.  Indien de dienst hiermee niet in overeenstemming is, treffen dienstverleners onmiddellijk de nodige corrigerende maatregelen om de dienst in overeenstemming met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften te brengen ▌. Voorts brengen dienstverleners, indien de dienst niet aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften voldoet, de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten waar de dienst wordt verleend hiervan onmiddellijk op de hoogte, waarbij zij in het bijzonder de aard van de non-conformiteit en alle getroffen corrigerende maatregelen uitvoerig beschrijven.

5.  Dienstverleners verstrekken een bevoegde nationale autoriteit op haar met redenen omkleed verzoek alle benodigde informatie en documentatie ter staving van de conformiteit van de dienst met de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften ▌. Zij verlenen op verzoek van deze autoriteit medewerking aan alle maatregelen die worden getroffen om de conformiteit met die voorschriften te waarborgen.

HOOFDSTUK V

FUNDAMENTELE WIJZIGING VAN PRODUCTEN OF DIENSTEN EN ONEVENREDIGE LAST VOOR MARKTDEELNEMERS

Artikel 14

Fundamentele wijziging en onevenredige last

1.  De in artikel 4 genoemde toegankelijkheidsvoorschriften zijn uitsluitend van toepassing voor zover de naleving ervan ▌:

a)  geen ingrijpende wijziging van een product of dienst vereist, resulterend in een fundamentele wijziging van de wezenlijke aard ervan; en

b)  geen onevenredige last voor de betrokken marktdeelnemers oplevert.

2.  Marktdeelnemers voeren een beoordeling uit om te kunnen bepalen of het naleven van de in artikel 4 bedoelde toegankelijkheidsvoorschriften tot een fundamentele wijziging leidt of, overeenkomstig de desbetreffende criteria in bijlage VI, een onevenredige last als bedoeld in lid 1 van dit artikel oplevert.

3.  Marktdeelnemers documenteren de in lid 2 genoemde beoordeling. Marktdeelnemers bewaren alle relevante resultaten gedurende een periode van vijf jaar nadat, naargelang van het geval, een product voor het laatst op de markt is aangeboden of een dienst voor het laatst op de markt is verleend. De marktdeelnemers verstrekken, naargelang van het geval, aan de markttoezichtautoriteiten of aan de voor het controleren van de conformiteit van diensten verantwoordelijke autoriteiten, op hun verzoek, een exemplaar van de in lid 2 genoemde beoordeling.

4.  In afwijking van lid 3 zijn micro-ondernemingen die zich met producten bezighouden, uitgezonderd van het voorschrift hun beoordeling te documenteren. Indien echter markttoezichtautoriteiten daarom vragen, verstrekken micro-ondernemingen die zich met producten bezighouden, en die ervoor gekozen hebben een beroep op lid 1 te doen, hun de voor de in lid 2 bedoelde beoordeling relevante feiten.

5.  Dienstverleners die een beroep doen op lid 1, onder b), vernieuwen voor elke categorie of soort dienst hun beoordeling van de onevenredige last:

a)  naar aanleiding van wijziging van de aangeboden dienst; of

b)  op verzoek van de voor het controleren van de conformiteit van diensten verantwoordelijke autoriteiten; en

c)  in ieder geval, ten minste om de vijf jaar.

6.  Indien een marktdeelnemer uit andere bronnen dan zijn eigen middelen financiering ontvangt ter verbetering van de toegankelijkheid, ongeacht of het om publieke of particuliere financiering gaat, kan hij geen beroep doen op lid 1, onder b).

7.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van bijlage VI met een nadere uitwerking van de relevante criteria waarmee de marktdeelnemer bij het uitvoeren van de in lid 2 van dit artikel genoemde beoordeling rekening moet houden. De Commissie houdt hierbij niet alleen rekening met de potentiële voordelen voor personen met een handicap, maar ook met die voor personen met functionele beperkingen.

De Commissie stelt waar nodig de eerste van die gedelegeerde handelingen uiterlijk op … [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] vast. Deze eerste gedelegeerde handeling wordt ten vroegste van toepassing op … [zes jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn].

8.  Marktdeelnemers die voor een specifiek product of specifieke dienst ▌ een beroep doen op lid 1, verstrekken informatie daartoe aan de bevoegde markttoezichtautoriteiten of voor het controleren van de conformiteit van diensten verantwoordelijke autoriteiten van de lidstaat ▌waar het product in kwestie in de handel wordt gebracht of de dienst in kwestie wordt verleend.

De eerste alinea is niet van toepassing op micro-ondernemingen.

HOOFDSTUK VI

GEHARMONISEERDE NORMEN EN TECHNISCHE SPECIFICATIES VAN PRODUCTEN EN DIENSTEN

Artikel 15

Vermoeden van conformiteit

1.  Producten en diensten die voldoen aan geharmoniseerde normen of delen daarvan waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, worden geacht in overeenstemming te zijn met de toegankelijkheids­voorschriften van deze richtlijn voor zover deze normen of delen daarvan die voorschriften bestrijken.

2.  De Commissie verzoekt overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 een of meer Europese normalisatieorganisaties om geharmoniseerde normen op te stellen voor de in bijlage I bedoelde producttoegankelijkheidsvoorschriften. De Commissie dient uiterlijk op ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] voor het eerst een dergelijk ontwerpverzoek in bij het betreffende comité.

3.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin technische specificaties worden vastgelegd die aan toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn voldoen, mits aan navolgende voorwaarden is voldaan:

a)  in het Publicatieblad van de Europese Unie is geen referentie naar geharmoniseerde normen conform Verordening (EU) nr. 1025/2012 bekendgemaakt; en

b)  hetzij

i)  de Commissie heeft een of meer Europese normalisatieorganisaties verzocht een geharmoniseerde norm op te stellen en de normalisatie­procedure loopt buitensporige vertraging op, of geen van de Europese normalisatieorganisaties heeft het verzoek ingewilligd;

hetzij

ii)  de Commissie kan aantonen dat een technische specificatie voldoet aan de voorschriften van bijlage II van Verordening (EU) nr. 1025/2012, met uitzondering van het voorschrift dat de technische specificaties ontwikkeld moeten zijn door een non-profitorganisatie.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.  Producten en diensten die in overeenstemming zijn met de technische specificaties of delen daarvan, worden geacht in overeenstemming te zijn met de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn, voor zover deze technische specificaties of delen daarvan die voorschriften bestrijken.

HOOFDSTUK VII

CONFORMITEIT VAN PRODUCTEN EN CE-MARKERING

Artikel 16

EU-conformiteitsverklaring van producten

1.  De EU-conformiteitsverklaring bevat een vermelding dat is aangetoond dat wordt voldaan aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften. Wanneer bij wijze van uitzondering gebruik is gemaakt van artikel 14, wordt in de EU-conformiteitsverklaring vermeld op welke toegankelijkheidsvoorschriften die uitzondering betrekking heeft.

2.  De structuur van de EU-conformiteitsverklaring komt overeen met het model in bijlage III bij Besluit nr. 768/2008/EG. De verklaring bevat de elementen die zijn vastgelegd in bijlage IV bij deze richtlijn en wordt voortdurend actueel gehouden. Bij de eisen aan de technische documentatie wordt vermeden dat micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen zware lasten te dragen krijgen. De EU-conformiteitsverklaring wordt vertaald in de taal of talen die worden voorgeschreven door de lidstaat waar het product in de handel wordt gebracht of op de markt wordt aangeboden.

3.  Indien voor een product uit hoofde van meer dan één handeling van de Unie een EU-conformiteitsverklaring vereist is, wordt er één EU-conformiteitsverklaring met betrekking tot al die handelingen van de Unie opgesteld. In die verklaring wordt aangegeven om welke handelingen het gaat, en staan de publicatiegegevens vermeld.

4.  Met het opstellen van de EU-conformiteitsverklaring neemt de fabrikant de verantwoordelijkheid op zich voor de conformiteit van het product met de voorschriften van deze richtlijn.

Artikel 17

Algemene beginselen van de CE-markering van producten

De CE-markering is onderworpen aan de algemene beginselen krachtens artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008.

Artikel 18

Voorschriften en voorwaarden voor het aanbrengen van de CE-markering

1.  De CE-markering wordt zichtbaar, leesbaar en onuitwisbaar op het product of op het gegevensplaatje aangebracht. Wanneer dit gezien de aard van het product niet mogelijk of niet gerechtvaardigd is, wordt de markering aangebracht op de verpakking en de begeleidende documenten.

2.  De CE-markering wordt aangebracht voordat het product in de handel wordt gebracht.

3.  De lidstaten bouwen voort op bestaande mechanismen om te zorgen voor een juiste toepassing van de voorschriften voor de CE-markering en treffen passende maatregelen in geval van oneigenlijk gebruik van die markering.

HOOFDSTUK VIII

MARKTTOEZICHT OP PRODUCTEN EN VRIJWARINGSPROCEDURE VAN DE UNIE

Artikel 19

Markttoezicht op producten

1.  Artikel 15, lid 3, de artikelen 16 tot en met 19, artikel 21, de artikelen 23 tot en met 28 en artikel 29, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 765/2008 zijn van toepassing op producten.

2.  Wanneer de marktdeelnemer zich heeft gebaseerd op artikel 14 van deze richtlijn, doen de betrokken markttoezichtautoriteiten bij het uitoefenen van markttoezicht op producten het volgende:

a)  zij gaan na of de marktdeelnemer de in artikel 14 bedoelde beoordeling heeft uitgevoerd;

b)  zij analyseren deze beoordeling en de resultaten ervan, en gaan onder meer na of de criteria van bijlage VI juist zijn toegepast; en

c)  zij controleren of aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften wordt voldaan.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie die de markttoezichtautoriteiten hebben verzameld met betrekking tot de naleving door marktdeelnemers van de toepasselijke, toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn en de ▌ in artikel 14 bedoelde beoordeling ▌ op verzoek in een toegankelijk format aan de consumenten ter beschikking wordt gesteld, tenzij die informatie niet kan worden verstrekt om redenen van vertrouwelijkheid, zoals bedoeld in artikel 19, lid 5, van Verordening (EG) nr. 765/2008.

Artikel 20

Procedure op nationaal niveau voor producten die niet voldoen aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften

1.  Indien de markttoezichtautoriteiten van een lidstaat ▌voldoende reden hebben om aan te nemen dat een onder deze richtlijn vallend product niet aan de toepasselijke toegankelijkheids­voorschriften voldoet, voeren zij in het licht van alle in deze richtlijn vastgestelde voorschriften een beoordeling van het betrokken product uit. De betrokken marktdeelnemers verlenen de markttoezichtautoriteiten daartoe volledige medewerking.

Indien de markttoezichtautoriteiten bij de in de eerste alinea bedoelde beoordeling vaststellen dat het product niet aan de in deze richtlijn vastgestelde voorschriften voldoet, gelasten zij de betrokken marktdeelnemer onverwijld passende corrigerende maatregelen te treffen om het product binnen een door hen vast te stellen redelijke termijn die evenredig is met de aard van de non-conformiteit, in overeenstemming met deze voorschriften te brengen ▌.

Uitsluitend indien de betrokken marktdeelnemer heeft verzuimd om binnen de in de tweede alinea bedoelde termijn adequate corrigerende maatregelen te treffen, schrijven de markttoezichtautoriteiten voor dat hij het product binnen een redelijke extra termijn uit de handel neemt.

Artikel 21 van Verordening (EG) nr. 765/2008 is van toepassing op de in de tweede en derde alinea van dit lid genoemde maatregelen.

2.  Indien de markttoezichtautoriteiten van mening zijn dat de non-conformiteit niet beperkt is tot hun nationale grondgebied, brengen zij de Commissie en de andere lidstaten op de hoogte van de resultaten van de beoordeling en van de maatregelen die zij van de marktdeelnemer hebben verlangd.

3.  De marktdeelnemer zorgt ervoor dat alle betrokken producten die hij in de Unie op de markt heeft aangeboden aan alle passende corrigerende maatregelen worden onderworpen.

4.  Indien de betrokken marktdeelnemer niet binnen de in lid 1, derde alinea, bedoelde termijn adequate corrigerende maatregelen treft, treffen de markttoezichtautoriteiten alle passende voorlopige maatregelen om het op hun nationale markten aanbieden van het product te verbieden of te beperken, of om het product daar uit de handel te nemen ▌.

De markttoezichtautoriteiten brengen de Commissie en de andere lidstaten onverwijld van deze maatregelen op de hoogte.

5.  De in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie omvat alle bekende informatie, met name de gegevens die nodig zijn om het non-conforme product te identificeren en om de oorsprong van het product, de aard van de beweerde non-conformiteit en de toegankelijkheidsvoorschriften waar het product niet aan voldoet, de aard en de duur van de nationale maatregelen vast te stellen, evenals de argumenten die door de betrokken marktdeelnemer zijn aangevoerd. De markttoezichtautoriteiten vermelden met name of de non-conformiteit te wijten is aan:

a)  het niet voldoen van het product aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften; of

b)  tekortkomingen in de in artikel 15 bedoelde geharmoniseerde normen of technische specificaties die een vermoeden van conformiteit rechtvaardigen, .

6.  Andere lidstaten dan die welke de procedure krachtens dit artikel heeft ingeleid, brengen de Commissie en de overige lidstaten onverwijld op de hoogte van eventuele door hen getroffen maatregelen, van eventuele aanvullende informatie over de non-conformiteit van het betrokken product waarover zij beschikken, en - indien zij het niet eens zijn met de ter kennis gebrachte nationale maatregel - van hun bezwaren.

7.  Wanneer een lidstaat of de Commissie binnen drie maanden na ontvangst van de in lid 4, tweede alinea, bedoelde informatie geen bezwaar tegen een voorlopige maatregel van een lidstaat heeft aangetekend, wordt die maatregel geacht gerechtvaardigd te zijn.

8.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten aanzien van het betrokken product onverwijld passende beperkende maatregelen worden getroffen, zoals het uit de handel nemen van het product.

Artikel 21

Vrijwaringsprocedure van de Unie

1.  Indien er na voltooiing van de procedure van artikel 20, leden 3 en 4, bezwaren tegen een maatregel van een lidstaat worden ingebracht, of de Commissie redelijke aanwijzingen heeft dat een nationale maatregel in strijd is met het Unierecht, treedt de Commissie onverwijld in overleg met de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) en voert zij een evaluatie van de nationale maatregel uit. Aan de hand van die evaluatie besluit de Commissie of de nationale maatregel al dan niet gerechtvaardigd is.

De Commissie richt haar besluit tot alle lidstaten en brengt de lidstaten en de betrokken marktdeelnemer(s) daarvan onmiddellijk op de hoogte.

2.  Indien de in lid 1 bedoelde nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht, treffen alle lidstaten de nodige maatregelen om het non-conforme product uit de handel te nemen en stellen zij de Commissie daarvan in kennis. Indien de nationale maatregel niet gerechtvaardigd wordt geacht, trekt de betrokken lidstaat de maatregel in.

3.  Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de non-conformiteit van het product wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de geharmoniseerde normen zoals bedoeld in artikel 20, lid 5, onder b), past de Commissie de procedure van artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1025/2012 toe.

4.  Indien de in lid 1 van dit artikel bedoelde nationale maatregel gerechtvaardigd wordt geacht en de non-conformiteit van het product wordt toegeschreven aan tekortkomingen in de technische specificaties zoals bedoeld in artikel 20, lid 5, onder b), stelt de Commissie onverwijld uitvoerings­handelingen tot wijziging of intrekking van de betrokken technische specificatie vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 22

Formele non-conformiteit

1.  Onverminderd artikel 20 verlangt een lidstaat, wanneer hij een van de volgende feiten vaststelt, van de betrokken marktdeelnemer dat deze een einde aan de non-conformiteit maakt:

a)  de CE-markering is in strijd met artikel 30 van Verordening (EG) nr. 765/2008 of artikel 18 van deze richtlijn aangebracht;

b)  de CE-markering is niet aangebracht;

c)  er is geen EU-conformiteitsverklaring opgesteld;

d)  de EU-conformiteitsverklaring is niet correct opgesteld;

e)  de technische documentatie is niet beschikbaar of onvolledig;

f)  de in artikel 7, lid 6, of artikel 9, lid 4, bedoelde gegevens ontbreken, zijn onjuist of zijn onvolledig;

g)  er wordt niet voldaan aan een ander administratief voorschrift van artikel 7 of artikel 9.

2.  Indien de in lid 1 bedoelde non-conformiteit voortduurt, treft de betrokken lidstaat alle passende maatregelen om het op de markt aanbieden van het product te beperken of te verbieden, of om ervoor te zorgen dat het product uit de handel wordt genomen.

HOOFDSTUK IX

CONFORMITEIT VAN DIENSTEN

Artikel 23

Conformiteit van diensten

1.  De lidstaten zorgen voor de vaststelling, uitvoering en periodieke actualisering van geschikte procedures om:

a)  conformiteit van de diensten met de voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de in artikel 14 bedoelde beoordeling waarvoor artikel 19, lid 2, van overeenkomstige toepassing is, te controleren;

b)  actie te ondernemen naar aanleiding van klachten of meldingen over kwesties in verband met diensten die niet in overeenstemming zijn met de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn;

c)  te controleren of de marktdeelnemer de nodige corrigerende maatregelen heeft getroffen.

2.  De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de in lid 1 bedoelde procedures met betrekking tot de conformiteit van diensten.

De lidstaten zien erop toe dat het publiek op de hoogte is van het bestaan, de verantwoordelijkheden, de identiteit, en de werkzaamheden en besluiten van de in de eerste alinea bedoelde autoriteiten. Deze autoriteiten stellen die informatie op verzoek in toegankelijke formats beschikbaar.

HOOFDSTUK X

TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN IN ANDERE HANDELINGEN VAN DE UNIE

Artikel 24

Toegankelijkheid krachtens andere handelingen van de Unie

1.  Voor de in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde producten en diensten vormen de in bijlage I daarbij vermelde toegankelijkheidsvoorschriften verplichte toegankelijkheidsvoorschriften in de zin van artikel 42, lid 1, van Richtlijn 2014/24/EU en van artikel 60, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU.

2.  Producten en diensten waarvan de kenmerken, onderdelen en functies aan de overeenkomstig afdeling VI van bijlage I vastgestelde toegankelijkheidsvoorschriften in bijlage I van deze richtlijn voldoen, worden voor wat deze kenmerken, onderdelen en functies betreft geacht te voldoen aan de desbetreffende verplichtingen inzake toegankelijkheid krachtens andere Uniehandelingen dan deze richtlijn, tenzij in die andere handelingen anders wordt bepaald.

Artikel 25

Geharmoniseerde normen en technische specificaties voor andere handelingen van de Unie

Conformiteit met geharmoniseerde normen en technische specificaties, of delen daarvan, die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 15, leiden tot een vermoeden van overeenstemming met artikel 24 voor zover deze normen en technische specificaties of delen daarvan aan de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn voldoen.

HOOFDSTUK XI

GEDELEGEERDE HANDELINGEN, UITVOERINGSBEVOEGDHEDEN EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 26

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 4, lid 9, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van .... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

De in artikel 12, lid 3, en artikel 14, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van .... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag over de bevoegdheidsdelegatie op. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 4, lid 9, artikel 12, lid 3, en artikel 14, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 4, lid 9, artikel 12, lid 3, en artikel 14, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en aan de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 27

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 28

Werkgroep

De Commissie richt een werkgroep op bestaande uit vertegenwoordigers van de markttoezichtautoriteiten en van autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de conformiteit van diensten alsmede uit belanghebbenden, daaronder begrepen vertegenwoordigers van belangenorganisaties van personen met een handicap.

De werkgroep heeft tot taak:

a)  de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de autoriteiten en de relevante belanghebbenden te bevorderen;

b)  de samenwerking tussen autoriteiten en relevante belanghebbenden te bevorderen wat betreft de uitvoering van deze richtlijn, met het oog op een meer samenhangende toepassing van de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn en de nauwgezette monitoring van de uitvoering van artikel 14; en

c)  advies te verstrekken, met name aan de Commissie, in het bijzonder over de uitvoering van de artikelen 4 en 14.

Artikel 29

Handhaving

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat er passende en doeltreffende middelen beschikbaar zijn om te waarborgen dat de bepalingen van deze richtlijn worden nageleefd.

2.  De in lid 1 bedoelde middelen omvatten:

a)  bepalingen waarbij een consument zich krachtens nationaal recht tot de rechter of de bevoegde administratieve instanties kan wenden om te bewerkstelligen dat de nationale bepalingen waarin deze richtlijn is omgezet, worden nageleefd;

b)  bepalingen waarbij overheidsorganen of particuliere verenigingen, organisaties of andere juridische entiteiten die er een legitiem belang bij hebben dat deze richtlijn wordt nageleefd, krachtens nationaal recht namens of ter ondersteuning van de eiser en met diens toestemming, bij de rechter of de bevoegde administratieve instanties gerechtelijke of administratieve procedures kunnen aanspannen die voor de handhaving van de verplichtingen krachtens deze richtlijn beschikbaar zijn.

3.  Dit artikel is niet van toepassing op aanbestedingsprocedures die onder Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/25/EU vallen.

Artikel 30

Sancties

1.  De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en treffen alle nodige maatregelen opdat zij worden toegepast.

2.  De aldus vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Deze sancties gaan in geval van niet-naleving door de marktdeelnemer tevens gepaard met doeltreffende herstelmaatregelen.

3.  De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van deze regels en maatregelen alsmede van alle eventuele latere wijzigingen ervan.

4.  Bij de sancties moet rekening worden gehouden met de mate van niet-naleving, die mede gebaseerd is op de ernst en het aantal betrokken non-conforme producten of diensten alsmede op het aantal getroffen personen.

5.  Dit artikel is niet van toepassing op aanbestedingsprocedures die onder Richtlijn 2014/24/EU of Richtlijn 2014/25/EU vallen.

Artikel 31

Omzetting

1.  De lidstaten stellen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze uiterlijk op … [drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] bekend. Zij delen ▌de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

2.  Zij passen deze bepalingen vanaf … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] toe.

3.  De lidstaten kunnen in afwijking van lid 2 van dit artikel de verplichtingen krachtens artikel 4, lid 8, uiterlijk met ingang van … [acht jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] toepassen.

4.  Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

5.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

6.  Lidstaten die gebruikmaken van de in artikel 4, lid 4, geboden mogelijkheid, delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij vaststellen om dat doel te verwezenlijken en brengen aan de Commissie verslag uit over de voortgang bij de uitvoering ervan.

Artikel 32

Overgangsmaatregelen

1.  Onverminderd lid 2 van dit artikel, voorzien de lidstaten in een overgangsperiode die afloopt op … [11 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] waarin dienstverleners hun diensten mogen blijven verlenen met gebruikmaking van de producten die zij voor deze datum al rechtmatig gebruikten bij het verlenen van vergelijkbare diensten.

Dienstverleningscontracten die gesloten zijn vóór … [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] kunnen ongewijzigd blijven doorlopen totdat zij verstrijken, evenwel uiterlijk tot vijf jaar na die datum.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat zelfbedieningsterminals die dienstverleners vóór .... [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] rechtmatig gebruikten voor het verlenen van diensten, tot het eind van hun economische levensduur maar niet langer dan 20 jaar na hun ingebruikname gebruikt mogen worden bij het leveren van vergelijkbare diensten.

Artikel 33

Verslag en evaluatie

1.  Uiterlijk op … [11 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], en vervolgens om de vijf jaar, legt de Commissie een verslag over de toepassing van deze richtlijn voor aan het Europees Parlement, aan de Raad, aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en aan het Comité van de Regio's.

2.   In de verslagen wordt, uit het oogpunt van de sociale, economische en technologische ontwikkelingen, onder meer aandacht besteed aan de ontwikkelingen op het gebied van de toegankelijkheid van producten en diensten, mogelijke technologische lock-in of belemmeringen voor innovatie en de effecten van deze richtlijn op marktdeelnemers en op personen met een handicap ▌. In de verslagen wordt voor zover mogelijk tevens beoordeeld of de uiteenlopende toegankelijkheidsvoorschriften voor de bebouwde omgeving van diensten voor personenvervoer, bankdiensten voor consumenten en klantenservicebalies in winkels van aanbieders van elektronischecommunicatiediensten mede dankzij de toepassing van artikel 4, lid 4, onderling zijn aangepast, met het oog op geleidelijke onderlinge aanpassing daarvan aan de toegankelijkheidsvoorschriften in bijlage III.

In de verslagen wordt tevens beoordeeld of de toepassing van deze richtlijn, met name van de vrijwillige bepalingen daarvan, heeft bijgedragen tot onderlinge aanpassing van toegankelijkheidsvoorschriften voor de bebouwde omgeving in de gedaante van werken krachtens Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad(37), Richtlijn 2014/24/EU en Richtlijn 2014/25/EU.

Voorts wordt in de verslagen ingegaan op de gevolgen van de toepassing van artikel 14 van deze richtlijn voor het functioneren van de interne markt, indien beschikbaar onder meer op basis van informatie die ontvangen is overeenkomstig artikel 14, lid 8, en daarnaast op de vrijstellingen voor micro-ondernemingen. In de verslagen wordt aangegeven of de doelstellingen van deze richtlijn zijn gerealiseerd en of het dienstig zou zijn om nieuwe producten en diensten op te nemen, of om bepaalde producten of diensten van het toepassingsgebied van de richtlijn uit te sluiten. Daarnaast wordt, indien mogelijk, met het oog op eventuele herziening van deze richtlijn in kaart gebracht welke mogelijkheden tot lastenverlichting ▌ er zijn.

De Commissie stelt zo nodig passende maatregelen voor, met inbegrip van eventuele maatregelen van wetgevende aard.

3.  De lidstaten verstrekken de Commissie tijdig alle informatie die de Commissie voor het opstellen van deze verslagen nodig heeft.

4.  De Commissie houdt in haar verslagen rekening met de standpunten van de economisch belanghebbenden en van betrokken niet-gouvernementele organisaties, waaronder organisaties van personen met een handicap ▌.

Artikel 34

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 35

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

_____________________

BIJLAGE I

TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR PRODUCTEN EN DIENSTEN

AFDELING I: ALGEMENE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR ALLE PRODUCTEN DIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 2, LID 1, ONDER DEZE RICHTLIJN VALLEN

Producten moeten zodanig worden ontworpen en geproduceerd dat zij het te verwachten gebruik door personen met een handicap zoveel mogelijk bevorderen, en moeten vergezeld gaan, waar mogelijk in of op het product, van toegankelijke informatie over de manier waarop zij werken en over hun toegankelijkheidsfuncties.

1.  Voorschriften betreffende informatieverstrekking

a)  De informatie over het gebruik van het product die op het product zelf is aangebracht (etiketten, instructies en waarschuwingen) wordt:

i)  beschikbaar gesteld via meer dan één zintuiglijk kanaal;

ii)  gepresenteerd op een begrijpelijke manier;

iii)  gepresenteerd op een voor de gebruikers waarneembare manier;

iv)  gepresenteerd met gebruikmaking van lettertypes in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiks­omstandigheden, alsmede met gebruikmaking van voldoende contrast en een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand.

b)  De instructies voor het gebruik van een product, indien die niet op het product zelf zijn aangebracht maar die worden aangeboden bij het gebruik van het product of op een andere wijze zoals via een website, onder meer ten aanzien van de toegankelijkheidsfuncties van het product, hoe ze geactiveerd worden en de interoperabiliteit ervan met hulpvoorzieningen, zijn bij het in de handel brengen openbaar toegankelijk, en worden:

i)  beschikbaar gesteld via meer dan één zintuiglijk kanaal;

ii)  gepresenteerd op een begrijpelijke manier;

iii)  gepresenteerd op een voor de gebruikers waarneembare manier;

iv)  gepresenteerd met gebruikmaking van lettertypes in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiks­omstandigheden, alsmede met gebruikmaking van voldoende contrast en een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand;

v)  wat de inhoud betreft, weergegeven in tekstformats die in alternatieve hulpformats kunnen worden omgezet, zodat zij op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden;

vi)  vergezeld van een alternatieve weergave van niet-tekstuele inhoud;

vii)  vergezeld van een beschrijving van de gebruikersinterface van het product (gebruik, bediening en terugkoppeling, invoer en uitvoer), die wordt verstrekt overeenkomstig punt 2; in de beschrijving wordt voor elk punt in punt 2 aangegeven of het product al dan niet van deze functies voorzien is;

viii)  vergezeld van een beschrijving van de functionaliteit van het product zijnde het resultaat van functies die gericht zijn op de behoeften van personen met een handicap, overeenkomstig punt 2; in de beschrijving wordt voor elk punt in punt 2 aangegeven of het product al dan niet van deze functies voorzien is;

ix)  vergezeld van een beschrijving van de software- en apparatuurinterface voor aansluiting van het product op hulpapparaten; de beschrijving omvat een lijst van dergelijke tegelijkertijd met het product geteste hulpapparaten.

2.  Ontwerp van de gebruikersinterface en van de functionaliteit:

Het product, met inbegrip van zijn gebruikersinterface, bevat kenmerken, elementen en functies waardoor personen met een handicap toegang hebben tot het product, en het product kunnen waarnemen, bedienen, begrijpen en controleren, doordat wordt gezorgd voor het volgende:

a)  bij een product dat zorgt voor communicatie (waaronder communicatie tussen personen), bediening, informatie, controle en oriëntatie, zijn deze functies via meer dan één zintuiglijk kanaal mogelijk; daartoe behoort het aanbieden van alternatieven voor zien, horen, spraak en tactiele elementen;

b)  bij een product met een spraakfunctie zijn alternatieven voor spraak en steminvoer aanwezig voor communicatie, bediening, controle en oriëntatie;

c)  bij een product dat gebruik maakt van visuele elementen zijn de functies flexibele vergroting, helderheid en contrast aanwezig voor communicatie, informatie en bediening, en er is interoperabiliteit met de programma's en hulpapparaten voor navigatie door de interface;

d)  bij een product dat voor het overbrengen van informatie, het weergeven van een handeling, het vragen om een reactie of het identificeren van elementen gebruik maakt van kleur is er een alternatief voor kleur voorhanden;

e)  bij een product dat voor het overbrengen van informatie, het weergeven van een handeling, het vragen om een reactie of het identificeren van elementen gebruik maakt van auditieve signalen is er een alternatief voor auditieve signalen voorhanden;

f)  bij een product dat gebruik maakt van visuele elementen zijn er flexibele manieren voorhanden zijn om de helderheid van het beeld te verbeteren;

g)  bij een product dat gebruik maakt van auditieve elementen zijn er functies voor volume- en snelheidsregeling door de gebruiker voorhanden, evenals verbeterde audiofuncties, zoals vermindering van geluidsinterferentie van producten in de nabijheid en functies voor een helder geluid;

h)  bij een product met manuele bediening en controle zijn er alternatieven voor sequentiële controle en alternatieven voor fijnmotorische controle voorhanden, waarbij wordt vermeden dat voor het gebruik simultane controle nodig is, en wordt gebruikgemaakt van via tast te onderscheiden onderdelen;

i)  het product heeft geen bedieningswijzen waarbij grote reikwijdte en veel kracht nodig zijn;

j)  het product kan niet tot aanvallen van fotosensitieve epilepsie leiden;

k)  het product beschermt de privacy van de gebruiker bij het gebruik van de toegankelijkheidsfuncties;

l)  het product biedt een alternatief voor biometrische identificatie en controle;

m)  de functionaliteit van het product is consistent en het biedt voldoende en flexibele interactietijd;

n)  het product is voorzien van software en apparatuur voor aansluiting van het product op hulptechnologieën;

o)  het product beantwoordt aan de volgende sectorspecifieke voorschriften:

i)  zelfbedieningsterminals:

—  zijn voorzien van technologie voor het omzetten van tekst in spraak;

—  kunnen worden beluisterd met een eigen koptelefoon;

—  geven via meer dan één zintuiglijk kanaal een waarschuwing af indien de gebruiker binnen een gegeven tijd reageren moet;

—  bieden de mogelijkheid de tijd waarin voorzien wordt te verlengen;

—  bieden voldoende contrast en zijn voorzien van toetsen en bedieningen die via tast te onderscheiden zijn;

—  kunnen zonder inschakeling van een toegankelijkheidsfunctie gebruikt worden door gebruikers die de functie nodig hebben om de terminal aan te zetten;

—  zijn, indien het product audiosignalen of hoorbare signalen verspreidt, compatibel met in de Unie beschikbare hulpapparaten en technologieën, met inbegrip van gehoortechnologieën als gehoorapparaten, luisterspoelen, cochleaire implantaten en apparatuur voor ondersteund horen;

ii)  e-lezers zijn voorzien van technologie voor het omzetten van tekst in spraak;

iii)  eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, voor gebruik voor elektronischecommunicatiediensten:

—  beschikt, indien voorzien van stem- en tekstfuncties, over verwerking van realtimetekst en ondersteunt hifi-audio;

—  beschikt, indien voorzien van videofuncties naast of in combinatie met stem- en tekstfuncties, over verwerking van totale conversatie met gesynchroniseerde stem, realtimetekst en video met een resolutie die communicatie via gebarentaal mogelijk maakt;

—  beschikt over doeltreffende draadloze koppeling met gehoortechnologieën;

—  vermijdt interferentie met hulpapparaten;

iv)  eindapparatuur voor gebruik door consumenten, met interactieve computerfuncties, voor toegang tot audiovisuele mediadiensten maakt voor personen met een handicap de door de verlener van de audiovisuele mediadienst verstrekte toegankelijkheids­componenten beschikbaar wat betreft toegang, keuze, controle en personalisering door gebruikers en wat betreft transmissie naar hulpapparaten.

3.  Ondersteunende diensten:

voor zover beschikbaar verstrekken ondersteunende diensten (helpdesks, callcenters, technische ondersteuning, bemiddelingsdiensten, opleidingsdiensten) via toegankelijke communicatiemethoden informatie over de toegankelijkheid van het product en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën.

AFDELING II: TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN IN VERBAND MET PRODUCTEN IN ARTIKEL 2, LID 1, MET UITZONDERING VAN DE ZELFBEDIENINGSTERMINALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, LID 1, ONDER b)

Naast de in afdeling I vermelde voorschriften, worden de verpakking en de instructies van de onder deze afdeling vallende producten toegankelijk gemaakt om het te verwachten gebruik van de producten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen. Dit houdt in:

a)  de verpakking van het product, met inbegrip van de daarin verstrekte informatie (bijvoorbeeld over openen, sluiten, gebruiken, verwijderen), en eventueel verstrekte informatie over de toegankelijkheidskenmerken van het product, wordt toegankelijk gemaakt; en deze toegankelijke informatie wordt, indien mogelijk, op de verpakking verstrekt;

b)  de instructies voor installatie en onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die niet op het product zelf staan maar met andere middelen, zoals een website, beschikbaar worden gemaakt, moeten op het moment van het in de handel brengen van het product openbaar beschikbaar zijn en voldoen aan de volgende voorschriften:

i)  zij zijn beschikbaar via meer dan één zintuiglijk kanaal;

ii)  zij worden op een begrijpelijke manier gepresenteerd;

iii)  zij worden op een voor de gebruikers waarneembare manier gepresenteerd;

iv)  zij worden gepresenteerd met gebruikmaking van een lettertype in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden, en met gebruikmaking van voldoende contrast, alsmede van een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand;

v)  wat betreft de inhoud, worden de instructies aangeboden in tekstformats die in alternatieve hulpformats kunnen worden omgezet, zodat ze op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden aangeboden; en

vi)  bij de instructies met niet-tekstuele inhoud wordt een alternatieve weergave van die inhoud gevoegd.

AFDELING III: ALGEMENE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR ALLE DIENSTEN DIE OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 2, LID 2, ONDER DEZE RICHTLIJN VALLEN

▌Om het te verwachten gebruik van de diensten door ▌ personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het verlenen van diensten gezorgd voor het volgende:

a)  de producten die bij het verlenen van diensten worden gebruikt, zijn toegankelijk in overeenstemming met afdeling I en, waar van toepassing, afdeling II van deze bijlage;

b)  er wordt informatie verstrekt over het functioneren van de dienst en, wanneer bij het verlenen van de dienst producten worden gebruikt, over de link naar die producten, alsmede informatie over de toegankelijkheidskenmerken en interoperabiliteit van deze producten met hulpapparaten en voorzieningen ▌, en wel als volgt:

i)  de informatie wordt via meer dan één zintuiglijk kanaal aangeboden;

ii)  de informatie wordt op een begrijpelijke manier gepresenteerd;

iii)  de informatie wordt op een voor de gebruikers waarneembare manier gepresenteerd;

iv)  de informatie wordt, wat de inhoud betreft,▌ beschikbaar gesteld in tekstformats die in alternatieve hulpformats kunnen worden omgezet, zodat zij door de gebruikers op verschillende manieren en via meer dan één zintuiglijk kanaal kunnen worden weergegeven;

v)  de informatie wordt gepresenteerd met gebruikmaking van een lettertype in geschikte grootte en vorm, rekening houdend met de te verwachten gebruiksomstandigheden, en met gebruikmaking van voldoende contrast, alsmede van een aanpasbare letter-, regel- en alinea-afstand;

vi)  niet-tekstuele inhoud wordt aangevuld met een alternatieve weergave van die inhoud; en

vii)  er wordt elektronische informatie ▌ verstrekt die nodig is om de dienst op een consistente en geschikte manier te kunnen leveren, en wel door deze informatie waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken;

c)  websites, inclusief de daaraan gerelateerde onlinetoepassingen, en diensten op mobiele apparatuur, inclusief mobiele toepassingen, worden toegankelijk gemaakt op een consistente en geschikte manier, door ze waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken;

d)  ondersteunende diensten (helpdesks, callcenters, technische ondersteuning, bemiddelingsdiensten en opleidingsdiensten), die, voor zover beschikbaar, via toegankelijke communicatiemethoden informatie verstrekken over de toegankelijkheid van de dienst en de compatibiliteit ervan met hulptechnologieën.

AFDELING IV: AANVULLENDE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR SPECIFIEKE DIENSTEN

Om het te verwachten gebruik van de diensten door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het verlenen van diensten gezorgd voor het opnemen van functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen in de uitvoering van de dienst die gericht zijn op de behoeften van personen met een handicap, en op interoperabiliteit met hulptechnologieën:

a)  elektronischecommunicatiediensten, met inbegrip van de vormen van noodcommunicatie bedoeld in artikel 109, lid 2, van Richtlijn (EU) 2018/1972:

i)  door aanbieding van realtimetekst naast gesproken communicatie;

ii)  door aanbieding van totale conversatie wanneer naast gesproken communicatie ook video wordt verstrekt;

iii)  door ervoor te zorgen dat noodcommunicatie op basis van stem, tekst (met inbegrip van realtimetekst) is gesynchroniseerd en dat deze indien er video wordt geleverd tevens gesynchroniseerd is met het oog op totale conversatie alsmede door de aanbieders van elektronischecommunicatiediensten wordt doorgestuurd naar de meest geschikte alarmcentrale;

b)  tot audiovisuele mediadiensten toegang verschaffende diensten:

i)  door elektronische programmagidsen (EPG's) te leveren die voor de gebruikers waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn, en informatie verstrekken over de beschikbaarheid van toegankelijkheid;

ii)  door zorg te dragen voor volledige transmissie van de toegankelijkheids­componenten (toegangsdiensten) van audiovisuele mediadiensten, zoals ondertiteling voor doven en slechthorenden, audiodescriptie, gesproken ondertiteling en vertolking in gebarentaal, met passende kwaliteit voor accurate weergave, met synchronisatie van geluid en video, en met mogelijkheid tot weergave- en gebruikscontrole voor de gebruiker;

c)  diensten voor personenvervoer per vliegtuig, bus, trein en over water, met uitzondering van stads- en voorstadsvervoersdiensten en regionale vervoersdiensten:

i)  door zorg te dragen voor informatieverstrekking over de toegankelijkheid van voertuigen, de omringende infrastructuur en de bebouwde omgeving en over assistentie voor personen met een handicap;

ii)  door zorg te dragen voor informatieverstrekking over slimme ticketingsystemen (elektronische reservering, boeken van tickets, enz.), voor realtime-reisinformatie (dienstregelingen, informatie over verkeersstoringen, verbindingsdiensten, aansluiting op andere vervoermiddelen, enz.), alsmede voor aanvullende dienstinformatie (bijvoorbeeld personele inzet op stations, liften die buiten werking zijn of diensten die tijdelijk niet beschikbaar zijn);

d)  stedelijke en voorstedelijke vervoersdiensten en regionale vervoersdiensten door ervoor zorgen dat de zelfbedieningsterminals die bij het verlenen van de dienst worden gebruikt, toegankelijk zijn in overeenstemming met afdeling I van deze bijlage;

e)  bankdiensten voor consumenten:

i)  door te zorgen voor identificatiemethoden, elektronische ondertekening, beveiliging en betalingsdiensten die waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn;

ii)  door ervoor te zorgen dat de informatie begrijpelijk is, namelijk maximaal van de moeilijkheidsgraad B2 (hoger middenniveau) van het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen van de Raad van Europa.

f)  e-boeken:

i)  door ervoor te zorgen dat, wanneer een e-boek naast tekst ook audio bevat, de tekst en audio gesynchroniseerd zijn;

ii)  door ervoor te zorgen dat de digitale bestanden van het e-boek niet beletten dat hulptechnologie naar behoren functioneert;

iii)  door te zorgen voor toegang tot de inhoud, voor de navigatie door de inhoud en de lay-out (met inbegrip van de dynamische lay-out) van het bestand, alsmede voor structuur, flexibiliteit en keuze voor de weergave van de inhoud;

iv)   door alternatieve weergave van de inhoud mogelijk te maken en zorg te dragen voor interoperabiliteit met een veelheid aan hulptechnologieën, op een manier die waarneembaar, begrijpelijk, bedienbaar en robuust is;

v)  door ze vindbaar te maken via metadata-informatie over hun toegankelijkheids­functies;

vi)  door ervoor te zorgen dat maatregelen van digitaal rechtenbeheer geen toegankelijkheidsfuncties blokkeren;

g)  voor e-handelsdiensten:

i)  door te zorgen voor informatie over de toegankelijkheid van de te koop aangeboden producten en diensten wanneer deze informatie door de verantwoordelijke marktdeelnemer wordt verstrekt;

ii)  door te zorgen voor de toegankelijkheid van de functies voor identificatie, beveiliging en betaling wanneer deze als onderdeel van een dienst en niet van een product worden geleverd, door deze informatie waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust te maken;

iii)  door te zorgen voor identificatiemethoden, elektronische ondertekening en betalingsdiensten die waarneembaar, bedienbaar, begrijpelijk en robuust zijn;

AFDELING V: SPECIFIEKE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR HET BEANTWOORDEN VAN NOODCOMMUNICATIE NAAR HET GEMEENSCHAPPELIJK EUROPEES NOODNUMMER "112", DOOR DE MEEST GESCHIKTE ALARMCENTRALE:

Om het te verwachten gebruik van het gemeenschappelijk Europees noodnummer "112" door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen, wordt bij het beantwoorden van noodcommunicatie daarnaar door de meest geschikte alarmcentrale, gezorgd voor het opnemen van functies, werkwijzen, beleid, procedures en veranderingen ▌ die gericht zijn op de behoeften van personen met een handicap.

