Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 28 maart 2019 - Straatsburg 
Vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo) ***I
 Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I
 Verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures ***I
 Voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen en doorgifte van televisie- en radioprogramma's ***I
 Vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) ***I
 'Erasmus': het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport ***I
 Totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen ***I
 Raming van de ontvangsten en uitgaven voor het begrotingsjaar 2020 - Afdeling I - Europees Parlement
 Noodsituatie in Venezuela
 Stand van zaken ten aanzien van de rechtsstaat en de strijd tegen corruptie binnen de EU, in het bijzonder in Malta en Slowakije
 Recente ontwikkelingen in het dieselgateschandaal
 Besluit tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit

Vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo) ***I
PDF 117kWORD 43k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (Kosovo*) (COM(2016)0277 – C8-0177/2016 – 2016/0139(COD))
P8_TA(2019)0319A8-0261/2016

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water ***I
PDF 371kWORD 116k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (herschikking) (COM(2017)0753 – C8-0019/2018 – 2017/0332(COD))
P8_TA-PROV(2019)0320A8-0288/2018

(Gewone wetgevingsprocedure – herschikking)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0753),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0019/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de Tsjechische Kamer van Afgevaardigden, het Ierse parlement, de Oostenrijkse Bondsraad en het Britse Lagerhuis, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité, van 12 juli 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 16 mei 2018(2),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 28 november 2001 over een systematischer gebruik van de herschikking van besluiten(3),

–  gezien de brief van 18 mei 2018 van de Commissie juridische zaken aan de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 104, lid 3, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 104 en 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0288/2018),

A.  overwegende dat het voorstel van de Commissie volgens de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie geen andere inhoudelijke wijzigingen bevat dan die welke als zodanig in het voorstel worden vermeld en dat met betrekking tot de codificatie van de ongewijzigde bepalingen van de eerdere besluiten met die wijzigingen kan worden geconstateerd dat het voorstel louter een codificatie van de bestaande besluiten behelst, zonder inhoudelijke wijzigingen;

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(4), rekening houdend met de aanbevelingen van de adviesgroep van de juridische diensten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendementen 161, 187, 206 en 213
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Bij Richtlijn 98/83/EG is het rechtskader vastgesteld voor de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is. Met deze richtlijn moet hetzelfde doel worden nagestreefd. Daartoe moeten op het niveau van de Unie minimumvereisten worden vastgesteld waaraan voor dit doel bestemd water moet voldoen. De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water vrij is van micro-organismen, parasieten en stoffen die, in bepaalde gevallen, een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormen, en dat het aan deze minimumvereisten voldoet.
(2)  Bij Richtlijn 98/83/EG is het rechtskader vastgesteld voor de bescherming van de volksgezondheid tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is. Met deze richtlijn moet hetzelfde doel worden nagestreefd en moet de universele toegang tot zulk water voor iedereen in de Unie worden verzekerd. Daartoe moeten op het niveau van de Unie minimumvereisten worden vastgesteld waaraan voor dit doel bestemd water moet voldoen. De lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat voor menselijke consumptie bestemd water vrij is van micro-organismen, parasieten en stoffen die, in bepaalde gevallen, een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormen, en dat het aan deze minimumvereisten voldoet.
Amendement 2
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   In overeenstemming met de mededeling van 2 december 2015 van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's getiteld "Maak de cirkel rond - Een EU-actieplan voor de circulaire economie", moet in deze richtlijn worden gestreefd naar het bevorderen van waterbronnenefficiëntie en duurzaamheid, waarmee wordt aangesloten bij de doelstellingen van de circulaire economie.
Amendement 3
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)   Het recht van de mens op water en sanitaire voorzieningen is door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 28 juli 2010 als mensenrecht erkend, en de toegang tot schoon drinkbaar water mag dus niet beperkt zijn als gevolg van de onbetaalbaarheid ervan voor de eindgebruiker.
Amendement 4
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quater (nieuw)
(2 quater)   Het is noodzakelijk samenhang tot stand te brengen tussen Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis en onderhavige richtlijn.
_________________
1 bis Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
Amendement 5
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 quinquies (nieuw)
(2 quinquies)   De in deze richtlijn opgenomen vereisten moeten een afspiegeling vormen van de nationale situatie en de positie van waterleveranciers in de lidstaten.
Amendement 6
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Het is noodzakelijk, natuurlijk mineraalwater en als geneesmiddel gebruikt water van deze richtlijn uit te sluiten, aangezien deze soorten water respectievelijk vallen onder Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad68 en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad69. Richtlijn 2009/54/EG heeft echter zowel betrekking op natuurlijk mineraalwater als op bronwater, en alleen de eerstgenoemde categorie moet van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. Overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2009/54/EG, moet bronwater aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen. In het geval van voor menselijke consumptie bestemd water voor verkoop in flessen of verpakkingen, of voor gebruik bij de vervaardiging, de bereiding of de behandeling van levensmiddelen, moet het water aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen tot aan de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan (d.w.z. de kraan), overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad7.
(3)  Het is noodzakelijk, natuurlijk mineraalwater en als geneesmiddel gebruikt water van deze richtlijn uit te sluiten, aangezien deze soorten water respectievelijk vallen onder Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad68 en Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad69. Richtlijn 2009/54/EG heeft echter zowel betrekking op natuurlijk mineraalwater als op bronwater, en alleen de eerstgenoemde categorie moet van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten. Overeenkomstig artikel 9, lid 4, derde alinea, van Richtlijn 2009/54/EG, moet bronwater aan de bepalingen van deze richtlijn voldoen. Deze verplichting mag echter niet worden uitgebreid naar de microbiologische parameters die worden vermeld in deel A van bijlage I bij deze richtlijn. In het geval van voor menselijke consumptie bestemd water afkomstig uit het openbaar waterleidingnet of particuliere bronnen en dat bestemd is voor verkoop in flessen of verpakkingen, of voor gebruik bij de commerciële vervaardiging, de bereiding of de behandeling van levensmiddelen, moet het water in beginsel aan de bepalingen van deze richtlijn blijven voldoen tot aan de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, en moet het vervolgens als een levensmiddel worden beschouwd overeenkomstig artikel 2, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad70. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten de bevoegdheid hebben om hergebruik van water in de voedingsmiddelenindustrie toe te staan, mits aan de toepasselijke voedselveiligheidseisen wordt voldaan.
_________________
_________________
68 Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (Herschikking) (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45).
68 Richtlijn 2009/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de exploitatie en het in de handel brengen van natuurlijk mineraalwater (Herschikking) (PB L 164 van 26.6.2009, blz. 45).
69 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
69 Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).
70 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
70 Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
Amendement 7
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Na de afsluiting van het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water (Right2Water)71, is een openbare raadpleging en een evaluatie in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van Richtlijn 98/83/EG uitgevoerd72. Uit die exercitie is gebleken dat het nodig was sommige bepalingen van Richtlijn 98/83/EG bij te werken. Er zijn vier gebieden aangewezen waar er ruimte voor verbetering is, te weten de lijst met parameterwaarden op kwaliteitsbasis, het beperkte gebruik van een op risico’s gebaseerde benadering, de vage bepalingen over consumentenvoorlichting en de verschillen tussen de goedkeuringssystemen voor materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water. Daarnaast heeft het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water nog op het bijkomende probleem gewezen dat een deel van de bevolking, met name gemarginaliseerde groepen, geen toegang heeft tot voor menselijke consumptie bestemd water, terwijl het waarborgen van die toegang ook een verplichting in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Agenda 2030 van de VN vormt. Tot slot is nog het probleem geconstateerd dat er sprake is van een algemeen gebrek aan bewustzijn omtrent waterlekken, die gerelateerd zijn aan een gebrek aan investeringen in onderhoud en vernieuwing van de waterinfrastructuur, zoals ook wordt opgemerkt in het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de waterinfrastructuur73.
(4)  Na de afsluiting van het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water (Right2Water)71, waarin de Unie werd opgeroepen meer te doen om universele toegang tot water te bewerkstelligen, is een openbare raadpleging en een evaluatie in het kader van het programma voor gezonde en resultaatgerichte regelgeving (Refit) van Richtlijn 98/83/EG uitgevoerd72. Uit die exercitie is gebleken dat het nodig was sommige bepalingen van Richtlijn 98/83/EG bij te werken. Er zijn vier gebieden aangewezen waar er ruimte voor verbetering is, te weten de lijst met parameterwaarden op kwaliteitsbasis, het beperkte gebruik van een op risico’s gebaseerde benadering, de vage bepalingen over consumentenvoorlichting en de verschillen tussen de goedkeuringssystemen voor materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en de gevolgen hiervan voor de volksgezondheid. Daarnaast heeft het Europees burgerinitiatief inzake het recht op water nog op het bijkomende probleem gewezen dat een deel van de bevolking, onder kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, beperkte of geen toegang heeft tot betaalbaar voor menselijke consumptie bestemd water, terwijl het waarborgen van die toegang ook een verplichting in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Agenda 2030 van de VN vormt. In dit verband heeft het Europees Parlement erkend dat de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie een recht is. Tot slot is nog het probleem geconstateerd dat er sprake is van een algemeen gebrek aan bewustzijn omtrent waterlekken, die gerelateerd zijn aan een gebrek aan investeringen in onderhoud en vernieuwing van de waterinfrastructuur, zoals ook wordt opgemerkt in het speciale verslag van de Europese Rekenkamer over de waterinfrastructuur73, en aan de soms gebrekkige kennis van watersystemen.
_________________
_________________
71 COM(2014)0177.
71 COM(2014)0177.
72 SWD(2016)0428.
72 SWD(2016)0428.
73 Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer SR 12/2017: "Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig".
73 Speciaal verslag van de Europese Rekenkamer SR 12/2017: "Uitvoering van de drinkwaterrichtlijn: betere kwaliteit van en toegang tot water in Bulgarije, Hongarije en Roemenië, maar nog steeds aanzienlijke investeringen nodig".
Amendement 8
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Om de ambitieuze doelstellingen te kunnen verwezenlijken die zijn vastgesteld in het kader van duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de Verenigde Naties, moeten de lidstaten worden verplicht actieplannen ten uitvoer te leggen om uiterlijk in 2030 een universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te waarborgen.
Amendement 9
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)   Het Europees Parlement heeft op 8 september 2015 een resolutie aangenomen over de follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water".
Amendement 11
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Voor menselijke consumptie bestemd water speelt een essentiële rol bij de lopende inspanningen van de Unie ter versterking van de bescherming van de volksgezondheid en het milieu tegen hormoonontregelende chemische stoffen. De regulering van hormoonontregelende verbindingen in deze richtlijn vormt een veelbelovende stap in de richting van een geactualiseerde Unie-strategie inzake hormoonontregelaars, die door de Commissie zonder verdere vertraging moet worden voorgelegd.
Amendement 13
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Indien de wetenschappelijke kennis ontoereikend is om het al dan niet aanwezige risico voor de volksgezondheid of de toelaatbare waarde van een stof in voor menselijke consumptie bestemd water vast te stellen, moet deze stof op grond van het voorzorgsbeginsel en in afwachting van duidelijkere wetenschappelijke gegevens op een lijst van te monitoren stoffen worden geplaatst. Daarom dienen de lidstaten dergelijke nieuwe parameters afzonderlijk te controleren.
Amendement 14
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)   Indicatorparameters hebben geen rechtstreeks effect op de volksgezondheid. Zij zijn evenwel belangrijk als middel om vast te stellen hoe de waterproductie- en waterdistributievoorzieningen functioneren en om de waterkwaliteit te beoordelen. Zij kunnen van nut zijn om tekortkomingen in de waterbehandeling op te sporen en dragen er tevens in belangrijke mate toe bij het vertrouwen van de consument in de waterkwaliteit te behouden en te vergroten. Daarom moeten zij door de lidstaten worden gecontroleerd.
Amendement 15
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7
(7)  Wanneer dit ter bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied noodzakelijk is, moeten de lidstaten ertoe worden verplicht waarden voor aanvullende, niet in bijlage I opgenomen parameters vaststellen .
(7)  Wanneer dit voor de volle toepassing van het voorzorgsbeginsel en ter bescherming van de volksgezondheid op hun grondgebied noodzakelijk is, moeten de lidstaten ertoe worden verplicht waarden voor aanvullende, niet in bijlage I opgenomen parameters vast te stellen.
Amendement 16
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8
(8)  Preventieve veiligheidsplanning en op risico's gebaseerde elementen zijn slechts in beperkte mate in Richtlijn 98/83/EG aan bod gekomen. De eerste elementen van een op risico's gebaseerde benadering zijn reeds in 2015 ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2015/1787, waarbij Richtlijn 98/83/EG werd gewijzigd om het de lidstaten toe te staan af te wijken van de controleprogramma's die zij hebben vastgesteld, mits geloofwaardige risicobeoordelingen worden uitgevoerd, die gebaseerd kunnen zijn op de Richtsnoeren voor de kwaliteit van drinkwater van de WHO76. Die richtsnoeren, waarin het zogenaamde "waterveiligheidsplan" wordt vastgesteld, vormen, samen met norm EN 15975-2 inzake het veiligstellen van de drinkwatervoorziening, internationaal erkende beginselen waarop de productie, de distributie, de controle en de analyse van de parameters van voor menselijke consumptie bestemd water zijn gebaseerd. Zij moeten in deze richtlijn worden gehandhaafd. Om ervoor te zorgen dat die beginselen niet tot controleaspecten beperkt blijven, om tijd en middelen vooral te richten op belangrijke risico’s en kosteneffectieve maatregelen aan de bron, en om te voorkomen dat analyses en inspanningen worden verspild aan irrelevante kwesties, is het passend een complete, op risico’s gebaseerde benadering in te voeren in de hele toeleveringsketen, van het onttrekkingsgebied via de distributie tot aan de kraan. Die benadering moet uit drie onderdelen bestaan: in de eerste plaats een beoordeling door de lidstaat van de gevaren in verband met het onttrekkingsgebied ("gevarenbeoordeling"), overeenkomstig de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO77; in de tweede plaats een mogelijkheid voor de waterleverancier om de controle aan te passen aan de belangrijkste risico’s ("leveringsrisicobeoordeling"); en op de derde plaats een beoordeling door de lidstaat van de mogelijke risico's die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet (bv. Legionella of lood) ("risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet"). Die beoordelingen moeten op gezette tijden worden herzien, onder meer naar aanleiding van bedreigingen ten gevolge van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden, bekende veranderingen in de menselijke activiteit in het onttrekkingsgebied, of brongerelateerde incidenten. De op risico's gebaseerde benadering zorgt voor een voortdurende uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten en de waterleveranciers.
(8)  Preventieve veiligheidsplanning en op risico's gebaseerde elementen zijn slechts in beperkte mate in Richtlijn 98/83/EG aan bod gekomen. De eerste elementen van een op risico's gebaseerde benadering zijn reeds in 2015 ingevoerd bij Richtlijn (EU) 2015/1787, waarbij Richtlijn 98/83/EG werd gewijzigd om het de lidstaten toe te staan af te wijken van de controleprogramma's die zij hebben vastgesteld, mits geloofwaardige risicobeoordelingen worden uitgevoerd, die gebaseerd kunnen zijn op de Richtsnoeren voor de kwaliteit van drinkwater van de WHO76. Die richtsnoeren, waarin het zogenaamde "waterveiligheidsplan" wordt vastgesteld, vormen, samen met norm EN 15975-2 inzake het veiligstellen van de drinkwatervoorziening, internationaal erkende beginselen waarop de productie, de distributie, de controle en de analyse van de parameters van voor menselijke consumptie bestemd water zijn gebaseerd. Zij moeten in deze richtlijn worden gehandhaafd. Om ervoor te zorgen dat die beginselen niet tot controleaspecten beperkt blijven, om tijd en middelen vooral te richten op belangrijke risico’s en kosteneffectieve maatregelen aan de bron, en om te voorkomen dat analyses en inspanningen worden verspild aan irrelevante kwesties, is het passend een complete, op risico’s gebaseerde benadering in te voeren in de hele toeleveringsketen, van het onttrekkingsgebied via de distributie tot aan de kraan. Die benadering moet berusten op de reeds verworven kennis en op de maatregelen die zijn uitgevoerd in het kader van Richtlijn 2000/60/EG en moet beter rekening houden met de gevolgen van de klimaatverandering voor de watervoorraden. Een op risico's gebaseerde benadering moet uit drie onderdelen bestaan: in de eerste plaats een beoordeling door de lidstaat van de gevaren in verband met het onttrekkingsgebied ("gevarenbeoordeling"), overeenkomstig de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO77; in de tweede plaats een mogelijkheid voor de waterleverancier om de controle aan te passen aan de belangrijkste risico’s ("leveringsrisicobeoordeling"); en op de derde plaats een beoordeling door de lidstaat van de mogelijke risico's die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet (bv. Legionella of lood), met bijzondere aandacht voor prioritaire percelen ("risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet"). Die beoordelingen moeten op gezette tijden worden herzien, onder meer naar aanleiding van bedreigingen ten gevolge van klimaatgerelateerde extreme weersomstandigheden, bekende veranderingen in de menselijke activiteit in het onttrekkingsgebied, of brongerelateerde incidenten. Bij de op risico's gebaseerde benadering vindt een voortdurende uitwisseling van informatie plaats tussen de bevoegde autoriteiten, waterleveranciers en andere belanghebbenden, met inbegrip van degenen die verantwoordelijk zijn voor de bron van verontreiniging of het risico op verontreiniging. Bij wijze van uitzondering moet de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering worden aangepast aan de specifieke eisen voor zeeschepen die water ontzilten en passagiers aan boord hebben. Zeeschepen die onder Europese vlag varen, volgen namelijk het internationale regelgevende kader wanneer ze in internationale wateren varen. Bovendien zijn er specifieke eisen voor het vervoer en de productie van voor menselijke consumptie bestemd drinkwater aan boord die een aanpassing van de bepalingen van deze richtlijn vereisen.
_________________
_________________
76 Richtsnoeren voor de drinkwaterkwaliteit, vierde editie, Wereldgezondheidsorganisatie, 2011 http://www.who.int/water_sanitation_health/publications/2011/dwq_guidelines/en/index.html.
76 Richtsnoeren voor de drinkwaterkwaliteit, vierde editie, Wereldgezondheidsorganisatie, 2011 http://www.who.int/water_sanitation_health/publications/2011/dwq_guidelines/en/index.html.
77 Handboek voor het waterveiligheidsplan: stapsgewijs risicobeheer voor drinkwaterleveranciers, Wereldgezondheidsorganisatie, 2009, http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/75141/1/9789241562638_eng.pdf.
77 Handboek voor het waterveiligheidsplan: stapsgewijs risicobeheer voor drinkwaterleveranciers, Wereldgezondheidsorganisatie, 2009, http://apps.who.int/iris/bitstream/10665/75141/1/9789241562638_eng.pdf.
Amendement 17
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Inefficiënt watergebruik, met name lekken in de watervoorzieningsinfrastructuur, leidt tot overexploitatie van de schaarse voorraden van voor menselijke consumptie bestemd water. Dit vormt een ernstige belemmering voor de verwezenlijking door de lidstaten van de in Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde doelstellingen.
Amendement 18
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  De gevarenbeoordeling moet zijn gericht op vermindering van het vereiste niveau van de behandeling voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water, bijvoorbeeld door het terugdringen van belastende factoren die zorgen voor de verontreiniging van waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt. Daartoe moeten de lidstaten gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging identificeren die van belang zijn voor die waterlichamen en controleren op verontreinigende stoffen die zij als relevant aanmerken, bijvoorbeeld op grond van de geïdentificeerde gevaren (bv. microplastics, nitraten, bestrijdingsmiddelen of geneesmiddelen die krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad78 zijn geïdentificeerd), op grond van hun natuurlijke aanwezigheid in het onttrekkingsgebied (bv. arseen) of op grond van informatie van de waterleveranciers (bv. plotselinge toename van een specifieke parameter in ruw water). Die parameters moeten als markers worden gebruikt die de bevoegde autoriteiten ertoe zetten maatregelen te nemen om de druk op de waterlichamen te verminderen, bijvoorbeeld preventieve of verzachtende maatregelen (waar nodig met inbegrip van onderzoek naar de effecten op de gezondheid), en om die waterlichamen te beschermen en de verontreinigingsbron aan te pakken, in samenwerking met de waterleveranciers en belanghebbenden.
(9)  De gevarenbeoordeling moet zijn gebaseerd op een holistische risicobeoordelingsaanpak en uitdrukkelijk zijn gericht op vermindering van het vereiste niveau van de behandeling voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water, bijvoorbeeld door het terugdringen van belastende factoren die zorgen voor de verontreiniging of een risico op verontreiniging van waterlichamen die voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water worden gebruikt. Daartoe moeten de lidstaten gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging identificeren die van belang zijn voor die waterlichamen en controleren op verontreinigende stoffen die zij als relevant aanmerken, bijvoorbeeld op grond van de geïdentificeerde gevaren (bv. microplastics, nitraten, bestrijdingsmiddelen of geneesmiddelen die krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad78 zijn geïdentificeerd), op grond van hun natuurlijke aanwezigheid in het onttrekkingsgebied (bv. arseen) of op grond van informatie van de waterleveranciers (bv. plotselinge toename van een specifieke parameter in ruw water). Die parameters moeten overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG als markers worden gebruikt die de bevoegde autoriteiten ertoe zetten maatregelen te nemen om de druk op de waterlichamen te verminderen, bijvoorbeeld preventieve of verzachtende maatregelen (waar nodig met inbegrip van onderzoek naar de effecten op de gezondheid), en om die waterlichamen te beschermen en de verontreinigingsbron of het verontreinigingsrisico aan te pakken, in samenwerking met alle belanghebbenden, met inbegrip van die welke verantwoordelijk zijn voor (mogelijke) verontreinigingsbronnen. Indien een lidstaat door middel van de gevarenbeoordeling constateert dat een bepaalde parameter niet van toepassing is in een bepaald onttrekkingsgebied, bijvoorbeeld doordat een stof niet voorkomt in het grond- of oppervlaktewater, dient de lidstaat de desbetreffende waterleveranciers hiervan in kennis te stellen en moet hij kunnen toestaan dat die waterleveranciers de controlefrequentie voor die parameter verlagen of die parameter van de lijst van te controleren parameters schrappen zonder dat zij een leveringsrisicobeoordeling hoeven uit te voeren.
_________________
_________________
78 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
78 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
Amendement 19
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Aan de parameterwaarden die worden gebruik om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te beoordelen, moet worden voldaan op de plaats waar voor menselijke consumptie bestemd water voor de verbruiker beschikbaar is. De kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water kan echter door het huishoudelijk leidingnet worden beïnvloed. De WHO stelt vast dat Legionella in de Unie het grootste probleem voor de gezondheid vormt waar het watergedragen ziekteverwekkers betreft. Legionella wordt door warmwatersystemen via inademing overgedragen, bijvoorbeeld tijdens het douchen. Er is derhalve een duidelijk verband met het huishoudelijk leidingnet. Aangezien het opleggen van een eenzijdige verplichting om alle particuliere en openbare percelen op deze ziekteverwekker te controleren, tot onredelijk hoge kosten zou leiden, is een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet derhalve beter geschikt om deze kwestie aan te pakken. Daarnaast moeten ook de mogelijke risico’s van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, in aanmerking worden genomen in de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet. De risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet moet daarom onder meer bestaan uit gerichte controle van prioritaire percelen, beoordeling van de risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet en de daarmee samenhangende producten en materialen, en controle van de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, op basis van de prestatieverklaring overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad79. Samen met de prestatieverklaring moet ook de in de artikelen 31 en 33 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad80 bedoelde informatie worden verstrekt. Op basis van deze beoordeling moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om er onder meer voor te zorgen dat er geschikte controle- en beheersmaatregelen (bv. in het geval van uitbraken) van kracht zijn, in lijn met de richtsnoeren van de WHO81, en dat de migratie uit bouwproducten geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt. Onverminderd Verordening (EU) nr. 305/2011 moeten, wanneer deze maatregelen zouden leiden tot beperkingen van het vrije verkeer van producten en materialen in de Unie, deze beperkingen echter naar behoren worden gemotiveerd en strikt evenredig zijn, en mogen zij geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de lidstaten vormen.
(11)  Aan de parameterwaarden die worden gebruik om de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water te beoordelen, moet worden voldaan op de plaats waar voor menselijke consumptie bestemd water voor de verbruiker beschikbaar is. De kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water kan echter door het huishoudelijk leidingnet worden beïnvloed. De WHO stelt vast dat Legionella in de Unie het grootste probleem voor de gezondheid vormt waar het watergedragen ziekteverwekkers betreft, met name de bacterie Legionella pneumophila, die verantwoordelijk is voor de meeste gevallen van veteranenziekte in de Unie. Legionella wordt door warmwatersystemen via inademing overgedragen, bijvoorbeeld tijdens het douchen. Er is derhalve een duidelijk verband met het huishoudelijk leidingnet. Aangezien het opleggen van een eenzijdige verplichting om alle particuliere en openbare percelen op deze ziekteverwekker te controleren, tot onredelijk hoge kosten zou leiden en tegen het subsidiariteitsbeginsel zou indruisen, is een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan prioritaire percelen, derhalve beter geschikt om deze kwestie aan te pakken. Daarnaast moeten ook de mogelijke risico’s van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, in aanmerking worden genomen in de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet. De risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet moet daarom onder meer bestaan uit gerichte controle van prioritaire percelen, beoordeling van de risico’s die voortvloeien uit het huishoudelijk leidingnet en de daarmee samenhangende producten en materialen, en controle van de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, op basis van de prestatieverklaring overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad80. Op basis van deze beoordeling moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om er onder meer voor te zorgen dat er geschikte controle- en beheersmaatregelen (bv. in het geval van uitbraken) van kracht zijn, in lijn met de richtsnoeren van de WHO81, en dat de migratie uit stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water geen gevaar voor de volksgezondheid inhoudt.
_________________
_________________
79 Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).
80 Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
80 Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).
81 "Legionella and the prevention of Legionellosis", Wereldgezondheidsorganisatie, 2007,
81 "Legionella and the prevention of Legionellosis", Wereldgezondheidsorganisatie, 2007,
Amendement 20
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  De bepalingen van Richtlijn 98/83/EG inzake de waarborging van de kwaliteit van behandeling, installatie en materialen zijn er niet in geslaagd belemmeringen voor de interne markt aan te pakken waar het het vrije verkeer van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water betreft. Er zijn nog steeds nationale goedkeuringsregelingen voor producten van kracht, met regels die van de ene lidstaat tot de andere verschillen. Hierdoor is het moeilijk en duur voor de fabrikanten om hun producten in de hele EU op de markt te brengen. De opheffing van technische belemmeringen kan alleen doeltreffend worden verwezenlijkt door geharmoniseerde technische specificaties voor bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water vast te stellen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011. Die verordening voorziet in de ontwikkeling van Europese normen voor het harmoniseren van beoordelingsmethoden voor bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en in het vaststellen van drempelniveaus en klassen met betrekking tot het prestatieniveau van een essentieel kenmerk. Daartoe is in het werkprogramma 2017 voor normalisatie82 een normalisatieverzoek opgenomen waarin specifiek wordt verzocht om normalisatiewerkzaamheden op het gebied van hygiëne en veiligheid voor producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011, en uiterlijk in 2018 moet een norm hieromtrent zijn uitgevaardigd. De bekendmaking van deze geharmoniseerde norm in het Publicatieblad van de Europese Unie zal zorgen voor rationele besluitvorming bij het in de handel brengen of op de markt aanbieden van veilige bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water. Bijgevolg moeten de bepalingen inzake installaties en materiaal die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden geschrapt, deels worden vervangen door bepalingen inzake de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, en worden aangevuld met de desbetreffende geharmoniseerde normen in het kader van Verordening (EU) nr. 305/2011.
(12)  De bepalingen van Richtlijn 98/83/EG inzake de waarborging van de kwaliteit van behandeling, installatie en materialen zijn er niet in geslaagd belemmeringen voor de interne markt aan te pakken waar het het vrije verkeer van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water of een toereikende bescherming van de volksgezondheid betreft. Er zijn nog steeds nationale goedkeuringsregelingen voor producten van kracht, met regels die van de ene lidstaat tot de andere verschillen. Hierdoor is het moeilijk en duur voor de fabrikanten om hun producten in de hele EU op de markt te brengen. Deze situatie is toe te schrijven aan het feit dat er geen Europese minimumnormen op het gebied van hygiëne bestaan voor alle producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water, terwijl dit toch een absolute voorwaarde is om te komen tot volledige wederzijdse erkenning tussen de lidstaten. De opheffing van technische belemmeringen en de conformiteit van alle producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water op het niveau van de Unie kunnen dus alleen maar doeltreffend worden verwezenlijkt door op het niveau van de Unie minimumkwaliteitsvereisten vast te stellen. Bijgevolg moeten deze bepalingen worden versterkt aan de hand van een harmonisatieprocedure voor dergelijke producten en materialen. Deze werkzaamheden dienen voort te bouwen op de ervaring die is opgedaan en de vooruitgang die is geboekt door verschillende lidstaten die hun inspanningen sinds een aantal jaren bundelen om voor convergentie van de regelgeving te zorgen.
_________________
82 SWD(2016)0185.
Amendement 21
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat programma’s worden vastgesteld om te controleren of voor menselijke consumptie bestemd water aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet. Het grootste deel van de krachtens deze richtlijn uitgevoerde controles wordt door de waterleveranciers verricht. De waterleveranciers moet een zekere soepelheid worden gegund wat betreft de parameters waarop zij voor de leveringsrisicobeoordeling controleren. Indien een parameter niet wordt aangetroffen, moeten de waterleveranciers de mogelijkheid hebben de controlefrequentie te verlagen of de controles op die parameter helemaal stop te zetten. De leveringsrisicobeoordeling moet op de meeste parameters worden toegepast. Er moet echter een lijst met kernparameters zijn waarop met een bepaalde minimumfrequentie wordt gecontroleerd. Deze richtlijn bevat vooral bepalingen over de controlefrequentie ten behoeve van nalevingscontroles en slechts beperkte bepalingen inzake controle voor operationele doeleinden. Aanvullende controle voor operationele doeleinden kan noodzakelijk zijn om de correcte werking van de waterbehandeling te waarborgen, naar goeddunken van de waterleveranciers. In dat verband kunnen waterleveranciers de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO raadplegen.
(13)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat programma’s worden vastgesteld om te controleren of voor menselijke consumptie bestemd water aan de voorschriften van deze richtlijn voldoet. Het grootste deel van de krachtens deze richtlijn uitgevoerde controles wordt door de waterleveranciers verricht, maar waar nodig dienen de lidstaten te verduidelijken bij welke bevoegde autoriteiten de uit de omzetting van deze richtlijn voortvloeiende verplichtingen berusten. De waterleveranciers moet een zekere soepelheid worden gegund wat betreft de parameters waarop zij voor de leveringsrisicobeoordeling controleren. Indien een parameter niet wordt aangetroffen, moeten de waterleveranciers de mogelijkheid hebben de controlefrequentie te verlagen of de controles op die parameter helemaal stop te zetten. De leveringsrisicobeoordeling moet op de meeste parameters worden toegepast. Er moet echter een lijst met kernparameters zijn waarop met een bepaalde minimumfrequentie wordt gecontroleerd. Deze richtlijn bevat vooral bepalingen over de controlefrequentie ten behoeve van nalevingscontroles en slechts beperkte bepalingen inzake controle voor operationele doeleinden. Aanvullende controle voor operationele doeleinden kan noodzakelijk zijn om de correcte werking van de waterbehandeling te waarborgen, naar goeddunken van de waterleveranciers. In dat verband kunnen waterleveranciers de richtsnoeren en het handboek voor het waterveiligheidsplan van de WHO raadplegen.
Amendement 188
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14
(14)  De op risico’s gebaseerde benadering moet geleidelijk worden toegepast door alle waterleveranciers, waaronder kleine waterleveranciers, aangezien uit de evaluatie van Richtlijn 98/83/EG is gebleken dat de uitvoering ervan door die leveranciers tekortschiet, in sommige gevallen vanwege de kosten voor het uitvoeren van onnodige controlewerkzaamheden. Bij het toepassen van de op risico’s gebaseerde benadering moet rekening worden gehouden met beveilingskwesties.
(14)  De op risico's gebaseerde benadering moet worden toegepast door alle waterleveranciers, waaronder zeer kleine, kleine en middelgrote waterleveranciers, aangezien uit de evaluatie van Richtlijn 98/83/EG is gebleken dat de uitvoering ervan door die leveranciers tekortschiet, in sommige gevallen vanwege de kosten voor het uitvoeren van onnodige controlewerkzaamheden; voor zeer kleine leveranciers kunnen evenwel afwijkingen worden toegestaan. Bij het toepassen van de op risico's gebaseerde benadering moet rekening worden gehouden met beveiligingskwesties en met het beginsel dat de vervuiler betaalt. In het geval van kleinere waterleveranciers moet de bevoegde autoriteit middels deskundige hulp ondersteuning bieden bij de controlewerkzaamheden.
Amendement 24
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)   Om een zo groot mogelijke bescherming van de volksgezondheid te waarborgen, moeten de lidstaten in overeenstemming met hun nationale institutionele en wettelijke kader zorgen voor een duidelijke en evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheid voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering.
Amendement 25
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15
(15)  De betrokken lidstaten moeten in geval van niet-naleving van de normen van deze richtlijn onmiddellijk een onderzoek naar de oorzaak instellen en ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen worden getroffen om de waterkwaliteit te herstellen. In gevallen waarin de watervoorziening een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt, moet de levering van dergelijk water worden verboden of het gebruik ervan worden ingeperkt. Daarnaast is het belangrijk om te verduidelijken dat niet-naleving van de minimumvereisten voor de waarden die betrekking hebben op microbiologische en chemische parameters, door de lidstaten automatisch als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid moet worden beschouwd. In gevallen waarin maatregelen voor het herstel van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water noodzakelijk zijn, moet overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag voorrang worden gegeven aan maatregelen die het probleem bij de bron oplossen.
(15)  De betrokken lidstaten moeten in geval van niet-naleving van de normen van deze richtlijn onmiddellijk een onderzoek naar de oorzaak instellen en ervoor zorgen dat zo spoedig mogelijk de nodige maatregelen worden getroffen om de waterkwaliteit te herstellen. In gevallen waarin de watervoorziening een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt, moet de levering van dergelijk water worden verboden of het gebruik ervan worden ingeperkt en moet tijdig passende informatie worden verstrekt aan mogelijk getroffen burgers. Daarnaast moet bij niet-naleving van de minimumvereisten voor de waarden die betrekking hebben op microbiologische en chemische parameters, door de lidstaten worden vastgesteld of overschrijding van de waarden een potentieel gevaar voor de volksgezondheid vormt. Daartoe moeten de lidstaten rekening houden met de mate waarin de minimumvereisten zijn overschreden en met het type parameter dat bij de overschrijding betrokken is. In gevallen waarin maatregelen voor het herstel van de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water noodzakelijk zijn, moet overeenkomstig artikel 191, lid 2, van het Verdrag voorrang worden gegeven aan maatregelen die het probleem bij de bron oplossen.
Amendement 26
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Het is van belang om potentieel gevaar voor de volksgezondheid als gevolg van verontreinigd water te voorkomen. De levering van dergelijk water moet daarom worden verboden of het gebruik ervan ingeperkt.
Amendement 27
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 16
(16)  De lidstaten mogen niet langer het recht hebben afwijkingen van deze richtlijn toe te staan. Oorspronkelijk werd gebruikgemaakt van afwijkingen om de lidstaten maximaal negen jaar de tijd te geven om een niet-naleving van een parameterwaarde te verhelpen. Deze procedure is voor zowel de lidstaten als de Commissie belastend gebleken. Daarnaast leidde zij in sommige gevallen tot vertragingen bij het nemen van herstelmaatregelen, aangezien de mogelijkheid tot afwijking als een overgangsperiode werd opgevat. De bepaling inzake afwijkingen moet derhalve worden geschrapt. Wanneer er parameterwaarden worden overschreden, moeten, omwille van de bescherming van de volksgezondheid, de bepalingen inzake herstelmaatregelen onmiddellijk van toepassing zijn, zonder dat het mogelijk is om een afwijking van de parameterwaarde toe te staan. Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn nog steeds van toepassing zijn, moeten echter van toepassing blijven tot de afloop van hun termijn, maar mogen niet worden verlengd.
(16)  De lidstaten moeten het recht hebben afwijkingen van deze richtlijn toe te staan. Oorspronkelijk werd gebruikgemaakt van afwijkingen om de lidstaten maximaal negen jaar de tijd te geven om een niet-naleving van een parameterwaarde te verhelpen. Deze procedure is voor de lidstaten nuttig gebleken gezien het ambitieniveau van de richtlijn. Er zij echter opgemerkt dat deze procedure in sommige gevallen heeft geleid tot vertragingen bij het nemen van herstelmaatregelen, aangezien de mogelijkheid tot afwijking soms als een overgangsperiode werd opgevat. In het licht van de versterking van de kwaliteitsparameters die in deze richtlijn zijn vervat, enerzijds, en de toenemende opsporing van nieuwe verontreinigende stoffen die beoordelings‑, toezicht- en beheersmaatregelen vereisen, anderzijds, blijft het evenwel nodig om een daaraan aangepaste afwijkingsprocedure te behouden, op voorwaarde dat de afwijking geen mogelijk gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. De bepaling in Richtlijn 98/83/EG inzake afwijkingen moet derhalve worden gewijzigd opdat de lidstaten de naleving van de vereisten van deze richtlijn sneller en doeltreffender kunnen garanderen. Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn nog steeds van toepassing zijn, moeten van toepassing blijven volgens de regelingen die zijn vastgesteld in de bepalingen die golden bij de opstart van de afwijkingsprocedure.
Amendement 28
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 17
(17)  In haar antwoord op het Europees burgerinitiatief "Right2Water" van 201483 heeft de Commissie de lidstaten verzocht de toegang tot een minimale watervoorziening te waarborgen voor alle burgers, in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO. De Commissie verplichtte zich er ook toe te blijven werken aan "verbetering van de toegang tot veilig drinkwater [...] voor iedereen via het milieubeleid"84. Dit is in lijn met duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de VN en de daarmee samenhangende doelstelling om universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te verwezenlijken. Het begrip billijke toegang omvat een breed scala van aspecten zoals de beschikbaarheid (bijvoorbeeld als gevolg van geografische omstandigheden, gebrek aan infrastructuur of de specifieke situatie van bepaalde delen van de bevolking), kwaliteit, aanvaardbaarheid, of financiële haalbaarheid. Met betrekking tot de betaalbaarheid van water is het van belang eraan te herinneren dat de lidstaten bij het bepalen van watertarieven volgens het beginsel van kostenterugwinning zoals beschreven in Richtlijn 2000/60/EG rekening kunnen houden met verschillen in de economische en sociale omstandigheden van de bevolking en derhalve sociale tarieven kunnen vaststellen of maatregelen kunnen nemen ter bescherming van sociaaleconomische achtergestelde bevolkingsgroepen. Deze richtlijn heeft met name betrekking op die aspecten van de toegang tot water die te maken hebben met kwaliteit en beschikbaarheid. Om die aspecten aan te pakken, als gedeeltelijk antwoord op het Europees burgerinitiatief, en om bij te dragen tot het in praktijk brengen van beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten85 ("Iedereen heeft recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water [...]") moeten de lidstaten ertoe worden verplicht de kwestie van de toegang tot water op nationaal niveau aan te pakken, waarbij zij wel moeten beschikken over enige vrijheid ten aanzien van het exacte soort te nemen maatregelen. Dit kan gebeuren door middel van acties die onder meer gericht zijn op het verbeteren van de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen, bijvoorbeeld met vrij toegankelijke drinkwaterfonteinen in steden, en het gebruik van dat water te bevorderen door de gratis verstrekking van voor menselijke consumptie bestemd water in openbare gebouwen en restaurants aan te moedigen
(17)  In haar antwoord op het Europees burgerinitiatief "Right2Water" van 201483 heeft de Commissie de lidstaten verzocht de toegang tot een minimale watervoorziening te waarborgen voor alle burgers, in overeenstemming met de aanbevelingen van de WHO. De Commissie verplichtte zich er ook toe te blijven werken aan "verbetering van de toegang tot veilig drinkwater [...] voor iedereen via het milieubeleid"84. Dit is in lijn met de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Dit is eveneens in lijn met duurzameontwikkelingsdoelstelling 6 van de VN en de daarmee samenhangende doelstelling om universele en billijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen te verwezenlijken. Het begrip billijke toegang omvat een breed scala van aspecten zoals de beschikbaarheid (bijvoorbeeld als gevolg van geografische omstandigheden, gebrek aan infrastructuur of de specifieke situatie van bepaalde delen van de bevolking), kwaliteit, aanvaardbaarheid, of financiële haalbaarheid. Met betrekking tot de betaalbaarheid van water is het van belang eraan te herinneren dat de lidstaten bij het bepalen van watertarieven volgens het beginsel van kostenterugwinning zoals beschreven in Richtlijn 2000/60/EG, onverminderd artikel 9, lid 4, van die richtlijn, rekening kunnen houden met verschillen in de economische en sociale omstandigheden van de bevolking en derhalve sociale tarieven kunnen vaststellen of maatregelen kunnen nemen ter bescherming van sociaaleconomisch achtergestelde bevolkingsgroepen. Deze richtlijn heeft met name betrekking op die aspecten van de toegang tot water die te maken hebben met kwaliteit en beschikbaarheid. Om die aspecten aan te pakken, als gedeeltelijk antwoord op het Europees burgerinitiatief, en om bij te dragen tot het in praktijk brengen van beginsel 20 van de Europese pijler van sociale rechten85 ("Iedereen heeft recht op toegang tot essentiële diensten van goede kwaliteit, waaronder water [...]") moeten de lidstaten ertoe worden verplicht de kwestie van de toegang tot betaalbaar water op nationaal niveau aan te pakken, waarbij zij wel moeten beschikken over een zekere beoordelingsvrijheid ten aanzien van het exacte soort te nemen maatregelen. Dit kan gebeuren door middel van acties die onder meer gericht zijn op het verbeteren van de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen, bijvoorbeeld door de kwaliteitseisen voor water niet onrechtmatig te verscherpen uit het oogpunt van de volksgezondheid, waardoor de waterprijs voor de burgers zou stijgen, met vrij toegankelijke drinkwaterfonteinen in steden, en door het gebruik van dat water te bevorderen door de gratis verstrekking van voor menselijke consumptie bestemd water aan te moedigen in openbare gebouwen, restaurants, winkelcentra en recreatiecentra alsook op plaatsen met veel voetgangersverkeer en grote bezoekersaantallen, zoals treinstations en luchthavens. De lidstaten moeten de juiste mix van dergelijke instrumenten, rekening houdend met hun specifieke nationale omstandigheden, vrij kunnen bepalen.
_________________
_________________
83 COM(2014)0177.
83 COM(2014)0177.
84 COM(2014)0177, blz. 12.
84 COM(2014)0177, blz. 12.
85 Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten (2017/C 428/09) van 17 november 2017 (PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10).
85 Interinstitutionele proclamatie betreffende de Europese pijler van sociale rechten (2017/C 428/09) van 17 november 2017 (PB C 428 van 13.12.2017, blz. 10).
Amendement 29
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 18
(18)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie over de follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water"86 opgemerkt „dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving"87. De specifieke situatie van minderheidsculturen, zoals Roma, Sinti, Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven – met name hun gebrek aan toegang tot drinkwater – is ook bevestigd in het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma88 en van de aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten89. In het licht van deze algemene context is het passend dat de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze groepen toegang hebben tot water. Onverminderd het recht van de lidstaten die groepen te omschrijven, moeten daartoe ten minste vluchtelingen, nomadische gemeenschappen, dak- en thuislozen en minderheidsculturen zoals de Roma, Sinti, Travellers, Kalé, Gens du voyage enz., ook als zij sedentair leven, worden gerekend. Dergelijke maatregelen om de toegang tot water te waarborgen, de keuze waarvoor aan de beoordeling van de lidstaten wordt overgelaten, zouden bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het beschikbaar stellen van alternatieve watervoorzieningssystemen (individuele waterbehandelingssystemen), levering van water via tankers (vrachtwagens en cisternes) en te zorgen voor de nodige infrastructuur voor kampen.
(18)  Het Europees Parlement heeft in zijn resolutie over de follow-up van het Europees burgerinitiatief "Right2Water"86 opgemerkt „dat de lidstaten speciale aandacht zouden moeten schenken aan de behoeften van kwetsbare groepen in de samenleving"87. De specifieke situatie van minderheidsculturen, zoals Roma en Travellers, ook als zij sedentair leven – met name hun gebrek aan toegang tot drinkwater – is ook bevestigd in het verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma88 en van de aanbeveling van de Raad over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten89. In het licht van deze algemene context is het passend dat de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, door de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat deze groepen toegang hebben tot water. Met inachtneming van het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten dat is vastgesteld in Richtlijn 2000/60/EG verbeteren de lidstaten de toegang tot water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen zonder dat de levering van betaalbaar water van goede kwaliteit aan iedereen in het gedrang komt. Onverminderd het recht van de lidstaten die groepen te omschrijven, moeten daartoe ten minste vluchtelingen, nomadische gemeenschappen, dak- en thuislozen en minderheidsculturen zoals de Roma en Travellers, ook als zij sedentair leven, worden gerekend. Dergelijke maatregelen om de toegang tot water te waarborgen, de keuze waarvoor aan de beoordeling van de lidstaten wordt overgelaten, zouden bijvoorbeeld kunnen bestaan uit het beschikbaar stellen van alternatieve watervoorzieningssystemen (individuele waterbehandelingssystemen), levering van water via tankers (vrachtwagens en cisternes) en te zorgen voor de nodige infrastructuur voor kampen. Wanneer de verantwoordelijkheid voor de naleving van deze verplichtingen wordt toegewezen aan lokale overheden, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zij beschikken over toereikende financiële middelen en voldoende technische en materiële capaciteit, en moeten zij hen ondersteunen, bijvoorbeeld door deskundige hulp te bieden. In het bijzonder mag de waterdistributie aan kwetsbare en gemarginaliseerde groepen voor lokale overheden geen onevenredige kosten met zich meebrengen.
_________________
_________________
86 P8_TA(2015)0294.
86 P8_TA(2015)0294.
87 P8_TA(2015)0294, punt 62.
87 P8_TA(2015)0294, punt 62.
88 COM(2014)0209.
88 COM(2014)0209.
89 Aanbeveling (2013/C 378/01) van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1).
89 Aanbeveling (2013/C 378/01) van de Raad van 9 december 2013 over doeltreffende maatregelen voor integratie van de Roma in de lidstaten (PB C 378 van 24.12.2013, blz. 1).
Amendement 30
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 19
(19)  In het zevende milieuactieprogramma voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"90, is bepaald dat het publiek toegang moet hebben tot duidelijke informatie over het milieu op nationaal niveau. Richtlijn 98/83/EG voorzag enkel in passieve toegang tot informatie, hetgeen betekent dat de lidstaten er enkel voor hoefden te zorgen dat er informatie beschikbaar was. Die bepalingen moeten derhalve worden vervangen om ervoor te zorgen dat actuele informatie gemakkelijk toegankelijk is, bijvoorbeeld op een website waarvan de link actief moet worden verspreid. De actuele informatie moet niet alleen bestaan uit de resultaten van de controleprogramma's, maar ook aanvullende informatie omvatten die nuttig zou kunnen zijn voor het publiek, zoals informatie over indicatoren (ijzer, hardheid, mineralen enz.), die vaak van invloed zijn op de perceptie die de consument van het kraanwater heeft. Daartoe moeten de indicatorparameters van Richtlijn 98/83/EG die geen gezondheidsgerelateerde informatie leverden, worden vervangen door online informatie over die parameters. Voor zeer grote waterleveranciers moet ook aanvullende informatie over onder meer energie-efficiëntie, beheer, bestuur, kostenstructuur en de toegepaste behandeling online beschikbaar zijn. Er wordt van uitgegaan dat een betere kennis van de consumenten en meer transparantie zullen bijdragen tot een groter vertrouwen van de burgers in het aan hen geleverde water. De verwachting is dat dit er vervolgens weer toe zal leiden dat meer gebruik wordt gemaakt van kraanwater, hetgeen bijdraagt tot vermindering van de hoeveelheid kunststofzwerfvuil en broeikasgasemissies en positieve effecten heeft op de mitigatie van klimaatverandering en op het milieu als geheel.
(19)  In het zevende milieuactieprogramma voor de periode tot en met 2020 "Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet"90, is bepaald dat het publiek toegang moet hebben tot duidelijke informatie over het milieu op nationaal niveau. Richtlijn 98/83/EG voorzag enkel in passieve toegang tot informatie, hetgeen betekent dat de lidstaten er enkel voor hoefden te zorgen dat er informatie beschikbaar was. Die bepalingen moeten derhalve worden vervangen om ervoor te zorgen dat actuele informatie begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is voor de consument, bijvoorbeeld in een folder, op een website of via een slimme applicatie. De actuele informatie moet niet alleen bestaan uit de resultaten van de controleprogramma's, maar ook aanvullende informatie omvatten die nuttig zou kunnen zijn voor het publiek, zoals de resultaten van genomen maatregelen om waterleveranciers te controleren wat betreft de kwaliteitsparameters van het water en informatie over de in bijlage I, deel B bis opgenomen indicatorparameters. Voor zeer grote waterleveranciers moet ook aanvullende informatie over onder meer de tariefstructuur en de toegepaste behandeling online beschikbaar zijn. Betere kennis van de consumenten van relevante informatie en meer transparantie moeten ertoe leiden dat de burger meer vertrouwen krijgt in het geleverde water alsook in de waterdiensten, hetgeen op zijn beurt moet leiden tot een groter gebruik van kraanwater als drinkwater, wat zou bijdragen tot vermindering van de hoeveelheid kunststofzwerfvuil en broeikasgasemissies, positieve effecten heeft op de mitigatie van klimaatverandering en op het milieu als geheel.
_________________
_________________
90 Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
90 Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 „Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).
Amendement 31
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 20
(20)  Om dezelfde redenen, en om consumenten bewuster te maken van de gevolgen van hun waterverbruik, moeten zij ook informatie ontvangen (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties) over de verbruikte hoeveelheid, de kostenstructuur van het door de waterleverancier in rekening gebrachte tarief, met inbegrip van vaste en variabele kosten, alsook over de literprijs van het voor menselijke consumptie bestemde water, waardoor het mogelijk wordt deze te vergelijken met de prijs van water in flessen.
(20)  Om dezelfde redenen, en om consumenten bewuster te maken van de gevolgen van hun waterverbruik, moeten zij ook informatie ontvangen, die begrijpelijk, relevant en gemakkelijk toegankelijk is, bijvoorbeeld op hun factuur of via een slimme applicatie, over de jaarlijks verbruikte hoeveelheid, veranderingen in de consumptie, een vergelijking met het gemiddelde verbruik voor huishoudens, indien de waterleverancier over deze informatie beschikt, de structuur van het door de waterleverancier in rekening gebrachte tarief, met inbegrip van de verdeling van de vaste en variabele bestanddelen ervan, alsook over de literprijs van het voor menselijke consumptie bestemde water, waardoor het mogelijk wordt deze te vergelijken met de prijs van water in flessen.
Amendement 32
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 21
(21)  De beginselen waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van watertarieven, namelijk het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zijn neergelegd in Richtlijn 2000/60/EG. De financiële houdbaarheid van de levering van waterdiensten is echter niet altijd gewaarborgd, wat soms leidt tot achterblijvende investeringen in het onderhoud van de waterinfrastructuur. Dankzij verbeterde controletechnieken worden de lekkagepercentages – die vooral te wijten zijn aan dergelijke achterblijvende investeringen – steeds duidelijker zichtbaar, en op het niveau van de Unie moet het terugdringen van waterverliezen worden gestimuleerd om de doelmatigheid van de waterinfrastructuur te verbeteren. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet dat vraagstuk worden aangepakt door de transparantie te vergroten en meer informatie aan de consument te verstrekken over lekkagepercentages en energie-efficiëntie.
(21)  De fundamentele beginselen waarmee rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van watertarieven, namelijk het beginsel van de terugwinning van de kosten van waterdiensten en het beginsel dat de vervuiler betaalt, zijn, onverminderd artikel 9, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG, neergelegd in diezelfde richtlijn. De financiële houdbaarheid van de levering van waterdiensten is echter niet altijd gewaarborgd, wat soms leidt tot achterblijvende investeringen in het onderhoud van de waterinfrastructuur. Dankzij verbeterde controletechnieken worden de lekkagepercentages – die vooral te wijten zijn aan dergelijke achterblijvende investeringen – steeds duidelijker zichtbaar, en op het niveau van de Unie moet het terugdringen van waterverliezen worden gestimuleerd om de doelmatigheid van de waterinfrastructuur te verbeteren. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moet desbetreffende informatie op transparantere wijze met de consument worden gedeeld om de bewustwording over dit probleem te vergroten.
Amendement 34
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 25
(25)  Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" moet de Commissie een evaluatie uitvoeren van deze richtlijn binnen een bepaalde termijn na de uiterste datum voor de omzetting ervan. Die evaluatie moet zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan en de gegevens die zijn verkregen tijdens de implementatie van de richtlijn, op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens, alsmede op eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO.
(25)  Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord "Beter wetgeven" moet de Commissie een evaluatie uitvoeren van deze richtlijn binnen een bepaalde termijn na de uiterste datum voor de omzetting ervan. Die evaluatie moet zijn gebaseerd op de ervaring die is opgedaan en de gegevens die zijn verkregen tijdens de implementatie van de richtlijn, op eventueel beschikbare aanbevelingen van de WHO alsmede op relevante wetenschappelijke, analytische en epidemiologische gegevens.
Amendement 35
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 28
(28)  Teneinde deze richtlijn aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, of teneinde controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV bij deze richtlijn te wijzigen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Daarnaast is de machtiging in bijlage I, deel C, opmerking 10, bij Richtlijn 98/83/EG om de controlefrequentie en -methoden voor radioactieve stoffen aan te nemen, overbodig geworden door de vaststelling van Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad96 en moet zij derhalve worden geschrapt. De machtiging in bijlage III, deel A, tweede alinea, bij Richtlijn 98/83/EG betreffende wijzigingen van de richtlijn is niet langer nodig en moet worden geschrapt.
(28)  Teneinde deze richtlijn aan te passen aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang, of teneinde controlevoorschriften te specificeren voor de gevarenbeoordeling en de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen om de bijlagen I tot en met IV bij deze richtlijn te wijzigen en de nodige maatregelen te nemen overeenkomstig de bij artikel 10 bis ingevoerde wijzigingen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Daarnaast is de machtiging in bijlage I, deel C, opmerking 10, bij Richtlijn 98/83/EG om de controlefrequentie en -methoden voor radioactieve stoffen aan te nemen, overbodig geworden door de vaststelling van Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad96 en moet zij derhalve worden geschrapt. De machtiging in bijlage III, deel A, tweede alinea, bij Richtlijn 98/83/EG betreffende wijzigingen van de richtlijn is niet langer nodig en moet worden geschrapt.
_________________
_________________
96 Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).
96 Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voorschriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12).
Amendement 36
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 1
1.  Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water.
1.  Deze richtlijn heeft betrekking op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water voor iedereen in de Unie.
Amendementen 163, 189, 207 en 215
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – lid 2
2.  De richtlijn heeft ten doel de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is.
2.  De richtlijn heeft ten doel de volksgezondheid te beschermen tegen de schadelijke gevolgen van verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water door ervoor te zorgen dat het gezond en schoon is, en de universele toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te bevorderen.
Amendement 38
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
1.  "voor menselijke consumptie bestemd water": al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of -productie, of andere huishoudelijke doeleinden, zowel in openbare als in particuliere percelen, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, wordt geleverd uit een tankschip of tankauto, of, voor bronwater, in flessen wordt gedaan ;
1.  "voor menselijke consumptie bestemd water": al het water dat onbehandeld of na behandeling bestemd is voor drinken, koken, voedselbereiding of -productie, of andere voedingsdoeleinden, zowel in openbare als in particuliere percelen, met inbegrip van levensmiddelenbedrijven, ongeacht de herkomst en of het water wordt geleverd via een distributienet, wordt geleverd uit een tankschip of tankauto of in flessen of verpakkingen wordt gedaan;
Amendement 39
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
2.  "huishoudelijk leidingnet": de leidingen, fittingen en toestellen die geïnstalleerd worden tussen de kranen die normaliter , zowel in openbare als in particuliere percelen, worden gebruikt voor menselijke consumptie en het distributienet, maar slechts indien die volgens de desbetreffende nationale wetgeving niet onder de verantwoordelijkheid van de waterleverancier in zijn hoedanigheid van waterleverancier vallen.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 40
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3
3.  "waterleverancier": een entiteit die gemiddeld per dag ten minste 10 m3 voor menselijke consumptie bestemd water levert;
3.  "waterleverancier": een juridische entiteit die gemiddeld per dag ten minste 10 m3 voor menselijke consumptie bestemd water levert;
Amendement 41
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 –alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
3bis.  "zeer kleine waterleverancier": een waterleverancier die per dag minder dan 50 m3 levert of die minder dan 250 mensen bedient;
Amendement 42
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 4
4.  "kleine waterleverancier": een waterleverancier die per dag minder dan 500 m3 levert of die minder dan 5 000 mensen bedient;
4.  "kleine waterleverancier": een waterleverancier die per dag minder dan 500 m3 levert of die minder dan 2 500 mensen bedient;
Amendement 43
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 –alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
4 bis.  "middelgrote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 500 m3 levert of die ten minste 2 500 mensen bedient;
Amendement 44
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5
5.  "grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 500 m3 levert of die ten minste 5 000 mensen bedient;
5.  "grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 5 000 m3 levert of die ten minste 25 000 mensen bedient;
Amendement 45
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 6
6.  "zeer grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 5 000 m3 levert of die ten minste 50 000 mensen bedient;
6.  "zeer grote waterleverancier": een waterleverancier die per dag ten minste 20 000 m3 levert of die ten minste 100 000 mensen bedient;
Amendement 46
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
7.  "prioritaire percelen": grote percelen met veel gebruikers die aan watergerelateerde risico's blootgesteld zouden kunnen worden, waaronder ziekenhuizen, zorginstellingen, gebouwen met overnachtingsfaciliteiten, strafinrichtingen en kampeerterreinen, zoals door de lidstaten aangewezen;
7.  "prioritaire percelen": grote, niet-huishoudelijke percelen met veel mensen, met name gevoelige doelgroepen, die aan watergerelateerde risico's blootgesteld zouden kunnen worden, waaronder ziekenhuizen, zorginstellingen, bejaardentehuizen, scholen, universiteiten en andere onderwijsinstellingen, crèches en kinderdagverblijven, sport-, recreatie-, ontspannings-, en tentoonstellingsfaciliteiten, gebouwen met overnachtingsfaciliteiten, strafinrichtingen en kampeerterreinen, zoals door de lidstaten aangewezen;
Amendement 47
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 –alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
8 bis.   "levensmiddelenbedrijf": een levensmiddelenbedrijf als gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EG) nr. 178/2002.
Amendement 48
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Op water dat in levensmiddelenbedrijven wordt gebruikt voor de vervaardiging, de behandeling, de conservering of het in de handel brengen van voor menselijke consumptie bestemde producten of stoffen, zijn alleen de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn van toepassing. Geen van de artikelen van deze richtlijn zijn evenwel van toepassing wanneer een exploitant van een levensmiddelenbedrijf bij de bevoegde nationale autoriteit naar tevredenheid kan aantonen dat de kwaliteit van het water dat hij gebruikt de hygiënische kwaliteit van de uit zijn activiteiten voortkomende producten of stoffen niet nadelig beïnvloedt, en dat deze producten of stoffen voldoen aan Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad1bis.
________________
1 bis Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1).
Amendement 49
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Een producent van voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan, wordt niet als een waterleverancier beschouwd.
De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing op voor menselijke consumptie bestemd water voor zover zij niet onder verplichtingen uit hoofde van andere Uniewetgeving vallen.
Amendement 50
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 – lid 1 quater (nieuw)
1 quater.  Zeeschepen die water ontzilten, passagiers aan boord hebben en optreden als waterleveranciers zijn uitsluitend onderworpen aan de artikelen 1 tot en met 7 en 9 tot en met 12 van deze richtlijn en de bijlagen erbij.
Amendement 51
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – letter c
c)  de lidstaten hebben alle andere nodige maatregelen genomen om aan de vereisten van de artikelen 5 tot en met 12 van deze richtlijn te voldoen .
c)  de lidstaten hebben alle andere nodige maatregelen genomen om aan de vereisten te voldoen in:
i)   de artikelen 4 tot en met 12 van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bestemd water dat aan de eindverbruiker wordt geleverd via een distributienet of uit een tankschip of tankauto;
ii)  de artikelen 4, 5 en 6 en artikel 11, lid 4, van deze richtlijn met betrekking tot voor menselijke consumptie bedoeld water dat in een levensmiddelenbedrijf in flessen of verpakkingen wordt gedaan
iii)  de artikelen 4, 5, 6 en 11 van deze richtlijn voor water dat in een levensmiddelenbedrijf wordt geproduceerd en gebruikt voor de productie, verwerking en distributie van levensmiddelen;
Amendement 52
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn er in geen geval, direct of indirect, toe kunnen leiden dat de huidige kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water achteruitgaat, of dat de verontreiniging van water dat wordt gebruikt voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water toeneemt.
2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de maatregelen ter uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn volledig in overeenstemming zijn met het voorzorgsbeginsel en er in geen geval, direct of indirect, toe kunnen leiden dat de huidige kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water achteruitgaat, of dat de verontreiniging van water dat wordt gebruikt voor de productie van voor menselijke consumptie bestemd water toeneemt.
Amendement 53
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  De lidstaten nemen maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten een evaluatie van het aantal waterlekken op hun grondgebied uitvoeren, en de mogelijkheden bekijken om het aantal waterlekken in de drinkwatersector terug te dringen. In deze evaluatie wordt rekening gehouden met de relevante volksgezondheids-, milieu-, technische en economische aspecten. Uiterlijk op 31 december 2022 stellen de lidstaten nationale streefdoelen vast om de lekkagepercentages van waterleveranciers op hun grondgebied voor 31 december 2030 te beperken. De lidstaten kunnen voorzien in zinvolle stimulansen om te waarborgen dat de waterleveranciers op hun grondgebied aan de nagestreefde nationale doelstellingen voldoen.
Amendement 54
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  Indien een bevoegde autoriteit die is belast met de productie en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water het beheer van de waterproductie of de leveringsactiviteiten volledig of gedeeltelijk overdraagt aan een waterleverancier, worden de verantwoordelijkheden van de beide partijen uit hoofde van deze richtlijn gespecificeerd in het contract tussen beide partijen.
Amendement 55
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1
1.  De lidstaten stellen voor de in bijlage I vermelde parameters de waarden vast die van toepassing zijn op voor menselijke consumptie bestemd water, die niet minder streng zijn dan de in die bijlage vermelde waarden.
1.  De lidstaten stellen voor de in bijlage I vermelde parameters de waarden vast die van toepassing zijn op voor menselijke consumptie bestemd water.
Amendement 56
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De overeenkomstig lid 1 vastgestelde waarden mogen niet minder streng zijn dan de in de delen A, B en B bis van bijlage I vermelde waarden. Voor de in bijlage I, deel B bis vermelde parameters worden de waarden uitsluitend vastgesteld voor controledoeleinden en met het oog op de door artikel 12 opgelegde verplichtingen.
Amendement 57
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 5 – lid 2 – alinea 1 bis (nieuw)
De lidstaten nemen alle noodzakelijke maatregelen om te waarborgen dat de in het watervoorzieningssysteem met het oog op ontsmetting toegepaste behandelingsmiddelen, materialen en desinfectieprocedures geen nadelig effect hebben op de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water. Eventuele verontreiniging van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het gebruik van dergelijke middelen, materialen en procedures wordt beperkt, zonder evenwel de doeltreffendheid van de ontsmetting te ondermijnen.
Amendement 58
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – inleidende formule
Aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voor de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters moet worden voldaan:
Aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voor de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en C, opgenomen parameters moet worden voldaan:
Amendement 59
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 – letter c
c)  voor bronwater , op het punt waarop het water in de flessen wordt gedaan .
c)  voor voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen wordt gedaan, op het punt waarop het water in de flessen of verpakkingen wordt gedaan;
Amendement 60
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  voor water dat wordt gebruikt in een levensmiddelenbedrijf waar water door een waterleverancier wordt geleverd, op het punt waar het in het bedrijf wordt gebruikt.
Amendement 61
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 6 – alinea 1 bis (nieuw)
Voor water zoals omschreven in lid 1, onder a), worden de lidstaten geacht aan hun verplichtingen krachtens dit artikel, te hebben voldaan wanneer kan worden vastgesteld dat de overschrijding van de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameter wordt veroorzaakt door een privaat leidingnet of het onderhoud daarvan, behalve op prioritaire percelen.
Amendement 62
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 – letter a
a)  een gevarenbeoordeling van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water, overeenkomstig artikel 8;
a)  een door de lidstaten verrichte gevarenbeoordeling van waterlichamen of delen van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water, overeenkomstig artikel 8;
Amendement 63
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7– lid 1 – letter b
b)  een door de waterleveranciers uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling met het oog op de controle van de kwaliteit van het door hen geleverde water, overeenkomstig artikel 9 en bijlage II, deel C;
b)  een door de waterleveranciers in elk watervoorzieningssysteem uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling met het oog op het waarborgen en controleren van de kwaliteit van het door hen geleverde water, overeenkomstig artikel 9 en bijlage II, deel C;
Amendement 64
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten mogen de tenuitvoerlegging van de op risico's gebaseerde benadering aanpassen, zonder dat de doelstelling van deze richtlijn betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water en de gezondheid van consumenten hierbij in het geding komt, wanneer er sprake is van bijzondere beperkingen als gevolg van geografische omstandigheden zoals een afgelegen ligging of de toegankelijkheid van waterleveringsgebieden.
Amendement 65
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Lidstaten zorgen voor een duidelijke en passende verdeling van de verantwoordelijkheden tussen belanghebbenden, als gedefinieerd door de lidstaten, voor de toepassing van de op risico's gebaseerde benadering met betrekking tot de waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water en de huishoudelijke leidingnetten. Een dergelijke verdeling van verantwoordelijkheden wordt afgestemd op hun institutioneel en juridisch kader.
Amendement 66
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 2
2.  De gevarenbeoordelingen worden uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
2.  De gevarenbeoordelingen worden uiterlijk op ... [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, met inachtneming van het in artikel 7 van Richtlijn 2000/60/EG opgenomen voorschrift dat lidstaten waterlichamen aanwijzen, en waar nodig bijgewerkt.
Amendement 67
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3
3.  De leveringsrisicobeoordelingen worden door zeer grote waterleveranciers en grote waterleveranciers uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive], en door kleine waterleveranciers uiterlijk op [6 years after the end-date for transposition of this Directive], uitgevoerd. Zij worden met regelmatige tussenpozen van niet langer dan zes jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
3.  De leveringsrisicobeoordelingen worden door waterleveranciers uiterlijk op ... [zes jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn], uitgevoerd. Zij worden met regelmatige tussenpozen van niet langer dan zes jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
Amendement 68
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Overeenkomstig artikelen 8 en 9 van deze richtlijn nemen de lidstaten de nodige corrigerende maatregelen in het kader van de maatregelenprogramma's en stroomgebiedsbeheersplannen als bepaald in de respectieve artikelen 11 en 13 van Richtlijn 2000/60/EG.
Amendement 69
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 7 – lid 4
4.   De risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet worden uiterlijk op [3 years after the end-date for transposition of this Directive] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
4.   De risicobeoordelingen van het huishoudelijk leidingnet op de in artikel 10, lid 1 bedoelde percelen worden uiterlijk op ... [drie jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] uitgevoerd. Zij worden om de drie jaar herzien, en waar nodig bijgewerkt.
Amendement 70
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – titel
Gevarenbeoordeling van waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water
Beoordeling, controle en beheer van gevaren betreffende waterlichamen die worden gebruikt voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water
Amendement 71
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule
1.  Onverminderd de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2000/60/EG zorgen de lidstaten ervoor dat een gevarenbeoordeling wordt uitgevoerd met betrekking tot alle voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water gebruikte waterlichamen die gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren. De gevarenbeoordeling omvat de volgende elementen:
1.  Onverminderd Richtlijn 2000/60/EG, en met name de artikelen 4 tot en met 8 ervan, zorgen de lidstaten er, samen met hun voor watervoorziening bevoegde autoriteiten, voor dat een gevarenbeoordeling wordt uitgevoerd met betrekking tot alle voor de onttrekking van voor menselijke consumptie bestemd water gebruikte waterlichamen die gemiddeld meer dan 10 m3 per dag leveren. De gevarenbeoordeling omvat de volgende elementen:
Amendement 72
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter a
a)  identificatie van en georeferenties voor alle onttrekkingspunten in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen;
a)  identificatie van en georeferenties voor alle onttrekkingspunten in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen of delen van waterlichamen. Aangezien de in dit punt genoemde gegevens mogelijk gevoelig zijn, met name betreffende de bescherming van de volksgezondheid, waarborgen de lidstaten dat dergelijke gegevens worden beschermd en uitsluitend aan de bevoegde autoriteiten worden meegedeeld;
Amendement 73
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter b
b)  kaarten van de beschermingszones, voor zover die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG zijn vastgesteld, en de beschermde gebieden zoals bedoeld in artikel 6 van die richtlijn;
b)  kaarten van de beschermingszones, voor zover die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG zijn vastgesteld;
Amendement 216
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter c
c)  identificatie van gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging met gevolgen voor de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen. De lidstaten kunnen hiervoor de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten gebruiken, alsmede de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen;
c)  identificatie van gevaren en mogelijke bronnen van verontreiniging met gevolgen voor de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen. De methoden voor het onderzoek naar en de vaststelling van bronnen van verontreiniging worden regelmatig geactualiseerd zodat de nieuwe stoffen met invloed op microplastics, met name PFAS, kunnen worden gedetecteerd. De lidstaten kunnen hiervoor de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten gebruiken, alsmede de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen;
Amendement 75
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter d – inleidende formule
d)  regelmatige controle in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen op relevante verontreinigende stoffen die uit de volgende lijsten worden geselecteerd:
d)  regelmatige controle in de door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichamen of delen van waterlichamen op verontreinigende stoffen die relevant zijn voor de waterlevering en die uit de volgende lijsten worden geselecteerd:
Amendement 76
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – letter d – punt iv
iv)  lijsten van overige relevante verontreinigende stoffen, zoals microplastics, of stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen, zoals door de lidstaten opgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten en de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen.
iv)  parameters voor controledoeleinden uitsluitend in deel C bis van bijlage I, of overige relevante verontreinigende stoffen, zoals microplastics, mits er een methodologie is ingesteld voor het meten van microplastics als omschreven in artikel 11, lid 5 ter, of stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen, zoals door de lidstaten opgesteld op basis van de overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde beoordeling van de effecten van menselijke activiteiten en de overeenkomstig bijlage II, punt 1.4, bij die richtlijn verzamelde informatie over significante belastingen.
Amendement 77
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Zeer kleine waterleveranciers kunnen worden vrijgesteld van de onder a), b) en c) van dit lid vermelde verplichtingen, mits de bevoegde autoriteit van tevoren over geactualiseerde, gedocumenteerde kennis beschikt over de relevante in deze punten genoemde parameters. Deze uitzondering wordt ten minste elke drie jaar door de bevoegde autoriteit herzien en indien nodig geactualiseerd.
Amendement 217
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 1 – alinea 3
Voor de regelmatige controle kunnen de lidstaten ook gebruikmaken van de overeenkomstig andere wetgeving van de Unie uitgevoerde controles.
Voor de regelmatige controle en voor de detectie van nieuwe schadelijke stoffen dankzij nieuw onderzoek, kunnen de lidstaten ook gebruikmaken van de overeenkomstig andere wetgeving van de Unie uitgevoerde controles en ingevoerde onderzoekscapaciteit.
Amendement 78
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 3
3.  De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten:
Schrappen
a)   voorschrijven dat de waterleveranciers aanvullende controles of behandeling uitvoeren voor bepaalde parameters;
b)   toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan.
Amendement 79
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 4
4.  In gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld in lid 3, onder b), blijven de lidstaten regelmatig controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam.
Schrappen
Amendement 80
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – inleidende formule
Op basis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 verzamelde informatie en de krachtens Richtlijn 2000/60/EG vergaarde informatie nemen de lidstaten in samenwerking met de waterleveranciers en andere belanghebbenden de volgende maatregelen, of zorgen zij ervoor dat die maatregelen door de waterleveranciers worden genomen:
Op basis van de overeenkomstig de leden 1 en 2 verzamelde informatie en de krachtens Richtlijn 2000/60/EG vergaarde informatie nemen de lidstaten in samenwerking met de waterleveranciers en andere belanghebbenden de volgende maatregelen:
Amendement 178
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter a
a)  preventiemaatregelen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen;
Schrappen
Amendement 82
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  maatregelen om te waarborgen dat vervuilers, in samenwerking met waterleveranciers en andere relevante belanghebbenden, preventiemaatregelen nemen om het vereiste niveau van de behandeling te verlagen of behandeling te vermijden en de waterkwaliteit veilig te stellen, met inbegrip van de in artikel 11, lid 3, onder d), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde maatregelen, evenals aanvullende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht;
Amendement 83
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter b
b)  verzachtende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht om de bron van de verontreiniging te identificeren en aan te pakken.
b)  verzachtende maatregelen die op basis van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle noodzakelijk worden geacht om de bron van de verontreiniging te identificeren en aan te pakken en aanvullende behandeling te vermijden, wanneer preventiemaatregelen worden verondersteld niet haalbaar of niet voldoende effectief te zijn om de bron van verontreiniging tijdig aan te pakken.
Amendement 84
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  indien de onder a bis) en b)genoemde maatregelen niet toereikend worden geacht om de volksgezondheid adequaat te beschermen, van waterleveranciers eisen dat zij voor bepaalde parameters aanvullende controles uitvoeren op het onttrekkingspunt of, indien dit strikt noodzakelijk is om gezondheidsrisico's te voorkomen, behandeling uitvoeren;
Amendement 85
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 8 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De lidstaten stellen de waterleveranciers die het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam of delen van het waterlichaam gebruiken op de hoogte van de resultaten van de overeenkomstig lid 1, onder d), uitgevoerde controle en kunnen, op basis van die controleresultaten en de op grond van de leden 1 en 2 en krachtens Richtlijn 2000/60/EG verzamelde informatie:
a)  toestaan dat de waterleveranciers de controlefrequentie voor bepaalde parameters of het aantal parameters dat wordt gecontroleerd verlagen, zonder hen ertoe te verplichten een leveringsrisicobeoordeling uit te voeren, mits het niet gaat om kernparameters in de zin van bijlage II, deel B, punt 1, en mits geen enkele redelijkerwijs te voorziene factor aanwezig is waardoor de kwaliteit van het water achteruit zou kunnen gaan;
b)  in gevallen waarin wordt toegestaan dat een waterleverancier de controlefrequentie verlaagd, zoals bedoeld onder a), regelmatig blijven controleren op die parameters in het door de gevarenbeoordeling bestreken waterlichaam.
Amendement 86
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – titel
Leveringsrisicobeoordeling
Leveringsrisicobeoordeling, -controle en -beheer
Amendement 87
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten zorgen ervoor dat waterleveranciers een leveringsrisicobeoordeling uitvoeren, waarbij zij de mogelijkheid bieden de controlefrequentie voor elk van de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters, voor zover het geen kernparameters overeenkomstig bijlage II, deel B, betreft, aan te passen, afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water.
De lidstaten zorgen ervoor dat waterleveranciers een leveringsrisicobeoordeling uitvoeren in overeenstemming met bijlage II, deel C, waarbij zij de mogelijkheid bieden de controlefrequentie voor elk van de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en B bis, opgenomen parameters, voor zover het geen kernparameters overeenkomstig bijlage II, deel B, betreft, aan te passen, afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water.
Amendement 88
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 2
Voor die parameters zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers overeenkomstig de specificaties in bijlage II, deel C, af mogen wijken van de in bijlage II, deel B, vastgestelde bemonsteringsfrequenties.
Voor die parameters zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers overeenkomstig de specificaties in bijlage II, deel C, en afhankelijk van het optreden ervan in het onbehandelde water en de behandelopzet, af mogen wijken van de in bijlage II, deel B, vastgestelde bemonsteringsfrequenties.
Amendement 89
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 – alinea 3
Met het oog daarop worden de waterleveranciers ertoe verplicht rekening te houden met de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde gevarenbeoordeling en van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde monitoring.
Met het oog daarop houden de waterleveranciers rekening met de resultaten van de overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn uitgevoerde gevarenbeoordeling en van de overeenkomstig artikel 7, lid 1, en artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG uitgevoerde monitoring.
Amendement 90
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De lidstaten kunnen zeer kleine waterleveranciers vrijstelling verlenen van lid 1, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit beschikt over eerdere, gedocumenteerde en actuele kennis over de relevante parameters en van mening is dat deze vrijstellingen geen risico voor de volksgezondheid zullen opleveren, onverminderd de verplichtingen van de autoriteit uit hoofde van artikel 4.
Deze vrijstellingen worden ten minste om de 3 jaar of wanneer een nieuw verontreinigingsrisico in het stroomgebied is vastgesteld door de bevoegde autoriteit beoordeeld, en worden waar nodig bijgewerkt.
Amendement 91
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2
2.  Leveringsrisicobeoordelingen worden door de bevoegde autoriteiten goedgekeurd.
2.  Leveringsrisicobeoordelingen zijn de verantwoordelijkheid van de waterleveranciers die waarborgen dat deze beoordelingen voldoen aan deze richtlijn. Hiertoe kunnen waterleveranciers ondersteuning van de bevoegde autoriteiten vragen.
De lidstaten kunnen de bevoegde autoriteiten ertoe verplichten de leveringsrisicobeoordelingen van de waterleveranciers goed te keuren of te controleren.
Amendement 92
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 9 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Op basis van de resultaten van de krachtens lid 1 uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling zorgen de lidstaten ervoor dat de waterleveranciers een waterveiligheidsplan opstellen dat geschikt is voor de geïdentificeerde risico's en in verhouding staat tot de omvang van de waterleverancier. Dit waterveiligheidsplan kan bijvoorbeeld betrekking hebben op de gebruikte materialen die in contact komen met water, waterbehandelingsproducten, mogelijke risico's als gevolg van lekkende leidingen of maatregelen voor aanpassingen aan huidige en toekomstige uitdagingen, zoals de klimaatverandering, en wordt nader gespecificeerd door de lidstaten.
Amendement 93
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – titel
Risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet
Beoordeling, controle en beheer van de risico’s betreffende het huishoudelijk leidingnet
Amendement 94
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – inleidende formule
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet wordt uitgevoerd, die de volgende elementen omvat:
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet in prioritaire percelen wordt uitgevoerd, die de volgende elementen omvat:
Amendement 95
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter a
a)  een beoordeling van de potentiële risico’s in verband met de huishoudelijke leidingnetten en de daarmee samenhangende producten en materialen, en van de vraag of deze risico’s van invloed zijn op de kwaliteit van het water op de plaatsen waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie, met name waar het publiek van water wordt voorzien in prioritaire percelen;
a)  een beoordeling van de potentiële risico’s in verband met de huishoudelijke leidingnetten en de daarmee samenhangende producten en materialen, en van de vraag of deze risico’s van invloed zijn op de kwaliteit van het water op de plaatsen waar het uit de kranen komt die normaliter worden gebruikt voor menselijke consumptie;
Amendement 96
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter b – alinea 1
b)  regelmatige controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters in percelen waar het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid het grootst wordt geacht. Relevante parameters en percelen voor de controle worden geselecteerd op basis van de onder a) bedoelde beoordeling.
b)  regelmatige controle van de in de lijst in bijlage I, deel C, opgenomen parameters in prioritaire percelen waar tijdens de onder a) bedoelde beoordeling specifieke risico's voor de waterkwaliteit zijn vastgesteld.
Amendement 97
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter b – alinea 2
Met betrekking tot de regelmatige controle zoals bedoeld in de eerste alinea, kunnen de lidstaten een controlestrategie opstellen die op prioritaire percelen is toegespitst;
Met betrekking tot de regelmatige controle waarborgen de lidstaten toegang tot de installaties in de prioritaire percelen voor de bemonstering en kunnen zij een controlestrategie opstellen, met name betreffende Legionella pneumophila;
Amendement 98
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter c
c)  verificatie of de prestaties van bouwproducten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water adequaat zijn ten opzichte van de essentiële kenmerken in verband met de in bijlage I, punt 3, onder e), bij Verordening (EU) nr. 305/2011 gespecificeerde fundamentele eis voor bouwwerken.
c)  verificatie of de prestaties van producten en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water adequaat zijn ten opzichte van de bescherming van de volksgezondheid.
Amendement 99
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 1 – letter c bis (nieuw)
c bis)  verificatie of de gebruikte materialen geschikt zijn om in contact te komen met voor menselijke consumptie bedoeld water en of wordt voldaan aan de in artikel 11 genoemde vereisten.
Amendement 100
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2
2.  Indien de lidstaten op basis van de beoordeling overeenkomstig lid 1, onder a), van mening zijn dat er een risico bestaat voor de volksgezondheid dat voortvloeit uit het huishoudelijk leidingnet of uit de daarmee samenhangende producten en materialen, of indien uit de controle overeenkomstig lid 1, onder b), blijkt dat niet aan de parameterwaarden van bijlage I, deel C, wordt voldaan:
2.  Indien de lidstaten op basis van de beoordeling overeenkomstig lid 1, onder a), van mening zijn dat er een risico bestaat voor de volksgezondheid dat voortvloeit uit het huishoudelijk leidingnet van prioritaire percelen of uit de daarmee samenhangende producten en materialen, of indien uit de controle overeenkomstig lid 1, onder b), blijkt dat niet aan de parameterwaarden van bijlage I, deel C, wordt voldaan, waarborgen de lidstaten dat passende maatregelen worden genomen om het risico op niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te beperken.
a)  nemen zij passende maatregelen om het risico op de niet-naleving van de parameterwaarden van bijlage I, deel C weg te nemen of te verkleinen;
b)  nemen zij alle noodzakelijke maatregelen om ervoor te zorgen dat de migratie van stoffen of chemicaliën uit bouwproducten die worden gebruikt bij de bereiding of distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, geen direct of indirect gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert;
c)  nemen zij, in samenwerking met de waterleveranciers, andere maatregelen, zoals de toepassing van adequate conditioneringstechnieken, om de aard of de eigenschappen van het water voor de levering zodanig te veranderen dat het risico op niet-naleving van de parameterwaarden na de levering, wordt weggenomen of verkleind;
d)  informeren en adviseren zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;
e)  organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten;
f)  zorgen zij er wat betreft Legionella voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn om mogelijke ziekte-uitbraken te voorkomen en aan te pakken.
Amendement 101
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Om de met het huishoudelijke leidingnet samenhangende risico's te beperken in alle huishoudelijke leidingnetten:
a)  moedigen de lidstaten eigenaren van openbare en particuliere percelen aan een risicobeoordeling van het huishoudelijke leidingnet uit te voeren;
b)  informeren de lidstaten de consumenten en eigenaren van openbare en particuliere percelen over de maatregelen om het risico op de niet-naleving van de kwaliteitseisen van voor menselijke consumptie bestemd water als gevolg van het huishoudelijk leidingnet weg te nemen of te beperken;
c)  informeren en adviseren de zij de consumenten naar behoren over de voorwaarden voor consumptie en gebruik van het water en over mogelijke maatregelen om te voorkomen dat het risico zich opnieuw voordoet;
d)  organiseren zij scholing voor loodgieters en andere beroepsgroepen die zich bezighouden met huishoudelijke leidingnetten en de installatie van bouwproducten en materialen die in contact komen met water; en
e)  zorgen de lidstaten er wat betreft Legionella, en in het bijzonder Legionella pneumophila, voor dat er doeltreffende controle- en beheersmaatregelen beschikbaar zijn die evenredig zijn met het risico om mogelijke uitbraken van de ziekte te voorkomen en aan te pakken.
Amendement 102
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Minimumvereisten inzake hygiënecriteria voor producten, stoffen en materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water
1.   De lidstaten nemen alle nodige maatregelen om te waarborgen dat de stoffen en materialen voor de vervaardiging van nieuwe producten die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water en die in de handel worden gebracht en gebruikt voor de onttrekking, behandeling of distributie of dat de onzuiverheden die uit die stoffen voortkomen:
a)  de bescherming van de volksgezondheid zoals bedoeld in deze richtlijn niet direct of indirect verminderen;
b)  de geur en de smaak van voor menselijke consumptie bestemd water niet aantasten;
c)  niet in een zodanige concentratie in voor menselijke consumptie bestemd water aanwezig zijn dat het niveau dat nodig is om het doel te bereiken waarvoor ze worden gebruikt, wordt overschreden; en
d)  de microbiologische ontwikkeling niet bevorderen.
2.   Om de geharmoniseerde toepassing van lid 1 te waarborgen, stelt de Commissie uiterlijk ... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 19 om deze richtlijn aan te vullen, waarbij de minimumvereisten inzake hygiënecriteria en de lijst van binnen de Unie toegelaten stoffen die worden gebruikt voor de productie van materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water worden vastgesteld, met inbegrip van, in voorkomend geval, specifieke migratielimieten en bijzondere gebruiksvoorwaarden. De Commissie herziet en actualiseert deze lijst regelmatig op basis van de laatste wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen.
3.  Om de Commissie te ondersteunen bij het vaststellen en wijzigen van de gedelegeerde handelingen uit hoofde van lid 2, wordt een permanent comité opgezet dat bestaat uit vertegenwoordigers die door de lidstaten worden aangewezen, waarbij een beroep kan worden gedaan op deskundigen of adviseurs.
4.  De materialen die in contact komen met voor menselijke consumptie bestemd water die onder andere rechtshandelingen van de Unie vallen, zoals Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad1bis, beantwoorden aan de in de leden 1 en 2 van dit artikel gestelde eisen.
______________
1 bis Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5).
Amendement 103
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 1
1.  Om na te gaan of het voor de verbruikers beschikbare water aan de vereisten van deze richtlijn en in het bijzonder aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, treffen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water regelmatig wordt gecontroleerd. Er worden monsters genomen die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water. Ingeval voor menselijke consumptie bestemd water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, treffen de lidstaten voorts alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de doelmatigheid van de toegepaste desinfectiebehandeling wordt gecontroleerd.
1.  Om na te gaan of het voor menselijke consumptie bestemd water aan de vereisten van deze richtlijn en in het bijzonder aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden voldoet, treffen de lidstaten alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit ervan regelmatig wordt gecontroleerd. Er worden monsters genomen die representatief zijn voor de kwaliteit van het gedurende het jaar verbruikte water. Ingeval voor menselijke consumptie bestemd water bij de bereiding of distributie gedesinfecteerd wordt, treffen de lidstaten voorts alle maatregelen om ervoor te zorgen dat de doelmatigheid van de toegepaste desinfectiebehandeling wordt gecontroleerd.
Amendement 104
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk... [drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens ieder jaar in kennis van de resultaten van de uitgevoerde controle van de in de lijsten in bijlage I, deel C bis, opgenomen parameters.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het wijzigen van deze richtlijn, door de lijst van "onder toezicht" geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I te actualiseren. De Commissie kan besluiten stoffen toe te voegen indien het risico bestaat dat deze in voor menselijke consumptie bestemd water voorkomen en een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, maar waarvoor wetenschappelijke gegevens niet hebben aangetoond dat er een risico voor de gezondheid van de mens aan verbonden is. Daartoe baseert de Commissie zich met name op het wetenschappelijk onderzoek van de WHO. De toevoeging van elke nieuwe stof moet naar behoren worden gemotiveerd op grond van artikel 1 van deze richtlijn.
Amendement 105
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 11 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  Uiterlijk... [één jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] stelt de Commissie overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast teneinde deze richtlijn aan te vullen door een methodologie vast te stellen om de in de lijst van "onder toezicht" geplaatste parameters in deel C bis van bijlage I opgenomen microplastics te meten.
Amendement 106
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat elk geval waarin niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden wordt voldaan, onmiddellijk wordt onderzocht om de oorzaak vast te stellen.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat elk geval waarin op de plaats waar overeenkomstig artikel 6 aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, niet aan de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden wordt voldaan, onmiddellijk wordt onderzocht om de oorzaak vast te stellen.
Amendement 107
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 2 – alinea 2
In geval van niet-naleving van de parameterwaarden in bijlage I, deel C, omvatten de herstelmaatregelen de in artikel 10, lid 2, onder a) tot en met f), bedoelde maatregelen.
In geval van niet-naleving van de parameterwaarden in bijlage I, deel C, omvatten de herstelmaatregelen de in artikel 10, lid 2 bis, bedoelde maatregelen.
Amendement 108
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 3 – alinea 2
De lidstaten beschouwen elk geval van niet-naleving van de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde minimumvereisten voor de parameterwaarden als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid.
De lidstaten beschouwen een geval van niet-naleving van de in bijlage I, delen A en B, vastgestelde minimumvereisten voor de parameterwaarden als een potentieel gevaar voor de volksgezondheid, behalve wanneer de bevoegde autoriteiten de niet-naleving van parameterwaarden onbeduidend achten.
Amendement 109
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 4 – inleidende formule
4.  In de in de leden 2 en 3 beschreven gevallen nemen de lidstaten zo spoedig mogelijk alle volgende maatregelen:
4.  In de in de leden 2 en 3 beschreven gevallen nemen de lidstaten, zodra de niet-naleving van de parameterwaarden wordt beschouwd als een potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid, zo spoedig mogelijk alle volgende maatregelen:
Amendement 110
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 4 – alinea 1 bis (nieuw)
De onder a), b) en c) vermelde maatregelen worden genomen in samenwerking met de betrokken waterleverancier.
Amendement 111
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 – lid 5
5.  De bevoegde autoriteiten of andere betrokken instanties besluiten welke maatregelen krachtens lid 3 worden genomen en houden daarbij tevens rekening met de risico’s die onderbreking van de levering of inperking van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water zouden opleveren voor de volksgezondheid.
5.  Wanneer de niet-conformiteit wordt vastgesteld op de plaats waar aan de kwaliteitseisen moet worden voldaan, besluiten de bevoegde autoriteiten of andere betrokken instanties welke maatregelen krachtens lid 3 worden genomen en houden daarbij tevens rekening met de risico’s die onderbreking van de levering of inperking van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water zouden opleveren voor de volksgezondheid.
Amendement 112
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 12 bis (nieuw)
Artikel 12 bis
Afwijkingen
1.  De lidstaten kunnen tot een door hen vast te stellen maximumwaarde voorzien in afwijkingen van de parameterwaarden van bijlage I, deel B, of die welke zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 5, lid 2, indien de afwijking geen gevaar vormt voor de volksgezondheid en de levering van voor menselijke consumptie bestemd water in het betrokken gebied op geen enkele andere redelijke manier kan worden verzekerd. Deze afwijkingen worden beperkt tot de volgende gevallen:
a)  een nieuw waterleveringsgebied;
b)  een nieuwe bron van verontreiniging in een waterleveringsgebied of nieuw opgespoorde of vastgestelde parameters.
Afwijkingen worden gebonden aan een zo kort mogelijke termijn die niet langer mag zijn dan drie jaar. Aan het einde van deze termijn voeren de lidstaten een evaluatie uit om na te gaan of de situatie voldoende is verbeterd.
Onder uitzonderlijke omstandigheden kan een lidstaat een tweede afwijking ten aanzien van de punten a) en b) van de eerste alinea toestaan. Lidstaten die een tweede maal een afwijking willen toestaan, zenden de evaluatie en de redenen waarop hun besluit omtrent die tweede afwijking is gebaseerd, toe aan de Commissie. Een dergelijke tweede afwijking geldt voor maximaal drie jaar.
2.  Elke toegekende afwijking overeenkomstig lid 1 omvat de volgende informatie:
a)  de redenen van de afwijking;
b)  de parameter waarop het besluit omtrent de afwijking betrekking heeft, voorgaande relevante controleresultaten die met deze parameter verband houden en de maximaal toelaatbare waarde ingevolge het besluit omtrent de afwijking;
c)  het geografisch gebied, de hoeveelheid geleverd water per dag, de betrokken bevolkingsgroep en of de afwijking al dan niet gevolgen heeft voor enig betrokken levensmiddelenbedrijf;
d)  een passend controleschema met, zo nodig, een verhoogde controlefrequentie;
e)  een samenvatting van het plan voor de noodzakelijke herstelmaatregelen, met inbegrip van een tijdschema voor het werk, een raming van de kosten en voorzieningen voor de evaluatie; en
f)  de vereiste duur van de afwijking.
3.  Indien de bevoegde autoriteiten van oordeel zijn dat de overschrijding van de parameterwaarde onbeduidend is en indien herstelmaatregelen overeenkomstig artikel 12, lid 2, het probleem binnen maximaal 30 dagen kunnen oplossen, moeten de inlichtingen van lid 2 van dit artikel niet worden vermeld in de afwijking.
In dat geval stellen de bevoegde autoriteiten of andere bij de afwijking betrokken instanties alleen de maximaal toelaatbare parameterwaarde vast en de tijd waarin het probleem moet worden opgelost.
4.  Lid 3 kan niet langer worden toegepast wanneer dezelfde parameterwaarde voor een bepaalde waterlevering in de voorafgaande twaalf maanden in totaal meer dan 30 dagen is overschreden.
5.  De lidstaten die van de in dit artikel bedoelde afwijkingsmogelijkheden gebruik hebben gemaakt, zorgen ervoor dat de betrokken bevolking zo spoedig mogelijk naar behoren over het besluit omtrent de afwijking en de daaraan verbonden voorwaarden wordt geïnformeerd. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat specifieke bevolkingsgroepen waarvoor de afwijking een speciaal risico kan opleveren zo nodig advies wordt verstrekt.
Behoudens andersluidend besluit van de bevoegde autoriteiten, zijn de in de eerste alinea genoemde verplichtingen niet van toepassing in de in lid 3 vermelde omstandigheden.
6.  Met uitzondering van afwijkingen krachtens lid 3, stellen de lidstaten de Commissie binnen twee maanden in kennis van afwijkingen die betrekking hebben op een waterlevering van gemiddeld meer dan 1 000 m3 per dag of aan meer dan 5 000 personen; daarbij verstrekken zij de in lid 2 genoemde gegevens.
7.  De bepalingen van dit artikel hebben geen betrekking op voor menselijke consumptie bestemd water dat in flessen of verpakkingen te koop wordt aangeboden.
Amendementen 113, 165, 191, 208, 166, 192, 169, 195, 170, 196, 197, 220
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 1
1.  Onverminderd artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG nemen de lidstaten alle nodige maatregelen ter verbetering van de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water en ter bevordering van het gebruik ervan op hun grondgebied. Deze omvatten alle hieronder genoemde maatregelen:
1.  Onverminderd artikel 9 van Richtlijn 2000/60/EG en de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid nemen de lidstaten, hierbij rekening houdend met de lokale en regionale perspectieven en omstandigheden met betrekking tot de distributie van water, alle nodige maatregelen ter verbetering van de toegang voor iedereen tot voor menselijke consumptie bestemd water en ter bevordering van het gebruik ervan op hun grondgebied.
a)  de identificatie van personen die geen toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water en de redenen waarom zij geen toegang hebben (zoals het behoren tot een kwetsbare en gemarginaliseerde groep), het beoordelen van de mogelijkheden om de toegang voor deze mensen te verbeteren en de informatieverstrekking aan deze mensen over de mogelijkheden om te worden aangesloten op het distributienet of over alternatieve manieren om toegang tot dat water te krijgen;
a)  de identificatie van personen die geen of beperkte toegang hebben tot voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen, en de redenen waarom zij geen toegang hebben, het beoordelen van de mogelijkheden en het treffen van maatregelen om de toegang voor deze mensen te verbeteren en de informatieverstrekking aan deze mensen over de mogelijkheden om te worden aangesloten op het distributienet of over alternatieve manieren om toegang tot dat water te krijgen;
a bis)   het waarborgen van de openbare voorziening van voor menselijke consumptie bestemd water;
b)  het opzetten en onderhouden van apparatuur buiten en binnen voor vrije toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water in openbare ruimten;
b)  het opzetten en onderhouden van apparatuur buiten en binnen, met inbegrip van bijvulpunten, voor vrije toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water in openbare ruimten, met name in gebieden waar veel mensen komen; dit wordt gedaan voor zover technisch haalbaar, op een wijze die in verhouding staat tot de behoefte aan dergelijke maatregelen en waarbij specifieke plaatselijke omstandigheden in aanmerking worden genomen, zoals klimaat en geografie;
c)  het stimuleren van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water door:
c)  het stimuleren van het gebruik van voor menselijke consumptie bestemd water door:
i)  campagnes te lanceren om burgers te informeren over de kwaliteit van dat water;
i)  campagnes te lanceren om burgers te informeren over de hoge kwaliteit van kraanwater en om de bekendheid te vergroten van het dichtstbijzijnde aangewezen bijvulpunt;
i bis)  campagnes te lanceren om het grote publiek aan te moedigen herbruikbare waterflessen te gebruiken en initiatieven op te starten om mensen op de hoogte te brengen van de locatie van bijvulpunten;
(ii)  de verstrekking van dat water in openbare en overheidsgebouwen aan te moedigen;
(ii)  de gratis verstrekking van dat water in openbare en overheidsgebouwen te verzekeren en het gebruik van water in plastic flessen of verpakkingen voor eenmalig gebruik in dergelijke openbare en overheidsgebouwen te ontmoedigen;
iii)  de gratis verstrekking van dat water door restaurants, kantines en cateringdiensten aan te moedigen.
iii)  het gratis of tegen een lage dienstvergoeding verstrekken aan klanten van dat water door restaurants, kantines en cateringdiensten aan te moedigen.
Amendement 114
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 – alinea 1
Op basis van de uit hoofde van lid 1, onder a), verzamelde informatie nemen de lidstaten alle nodige maatregelen om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen.
Op basis van de uit hoofde van lid 1, onder a), verzamelde informatie nemen de lidstaten maatregelen die zij nodig en passend achten om de toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water voor kwetsbare en gemarginaliseerde groepen te waarborgen.
Amendementen 173, 199 en 209
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   Wanneer er krachtens dit artikel verplichtingen rusten op lokale overheidsinstanties uit hoofde van het nationaal recht, zorgen de lidstaten ervoor dat deze autoriteiten de financiële en andere middelen hebben om toegang tot voor menselijke consumptie bestemd water te waarborgen en dat eventuele maatregelen in dit verband in verhouding staan tot de capaciteit en de omvang van het betreffende distributienet.
Amendementen 174, 200 en 210
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 13 – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.   Op basis van de gegevens die worden verzameld uit hoofde van de bepalingen in artikel 15, lid 1, onder a), werkt de Commissie met de lidstaten en de Europese Investeringsbank samen om gemeenten in de Unie die onvoldoende kapitaal hebben te helpen toegang te krijgen tot technische ondersteuning, beschikbare Unie-fondsen en langetermijnleningen tegen een preferentieel rentetarief, met name om waterinfrastructuur te onderhouden en vernieuwen om de levering van kwalitatief hoogwaardig water te garanderen en de water- en sanitaire diensten uit te breiden zodat deze ook beschikbaar zijn voor kwetsbare en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen.
Amendement 116
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 1
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat passende en actuele informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water online ter beschikking staat van alle personen aan wie dat water wordt geleverd, overeenkomstig bijlage IV.
1.  De lidstaten zorgen ervoor dat passende, actuele en toegankelijke informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water online, of op een andere gebruikersvriendelijke wijze, ter beschikking staat van alle personen aan wie dat water wordt geleverd, overeenkomstig bijlage IV, met inachtneming van alle toepasselijke gegevensbeschermingsregels.
Amendement 117
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – inleidende formule
De lidstaten zorgen ervoor dat alle personen aan wie dat water wordt geleverd, regelmatig en ten minste eenmaal per jaar en in de meest geschikte vorm (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties), zonder dat zij daarom hoeven te vragen, de volgende informatie ontvangen:
De lidstaten zorgen ervoor dat alle personen aan wie dat water wordt geleverd, regelmatig en ten minste eenmaal per jaar en in de meest geschikte en makkelijk toegankelijke vorm (bijvoorbeeld op hun factuur of door middel van slimme applicaties), als bepaald door de bevoegde autoriteiten, de volgende informatie ontvangen:
Amendement 118
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – inleidende formule
a)  informatie over de kostenstructuur van het berekende tarief per kubieke meter voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van de kosten in verband met de volgende elementen:
a)  indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel informatie over de kostenstructuur van het berekende tarief per kubieke meter voor menselijke consumptie bestemd water, met inbegrip van de verdeling van de vaste en variabele kosten;
Amendement 119
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt i
i)  de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 5;
Schrappen
Amendement 120
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt ii
ii)  de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water;
Schrappen
Amendement 121
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt iii
iii)  de verzameling en behandeling van afvalwater;
Schrappen
Amendement 122
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a – punt iv
iv)  maatregelen genomen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen;
Schrappen
Amendement 123
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  informatie over de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water, inclusief de indicatorparameters;
Amendement 124
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter b
b)  de prijs per liter en per kubieke meter van het voor menselijke consumptie bestemde water;
b)  indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de prijs per liter en per kubieke meter van de levering van het voor menselijke consumptie bestemde water; indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, de totale jaarlijkse kosten die ten laste komen van het watersysteem om te zorgen voor naleving van deze richtlijn, vergezeld van relevante en achtergrondinformatie over hoe voor menselijke consumptie bestemd water aan het gebied wordt geleverd;
Amendement 125
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)   de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water;
Amendement 126
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter c
c)  de door het huishouden verbruikte hoeveelheid, ten minste per jaar of per factureringsperiode, samen met de jaarlijkse tendens in het verbruik;
c)  de door het huishouden verbruikte hoeveelheid, ten minste per jaar of per factureringsperiode, samen met de jaarlijkse tendens in het huishoudelijke verbruik, voor zover dit technisch mogelijk is en uitsluitend indien de waterleverancier over deze gegevens beschikt;
Amendement 127
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 1 – letter d
d)  vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met een gemiddeld verbruik voor een huishouden in dezelfde categorie;
d)  vergelijking van het jaarlijkse waterverbruik van het huishouden met een gemiddeld verbruik voor een huishouden, voor zover van toepassing ingevolge letter c;
Amendement 128
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 14 – lid 2 – alinea 2
De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de uit hoofde van de eerste alinea te verstrekken informatie wordt gespecificeerd. Die uitvoeringsmaatregelen worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
De lidstaten stellen een duidelijke verdeling vast van de verantwoordelijkheden met betrekking tot de informatieverstrekking uit hoofde van de eerste alinea, tussen waterleveranciers, belanghebbenden en bevoegde lokale instanties. De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de uit hoofde van de eerste alinea te verstrekken informatie worden gespecificeerd.
Amendement 129
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 1 – alinea 1 – letter d
d)  een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die informatie bevat over incidenten met het drinkwater die een potentieel gevaar voor de volksgezondheid hebben veroorzaakt, ongeacht of zich een geval van niet-naleving van de parameterwaarden heeft voorgedaan, die langer dan tien dagen achter elkaar heeft geduurd en ten minste 1 000 mensen heeft getroffen, met inbegrip van de oorzaken van die incidenten en de overeenkomstig artikel 12 genomen maatregelen.
d)  een gegevensverzameling samen, die zij vervolgens jaarlijks bijwerken, en die informatie bevat over incidenten met het drinkwater die een potentieel risico voor de volksgezondheid hebben veroorzaakt, ongeacht of zich een geval van niet-naleving van de parameterwaarden heeft voorgedaan, die langer dan tien dagen achter elkaar heeft geduurd en ten minste 1 000 mensen heeft getroffen, met inbegrip van de oorzaken van die incidenten en de overeenkomstig artikel 12 genomen maatregelen.
Amendement 130
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4 – alinea 1
4.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de overeenkomstig de leden 1 en 3 te verstrekken informatie wordt gespecificeerd, met inbegrip van gedetailleerde voorschriften voor de indicatoren, de overzichtskaarten voor de hele Unie en de overzichtsverslagen over de lidstaten, zoals bedoeld in lid 3.
4.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn waarin het formaat voor, en de modaliteiten voor de presentatie van, de overeenkomstig de leden 1 en 3 te verstrekken informatie wordt gespecificeerd, met inbegrip van gedetailleerde voorschriften voor de indicatoren, de overzichtskaarten voor de hele Unie en de overzichtsverslagen over de lidstaten, zoals bedoeld in lid 3.
Amendement 131
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 15 – lid 4 – alinea 2
De in de eerste alinea bedoelde richtsnoeren worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Schrappen
Amendement 132
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2 – letter b
b)  de bepalingen inzake de toegang tot water van artikel 13;
b)  de bepalingen inzake de toegang tot water van artikel 13 en het aandeel van de bevolking dat geen toegang tot water heeft;
Amendement 133
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2 – letter c
c)  de bepalingen met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie van artikel 14 en bijlage IV.
c)  de bepalingen met betrekking tot de aan het publiek te verstrekken informatie van artikel 14 en bijlage IV, met inbegrip van een gebruikersvriendelijk overzicht op Unieniveau van de in punt 7 van bijlage IV genoemde gegevens.
Amendement 134
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 17 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De Commissie doet aan het Europees Parlement en de Raad uiterlijk ... [vijf jaar na de einddatum voor omzetting van deze richtlijn] en daarna wanneer passend een verslag toekomen over het potentiële gevaar van microplastics, geneesmiddelen en eventueel andere opkomende verontreinigende stoffen voor bronnen van voor menselijke consumptie bestemd water, en over de daarmee verbonden potentiële gezondheidsrisico's. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 19 indien nodig gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanvulling van deze richtlijn door de specificatie van de maximumwaarden voor microplastics, geneesmiddelen en andere opkomende verontreinigende stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water.
Amendement 135
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 18 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.   De Commissie beoordeelt uiterlijk ... [vijf jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] of artikel 10 bis heeft geleid tot een toereikend niveau van harmonisatie van de hygiënevereisten voor materialen en producten die in contact komen met drinkwater, en neemt indien noodzakelijk aanvullende passende maatregelen.
Amendement 136
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 23 – lid 2
2.  Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op [end-date for transposition of this Directive] nog steeds van toepassing zijn, blijven van toepassing tot de afloop van hun termijn. Zij mogen niet verder worden verlengd.
2.  Door de lidstaten overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 98/83/EG toegestane afwijkingen die op [end-date for transposition of this Directive] nog steeds van toepassing zijn, blijven van toepassing tot de afloop van hun termijn.
Amendement 179
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – deel A – tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Clostridium perfringens-sporen

0

Aantal/100 ml

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

Enterokokken

0

Aantal/100 ml

Escherichia coli (E. coli)

0

Aantal/100 ml

Heterotroof kiemgetal (HPC) bij 22° C

Geen abnormale verandering

 

Somatische colifagen

0

Aantal/100 ml

Troebelingsgraad

< 1

NTE

Amendement

Parameter

Parameterwaarde

Parameter

Clostridium perfringens-sporen

0

Aantal/100 ml

Enterokokken

0

Aantal/100 ml

Escherichia coli (E. coli)

0

Aantal/100 ml

Somatische colifagen

0

Aantal/100 ml

Noot:

De in dit deel vermelde parameters gelden niet voor bronwater en mineraalwater overeenkomstig Richtlijn 2009/54/EG.