Noodcommunicatie naar het gemeenschappelijk Europees noodnummer "112" worden passend beantwoord op de voor de nationale organisatie van noodhulpdiensten meest geschikte wijze en door de meest geschikte alarmcentrale, met gebruikmaking van hetzelfde communicatiemiddel als waarmee de noodcommunicatie ontvangen is, dat wil zeggen met gebruikmaking van gesynchroniseerde stem en tekst (met inbegrip van realtimetekst) en indien er video wordt geleverd met gesynchroniseerde stem, tekst (met inbegrip van realtimetekst) en video voor totale conversatie.

AFDELING VI: TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR KENMERKEN, ONDERDELEN EN FUNCTIES VAN PRODUCTEN EN DIENSTEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 24, LID 2

Voor het vermoeden dat voldaan is aan de relevante verplichtingen krachtens andere Uniehandelingen ten aanzien van kenmerken, onderdelen of functies van producten en diensten is het volgende vereist:

1.  Producten:

a)  de toegankelijkheid van de informatie ten aanzien van hoe een product werkt en welke toegankelijkheidsfuncties het bezit, beantwoordt aan de overeenkomstige elementen in afdeling I, punt 1, van deze bijlage, te weten via op het product zelf aangebrachte informatie over het gebruik van het product en via niet op het product aangebrachte instructies voor het gebruik van het product, maar die beschikbaar worden via het gebruik van het product of op een andere manier, bijvoorbeeld via een website.

b)  de toegankelijkheid van kenmerken, elementen en functies van de gebruikers­interface en het functionaliteitsontwerp van producten beantwoordt aan de overeenkomstige toegankelijkheidsvoorschriften in afdeling I, punt 2, van deze bijlage.

c)  de toegankelijkheid van de verpakking, met inbegrip van de daarin verstrekte informatie en instructies voor installatie, onderhoud, opslag en verwijdering van het product, die niet op het product zelf staan maar op een andere manier beschikbaar worden gesteld, bijvoorbeeld via een website, doch zelfbedienings­terminals uitgezonderd, beantwoordt aan de overeenkomstige toegankelijkheids­voorschriften in afdeling II van deze bijlage.

2.  Diensten:

de toegankelijkheid van de kenmerken, onderdelen en functies van diensten beantwoordt aan de overeenkomstige toegankelijkheidsvoorschriften voor die kenmerken, onderdelen en functies beschreven in de afdelingen over diensten van deze bijlage.

AFDELING VII: FUNCTIONELEPRESTATIE-EISEN

Teneinde het te verwachten gebruik door personen met een handicap zoveel mogelijk te bevorderen en ingeval de in de afdelingen I tot en met VI van deze bijlage vermelde toegankelijkheidsvoorschriften geen betrekking op een of meerdere functies van het ontwerp en de productie van producten of de verlening van diensten hebben, worden die functies of middelen via conformiteit met de desbetreffende functioneleprestatie-eisen toegankelijk gemaakt.

Deze functioneleprestatie-eisen mogen uitsluitend als alternatief voor een of meerdere specifieke technische voorschriften worden gebruikt indien er in de toegankelijkheidsvoorschriften naar verwezen wordt, en uitsluitend indien bij toepassing van de desbetreffende functionele­prestatie-eisen voldaan wordt aan de toegankelijkheidsvoorschriften en wordt vastgesteld dat bij het te verwachten gebruik door personen met een handicap het ontwerp en de productie van producten en de verlening van diensten tot gelijkwaardige of verhoogde toegankelijkheid leidt.

a)  gebruik zonder zicht:

bij producten of diensten met visuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar die geen zicht vereist;

b)  gebruik met beperkt zicht:

bij producten of diensten met visuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar waarmee gebruikers met beperkt zicht het product kunnen bedienen;

c)  gebruik zonder waarneming van kleur:

bij producten of diensten met visuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar waarvoor de gebruiker geen kleur hoeft te kunnen waarnemen;

d)  gebruik zonder gehoor:

bij producten of diensten met auditieve bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar die geen gehoor vereist;

e)  gebruik met beperkt gehoor:

bij producten of diensten met auditieve bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze met versterkte audiofuncties beschikbaar waarmee gebruikers met beperkt gehoor het product kunnen bedienen;

f)  gebruik zonder stemvermogen:

bij producten of diensten die steminvoer van gebruikers vereisen, is minstens één bedieningswijze beschikbaar die geen steminvoer vereist. Steminvoer omvat alle met de mond geproduceerde geluiden zoals spraak, fluit- of klikgeluiden;

g)  gebruik met beperkte manueel-motorische of kracht:

bij producten of diensten die manuele handelingen vereisen, is minstens één bedieningswijze beschikbaar waarmee gebruikers het product kunnen gebruiken door middel van alternatieve handelingen die geen fijne motoriek en manuele vaardigheden of gelijktijdige bediening van meer dan één besturingselement vereisen;

h)  gebruik met beperkte reikwijdte:

de bedieningselementen van producten bevinden zich binnen het bereik van alle gebruikers. Bij producten of diensten met manuele bedieningswijzen is minstens één bedieningswijze beschikbaar die met beperkte reikwijdte en met beperkte kracht bediend kan worden;

i)  minimalisering van het risico op het veroorzaken van lichtgevoelige aanvallen:

bij producten met visuele bedieningswijzen zijn geen bedieningswijzen beschikbaar waarvan bekend is dat zij lichtgevoelige aanvallen veroorzaken;

j)  gebruik met beperkt cognitief vermogen:

bij deze producten of diensten is minstens één bedieningswijze beschikbaar met functies die het gebruik ervan eenvoudiger en gebruiksvriendelijker maken;

k)  Privacy

bij producten of diensten die functies ten behoeve van de toegankelijkheid bevatten, is minstens één bedieningswijze beschikbaar die bij het gebruik van deze functies ten behoeve van de toegankelijkheid de privacy van de gebruiker waarborgt.

___________________

BIJLAGE II

INDICATIEVE NIET-BINDENDE VOORBEELDEN VAN MOGELIJKE OPLOSSINGEN DIE BIJDRAGEN AAN NALEVING VAN DE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN IN BIJLAGE I

AFDELING I:

VOORBEELDEN BETREFFENDE ALGEMENE TOEGANKELIJKHEIDS­VOORSCHRIFTEN VOOR ALLE PRODUCTEN DIE ONDER DEZE RICHTLIJN VALLEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 2, LID 1

VOORSCHRIFTEN IN AFDELING I VAN BIJLAGE I

VOORBEELDEN

1.  Informatieverstrekking

a)  

i)

Visuele en tactiele informatie of visuele en auditieve informatie aanbieden over de plaats waar een kaart in een zelfbedienings­terminal moet worden ingevoerd, zodat blinden en doven gebruik kunnen maken van de terminal.

ii)  

Steeds dezelfde bewoordingen gebruiken, of de informatie een duidelijke en logische structuur geven, zodat personen met een verstandelijke handicap deze beter kunnen begrijpen.

iii)  

Zorgen voor een voelbaar reliëfformat of voor een geluid naast een waarschuwende tekst, zodat blinden de waarschuwing kunnen waarnemen.

iv)  

Ervoor zorgen dat de tekst kan worden gelezen door personen met een visuele beperking.

b)  

i)  

Elektronische bestanden ter beschikking stellen die gelezen kunnen worden door computers met schermlezers, zodat blinden de informatie kunnen gebruiken.

ii)  

Steeds dezelfde bewoordingen gebruiken, of de informatie een duidelijke en logische structuur geven, zodat personen met een verstandelijke handicap deze beter kunnen begrijpen.

iii)  

Instructievideo's van ondertitels voorzien.

iv)  

Ervoor zorgen dat de tekst kan worden gelezen door personen met een visuele beperking.

v)  

De tekst afdrukken in braille, zodat een blinde deze kan lezen.

vi)  

Een diagram aanvullen met een tekstuele beschrijving van de belangrijkste elementen of de belangrijkste handelingen.

vii)  

Geen voorbeeld

viii)  

Geen voorbeeld

ix)  

Een geldautomaat uitrusten met software en een aansluiting voor een koptelefoon waarmee de tekst op het scherm kan worden beluisterd.

2.  Ontwerp van de gebruikersinterface en de functionaliteit

a)  

Stem- en tekstinstructies leveren, of voelbare aanduidingen in het toetsenpaneel verwerken zodat blinden of slechthorenden in interactie met het product kunnen treden.

b)  

Zelfbedieningsterminals met gesproken instructies ook uitrusten met instructies in de vorm van bijvoorbeeld tekst of afbeeldingen, zodat ook doven de vereiste handeling kunnen uitvoeren.

c)  

Gebruikers de mogelijkheid bieden een tekst te vergroten, in te zoomen op een bepaald pictogram of het contrast te vergroten, zodat personen met een visuele beperking de informatie kunnen waarnemen.

d)  

Gebruikers naast de mogelijkheid om via het drukken op een groene of een rode knop om tussen opties te kiezen, tevens op die knoppen te vermelden wat de opties zijn, zodat mensen die kleurenblind zijn hun keuze kunnen maken.

e)  

Wanneer een computer een foutsignaal afgeeft tevens een geschreven tekst of een afbeelding weergeven met de fout in kwestie, zodat het doven duidelijk is dat er een fout is opgetreden.

f)  

Extra contrast in beelden op de voorgrond mogelijk maken zodat slechtzienden die kunnen zien.

g)  

Telefoongebruikers in staat stellen het geluidsvolume te kiezen en de interferentie met gehoorapparaten verminderen, zodat slechthorenden de telefoon kunnen gebruiken.

h)  

Knoppen op aanraakschermen groter maken en ver genoeg van elkaar plaatsen zodat personen met trillende handen ze kunnen bedienen.

i)

Ervoor zorgen dat om knoppen te bedienen niet veel kracht nodig is zodat motorisch gehandicapten de knoppen kunnen gebruiken.

j)  

Flikkerende beelden vermijden zodat epileptici geen risico lopen.

k)  

Het gebruik van koptelefoons mogelijk maken wanneer een geldautomaat gesproken informatie geeft.

l)  

Als alternatief voor vingerafdrukherkenning, gebruikers die hun handen niet kunnen gebruiken in staat stellen een wachtwoord kiezen voor het vergrendelen/ontgrendelen van hun telefoon.

m)  

Ervoor zorgen dat de software op voorspelbare wijze reageert wanneer een bepaalde handeling wordt uitgevoerd en er voldoende tijd is om een wachtwoord in te voeren, zodat deze gemakkelijk te gebruiken is voor verstandelijk gehandicapten.

n)  

Zorgen voor een verbinding met een steeds hernieuwbare brailledisplay, zodat blinden de computer kunnen gebruiken.

o)  

Voorbeelden van sectorspecifieke voorschriften

i)  

Geen voorbeeld

ii)

Geen voorbeeld

iii)  Eerste streepje

Ervoor zorgen dat een mobiele telefoon toegerust is op tekstgesprekken in realtime, zodat slechthorenden op een interactieve manier informatie kunnen uitwisselen.

iii)  Vierde streepje

Het gelijktijdige gebruik van video in gebarentaal en tekst voor het schrijven van een bericht mogelijk maken, zodat twee doven met elkaar of met een horende kunnen communiceren.

iv)  

Ervoor zorgen dat ondertiteling wordt doorgegeven via de decoder voor gebruik door doven.

3.  Ondersteunende diensten

Geen voorbeeld

AFDELING II:

VOORBEELDEN BETREFFENDE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR PRODUCTEN IN ARTIKEL 2, LID 1, MET UITZONDERING VAN DE ZELFBEDIENINGSTERMINALS BEDOELD IN ARTIKEL 2, LID 1, ONDER b)

VOORSCHRIFTEN IN AFDELING II VAN BIJLAGE I

VOORBEELDEN

Verpakking en instructies van producten

a)  

Vermelden op de verpakking dat de telefoon toegankelijkheids­functies voor personen met een handicap bevat.

b)

i)  

Elektronische bestanden ter beschikking stellen die gelezen kunnen worden door computers met schermlezers, zodat blinden de informatie kunnen gebruiken.

ii)  

Steeds dezelfde bewoordingen gebruiken, of de informatie een duidelijke en logische structuur geven, zodat personen met een verstandelijke handicap deze beter kunnen begrijpen.

iii)  

Zorgen voor een voelbaar reliëfformat of voor een geluid bij een waarschuwende tekst, zodat blinden de waarschuwing ontvangen.

iv)  

Ervoor zorgen dat de tekst gelezen kan worden door personen met een visuele beperking.

v)  

Tekst afdrukken in braille, zodat een blinde deze kan lezen.

vi)  

Een diagram aanvullen met een tekstuele beschrijving van de belangrijkste elementen of de belangrijkste handelingen.

AFDELING III:

VOORBEELDEN BETREFFENDE ALGEMENE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR ALLE DIENSTEN DIE ONDER DEZE RICHTLIJN VALLEN OVEREENKOMSTIG ARTIKEL 2, LID 2

VOORSCHRIFTEN IN AFDELING III VAN

BIJLAGE I

VOORBEELDEN

De verlening van diensten

a)  

Geen voorbeeld

b)  

i)  

Elektronische bestanden ter beschikking stellen die gelezen kunnen worden door computers met schermlezers, zodat blinden de informatie kunnen gebruiken.

ii)  

Steeds dezelfde bewoordingen gebruiken, of de informatie een duidelijke en logische structuur geven, zodat personen met een verstandelijke handicap deze beter kunnen begrijpen.

iii)  

Instructievideo's van ondertitels voorzien.

iv)  

Ervoor zorgen dat een blinde een bestand kan gebruiken door het af te drukken in braille.

v)  

Ervoor zorgen dat de tekst gelezen kan worden door personen met een visuele beperking.

vi)  

Een diagram aanvullen met een tekstuele beschrijving van de belangrijkste elementen of de belangrijkste handelingen.

vii)  

Wanneer een dienstverlener een USB-stick verstrekt met informatie over de dienst, ervoor zorgen dat deze informatie toegankelijk is.

c)  

Een tekstbeschrijving van afbeeldingen verstrekken, alle functies beschikbaar maken vanaf een toetsenbord, gebruikers voldoende leestijd geven, inhoud op voorspelbare wijze laten verschijnen en functioneren en zorgen voor compatibiliteit met hulptechnologieën, zodat personen met diverse handicaps een website kunnen lezen en er in interactie mee kunnen treden.

d)  

Geen voorbeeld

AFDELING IV:

VOORBEELDEN BETREFFENDE AANVULLENDE TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR SPECIFIEKE DIENSTEN

VOORSCHRIFTEN IN AFDELING IV VAN

BIJLAGE I

VOORBEELDEN

Specifieke diensten

a)  

i)  

Ervoor zorgen dat een slechthorende tekst op een interactieve manier en in real time kan schrijven en ontvangen.

ii)  

Ervoor zorgen dat doven onderling in gebarentaal kunnen communiceren.

iii)  

Ervoor zorgen dat een slechthorende met een spraakstoornis die ervoor kiest een combinatie van tekst, stem en video te gebruiken, weet dat het bericht via het netwerk wordt verzonden naar een noodhulpdienst.

b)  

i)  

Ervoor zorgen dat een blinde televisieprogramma's kan selecteren.

ii)  

De mogelijkheid ondersteunen om "toegangsdiensten", zoals ondertiteling voor doven en slechthorenden, audiodescriptie, gesproken ondertiteling en vertolking in gebarentaal, te selecteren, te personaliseren en te activeren, door een effectieve draadloze koppeling met hoortechnologieën mogelijk te maken of door gebruikersbesturing te bieden om "toegangsdiensten" voor audiovisuele mediadiensten te starten op hetzelfde niveau als de primaire mediabesturing.

c)  

i)

Geen voorbeeld

ii)  

Geen voorbeeld

d)  Geen voorbeeld

e)  

i)  

Ervoor zorgen dat de identificatiedialogen op een scherm door schermlezers kunnen worden gelezen, zodat blinden ze kunnen gebruiken.

ii)  

Geen voorbeeld

f)

i)  

Ervoor zorgen dat iemand met dyslexie de tekst tegelijk kan lezen en beluisteren.

ii)  

Gesynchroniseerde tekst en audio of een steeds hernieuwbare omzetting in braille mogelijk maken.

iii)  

Ervoor zorgen dat een blinde toegang heeft tot de inhoudsopgave of van hoofdstuk kan veranderen.

iv)

Geen voorbeeld

v)  

Ervoor zorgen dat informatie over hun toegankelijkheidsfuncties beschikbaar is in het elektronisch bestand, zodat personen met een handicap geïnformeerd kunnen worden.

vi)  

Ervoor zorgen dat het hardop voorlezen van de tekst niet onmogelijk is gemaakt, bijvoorbeeld dat technische beschermingsmaatregelen, informatie over het rechtenbeheer of interoperabiliteitskwesties niet beletten dat de tekst hardop kan worden voorgelezen door de hulpapparatuur, zodat blinde gebruikers het boek kunnen lezen.

g)  

i)  

Ervoor zorgen dat beschikbare informatie over de toegankelijkheidsfuncties van een product niet wordt gewist.

ii)  

De gebruikersinterface van de betalingsdienst via stem beschikbaar stellen, zodat blinden onafhankelijk online aankopen kunnen doen.

iii)  

Ervoor zorgen dat de identificatiedialogen op een scherm door schermlezers kunnen worden gelezen, zodat blinden ze kunnen gebruiken.

_______________________

BIJLAGE III

TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOOR DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 4, LID 4, BETREFFENDE DE BEBOUWDE OMGEVING WAAR DE ONDER DEZE RICHTLIJN VALLENDE DIENSTEN VERLEEND WORDEN

Teneinde het te verwachten zelfstandige gebruik door personen met een handicap van de bebouwde omgeving waar een dienst onder de verantwoordelijkheid van de dienstverlener wordt verleend, als bedoeld in artikel 4, lid 4, ▌zoveel mogelijk te bevorderen, omvat de toegankelijkheid van ruimten die bedoeld zijn voor openbare toegang onder meer de navolgende aspecten:

a)  het gebruik van bijbehorende buitenruimten en -voorzieningen ▌;

b)  de opritten naar gebouwen;

c)  het gebruik van ingangen;

d)  het gebruik van routes voor horizontale circulatie;

e)  het gebruik van routes voor verticale circulatie;

f)  het gebruik van ruimten door het publiek;

g)  het gebruik van uitrusting en voorzieningen die gebruikt worden voor het verlenen van de dienst;

h)  het gebruik van toiletten en sanitaire voorzieningen;

i)  het gebruik van uitgangen, evacuatieroutes en concepten voor rampenplannen;;

j)  communicatie en oriëntatie via meer dan één zintuiglijk kanaal;

k)  het gebruik van voorzieningen en gebouwen voor hun te verwachten gebruik;;

l)  bescherming tegen gevaren zowel binnen als buiten.

_____________________

BIJLAGE IV

PROCEDURES VOOR CONFORMITEITSBEOORDELING - PRODUCTEN

1.  Interne productiecontrole

Met "interne productiecontrole" wordt de conformiteitsbeoordelingsprocedure bedoeld waarbij de fabrikant de verplichtingen in de punten 2, 3 en 4 van deze bijlage nakomt en op eigen verantwoording garandeert en verklaart dat het betrokken product ▌ aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet.

2.   Technische documentatie

De fabrikant stelt de technische documentatie samen. Aan de hand van deze technische documentatie kan worden beoordeeld of het product voldoet aan de relevante toegankelijkheidsvoorschriften als vermeld in artikel 4 en kan, als de fabrikant zich gebaseerd heeft op artikel 14, worden aangetoond dat de relevante toegankelijkheidsvoorschriften een fundamentele wijziging tot gevolg zouden hebben of een onevenredige last zouden opleggen. De technische documentatie vermeldt uitsluitend de voorschriften die van toepassing zijn en heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp, de fabricage en de werking van het product.

De technische documentatie bevat, indien van toepassing, ten minste de volgende elementen:

a)  een algemene beschrijving van het product;

b)  een lijst van de geheel of gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen en technische specificaties waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, en indien de geharmoniseerde normen of technische specificaties niet zijn toegepast, een beschrijving van de wijze waarop aan de relevante toegankelijkheidsvoorschriften van artikel 4 is voldaan; bij gedeeltelijk toegepaste geharmoniseerde normen of technische specificaties wordt in de technische documentatie aangegeven welke delen van de norm zijn toegepast.

3.   Fabricage

De fabrikant neemt alle nodige maatregelen opdat de conformiteit van de producten met de in punt 2 van deze bijlage bedoelde technische documentatie en met de toegankelijkheidsvoorschriften van deze richtlijn door het fabricageproces en het toezicht daarop wordt gewaarborgd.

4.   CE-markering en EU-conformiteitsverklaring

4.1.   De fabrikant brengt de in deze richtlijn bedoelde CE-markering aan op elk afzonderlijk product dat aan de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn voldoet.

4.2   De fabrikant stelt een schriftelijke EU-conformiteitsverklaring op voor een model van een product. In de EU-conformiteitsverklaring wordt vermeld om welk product het gaat.

De relevante autoriteiten wordt op verzoek een kopie van de EU-conformiteitsverklaring verstrekt.

5.   Gemachtigde

De in punt 4 vermelde verplichtingen van de fabrikant kunnen namens hem en onder zijn verantwoordelijkheid worden vervuld door zijn gemachtigde, op voorwaarde dat dit in het mandaat is vermeld.

____________________

BIJLAGE V

INFORMATIE OVER DIENSTEN DIE AAN TOEGANKELIJKHEIDSVOORSCHRIFTEN VOLDOEN

1.   De dienstverlener neemt in de algemene voorwaarden of een gelijkwaardig document de informatie op waaruit blijkt dat de dienst aan de in artikel 4 vermelde toegankelijkheids­voorschriften voldoet. Deze informatie omvat een beschrijving van de toepasselijke voorschriften en heeft, voor zover relevant voor de beoordeling, betrekking op het ontwerp en de werking van de dienst. In aanvulling op de voorschriften voor consumenteninformatie volgens Richtlijn 2011/83/EU omvat de informatie, indien van toepassing, de volgende elementen:

a)  een in toegankelijke formats weergegeven algemene beschrijving van de dienst;

b)  de beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn om te begrijpen hoe de dienst werkt;

c)  een beschrijving van de manier waarop de dienst aan de toepasselijke toegankelijkheidsvoorschriften uit bijlage I voldoet.

2.   Om aan punt 1 van deze bijlage te voldoen mag de dienstverlener de geharmoniseerde normen en technische specificaties waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, geheel of gedeeltelijk toepassen.

3.   De dienstverlener verschaft informatie waaruit blijkt dat de conformiteit van de dienst met punt 1 van deze bijlage en met de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn door het dienst­verleningsproces en het toezicht daarop wordt gewaarborgd.

_________________________

BIJLAGE VI

CRITERIA VOOR DE BEOORDELING VAN ONEVENREDIGE LAST

Criteria voor het uitvoeren en documenteren van de beoordeling:

1.  Verhouding van de nettokosten van de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften tot de totale kosten (exploitatie- en investeringsuitgaven) van de vervaardiging, distributie of invoer van het product voor, of het verlenen van de dienst aan, de marktdeelnemers.

Elementen voor de beoordeling van de nettokosten voor de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften:

a)  criteria met betrekking tot eenmalige organisatiekosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:

i)  kosten voor extra personeel met expertise op het gebied van toegankelijkheid;

ii)   kosten voor opleiding van personeel en competentieverwerving op het gebied van toegankelijkheid;

iii)   kosten voor de ontwikkeling van een nieuwe procedure ter integratie van toegankelijkheid in de productontwikkeling of dienstverlening;

iv)   kosten voor de ontwikkeling van richtsnoeren inzake toegankelijkheid;

v)   eenmalige kosten voor het leren begrijpen van de wetgeving inzake toegankelijkheid;

b)  criteria met betrekking tot de lopende productie- en ontwikkelingskosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:

i)   kosten voor het ontwerpen van de toegankelijkheidsfuncties van het product of de dienst;

ii)   kosten van de productieprocessen;

iii)   kosten voor het testen van een product of dienst op toegankelijkheid;

iv)   kosten met betrekking tot het samenstellen van documentatie..

2.  De geraamde kosten en baten voor de marktdeelnemers, inclusief productieprocessen en investeringen, in verhouding tot de geraamde voordelen voor personen met een handicap, rekening houdend met aantal keer dat het specifieke product of de specifieke dienst is gebruikt, en de frequentie van dat gebruik.

3.  Verhouding van de nettokosten van de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften tot de netto-omzet van de marktdeelnemer.

Elementen voor het beoordelen van de nettokosten van de naleving van de toegankelijkheidsvoorschriften:

a)  criteria met betrekking tot eenmalige organisatiekosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:

i)  kosten voor extra personeel met expertise op het gebied van toegankelijkheid;

ii)   kosten voor opleiding van personeel en competentieverwerving op het gebied van toegankelijkheid;

iii)   kosten voor de ontwikkeling van een nieuwe procedure ter integratie van toegankelijkheid in de productontwikkeling of dienstverlening;

iv)   kosten voor de ontwikkeling van richtsnoeren inzake toegankelijkheid;

v)   eenmalige kosten voor het leren begrijpen met de wetgeving inzake toegankelijkheid.

b)  criteria met betrekking tot de lopende productie- en ontwikkelingskosten die in de beoordeling moeten worden meegenomen:

i)   kosten voor het ontwerpen van de toegankelijkheidsfuncties van het product of de dienst;

ii)   kosten van de productieprocessen;

iii)   kosten voor het testen van een product of dienst op toegankelijkheid;

iv)   kosten met betrekking tot het samenstellen van documentatie..

(1) PB C 303 van 19.8.2016, blz. 103.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 september 2017 (Aangenomen teksten, P8_TA(2017)0347).
(3)PB C 303 van 19.8.2016, blz. 103.
(4)Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2019.
(5)Richtlijn 2014/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake liften en veiligheidscomponenten voor liften (PB L 96 van 29.3.2014, blz. 251).
(6)Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).
(7)Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36).
(8) Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).
(9)Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(10)Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (PB L 46 van 17.2.2004, blz. 1).
(11)Verordening (EG) nr. 1107/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 inzake de rechten van gehandicapten en personen met beperkte mobiliteit die per luchtvervoer reizen (PB L 204 van 26.7.2006, blz. 1).
(12)Verordening (EG) nr. 1371/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende de rechten en verplichtingen van reizigers in het treinverkeer (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 14).
(13)Verordening (EU) nr. 1177/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende de rechten van passagiers die over zee of binnenwateren reizen en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 1).
(14)Verordening (EU) nr. 181/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende de rechten van autobus- en touringcarpassagiers en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 1).
(15)Richtlijn 2008/57/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 betreffende de interoperabiliteit van het spoorwegsysteem in de Gemeenschap (PB L 191 van 18.7.2008, blz. 1).
(16) Richtlijn (EU) 2017/1564 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake bepaalde toegestane vormen van gebruik van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben, en tot wijziging van Richtlijn 2001/29/EG betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 242 van 20.9.2017, blz. 6).
(17) Verordening (EU) 2017/1563 van het Europees Parlement en de Raad van 13 september 2017 inzake de grensoverschrijdende uitwisseling tussen de Unie en derde landen van exemplaren in toegankelijke vorm van bepaalde werken en ander materiaal die door het auteursrecht en naburige rechten beschermd zijn ten behoeve van personen die blind zijn, visueel gehandicapt of anderszins een leeshandicap hebben (PB L 242 van 20.9.2017, blz. 1).
(18)Richtlijn 93/42/EEG van de Raad van 14 juni 1993 betreffende medische hulpmiddelen (PB L 169 van 12.7.1993, blz. 1).
(19)Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(20)Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende een gemeenschappelijk kader voor het verhandelen van producten en tot intrekking van Besluit 93/465/EEG van de Raad (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82).
(21)Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende Europese normalisatie, tot wijziging van de Richtlijnen 89/686/EEG en 93/15/EEG van de Raad alsmede de Richtlijnen 94/9/EG, 94/25/EG, 95/16/EG, 97/23/EG, 98/34/EG, 2004/22/EG, 2007/23/EG, 2009/23/EG en 2009/105/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Beschikking 87/95/EEG van de Raad en Besluit nr. 1673/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 12).
(22)Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumenten­rechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64).
(23)Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
(24)Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(25)Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(26)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(27)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(28) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(29)Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36).
(30)Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66).
(31)Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34).
(32)Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
(33)Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).
(34)Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214).
(35)Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).
(36) Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32).
(37)Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).