Amendementen 138 en 180
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel B – tabel

Door de Commissie voorgestelde tekst

Chemische parameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Acrylamide

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Antimoon

5,0

μg/l

 

Arsenicum

10

μg/l

 

Benzeen

1,0

μg/l

 

Benzo(a)pyreen

0,010

μg/l

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

0,001

μg/l

 

Bisfenol A

0,01

μg/l

 

Boor

1,0

mg/l

 

Bromaat

10

μg/l

 

Cadmium

5,0

μg/l

 

Chloraat

0,25

mg/l

 

Chloriet

0,25

mg/l

 

Chroom

25

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor chroom 50 μg/l.

Koper

2,0

mg/l

 

Cyanide

50

μg/l

 

1,2-dichloorethaan

3,0

μg/l

 

Epichloorhydrine

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Fluoride

1,5

mg/l

 

Gehalogeneerde azijnzuren (HAA's)

80

μg/l

Som van de volgende negen representatieve stoffen: monochloor-, dichloor- en tricholoorazijnzuur, mono- en dibroomazijnzuur, broomchloorazijnzuur, broomdichloorazijnzuur, dibroomchloorazijnzuur en tribroomazijnzuur.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Kwik

1,0

μg/l

 

Microcystine-LR

10

μg/l

 

Nikkel

20

μg/l

 

Nitraten

50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nitriet

0.50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nonylfenol

0,3

μg/l

 

Pesticiden

0,10

μg/l

Onder "pesticiden" worden de volgende zaken verstaan:

 

 

 

organische insecticiden;

 

 

 

organische herbiciden;

 

 

 

organische fungiciden;

 

 

 

organische nematociden;

 

 

 

organische acariciden;

 

 

 

organische algiciden;

 

 

 

organische rodenticiden;

 

 

 

organische slimiciden;

 

 

 

en de relevante metabolieten daarvan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 32, van Verordening (EG) nr. 1107/20091.

 

 

 

De parameterwaarde geldt voor elk afzonderlijk pesticide.

 

 

 

In het geval van aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide is de parameterwaarde 0,030 μg/l.

Totaal pesticiden

0,50

μg/l

"Pesticiden – totaal" is de som van alle afzonderlijke pesticiden, als gedefinieerd in de vorige rij, die bij de controleprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

PFAS

0,10

μg/l

Onder "PFAS" wordt elke afzonderlijke per- en polyfluoralkylverbinding verstaan (chemische formule: CnF2n+1−R).

PFAS'en — totaal

0,50

μg/l

"PFAS'en — totaal" is de som voor alle per- en polyfluoralkylverbindingen (chemische formule: CnF2n+1−R).

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

0,10

μg/l

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[ghi]peryleen en indeno(1,2,3-cd)pyreen.

Seleen (selenium)

10

μg/l

 

Tetrachlooretheen en trichlooretheen

10

μg/l

Som van de concentraties van de gespecificeerde parameters

Totaal trihalomethanen (THM)

100

μg/l

Waar mogelijk streven de lidstaten, zonder dat evenwel de desinfectie in gevaar mag komen, naar een lagere waarde.

 

 

 

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: chloroform, bromoform, dibroomchloormethaan, broomdichloormethaan.

Uraan

30

μg/l

 

Vinylchloride

0,50

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

__________________

1.   Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

Amendement

Chemische parameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Acrylamide

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Antimoon

5,0

μg/l

 

Arsenicum

10

μg/l

 

Benzeen

1,0

μg/l

 

Benzo(a)pyreen

0,010

μg/l

 

ß-Oestradiol (50-28-2)

0,001

μg/l

 

Bisfenol A

0,1

μg/l

 

Boor

1,5

mg/l

 

Bromaat

10

μg/l

 

Cadmium

5,0

μg/l

 

Chloraat

0,25

mg/l

 

Chloriet

0,25

mg/l

 

Chroom

25

μg/l

Uiterlijk op [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor chroom 50 μg/l.

Koper

2,0

mg/l

 

Cyanide

50

μg/l

 

1,2-dichloorethaan

3,0

μg/l

 

Epichloorhydrine

0,10

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

Fluoride

1,5

mg/l

 

Gehalogeneerde azijnzuren (HAA's)

80

μg/l

Som van de volgende negen representatieve stoffen: monochloor-, dichloor- en tricholoorazijnzuur, mono- en dibroomazijnzuur, broomchloorazijnzuur, broomdichloorazijnzuur, dibroomchloorazijnzuur en tribroomazijnzuur.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Kwik

1,0

μg/l

 

Microcystine-LR

10

μg/l

 

Nikkel

20

μg/l

 

Nitraten

50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nitriet

0.50

mg/l

De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarde [nitraat]/50 + [nitriet]/3 ≤ 1, waarbij de rechte haken de concentratie in mg/l uitdrukken, voor nitraat in NO3, en voor nitriet in NO2, vervuld wordt en dat aan de waarde van 0,10 mg/l voor nitriet voldaan wordt af waterbehandelingsinstallatie.

Nonylfenol

0,3

μg/l

 

Pesticiden

0,10

μg/l

Onder "pesticiden" worden de volgende zaken verstaan:

 

 

 

organische insecticiden;

 

 

 

organische herbiciden;

 

 

 

organische fungiciden;

 

 

 

organische nematociden;

 

 

 

organische acariciden;

 

 

 

organische algiciden;

 

 

 

organische rodenticiden;

 

 

 

organische slimiciden;

 

 

 

en de relevante metabolieten daarvan zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 32, van Verordening (EG) nr. 1107/20091.

 

 

 

De parameterwaarde geldt voor elk afzonderlijk pesticide.

 

 

 

In het geval van aldrin, dieldrin, heptachloor en heptachloorepoxide is de parameterwaarde 0,030 μg/l.

Totaal pesticiden

0,50

μg/l

"Pesticiden – totaal" is de som van alle afzonderlijke pesticiden, als gedefinieerd in de vorige rij, die bij de controleprocedure worden opgespoord en gekwantificeerd.

PFAS

0,10

μg/l

Onder "PFAS" wordt elke afzonderlijke per- en polyfluoralkylverbinding verstaan (chemische formule: CnF2n+1−R).

In de formule wordt een onderscheid gemaakt tussen “lange-keten” en “korte-keten” PFAS’en. Deze richtlijn geldt alleen voor “lange-keten” PFAS’en.

 

 

 

Deze parameterwaarde voor afzonderlijke PFAS-verbindingen geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

PFAS'en — totaal

0,50

μg/l

"PFAS'en — totaal" is de som voor alle per- en polyfluoralkylverbindingen (chemische formule: CnF2n+1−R).

 

 

 

Deze parameterwaarde voor PFAS’en – totaal geldt alleen voor die PFAS-verbindingen die waarschijnlijk aanwezig zijn en die gevaarlijk zijn voor de menselijke gezondheid, overeenkomstig de in artikel 8 van deze richtlijn bedoelde gevarenbeoordeling.

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen

0,10

μg/l

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[ghi]peryleen en indeno(1,2,3-cd)pyreen.

Seleen (selenium)

10

μg/l

 

Tetrachlooretheen en trichlooretheen

10

μg/l

Som van de concentraties van de gespecificeerde parameters

Totaal trihalomethanen (THM)

100

μg/l

Waar mogelijk streven de lidstaten, zonder dat evenwel de desinfectie in gevaar mag komen, naar een lagere waarde.

 

 

 

Som van de concentraties van de volgende gespecificeerde verbindingen: chloroform, bromoform, dibroomchloormethaan, broomdichloormethaan.

Uraan

30

μg/l

 

Vinylchloride

0,50

μg/l

Deze parameterwaarde heeft betrekking op de residuele monomeerconcentratie in het water, berekend aan de hand van specificaties inzake de maximumvrijkoming van de overeenkomstige polymeer in contact met water.

__________________

1.   Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

Amendement 139
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel B bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Indicatorparameters

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Aluminium

200

μg/l

 

Ammonium

0,50

mg/l

 

Chloriden

250

mg/l

Opmerking 1

Kleur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Conductiviteit

2 500

μS cm-1 bij 20 °C

Opmerking 1

Waterstofionenconcentratie

≥ 6,5 en ≤ 9,5

pH-eenheden

Opmerkingen 1 en 3

IJzer

200

μg/l

 

Mangaan

50

μg/l

 

Geur

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Sulfaten

250

mg/l

Opmerking 1

Natrium

200

mg/l

 

Smaak

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Kiemgetal bij 22 °C

Geen abnormale verandering

 

 

Colibacteriën

0

Aantal/100 ml

 

Totaal aan organische koolstof (TOC)

Geen abnormale verandering

 

 

Troebelingsgraad

Aanvaardbaar voor de verbruikers en geen abnormale verandering

 

 

Opmerking 1:

Het water mag niet agressief zijn.

Opmerking 2:

Deze parameter behoeft enkel te worden gemeten als het water afkomstig is van of beïnvloed wordt door oppervlaktewater. Indien niet aan deze parameterwaarde wordt voldaan, onderzoeken de betrokken lidstaten de waterlevering om zich ervan te vergewissen dat er geen potentieel gevaar voor de menselijke gezondheid bestaat ten gevolge van de aanwezigheid van pathogene micro-organismen, bijvoorbeeld cryptosporidium.

Opmerking 3:

Voor niet-bruisend water in flessen of verpakkingen kan de minimumwaarde verlaagd worden tot 4,5 pH-eenheden.

Voor water in flessen of verpakkingen dat van nature rijk is aan kooldioxide of kunstmatig verrijkt is met kooldioxide kan de minimumwaarde lager zijn.

Amendement 140
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel C

Door de Commissie voorgestelde tekst

Relevante parameters voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Legionella

< 1 000

Aantal/l

Indien de parameterwaarde < 1 000/l voor Legionella niet wordt gehaald, wordt herbemonstering voor Legionella pneumophila verricht. Indien Legionella pneumophila niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella < 10 000/l.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op [10 years after the entry into force of this Directive] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Amendement

Relevante parameters voor de risicobeoordeling van het huishoudelijk leidingnet

Parameter

Parameterwaarde

Eenheid

Opmerkingen

Legionella pneumophila

< 1 000

Aantal/l

 

Legionella

< 10 000

Aantal/l

Indien Legionella pneumophila, waarvoor de parameterwaarde < 1 000/l bedraagt, niet aanwezig is, bedraagt de parameterwaarde voor Legionella < 10 000/l.

Lood

5

μg/l

Uiterlijk op ... [tien jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] moet aan deze waarde worden voldaan. Tot die datum bedraagt de parameterwaarde voor lood 10 μg/l.

Amendement 141
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage I – Deel C bis (nieuw)

Door de Commissie voorgestelde tekst

Amendement

Nieuwe parameters onder toezicht

Microplastics

Het toezicht vindt plaats overeenkomstig de methodologie voor het meten van microplastics die is vastgelegd in de overeenkomstig artikel 11, lid 5 ter, vermelde gedelegeerde handeling.

Amendement 142
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – Deel B – punt 1 – alinea 1
Escherichia coli (E. coli), Clostridium perfringens-sporen en somatische colifagen worden als "kernparameters" beschouwd en mogen geen voorwerp vormen van een leveringsrisicobeoordeling overeenkomstig deel C van deze bijlage. Zij worden altijd gecontroleerd volgens de in tabel 1 van punt 2 vermelde frequenties.
Escherichia coli (E. Coli) en enterokokken worden als "kernparameters" beschouwd en mogen geen voorwerp vormen van een leveringsrisicobeoordeling overeenkomstig deel C van deze bijlage. Zij worden altijd gecontroleerd volgens de in tabel 1 van punt 2 vermelde frequenties.
Amendement 186
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – Deel B – punt 2

Door de Commissie voorgestelde tekst

Bemonsteringsfrequenties

Alle overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameters worden ten minste volgens de in de volgende tabel vermelde frequentie gecontroleerd, tenzij op basis van een overeenkomstig artikel 9 en deel C van deze bijlage uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling een andere bemonsteringsfrequentie is bepaald:

Tabel 1

Minimumfrequentie voor monsterneming en analyse voor nalevingscontrole

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid (m3) water

Minimumaantal monsternemingen per

jaar

≤ 100

> 100 ≤ 1 000

> 1 000 ≤ 10 000

> 10 000 ≤ 100 000

> 100 000

10a

10a

50b

365

365

a: alle monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

b: ten minste 10 monsters moeten worden genomen op tijdstippen waarop het risico van het doorbreken van maag-darmpathogenen naar het behandelde water hoog is.

Opmerking 1: Een leveringsgebied is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is uit één of enkele bronnen en waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn.

Opmerking 2: De hoeveelheden zijn gemiddelden berekend over een kalenderjaar. Het vaststellen van de minimumfrequentie mag worden gebaseerd op het aantal inwoners in een leveringsgebied in plaats van op de hoeveelheid water uitgaande van een waterverbruik van 200 l/(dag*hoofd van de bevolking).

Opmerking 3: Lidstaten die hebben besloten afzonderlijke voorzieningen uit te zonderen overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van deze richtlijn, passen deze frequenties enkel toe voor leveringsgebieden die tussen 10 en 100 m3 per dag distribueren.

Amendement

Bemonsteringsfrequenties

Alle overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameters worden ten minste volgens de in de volgende tabel vermelde frequentie gecontroleerd, tenzij op basis van een overeenkomstig artikel 9 en deel C van deze bijlage uitgevoerde leveringsrisicobeoordeling een andere bemonsteringsfrequentie is bepaald:

Tabel 1

Minimumfrequentie voor monsterneming en analyse voor nalevingscontrole

Dagelijks binnen een leveringsgebied gedistribueerde of geproduceerde hoeveelheid water

(zie opmerkingen 1 en 2) m3

Microbiologische parameters (groep A) -

aantal monsternemingen per jaar

(zie opmerking 3)

Chemische parameters (groep B) -

aantal monsternemingen per jaar

 

≤ 100

> 0

(zie opmerking 4)

> 0

(zie opmerking 4)

> 100

≤ 1 000

4

1

> 1 000

≤ 10 000

4

+3

voor elke 1 000 m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

1

+1

voor elke 1 000 m3/d en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 10 000

 

≤ 100 000

3

+ 1

voor elke 10 000 m3/dag en

fractie daarvan van de totale hoeveelheid

> 100 000

 

12

+ 1

voor elke 25 000 m3/dag en fractie daarvan van de totale hoeveelheid

Opmerking 1: Een leveringsgebied is een geografisch afgebakend gebied waarbinnen het voor menselijke consumptie bestemde water afkomstig is uit één of enkele bronnen en waarbinnen het water kan worden geacht van vrijwel uniforme kwaliteit te zijn.

Opmerking 2: De hoeveelheden zijn gemiddelden berekend over een kalenderjaar. Het vaststellen van de minimumfrequentie mag worden gebaseerd op het aantal inwoners in een leveringsgebied in plaats van op de hoeveelheid water uitgaande van een waterverbruik van 200 l/(dag*hoofd van de bevolking).

Opmerking 3: De vermelde frequentie wordt als volgt berekend: bijv. 4 300 m3/dag = 16 monsters (vier voor de eerste 1 000 m3/dag + 12 voor een bijkomende 3 300 m3/dag).

Opmerking 4: Lidstaten die hebben besloten afzonderlijke voorzieningen uit te zonderen overeenkomstig artikel 3, lid 2, onder b), van deze richtlijn, passen deze frequenties enkel toe voor leveringsgebieden die tussen 10 en 100 m3 per dag distribueren.

Amendement 144
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II – Deel D – punt 2 bis (nieuw)
2 bis.  monsternemingen voor Legionella worden in huishoudelijke leidingnetten op risicoplaatsen verricht in het kader van de verspreiding van en/of de blootstelling aan Legionella pneumophila. De lidstaten stellen richtsnoeren op voor bemonsteringsmethoden voor Legionella.
Amendement 145
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage II bis (nieuw)
Minimumvereisten inzake hygiëne voor stoffen en materialen voor het vervaardigen van nieuwe producten die in aanraking komen met voor menselijke consumptie bestemd water:
a)  een lijst van stoffen die zijn goedgekeurd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van die materialen, waaronder onder meer organische materialen, elastomeren, siliconen, metalen, cement, ionenwisselende harsen en samengestelde materialen, alsmede de daaruit vervaardigde producten;
b)  specifieke voorschriften voor het gebruik van stoffen in die materialen en de daaruit vervaardigde producten;
c)  specifieke beperkingen voor de migratie van bepaalde stoffen in het voor menselijke consumptie bestemde water;
d)  regels voor hygiëne met betrekking tot andere eigenschappen die nodig zijn om aan de voorschriften te voldoen;
e)  basisregels om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren;
f)  regels met betrekking tot bemonsterings- en analysemethoden om de naleving van de punten a) tot en met d) te controleren.
Amendementen 177 en 224
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage III – Deel B – punt 1 – tabel 1 – regel 28

Door de Commissie voorgestelde tekst

PFAS'en

50

 

Amendement

PFAS'en

20

 

Amendement 146
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – titel
INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK DIE ONLINE MOET WORDEN AANGEBODEN
INFORMATIE VOOR HET PUBLIEK
Amendement 147
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – inleidende formule
De volgende informatie wordt online ter beschikking gesteld van consumenten, op een gebruikersvriendelijke en op consumenten toegesneden wijze:
De volgende informatie wordt online ter beschikking gesteld van consumenten, op evenzo gebruikersvriendelijke en op consumenten toegesneden wijzen:
Amendement 148
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 1
1)  identificatie van de desbetreffende waterleverancier;
1)  identificatie van de desbetreffende waterleverancier, het gebied waaraan en het aantal mensen aan wie het water wordt geleverd, en de waterproductiemethode;
Amendement 149
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 2 – inleidende formule
2)  de recentste controleresultaten voor de in de lijsten in bijlage I, delen A en B, opgenomen parameters, met inbegrip van de frequentie en locatie van bemonsteringspunten, voor zover relevant voor het gebied dat van belang is voor de persoon aan wie het water wordt geleverd, samen met de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden. De controleresultaten mogen niet ouder zijn dan:
2)  een herziening van de recentste controleresultaten per waterleverancier voor de in de lijsten in bijlage I, delen A, B en B bis opgenomen parameters, met inbegrip van de frequentie en de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden. De controleresultaten mogen niet ouder zijn dan:
Amendement 202
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 2 – letter b
(b)  zes maanden, voor grote waterleveranciers;
(b)  zes maanden, voor middelgrote en grote waterleveranciers;
Amendement 203
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 2 – letter c
(c)  één jaar, voor kleine waterleveranciers;
(c)  één jaar, voor kleine en zeer kleine waterleveranciers;
Amendement 150
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 3
3)  indien de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden worden overschreden, informatie over het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid en het daarmee verbonden gezondheids- en consumptieadvies of een hyperlink waarmee dergelijke informatie te vinden is;
3)  indien sprake is van mogelijk gevaar voor de menselijke gezondheid, als vastgesteld door de bevoegde autoriteiten nadat de overeenkomstig artikel 5 vastgestelde parameterwaarden werden overschreden, informatie over het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid en het daarmee verbonden gezondheids- en consumptieadvies of een hyperlink waarmee dergelijke informatie te vinden is;
Amendement 151
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 4
4)  een samenvatting van de desbetreffende leveringsrisicobeoordeling;
Schrappen
Amendement 152
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 5
5)  informatie over de volgende indicatorparameters en de bijbehorende parameterwaarden:
5)  informatie over de in bijlage I, deel B bis, opgenomen indicatorparameters en de bijbehorende parameterwaarden;
a)  kleur;
b)  pH (waterstofionenconcentratie);
c)  geleidingsvermogen voor elektriciteit;
d)  ijzer;
e)  mangaan;
f)  geur;
g)  smaak;
h)  hardheid;
i)  in water opgeloste mineralen, anionen/kationen:
—  boraat BO3-
—  carbonaat CO32-
—  chloride Cl-
—  fluoride F-
—  waterstofcarbonaat HCO3-
—  nitraat NO3-
—  nitriet NO2-
—  fosphaat PO43-
—  silicaat SiO2
—  sulfaat SO42-
—  sulfide S2-
—  aluminium Al
—  ammonium NH4+
—  calcium Ca
—  magnesium Mg
—  kalium K
—  natrium Na
Die parameterwaarden en andere niet-geïoniseerde verbindingen en sporenelementen kunnen samen met een referentiewaarde en/of een uitleg worden getoond;
Amendement 153
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 6
(6)  consumentenadvies over manieren om het waterverbruik terug te dringen;
(6)  consumentenadvies over manieren om het waterverbruik waar nodig terug te dringen en water naargelang de plaatselijke omstandigheden op een verantwoorde wijze te gebruiken;
Amendement 154
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7
(7)  voor zeer grote waterleveranciers, jaarlijkse gegevens over:
(7)  voor grote en zeer grote waterleveranciers, jaarlijkse gegevens over:
Amendement 155
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter a
a)  de algemene prestaties van het watersysteem in termen van efficiëntie, met inbegrip van lekkagepercentages en energieverbruik per kubieke meter geleverd water;
a)  de algemene prestaties van het watersysteem in termen van efficiëntie, met inbegrip van door de lidstaten vastgestelde lekkagepercentages ;
Amendement 156
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter b
b)  informatie over het beheer en bestuur van de waterleveranciers, met inbegrip van de samenstelling van de raad van bestuur;
b)  informatie over het model en de eigendomsstructuur van de waterlevering door de waterleveranciers;
Amendement 157
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter d
d)  informatie over de kostenstructuur van het aan consumenten berekende tarief per kubieke meter water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, waarbij ten minste vermelding gemaakt wordt van de kosten in verband met het energieverbruik per kubieke meter geleverd water, de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 4, de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, de verzameling en behandeling van afvalwater, en de kosten in verband met maatregelen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen;
d)  indien kosten worden vergoed middels een tariferingstelsel, informatie over de tariefstructuur per kubieke meter water, met inbegrip van vaste en variabele kosten, evenals de kosten in verband met de door de waterleveranciers genomen maatregelen met het oog op de gevarenbeoordeling uit hoofde van artikel 8, lid 4, de behandeling en distributie van voor menselijke consumptie bestemd water, en de kosten in verband met maatregelen uit hoofde van artikel 13, indien de waterleveranciers dergelijke maatregelen hebben genomen;
Amendement 158
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter e
e)  het bedrag aan investeringen dat de leverancier nodig acht om de financiële duurzaamheid van de levering van waterdiensten (met inbegrip van het onderhoud van de infrastructuur) te waarborgen, alsmede het daadwerkelijk ontvangen of terugverdiende bedrag aan investeringen;
e)  het bedrag aan verrichte, lopende en geplande investeringen, evenals het financieringsplan;
Amendement 159
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 7 – letter g
g)  samenvatting en statistieken over consumentenklachten en over de mate waarin tijdig en adequaat op problemen wordt gereageerd;
g)  samenvatting en statistieken over consumentenklachten en de oplossing ervan;
Amendement 160
Voorstel voor een richtlijn
Bijlage IV – alinea 1 – punt 8
(8)  toegang tot historische gegevens voor de in de punten 2) en 3) genoemde informatie, tot 10 jaar terug en op verzoek.
(8)  toegang tot historische gegevens voor de in de punten 2) en 3) genoemde informatie, tot 10 jaar terug, en niet eerder dan de datum van omzetting van deze richtlijn, en op verzoek.

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 107.
(2) PB C 361 van 5.10.2018, blz. 46.
(3) PB C 77 van 28.3.2002, blz. 1.
(4) Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 23 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0397).


Verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures ***I
PDF 388kWORD 130k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures, en tot wijziging van Richtlijn 2012/30/EU (COM(2016)0723 – C8-0475/2016 – 2016/0359(COD))
P8_TA-PROV(2019)0321A8-0269/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0723),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0475/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien de gemotiveerde adviezen die in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn uitgebracht door de IE Dáil Éireann en de IE Seanad Éireann, waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 29 maart 2017(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 12 juli 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 19 december 2018 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A‑0269/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden, en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie)

P8_TC1-COD(2016)0359


(voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 53 en 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Deze richtlijn heeft als doel bij te dragen tot het goede functioneren van de interne markt en een eind te maken aan de belemmeringen voor het uitoefenen van fundamentele vrijheden zoals het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging, die voortvloeien uit verschillen tussen nationale regelingen en procedures inzake preventieve herstructurering, insolventie, kwijtschelding van schuld en beroepsverboden. Deze richtlijn beoogt, zonder afbreuk te doen aan de grondrechten en fundamentele vrijheden van werknemers, deze belemmeringen weg te nemen door ervoor te zorgen dat: levensvatbare ondernemingen en ondernemers in financiële moeilijkheden toegang hebben tot doeltreffende nationale preventieve herstructureringsstelsels die hen in staat stellen hun activiteiten voort te zetten; eerlijke ondernemers die insolvent zijn of een overmatige schuldenlast hebben na een redelijke termijn een volledige kwijtschelding van schuld kunnen krijgen waardoor hen een tweede kans wordt gegeven; en dat de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld efficiënter worden, in het bijzonder om de duur ervan te verkorten.

(2)  De herstructurering moet schuldenaren in financiële moeilijkheden in staat stellen hun activiteiten geheel of gedeeltelijk voort te zetten, door een wijziging van de samenstelling, de voorwaarden of de structuur van hun activa en hun passiva, of van elk ander onderdeel van hun kapitaalstructuur - met inbegrip van de verkoop van bedrijfsmiddelen of bedrijfsonderdelen, of, indien het nationale recht daarin voorziet, het bedrijven zelf - en door operationele wijzigingen uit te voeren. Tenzij anders specifiek is bepaald in het nationale recht, moeten operationele wijzigingen, zoals de beëindiging of wijziging van overeenkomsten of de verkoop of andere vervreemding van activa voldoen aan de algemene voorschriften van het nationaal recht voor dergelijke maatregelen, met name civielrechtelijke en arbeidsrechtelijke regels. Eventuele schuldconversies moeten ook voldoen aan waarborgen overeenkomstig het nationaal recht. Preventieve herstructureringsstelsels moeten de schuldenaren vooral in staat stellen om in een vroeg stadium effectief te herstructureren en om insolventie te voorkomen, zodat de onnodige vereffening van levensvatbare bedrijven wordt beperkt. Deze stelsels moeten helpen om te voorkomen dat banen, knowhow en vaardigheden verloren gaan, en leiden tot een zo groot mogelijke totale waarde voor schuldeisers - ten opzichte van wat zij zouden ontvangen bij vereffening van de activa van de onderneming of in het best mogelijke alternatieve scenario bij ontbreken van een plan -, alsmede voor de eigenaars en de economie in haar geheel ▌.

(3)  Preventieve herstructureringsstelsels moeten ook voorkomen dat het aantal niet-renderende leningen stijgt. Als er effectieve preventieve herstructureringsstelsels beschikbaar zijn, zullen maatregelen worden genomen voordat ondernemingen hun leningen niet meer kunnen afbetalen, met als resultaat een kleiner risico dat leningen bij laagconjunctuur oninbaar worden, en minder negatieve gevolgen daarvan voor de financiële sector. Een aanzienlijk percentage ondernemingen en banen zou behouden kunnen blijven als er in alle lidstaten waar ondernemingen vestigingen, bedrijfsmiddelen of crediteuren hebben, preventieve stelsels voorhanden zouden zijn. In de herstructureringsstelsels moeten de rechten van alle betrokken partijen, inclusief werknemers, op een evenwichtige manier worden beschermd. Tegelijkertijd moeten niet-levensvatbare ondernemingen zonder overlevings­kansen zo snel mogelijk worden vereffend. Wanneer een schuldenaar in financiële moeilijkheden economisch niet levensvatbaar is of zijn economische levensvatbaarheid niet onmiddellijk kan worden hersteld, kunnen herstructureringsinspanningen ertoe leiden dat sneller verliezen worden gemaakt en deze zich opstapelen, ten nadele van schuldeisers, werknemers en andere betrokkenen, en van de economie als geheel.

(4)  Er bestaan verschillen tussen de lidstaten wat betreft de procedures die voor schuldenaren in financiële moeilijkheden beschikbaar zijn om hun onderneming te herstructureren. Bepaalde lidstaten hebben een beperkte reeks procedures die bedrijven alleen in staat stellen in een relatief laat stadium te herstructureren, in het kader van insolventieprocedures. In andere lidstaten is herstructurering in een vroeger stadium mogelijk, maar zijn de beschikbare procedures minder effectief dan zij zouden kunnen zijn, of ze zijn erg formalistisch, met name omdat ze het gebruik van buitengerechtelijke regelingen beperken. Preventieve oplossingen zijn binnen het insolventierecht een groeiende trend. Anders dan vroeger, toen ondernemingen in financiële moeilijkheden doorgaans werden vereffend, worden nu meer maatregelen genomen om de financiële gezondheid van dergelijke ondernemingen te herstellen, of althans de nog levensvatbare delen ervan te redden. Mede door deze aanpak wordt, naast andere voordelen voor de economie, de werkgelegenheid behouden of minder banenverlies geleden. Bovendien varieert de mate van betrokkenheid in preventieve herstructureringsstelsels van rechterlijke of administratieve instanties of door dergelijke instanties aangewezen personen van geen of minimale betrokkenheid in enkele lidstaten tot volledige betrokkenheid in andere lidstaten. Zo ook variëren de nationale regels die ondernemers een tweede kans geven, door met name de schulden te kwijten die zij zijn aangegaan tijdens hun bedrijfsactiviteit, tussen de lidstaten met betrekking tot de kwijtscheldingsperiode en de voorwaarden voor een dergelijke kwijtschelding.

(5)  In veel lidstaten duurt het meer dan drie jaar voordat insolvente maar eerlijke ondernemers schuldenvrij worden en een nieuwe start kunnen maken. Inefficiënte regelingen voor kwijtschelding van schuld en beroepsverbod zorgen ervoor dat ondernemers naar een ander rechtsgebied moeten verhuizen om binnen een redelijke termijn een nieuwe start te kunnen maken, met aanzienlijke extra kosten voor zowel de schuldeisers als de ondernemers zelf. Langdurige beroepsverboden, waarmee een tot kwijtschelding van schuld leidende procedure vaak gepaard gaat, belemmeren de vrijheid om een zelfstandige ondernemersactiviteit te beginnen en uit te oefenen.

(6)  De veel te lange duur van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld in verscheidene lidstaten is een belangrijke factor die tot lage terugvorderingspercentages leidt en investeerders afschrikt om zaken te doen in rechtsgebieden waar procedures erg lang kunnen aanslepen en onnodig veel kosten met zich mee kunnen brengen.

(7)  Verschillen tussen de lidstaten wat betreft de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld leiden voor investeerders tot extra kosten bij het inschatten van het risico dat schuldenaren in een of meerdere lidstaten in financiële moeilijkheden raken of van het risico van het investeren in levensvatbare ondernemingen in financiële moeilijkheden, alsmede van de extra kosten van het herstructureren van bedrijven met vestigingen, schuldeisers of activa in andere lidstaten. Dit is met name het geval bij de herstructurering van internationale groepen van bedrijven. Investeerders vermelden onzekerheid over insolventieregels of het risico van langdurige of complexe insolventie­procedures in een andere lidstaat als een van de belangrijkste redenen om niet te investeren of geen zakelijke betrekkingen aan te gaan buiten de lidstaat waar ze zijn gevestigd. Deze onzekerheid is een negatieve prikkel die de vrijheid van vestiging, de bevordering van ondernemerschap en het goede functioneren van de interne markt belemmert. Met name micro-, kleine en middelgrote ondernemingen ("kmo's") hebben meestal niet de middelen om de aan grensoverschrijdende activiteiten verbonden risico's te beoordelen.

(8)  De verschillen tussen de lidstaten wat betreft de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld leiden tot ongelijke voorwaarden voor de toegang tot krediet en tot ongelijke terugvorderingspercentages in de lidstaten. Verdere harmonisatie op het gebied van herstructurering, insolventie, kwijtschelding van schuld en beroepsverboden is dan ook onontbeerlijk voor een goed functionerende interne markt in het algemeen en voor een functionerende kapitaalmarktenunie in het bijzonder, en voor de veerkracht van de Europese economieën, inclusief het behoud en het scheppen van banen.

(9)  De extra van een risicobeoordeling en van de grensoverschrijdende tenuitvoerlegging van vorderingen voor schuldeisers van ondernemers met een overmatige schuldenlast die naar een andere lidstaat verhuizen om op veel kortere termijn een kwijtschelding van schuld te krijgen, moeten ook worden beperkt. Ook de extra kosten voor ondernemers doordat ze naar een andere lidstaat moeten verhuizen om een kwijtschelding van schuld te krijgen, moeten worden verminderd. Voorts wordt ondernemerschap belemmerddoor de belemmeringen die voortvloeien uit langdurige beroepsverboden die gekoppeld zijn aan de insolventie of de overmatige schuldenlast van een ondernemer.

(10)  Een herstructurering, met name een omvangrijke die ingrijpende gevolgen heeft, moet gebaseerd zijn op een dialoog met de belanghebbenden. Die dialoog moet betrekking hebben op de keuze van de beoogde maatregelen voor het halen van de doelstellingen van de herstructureringsoperatie alsmede op alternatieve opties, en er moet gepaste betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers zijn zoals bepaald in het Unierecht en het nationale recht.

(11)  De belemmeringen voor de uitoefening van fundamentele vrijheden zijn niet beperkt tot louter grensoverschrijdende situaties. In een steeds meer verweven interne markt, waarop goederen, diensten, kapitaal en werknemers vrij circuleren, met een almaar sterkere digitale dimensie, kan slechts een zeer beperkt aantal bedrijven als puur nationaal worden beschouwd als rekening wordt gehouden met alle relevante elementen, zoals klantenbestand, toeleveringsketen, omvang van activiteiten, beleggersbestand en kapitaalbasis. Zelfs een zuiver nationale insolventie kan een effect hebben op het functioneren van de interne markt via het zogenaamde domino-effect waarbij de insolventie van een schuldenaar meerdere insolventies in de toeleveringsketen kan veroorzaken.

(12)  Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en van de Raad(6) heeft betrekking op kwesties als rechterlijke bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging, toepasselijk recht en samenwerking in grensoverschrijdende insolventieprocedures, en op de onderlinge koppeling van insolventieregisters. Het toepassingsgebied ervan omvat preventieve procedures die de redding van economisch levensvatbare schuldenaars bevorderen, alsmede kwijtingsprocedures voor ondernemers en andere natuurlijke personen. Die verordening pakt echter niet de verschillen aan tussen de nationale wetten die deze procedures regelen. Voorts zou een instrument dat louter beperkt blijft tot grensoverschrijdende insolventie, niet alle belemmeringen voor vrij verkeer wegnemen, en het zou voor investeerders ook niet doenlijk zijn om vooraf te bepalen of de potentiële financiële moeilijkheden van de schuldenaar in de toekomst grensoverschrijdend dan wel binnenlands van aard zullen zijn. Het is daarom nodig om verder te gaan dan thema's van justitiële samenwerking en wezenlijke minimumnormen vast te stellen voor preventieve herstructureringsprocedures en procedures met schuldbevrijdende werking voor ondernemers.

(13)  Deze richtlijn dient het toepassingsgebied van Verordening (EU) 2015/848 onverlet te laten. Deze richtlijn beoogt volledige verenigbaarheid met en strekt tot aanvulling van die verordening door van de lidstaten te verlangen dat zij preventieve herstructureringsprocedures invoeren die aan bepaalde minimumnormen inzake effectiviteit voldoen. Deze richtlijn houdt geen wijziging in van de in die verordening gehanteerde aanpak waarbij de lidstaten wordt toegestaan procedures te handhaven of in te voeren die niet voldoen aan de bekendmakingsvoorwaarde voor kennisgeving overeenkomstig bijlage A van die verordening . Hoewel deze richtlijn niet voorschrijft dat binnen haar toepassingsgebied vallende procedures aan alle voorwaarden voor kennisgeving overeenkomstig die bijlage voldoen, is het de bedoeling dat zij de grensoverschrijdende erkenning van deze procedures en de erkenning en de tenuitvoerlegging van rechterlijke uitspraken vergemakkelijkt.

(14)  Het voordeel van de toepassing van Verordening (EU) 2015/848 is dat zij waarborgen biedt tegen misbruik van het verplaatsen van het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar tijdens grensoverschrijdende insolventieprocedures. Bepaalde beperkingen moeten ook gelden voor procedures die niet onder die verordening vallen.

(15)  De kosten van herstructurering voor zowel schuldenaren als schuldeisers moeten worden verlaagd. De verschillen tussen de lidstaten die een belemmering vormen voor de vroegtijdige herstructurering van levensvatbare schuldenaren in financiële moeilijkheden en voor de mogelijkheid van een kwijtschelding van schuld voor eerlijke ondernemers, moeten derhalve worden beperkt. Het beperken van dergelijke verschillen moet leiden tot grotere transparantie, rechtszekerheid en voorspelbaarheid in de gehele Unie. Het moet leiden tot een zo hoog mogelijk rendement voor alle soorten schuldeisers en investeerders, en grensoverschrijdende investeringen aanmoedigen. Een grotere coherentie van de herstructurerings- en insolventieprocedures moet ook de herstructurering van groepen van bedrijven vergemakkelijken, ongeacht waar in de Unie de leden van de groep zijn gevestigd.

(16)  Het wegnemen van de obstakels voor een doeltreffende preventieve herstructurering van levensvatbare schuldenaren in financiële moeilijkheden draagt ertoe bij dat banenverlies en waardeverliezen voor schuldeisers in de toeleveringsketen zo gering mogelijk blijven, zorgt voor het behoud van knowhow en vaardigheden, en komt dus de economie in ruimere zin ten goede. Door het vergemakkelijken van kwijtschelding van schuld voor ondernemers draagt ertoe bij dat wordt voorkomen dat ze van de arbeidsmarkt uitgesloten worden en stelt hen in staat om opnieuw een ondernemersactiviteit uit te oefenen en daarbij lering te trekken uit eerdere ervaringen. Bovendien zouden kortere herstructureringsprocedures leiden tot hogere terugvorderingspercentages voor schuldeisers, aangezien het verstrijken van de tijd normaliter enkel zou leiden tot een verder waardeverlies van de schuldenaar of de onderneming van de schuldenaar. Ten slotte zouden efficiënte procedures inzake preventieve herstructurering, insolventie- en kwijtschelding een betere beoordeling van de risico’s van beslissingen over het opnemen en verstrekken van leningen mogelijk maken, en de aanpassing voor insolvente schuldenaren of schuldenaren met een overmatige schuldenlast vergemakkelijken, door de economische en sociale kosten van hun schuldverlaging tot een minimum te beperken. Deze richtlijn moet lidstaten flexibiliteit bieden deze gemeenschappelijke beginselen toe te passen met inachtneming van hun nationale rechtsstelsels. De lidstaten moeten andere preventieve herstructureringsstelsels in hun nationale rechtstelsel kunnen handhaven of invoeren dan die waarin deze richtlijn voorziet.

(17)  Ondernemingen, en met name kmo's, die 99 % van alle ondernemingen in de Unie uitmaken, moeten voordeel halen uit een meer coherente aanpak op Unieniveau. Het is waarschijnlijker dat kmo's vereffend in plaats van geherstructureerd worden, aangezien zij kosten moeten dragen die buitensporig veel hoger zijn dan die van grotere ondernemingen. Kmo's hebben, met name als zij zich in financiële moeilijkheden bevinden, vaak niet de middelen om hoge herstructureringskosten te dragen en te profiteren van doeltreffender herstructurerings­procedures die slechts in een aantal lidstaten beschikbaar zijn. Om die schuldenaren te helpen tegen lage kosten te herstructureren, moeten op nationaal niveau uitgebreide checklists voor herstructureringsplannen, aangepast aan de behoeften en specifieke eigenschappen van kmo's worden ontwikkeld en online beschikbaar gesteld. Daarnaast moeten instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing worden ingevoerd om schuldenaren te waarschuwen dat handelen dringend nodig is, rekening houdend met de beperkte middelen van kmo's voor de werving van deskundigen.

(18)  Bij het definiëren van kmo's zouden de lidstaten terdege rekening kunnen houden met Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad(7) of de aanbeveling van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen(8).

(19)  Het is wenselijk de volgende schuldenaren buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te laten: verzekerings- en herverzekeringsondernemingen zoals gedefinieerd in artikel 13, punten 1 en 4, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(9), kredietinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10), beleggingsondernemingen en instellingen voor collectieve belegging zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punten 2 en 7 van Verordening (EU) nr. 575/2013, centrale tegenpartijen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad(11), centrale effectenbewaarinstellingen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 1, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad(12) en andere financiële instellingen en entiteiten als vermeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(13). Dergelijke schuldenaars zijn aan specifieke regelingen onderworpen, waarbij de nationale toezichthoudende en afwikkelingsautoriteiten over ruime interventie­bevoegdheden ten aanzien van hen beschikken. De lidstaten moeten ook andere financiële entiteiten kunnen uitsluiten die financiële diensten verstrekken waarvoor vergelijkbare regelingen en interventiebevoegdheden gelden.

(20)  Op grond van soortgelijke overwegingen is het ook raadzaam om naar nationaal recht opgerichte publieke instellingen buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn te laten. De lidstaten moeten ook de toegang tot preventieve herstructureringsstelsels voor rechtspersonen kunnen beperken, aangezien de financiële moeilijkheden van ondernemers niet alleen efficiënt kunnen worden aangepakt door preventieve herstructureringsprocedures, maar ook door procedures die tot kwijtschelding van schuld leiden of door middel van informele herstructureringen op basis van contractuele overeenkomsten. Lidstaten met verschillende rechtsstelsels waar hetzelfde soort entiteit een verschillende rechtspositie heeft, moeten één uniforme regeling voor dergelijke entiteiten kunnen toepassen. Een preventief herstructureringsstelsel dat is vastgesteld op grond van deze richtlijn mag geen invloed hebben op vorderingen en rechten tegen een schuldenaar die voortvloeien uit bedrijfspensioenregelingen indien deze vorderingen en rechten zijn opgebouwd tijdens een periode voorafgaand aan de herstructurering.

(21)  Consumenten met een overmatige schuldenlast vormen een groot economisch en sociaal probleem dat nauw samenhangt met de reductie van de schuldenberg. Het is bovendien vaak niet mogelijk om een duidelijk onderscheid te maken tussen de schulden die door ondernemers bij de uitoefening van hun handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit zijn aangegaan en de schulden die buiten die activiteiten zijn aangegaan. Ondernemers zouden een tweede kans niet op doeltreffende wijze kunnen benutten indien zij afzonderlijke procedures moeten doorlopen, met verschillende toegangsvoorwaarden en kwijtscheldingsperioden, om hun zakelijke schulden en de overige schulden die zij zijn aangegaan buiten hun zakelijke activiteiten heen te kwijten. Om die redenen, en hoewel deze richtlijn geen bindende regels inzake overmatige schuldenlast van consumenten bevat, is het aangeraden dat de lidstaten de bepalingen van deze richtlijn inzake de kwijtschelding van schuld ook zo spoedig mogelijk op consumenten gaan toepassen.

(22)  Hoe eerder een schuldenaar ontdekt dat hij in financiële moeilijkheden verkeert en de nodige maatregelen kan nemen, hoe groter de kans dat een op handen zijnde insolventie kan worden voorkomen of, in het geval van een onderneming waarvan de levensvatbaarheid permanent onder druk staat, hoe ordelijker en efficiënter het vereffeningsproces zou verlopen. Daarom moeten duidelijke, actuele, beknopte en gebruiksvriendelijke informatie over de beschikbare preventieve herstructureringsprocedures, en een of meer instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing voorhanden zijn om schuldenaren te stimuleren om snel stappen te ondernemen wanneer zij financiële moeilijkheden beginnen te ondervinden. Instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing in de vorm van waarschuwingsmechanismen die aangeven wanneer de schuldenaar bepaalde soorten betalingen niet heeft verricht, kunnen bijvoorbeeld in werking treden bij niet-betaling van belastingen of socialezekerheidspremies. Dergelijke instrumenten zouden door de lidstaten zelf of door particuliere instanties kunnen worden ontwikkeld, op voorwaarde dat de doelstelling wordt verwezenlijkt. Lidstaten moeten de informatie over het instrument van vroegtijdige waarschuwing online beschikbaar maken, bijvoorbeeld op een website of webpagina. De lidstaten moeten de instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing kunnen aanpassen aan de omvang van de onderneming en specifieke vroegtijdige-waarschuwingsbepalingen voor grote ondernemingen en groepen vaststellen, die rekening houdend met de specifieke kenmerken daarvan. Deze richtlijn mag de lidstaten niet aansprakelijk maken voor eventuele schade als gevolg van herstructureringsprocedures die zijn ingeschakeld door dergelijke instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing.

(23)  In een poging meer steun van de werknemers en hun vertegenwoordigers te verwerven, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de vertegenwoordigers van de werknemers toegang krijgen tot relevante en actuele informatie over de beschikbaarheid van instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing en moeten zij de vertegenwoordigers van de werknemers ook steun kunnen verlenen bij de beoordeling van de economische situatie van de schuldenaar.

(24)  Er moet een herstructureringsstelsel beschikbaar zijn voor schuldenaren, met inbegrip van juridische entiteiten en, indien het nationaal recht hierin voorziet, natuurlijke personen en groepen van bedrijven, om hen in staat te stellen hun financiële moeilijkheden in een vroeg stadium aan te pakken, wanneer het zich laat aanzien dat hun insolventie nog kan worden voorkomen en de levensvatbaarheid van het bedrijf kan worden verzekerd. Er moet een herstructureringsstelsel beschikbaar zijn voordat een schuldenaar insolvent wordt op grond van het nationaal recht, namelijk voordat de schuldenaar de voorwaarden overeenkomstig nationaal recht vervult om collectieve insolventieprocedures in te stellen, hetgeen normaliter gepaard gaat met het gehele verlies van zijn vermogen en de aanwijzing van een vereffenaar. Om misbruik van herstructureringsstelsels te voorkomen, moeten de financiële moeilijkheden van de schuldenaar van dien aard zijn dat insolventie dreigt en moet het herstructureringsplan de insolventie van de schuldenaar kunnen voorkomen en de onderneming levensvatbaar kunnen maken.

(25)  De lidstaten moeten kunnen bepalen of vorderingen die opeisbaar zijn of tot stand komen nadat een verzoek om opening van een preventieve herstructureringsprocedure is ingediend of nadat de procedure is geopend, worden opgenomen in de preventieve herstructureringsmaatregelen of de schorsing van individuele tenuitvoerleggings­maatregelen. De lidstaten moeten kunnen beslissen of de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen gevolgen heeft voor de rente die is verschuldigd op vorderingen.

(26)  De lidstaten moeten een levensvatbaarheidstoets kunnen invoeren als voorwaarde voor toegang tot de preventieve herstructureringsprocedure waarin deze richtlijn voorziet. Een dergelijke toets mag niet ten koste gaan van de activa van de schuldenaar, wat onder andere zou kunnen inhouden dat een voorlopige schorsing wordt toegestaan of dat de toets zonder onnodige vertraging wordt uitgevoerd. Dat er geen nadeel is geleden mag echter niet beletten dat lidstaten van schuldenaren kan verlangen dat zij hun levensvatbaarheid op eigen kosten bewijzen.

(27)  Het feit dat de lidstaten de toegang van wegens ernstige inbreuken op de accountants- of boekhoudkundige verplichtingen veroordeelde schuldenaars tot een herstructurerings­stelsel kunnen beperken, mag de lidstaten niet beletten de toegang voor schuldenaren tot preventieve herstructureringsstelsels ook te beperken wanneer hun boeken en registers dermate onvolledig of gebrekkig zijn dat het onmogelijk is de zakelijke en financiële situatie van de schuldenaren te bepalen.

(28)  De lidstaten moeten het toepassingsgebied van de preventieve herstructureringsstelsels waarin deze richtlijn voorziet, kunnen uitbreiden naar situaties waarin schuldenaars te kampen hebben met niet-financiële moeilijkheden, op voorwaarde dat zulke moeilijkheden een werkelijke en ernstige bedreiging vormen voor het huidige of toekomstige vermogen van een schuldenaar om zijn schulden op de vervaldatum af te lossen. De termijn om te bepalen of een dergelijke bedreiging bestaat, kan een periode van verscheidene maanden of zelfs langer bedragen om rekening te kunnen houden met gevallen waarin de schuldenaar te kampen heeft met niet-financiële moeilijkheden die een bedreiging vormen voor zijn onderneming als going concern en, op de middellange termijn, voor zijn liquiditeit. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de schuldenaar een contract heeft verloren dat voor hem van cruciaal belang is.

(29)  Om de doeltreffendheid te bevorderen en om vertragingen en kosten te beperken, moeten nationale preventieve herstructureringsstelsels flexibele procedures omvatten. Wanneer deze richtlijn wordt toegepast door middel van meer dan één procedure binnen een herstructureringsstelsel, moet de schuldenaar alle rechten en waarborgen van deze richtlijn met als doel een doeltreffende herstructurering te bereiken. Tenzij wanneer er sprake is van de uit hoofde van deze richtlijn bepaalde verplichte betrokkenheid van rechterlijke of administratieve instanties, moeten de lidstaten de betrokkenheid van dergelijke instanties kunnen beperken tot situaties waarin dat noodzakelijk en evenredig is, rekening houdend met, onder meer, het doel de rechten en belangen van schuldenaren en betrokken partijen te beschermen alsmede het doel vertragingen en procedurekosten terug te dringen. Wanneer schuldeisers of de werknemersvertegenwoordigers wordt toegestaan een herstructureringsprocedure te beginnen krachtens het nationale recht en wanneer een schuldenaar een kmo is, dienen de lidstaten de start van de procedure te binden aan de voorwaarde dat de schuldenaar ermee instemt, en moeten zij die eis ook kunnen opleggen aan schuldenaren die grote ondernemingen zijn.

(30)  Om onnodige kosten te vermijden ▌, tot uiting te brengen dat het om een vroegtijdige preventieve herstructurering gaat en schuldenaren ertoe aan te zetten in een vroeg stadium van hun financiële moeilijkheden de preventieve herstructurering aan te vragen, moeten zij in principe de controle over hun activa en de dagelijkse werking van hun onderneming behouden. Het aanstellen van een deskundige op het gebied van herstructurering, om toezicht te houden op de activiteiten van een schuldenaar of de controle over de dagelijkse bedrijfsvoering gedeeltelijk over te nemen, moet niet altijd verplicht zijn, maar er moet per geval over kunnen worden beslist, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak of van de specifieke behoeften van de schuldenaar. Niettemin moeten de lidstaten kunnen vaststellen dat de aanstelling van een deskundige op het gebied van herstructurering altijd noodzakelijk is in bepaalde omstandigheden, zoals wanneer: de schuldenaar profijt heeft van een algemene schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen; het herstructureringsplan moet worden bevestigd door middel van een categorie-overschrijdende cram-down; het herstructureringsplan maatregelen omvat die van invloed zijn op de rechten van werknemers of de schuldenaar of diens bestuur op criminele, frauduleuze of schadelijke wijze heeft gehandeld in zakelijke betrekkingen.

(31)  Met het oog op het verlenen van assistentie aan de partijen bij het onderhandelen over en het opstellen van een herstructureringsplan, moeten de lidstaten evenwel voorzien in de verplichte aanstelling van een deskundige op het gebied van herstructurering wanneer: een rechterlijke of administratieve instantie de schuldenaar een algemene schorsing van individuele tenuitvoerleggings­maatregelen verleent, mits een deskundige noodzakelijk is om de belangen van de partijen te beschermen; het herstructureringsplan door een rechterlijke of administratieve instantie moet worden bekrachtigd door middel van een categorie-overschrijdende cram‑down; daarom verzocht is door de schuldenaar; of daarom verzocht wordt door een meerderheid van de schuldeisers, mits de schuldeisers de kosten en honoraria van de deskundige betalen.

(32)  Een schuldenaar moet in aanmerking kunnen komen voor een tijdelijke schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, toegekend door een rechterlijke of administratieve instantie of van rechtswege toegekend, met het oog op de ondersteuning van de onderhandelingen over een herstructureringsplan, om in staat zijn zijn activiteiten tijdens de onderhandelingen voort te zetten of althans de waarde van zijn boedel behouden. Wanneer het nationaal recht daarin voorziet moet de schorsing ook kunnen gelden ten bate van derde partijen die zekerheden stellen, daaronder begrepen borgstellers en verstrekkers van zekerheden. De lidstaten moeten echter kunnen bepalen dat rechterlijke of administratieve instanties een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen kunnen weigeren indien een dergelijke schorsing niet nodig is of indien deze maatregel niet de beoogde ondersteuning van de onderhandelingen biedt. Weigeringsgronden kunnen onder meer zijn een gebrek aan steun van de vereiste meerderheid van schuldeisers of, indien het nationaal recht daarin voorziet, het feitelijke onvermogen van de schuldenaar om schulden te betalen wanneer deze opeisbaar worden.

(33)  Ter vergemakkelijking en bespoediging van de procedure moeten de lidstaten kunnen uitgaan van vermoedens, met mogelijkheid van weerlegging, dat er gronden tot weigering van de schorsing bestaan, bijvoorbeeld wanneer de schuldenaar gedragingen vertoont die typerend zijn voor een schuldenaar die opeisbaar wordende schulden niet kan betalen, zoals grote betalingsachterstanden jegens werknemers, de belastingdienst of sociale-zekerheids­instanties, of wanneer er een financieel misdrijf is begaan door de schuldenaar of het huidige bestuur van een onderneming waardoor kan worden aangenomen dat een meerderheid van de schuldeisers geen steun zou verlenen om onderhandelingen te beginnen.

(34)  Een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen zou algemeen kunnen zijn, in welk geval zij dus voor alle schuldeisers geldt, of gericht kunnen zijn op afzonderlijke schuldeisers of categorieën schuldeisers. De lidstaten moeten bepaalde vorderingen of categorieën vorderingen in welomschreven omstandigheden buiten de reikwijdte van de schorsing kunnen laten vallen, zoals vorderingen die worden gedekt door activa waarvan de verwijdering geen gevaar oplevert voor de herstructurering van de onderneming of vorderingen van schuldeisers ten aanzien van wie een schorsing zou leiden tot oneerlijke benadeling, zoals vanwege niet-gecompenseerd verlies of waardevermindering van zekerheden.

(35)  Met het oog op een goed evenwicht tussen de rechten van de schuldenaar en die van de schuldeisers, mag een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen maximaal vier maanden gelden. Complexe herstructureringen kunnen echter meer tijd vergen. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat in dergelijke gevallen ▌ verlengingen van de initiële periode van de schorsing kunnen worden toegekend door de rechterlijke of administratieve instantie ▌. Wanneer een rechterlijke of administratieve instantie geen beslissing neemt over de verlenging van de schorsing voor het verstrijken van de geldigheidsperiode, mag de schorsing geen gevolgen meer hebben vanaf het moment waarop de schorsing verstrijkt. In het belang van de rechtszekerheid moet de totale periode van de schorsing tot twaalf maanden worden beperkt. De lidstaten moeten kunnen voorzien in een onbeperkte schorsing wanneer de schuldenaar insolvent wordt op grond van het nationaal recht. De lidstaten moeten kunnen beslissen of de termijnen van deze richtlijn van toepassing zijn op een korte tussentijdse schorsing in afwachting van de beslissing van een rechterlijke of administratieve instantie over de toegang tot het preventieve herstructureringsstelsel.

(36)  Om ervoor te zorgen dat de schuldeisers geen onnodig nadeel ondervinden, moeten de lidstaten bepalen dat rechterlijke of administratieve instanties een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen kunnen intrekken indien deze niet langer beantwoordt aan het doel, te weten ondersteuning van de onderhandelingen, bijvoorbeeld als blijkt dat de vereiste meerderheid van schuldeisers de voortzetting van de onderhandelingen niet steunt. Indien de lidstaten een dergelijke mogelijkheid bieden, moet de schorsing ook worden ingetrokken als schuldeisers er op oneerlijke wijze door worden benadeeld. De lidstaten moeten de mogelijkheid om de schorsing op te heffen, kunnen beperken tot situaties waarbij schuldeisers niet de gelegenheid hebben gehad te worden gehoord voordat de schorsing in werking trad of werd verlengd. De lidstaten moeten ook een minimumperiode kunnen instellen waarin de schorsing niet kan worden ingetrokken. Om te bepalen of er sprake is van oneerlijke benadeling van schuldeisers, moeten rechterlijke of administratieve instanties rekening kunnen houden met de vraag of de schorsing de totale waarde van de boedel intact zou laten enof de schuldenaar te kwader trouw handelt of met het oogmerk nadeel toe te brengen, of in het algemeen de legitieme verwachtingen van de gezamenlijke schuldeisers schendt.

(37)  Deze richtlijn heeft geen betrekking op bepalingen betreffende compensatie of waarborgen voor schuldeisers van wie de zekerheid tijdens de schorsing waarschijnlijk in waarde zal afnemen. Een schuldeiser of een categorie van schuldeisers zou oneerlijk worden benadeeld door de schorsing als hun vorderingen bijvoorbeeld in aanzienlijke mate slechter af zouden zijn als gevolg van de schorsing dan wanneer de schorsing niet gold, of als de schuldeiser een groter nadeel ondervindt dan andere schuldeisers in een soortgelijke positie. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat, wanneer een oneerlijke benadeling van één schuldeiser of meerdere schuldeisers of van één categorie of meer categorieën schuldeisers is geconstateerd, de schorsing kan worden ingetrokken ten aanzien van die schuldeisers of categorieën schuldeisers of ten aanzien van alle schuldeisers. De lidstaten moeten kunnen beslissen wie om intrekking van de schorsing kan verzoeken.

(38)  Een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen moet ook leiden tot een schorsing van de verplichting van een schuldenaar om een insolventieprocedure in te stellen, of van de opening, op verzoek van een schuldeiser, van een insolventieprocedure die kan leiden tot vereffening van de schuldenaar. Deze insolventieprocedures mogen bovendien niet van rechtswege beperkt worden tot procedures waarvan het enige resultaat de vereffening van de schuldenaar kan zijn, maar zij moeten ook kunnen leiden tot een herstructurering van de schuldenaar. De schorsing van de opening van een insolventieprocedure op verzoek van schuldeisers moet niet alleen gelden wanneer lidstaten voorzien in een algemene schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen ten aanzien van alle schuldeisers, maar ook wanneer lidstaten voorzien in de mogelijkheid van een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen voor slechts een beperkt aantal schuldeisers. Niettemin moeten de lidstaten kunnen bepalen dat insolventieprocedures kunnen worden geopend op verzoek van publieke autoriteiten die niet optreden als schuldeiser, maar in het algemeen belang, zoals een openbaar aanklager.

(39)  Deze richtlijn belet schuldenaars niet om, in het kader van de normale bedrijfs­uitoefening, vorderingen van niet-betrokken schuldeisers te voldoen, evenals vorderingen van betrokken schuldeisers die ontstaan tijdens de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen. Opdat de schuldeisers met vorderingen die zijn ontstaan vóór de opening van een herstructureringsprocedure of een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen de schuldenaar niet onder druk zetten de vorderingen te voldoen die anders door de uitvoering van het herstructureringsplan zouden worden beperkt, moeten de lidstaten kunnen voorzien in de schorsing van de verplichting voor de schuldenaar om die vorderingen te betalen.

(40)  Wanneer een schuldenaar een insolventieprocedure opstart, is het mogelijk dat bepaalde leveranciers contractuele rechten hebben, die worden opgenomen in zogeheten ipso facto-bedingen, waardoor zij de leveringsovereenkomst louter vanwege de insolventie kunnen beëindigen, zelfs als een schuldenaar zijn verplichtingen behoorlijk is nagekomen. Ipso facto-bedingen kunnen ook van toepassing worden wanneer een schuldenaar preventieve herstructureringsmaatregelen aanvraagt. Wanneer dergelijke bedingen worden ingeroepen wanneer de schuldenaar alleen maar onderhandelt over een herstructureringsplan of worden ingeroepen om een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen verzoekt, of in het kader van een gebeurtenis die verband houdt met de schorsing, kan vroegtijdige beëindiging negatieve gevolgen hebben voor de onderneming van de schuldenaar en de succesvolle redding van de onderneming. Daarom is het in dergelijke gevallen noodzakelijk te bepalen dat schuldeisers ▌ ipso facto dergelijke bedingen niet mogen inroepen die gewagen van onderhandelingen over een herstructureringsplan of een schorsing, of een soortgelijke gebeurtenis die verband houdt met de schorsing.

(41)  Een vroegtijdige beëindiging zou het vermogen van een onderneming om de activiteiten voort te zetten tijdens de onderhandelingen over een herstructurering in het gedrang brengen, vooral wanneer het gaat om overeenkomsten voor essentiële voorzieningen zoals gas, elektriciteit, water, telecommunicatie en kaartbetalingsdiensten. De lidstaten moeten bepalen dat schuldeisers op wie de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen van toepassing is, en wier vorderingen zijn ontstaan vóór de schorsing en die niet zijn betaald door een schuldenaar, niet over de mogelijkheid mogen beschikken essentiële nog uit te voeren overeenkomsten te beëindigen, te versnellen of anderszins te wijzigen, of de nakoming ervan op te schorten tijdens de schorsingsperiode, mits de schuldenaar voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van die overeenkomsten die tijdens de schorsing opeisbaar worden. Nog uit te voeren overeenkomsten zijn bijvoorbeeld, lease- en licentieovereenkomsten, langlopende leveringscontracten en franchiseovereenkomsten.

(42)  Deze richtlijn moet minimumnormen voor de inhoud van een herstructureringsplan bevatten. De lidstaten moeten echter aanvullende toelichtingen in het herstructureringsplan kunnen verlangen, met betrekking tot bijvoorbeeld de criteria op basis waarvan schuldeisers zijn gegroepeerd, die van belang kunnen zijn voor gevallen waarin een schuld slechts gedeeltelijk wordt gedekt. De lidstaten moeten niet worden verplicht een deskundig advies te eisen met betrekking tot de waarde van de activa die moet worden vermeld in het plan.

(43)  Schuldeisers die bij een herstructureringsplan zijn betrokken, inclusief werknemers, en, wanneer dat krachtens het nationaal recht is toegestaan, kapitaalhouders, moeten het recht hebben om te stemmen over de goedkeuring van een herstructureringsplan. De lidstaten moeten beperkte uitzonderingen op deze regel kunnen toestaan. Partijen die niet bij het herstructureringsplan zijn betrokken, mogen geen stemrecht hebben over het plan en evenmin mag hun steun worden vereist voor de goedkeuring van een plan. Het begrip "betrokken partijen" mag alleen werknemers in hun hoedanigheid van schuldeisers betreffen. Indien de lidstaten besluiten om de aanspraken van de werknemers van de preventieve herstructureringsstelsels uit te zonderen, mogen werknemers niet als betrokken partijen worden beschouwd. De stemming over de goedkeuring van een herstructureringsplan zou de vorm kunnen aannemen van een formele stemprocedure of van een overleg en overeenstemming met de vereiste meerderheid van de betrokken partijen. Wanneer de stemming echter de vorm aanneemt van een overeenstemming met de vereiste meerderheid, zouden de betrokken partijen die niet aan deze overeenstemming deelnamen toch de mogelijkheid kunnen krijgen om zich bij het herstructureringsplan aan te sluiten.

(44)  Om ervoor te zorgen dat rechten die substantieel vergelijkbaar zijn, ook op dezelfde manier worden behandeld en dat herstructureringsplannen kunnen worden goedgekeurd zonder op oneerlijke wijze afbreuk te doen aan de rechten van de betrokken partijen, moeten de betrokken partijen behandeld worden in afzonderlijke categorieën die overeenkomen met de criteria voor het vormen van categorieën krachtens het nationaal recht. "Vorming van categorieën" is het groeperen van betrokken partijen met het oog op de goedkeuring van een plan op een wijze die hun rechten en rangorde van hun vorderingen en belangen respecteert. Ten minste moeten schuldeisers met zekerheid en schuldeisers zonder zekerheid steeds als afzonderlijke categorieën worden behandeld. De lidstaten moeten echter kunnen vereisen dat er meer dan twee categorieën schuldeisers worden gevormd, met verschillende categorieën van al dan niet door een zekerheid gedekte schuldeisers en categorieën schuldeisers met achtergestelde schuldvorderingen. De lidstaten moeten ook  soorten schuldeisers die geen voldoende gedeelde belangen hebben, zoals belastings- en socialezekerheidsinstanties, in afzonderlijke categorieën kunnen onderbrengen De lidstaten moeten kunnen bepalen dat door een zekerheid gedekte vorderingen kunnen worden onderverdeeld in door een zekerheid gedekte en niet door een zekerheid gedekte gedeelten op basis van de waardering van de zekerheid. De lidstaten moeten ook kunnen bepalen dat specifieke regels worden vastgesteld ter ondersteuning van de vorming van categorieën, waarbij niet-gediversifieerde of anderszins bijzonder kwetsbare schuldeisers, zoals werknemers of kleine leveranciers, zouden profiteren van deze vorming van categorieën.

(45)  De lidstaten moeten kunnen bepalen dat schuldenaren die kmo's zijn, gezien hun relatief eenvoudige kapitaalstructuur, kunnen worden vrijgesteld van de verplichting betrokkken partijen onder te brengen in afzonderlijke categorieën. In gevallen waarin kmo's ervoor hebben gekozen slechts één stemmende categorie tot stand te brengen en deze categorie tegen het plan stemt, moeten schuldenaren volgens de algemene beginselen van deze richtlijn de mogelijkheid hebben een ander plan in te dienen.

(46)  In elk geval moeten de lidstaten ervoor zorgen dat aangelegenheden die van bijzonder belang zijn voor de vorming van categorieën, zoals vorderingen van verbonden partijen, in hun nationaal recht adequaat worden behandeld, en moet het nationaal recht regels bevatten over voorwaardelijke vorderingen en betwiste vorderingen. Het moet de lidstaten worden toegestaan om de wijze waarop betwiste vorderingen worden behandeld ten behoeve van de verdeling van de stemrechten te regelen. De rechterlijke of administratieve instantie moet de vorming van categorieën onderzoeken, ook de selectie van bij het plan betrokken schuldeisers, wanneer een herstructureringsplan ter bevestiging wordt ingediend. De lidstaten moeten echter kunnen bepalen dat deze instantie ook de vorming van categorieën in een vroeg stadium kan onderzoeken, ingeval de indiener van het plan vooraf om geldigverklaring of advies vraagt.

(47)  De vereiste meerderheden moeten in het nationaal recht worden vastgesteld opdat een minderheid van betrokken partijen in elke categorie de goedkeuring van een herstructurerings­plan niet kan verhinderen, wanneer dat niet op oneerlijke wijze hun rechten en belangen aantast. Zonder een meerderheidsregel die niet-instemmende, door een zekerheid gedekte schuldeisers bindt, zou een vroege herstructurering in veel gevallen niet mogelijk zijn, bijvoorbeeld wanneer een financiële herstructurering nodig is, maar de onderneming verder levensvatbaar is. Om ervoor te zorgen dat partijen een inspraak hebben in de goedkeuring van herstructureringsplannen die in verhouding staat tot de belangen die zij in de onderneming hebben, moet de vereiste meerderheid gebaseerd zijn op het bedrag van de vorderingen van de schuldeisers of van de belangen van houders van eigenvermogensinstrumenten in een specifieke categorie. De lidstaten moeten bovendien een meerderheid van het aantal betrokken partijen in elke categorie kunnen verlangen. De lidstaten moeten regels kunnen vaststellen met betrekking tot betrokken partijen met stemrecht die dat recht niet op correcte wijze uitoefenen of die niet vertegenwoordigd zijn, en kunnen die betrokken partijen bijvoorbeeld laten meetellen bij het berekenen van een deelnamedrempel of een meerderheid. De lidstaten moeten ook een deelnamedrempel voor de stemming kunnen bepalen.

(48)  De bevestiging van een herstructureringsplan door een rechterlijke of administratieve instantie is noodzakelijk om te waarborgen dat de beperking van de rechten van schuldeisers of belangen van kapitaalhouders in verhouding staat tot de voordelen van de herstructurering, en dat zij toegang hebben tot een doeltreffende voorziening in rechte. De bevestiging is met name noodzakelijk indien: er niet-instemmende betrokken partijen zijn; het herstructureringsplan bepalingen over nieuwe financiering bevat; of het plan een verlies van meer dan 25 % van de werkgelegenheid met zich meebrengt. De lidstaten moeten echter kunnen bepalen dat bevestiging door een rechterlijke of administratieve instantie ook in andere gevallen noodzakelijk is. Plannen die een verlies van meer dan 25 % van de werkgelegenheid met zich meebrengen, hoeven alleen te worden bevestigd indien preventieve herstructureringsstelsels krachtens nationaal recht maatregelen met rechtstreekse gevolgen voor arbeidsovereenkomsten kunnen inhouden.

(49)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat een rechterlijke of administratieve instantie een plan kan verwerpen indien is aangetoond dat het plan de rechten van niet-instemmende schuldeisers of kapitaalhouders beperkt, hetzij tot onder een niveau dat zij redelijkerwijze zouden kunnen verwachten in het geval van de vereffening van de onderneming van de schuldenaar, of deze nu stapsgewijs geschiedt dan wel als een verkoop in going concern ▌, afhankelijk van de specifieke omstandigheden waarin elke schuldenaar zich bevindt, hetzij tot onder hetgeen zij redelijkerwijze zouden kunnen verwachten in het geval van het beste alternatieve scenario indien het herstructureringsplan niet zou zijn bevestigd. Indien het plan echter door een categorie-overschrijdende cram-down wordt bevestigd, moet het in dat scenario gebruikte beschermingsmechanisme worden vermeld. Indien de lidstaten ervoor kiezen de schuldenaar te waarderen als een going concern, moet, anders dan bij de vereffeningswaarde, in de going-concernwaarde worden gekeken naar de waarde van de onderneming van de schuldenaar op langere termijn. De going-concernwaarde ligt in de regel hoger dan de ▌ vereffeningswaarde, omdat zij is gebaseerd op de aanname dat de onderneming haar activiteiten met minimale verstoring voortzet, het vertrouwen heeft van financiële schuldeisers, aandeelhouders en klanten, inkomsten blijft genereren en de gevolgen voor werknemers beperkt.

(50)  Hoewel een rechterlijke of administratieve instantie alleen moet nagaan of de toets van het belang van de schuldeisers wordt doorstaan indien het herstructureringsplan op die grond wordt betwist – zodat niet telkens een waardering hoeft te worden uitgevoerd – moeten de lidstaten kunnen bepalen dat andere voorwaarden voor bevestiging ambtshalve kunnen worden onderzocht. De lidstaten moeten andere voorwaarden kunnen toevoegen waaraan moet worden voldaan om een herstructureringsplan te bevestigen, bijvoorbeeld de vraag of kapitaalhouders voldoende worden beschermd. Rechterlijke of administratieve instanties moeten het bevestigen van herstructureringsplannen kunnen weigeren indien die geen redelijk vooruitzicht bieden op het voorkomen van de insolventie van de schuldenaar of het garanderen van de levensvatbaarheid van het bedrijf. De lidstaten mogen evenwel niet verplicht worden ervoor te zorgen dat die beoordeling ambtshalve wordt gemaakt.

(51)  De kennisgeving aan alle betrokken partijen moet een van de voorwaarden voor bevestiging van een herstructureringsplan zijn. De lidstaten moeten de vorm van de kennisgeving kunnen vaststellen, het tijdstip waarop zij werd verricht kunnen vastleggen, alsmede bepalingen kunnen vaststellen voor het behandelen van onbekende vorderingen wat de kennisgeving aangaat. Zij moeten ook kunnen bepalen dat de niet-betrokken partijen over het herstructureringsplan moeten worden geïnformeerd.

(52)  Het voldoen aan de toets van "het belang van de schuldeisers" ("'best-interest-of-creditors test") moet worden geacht in te houden dat geen enkele niet-instemmende schuldeiser slechter af is bij een herstructureringsplan dan hij zou zijn bij een vereffening, of ▌ deze nu geleidelijk gebeurt dan wel als een verkoop als going concern, of in het geval van het beste alternatieve scenario indien het herstructureringsplan niet zou zijn bevestigd. De lidstaten moeten een van deze drempels kunnen kiezen bij de uitvoering van deze toets van het belang van de schuldeisers in het nationaal recht. Die toets moet in elk geval plaatsvinden wanneer een plan moet worden bevestigd om bindend te zijn voor niet-instemmende schuldeisers of, naargelang het geval, niet-instemmende categorieën schuldeisers. Naar aanleiding van de toets van "het belang van de schuldeisers" zouden de lidstaten, in het geval van openbare institutionele schuldeisers met een bevoorrechte status uit hoofde van het nationaal recht, kunnen bepalen dat het plan geen volledige of gedeeltelijke annulering van de vorderingen van deze schuldeisers opleggen.

(53)  Terwijl een herstructureringsplan altijd moet worden goedgekeurd indien de vereiste meerderheid in elke betrokken categorie het plan steunt, moet een herstructureringsplan dat niet de steun heeft van de vereiste meerderheid in elke betrokken categorie, toch nog door een rechterlijke of administratieve instantie kunnen worden bevestigd op voorstel of met de instemming van de schuldenaar. In het geval van een rechtspersoon moeten de lidstaten kunnen beslissen of, waar het gaat om de vaststelling of bevestiging van een herstructureringsplan, onder schuldenaar moet worden verstaan de raad van bestuur van de rechtspersoon of een bepaalde meerderheid van aandeelhouders of kapitaalhouders. In het geval van een categorie-overschrijdende cram-down kan een plan alleen worden bevestigd als het wordt gesteund door een meerderheid van categorieën van betrokken partijen. Ten minste een van deze categorieën moet bestaan uit door een zekerheid gedekte schuldeisers of moet hoger in rang zijn dan de categorie gewone niet door een zekerheid gedekte schuldeisers.

(54)  Indien het herstructureringsplan niet wordt ondersteund door de meerderheid van de stemmende categorieën, kan het plan niettemin worden bevestigd indien het wordt ondersteund door ten minste één betrokken of geschade categorie schuldeisers die, bij een waardering van de schuldenaar als going concern, betaling ontvangen of een belang aanhouden, of, mits het nationaal recht daarin voorziet, redelijkerwijs kan worden geacht betaling te ontvangen of een belang in het bedrijf aan te houden, indien de normale rangorde van voorrang bij vereffening krachtens nationaal recht zou worden toegepast. In een dergelijk geval moeten de lidstaten het aantal categorieën dat nodig is om het plan goed te keuren, kunnen verhogen, zonder noodzakelijkerwijs te verlangen dat al die categorieën bij een waardering van de schuldenaar als "going concern" worden betaald of een belang volgens het nationale recht aanhouden. De lidstaten moeten echter niet de instemming van alle categorieën verlangen. Daarom moet, wanneer er slechts twee categorieën van schuldeisers zijn, de instemming van één ervan voldoende worden geacht, indien ook aan andere voorwaarden voor de toepassing van een categorieoverschrijdende cram-down wordt voldaan. schuldeisers worden geacht te worden geschaad indien hun vorderingen in waarde afnemen.

(55)  In het geval van een categorie-overschrijdende cram-down, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat niet-instemmende categorieën betrokken schuldeisers niet op oneerlijke wijze worden benadeeld op grond van het voorgestelde plan en moeten de lidstaten voldoende bescherming bieden voor dergelijke niet-instemmende categorieën. De lidstaten moeten een niet-instemmende categorie van betrokken schuldeisers kunnen beschermen door ervoor te zorgen dat zij ten minste net zo gunstig worden behandeld als elke andere categorie van dezelfde rang en gunstiger dan een categorie in een lagere rang. Bij wijze van alternatief kunnen de lidstaten een niet-instemmende categorie van betrokken schuldenaren beschermen door ervoor te zorgen dat een dergelijke categorie volledig wordt betaald indien een ondergeschikte categorie recht heeft op een verdeling of aanspraak kan maken op een belang in het kader van het herstructureringsplan (de "absolute voorrangsregel"). De lidstaten moeten een beoordelingsmarge hebben bij het uitvoeren van het concept van volledige betaling, ook met betrekking tot het tijdstip van de betaling, zolang de hoofdsom van de vordering en, in het geval van door een zekerheid gedekte schuldeisers, de waarde van de zekerheid worden beschermd. De lidstaten moeten ook kunnen beslissen over de keuze met welke gelijkwaardige middelen de oorspronkelijke vordering volledig kan worden voldaan.

(56)  De lidstaten moeten van de absolute voorrangsregel kunnen afwijken, bijvoorbeeld wanneer het als billijk wordt beschouwd is dat houders van eigenvermogensinstrumenten bepaalde belangen in het kader van het plan behouden, ondanks het feit dat een categorie van een hogere rang verplicht is een verlaging van zijn vorderingen te aanvaarden, of dat essentiële leveranciers die onder de bepaling betreffende de schorsing van individuele tenuitvoerleggings­maatregelen vallen eerder worden betaald dan categorieën schuldeisers van een hogere rang. De lidstaten moeten kunnen kiezen welke van de voornoemde beschermingsmechanismen zij invoeren.

(57)  De legitieme belangen van aandeelhouders of andere kapitaalhouders moeten weliswaar worden beschermd, maar de lidstaten moeten ervoor zorgen dat zij niet op onredelijke wijze de goedkeuring kunnen voorkomen van herstructureringsplannen die de schuldenaar opnieuw levensvatbaar zouden maken. De lidstaten moeten dit doel met verschillende middelen kunnen bereiken, bijvoorbeeld door kapitaalhouders niet het recht te geven om te stemmen over een herstructureringsplan en door de goedkeuring van een herstructureringsplan ▌ niet te laten afhangen van de instemming van de kapitaalhouders, namelijk de kapitaalhouders die bij een waardering van de onderneming geen betaling of andere vergoeding zouden krijgen bij toepassing van de normale rangorde van voorrang bij vereffening. ▌ Indien kapitaalhouders het recht hebben om over een herstructureringsplan te stemmen, moet een rechterlijke of administratieve instantie het plan evenwel kunnen bevestigen door de regels van categorie-overschrijdende cram-down toe te passen, niettegenstaande de niet-instemming van een of meerdere categorieën kapitaal­houders. De lidstaten die kapitaalhouders uitsluiten van stemming moeten niet worden verplicht de regel van absolute voorrang toe te passen in de betrekkingen tussen schuldeisers en kapitaalhouders. Een andere mogelijke manier om ervoor te zorgen dat kapitaalhouders niet op onredelijke wijze de vaststelling van herstructureringsplannen verhinderen, zou eruit bestaan erop toe te zien dat er geen onredelijk veeleisende meerderheidsvoorschriften gelden voor herstructurerings­maatregelen die rechtstreekse gevolgen hebben voor de rechten van kapitaalhouders en die door een algemene vergadering van aandeelhouders moeten worden goedgekeurd krachtens vennootschapsrecht, en dat kapitaalhouders geen bevoegdheid hebben met betrekking tot herstructurerings­maatregelen die geen rechtstreekse gevolgen hebben voor hun rechten.

(58)  Indien er verschillende categorieën aandeelhouders met verschillende rechten bestaan, zijn mogelijk meerdere categorieën kapitaalhouders nodig. Kapitaalhouders van kmo's die niet louter investeerder, maar ook eigenaar van de onderneming zijn en daaraan op andere manieren bijdragen, zoals met managementdeskundigheid, hebben mogelijk geen reden om in die omstandigheden te herstructureren. Daarom moet de categorie-overschrijdende cram-down optioneel blijven voor schuldenaren die kmo's zijn.

(59)  Met het oog op de uitvoering ervan moet het herstructureringsplan kapitaalhouders van kmo's in staat stellen een niet-monetaire bijdrage aan de herstructurering te leveren door bijvoorbeeld hun ervaring, reputatie of zakelijke contacten in te brengen.

(60)  Tijdens de preventieve herstructureringsprocedures moeten werknemers de volledige arbeidsrechtelijke bescherming genieten. Deze richtlijn mag met name geen afbreuk doen aan de rechten van werknemers die zijn gewaarborgd door Richtlijnen 98/59/EG(14), 2001/23/EG van de Raad(15) en Richtlijnen 2002/14/EG(16), 2008/94/EG(17) en 2009/38/EG(18) van het Europees Parlement en de Raad. De verplichtingen betreffende het informeren en raadplegen van werknemers in het kader van de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijnen, blijven onverkort gelden. Het gaat onder meer om verplichtingen om werknemersvertegenwoordigers te informeren en te raadplegen over het besluit om gebruik te maken van een preventief herstructurerings­stelsel overeenkomstig Richtlijn 2002/14/EG.

(61)  De werknemers en hun vertegenwoordigers moeten informatie over het voorgestelde herstructureringsplan krijgen voor zover zulks bij Unierecht is voorgeschreven, zodat zij de diverse scenario's grondig kunnen beoordelen. Voorts moeten werknemers en hun vertegenwoordigers zo bij het herstructureringsplan worden betrokken dat aan de raadplegingsvoorschriften in de Uniewetgeving is voldaan. Daar de werknemers voldoende moeten worden beschermd, moeten de lidstaten worden verplicht uitstaande vorderingen▌ van werknemers uit te sluiten van elke schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, ongeacht of deze vorderingen voor of na de toekenning van de schorsing zijn ontstaan. Die schorsing van de opeising van uitstaande vorderingen van werknemers mag alleen worden toegestaan voor de bedragen en gedurende de periode waarvoor de betaling van deze vorderingen daadwerkelijk op een soortgelijk niveau door andere middelen krachtens nationaal recht wordt gewaarborgd ▌. Indien de aansprakelijkheid van de waarborgfondsen krachtens nationaal recht aan beperkingen is gebonden, hetzij wat betreft de duur van de waarborg, hetzij wat betreft het aan werknemers betaalde bedrag, moeten de werknemers in het geval van niet-nakoming door de werkgever hun vorderingen ook tijdens de schorsingsperiode kunnen afdwingen. Een andere mogelijkheid zou zijn dat de lidstaten de vorderingen van werknemers moeten kunnen uitsluiten van het toepassingsgebied van preventieve herstructureringsstelses en de bescherming ervan bij nationale wetgeving regelen.

(62)  Indien een herstructureringsplan de overdracht van een deel van de onderneming of de bedrijfsactiviteiten inhoudt, moeten de rechten van werknemers die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen, met name het recht op loon, worden gewaarborgd overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van Richtlijn 2001/23/EG, onverminderd de specifieke regels die uit hoofde van artikel 5 van die richtlijn in het geval van insolventieprocedures gelden en in het bijzonder de mogelijkheden waarin artikel 5, lid 2, van die richtlijn voorziet. De bij Richtlijn 2002/14/EG gegarandeerde rechten op informatie en raadpleging, onder meer over beslissingen die kunnen leiden tot wezenlijke wijzigingen van de arbeidsorganisatie of in de arbeidsverhoudingen om overeenstemming over die beslissingen te bereiken, moeten door onderhavige richtlijn onverlet worden gelaten. Voorts moeten werknemers voor wier vorderingen een herstructureringsplan gevolgen heeft, krachtens deze richtlijn over het plan kunnen stemmen. Met het oog op de stemming over het herstructureringsplan, moeten de lidstaten kunnen besluiten werknemers in een afzonderlijke categorie onder te brengen, naast andere categorieën schuldeisers.

(63)  Uitsluitend indien een niet-instemmende betrokken partij het herstructureringsplan aanvecht, moeten rechterlijke of administratieve instanties een beslissing nemen over de waardering van een bedrijf - hetzij in vereffening, hetzij in het beste alternatieve scenario indien het herstructureringsplan niet is bevestigd. Dit mag de lidstaten niet beletten in een ander verband uit hoofde van nationaal recht waarderingen te verrichten. Die beslissing zou evenwel tevens een goedkeuring kunnen inhouden van een waardering door een deskundige of een waardering die door de schuldenaar of een andere partij in een eerder stadium van de procedure is ingediend. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat, indien wordt beslist een waardering te verrichten, voor een waardering in herstructureringszaken speciale, van algemeen burgerlijk procesrecht losstaande regels gelden, opdat de waardering voortvarend wordt verricht. Deze richtlijn moet de regels inzake de bewijslast uit hoofde van nationaal recht in geval van waardering onverlet laten.

(64)  De bindende werking van een herstructureringsplan moet worden beperkt tot de partijen die bij de vaststelling van het plan waren betrokken. De lidstaten moeten kunnen bepalen wat onder de betrokkenheid van een schuldeiser wordt verstaan, onder meer in geval van onbekende schuldeisers of schuldeisers van toekomstige vorderingen. De lidstaten moeten bijvoorbeeld kunnen bepalen hoe zij schuldeisers behandelen die correct in kennis zijn gesteld, maar niet aan de procedures hebben deelgenomen.

(65)  De belanghebbende betrokken partijen moeten tegen een beslissing van een administratieve instantie over de bevestiging van een herstructureringsplan beroep kunnen instellen. De lidstaten moeten ook kunnen voorzien in een mogelijkheid om tegen een beslissing van een rechterlijke instantie over de bevestiging van een herstructureringsplan beroep in te stellen. Om de doeltreffendheid van het plan te waarborgen, de onzekerheid te beperken en niet te verantwoorden vertragingen te voorkomen, mogen die beroepen in de regel evenwel geen schorsende werking hebben op de uitvoering van een plan en deze niet beletten. De lidstaten moeten de beroepsgronden kunnen bepalen of beperken. De lidstaten moeten de rechterlijke instantie de mogelijkheid kunnen bieden om, indien beroep wordt ingesteld tegen de beslissing inzake de bevestiging van het plan, een voorlopige beslissing of beslissing in kort geding te geven die de uitvoering en toepassing van het plan beschermt tegen de gevolgen van de toewijzing van het ingestelde beroep. Indien een beroep wordt aanvaard, moeten de rechterlijke of administratieve instanties als alternatief voor het nietig verklaren van het plan kunnen overwegen het plan te wijzigen, indien die mogelijkheid in de lidstaten bestaat, alsook het plan zonder wijzigingen goed te keuren. De partijen moeten op eigen initiatief of op verzoek van de rechterlijke instantie wijzigingen van het plan kunnen voorstellen of erover kunnen stemmen. De lidstaten zouden ook kunnen voorzien in compensatie voor financiële verliezen voor de partij wier beroep is aanvaard. In het nationale recht moet kunnen worden bepaald hoe een eventuele nieuwe schorsing of verlenging van de schorsing moet worden behandeld indien de rechterlijke instantie beslist dat het beroep een schorsende werking heeft,.

(66)  Het succes van een herstructureringsplan is dikwijls afhankelijk van de vraag of ▌ de schuldenaar financiële bijstand krijgt om in de eerste plaats het functioneren van de onderneming tijdens de onderhandelingen over de herstructurering te ondersteunen en in de tweede plaats het herstructureringsplan na de bevestiging ervan uit te voeren. Financiële bijstand moet hier in brede zin worden begrepen, onder meer in de zin van het verstrekken van geld of garanties door derde partijen en het leveren van voorraden, grondstoffen en nutsvoorzieningen, bijvoorbeeld door de schuldenaar een langere terugbetalingsperiode te verlenen. Tussentijdse financiering en nieuwe financiering moeten dan ook worden beschermd tegen vorderingen tot nietigverklaring die als doel hebben deze financiering als een voor de gezamenlijke schuldeisers nadelige handeling nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar te laten verklaren in het kader van latere insolventieprocedures.

(67)  Nationaal insolventierecht dat in vorderingen tot nietigverklaring van tussentijdse en nieuwe financiering voorziet of bepaalt dat aan nieuwe kredietverstrekkers burgerlijke, administratieve of strafrechtelijke sancties kunnen worden opgelegd voor het verlenen van krediet aan schuldenaren in financiële moeilijkheden, zou de beschikbaarheid kunnen ondermijnen van de financiering die nodig is voor de succesvolle onderhandelingen over en uitvoering van een herstructureringsplan. De richtlijn mag geen afbreuk doen aan andere gronden voor het nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar verklaren van nieuwe of tussentijdse financiering, of voor het burgerlijk, strafrechtelijk of administratief aansprakelijk stellen van verstrekkers van die financiering, als bepaald bij nationaal recht. Andere gronden zouden onder meer kunnen zijn: fraude, kwade trouw, een bepaald soort band tussen de partijen die zou kunnen worden geassocieerd met een belangenconflict, bijvoorbeeld in geval van transacties tussen verbonden partijen of tussen aandeelhouders en de vennootschap, en transacties waarbij een partij een waarde of zekerheden heeft ontvangen zonder daar het recht toe te hebben op het tijdstip van de transactie of op de manier waarop zulks is geschied.

(68)  Indien tussentijdse financiering wordt verleend, weten de partijen niet of het herstructureringsplan al dan niet uiteindelijk zal worden bevestigd. Bijgevolg mogen de lidstaten er niet toe worden verplicht de bescherming van tussentijdse financiering te beperken tot gevallen waarin het plan door schuldeisers is goedgekeurd of door een rechterlijke of administratieve instantie is bevestigd ▌. Om eventueel misbruik te voorkomen mag, in afwachting van de bevestiging van dat plan, alleen financiering worden beschermd die redelijkerwijs en onmiddellijk noodzakelijk is voor het verdere functioneren of overleven van de onderneming van de schuldenaar of voor het behoud of het vergroten van de waarde van die onderneming. Voorts mag deze richtlijn de lidstaten niet beletten een mechanisme voor voorafgaande controle van tussentijdse financiering in te voeren. De lidstaten moeten de bescherming voor nieuwe financiering kunnen beperken tot gevallen waarin het plan door een rechterlijke of administratieve instantie is bevestigd, en voor tussentijdse financiering tot gevallen waarin die aan een voorafgaande controle is onderworpen. Een voorafgaande controle van tussentijdse financiering of andere transacties zou kunnen worden verricht door een herstructureringsdeskundige, door een vergadering van schuldeisers of door een rechterlijke of administratieve instantie. Bescherming tegen vorderingen tot nietigverklaring en bescherming tegen persoonlijke aansprakelijkheid zijn minimumwaarborgen die aan tussentijdse en nieuwe financiering moeten worden toegekend. Teneinde nieuwe kredietverstrekkers aan te moedigen om het verhoogde risico te nemen van het investeren in een levensvatbare schuldenaar in financiële moeilijkheden, kunnen wellicht nadere stimulansen nodig zijn, bijvoorbeeld door aan deze financiering ten minste voorrang te geven tegenover niet door een zekerheid gedekte vorderingen in daaropvolgende insolventieprocedures.

(69)  Teneinde een cultuur te bevorderen waarbij preventieve herstructureringen worden aangemoedigd, is het wenselijk dat transacties die redelijk en onmiddellijk noodzakelijk zijn voor het onderhandelen over of uitvoeren van een herstructureringsplan, ook bescherming krijgen tegen vorderingen tot nietigverklaring in latere insolventie­procedures. Rechterlijke of administratieve instanties moeten, wanneer zij bepalen of kosten en vergoedingen redelijk en onmiddellijk noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld rekening kunnen houden met prognoses en ramingen die bij betrokken partijen, een vergadering van schuldeisers, een herstructureringsdeskundige of de rechterlijke of administratieve instantie zelf zijn ingediend. Daartoe moeten de lidstaten tevens van schuldenaren kunnen verlangen dat zij relevante ramingen verstrekken en actualiseren. Deze bescherming moet de zekerheid vergroten met betrekking tot transacties met ondernemingen waarvan bekend is dat zij in financiële moeilijkheden verkeren en moet bij schuldeisers en investeerders de angst wegnemen dat al deze transacties nietig zouden kunnen worden verklaard ingeval de herstructurering mislukt. De lidstaten moeten een tijdstip kunnen bepalen dat voorafgaat aan het openen van een preventieve herstructureringsprocedure en het toekennen van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, en vanaf welk vergoedingen en kosten voor het onderhandelen over, het goedkeuren of bevestigen van, of het inroepen van professioneel advies over het herstructureringsplan bescherming genieten tegen vorderingen tot nietigverklaring. In geval van andere betalingen en uitgaven en de bescherming van de betaling van werknemerslonen, zou dat beginpunt ook het toekennen van de schorsing of het inleiden van de preventieve herstructureringsprocedure kunnen zijn.

(70)  Om preventieve herstructurering nog meer te bevorderen, is het belangrijk ervoor te zorgen dat bestuurders er niet van worden weerhouden hun redelijke zakelijke inzichten aan te wenden of redelijke commerciële risico’s te nemen, in het bijzonder indien dit de slaagkansen van de herstructurering van een potentieel levensvatbare onderneming zou verbeteren. Indien een onderneming financiële moeilijkheden kent, moeten de bestuurders stappen ondernemen om verliezen te beperken en insolventie te voorkomen, zoals: ▌ het inroepen van professioneel advies, onder meer over herstructurering en insolventie, bijvoorbeeld door in voorkomend geval gebruik te maken van instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing; het beschermen van de activa van de onderneming om de waarde te maximaliseren en het verlies van essentiële activa tegen te gaan; het onderzoeken van de structuur en de functies van de onderneming om de levensvatbaarheid na te gaan en de uitgaven te beperken; afzien van het verbinden van de onderneming tot types transacties die onderworpen kunnen zijn aan nietigverklaring, tenzij die zakelijk voldoende te verantwoorden zijn; het zaken blijven doen in omstandigheden waarin dat gepast is om de going-concernwaarde te maximaliseren; het onderhandelen met schuldeisers en het inleiden van preventieve herstructureringsprocedures.

(71)  Indien de insolventie van de schuldenaar nakend is, is het ook belangrijk de legitieme belangen van de schuldeisers te beschermen tegen beslissingen van de bestuurders die gevolgen kunnen hebben voor de samenstelling van de boedel van de schuldenaar, in het bijzonder indien deze beslissingen kunnen leiden tot een verdere daling van de waarde van de boedel die beschikbaar is voor herstructureringsinspanningen of verdeling onder schuldeisers. Het is dan ook noodzakelijk om erop toe te zien dat bestuurders zich in die omstandigheden onthouden van tot persoonlijke winst ten nadele van de belanghebbenden leidende opzettelijke handelingen of grove nalatigheid, van het instemmen met transacties onder de marktwaarde, of van het stellen van handelingen die leiden tot een oneerlijke voorkeursbehandeling van een of meerdere belanghebbenden. De lidstaten moeten de overeenkomstige bepalingen van deze richtlijn kunnen uitvoeren door ervoor te zorgen dat rechterlijke of administratieve instanties rekening houden met de in deze richtlijn neergelegde regels over de plichten van bestuurders wanneer zij bepalen of een bestuurder aansprakelijk dient te worden gehouden voor inbreuken op de zorgplicht. Deze richtlijn strekt er niet toe een rangorde vast te leggen tussen de verschillende partijen met wier belangen naar behoren rekening moet worden gehouden. De lidstaten moeten echter kunnen besluiten over een dergelijke rangorde. Deze richtlijn moet de nationale regelgeving van de lidstaten betreffende de besluitvormingsprocessen in een onderneming onverlet laten.

(72)  Ondernemers die een handels-, bedrijfs- of ambachtsactiviteit of een vrije of zelfstandige beroepsactiviteit uitoefenen, kunnen blootstaan aan het risico op insolventie. De verschillen tussen de lidstaten wat de mogelijkheden om een nieuwe start te maken betreft, kunnen ondernemers met een overmatige schuldenlast of insolvente ondernemers ertoe aanzetten om te verhuizen naar een andere lidstaat dan de lidstaat waar zij zijn gevestigd, om zo kortere kwijtscheldingsperioden of aantrekkelijkere kwijtscheldingsvoorwaarden te genieten, wat leidt tot extra rechtsonzekerheid en kosten voor de schuldeisers om hun vorderingen te innen. Verder vormen de gevolgen van insolventie, met name het sociale stigma, de juridische gevolgen, zoals een beroepsverbod voor ondernemers om nieuwe ondernemersactiviteiten te ontplooien en uit te oefenen, en het aanhoudende onvermogen om schulden af te betalen, belangrijke negatieve prikkels voor ondernemers die een bedrijf willen oprichten of een tweede kans willen krijgen, ook al is aangetoond dat ondernemers die insolvent zijn geworden, meer kans maken om de volgende keer wel succesvol te zijn.

(73)  Derhalve moeten stappen worden ondernomen om de negatieve gevolgen van een overmatige schuldenlast of insolventie voor ondernemers te verminderen, met name door volledige kwijtschelding van schuld mogelijk te maken na een bepaalde periode en door de duur van een beroepsverbod naar aanleiding van de overmatige schuldenlast of insolventie van een schuldenaar te beperken. Het begrip "insolventie" moet in het nationaal recht worden omschreven en het kan de vorm van overmatige schuldenlast aannemen. De positie van bedrijfsleiders of -directeurs wordt door het begrip "ondernemer" in de zin van deze richtlijn onverlet gelaten en moet in overeenstemming met het nationaal recht worden behandeld. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben te beslissen hoe toegang tot kwijtschelding van schuld wordt verkregen, met inbegrip van de mogelijkheid te verlangen dat de schuldenaar om kwijtschelding van schuld verzoekt.

(74)  De lidstaten moeten in de mogelijkheid kunnen voorzien de terugbetalingsverplichtingen van insolvente ondernemers bij te stellen indien er in hun financiële situatie een aanmerkelijke verandering optreedt, ongeacht of ze nu verbetert of verslechtert. Deze richtlijn mag niet vereisen dat een terugbetalingsplan door de meerderheid van de schuldeisers wordt gesteund. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat ondernemers niet wordt belet een nieuwe activiteit in hetzelfde of in een ander vakgebied op te zetten tijdens de uitvoering van het terugbetalingsplan.

(75)  Kwijtschelding van schuld moet beschikbaar zijn in procedures die een terugbetalingsplan, een tegeldemaking van activa of een combinatie van beide inhouden. Bij het uitvoeren van deze regels moeten de lidstaten vrij uit deze mogelijkheden kunnen kiezen. Indien in het nationaal recht meer dan één procedure die tot kwijtschelding van schuld kan leiden beschikbaar is, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat ten minste één van die procedures insolvente ondernemers de mogelijkheid biedt binnen een periode van ten hoogste drie jaar volledige kwijtschelding van schuld te verkrijgen. Bij procedures waarin tegeldemaking van activa wordt gecombineerd met een terugbetalingsplan, dient de kwijtscheldingsperiode in te gaan uiterlijk op de datum dat het terugbetalingsplan door een rechterlijke instantie wordt bevestigd of dat een aanvang wordt gemaakt met de uitvoering ervan, bijvoorbeeld vanaf de eerste afbetaling in het kader van het plan; die periode kan evenwel ook vroeger ingaan, bijvoorbeeld wanneer een beslissing tot het openen van de procedure wordt genomen.

(76)  In procedures die geen terugbetalingsplan inhouden, dient de kwijtscheldingsperiode in te gaan uiterlijk vanaf de datum waarop door een rechterlijke of een administratieve instantie een beslissing tot opening van de procedure wordt genomen, of vanaf de datum van vaststelling van de insolvente boedel. De lidstaten zouden voor het berekenen van de duur van de kwijtscheldingsperiode in de zin van deze richtlijn kunnen bepalen dat het begrip "openen van de procedure" geen betrekking heeft op voorlopige maatregelen zoals conservatoire maatregelen of het aanwijzen van een voorlopige insolventiedeskundige, tenzij die maatregelen de mogelijkheid bieden tot tegeldemaking van de activa, met inbegrip van de verkoop en de verdeling van activa aan de schuldeisers. De vaststelling van de insolvente boedel dient niet noodzakelijkerwijs te leiden tot een formele beslissing of bevestiging door een rechterlijke of een administratieve instantie indien die beslissing niet krachtens het nationaal recht vereist is, en kan bestaan in het indienen van de inventaris van activa en passiva.