Visuminformatiesysteem ***I
PDF 462kWORD 141k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008, Verordening (EG) nr. 810/2009, Verordening (EU) 2017/2226, Verordening (EU) 2016/399, Verordening XX/2018 [de interoperabiliteitsverordening] en Beschikking 2004/512/EG, en tot intrekking van Besluit 2008/633/JBZ van de Raad (COM(2018)0302 – C8-0185/2018 – 2018/0152(COD))
P8_TA-PROV(2019)0174A8-0078/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0302),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 16, lid 2, artikel 77 , lid 2, onder a), b), d) en e), artikel 78, lid 2, onder d), e) en g), artikel 79, lid 2, onder c) en d), artikel 87, lid 2, onder a), en artikel 88, lid 3, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0185/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0078/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Titel
Voorstel voor een
Voorstel voor een
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
VERORDENING VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008, Verordening (EG) nr. 810/2009, Verordening (EU) 2017/2226, Verordening (EU) 2016/399, Verordening XX/2018 [de interoperabiliteitsverordening] en Beschikking 2004/512/EG, en tot intrekking van Besluit 2008/633/JBZ van de Raad
tot herziening van het Visuminformatiesysteem door een wijziging van Verordening (EG) nr. 767/2008, Verordening (EG) nr. 810/2009, Verordening (EU) 2017/2226, Verordening (EU) 2016/399, Verordening XX/2018 [de interoperabiliteitsverordening] en tot intrekking van Beschikking 2004/512/EG en Besluit 2008/633/JBZ van de Raad
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Het Visuminformatiesysteem (VIS) werd opgezet bij Beschikking 2004/512/EG van de Raad41 als technologische oplossing voor de uitwisseling van visumgegevens tussen de lidstaten. Bij Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad42 zijn het doel, de functies en de bevoegdheden met betrekking tot het VIS vastgesteld, evenals de voorwaarden en procedures voor de uitwisseling van informatie inzake visa voor kort verblijf tussen de lidstaten om de behandeling van aanvragen voor visa voor kort verblijf en de daarmee samenhangende beslissingen te vergemakkelijken. In Verordening (EG) nr. 810/2009 van 13 juli 2009 van het Europees Parlement en de Raad43 worden de regels inzake de registratie van biometrische kenmerken in het VIS vastgelegd. Bij Besluit 2008/633/JBZ van de Raad44 zijn de voorwaarden vastgesteld waaronder de aangewezen autoriteiten van de lidstaten en Europol toegang krijgen tot het VIS om het te raadplegen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten.
(1)  Het Visuminformatiesysteem (VIS) werd opgezet bij Beschikking 2004/512/EG van de Raad41 als technologische oplossing voor de uitwisseling van visumgegevens tussen de lidstaten. Bij Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad42 zijn het doel, de functies en de bevoegdheden met betrekking tot het VIS vastgesteld, evenals de voorwaarden en procedures voor de uitwisseling van informatie inzake visa voor kort verblijf tussen de lidstaten om de behandeling van aanvragen voor visa voor kort verblijf en de daarmee samenhangende beslissingen te vergemakkelijken. In Verordening (EG) nr. 810/2009 van 13 juli 2009 van het Europees Parlement en de Raad43 worden de regels inzake de registratie van biometrische kenmerken in het VIS vastgelegd. Bij Besluit 2008/633/JBZ van de Raad44 zijn de voorwaarden vastgesteld waaronder de aangewezen autoriteiten van de lidstaten en Europol toegang krijgen tot het VIS om het te raadplegen met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten. Het VIS is operationeel sinds 11 oktober 201144 bis en is tussen oktober 2011 en februari 2016 geleidelijk aan ingevoerd in alle consulaten van de lidstaten in de hele wereld.
__________________
__________________
41 Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5).
41 Beschikking 2004/512/EG van de Raad van 8 juni 2004 betreffende het opzetten van het Visuminformatiesysteem (VIS) (PB L 213 van 15.6.2004, blz. 5).
42 Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60).
42 Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60).
43 Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).
43 Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode) (PB L 243 van 15.9.2009, blz. 1).
44 Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129).
44 Besluit 2008/633/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 over de toegang tot het Visuminformatiesysteem (VIS) voor raadpleging door aangewezen autoriteiten van de lidstaten en door Europol, met het oog op het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 129).
44 bis Uitvoeringsbesluit 2011/636/EU van de Commissie van 21 september 2011 tot vaststelling van de datum waarop de werkzaamheden van het Visuminformatiesysteem (VIS) in een eerste regio beginnen (PB L 249 van 27.9.2011, blz. 18).
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  In haar mededeling van 6 april 2016 over krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid46 heeft de Commissie benadrukt dat de EU haar IT-systemen, gegevensarchitectuur en informatie-uitwisseling op het gebied van grensbeheer, rechtshandhaving en terrorismebestrijding moet versterken en verbeteren en dat de interoperabiliteit van IT-systemen moet worden bevorderd. In de mededeling werd ook opgemerkt dat informatielacunes moeten worden aangepakt, onder meer waar het gaat om onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor verblijf van langere duur.
(3)  In haar mededeling van 6 april 2016 over krachtigere en slimmere informatiesystemen voor grenzen en veiligheid46 heeft de Commissie benadrukt dat de EU haar IT-systemen, gegevensarchitectuur en informatie-uitwisseling op het gebied van grensbeheer, rechtshandhaving en terrorismebestrijding moet versterken en verbeteren en dat de interoperabiliteit van IT-systemen moet worden bevorderd. In de mededeling werd ook opgemerkt dat informatielacunes moeten worden aangepakt, onder meer waar het gaat om onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor verblijf van langere duur gezien het feit dat artikel 21 van de Schengenovereenkomst voorziet in het recht van vrij verkeer op het grondgebied van de staten die partij zijn bij de overeenkomst gedurende ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, door te zorgen voor de wederzijdse erkenning van de verblijfsvergunningen en visa voor verblijf van langere duur die door deze staten worden afgegeven. De Commissie heeft daarom twee studies verricht: uit de eerste haalbaarheidsstudie46 bis is geconcludeerd dat de ontwikkeling van een register technisch haalbaar is en dat het hergebruik van de VIS-structuur vanuit technisch oogpunt de beste optie zou zijn, terwijl de tweede studie46 ter inzake de noodzaak en evenredigheid aantoonde dat het noodzakelijk en evenredig zou zijn om het toepassingsgebied van het VIS uit te breiden met de bovengenoemde documenten.
__________________
__________________
46 COM(2016)0205.
46 COM(2016)0205.
46 bis ''Integrated Border Management (IBM) – Feasibility Study to include in a repository documents for Long-Stay visas, Residence and Local Border Traffic Permits'' (2017).
46 ter ''Legal analysis on the necessity and proportionality of extending the scope of the Visa Information System (VIS) to include data on long stay visas and residence documents'' (2018).
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Op 10 juni 2016 heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan een routekaart voor het verbeteren van informatie-uitwisseling en informatiebeheer47. Om de bestaande informatielacunes op het gebied van documenten die aan onderdanen van derde landen worden afgegeven, aan te pakken, heeft de Raad de Commissie verzocht de instelling te onderzoeken van een centraal register van verblijfsvergunningen en visa voor verblijf van langere duur die door de lidstaten worden afgegeven, waarin informatie met betrekking tot deze documenten kan worden opgeslagen, zoals de einddatum van de geldigheidsduur en hun mogelijke intrekking. Artikel 21 van de Schengenovereenkomst voorziet in het recht van vrij verkeer op het grondgebied van de staten die partij zijn bij de overeenkomt gedurende ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, door te zorgen voor de wederzijdse erkenning van de verblijfsvergunningen en visa voor verblijf van langere duur die door deze staten worden afgegeven.
Schrappen
__________________
47 Routekaart voor het verbeteren van informatie-uitwisseling en informatiebeheer op het gebied van justitie en binnenlandse zaken (9368/1/16 REV 1).
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  In zijn conclusies van 9 juni 2017 over de verdere stappen voor het verbeteren van de informatie-uitwisseling en het waarborgen van de interoperabiliteit van de EU-informatiesystemen48 heeft de Raad erkend dat er nieuwe maatregelen nodig kunnen zijn om de huidige informatielacunes voor grensbeheer en rechtshandhaving met betrekking tot de grensoverschrijding van houders van een visum voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen aan te pakken. De Raad verzocht de Commissie dringend een haalbaarheidsstudie uit te voeren over de instelling van een centraal EU-register waarin informatie over visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen wordt opgeslagen. De Commissie heeft vervolgens twee studies verricht: uit de eerste haalbaarheidsstudie49 is geconcludeerd dat de ontwikkeling van een register technisch haalbaar is en dat het hergebruik van de VIS-structuur vanuit technisch oogpunt de beste optie zou zijn, terwijl de tweede studie50 inzake de noodzaak en evenredigheid aantoonde dat het noodzakelijk en evenredig zou zijn om het toepassingsgebied van het VIS uit te breiden met de bovengenoemde documenten.
Schrappen
__________________
48 Conclusies van de Raad over de verdere stappen voor het verbeteren van de informatie-uitwisseling en het waarborgen van de interoperabiliteit van de EU-informatiesystemen (10151/17).
49 ''Integrated Border Management (IBM) – Feasibility Study to include in a repository documents for Long-Stay visas, Residence and Local Border Traffic Permits'' (2017).
50 ''Legal analysis on the necessity and proportionality of extending the scope of the Visa Information System (VIS) to include data on long stay visas and residence documents'' (2018).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Bij de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 810/2009 is erkend dat de vraag of een voldoende betrouwbare identificatie en verificatie van de vingerafdrukken van kinderen jonger dan 12 jaar mogelijk is, en in het bijzonder op welke manier vingerafdrukken met de leeftijd evolueren, in een latere fase zou moeten worden behandeld, op basis van de resultaten van een onder de verantwoordelijkheid van de Commissie uitgevoerde studie. Uit de studie53 die het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek in 2013 heeft uitgevoerd, is gebleken dat vingerafdrukherkenning voor kinderen tussen 6 en 12 jaar onder bepaalde voorwaarden haalbaar is met een voldoende graad van nauwkeurigheid. Een tweede studie54 heeft deze bevinding in december 2017 bevestigd en heeft meer inzicht verschaft in hoe de kwaliteit van vingerafdrukken evolueert met de leeftijd. Op basis daarvan heeft de Commissie in 2017 nog een studie uitgevoerd over de noodzaak en evenredigheid van het verlagen van de leeftijd voor het nemen van vingerafdrukken van kinderen in de visumprocedure tot 6 jaar. Uit deze studie55 is gebleken dat het verlagen van de leeftijd voor het nemen van vingerafdrukken de doelstellingen van het VIS zou helpen bereiken, met name waar het gaat om het faciliteren van de bestrijding van identiteitsfraude en het faciliteren van controles aan doorlaatposten aan de buitengrenzen, en aanvullende voordelen zou opleveren, zoals een betere preventie en bestrijding van schendingen van de rechten van het kind, doordat identificering of identiteitscontrole mogelijk wordt van kinderen uit derde landen die in het Schengengebied worden aangetroffen in een situatie waarin hun rechten mogelijk of daadwerkelijk geschonden zijn (bv. kinderen die slachtoffer zijn van mensenhandel, vermiste kinderen en niet-begeleide minderjarigen die asiel aanvragen).
(8)  Bij de goedkeuring van Verordening (EG) nr. 810/2009 is erkend dat de vraag of een voldoende betrouwbare identificatie en verificatie van de vingerafdrukken van kinderen jonger dan 12 jaar mogelijk is, en in het bijzonder op welke manier vingerafdrukken met de leeftijd evolueren, in een latere fase zou moeten worden behandeld, op basis van de resultaten van een onder de verantwoordelijkheid van de Commissie uitgevoerde studie. Uit de studie53 die het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek in 2013 heeft uitgevoerd, is gebleken dat vingerafdrukherkenning voor kinderen tussen 6 en 12 jaar onder bepaalde voorwaarden haalbaar is met een voldoende graad van nauwkeurigheid. Een tweede studie54 heeft deze bevinding in december 2017 bevestigd en heeft meer inzicht verschaft in hoe de kwaliteit van vingerafdrukken evolueert met de leeftijd. Op basis daarvan heeft de Commissie in 2017 nog een studie uitgevoerd over de noodzaak en evenredigheid van het verlagen van de leeftijd voor het nemen van vingerafdrukken van kinderen in de visumprocedure tot 6 jaar. Uit deze studie55 is gebleken dat het verlagen van de leeftijd voor het nemen van vingerafdrukken de doelstellingen van het VIS zou helpen bereiken, met name waar het gaat om het faciliteren van de bestrijding van identiteitsfraude en het faciliteren van controles aan doorlaatposten aan de buitengrenzen, en aanvullende voordelen zou opleveren, zoals een betere preventie en bestrijding van schendingen van de rechten van het kind, doordat identificering of identiteitscontrole mogelijk wordt van kinderen uit derde landen die in het Schengengebied worden aangetroffen in een situatie waarin hun rechten mogelijk of daadwerkelijk geschonden zijn (bv. kinderen die slachtoffer zijn van mensenhandel, vermiste kinderen en niet-begeleide minderjarigen die asiel aanvragen). Er zij echter op gewezen dat kinderen een bijzonder kwetsbare groep zijn en dat het verzamelen van bijzondere categorieën gegevens van kinderen, zoals vingerafdrukken, onderworpen moet zijn aan strengere waarborgen en een beperking van de doeleinden waarvoor deze gegevens kunnen worden gebruikt in situaties waarin het in het belang van het kind is, onder meer door de bewaringstermijn voor gegevensopslag te beperken. In de tweede studie werd tevens vastgesteld dat vingerafdrukgegevens van personen boven de 70 jaar van lage kwaliteit zijn en een matige nauwkeurigheid hebben. De Commissie en de lidstaten dienen samen te werken om goede praktijken uit te wisselen en die tekortkomingen aan te pakken.
__________________
__________________
53 Fingerprint Recognition for Children (2013 - EUR 26193).
53 Fingerprint Recognition for Children (2013 - EUR 26193).
54 "Automatic fingerprint recognition: from children to elderly" (2018 – JRC).
54 "Automatic fingerprint recognition: from children to elderly" (2018 – JRC).
55 ''Feasibility and implications of lowering the fingerprinting age for children and on storing a scanned copy of the visa applicant's travel document in the Visa Information System (VIS)'' (2018).
55 ''Feasibility and implications of lowering the fingerprinting age for children and on storing a scanned copy of the visa applicant's travel document in the Visa Information System (VIS)'' (2018).
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  De persoonsgegevens die een visumaanvrager met het oog op een visum voor kort verblijf verstrekt, moeten door het VIS worden verwerkt, zodat wordt nagegaan of de toegang van de aanvrager tot de Unie een bedreiging kan vormen voor de openbare veiligheid en volksgezondheid in de Unie en het risico van irreguliere migratie door de aanvrager kan worden beoordeeld. Wat betreft onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, moeten deze controles beperkt blijven tot wat nodig is voor de verificatie van de identiteit van de houder en van de echtheid en de geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning en om na te gaan of de toegang van een onderdaan van een derde land tot de Unie een bedreiging kan vormen voor de openbare veiligheid of volksgezondheid in de Unie. De controles mogen niet van invloed zijn op beslissingen inzake visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen.
(10)  De persoonsgegevens die een visumaanvrager met het oog op een visum voor kort verblijf verstrekt, moeten door het VIS worden verwerkt, zodat wordt nagegaan of de toegang van de aanvrager tot de Unie een bedreiging kan vormen voor de openbare veiligheid in de Unie en het risico van irreguliere migratie door de aanvrager kan worden beoordeeld. Wat betreft onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, moeten deze controles beperkt blijven tot wat nodig is voor de verificatie van de identiteit van de houder en van de echtheid en de geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning en om na te gaan of de toegang van een onderdaan van een derde land tot de Unie een bedreiging kan vormen voor de openbare veiligheid in de Unie. De controles mogen niet van invloed zijn op beslissingen inzake visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Voor de beoordeling van de bovengenoemde risico’s is de verwerking vereist van persoonsgegevens met betrekking tot de identiteit van de persoon, het reisdocument, en in voorkomend geval, de garantsteller of, indien de aanvrager minderjarig is, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor hem. Elk element van de persoonsgegevens in de aanvraag moet worden vergeleken met de gegevens in een notitie, dossier of signalering in een informatiesysteem (het Schengeninformatiesysteem (SIS), het Visuminformatiesysteem (VIS), de Europol-databanken, de Interpol-databank voor gestolen en verloren reisdocumenten (SLTD), het inreis-uitreissysteem (EES), Eurodac, het ECRIS-TCN-systeem wat veroordelingen met betrekking tot terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten betreft en/of de Interpol-databank voor reisdocumenten met signaleringen (TDAWN)), met de watchlists of met specifieke risico-indicatoren. De categorieën persoonsgegevens die voor de vergelijking worden gebruikt, moeten behoren tot de categorieën gegevens die zijn opgenomen in de doorzochte informatiesystemen, de watchlist of de specifieke risico-indicatoren.
(11)  Voor de beoordeling van de bovengenoemde risico's is de verwerking vereist van persoonsgegevens met betrekking tot de identiteit van de persoon, het reisdocument, en in voorkomend geval, de garantsteller of, indien de aanvrager minderjarig is, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor hem. Elk element van de persoonsgegevens in de aanvraag moet worden vergeleken met de gegevens in een notitie, dossier of signalering in een informatiesysteem (het Schengeninformatiesysteem (SIS), het Visuminformatiesysteem (VIS), de Europol-databanken, de Interpol-databank voor gestolen en verloren reisdocumenten (SLTD), het inreis-uitreissysteem (EES), Eurodac of met de Etias-observatielijst, of met specifieke risico-indicatoren. De categorieën persoonsgegevens die voor de vergelijking worden gebruikt, moeten behoren tot de categorieën gegevens die zijn opgenomen in de doorzochte informatiesystemen, de observatielijst of de specifieke risico-indicatoren.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  De interoperabiliteit tussen EU-informatiesystemen is tot stand gebracht bij [Verordening (EU) XX inzake interoperabiliteit] om ervoor te zorgen dat de EU-informatiesystemen en hun gegevens elkaar aanvullen, met het oog op het verbeteren van het beheer van de buitengrenzen, het beter voorkomen en bestrijden van illegale migratie en het garanderen van een hoog niveau van veiligheid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie, onder meer door handhaving van de openbare orde en veiligheid en vrijwaring van de veiligheid op het grondgebied van de lidstaten.
(12)  De interoperabiliteit tussen EU-informatiesystemen is tot stand gebracht bij [Verordening (EU) XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)] met het oog op het verbeteren van het beheer van de buitengrenzen, het beter voorkomen en bestrijden van illegale migratie en het garanderen van een hoog niveau van veiligheid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht binnen de Unie, onder meer door handhaving van de openbare orde en veiligheid en vrijwaring van de veiligheid op het grondgebied van de lidstaten.
(Dit amendement is van toepassing op de gehele tekst. Bij aanneming van dit amendement moet deze wijziging in de gehele tekst worden doorgevoerd.)
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  De interoperabiliteit tussen de informatiesystemen van de EU stelt deze systemen in staat elkaar aan te vullen teneinde de correcte identificatie van personen te vergemakkelijken, bij te dragen tot de bestrijding van identiteitsfraude, vereisten inzake de gegevenskwaliteit van de respectieve Europese informatiesystemen te verbeteren en te harmoniseren, de technische en operationele implementatie van de bestaande en de toekomstige informatiesystemen van de EU door de lidstaten te vergemakkelijken, de waarborgen inzake gegevensbeveiliging en -bescherming die van toepassing zijn op de informatiesystemen van de EU, te versterken en te vereenvoudigen, de toegang van rechtshandhavingsinstanties tot het EES, het VIS, het [ETIAS] en Eurodac te stroomlijnen en de doelen van het EES, het VIS, het [ETIAS], Eurodac, het SIS en het [ECRIS-TCN] te ondersteunen.
(13)  De interoperabiliteit tussen de informatiesystemen van de EU stelt deze systemen in staat de correcte identificatie van personen te vergemakkelijken, bij te dragen tot de bestrijding van identiteitsfraude, vereisten inzake de gegevenskwaliteit van de respectieve Europese informatiesystemen te verbeteren en te harmoniseren, de technische en operationele implementatie van de bestaande informatiesystemen van de EU door de lidstaten te vergemakkelijken, de waarborgen inzake gegevensbeveiliging en -bescherming die van toepassing zijn op de informatiesystemen van de EU, te versterken, te harmoniseren en te vereenvoudigen, de gecontroleerde toegang van rechtshandhavingsinstanties tot het EES, het VIS, het ETIAS en Eurodac te stroomlijnen en de doelen van het EES, het VIS, het ETIAS, Eurodac, het SIS en het ECRIS-TCN te ondersteunen.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  De interoperabiliteitscomponenten dekken gegevens in het EES, het VIS, het [ETIAS], Eurodac, het SIS en het [ECRIS-TCN] en Europol-gegevens, zodat de Europol-gegevens gelijktijdig met deze EU-informatiesystemen kunnen worden doorzocht; het is derhalve aangewezen deze componenten te gebruiken ten behoeve van automatische controles en bij de toegang tot het VIS voor rechtshandhavingsdoeleinden. Het Europees zoekportaal moet daartoe worden gebruikt, met het oog op een snelle, naadloze, efficiënte, systematische en gecontroleerde toegang tot de EU-informatiesystemen, de Europol-gegevens en de Interpol-databanken, zoals noodzakelijk voor de uitvoering van de taken van de systemen, overeenkomstig de voor deze systemen geldende toegangsrechten, en om de doelstellingen van het VIS te ondersteunen.
(14)  De interoperabiliteitscomponenten dekken gegevens in het EES, het VIS, het ETIAS, Eurodac, het SIS en het ECRIS-TCN en Europol-gegevens, zodat de Europol-gegevens gelijktijdig met deze EU-informatiesystemen kunnen worden doorzocht; het is derhalve aangewezen deze componenten te gebruiken ten behoeve van automatische controles en bij de toegang tot het VIS voor rechtshandhavingsdoeleinden. Het Europees zoekportaal moet daartoe worden gebruikt, met het oog op een snelle, naadloze, efficiënte, systematische en gecontroleerde toegang tot de EU-informatiesystemen, de Europol-gegevens en de Interpol-databanken, zoals noodzakelijk voor de uitvoering van de taken van de systemen, overeenkomstig de voor deze systemen geldende toegangsrechten, en om de doelstellingen van het VIS te ondersteunen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De vergelijking met andere databanken moet automatisch gebeuren. Indien uit een vergelijking een treffer voortkomt met persoonsgegevens of een combinatie van persoonsgegevens in de aanvragen en een notitie, dossier of signalering in een van de bovengenoemde informatiesystemen, of met persoonsgegevens op de watchlist, moet de aanvraag handmatig worden verwerkt door een operator van de bevoegde autoriteiten. Op basis van de beoordeling door de bevoegde autoriteiten moet worden besloten of er al dan niet een visum voor kort verblijf wordt afgegeven.
(15)  De vergelijking met andere databanken moet automatisch gebeuren. Indien uit een vergelijking een treffer voortkomt met persoonsgegevens of een combinatie van persoonsgegevens in de aanvragen en een notitie, dossier of signalering in een van de bovengenoemde informatiesystemen, of met persoonsgegevens op de observatielijst, moet de aanvraag, wanneer de treffer niet automatisch kan worden bevestigd door het VIS, handmatig worden verwerkt door een operator van de bevoegde autoriteiten. Afhankelijk van het soort gegevens dat de treffer oplevert, moet de treffer worden beoordeeld door consulaten of door een nationaal centraal contactpunt, waarbij de laatste verantwoordelijk is voor treffers die met name door rechtshandhavingsdatabanken of -systemen worden gegenereerd. Op basis van de beoordeling door de bevoegde autoriteiten moet worden besloten of er al dan niet een visum voor kort verblijf wordt afgegeven.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Voor het beoordelen van de aanvraag voor een visum voor kort verblijf moet gebruik worden gemaakt van specifieke risico-indicatoren die afgestemd zijn op vooraf bepaalde risico’s met betrekking tot veiligheid, irreguliere migratie en volksgezondheid. De criteria die worden gebruikt voor het vaststellen van de specifieke risico-indicatoren mogen in geen geval uitsluitend op het geslacht of de leeftijd van een persoon zijn gebaseerd. Zij mogen onder geen beding uitsluitend gebaseerd zijn op informatie waaruit ras, huidskleur, etnische of sociale achtergrond, genetische kenmerken, taal, politieke of andere opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, het lidmaatschap van een vakvereniging, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap of seksuele oriëntatie af te leiden zijn.
(18)  Voor het beoordelen van de aanvraag voor een visum voor kort verblijf moet gebruik worden gemaakt van specifieke risico-indicatoren die afgestemd zijn op vooraf bepaalde risico’s met betrekking tot veiligheid, irreguliere migratie of hoge epidemiologisch risico's. De criteria die worden gebruikt voor het vaststellen van de specifieke risico-indicatoren mogen in geen geval uitsluitend op het geslacht of de leeftijd van een persoon zijn gebaseerd. Zij mogen onder geen beding uitsluitend gebaseerd zijn op informatie waaruit ras, huidskleur, etnische of sociale achtergrond, genetische kenmerken, taal, politieke of andere opvattingen, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, het lidmaatschap van een vakvereniging, het behoren tot een nationale minderheid, eigendom, geboorte, handicap of seksuele oriëntatie af te leiden zijn.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Het fenomeen dat zich steeds nieuwe soorten veiligheidsdreigingen, patronen van irreguliere migratie en dreigingen voor de volksgezondheid aftekenen, vereist een doeltreffende respons en moet met moderne middelen worden tegengegaan. Aangezien deze middelen gepaard gaan met de verwerking van grote hoeveelheden persoonsgegevens, moet op adequate wijze worden gewaarborgd dat de inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en op de bescherming van persoonsgegevens wordt beperkt tot wat in een democratische samenleving noodzakelijk is.
(19)  Het fenomeen dat zich steeds nieuwe soorten veiligheidsrisico's, patronen van irreguliere migratie en grote epidemiologische risico's aftekenen, vereist een doeltreffende respons en moet met moderne middelen worden tegengegaan. Aangezien deze middelen gepaard gaan met de verwerking van grote hoeveelheden persoonsgegevens, moet op adequate wijze worden gewaarborgd dat de inmenging in het recht op de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en op de bescherming van persoonsgegevens wordt beperkt tot wat in een democratische samenleving noodzakelijk en evenredig is.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst ter uitvoering van de Schengenovereenkomst moeten internationale vervoerders kunnen nagaan of onderdanen van een derde land die houder zijn van een visum voor kort verblijf, visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning in het bezit zijn van de vereiste geldige reisdocumenten. Deze verificatie moet mogelijk worden gemaakt door dagelijks uit het VIS gegevens te halen en deze in een afzonderlijke, alleen uitleesbare databank in te voeren, zodat een minimaal noodzakelijke hoeveelheid gegevens wordt opgeslagen aan de hand waarvan een zoekopdracht kan worden uitgevoerd die alleen het antwoord OK/niet OK oplevert.
(21)  Ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst ter uitvoering van de Schengenovereenkomst moeten internationale vervoerders nagaan of onderdanen van een derde land die houder zijn van een visum voor kort verblijf, visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning in het bezit zijn van de vereiste geldige reisdocumenten, door een zoekopdracht in het VIS te geven. Deze verificatie moet mogelijk worden gemaakt door dagelijks uit het VIS gegevens te halen en deze in een afzonderlijke, alleen uitleesbare databank in te voeren, zodat een minimaal noodzakelijke hoeveelheid gegevens wordt opgeslagen aan de hand waarvan een zoekopdracht kan worden uitgevoerd die alleen het antwoord OK/niet OK oplevert. Vervoerders mogen geen toegang hebben tot het aanvraagdossier zelf. De technische specificaties voor de toegang tot het VIS via het toegangsportaal voor vervoerders moeten de gevolgen voor het passagiersvervoer en voor de vervoerders zoveel mogelijk beperken. Hiertoe moet integratie met het EES en het Etias worden overwogen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Met het oog op het beperken van de gevolgen van de in deze verordening opgenomen verplichtingen voor internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, worden gebruiksvriendelijke mobiele toepassingen beschikbaar gemaakt.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 ter (nieuw)
(21 ter)  Binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening worden de geschiktheid, de verenigbaarheid en de samenhang van de bepalingen als bedoeld in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen door de Commissie geëvalueerd met het oog op de toepassing van de VIS-bepalingen voor vervoer over land per bus. Er dient rekening te worden gehouden met recente ontwikkelingen betreffende het vervoer over land per bus. Eventueel dient te worden bezien of de in artikel 26 van die overeenkomst of onderhavige verordening bedoelde bepalingen betreffende vervoer over land per bus moeten worden gewijzigd.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  Biometrische gegevens, die in het kader van deze verordening vingerafdrukken en gezichtsopnames omvatten, zijn uniek en bijgevolg veel betrouwbaarder dan alfanumerieke gegevens met het oog op de identificatie van een persoon. Biometrische gegevens zijn echter gevoelige persoonsgegevens. Derhalve worden in deze verordening de grondslag en de waarborgen vastgesteld voor de verwerking van dergelijke gegevens met het oog op de unieke identificatie van de betrokkenen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  [Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit] voorziet in de mogelijkheid voor de politieautoriteit van een lidstaat om, waar de nationale wetgeving dat toestaat, een persoon te identificeren aan de hand van biometrische gegevens die van deze persoon bij een identiteitscontrole zijn verzameld. Er kunnen zich echter ook specifieke situaties voordoen waarin een persoon moet worden geïdentificeerd in zijn eigen belang. Het kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin een vermiste of ontvoerde persoon of een als slachtoffer van mensenhandel geïdentificeerde persoon wordt teruggevonden. In dergelijke gevallen moeten rechtshandhavingsautoriteiten snel toegang hebben tot VIS-gegevens, zodat zij op een snelle en betrouwbare manier een persoon kunnen identificeren, zonder dat aan alle voorwaarden en aanvullende waarborgen voor toegang van rechtshandhavingsautoriteiten moet worden voldaan.
(28)  [Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)] voorziet in de mogelijkheid voor de politieautoriteit van een lidstaat om, waar de nationale wetgeving dat toestaat, een persoon te identificeren aan de hand van biometrische gegevens die van deze persoon bij een identiteitscontrole zijn verzameld. Er kunnen zich echter ook specifieke situaties voordoen waarin een persoon moet worden geïdentificeerd in zijn eigen belang. Het kan bijvoorbeeld gaan om situaties waarin een vermiste of ontvoerde persoon of een als slachtoffer van mensenhandel geïdentificeerde persoon wordt teruggevonden. Alleen in dergelijke gevallen moeten rechtshandhavingsautoriteiten snel toegang hebben tot VIS-gegevens, zodat zij op een snelle en betrouwbare manier een persoon kunnen identificeren, zonder dat aan alle voorwaarden en aanvullende waarborgen voor toegang van rechtshandhavingsautoriteiten moet worden voldaan.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Het vergelijken van gegevens op basis van een latente vingerafdruk, dat wil zeggen het dactyloscopische spoor dat op de plaats van het misdrijf kan worden gevonden, is een fundamenteel hulpmiddel op het gebied van politiële samenwerking. De mogelijkheid om in zaken waarin er gegronde redenen bestaan om te vermoeden dat de dader of het slachtoffer in het VIS is geregistreerd, een latente vingerafdruk te vergelijken met de in het VIS opgeslagen vingerafdrukgegevens, zou voor de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten zeer waardevol zijn als hulpmiddel om terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen of te onderzoeken, wanneer bijvoorbeeld latente vingerafdrukken het enige op de plaats van het misdrijf beschikbare bewijsmateriaal zijn.
(29)  Het vergelijken van gegevens op basis van een latente vingerafdruk, dat wil zeggen het dactyloscopische spoor dat op de plaats van het misdrijf kan worden gevonden, is een fundamenteel hulpmiddel op het gebied van politiële samenwerking. De mogelijkheid om in zaken waarin er gegronde redenen bestaan om te vermoeden dat de dader of het slachtoffer in het VIS is geregistreerd, een latente vingerafdruk te vergelijken met de in het VIS opgeslagen vingerafdrukgegevens nadat er eerder is gezocht uit hoofde van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad1 bis, zou voor de rechtshandhavingsautoriteiten van de lidstaten zeer waardevol zijn als hulpmiddel om terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen of te onderzoeken, wanneer bijvoorbeeld latente vingerafdrukken het enige op de plaats van het misdrijf beschikbare bewijsmateriaal zijn.
__________________
1 bis Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1).
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  Om persoonsgegevens te beschermen en systematische zoekopdrachten door rechtshandhavingsautoriteiten uit te sluiten, mag de verwerking van VIS-gegevens slechts plaatsvinden in welbepaalde gevallen en wanneer die verwerking noodzakelijk is voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten. De aangewezen autoriteiten en Europol mogen derhalve alleen om toegang tot het VIS verzoeken wanneer zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat die toegang informatie zal opleveren die in aanzienlijke mate bijdraagt aan het voorkomen, opsporen of onderzoeken van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit.
(32)  Om persoonsgegevens te beschermen en systematische zoekopdrachten door rechtshandhavingsautoriteiten uit te sluiten, mag de verwerking van VIS-gegevens slechts plaatsvinden in welbepaalde gevallen en wanneer die verwerking noodzakelijk is voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten. De aangewezen autoriteiten en Europol mogen derhalve alleen om toegang tot het VIS verzoeken wanneer zij gegronde redenen hebben om aan te nemen dat die toegang informatie zal opleveren die in aanzienlijke mate bijdraagt aan het voorkomen, opsporen of onderzoeken van een terroristisch misdrijf of een ander ernstig strafbaar feit, nadat er eerder is gezocht uit hoofde van Besluit 2008/615/JBZ.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 32 bis (nieuw)
(32 bis)  Als algemene praktijk voeren de eindgebruikers van de lidstaten zoekopdrachten uit in de relevante nationale databanken, voorafgaand aan of parallel met het doorzoeken van Europese databanken.
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  De in het VIS opgeslagen persoonsgegevens van houders van documenten voor verblijf van langere duur mogen niet langer worden bewaard dan voor de doelstellingen van het VIS noodzakelijk is. Het is aangewezen de gegevens inzake onderdanen van derde landen gedurende een periode van vijf jaar te bewaren, zodat bij de beoordeling van aanvragen voor een visum voor kort verblijf rekening kan worden gehouden met de opgeslagen gegevens, overschrijding van de toegestane verblijfsduur kan worden opgespoord en een veiligheidsbeoordeling kan worden uitgevoerd van onderdanen van derde landen aan wie dergelijke documenten voor verblijf van langere duur zijn afgegeven. De gegevens inzake het gebruik van eerdere documenten kunnen de toekomstige afgifte van visa voor kort verblijf vergemakkelijken. Een kortere bewaringstermijn zou voor de gestelde doelen niet toereikend zijn. De gegevens moeten na afloop van de periode van vijf jaar worden gewist, tenzij er gronden zijn om dat eerder te doen.
(33)  De in het VIS opgeslagen persoonsgegevens van houders van visa voor verblijf van langere duur mogen niet langer worden bewaard dan voor de doelstellingen van het VIS noodzakelijk is. Het is aangewezen de gegevens inzake onderdanen van derde landen gedurende een periode van vijf jaar te bewaren, zodat bij de beoordeling van aanvragen voor een visum voor kort verblijf rekening kan worden gehouden met de opgeslagen gegevens, overschrijding van de toegestane verblijfsduur kan worden opgespoord en een veiligheidsbeoordeling kan worden uitgevoerd van onderdanen van derde landen aan wie dergelijke documenten voor verblijf van langere duur zijn afgegeven. De gegevens inzake het gebruik van eerdere documenten kunnen de toekomstige afgifte van visa voor kort verblijf vergemakkelijken. Een kortere bewaringstermijn zou voor de gestelde doelen niet toereikend zijn. De gegevens moeten na afloop van de periode van vijf jaar worden gewist, tenzij er gronden zijn om dat eerder te doen.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  Leden van de Europese grens- en kustwachtteams en personeel dat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken kunnen op grond van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad Europese databanken raadplegen waar dat nodig is voor de uitvoering van de operationele taken die in het operationele plan zijn vastgesteld met betrekking tot grenscontrole, grensbewaking en terugkeer, onder het gezag van de gastlidstaat. Om deze raadpleging te vergemakkelijken en de teams een doeltreffende toegang tot de in het VIS opgeslagen gegevens te garanderen, moet het Europees Grens- en kustwachtagentschap toegang krijgen tot het VIS. Voor deze toegang moeten de voorwaarden en toegangsbeperkingen gelden die van toepassing zijn op de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor ieder specifiek doel waarvoor VIS-gegevens kunnen worden geraadpleegd.
(35)  Leden van de Europese grens- en kustwachtteams kunnen op grond van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad Europese databanken raadplegen waar dat nodig is voor de uitvoering van de operationele taken die in het operationele plan zijn vastgesteld met betrekking tot grenscontrole, grensbewaking en terugkeer, onder het gezag van de gastlidstaat. Voor deze toegang moeten de voorwaarden en toegangsbeperkingen gelden die van toepassing zijn op de bevoegde autoriteiten van de lidstaten voor ieder specifiek doel waarvoor VIS-gegevens kunnen worden geraadpleegd.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 37
(37)  De derde landen van terugkeer vallen vaak niet onder adequaatheidsbesluiten die de Commissie op grond van artikel 45 van Verordening (EU) 2016/679 vaststelt of onder nationale bepalingen die zijn vastgesteld voor de omzetting van artikel 36 van Richtlijn (EU) 2016/680. Bovendien hebben de grote inspanningen van de Unie om samen te werken met de belangrijkste landen van herkomst van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied verblijven en die het bevel hebben gekregen terug te keren, er niet voor kunnen zorgen dat derde landen overeenkomstig hun verplichtingen uit hoofde van het internationaal recht hun eigen onderdanen overnemen. De overnameovereenkomsten die door de Unie of door de lidstaten zijn gesloten of waarover zij onderhandelen en die voorzien in passende waarborgen voor de doorgifte van gegevens aan derde landen overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) 2016/679 of overeenkomstig de nationale bepalingen die zijn vastgesteld ter omzetting van artikel 37 van Richtlijn (EU) 2016/680, betreffen slechts enkele van deze derde landen en de sluiting van nieuwe overeenkomsten is nog onzeker. In dergelijke situaties kunnen persoonsgegevens overeenkomstig deze verordening worden verwerkt met de autoriteiten van derde landen met het oog op de uitvoering van het terugkeerbeleid van de Unie, voor zover aan de voorwaarden van artikel 49, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2016/679 of van de nationale bepalingen ter omzetting van artikel 38 of 39 van Richtlijn (EU) 2016/680 is voldaan.
(37)  Persoonsgegevens die lidstaten op grond van deze verordening hebben verkregen, mogen niet worden doorgegeven aan of ter beschikking worden gesteld van een derde land, een internationale organisatie of een particuliere entiteit, ongeacht of deze in of buiten de Unie is gevestigd. Bij wijze van uitzondering op deze regel moet het mogelijk zijn om deze persoonsgegevens over te dragen aan een derde land of een internationale organisatie indien deze overdracht aan strenge voorwaarden wordt onderworpen en indien zij in afzonderlijke gevallen noodzakelijk is om bijstand te verlenen bij de identificatie van een onderdaan van een derde land met het oog op diens terugkeer. Bij ontstentenis van een adequaatheids-besluit in de vorm van een uitvoeringshandeling overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 of van passende waarborgen voor doorgifte overeenkomstig die verordening, moeten de persoonsgegevens van in het VIS geregistreerde onderdanen van derde landen uitzonderlijk kunnen worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, met het oog op terugkeer, en dan alleen indien de doorgifte noodzakelijk is wegens gewichtige redenen van algemeen belang, als bedoeld in die verordening.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  De lidstaten moeten de relevante in het VIS verwerkte persoonsgegevens overeenkomstig de toepasselijke gegevensbeschermingsvoorschriften en waar dat in individuele gevallen nodig is voor de uitvoering van taken op grond van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad60, [verordening tot vaststelling van een Uniekader voor hervestiging] ter beschikking stellen van het [Asielagentschap van de Europese Unie], van relevante internationale organen zoals de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen en de Internationale Organisatie voor Migratie en voor vluchtelingen- en hervestigingsoperaties van het Internationaal Comité van het Rode Kruis, met betrekking tot onderdanen van derde landen of staatlozen die door deze internationale organen naar lidstaten zijn doorverwezen in uitvoering van Verordening (EU) .../... [Verordening betreffende het Uniekader voor hervesting].
Schrappen
__________________
60 Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad [volledige titel] (PB L [...] van [...], blz. [...]).
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 39
(39)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad61 is van toepassing op de activiteiten van de instellingen en organen van de Unie bij het uitvoeren van hun taken als verantwoordelijke voor het operationeel beheer van het VIS.
(39)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad61 is van toepassing op de activiteiten van de instellingen en organen van de Unie bij het uitvoeren van hun taken als verantwoordelijke voor het operationeel beheer van het VIS.
__________________
__________________
61 Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
61 Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op […] advies uitgebracht.
(40)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is geraadpleegd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 en heeft op 12 december 2018 advies uitgebracht.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 43
(43)  Onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de accuraatheid van de in het VIS ingevoerde gegevens, dient eu-LISA de verantwoordelijkheid te hebben om de gegevenskwaliteit te verbeteren door een centraal instrument voor het monitoren van de gegevenskwaliteit in te voeren, en om op gezette tijden verslag uit te brengen aan de lidstaten.
(43)  Onverminderd de verantwoordelijkheid van de lidstaten voor de accuraatheid van de in het VIS ingevoerde gegevens, dient eu-LISA de verantwoordelijkheid te hebben om de gegevenskwaliteit te verbeteren door een centraal instrument voor het monitoren van de gegevenskwaliteit in te voeren, te onderhouden en voortdurend te actualiseren, en om op gezette tijden verslag uit te brengen aan de lidstaten.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Om het gebruik van het VIS voor het analyseren van trends in migratiedruk en grensbeheer beter te kunnen monitoren, moet eu-LISA in staat zijn om, zonder gevaar voor de integriteit van de gegevens, een capaciteit te ontwikkelen voor statistische rapportage aan de lidstaten, de Commissie en het Europees Grens- en kustwachtagentschap. Hiertoe moet een centraal statistisch register worden opgezet. De geproduceerde statistieken mogen geen persoonsgegevens bevatten.
(44)  Om het gebruik van het VIS voor het analyseren van trends in migratiedruk en grensbeheer beter te kunnen monitoren, moet eu-LISA in staat zijn om, zonder gevaar voor de integriteit van de gegevens, een capaciteit te ontwikkelen voor statistische rapportage aan de lidstaten, de Commissie en het Europees Grens- en kustwachtagentschap. Hiertoe dient eu-LISA bepaalde statistische gegevens op te slaan in het centraal register met het oog op rapportage en de levering van statistieken overeenkomstig [Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)]. De geproduceerde statistieken mogen geen persoonsgegevens bevatten.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 47 bis (nieuw)
(47 bis)  Deze verordening laat de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951, als gewijzigd bij het protocol van New York van 31 januari 1967, en alle internationale verbintenissen die door de Unie en de EU-lidstaten zijn aangegaan, onverlet.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Titel
(-1)  De titel wordt vervangen door:
"Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening)"
"Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van informatie op het gebied van visa voor kort verblijf, visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen (VIS-verordening)";
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 1 – inleidende formule
1.  Het VIS heeft ten doel de uitvoering van het gemeenschappelijk visumbeleid, de consulaire samenwerking en de raadpleging van de centrale visumautoriteiten te verbeteren door de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten betreffende aanvragen en de daarmee samenhangende beslissingen te vergemakkelijken, teneinde:
1.  Het VIS heeft ten doel de uitvoering van het gemeenschappelijk beleid inzake visa voor kort verblijf, de consulaire samenwerking en de raadpleging van de centrale visumautoriteiten te verbeteren door de uitwisseling van gegevens tussen de lidstaten betreffende aanvragen en de daarmee samenhangende beslissingen te vergemakkelijken, teneinde:
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 1 – letter a
a)  de procedure voor het aanvragen van een visum te vergemakkelijken;
a)  de procedure voor het aanvragen van een visum te vergemakkelijken en te versnellen;
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 1 – letter f
f)  te helpen bij de identificatie van vermiste personen;
f)  te helpen bij de identificatie van in artikel 22 sexdecies bedoelde vermiste personen;
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 1 – letter h
h)  bij te dragen tot het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten;
h)  bij te dragen tot het voorkomen van bedreigingen van de binnenlandse veiligheid van een van de lidstaten, meer bepaald door het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten, onder passende en strikt bepaalde omstandigheden;
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 1 – letter i
i)  bij te dragen tot het voorkomen van bedreigingen van de binnenlandse veiligheid van een van de lidstaten;
Schrappen
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 2 – letter a
a)  een hoog niveau van veiligheid te ondersteunen, door bij te dragen aan de beoordeling of de aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de interne veiligheid of de volksgezondheid, vóór diens aankomst aan de doorlaatposten aan de buitengrenzen;
a)  een hoog niveau van veiligheid in alle lidstaten te ondersteunen, door bij te dragen aan de beoordeling of de aanvrager of houder van een document wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde of de interne veiligheid;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 2 – letter b
b)  de grenscontroles en de controles op het grondgebied doeltreffender te maken;
b)  de controles aan de doorlaatposten aan de buitengrenzen en op het grondgebied van de lidstaten te vergemakkelijken en doeltreffender te maken;
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 2 – letter c
c)  bij te dragen tot het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten;
c)  bij te dragen tot het voorkomen van bedreigingen van de binnenlandse veiligheid van een van de lidstaten, meer bepaald door het voorkomen, opsporen en onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten, onder passende en strikt bepaalde omstandigheden;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 – lid 2 – letter d bis (nieuw)
d bis)  te helpen bij de identificatie van in artikel 22 sexdecies bedoelde vermiste personen;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 2 bis (nieuw)
(2 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 2 bis
Architectuur
1.  Het VIS wordt gebaseerd op een gecentraliseerde architectuur en bestaat uit:
a)  het gemeenschappelijke identiteitenregister ingesteld bij [artikel 17, lid 2, onder a), van Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)];
b)  een centraal informatiesysteem (het "centrale systeem van het VIS");
c)  een interface in elke lidstaat ("nationale interface" of "NI-VIS"), die voor de verbinding met de bevoegde centrale nationale autoriteit van de betrokken lidstaat zorgt, of een op gemeenschappelijke technische specificaties gebaseerde en voor alle lidstaten identieke nationale uniforme interface (NUI) in elke lidstaat, waarmee het centrale systeem van het VIS wordt aangesloten op de nationale infrastructuur in de lidstaten;
d)  een communicatie-infrastructuur tussen het centrale systeem van het VIS en de nationale interfaces;
e)  een beveiligd communicatiekanaal tussen het centrale systeem van het VIS en het centrale systeem van het EES;
f)  een beveiligde communicatie-infrastructuur tussen het centrale systeem van het VIS en de centrale infrastructuren van het Europees zoekportaal ingesteld bij [artikel 6 van Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)], de gezamenlijke dienst voor biometrische matching ingesteld bij [artikel 12 van Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)], het gemeenschappelijke identiteitenregister ingesteld bij [artikel 17 van Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)] en de detector van meerdere identiteiten ingesteld bij [artikel 25 van Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit (grenzen en visa)];
g)  een mechanisme voor raadpleging over aanvragen en voor uitwisseling van informatie tussen centrale visumautoriteiten ("VISMail");
h)  een toegangsportaal voor vervoerders;
i)  een beveiligde webdienst die communicatie mogelijk maakt tussen enerzijds het centrale systeem van het VIS en anderzijds het toegangsportaal voor vervoerders en de internationale systemen;
j)  een gegevensopslagplaats ten behoeve van verslaglegging en statistieken;
k)  een instrument waarmee aanvragers ermee kunnen instemmen of kunnen weigeren dat hun aanvraagdossier een bewaartermijn langer wordt opgeslagen.
Voor het centrale systeem van het VIS, de nationale uniforme interfaces, de webdienst, het toegangsportaal voor vervoerders en de communicatie-infrastructuur van het VIS worden de hardware- en softwarecomponenten van respectievelijk het centrale systeem van het EES, de nationale uniforme interfaces van het EES, het toegangsportaal voor vervoerders van het ETIAS, de webdienst van het EES en de communicatie-infrastructuur van het EES zoveel als technisch mogelijk is, gedeeld en hergebruikt.
2.  De NI-VIS bestaat uit:
a)  één lokale nationale interface (LNI) in iedere lidstaat, die de fysieke verbinding vormt tussen de lidstaat en het beveiligde communicatienetwerk en waarin de versleutelingsapparatuur voor het VIS is opgenomen. De LNI bevindt zich in gebouwen van de lidstaat;
b)  een vervangend LNI (BLNI) met dezelfde inhoud en functies als die van de LNI.
3.  De LNI en de BLNI worden uitsluitend gebruikt voor doeleinden die zijn vastgesteld bij de Uniewetgeving inzake het VIS.
4.  De gecentraliseerde diensten worden in tweevoud uitgevoerd en op twee verschillende locaties ondergebracht: het centrale systeem van het VIS en de centrale eenheid (CU) in Straatsburg (Frankrijk) en het vervangende centrale systeem van het VIS en de vervangende centrale eenheid (BCU) in St. Johann im Pongau (Oostenrijk). De verbinding tussen het centrale systeem van het VIS en het vervangende centrale systeem van het VIS voorziet in een continue synchronisatie tussen de CU en de BCU. De communicatie-infrastructuur ondersteunt en draagt bij tot het waarborgen van de ononderbroken beschikbaarheid van het VIS. Zij omvat redundante en afzonderlijke paden voor de verbindingen tussen het centrale systeem van het VIS en het vervangende centrale systeem van het VIS alsook redundante en afzonderlijke paden voor de verbindingen tussen iedere nationale interface en het vervangende centrale systeem van het VIS. De communicatie-infrastructuur voorziet in een versleuteld virtual private network dat specifiek bestemd is voor VIS-gegevens en voor de communicatie tussen de lidstaten onderling en tussen de lidstaten en de instantie die belast is met het operationele beheer van het centrale systeem van het VIS.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 4 – lid 1 – punt 3 bis (nieuw)
(3 bis)  "centrale autoriteit": de door een lidstaat voor de in Verordening (EG) nr. 810/2009 vastgestelde doelen aangewezen autoriteit;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 4 – lid 1 – punt 15
(15)  "gezichtsopname": een digitale afbeelding van het gezicht;
(15)  "gezichtsopname": een digitale afbeelding van het gezicht met toereikende resolutie en kwaliteit voor gebruik bij geautomatiseerde biometrische matching;
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 4 – lid 1 – punt 19
(19)  "nationale toezichthoudende autoriteit" voor rechtshandhavingsdoeleinden: de krachtens artikel 41 van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte toezichthoudende autoriteiten***;
(19)  "toezichthoudende autoriteiten": de in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad** en de in artikel 41 van Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde toezichthoudende autoriteiten***;
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 4 – lid 1 – punt 19 bis (nieuw)
(19 bis)  "treffer": het bestaan van een verband dat wordt geconstateerd door de persoonsgegevens die in een aanvraagdossier van het VIS zijn geregistreerd, te vergelijken met de persoonsgegevens die zijn vervat in een notitie, dossier of signalering als geregistreerd in het VIS, het Schengen Informatiesysteem, het EES, het Etias, Eurodac, de gegevens van Europol of de SLTD-databank van Interpol;
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 4 – lid 1 – punt 20
(20)  "rechtshandhaving": het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten;
(20)  "rechtshandhaving": het voorkomen, opsporen of onderzoeken van terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten, binnen een strikt vastgelegd kader;
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 4 – lid 1 – punt 21
(21)  "terroristische misdrijven": strafbare feiten naar nationaal recht die overeenkomen met of gelijkwaardig zijn aan die welke zijn bedoeld in Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad****;
(21)  "terroristische misdrijven": strafbare feiten naar nationaal recht bedoeld in de artikelen 3 tot en met 14 van Richtlijn (EU) 2017/541 van het Europees Parlement en de Raad****, of, voor de lidstaten die niet door die richtlijn gebonden zijn, strafbare feiten die daaraan gelijkwaardig zijn;
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 4 – voetnoot 2 (nieuw)
** Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 5 – lid 1 – letter c
c)  vingerafdrukgegevens als bedoeld in artikel 9, lid 6, en artikel 22 quater, lid 2, onder g);
c)  vingerafdrukgegevens als bedoeld in artikel 9, lid 6, artikel 22 quater, lid 2, onder g) en artikel 22 quinquies, onder g);
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 5 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  scans van de pagina met biografische gegevens in het reisdocument, als bedoeld in artikel 9, lid 7;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 5 – lid 3
3.  Het CIR bevat de gegevens als bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a) tot en met cc), artikel 9, leden 5 en 6, artikel 22 quater, lid 2, onder a) tot en met cc), f) en g), en artikel 22 quinquies, onder a) tot en met cc), f) en g). De overige VIS-gegevens worden opgeslagen in het centrale systeem van het VIS.
3.  Het CIR bevat de gegevens als bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a) tot en met cc), artikel 9, leden 5 en 6, artikel 22 quater, lid 2, onder a) tot en met cc), f) en g), en artikel 22 quinquies, onder a) tot en met c), f) en g). De overige VIS-gegevens worden opgeslagen in het centrale systeem van het VIS.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 5 bis – lid 1
(1)   De lijst van reisdocumenten waarmee de houder de buitengrenzen kan overschrijden en waarin een visum kan worden aangebracht, als ingesteld bij Besluit nr. 1105/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad*, wordt in het VIS opgenomen.
1.   De lijst van reisdocumenten waarmee de houder de buitengrenzen kan overschrijden en waarin een visum kan worden aangebracht, als ingesteld bij Besluit nr. 1105/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad*, wordt in het VIS opgenomen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 5 bis – lid 2
(2)   Het VIS voorziet in de functie voor het gecentraliseerde beheer van de lijst van erkende reisdocumenten en van de kennisgeving van erkenning of niet-erkenning van in de lijst opgenomen reisdocumenten overeenkomstig artikel 4 van Besluit 1105/2011/EU.
2.  Het VIS voorziet in de functie voor het gecentraliseerde beheer van de lijst van erkende reisdocumenten en van de kennisgeving van erkenning of niet-erkenning van in de lijst opgenomen reisdocumenten overeenkomstig artikel 4 van Besluit 1105/2011/EU.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 5 bis – lid 3
(3)   De nadere bepalingen betreffende het beheer van de in lid 2 bedoelde functie worden vastgelegd in uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 49, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
3 De nadere bepalingen betreffende het beheer van de in lid 2 bedoelde functie worden vastgelegd in uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 49, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 7 – letter -a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 6 – lid 1
-a)  lid 1 wordt vervangen door:
1.  Uitsluitend de naar behoren gemachtigde personeelsleden van de visumautoriteiten hebben toegang tot het VIS voor het invoeren, wijzigen of verwijderen van de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens overeenkomstig deze verordening.
"1. Onverminderd artikel 22 bis, uitsluitend de naar behoren gemachtigde personeelsleden van de visumautoriteiten hebben toegang tot het VIS voor het invoeren, wijzigen of verwijderen van de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens overeenkomstig deze verordening. Het aantal naar behoren gemachtigde personeelsleden is strikt beperkt tot de werkelijke behoeften van de dienstverlening."
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 7 – letter a
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 6 – lid 2
2. De toegang tot het VIS voor raadpleging van de gegevens is uitsluitend voorbehouden aan de naar behoren gemachtigde personeelsleden van de autoriteiten van elke lidstaat en van de EU-organen die bevoegd zijn voor de in de artikelen 15 tot en met 22, 22 quater tot en met 22 septies, en 22 octies tot en met 22 undecies, genoemde doelen, alsmede voor de in de artikelen 20 en 21 van [Verordening (EG) nr. 2018/XX inzake de interoperabiliteit] genoemde doelen.
2.  De toegang tot het VIS voor raadpleging van de gegevens is uitsluitend voorbehouden aan de naar behoren gemachtigde personeelsleden van de autoriteiten van elke lidstaat en van de EU-organen die bevoegd zijn voor de in de artikelen 15 tot en met 22, en 22 octies tot en met 22 terdecies, genoemde doelen, alsmede voor de in de artikelen 20 en 21 van [Verordening 2018/XX inzake de interoperabiliteit (grenzen en visa)] genoemde doelen.
De autoriteiten die recht hebben op raadpleging van of toegang tot het VIS om terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken, worden overeenkomstig hoofdstuk III ter aangewezen.
Deze toegang is beperkt tot de gegevens die vereist zijn voor de uitvoering van hun taken overeenkomstig deze doelen en staat in verhouding tot de doelstellingen.
Deze toegang is beperkt tot de gegevens die vereist zijn voor de uitvoering van hun taken overeenkomstig deze doelen en staat in verhouding tot de doelstellingen.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 7 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 6 – lid 3
a bis)  lid 3 wordt vervangen door:
3.  Elke lidstaat wijst de bevoegde autoriteiten aan waarvan de naar behoren gemachtigde personeelsleden toegang hebben tot het VIS om gegevens in te voeren, te wijzigen, te verwijderen of te raadplegen. Elke lidstaat verstrekt de Commissie onverwijld een lijst van die autoriteiten, inclusief de autoriteiten als bedoeld in artikel 41, lid 4, en de eventuele wijzigingen daarop. Deze lijst vermeldt voor welk doel elke autoriteit gegevens in het VIS mag verwerken.
3. Elke lidstaat wijst de bevoegde autoriteiten aan waarvan de naar behoren gemachtigde personeelsleden toegang hebben tot het VIS om gegevens in te voeren, te wijzigen, te verwijderen of te raadplegen. Elke lidstaat verstrekt eu-LISA onverwijld een lijst van die autoriteiten, inclusief de autoriteiten als bedoeld in artikel 29, lid 3 bis, en de eventuele wijzigingen daarop. Daarbij wordt voor elke autoriteit vermeld welke gegevens zij voor welke doeleinden mag bevragen.
Binnen drie maanden nadat het VIS overeenkomstig artikel 48, lid 1, operationeel is geworden, maakt de Commissie een geconsolideerde lijst bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Indien zich wijzigingen voordoen, maakt de Commissie eenmaal per jaar een bijgewerkte geconsolideerde lijst bekend.
eu-LISA zorgt voor de jaarlijkse publicatie van de lijst en van de in artikel 22 duodecies, lid 2, bedoelde aangewezen autoriteiten en van de in artikel 22 duodecies, lid 4, bedoelde centrale toegangspunten in het Publicatieblad van de Europese Unie. eu-LISA houdt op zijn website een voortdurend bijgewerkte lijst bij met de wijzigingen die de lidstaten tussen de jaarlijkse publicaties hebben toegezonden.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 7 – letter c
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 6 – lid 5
5.  De nadere bepalingen betreffende het beheer van de functie voor het gecentraliseerde beheer van de in lid 3 bedoelde lijst worden vastgelegd in uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 49, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
5.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 48 bis gedelegeerde handelingen vast met betrekking tot de nadere bepalingen betreffende het beheer van de functie voor het gecentraliseerde beheer van de in lid 3 bedoelde lijst.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 7 – lid 2
(7 bis)  in artikel 7 wordt lid 2 vervangen door:
2.  Elke bevoegde autoriteit ziet bij het gebruik van het VIS erop toe dat zij aanvragers en visumhouders niet discrimineert op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid en dat zij de menselijke waardigheid en integriteit van de aanvrager of visumhouder volledig respecteert.
"2. De verwerking van persoonsgegevens in het VIS door elke bevoegde autoriteit mag niet leiden tot discriminatie van aanvragers, visumhouders of aanvragers en houders van voor verblijf van lange duur en verblijfsvergunningen op grond van geslacht, ras, huidskleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuiging, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Bij de verwerking worden de menselijke waardigheid, integriteit en grondrechten ten volle gerespecteerd, en worden de beginselen gehanteerd die zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van persoonsgegevens. Bijzondere aandacht wordt geschonken aan kinderen, ouderen, personen met een handicap en personen die internationale bescherming behoeven. Het belang van het kind komt op de eerste plaats."
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 7 – lid 3
3.  Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, stellen de lidstaten het belang van het kind voorop. Er wordt rekening gehouden met het welzijn en de veiligheid van het kind, in het bijzonder wanneer het gevaar bestaat dat het kind het slachtoffer wordt van mensenhandel, en met de mening van het kind, en afhankelijk van de leeftijd en de maturiteit van het kind, wordt daaraan passend belang gehecht."
3.  Bij alle procedures waarin deze verordening voorziet, stellen de lidstaten het belang van het kind voorop, boven iedere andere overweging, met volledige eerbiediging van de Internationale Conventie voor de rechten van het kind. Er wordt rekening gehouden met het welzijn en de veiligheid van het kind, in het bijzonder wanneer het gevaar bestaat dat het kind het slachtoffer wordt van mensenhandel, en met de mening van het kind, en afhankelijk van de leeftijd van het kind, wordt daaraan passend belang gehecht.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)
(8 bis)  Aan artikel 7 wordt het volgende lid toegevoegd:
"3 bis. De lidstaten leggen deze verordening ten uitvoer in volledige overeenstemming met de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen, met name het recht op menselijke waardigheid, het recht op vrijheid en veiligheid, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de bescherming van persoonsgegevens, het recht op asiel en de bescherming van het beginsel van non-refoulement en bescherming in geval van verwijdering, uitzetting en uitlevering, het recht op non-discriminatie, de rechten van het kind en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte.";
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 7 bis (nieuw)
(8 ter)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 7 bis
Vingerafdrukgegevens van kinderen
1.  In afwijking van artikel 22 quater, lid 2, onder g), worden vingerafdrukken van kinderen jonger dan 6 jaar niet in het VIS opgenomen.
2.  De biometrische gegevens van minderjarigen vanaf de leeftijd van zes jaar worden afgenomen door ambtenaren die speciaal zijn opgeleid om de biometrische gegevens van een minderjarige op een kindvriendelijke en op het kind afgestemde manier af te nemen, met volledige inachtneming van de belangen van het kind en de waarborgen die zijn vastgelegd in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind.
De minderjarige gaat bij het afnemen van zijn of haar biometrische gegevens vergezeld van een volwassen familielid, indien aanwezig. Een niet-begeleide minderjarige wordt terwijl zijn of haar biometrische gegevens worden afgenomen, vergezeld door een voogd, vertegenwoordiger of, indien geen vertegenwoordiger is aangewezen, een persoon die is opgeleid om de belangen van de minderjarige en zijn of haar algemene welzijn zo goed mogelijk te beschermen. Een dergelijke opgeleide persoon is niet de ambtenaar die verantwoordelijk is voor het afnemen van de biometrische gegevens, handelt onafhankelijk en ontvangt geen opdrachten van de ambtenaar of de dienst die verantwoordelijk is voor het afnemen van de biometrische gegevens. Er wordt geen enkele vorm van geweld tegen minderjarigen gebruikt om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan de verplichting om biometrische gegevens te verstrekken.
3.  In afwijking van artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 810/2009 mogen consulaten niet verlangen dat kinderen tussen 6 en 12 jaar in persoon op het consulaat verschijnen voor het afnemen van biometrische gegevens wanneer dit een buitensporige belasting en kosten voor de gezinnen met zich meebrengt. In dergelijke gevallen worden biometrische gegevens afgenomen aan de buitengrenzen, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan het voorkomen van kinderhandel.
4.  In afwijking van de bepalingen inzake het gebruik van de in de hoofdstukken II, III, III bis en III ter bedoelde gegevens zijn de vingerafdrukgegevens van kinderen alleen toegankelijk voor de volgende doeleinden:
a)  de identiteit van het kind te verifiëren in de visumaanvraagprocedure overeenkomstig artikel 15 en aan de buitengrenzen overeenkomstig de artikelen 18 en 22 octies, en
b)  in het kader van hoofdstuk III ter bij te dragen tot de preventie en bestrijding van misbruik van de rechten van kinderen, mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
i)  deze toegang moet noodzakelijk zijn voor het voorkomen, opsporen of onderzoeken van kinderhandel;
ii)  toegang is noodzakelijk in een specifiek geval;
iii)  de identificatie is in het belang van het kind."
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Verordening (EG) nr. 767/2008
Hoofdstuk II – titel
"INVOERING EN GEBRUIK VAN GEGEVENS BETREFFENDE VISA VOOR KORT VERBLIJF DOOR DE VISUMAUTORITEITEN"
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 11 – letter b
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 – lid 1 – punt 5
5.  een gezichtsopname van de aanvrager, overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EG) nr. 810/2009.
5.  een gezichtsopname van de aanvrager, overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 810/2009.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 11 – letter b bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 – lid 1 – punt 6
(b bis)  punt 6 wordt vervangen door:
6.  de vingerafdrukken van de aanvrager, overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de gemeenschappelijke visuminstructies.
"6. een gezichtsopname van de aanvrager, overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 810/2009.";
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 11 – letter d
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 – lid 1 bis
8.  De in de punt 5 van de eerste alinea bedoelde gezichtsopnames van onderdanen van derde landen hebben een toereikende resolutie en kwaliteit voor gebruik bij automatische biometrische matching.
De in de punt 5 van de eerste alinea bedoelde gezichtsopnames van onderdanen van derde landen hebben een toereikende resolutie en kwaliteit voor gebruik bij automatische biometrische matching. Indien de kwaliteit ontoereikend is, mag de gezichtsopname niet worden gebruikt voor automatische matching.
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 11 – letter d
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 – lid 1 ter
In uitzonderlijke gevallen, wanneer niet kan worden voldaan aan de voor de registratie van de ter plaatse gemaakte gezichtsopname in het VIS vastgestelde specificaties inzake kwaliteit en resolutie, kan de gezichtsopname, in afwijking van de tweede alinea, elektronisch van de chip van het elektronische machineleesbare reisdocument (eMRTD) worden uitgelezen. In dergelijke gevallen wordt de gezichtsopname slechts toegevoegd aan het persoonlijke dossier nadat elektronisch is geverifieerd of de in de chip van het eMRTD geregistreerde gezichtsopname overeenstemt met de ter plaatse gemaakte gezichtsopname van de onderdaan van een derde land.
In uitzonderlijke gevallen, wanneer niet kan worden voldaan aan de voor de registratie van de ter plaatse gemaakte gezichtsopname in het VIS vastgestelde specificaties inzake kwaliteit en resolutie, kan de gezichtsopname, in afwijking van de eerste alinea, elektronisch van de chip van het elektronische machineleesbare reisdocument (eMRTD) worden uitgelezen. In dergelijke gevallen wordt de gezichtsopname slechts toegevoegd aan het persoonlijke dossier nadat elektronisch is geverifieerd of de in de chip van het eMRTD geregistreerde gezichtsopname overeenstemt met de ter plaatse gemaakte gezichtsopname van de onderdaan van een derde land.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 2
2.  Wanneer een aanvraag wordt gecreëerd of een visum wordt afgegeven, gaat het VIS na of het reisdocument dat met die aanvraag verband houdt, is erkend overeenkomstig Besluit 1105/2011/EU, door een automatische zoekopdracht uit te voeren in de in artikel 5 bis bedoelde lijst van erkende reisdocumenten, en zendt het een resultaat terug.
2.  Wanneer een aanvraag wordt gecreëerd, gaat het VIS na of het reisdocument dat met die aanvraag verband houdt, is erkend overeenkomstig Besluit 1105/2011/EU, door een automatische zoekopdracht uit te voeren in de in artikel 5 bis bedoelde lijst van erkende reisdocumenten, en zendt het een resultaat terug.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 3
3.  Met het oog op de verificaties waarin artikel 21, lid 1, en artikel 21, lid 3, onder a), c) en d), van Verordening (EG) nr. 810/2009 voorzien, start het VIS een zoekopdracht door gebruik te maken van het in artikel 6, lid 1, [van de interoperabiliteitsverordening] gedefinieerde Europese zoekportaal, om de in artikel 9, punt 4, van deze verordening bedoelde relevante gegevens te vergelijken met de gegevens in een notitie, dossier of signalering die zijn geregistreerd in het VIS, het Schengeninformatiesysteem (SIS), het inreis-uitreissysteem (EES), het Europees Systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS), met inbegrip van de watchlist bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) 2018/XX met het oog op het instellen van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie, Eurodac, [het ECRIS-TCN-systeem voor zover het gaat om veroordelingen voor terroristische misdrijven en andere vormen van ernstige criminaliteit], de gegevens van Europol, de Interpol-databank voor gestolen en verloren reisdocumenten (SLTD) en de Interpol-databank voor reisdocumenten met signaleringen (Interpol TDAWN).
3.  Met het oog op de verificaties waarin artikel 21, lid 1, en artikel 21, lid 3, onder a) en c), van Verordening (EG) nr. 810/2009 voorzien, start het VIS een zoekopdracht door gebruik te maken van het in artikel 6, lid 1, [van de interoperabiliteitsverordening] gedefinieerde Europese zoekportaal, om de in artikel 9, punt 4, 5 en 6, van deze verordening bedoelde relevante gegevens te vergelijken. Het VIS gaat na:
a)  of het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in het SIS staat geregistreerd als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig verklaard;
b)  of het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in de SLTD-databank staat geregistreerd als verloren, gestolen of ongeldig verklaard;
c)  of de aanvrager in SIS is gesignaleerd met het oog op weigering van inreis en verblijf;
d)  of de aanvrager in SIS is gesignaleerd omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering;
e)  of de aanvrager en houder van het reisdocument gerelateerd is aan een geweigerde, ingetrokken of nietig verklaarde reisautorisatie in het centrale ETIAS-systeem;
f)  of de aanvrager en het reisdocument zijn opgenomen in de observatielijst bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad*;
g)  of de gegevens over de aanvrager reeds zijn opgeslagen in het VIS;
h)  of de in de aanvraag verstrekte gegevens over het reisdocument gerelateerd zijn aan een andere visumaanvraag die samenhangt met andere identiteitsgegevens;
i)  of de aanvrager momenteel in het EES geregistreerd staat als een persoon die zijn toegestane verblijfsduur overschrijdt dan wel of de aanvrager in het verleden als zodanig geregistreerd is geweest;
j)  of de aanvrager in het EES geregistreerd staat als een persoon wiens toegang is geweigerd;
k)  of er ten aanzien van de aanvrager in het VIS een beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking van een visum voor kort verblijf is geregistreerd;
l)  of er ten aanzien van de aanvrager in het VIS een beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking van een visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning is geregistreerd;
m)  of er in de gegevens van Europol gegevens zijn opgeslagen die specifiek betrekking hebben op de identiteit van de aanvrager;
n)  of de aanvrager van een visum voor kort verblijf in Eurodac is geregistreerd;
o)  ingeval de aanvrager minderjarig is, of de persoon die het ouderlijk gezag of de wettelijke voogdij uitoefent:
i)  in SIS is gesignaleerd omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering;
ii)  in SIS is gesignaleerd met het oog op weigering van toegang en verblijf;
iii)  houder is van een reisdocument dat is opgenomen in de observatielijst bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) 2018/1240.
________________________
* Verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en -autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 (PB L 236 van 19.9.2018, blz. 1).
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Wanneer zoekopdrachten worden verricht in de SLTD, worden de door de gebruiker van het ESP gebruikte gegevens om een zoekopdracht te starten, niet gedeeld met de eigenaars van de Interpol-gegevens.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 4
4.  Het VIS voegt aan het aanvraagdossier een verwijzing toe naar elke treffer die wordt verkregen overeenkomstig lid 3. In voorkomend geval geeft het VIS aan welke lidstaat of lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die tot de treffer(s) hebben geleid, dan wel of Europol dat heeft gedaan, en registreert het deze informatie in het aanvraagdossier.
4.  Het VIS voegt aan het aanvraagdossier een verwijzing toe naar elke treffer die wordt verkregen overeenkomstig lid 3. In voorkomend geval geeft het VIS aan welke lidstaat of lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die tot de treffer(s) hebben geleid, dan wel of Europol dat heeft gedaan, en registreert het deze informatie in het aanvraagdossier. Er wordt geen andere informatie geregistreerd dan de verwijzing naar een treffer en de opsteller van de gegevens.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 5 – letter d
d)  een signalering van personen en voorwerpen met het oog op onopvallende controles of gerichte controles.
d)  een signalering van personen en voorwerpen met het oog op onopvallende controles, gerichte controles of ondervragingscontroles.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Elke treffer die voortkomt uit de zoekopdrachten overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, onder a), b), c), e), g), h), i), j), k), l) of n), wordt beoordeeld door het consulaat waar de visumaanvraag is ingediend, waar nodig na verificatie door de centrale autoriteit overeenkomstig artikel 9 quater.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  Elke treffer die voortkomt uit de zoekopdrachten overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, onder d), f), m) of o), wordt geverifieerd, waar nodig, en beoordeeld door het centrale contactpunt van de lidstaten die de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die tot de treffers hebben geleid, overeenkomstig artikel 9 quater bis.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 5 quater (nieuw)
5 quater.  Elke treffer in het SIS wordt eveneens automatisch gemeld aan het Sirene-bureau van de lidstaat die de signalering heeft ingevoerd die tot de treffer heeft geleid.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 5 quinquies (nieuw)
5 quinquies . De melding aan het Sirene-bureau of het centrale contactpunt van de lidstaat die de signalering heeft ingevoerd, bevat de volgende gegevens:
a)  familienaam/-namen, voornaam/-namen en, indien van toepassing, alias(sen);
b)  geboorteplaats en -datum;
c)  geslacht;
d)  nationaliteit en eventuele andere nationaliteiten;
e)  de lidstaat van het eerste voorgenomen verblijf en, indien beschikbaar, het adres van het eerste voorgenomen verblijf;
f)  het woonadres van de aanvrager en, indien niet beschikbaar, zijn plaats en land van verblijf;
g)  een verwijzing naar alle treffer(s), met inbegrip van de datum en het tijdstip van de treffer.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 bis – lid 5 sexies (nieuw)
5 sexies.  Dit artikel mag om geen enkele reden een belemmering vormen voor het indienen van een asielaanvraag. Indien een visumaanvraag wordt ingediend door een slachtoffer van een geweldsdelict zoals huiselijk geweld of mensenhandel, begaan door zijn/haar geldschieter, wordt het in VIS ingevoerde dossier losgekoppeld van dat van de geldschieter om de slachtoffers tegen verdere risico's te beschermen.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 ter – lid 1
1.  Wat betreft onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is of van een onderdaan van een derde land die het recht van vrij verkeer geniet dat gelijkwaardig is aan dat van de burgers van de Unie op grond van een overeenkomst tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en een derde land, anderzijds, worden de in artikel 9 bis, lid 3, bedoelde automatische controles uitsluitend uitgevoerd om na te gaan of er geen feitelijke aanwijzingen of op feitelijke aanwijzingen gebaseerde redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de lidstaten een risico voor de veiligheid of een groot epidemiologisch risico vormt overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG.
1.  Wat betreft onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is of van een onderdaan van een derde land die het recht van vrij verkeer geniet dat gelijkwaardig is aan dat van de burgers van de Unie op grond van een overeenkomst tussen de Unie en haar lidstaten, enerzijds, en een derde land, anderzijds, worden de in artikel 9 bis, lid 3, bedoelde automatische controles uitsluitend uitgevoerd om na te gaan of er geen feitelijke aanwijzingen of op feitelijke aanwijzingen gebaseerde redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de aanwezigheid van de betrokkene op het grondgebied van de lidstaten een risico voor de veiligheid vormt overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 ter – lid 3
3.  Indien de automatische verwerking van de aanvraag als bedoeld in artikel 9 bis, lid 3, een treffer heeft opgeleverd die overeenkomt met een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf als bedoeld in artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1987/2006, verifieert de visumautoriteit om welke reden werd beslist deze signalering in het SIS op te nemen. Als deze reden verband houdt met een risico op het gebied van illegale immigratie, wordt geen rekening gehouden met de signalering bij de beoordeling van de aanvraag. De visumautoriteit gaat te werk overeenkomstig artikel 25, lid 2, van de SIS II-verordening.
3.  Indien de automatische verwerking van de aanvraag als bedoeld in artikel 9 bis, lid 3, een treffer heeft opgeleverd die overeenkomt met een signalering met het oog op weigering van toegang en verblijf als bedoeld in artikel 24 van Verordening (EU) 2018/1861, verifieert de visumautoriteit om welke reden werd beslist deze signalering in het SIS op te nemen. Als deze reden verband houdt met een risico op het gebied van illegale immigratie, wordt geen rekening gehouden met de signalering bij de beoordeling van de aanvraag. De visumautoriteit gaat te werk overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) 2018/1861.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater – titel
Verificatie door de centrale autoriteiten
Verificatie door de centrale autoriteiten en de nationale centrale contactpunten
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater – lid 1
1.  Elke treffer die voortkomt uit de zoekopdrachten overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, worden handmatig geverifieerd door de centrale autoriteit van de lidstaat die de aanvraag behandelt.
1.  Elke in artikel 9 bis, lid 5 ter, bedoelde treffer die voortkomt uit de zoekopdrachten overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, en die niet automatisch bevestigd kan worden door het VIS, wordt handmatig geverifieerd door het nationale centrale contactpunt overeenkomstig artikel 9 quater bis. De centrale autoriteit van de lidstaat die de aanvraag behandelt wordt hiervan in kennis gesteld.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater – lid 2
2.  Bij de handmatige verificatie van de treffers heeft de centrale autoriteit toegang tot het aanvraagdossier en eventueel daaraan verbonden aanvraagdossiers, evenals tot alle treffers die de automatische verwerking overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, heeft opgeleverd.
2.  Elke in artikel 9 bis, lid 5 bis, bedoelde treffer die voortkomt uit de zoekopdrachten overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, en die niet automatisch bevestigd kan worden door het VIS, wordt handmatig geverifieerd door centrale autoriteit. Bij de handmatige verificatie van de treffers heeft de centrale autoriteit toegang tot het aanvraagdossier en eventueel daaraan verbonden aanvraagdossiers, evenals tot alle treffers die de automatische verwerking overeenkomstig artikel 9 bis, lid 5 bis, heeft opgeleverd.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater – lid 5
5.  Indien de gegevens overeenkomen met of er twijfel blijft bestaan over de identiteit van de aanvrager, informeert de centrale visumautoriteit die de aanvraag behandelt, de centrale autoriteit van de andere lidstaten waarvan is gebleken dat zij de gegevens die tot de treffer hebben geleid, hebben ingevoerd of aangeleverd overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3. Indien is gebleken dat één of meer lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die tot de treffer hebben geleid, raadpleegt de centrale autoriteit de centrale autoriteiten van de andere lidstaten volgens de procedure van artikel 16, lid 2.
5.  Indien de gegevens overeenkomen met of er twijfel blijft bestaan over de identiteit van de aanvrager, informeert de centrale visumautoriteit die de aanvraag behandelt, in gerechtvaardigde gevallen, de centrale autoriteit van de andere lidstaten waarvan is gebleken dat zij de gegevens die tot de treffer hebben geleid, hebben ingevoerd of aangeleverd overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3. Indien is gebleken dat één of meer lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die tot de treffer hebben geleid, raadpleegt de centrale autoriteit de centrale autoriteiten van de andere lidstaten volgens de procedure van artikel 16, lid 2. De aanvrager heeft het voordeel van enige vorm van twijfel.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater – lid 7
7.  In afwijking van het bepaalde in lid 1 zendt het VIS, indien de in artikel 9 bis, lid 5, bedoelde vergelijking een of meer treffers oplevert, een automatische kennisgeving naar de centrale autoriteit van de lidstaat die de zoekopdracht heeft gegeven met het oog op het nemen van passende follow-upmaatregelen.
Schrappen
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater – lid 8
8.  Indien blijkt dat Europol de gegevens heeft aangeleverd die tot een treffer hebben geleid overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, raadpleegt de centrale eenheid van de bevoegde lidstaat de nationale Europol-eenheid voor follow-up overeenkomstig Verordening (EU) 2016/794, en met name hoofdstuk IV.
Schrappen
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater bis (nieuw)
Artikel 9 quater bis
Verificatie en beoordeling door het nationale centrale contactpunt
1.  Elke lidstaat wijst een nationale autoriteit aan die 24 uur per dag en 7 dagen per week operationeel is en zorgt voor de handmatige verificatie van treffers in de zin van deze verordening ("het centrale contactpunt"). Het centrale contactpunt bestaat uit verbindingsofficieren van het Sirene-bureau, de nationale centrale bureaus van Interpol, het nationale centrale punt van Europol, de nationale eenheid van Etias en alle relevante nationale rechtshandhavingsinstanties. De lidstaten zien erop toe dat het centrale contactpunt over voldoende personeel beschikt om gemelde treffers te verifiëren overeenkomstig deze verordening, rekening houdend met de in artikel 23 van Verordening (EG) nr. 810/2009 vastgestelde termijnen.
2.  Het centrale contactpunt verifieert de hem ter kennis gebrachte treffers handmatig. De procedures van artikel 9 quater, leden 2 tot en met 6, zijn van toepassing.
3.  Indien na de in lid 2 van dit artikel bedoelde verificatie de gegevens overeenstemmen en de treffer wordt bevestigd, neemt het centrale contactpunt waar nodig contact op met de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van Europol, die de gegevens hebben aangeleverd die tot de treffer hebben geleid. Vervolgens beoordeelt het de treffer. Het centrale contactpunt verstrekt een met redenen omkleed advies met het oog op de beslissing over de aanvraag die krachtens artikel 23 van Verordening (EG) nr. 810/2009 moet worden genomen. Het met redenen omklede advies wordt opgenomen in het aanvraagdossier.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 9 quater ter (nieuw)
Artikel 9 quater ter
Handleiding
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 48 bis een gedelegeerde handeling vast houdende een handleiding waarin de relevante gegevens die in de zoekopdrachten van de andere systemen overeenkomstig artikel 9 bis, lid 3, moeten worden vergeleken, alsmede de procedures en voorschriften voor de in de artikelen 9 bis tot en met 9 quater bis bedoelde zoekopdrachten, verificaties en beoordelingen zijn vervat. Deze gedelegeerde handeling omvat de combinatie van gegevenscategorieën voor het doorzoeken van elk systeem overeenkomstig artikel 9 bis.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 13
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 13 – lid 4
4.  Indien het aanvraagdossier overeenkomstig de leden 1 en 2 is bijgewerkt, zendt het VIS een kennisgeving naar de lidstaat die het visum heeft afgegeven, waarin de beslissing tot nietigverklaring of intrekking van dat visum wordt meegedeeld. Een dergelijke kennisgeving wordt automatisch door het centrale systeem gegenereerd en verzonden via het mechanisme bedoeld in artikel 16.
4.  Indien het aanvraagdossier overeenkomstig de leden 1 en 2 is bijgewerkt, zendt het VIS een kennisgeving naar de lidstaat die het visum heeft afgegeven, waarin de met redenen omklede beslissing tot nietigverklaring of intrekking van dat visum wordt meegedeeld. Een dergelijke kennisgeving wordt automatisch door het centrale systeem gegenereerd en verzonden via het mechanisme bedoeld in artikel 16.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 15
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 16 – lid 2 – alinea 3
Uitsluitend met het oog op de uitvoering van de raadplegingsprocedure wordt de lijst van lidstaten die op grond van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 810/2009 vereisen dat hun centrale autoriteiten worden geraadpleegd door de centrale autoriteiten van andere lidstaten bij het onderzoek van visumaanvragen voor eenvormige visa die zijn ingediend door onderdanen van bepaalde derde landen of specifieke categorieën onderdanen van die landen, en van de betrokken onderdanen van derde landen, in het VIS geïntegreerd.
Uitsluitend met het oog op de uitvoering van de raadplegingsprocedure wordt de lijst van lidstaten die op grond van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 810/2009 vereisen dat hun centrale autoriteiten worden geraadpleegd door de centrale autoriteiten van andere lidstaten bij het onderzoek van visumaanvragen voor eenvormige visa die zijn ingediend door onderdanen van bepaalde derde landen of specifieke categorieën onderdanen van die landen in het VIS geïntegreerd.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 15
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 16 – lid 3 – letter a
a)  de toezending van informatie over de afgifte van visa met territoriaal beperkte geldigheid overeenkomstig artikel 25, lid 4, over wijzigingen van gegevens overeenkomstig artikel 24, lid 2, en over ex-postkennisgevingen overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 810/2009;
a)  de toezending van informatie over de afgifte van visa met territoriaal beperkte geldigheid overeenkomstig artikel 25, lid 4, over wijzigingen van gegevens overeenkomstig artikel 24, lid 2, van deze verordening en over ex-postkennisgevingen overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EG) nr. 810/2009;
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 15
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 16 – lid 3 – letter b
b)   alle andere mededelingen in verband met de consulaire samenwerking die de doorgifte van in het VIS geregistreerde of daarmee verband houdende persoonsgegevens inhouden, de toezending van verzoeken aan de bevoegde visumautoriteit om kopieën van reisdocumenten overeenkomstig artikel 9, punt 7, en andere documenten ter staving van de aanvraag, en de toezending van elektronische kopieën van die documenten, alsmede op verzoeken als bedoeld in artikel 9 quater en artikel 38, lid 3. De bevoegde visumautoriteiten beantwoorden dergelijke verzoeken binnen twee werkdagen.
(b)  alle andere mededelingen in verband met de consulaire samenwerking die de doorgifte van in het VIS geregistreerde of daarmee verband houdende persoonsgegevens inhouden, de toezending van verzoeken aan de bevoegde visumautoriteit om kopieën van documenten ter staving van de aanvraag, en de toezending van elektronische kopieën van die documenten, alsmede op verzoeken als bedoeld in artikel 9 quater en artikel 38, lid 3. De bevoegde visumautoriteiten beantwoorden dergelijke verzoeken binnen twee werkdagen.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 18 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 18 bis
(18 bis)  artikel 18 bis wordt vervangen door:
Artikel 18 bis
"Artikel 18 bis
Opvragen van VIS-gegevens voor het maken of bijwerken van een inreis-uitreisnotitie of van de notitie van weigering van toegang van een visumhouder in het EES
Opvragen van VIS-gegevens voor het maken of bijwerken van een inreis-uitreisnotitie of van de notitie van weigering van toegang van een visumhouder in het EES
Uitsluitend voor het maken of bijwerken van de inreis-uitreisnotitie of de notitie van weigering van toegang van een visumhouder in het EES overeenkomstig artikel 14, lid 2, en de artikelen 16 en 18 van Verordening (EU) 2017/2226 wordt de autoriteit die bevoegd is om controles te verrichten aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt, toegang verleend om de gegevens die zijn opgeslagen in het VIS en die staan vermeld in artikel 16, lid 2, onder c) tot en met f), van die verordening uit het VIS op te halen en in het EES te importeren.”.