(77)  Dat de procedurele weg die tot een kwijtschelding van schuld leidt, inhoudt dat de activa van een ondernemer te gelde worden gemaakt, mag de lidstaten niet beletten om te bepalen dat het kwijtscheldingsverzoek afzonderlijk van de tegeldemaking van de activa moet worden behandeld, mits dat verzoek integraal deel uitmaakt van het verloop van de tot kwijtschelding van schuld leidende procedurele weg uit hoofde van deze richtlijn. De lidstaten moeten kunnen besluiten over de bewijslastregels die voor de inwerkingtreding van de kwijtschelding van schuld moeten gelden, hetgeen betekent dat het mogelijk moet zijn ondernemers wettelijk te verplichten te bewijzen dat zij hun verplichtingen nakomen.

(78)  Volledige kwijtschelding van schuld of het einde van het beroepsverbod na een ▌ periode van niet langer dan drie jaar is niet in alle omstandigheden passend, en derhalve kan het nodig zijn afwijkingen van deze regel die naar behoren zijn gemotiveerd met in de nationale wetgeving neergelegde redenen, in te stellen. Dergelijke afwijkingen moeten bijvoorbeeld worden ingesteld indien de schuldenaar oneerlijk is of te kwader trouw heeft gehandeld. Indien ondernemers krachtens nationaal recht niet het vermoeden van eerlijkheid en goede trouw genieten, mag de bewijslast voor de eerlijkheid en goede trouw het hun niet onnodig moeilijk of lastig maken om toegang tot de procedure te verkrijgen.

(79)  Bij het bepalen of een ondernemer oneerlijk is geweest, kunnen de rechterlijke of administratieve instanties rekening houden met omstandigheden zoals: de aard en de omvang van de schuld; het moment waarop de schuld is aangegaan; de inspanningen van de ondernemer om de schuld af te betalen en te voldoen aan de wettelijke verplichtingen, onder meer op het gebied van vergunningsvereisten en de noodzaak van een correcte boekhouding; de vraag of de ondernemer actie heeft ondernomen om verhaal van de schuldeisers te bemoeilijken; de nakoming van verplichtingen bij kans op insolventie die rusten op ondernemers die bestuurders van een onderneming zijn; en de conformiteit met mededingings- en arbeidsrecht van de Unie en de lidstaten. Het moet ook mogelijk zijn afwijkingen in te stellen, indien de ondernemer zich niet van bepaalde wettelijke verplichtingen heeft gekweten, zoals verplichtingen om het rendement voor de schuldeisers te maximaliseren; deze kunnen de vorm aannemen van een algehele verplichting om inkomen of activa te genereren. Bovendien zou het mogelijk moeten zijn speciale afwijkingen in te stellen indien het noodzakelijk is de rechten van de schuldenaar en de rechten van een of meer schuldeisers in evenwicht te houden, bijvoorbeeld indien de schuldeiser een natuurlijke persoon is die meer bescherming behoeft dan de schuldenaar.

(80)  Een afwijking kan eveneens te rechtvaardigen zijn indien de kosten van de procedure die tot een kwijtschelding van schuld leidt, met inbegrip van de vergoedingen voor de rechterlijke en de administratieve instanties en de deskundigen, niet worden gedekt. De lidstaten moeten over de mogelijkheid beschikken om in het nationaal recht te bepalen dat de voordelen van die kwijtschelding kunnen worden ingetrokken indien, bijvoorbeeld, de financiële situatie van de schuldenaar aanmerkelijk verbetert door onvoorziene omstandigheden, zoals loterijwinst of het verkrijgen van een erfenis of een schenking. De lidstaten mag niet worden belet om in welomschreven omstandigheden en op voorwaarde dat zulks naar behoren is gemotiveerd, in extra afwijkingen te voorzien.

(81)  Indien in het nationaal recht een naar behoren gemotiveerde grond is neergelegd, kan het passend zijn de mogelijkheid tot kwijtschelding voor bepaalde soorten schuld te beperken. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben door een zekerheid gedekte schulden uit te sluiten als voor kwijtschelding in aanmerking komende schulden voor ten hoogste de waarde van de zekerheid als vastgesteld in het nationaal recht, terwijl de rest van de schuld dient te worden behandeld als niet door een zekerheid gedekte schuld. De lidstaten moeten, indien zulks naar behoren is gemotiveerd, nog meer categorieën van schulden kunnen uitsluiten.

(82)  De lidstaten moeten kunnen bepalen dat rechterlijke of administratieve instanties hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van een persoon met een legitiem belang kunnen nagaan of ondernemers hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld.

(83)  Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten om, indien de toestemming of vergunning voor een ondernemer tot het uitoefenen van een bepaalde ambachts-, bedrijfs-, handels-, of beroepsactiviteit ten gevolge van een beroepsverbod is geweigerd of ingetrokken, te verlangen dat de ondernemer na het verstrijken van het beroepsverbod een aanvraag voor een nieuwe toestemming of vergunning indient. Een instantie van een lidstaat moet er bij het nemen van een besluit over een beroepsactiviteit waarvoor speciaal toezicht geldt, tevens rekening mee kunnen houden met het feit dat de insolvente ondernemer overeenkomstig deze richtlijn kwijtschelding van schuld heeft verkregen, zelfs indien de duur van het beroepsverbod verstreken is.

(84)  Persoonlijke en beroepsmatige schulden die niet redelijkerwijs van elkaar te scheiden zijn, bijvoorbeeld indien een bepaald goed zowel voor de beroepsactiviteit als daarbuiten wordt gebruikt, zouden in één procedure moeten worden behandeld. Indien de lidstaten bepalen dat die schulden aan verschillende insolventieprocedures zijn onderworpen, is het nodig tussen die procedures te coördineren. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid voor de lidstaten om alle schulden van ondernemers volgens één procedure te behandelen. De lidstaten waarin de ondernemers hun bedrijfsactiviteiten tijdens een insolventieprocedure voor eigen rekening mogen voortzetten, mag niet worden belet te bepalen dat die ondernemers aan een nieuwe insolventieprocedure worden onderworpen, indien die voortgezette bedrijfsactiviteiten insolvent worden.

(85)  De transparantie en voorspelbaarheid van de procedures in termen van het leiden tot resultaten die gunstig zijn voor het in stand houden van ondernemingen en voor het gunnen van een tweede kans aan ondernemers, of die de efficiënte vereffening van niet-levensvatbare ondernemingen mogelijk maken, moet worden gehandhaafd en bevorderd. Ook is het noodzakelijk te zorgen voor een verkorting van de buitensporige duur van insolventie­procedures in veel lidstaten, die tot rechtsonzekerheid voor schuldeisers en investeerders en tot lage terugvorderingspercentages leidt. Ten slotte moet, gelet op de bij Verordening (EU) 2015/848 tot stand gebrachte mechanismen voor betere samenwerking tussen rechtbanken en deskundigen in grensoverschrijdende zaken, de professionaliteit van alle betrokken actoren in de hele Unie naar een vergelijkbaar hoog niveau worden gebracht. Om deze doelstellingen te bereiken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de leden van de rechterlijke en de administratieve instanties die procedures inzake preventieve herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld behandelen, adequaat worden opgeleid en voor hun taken de noodzakelijke deskundigheid hebben. Een dergelijke opleiding en deskundigheid kunnen ook worden verkregen tijdens het uitoefenen van de functies als lid van een rechterlijke of een administratieve instantie of, voorafgaand aan de aanstelling voor dergelijke functies, tijdens het uitoefenen van ander relevante functies.

(86)  Deze opleiding en deskundigheid moeten het mogelijk maken dat beslissingen met mogelijk significante economische en sociale gevolgen op efficiënte wijze worden genomen, en hoeven niet te betekenen dat leden van de rechterlijke instantie uitsluitend zaken betreffende herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld moeten behandelen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld op efficiënte en snelle wijze kunnen worden afgehandeld. Het oprichten van gespecialiseerde rechtbanken of kamers, of het aanstellen van gespecialiseerde rechters overeenkomstig het nationaal recht, evenals het concentreren van rechtsmacht in een beperkt aantal rechterlijke of administratieve instanties, , kunnen doeltreffende manieren zijn om de doelstellingen van het tot stand brengen van rechtszekerheid en de doeltreffendheid van de procedures te bereiken. De lidstaten moeten niet worden verplicht te vereisen dat  procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld voorrang hebben op andere procedures.

(87)  De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat ▌ deskundigen inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld die door rechterlijke of administratieve instanties worden aangesteld ("deskundigen"): adequaat worden opgeleid; op transparante wijze worden aangesteld, terdege rekening houdend met de noodzaak efficiënte procedures te waarborgen; worden gecontroleerd bij de uitvoering van hun taken; en hun taken op integere wijze uitvoeren. Het is belangrijk dat deskundigen zich verbinden tot de normen voor hun taken, zoals het verkrijgen van een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid. Adequate scholing, beroepskwalificaties en deskundigheid kunnen ook worden verkregen tijdens de uitoefening van hun beroep. De lidstaten mogen niet worden verplicht de noodzakelijke opleiding zelf te verstrekken; die kan bijvoorbeeld worden verzorgd door beroepsorganisaties of andere organen. Insolventiefunctionarissen in de zin van Verordening (EU) 2015/848 moeten in de werkingssfeer van deze richtlijn worden opgenomen.

(88)  Deze richtlijn mag niet beletten dat de deskundigen worden gekozen door een schuldenaar, door schuldeisers of door een vergadering van schuldeisers uit een lijst of een pool die vooraf is goedgekeurd door een rechterlijke of een administratieve instantie. Bij het kiezen van een deskundige kan aan de schuldenaar, de schuldeisers of de vergadering van schuldeisers een beoordelingsmarge worden toegekend met betrekking tot de algemene deskundigheid en ervaring van de deskundige en de vereisten van een specifieke zaak. Schuldenaren die natuurlijke personen zijn geheel van deze taak zouden kunnen worden vrijgesteld. In zaken met grensoverschrijdende elementen moet bij de aanstelling van de deskundige onder meer rekening worden gehouden met de bekwaamheid van de deskundigen om de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2015/848 na te komen, dat wil zeggen communiceren en samenwerken met insolventiedeskundigen en met rechterlijke en administratieve instanties van andere lidstaten, alsmede met hun personele en administratieve middelen om mogelijk ingewikkelde zaken te behandelen. De lidstaten mag niet worden belet te bepalen dat een deskundige kan worden geselecteerd via andere methoden, zoals willekeurige selectie door een softwareprogramma, op voorwaarde dat wanneer een beroep wordt gedaan op die methoden naar behoren rekening wordt gehouden met de ervaring en deskundigheid van de deskundige. De lidstaten moeten kunnen besluiten over de middelen om verzet aan te tekenen tegen de selectie of aanstelling van een deskundige of te verzoeken om diens vervanging, bijvoorbeeld via een vergadering van schuldeisers.

(89)  Op de deskundigen dienen toezichts- en regelgevingsmechanismen van toepassing te zijn, waaronder ▌ doeltreffende maatregelen ten aanzien van de aansprakelijkheid van deskundigen die hun taken niet naar behoren hebben uitgevoerd, zoals: vermindering van het honorarium van de deskundige;, uitsluiting uit de lijst of pool van deskundigen die voor insolventiezaken kunnen worden aangesteld; en, indien passend, tuchtrechtelijke, administratieve of strafrechtelijke sancties. Die toezichts- en regelgevingsmechanismen dienen de bepalingen van het nationaal recht met betrekking tot civielrechtelijke aansprakelijkheid voor schade wegens niet-nakoming van contractuele of niet-contractuele verplichtingen onverlet te laten. De lidstaten moeten niet verplicht worden speciale autoriteiten of organen op te richten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de informatie over de autoriteiten of organen die toezicht uitoefenen op deskundigen publiek beschikbaar is. Als informatie dient een gewone vermelding van bijvoorbeeld de rechterlijke of administratieve instantie te volstaan. Het moet in beginsel mogelijk zijn deze normen te bereiken zonder dat in het nationaal recht nieuwe beroepen of kwalificaties in het leven moeten worden geroepen. De lidstaten moeten de bepalingen inzake opleiding van en toezicht op deskundigen kunnen uitbreiden tot andere deskundigen die niet onder deze richtlijn vallen. De lidstaten mogen niet worden verplicht te bepalen dat geschillen over de vergoeding van deskundigen voorrang hebben op andere procedures.

(90)  Om de duur van de procedures verder te verkorten, betere deelname van schuldeisers aan de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld te bevorderen en te zorgen voor vergelijkbare voorwaarden tussen schuldeisers, ongeacht waar zij in de Unie zijn gevestigd, moeten de lidstaten bepalingen vaststellen die schuldenaren, schuldeisers, deskundigen en rechterlijke en administratieve instanties in staat stellen middelen voor elektronische communicatiemiddelen te gebruiken ▌. Daarom moet het mogelijk zijn procedurele stappen, zoals het indienen van vorderingen door schuldeisers, kennisgevingen aan schuldeisers of het aantekenen van bezwaar of beroep, via elektronische communicatiemiddelen te laten verlopen. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat kennisgevingen aan een schuldeiser slechts op elektronische wijze kunnen worden verricht indien de betrokken schuldeiser vooraf met elektronische communicatie heeft ingestemd.

(91)  De partijen in procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld mogen niet worden verplicht elektronische communicatiemiddelen te gebruiken indien een dergelijk gebruik niet verplicht is uit hoofde van nationaal recht, onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten een verplicht systeem op te zetten voor elektronische indiening en kennisgeving van documenten in verband met procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld. De lidstaten moeten zelf het elektronische communicatiemiddel kunnen kiezen. Voorbeelden van dergelijke middelen zijn een speciaal daartoe ontworpen systeem voor elektronische indiening van die documenten of het gebruik van e-mail, zulks onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaten om functies in te stellen die veilige elektronische indiening garanderen, zoals een elektronische handtekening, of vertrouwensdiensten, zoals diensten voor elektronische aangetekende bezorging overeenkomstig Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad(19).

(92)  Om de uitvoering en toepassing van deze richtlijn te monitoren is het belangrijk dat betrouwbare en vergelijkbare informatie wordt verzameld over de resultaten van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld. De lidstaten moeten daarom gegevens verzamelen en aggregeren die voldoende gedetailleerd zijn opdat het mogelijk is het functioneren van de richtlijn in de praktijk accuraat te beoordelen, en zij moeten die gegevens meedelen aan de Commissie. Het mededelingsformulier voor het meedelen van die gegevens aan de Commissie moet door de Commissie worden vastgesteld met assistentie van een comité in de zin van Verordening (EU) Nr. 182/2011 van het Europese Parlement en de Raad(20). Het formulier moet voorzien zijn van een shortlist met de voornaamste resultaten van procedures die alle lidstaten gemeenschappelijk hebben. Een herstructureringsprocedure kan bijvoorbeeld als voornaamste resultaten hebben: bevestiging van een plan door een rechtbank, niet-bevestiging van een plan door een rechtbank, omzetting van de herstructureringsprocedure in een vereffeningsprocedure, of afsluiting van de procedure omdat een vereffeningsprocedure is geopend voordat het plan door een rechtbank is bevestigd. De lidstaten dienen niet te worden verplicht procedures die worden afgesloten voordat er relevante maatregelen zijn genomen naar resultaat uit te splitsen, maar zouden in de plaats daarvan kunnen meedelen hoeveel procedures er in totaal vóór de opening ervan onontvankelijk zijn verklaard, zijn afgewezen of zijn ingetrokken.

(93)  Het mededelingsformulier moet een lijst bevatten van opties die de lidstaten in aanmerking kunnen nemen voor het bepalen van de grootte van een schuldenaar, onder verwijzing naar een of meer elementen van de definitie van kmo's die in alle lidstaten voorkomen. De lijst moet de optie bevatten om de grootte van de schuldenaar uitsluitend te bepalen op basis van het aantal werknemers. Het formulier moet: eveneens bepalen voor welke gemiddelde kosten en gemiddelde terugvorderingsniveaus de lidstaten vrijwillig gegevens moeten kunnen verzamelen; richtsnoeren bevatten over de elementen waarmee rekening kan worden gehouden wanneer de lidstaten een steekproeftechniek toepassen, bijvoorbeeld over de grootte die steekproeven moeten hebben om representatief te zijn wat betreft geografische spreiding, grootte van schuldenaren en sector; en de lidstaten de gelegenheid bieden extra beschikbare informatie te verstrekken, bijvoorbeeld met betrekking tot het volledige bedrag van de activa en passiva van schuldenaren.

(94)  De stabiliteit van de financiële markten hangt in grote mate af van financiëlezekerheids­overeenkomsten, in het bijzonder wanneer een zekerheid wordt gesteld in verband met deelnemingen in aangemerkte systemen of in centralebanktransacties en wanneer margins worden gestort aan centrale tegenpartijen. Aangezien de waarde van financiële instrumenten die als zekerheid worden gesteld, sterk kan schommelen, is het van cruciaal belang om de waarde ervan snel te realiseren voordat die daalt. ▌ De bepalingen van de Richtlijnen 98/26/EG(21) en 2002/47/EG(22) van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EU) nr. 648/2012 moeten derhalve van toepassing zijn niettegenstaande de bepalingen van deze richtlijn. De lidstaten moet de mogelijkheid worden geboden salderingsovereenkomsten, met inbegrip van saldering bij vroegtijdige beëindiging, vrij te stellen van de gevolgen van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, zelfs indien deze niet vallen onder de Richtlijnen 98/26/EG en 2002/47/EG of Verordening (EU) nr. 648/2012, mits die overeenkomsten krachtens het recht van de betrokken lidstaat zelfs afdwingbaar zijn indien insolventie­procedures worden geopend.

Dit zou het geval kunnen zijn voor een aanzienlijk aantal raamovereenkomsten die op brede schaal worden toegepast in de financiële, energie- en grondstoffenmarkten door zowel niet-financiële als financiële tegenpartijen. Dergelijke overeenkomsten beperken systeem­risico's, met name in derivatenmarkten. Die overeenkomsten zouden dus kunnen worden vrijgesteld van beperkingen waaraan uit te voeren overeenkomsten bij insolventiewetgeving worden gebonden. Derhalve moet de lidstaten tevens de mogelijkheid worden geboden om wettelijke salderingsovereenkomsten vrij te stellen van de gevolgen van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, met inbegrip van salderingsovereenkomsten bij vroegtijdige beëindiging die op het ogenblik dat insolventieprocedures worden geopend in werking treden. Het bedrag dat resulteert uit de werking van salderingsovereenkomsten, met inbegrip van salderingsovereenkomsten bij vroegtijdige beëindiging, moet echter onder de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen vallen.

(95)  De lidstaten die partij zijn bij het Verdrag inzake internationale zakelijke rechten op mobiel materieel en de daarbij horende protocollen , ondertekend te Kaapstad op 16 november 2001, moeten onverminderd aan hun bestaande internationale verplichtingen kunnen voldoen. De bepalingen van deze richtlijn inzake preventieve herstructureringsstelsels moeten worden toegepast met de afwijkingen die nodig zijn om te waarborgen dat de toepassing ervan de toepassing van dat Verdrag en de protocollen daarbij onverlet laat.

(96)  De doeltreffendheid van het proces voor de goedkeuring en uitvoering van het herstructureringsplan mag worden ondermijnd door het vennootschapsrecht. De lidstaten moeten derhalve kunnen afwijken van de voorschriften die in Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad(23) zijn neergelegd betreffende de verplichting om een algemene vergadering bijeen te roepen en aandelen eerst aan de bestaande aandeelhouders aan te bieden, voor zover en zolang dat nodig is om te voorkomen dat de aandeelhouders de herstructureringsinspanningen dwarsbomen door misbruik te maken van hun rechten op grond van die Richtlijn. Zo kan het nodig zijn dat de lidstaten afwijken van de verplichting om een algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen of in afwijkingen van de normale termijnen, in gevallen waarbij het bestuur dringend moet optreden om de activa van de vennootschap veilig te stellen, bijvoorbeeld door bij een ernstig en plotseling verlies van geplaatst kapitaal en een kans op insolventie te verzoeken om een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen. Afwijkingen van het vennootschapsrecht kunnen ook nodig zijn indien het herstructureringsplan voorziet in de uitgifte van nieuwe aandelen die als schuldconversie met voorrang aan schuldeisers kunnen worden aangeboden, of ter vermindering van het bedrag van geplaatst kapitaal indien delen van de onderneming worden overgedragen. Dergelijke afwijkingen moeten worden beperkt tot de periode die de lidstaten nodig achten om een preventief herstructureringsstelsel tot stand te brengen. De lidstaten mogen niet worden verplicht om geheel of gedeeltelijk, voor onbepaalde tijd of voor een beperkte tijd af te wijken van het vennootschapsrecht, indien zij waarborgen dat hun vennootschapsrechtelijke voorschriften de doeltreffendheid van het herstructureringsproces niet ondermijnen of indien de lidstaten beschikken over andere, even doeltreffende instrumenten om te voorkomen dat aandeelhouders op onredelijke wijze de goedkeuring of uitvoering verhinderen van een herstructureringsplan dat de levensvatbaarheid van de onderneming zou herstellen. In deze context moeten de lidstaten bijzonder belang hechten aan de doeltreffendheid van de bepalingen in verband met de schorsing van individuele tenuitvoerleggings­maatregelen en de bevestiging van het herstructureringsplan, die niet onnodig mogen worden belemmerd door oproepen tot of de resultaten van algemene vergaderingen van aandeelhouders. ▌Richtlijn (EU) 2017/1132 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. Bij het afwegen welke afwijkingen in het kader van het nationaal vennootschapsrecht nodig zijn voor de effectieve uitvoering van deze richtlijn moeten de lidstaten beschikken over een beoordelingsmarge, en zij moeten ook kunnen voorzien in soortgelijke vrijstellingen van Richtlijn (EU) 2017/1132 ingeval van niet onder deze richtlijn vallende insolventieprocedures die herstructureringsmaatregelen mogelijk maken.

(97)  Om het formulier voor mededeling van gegevens vast te stellen en daarna eventueel te wijzigen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011.

(98)  De Commissie moet een studie uitvoeren naar de noodzaak om wetgevingsvoorstellen in te dienen inzake de insolventie van personen die geen handels- bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit uitoefenen en die als consument te goeder trouw tijdelijk of permanent niet in staat zijn schulden op de vervaldatum te betalen. In die studie moet worden onderzocht of de toegang tot basisgoederen en -diensten voor deze personen moet worden gewaarborgd opdat zij fatsoenlijke levensomstandigheden genieten.

(99)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(24) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(100)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt aangezien de verschillen tussen nationale herstructurerings- en insolventiestelsels het vrije verkeer van kapitaal en de vrijheid van vestiging zouden blijven belemmeren, maar beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteits­beginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken ▌.

(101)  Op 7 juni 2017 heeft de Europese Centrale Bank een advies gegeven(25),

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld betreffende:

a)  preventieve herstructureringsstelsels die beschikbaar zijn voor schuldenaren in financiële moeilijkheden indien er kans op insolventie bestaat, teneinde insolventie van de schuldenaar te voorkomen en de levensvatbaarheid van de schuldenaar te verzekeren;

b)  procedures die tot kwijtschelding van schuld voor insolvente ondernemers leiden; en ▌

c)  maatregelen met het oog op efficiëntere ▌procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld.

2.  Deze richtlijn is niet van toepassing op in lid 1 van dit artikel bedoelde procedures die betrekking hebben op schuldenaren die:

a)  verzekerings- of herverzekeringsondernemingen zijn in de zin van artikel 13, punten 1) en 4), van Richtlijn 2009/138/EG;

b)  kredietinstellingen zijn in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)  beleggingsondernemingen of instellingen voor collectieve beleggingen zijn in de zin van, respectievelijk, artikel 4, lid 1, punten 2) en 7) van Verordening (EU) nr. 575/2013;

d)  centrale tegenpartijen zijn in de zin van artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 648/2012;

e)  centrale effectenbewaarinstellingen zijn in de zin van artikel 2, punt 1), van Verordening (EU) nr. 909/2014;

f)  andere financiële instellingen en entiteiten zijn die zijn vermeld in artikel 1, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2014/59/EU;

g)  publieke instellingen naar nationaal recht zijn; en

h)  natuurlijke personen, maar geen ondernemers zijn.

3.  De lidstaten kunnen overgaan tot het uitsluiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn van in lid 1 bedoelde procedures die betrekking hebben op schuldenaren die andere financiële entiteiten zijn dan deze bedoeld in lid 2 en die financiële diensten verstrekken waarvoor bijzondere regelingen gelden in het kader waarvan de nationale toezichthoudende of afwikkelingsautoriteiten beschikken over ruime handelingsbevoegdheden die vergelijkbaar zijn met die welke zijn vastgesteld in het Unierecht en het nationale recht in verband met de in lid 2bedoelde financiële entiteiten. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van deze bijzondere regelingen.

4.  De lidstaten kunnen de toepassing van de in lid 1, punt b), bedoelde procedures uitbreiden tot insolvente natuurlijke personen die geen ondernemers zijn.

De lidstaten kunnen de toepassing van lid 1, punt a), beperken tot rechtspersonen.

5.  De lidstaten kunnen bepalen dat de volgende vorderingen worden uitgesloten van, of niet worden getroffen door, de in lid 1, punt a), bedoelde preventieve herstructureringsstelsels:

a)  bestaande of toekomstige vorderingen van huidige of voormalige werknemers;

b)  onderhoudsvorderingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap; of

c)  vorderingen die ontstaan uit aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van de schuldenaar.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat preventieve herstructureringsstelsels opgebouwde rechten op bedrijfspensioenen onverlet laten.

Artikel 2

Definities

1.  Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan ▌ onder:

1)  "herstructurering": maatregelen die gericht zijn op het herstructureren van het bedrijf van de schuldenaar, waaronder ten minste het wijzigen van de samenstelling, de voorwaarden ▌ of de structuur van de activa en passiva van een schuldenaar of van een ander deel van de kapitaalstructuur van de schuldenaar, zoals de verkoop van activa of bedrijfsonderdelen en, indien het nationaal recht hierin voorziet, de verkoop van een bedrijf 'as going concern', evenals alle benodigde operationele wijzigingen of een combinatie van deze elementen;

(2)  "betrokken partijen": schuldeisers, met inbegrip van, indien toepasselijk krachtens nationaal recht, werknemers, of categorieën schuldeisers en, indien toepasselijk krachtens nationaal recht, kapitaalhouders, wier vorderingen of belangen naargelang het geval door een herstructureringsplan rechtstreeks worden getroffen;

3)  "kapitaalhouder": een persoon die een eigendomsbelang heeft in een schuldenaar of een bedrijf van een schuldenaar, waaronder een aandeelhouder, voor zover die persoon geen schuldeiser is;

4)  "schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen": een door een rechterlijke of administratieve instantie of van rechtswege toegepaste tijdelijke schorsing van het recht van een schuldeiser om een vordering tegen een schuldenaar te laten gelden en, indien het nationaal recht hierin voorziet, tegen een derde partij die zekerheden stelt, in het kader van een gerechtelijke, administratieve of andere procedure, of van het recht om de activa of het bedrijf van de schuldenaar op buitengerechtelijke wijze in beslag te nemen of te gelde te maken;

(5)  "nog uit te voeren overeenkomst": een overeenkomst tussen een schuldenaar en een of meer schuldeisers krachtens welke de partijen nog verplichtingen moeten nakomen op het ogenblik dat de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt toegekend of toegepast;

6)  "toets van het belang van de schuldeisers" ("best-interest-of-creditors test"): toets waaraan wordt voldaan als blijkt dat geen niet-instemmende schuldeiser slechter af is onder het herstructureringsplan dan die schuldeiser zou zijn indien de normale rangorde van voorrang bij vereffening krachtens nationaal recht zou worden toegepast, hetzij bij een vereffening, of deze nu stapsgewijs geschiedt dan wel als een verkoop als 'going concern', hetzij in het geval van het beste alternatieve scenario indien het herstructureringsplan niet is bevestigd;

(7)  "nieuwe financiering": elke nieuwe financiële bijstand waarin wordt voorzien door een bestaande of nieuwe schuldeiser teneinde een herstructureringsplan uit te voeren en die in dat herstructureringsplan is inbegrepen ▌;

(8)  "tussentijdse financiering": elke nieuwe financiële bijstand waarin wordt voorzien door een bestaande of nieuwe schuldeiser, die ten minste financiële bijstand tijdens de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen omvat, en die redelijk en onmiddellijk noodzakelijk is om de bedrijfsactiviteiten van de schuldenaar voort te zetten ▌ of om de waarde ervan te behouden of te verhogen ▌;

(9)  "▌ondernemer": een natuurlijke persoon die een handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit uitoefent ▌ ;

(10)  "volledige kwijtschelding van schuld": de uitsluiting van de mogelijkheid hun uitstaande schulden die voor kwijtschelding in aanmerking komen jegens ondernemers af te dwingen of de eigenlijke annulering van de uitstaande schulden die voor kwijtschelding in aanmerking komen, als onderdeel van een procedure die een tegeldemaking van activa ▌ of een terugbetalingsplan ▌ of beide kan inhouden;

(11)  "terugbetalingsplan": een schema van betalingen van gespecificeerde bedragen op gespecificeerde data door een insolvente ondernemer aan schuldeisers, of een periodieke overdracht aan schuldeisers van een bepaald deel van het beschikbaar inkomen van de ondernemer tijdens de kwijtscheldingsperiode;

(12)  "herstructureringsdeskundige": elke persoon of instantie die door een rechterlijke of administratieve instantie is aangesteld om, met name, een of meer van de volgende taken uit te voeren:

a)  de schuldenaar en de schuldeiser assisteren bij het opstellen van of het onderhandelen over een herstructureringsplan;

b)  toezicht houden op de activiteiten van de schuldenaar tijdens de onderhandelingen over een herstructureringsplan, en verslag uitbrengen aan een rechterlijke of administratieve instantie;

c)  de gedeeltelijke controle verwerven over de activa of zaken van de schuldenaar tijdens de onderhandelingen.

2.  Voor de toepassing van deze richtlijn hebben de volgende begrippen de betekenis die eraan wordt gegeven in het nationaal recht:

a)  insolventie;

b)  dreigende insolventie;

c)  micro-, kleine en middelgrote ondernemingen ("kmo's").

Artikel 3

Vroegtijdige waarschuwing en toegang tot informatie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldenaren ▌ toegang hebben tot één of meer duidelijke en transparante instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing waarmee omstandigheden kunnen worden opgespoord die kunnen leiden tot dreigende insolventie en waarmee hen kan worden gesignaleerd dat onverwijld actie moet worden ondernomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea kunnen de lidstaten gebruik maken van moderne IT-technologieën voor berichten en voor communicatie.

2.  Instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing kunnen het volgende omvatten:

a)  waarschuwingsmechanismen indien de schuldenaar bepaalde soorten betalingen niet heeft verricht;

b)  adviesdiensten van overheids- of particuliere organisaties;

c)  stimulansen krachtens nationaal recht om derden met relevante informatie over de schuldenaar, zoals boekhouders, belasting- of socialezekerheidsdiensten, ertoe aan te zetten een negatieve ontwikkeling aan de schuldenaar te signaleren.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldenaren en werknemersvertegenwoordigers toegang hebben tot relevante en actuele ▌ informatie over de beschikbaarheid van instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing, evenals van de procedures en maatregelen betreffende herstructurering van schulden en kwijtschelding van schuld.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat informatie over de toegang tot instrumenten voor vroegtijdige waarschuwing openbaar online beschikbaar is en dat met name voor kmo's deze informatie eenvoudig raadpleegbaar is en op een gebruiksvriendelijke manier wordt aangeboden.

5.  De lidstaten kunnen de werknemersvertegenwoordigers steun verstrekken bij de beoordeling van de economische situatie van de schuldenaar.

TITEL II

PREVENTIEVE HERSTRUCTURERINGSSTELSELS

HOOFDSTUK 1

Beschikbaarheid van preventieve herstructureringsstelsels

Artikel 4

Beschikbaarheid van preventieve herstructureringsstelsels

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldenaren ▌ bij dreigende insolventie toegang hebben tot een preventief herstructureringsstelsel dat hen in staat stelt te herstructureren, teneinde insolventie te voorkomen en hun levensvatbaarheid te verzekeren zonder afbreuk te doen aan andere oplossingen ter voorkoming van insolventie, en zodoende banen te beschermen en de bedrijfsactiviteiten te handhaven.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat schuldenaren die veroordeeld zijn voor ernstige inbreuken op accountants- of boekhoudersverplichtingen krachtens nationaal recht pas toegang kunnen krijgen tot een preventief herstructureringsstelsel nadat die schuldenaren passende corrigerende maatregelen hebben genomen ten aanzien van de problemen die tot de veroordeling hebben geleid, zodat schuldeisers worden voorzien van de informatie die zij nodig hebben om een besluit te nemen tijdens herstructureringsonderhandelingen.

3.  De lidstaten kunnen in het kader van nationaal recht een levensvatbaarheidstoets handhaven of invoeren, mits die toets tot doel heeft schuldenaren zonder enig uitzicht op levensvatbaarheid uit te sluiten en kan worden uitgevoerd zonder nadelige effecten voor de activa van de schuldenaar.

4.  De lidstaten kunnen een beperking stellen aan het aantal keren dat een schuldenaar binnen een bepaalde periode toegang heeft tot een preventief herstructureringsstelsel waarin deze richtlijn voorziet.

5.  Het preventieve herstructureringsstelsel waarin deze richtlijn voorziet kan bestaan uit een of meer procedures, maatregelen of bepalingen, waarvan sommige buitengerechtelijk kunnen verlopen, zonder afbreuk te doen aan andere herstructureringsstelsels op grond van nationaal recht.

De lidstaten zorgen ervoor dat een dergelijk herstructureringsstelsel schuldenaren en betrokken partijen de in deze titel bepaalde rechten en waarborgen op coherente wijze biedt.

6.  De lidstaten kunnen bepalingen vaststellen die de betrokkenheid van een rechterlijke of administratieve instantie in een preventief herstructureringsstelsel beperken tot situaties waarin die betrokkenheid noodzakelijk en evenredig is, en zorgen er daarbij voor dat de rechten van betrokken partijen en relevante belanghebbenden worden gewaarborgd.

7.  Preventieve herstructureringsstelsels uit hoofde van deze richtlijn zijn beschikbaar op aanvraag van de schuldenaren.

8.  De lidstaten kunnen tevens bepalen dat preventieve herstructureringsstelsels waarin deze richtlijn voorziet beschikbaar zijn op verzoek van schuldeisers en werknemersvertegenwoordigers, op voorwaarde dat de schuldenaar daarmee instemt. De lidstaten kunnen die voorwaarde van instemming van de schuldenaar beperken tot gevallen waarin schuldenaren kmo's zijn.

HOOFDSTUK 2

Faciliteren van onderhandelingen over preventieve herstructureringsplannen

Artikel 5

Schuldenaar-in-bezit

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldenaren die toegang hebben tot preventieve herstructureringsprocedures, volledig of ten minste gedeeltelijk, de controle behouden over hun activa en over de dagelijkse bedrijfsvoering van de onderneming.

2.  Waar nodig wordt over de aanstelling van een herstructureringsdeskundige door een rechterlijke of administratieve instantie per geval beslist, behalve in bepaalde omstandigheden waarbij de lidstaten in alle gevallen de verplichte aanstelling van een dergelijke deskundige kunnen voorschrijven.

3.  De lidstaten voorzien in de aanstelling van een deskundige op het gebied van herstructurering om de schuldenaar en de schuldeisers te assisteren bij de onderhandelingen over en de opstelling van het plan ten minste in de volgende gevallen voor:

a)  indien een rechterlijke of administratieve instantie overeenkomstig artikel 6, lid 3een ▌ algemene schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen verleent en besluit dat een dergelijke deskundige op het gebied van herstructurering nodig is om de belangen van de partijen te waarborgen;

b)  indien het herstructureringsplan door een rechterlijke of administratieve instantie moet worden bevestigd door middel van een categorie-overschrijdende cram-down overeenkomstig artikel 11; of

c)  indien hierom door de schuldenaar of een meerderheid van de schuldeisers wordt verzocht, mits in dat laatste geval de kosten van de deskundige op het gebied van herstructurering door de schuldeisers worden gedragen.

Artikel 6

Schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldenaren ▌ gebruik kunnen maken van een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen ▌ om de onderhandelingen over een herstructureringsplan in het kader van een preventief herstructureringsstelsel te ondersteunen.

De lidstaten kunnen bepalen dat rechterlijke of administratieve instanties een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen kunnen weigeren indien die schorsing niet nodig is of indien deze maatregel het beoogde doel van de eerste alinea niet zou verwezenlijken.

2.  Onverminderd de leden 4 en 5 zorgen de lidstaten ervoor dat een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen alle soorten vorderingen kan dekken, ook door zekerheden gedekte vorderingen en bevoorrechte vorderingen.

3.  De lidstaten kunnen bepalen dat een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen algemeen kan zijn en dan alle schuldeisers dekt, of beperkt kan zijn, en dan slechts een of meer individuele schuldeisers of categorieën schuldeisers dekt.

In geval van een beperkte schorsing is de schorsing uitsluitend van toepassing op schuldeisers die overeenkomstig nationaal recht zijn geïnformeerd over de in lid 1 bedoelde onderhandelingen over het herstructureringsplan of over de schorsing.

4.  De lidstaten kunnen in welomschreven omstandigheden bepaalde vorderingen of categorieën vorderingen uitsluiten van de dekking van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen indien die uitsluiting naar behoren is gemotiveerd en indien:

a)  de tenuitvoerlegging de herstructurering van de onderneming waarschijnlijk niet in gevaar zal brengen; of

b)  de schorsing een oneerlijke benadeling van de schuldeisers van die vorderingen zou veroorzaken.

5.  Lid 2 is niet van toepassing op vorderingen van werknemers.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten lid 2 op de vorderingen van werknemers toepassen indien en voor zover de lidstaten ervoor zorgen ▌dat voor de betaling van die vorderingen in preventieve herstructureringsstelsels een vergelijkbaar beschermingsniveau wordt gewaarborgd ▌.

6.  De initiële duur van een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen is beperkt tot maximaal vier maanden.

7.  Niettegenstaande lid 6 kunnen ▌ de lidstaten rechterlijke of administratieve instanties in staat stellen om op verzoek van de schuldenaar, een schuldeiser of, in voorkomend geval, een herstructureringsdeskundige, de ▌ duur van een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen te verlengen of een nieuwe schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen te verlenen. Die verlenging of nieuwe schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen wordt uitsluitend verleend indien uit welomschreven omstandigheden blijkt dat die verlenging of nieuwe schorsing gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld:

a)  in de onderhandelingen over het herstructureringsplan is belangrijke vooruitgang geboekt; ▌

b)  de voortzetting van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen brengt de rechten of belangen van betrokken partijen niet op onrechtvaardige wijze in het gedrang; of

c)  de schuldenaar is nog geen insolventieprocedure krachtens nationaal recht geopend die kan eindigen in de vereffening van de schuldenaar.

8.  De duur van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen, met inbegrip van verlengingen en hernieuwingen, mag in totaal niet langer zijn dan twaalf maanden.

Indien de lidstaten ervoor kiezen deze richtlijn om te zetten met behulp van een of meer van de in bijlage A bij Verordening (EU) 2015/848 genoemde procedures of maatregelen die niet voldoen aan de kennisgevingsvoorwaarden, is de totale duur van de schorsing volgens die procedures beperkt tot maximaal vier maanden indien het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaar vanuit een andere lidstaat is verplaatst binnen een periode van drie maanden voorafgaand aan de indiening van de aanvraag tot opening van een herstructureringsprocedure.

9.  De lidstaten zorgen ervoor dat de rechterlijke of administratieve instanties de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen ▌ in de volgende gevallen kunnen opheffen:

a)  de schorsing vervult niet langer de doelstelling, te weten de ondersteuning van de onderhandelingen over het herstructureringsplan, bijvoorbeeld indien blijkt dat een deel van de schuldeisers dat krachtens nationaal recht de goedkeuring van het herstructureringsplan zou kunnen voorkomen, de voortzetting van de onderhandelingen niet steunt; ▌

b)  op verzoek van de schuldenaar of de herstructureringsdeskundige ▌;

c)  indien het nationaal recht hierin voorziet – één of meer schuldeisers of één of meer categorieën schuldeisers worden door een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen op oneerlijke wijze benadeeld of zouden hierdoor op oneerlijke wijze worden benadeeld; of

d)  indien het nationaal recht hierin voorziet – indien de schorsing leidt tot de insolventie van een schuldeiser.

De lidstaten kunnen de bevoegdheid om de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen op te heffen, beperken tot situaties waarin schuldeisers geen gelegenheid hadden gehad om gehoord te worden voordat de schorsing in werking trad of voordat een rechterlijke of administratieve instantie een verlenging van de schorsing toestond.

De lidstaten kunnen voorzien in een minimumperiode, die de in lid 6 bedoelde termijn niet overschrijdt, tijdens welke een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen niet kan worden opgeheven.

Artikel 7

Gevolgen van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen

1.  Indien er tijdens ▌ de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen voor een schuldenaar krachtens nationaal recht een verplichting ontstaat om een aanvraag in te dienen tot opening van een insolventieprocedure die zou kunnen eindigen in de vereffening van de schuldenaar, wordt die verplichting voor de duur van die schorsing opgeschort.

2.  De opening op verzoek van een of meer schuldeisers, van een insolventieprocedure die kan eindigen in de vereffening van de schuldenaar wordt, voor de duur van de schorsing, opgeschort door een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen overeenkomstig artikel 6.

3.  In gevallen waarin de schuldenaar niet bij machte is zijn schulden op de vervaldatum te vereffenen ▌, kunnen de lidstaten afwijken van de leden 1 en 2. In dergelijke gevallen zorgen de lidstaten ervoor dat ▌ een rechterlijke of administratieve instantie kan beslissen om ▌ het voordeel van de schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen te handhaven indien, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de opening van een insolventieprocedure die kan eindigen in de vereffening van de schuldenaar, niet in het algemene belang van schuldeisers zou zijn.

4.  De lidstaten voorzien in regels die onder de schorsing vallende schuldeisers ervan weerhouden essentiële nog uit te voeren overeenkomsten te beëindigen, te versnellen, de nakoming ervan op te schorten, of ze anderszins te wijzigen in het nadeel van de schuldenaar , in verband met schulden die zijn ontstaan vóór de schorsing, louter omdat de schuldenaar die niet heeft voldaan. Onder essentiële nog uit te voeren overeenkomsten wordt verstaan nog uit te voeren overeenkomsten die nodig zijn voor het voortzetten van de dagelijkse bedrijfsvoering van de onderneming, waaronder overeenkomsten inzake leveringen waarvan het opschorten tot een stopzetting van de activiteiten van de schuldenaar zou leiden.

De eerste alinea belet de lidstaten die schuldeisers niet om passende waarborgen te bieden om te voorkomen dat zij onbillijke nadelen ondervinden als gevolg van die alinea.

De lidstaten kunnen bepalen dat dit lid ook van toepassing is op niet-essentiële nog uit te voeren overeenkomsten.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeisers de nog uit te voeren overeenkomsten niet mogen beëindigen, versnellen of anderszins wijzigen, en de nakoming ervan niet in het nadeel van de schuldenaar mogen opschorten door middel van een daartoe strekkend beding in de overeenkomst, louter wegens ▌:

a)  een aanvraag tot de opening van een preventieve herstructureringsprocedure;

b)  een aanvraag voor een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen;

c)  de opening van een preventieve herstructureringsprocedure; of

d)  de toekenning van een schorsing van individuele tenuitvoerleggings-maatregelen.

6.  De lidstaten kunnen bepalen dat een schorsing van individuele tenuitvoerleggingsmaatregelen niet geldt voor salderingsovereenkomsten, waaronder salderingsovereenkomsten bij vroegtijdige beëindiging, op financiële markten, energiemarkten en grondstoffenmarkten, zelfs indien artikel 31, lid 1 niet van toepassing is, indien dergelijke overeenkomsten onder het nationale insolventierecht afdwingbaar zijn. De schorsing geldt echter wel voor een vordering die een schuldeiser tegen een schuldenaar instelt als gevolg van de werking van een salderingsovereenkomst.

De eerste alinea geldt niet voor overeenkomsten voor de levering van goederen, diensten of energie die nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de onderneming van de schuldenaar, tenzij die overeenkomsten de vorm aannemen van een op een beurs of een andere markt verhandelde positie, zodat die op ongeacht welk moment tegen de huidige marktwaarde kan worden vervangen.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat het verstrijken van een schorsing ▌ van individuele tenuitvoerleggings­maatregelen zonder dat een herstructureringsplan is goedgekeurd, niet op zichzelf leidt tot de opening van een insolventieprocedure die kan eindigen in de vereffening van de schuldenaar, tenzij aan de andere voorwaarden voor de indiening ervan krachtens nationaal recht is voldaan.

HOOFDSTUK 3

Herstructureringsplannen

Artikel 8

Inhoud van herstructureringsplannen

1.  De lidstaten schrijven voor dat herstructureringsplannen die overeenkomstig artikel 9 ter goedkeuring, of overeenkomstig artikel 10 ter bevestiging door een rechterlijke of administratieve instantie, worden voorgelegd, ten minste de volgende informatie bevatten:

a)  de identiteit van de schuldenaar ▌;

b)  een lijst van de activa en passiva van de schuldenaar op het ogenblik dat het herstructureringsplan met een waardering voor de activa wordt voorgelegd, een beschrijving van de economische situatie van de schuldenaar, de positie van de werknemers, en een beschrijving van de oorzaken en de omvang van de ▌ moeilijkheden van de schuldenaar;

c)  de ▌ betrokken partijen, hetzij door individuele namen te geven, hetzij door een beschrijving van ▌ categorieën schulden overeenkomstig nationaal recht, alsmede hun vorderingen of belangen die door het herstructureringsplan worden gedekt;

d)  waar van toepassing, de categorieën waarin de betrokken partijen zijn gegroepeerd met het oog op de goedkeuring van het herstructureringsplan, en de respectieve waarden van de vorderingen en belangen van elke categorie;

e)  waar van toepassing, de partijen, hetzij aangeduid met hun individuele namen, hetzij beschreven door ▌ categorieën schulden overeenkomstig nationaal recht, waarop het herstructureringsplan geen betrekking heeft, samen met de redenen waarom wordt voorgesteld ▌ hen er niet bij te betrekken;

f)  indien van toepassing, de identiteit van de herstructureringsdeskundige;

g)  de voorwaarden van het herstructureringsplan, waaronder met name:

i)  alle voorgestelde herstructureringsmaatregelen als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 1;

ii)  indien van toepassing, de voorgestelde duur van alle voorgestelde herstructureringsmaatregelen;

iii)  de regelingen inzake informatieverstrekking aan en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers overeenkomstig het recht van de Unie en het nationaal recht;

iv)  indien toepasselijk, de algemene werkgelegenheidsgevolgen, zoals ontslagen, werktijdverkortingsregelingen of andere soortgelijke gevolgen;

v)  de geraamde financiële stromen van de schuldenaar, indien het nationaal recht hierin voorziet; en

vi)  alle nieuwe financiering die wordt verwacht als onderdeel van het herstructureringsplan en de redenen waarom de nieuwe financiering nodig is voor de uitvoering van dat plan;

h)  een motivering die verklaart waarom redelijkerwijs mag worden verwacht dat het herstructureringsplan de insolventie van de schuldenaar zal voorkomen en delevensvatbaarheid van de onderneming zal verzekeren, en die de noodzakelijke voorwaarden voor het welslagen van het plan ervan vermeldt. De lidstaten kunnen bepalen dat de motivering wordt opgesteld of gevalideerd door hetzij een externe deskundige, hetzij de herstructureringsdeskundige, indien die is aangesteld.

2.  De lidstaten stellen online een uitgebreide checklist voor herstructureringsplannen beschikbaar die is afgestemd op de behoeften van kmo's. De checklist bevat praktische richtsnoeren over de manier waarop het herstructureringsplan krachtens nationaal recht moet worden opgesteld.

De checklist wordt beschikbaar gesteld in de officiële taal of talen van de lidstaat. De lidstaten overwegen om de checklist in ten minste één andere taal beschikbaar te maken, in het bijzonder een taal die in internationale zakelijke betrekkingen wordt gebruikt. ▌

Artikel 9

Goedkeuring van herstructureringsplannen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldenaren, ongeacht wie overeenkomstig artikel 4 een preventieve herstructureringsprocedure aanvraagt, het recht hebben om herstructureringsplannen ter goedkeuring aan de betrokken partijen voor te leggen.

De lidstaten kunnen ook bepalen dat en onder welke voorwaarden schuldeisers en herstructureringsdeskundigen het recht hebben om herstructureringsplannen voor te leggen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat ▌ betrokken partijen het recht hebben om te stemmen over de goedkeuring van een herstructureringsplan.

Partijen die niet bij een herstructureringsplan betrokken zijn, krijgen geen stemrecht bij de goedkeuring van dat plan.

3.  Niettegenstaande lid 2 kunnen de lidstaten het recht om te stemmen ontzeggen aan de volgende partijen:

a)  kapitaalhouders;

b)  schuldeisers wier vorderingen lager in rang zijn dan de vorderingen van gewone niet door een zekerheid gedekte schuldeisers in de normale rangorde van voorrang bij vereffening; of

c)  alle partijen met banden met de schuldenaar of met de onderneming van de schuldenaar die krachtens nationaal recht in een belangenconflict verkeren.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de betrokken partijen in afzonderlijke categorieën worden behandeld die, krachtens nationaal recht, voldoende gedeelde belangen weerspiegelen op basis van verifieerbare criteria. Schuldeisers van door een zekerheid gedekte vorderingen en niet door een zekerheid gedekte vorderingen worden in ieder geval in afzonderlijke categorieën behandeld met het oog op de goedkeuring van een herstructureringsplan.

De lidstaten kunnen ook bepalen dat vorderingen van werknemers als een afzonderlijke categorie worden behandeld.

De lidstaten kunnen bepalen dat schuldenaren die kmo's zijn, ervoor kunnen kiezen betrokken partijen niet in afzonderlijke categorieën te behandelen.

De lidstaten treffen passende maatregelen opdat de categorieën zodanig worden gevormd dat met name kwetsbare schuldeisers, zoals kleine leveranciers, worden beschermd.

5.  De stemrechten en de vorming van categorieën worden door een rechterlijke of administratieve instantie beoordeeld wanneer een aanvraag ▌ tot bevestiging van het herstructureringsplan wordt voorgelegd.

De lidstaten kunnen vereisen dat een rechterlijke of administratieve instantie de stemrechten en de vorming van categorieën in een vroeger stadium dan het in de eerste alinea bedoelde stadium onderzoekt en bevestigt.

6.  Een herstructureringsplan wordt ▌ door de betrokken partijen goedgekeurd mits daarvoor in elke ▌ categorie een meerderheid in het bedrag van hun vorderingen of belangen bestaat. De lidstaten kunnen bovendien een meerderheid verlangen van het aantal betrokken partijen in elke categorie.

De lidstaten stellen de vereiste meerderheden ▌ voor de goedkeuring van een herstructureringsplan vast. Deze meerderheden bedragen ▌ niet meer dan 75 % van het bedrag in vorderingen of belangen in elke categorie of, indien van toepassing, van het aantal betrokken partijen in elke categorie.

7.  Niettegenstaande de leden 2 tot en met 6 kunnen de lidstaten bepalen dat een formele stemming over de goedkeuring van een herstructureringsplan kan worden vervangen door een akkoord met de vereiste meerderheid ▌.

Artikel 10

Bevestiging van herstructureringsplannen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende herstructureringsplannen alleen bindend zijn voor de partijen indien zij door een rechterlijke of administratieve instantie worden bevestigd:

a)  herstructureringsplannen die invloed hebben op de vorderingen of belangen van de niet‑instemmende betrokken partijen;

b)  herstructureringsplannen die voorzien in nieuwe financiering;

c)  herstructureringsplannen waarbij meer dan 25 % van de banen verloren gaat, indien een dergelijk banenverlies krachtens nationaal recht is toegestaan.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de voorwaarden waaronder een herstructureringsplan door een rechterlijke of administratieve instantie kan worden bevestigd, duidelijk gespecificeerd zijn en ten minste het volgende omvatten:

a)  het herstructureringsplan is goedgekeurd overeenkomstig artikel 9 ▌;

b)  schuldeisers met voldoende gedeelde belangen in dezelfde categorie worden gelijk behandeld en op een wijze die in verhouding staat tot hun vordering;

c)  het herstructureringsplan is overeenkomstig nationaal recht meegedeeld aan alle ▌ betrokken partijen;

d)  indien er niet-instemmende schuldeisers zijn, voldoet het herstructureringsplan aan de toets van het belang van de schuldeisers;

e)  eventuele nieuwe financiering is noodzakelijk om het herstructureringsplan uit te voeren en benadeelt de belangen van de schuldeisers niet op onbillijke wijze.

De naleving van punt (d) van de eerste alinea wordt enkel bij betwisting van het herstructureringsplan op die basis door een rechterlijke of administratieve instantie onderzocht.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat rechterlijke of administratieve instanties kunnen weigeren een herstructureringsplan te bevestigen indien dat plan geen redelijk vooruitzicht biedt op het afwenden van de insolventie van de schuldenaar of op het waarborgen van de levensvatbaarheid van het bedrijf.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat indien het herstructureringsplan door een rechterlijke of administratieve instantie moet worden bevestigd om bindend te zijn, er op efficiënte wijze, met het oog op een voortvarende behandeling van de kwestie, de beslissing wordt genomen.

Artikel 11

Categorie-overschrijdende cram-down

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een herstructureringsplan dat niet door alle stemmende categorieën van de betrokken partijen overeenkomstig artikel 9, lid 6, wordt goedgekeurd, op voorstel van een schuldenaar of ▌ met de instemming van de schuldenaar kan worden bevestigd door een rechterlijke of administratieve instantie, en bindend wordt voor niet-instemmende stemmende categorieën indien het herstructureringsplan ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet ▌:

a)  het voldoet aan artikel 10, leden 2 en 3;

b)  het is goedgekeurd door:

i)  een meerderheid van de stemmende categorieën van de betrokken partijen, op voorwaarde dat ten minste één van die categorieën een categorie door een zekerheid gedekte schuldeisers is of hoger in rang is dan de categorie gewone niet door een zekerheid gedekte schuldeisers; of, indien dit niet het geval is,

ii)  ten minste één stemmende categorie van betrokken partijen, of, mits het nationaal recht daarin voorziet, geschade partijen, met uitzondering van een categorie kapitaalhouders of elke andere categorie die, bij de waardebepaling van de schuldenaar als going concern, geen enkele betaling zou ontvangen noch enig belang in het bedrijf zou aanhouden, of, mits het nationaal recht daarin voorziet, redelijkerwijs kan worden geacht geen betaling te ontvangen noch enig belang in het bedrijf aan te houden, indien de normale rangorde van voorrang bij vereffening krachtens nationaal recht zou worden toegepast;

c)  het zorgt ervoor dat niet-instemmende stemmende categorieën van betrokken schuldeisers ten minste even gunstig worden behandeld als elke andere categorie van dezelfde rang en gunstiger dan een categorie in een lagere rang; en

d)  geen enkele categorie van betrokken partijen kan in het kader van het herstructureringsplan meer dan het volledige bedrag van haar vorderingen of belangen ontvangen of houden.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten het vereiste om instemming van de schuldenaar te verkrijgen, beperken tot gevallen waarin de schuldenaren kmo's zijn.

De lidstaten kunnen het voor het goedkeuren van het plan als bedoeld in punt (b), ii) van de eerste alinea vereiste minimumaantal categorieën betrokken partijen, of, indien het nationaal recht daarin voorziet, geschade partijen verhogen.

2.  In afwijking van lid 1, punt c), kunnen de lidstaten bepalen dat de vorderingen van de betrokken schuldeisers in een niet-instemmende stemmende categorie met dezelfde of gelijkwaardige middelen volledig genoegdoening krijgen, indien een categorie in een lagere rang volgens het herstructureringsplan enige betaling ontvangt of enig belang in de onderneming aanhoudt.

Lidstaten kunnen bepalingen invoeren of handhaven die afwijken van lid 1, indien dat nodig is om de doelstellingen van het herstructureringsplan te halen en indien het herstructureringsplan de rechten of belangen van betrokken partijen niet op onbillijke wijze in het gedrang brengt.

Artikel 12

Kapitaalhouders

1.  Indien lidstaten kapitaalhouders uitsluiten van de toepassing van de artikelen 9, 10 en 11, zorgen zij er via andere middelen voor dat die kapitaalhouders niet op onredelijke wijze de goedkeuring en bevestiging van een herstructureringsplan kunnen voorkomen of belemmeren.

2.  De lidstaten zorgen er ook voor dat kapitaalhouders niet is toegestaan de uitvoering van een herstructureringsplan op onredelijke wijze te voorkomen of te belemmeren.

3.  De lidstaten kunnen hetgeen volgens dit artikel als "op onredelijke wijze voorkomen of belemmeren" wordt beschouwd aanpassen om onder meer rekening te houden met: de vraag of de schuldenaar een kmo of een grote onderneming is; de voorgestelde herstructureringsmaatregelen die raken aan de rechten van kapitaalhouders; het soort kapitaalhouder; de vraag of de schuldenaar een rechtspersoon of natuurlijke persoon is, of de vraag of partners in een onderneming beperkte of onbeperkte aansprakelijkheid hebben.

Artikel 13

Werknemers

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat het preventieve herstructureringsstelsel geen afbreuk doet aan de individuele en collectieve werknemersrechten uit hoofde van het uniaal en nationaal arbeidsrecht, zoals:

a)  het recht op collectieve onderhandelingen en collectieve actie; en

b)  het recht op informatie en raadpleging overeenkomstig Richtlijn 2002/14/EG en Richtlijn 2009/38/EG, met name:

i)  informatie voor de werknemersvertegenwoordigers over de recente en waarschijnlijke evolutie van de activiteiten en de economische situatie van de onderneming of de vestiging, zodat zij opmerkingen over de situatie van de onderneming en wat betreft de noodzaak om herstructureringsmechanismen in overweging te nemen, aan de schuldenaar kunnen meedelen;

ii)  informatie voor de werknemersvertegenwoordigers betreffende een eventuele preventieve herstructureringsprocedure die gevolgen kan hebben voor de werkgelegenheid, bij voorbeeld voor het vermogen van werknemers om hun lonen en eventuele toekomstige betalingen, waaronder bedrijfspensioenen, terug te vorderen;

iii)  informatie voor en raadpleging van de werknemersvertegenwoordigers over de herstructureringsplannen voordat zij overeenkomstig artikel 9 ter goedkeuring worden voorgelegd, of overeenkomstig artikel 10 ter bevestiging door een rechterlijke of administratieve instantie;

c)  de bij Richtlijnen 98/59/EG, 2001/23/EG en 2008/94/EG gegarandeerde rechten.

2.  Indien het herstructureringsplan maatregelen bevat die leiden tot veranderingen in de arbeidsorganisatie of in de arbeidsovereenkomsten met werknemers, worden die maatregelen goedgekeurd door die werknemers indien het nationaal recht of collectieve overeenkomsten in die gevallen in die goedkeuring voorzien.

Artikel 14

Waardebepaling door de rechterlijke of administratieve instantie

1.  De rechterlijke of administratieve instantie neemt uitsluitend een beslissing over de waardebepaling van de onderneming van de schuldenaar indien een niet-instemmende betrokken partij het herstructureringsplan betwist op basis van hetzij:

a)  een vermeend niet-voldoen aan de toets van het belang van de schuldeisers overeenkomstig artikel 2, lid 1, punt 6); of

b)  een vermeende inbreuk op de voorwaarden voor een categorie-overschrijdende cram‑down overeenkomstig artikel 11, lid 1), punt b), onder ii).

2.  Met het oog op het nemen van een beslissing betreffende een waardebepaling overeenkomstig lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat rechterlijke of administratieve instanties voldoende gekwalificeerde deskundigen mogen aanstellen of horen.

3.  Met het oog op de toepassing van lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat een niet-instemmende betrokken partij een rechtsmiddel kan instellen bij de rechterlijke of administratieve instantie die verzocht wordt om het herstructureringsplan te bevestigen ▌.

De lidstaten kunnen bepalen dat een dergelijk rechtsmiddel kan worden ingesteld in de context van een beroepsprocedure tegen een beslissing betreffende de bevestiging van een herstructureringsplan.

Artikel 15

Gevolgen van herstructureringsplannen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat herstructureringsplannen die door een rechterlijke of administratieve instantie worden bevestigd, bindend zijn voor alle betrokkenen die overeenkomstig artikel 8, lid 1, punt c worden genoemd of omschreven.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeisers die krachtens nationaal recht niet betrokken zijn bij de goedkeuring van een herstructureringsplan, niet ▌ door het plan worden geraakt.

Artikel 16

Beroepsprocedures

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat nationaalrechtelijke beroepsprocedures tegen een door een rechterlijke instantie gegeven beslissing tot bevestiging of verwerping van een herstructureringsplan bij een hogere rechterlijke instantie worden ingesteld ▌.

De lidstaten zorgen ervoor dat een beroepsprocedure tegen een door een administratieve instantie gegeven beslissing tot bevestiging of verwerping van een herstructureringsplan bij een rechterlijke instantie wordt ingesteld.

2.  De beroepsprocedures worden op efficiënte wijze afgewikkeld met het oog op een voortvarende behandeling.

3.  Een beroepsprocedure tegen een beslissing tot bevestiging van een herstructureringsplan heeft geen schorsende werking op de uitvoering van dat plan.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten bepalen dat rechterlijke instanties de uitvoering van een herstructureringsplan of delen daarvan kunnen schorsen indien zulks noodzakelijk en passend is ter bescherming van de belangen van een partij.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een in lid 3 bedoeld beroep wordt aanvaard, de rechterlijke instantie de mogelijkheid heeft:

a)  het herstructureringsplan nietig te verklaren; of

b)  het herstructureringsplan te bevestigen met – mits het nationaal recht daarin voorziet – of zonder wijzigingen.

De lidstaten kunnen bepalen dat, indien een plan uit hoofde van de eerste alinea, punt b), wordt bevestigd, een financiële vergoeding wordt toegekend aan elke partij die financiële verliezen heeft geleden en wier beroep is aanvaard.

HOOFDSTUK 4

Bescherming voor nieuwe financiering, tussentijdse financiering en andere transacties in verband met herstructurering

Artikel 17

Bescherming voor nieuwe en tussentijdse financiering

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat nieuwe en tussentijdse financiering voldoende worden ▌ beschermd. Ten minste worden in geval van latere insolventie van de schuldenaar:

a)  nieuwe financiering en tussentijdse financiering niet nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar verklaard; en

b)  de verstrekkers van die financiering niet burgerlijk, administratief of strafrechtelijk aansprakelijk gesteld,

omdat die financiering voor de gezamenlijke schuldeisers nadelig is, tenzij andere aanvullende bij nationaal recht geregelde gronden aanwezig zijn.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat lid 1 uitsluitend geldt voor nieuwe financiering indien het herstructureringsplan door een rechterlijke of administratieve instantie is bevestigd en voor tussentijdse financiering die aan voorafgaande controle is onderworpen.

3.  De lidstaten kunnen tussentijdse financiering die is verstrekt nadat de schuldenaar niet in staat is gebleken zijn schulden op de vervaldatum te betalen, van de toepassing van lid 1 uitsluiten.

4.  De lidstaten kunnen bepalen dat verstrekkers van nieuwe of tussentijdse financiering het recht hebben om met voorrang terugbetaald te worden in het kader van daaropvolgende insolventieprocedures ten opzichte van andere schuldenaren die anders bevoorrechte of gelijkwaardige vorderingen zouden hebben ▌.

Artikel 18

Bescherming voor andere transacties in verband met herstructurering

1.  Onverminderd artikel 17 zorgen de lidstaten ervoor dat, in geval van latere insolventie van een schuldenaar, transacties die redelijk en onmiddellijk noodzakelijk zijn voor het onderhandelen over een herstructureringsplan ▌ niet nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar worden verklaard omdat die transacties voor de gezamenlijke schuldeisers nadelig zijn, tenzij andere aanvullende bij nationaal recht geregelde gronden aanwezig zijn.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat lid 1 uitsluitend geldt indien het plan door een rechterlijke of administratieve instantie is bevestigd of indien die transacties aan voorafgaande controle waren onderworpen.

3.  De lidstaten kunnen transacties die zijn verricht nadat de schuldenaar niet in staat is gebleken zijn schulden op de vervaldatum te betalen, van de toepassing van lid 1 uitsluiten.

4.  De in lid 1 bedoelde transacties ▌ omvatten ten minste:

a)  de betaling van ▌ vergoedingen en kosten voor het onderhandelen over, of het goedkeuren of bevestigen ▌ van een herstructureringsplan;

b)  de betaling van ▌ vergoedingen en kosten om een beroep te doen op professioneel advies dat nauw verband houdt met de herstructurering ▌;

c)  de betaling van werknemersloon voor reeds verricht werk, onverminderd de andere bescherming krachtens Unierecht of nationaal recht;

d)  andere ▌ tijdens de normale bedrijfsuitoefening verrichte betalingen en uitgaven dan die bedoeld in de punten a) tot en met c).

5.  Onverminderd artikel 17 zorgen de lidstaten ervoor dat in geval van latere insolventie van de schuldenaar, transacties die redelijk en onmiddellijk noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een herstructureringsplan en worden verricht overeenkomstig het door een rechterlijke of administratieve instantie bevestigde herstructureringsplan ▌ niet nietig, vernietigbaar of niet-tegenwerpbaar worden verklaard omdat die transacties voor de gezamenlijke schuldeisers nadelig zijn, tenzij andere aanvullende bij nationaal recht geregelde gronden aanwezig zijn.

HOOFDSTUK 5

Verplichtingen van bestuurders

Artikel 19

Verplichtingen van bestuurders bij een dreigende insolventie

De lidstaten zorgen ▌ ervoor dat, bij een dreigende insolventie, de bestuurders ten minste voldoende rekening houden met het volgende:

a)  de belangen van de schuldeisers ▌, kapitaalhouders en andere belanghebbenden;

b)  de noodzaak ▌ stappen te ondernemen ter voorkoming van insolventie; alsmede

c)  de noodzaak opzettelijke handelingen of grove nalatigheid te vermijden die de levensvatbaarheid van de onderneming bedreigen.

TITEL III

KWIJTSCHELDING VAN SCHULD EN BEROEPSVERBODEN

Artikel 20

Toegang tot kwijtschelding van schuld

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat insolvente ondernemers toegang hebben tot ten minste één procedure die tot volledige kwijtschelding van schuld overeenkomstig deze richtlijn kan leiden.

De lidstaten kunnen verlangen dat de handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit waarop de schulden van een insolvente ondernemer betrekking hebben, is stopgezet.

2.  De lidstaten waar volledige kwijtschelding van schuld afhangt van gedeeltelijke terugbetaling van schuld door de ondernemer, zorgen ervoor dat de betrokken terugbetalingsverplichting gebaseerd is op de individuele situatie van de ondernemer, en met name ▌ in verhouding staat tot het voor beslag vatbare of het ▌ beschikbare inkomen en de activa van de ondernemer tijdens de kwijtscheldingsperiode, en het billijke belang van de schuldeisers in aanmerking neemt.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat ondernemers die kwijtschelding van schuld hebben verkregen toegang hebben tot toepasselijke en actuele informatie over bestaande nationale regelingen die voorzien in bedrijfssteun voor ondernemers, en dat zij van dergelijke regelingen kunnen profiteren.

Artikel 21

Kwijtscheldingsperiode

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de periode ▌ waarna insolvente ondernemers in staat zijn volledige kwijtschelding van schuld te verkrijgen, niet langer is dan drie jaar, te rekenen vanaf uiterlijk de datum van:

a)  bij een procedure met een terugbetalingsplan, de beslissing waarbij een rechterlijke of een administratieve instantie het plan of de aanvang van de uitvoering ervan bevestigt; of

b)  bij alle andere procedures, de beslissing van een rechterlijke of een administratieve instantie om de procedure te openen, of het vaststellen van de insolvente boedel van de ondernemer.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat insolvente ondernemers die hun verplichtingen zijn nagekomen, indien die verplichtingen uit hoofde van het nationaal recht bestaan, kwijtschelding van schuld verkrijgen op het ogenblik dat de kwijtscheldingsperiode verstrijkt zonder dat zij tot ▌ een rechterlijke of een administratieve instantie een aanvraag moeten richten tot opening van een procedure naast de in lid 1 bedoelde procedures.

Onverminderd de eerste alinea kunnen de lidstaten bepalingen handhaven of invoeren waarbij een rechterlijke of een administratieve instantie ertoe wordt gemachtigd na te gaan of de ondernemers de verplichtingen voor het verkrijgen van kwijtschelding van schuld zijn nagekomen.

3.  De lidstaten kunnen bepalen dat een volledige kwijtschelding van schuld geen belemmering vormt voor het voortzetten van een insolventieprocedure die tegeldemaking en verdeling van de activa van een ondernemer, zoals deze op de datum van het verstrijken van de kwijtscheldingsperiode deel uitmaakten van de insolvente boedel van die ondernemer.

Artikel 22

Duur van beroepsverboden

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat, wanneer een insolvente ondernemer overeenkomstig deze richtlijn kwijtschelding van schuld verkrijgt, elk verbod om een handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit te starten of uit te oefenen, dat alleen verband houdt met de insolventie van de ondernemer, uiterlijk bij het verstrijken van de kwijtscheldingsperiode vervalt.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat bij het verstrijken van de kwijtscheldingsperiode de in lid 1 van dit artikel bedoelde beroepsverboden vervallen zonder dat zij tot ▌ een rechterlijke of een administratieve instantie een aanvraag moeten richten tot opening van een procedure naast de in artikel 21, lid 1, bedoelde procedures.

Artikel 23

Afwijkingen

1.  In afwijking van de artikelen 20, 21 en 22 handhaven of introduceren de lidstaten bepalingen tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden indien de insolvente ondernemer bij het aangaan van de schulden, tijdens de insolventieprocedure of bij het terugbetalen van de schulden naar nationaal recht oneerlijk of te kwader trouw heeft gehandeld tegenover schuldeisers of andere belanghebbenden, onverminderd de nationale bewijslastregels.

2.  In afwijking van de artikelen 20, 21 en 22 kunnen de lidstaten bepalingen handhaven of introduceren tot weigering of beperking van de toegang tot kwijtschelding van schuld, tot intrekking van kwijtschelding van schuld, of tot verlenging van de termijnen voor het verkrijgen van volledige kwijtschelding van schuld of van de beroepsverboden, zulks alleen in bepaalde, welomschreven omstandigheden en indien deze afwijkingen naar behoren gerechtvaardigd zijn, bijvoorbeeld indien:

a)  de insolvente ondernemer zijn verplichtingen krachtens een terugbetalingsplan of een andere wettelijke verplichting ter bescherming van de belangen van schuldeisers, onder meer de verplichting om het rendement voor de schuldeisers te maximaliseren, wezenlijk heeft geschonden;

b)  de insolvente ondernemer zich niet houdt aan informatie- of samenwerkingsverplichtingen uit hoofde van Unierecht en nationaal recht;

c)  er te kwader trouw ingediende kwijtscheldingsaanvragen zijn;

d)  er een nieuwe kwijtscheldingsaanvraag is binnen een bepaalde termijn nadat aan de insolvente ondernemer volledige kwijtschelding van schuld was toegekend of nadat een volledige kwijtschelding van schuld was geweigerd vanwege een ernstige schending van de informatie- of samenwerkingsverplichtingen;

e)  de kosten van de procedure inzake kwijtschelding van schuld niet zijn gedekt; of

f)  een afwijking noodzakelijk is om de rechten van de schuldenaar en de rechten van een of meer schuldeisers in evenwicht te houden.

3.  In afwijking van artikel 21 kunnen de lidstaten voorzien in langere kwijtscheldingsperioden in gevallen waarin ▌:

a)  beschermende maatregelen worden goedgekeurd of bevolen door een rechterlijke of een administratieve instantie met het oog op het beschermen van de hoofdverblijfplaats van de insolvente ondernemer en, waar van toepassing, van het gezin van de ondernemer of van de bedrijfsmiddelen die van wezenlijk belang zijn voor de voortzetting van de handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit van de ondernemer; of

b)  de hoofdverblijfplaats van de insolvente ondernemer en, indien toepasselijk, van het gezin van de ondernemer, niet te gelde is gemaakt.

4.  De lidstaten kunnen specifieke categorieën schulden uitsluiten ▌ van kwijtschelding van schuld, of de toegang ervan tot kwijtschelding van schuld beperken of de kwijtscheldingsperiode ervan verlengen indien die uitsluitingen, beperkingen of verlengingen naar behoren zijn gerechtvaardigd, bijvoorbeeld in het geval van:

a)  door een zekerheid gedekte schulden;

b)  schulden die ontstaan uit of verband houden met strafrechtelijke boeten;

c)  schulden die ontstaan uit aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad;

d)  schulden in verband met onderhoudsverplichtingen die voortvloeien uit familiebetrekkingen, bloedverwantschap, huwelijk of aanverwantschap;

e)  schulden die zijn ontstaan na de aanvraag tot kwijtschelding van schuld of na de opening van de procedure die tot kwijtschelding van schuld leidt; en

f)  schulden die ontstaan uit de verplichting tot betaling van de kosten van de procedure die tot kwijtschelding van schuld leidt.

5.  In afwijking van artikel 22 kunnen lidstaten voorzien in langere beroepsverboden of beroepsverboden van onbepaalde duur indien de insolvente ondernemer lid is van een beroepsgroep:

a)  waarvoor specifieke ethische regels of speciale regels inzake reputatie of deskundigheid gelden, en de ondernemer die regels heeft geschonden; of

b)  die zich bezighoudt met het beheer van het eigendom van anderen.

De eerste alinea is ook van toepassing wanneer een insolvente ondernemer om toegang verzoekt tot een in punt a) of punt b) van die alinea bedoelde beroepsgroep.

6.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de nationale voorschriften inzake andere door een rechterlijke of administratieve instantie bevolen beroepsverboden ▌ dan die bedoeld in artikel 22.

Artikel 24

Consolidatie van procedures betreffende beroepsmatige en persoonlijke schulden

1.  Indien insolvente ondernemers tijdens hun handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit beroepsmatige, en, buiten deze activiteiten, persoonlijke schulden zijn aangegaan, en die schulden niet redelijkerwijs van elkaar te scheiden zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de schulden, indien zij voor kwijtschelding in aanmerking komen, worden behandeld in één procedure met het oog op het verkrijgen van een volledige kwijtschelding van schuld.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat, indien beroepsmatige schulden en persoonlijke schulden gescheiden kunnen worden, die schulden met het oog op een volledige kwijtschelding van schuld hetzij in afzonderlijke doch gecoördineerde procedures hetzij in dezelfde procedure worden behandeld.

TITEL IV

MAATREGELEN TER VERHOGING VAN DE EFFICIËNTIE VAN DE PROCEDURES INZAKE HERSTRUCTURERING, INSOLVENTIE EN KWIJTSCHELDING VAN SCHULD

Artikel 25

Rechterlijke en administratieve instanties

▌ Onverminderd de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht en onverminderd eventuele verschillen in de organisatie van de rechterlijke macht in de Unie, ▌ zorgen de lidstaten ervoor dat ▌:

a)  leden van de rechterlijke en de administratieve instanties die procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld behandelen, een adequate opleiding krijgen en beschikken over de voor hun taken vereiste deskundigheid; en

b)  de procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld op efficiënte wijze worden afgewikkeld met het oog op een voortvarende behandeling van de procedures.

Artikel 26

Herstructurerings, insolventie- en deskundigen inzake kwijtschelding van schuld

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat:

a)  de deskundigen die door een rechterlijke of een administratieve instantie zijn aangesteld in een procedure inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld ("deskundigen") adequaat worden opgeleid en beschikken over de voor hun taken vereiste deskundigheid;

b)  de voorwaarden om voor aanstelling in aanmerking te komen en de procedure voor aanstelling en gedwongen of vrijwillig ontslag van deskundige duidelijk, transparant en rechtvaardig zijn;

c)  bij de aanstelling van een deskundige voor een specifieke zaak, met inbegrip van zaken met grensoverschrijdende elementen, zijn ervaring en deskundigheid, alsmede de specifieke kenmerken van de zaak, voldoende in aanmerking worden genomen; en

d)  teneinde belangenconflicten te voorkomen, de schuldenaren en schuldeisers bezwaar kunnen maken tegen de selectie of aanstelling van een deskundige of om diens vervanging kunnen verzoeken.

2.  De Commissie faciliteert de uitwisseling van beste praktijken tussen de lidstaten teneinde de kwaliteit van de opleiding in de hele Unie te verbeteren, onder meer door de uitwisseling van ervaring en instrumenten voor capaciteitsopbouw.

Artikel 27

Toezicht op en vergoeding van deskundige ▌

1.  De lidstaten voorzien in gepaste toezichts- en regelgevingsmechanismen om het werk van deskundigen daadwerkelijk te controleren, opdat hun diensten op doeltreffende en bekwame wijze en, ten aanzien van de betrokken partijen, op onpartijdige en onafhankelijke wijze worden verstrekt. Deze mechanismen omvatten ook maatregelen met het oog op de verantwoordingsplicht van deskundigen die hun taken niet naar behoren hebben uitgevoerd.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie over de autoriteiten of organen die toezicht uitoefenen op deskundigen publiek beschikbaar is.

3.  De lidstaten kunnen het ontwikkelen van en het aansluiten bij gedragscodes door deskundigen aanmoedigen.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat voor de vergoeding van deskundigen regels gelden die beantwoorden aan de doelstelling van een efficiënte afwikkeling van procedures ▌.

De lidstaten zorgen ervoor dat er geschikte procedures voorhanden zijn om eventuele geschillen over vergoeding te beslechten ▌.

Artikel 28

Gebruik van elektronische communicatiemiddelen

De lidstaten zorgen ervoor dat de partijen bij de procedure, de deskundige en de rechterlijke of administratieve instantie in procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld ten minste de volgende handelingen via elektronische communicatiemiddelen kunnen verrichten, ook in grensoverschrijdende situaties:

a)  indienen van vorderingen;

b)  indienen van herstructurerings- of terugbetalingsplannen ;

c)  kennisgeving aan schuldenaren;

d)  aantekenen van bezwaar en beroep.

TITEL V

MONITORING VAN PROCEDURES INZAKE HERSTRUCTURERING, INSOLVENTIE EN KWIJTSCHELDING VAN SCHULD

Artikel 29

Verzamelen van gegevens

1.  ▌ De lidstaten verzamelen en aggregeren jaarlijks, op nationaal niveau, gegevens over ▌ procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, uitgesplitst naar type van procedure, die betrekking hebben op ten minste de volgende elementen:

a)  het aantal procedures dat werd aangevraagd of geopend, mits het nationaal recht in die opening voorziet, en het aantal lopende of afgesloten procedures;

b)  de gemiddelde duur van de procedures vanaf de indiening van de aanvraag of vanaf de opening van de procedure, mits het nationaal recht in die opening voorziet, tot en met de afsluiting;

c)  het aantal andere dan de in punt d) vereiste procedures, uitgesplitst naar type van resultaat;

d)  het aantal aanvragen voor een herstructureringsprocedure die niet-ontvankelijk zijn verklaard, zijn verworpen of zijn ingetrokken voordat zij werden geopend.

2.  De lidstaten verzamelen en aggregeren jaarlijks, op nationaal niveau, gegevens over het aantal schuldenaren waarop een procedure inzake herstructurering of insolventie van toepassing was en waarvoor, binnen drie jaar voorafgaand aan het indienen van de aanvraag of aan de opening van die procedure, mits het nationaal recht in die opening voorziet, een herstructureringsplan was bevestigd in het kader van een vorige herstructureringsprocedure ter uitvoering van Titel II.

3.  De lidstaten kunnen jaarlijks op nationaal niveau gegevens verzamelen en aggregeren over:

a)   de gemiddelde kosten van elk type van procedure;

b)   de gemiddelde terugvorderingspercentages voor door een zekerheid en niet door een zekerheid gedekte schuldeisers, en, in voorkomend geval, andere soorten schuldeisers▌, zulks op uitgesplitste wijze;

c)   het aantal ondernemers die, na een procedure in de zin van artikel 1, lid 1, punt b), te hebben doorlopen, een nieuwe onderneming starten;

d)  het aantal verloren gegane banen in verband met procedures inzake herstructurering en insolventie .

4.  De lidstaten delen de in lid 1, punten a), b) en c), bedoelde gegevens en, waar van toepassing en beschikbaar, de in lid 3 bedoelde gegevens, in volgens:

a)  de grootte van de schuldenaren die geen natuurlijke personen zijn;

b)  de vraag of de schuldenaren waarop een procedure inzake herstructurering of insolventie van toepassing is, natuurlijke personen of rechtspersonen zijn; alsmede

c)  ▌ de vraag of de procedures die tot kwijtschelding van schuld leiden, uitsluitend betrekking hebben op ondernemers, of op alle natuurlijke personen.

5.  De lidstaten kunnen de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde gegevens verzamelen en aggregeren door middel van een steekproeftechniek die garandeert dat de steekproeven representatief zijn wat betreft omvang en diversiteit.

6.  De lidstaten verzamelen en aggregeren de in de leden 1, 2, 4 en, waar van toepassing, lid 3, bedoelde gegevens voor volledige kalenderjaren eindigend op 31 december van elk jaar, te beginnen met ▌ het eerste volledige kalenderjaar na … [de datum van toepassing van de in lid 7 bedoelde uitvoeringshandelingen]. De gegevens worden jaarlijks, uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar volgend op het jaar waarvoor de gegevens zijn verzameld, aan de Commissie meegedeeld door middel van een gestandaardiseerd mededelingsformulier.

7.  De Commissie stelt het in lid 6 van dit artikel bedoelde mededelingsformulier bij uitvoeringshandeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 30, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

8.  De Commissie publiceert de overeenkomstig lid 6 meegedeelde gegevens op toegankelijke en gebruiksvriendelijke wijze op haar website.

Artikel 30

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is de derde alinea van artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

TITEL VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 31

Verhouding tot andere handelingen en internationale instrumenten

1.  De volgende handelingen zijn van toepassing ondanks deze richtlijn:

a)  Richtlijn 98/26/EG;

b)  Richtlijn 2002/47/EG; alsmede

c)  Verordening (EU) nr. 648/2012.

2.   Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de voorschriften inzake de bescherming van geldmiddelen voor betalingsinstellingen uit hoofde van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad(26) en voor instellingen voor elektronisch geld uit hoofde van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad(27).

3.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van het Verdrag inzake internationale zakelijke rechten op mobiel materieel en het Protocol daarbij betreffende voor luchtvaartuigmaterieel specifieke aangelegenheden, ondertekend te Kaapstad op 16 november 2001, waarbij sommige lidstaten op het tijdstip van vaststelling van deze richtlijn partij zijn.

Artikel 32

Wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132

Aan artikel 84 van Richtlijn (EU) 2017/1132 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"4. De lidstaten wijken af van artikel 58, lid 1, de artikelen 68, 72, 73 en 74, artikel 79, lid 1, punt b), artikel 80, lid 1, en artikel 81 voor zover en zolang die afwijkingen nodig zijn voor de vaststelling van de preventieve herstructureringsstelsels bedoeld in Richtlijn (EU) 2019/.... van het Europees Parlement en de Raad ▌ *.

De eerste alinea laat het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders onverlet.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------

* Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende preventieve herstructureringsstelsels, betreffende kwijtschelding van schuld en beroepsverboden en betreffende maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van procedures inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld, en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 (Richtlijn betreffende herstructurering en insolventie) (PB … van …, …).".

"

Artikel 33

Evaluatieclausule

Uiterlijk … [zeven jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] en vervolgens om de vijf jaar, dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de toepassing en het effect van deze richtlijn in, onder meer over de toepassing van de vorming van categorieën en de stemregels met betrekking tot kwetsbare schuldeisers, zoals werknemers. Op basis van die beoordeling dient de Commissie zo nodig een wetgevingsvoorstel in, waarin aanvullende maatregelen tot consolidatie en harmonisatie van het wettelijk kader inzake herstructurering, insolventie en kwijtschelding van schuld in overweging worden genomen.

Artikel 34

Omzetting

1.  De lidstaten dienen uiterlijk … [twee jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen, met uitzondering van de bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 28, punten a), b) en c), die uiterlijk … [vijf jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] worden vastgesteld en bekendgemaakt, en van de bepalingen die nodig zijn om aan artikel 28, punt d), te voldoen, die uiterlijk … [zeven jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] worden vastgesteld en bekendgemaakt. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Zij passen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om aan deze richtlijn te voldoen toe met ingang van … [twee jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn], met uitzondering van de bepalingen die nodig zijn om te voldoen aan artikel 28, punten a), b) en c), die uiterlijk … [vijf jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] van toepassing zijn, en van de bepalingen die nodig zijn om aan artikel 28, punt d), te voldoen, die uiterlijk … [zeven jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] van toepassing zijn.

2.  In afwijking van de lid 1, krijgen de lidstaten die bijzondere moeilijkheden ondervinden bij het omzetten van deze richtlijn de mogelijkheid tot een verlenging van maximaal één jaar van de in lid 1 bepaalde omzettingstermijn. De lidstaten delen de Commissie uiterlijk … [18 maanden vanaf de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] mee of zij gebruik moeten maken van deze mogelijkheid tot verlenging van de omzettingstermijn.

3.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 35

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 36

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 21.
(2) PB C 342 van 12.10.2017, blz. 43.
(3)PB C ▌209 van 30.06.2011, blz. ▌21.
(4)PB C 342 van 12.10.2017, blz. 43.
(5)Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.
(6)Verordening (EU) 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende insolventieprocedures (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 19).
(7)Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
(8) Commission Recommendation of 6 May 2003 concerning the definition of micro, small and medium-sized enterprises (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(9)Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekerings­bedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(10)Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(11)Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).
(12)Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).
(13)Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(14)Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 16).
(15)Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16).
(16)Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).
(17)Richtlijn 2008/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever (PB L 283 van 28.10.2008, blz. 36).
(18)Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).
(19) Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
(20)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(21)Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45).
(22)Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43).
(23)Richtlijn 2017/1132/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht.(PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46).
(24)PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(25) PB C 236 van 21.7.2017, blz. 2.
(26)Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).
(27)Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).


Voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen en doorgifte van televisie- en radioprogramma's ***I
PDF 214kWORD 67k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s (COM(2016)0594 – C8-0384/2016 – 2016/0284(COD))
P8_TA-PROV(2019)0322A8-0378/2017

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0594),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0384/2016),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 53, lid 1, en artikel 62 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 25 januari 2017(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 18 januari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikelen 59 en 39van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0378/2017),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 28 maart 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn op bepaalde online-uitzendingen van omroeporganisaties en doorgifte van televisie- en radioprogramma’s en tot wijziging van Richtlijn 93/83/EEG van de Raad

P8_TC1-COD(2016)0284


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1, en artikel 62,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Om bij te dragen tot de werking van de interne markt, moet worden gezorgd voor een bredere verspreiding in de lidstaten van televisie- en radioprogramma’s uit andere lidstaten ten behoeve van gebruikers in de Unie, door het verlenen van licenties van auteursrechten en naburige rechten op werken en ander beschermd materiaal in uitzendingen van bepaalde soorten televisie en radioprogramma’s te vergemakkelijken. Televisie- en radioprogramma’s vormen immers een belangrijk instrument om de culturele en taalkundige verscheidenheid en de sociale cohesie te bevorderen en om toegang tot informatie te vergroten.

(2)  De ontwikkeling van digitale technologieën en het internet heeft verandering gebracht in de distributie van en de toegang tot televisie- en radioprogramma’s. Steeds vaker verwachten gebruikers toegang te krijgen tot dergelijke programma’s zowel live als on-demand, langs traditionele weg zoals via satelliet of kabel maar ook via onlinediensten. Omroeporganisaties bieden daarom naast hun eigen uitzendingen van televisie- en radioprogramma’s steeds meer onlinediensten aan als dienst ter ondersteuning van dergelijke uitzendingen, zoals simulcasting en catchupdiensten. Exploitanten van doorgiftediensten, die uitzendingen van televisie- en radioprogramma’s bundelen in pakketten en deze tegelijkertijd met de eerste uitzending van die programma's ongewijzigd en integraal aan gebruikers aanbieden, maken gebruik van verschillende doorgiftetechnieken zoals kabel, satelliet, digitale ether, IP-netwerken in gesloten circuit of mobiele netwerken alsmede het open internet. Voorts beschikken exploitanten die televisie- en radioprogramma’s aan gebruikers distribueren over verschillende manieren om programmadragende signalen van omroeporganisaties te verkrijgen, onder meer door middel van directe injectie. Van de kant van de gebruikers is er een toenemende vraag naar toegang tot uitzendingen van televisie- en radioprogramma’s, niet alleen uit hun eigen lidstaat maar ook uit andere lidstaten. Die gebruikers omvatten leden van taalminderheden in de Unie en personen die in een andere lidstaat dan hun lidstaat van herkomst wonen.

(3)  ▌Omroeporganisaties zenden dagelijks een groot aantal uren televisie- en radioprogramma's uit. Die programma’s omvatten een waaier van inhoudelijke items zoals audiovisuele, muzikale, literaire of grafische werken die krachtens het recht van de Unie door auteursrechten en/of naburige rechten worden beschermd. Dit resulteert in een complex proces waarbij rechten worden vereffend van een groot aantal rechthebbenden en voor verschillende categorieën van werken en ander beschermd materiaal. Vaak moeten de rechten worden vereffend in een kort tijdsbestek, met name wanneer programma’s zoals nieuws- of actualiteitenprogramma’s worden klaargemaakt. Om hun onlinediensten over de grenzen heen ter beschikking te stellen moeten omroeporganisaties de vereiste rechten op werken en ander beschermd materiaal bezitten voor alle betrokken gebieden, hetgeen de vereffening van dergelijke rechten nog complexer maakt.

(4)  Exploitanten van doorgiftediensten bieden gewoonlijk meerdere programma’s aan waarin gebruik wordt gemaakt van een groot aantal werken en andere beschermde materialen en beschikken over een zeer korte termijn om de nodige licenties te verkrijgen; bijgevolg houdt het vereffenen van de rechten voor hen een zware last in. Daarnaast lopen auteurs, producenten en andere rechthebbenden het risico dat hun werken en andere beschermde materialen zonder toestemming of betaling van een passende vergoeding worden gebruikt. Een dergelijke vergoeding voor de doorgifte van hun werken en ander beschermd materiaal is belangrijk om een divers aanbod te waarborgen, wat ook in het belang van de consument is.

(5)  De rechten op werken en ander beschermd materiaal zijn geharmoniseerd bij inter alia Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) en Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad(5), die voor een hoog beschermingsniveau van rechthebbenden zorgen.

(6)  Richtlijn 93/83/EEG van de Raad(6) vergemakkelijkt grensoverschrijdende satellietomroep en doorgifte via de kabel van televisie- en radioprogramma’s uit andere lidstaten. De bepalingen van die richtlijn inzake uitzendingen van omroeporganisaties betreffen echter enkel uitzendingen via satelliet en zijn derhalve niet van toepassing op onlinediensten ter ondersteuning van uitzendingen. Voorts hebben bepalingen betreffende doorgifte van televisie- en radioprogramma’s uit andere lidstaten uitsluitend betrekking op de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte via de kabel of radiogolfsystemen en zijn zij niet van toepassing op doorgiften door middel van andere technologieën.

(7)  Daarom moeten de grensoverschrijdende verstrekking van onlinediensten ter ondersteuning van uitzendingen en de doorgifte van televisie- en radioprogramma’s uit andere lidstaten worden bevorderd door een aanpassing van het rechtskader inzake uitoefening van auteursrechten en naburige rechten dat betrekking heeft op deze activiteiten. Bij het doorvoeren van die aanpassing moet rekening gehouden worden met de financiering en de productie van creatieve inhoud, en met name van audiovisuele werken.

(8)  Deze richtlijn moet betrekking hebben op door een omroeporganisatie aangeboden ondersteunende onlinediensten die een duidelijke en ondergeschikte relatie hebben ten opzichte van de uitzendingen van de omroeporganisatie. Het gaat hierbij onder meer om diensten die op strikt lineaire wijze en gelijktijdig met de uitzending toegang geven tot radio- en televisieprogramma’s, en diensten die binnen een welbepaalde termijn na de uitzending toegang geven tot eerder door de omroeporganisatie uitgezonden televisie- en radioprogramma’s (zogenoemd "uitgesteld kijken" of "catchupdiensten"). Daarnaast bestaan de ondersteunende onlinediensten die onder deze richtlijn vallen ook uit diensten die toegang verlenen tot materiaal dat de door de omroeporganisatie uitgezonden radio- en televisieprogramma’s verrijkt of op een andere wijze uitbreidt, onder meer door middel van previews, uitbreidingen, aanvullingen of beoordelingen van de inhoud van het desbetreffende programma. Deze richtlijn moet van toepassing zijn op ondersteunende onlinediensten die door omroeporganisaties samen met de uitzending aan gebruikers worden verstrekt. Tevens moet de richtlijn van toepassing zijn op ondersteunende onlinediensten die, hoewel zij een duidelijke en ondergeschikte relatie met de uitzending hebben, afzonderlijk van de omroepdienst kunnen worden geraadpleegd zonder dat als voorwaarde geldt dat de gebruikers toegang moet worden verleend tot die omroepdienst, bijvoorbeeld middels een abonnement. Dit doet geen afbreuk aan de vrijheid van omroeporganisaties om dergelijke ondersteunende onlinediensten kosteloos of tegen betaling aan te bieden. Het verlenen van toegang tot individuele werken of andere beschermde materialen die in een televisie- of radioprogramma’s zijn opgenomen, of werken of andere beschermde materialen die geen verband houden met een door de omroeporganisatie uitgezonden programma, zoals diensten die toegang verlenen tot individuele muziekstukken of audiovisuele werken, muziekalbums of video's, bijvoorbeeld via video-on-demanddiensten, mogen niet onder het toepassingsgebied vallen van de diensten waarop deze richtlijn betrekking heeft.

(9)  Om de vereffening van rechten voor het leveren van ondersteunende onlinediensten over de grenzen heen te vergemakkelijken dient het oorsprongslandbeginsel te worden voorgeschreven, wat betreft de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten die van toepassing zijn voor feiten die bij de verstrekking van, de toegang tot of het gebruik van een ondersteunende onlinedienst plaatsvinden. Onder dit beginsel moet de vereffening vallen van alle rechten die nodig zijn om een omroeporganisatie in staat te stellen haar programma's aan het publiek mede te delen of beschikbaar te stellen bij het leveren van ondersteunende onlinediensten, met inbegrip van de vereffening van alle auteursrechten en naburige rechten in werken of ander beschermd materiaal die gebruikt worden in programma’s, zoals de rechten in fonogrammen of uitvoeringen. Dit oorsprongslandbeginsel moet uitsluitend gelden voor de relatie tussen rechthebbenden (of entiteiten die rechthebbenden vertegenwoordigen, zoals organisaties voor collectief beheer) en omroeporganisaties, en uitsluitend voor de levering van, de toegang tot of het gebruik van een ondersteunende onlinedienst. Het oorsprongslandbeginsel mag niet gelden voor iedere volgende mededeling aan het publiek van werken of andere beschermde materialen of iedere daaropvolgende beschikbaarstelling aan het publiek, per draad of draadloos, op zodanige wijze dat zij voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, noch voor een daaropvolgende reproductie van de werken die of het andere beschermde materiaal dat vervat is in de ondersteunende onlinedienst.

(10)  Gezien de specifieke kenmerken van de financierings- en licentiemechanismen voor bepaalde audiovisuele werken, die vaak gebaseerd zijn op exclusieve territoriale licenties, is het passend, wat televisieprogramma’s betreft, het toepassingsgebied van het in deze richtlijn vervatte oorsprongslandbeginsel te beperken tot bepaalde categorieën programma’s. Tot die categorieën moeten nieuws- en actualiteitenprogramma’s behoren alsook de eigen producties van een omroeporganisatie die uitsluitend door haarzelf gefinancierd zijn, ook indien de fondsen die de omroeporganisatie daarvoor gebruikt afkomstig kunnen zijn uit overheidsmiddelen. Voor de toepassing van deze richtlijn moet onder "eigen producties" van omroeporganisaties worden verstaan producties die worden uitgevoerd door een omroeporganisatie met gebruikmaking van eigen middelen, met uitzondering van producties die in opdracht van de omroeporganisatie geproduceerd worden door van de omroeporganisatie onafhankelijke producenten, en van coproducties. Om diezelfde redenen mag het oorsprongslandbeginsel niet gelden voor televisie-uitzendingen van sportevenementen die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen. Het oorsprongslandbeginsel mag enkel gelden wanneer programma’s gebruikt worden voor de eigen ondersteunende onlinediensten van de omroeporganisatie. Het mag niet van toepassing zijn op het in licentie geven van eigen producties van een omroeporganisatie aan derden, waaronder andere omroeporganisaties. Het oorsprongslandbeginsel mag de vrijheid van rechthebbenden en omroeporganisaties niet aantasten om, in overeenstemming met het Unierecht, beperkingen, waaronder geografische beperkingen, van de exploitatie van hun rechten overeen te komen.

(11)  Het in deze richtlijn bepaalde oorsprongslandbeginsel mag geen enkele verplichting in het leven roepen voor omroeporganisaties om in hun ondersteunende onlinediensten programma’s aan het publiek mede te delen of beschikbaar te stellen of dergelijke ondersteunende onlinediensten te leveren in een andere lidstaat dan de lidstaat waar zij hun hoofdvestiging hebben.

(12)  Aangezien de verstrekking van, de toegang tot of het gebruik van een ondersteunende onlinedienst krachtens deze richtlijn geacht wordt uitsluitend plaats te vinden in de lidstaat waar de omroeporganisatie haar hoofdvestiging heeft, terwijl de ondersteunende onlinedienst de facto over de grenzen heen in andere lidstaten kan worden aangeboden, moet worden gegarandeerd dat de partijen bij het bepalen van het bedrag van de betalingen voor de betrokken rechten, rekening houden met alle aspecten van de ondersteunende onlinedienst, zoals de kenmerken van de dienst, waaronder de duur van de onlinebeschikbaarheid van de in die dienst verstrekte programma's, het kijkers- en luisteraarspubliek, inclusief het publiek in de lidstaat waar de omroeporganisatie haar hoofdvestiging heeft, en in andere lidstaten waar de toegang tot en het gebruik van de ondersteunende onlinedienst plaatsvindt, alsook de verstrekte taalversies. Niettemin moet ook in de toekomst gebruik kunnen worden gemaakt van specifieke methoden voor de berekening van het bedrag van de betalingen voor de rechten die onder het oorsprongslandbeginsel vallen, zoals methoden op basis van de door de onlinedienst gegenereerde inkomsten van de omroeporganisatie, die met name gebruikt worden door radio-omroepen.

(13)  Wegens het beginsel van contractuele vrijheid blijft het mogelijk de exploitatie te beperken van de rechten die onder het in deze richtlijn bepaalde oorsprongslandbeginsel vallen, op voorwaarde dat een dergelijke beperking in overeenstemming is met het recht van de Unie.

(14)  Exploitanten van doorgiftediensten kunnen van verschillende technologieën gebruikmaken wanneer zij een eerste uitzending van televisie- of radioprogramma’s gelijktijdig, ongewijzigd en integraal voor ontvangst door het publiek uit een andere lidstaat doorgeven ▌. Exploitanten van doorgiftediensten van programmadragende signalen van omroeporganisaties die zelf die signalen doorgeven aan het publiek kunnen deze signalen op verschillende manieren verkrijgen van omroeporganisaties, bijvoorbeeld door uitgezonden signalen van omroeporganisaties op te vangen of rechtstreeks van hen de signalen te ontvangen via het technische proces van directe injectie. De diensten van dergelijke exploitanten kunnen via satelliet, digitale ether, IP-netwerken met gesloten circuits, mobiele en soortgelijke netwerken worden aangeboden of via internettoegangsdiensten in de zin van Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad(7). Exploitanten van doorgiftediensten die dergelijke technologieën voor hun doorgifte gebruiken moeten derhalve binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en gebruik kunnen maken van het mechanisme dat verplicht collectief beheer van rechten invoert. Om te zorgen voor voldoende bescherming tegen ongeoorloofd gebruik van werken en ander beschermd materiaal, wat met name belangrijk is in geval van betaalde diensten, moeten doorgiftediensten die via internettoegangsdiensten worden aangeboden, uitsluitend onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen wanneer deze doorgiftediensten worden geleverd in een omgeving waar alleen gemachtigde gebruikers toegang hebben tot de doorgifte en het niveau van de beveiliging van de inhoud vergelijkbaar is met het niveau van beveiliging van inhoud die wordt doorgegeven via gecontroleerde netwerken, zoals kabel of gesloten IP-netwerken, waarin doorgegeven inhoud versleuteld is. Die voorschriften moeten kunnen worden nageleefd en adequaat zijn.

(15)  Om eerste uitzendingen van televisie- en radioprogramma’s te kunnen doorgeven moeten exploitanten van doorgiftediensten toestemming verkrijgen van de houders van het exclusieve recht van mededeling aan het publiek van werken of ander beschermd materiaal. Om rechtszekerheid te verlenen aan de exploitanten van doorgiftediensten ▌en om verschillen in nationaal recht met betrekking tot dergelijke doorgiftediensten te ondervangen, moeten voorschriften gelden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor de doorgifte via de kabel in de zin van Richtlijn 93/83/EEG. Een van de voorschriften die gelden krachtens die richtlijn is de verplichting dat het recht om een exploitant van een doorgiftedienst toestemming te verlenen dan wel te weigeren wordt uitgeoefend via een organisatie voor collectief beheer. Op grond van deze regels wordt aan het recht als zodanig om toestemming te verlenen of te weigeren niet geraakt, en wordt uitsluitend de uitoefening van dat recht in bepaalde mate gereguleerd. De rechthebbenden moeten een passende vergoeding krijgen voor de doorgifte van hun werken en ander beschermd materiaal. Bij het bepalen van redelijke licentievoorwaarden, met inbegrip van de licentievergoeding, voor een doorgifte overeenkomstig Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad(8), moet onder meer de economische waarde van het gebruik van de rechten in het handelsverkeer, met inbegrip van de aan de doorgiftemiddelen toegewezen waarde, in aanmerking worden genomen. Dit mag geen afbreuk doen aan de collectieve uitoefening van het recht van uitvoerende kunstenaars en producenten van fonogrammen op een enkele billijke vergoeding voor de mededeling aan het publiek van commerciële fonogrammen, zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 2006/115/EG, of aan Richtlijn 2014/26/EU, en met name de bepalingen van laatstgenoemde richtlijn die betrekking hebben op rechten van rechthebbenden betreffende de keuze van een organisatie voor collectief beheer.