Uitsluitend voor het maken of bijwerken van de inreis-uitreisnotitie of de notitie van weigering van toegang van een visumhouder in het EES overeenkomstig artikel 14, lid 2, en de artikelen 16 en 18 van Verordening (EU) 2017/2226 wordt de autoriteit die bevoegd is om controles te verrichten aan de grenzen waar het EES wordt gebruikt, toegang verleend om de gegevens die zijn opgeslagen in het VIS en die staan vermeld in artikel 16, lid 1, onder d), en artikel 16, lid 2, onder c) tot en met f), van die verordening uit het VIS op te halen en in het EES te importeren."
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 19
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 20 bis – titel
Gebruik van VIS-gegevens voor het invoeren van SIS-signaleringen van vermiste personen en de latere toegang tot die gegevens
Gebruik van VIS-gegevens voor het invoeren van SIS-signaleringen van vermiste personen en kwetsbare personen die van reizen moeten worden weerhouden en de latere toegang tot die gegevens
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 19
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 20 bis – lid 1
1.  De in het VIS opgeslagen vingerafdrukgegevens kunnen worden gebruikt om signaleringen van vermiste personen in te voeren overeenkomstig artikel 32, lid 2, van Verordening (EU) … van het Europees Parlement en de Raad* [Verordening (EU) betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken]. In die gevallen worden de vingerafdrukgegevens via beveiligde kanalen uitgewisseld met het Sirene-bureau van de lidstaat die de gegevens bezit.
1.  De in het VIS opgeslagen vingerafdrukgegevens en gezichtsopnamen kunnen worden gebruikt om signaleringen van vermiste personen, kinderen die gevaar lopen te worden ontvoerd, of kwetsbare personen die van reizen moeten worden weerhouden in te voeren overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) … van het Europees Parlement en de Raad* [Verordening (EU) betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem (SIS) op het gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken].In die gevallen worden de vingerafdrukgegevens en gezichtsopnamen via beveiligde kanalen uitgewisseld met het Sirene-bureau van de lidstaat die de gegevens bezit.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 19
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 20 bis – lid 2
2.  Indien er sprake is van een treffer met een SIS-signalering als bedoeld in lid 1, kunnen kinderbeschermingsautoriteiten en nationale gerechtelijke autoriteiten, met inbegrip van die welke belast zijn met de instelling van strafvervolging en van gerechtelijke onderzoeken voorafgaand aan tenlastelegging, alsook hun coördinerende instanties, als bedoeld in artikel 43 van Verordening (EU) … [COM(2016) 883 final – SIS LE], bij de uitoefening van hun taken om toegang tot de in het VIS opgenomen gegevens verzoeken. De voorwaarden waarin de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving voorzien, zijn van toepassing.
2.  Indien er sprake is van een treffer met een SIS-signalering door middel van het gebruik van in het VIS opgeslagen vingerafdrukgegevens en gezichtsopnamen als bedoeld in lid 1, kunnen kinderbeschermingsautoriteiten en nationale gerechtelijke autoriteiten, met inbegrip van die welke belast zijn met de instelling van strafvervolging en van gerechtelijke onderzoeken voorafgaand aan tenlastelegging, alsook hun coördinerende instanties, als bedoeld in artikel 44 van Verordening (EU) … [COM(2016) 883 final – SIS politiële samenwerking)], bij de uitoefening van hun taken een autoriteit met toegang tot het VIS om toegang tot de in het VIS opgenomen gegevens verzoeken. De voorwaarden waarin de wetgeving van de Unie en de nationale wetgeving voorzien, zijn van toepassing. De lidstaten zien erop toe dat de gegevens op een veilige manier worden verzonden.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 19 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 – lid 1
(19 bis)   In artikel 22 wordt lid 1 vervangen door:
1. Uitsluitend met het oog op de behandeling van een asielaanvraag hebben de bevoegde asielautoriteiten overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 343/2003 toegang om te zoeken aan de hand van de vingerafdrukken van de asielzoeker.
"1. Uitsluitend met het oog op de behandeling van een asielaanvraag hebben de bevoegde asielautoriteiten overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EG) nr. 343/2003 toegang om te zoeken aan de hand van de vingerafdrukken van de asielzoeker. Wanneer de vingerafdrukken van de asielzoeker niet kunnen worden gebruikt, of wanneer het zoeken aan de hand van de vingerafdrukken geen resultaat oplevert, wordt gezocht aan de hand van de gegevens bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a) en/of b) tot en met cc); er kan worden gezocht in combinatie met de gegevens bedoeld in artikel 9, lid 4, onder aa)."
Wanneer de vingerafdrukken van de asielzoeker niet kunnen worden gebruikt, of wanneer het zoeken aan de hand van de vingerafdrukken geen resultaat oplevert, wordt gezocht aan de hand van de gegevens bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a) en/of c); er kan worden gezocht in combinatie met de gegevens bedoeld in artikel 9, lid 4, onder b).
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 20
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 – lid 2 – letter c
c)  foto’s;
c)  gezichtsopnamen;
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 20
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 – lid 2 – letter e
e)  de gegevens als bedoeld in artikel 9, punten 4) en 5), van de overeenkomstig artikel 8, lid 4, gekoppelde aanvraagdossiers.
e)  de gegevens als bedoeld in artikel 9, punt 4), van de overeenkomstig artikel 8, lid 4, gekoppelde aanvraagdossiers.
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 23 – lid 1 – alinea 1
Onverminderd de verwijdering van gegevens als bedoeld in de artikelen 24 en 25 en de registratie van gegevens als bedoeld in artikel 34, worden de dossiers voor ten hoogste vijf jaar in het VIS opgeslagen.
Onverminderd de verwijdering van gegevens als bedoeld in de artikelen 24 en 25 en de registratie van gegevens als bedoeld in artikel 34, worden de aanvraagdossiers voor ten hoogste vijf jaar in het VIS opgeslagen.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 23 – lid 1 – alinea 2 – letter b
b)  op de nieuwe datum waarop de geldigheidsduur van het visum, het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning verstrijkt, indien een visum, een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning is verlengd;
b)  op de nieuwe datum waarop de geldigheidsduur van het visum of het visum voor verblijf van langere duur verstrijkt, indien een visum of een visum voor verblijf van langere duur is verlengd;
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 23 – lid 2
2.  Na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn worden het dossier en de in artikel 8, leden 3 en 4, en artikel 22 bis, leden 3 en 5, bedoelde koppelingen naar dit dossier automatisch uit het VIS gewist.
2.  Na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn worden het dossier en de in artikel 8, leden 3 en 4, en artikel 22 bis, lid 3, bedoelde koppelingen naar dit dossier automatisch uit het VIS gewist.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 23 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  In afwijking van lid 1:
a)   aanvraagdossiers betreffende een verblijfsvergunning worden gewist na een periode van ten hoogste 10 jaar;
b)   aanvraagdossiers betreffende kinderen jonger dan 12 jaar worden gewist wanneer het kind het Schengengebied verlaat.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 21
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 23 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  In afwijking van lid 1 kan, met het oog op het mogelijk maken van een nieuwe aanvraag, het daarin bedoelde aanvraagdossier worden bewaard voor een aanvullende periode van niet meer dan drie jaar na het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum voor verblijf van langere duur of van de verblijfsvergunning, en uitsluitend indien de verzoeker, na een verzoek om toestemming, door middel van een ondertekende verklaring vrijelijk en uitdrukkelijk instemt. Verzoeken om toestemming worden in een begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal zodanig gepresenteerd dat een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt met andere aangelegenheden, overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EU) 2016/679. De aanvrager kan overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679 zijn toestemming te allen tijde intrekken. Indien de aanvrager de toestemming intrekt, wordt het aanvraagdossier automatisch uit het VIS verwijderd.
eu-LISA ontwikkelt een instrument waarmee aanvragers hun toestemming kunnen geven of intrekken.
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 48 bis gedelegeerde handelingen vast ter nadere omschrijving van het instrument waarmee aanvragers hun toestemming kunnen geven of intrekken.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 22 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 24 – lid 3
(22 bis)  In artikel 24 wordt lid 3 vervangen door:
3.  De bevoegde lidstaat controleert de betrokken gegevens en, indien nodig, corrigeert of verwijdert deze onmiddellijk.
"3. De bevoegde lidstaat controleert de betrokken gegevens zo spoedig mogelijk en, indien nodig, corrigeert of verwijdert deze onmiddellijk.";
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 23 – letter a
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 25 – lid 1
“1. Indien voor het verstrijken van de in artikel 23, lid 1, bedoelde termijn een aanvrager de nationaliteit van een lidstaat heeft verworven, worden de aanvraagdossiers en de in artikel 8, leden 3 en 4, en artikel 22 bis, lid 3, bedoelde koppelingen betreffende hem of haar door de lidstaat die de betrokken aanvraagdossiers en koppelingen heeft aangemaakt, onmiddellijk uit het VIS gewist.";
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 23 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 26 – lid 1
(23 bis)  Artikel 26, lid 1, wordt vervangen door:
1. Na een overgangsperiode wordt een beheersautoriteit (de „beheersautoriteit”), die uit de algemene begroting van de Europese Unie wordt gefinancierd, belast met het operationele beheer van het centrale VIS en de nationale interfaces. De beheersautoriteit zorgt er in samenwerking met de lidstaten voor dat te allen tijde de beste voorhanden zijnde technologie wordt gebruikt voor het centrale VIS en de nationale interfaces, onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse.
"1. eu-LISA wordt belast met het operationele beheer van het VIS en de in artikel 2 bis genoemde onderdelen ervan. eu-Lisa zorgt er in samenwerking met de lidstaten voor dat voor die onderdelen te allen tijde de meest geavanceerde technologie wordt gebruikt, onder voorbehoud van een kosten-batenanalyse."
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 23 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 26 – lid 2
(23 ter)  Artikel 26, lid 2, wordt vervangen door:
2.  De beheersautoriteit wordt tevens belast met de volgende taken met betrekking tot de communicatie-infrastructuur tussen het centrale VIS en de nationale interfaces:
"2. Het operationeel beheer van het VIS omvat alle taken die nodig zijn om het VIS overeenkomstig deze verordening 24 uur per dag en 7 dagen per week te laten functioneren, met name de onderhoudswerkzaamheden en technische ontwikkelingen die nodig zijn voor een bevredigende operationele kwaliteit van het VIS, in het bijzonder wat betreft de tijd die nodig is voor raadpleging van het centrale systeem van het VIS door consulaire posten en grensautoriteiten. De voor de raadpleging benodigde tijd moet zo kort mogelijk zijn."
a)  toezicht;
b)  beveiliging;
c)  coördinatie van de betrekkingen tussen de lidstaten en de dienstverlener.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 23 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 26 – leden 3 t/m 8
(23 quater)  in artikel 26 worden de leden 3 tot en met 8 geschrapt;
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 24
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 26 – lid 8 bis
(24)  in artikel 26 wordt het volgende lid 8 bis ingevoegd:
Schrappen
“8 bis. In de volgende omstandigheden is het eu-LISA toegestaan geanonimiseerde werkelijke persoonsgegevens uit het VIS-productiesysteem te gebruiken voor testdoeleinden:
a)  voor diagnostiek en reparatie wanneer in het centraal systeem fouten worden ontdekt;
b)  voor het testen van nieuwe technieken en technologieën die de prestaties van het centraal systeem of de verzending van gegevens naar het centrale systeem kunnen verbeteren.
In dergelijke gevallen worden in de testomgeving maatregelen voor beveiliging, toegangscontrole en registratie toegepast die gelijkwaardig zijn aan die van het productiesysteem van het VIS. Werkelijke persoonsgegevens die voor testdoeleinden worden gebruikt, worden zodanig geanonimiseerd dat de betrokkene niet meer kan worden geïdentificeerd.";
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 24 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 26 – leden 9 bis en 9 ter (nieuw)
(24 bis)  Aan artikel 26 worden de volgende leden toegevoegd:
"9 bis. Indien eu-LISA samenwerkt met externe contractanten voor VIS-gerelateerde taken volgt het nauwlettend de activiteiten van de contractanten om zeker te zijn dat wordt voldaan aan deze verordening, met name inzake beveiliging, vertrouwelijkheid en gegevensbescherming.
9 ter.  Het operationeel beheer van de VIS wordt niet toevertrouwd aan particuliere ondernemingen of particuliere organisaties.";
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 25
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 27 – alinea 2
Beide locaties kunnen tegelijkertijd worden ingezet voor het operationele beheer van het VIS, mits de tweede locatie bij uitval van het systeem de werking ervan kan blijven waarborgen.
eu-LISA voorziet in technische oplossingen om ervoor te zorgen dat het VIS ononderbroken beschikbaar is, hetzij door een gelijktijdige werking van het centrale systeem van het VIS en het vervangende centrale systeem van het VIS, op voorwaarde dat het vervangende centrale systeem van het VIS de werking van het VIS bij uitval van het centrale systeem van het VIS kan blijven waarborgen, hetzij door het systeem of de onderdelen ervan te dupliceren.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 26 – letter b bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 – lid 1– alinea 1 bis (nieuw)
Hiertoe zien de lidstaten erop toe dat consulair personeel en het personeel van eventuele externe dienstverleners waarmee wordt samengewerkt overeenkomstig artikel 43 van Verordening (EU) nr. 810/2009 regelmatig worden scholing ontvangen op het gebied van gegevenskwaliteit.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 26 – letter d
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 – lid 2 bis – alinea 1
2 bis.   Samen met de Commissie ontwikkelt en handhaaft de beheersautoriteit automatische mechanismen en procedures voor het controleren van de gegevenskwaliteit, waarmee de VIS-gegevens aan kwaliteitscontroles kunnen worden onderworpen, en brengt zij regelmatig verslag uit aan de lidstaten. De beheersautoriteit brengt regelmatig verslag uit over de controles van de gegevenskwaliteit aan de lidstaten en de Commissie.
2 bis.  Samen met de Commissie ontwikkelt, handhaaft en actualiseert eu-LISA automatische mechanismen en procedures voor het controleren van de gegevenskwaliteit, waarmee de VIS-gegevens aan kwaliteitscontroles kunnen worden onderworpen, en brengt zij regelmatig verslag uit aan de lidstaten. eu-LISA zorgt voor voldoende professioneel opgeleid personeel om de technische innovaties en upgrades toe te passen die nodig zijn om de mechanismen voor gegevenskwaliteitscontrole toe te passen. eu-LISA brengt regelmatig verslag uit over de controles van de gegevenskwaliteit aan de lidstaten en de Commissie. De Commissie legt aan het Europees Parlement en de Raad regelmatig een verslag voor over eventuele problemen in verband met de kwaliteit van de gegevens en over de wijze waarop deze zijn aangepakt.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 26 – letter d bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 – lid 2 ter (nieuw)
d bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:
"2 ter. De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de haalbaarheid, beschikbaarheid, gereedheid en betrouwbaarheid van technologie voor de identificatie van een persoon op basis van gezichtsopnamen.";
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 26 – letter d ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 – lid 3 bis (nieuw)
d ter)  het volgende lid wordt toegevoegd:
"3 bis. Elke lidstaat wijst voor de verwerking van persoonsgegevens in het VIS de autoriteit aan die moet worden beschouwd als de voor de verwerking verantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van Verordening (EU) 2016/679 en die de centrale verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking door die lidstaat draagt. Elke lidstaat stelt de Commissie er van in kennis welke autoriteit hij heeft aangewezen.";
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 27
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 bis – lid 1 – letter a
a)  gegevens als bedoeld in de artikelen 9, 22 quater en 22 quinquies, en in artikel 6, lid 4, mogen pas na een door de verantwoordelijke nationale autoriteiten uitgevoerde kwaliteitscontrole naar het VIS worden gezonden;
a)  gegevens als bedoeld in de artikelen 9, 22 quater en 22 quinquies, en in artikel 6, lid 4, mogen pas na een door de verantwoordelijke nationale autoriteiten uitgevoerde kwaliteitscontrole in het VIS worden ingevoerd;
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 27
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 bis – lid 2 – letter b
b)  de automatische procedures als bedoeld in artikel 9 bis, lid 3, en artikel 22 ter, lid 2, kunnen pas door het VIS worden geactiveerd nadat het VIS een kwaliteitscontrole heeft uitgevoerd overeenkomstig dit artikel; indien deze controles niet voldoen aan de vastgestelde kwaliteitscriteria, worden de verantwoordelijke autoriteiten automatisch door het VIS in kennis gesteld;
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 27
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 bis – lid 2 – letter c
c)  controles op de kwaliteit van gezichtsopnamen en dactyloscopische gegevens worden uitgevoerd bij het aanmaken van dossiers van onderdanen van derde landen in het VIS, om na te gaan of voldaan is aan de minimumnormen voor gegevenskwaliteit die biometrische matching mogelijk maken;
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 27
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 29 bis – lid 3
3.  Er worden kwaliteitsnormen vastgesteld voor het opslaan van de in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens. Deze normen worden gespecificeerd in uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 49, lid 2.";
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 31 – leden 1 en 2
(28)  in artikel 31 worden de leden 1 en 2 vervangen door:
Schrappen
“1. Onverminderd Verordening (EU) 2016/679 kunnen de gegevens als bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a), b), c), k) en m), artikel 9, lid 6, en artikel 9, lid 7, uitsluitend worden doorgegeven aan of ter beschikking gesteld van een derde land of een in de bijlage opgenomen internationale organisatie wanneer dat in individuele gevallen noodzakelijk is om de identiteit van onderdanen van derde landen te bewijzen, en uitsluitend met het oog op terugkeer overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG of hervestiging overeenkomstig Verordening …[kaderverordening hervestiging], en mits de lidstaat die de gegevens in het VIS heeft ingevoerd, zijn goedkeuring heeft gegeven.";
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 31 – lid 2
(28 bis)  Artikel 31, lid 2, wordt vervangen door:
“2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 mogen de in artikel 9, lid 4, onder a), b), c), k) en m), bedoelde gegevens worden overgedragen of ter beschikking worden gesteld aan een derde land of een internationale organisatie die is opgenomen in de bijlage, indien dit in individuele gevallen noodzakelijk is om de identiteit van onderdanen uit een derde land vast te stellen, mede met het oog op terugkeer, en uitsluitend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
"2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 van dit artikel mogen grensautoriteiten of immigratieautoriteiten de in artikel 9, lid 4, onder a), a bis), b), c), c quater), k) en m) lid 6 en 7, bedoelde gegevens in individuele gevallen doorgeven aan een in de bijlage bij deze verordening opgenomen derde land of internationale organisatie indien dit noodzakelijk is om de identiteit van onderdanen uit een derde land vast te stellen uitsluitend met het oog op terugkeer en indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a)  de Commissie heeft een besluit genomen over de passende bescherming van persoonsgegevens in dat derde land overeenkomstig artikel 25, lid 6, van Richtlijn 95/46/EG, of er is een overnameovereenkomst van kracht tussen de Gemeenschap en dat derde land, of de bepalingen van artikel 26, lid 1, onder d), van Richtlijn 95/46/EG zijn van toepassing;
a)  de Commissie heeft een besluit genomen over de passende bescherming van persoonsgegevens in dat derde land overeenkomstig artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2016/679;
b)  het derde land of de internationale organisatie stemt ermee in de gegevens alleen te gebruiken voor het doel waarvoor zij zijn verstrekt;
b)  er is voorzien in passende waarborgen als bedoeld in artikel 46 van Verordening (EU) 2016/679, bijvoorbeeld door middel van een overnameovereenkomst die is gesloten tussen de Unie of een lidstaat en het betrokken derde land; of
c)  de gegevens worden doorgegeven of ter beschikking gesteld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Gemeenschapsrecht, met name overnameovereenkomsten, en de nationale wetgeving van de lidstaat die de gegevens heeft doorgegeven of ter beschikking heeft gesteld, met inbegrip van de wettelijke bepalingen inzake gegevensbeveiliging en -bescherming, en
c)  artikel 49, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2016/679 is van toepassing."
d)   de lidstaat/lidstaten die de gegevens in het VIS heeft/hebben ingevoerd, heeft/hebben hiermee ingestemd.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 31 – lid 3
(28 ter)  Artikel 31, lid 3, wordt vervangen door:
3.  Dergelijke overdrachten van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties laten de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken, onverlet, met name ten aanzien van non-refoulement.
"3. De in artikel 9, lid 4, onder a), b), c), k) en m), lid 6 en lid 7, van deze verordening bedoelde gegevens mogen alleen worden overgedragen overeenkomstig lid 2 van dit artikel indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
a)   de gegevens worden doorgegeven overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van het Unierecht, met name de bepalingen inzake gegevensbescherming, met inbegrip van hoofdstuk V van Verordening (EU) 2016/679 en overnameovereenkomsten, alsmede overeenkomstig het nationale recht van de lidstaat die de gegevens heeft doorgegeven;
b)   de lidstaat die de gegevens in het VIS heeft ingevoerd, heeft hiermee ingestemd;
c)   het derde land of de internationale organisatie stemt ermee in de gegevens uitsluitend voor de doeleinden waarvoor zij zijn verstrekt, te verwerken; en
d)   er is ten aanzien van de betrokken onderdaan van een derde land een uit hoofde van Richtlijn 2008/115/EG vastgesteld terugkeerbesluit uitgevaardigd, op voorwaarde dat de tenuitvoerlegging van dit terugkeerbesluit niet is geschorst en dat er geen hoger beroep is ingesteld dat tot schorsing van de tenuitvoerlegging ervan kan leiden.";
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 31 – leden 3 bis en 3 ter (nieuw)
(28 quater)  aan artikel 31 worden de volgende leden toegevoegd:
"3 bis. De doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties overeenkomstig lid 2 laat de rechten van personen die internationale bescherming hebben aangevraagd of genieten, onverlet, met name ten aanzien van non-refoulement.";
3 ter.  De door een lidstaat of Europol voor rechtshandhavingsdoeleinden uit het VIS verkregen persoonsgegevens worden niet aan derde landen, internationale organisaties of in of buiten de Unie gevestigde particuliere organisaties doorgegeven of ter beschikking gesteld. Het verbod geldt ook indien deze gegevens op nationaal niveau of tussen de lidstaten worden verwerkt uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/680.";
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28 sexies (nieuw) – letter a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 32 – lid 2 – letter e bis (nieuw)
(28 sexies)  in artikel 32 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:
a)   het volgende punt wordt ingevoegd:
"e bis) te verhinderen dat onbevoegden de systemen voor geautomatiseerde gegevensverwerking gebruiken met behulp van datatransmissieapparatuur;";
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28 sexies (nieuw) – letter b (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 32 – lid 2 – letters j bis en j ter (nieuw)
b)  de volgende punten worden ingevoegd:
"j bis) ervoor te zorgen dat de normale werking van de gebruikte systemen in geval van storing kan worden hersteld;
j ter)   de betrouwbaarheid te garanderen door ervoor te zorgen dat eventuele functiestoringen in het VIS correct worden gemeld en dat de nodige technische maatregelen worden getroffen zodat persoonsgegevens kunnen worden hersteld wanneer zij beschadigd worden door een slechte werking van het VIS;";
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28 septies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 32 bis (nieuw)
(28 septies)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 32 bis
Beveiligingsincidenten
1.   Elke gebeurtenis die gevolgen heeft of kan hebben voor de beveiliging van het VIS of het VIS schade of verlies kan toebrengen, wordt beschouwd als een beveiligingsincident, met name wanneer onrechtmatig toegang tot gegevens kan zijn verkregen of wanneer de beschikbaarheid, de integriteit of de vertrouwelijkheid van gegevens in gevaar is gekomen of kan zijn gekomen.
2.   Het beheer van beveiligingsincidenten is gericht op een snelle, doeltreffende en passende reactie.
3.   Onverminderd de kennisgeving en de mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) 2016/679 of artikel 30 van Richtlijn (EU) 2016/680, melden de lidstaten, Europol en het Europees Grens- en kustwachtagentschap beveiligingsincidenten onverwijld aan de Commissie, eu-LISA, de bevoegde toezichthoudende autoriteit en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. eu-LISA meldt beveiligingsincidenten betreffende het centrale systeem van het VIS onverwijld aan de Commissie en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
4.   Informatie over een beveiligingsincident dat gevolgen heeft of kan hebben voor de werking van het VIS in een lidstaat of bij eu-LISA, of voor de beschikbaarheid, de integriteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens die door andere lidstaten zijn ingevoerd of toegezonden, wordt onverwijld aan alle lidstaten verstrekt en gemeld in overeenstemming met het door eu-LISA voorgelegde incidentenbeheerplan.
5.   De lidstaten en eu-LISA werken in het geval van een beveiligingsincident samen.
6.   De Commissie meldt ernstige incidenten onmiddellijk aan het Europees Parlement en de Raad. Deze verslagen worden overeenkomstig de toepasselijke beveiligingsvoorschriften gerubriceerd als "EU RESTRICTED/RESTREINT UE".
7.   Wanneer een beveiligingsincident is veroorzaakt door het oneigenlijke gebruik van gegevens, zien de lidstaten, Europol en het Europees Grens- en kustwachtagentschap erop toe dat er sancties worden opgelegd in overeenstemming met artikel 36.";
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 28 octies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 33
(28 octies)  artikel 33 wordt vervangen door:
Artikel 33
"Artikel 33
Aansprakelijkheid
Aansprakelijkheid
1.  Eenieder, respectievelijk elke lidstaat, die als gevolg van onrechtmatige gegevensverwerking of een andere, met deze verordening strijdige handeling schade heeft geleden, is gerechtigd om van de lidstaat die voor de geleden schade verantwoordelijk is, vergoeding te ontvangen. De betrokken lidstaat wordt geheel of gedeeltelijk van zijn aansprakelijkheid ontheven indien hij kan aantonen dat hij niet verantwoordelijk is voor het feit dat de schade heeft veroorzaakt.
1.  Onverminderd het recht op schadevergoeding door en de aansprakelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker uit hoofde van Verordening (EU) 2016/679, Richtlijn (EU) 2016/680 en Verordening (EU) 2018/1726, geldt het volgende:
(a)   eenieder, respectievelijk elke lidstaat, die als gevolg van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens of een andere met deze verordening strijdige handeling van een lidstaat materiële schade heeft geleden, is gerechtigd om van die lidstaat vergoeding te ontvangen;
(b)   eenieder, respectievelijk elke lidstaat, die als gevolg van een met deze verordening strijdige handeling van Europol, het Europees Grens- en kustwachtagentschap of eu-LISA materiële of immateriële schade heeft geleden, is gerechtigd om van het betrokken agentschap vergoeding te ontvangen.
De betrokken lidstaat, Europol, het Europees Grens- en kustwachtagentschap of eu-LISA wordt geheel of gedeeltelijk van zijn in de eerste alinea bedoelde aansprakelijkheid ontheven indien hij of het kan aantonen dat hij of het niet verantwoordelijk is voor het feit dat de schade heeft veroorzaakt.
2.  Indien het VIS schade oploopt omdat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet is nagekomen, is deze lidstaat aansprakelijk voor die schade, tenzij en voor zover de beheersautoriteit of een andere aan het VIS deelnemende lidstaat heeft nagelaten redelijke maatregelen te treffen om het optreden van de schade te voorkomen of de omvang ervan zoveel mogelijk te beperken.
2.  Indien het centrale systeem van het VIS schade oploopt omdat een lidstaat zijn verplichtingen uit hoofde van deze verordening niet is nagekomen, is deze lidstaat aansprakelijk voor die schade, tenzij en voor zover eu-LISA of een andere aan het centrale systeem van het VIS deelnemende lidstaat heeft nagelaten redelijke maatregelen te treffen om het optreden van de schade te voorkomen of de omvang ervan zoveel mogelijk te beperken.
3.  Op vorderingen tegen een lidstaat tot vergoeding van de in de leden 1 en 2 bedoelde schade zijn de bepalingen van de nationale wetgeving van de verwerende lidstaat van toepassing.
3.  Op vorderingen tegen een lidstaat tot vergoeding van de in de leden 1 en 2 bedoelde schade is de nationale wetgeving van die lidstaat van toepassing. Op vorderingen tegen de verwerkingsverantwoordelijke, Europol, het Europees Grens- en kustwachtagentschap of eu-LISA tot vergoeding van de in de leden 1 en 2 bedoelde schade zijn de in de Verdragen bepaalde voorwaarden van toepassing.";
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 29
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 34 – lid 1
1.  Elke lidstaat, het Europees Grens- en kustwachtagentschap en de beheersautoriteit houden logbestanden bij van alle gegevensverwerkende handelingen in het VIS. Die logbestanden bevatten het doel van de toegang zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, artikel 20 bis, lid 1, artikel 22 duodecies, lid 1, en de artikelen 15 tot en met 22, en 22 octies tot en met 22 undecies, de datum en het tijdstip van de toegang, het soort toegezonden gegevens zoals bedoeld in de artikelen 9 tot en met 14, het soort bij het zoeken gebruikte gegevens zoals bedoeld in artikel 15, lid 2, artikel 18, artikel 19, lid 1, artikel 20, lid 1, artikel 21, lid 1, artikel 22, lid 1, de artikelen 22 octies tot en met 22 undecies, artikel 45 bis en artikel 45 quinquies, en de naam van de autoriteit die de gegevens invoert of opvraagt. Voorts houdt elke lidstaat logbestanden bij van de personeelsleden die naar behoren gemachtigd zijn gegevens in te voeren of op te vragen.
1.  Elke lidstaat, het Europees Grens- en kustwachtagentschap en eu-LISA houden logbestanden bij van alle gegevensverwerkende handelingen in het VIS. Die logbestanden bevatten het doel van de toegang zoals bedoeld in artikel 6, lid 1, artikel 20 bis, lid 1, artikel 22 duodecies, lid 1, en de artikelen 15 tot en met 22, en 22 octies tot en met 22 undecies, de datum en het tijdstip van de toegang, het soort toegezonden gegevens zoals bedoeld in de artikelen 9 tot en met 14 en 22 quater tot en met 22 septies, het soort bij het zoeken gebruikte gegevens zoals bedoeld in artikel 15, lid 2, artikel 18, artikel 19, lid 1, artikel 20, lid 1, artikel 21, lid 1, artikel 22, lid 1, de artikelen 22 octies tot en met 22 undecies, artikel 45 bis en artikel 45 quinquies, en de naam van de autoriteit die de gegevens invoert of opvraagt. Voorts houdt elke lidstaat logbestanden bij van de personeelsleden die naar behoren gemachtigd zijn gegevens in te voeren of op te vragen.
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 29
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 34 – lid 2
2.  Voor de in artikel 45 ter bedoelde handelingen wordt van elke in het VIS en het EES verrichte gegevensverwerkingsactiviteit een logbestand bijgehouden overeenkomstig dit artikel en artikel 41 van Verordening (EU) 2226/2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES).
2.  Voor de in artikel 45 ter bedoelde handelingen wordt van elke in het VIS en het EES verrichte gegevensverwerkingsactiviteit een logbestand bijgehouden overeenkomstig dat artikel en artikel 46 van Verordening (EU) 2226/2017 tot instelling van een inreis-uitreissysteem (EES). Voor de in artikel 17 bis bedoelde handelingen wordt van elke in het VIS en het EES verrichte gegevensverwerkingsactiviteit een register bijgehouden overeenkomstig dit artikel en artikel 46 van Verordening (EU) 2017/2226.
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 29 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 35
(29 bis)  artikel 35 wordt vervangen door:
Artikel 35
"Artikel 35
Interne controle
Interne controle
De lidstaten zorgen ervoor dat elke instantie met toegangsrecht tot VIS-gegevens de nodige maatregelen treft met het oog op de naleving van deze verordening en, indien nodig, samenwerkt met de nationale toezichthoudende autoriteit.
De lidstaten zorgen ervoor dat elke instantie met toegangsrecht tot VIS-gegevens de nodige maatregelen treft met het oog op de naleving van deze verordening en samenwerkt met de nationale toezichthoudende autoriteit.";
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 29 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 36
(29 ter)  artikel 36 wordt vervangen door:
Artikel 36
"Artikel 36
Sancties
Sancties
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elk misbruik van in het VIS ingevoerde gegevens wordt gestraft door middel van sancties, met inbegrip van administratieve en/of strafrechtelijke sancties overeenkomstig het nationale recht, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat elk misbruik van in het VIS ingevoerde gegevens, evenals elke verwerking ervan die in strijd is met deze verordening, wordt gestraft door middel van sancties, met inbegrip van administratieve en/of strafrechtelijke sancties overeenkomstig het nationale recht, die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.";
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 30 – letter a
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 37 – lid 1 – inleidende formule
1.  Aanvragers en de personen bedoeld in artikel 9, lid 4, onder f), worden door de bevoegde lidstaat ingelicht over:
1.  Onverminderd het recht op informatie als bedoeld in de artikelen 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725, de artikelen 13 en 14 van Verordening (EU) nr. 2016/679 en artikel 13 van Richtlijn 2016/680, worden onderdanen van derde landen en de personen bedoeld in artikel 9, lid 4, onder f), artikel 22 quater, lid 2, onder e), of artikel 22 quinquies, onder e), door de bevoegde lidstaat ingelicht over:
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 –punt 30 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 37 – lid 1 – letter f
a bis)   in lid 1 wordt punt f) vervangen door:
f)  het bestaan van het recht op toegang tot de hen betreffende gegevens en van het recht te verzoeken om hen betreffende onjuiste gegevens recht te laten zetten of hen betreffende onrechtmatig verwerkte gegevens te laten verwijderen, met inbegrip van het recht op het ontvangen van informatie over de procedures om die rechten te doen gelden en van de contactgegevens van de in artikel 41, lid 1, bedoelde nationale toezichthoudende autoriteiten die bevoegd zijn kennis te nemen van verzoeken betreffende de bescherming van persoonsgegevens.
"f) het bestaan van het recht op toegang tot de hen betreffende gegevens en van het recht te verzoeken om hen betreffende onjuiste gegevens recht te laten zetten of hen betreffende onrechtmatig verwerkte gegevens te laten verwijderen, met inbegrip van het recht op het ontvangen van informatie over de procedures om die rechten te doen gelden en van de contactgegevens van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en van de nationale toezichthoudende autoriteit van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de verzameling van de in artikel 41, lid 1, bedoelde gegevens, die bevoegd zijn kennis te nemen van verzoeken betreffende de bescherming van persoonsgegevens.";
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 30 – letter a ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 37 – lid 1 – letter f bis (nieuw)
a ter)   in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"f bis) het feit dat de lidstaten en Europol het VIS voor rechtshandhavingsdoeleinden mogen raadplegen.";
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 30 – letter b
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 37 – lid 2
"2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt schriftelijk aan de onderdaan van een derde land meegedeeld bij het verzamelen van de gegevens, de foto en de vingerafdrukgegevens als bedoeld in artikel 9, punten 4, 5 en 6, artikel 22 quater, lid 2, en artikel 22 quinquies, onder a) tot en met g), en, indien nodig, mondeling in een taal en op een wijze die de betrokkene begrijpt of redelijkerwijze geacht wordt te begrijpen. Kinderen worden op een bij hun leeftijd passende wijze ingelicht, met behulp van brochures en/of informatiegrafieken en/of demonstraties die specifiek zijn ontworpen om hun de procedure voor het nemen van vingerafdrukken uit te leggen.";
"2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt schriftelijk op duidelijke, beknopte en accurate wijze aan de onderdaan van een derde land meegedeeld bij het verzamelen van de gegevens, de gezichtsopname en de vingerafdrukgegevens als bedoeld in artikel 9, punten 4, 5 en 6, artikel 22 quater, lid 2, en artikel 22 quinquies, onder a) tot en met g). Kinderen worden op een bij hun leeftijd passende wijze ingelicht, met behulp van brochures en/of informatiegrafieken en/of demonstraties die specifiek zijn ontworpen om hun de procedure voor het nemen van vingerafdrukken uit te leggen.";
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 31
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 38 – lid 3
(31)  In artikel 38 wordt lid 3 vervangen door:
Schrappen
"3. Indien het in lid 2 bedoelde verzoek tot een andere dan de bevoegde lidstaat wordt gericht, nemen de autoriteiten van de lidstaat waarbij het verzoek werd ingediend binnen zeven dagen contact op met de autoriteiten van de bevoegde lidstaat. De bevoegde lidstaat controleert de juistheid van de gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking ervan in het VIS binnen één maand.";
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 31 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 38
(31 bis)  artikel 38 wordt vervangen door:
Artikel 38
"Artikel 38
Recht van toegang, recht op rechtzetting en verwijdering van gegevens
Recht op toegang tot, rectificatie, aanvulling en wissing van persoonsgegevens en op beperking van de verwerking
1.  Eenieder heeft, onverminderd de verplichting tot het verstrekken van andere informatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a), van Richtlijn 95/46/EG, het recht te vernemen welke gegevens over hem in het VIS zijn opgeslagen en welke lidstaat deze gegevens aan het VIS heeft toegezonden. Deze toegang tot gegevens kan alleen door een lidstaat worden verleend. Elke lidstaat registreert alle dergelijke verzoeken om toegang.
1.  Onverminderd het recht van informatie uit hoofde van de artikelen 15 en 16 van Verordening (EU) 2018/1725 worden aanvragers of houders van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, van wie de gegevens in het VIS worden opgeslagen, op het moment dat hun gegevens worden verzameld in kennis gesteld van de procedures voor de uitoefening van de rechten krachtens de artikelen 17 tot en met 20 van Verordening (EU) 2018/1725 en de artikelen 15 tot en met 18 van Verordening (EU) 2016/679. Tegelijkertijd ontvangen zij de contactgegevens van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
2.   Eenieder kan verzoeken dat hem betreffende onjuiste gegevens worden rechtgezet en dat onrechtmatig opgeslagen gegevens worden verwijderd. De rechtzetting en de verwijdering worden onverwijld door de bevoegde lidstaat uitgevoerd, overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat.
2.   Met het oog op de uitoefening van hun rechten krachtens de artikelen 17 tot en met 20 van Verordening (EU) 2018/1725 en de artikelen 15 tot en met 18 van Verordening (EU) 2016/679 hebben de in lid 1 bedoelde personen het recht zich te wenden tot de lidstaat die hun gegevens in het VIS heeft ingevoerd. De lidstaat die de aanvraag ontvangt, onderzoekt en beantwoordt de aanvraag zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen 30 dagen. Indien in antwoord op een verzoek blijkt dat de gegevens in het VIS feitelijk onnauwkeurig zijn of onrechtmatig zijn geregistreerd, worden die gegevens in het VIS onverwijld, maar uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het verzoek door de lidstaat overeenkomstig artikel 12, leden 3 en 4, van Verordening (EU) 2016/679 door de bevoegde lidstaat gerectificeerd of gewist. Indien het verzoek tot een andere dan de bevoegde lidstaat wordt gericht, nemen de autoriteiten van de lidstaat waarbij het verzoek werd ingediend binnen zeven dagen contact op met de autoriteiten van de bevoegde lidstaat. De bevoegde lidstaat controleert binnen één maand de juistheid van de gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking ervan in het VIS. De betrokkenen worden door de lidstaat die contact heeft opgenomen met de autoriteiten van de bevoegde lidstaat geïnformeerd dat hun verzoek is doorgestuurd, aan wie het is doorgestuurd en wat het verdere verloop van de procedure inhoudt.
3.   Indien het in lid 2 bedoelde verzoek tot een andere dan de bevoegde lidstaat wordt gericht, nemen de autoriteiten van de lidstaat waarbij het verzoek werd ingediend binnen 14 dagen contact op met de autoriteiten van de bevoegde lidstaat. De bevoegde lidstaat controleert de juistheid van de gegevens en de rechtmatigheid van de verwerking ervan in het VIS binnen één maand.
3.   Indien de bevoegde lidstaat het niet eens is met de stelling dat de in het VIS opgeslagen gegevens feitelijk onjuist zijn of daarin onrechtmatig zijn geregistreerd, stelt hij onverwijld een administratief besluit vast waarbij schriftelijk wordt uitgelegd aan de betrokkene waarom de lidstaat niet bereid is de hem of haar betreffende gegevens te rectificeren of te wissen.
4.   Indien blijkt dat de in het VIS opgeslagen gegevens onjuist zijn of onrechtmatig zijn opgeslagen, worden zij door de bevoegde lidstaat overeenkomstig artikel 24, lid 3, rechtgezet of verwijderd. De bevoegde lidstaat bevestigt de betrokkene onverwijld schriftelijk het nodige te hebben gedaan om de gegevens die op de betrokkene betrekking hebben recht te zetten of te verwijderen.
4.   Met dat besluit wordt de betrokkene tevens geïnformeerd over de mogelijkheid om het besluit met betrekking tot het in lid 2 bedoelde verzoek aan te vechten en, indien relevant, over de wijze waarop hij of zij een rechtsvordering kan instellen of een klacht kan indienen bij de bevoegde autoriteiten of gerechtelijke instanties, alsmede over voor de betrokkene beschikbare bijstand, onder meer van de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten.
5.  Indien de bevoegde lidstaat niet van oordeel is dat de in het VIS opgeslagen gegevens onjuist zijn of daarin onrechtmatig zijn opgeslagen, laat die lidstaat de betrokkene onverwijld schriftelijk weten waarom hij niet bereid is de gegevens die op de betrokkene betrekking hebben recht te zetten of te verwijderen.
5.   Elk verzoek krachtens lid 2 bevat de informatie die nodig is om de betrokkene te identificeren. Deze informatie wordt uitsluitend gebruikt om de uitoefening van de in lid 2 bedoelde rechten mogelijk te maken.
6.  De bevoegde lidstaat licht de betrokkene ook in over de stappen die deze kan ondernemen indien hij geen genoegen neemt met de verstrekte uitleg. Dit houdt mede in dat de betrokkene wordt ingelicht over de wijze waarop hij een rechtsvordering kan instellen, een klacht kan indienen bij de bevoegde autoriteiten of bij de rechter van die lidstaat, alsmede over bijstand, onder meer van de in artikel 41, lid 1, bedoelde nationale toezichthoudende autoriteiten, die hem overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van die lidstaat kan worden verleend.
6.  De bevoegde lidstaat legt in een schriftelijk document vast dat een in lid 2 bedoeld verzoek is ingediend en op welke wijze dit is behandeld. Deze lidstaat stelt dit document onverwijld en uiterlijk zeven dagen na het nemen van het in de tweede alinea van lid 2 genoemde besluit om gegevens te rectificeren of te wissen, respectievelijk het in lid 3 genoemde besluit, ter beschikking van de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteiten voor gegevensbescherming.";
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 31 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 39
(31 ter)  artikel 39 wordt vervangen door:
Artikel 39
"Artikel 39
Samenwerking om het recht op gegevensbescherming te waarborgen
Samenwerking om het recht op gegevensbescherming te waarborgen
1.  De lidstaten werken er actief aan mee dat de in artikel 38, leden 2, 3 en 4, genoemde rechten kunnen worden uitgeoefend.
1.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken er actief aan mee dat de in artikel 38 genoemde rechten kunnen worden uitgeoefend.
2.  In elke lidstaat verleent de nationale toezichthoudende autoriteit overeenkomstig artikel 28, lid 4, van Richtlijn 95/46/EG desgevraagd de betrokkene bijstand en advies bij de uitoefening van zijn recht op rechtzetting of verwijdering van de op hem betrekking hebbende gegevens.
2.  In elke lidstaat verleent de in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit de betrokkene desgevraagd bijstand en advies bij de uitoefening van zijn of haar recht op rectificatie, aanvulling of wissing van de op hem of haar betrekking hebbende persoonsgegevens of op beperking van de verwerking van deze persoonsgegevens in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679.
3.  De nationale toezichthoudende autoriteit van de bevoegde lidstaat die de gegevens heeft toegezonden en de nationale toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten die het verzoek hebben ontvangen, werken daartoe actief samen.
Teneinde de in de eerste alinea bedoelde doelen te verwezenlijken, werken de toezichthoudende autoriteit van de bevoegde lidstaat die de gegevens heeft toegezonden en de toezichthoudende autoriteit van de aangezochte lidstaat met elkaar samen.";
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 31 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 40
(31 quater)  artikel 40 wordt vervangen door:
Artikel 40
"Artikel 40
Rechtsmiddelen
Rechtsmiddelen
1.  In elke lidstaat heeft eenieder het recht een rechtsvordering in te stellen of een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteiten of rechter van die lidstaat die hem de bij artikel 38, leden 1 en 2, geboden rechten inzake toegang tot en rechtzetting of verwijdering van gegevens die op hem betrekking hebben, hebben ontzegd.
1.   Onverminderd de artikelen 77 en 79 van Verordening (EU) 2016/679 heeft eenieder in elke lidstaat het recht een rechtsvordering in te stellen of een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteiten of rechter van die lidstaat die hem de bij artikel 38 van de onderhavige verordening geboden rechten inzake toegang tot en rectificatie, aanvulling of wissing van gegevens die op hem of haar betrekking hebben, hebben ontzegd. Het recht om een dergelijke rechtsvordering in te stellen of een dergelijke klacht in te dienen is ook van toepassing in gevallen waarin verzoeken om toegang, rectificatie, aanvulling of wissing niet binnen de in artikel 38 vermelde termijn zijn beantwoord of nooit in behandeling zijn genomen door de verwerkingsverantwoordelijke.
2.  Gedurende deze procedure blijven de nationale toezichthoudende autoriteiten de in artikel 39, lid 2, bedoelde bijstand verlenen.
2.  Gedurende deze procedure blijft de in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit bijstand verlenen.";
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 31 quinquies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 41
(31 quinquies)  artikel 41 wordt vervangen door:
Artikel 41
"Artikel 41
Toezicht door de nationale toezichthoudende autoriteit
Toezicht door de nationale toezichthoudende autoriteit
1.  De in elke lidstaat aangewezen autoriteit of autoriteiten waaraan de bevoegdheden bedoeld in artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG zijn toebedeeld (de „nationale toezichthoudende autoriteit”), houden onafhankelijk toezicht op de rechtmatigheid van de verwerking van de in artikel 5, lid 1, bedoelde persoonsgegevens door de betrokken lidstaat, met inbegrip van de verzending ervan naar en van het VIS.
1.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat de in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit uit hoofde van deze verordening onafhankelijk toezicht houdt op de rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens door de betrokken lidstaat.
2.  De nationale toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat ten minste om de vier jaar een audit van de gegevensverwerking in het nationale systeem wordt verricht overeenkomstig de desbetreffende internationale auditnormen.
2.   De in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit/autoriteiten zorgt/zorgen ervoor dat ten minste om de drie jaar een audit van de gegevensverwerking van de bevoegde nationale autoriteiten wordt verricht overeenkomstig de desbetreffende internationale auditnormen. De resultaten van de audit kunnen worden meegenomen in de evaluaties in het kader van het mechanisme dat is ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1053/2013 van de Raad. Jaarlijks wordt door de in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit het aantal verzoeken om rectificatie, aanvulling, wissing of beperking van de verwerking van gegevens het daaraan gegeven gevolg en het aantal rectificaties, aanvullingen, wissingen en beperkingen van verwerking dat op verzoek van de betrokkenen is aangebracht, bekendgemaakt.
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun nationale toezichthoudende autoriteit voldoende middelen ter beschikking heeft om haar taken uit hoofde van deze verordening te kunnen vervullen.
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat hun toezichthoudende autoriteit voldoende middelen ter beschikking heeft om haar taken uit hoofde van deze verordening te kunnen vervullen, en toegang heeft tot advies van personen met voldoende kennis van biometrische gegevens.
4.   Elke lidstaat wijst voor de verwerking van persoonsgegevens in het VIS de autoriteit aan die moet worden beschouwd als de voor de verwerking verantwoordelijke in de zin van artikel 2, onder d), van Richtlijn 95/46/EG en die de centrale verantwoordelijkheid voor de gegevensverwerking door deze lidstaat heeft. Elke lidstaat deelt de gegevens van deze autoriteit mee aan de Commissie.
5.   Elke lidstaat verstrekt de door nationale toezichthoudende autoriteiten gevraagde informatie en verstrekt hen in het bijzonder informatie over de in overeenstemming met artikel 28 en artikel 29, lid 1, verrichte activiteiten, verleent hen toegang tot de in artikel 28, lid 4, onder c), bedoelde lijsten en zijn in artikel 34 bedoelde registers en te allen tijde tot al zijn gebouwen en terreinen.
5.  Lidstaten verstrekken de door de in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit gevraagde informatie, en in het bijzonder informatie over de activiteiten die zijn verricht in overeenstemming met haar in deze verordening neergelegde verantwoordelijkheden. Lidstaten bieden de in artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679 bedoelde toezichthoudende autoriteit inzage in hun logbestanden en verlenen haar te allen tijde toegang tot al hun gebouwen en terreinen die verband houden met interoperabiliteit.";
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 31 sexies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 42
(31 sexies)  artikel 42 wordt vervangen door:
Artikel 42
"Artikel 42
Toezicht door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
Toezicht door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
1.  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming controleert dat de verwerking van persoonsgegevens door de beheersautoriteit in overeenstemming met deze verordening geschiedt. De taken en bevoegdheden bedoeld in de artikelen 46 en 47 van Verordening (EG) nr. 45/2001 zijn dienovereenkomstig van toepassing.
1.  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is op grond van deze verordening verantwoordelijk voor het toezicht op de verwerking van persoonsgegevens door eu-LISA, Europol en het Europees Grens- en kustwachtagentschap en zorgt ervoor dat die activiteiten worden verricht in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1725 en met deze verordening.
2.  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming zorgt ervoor dat ten minste om de vier jaar een audit van de activiteiten van de beheersautoriteit op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens wordt verricht overeenkomstig de desbetreffende internationale auditnormen. Het auditrapport wordt toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, de beheersautoriteit, de Commissie en de nationale toezichthoudende autoriteiten. Alvorens het rapport wordt aangenomen, wordt de beheersautoriteit in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen.
2.  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming zorgt ervoor dat ten minste om de drie jaar een audit van de activiteiten van eu-LISA op het gebied van de verwerking van persoonsgegevens wordt verricht overeenkomstig de desbetreffende internationale auditnormen. Een rapport over die audit wordt toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, eu-LISA, de Commissie en de lidstaten. Alvorens de rapporten worden aangenomen, wordt eu-LISA in de gelegenheid gesteld opmerkingen in te dienen.
3.   De beheersautoriteit verstrekt de door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming gevraagde informatie en verleent deze te allen tijde toegang tot alle in artikel 34, lid 1, bedoelde documenten en geregistreerde gegevens en tot al haar gebouwen en terreinen.
3.   eu-LISA verstrekt de door de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming gevraagde informatie en verleent de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming te allen tijde toegang tot alle in de artikelen 22 novodecies, 34 en 45 ter, bedoelde documenten en logbestanden en verleent de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming te allen tijde toegang tot al zijn gebouwen en terreinen.";
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 32
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 43 – leden 1 en 2
(32)  in artikel 43 worden de leden 1 en 2 vervangen door:
Schrappen
1.  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werkt nauw samen met de nationale toezichthoudende autoriteiten in verband met specifieke kwesties waarvoor nationale betrokkenheid vereist is, met name wanneer de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming of een nationale toezichthoudende autoriteit grote verschillen tussen praktijken van de lidstaten constateert of potentieel onrechtmatige gegevensdoorgifte via de communicatiekanalen van de interoperabiliteitscomponenten constateert, dan wel in de context van vragen die door een of meer nationale toezichthoudende autoriteiten worden gesteld ten aanzien van de uitvoering en de uitlegging van deze verordening.
2.  In de in lid 1 bedoelde gevallen wordt gezorgd voor gecoördineerd toezicht in overeenstemming met artikel 62 van Verordening (EU) 2018/XXXX [herziene Verordening (EG) nr. 45/2001].";
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 32 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 43
(32 bis)  artikel 43 wordt vervangen door:
Artikel 43
"Artikel 43
Samenwerking tussen de nationale controleautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
Samenwerking tussen de nationale controleautoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming
1.  De nationale toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen hun eigen bevoegdheden, actief samen en elk in het kader van hun eigen verantwoordelijkheden, en zorgen voor een gecoördineerd toezicht op het VIS en de nationale systemen.
1.   De toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming werken, elk binnen hun eigen bevoegdheden, actief samen en elk in het kader van hun eigen verantwoordelijkheden om gecoördineerd toezicht op de interoperabiliteitscomponenten en de andere bepalingen van deze verordening te waarborgen.
2.  Zij wisselen, elk binnen hun eigen bevoegdheden, relevante informatie uit, staan elkaar bij in de uitvoering van audits en inspecties, behandelen problemen bij de uitlegging of toepassing van deze verordening, buigen zich over problemen bij de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van personen wier gegevens worden verwerkt, stellen geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen op, en bevorderen het bewustzijn over gegevensbeschermingsrechten, voor zover noodzakelijk.
2.   De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de toezichthoudende autoriteiten wisselen relevante informatie uit, staan elkaar bij in uitvoering van audits en inspecties, behandelen problemen bij de uitlegging of toepassing van deze verordening, beoordelen problemen bij de uitoefening van het onafhankelijk toezicht of bij de uitoefening van de rechten van de personen wier gegevens worden verwerkt, stellen geharmoniseerde voorstellen voor gemeenschappelijke oplossingen voor problemen op, en bevorderen het bewustzijn over gegevensbeschermingsrechten, voor zover noodzakelijk.
3.  Daartoe komen de nationale toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming elk jaar ten minste tweemaal bijeen. De kosten en logistieke ondersteuning van deze bijeenkomsten komen ten laste van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming. Tijdens de eerste vergadering wordt een reglement van orde vastgesteld. Indien nodig worden in onderling overleg verdere werkmethoden vastgesteld.
3.   Voor de in lid 2 vervatte doeleinden komen de toezichthoudende autoriteiten en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming elk jaar ten minste tweemaal bijeen in het kader van het Europees Comité voor gegevensbescherming. Die bijeenkomsten worden door het Europees Comité voor gegevensbescherming georganiseerd en betaald. Tijdens de eerste vergadering wordt een reglement van orde vastgesteld. Indien nodig worden in onderling overleg verdere werkmethoden vastgesteld.
4.  Om de twee jaar wordt een gezamenlijk activiteitenverslag toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de beheersautoriteit. Het verslag bevat een hoofdstuk van elke lidstaat, dat door de nationale toezichthoudende autoriteit van de betrokken lidstaat wordt opgesteld.
4.   Om de twee jaar zendt het Europees Comité voor gegevensbescherming een gezamenlijk activiteitenverslag toe aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, Europol, het Europees Grens- en kustwachtagentschap en eu-LISA. Dat verslag bevat voor elke lidstaat een hoofdstuk dat door de toezichthoudende autoriteit van de betrokken lidstaat wordt opgesteld.";
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 32 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 44
(32 ter)  artikel 44 wordt geschrapt;
Artikel 44
Gegevensbescherming tijdens de overgangsperiode
Indien de Commissie tijdens de overgangsperiode op grond van artikel 26, lid 4, haar taken aan een andere instantie of instanties delegeert, zorgt zij ervoor dat de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming het recht en de mogelijkheid heeft zijn taken volledig uit te voeren, met inbegrip van het verrichten van verificaties ter plaatse, en andere bevoegdheden uit te oefenen die hem zijn toebedeeld op grond van artikel 47 van Verordening (EG) nr. 45/2001.
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 32 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 – lid 2 bis (nieuw)
(32 quater)  in artikel 45 wordt het volgende lid ingevoegd:
"2 bis. De maatregelen die vereist zijn voor de ontwikkeling van het centrale systeem van het VIS, de nationale interface in elke lidstaat en de communicatie-infrastructuur tussen het centrale systeem van het VIS en de nationale interfaces worden met betrekking tot de volgende aangelegenheden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 49, lid 2, bedoelde procedure:
(a)   het ontwerp van de fysieke architectuur van het systeem, onder meer van het communicatienetwerk;
(b)   de technische aspecten die van invloed zijn op de bescherming van persoonsgegevens;
(c)   de technische aspecten die aanzienlijke financiële gevolgen hebben voor de begrotingen van de lidstaten of die aanzienlijke technische gevolgen hebben voor de nationale systemen van de lidstaten;
(d)   de uitwerking van de beveiligingseisen, met inbegrip van biometrische aspecten.";
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 bis – lid 1 – alinea 1 – inleidende formule
De naar behoren gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de Commissie, eu-LISA en het bij Verordening (EU) 2016/1624 opgerichte Europees Grens- en kustwachtagentschap hebben, uitsluitend met het oog op het opstellen van verslagen en statistieken, zonder dat daarbij personen kunnen worden geïdentificeerd, toegang om de volgende gegevens te raadplegen:
De naar behoren gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, de Commissie, eu-LISA en het bij Verordening (EU) 2016/1624 opgerichte Europees Grens- en kustwachtagentschap hebben, uitsluitend met het oog op het opstellen van verslagen en statistieken, zonder dat daarbij personen kunnen worden geïdentificeerd als gevolg van de volledige anonimisering van deze gegevens, toegang om de volgende gegevens te raadplegen:
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 bis – lid 1 – alinea 1 – letter c
(c)  geslacht, geboortedatum en huidige nationaliteit van de aanvrager;
(c)  geslacht, geboortejaar en huidige nationaliteit van de aanvrager;
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 bis – lid 1 – alinea 1 – letter h
(h)  de redenen die zijn aangegeven voor een beslissing betreffende het document of de aanvraag, uitsluitend wat visa voor kort verblijf betreft; wat visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen betreft, de beslissing over de aanvraag (of de aanvraag is ingewilligd of afgewezen, en om welke reden);
(h)  de redenen die zijn aangegeven voor een beslissing tot weigering van een visum voor kort verblijf, met inbegrip van de vermelding van eventuele treffers met de geraadpleegde informatiesystemen van de Unie, met gegevens van Europol of Interpol, met de observatielijst bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) nr. 2018/1240 of met de specifieke risico-indicatoren;
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 bis – lid 1 – alinea 1 – letter h bis (nieuw)
(h bis)  de redenen die zijn aangegeven voor een beslissing tot weigering van een document, met inbegrip van de vermelding van eventuele treffers met de geraadpleegde informatiesystemen van de Unie, met gegevens van Europol of Interpol, met de observatielijst bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) nr. 2018/1240 of met de specifieke risico-indicatoren;
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 bis – lid 1 – alinea 1 – letter k
(k)  wat visa voor kort verblijf betreft, het/de hoofddoel(en) van de reis; met betrekking tot visa voor verblijf van langere duur en verblijfsvergunningen, het doel van de aanvraag;
(k)  wat visa voor kort verblijf betreft, het/de hoofddoel(en) van de reis;
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 bis – lid 1 – alinea 1 – letter l
(l)  de gegevens die zijn ingevoerd in verband met een document dat is ingetrokken of nietig verklaard, of waarvan de geldigheidsduur is verstreken, naargelang het geval;
(l)  de gegevens die zijn ingevoerd in verband met een visum dat is ingetrokken of nietig verklaard, of waarvan de geldigheidsduur is verstreken, naargelang het geval;
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 34
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 bis – lid 6
6.  Aan het eind van elk jaar worden statistische gegevens verzameld in kwartaalstatistieken voor het betrokken jaar. De statistieken bevatten een uitsplitsing van de gegevens per lidstaat.
6.  Aan het eind van elk jaar worden statistische gegevens verzameld in een jaarverslag voor het betrokken jaar. De statistieken bevatten een uitsplitsing van de gegevens per lidstaat. Het verslag wordt gepubliceerd en toegezonden aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, het Europees Grens- en kustwachtagentschap, de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming en de nationale toezichthoudende autoriteiten.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 1
1.  Ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 1, onder b), van de overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen sturen luchtvervoerders, zeevervoerders en internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, een zoekopdracht naar het VIS om te verifiëren of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf, een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, in het bezit zijn van een geldig visum voor kort verblijf, visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning, naargelang het geval. Wat visa voor kort verblijf betreft, verstrekken vervoerders hiertoe de in artikel 9, punt 4, onder a) tot en met c), of artikel 22 quater, onder a) tot en met c), van deze verordening vermelde gegevens, naargelang het geval.
1.  Ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 1, onder b), van de overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen sturen luchtvervoerders, zeevervoerders en internationale vervoerders die groepen per bus over land vervoeren, een zoekopdracht naar het VIS om te verifiëren of onderdanen van derde landen die houder zijn van een visum voor kort verblijf, een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, in het bezit zijn van een geldig visum voor kort verblijf, visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning, naargelang het geval. In gevallen waarin reizigers op grond van een zoekopdracht in het VIS wordt geweigerd in te stappen, stellen de vervoerders de betrokkenen hiervan in kennis en voorzien zij hen van de nodige middelen voor de uitoefening van hun rechten op toegang tot en rectificatie en wissing van hun persoonsgegevens die in het VIS zijn opgeslagen.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 3
3.  Beveiligde toegang tot de gateway voor vervoerders, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, onder h), van Beschikking 2004/512/EG, als gewijzigd bij deze verordening, stelt vervoerders in staat om de in lid 1 bedoelde zoekopdracht te verrichten voordat de passagier instapt. Hiertoe zendt de vervoerder het verzoek om raadpleging van het VIS met gebruikmaking van de gegevens die zijn opgeslagen in de machineleesbare zone van het reisdocument.
3.  Beveiligde toegang tot het toegangsportaal voor vervoerders, zoals bedoeld in artikel 2 bis, onder h), met inbegrip van de mogelijkheid om mobiele technische oplossingen te gebruiken, stelt vervoerders in staat om de in lid 1 bedoelde zoekopdracht te verrichten voordat de passagier instapt. De vervoerder verstrekt de gegevens die zijn opgeslagen in de machineleesbare zone van het reisdocument en vermeldt de lidstaat van binnenkomst. In het geval van doorreis via een luchthaven is de vervoerder bij wijze van afwijking niet verplicht om te verifiëren of onderdanen van derde landen in het bezit zijn van een geldig visum voor kort verblijf, een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, naargelang het geval.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 4
4.  In het antwoord van het VIS wordt aangegeven of de betrokkene beschikt over een geldig visum, door de vervoerders het antwoord OK/NIET OK te verstrekken.
4.  In het antwoord van het VIS wordt aangegeven of de betrokkene beschikt over een geldig visum voor kort verblijf, een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, naargelang het geval, door de vervoerders het antwoord OK/NIET OK te verstrekken. Indien er een visum voor kort verblijf met beperkte territoriale geldigheid is afgegeven overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EG) nr. 810/2009, wordt in het antwoord van het VIS rekening gehouden met de lidstaat of lidstaten waarvoor het visum geldt en met de lidstaat van binnenkomst die door de vervoerder is vermeld. Vervoerders mogen de door hen verstuurde informatie en het door hen ontvangen antwoord opslaan in overeenstemming met het toepasselijke recht. Het antwoord OK/NIET OK wordt niet beschouwd als een beslissing om toegang te verlenen of te weigeren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399. De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, nadere regels vast met betrekking tot de voorwaarden voor de werking van het toegangsportaal voor vervoerders en de toepasselijke regels inzake gegevensbescherming en -beveiliging. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 49, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 5
5.  Een uitsluitend voor vervoerders bestemd authenticatiesysteem wordt opgezet om, voor de doeleinden van lid 2, de gemachtigde personeelsleden van vervoerders toegang te bieden tot de gateway voor vervoerders. Het authenticatiesysteem wordt door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 49, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
5.  Een uitsluitend voor vervoerders bestemd authenticatiesysteem wordt opgezet om, voor de doeleinden van lid 2, de gemachtigde personeelsleden van vervoerders toegang te bieden tot het toegangsportaal voor vervoerders. Bij de oprichting van het authenticatiesysteem wordt rekening gehouden met risicobeheer op het gebied van informatiebeveiliging en met de beginselen van gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen. Het authenticatiesysteem wordt door de Commissie vastgesteld door middel van uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 49, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  Het toegangsportaal voor vervoerders maakt gebruik van een afzonderlijke "read only" databank die dagelijks wordt bijgewerkt door extractie in één richting van de minimaal noodzakelijke subreeks van in het VIS opgeslagen gegevens. eu-LISA is verantwoordelijk voor de beveiliging van het toegangsportaal voor vervoerders, voor de beveiliging van de persoonsgegevens die dat toegangsportaal bevat en voor het proces van extractie van de persoonsgegevens en invoer ervan in de afzonderlijke "read only" databank.
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  Aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde vervoerders worden de sancties opgelegd waarin overeenkomstig artikel 26, lid 2, van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen („de Overeenkomst tot uitvoering van het Akkoord van Schengen”) en artikel 4 van Richtlijn 2001/51/EG van de Raad is voorzien wanneer zij onderdanen van derde landen vervoeren die, hoewel onderworpen aan de visumplicht, niet in het bezit zijn van een geldig visum.
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 5 quater (nieuw)
5 quater.  Indien aan onderdanen van derde landen de toegang wordt geweigerd, is de vervoerder die deze onderdanen door de lucht, over zee en over land tot aan de buitengrenzen heeft gebracht, verplicht om onmiddellijk weer de verantwoordelijkheid voor hen op zich te nemen. Op verzoek van de grensautoriteiten worden de vervoerders ertoe verplicht om onderdanen van derde landen terug te brengen naar het derde land van waaruit zij werden vervoerd of naar het derde land dat het reisdocument waarmee zij reisden heeft afgegeven of naar enig ander derde land waar zij zeker zullen worden toegelaten.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 ter – lid 5 quinquies (nieuw)
5 quinquies.  In afwijking van lid 1 geldt voor vervoerders die groepen per bus over land vervoeren dat gedurende de eerste drie jaar na de inwerkingtreding van deze verordening de in lid 1 bedoelde verificatie facultatief is en dat de in lid 5 ter bedoelde bepalingen niet op hen van toepassing zijn.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 quater – lid 1
1.  Als het technisch niet mogelijk is om de in artikel 45 ter, lid 1, bedoelde zoekopdracht te verrichten, wegens een storing van een onderdeel van het VIS of door andere factoren waarop de vervoerders geen invloed hebben, worden de vervoerders vrijgesteld van de verplichting om het bezit van een geldig visum of reisdocument te verifiëren met gebruikmaking van de gateway voor vervoerders. Indien de beheersautoriteit een dergelijke storing ontdekt, stelt zij de vervoerders daarvan in kennis. Zij doet hetzelfde wanneer de storing is hersteld. Indien de vervoerders de storing ontdekken, mogen zij de beheersautoriteit daarvan in kennis stellen.
1.  Als het technisch niet mogelijk is om de in artikel 45 ter, lid 1, bedoelde zoekopdracht te verrichten, wegens een storing van een onderdeel van het VIS, worden de vervoerders vrijgesteld van de verplichting om het bezit van een geldig visum of reisdocument te verifiëren met gebruikmaking van het toegangsportaal voor vervoerders. Indien eu-LISA een dergelijke storing ontdekt, stelt zij de vervoerders daarvan in kennis. Zij doet hetzelfde wanneer de storing is hersteld. Indien de vervoerders de storing ontdekken, mogen zij eu-LISA daarvan in kennis stellen.
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 quater – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De in artikel 45 ter, lid 5 ter, bedoelde sancties worden niet aan vervoerders opgelegd in de in lid 1 van dit artikel bedoelde gevallen.
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 quater – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Indien het om andere redenen dan een storing van een onderdeel van het VIS technisch onmogelijk is voor een vervoerder om de in artikel 45 ter, lid 1, bedoelde zoekopdracht uit te voeren, stelt die vervoerder eu-LISA daarvan op de hoogte.
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 quinquies – lid 1
1.  Om de in artikel 40, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad* bedoelde taken en bevoegdheden te kunnen uitoefenen en naast de toegang bedoeld in artikel 40, lid 8, van die verordening, hebben de leden van de Europese grens- en kustwachtteams en van de teams van personeelsleden die betrokken zijn bij terugkeergerelateerde activiteiten, binnen de grenzen van hun mandaat recht op toegang tot en het doorzoeken van de VIS-gegevens.
1.  Om de in artikel 40, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad* bedoelde taken en bevoegdheden te kunnen uitoefenen, hebben de leden van de Europese grens- en kustwachtteams binnen de grenzen van hun mandaat recht op toegang tot en het doorzoeken van de VIS-gegevens.
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 sexies – lid 1
1.  Met het oog op de in artikel 45 quinquies, lid 1, bedoelde toegang kan een Europese grens- en kustwachtteam een verzoek tot raadpleging van alle gegevens of een specifieke reeks in het VIS opgeslagen gegevens richten tot een in artikel 45 quinquies, lid 2, bedoeld centraal toegangspunt van de Europese grens- en kustwacht. In het verzoek wordt verwezen naar het operationeel plan inzake grenscontroles, grensbewaking en/of terugkeer van de betrokken lidstaat waarop het verzoek is gebaseerd. Bij ontvangst van een verzoek om toegang verifieert het centrale toegangspunt van de Europese grens- en kustwacht of de in lid 2 bedoelde voorwaarden voor toegang zijn vervuld. Indien alle voorwaarden voor toegang zijn vervuld, verwerkt het naar behoren bevoegde personeel van het centrale toegangspunt het verzoek. De VIS-gegevens waartoe toegang is verkregen, worden op zodanige wijze naar het team gezonden dat de beveiliging van de gegevens niet in gevaar wordt gebracht.
1.  Met het oog op de in artikel 45 quinquies, lid 1, bedoelde toegang kan een Europese grens- en kustwachtteam een verzoek tot raadpleging van alle gegevens of een specifieke reeks in het VIS opgeslagen gegevens richten tot een in artikel 45 quinquies, lid 2, bedoeld centraal toegangspunt van de Europese grens- en kustwacht. In het verzoek wordt verwezen naar het operationeel plan inzake grenscontroles en grensbewaking van de betrokken lidstaat waarop het verzoek is gebaseerd. Bij ontvangst van een verzoek om toegang verifieert het centrale toegangspunt van de Europese grens- en kustwacht of de in lid 2 bedoelde voorwaarden voor toegang zijn vervuld. Indien alle voorwaarden voor toegang zijn vervuld, verwerkt het naar behoren bevoegde personeel van het centrale toegangspunt het verzoek. De VIS-gegevens waartoe toegang is verkregen, worden op zodanige wijze naar het team gezonden dat de beveiliging van de gegevens niet in gevaar wordt gebracht.
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 sexies – lid 2 – letter a
a)  de ontvangende lidstaat staat de leden van het team toe het VIS te raadplegen om de operationele doelstellingen te bereiken die zijn vastgesteld in het operationele plan inzake grenscontroles, grensbewaking en terugkeer, en
a)  de ontvangende lidstaat staat de leden van het team toe het VIS te raadplegen om de operationele doelstellingen te bereiken die zijn vastgesteld in het operationele plan inzake grenscontroles en grensbewaking, en
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 sexies – lid 3
3.  Overeenkomstig artikel 40, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1624 mogen teamleden en leden van teams van personeelsleden die betrokken zijn bij terugkeergerelateerde taken, in reactie op uit het VIS verkregen informatie alleen handelen op instructie van en, als algemene regel, in aanwezigheid van grenswachters of personeel dat betrokken is bij met terugkeer verband houdende taken van de ontvangende lidstaat waar zij actief zijn. De ontvangende lidstaat mag de teamleden toestaan namens hem op te treden.
3.  Overeenkomstig artikel 40, lid 3, van Verordening (EU) 2016/1624 mogen teamleden in reactie op uit het VIS verkregen informatie alleen handelen op instructie van en, als algemene regel, in aanwezigheid van grenswachters van de ontvangende lidstaat waar zij actief zijn. De ontvangende lidstaat mag de teamleden toestaan namens hem op te treden.
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 sexies – lid 7
7.  Elk logbestand van gegevensverwerkende handelingen in het VIS door een lid van de Europese grens- en kustwachtteams of van teams van personeelsleden die betrokken zijn bij terugkeergerelateerde taken, wordt door de beheersautoriteit bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van artikel 34.
7.  Elk logbestand van gegevensverwerkende handelingen in het VIS door een lid van de Europese grens- en kustwachtteams wordt door de beheersautoriteit bijgehouden overeenkomstig de bepalingen van artikel 34.
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 sexies – lid 8
8.  Elke toegang en zoekopdracht door het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt overeenkomstig artikel 34 in een logbestand vastgelegd en elk gebruik dat dit agentschap maakt van de gegevens waartoe het toegang heeft, wordt geregistreerd.
8.  Elke toegang en zoekopdracht door het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt overeenkomstig artikel 34 in een logbestand vastgelegd en elk gebruik dat dit agentschap maakt van de gegevens waartoe zijn teams toegang hebben, wordt geregistreerd.
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 45 sexies – lid 9
9.  Het is niet toegestaan om delen van het VIS te verbinden met een computersysteem voor gegevensverzameling en -verwerking dat door of bij het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt gebruikt, noch om in het VIS opgeslagen gegevens waartoe het Europees Grens- en kustwachtagentschap toegang heeft, over te dragen naar een dergelijk systeem, tenzij zulks noodzakelijk is voor het uitvoeren van de taken op grond van de verordening tot instelling van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS). Er mag geen deel van het VIS worden gedownload. Het registreren van de toegang en de zoekopdrachten in logbestanden wordt niet beschouwd als downloaden of kopiëren van VIS-gegevens.
9.  Het is niet toegestaan om delen van het SIS te verbinden met een computersysteem voor gegevensverzameling en -verwerking dat door of bij het Europees Grens- en kustwachtagentschap wordt gebruikt, noch om in het SIS opgeslagen gegevens waartoe het Europees Grens- en kustwachtagentschap toegang heeft, over te dragen naar een dergelijk systeem. Er mag geen deel van het VIS worden gedownload. Het registreren van de toegang en de zoekopdrachten in logbestanden wordt niet beschouwd als downloaden of kopiëren van VIS-gegevens.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 46
(35 bis)  artikel 46 wordt geschrapt;
Artikel 46
Integratie van de technische functionaliteiten van het Schengenraadplegingsnetwerk
Het in artikel 16 bedoelde raadplegingsmechanisme vervangt het Schengenraadplegingsnetwerk vanaf de datum die is vastgesteld overeenkomstig de procedure van artikel 49, lid 3, wanneer alle lidstaten die het Schengenraadplegingsnetwerk gebruiken bij de inwerkingtreding van deze verordening, mededeling hebben gedaan van de wettelijke en technische regelingen voor het gebruik van het VIS met als doel raadpleging van centrale visumautoriteiten over visumaanvragen overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 47
(35 ter)  artikel 47 wordt geschrapt;
Artikel 47
Begin van de gegevensoverdracht
Elke lidstaat stelt de Commissie ervan in kennis dat hij de nodige technische en wettelijke regelingen heeft getroffen om via de nationale interface de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens aan het centrale VIS toe te zenden.
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 48
(35 quater)  artikel 48 wordt geschrapt;
Artikel 48
Begin van de gegevensoverdracht
1.  De Commissie stelt de datum vast waarop het VIS de werkzaamheden dient te beginnen, wanneer:
(a)  de in artikel 45, lid 2, bedoelde maatregelen zijn goedgekeurd;
(b)  de Commissie heeft verklaard dat een allesomvattende test van het VIS, die zij samen met lidstaten heeft uitgevoerd, met succes is afgesloten;
(c)  na validering van de technische regelingen de lidstaten de Commissie ervan in kennis hebben gesteld dat zij de nodige technische en wettelijke regelingen hebben getroffen om de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens te verzamelen en aan het VIS toe te zenden voor alle toepassingen in de eerste, overeenkomstig lid 4 vastgestelde regio, met inbegrip van regelingen voor het verzamelen en/of verzenden van gegevens namens een andere lidstaat.
2.  De Commissie stelt het Europees Parlement in kennis van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder b), uitgevoerde test.
3.  Voor elke andere regio bepaalt de Commissie de datum waarop de overdracht van de in artikel 5, lid 1, genoemde gegevens verplicht wordt, wanneer de lidstaten de Commissie ervan in kennis hebben gesteld dat zij de nodige technische en wettelijke regelingen hebben getroffen om de in artikel 5, lid 1, bedoelde gegevens te verzamelen en aan het VIS toe te zenden voor alle aanvragen in de betrokken regio, met inbegrip van regelingen voor het verzamelen en/of verzenden van gegevens namens een andere lidstaat. Vóór die datum kan elke lidstaat activiteiten in elk van deze regio’s beginnen zodra hij de Commissie ervan in kennis heeft gesteld dat hij de nodige technische en wettelijke regelingen heeft getroffen om ten minste de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), bedoelde gegevens te verzamelen en aan het VIS toe te zenden.
4.  De in de leden 1 en 3 bedoelde regio’s worden volgens de in artikel 49, lid 3, bedoelde procedure vastgesteld; de criteria voor de vaststelling van deze regio’s zijn het risico van illegale immigratie, bedreigingen voor de binnenlandse veiligheid van de lidstaten en de haalbaarheid van het verzamelen van biometrische gegevens op alle locaties in deze regio’s.
5.  De Commissie maakt de datum waarop de werkzaamheden in elke regio beginnen, bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.
6.  Het is een lidstaat niet toegestaan de door andere lidstaten aan het VIS toegezonden gegevens te raadplegen voordat hij zelf of een lidstaat die hem vertegenwoordigt, gegevens begint in te voeren overeenkomstig de leden 1 en 3.
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 35 quinquies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 48 bis (nieuw)
(35 quinquies)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 48 bis
Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie
1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.   De in artikel 9 quater ter en artikel 23 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 9 quater ter en 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, geeft zij daarvan gelijktijdig kennis aan het Europees Parlement en de Raad.
6.   Een overeenkomstig artikel 9 quater ter en artikel 23 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.";
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – titel
Monitoring en evaluatie
Monitoring en evaluatie van de gevolgen voor de grondrechten
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 1
1.  De beheersautoriteit zorgt ervoor dat er procedures zijn om de resultaten, de kosteneffectiviteit, de beveiliging en de kwaliteit van de dienstverlening van het VIS te toetsen aan de doelstellingen.
1.  eu-LISA zorgt ervoor dat er procedures zijn om de resultaten, de kosteneffectiviteit, de beveiliging en de kwaliteit van de dienstverlening van het VIS te toetsen aan de doelstellingen en om de eerbiediging van de grondrechten, waaronder het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op non-discriminatie, de rechten van het kind en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte te waarborgen.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 2
2.  Met het oog op het technische onderhoud heeft de beheersautoriteit toegang tot de vereiste informatie over de in het VIS verrichte verwerkingshandelingen.
2.  Met het oog op het technisch onderhoud heeft eu-LISA toegang tot de vereiste informatie over de in het VIS verrichte verwerkingshandelingen.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 3
3.  Om de twee jaar legt eu-LISA aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een verslag voor over de technische werking en de beveiliging van het VIS.
3.  Om de twee jaar legt eu-LISA aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een verslag voor over de technische werking en de beveiliging en de kosten van het VIS. Dat verslag bevat een overzicht van de actuele voortgang van het project en de daarmee gepaard gaande kosten, een evaluatie van de financiële gevolgen, alsook informatie over eventuele technische problemen en risico's die gevolgen kunnen hebben voor de totale kosten van het systeem.
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Indien het ontwikkelingsproces vertraging oploopt, brengt eu-LISA het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk op de hoogte van de redenen van de vertraging, de gevolgen voor het tijdschema en de financiële consequenties.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 4 – alinea 1 – letter a
(a)  het exacte doel van de raadpleging, met inbegrip van het soort terroristisch misdrijf of ander ernstig strafbaar feit;
(a)  het exacte doel van de raadpleging, met inbegrip van het soort terroristisch misdrijf of ander ernstig strafbaar feit en toegang tot gegevens over kinderen onder 12 jaar;
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 4 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  het aantal en het soort gevallen waarin de spoedprocedures bedoeld in artikel 22 quaterdecies, lid 2, zijn gebruikt, met inbegrip van de gevallen waarin dat dringende karakter door het centrale toegangspunt niet werd aanvaard bij de verificatie achteraf;
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 4 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
(d bis)  statistieken met betrekking tot kinderhandel, waaronder gevallen van succesvolle identificaties.
Amendement 184
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 4 – alinea 2
De jaarlijkse verslagen van de lidstaten en van Europol worden uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende jaar aan de Commissie toegezonden.
De jaarlijkse verslagen van de lidstaten en van Europol worden uiterlijk op 30 juni van het daaropvolgende jaar aan de Commissie toegezonden. De Commissie voegt de jaarverslagen samen in een uitvoerig verslag dat uiterlijk op 30 december van hetzelfde jaar wordt gepubliceerd.
Amendement 185
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 38
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 50 – lid 5
5.  Om de vier jaar stelt de Commissie een algemene evaluatie van het VIS op. In deze algemene evaluatie worden de bereikte resultaten afgezet tegen de doelstellingen, en wordt nagegaan of de uitgangspunten nog gelden, hoe deze verordening is toegepast met betrekking tot het VIS, hoe de beveiliging van het VIS is, hoe gebruik wordt gemaakt van de in artikel 31 bedoelde bepalingen en welke gevolgen een en ander voor toekomstige werkzaamheden heeft. De Commissie legt deze evaluatie voor aan het Europees Parlement en de Raad.
5.  Om de twee jaar stelt de Commissie een algemene evaluatie van het VIS op. In deze algemene evaluatie worden de bereikte resultaten afgezet tegen de doelstellingen en de gemaakte kosten, en wordt nagegaan of de uitgangspunten nog gelden, wat de gevolgen zijn voor de grondrechten, hoe deze verordening is toegepast met betrekking tot het VIS, hoe de beveiliging van het VIS is, hoe gebruik wordt gemaakt van de in artikel 31 bedoelde bepalingen en welke gevolgen een en ander voor toekomstige werkzaamheden heeft. De Commissie legt deze evaluatie voor aan het Europees Parlement en de Raad.
Amendement 186
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 39
Verordening (EG) nr. 767/2008
Bijlage 1 – titel
(39)  de titel van bijlage 1 wordt vervangen door:
Schrappen
"Lijst van internationale organisaties bedoeld in artikel 31, lid 1"
Amendement 187
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
HOOFDSTUK III bis – artikel 22 bis – alinea 1 bis (nieuw)
1 bis.  De beslissingsbevoegde autoriteit kan een persoonlijk dossier aanmaken alvorens een beslissing te nemen.
Amendement 188
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
HOOFDSTUK III bis – artikel 22 bis – alinea 3
3.  Indien de houder zijn aanvraag heeft ingediend als lid van een groep of samen met een familielid, maakt de autoriteit een persoonlijk dossier aan voor elke persoon die deel uitmaakt van de groep, en koppelt zij de dossiers van de personen die samen een aanvraag hebben ingediend en aan wie een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning is afgegeven.
3.  Indien de houder zijn aanvraag heeft ingediend als lid van een groep of samen met een familielid, maakt de autoriteit een persoonlijk dossier aan voor elke persoon die deel uitmaakt van de groep, en koppelt zij de dossiers van de personen die samen een aanvraag hebben ingediend en aan wie een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning is afgegeven. De aanvragen van ouders of wettelijke voogden en de aanvragen van kinderen worden niet gescheiden.
Amendement 189
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 1
1.  Uitsluitend met het doel na te gaan of de persoon een bedreiging vormt voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de volksgezondheid van de lidstaten overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder e), van Verordening (EU) 2016/399, worden de dossiers automatisch door het VIS verwerkt om treffers vast te stellen. In het VIS wordt elk dossier afzonderlijk onderzocht.
1.  Uitsluitend met het doel na te gaan of de persoon een bedreiging vormt voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van de lidstaten overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder e), van Verordening (EU) 2016/399, worden de dossiers automatisch door het VIS verwerkt om treffers vast te stellen. In het VIS wordt elk dossier afzonderlijk onderzocht.
Amendement 190
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 2
2.  Telkens wanneer een persoonlijk dossier wordt aangemaakt na de afgifte of weigering van een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning overeenkomstig artikel 22 quinquies, start het VIS een zoekopdracht door gebruik te maken van het in artikel 6, lid 1, [van de interoperabiliteitsverordening] gedefinieerde Europese zoekportaal, om de in artikel 22 quater, lid 2, onder a), b), c), f) en g) van deze verordening bedoelde relevante gegevens te vergelijken met de relevante gegevens in het VIS, het Schengeninformatiesysteem (SIS), het inreis-uitreissysteem (EES), het Europees Systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS), met inbegrip van de watchlist bedoeld in artikel 29 van Verordening (EU) 2018/XX met het oog op het instellen van een Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie, [het ECRIS-TCN-systeem voor zover het gaat om veroordelingen voor terroristische misdrijven en andere vormen van ernstige criminaliteit], de gegevens van Europol, de Interpol-databank voor gestolen en verloren reisdocumenten (SLTD) en de Interpol-databank voor reisdocumenten met signaleringen (Interpol TDAWN).
2.  Telkens wanneer een persoonlijk dossier wordt aangemaakt in verband met een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning overeenkomstig artikel 22 quater, start het VIS een zoekopdracht door gebruik te maken van het in artikel 6, lid 1, [van de interoperabiliteitsverordening] gedefinieerde Europese zoekportaal, om de in artikel 22 quater, lid 2, onder a), b), c), f) en g) van deze verordening bedoelde gegevens te vergelijken. Het VIS gaat na:
(a)   of het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in het SIS staat geregistreerd als verloren, gestolen, verduisterd of ongeldig verklaard;
(b)   of het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat in de SLTD-databank staat geregistreerd als verloren, gestolen of ongeldig verklaard;
(c)   of de aanvrager in het SIS is gesignaleerd met het oog op weigering van toegang en verblijf;
(d)   of de aanvrager in SIS is gesignaleerd omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering;
(e)   of de aanvrager en het reisdocument gerelateerd zijn aan een geweigerde, ingetrokken of nietig verklaarde reisautorisatie in het centrale Etias-systeem;
(f)   of de aanvrager en het reisdocument zijn opgenomen op de observatielijst als bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) 2018/1240;
(g)   of in het VIS al gegevens van de aanvrager met betrekking tot dezelfde persoon zijn opgeslagen;
(h)   of de in de aanvraag verstrekte gegevens over het reisdocument gerelateerd zijn aan een andere aanvraag voor een visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning, die samenhangt met andere identiteitsgegevens;
(i)   of de aanvrager momenteel in het EES geregistreerd staat als een persoon die op dit moment zijn toegestane verblijfsduur heeft overschreden dan wel of de aanvrager in het verleden als zodanig geregistreerd is geweest;
(j)   of de aanvrager in het EES geregistreerd staat als een persoon wiens toegang is geweigerd;
(k)   of er ten aanzien van de aanvrager in het VIS een beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking van een visum voor kort verblijf is geregistreerd;
(l)   of er ten aanzien van de aanvrager in het VIS een beslissing tot weigering, nietigverklaring of intrekking van een visum voor verblijf van langere duur of verblijfsvergunning is geregistreerd;
(m)   of er in Europol gegevens zijn opgeslagen die specifiek betrekking hebben op de identiteit van de aanvrager;
(n)   ingeval de aanvrager minderjarig is, of de persoon die het ouderlijk gezag of de wettelijke voogdij uitoefent:
(i)   in SIS is gesignaleerd omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering op basis van een Europees aanhoudingsbevel of omdat hij wordt gezocht met het oog op aanhouding ten behoeve van uitlevering;
(ii)   in SIS is gesignaleerd met het oog op weigering van toegang en verblijf;
(iii)   houder is van een reisdocument dat is opgenomen op de observatielijst als bedoeld in artikel 34 van Verordening (EU) 2018/1240.
Dit lid mag geen belemmering vormen voor het indienen van een asielaanvraag, ongeacht de reden ervoor. Indien een visumaanvraag wordt ingediend door een slachtoffer van een geweldsdelict zoals huiselijk geweld of mensenhandel, begaan door zijn/haar geldschieter, moet het in VIS ingevoerde dossier worden losgekoppeld van dat van de geldschieter om het slachtoffer tegen nieuwe risico's te beschermen.
Om het risico op verkeerde treffers te voorkomen, wordt elke zoekopdracht die betrekking heeft op kinderen onder de 14 jaar of personen ouder dan 75 jaar en die tot stand is gebracht met behulp van biometrische kenmerken die meer dan vijf jaar vóór de totstandbrenging van de match zijn afgenomen en waarmee de identiteit van de onderdaan van het derde land niet wordt bevestigd, onderworpen aan een verplichte handmatige controle door deskundigen op het vlak van biometrische gegevens.
Amendement 191
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 3
3.  Het VIS voegt aan het persoonlijk dossier een verwijzing toe naar elke treffer die wordt verkregen overeenkomstig de leden 2 en 5. In voorkomend geval geeft het VIS aan welke lidstaat of lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die tot de treffer(s) hebben geleid, dan wel of Europol dat heeft gedaan, en registreert het deze informatie in het persoonlijk dossier.
3.  Het VIS voegt aan het persoonlijk dossier een verwijzing toe naar elke treffer die wordt verkregen overeenkomstig de leden 2 en 5. In voorkomend geval geeft het VIS aan welke lidstaat of lidstaten de gegevens hebben ingevoerd of aangeleverd die tot de treffer(s) hebben geleid, dan wel of Europol dat heeft gedaan, en registreert het deze informatie in het persoonlijk dossier. Er wordt geen andere informatie geregistreerd dan de verwijzing naar een treffer en de opsteller van de gegevens.
Amendement 192
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Wanneer zoekopdrachten worden verricht in de SLTD, worden de door de gebruiker van het ESP gebruikte gegevens om een zoekopdracht te starten, niet gedeeld met de eigenaars van de Interpol-gegevens.
Amendement 193
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 4 – alinea 1 – inleidende formule
4.  Voor de doeleinden van artikel 2, lid 2, onder f), betreffende een afgegeven of verlengd visum voor verblijf van langere duur, worden bij de krachtens lid 2 uitgevoerde zoekopdrachten de in artikel 22 quater, lid 2, bedoelde relevante gegevens vergeleken met de gegevens in het SIS, teneinde vast te stellen of ten aanzien van de houder een van de volgende signaleringen is uitgevaardigd:
4.  (Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 194
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 4 – alinea 1 – letter d
(d)  een signalering van personen en voorwerpen met het oog op onopvallende controles of gerichte controles.
(d)  een signalering van personen en voorwerpen met het oog op onopvallende controles, gerichte controles of ondervragingscontroles.
Amendement 195
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 4 – alinea 2
Indien de in dit lid bedoelde vergelijking een of meer treffers oplevert, zendt het VIS een automatische kennisgeving naar de centrale autoriteit van de lidstaat die het verzoek heeft ingediend en die passende follow-upmaatregelen dient te nemen.
Artikel 9 bis, leden 5 bis, 5 ter, 5 quater, 5 quinquies, en de artikelen 9 quater, 9 quater bis en 9 quater ter zijn mutatis mutandis van toepassing volgens de volgende specifieke bepalingen.
Amendement 196
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 6
6.  Indien het visum voor verblijf van langere duur of een verblijfsvergunning is afgegeven of verlengd door een consulaire instantie van een lidstaat, is artikel 9 bis van toepassing.
Schrappen
Amendement 197
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 ter – lid 7
7.  Wanneer de verblijfsvergunning is afgegeven of verlengd of een visum voor verblijf van langere duur is verlengd door een autoriteit op het grondgebied van een lidstaat, is het volgende van toepassing:
Schrappen
(a)  de autoriteit gaat na of de in het persoonlijke dossier geregistreerde gegevens overeenkomen met de gegevens in het VIS of in een van de geraadpleegde EU-informatiesystemen/databanken, de gegevens van Europol, of de gegevens in de Interpol-databanken overeenkomstig lid 2;
(b)  indien de treffer overeenkomstig lid 2 verband houdt met gegevens van Europol, wordt de nationale Europol-eenheid in kennis gesteld voor follow-up;
(c)  indien de gegevens niet overeenkomen en er geen andere treffer is geregistreerd gedurende de automatische verwerking overeenkomstig de leden 2 en 3, wist de autoriteit de valse treffer uit het aanvraagdossier;
(d)  indien de gegevens overeenkomen met of er twijfel blijft bestaan over de identiteit van de aanvrager, onderneemt de autoriteit stappen ten aanzien van de gegevens die tot de treffer hebben geleid overeenkomstig lid 4, volgens de procedures, voorwaarden en criteria waarin de EU-wetgeving en de nationale wetgeving voorzien.
Amendement 198
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quater – alinea 1 – punt 2 – letter a
a)  achternaam (familienaam); voornaam/-namen; geboortedatum; huidige nationaliteit of nationaliteiten; geslacht; datum, plaats en land van geboorte;
a)  achternaam (familienaam); voornaam/-namen; geboortejaar; huidige nationaliteit of nationaliteiten; geslacht; plaats en land van geboorte;
Amendement 199
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quater – alinea 1 – punt 2 – letter f
f)  een gezichtsopname van de houder, indien mogelijk ter plaatse gemaakt;
f)  een ter plaatse gemaakte gezichtsopname van de houder;
Amendement 200
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quinquies – lid 1 – inleidende formule
Indien een beslissing is genomen tot weigering van een visum voor verblijf van langere duur of van een verblijfsvergunning, omdat de aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de volksgezondheid, of omdat de aanvrager documenten heeft overgelegd die op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of op ongeoorloofde manier zijn gewijzigd, maakt de autoriteit die het visum of de verblijfsvergunning heeft geweigerd, onverwijld een persoonlijk dossier aan met de volgende gegevens:
Indien een beslissing is genomen tot weigering van een visum voor verblijf van langere duur of van een verblijfsvergunning, omdat de aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, of omdat de aanvrager documenten heeft overgelegd die op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of op ongeoorloofde manier zijn gewijzigd, maakt de autoriteit die het visum of de verblijfsvergunning heeft geweigerd, onverwijld een persoonlijk dossier aan met de volgende gegevens:
Amendement 201
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quinquies – lid 1 – letter e
e.  de achternaam, voornaam en het adres van de natuurlijke persoon waarop het verzoek is gebaseerd;
e.  (Niet van toepassing op de Nederlandse versie.)
Amendement 202
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quinquies – lid 1 – letter f
f.  een gezichtsopname van de aanvrager, indien mogelijk ter plaatse gemaakt;
f.  een ter plaatse gemaakte gezichtsopname van de aanvrager;
Amendement 203
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quinquies – lid 1 – letter h
h.  informatie waaruit blijkt dat het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning werd geweigerd omdat de aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de volksgezondheid, of omdat de aanvrager documenten heeft overgelegd die op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of op ongeoorloofde manier zijn gewijzigd;
h.  informatie waaruit blijkt dat het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning werd geweigerd omdat de aanvrager wordt beschouwd als een bedreiging voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid, of omdat de aanvrager documenten heeft overgelegd die op frauduleuze wijze zijn verkregen, zijn vervalst of op ongeoorloofde manier zijn gewijzigd;
Amendement 204
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 octies – lid 1
1.  Uitsluitend met het oog op de verificatie van de identiteit van de houder van een document en/of de echtheid en de geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, en om na te gaan of de betrokkene geen bedreiging vormt voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de volksgezondheid van een lidstaat overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder e), van Verordening (EU) 2016/399, hebben de autoriteiten die bevoegd zijn voor het verrichten van controles bij de doorlaatposten aan de buitengrens overeenkomstig die verordening, toegang om te zoeken aan de hand van het documentnummer in combinatie met een of meer van de in artikel 22 quater, lid 2, onder a), b) en c), van deze verordening genoemde gegevens.
1.  Uitsluitend met het oog op de verificatie van de identiteit van de houder van een document en/of de echtheid en de geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, en om na te gaan of de betrokkene geen bedreiging vormt voor de openbare orde of de binnenlandse veiligheid van een lidstaat overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder e), van Verordening (EU) 2016/399, hebben de autoriteiten die bevoegd zijn voor het verrichten van controles bij de doorlaatposten aan de buitengrens overeenkomstig die verordening, toegang om te zoeken aan de hand van het documentnummer in combinatie met een of meer van de in artikel 22 quater, punt 2, onder a), b) en c), van deze verordening genoemde gegevens.
Amendement 205
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 octies – lid 2 – letter e
(e)  foto’s als bedoeld in artikel 22 quater, lid 2, onder f).
(e)  gezichtsopnamen als bedoeld in artikel 22 quater, lid 2, onder f).
Amendement 206
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 nonies – lid 1
1.  Uitsluitend met het oog op de verificatie van de identiteit van de houder en van de echtheid en de geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, of om na te gaan of de betrokkene geen bedreiging vormt voor de openbare orde, de binnenlandse veiligheid of de volksgezondheid van de lidstaten, hebben de autoriteiten die bevoegd zijn om controles op het grondgebied van de lidstaten te verrichten om na te gaan of de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten zijn vervuld, en, in voorkomend geval, de politiediensten, toegang om te zoeken aan de hand van het nummer van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning in combinatie met een of meer van de in artikel 22 quater, lid 2, onder a), b) en c), van deze verordening genoemde gegevens.
1.  Uitsluitend met het oog op de verificatie van de identiteit van de houder en van de echtheid en de geldigheid van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning, hebben de autoriteiten die bevoegd zijn om controles op het grondgebied van de lidstaten te verrichten om na te gaan of de voorwaarden voor binnenkomst, verblijf of vestiging op het grondgebied van de lidstaten zijn vervuld, toegang om te zoeken aan de hand van het nummer van het visum voor verblijf van langere duur of de verblijfsvergunning in combinatie met een of meer van de in artikel 22 quater, lid 2, onder a), b) en c), van deze verordening genoemde gegevens.
Amendement 207
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 nonies – lid 2 – letter e
(e)  foto’s als bedoeld in artikel 22 quater, lid 2, onder f).
(e)  gezichtsopnamen als bedoeld in artikel 22 quater, lid 2, onder f).
Amendement 208
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 duodecies – lid 1
1.  De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn de in het VIS opgeslagen gegevens te raadplegen om terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken.
1.  De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn de in het VIS opgeslagen gegevens te raadplegen om terroristische misdrijven en andere ernstige strafbare feiten te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken, onder passende en strikt bepaalde omstandigheden als bedoeld in artikel 22 quindecies. Die autoriteiten mogen gegevens van kinderen jonger dan 12 jaar alleen raadplegen om vermiste kinderen en kinderen die het slachtoffer zijn van ernstige misdrijven te beschermen.
Amendement 209
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 duodecies – lid 2
2.  Elke lidstaat stelt een lijst van de aangewezen autoriteiten op. Elke lidstaat geeft eu-LISA en de Commissie kennis van zijn aangewezen autoriteiten, en kan deze kennisgeving te allen tijde wijzigen of vervangen.
2.  Elke lidstaat stelt een strikt beperkte lijst van de aangewezen autoriteiten op. Elke lidstaat geeft eu-LISA en de Commissie kennis van zijn aangewezen autoriteiten, en kan deze kennisgeving te allen tijde wijzigen of vervangen.
Amendement 210
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 terdecies – lid 2 – alinea 2
Het centrale toegangspunt treedt bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van deze verordening onafhankelijk op en ontvangt van de in lid 1 bedoelde aangewezen autoriteit van Europol geen instructies met betrekking tot de resultaten van de verificatie.
Het centrale toegangspunt treedt bij de uitvoering van zijn taken uit hoofde van deze verordening volledig onafhankelijk op en ontvangt van de in lid 1 bedoelde aangewezen autoriteit van Europol geen instructies met betrekking tot de resultaten van de verificatie.
Amendement 211
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quaterdecies – lid 3
3.  Wanneer uit een verificatie achteraf blijkt dat de toegang tot VIS-gegevens niet gerechtvaardigd was, wissen alle autoriteiten die tot die gegevens toegang hebben gehad, de uit het VIS verkregen informatie en stellen zij de centrale toegangspunten in kennis van die wissing.
3.  Wanneer uit een verificatie achteraf blijkt dat de toegang tot VIS-gegevens niet gerechtvaardigd was, wissen alle autoriteiten die tot die gegevens toegang hebben gehad, onmiddellijk de uit het VIS verkregen informatie en stellen zij de centrale toegangspunten in kennis van die wissing.
Amendement 212
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 1 – inleidende formule
1.  Aangewezen autoriteiten mogen toegang krijgen tot het VIS om het te raadplegen als elk van de volgende voorwaarden is vervuld:
1.  Onverminderd artikel 22 van Verordening 2018/XX [inzake interoperabiliteit] mogen aangewezen autoriteiten toegang krijgen tot het VIS om het te raadplegen als elk van de volgende voorwaarden is vervuld:
Amendement 213
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 1 – letter c bis (nieuw)
(c bis)  in het geval van zoekopdrachten op basis van vingerafdrukken is er eerder gezocht in het geautomatiseerde vingerafdrukidentificatiesysteem van de andere lidstaten op grond van Besluit 2008/615/JBZ, voor zover vergelijkingen van vingerafdrukken technisch beschikbaar zijn, en is die zoekopdracht ofwel volledig uitgevoerd, ofwel niet volledig uitgevoerd binnen 24 uur na de start ervan.
Amendement 214
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 1 – letter d
(d)  na een zoekopdracht gegeven aan het CIR overeenkomstig artikel 22 van Verordening 2018/XX [inzake interoperabiliteit] wijst het ontvangen antwoord als bedoeld in [artikel 22, lid 5, van die verordening] uit dat gegevens zijn opgeslagen in het VIS.
(d)  na een zoekopdracht gegeven aan het CIR overeenkomstig artikel 22 van Verordening 2018/XX [inzake interoperabiliteit] wijst het ontvangen antwoord als bedoeld in [artikel 22, lid 5, van Verordening 2018/XX [inzake interoperabiliteit]] uit dat gegevens zijn opgeslagen in het VIS.
Amendement 215
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 3 – inleidende formule
3.  Raadpleging van het VIS is beperkt tot het zoeken aan de hand van de volgende gegevens uit het persoonlijk dossier:
3.  Raadpleging van het VIS is beperkt tot het zoeken aan de hand van de volgende gegevens uit het aanvraagdossier of het persoonlijk dossier:
Amendement 216
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 3 – letter a
(a)  achternaam/-namen (familienamen), voornaam/-namen; geboortedatum, nationaliteit/nationaliteiten en/of geslacht;
(a)  achternaam/-namen (familienamen), voornaam/-namen; geboortejaar, nationaliteit/nationaliteiten en/of geslacht;
Amendement 217
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de haalbaarheid, beschikbaarheid, gereedheid en betrouwbaarheid van de vereiste technologie voor de identificatie van een persoon op basis van gezichtsopnamen.
Amendement 218
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 3 ter (nieuw)
3 ter.  De gezichtsopname als bedoeld in lid 3, onder e), mag niet het enige zoekcriterium zijn.
Amendement 219
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 quindecies – lid 4
4.  Raadpleging van het VIS geeft, in het geval van een treffer, toegang tot de in dit lid vermelde gegevens, alsook tot alle andere gegevens uit het persoonlijk dossier, met inbegrip van gegevens die zijn ingevoerd in verband met afgegeven, geweigerde, nietig verklaarde of ingetrokken documenten, of documenten waarvan de geldigheidsduur is verlengd. Toegang tot de in artikel 9, punt 4, onder l), bedoelde gegevens die in het aanvraagdossier zijn opgenomen, wordt alleen verstrekt wanneer uitdrukkelijk om raadpleging van die gegevens is verzocht in een gemotiveerd verzoek en het raadplegingsverzoek na onafhankelijke verificatie is goedgekeurd.
4.  Raadpleging van het VIS geeft, in het geval van een treffer, toegang tot de in lid 3 van dit artikel vermelde gegevens, alsook tot alle andere gegevens uit het aanvraagdossier of het persoonlijk dossier, met inbegrip van gegevens die zijn ingevoerd in verband met afgegeven, geweigerde, nietig verklaarde of ingetrokken documenten, of documenten waarvan de geldigheidsduur is verlengd. Toegang tot de in artikel 9, punt 4, onder l), bedoelde gegevens die in het aanvraagdossier zijn opgenomen, wordt alleen verstrekt wanneer uitdrukkelijk om raadpleging van die gegevens is verzocht in een gemotiveerd verzoek en het raadplegingsverzoek na onafhankelijke verificatie is goedgekeurd.
Amendement 220
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 sexdecies – lid 1
In afwijking van artikel 22 quindecies, lid 1, dienen de aangewezen autoriteiten de in dat lid vastgestelde voorwaarden niet te vervullen voor toegang tot het VIS met het oog op de identificatie van personen die vermist, ontvoerd of als slachtoffers van mensenhandel aangemerkt zijn en ten aanzien van wie er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de raadpleging van VIS-gegevens zal bijdragen tot hun identificatie, en/of tot het onderzoek naar specifieke gevallen van mensenhandel. In die omstandigheden kunnen de aangewezen autoriteiten in het VIS opzoekingen doen aan de hand van de vingerafdrukken van die personen.
In afwijking van artikel 22 quindecies, lid 1, dienen de aangewezen autoriteiten de in dat lid vastgestelde voorwaarden niet te vervullen voor toegang tot het VIS met het oog op de identificatie van personen, met name kinderen, die vermist, ontvoerd of als slachtoffers van mensenhandel aangemerkt zijn en ten aanzien van wie er zwaarwegende redenen bestaan om aan te nemen dat de raadpleging van VIS-gegevens zal bijdragen tot hun identificatie en tot het onderzoek naar specifieke gevallen van mensenhandel. In die omstandigheden kunnen de aangewezen autoriteiten in het VIS opzoekingen doen aan de hand van de vingerafdrukken van die personen.
Amendement 221
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 sexdecies – lid 2
Wanneer de vingerafdrukken van die personen niet kunnen worden gebruikt, of wanneer het zoeken aan de hand van de vingerafdrukken geen resultaat oplevert, wordt gezocht aan de hand van de gegevens bedoeld in artikel 9, onder a) en b).
Wanneer de vingerafdrukken van die personen niet kunnen worden gebruikt, of wanneer het zoeken aan de hand van de vingerafdrukken geen resultaat oplevert, wordt gezocht aan de hand van de gegevens bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a) en b), of artikel 22 quater, lid 2, onder a) en b).
Amendement 222
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 sexdecies – lid 3
Raadpleging van het VIS geeft, in het geval van een treffer, toegang tot alle in artikel 9 en in artikel 8, leden 3 en 4, genoemde gegevens.
Raadpleging van het VIS geeft, in het geval van een treffer, toegang tot alle in artikel 9, artikel 22 quater of artikel 22 quinquies en in artikel 8, leden 3 en 4, of artikel 22 bis, lid 3, genoemde gegevens.
Amendement 223
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 septdecies – lid 3
3.  De aangewezen autoriteit van Europol kan een gemotiveerd elektronisch verzoek om raadpleging van alle of van een specifieke reeks in het VIS opgeslagen gegevens richten tot het in artikel 22 duodecies, lid 3, bedoelde centrale toegangspunt van Europol. Bij ontvangst van een verzoek om toegang gaat het centrale toegangspunt van Europol na of de in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden voor toegang zijn vervuld. Indien alle voorwaarden voor toegang zijn vervuld, verwerkt het naar behoren bevoegde personeel van het centrale toegangspunt het verzoek. De verkregen VIS-gegevens worden op zodanige wijze naar de in artikel 22 terdecies, lid 1, bedoelde operationele diensten gezonden dat de beveiliging van de gegevens niet in gevaar wordt gebracht.
3.  De aangewezen autoriteit van Europol kan een gemotiveerd elektronisch verzoek om raadpleging van alle of van een specifieke reeks in het VIS opgeslagen gegevens richten tot het in artikel 22 terdecies, lid 2, bedoelde centrale toegangspunt van Europol. Bij ontvangst van een verzoek om toegang gaat het centrale toegangspunt van Europol na of de in de leden 1 en 2 bedoelde voorwaarden voor toegang zijn vervuld. Indien alle voorwaarden voor toegang zijn vervuld, verwerkt het naar behoren bevoegde personeel van het centrale toegangspunt het verzoek. De verkregen VIS-gegevens worden op zodanige wijze naar de in artikel 22 terdecies, lid 1, bedoelde operationele diensten gezonden dat de beveiliging van de gegevens niet in gevaar wordt gebracht.
Amendement 224
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 octodecies – lid 1
1.  Alle lidstaten en Europol zorgen ervoor dat alle gegevensverwerkende handelingen die voortvloeien uit verzoeken om toegang tot EES-gegevens in overeenstemming met hoofdstuk IV, worden gelogd of gedocumenteerd ten behoeve van de controle op de toelaatbaarheid van het verzoek, het toezicht op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking en op de integriteit en beveiliging van de gegevens en ten behoeve van de interne controle.
1.  Alle lidstaten en Europol zorgen ervoor dat alle gegevensverwerkende handelingen die voortvloeien uit verzoeken om toegang tot VIS-gegevens in overeenstemming met hoofdstuk III ter, worden geregistreerd of gedocumenteerd ten behoeve van het toezicht op de toelaatbaarheid van het verzoek, op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking en op de integriteit en beveiliging van de gegevens, en ten behoeve van de mogelijke gevolgen voor de grondrechten en van de interne controle.
De geregistreerde gegevens of documenten worden met passende maatregelen tegen ongeoorloofde toegang beschermd en twee jaar na het aanleggen ervan gewist, tenzij deze gegevens nodig zijn voor het toezicht op reeds aangevangen procedures.
Amendement 225
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 octodecies – lid 2 – letter g
g)  volgens de nationale regels of Verordening (EU) 2016/794, het kenmerk van de functionaris die de zoekopdracht heeft verricht en van de functionaris die om de raadpleging of de informatieverstrekking heeft verzocht.
g)  volgens de nationale regels of Verordening (EU) 2016/794 of, in voorkomend geval, Verordening (EU) 2018/1725, het kenmerk van de functionaris die de zoekopdracht heeft verricht en van de functionaris die om de raadpleging of de informatieverstrekking heeft verzocht.
Amendement 226
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 octodecies – lid 3
3.  Logbestanden en documentatie worden uitsluitend gebruikt voor het toezicht op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking en voor het waarborgen van de integriteit en de beveiliging van de gegevens. Alleen een logbestand dat geen persoonsgegevens bevat, mag worden gebruikt voor toezicht en evaluatie in de zin van artikel 50 van deze verordening. De overeenkomstig artikel 41, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/680 ingestelde toezichthoudende autoriteit, die verantwoordelijk is om de toelaatbaarheid van het verzoek na te gaan en toezicht te houden op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking, en de integriteit en beveiliging van de gegevens, krijgt op verzoek toegang tot deze logbestanden om haar taken te vervullen.
3.  Logbestanden en documentatie worden uitsluitend gebruikt voor het toezicht op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking, het toezicht op de gevolgen voor de grondrechten en voor het waarborgen van de integriteit en de beveiliging van de gegevens. Alleen een logbestand dat geen persoonsgegevens bevat, mag worden gebruikt voor toezicht en evaluatie in de zin van artikel 50 van deze verordening. De overeenkomstig artikel 41, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/680 ingestelde toezichthoudende autoriteit, die verantwoordelijk is om toezicht te houden op de rechtmatigheid van de gegevensverwerking, en de integriteit en beveiliging van de gegevens, krijgt op verzoek toegang tot deze logbestanden om haar taken te vervullen.
Amendement 227
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 40
Verordening (EG) nr. 767/2008
Artikel 22 novodecies bis (nieuw)
Artikel 22 novodecies bis
Bescherming van persoonsgegevens waartoe in overeenstemming met hoofdstuk III ter toegang is verkregen
1.   Elke lidstaat ziet erop toe dat de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/680 in het nationale recht zijn vastgesteld, ook gelden voor de toegang tot het VIS door zijn nationale autoriteiten in overeenstemming met dit hoofdstuk, mede met betrekking tot de rechten van de personen tot wier gegevens aldus toegang wordt verkregen.
2.   De in artikel 41, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/680 bedoelde toezichthoudende autoriteit oefent toezicht uit op de rechtmatigheid van de toegang tot persoonsgegevens door de lidstaten in overeenstemming met dit hoofdstuk, met inbegrip van de doorgifte van die gegevens naar en vanuit het VIS. Artikel 41, leden 3 en 4, van deze verordening zijn van overeenkomstige toepassing.
3.   De verwerking van persoonsgegevens door Europol uit hoofde van deze verordening wordt verricht in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/794 en staat onder toezicht van de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming.
4.   De persoonsgegevens waartoe in overeenstemming met dit hoofdstuk toegang is verkregen in het VIS, worden uitsluitend verwerkt met het oog op het voorkomen, opsporen of onderzoeken van het specifieke geval waarvoor een lidstaat of Europol om de gegevens heeft verzocht.
5.   eu-LISA, de aangewezen autoriteiten, de centrale toegangspunten en Europol houden logbestanden als bedoeld in artikel 22 octodecies van zoekopdrachten bij met als doel de in artikel 41, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/680 bedoelde toezichthoudende autoriteit en de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming in staat te stellen na te gaan of de gegevensverwerking in overeenstemming is met de Unie- en nationale voorschriften inzake gegevensbescherming. Afgezien van voor dit doel bewaarde gegevens worden de persoonsgegevens en de registers van zoekopdrachten na 30 dagen uit alle nationale en Europol-bestanden verwijderd, tenzij die gegevens en registers vereist zijn voor het specifieke lopende strafrechtelijke onderzoek in het kader waarvan een lidstaat of Europol om de gegevens heeft verzocht.
Amendement 228
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – titel
Wijzigingen van Beschikking 2004/512/EG
Intrekking van Beschikking 2004/512/EG
Amendement 229
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1
Beschikking 2004/512/EG
Artikel 1 – lid 2
Artikel 1, lid 2, van Beschikking 2004/512/EG wordt vervangen door:
Beschikking 2004/512/EG wordt ingetrokken. Verwijzingen naar die beschikking gelden als verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 767/2008 en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage 2.
"2. Het Visuminformatiesysteem wordt gebaseerd op een gecentraliseerde architectuur en bestaat uit:
a)  het gemeenschappelijke identiteitenregister (CIR) bedoeld in [artikel 17, lid 2, onder a), van Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit];
b)  een centraal informatiesysteem, hierna "centraal visuminformatiesysteem" te noemen (CS-VIS);
c)  een interface in elke lidstaat, hierna „nationale interface” te noemen (NI-VIS), die voor de verbinding met de bevoegde centrale nationale autoriteit van de betrokken lidstaat zorgt, of een op gemeenschappelijke technische specificaties gebaseerde en voor alle lidstaten identieke nationale uniforme interface (NUI) in elke lidstaat, waarmee het centrale systeem wordt aangesloten op de nationale infrastructuur in de lidstaten;
d)  een communicatie-infrastructuur tussen het VIS en de nationale interfaces;
e)  een beveiligd communicatiekanaal tussen het VIS en het centrale systeem van het EES;
f)  een beveiligde communicatie-infrastructuur tussen het centrale systeem van het VIS en de centrale infrastructuren van het Europees zoekportaal ingesteld bij [artikel 6 van Verordening 2017/XX inzake interoperabiliteit], de gezamenlijke dienst voor biometrische matching ingesteld bij [artikel 12 van Verordening 2017/XX inzake interoperabiliteit], het gemeenschappelijke identiteitenregister ingesteld bij [artikel 17 van Verordening 2017/XX inzake interoperabiliteit] en de detector van meerdere identiteiten ingesteld bij [artikel 25 van Verordening 2017/XX inzake interoperabiliteit];
g)  een mechanisme voor raadpleging over aanvragen en voor uitwisseling van informatie tussen centrale visumautoriteiten ("VISMail");
h)  een gateway voor vervoerders;
i)  een beveiligde webdienst die communicatie mogelijk maakt tussen enerzijds het VIS en anderzijds de gateway voor vervoerders en de internationale systemen (Interpolsystemen/-databanken);
j)  een gegevensopslagplaats ten behoeve van verslaglegging en statistieken.
Voor het centrale systeem, de nationale uniforme interfaces, de webdienst, de gateway voor vervoerders en de communicatie-infrastructuur van het VIS worden de hardware- en softwarecomponenten van respectievelijk het centrale systeem van het EES, de nationale uniforme interfaces van het EES, de gateway voor vervoerders van het ETIAS, de webdienst van het EES en de communicatie-infrastructuur van het EES zoveel als technisch mogelijk is, gedeeld en hergebruikt.
Amendement 230
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 10 – lid 3 – letter c
"c) een foto overleggen die beantwoordt aan de normen van Verordening (EG) nr. 1683/95 of, op het eerste verzoek en vervolgens ten minste om de 59 maanden daarna, een foto overleggen die beantwoordt aan de in artikel 13 van deze verordening vastgestelde normen";
"c) na het eerste verzoek en vervolgens ten minste om de 59 maanden daarna, toestaan dat ter plaatse een gezichtsopname wordt gemaakt die beantwoordt aan de in artikel 13 van deze verordening vastgestelde normen.";
Amendement 231
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 13 – lid 2 – streepje 1
"- een op het tijdstip van de aanvraag ter plaatse en digitaal gemaakte foto;";
"- een op het tijdstip van de aanvraag ter plaatse gemaakte gezichtsopname.";
Amendement 232
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 13 – lid 3 – alinea 1
"Indien naar aanleiding van een aanvraag die minder dan 59 maanden vóór de datum van de nieuwe aanvraag was ingediend, van de aanvrager vingerafdrukken werden genomen en ter plaatse een foto van toereikende kwaliteit werd genomen, kunnen die [gegevens] in de volgende aanvraag worden overgenomen.";
"Indien naar aanleiding van een aanvraag die minder dan 59 maanden vóór de datum van de nieuwe aanvraag was ingediend, van de aanvrager vingerafdrukken werden genomen en ter plaatse een foto van toereikende kwaliteit werd genomen, worden die in de volgende aanvraag overgenomen.";
Amendement 253
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 2 – letter c
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 13 – lid 7 – letter a
a)  kinderen jonger dan 6 jaar;
a)  kinderen jonger dan 6 jaar en personen ouder dan zeventig jaar;
Amendement 233
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 – lid 3 bis – letter a
(a)  het SIS en de SLTD, om na te gaan of het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat is aangemerkt als verloren, gestolen of ongeldig gemaakt en of het overeenkomt met een reisdocument dat is geregistreerd in een dossier in de Interpol-databank TDAWN;
(a)  het SIS en de SLTD, om na te gaan of het voor de aanvraag gebruikte reisdocument overeenkomt met een reisdocument dat is aangemerkt als verloren, gestolen of ongeldig gemaakt;
Amendement 234
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 – lid 3 bis – letter g
(g)  het ECRIS-TCN-systeem, om na te gaan of de aanvrager overeenkomt met een persoon wiens gegevens zijn geregistreerd in deze gegevensbank voor terroristische misdrijven of andere ernstige strafbare feiten;
Schrappen
Amendement 235
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 bis – lid –1
-1.  De specifieke risico-indicatoren bestaan uit een algoritme waarmee profilering als gedefinieerd in artikel 4, punt 4, van Verordening (EU) 2016/679 mogelijk wordt gemaakt aan de hand van een vergelijking van de gegevens die in een aanvraagdossier zijn geregistreerd met specifieke indicatoren voor beveiligingsrisico's, risico's op het gebied van illegale immigratie en hoge epidemiologische risico's. De specifieke risico-indicatoren worden geregistreerd in het VIS.
Amendement 236
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 bis – lid 1 – inleidende formule
1.  De beoordeling van het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoge epidemiologische risico is gebaseerd op:
1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 51 bis een gedelegeerde handeling vast tot nadere omschrijving van het veiligheidsrisico, het risico op het gebied van illegale immigratie of het hoge epidemiologische risico, op basis van:
Amendement 237
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 bis – lid 1 – letter b
(b)  door het VIS overeenkomstig artikel 45 bis gegenereerde statistieken die voor een specifieke groep reizigers wijzen op buitengewone percentages personen aan wie visumaanvraag is geweigerd wegens een risico uit het oogpunt van irreguliere migratie, veiligheid of volksgezondheid;
(b)  door het VIS overeenkomstig artikel 45 bis gegenereerde statistieken die voor een aanvrager wijzen op buitengewoon percentages personen aan wie een visumaanvraag is geweigerd wegens een risico uit het oogpunt van irreguliere migratie of veiligheid;
Amendement 238
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 bis – lid 2
2.  De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast waarin de in lid 1 bedoelde risico's worden gespecificeerd. Die uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 52, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Schrappen
Amendement 239
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 bis – lid 3 – inleidende formule
3.  Op basis van de overeenkomstig lid 2 bepaalde specifieke risico's worden specifieke risico-indicatoren vastgesteld, die een combinatie van gegevens omvatten, waaronder een of meer van de volgende:
3.  Op basis van de specifieke risico's die overeenkomstig deze verordening en de in lid 1 bedoelde gedelegeerde handeling worden bepaald, worden specifieke risico-indicatoren vastgesteld, die een combinatie van gegevens omvatten, waaronder een of meer van de volgende:
Amendement 240
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 bis – lid 6
6.  De visumautoriteiten gebruiken de specifieke risico-indicatoren om na te gaan of de aanvrager een risico vormt op het gebied van illegale immigratie of voor de veiligheid van de lidstaten, of een hoog epidemiologisch risico vormt overeenkomstig artikel 21, lid 1.
6.  De visumautoriteiten gebruiken de specifieke risico-indicatoren om na te gaan of de aanvrager een risico vormt op het gebied van illegale immigratie of voor de veiligheid van de lidstaten, of een risico vormt overeenkomstig artikel 21, lid 1.
Amendement 241
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 21 bis – lid 7
7.  De Commissie evalueert regelmatig de specifieke risico’s en de specifieke risico-indicatoren.";
7.  De Commissie en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten evalueren regelmatig de specifieke risico’s en de specifieke risico-indicatoren.";
Amendement 242
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 39
(4 bis)  artikel 39 wordt vervangen door:
Artikel 39
"Artikel 39
Gedrag van het personeel
Gedrag van het personeel en eerbiediging van de grondrechten
1.  De consulaten van de lidstaten dragen er zorg voor dat aanvragers op correcte wijze worden bejegend.
1.  De consulaten van de lidstaten dragen er zorg voor dat aanvragers op correcte wijze worden bejegend. Bij de verrichting van hun taken eerbiedigen consulaire medewerkers de menselijke waardigheid volledig.
2.  Bij de verrichting van hun taken eerbiedigen consulaire medewerkers de menselijke waardigheid volledig. Elke maatregel staat in verhouding tot de daarmee nagestreefde doeleinden.
2.  Bij de verrichting van hun taken eerbiedigen consulaire medewerkers de mensenrechten volledig en nemen zij de in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie erkende beginselen in acht. Elke maatregel staat in verhouding tot de daarmee nagestreefde doeleinden.
3.  Bij de uitvoering van hun werkzaamheden dienen consulaire medewerkers zich te onthouden van discriminatie op grond van geslacht, afkomst, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.
3.  Bij de uitvoering van hun werkzaamheden dienen consulaire medewerkers zich te onthouden van discriminatie op welke grond dan ook, zoals geslacht, afkomst, huidskleur, sociaal milieu, genetische kenmerken, taal, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid. Het belang van het kind komt op de eerste plaats.";
Amendement 243
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 4 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 39 bis (nieuw)
(4 ter)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 39 bis
Grondrechten
Bij de toepassing van deze verordening handelen de lidstaten met volledige inachtneming van het toepasselijke Unierecht, waaronder het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, het toepasselijke internationale recht, waaronder het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, en de verplichtingen inzake de toegang tot internationale bescherming, in het bijzonder het beginsel van non-refoulement, en de grondrechten. In overeenstemming met de algemene beginselen van het Unierecht worden besluiten die overeenkomstig deze verordening worden genomen, op individuele basis genomen. Het belang van het kind komt op de eerste plaats.";
Amendement 244
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 810/2009
Artikel 51 bis (nieuw)
(5 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 51 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.   De in artikel 21 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.
3.   De in artikel 21 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie kan te allen tijde door het Europees Parlement of de Raad worden ingetrokken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, geeft zij daarvan gelijktijdig kennis aan het Europees Parlement en de Raad.
6.   Een overeenkomstig artikel 21 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.";
Amendement 245
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) 2017/2226
Artikel 13 – lid 3
“3. Ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 1, onder b), van de overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen maken vervoerders gebruik van de webdienst om na te gaan of een visum voor kort verblijf geldig is, en of het aantal toegestane binnenkomsten reeds is opgebruikt of de houder de maximale duur van het toegestane verblijf heeft bereikt, en of, naargelang het geval, het visum geldig is voor het grondgebied van de haven van bestemming van de reis. De vervoerders verstrekken de in artikel 16, lid 1, onder a), b) en c), van deze verordening vermelde gegevens. Op die basis verstrekt de webdienst vervoerders het antwoord OK/NIET OK. Vervoerders mogen de door hen verstuurde informatie en het door hen ontvangen antwoord opslaan in overeenstemming met het toepasselijke recht. Vervoerders stellen een authenticatieprocedure vast om te waarborgen dat enkel gemachtigde personeelsleden toegang hebben tot de webdienst. Het antwoord OK/NIET OK kan niet worden beschouwd als een beslissing om toegang te verlenen of te weigeren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399.";
“3. Ter nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 26, lid 1, onder b), van de overeenkomst ter uitvoering van het akkoord van Schengen maken vervoerders gebruik van de webdienst om na te gaan of een visum voor kort verblijf geldig is, en of het aantal toegestane binnenkomsten reeds is opgebruikt of de houder de maximale duur van het toegestane verblijf heeft bereikt, en of, naargelang het geval, het visum geldig is voor het grondgebied van de haven van bestemming van de reis. De vervoerders verstrekken de in artikel 16, lid 1, onder a), b) en c), van deze verordening vermelde gegevens. Op die basis verstrekt de webdienst vervoerders het antwoord OK/NIET OK. Vervoerders mogen de door hen verstuurde informatie en het door hen ontvangen antwoord opslaan in overeenstemming met het toepasselijke recht. Vervoerders stellen een authenticatieprocedure vast om te waarborgen dat enkel gemachtigde personeelsleden toegang hebben tot de webdienst. Het antwoord OK/NIET OK kan niet worden beschouwd als een beslissing om toegang te verlenen of te weigeren overeenkomstig Verordening (EU) 2016/399. In gevallen waarin reizigers op grond van een zoekopdracht in het VIS wordt geweigerd in te stappen, stellen de vervoerders de betrokkenen hiervan in kennis en voorzien zij hen van de nodige middelen voor de uitoefening van hun rechten op toegang tot en rectificatie en wissing van hun persoonsgegevens die in het VIS zijn opgeslagen.";
Amendement 246
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Verordening (EU) 2017/2226
Artikel 14 – lid 3
(2 bis)  in artikel 14 wordt lid 3 vervangen door:
3.  Als het nodig is om gegevens in de inreis/uitreisnotitie van een visumhouder op te nemen of bij te werken, kunnen de grensautoriteiten de in deze verordening, artikel 16, lid 2, onder c) tot en met f), bedoelde gegevens rechtstreeks uit het VIS ophalen en in het EES invoeren overeenkomstig artikel 8 van deze verordening en artikel 18 bis van Verordening (EG) nr. 767/2008.
3. Als het nodig is om gegevens in de inreis/uitreisnotitie van een visumhouder op te nemen of bij te werken, kunnen de grensautoriteiten de in deze verordening, artikel 16, lid 1, onder d), en artikel 16, lid 2, onder c) tot en met f), bedoelde gegevens rechtstreeks uit het VIS ophalen en in het EES invoeren overeenkomstig artikel 8 van deze verordening en artikel 18 bis van Verordening (EG) nr. 767/2008.";
Amendement 247
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 2 ter (nieuw)
Verordening (EU) 2017/2226
Artikel 15 – lid 1
(2 ter)  artikel 15, lid 1, wordt vervangen door:
1.  Als dat nodig is om een persoonlijk dossier aan te leggen of de in artikel 16, lid 1, onder d), en artikel 17, lid 1, onder b), bedoelde gezichtsopname bij te werken, wordt de gezichtsopname ter plaatse gemaakt.
1. Als dat nodig is om een persoonlijk dossier aan te leggen of de in artikel 17, lid 1, onder b), bedoelde gezichtsopname bij te werken, wordt de gezichtsopname ter plaatse gemaakt.";
Amendement 248
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 2 quater (nieuw)
Verordening (EU) 2017/2226
Artikel 15 – lid 1 bis (nieuw)
(2 quater)  in artikel 15 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 bis. De in artikel 16, lid 1, onder d), bedoelde gezichtsopname wordt opgevraagd uit het VIS en geïmporteerd in het EES.";
Amendement 249
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – punt 2 quinquies (nieuw)
Verordening (EU) 2017/2226
Artikel 15 – lid 5
(2 quinquies)  in artikel 15 wordt lid 5 geschrapt;
5.   Binnen een termijn van twee jaar na de ingebruikneming van het EES stelt de Commissie een verslag op over de kwaliteitsnormen van de in het VIS opgeslagen opname en over de vraag of op basis van die opname biometrische matching mogelijk is met het oog op het gebruik van de in het VIS opgeslagen opname aan de grenzen en op het grondgebied van de lidstaten voor de verificatie van de identiteit van visumplichtige onderdanen van derde landen, waarbij dergelijke gezichtsopnamen niet in het EES wordt opgeslagen. De Commissie zendt het verslag aan het Europees Parlement en de Raad toe. Indien de Commissie dit passend acht, gaat dat verslag vergezeld van wetsvoorstellen, met inbegrip van voorstellen tot wijziging van deze verordening, Verordening (EG) nr. 767/2008, of beide, wat betreft het gebruik van de in het VIS opgeslagen gezichtsopnamen van onderdanen van derde landen voor de in dit lid bedoelde doeleinden.
Amendement 250
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – punt 1 – punt 2
Verordening 2018/XX inzake interoperabiliteit
Artikel 18 – lid 1 – onder b
"b) de gegevens bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a) tot en met c), artikel 9, leden 5 en 6, artikel 22 quater, lid 2, onder a) tot en met cc), f) en g), en artikel 22 quinquies, onder a) tot en met c), f) en g), van Verordening (EG) nr. 767/2008;"
"b) de gegevens bedoeld in artikel 9, lid 4, onder a) tot en met cc), artikel 9, leden 5 en 6, artikel 22 quater, lid 2, onder a) tot en met cc), f) en g), en artikel 22 quinquies, onder a) tot en met c), f) en g), van Verordening (EG) nr. 767/2008;"
Amendement 251
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – alinea 1
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding], met uitzondering van de bepalingen inzake uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen vervat in artikel 1, punten 6, 7, 26, 27, 33 en 35, artikel 3, punt 4, en artikel 4, punt 1, die van toepassing zijn vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Uiterlijk op ... [één jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de stand van zaken rond de voorbereiding van de volledige tenuitvoerlegging van deze verordening. Dat verslag bevat ook gedetailleerde informatie over de gemaakte kosten en over eventuele risico's die van invloed kunnen zijn op de totale kosten.

Fonds voor asiel en migratie ***I
PDF 438kWORD 114k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor asiel en migratie (COM(2018)0471 – C8-0271/2018 – 2018/0248(COD))
P8_TA(2019)0175A8-0106/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa ***I
PDF 368kWORD 105k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting, in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer, van het instrument voor financiële steun voor grensbeheer en visa (COM(2018)0473 – C8-0272/2018 – 2018/0249(COD))
P8_TA(2019)0176A8-0089/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Fonds voor interne veiligheid ***I
PDF 339kWORD 93k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Fonds voor interne veiligheid (COM(2018)0472 – C8-0267/2018 – 2018/0250(COD))
P8_TA(2019)0177A8-0115/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken ***I
PDF 444kWORD 158k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 13 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de definitie, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (COM(2016)0750 – C8-0496/2017 – 2016/0392(COD))
P8_TA-PROV(2019)0178A8-0021/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0750),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 43, lid 2, en artikel 114, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0496/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Italiaanse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2017(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brieven van 10 december 2018 en 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0021/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 13 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, het gebruik van ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten in alcoholhoudende dranken, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 110/2008

P8_TC1-COD(2016)0392


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 43, lid 2, en artikel 114, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De regulering van de sector gedistilleerde dranken aan de hand van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad(5) is een succes gebleken. In het licht van recente ervaringen en technologische vernieuwing, marktontwikkelingen en wijzigende consumentenverwachtingen is het echter nodig de regels die van toepassing zijn op de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken te actualiseren en de wijze waarop geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken worden geregistreerd en beschermd, te herzien.

(2)  De voor gedistilleerde dranken geldende regels moeten bijdragen tot het bereiken van een hoog niveau van consumentenbescherming, het wegnemen van informatieasymmetrie, het voorkomen van bedrieglijke praktijken en het verwezenlijken van transparantie van de markt en eerlijke concurrentie. Zij moeten de faam die gedistilleerde dranken uit de Unie in de Unie zelf en op de wereldmarkt genieten, hooghouden door rekening te blijven houden met de traditionele methoden die bij de productie van gedistilleerde dranken worden gebruikt en met de toegenomen vraag naar bescherming en voorlichting van de consument. Ook met technologische vernieuwing met betrekking tot gedistilleerde dranken moet rekening worden gehouden wanneer deze de kwaliteit helpt te verbeteren zonder afbreuk te doen aan het traditionele karakter van de betrokken gedistilleerde dranken.

(3)  Gedistilleerde dranken zijn een belangrijk afzetkanaal voor de landbouwsector van de Unie, en de productie van gedistilleerde dranken is sterk verbonden met de landbouwsector. ▌ Die band bepaalt de kwaliteit, de veiligheid en de reputatie van in de Unie geproduceerde gedistilleerde dranken. Die sterke band met de agrovoedingssector moet daarom door het regelgevingskader worden benadrukt.

(4)  De regels die van toepassing zijn op gedistilleerde dranken vormen een geval apart ten opzichte van de algemene regels voor de agrovoedingssector en moeten tevens rekening houden met de traditionele productiemethoden die in de verschillende lidstaten worden gebruikt.

(5)  ▌In deze verordening moeten duidelijke criteria voor de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken en voor de bescherming van geografische aanduidingen worden vastgesteld, zonder dat deze verordening afbreuk mag doen aan de diversiteit van de officiële talen en alfabetten in de Unie. Tevens moet zij regels bevatten inzake het gebruik van ethylalcohol of distillaten uit landbouwproducten bij de productie van alcoholhoudende dranken en inzake het gebruik van de wettelijke benamingen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van levensmiddelen.

(6)  Om aan de verwachtingen van de consument te voldoen en de traditionele methoden te behouden, mag voor de productie van gedistilleerde dranken uitsluitend ethylalcohol of distillaten uit landbouwproducten worden gebruikt.

(7)  In het belang van de consument moet deze verordening gelden voor alle op de markt van de Unie gebrachte gedistilleerde dranken, ongeacht of deze in de lidstaten dan wel in derde landen zijn bereid. Teneinde de reputatie van de in de Unie bereide gedistilleerde dranken op de wereldmarkt hoog te houden en te verbeteren, moet deze verordening ook gelden voor gedistilleerde dranken die in de Unie voor de uitvoer worden bereid.

(8)  In de definities van en technische vereisten voor gedistilleerde dranken en de indeling van gedistilleerde dranken in categorieën moet evenals voorheen rekening worden gehouden met traditionele methoden. Er moeten tevens specifieke regels worden vastgesteld voor bepaalde gedistilleerde dranken die niet in de lijst van categorieën zijn opgenomen.

(9)  Verordeningen (EG) nr. 1333/2008(6) en (EG) nr. 1334/2008(7) van het Europees Parlement en de Raad zijn ook van toepassing op gedistilleerde dranken. Er moeten echter aanvullende regels inzake kleurstoffenen aroma's worden vastgesteld die enkel voor gedistilleerde dranken moeten gelden. Er moeten ook aanvullende voorschriften worden vastgesteld voor de verdunning en oplossing van aroma's, kleurstoffen en andere toegestane ingrediënten, die alleen van toepassing dienen te zijn op de bereiding van alcoholhoudende dranken.

(10)  Er moeten eveneens regels worden vastgesteld met betrekking tot de wettelijke benamingen van gedistilleerde dranken die in de Unie op de markt worden gebracht, teneinde ervoor te zorgen dat die wettelijke benamingen op geharmoniseerde wijze worden gebruikt in de hele Unie en teneinde te verzekeren dat de consumenten op transparante wijze worden geïnformeerd.

(11)  Gezien het belang en de complexiteit van de sector gedistilleerde dranken is het passend specifieke regels inzake de omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken vast te stellen, met name wat het gebruik betreft van wettelijke benamingen, geografische aanduidingen, samengestelde termen en zinspelingen in de omschrijving, presentatie en etikettering.

(12)  Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad(8) moet gelden voor de omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, tenzij in de onderhavige verordening anders is bepaald. In dat opzicht is het, gezien het belang en de complexiteit van de sector gedistilleerde dranken, passend om in deze verordening specifieke regels inzake de omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken vast te stellen die verder gaan dan Verordening (EU) nr. 1169/2011. Deze specifieke regels moeten ook voorkomen dat van de term "gedistilleerde drank" of "gedistilleerd" en de wettelijke benamingen van gedistilleerde dranken misbruik wordt gemaakt, wat producten betreft die niet aan de in deze verordening vastgelegde definities en vereisten voldoen.

(13)  Met het oog op een eenvormig gebruik van samengestelde termen en zinspelingen in de lidstaten, en om consumenten van voldoende informatie te voorzien om hen zo tegen misleiding te beschermen, moeten bepalingen inzake het gebruik ervan voor de presentatie van gedistilleerde dranken en andere levensmiddelen worden vastgesteld. Deze bepalingen zijn eveneens bedoeld om de reputatie van gedistilleerde dranken in deze context te beschermen.

(14)  Om de consument van adequate informatie te voorzien, moeten bepalingen worden vastgesteld inzake de omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken die kunnen worden aangemerkt als mengsels of blends.

(15)  Hoewel het van belang is ervoor te zorgen dat in het algemeen de in de omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken vermelde rijpingsduur of leeftijd alleen naar het jongste alcoholhoudende bestanddeel verwijst, om rekening te houden met traditionele rijpingsprocessen in de lidstaten, moet het mogelijk zijn, middels gedelegeerde handelingen, te voorzien in een afwijking van die algemene regel en in passende controlemechanismen in het geval van brandy's die zijn bereid met gebruikmaking van het traditionele dynamische rijpingssysteem, ook wel het "criaderas y solera"-systeem of "solera e criaderas"-systeem genoemd.

(16)  Omwille van de rechtszekerheid en om ervoor te zorgen dat de consumenten adequaat worden voorgelicht, mag het gebruik van namen van grondstoffen of van deze naam afgeleide adjectieven als wettelijke benaming van bepaalde gedistilleerde dranken, het gebruik van de namen van dergelijke grondstoffen of van adjectieven in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen niet uitsluiten. Om dezelfde reden mag het gebruik van het Duitse woord "-geist" als de wettelijke benaming van een categorie gedistilleerde dranken, het gebruik van dat woord als fantasienaam in aanvulling op de wettelijke benaming van andere gedistilleerde dranken of de naam van andere alcoholhoudende dranken niet uitsluiten, op voorwaarde dat dit gebruik niet tot misleiding van de consument leidt.

(17)  Om ervoor te zorgen dat de consumenten toereikend worden voorgelicht en om hoogwaardige productiemethoden te bevorderen, moet de wettelijke benaming van een gedistilleerde drank kunnen worden aangevuld met de term "droog" of "dry", met andere woorden ofwel de vertaling van die term in de taal of talen van de relevante lidstaat, ofwel de onvertaalde term zoals die in deze verordening in cursief wordt aangegeven, indien de desbetreffende drank niet is verzoet. In overeenstemming echter met het beginsel dat informatie over levensmiddelen niet misleidend mag zijn, met name door de suggestie dat het levensmiddel bijzondere eigenschappen heeft, terwijl in werkelijkheid alle soortgelijke levensmiddelen dezelfde eigenschappen bezitten, mag deze bepaling niet van toepassing zijn op gedistilleerde dranken die uit hoofde van deze verordening niet mogen worden verzoet, zelfs niet om ze op smaak af te maken, met name whisky of whiskey. Deze regel mag ook niet van toepassing zijn op gin, gedistilleerde gin en London gin, waarvoor specifieke verzoetings- en etiketteringsvoorschriften van toepassing moeten blijven. Voorts moet het mogelijk zijn om likeuren die met name worden gekenmerkt door een zure, bittere, scherpe, pikante, zure of citrussmaak, ongeacht de mate van verzoeting, te etiketteren als "droog" of "dry". Een dergelijke etikettering zal de consument waarschijnlijk niet misleiden, aangezien likeuren een minimaal suikergehalte moeten hebben. Daarom mag in het geval van likeuren de term "droog" of "dry" niet worden opgevat als een indicatie van het feit dat de gedistilleerde drank niet is verzoet.

(18)  Teneinde rekening te houden met de verwachtingen van de consumenten met betrekking tot de grondstoffen voor wodka, in het bijzonder in de traditionele wodka-producerende lidstaten, moet er, indien wodka bereid is met andere landbouwgrondstoffen dan granen of aardappelen of beide, goede informatie worden gegeven over de gebruikte grondstoffen.

(19)  Teneinde de toepassing van de wetgeving betreffende de regels inzake rijping en etikettering te handhaven en te controleren, en om fraude te bestrijden, moet worden voorzien in een verplichting om de wettelijke benaming en de rijpingsperiode van eventuele gedistilleerde dranken, te vermelden in daarvoor bestemde elektronische administratieve documenten.

(20)  In sommige gevallen wensen exploitanten van levensmiddelenbedrijven de plaats van herkomst van gedistilleerde dranken anders dan geografische aanduidingen en handelsmerken aan te geven om de consument te attenderen op de kwaliteiten van hun product. ▌Daarom moeten specifieke bepalingen inzake de aanduiding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst in de omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken worden vastgesteld. Bovendien mag de bij Verordening (EU) nr. 1169/2011 vastgestelde verplichting om het land van oorsprong of de plaats van herkomst van een primair ingrediënt van een gedistilleerde drank aan te geven, niet gelden voor gedistilleerde dranken, ook al is het land van oorsprong of de plaats van herkomst van het primaire ingrediënt van een gedistilleerde drank niet dezelfde als de plaats van herkomst in de omschrijving, de presentatie of de etikettering van die gedistilleerde drank.

(21)  Om de reputatie van bepaalde gedistilleerde dranken te beschermen moeten bepalingen worden vastgelegd betreffende de vertaling, transcriptie en transliteratie van wettelijke benamingen voor exportdoeleinden.

(22)  Om ervoor te zorgen dat deze verordening consistent wordt toegepast, moeten referentiemethoden van de Unie worden vastgelegd voor de analyse van gedistilleerde dranken en voor de productie van gedistilleerde dranken gebruikte ethylalcohol.

(23)  Het gebruik van loodhoudende capsules en loodhoudend folie voor het bedekken van de sluiting van recipiënten met gedistilleerde dranken moet verboden blijven om elk risico op verontreiniging, met name door toevallig contact met dergelijke capsules of dergelijk folie, en op milieuvervuiling met loodhoudend afval van dergelijke capsules of dergelijk folie, te voorkomen.

(24)  Wat de bescherming van geografische aanduidingen betreft, is het belangrijk terdege rekening te houden met de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom ("TRIPS-overeenkomst"), en met name de artikelen 22 en 23, en met de Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel ("GATT-overeenkomst") met inbegrip van artikel V inzake de vrijheid van doorvoer, die bij Besluit 94/800/EG van de Raad(9) zijn goedgekeurd. Om de bescherming van de geografische aanduiding te versterken en nabootsing effectiever te bestrijden, moet binnen een dergelijk wettelijk kader deze bescherming eveneens betrekking hebben op goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen zonder dat zij daar in het vrije verkeer komen, en die onder bijzondere douaneregelingen vallen zoals die met betrekking tot doorvoer, opslag, specifiek gebruik of verwerking.

(25)  Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad(10) is niet van toepassing op gedistilleerde dranken. Daarom moeten regels inzake de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken worden vastgesteld. Geografische aanduidingen ▌moeten ▌door de Commissie worden geregistreerd.

(26)  Er moeten procedures voor de registratie, wijziging en eventuele annulering van geografische aanduidingen van de Unie of van derde landen overeenkomstig de TRIPS-overeenkomst worden vastgesteld, waarbij de status van bestaande geregistreerde ▌geografische aanduidingen die in de Unie worden beschermd automatisch wordt erkend. Teneinde de procedureregels inzake geografische aanduidingen in alle betrokken sectoren consistent te maken, moeten zulke procedures voor gedistilleerde dranken worden ingesteld naar het voorbeeld van de in Verordening (EU) nr. 1151/2012 vastgestelde uitgebreidere en beproefde procedures voor landbouwproducten en levensmiddelen, met inachtneming van de specifieke kenmerken van gedistilleerde dranken. Om de registratieprocedures te vereenvoudigen en ervoor te zorgen dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven en consumenten informatie elektronisch kunnen raadplegen, moet een elektronisch register van geografische aanduidingen worden aangelegd. Geografische aanduidingen die worden beschermd krachtens Verordening (EG) nr. 110/2008 moeten automatisch worden beschermd uit hoofde van onderhavige verordening en worden opgenomen in het elektronische register. De Commissie moet de verificatie van geografische aanduidingen die in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 zijn opgenomen overeenkomstig artikel 20 van die verordening voltooien.

(27)  Om consistentie te bewerkstelligen met de regels die van toepassing zijn op geografische aanduidingen voor voedingsmiddelen, wijnen en gearomatiseerde wijnbouwproducten, moet de naam van het dossier waarin de specificaties zijn uiteengezet voor gedistilleerde dranken die als geografische aanduiding zijn geregistreerd, worden veranderd van "technisch dossier" in "productdossier". Technische dossiers die zijn ingediend als onderdeel van een aanvraag krachtens Verordening (EG) nr. 110/2008 worden geacht productdossiers te zijn.

(28)  Het verband tussen handelsmerken en geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken moet worden verduidelijkt, wat de criteria voor weigering, nietigverklaring en co-existentie betreft. Een dergelijke verduidelijking zou de rechten die houders van geografische aanduidingen hebben verworven op nationaal niveau of krachtens overeenkomsten die lidstaten hebben gesloten voor de periode vóór de instelling van het Uniebeschermingssysteem bij Verordening (EEG) nr. 1576/89(11), onverlet moeten laten.

(29)  Voor het behoud van de reputatie en de waarde van de sector gedistilleerde dranken is het essentieel dat er een hoog kwaliteitsniveau wordt gehandhaafd. De autoriteiten van de lidstaten moeten worden belast met het toezicht op de instandhouding van dat kwaliteitsniveau door naleving van deze verordening. De Commissie moet die naleving kunnen monitoren en controleren om te verifiëren of deze verordening op uniforme wijze wordt uitgevoerd. Daarom moeten de Commissie en de lidstaten worden verplicht relevante informatie met elkaar te delen.

(30)  Bij de toepassing van een kwaliteitsbeleid en in het bijzonder om een hoge kwaliteit van gedistilleerde dranken en een grote verscheidenheid in de sector gedistilleerde dranken te bereiken, moeten de lidstaten regels inzake de productie, omschrijving, definitie, presentatie en etikettering van op hun grondgebied bereide gedistilleerde dranken kunnen vaststellen die strenger zijn dan die welke in deze verordening zijn vastgesteld.

(31)  Om rekening te houden met veranderende consumentenbehoeften, technologische vooruitgang, ontwikkelingen in de desbetreffende internationale normen, de noodzaak om de economische productie- en afzetomstandigheden te verbeteren, traditionele dynamische rijpingsprocessen ▌de wetgeving van invoerende derde landen, en teneinde de legitieme belangen van producenten en exploitanten van levensmiddelenbedrijven veilig te stellen wat betreft de bescherming van geografische aanduidingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van: de wijzigingen van en afwijkingen van de technische definities en vereisten voor gedistilleerde dranken; het toestaan van nieuwe zoetstoffen; afwijkingen in verband met de specificatie van de rijpingsduur of ouderdom van brandy en het opzetten van een openbaar register van instanties die belast zijn met het toezicht op rijpingsprocessen; het opzetten van een elektronisch register van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken, en gedetailleerde regels inzake de vorm en inhoud van dat register; nadere voorwaarden in verband met aanvragen tot bescherming van een geografische aanduiding en inleidende nationale procedures; controle door de Commissie; de oppositieprocedure en annulering van geografische aanduidingen; voorwaarden en vereisten voor de procedure betreffende wijzigingen van het productdossier; en wijzigingen van en afwijkingen van bepaalde definities en regels inzake omschrijving, presentatie en etikettering. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(12). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(32)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend met betrekking tot de bekendmaking van het enig document in het Publicatieblad van de Europese Unie en met betrekking tot besluiten tot registratie van namen als geografische aanduiding indien er geen aankondiging van bezwaar of indien een ontvankelijk met redenen omkleed bezwaarschrift is ingediend en er overeenstemming is bereikt.

(33)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de voorschriften inzake het gebruik van nieuwe zoetstoffen; inzake de door de lidstaten te verstrekken informatie over de instanties die zijn aangewezen om toezicht te houden op de rijpingsprocessen; de vermelding van het land van oorsprong of de plaats van herkomst in de omschrijving, presentatie of etikettering van gedistilleerde dranken; het gebruik van het symbool van de Unie voor beschermde geografische aanduidingen; met betrekking tot de gedetailleerde technische voorschriften inzake de Uniereferentiemethoden voor de analyse van ethylalcohol, distillaten uit landbouwproducten en gedistilleerde dranken, inzake de toekenning van een overgangsperiode voor het gebruik van geografische aanduidingen en de verlenging van deze perioden; de afwijzing van aanvragen wanneer niet reeds vóór de bekendmaking van de bezwaarschriften aan de registratievoorwaarden is voldaan; registraties of afwijzingen van geografische aanduidingen die worden bekendgemaakt met het oog op verzet indien een bezwaar is ingediend en er geen overeenstemming is bereikt; goedkeuringen of afwijzingen van wijzigingen van het productdossier door de Unie; goedkeuringen of afwijzingen van verzoeken tot annulering van de registratie van een geografische aanduiding; de vorm van het productdossier en inzake maatregelen betreffende de in het productdossier te verstrekken informatie over het verband tussen het geografische gebied en het eindproduct; procedures, vorm en indiening van aanvragen, van bezwaarschriften, van wijzigingsaanvragen en mededelingen inzake wijzigingen en van de annuleringsprocedure met betrekking tot geografische aanduidingen; de door de lidstaten te verrichten controles en verificaties; alsmede met betrekking tot de voor de toepassing van deze verordening uit te wisselen informatie. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(13).

(34)  Om de tenuitvoerlegging van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Japan betreffende een economisch partnerschap(14) te waarborgen, is het noodzakelijk te voorzien in een afwijking van de nominale hoeveelheden als vastgelegd in de bijlage bij Richtlijn 2007/45/EG van het Europees Parlement en de Raad(15) voor gedistilleerde dranken, om ervoor te zorgen dat eenmaal gedistilleerde shochu die in een alambiek is gestookt en is gebotteld in Japan in de Unie in de handel wordt gebracht in traditionele Japanse flessen. Deze afwijking is ingevoerd bij Verordening (EU) 2018/1670 van het Europees Parlement en de Raad(16) en moet blijven gelden.

(35) Gezien de aard en de omvang van de veranderingen die in Verordening (EG) nr. 110/2008 moeten worden aangebracht, is op dit gebied een nieuw wettelijk kader nodig om de rechtszekerheid, de duidelijkheid en de transparantie te vergroten. Verordening (EG) nr. 110/2008 moet derhalve worden ingetrokken.

▌(36) Ter vrijwaring van de legitieme belangen van de betrokken producenten of belanghebbenden wat betreft het benutten van de bekendheid die in het raamwerk van het nieuwe rechtskader aan enige documenten wordt gegeven, moet het mogelijk worden gemaakt dat enige documenten inzake geografische aanduidingen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 110/2008 zijn geregistreerd, op verzoek van de betrokken lidstaten worden bekendgemaakt.

(37)  Aangezien de voorschriften inzake geografische aanduidingen de bescherming van de marktdeelnemers verbeteren, moeten zij twee weken na de inwerkingtreding van deze verordening van toepassing zijn. Er moet echter worden voorzien in passende regelingen met het oog op een soepele overgang van de regels van Verordening (EG) nr. 110/2008 naar de regels van deze verordening ▌.

(38)  Wat betreft de regels die geen betrekking hebben op geografische aanduidingen, moet worden voorzien in voldoende tijd met het oog op een soepele overgang van de regels van Verordening (EG) nr. 110/2008 naar de regels van deze verordening.

(39)   Het afzetten van bestaande voorraden van gedistilleerde dranken moet na de toepassingsdatum van deze verordening kunnen doorgaan totdat die voorraden zijn uitverkocht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED, DEFINITIES EN CATEGORIEËN VAN GEDISTILLEERDE DRANKEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  In deze verordening worden regels vastgesteld voor:

–  de definitie, omschrijving, presentatie en etikettering van gedistilleerde dranken, alsmede voor de bescherming van de geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken;

–  ▌ethylalcohol en distillaten uit landbouwproducten die worden gebruikt bij de productie van alcoholhoudende dranken; en

–  ▌het gebruik van wettelijke benamingen van gedistilleerde dranken in de presentatie en etikettering van andere levensmiddelen dan gedistilleerde dranken.

2.  Deze verordening is van toepassing op alle in lid 1 bedoelde producten die in de Unie in de handel worden gebracht, ongeacht of deze in de Unie of in derde landen zijn bereid, alsmede op die welke in de Unie voor de uitvoer worden bereid.

3.  Wat betreft de bescherming van geografische aanduidingen is hoofdstuk III van deze verordening tevens van toepassing op goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen zonder dat zij daar in het vrije verkeer komen.

Artikel 2

Definitie van en vereisten voor gedistilleerde dranken

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "gedistilleerde drank" een alcoholhoudende drank verstaan die aan de volgende vereisten voldoet:

a)  hij is bestemd voor menselijke consumptie;

b)  hij heeft bijzondere organoleptische kenmerken;

c)  met uitzondering van gedistilleerde dranken die voldoen aan de in categorie 39 van bijlage I bepaalde vereisten, heeft hij een alcoholvolumegehalte van 15 % ▌;

d)  hij is bereid hetzij:

i)  ▌rechtstreeks aan de hand van een van de volgende methoden, afzonderlijk of in combinatie:

−  distillatie van ▌gegiste producten, al dan niet met toegevoegde aroma's of aromatiserende voedingsmiddelen,

−  maceratie of soortgelijke bewerkingen van plantaardige materialen in ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaten uit landbouwproducten of gedistilleerde dranken of een combinatie daarvan ▌,

−  de toevoeging van een van de volgende producten, afzonderlijk of in combinatie, aan ethylalcohol uit landbouwproducten, aan distillaten uit landbouwproducten of aan gedistilleerde dranken:

−  aroma's, gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1334/2008,

−  kleurstoffen, gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1333/2008,

−  andere toegestane ingrediënten gebruikt overeenkomstig Verordeningen (EG) nr. 1333/2008 en (EG) nr. 1334/2008,

−  ▌zoetstoffen,

−  andere landbouwproducten,

−  levensmiddelen; hetzij

ii)  ▌door toevoeging van een van de volgende producten, afzonderlijk of in combinatie:

−  andere gedistilleerde dranken;

−  ethylalcohol uit landbouwproducten;

−  distillaten uit landbouwproducten;

−  andere levensmiddelen;

e)  hij valt niet onder de GN-codes 2203, 2204, 2205, 2206 en 2207;

f)   indien water, dat gedistilleerd, gedemineraliseerd, gepermuteerd of verzacht kan zijn, bij de bereiding ervan is toegevoegd:

i)  voldoet de kwaliteit van dit water aan Richtlijn 98/83/EG van de Raad(17) en Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad(18); en

ii)  voldoet het alcoholgehalte van de gedistilleerde drank, na de toevoeging van het water, nog steeds aan het minimale alcoholvolumegehalte zoals bedoeld onder c) van dit artikel of zoals vastgelegd voor de betrokken categorie gedistilleerde drank in bijlage I.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "wettelijke benaming": de naam waaronder een gedistilleerde drank op de markt wordt gebracht in de zin van artikel 2, lid 2, onder n), van Verordening (EU) nr. 1169/2011;

2)  "samengestelde term": in verband met de omschrijving, presentatie en etikettering van een alcoholhoudende drank, de combinatie van hetzij een wettelijke benaming van de in bijlage I ▌ opgenomen categorieën gedistilleerde dranken hetzij de ▌geografische aanduiding voor een gedistilleerde drank ▌ waarvan alle alcohol van het eindproduct afkomstig is, met een of meer van de volgende termen:

a)  de naam van een of meer andere levensmiddelen dan alcoholhoudende dranken en dan levensmiddelen die ▌worden gebruikt voor de productie van die gedistilleerde drank overeenkomstig bijlage I, of een van deze naam afgeleid bijvoeglijk naamwoord;

b)  de term "likeur" of "room";

3)  "zinspeling": de directe of indirecte verwijzing naar een of meer wettelijke benamingen als opgenomen in de in bijlage I opgenomen categorieën gedistilleerde dranken ▌of naar een of meer geografische aanduidingen voor gedistilleerde dranken, die niet een verwijzing is in een samengestelde term of in lijsten van ingrediënten als bedoeld in artikel 13, leden 2, 3, en 4, in de omschrijving, presentatie en etikettering van:

a)  een ander levensmiddel dan een alcoholhoudende drank, of

b)  een gedistilleerde drank die voldoet aan de in categorieën 33 tot en met 40 van bijlage I bepaalde vereisten;

4)  "geografische aanduiding": een aanduiding die aangeeft dat een gedistilleerde drank zijn oorsprong op het grondgebied van een land of in een regio of plaats op dat grondgebied heeft, voor zover een bepaalde kwaliteit, faam of andere eigenschap van die gedistilleerde drank hoofdzakelijk aan zijn geografische oorsprong is toe te schrijven;

5)  "productdossier": een bij de aanvraag voor de bescherming van een geografische aanduiding gevoegd dossier waarin de specificaties waaraan de gedistilleerde drank moet voldoen, zijn vastgesteld en waar in Verordening (EG) nr. 110/2008 naar werd verwezen als een "technisch dossier";

6)  "groepering": elke organisatie, ongeacht haar rechtsvorm, die hoofdzakelijk bestaat uit producenten of verwerkers die met de gedistilleerde dranken in kwestie werken;

7)  "soortnaam": de naam van een gedistilleerde drank die een soortnaam is geworden en die weliswaar verband houdt met de plaats of de regio waar dit product oorspronkelijk werd bereid of in de handel werd gebracht, maar die de gangbare naam van een gedistilleerde drank in de Unie is geworden;

8)  "gezichtsveld": zichtbaar gedeelte in de zin van artikel 2, lid 2, onder k), van Verordening (EU) nr. 1169/2011;

9)  "mengen": het combineren van een gedistilleerde drank die hetzij tot een in bijlage I opgenomen categorie gedistilleerde dranken behoort, hetzij onder een geografische aanduiding valt, met een of meer van de volgende bestanddelen:

a)  andere gedistilleerde dranken die niet tot dezelfde in bijlage I opgenomen categorie van gedistilleerde dranken behoren;

b)  distillaten uit landbouwproducten;

c)  ethylalcohol uit landbouwproducten;

10)  "mengsel": een gedistilleerde drank die is gemengd;

11)   "blending": samenvoeging van twee of meer gedistilleerde dranken van dezelfde categorie die slechts nuanceverschillen in samenstelling vertonen als gevolg van een of meer van de volgende factoren:

a)  de productiemethode,

b)  de gebruikte distilleertoestellen;

c)  de rijpingsduur;

d)  het geografische productiegebied;

de aldus verkregen gedistilleerde drank behoort tot dezelfde categorie gedistilleerde dranken als de oorspronkelijke gedistilleerde dranken vóór de blending;

12)  "blend": een gedistilleerde drank die blending heeft ondergaan.

Artikel 4

Technische definities en vereisten

Voor de toepassing van deze verordening zijn de volgende technische definities en vereisten van toepassing:

1)  "omschrijving": de termen die worden gebruikt in de etikettering, de presentatie en de verpakking van gedistilleerde dranken, in de documenten die een gedistilleerde drank bij het vervoer ervan vergezellen, in de handelsdocumenten, vooral de facturen en de leveringsbonnen, en in reclame voor een gedistilleerde drank;

2)  "presentatie": de termen die worden gebruikt in de etikettering en op de verpakking, alsmede in reclame en bij promotie van een product, in afbeeldingen en dergelijke, evenals op de recipiënt, met inbegrip van de fles en de sluiting;

3)   "etikettering": de vermeldingen, aanwijzingen, fabrieks- of handelsmerken, afbeeldingen of tekens die betrekking hebben op een product en voorkomen op enig verpakkingsmiddel, document, schriftstuk, etiket, band of label dat bij een dergelijk product is gevoegd of daarop betrekking heeft;

4)  "etiket": label, merknaam, merkteken, afbeelding of ander beschrijvend materiaal, geschreven, gedrukt, gestencild, als merkteken aangebracht, in reliëf uitgevoerd of ingeperst op of bevestigd aan een levensmiddelenverpakking of -recipiënt;

5)  "verpakking": beschermende omhulsels, kartons, kisten, recipiënten en flessen die worden gebruikt voor het vervoer of de verkoop van gedistilleerde dranken;

6)  "distillatie": een thermisch scheidingsproces met een of meer scheidingsstappen bedoeld om bepaalde organoleptische eigenschappen of een hoger alcoholgehalte of beide te bewerkstelligen, ongeacht of zulke stappen onder normale druk of onder vacuüm plaatsvinden, vanwege de gebruikte distillatie-apparatuur; het kan zowel enkelvoudige als meervoudige distillatie of herdistillatie betreffen;

7)  "distillaat uit landbouwproducten": een alcoholhoudende vloeistof die is verkregen door in bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten te distilleren na alcoholische vergisting ervan, die niet de kenmerken van ethylalcohol vertoont, en die een aroma en smaak van de gebruikte grondstoffen heeft behouden;

8)  "verzoeten": het gebruik van een of meer zoetstoffen bij de bereiding van gedistilleerde dranken;

9)  "zoetstoffen":

a)  halfwitte suiker, witte suiker, geraffineerde witte suiker, dextrose, fructose, glucosestroop, vloeibare suiker, vloeibare invertsuiker en invertsuikerstroop zoals gedefinieerd in deel A van de bijlage bij Richtlijn 2001/111/EG van de Raad(19);

b)  gerectificeerde geconcentreerde druivenmost, geconcentreerde druivenmost en verse druivenmost;

c)  gekaramelliseerde suiker (karamel), waaronder wordt verstaan het product dat uitsluitend is verkregen door beheerste verhitting van sacharose zonder toevoeging van basen, minerale zuren of andere chemische additieven;

d)  honing in de zin van punt 1 van bijlage I bij Richtlijn 2001/110/EG van de Raad(20);

e)  sint-jansbroodstroop;

f)  andere natuurlijke koolhydraten die een soortgelijke werking hebben als de onder a) tot en met e) bedoelde;

10)  "toevoeging van alcohol": bewerking waarbij ethylalcohol uit landbouwproducten, distillaten uit landbouwproducten of beide worden toegevoegd aan een gedistilleerde drank; het gebruik van alcohol voor het verdunnen of oplossen van kleurstoffen, aroma's of andere toegestane ingrediënten die bij de bereiding van gedistilleerde dranken worden gebruikt, valt niet onder de toevoeging van alcohol;

11)  "rijping": het gedurende een periode bewaren van een gedistilleerde drank in passende recipiënten, zodat deze gedistilleerde drank natuurlijke reacties kan ondergaan die de gedistilleerde drank specifieke kenmerken verschaffen;

12)  "aromatiseren": het toevoegen van aroma's of aromatiserende voedingsmiddelen bij de bereiding van een gedistilleerde drank door middel van een of meer van de volgende processen: toevoeging, infusie, maceratie, alcoholische vergisting, of distillatie van de alcohol met gebruikmaking van de aroma's of aromatiserende voedingsmiddelen;

13)  "aroma's": aroma's in de zin van artikel 3, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 1334/2008;

14)  "aromastof": aromastof in de zin van artikel 3, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 1334/2008;

15)  "natuurlijke aromastof": natuurlijke aromastof in de zin van artikel 3, lid 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1334/2008;

16)  "aromatiserend preparaat": aromatiserend preparaat in de zin van artikel 3, lid 2, onder d), van Verordening (EG) nr. 1334/2008;

17)  "overig aroma": overig aroma in de zin van artikel 3, lid 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 1334/2008;

18)  "aromatiserende voedingsmiddelen": voedingsmiddelen in de zin van artikel 2 van verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad(21) die bij de bereiding van gedistilleerde dranken worden gebruikt met als belangrijkste doel deze te aromatiseren;

19)  "kleuren": het gebruik van een of meer kleurstoffen bij de bereiding van gedistilleerde dranken;

20)  "kleurstof": kleurstof in de zin van punt 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1333/2008;

21)  "karamel": een levensmiddelenadditief met E-nummers E 150a, E 150b, E 150c of E 150d, dat verband houdt met producten van min of meer bruine kleur die zijn bestemd voor kleuring, als bedoeld in deel B van bijlage II van Verordening (EG) nr. 1333/2008; het komt niet overeen met het zoete aromatische product dat wordt verkregen door verhitting van suiker en dat als aroma wordt gebruikt;

22)  "andere toegestane ingrediënten": voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen die zijn toegestaan uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1334/2008 en levensmiddelenadditieven die geen kleurstoffen zijn die zijn toegestaan uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1333/2008;

23)  "alcoholvolumegehalte": de verhouding tussen het volume zuivere alcohol dat bij een temperatuur van 20 °C in het betrokken product aanwezig is, en het totale volume van dat product bij dezelfde temperatuur;

24)  "gehalte aan vluchtige stoffen": gehalte aan andere vluchtige stoffen dan ethylalcohol en methanol in een uitsluitend door distillatie bereide gedistilleerde drank.

Artikel 5

Definitie van en vereisten voor ethylalcohol uit landbouwproducten

Voor de toepassing van deze verordening wordt onder "ethylalcohol uit landbouwproducten" een vloeistof verstaan die aan de volgende vereisten voldoet:

a)