(16)  Deze richtlijn moet het mogelijk maken dat het toepassingsgebied van overeenkomsten tussen een organisatie voor collectief beheer en exploitanten van doorgiftediensten over de rechten die krachtens deze richtlijn aan verplicht collectief beheer zijn onderworpen, wordt uitgebreid tot de rechten van rechthebbenden die niet vertegenwoordigd worden door die organisatie voor collectief beheer, zonder dat die rechthebbenden de mogelijkheid hebben hun werken of ander materiaal van de toepassing van dit mechanisme uit te sluiten. Ingeval er voor zijn grondgebied meer dan één organisatie voor collectief beheer rechten van de betreffende categorie beheert, moet het de lidstaat zijn voor het grondgebied waarvan de exploitant van een doorgiftedienst rechten voor een doorgifte wenst te vereffenen, die besluit welke organisatie(s) voor collectief beheer gerechtigd is of zijn om al dan niet toestemming voor een doorgifte te verlenen.

(17)  Rechten die omroeporganisaties zelf bezitten ten aanzien van hun uitzendingen, met inbegrip van rechten op de inhoud van de programma's, mogen niet onderworpen zijn aan het verplicht collectief beheer van rechten dat voor de doorgifte geldt. Exploitanten van doorgiftediensten en omroeporganisaties onderhouden over het algemeen doorlopend commerciële betrekkingen en bijgevolg is de identiteit van omroeporganisaties bekend bij exploitanten van doorgiftediensten. Daardoor is het voor die exploitanten relatief eenvoudig de rechten te vereffenen met omroeporganisaties. Als gevolg daarvan ondervinden exploitanten van doorgiftediensten, voor het verkrijgen van de nodige licenties van omroeporganisaties niet dezelfde moeilijkheden als wanneer zij licenties proberen te verkrijgen van houders van rechten op werken of andere beschermde materialen die zijn opgenomen in televisie- en radioprogramma’s die zij doorgeven. Daarom is er geen behoefte aan vereenvoudiging van de licentieprocedure ten aanzien van rechten die omroeporganisaties bezitten. Het is echter nodig ervoor te zorgen dat omroeporganisaties en exploitanten van doorgiftediensten die onderhandelingen aangaan, de onderhandelingen over licentieverlening van rechten van doorgifte in het kader van deze richtlijn te goeder trouw voeren. Richtlijn 2014/26/EU voorziet in soortgelijke regels voor organisaties voor collectief beheer.

(18)  De in deze richtlijn vastgestelde regels inzake de door de omroeporganisaties uitgeoefende doorgifterechten met betrekking tot hun eigen uitzendingen, mogen geen beperking vormen voor de keuze van rechthebbenden om hun rechten ofwel aan een omroeporganisatie ofwel aan een organisatie voor collectief beheer over te dragen en hun aldus toe te staan een rechtstreeks aandeel in de door de exploitant van een doorgiftedienst betaalde vergoeding te verkrijgen.

(19)  De lidstaten moeten de bepalingen inzake doorgifte van deze richtlijn en van Richtlijn 93/83/EEG kunnen toepassen op situaties waarin zowel de eerste uitzending als de doorgifte op hun grondgebied plaatsvinden.

(20)  Teneinde rechtszekerheid te waarborgen en een hoog niveau van bescherming van rechthebbenden te handhaven, is het passend te bepalen dat, indien omroeporganisaties via directe injectie hun programmadragende signalen uitsluitend overbrengen aan de distributeurs van signalen, zonder dat zijzelf hun programma's gelijktijdig naar het publiek uitzenden, en de distributeurs van signalen die programmadragende signalen aan hun gebruikers verzenden zodat die de programma’s kunnen bekijken of beluisteren, er slechts van een enkele handeling van mededeling aan het publiek geacht wordt sprake te zijn, waaraan zowel de omroeporganisaties als de distributeurs van signalen met hun respectieve bijdragen deelnemen. De omroeporganisaties en de distributeurs van signalen moeten derhalve van de rechthebbenden toestemming verkrijgen voor hun specifieke bijdrage aan de enkele handeling van mededeling aan het publiek. De deelname van een omroeporganisatie en een distributeur van signalen in die enkele handeling van mededeling aan het publiek mag geen aanleiding geven tot gezamenlijke aansprakelijkheid van de omroeporganisatie en de distributeur van signalen voor die handeling van mededeling aan het publiek. De lidstaten moeten de vrijheid behouden om op nationaal niveau de modaliteiten vast te leggen voor het verkrijgen van toestemming voor een dergelijke enkele handeling van mededeling aan het publiek, met inbegrip van de betreffende betalingen aan de rechthebbenden, waarbij zij rekening houden met de respectieve exploitatie van de werken en ander beschermd materiaal door de omroeporganisaties en de distributeurs van signalen in verband met de enkele handeling van mededeling aan het publiek. Distributeurs van signalen worden op dezelfde wijze als exploitanten van doorgiftediensten geconfronteerd met aanzienlijke lasten in verband met vereffening van rechten, behalve wat betreft de door omroeporganisaties gehouden rechten. Bijgevolg moeten de lidstaten kunnen bepalen dat distributeurs van signalen ook gebruik kunnen maken van een mechanisme van verplicht collectief beheer van rechten voor hun uitzendingen, op dezelfde wijze en in dezelfde mate als exploitanten van doorgiftediensten voor onder Richtlijn 93/83/EEG en deze richtlijn vallende doorgifte. In het geval dat distributeurs van signalen louter “technische middelen” verstrekken aan omroeporganisaties, in de zin van de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, om te waarborgen dat de uitzending wordt ontvangen of de ontvangst ervan te verbeteren, mogen de distributeurs van signalen niet worden geacht deel te nemen aan een handeling van mededeling aan het publiek.

(21)  Wanneer omroeporganisaties hun programmadragende signalen rechtstreeks aan het publiek uitzenden, en daarmee een eerste uitzending verrichten, en tegelijkertijd die signalen doorgeven aan andere organisaties via het technische proces van directe injectie, bijvoorbeeld om de kwaliteit van de signalen voor doorgiftedoeleinden te waarborgen, vormt de doorgifte door deze andere organisaties een afzonderlijke handeling van mededeling aan het publiek die zich onderscheidt van die door de omroeporganisatie. In die situaties moeten de voorschriften inzake doorgifte in deze richtlijn en in Richtlijn 93/83/EEG, zoals gewijzigd bij deze richtlijn, van toepassing zijn.

(22)  Om te zorgen voor een efficiënt collectief beheer van rechten en correcte verdeling van de inkomsten die in het kader van het bij deze richtlijn ingestelde verplichte collectieve beheersmechanisme worden geïnd, is het van belang dat organisaties voor collectief beheer een goede administratie bijhouden van het lidmaatschap, de licenties en het gebruik van werken en ander beschermd materiaal, in overeenstemming met de transparantieverplichtingen als bedoeld in Richtlijn 2014/26/EU.

(23)  Om te voorkomen dat de toepassing van het oorsprongslandbeginsel wordt omzeild door de looptijd te verlengen van de bestaande overeenkomsten betreffende de uitoefening van de auteursrechten en naburige rechten die van belang zijn voor de verstrekking van een ondersteunende onlinedienst alsmede voor de toegang tot of het gebruik van die dienst, dient het oorsprongslandbeginsel ook op bestaande overeenkomsten te worden toegepast, maar dan met een overgangsperiode. Tijdens die overgangsperiode mag het beginsel niet van toepassing zijn op die bestaande overeenkomsten, hetgeen, indien nodig, de tijd geeft om die overeenkomsten overeenkomstig deze richtlijn aan te passen. Er moet ook worden voorzien in een overgangsperiode om omroeporganisaties, distributeurs van signalen en rechthebbenden in staat te stellen zich aan te passen aan de nieuwe voorschriften inzake de exploitatie van werken en ander beschermd materiaal via directe injectie, zoals vastgelegd in de bepalingen van deze richtlijn betreffende de uitzending van programma’s via directe injectie.

(24)   Nadat de richtlijn gedurende een bepaalde termijn van kracht is geweest, moet zij, met inbegrip van de bepalingen inzake directe injectie, in overeenstemming met de beginselen van betere regelgeving aan een evaluatie worden onderworpen om onder meer te beoordelen wat de voordelen ervan zijn voor de consumenten in de Unie, wat de impact ervan is op de creatieve sectoren in de Unie en op het investeringsniveau in nieuwe inhoud en dus ook welke voordelen zijn gerealiseerd op het gebied van een grotere culturele diversiteit in de Unie.

(25)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend. Aangezien deze richtlijn kan leiden tot een inmenging in de uitoefening van de rechten van rechthebbenden, voor zover verplicht collectief beheer plaatsvindt voor de uitoefening van het recht van mededeling aan het publiek met betrekking tot doorgiftediensten, dient de toepassing van verplicht collectief beheer op gerichte wijze te worden voorgeschreven voor en beperkt te worden tot specifieke diensten ▌.

(26)  Daar de doelstellingen van deze richtlijn, namelijk het bevorderen van de grensoverschrijdende verstrekking van ondersteunende onlinediensten voor bepaalde soorten programma's en het vergemakkelijken van de doorgifte van televisie- en radioprogramma's uit andere lidstaten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken. Wat de grensoverschrijdende verlening van ondersteunende onlinediensten betreft, verplicht deze richtlijn omroeporganisaties er niet toe dergelijke diensten over de grenzen heen aan te bieden. Evenmin verplicht deze richtlijn exploitanten van doorgiftediensten in hun diensten televisie- of radioprogramma’s uit andere lidstaten op te nemen. Deze richtlijn betreft alleen de uitoefening van bepaalde doorgifterechten voor zover dit nodig is om het verlenen van licenties van auteursrechten en naburige rechten voor dergelijke diensten te vereenvoudigen en met betrekking tot televisie- en radioprogramma’s uit andere lidstaten.

(27)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(9) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

In deze richtlijn worden regels vastgesteld die tot doel hebben de grensoverschrijdende toegang tot meer televisie- en radioprogramma’s te vergroten, door de vereffening te vergemakkelijken van de rechten voor het verlenen van onlinediensten ter ondersteuning van de uitzendingen van bepaalde soorten televisie- en radioprogramma’s en voor de doorgifte van televisie- en radioprogramma’s. In de richtlijn worden ook regels vastgesteld voor de uitzending van televisie- en radioprogramma’s via het proces van directe injectie.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

1)  "ondersteunende onlinedienst": een onlinedienst bestaande in het aanbieden aan het publiek, door of onder controle en verantwoordelijkheid van een omroeporganisatie, van televisie- of radioprogramma’s gelijktijdig met of voor een bepaalde periode na de uitzending ervan door de omroeporganisatie, alsmede van ▌materiaal dat een ondersteuning vormt voor die uitzending;

2)  "doorgifte": de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, anders dan de doorgifte via de kabel als bepaald in Richtlijn 93/83/EEG ▌, die bedoeld is voor ontvangst door het publiek van een eerste uitzending uit een andere lidstaat, ▌van televisie- of radioprogramma’s die voor ontvangst door het publiek zijn bedoeld, wanneer deze eerste uitzending wordt verricht per draad of via de ether, met inbegrip van satellietuitzending, maar niet via online-uitzending, mits:

a)  de doorgifte wordt verricht door een andere partij dan de omroeporganisatie die de eerste uitzending heeft gedaan of onder controle of verantwoordelijkheid waarvan die eerste uitzending plaatsvond, ongeacht de wijze waarop de partij die de doorgifte verricht de programmadragende signalen van de omroeporganisatie met het oog op doorgifte verkrijgt, en

b)  indien de doorgifte via een internettoegangsdienst als gedefinieerd in artikel 2, tweede alinea, punt 2, van Verordening (EU) 2015/2120 geschiedt, zij in een beheerde omgeving wordt verricht;

3)  "beheerde omgeving": een omgeving waarin een exploitant van een doorgiftedienst een beveiligde doorgifte verricht aan bevoegde gebruikers;

4)  "directe injectie": een technisch proces waarin een omroeporganisatie haar programmadragende signalen overbrengt aan een organisatie die geen omroeporganisaties is, op zodanige wijze dat de programmadragende signalen tijdens die overbrenging niet toegankelijk zijn voor het publiek.

HOOFDSTUK II

ONDERSTEUNENDE ONLINEDIENSTEN VAN OMROEPORGANISATIES

Artikel 3

Toepassing van het oorsprongslandbeginsel op ondersteunende onlinediensten

1.  De handelingen van mededeling aan het publiek van werken of ander beschermd materiaal, per draad of draadloos, en van beschikbaarstelling aan het publiek van werken of ander beschermd materiaal, op zodanige wijze dat deze voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk zijn, die plaatsvinden bij het verstrekken aan het publiek van:

a)  radioprogramma's, en

b)  televisieprogramma's die:

i)  nieuws- en actualiteitenprogramma’s betreffen, of

ii)  volledig door de omroeporganisatie zijn gefinancierd

in een ondersteunende onlinedienst door of onder controle en verantwoordelijkheid van een omroeporganisatie, en de handelingen tot reproductie van dergelijke werken of dergelijk ander beschermd materiaal die noodzakelijk zijn voor de verlening van, de toegang tot of het gebruik van een dergelijke onlinedienst voor dezelfde programma's, worden voor de uitoefening van de auteursrechten en naburige rechten die relevant zijn voor deze handelingen, geacht uitsluitend plaats te vinden in de lidstaat waar de omroeporganisatie haar hoofdvestiging heeft.

Punt b) van de eerste alinea is niet van toepassing op de uitzendingen van sportevenementen en werken en ander beschermd materiaal die daarin opgenomen zijn.

2.  De lidstaten dragen er zorg voor dat bij de vaststelling van het bedrag van de betalingen voor de rechten waarvoor het in lid 1 bepaalde oorsprongslandbeginsel geldt, de partijen rekening houden met alle aspecten van de ondersteunende onlinedienst, zoals kenmerken van die dienst, waaronder de duur van de onlinebeschikbaarheid van de in die dienst aangeboden programma's, het luisteraars- of kijkerspubliek en de aangeboden taalversies.

De eerste alinea staat er niet aan in de weg dat het bedrag van de betalingen wordt berekend op basis van de inkomsten van de omroeporganisatie.

3.  Het in lid 1 bepaalde oorsprongslandbeginsel doet geen afbreuk aan de contractuele vrijheid van rechthebbenden en omroeporganisaties om, in overeenstemming met het Unierecht, de exploitatie van dergelijke rechten, met inbegrip van die uit hoofde van Richtlijn 2001/29/EG, te beperken.

HOOFDSTUK III

DOORGIFTE VAN TELEVISIE- EN RADIOPROGRAMMA’S

Artikel 4

Uitoefening van de rechten bij doorgifte door andere rechthebbenden dan omroeporganisaties

1.  Handelingen van doorgifte van programma’s zijn onderworpen aan de toestemming van de houders van het exclusieve recht op mededeling aan het publiek.

De lidstaten dragen er zorg voor dat rechthebbenden hun rechten om al dan niet toestemming voor een doorgifte te verlenen alleen kunnen uitoefenen via een organisatie voor collectief beheer.

2.  Indien een rechthebbende het beheer van het in lid 1, tweede alinea, bedoelde recht niet aan een organisatie voor collectief beheer heeft overgedragen, wordt de organisatie voor collectief beheer die rechten van dezelfde categorie beheert voor het grondgebied van de lidstaat waarvoor de exploitant van een doorgiftedienst rechten voor een doorgifte wenst te vereffenen, geacht gerechtigd te zijn om namens deze rechthebbende de doorgifte toe te staan of te weigeren.

Indien echter meer dan één organisatie voor collectief beheer de rechten van die categorie beheert voor het grondgebied van die lidstaat, ▌besluit de lidstaat voor het grondgebied waarvan de exploitant van een doorgiftedienst rechten voor een doorgifte wenst te vereffenen, welke organisatie(s) voor collectief beheer gerechtigd is of zijn om een doorgifte toe te staan of te weigeren.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat een rechthebbende dezelfde rechten en plichten heeft uit een overeenkomst tussen een exploitant van een doorgiftedienst en de organisatie(s) voor collectief beheer die overeenkomstig lid 2 handelen, als de rechthebbenden die het beheer van hun rechten aan deze organisatie(s) voor collectief beheer hebben overgedragen. De lidstaten zorgen er tevens voor dat die rechthebbende deze rechten kan doen gelden binnen een termijn die door de betrokken lidstaat wordt vastgesteld en die niet korter mag zijn dan drie jaar vanaf de datum van de doorgifte die hun werk of een ander beschermd materiaal omvat.

Artikel 5

Uitoefening door omroeporganisaties van de rechten op doorgifte

1.  De lidstaten dragen er zorg voor dat artikel 4 niet van toepassing is op de rechten bij doorgifte die door een omroeporganisatie worden uitgeoefend met betrekking tot haar eigen uitzendingen, ongeacht of het om haar eigen rechten gaat dan wel of deze haar door andere rechthebbenden zijn overgedragen.

2.  De lidstaten schrijven voor dat wanneer omroeporganisaties en exploitanten van de doorgiftediensten in het kader van deze richtlijn onderhandelingen over toestemming voor doorgifte aangaan, deze onderhandelingen te goeder trouw worden gevoerd.

Artikel 6

Bemiddeling

De lidstaten zorgen ervoor dat op de bijstand van een of meer bemiddelaars als bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 93/83/EEG een beroep kan worden gedaan wanneer er geen overeenkomst is gesloten tussen de organisatie voor collectief beheer en de exploitant van een doorgiftedienst of tussen de exploitant van een doorgiftedienst en de omroeporganisatie, betreffende de toestemming voor doorgifte van uitzendingen.

Artikel 7

Doorgifte van een uit dezelfde lidstaat afkomstige eerste uitzending

De lidstaten kunnen voorschrijven dat de bepalingen van dit hoofdstuk en van hoofdstuk III van Richtlijn 93/83/EEG van toepassing zijn op situaties waarin zowel de eerste uitzending als de doorgifte op hun grondgebied plaatsvinden.

HOOFDSTUK IV

UITZENDING VAN PROGRAMMA’S VIA DIRECTE INJECTIE

Artikel 8

Uitzending van programma’s via directe injectie

1.  Indien een omroeporganisatie haar programmadragende signalen via directe injectie aan een distributeur van signalen overbrengt, zonder dat zijzelf deze programmadragende signalen gelijktijdig en direct uitzendt naar het publiek, en de distributeur van signalen deze programmadragende signalen aan het publiek uitzendt, worden de omroeporganisatie en de distributeur van signalen geacht samen één enkele handeling van mededeling aan het publiek te verrichten, waarvoor zij toestemming van de rechthebbenden verkrijgen. De lidstaten kunnen voorzien in modaliteiten voor het verkrijgen van toestemming van rechthebbenden.

2.  De lidstaten kunnen bepalen dat de artikelen 4, 5 en 6 van deze richtlijn van overeenkomstige toepassing zijn op de uitoefening door rechthebbenden van het recht om aan distributeurs van signalen al dan niet toestemming te verlenen voor de in lid 1 bedoelde uitzending door middel van een van de technische middelen als bedoeld in artikel 1, lid 3, van Richtlijn 93/83/EEG of artikel 2, punt 2, van deze richtlijn.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALINGEN

Artikel 9

Wijziging van Richtlijn 93/83/EEG

In artikel 1 van Richtlijn 93/83/EEG wordt lid 3 vervangen door:"

"3. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder "doorgifte via de kabel": de gelijktijdige, ongewijzigde en integrale doorgifte, door middel van een kabel- of microgolfsysteem aan het publiek, van een eerste uitzending uit een andere lidstaat, al dan niet via de ether, ook per satelliet, van radio- of televisieprogramma's die voor ontvangst door het publiek bestemd zijn, ongeacht de wijze waarop de exploitant van een doorgiftedienst via de kabel de programmadragende signalen van de omroeporganisatie met het oog op doorgifte verkrijgt.".

"

Artikel 10

Evaluatie

1.  Uiterlijk ... [6 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn en brengt zij aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de belangrijkste bevindingen. Het verslag wordt gepubliceerd en op de website van de Commissie bekendgemaakt.

2.  De lidstaten verstrekken de Commissie tijdig de relevante en nodige gegevens voor het opstellen van het in lid 1 bedoelde verslag.

Artikel 11

Overgangsbepaling

Op overeenkomsten over de uitoefening van auteursrechten en naburige rechten voor handelingen van mededeling aan het publiek van werken of ander beschermd materiaal, per draad of draadloos, en de beschikbaarstelling aan het publiek van werken of ander beschermd materiaal, al dan niet draadloos, op zodanige wijze dat werken en ander materiaal voor leden van het publiek op een door hen individueel gekozen plaats en tijd toegankelijk kunnen zijn, die plaatsvinden bij het verstrekken van een ondersteunende onlinedienst en handelingen van reproductie die noodzakelijk zijn voor de verlening van, de toegang tot of het gebruik van een dergelijke ondersteunende onlinedienst, die van kracht zijn op ... [2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn], is artikel 3 van toepassing met ingang van ... [4 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] indien deze overeenkomsten na die datum verstrijken.

Op toestemming die verkregen is voor handelingen van mededeling aan het publiek en welke binnen het toepassingsgebied van artikel 8 valt en die van kracht is op ... [2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] is artikel 8 van toepassing met ingang van ... [6 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] indien deze toestemming na die datum verstrijkt.

Artikel 12

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk ... [2 jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 14

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 125 van 21.4.2017, blz. 27.
(2)PB C 125 van 21.4.2017, blz. 27.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 28 maart 2019.
(4)Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167 van 22.6.2001, blz. 10).
(5)Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (PB L 376 van 27.12.2006, blz. 28).
(6)Richtlijn 93/83/EEG van de Raad van 27 september 1993 tot coördinatie van bepaalde voorschriften betreffende het auteursrecht en naburige rechten op het gebied van de satellietomroep en de doorgifte via de kabel (PB L 248 van 6.10.1993, blz. 15).
(7) Verordening (EU) 2015/2120 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 tot vaststelling van maatregelen betreffende open-internettoegang en tot wijziging van Richtlijn 2002/22/EG inzake de universele dienst en gebruikersrechten met betrekking tot elektronische-communicatienetwerken en -diensten en Verordening (EU) nr. 531/2012 betreffende roaming op openbare mobielecommunicatienetwerken binnen de Unie (PB L 310 van 26.11.2015, blz. 1).
(8)Richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 72).
(9) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


Vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) ***I
PDF 303kWORD 96k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het programma Creatief Europa (2021-2027) en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1295/2013 (COM(2018)0366 – C8-0237/2018 – 2018/0190(COD))
P8_TA-PROV(2019)0323A8-0156/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0366),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 167, lid 5, en artikel 173, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0237/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 6 februari 2019(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie cultuur en onderwijs en het advies van de Begrotingscommissie (A8-0156/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Vanuit cultureel, ecologisch, sociaal en economisch standpunt hebben cultuur, cultureel erfgoed en culturele verscheidenheid een grote waarde voor de Europese samenleving, en zij moeten worden bevorderd en ondersteund. Volgens de verklaring van Rome van 25 maart 2017 en de Europese Raad in december 2017 vervullen onderwijs en cultuur een sleutelrol bij het opbouwen van inclusieve, hechte samenlevingen voor iedereen en bij het behoud van het Europese concurrentievermogen.
(1)  Vanuit cultureel, educatief, democratisch, ecologisch, sociaal, economisch en mensenrechtenstandpunt hebben cultuur, kunst, cultureel erfgoed en culturele verscheidenheid een grote waarde voor de Europese samenleving, en zij moeten worden bevorderd en ondersteund. Volgens de verklaring van Rome van 25 maart 2017 en de Europese Raad in december 2017 vervullen onderwijs en cultuur een sleutelrol bij het opbouwen van inclusieve, hechte samenlevingen voor iedereen en bij het behoud van het Europese concurrentievermogen.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de waarden waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. Die waarden zijn verder bevestigd en uitgesproken in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft, zoals vermeld in artikel 6 van het VEU.
(2)  Overeenkomstig artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) zijn de waarden waarop de Unie berust, eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten, waaronder de rechten van personen die tot minderheden behoren. Deze waarden hebben de lidstaten gemeen in een samenleving die gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid, solidariteit en gelijkheid van vrouwen en mannen. Die waarden zijn verder bevestigd en uitgesproken in de rechten, vrijheden en beginselen die zijn vastgelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest), dat dezelfde juridische waarde als de Verdragen heeft, zoals vermeld in artikel 6 van het VEU. In het bijzonder zijn in artikel 11 van het Handvest de vrijheid van meningsuiting en van informatie en in artikel 13 van het Handvest de vrijheid van kunsten en wetenschappen verankerd.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  In de mededeling van de Commissie betreffende een nieuwe agenda voor cultuur15 zijn de doelstellingen van de Unie voor de culturele en creatieve sectoren verder uiteen gezet. Het doel is om de mogelijkheden van cultuur en culturele verscheidenheid te benutten ten behoeve van sociale cohesie en welzijn, de grensoverschrijdende dimensie van culturele en creatieve sectoren te stimuleren, de groeicapaciteiten te ondersteunen, op cultuur gebaseerde creativiteit in onderwijs en innovatie aan te moedigen, werkgelegenheid en groei mogelijk te maken en internationale culturele betrekkingen te versterken. Creatief Europa moet samen met andere programma's van de Unie steun bieden aan de uitvoering van deze nieuwe Europese agenda voor cultuur. Dit is eveneens in overeenstemming met het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 18 maart 2017 in werking is getreden en waarbij de Unie partij is.
(4)  In de mededeling van de Commissie betreffende een nieuwe agenda voor cultuur15 zijn de doelstellingen van de Unie voor de culturele en creatieve sectoren verder uiteengezet. Het doel is om de mogelijkheden van cultuur en culturele verscheidenheid te benutten ten behoeve van sociale cohesie en welzijn, de grensoverschrijdende dimensie van culturele en creatieve sectoren te stimuleren, de groeicapaciteiten te ondersteunen, op cultuur gebaseerde creativiteit in onderwijs en innovatie aan te moedigen, werkgelegenheid en groei mogelijk te maken en internationale culturele betrekkingen te versterken. Creatief Europa moet samen met andere programma's van de Unie steun bieden aan de uitvoering van deze nieuwe Europese agenda voor cultuur, rekening houdend met het feit dat de intrinsieke waarde van cultuur en van artistieke expressie altijd moet worden beschermd en bevorderd, en dat de artistieke creatie de kern van samenwerkingsprojecten vormt. Het ondersteunen van de uitvoering van deze nieuwe Europese agenda voor cultuur is eveneens in overeenstemming met het Unesco-Verdrag van 2005 betreffende de bescherming en de bevordering van de diversiteit van cultuuruitingen, dat op 18 maart 2017 in werking is getreden en waarbij de Unie partij is.
__________________
__________________
15 COM(2018)0267.
15 COM(2018)0267.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  De beleidsmaatregelen van de Unie vormen een aanvulling op en bieden een toegevoegde waarde aan de maatregelen van de lidstaten op cultureel en creatief gebied. Het effect van het beleid van de Unie moet regelmatig worden beoordeeld met inachtneming van kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, zoals de voordelen voor de burgers, de actieve deelname van burgers, de voordelen voor de economie van de Unie op het stuk van groei en werkgelegenheid en de overloopeffecten in andere sectoren van de economie, alsmede de vaardigheden en bekwaamheden van de mensen die werkzaam zijn in de culturele en creatieve sectoren.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  De instandhouding en ontwikkeling van het Europese culturele erfgoed zijn doelstellingen van dit programma. Deze doelstellingen zijn ook erkend als zijnde inherent aan het recht op kennis van het cultureel erfgoed en deelname aan het culturele leven, zoals verankerd in het Kaderverdrag van de Raad van Europa over de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving (Verdrag van Faro), dat op 1 juni 2011 in werking trad. In dit verdrag wordt de rol van cultureel erfgoed onderstreept in de opbouw van een vreedzame en democratische samenleving, en in de processen van duurzame ontwikkeling en de bevordering van de culturele diversiteit.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  Bevordering van de Europese culturele verscheidenheid hangt af van het bestaan van bloeiende en veerkrachtige culturele en creatieve sectoren, die werken kunnen creëren, produceren en verspreiden naar een groot en divers Europees publiek. Zodoende wordt bedrijfspotentieel uitgebreid en wordt bijgedragen aan duurzame groei en nieuwe werkgelegenheid. Daarnaast draagt de bevordering van creativiteit bij aan een sterker concurrentievermogen en de stimulering van innovatie in de industriële waardeketens. Ondanks de recentelijk geboekte vooruitgang blijft de Europese culturele en creatieve markt versnipperd langs nationale en taalkundige lijnen, waardoor de culturele en creatieve sectoren niet ten volle kunnen profiteren van de Europese eengemaakte markt, en in het bijzonder van de digitale eengemaakte markt.
(5)  Bevordering van de Europese culturele verscheidenheid en van het bewustzijn van gemeenschappelijke wortels is gebaseerd op de vrijheid van artistieke expressie, de capaciteiten en bekwaamheden van artiesten en culturele actoren en het bestaan van bloeiende en veerkrachtige culturele en creatieve sectoren in het openbare en particuliere domein en hun vermogen hun werken te creëren, te innoveren en te produceren, en deze te verspreiden naar een groot en divers Europees publiek. Zodoende wordt hun bedrijfspotentieel uitgebreid, worden de toegang tot en de bevordering van creatieve inhoud, kunstonderzoek en creativiteit vergroot en wordt bijgedragen aan duurzame groei en nieuwe werkgelegenheid. Daarnaast dragen de bevordering van creativiteit en nieuwe kennis bij aan een sterker concurrentievermogen en de stimulering van innovatie in de industriële waardeketens. Er moet worden gekozen voor een ruimere benadering van onderwijs in kunst en cultuur en kunstonderzoek waarbij wordt overgegaan van een STEM-benadering (wetenschap, technologie, engineering en wiskunde) naar een STEAM-benadering (wetenschap, technologie, engineering, kunst en wiskunde). Ondanks de recentelijk geboekte vooruitgang inzake steun voor de vertaling en ondertiteling blijft de Europese culturele en creatieve markt versnipperd langs nationale en taalkundige lijnen. Hoewel het specifieke karakter van elke markt wordt geëerbiedigd, kan meer worden gedaan om de culturele en creatieve sectoren in staat te stellen ten volle te profiteren van de Europese eengemaakte markt, en in het bijzonder van de digitale eengemaakte markt, mede door rekening te houden met de bescherming van de intellectuele-eigendomsrechten.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)  De digitale omwenteling vormt een paradigmawisseling en is een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren. Digitale innovaties hebben gewoonten, relaties en productie- en consumptiemodellen veranderd, op zowel persoonlijk als sociaal vlak, en zij moeten de culturele en creatieve expressie en het culturele en creatieve verhaal bevorderen, waarbij de specifieke waarde van de culturele en creatieve sectoren binnen de digitale omgeving wordt geëerbiedigd.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Het programma moet rekening houden met het duale karakter van de culturele en creatieve sectoren en derhalve oog hebben voor enerzijds de intrinsieke en artistieke waarde van cultuur, en anderzijds de economische waarde van die sectoren, waaronder de bredere bijdrage ervan aan concurrentievermogen, creativiteit en innovatie. Daarvoor zijn sterke Europese culturele en creatieve sectoren nodig, met name een levendige Europese audiovisuele industrie, gezien het vermogen ervan om een groot publiek te bereiken en het economische belang ervan, ook voor andere creatieve sectoren en voor cultureel toerisme. De concurrentie op de mondiale audiovisuele markten is echter nog groter geworden door de toenemende digitale verstoring, waaronder veranderingen in de mediaproductie en -consumptie en het groeiende aandeel van mondiale platforms in de verspreiding van inhoud. Daarom is het nodig de steun aan de Europese industrie te intensiveren.
(6)  Het programma moet rekening houden met het duale karakter van de culturele en creatieve sectoren en derhalve oog hebben voor enerzijds de intrinsieke en artistieke waarde van cultuur, en anderzijds de economische waarde van die sectoren, waaronder de bredere bijdrage ervan aan concurrentievermogen, creativiteit, innovatie, interculturele dialoog, sociale samenhang en het genereren van kennis. Daarvoor zijn sterke Europese culturele en creatieve sectoren nodig, zowel in domeinen met of zonder winstoogmerk, met name een levendige Europese audiovisuele industrie, gezien het vermogen ervan om een groot publiek op lokaal, nationaal en Unieniveau te bereiken en het economische belang ervan, ook voor andere creatieve sectoren en voor cultureel toerisme en voor de regionale, lokale en stedelijke ontwikkeling. De concurrentie op de mondiale audiovisuele markten is echter nog groter geworden door de toenemende digitale verstoring, waaronder veranderingen in de mediaproductie en -consumptie en het groeiende aandeel van mondiale platforms in de verspreiding van inhoud. Daarom is het nodig de steun aan de Europese industrie te intensiveren.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Actief burgerschap, gedeelde waarden, creativiteit en innovatie vergen een solide basis waarop zij zich kunnen ontwikkelen. Het programma moet audiovisueel en filmonderwijs ondersteunen, met name onder minderjarigen en jongeren.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Om effectief te zijn, moet het programma middels op maat gemaakte maatregelen binnen een onderdeel dat is gewijd aan de audiovisuele sector, een onderdeel dat is gewijd aan de andere culturele en creatieve sectoren en een sectoroverschrijdend onderdeel, rekening houden met de specifieke aard van de verschillende sectoren en hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften.
(7)  Om effectief te zijn, moet het programma middels op maat gemaakte maatregelen binnen een onderdeel dat is gewijd aan de audiovisuele sector, een onderdeel dat is gewijd aan de andere culturele en creatieve sectoren en een sectoroverschrijdend onderdeel, rekening houden met de specifieke aard en uitdagingen van de verschillende sectoren en hun uiteenlopende doelgroepen en specifieke behoeften. Het programma moet gelijke steun verlenen aan alle culturele en creatieve sectoren middels horizontale programma's die op gemeenschappelijke behoeften zijn gericht. Het programma moet, op basis van proefprojecten, voorbereidende maatregelen en studies, tevens de in de bijlage bij deze verordening genoemde sectorale acties uitvoeren.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Muziek in al haar vormen en uitdrukkingen, vooral eigentijdse en live muziek, vormt een belangrijk onderdeel van het culturele, artistieke en economische erfgoed van de Unie. Muziek is een element van sociale samenhang, multiculturele integratie en socialisering van de jeugd, en zij vervult een sleutelrol bij het bevorderen van de cultuur, inclusief het cultuurtoerisme. Derhalve moet aan de muzieksector speciale aandacht worden besteed in het kader van de specifieke acties die worden ontplooid als deel van het onderdeel CULTUUR van deze verordening ten aanzien van de financiële bijdrage en gerichte acties. Op maat gesneden oproepen en instrumenten moeten het concurrentievermogen van de muzieksector helpen aanzwengelen en inspelen op een aantal specifieke uitdagingen waarmee deze sector te maken krijgt.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  Op het gebied van de internationale culturele betrekkingen moet de steun van de Unie worden versterkt. Het programma moet trachten bij te dragen tot de derde strategische doelstelling van de nieuwe Europese agenda voor cultuur door de cultuur en de interculturele dialoog als stuwende krachten voor de sociale en economische ontwikkeling in te zetten. In de Unie en de gehele wereld zijn steden de drijvende krachten voor nieuw cultuurbeleid. Een groot aantal creatieve gemeenschappen hebben zich wereldwijd verenigd in hubs, incubatoren en speciale ruimtes. De Unie moet een essentiële rol vervullen bij het in netwerken bundelen van deze gemeenschappen in de Unie en derde landen, en bij het bevorderen van multidisciplinaire samenwerking tussen artistieke, creatieve en digitale vaardigheden.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  Het sectoroverschrijdende onderdeel is gericht op de benutting van het samenwerkingspotentieel tussen verschillende culturele en creatieve sectoren. Een gezamenlijke transversale aanpak kan voordelen opleveren op het gebied van kennisoverdracht en administratieve efficiëntie.
(8)  Het sectoroverschrijdende onderdeel is gericht op de aanpak van de gemeenschappelijke uitdagingen voor en de benutting van het samenwerkingspotentieel tussen verschillende culturele en creatieve sectoren. Een gezamenlijke transversale aanpak kan voordelen opleveren op het gebied van kennisoverdracht en administratieve efficiëntie.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  In de audiovisuele sector zijn maatregelen van de Unie nodig als aanvulling op haar beleid inzake de digitale eengemaakte markt. Dit heeft met name betrekking op de modernisering van het kader voor auteursrechten en de voorgestelde verordening betreffende online-uitzendingen van omroeporganisaties16, alsmede het voorstel tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad17. Het doel ervan is de versterking van het vermogen van Europese audiovisuele spelers tot financiering, productie en verspreiding van werken die voldoende zichtbaar kunnen zijn op de verschillende communicatiemedia die beschikbaar zijn (bv. televisie, bioscoop of video-on-demand), en die aantrekkelijk zijn voor kijkers in een toegankelijkere en meer concurrerende markt, binnen en buiten Europa. De steun moet worden geïntensiveerd om te kunnen inspelen op recente marktontwikkelingen, met name de sterkere positie van globale distributieplatforms ten opzichte van de nationale omroepen die traditioneel investeerden in de productie van Europese werken.
(9)  In de audiovisuele sector zijn maatregelen van de Unie nodig als aanvulling op haar beleid inzake de digitale eengemaakte markt. Dit heeft met name betrekking op de modernisering van het kader voor auteursrechten, de voorgestelde verordening betreffende online-uitzendingen van omroeporganisaties16 en Richtlijn 2010/2018/EU van het Europees Parlement en de Raad17. Het doel ervan is de versterking van het vermogen van Europese audiovisuele spelers tot creatie, financiering, productie en verspreiding van werken van diverse formaten op de verschillende communicatiemedia die beschikbaar zijn (bv. televisie, bioscoop of video-on-demand), en die aantrekkelijk zijn voor kijkers in een toegankelijkere en meer concurrerende markt, binnen en buiten Europa. De steun moet worden geïntensiveerd om te kunnen inspelen op recente marktontwikkelingen, met name de sterkere positie van globale distributieplatforms ten opzichte van de nationale omroepen die traditioneel investeerden in de productie van Europese werken.
__________________
__________________
16 COM(2016)0594.
16 COM(2016)0594.
17 COM(2016)0287.
17 Richtlijn (EU) 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie (PB L 303 van 28.11.2018, blz. 69).
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  De speciale acties in het kader van Creatief Europa, zoals het Europees erfgoedlabel, de Europese erfgoeddagen, Europese prijzen op het gebied van hedendaagse muziek, rock en popmuziek, literatuur, erfgoed en architectuur en de Culturele Hoofdsteden van Europa, hebben miljoenen Europese burgers direct bereikt, hebben aangetoond welke sociale en economische voordelen Europees cultuurbeleid kan bieden, en moeten daarom worden voortgezet en waar mogelijk worden uitgebreid.
(10)  De speciale acties in het kader van Creatief Europa, zoals het Europees erfgoedlabel, de Europese erfgoeddagen, Europese prijzen op het gebied van hedendaagse muziek, rock en popmuziek, literatuur, erfgoed en architectuur en de Culturele Hoofdsteden van Europa, hebben miljoenen Europese burgers direct bereikt, hebben aangetoond welke sociale en economische voordelen Europees cultuurbeleid kan bieden, en moeten daarom worden voortgezet en waar mogelijk worden uitgebreid. Het programma moet de netwerkactiviteiten van de websites van het Europees erfgoedlabel ondersteunen.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Het programma Creatief Europa uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1295/2013 heeft de impuls gegeven tot het creëren van innoverende en succesvolle projecten die hebben geleid tot goede praktijken op het stuk van transnationale Europese samenwerking in de creatieve en culturele sectoren. Hierdoor werd op zijn beurt de Europese culturele diversiteit voor het publiek vergroot en werden de sociale en economische voordelen van het Europees cultureel beleid benut. Om efficiënter te zijn moeten dergelijke succesverhalen extra worden belicht en waar mogelijk uitgebreid.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)  Actoren op alle niveaus van de culturele en creatieve sectoren moeten actief worden betrokken bij het behalen van de doelstellingen van het programma en de verdere ontwikkeling hiervan. Aangezien het formeel betrekken van belanghebbenden bij het participatieve governancemodel van het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed, zoals vastgesteld bij Besluit (EU) 2017/864 van het Europees Parlement en de Raad1 bis, doeltreffend is gebleken wat het integreren van cultuur betreft, is het verstandig om dit model ook voor het programma toe te passen. Dit participatieve governancemodel moet een transversale aanpak omvatten teneinde synergieën te creëren tussen de diverse Unieprogramma's en -initiatieven op het gebied van cultuur en creativiteit.
___________________
1 bis Besluit (EU) 2017/864 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 over het Europees Jaar van het Cultureel Erfgoed 2018 (PB L 131 van 20.5.2017, blz. 1).
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 quater (nieuw)
(10 quater)  Een sectoroverschrijdende vlaggenschipactie die is gericht op het presenteren van de Europese creativiteit en culturele verscheidenheid aan lidstaten en derde landen moet deel uitmaken van de speciale acties uit hoofde van het programma. Deze actie moet de uitmuntendheid van de Europese, op cultuur gebaseerde creativiteit onderstrepen bij het op gang brengen van cross-innovation in de bredere economie door het toekennen van een speciale prijs.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Cultuur is van cruciaal belang voor het versterken van inclusieve, hechte samenlevingen. Tegen de achtergrond van de migratiedruk speelt cultuur een belangrijke rol bij de integratie van migranten, om ze te helpen het gevoel te hebben dat ze tot de gastgemeenschap behoren en om goede banden tussen migranten en nieuwe gemeenschappen te ontwikkelen.
(11)  Cultuur is van cruciaal belang voor het versterken van inclusieve, hechte en bedachtzame samenlevingen, het geven van nieuwe impulsen aan gebiedsdelen en het bevorderen van de sociale integratie van mensen met een kansarme achtergrond. Tegen de achtergrond van de vraagstukken inzake migratie en uitdagingen inzake integratie speelt cultuur een fundamentele rol bij het creëren van inclusieve ruimten voor interculturele dialoog en de integratie van migranten en vluchtelingen, waarbij ze worden geholpen het gevoel te hebben dat ze tot de gastgemeenschap behoren, en bij het ontwikkelen van goede banden tussen migranten en nieuwe gemeenschappen.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  Cultuur zorgt voor en bevordert de economische, sociale en ecologische duurzaamheid. Derhalve moet zij de kern van politieke ontwikkelingsstrategieën vormen. De bijdrage van de cultuur aan het welzijn van de gehele samenleving moet worden belicht. Overeenkomstig de Verklaring van Davos van 22 januari 2018 getiteld "Naar een kwalitatief hoogstaande Baukultur voor Europa" moeten bijgevolg stappen worden genomen om een nieuwe geïntegreerde benadering van het vormgeven van een kwalitatief hoogstaande gebouwde omgeving te bevorderen die is verankerd in de cultuur, de sociale samenhang versterkt, zorgt voor een duurzaam milieu en bijdraagt tot de gezondheid en het welzijn van de gehele bevolking. Bij deze benadering mag niet alleen de nadruk worden gelegd op stedelijke gebieden, maar moet vooral worden gelet op de internconnectiviteit van de perifere, afgelegen en plattelandsgebieden. Het concept van Baukultur omvat alle factoren die rechtstreeks van invloed zijn op de leefkwaliteit van burgers en gemeenschappen en aldus op zeer concrete wijze de inclusiviteit, samenhang en duurzaamheid bevorderen.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 ter (nieuw)
(11 ter)  Het is een kwestie van prioriteit dat cultuur, met inbegrip van culturele en audiovisuele goederen en diensten, toegankelijker wordt voor personen met een handicap als middel om hun volledige zelfontplooiing en actieve deelneming te bevorderen en aldus bij te dragen tot een waarlijk inclusieve samenleving op basis van solidariteit. Het programma dient derhalve de culturele participatie in de gehele Unie te bevorderen en te vergroten, met name voor mensen met een handicap en mensen met een kansarme achtergrond, alsmede mensen die in afgelegen en plattelandsgebieden wonen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  Artistieke vrijheid is een kernelement van bloeiende culturele en creatieve industrieën, waaronder de mediasector. Het programma moet cross-overs en samenwerking tussen de audiovisuele sector en de uitgeverijsector stimuleren om een pluralistisch medialandschap te bevorderen.
(12)  De vrijheid van artistieke en culturele expressie, de vrijheid van meningsuiting en het pluralisme van de media zijn kernelementen van bloeiende culturele en creatieve sectoren en de nieuwsmediasector. Het programma moet cross-overs en samenwerking tussen de audiovisuele sector en de uitgeverijsector stimuleren om een pluralistisch en onafhankelijk medialandschap te bevorderen, overeenkomstig Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad1bis. Het programma moet steun bieden aan nieuwe mediaprofessionals en de ontwikkeling van kritisch denken onder de burgers stimuleren middels het bevorderen van mediageletterdheid, vooral onder jongeren.
__________________
1 bis Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  De mobiliteit van artiesten en cultuurwerkers voor wat betreft de ontwikkeling van vaardigheden, leren, intercultureel bewustzijn, cocreatie, coproductie, de circulatie en verspreiding van kunstwerken en de deelneming aan internationale manifestaties, zoals beurzen en festivals, is een absolute voorwaarde voor beter verbonden, sterkere en duurzamere culturele en creatieve sectoren in de Unie. Een dergelijke mobiliteit wordt vaak belemmerd door het gebrek aan een juridische status, problemen bij het verkrijgen van visa en de duur van vergunningen, het risico op dubbele belastingheffing en onzekere en instabiele omstandigheden ten aanzien van de sociale zekerheid.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Conform de artikelen 8 en 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moeten doelstellingen inzake gendermainstreaming en de bestrijding van discriminatie worden geïntegreerd in alle activiteiten van het programma en moeten, waar dat van toepassing is, passende criteria voor genderevenwicht worden vastgesteld.
(13)  Conform de artikelen 8 en 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moeten doelstellingen inzake gendermainstreaming en de bestrijding van discriminatie worden geïntegreerd in alle activiteiten van het programma en moeten, waar dat van toepassing is, passende criteria voor genderevenwicht en diversiteit worden vastgesteld. Met het programma moet ernaar worden gestreefd dat de deelneming aan het programma en aan de in het kader hiervan uitgevoerde projecten leidt tot en een afspiegeling vormt van de diversiteit van de Europese samenleving. De in het kader van het programma uitgevoerde activiteiten moeten worden gemonitord en er moet verslag over worden uitgebracht, zodat kan worden nagegaan hoe het programma op dit punt heeft gepresteerd en zodat beleidsmakers beter geïnformeerde beslissingen over toekomstige programma's kunnen nemen.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Vrouwen zijn zeer aanwezig op artistiek en cultureel gebied in de Unie als auteurs, beroepsbeoefenaren, leraren en als publiek met een toenemende toegang tot het cultuuraanbod. Zoals echter blijkt uit onderzoek en studies, zoals die van het European Women’s Audiovisual Network en het We Must-project op muziekgebied, bestaan er loonverschillen tussen mannen en vrouwen, en is het minder waarschijnlijk dat vrouwen hun werk realiseren en in culturele, artistieke en creatieve instellingen besluitvormingsposities bekleden. Derhalve is het noodzakelijk talenten van vrouwen te bevorderen en hun werk te verspreiden om de artistieke carrières van vrouwen te ondersteunen.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Overeenkomstig de conclusies naar aanleiding van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 moet het programma de samenwerking en de overtuigingskracht van de sector vergroten door steun voor activiteiten die verband houden met de erfenis van het Europees Jaar van het cultureel erfgoed 2018 en door hiervan de balans op te maken. In dit verband zij gewezen op de verklaring van de Raad van de ministers van Cultuur van november 2018 en de verklaringen tijdens de slotceremonie van de Raad op 7 december 2018. Het programma moet bijdragen tot het duurzame behoud op de lange termijn van het Europees cultureel erfgoed middels acties ter ondersteuning van ambachts- en handwerkslieden die bedreven zijn in traditionele ambachten in verband met de restauratie van het cultureel erfgoed.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  In overeenstemming met de Mededeling van de Commissie "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" van 22 juli 201419 moeten relevant(e) beleid en instrumenten de duurzaamheidswaarde van het Europese erfgoed op de lang termijn tot zijn recht laten komen en moet een beter geïntegreerde aanpak worden ontwikkeld voor de instandhouding, benutting en ondersteuning ervan.
(15)  In overeenstemming met de Mededeling van de Commissie "Naar een geïntegreerde aanpak van cultureel erfgoed voor Europa" van 22 juli 2014 moeten relevant(e) beleid en instrumenten de duurzaamheidswaarde van het oude, huidige, materiële, immateriële en digitale Europese erfgoed op de lange termijn tot zijn recht laten komen en moet een beter geïntegreerde aanpak worden ontwikkeld voor de instandhouding, het behoud, het adaptief hergebruik, de verspreiding, benutting en ondersteuning ervan, middels de ondersteuning van een kwalitatief hoogwaardige en gecoördineerde uitwisseling van professionele kennis en de ontwikkeling van gemeenschappelijke hoge kwaliteitsnormen voor de sector en de mobiliteit van de beroepsbeoefenaren in de sector. Cultureel erfgoed is een integraal onderdeel van de Europese cohesie en ondersteunt de koppeling tussen traditie en innovatie. Het programma moet voorrang geven aan het behoud van het cultureel erfgoed en de ondersteuning van artiesten, makers en ambachtslieden.
__________________
__________________
19 COM(2014)0477.
19 COM(2014)0477.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  Het programma moet bijdragen tot het engagement en de betrokkenheid van burgers en maatschappelijke organisaties bij de cultuur en de samenleving, alsmede tot de bevordering van cultureel onderwijs en het toegankelijk maken van culturele kennis en cultureel erfgoed voor het publiek. Het programma moet ook de kwaliteit en innovatie op het vlak van creatie en behoud bevorderen, onder meer door middel van synergieën tussen cultuur, kunst, wetenschap, onderzoek en technologie.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)  Overeenkomstig de resolutie van het Europees Parlement van 13 december 2016 over een coherent EU-beleid voor de culturele en creatieve sector moet steun aan de culturele en creatieve sectoren overkoepelend zijn. Projecten moeten in het gehele programma geïntegreerd zijn om nieuwe bedrijfsmodellen en competenties, traditionele knowhow te steunen en creatieve en interdisciplinaire oplossingen in economische en sociale waarde om te zetten. Bovendien moeten de potentiële synergieën tussen de beleidsmaatregelen van de Unie ten volle worden benut om efficiënt gebruik te maken van de middelen die beschikbaar zijn in het kader van programma's van de Unie, zoals Horizon Europa, de Connecting Europe Facility, Erasmus+, EaSI en InvestEU.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) mogen deelnemen aan Unie-programma's in krachtens de EER-overeenkomst vastgestelde samenwerkingskader, dat voorziet in de uitvoering van de programma's door een besluit in het kader van die overeenkomst. Derde landen mogen eveneens deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
(18)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) mogen deelnemen aan Unie-programma's in krachtens de EER-overeenkomst vastgestelde samenwerkingskader, dat voorziet in de uitvoering van de programma's door een besluit in het kader van die overeenkomst. Derde landen mogen eveneens deelnemen op grond van andere rechtsinstrumenten. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. De bijdragen van derde landen aan het programma moeten jaarlijks aan de begrotingsautoriteit worden gemeld.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  De Europese Filmacademie heeft sinds haar oprichting unieke deskundigheid opgebouwd en is in de unieke positie om een pan-Europese gemeenschap van filmmakers en beroepsbeoefenaars op te richten, voor de promotie en verspreiding van Europese films over de nationale grenzen heen en de ontwikkeling van een waar Europees publiek. De academie moet derhalve voor directe steun van de Unie in aanmerking komen.
(22)  De Europese Filmacademie heeft sinds haar oprichting dankzij haar speciale deskundigheid en unieke positie bijgedragen tot de ontwikkeling van een pan-Europese gemeenschap van filmmakers en beroepsbeoefenaars, waarbij zij Europese films over de nationale grenzen heen heeft gepromoot en verspreid en de opkomst van een internationaal publiek van alle leeftijden heeft bevorderd. De academie moet derhalve uitzonderlijkerwijze voor directe steun van de Unie in aanmerking komen in het kader van haar samenwerking met het Europees Parlement bij de organisatie van de LUX-filmprijs. De rechtstreekse steun moet echter worden gekoppeld aan de onderhandeling over een samenwerkingsovereenkomst, met specifieke taken en doelstellingen, tussen beide partijen en het mag enkel mogelijk zijn directe steun te verlenen nadat de overeenkomst gesloten is. De verhindert niet dat de Europese filmacademie middelen aanvraagt voor andere initiatieven en projecten in het kader van de diverse onderdelen van het programma.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Het Jeugdorkest van de Europese Unie heeft sinds zijn oprichting unieke deskundigheid opgebouwd wat de bevordering van de interculturele dialoog, wederzijds respect en begrip door cultuur betreft. Bijzonder aan het Jeugdorkest van de Europese Unie is het feit dat het een Europees orkest is dat de culturele grenzen overschrijdt en dat bestaat uit jonge musici die volgens veeleisende artistieke criteria jaarlijks door middel van strenge audities in alle lidstaten worden geselecteerd. Het jeugdorkest moet derhalve voor directe steun van de Unie in aanmerking komen.
(23)  Het Jeugdorkest van de Europese Unie heeft sinds zijn oprichting unieke deskundigheid opgebouwd wat de bevordering van de rijke Europese muziektraditie, de toegang tot muziek en de interculturele dialoog, wederzijds respect en begrip door cultuur betreft, alsmede de versterking van het professionalisme van jonge musici door hen de vaardigheden bij te brengen die nodig zijn voor een carrière in de culturele en creatieve sector. De lidstaten en de instellingen van de Unie, inclusief de opeenvolgende voorzitters van de Commissie en van het Europees Parlement, hebben de bijdrage van het Jeugdorkest van de Europese Unie erkend. Bijzonder aan het Jeugdorkest van de Europese Unie is het feit dat het een Europees orkest is dat de culturele grenzen overschrijdt en dat bestaat uit jonge musici die volgens veeleisende artistieke criteria jaarlijks door middel van strenge en transparante audities in alle lidstaten worden geselecteerd. Het jeugdorkest moet derhalve uitzonderlijkerwijze voor directe steun van de Unie in aanmerking komen, op basis van specifieke taken en doelstellingen die door de Commissie worden vastgesteld en regelmatig worden geëvalueerd. Om deze steun te waarborgen moet het Jeugdorkest van de Europese Unie zijn zichtbaarheid vergroten, streven naar een evenwichtigere vertegenwoordiging van musici uit alle lidstaten in het orkest en zijn inkomsten diversifiëren door actief trachten financiële steun te verkrijgen uit andere bronnen dan de bijdragen van de Unie.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Financiële steun moet worden gebruikt om marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, op evenredige wijze, en de acties mogen particuliere financiering niet overlappen of verdringen, of de concurrentie op de interne markt verstoren. De acties moeten een duidelijke toegevoegde waarde voor Europa hebben.
(26)  Financiële steun moet worden gebruikt om marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, op evenredige wijze, en de acties mogen particuliere financiering niet overlappen of verdringen, of de concurrentie op de interne markt verstoren. De acties moeten een duidelijke toegevoegde waarde voor Europa hebben en geschikt zijn voor de specifieke projecten die zij ondersteunen. Het programma moet niet alleen rekening houden met de economische waarde van de projecten, maar ook met hun culturele en creatieve dimensie en het specifieke karakter van de betrokken sectoren.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)  Ook middelen uit de bij Verordening .../...[instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking]1bis en Verordening .../...[IPA III]1ter opgerichte programma's moeten worden gebruikt om acties uit hoofde van de internationale dimensie van het programma te financieren. Deze acties moeten overeenkomstig deze verordening ten uitvoer worden gelegd.
__________________
1 bis 2018/0243 (COD).
1 ter 2018/0247 (COD).
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren is de toegang tot financiële middelen om hun activiteiten te financieren, te groeien, hun concurrentievermogen in stand te houden en te vergroten of om hun activiteiten te internationaliseren. De beleidsdoelstellingen van dit programma moeten worden gerealiseerd via financiële instrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidscomponent(en) van het InvestEU-fonds.
(27)  De culturele en creatieve sectoren zijn innoverende, veerkrachtige en groeiende sectoren van de economie van de Unie, die economische en culturele waarde genereren uit intellectuele eigendom en individuele creativiteit. Hun fragmentering en de immateriële aard van hun activa beperken echter hun toegang tot particuliere financiering. Een van de grootste uitdagingen voor de culturele en creatieve sectoren is de uitbreiding van hun toegang tot financiële middelen, die essentieel is om te groeien en hun concurrentievermogen op internationaal niveau in stand te houden, te vergroten en op te schalen. De beleidsdoelstellingen van dit programma moeten worden gerealiseerd via financiële instrumenten en begrotingsgaranties, met name voor kmo's, in het kader van de beleidscomponent(en) van het InvestEU-fonds, in overeenstemming met de praktijken die werden ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, die werd opgezet bij Verordening (EU) nr. 1295/2013.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Rekening houdend met de technische deskundigheid die vereist is om voorstellen in het kader van specifieke acties van het programma te kunnen beoordelen, moet worden bepaald dat evaluatiecomités in voorkomend geval mogen bestaan uit externe deskundigen.
(28)  Impact, kwaliteit en efficiëntie bij de tenuitvoerlegging van het project moeten de belangrijkste evaluatiecriteria van het project in kwestie zijn. Rekening houdend met de technische deskundigheid die vereist is om voorstellen in het kader van specifieke acties van het programma te kunnen beoordelen, moet worden bepaald dat evaluatiecomités in voorkomend geval mogen bestaan uit externe deskundigen die beschikken over een professionele en managementachtergrond die verband houdt met het terrein van de aanvraag dat wordt geëvalueerd. In voorkomend geval moet rekening worden gehouden met de noodzaak om te zorgen voor de algehele samenhang met de doelstellingen inzake inclusie en diversiteit van het publiek.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Het programma moet een realistisch bestuurbaar systeem van prestatie-indicatoren omvatten dat de acties vergezelt en de prestatie ervan doorlopend monitort. Die monitoring alsmede de informatie- en communicatie-acties in verband met het programma en de acties ervan moeten voortbouwen op de drie onderdelen van het programma.
(29)  Het programma moet een realistisch bestuurbaar systeem van kwantitatieve en kwalitatieve prestatie-indicatoren omvatten dat de acties vergezelt en de prestatie ervan doorlopend monitort, rekening houdend met de intrinsieke waarde van de artistieke, culturele en creatieve sectoren. Dergelijke prestatie-indicatoren moeten met de belanghebbenden worden ontwikkeld. Die monitoring alsmede de informatie- en communicatie-acties in verband met het programma en de acties ervan moeten voortbouwen op de drie onderdelen van het programma. In de onderdelen moet rekening worden gehouden met een of meer kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren. Deze indicatoren moeten worden geëvalueerd in overeenstemming met deze verordening.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 29 bis (nieuw)
(29 bis)  Aangezien het vinden, analyseren en aanpassen van data en het meten van de impact van cultureel beleid en het afbakenen van indicatoren complex en moeilijk is, moet de Commissie de samenwerking binnen haar diensten, zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en Eurostat, met het oog op de verzameling van bruikbare statistische gegevens versterken. De Commissie moet handelen in samenwerking met kenniscentra in de Unie, nationale instellingen voor de statistiek en organisaties die van belang zijn voor de culturele en creatieve sectoren in Europa en in samenwerking met de Raad van Europa, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Unesco.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening moeten worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten en financiering worden overwogen, alsook niet aan financiering gekoppelde kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
(32)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening moeten worden gekozen op grond van het vermogen van de uitvoerder van het project om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten te behalen, met name rekening houdend met de omvang van de uitvoerder en het project, de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten en financiering worden overwogen, alsook niet aan financiering gekoppelde kosten als bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  Om de synergieën tussen de middelen van de Unie en direct beheerde instrumenten te optimaliseren, moet het verstrekken van steun voor acties die reeds een excellentiekeurmerk hebben ontvangen, worden bevorderd.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  Volgens artikel 94 van Besluit 2013/755/EU28 van de Raad komen in landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.
(34)  Volgens artikel 94 van Besluit 2013/755/EU28 van de Raad komen in landen en gebieden overzee gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Bij de uitvoering van het programma moet rekening worden gehouden met de problemen die rijzen ten gevolge van de grote afstand tot deze landen en gebieden, en hun efficiënte deelname aan het programma moet worden gemonitord en regelmatig worden geëvalueerd.
__________________
__________________
28 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
28 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis)  In overeenstemming met artikel 349 VWEU moeten maatregelen worden genomen om de deelname van de ultraperifere gebieden aan alle acties te vergroten. Mobiliteitsuitwisselingen voor hun artiesten en hun werken, en samenwerking tussen mensen en organisaties uit die gebieden en hun buren en derde landen moeten worden bevorderd. Aldus wordt het mogelijk dat mensen in dezelfde mate profiteren van de concurrentievoordelen die de culturele en creatieve industrieën kunnen bieden, met name economische groei en ontwikkeling. Dergelijke maatregelen moeten regelmatig worden gemonitord en geëvalueerd.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Om een vlotte uitvoering van het programma te waarborgen, kunnen de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend, met name kosten in verband met de intellectuele-eigendomsrechten, als subsidiabel worden beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de ondersteunde acties.
(36)  Om de continuïteit van de financiële steun in het kader van het programma te waarborgen en de groeiende financieringstekorten waarmee de begunstigden worden geconfronteerd, te dekken, moeten de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend, met name kosten in verband met de intellectuele-eigendomsrechten, als subsidiabel worden beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de ondersteunde acties.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend ter vaststelling van de werkprogramma's. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad. Er dient voor te worden gezorgd dat het voorafgaande programma correct wordt afgesloten, met name wat betreft de voortzetting van meerjarige regelingen voor het beheer, zoals de financiering van technische en administratieve ondersteuning. Met ingang van [1 januari 2021] moet in het kader van de technische en administratieve ondersteuning waar nodig worden gezorgd voor het beheer van acties in het kader van het voorafgaande programma die tegen [31 december 2020] nog niet zijn afgerond.
(38)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 van het VWEU handelingen vast te stellen met betrekking tot het vaststellen van werkprogramma's. Er dient voor te worden gezorgd dat het voorafgaande programma correct wordt afgesloten, met name wat betreft de voortzetting van meerjarige regelingen voor het beheer, zoals de financiering van technische en administratieve ondersteuning. Met ingang van [1 januari 2021] moet in het kader van de technische en administratieve ondersteuning waar nodig worden gezorgd voor het beheer van acties in het kader van het voorafgaande programma die tegen [31 december 2020] nog niet zijn afgerond.
___________________________
Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 38 bis (nieuw)
(38 bis)  Met het oog op een doelmatige en efficiënte uitvoering van het programma moet de Commissie ervoor zorgen dat er tijdens het aanvraagstadium of tijdens de behandelingsfase van de aanvragen voor de aanvragers geen onnodige bureaucratische rompslomp ontstaat.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 38 ter
(38 ter)  Er moet met name aandacht worden besteed aan kleinschalige projecten en hun toegevoegde waarde, gezien de specifieke kenmerken van de culturele en creatieve sectoren.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
(2)  "culturele en creatieve sectoren": alle sectoren waarin de activiteiten gebaseerd zijn op culturele waarden of artistieke en andere individuele of collectieve creatieve uitingen. Tot die activiteiten behoren onder meer het ontwikkelen, creëren, produceren, verspreiden en in stand houden van goederen en diensten die culturele, artistieke of andere creatieve uitingen belichamen, evenals aanverwante functies zoals educatie of beheer. Die activiteiten hebben het potentieel om innovatie en werkgelegenheid te genereren, met name uit intellectuele eigendom. De sectoren omvatten architectuur, archieven, bibliotheken en musea, artistieke ambachten, audiovisuele werken (zoals film, tv-producties, videogames en multimediale uitingen), materieel en immaterieel cultureel erfgoed, design (ook van mode), festivals, muziek, literatuur, uitvoerende kunsten, boeken en uitgeverijen, radioproducties en beeldende kunsten;
(2)  "culturele en creatieve sectoren": alle sectoren waarin de activiteiten gebaseerd zijn op culturele waarden of artistieke en andere individuele of collectieve creatieve uitingen en praktijken, ongeacht de vraag of deze activiteiten marktgericht of niet-marktgericht zijn. Tot die activiteiten behoren onder meer het ontwikkelen, creëren, produceren, verspreiden en in stand houden van praktijken, goederen en diensten die culturele, artistieke of andere creatieve uitingen belichamen, evenals aanverwante functies zoals educatie of beheer. Vele van die activiteiten hebben het potentieel om innovatie en werkgelegenheid te genereren, met name uit intellectuele eigendom. De sectoren omvatten architectuur, archieven, bibliotheken en musea, artistieke ambachten, audiovisuele werken (zoals film, tv-producties, videogames en multimediale uitingen), materieel en immaterieel cultureel erfgoed, muziek, literatuur, uitvoerende kunsten, boeken en uitgeverijen, radioproducties, beeldende kunsten, festivals en design, ook van modeontwerp;
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter -a (nieuw)
-a)  bijdragen tot de erkenning en bevordering van de intrinsieke waarde van cultuur, en het veiligstellen en bevorderen van de kwaliteit van de Europese cultuur als bijzondere dimensie van de persoonlijke ontwikkeling, het onderwijs, de sociale samenhang, de vrijheid van mening en meningsuiting en van kunsten, en zo de democratie, kritisch denken, het gevoel erbij te horen en het burgerschap versterken en vergroten als bronnen voor pluralistisch media- en cultuurlandschap;
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 1 – letter a
a)  bevordering van Europese samenwerking op het gebied van culturele en taalkundige diversiteit en erfgoed;
a)  bevordering van Europese samenwerking op het gebied van culturele, artistieke en taalkundige diversiteit, mede door het vergroten van de rol van artiesten en culturele actoren, de kwaliteit van de Europese culturele en artistieke productie en van het gemeenschappelijke materiële en immateriële erfgoed;
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid – letter b
b)  verbetering van het concurrentievermogen van de culturele en creatieve sectoren, in het bijzonder de audiovisuele sector.
b)  bevordering van het concurrentievermogen van alle culturele en creatieve sectoren en verhoging van hun economische gewicht, in het bijzonder van de audiovisuele sector door middel van het creëren van banen en het vergroten van de innovatie en creativiteit in deze sectoren.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter a
a)  versterking van de economische, sociale en externe dimensies van samenwerking op Europees niveau om de culturele verscheidenheid in en het culturele erfgoed van Europa te ontwikkelen en bevorderen, het concurrentievermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren te verbeteren en de internationale culturele betrekkingen te verstevigen;
a)  versterking van de economische, artistieke, culturele, sociale en externe dimensies van samenwerking op Europees niveau om de culturele verscheidenheid in en het culturele materiële en immateriële erfgoed van Europa te ontwikkelen en te bevorderen, het concurrentievermogen en innovatie van de Europese culturele en creatieve sectoren te verbeteren en de internationale culturele betrekkingen te verstevigen;
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter a bis (nieuw)
a bis)  bevordering van de culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van de audiovisuele sector, ondersteuning van artiesten, actoren, ambachtslieden en betrokkenheid van het publiek, met speciale aandacht voor gendergelijkheid en ondervertegenwoordigde groepen;
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter b
b)  bevordering van het concurrentievermogen en de schaalbaarheid van de Europese audiovisuele industrie;
b)  bevordering van het concurrentievermogen, de innovatie en de schaalbaarheid van de Europese audiovisuele sector, met name van kmo's, onafhankelijke productiebedrijven en organisaties in de culturele en creatieve sectoren, en bevordering van de kwaliteit van de activiteiten van de Europese audiovisuele sector op duurzame wijze waarbij gestreefd wordt naar een evenwichtige sectorale en geografische aanpak;
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter c
c)  bevordering van beleidssamenwerking en innovatieve acties ter ondersteuning van alle programmaonderdelen, waaronder bevordering van een divers en pluralistisch medialandschap, mediageletterdheid en sociale inclusie.
c)  bevordering van beleidssamenwerking en innovatieve acties, inclusief nieuwe bedrijfs- en beheersmodellen en creatieve oplossingen, ter ondersteuning van alle programmaonderdelen en alle culturele en creatieve sectoren, waaronder het waarborgen van de vrijheid van artistieke expressie en de bevordering van een divers, onafhankelijk en pluralistisch, cultureel en medialandschap, mediageletterdheid, digitale vaardigheden, cultureel en artistiek onderwijs, gendergelijkheid, actief burgerschap, interculturele dialoog, weerstandsvermogen en sociale inclusie, met name van personen met een handicap, mede middels de grotere toegankelijkheid van cultuurgoederen en -diensten;
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)  bevordering van de mobiliteit van artiesten en de actoren in de culturele en creatieve sectoren en het circuleren van hun werken;
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 2 – letter c ter (nieuw)
c ter)  de culturele en creatieve sectoren voorzien van data, analyses en een passende reeks kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, en de ontwikkeling van een samenhangend systeem voor evaluaties en effectbeoordelingen, met inbegrip van die welke een sectoroverschrijdende dimensie hebben.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 – lid 3 – letter c
c)  het "SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel" bestrijkt activiteiten in alle culturele en creatieve sectoren.
c)  het "SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel" bestrijkt activiteiten in alle culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van de nieuwsmediasector.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Europese toegevoegde waarde
Erkenning van de intrinsieke en economische waarde van de cultuur en creativiteit, en eerbiediging van de kwaliteit en pluriformiteit van de waarden en het beleid van de Unie.
Het programma ondersteunt alleen die acties en activiteiten die een potentiële Europese toegevoegde waarde opleveren en bijdragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen zoals bedoeld in artikel 3.
De Europese toegevoegde waarde van de acties en activiteiten van het programma wordt gegarandeerd door bijvoorbeeld:
a)  het transnationale karakter van de acties en activiteiten die een aanvulling vormen op regionale, nationale, internationale en andere programma's en beleidsmaatregelen van de Unie en de impact van die acties en activiteiten op de toegang van burgers tot cultuur en hun actieve betrokkenheid, onderwijs, sociale inclusie en de interculturele dialoog;
b)  de ontwikkeling en bevordering van de transnationale en internationale samenwerking tussen actoren op cultureel en creatief gebied, waaronder artiesten, audiovisuele beroepsbeoefenaars, culturele en creatieve organisaties en kmo's en audiovisuele actoren, met de nadruk op het stimuleren van uitgebreidere, snellere, doeltreffendere en duurzamere antwoorden op globale uitdagingen, met name ten aanzien van de digitale omwenteling;
c)  de schaalvoordelen, groei en banen die door de steun van de Unie worden bevorderd, waardoor een hefboomeffect wordt gecreëerd dat aanvullende middelen kan genereren;
d)  waarborging van eerlijkere concurrentievoorwaarden in de culturele en creatieve sectoren door rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende landen, ook van landen of regio's in een bijzondere geografische of taalkundige situatie, zoals de ultraperifere regio's die zijn erkend in artikel 349 VWEU, en de overzeese landen en gebiedsdelen die onder het gezag van een in Bijlage II bij het VWEU genoemde lidstaat staan;
e)  de bevordering van een verhaal over Europese gemeenschappelijke wortels en diversiteit.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter -a (nieuw)
-a)  bevorderen van artistieke expressie en creatie;
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter -a bis (nieuw)
-a bis) koesteren van talent, competenties en vaardigheden en stimuleren van samenwerking en innovatie in de gehele keten van culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van erfgoed;
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter a
a)  versterken van de grensoverschrijdende dimensie en circulatie van Europese culturele en creatieve actoren en werken;
a)  versterken van de grensoverschrijdende dimensie, circulatie en zichtbaarheid van Europese culturele en creatieve actoren en hun werken, onder meer door middel van residentieprogramma's, tournees, evenementen, workshops, tentoonstellingen en festivals, alsook door de uitwisseling van beste praktijken te bevorderen en de professionele capaciteiten te vergroten;
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter b
b)  vergroten van culturele deelname in heel Europa;
b)  vergroten van culturele toegang, culturele deelname, cultureel bewustzijn en betrokkenheid van het publiek in heel Europa, met name wat personen met een handicap of personen uit een kansarme omgeving betreft;
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter c
c)  bevorderen van maatschappelijke veerkracht en sociale inclusie via cultuur en cultureel erfgoed;
c)  bevorderen van maatschappelijke veerkracht en verbeteren van sociale inclusie, interculturele en democratische dialoog en culturele uitwisseling via kunst, cultuur en cultureel erfgoed;
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d
d)  vergroten van het vermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren om tot bloei te komen en werkgelegenheid en groei te genereren;
d)  vergroten van het vermogen van de Europese culturele en creatieve sectoren om tot bloei te komen en te innoveren, artistiek werk te creëren, cruciale competenties, kennis, vaardigheden, nieuwe artistieke praktijken en duurzame werkgelegenheid en groei te genereren en te ontwikkelen, alsook bij te dragen aan lokale en regionale ontwikkeling;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  stimuleren van de professionele capaciteit van personen in de culturele en creatieve sectoren, door hun positie te versterken via passende maatregelen;
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter e
e)  versterken van de Europese identiteit en waarden door cultureel bewustzijn, kunstonderwijs en cultuurgebaseerde creativiteit in het onderwijs;
e)  versterken van de Europese identiteit, actief burgerschap, gemeenschapszin en gevoel voor democratische waarden door middel van cultureel bewustzijn, cultureel erfgoed, expressie, kritisch denken, artistieke expressie, zichtbaarheid en erkenning voor de makers, kunst, onderwijs en cultuurgebaseerde creativiteit in formele, niet-formele en informele onderwijsvormen voor een leven lang leren;
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter f
f)  bevorderen van internationale capaciteitsopbouw van Europese culturele en creatieve sectoren om op internationaal niveau actief te kunnen zijn;
f)  bevorderen van internationale capaciteitsopbouw van Europese culturele en creatieve sectoren, met inbegrip van grassroots- en micro-organisaties, om op internationaal niveau actief te kunnen zijn;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 1 – letter g
g)  bijdragen aan de mondiale strategie van de Unie voor internationale betrekkingen door culturele diplomatie.
g)  bijdragen aan de mondiale strategie van de Unie voor internationale culturele betrekkingen door de langetermijneffecten van de strategie te proberen verzekeren door middel van een interpersoonlijke benadering waarin een rol is weggelegd voor culturele netwerken, het maatschappelijk middenveld en grassrootsorganisaties.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 – alinea 2 bis (nieuw)
In het kader van specifieke acties binnen het onderdeel CULTUUR is er bijzondere aandacht voor de muzieksector wat financiële verdeling en gerichte acties betreft. Op maat gesneden oproepen en instrumenten moeten het concurrentievermogen van de muzieksector helpen aanzwengelen en inspelen op een aantal specifieke uitdagingen waar deze sector mee te kampen heeft.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter a
a)  koesteren van talent en vaardigheden en stimuleren van samenwerking en innovatie bij het creëren en produceren van Europese audiovisuele werken;
a)  koesteren van talent, competenties, vaardigheden en het gebruik van digitale technologieën, en stimuleren van samenwerking, mobiliteit en innovatie bij het creëren en produceren van Europese audiovisuele werken, ook over de grenzen heen;
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter b
b)  uitbreiden van distributie online en in bioscopen en verschaffen van bredere grensoverschrijdende toegang tot Europese audiovisuele werken, waaronder via innovatieve bedrijfsmodellen en het gebruik van nieuwe technologieën;
b)  uitbreiden van de transnationale en internationale circulatie en van online en offline distributie, met name distributie in bioscopen, van Europese audiovisuele werken in de nieuwe digitale omgeving;
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  het internationaal publiek bredere toegang geven tot audiovisuele werken van de Unie, met name door middel van promotie, evenementen, het stimuleren van filmgeletterdheid en festivals;
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter b ter (nieuw)
b ter)  verbeteren van het audiovisueel erfgoed en vergemakkelijken van de toegang tot en ondersteunen en bevorderen van audiovisuele archieven en bibliotheken als bronnen van herinnering, onderwijs, hergebruik en nieuwe activiteiten, onder meer door middel van de meest recente digitale technologieën;
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 1 – letter c
c)  bevorderen van Europese audiovisuele werken en ondersteunen van publieksontwikkeling binnen en buiten Europa.
c)  bevorderen van Europese audiovisuele werken en ondersteunen van maatregelen om een publiek van alle leeftijden te betrekken, met name jongeren en personen met een handicap, met het oog op een proactief en legaal gebruik van audiovisuele werken binnen en buiten Europa, alsook met het oog op het delen van door gebruikers gegenereerde inhoud, onder meer door het stimuleren van audiovisueel en filmonderwijs.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 5 – alinea 2
Deze prioriteiten worden gerealiseerd door steun voor de creatie, bevordering, toegang en verspreiding van Europese werken die het potentieel hebben om grote publieken binnen en buiten Europa te bereiken, waarbij wordt ingespeeld op nieuwe marktontwikkelingen, als aanvulling op de richtlijn audiovisuele mediadiensten.
Deze prioriteiten worden gerealiseerd door steun voor de creatie, bevordering, toegang en verspreiding van Europese werken, waarbij de Europese waarden en gemeenschappelijke identiteit worden uitgedragen, met het potentieel om grote publieken van alle leeftijden binnen en buiten Europa te bereiken, en waarbij wordt ingespeeld op nieuwe marktontwikkelingen, als aanvulling op de richtlijn audiovisuele mediadiensten.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter a
a)  ondersteunen van sectoroverschrijdende transnationale beleidssamenwerking, waaronder met betrekking tot de rol van cultuur bij sociale inclusie, bevorderen van kennis van het programma en ondersteunen van de overdraagbaarheid van resultaten;
a)  ondersteunen van sectoroverschrijdende transnationale beleidssamenwerking, waaronder met betrekking tot de bevordering van de rol van cultuur bij sociale inclusie, met name wat personen met een handicap betreft, en bij het stimuleren van democratie, en bevorderen van kennis van het programma en ondersteunen van de overdraagbaarheid van resultaten, teneinde de zichtbaarheid van het programma te vergroten;
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter b
b)  bevorderen van innovatieve aanpakswijzen voor de schepping, toegang, distributie en bevordering van inhoud in verschillende culturele en creatieve sectoren;
b)  bevorderen van innovatieve aanpakswijzen voor de schepping van artistieke inhoud, alsook artistiek onderzoek, toegang tot kunst en de distributie en bevordering ervan, met inachtneming van auteursrechtelijke bescherming, in de verschillende culturele en creatieve sectoren, zowel wat marktgerelateerde als niet-marktgerelateerde aspecten betreft;
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter c
c)  bevorderen van horizontale activiteiten die meerdere sectoren bestrijken en zijn gericht op de aanpassing aan de structurele veranderingen die de mediasector ondergaat, waaronder het versterken van een vrij, divers en pluralistisch medialandschap, kwaliteitsjournalistiek en mediageletterdheid;
c)  bevorderen van horizontale activiteiten die meerdere sectoren bestrijken en zijn gericht op de aanpassing aan de structurele en technologische veranderingen die de mediasector ondergaat, waaronder het versterken van een vrij, divers en pluralistisch media-, artistiek en cultureel landschap, beroepsethiek in de journalistiek, kritisch denken en mediageletterdheid, met name onder jongeren, door te helpen bij de aanpassing aan nieuwe instrumenten en formats in de media en de verspreiding van desinformatie tegen te gaan;
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 6 – alinea 1 – letter d
d)  oprichten en ondersteunen van programmadesks voor het bevorderen van het programma in de desbetreffende landen en om grensoverschrijdende samenwerking binnen de culturele en creatieve sectoren te stimuleren.
d)  oprichten en de actieve betrokkenheid ondersteunen van programmadesks in deelnemende landen, met het oog op het bevorderen van het programma in de desbetreffende landen, op billijke en evenwichtige wijze, onder meer via netwerkactiviteiten op het terrein, alsook om de aanvragers te ondersteunen met betrekking tot het programma en basisinformatie te verstrekken over andere relevante ondersteuningsmogelijkheden in het kader van door de Unie gefinancierde programma's, en om grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken binnen de culturele en creatieve sectoren te stimuleren.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – alinea 1
De financiële middelen voor de uitvoering van het programma over de periode 2021-2027 bedragen 1 850 000 000 EUR in lopende prijzen.
De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 20212027 bedragen 2 806 000 000 EUR in constante prijzen.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – alinea 2 – streepje 1
–  tot 609 000 000 EUR voor de in artikel 3, lid 2, onder a), vermelde doelstelling (onderdeel CULTUUR);
–  ten minste 33 % voor de in artikel 3, lid 2, onder a), vermelde doelstelling (onderdeel CULTUUR);
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – alinea 2 – streepje 2
–  tot 1 081 000 000 EUR voor de in artikel 3, lid 2, onder b), vermelde doelstelling (onderdeel MEDIA);
–  ten minste 58 % voor de in artikel 3, lid 2, onder b), vermelde doelstelling (onderdeel MEDIA);
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 1 – alinea 2 – streepje 3
–  tot 160 000 000 EUR voor de in artikel 3, lid 2, onder c), vermelde doelstelling (SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel).
–  tot 9 % voor de in artikel 3, lid 2, onder c), vermelde doelstelling (SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel), waarbij wordt gewaarborgd dat de financiële toewijzing voor elke nationale Creatief Europa-desk ten minste even hoog is als de financiële toewijzing waarin is voorzien uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1295/2013.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 – lid 3
3.  In aanvulling op de financiële middelen zoals vermeld in lid 1, en ter bevordering van de internationale dimensie van het programma, kunnen aanvullende financiële bijdragen ter beschikking worden gesteld uit de externe financieringsinstrumenten [instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)] om overeenkomstig deze verordening uitgevoerde en beheerde acties te ondersteunen. Die bijdrage wordt gefinancierd overeenkomstig de verordeningen waarbij die instrumenten zijn vastgesteld.
3.  In aanvulling op de financiële middelen zoals vermeld in lid 1, en ter bevordering van de internationale dimensie van het programma, kunnen aanvullende financiële bijdragen ter beschikking worden gesteld uit de externe financieringsinstrumenten [instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking, het instrument voor pretoetredingssteun (IPA III)] om overeenkomstig deze verordening uitgevoerde en beheerde acties te ondersteunen. Die bijdrage wordt gefinancierd overeenkomstig de verordeningen waarbij die instrumenten zijn vastgesteld, en wordt elk jaar aan de begrotingsautoriteit gemeld, samen met de bijdragen van derde landen aan het programma.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Derde landen kunnen deelnemen aan de governancestructuren van het programma en aan fora van belanghebbenden met het oog op de bevordering van informatie-uitwisseling.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 2
2.  Voor deelname aan het onderdeel MEDIA en het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel moeten de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde landen voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2010/13/EU.
2.  Voor deelname aan het onderdeel MEDIA en het SECTOROVERSCHRIJDEND onderdeel moeten de in lid 1, onder a) tot en met d), bedoelde landen voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2010/13/EU.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 8 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  Overeenkomsten met de derde landen die uit hoofde van deze verordening met het programma geassocieerd zijn, worden gefaciliteerd door middel van procedures die sneller zijn dan de procedures van Verordening (EU) nr. 1295/2013. Overeenkomsten met nieuwe landen worden op proactieve wijze bevorderd.
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 1
1.  Het programma staat open voor deelname van internationale organisaties die actief zijn in de door het programma bestreken gebieden overeenkomstig het Financieel Reglement.
1.  Het programma staat open voor deelname van internationale organisaties die actief zijn in de door het programma bestreken gebieden, zoals de Unesco, de Raad van Europa via een meer gestructureerde samenwerking in het kader van de culturele routes en Eurimages, het EUIPO-waarnemingscentrum, de Wereldorganisatie voor de intellectuele eigendom en de OESO, op basis van gezamenlijke bijdragen, met het oog op het behalen van de doelstellingen van het programma en overeenkomstig het Financieel Reglement.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 – lid 2
2.  De Unie zal voor de duur van het programma lid zijn van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector. De deelname van de Unie aan het Waarnemingscentrum draagt bij tot de verwezenlijking van de prioriteiten van het onderdeel MEDIA. De Unie wordt in haar betrekkingen met het Waarnemingscentrum vertegenwoordigd door de Commissie. Het onderdeel MEDIA ondersteunt de betaling van de financiële bijdrage voor het Unie-lidmaatschap van het Waarnemingscentrum, om het verzamelen en analyseren van gegevens in de audiovisuele sector te bevorderen.
2.  De Unie zal voor de duur van het programma lid zijn van het Europees Waarnemingscentrum voor de audiovisuele sector. De deelname van de Unie aan het Waarnemingscentrum draagt bij tot de verwezenlijking van de prioriteiten van het onderdeel MEDIA. De Unie wordt in haar betrekkingen met het Waarnemingscentrum vertegenwoordigd door de Commissie. Het onderdeel MEDIA ondersteunt de betaling van de financiële bijdrage voor het Unie-lidmaatschap van het Waarnemingscentrum, en het verzamelen en analyseren van gegevens in de audiovisuele sector.
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 9 bis (nieuw)
Artikel 9 bis
Gegevensverzameling met betrekking tot de culturele en creatieve sectoren
De Commissie versterkt de samenwerking binnen haar diensten, zoals het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek en Eurostat, met het oog op de verzameling van bruikbare statistische gegevens om de effecten van cultuurbeleid te meten en te analyseren. Voor het uitvoeren van die taak werkt de Commissie samen met kenniscentra in Europa en nationale bureaus voor de statistiek, alsook met de Raad van Europa, de OESO en de Unesco. Op die manier draagt ze bij aan het behalen van de doelstellingen van het onderdeel CULTUUR en ziet ze nauwgezet toe op verdere ontwikkelingen in het cultuurbeleid, onder meer door belanghebbenden in een vroeg stadium te betrekken bij de denkoefening over en de aanpassing van gemeenschappelijke indicatoren voor de verschillende sectoren of specifieke indicatoren per activiteitendomein. De Commissie brengt regelmatig over deze activiteiten verslag uit aan het Europees Parlement.
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 3
3.  Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
3.  Blendingverrichtingen in het kader van dit programma vinden plaats in overeenstemming met titel X van het Financieel Reglement en de procedures die zijn vastgelegd in de [InvestEU-verordening]. De uit hoofde van het programma Creatief Europa tot stand gebrachte specifieke garantiefaciliteit wordt voortgezet in het kader van de [InvestEU-verordening] en houdt rekening met de uitvoeringspraktijken die zijn ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren als vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1295/2013.
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4
4.  Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kan gelden als dekking voor het risico dat is verbonden aan de terugvordering van verschuldigde financiering door ontvangers en wordt als voldoende garantie beschouwd overeenkomstig het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.
4.  Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kan gelden als dekking voor het risico dat is verbonden aan de terugvordering van verschuldigde financiering door ontvangers en wordt als voldoende garantie beschouwd overeenkomstig het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds], die gebaseerd zijn op en in overeenstemming zijn met de reeds ontwikkelde uitvoeringspraktijken, zijn van toepassing.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 – lid 4 bis (nieuw)
4 bis.  Om de internationale dimensie van het programma te bevorderen, leveren de programma's die tot stand zijn gebracht uit hoofde van Verordening .../... [instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking ] en Verordening .../... [IPA III] een financiële bijdrage aan de in het kader van onderhavige verordening tot stand gebrachte acties. Deze verordening is van toepassing op het gebruik van die programma's, waarbij de naleving van de verordeningen waaronder de programma's respectievelijk vallen, wordt gewaarborgd.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 1
1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van jaarlijkse werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. Voordat de werkprogramma's worden vastgesteld, vindt er een raadpleging van de verschillende belanghebbenden plaats om te waarborgen dat de geplande acties de diverse betrokken sectoren zo goed mogelijk ondersteunen. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen, waarbij blendingverrichtingen niet in de plaats komen van rechtstreekse financiering in de vorm van subsidies.
De algemene en specifieke doelstellingen en de bijbehorende beleidsprioriteiten en ‑acties van het programma, evenals de toegewezen begroting per actie, worden in detail gespecificeerd in de jaarlijkse werkprogramma's. Het jaarlijkse werkprogramma bevat ook een indicatief tijdschema voor de uitvoering.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 12 – lid 2
2.  Het werkprogramma wordt door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling.
2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van deze verordening door de vaststelling van jaarlijkse werkprogramma's.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  In de oproepen tot het indienen van voorstellen kan rekening worden gehouden met de noodzaak om te voorzien in passende steun voor kleinschalige projecten in het kader van het onderdeel CULTUUR door middel van maatregelen die hogere medefinancieringspercentages kunnen inhouden.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 1 ter (nieuw)
1 ter.  Bij de toekenning van subsidies wordt rekening gehouden met de volgende kenmerken van het desbetreffende project:
a)  de kwaliteit van het project;
b)  de effecten ervan;
c)  de kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering ervan.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 2
2.  Het evaluatiecomité kan uit externe deskundigen bestaan.
2.  Het evaluatiecomité kan uit externe deskundigen bestaan. Tijdens de vergaderingen van het comité zijn de leden fysiek dan wel op afstand aanwezig.
De deskundigen hebben een beroepsachtergrond die aansluit bij het beoordeelde gebied. Het evaluatiecomité kan het advies inwinnen van deskundigen uit het land van aanvraag.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 13 – lid 3
3.  In afwijking van artikel [130, lid2], van het Financieel Reglement, en in naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend als subsidiabel worden beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde acties en activiteiten.
3.  In afwijking van artikel [130, lid 2], van het Financieel Reglement, en in naar behoren gemotiveerde gevallen worden de kosten die de begunstigde heeft gemaakt voordat hij de subsidieaanvraag heeft ingediend als subsidiabel beschouwd, op voorwaarde dat die kosten rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de ondersteunde acties en activiteiten.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 5 – inleidende formule
5.  Aan de volgende entiteiten mogen subsidies worden toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen:
5.  Aan de volgende entiteiten mogen bij wijze van uitzondering subsidies worden toegekend zonder oproep tot het indienen van voorstellen, op basis van specifieke taken en doelstellingen die door de Commissie worden vastgesteld en regelmatig worden beoordeeld aan de hand van de doelstellingen van het programma:
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 5 – letter a
a)  de Europese filmacademie;
a)  de Europese filmacademie in de context van samenwerking met het Europees Parlement in verband met de LUX-filmprijs, op basis van een samenwerkingsovereenkomst waarover beide partijen onderhandelen en die door hen beiden wordt ondertekend, en in samenwerking met Europa Cinemas; in afwachting van de sluiting van de samenwerkingsovereenkomst worden de desbetreffende kredieten in de reserve geplaatst;
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 14 – lid 5 – letter b
b)  het Jeugdorkest van de Europese Unie.
b)  het Jeugdorkest van de Europese Unie voor zijn activiteiten, waaronder de regelmatige selectie van en het aanbieden van opleiding aan jonge muzikanten uit alle lidstaten via residentieprogramma's bestaande uit mobiliteitskansen en de kans om op festivals op te treden en op tournee te gaan binnen de Unie en op internationaal niveau, waardoor wordt bijgedragen aan de verspreiding van Europese cultuur over de grenzen heen en aan de internationalisering van de loopbaan van jonge muzikanten en waarbij wordt gestreefd naar een geografisch evenwicht onder de deelnemers; het Jeugdorkest van de Europese Unie diversifieert zijn inkomsten voortdurend door actief op zoek te gaan naar financiële steun uit andere bronnen en zo zijn afhankelijkheid van financiering door de Unie te verminderen; de activiteiten van het Jeugdorkest van de Europese Unie zijn in overeenstemming met het programma en met de doelstellingen en prioriteiten van het onderdeel CULTUUR, met name wat betrokkenheid van het publiek betreft.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 15 – alinea 1
De Commissie draagt in samenwerking met de lidstaten zorg voor de algemene consistentie en complementariteit van het programma met het relevante beleid en de relevante programma's, met name op het gebied van evenwicht tussen vrouwen en mannen, onderwijs, jeugd en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie, onderzoek en innovatie, industrie en ondernemingen, landbouw en plattelandsontwikkeling, milieu en klimaatactie, cohesie, regionaal beleid en stadsontwikkeling, staatssteun en internationale samenwerking en ontwikkeling.
De Commissie draagt in samenwerking met de lidstaten zorg voor de algemene consistentie en complementariteit van het programma met het relevante beleid en de relevante programma's, met name op het gebied van evenwicht tussen vrouwen en mannen, onderwijs – met bijzondere aandacht voor digitaal onderwijs en mediageletterdheid – jeugd en solidariteit, werkgelegenheid en sociale inclusie – met bijzondere aandacht voor gemarginaliseerde groepen en minderheden – onderzoek en innovatie – met inbegrip van sociale innovatie – industrie en ondernemingen, landbouw en plattelandsontwikkeling, milieu en klimaatactie, cohesie, regionaal beleid en stadsontwikkeling, duurzaam toerisme, staatssteun, mobiliteit en internationale samenwerking en ontwikkeling, onder meer met het oog op een efficiënter gebruik van overheidsmiddelen;
de Commissie zorgt ervoor dat bij de toepassing van de in [het InvestEU-programma] vastgelegde procedures in het kader van het programma rekening wordt gehouden met de praktijken die zijn ontwikkeld in het kader van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, die is opgezet bij Verordening (EU) nr. 1295/2013.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 – letter b
b)  het voldoet aan de minimumeisen inzake kwaliteit van die oproep tot het indienen van voorstellen;
b)  het voldoet aan de hoge kwaliteitseisen van die oproep tot het indienen van voorstellen;
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Een voorstel waaraan een excellentiekeur is toegekend kan rechtstreeks financiering ontvangen uit andere programma's en andere fondsen die onder [de verordening gemeenschappelijke bepalingen, COM(2018)0375] vallen, in overeenstemming met artikel 67, lid 5, daarvan, op voorwaarde dat het voorstel in samenhang is met de doelstellingen van het programma. De Commissie zorgt ervoor dat de selectie- en gunningscriteria voor de projecten waaraan de excellentiekeur wordt toegekend coherent, duidelijk en transparant zijn voor de potentiële begunstigden.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 16 bis (nieuw)
Artikel 16 bis
Garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren in het kader van InvestEU
1.  Financiële steun in het kader van het nieuwe InvestEU-programma bouwt voort op de doelstellingen en criteria van de garantiefaciliteit voor de culturele en creatieve sectoren, met inachtneming van de specifieke aard van de sector.
2.  Het InvestEU-programma biedt:
a)  toegang tot financiering voor kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties in de culturele en creatieve sectoren;
b)  garanties voor deelnemende financiële intermediairs uit landen die deelnemen aan de garantiefaciliteit;
c)  aanvullende deskundigheid voor deelnemende financiële intermediairs om de risico's die verband houden met kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties en culturele en creatieve projecten te kunnen evalueren;
d)  het volume aan schuldfinanciering dat ter beschikking van kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties is gesteld;
e)  de mogelijkheid voor kmo's en micro-, kleine en middelgrote organisaties in alle regio's en sectoren om een gediversifieerde leningenportefeuille op te bouwen en een marketing- en promotieplan voor te stellen;
f)  de volgende soorten leningen: investeringen in materiële en immateriële activa, met uitzondering van persoonlijk onderpand; bedrijfsoverdrachten; bedrijfskapitaal, zoals interimkrediet, overbruggingskrediet, kasstroom en kredietlijnen.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Voor de verschillende onderdelen wordt een gemeenschappelijke reeks kwalitatieve indicatoren vastgesteld. Voor elk onderdeel afzonderlijk wordt er tevens een specifieke reeks indicatoren vastgesteld.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 17 – lid 2
2.  Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang van het programma op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen ervan te waarborgen, is de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bepalingen voor een monitoring- en evaluatiekader te ontwikkelen, inclusief door middel van wijzigingen in bijlage II om de indicatoren te herzien en aan te vullen indien dit nodig is voor evaluatiedoeleinden.
2.  Om een doeltreffende beoordeling van de voortgang van het programma op weg naar de verwezenlijking van de doelstellingen ervan te waarborgen, is de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 19 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bepalingen voor een monitoring- en evaluatiekader te ontwikkelen, inclusief door middel van wijzigingen in bijlage II om de indicatoren te herzien en aan te vullen. De Commissie stelt uiterlijk op 31 december 2022 een gedelegeerde handeling betreffende de indicatoren vast.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  De beschikbare cijfers betreffende het bedrag aan vastleggings- en betalingskredieten dat nodig zou zijn geweest voor de financiering van de projecten met het excellentiekeur worden elk jaar aan de twee takken van de begrotingsautoriteit meegedeeld, ten minste drie maanden vóór de datum van publicatie van hun respectieve standpunten inzake de begroting van de Unie voor het volgende jaar, overeenkomstig het gezamenlijk overeengekomen tijdschema voor de jaarlijkse begrotingsprocedure.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 2
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.
2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uiterlijk op 30 juni 2024 uitgevoerd.
De Commissie dient het tussentijds evaluatieverslag uiterlijk op 31 december 2024 in bij het Europees Parlement en de Raad.
De Commissie dient in voorkomend geval en op basis van de tussentijdse evaluatie een wetgevingsvoorstel tot herziening van deze verordening in.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 18 – lid 3
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, maar uiterlijk twee jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.
3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, maar uiterlijk twee jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, dient de Commissie een eindevaluatie van het programma in.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 20 – lid 1
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren, waarbij zij in het bijzonder de naam van het programma en, voor acties die uit hoofde van het onderdeel MEDIA worden gefinancierd, het MEDIA-logo gebruiken. De Commissie ontwerpt een CULTUUR-logo dat wordt gebruikt voor acties die uit hoofde van het onderdeel CULTUUR worden gefinancierd.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 1 – letter a
a)  samenwerkingsprojecten;
a)  transnationale samenwerkingsprojecten, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen kleinschalige, middelgrote en grootschalige projecten, met bijzondere aandacht voor kleine culturele organisaties en culturele micro-organisaties;
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 1 – letter d
d)  mobiliteit van artiesten en culturele en creatieve actoren;
d)  mobiliteit van artiesten, ambachtslieden en culturele en creatieve actoren bij hun transnationale activiteiten, onder meer door hun kosten te dekken die verband houden met artistieke activiteiten en de verspreiding van artistieke en culturele werken;
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 1 – letter e
e)  ondersteuning van culturele en creatieve organisaties om internationaal te opereren;
e)  ondersteuning van culturele en creatieve organisaties om internationaal te opereren en hun capaciteitsopbouw te ondersteunen;
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 2 – letter a
a)  ondersteuning van de muzieksector; bevorderen van verscheidenheid, creativiteit en innovatie op het gebied van muziek, met name de verspreiding van muzikaal werk in Europa en erbuiten, opleidingen en publieksontwikkeling voor Europese muzikanten en ondersteuning voor gegevensverzameling en -analyse;
a)  ondersteuning van de muzieksector; bevorderen van verscheidenheid, creativiteit en innovatie op het gebied van muziek, met name de livemuzieksector, onder meer door netwerkactiviteiten, de verspreiding en promotie van diverse Europese muzikale werken en repertoires in Europa en erbuiten, opleidingen, deelname aan muziek, toegang tot muziek, publieksontwikkeling, zichtbaarheid en erkenning van (voornamelijk jonge en opkomende) makers, organisatoren en artiesten, en ondersteuning voor gegevensverzameling en -analyse;
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 2 – letter b
b)  ondersteuning van de boeken- en uitgeverijsector; gerichte acties ter bevordering van verscheidenheid, creativiteit en innovatie, met name de vertaling en het aanprijzen van Europese literatuur over de grenzen heen binnen en buiten Europa, opleidingen en uitwisselingen voor beroepsbeoefenaars in de sector, auteurs en vertalers en transnationale projecten voor samenwerking, innovatie en ontwikkeling in de sector;
b)  ondersteuning van de boeken- en uitgeverijsector; gerichte acties ter bevordering van verscheidenheid, creativiteit, innovatie, met name de vertaling, de aanpassing naar voor personen met een handicap toegankelijke formaten en het aanprijzen van Europese literatuur over de grenzen heen binnen en buiten Europa, onder meer via bibliotheken, opleidingen en uitwisselingen voor beroepsbeoefenaars in de sector, auteurs en vertalers, alsook transnationale projecten voor samenwerking, innovatie en ontwikkeling in de sector;
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 2 – letter c
c)  ondersteuning van de architectuursector en de sector cultureel erfgoed; gerichte acties voor de mobiliteit van actoren, capaciteitsopbouw, publieksontwikkeling en internationalisering van de sector cultureel erfgoed en de architectuursector, bevordering van Baukultur, ondersteuning van het veiligstellen, bewaren en versterken van cultureel erfgoed en de waarden ervan door bewustmaking, netwerken en intercollegiaal leren;
c)  ondersteuning van de sector cultureel erfgoed en van architectuur; gerichte acties voor de mobiliteit van actoren, onderzoek, totstandbrenging van hoogwaardige normen, capaciteitsopbouw, het delen van professionele kennis en vaardigheden voor ambachtslieden, betrokkenheid van het publiek, ondersteuning van het veiligstellen, bewaren, regenereren van leefruimte, adaptief hergebruik, bevordering van Baukultur, duurzaamheid, verspreiding, versterking en internationalisering van cultureel erfgoed en de waarden ervan door bewustmaking, netwerken en intercollegiaal leren;
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 2 – letter d
d)  ondersteuning van andere sectoren; gerichte acties ter bevordering van de ontwikkeling van de creatieve aspecten van de ontwerp- en modesectoren en cultureel toerisme en de aanprijzing en vertegenwoordiging ervan buiten de Europese Unie.
d)  ondersteuning van andere sectoren; gerichte promotieacties ter bevordering van de ontwikkeling van de creatieve aspecten van andere sectoren, waaronder de ontwerp- en modesectoren en duurzaam cultureel toerisme en de aanprijzing en vertegenwoordiging ervan buiten de Europese Unie.
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 2 bis (nieuw)
Ondersteuning van alle culturele en creatieve sectoren op gebieden van gemeenschappelijke behoefte, aangezien de ontwikkeling van een sectorale actie een geschikte methode kan zijn in gevallen waar een gerichte benadering gerechtvaardigd is door de specifieke kenmerken van een deelsector. Er wordt een horizontale benadering gehanteerd voor transnationale projecten met het oog op samenwerking, mobiliteit en internationalisering, onder meer via residentieprogramma's, tournees, evenementen, liveoptredens, tentoonstellingen en festivals, alsook met het oog op de bevordering van diversiteit, creativiteit en innovatie, opleiding en uitwisselingen voor beroepsbeoefenaars uit de sector, capaciteitsopbouw, netwerkactiviteiten, vaardigheden, publieksontwikkeling en gegevensverzameling en -analyse. Sectorale acties krijgen een begroting toegewezen die in verhouding staat tot de als prioriteit aangewezen sectoren. Sectorale acties moeten helpen inspelen op de specifieke uitdagingen waar de verschillende prioritaire sectoren als vastgesteld in deze bijlage mee worden geconfronteerd, voortbouwend op bestaande proefprojecten en voorbereidende acties.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 3 – inleidende formule
Speciale acties gericht op het zichtbaar en tastbaar maken van de Europese culturele verscheidenheid en het cultureel erfgoed en het koesteren van de interculturele dialoog:
Speciale acties gericht op het zichtbaar en tastbaar maken van de Europese identiteit en culturele verscheidenheid en het cultureel erfgoed en het koesteren van de interculturele dialoog:
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 3 – letter b
b)  Europees erfgoedlabel, waarborgen van financiële steun aan Verordening (EU) nr. 1194/2011 van het Europees Parlement en de Raad34;
b)  Europees erfgoedlabel, waarborgen van financiële steun aan Verordening (EU) nr. 1194/2011 van het Europees Parlement en de Raad34 en een netwerk van sites met het Europees erfgoedlabel;
__________________
__________________
34 Besluit nr. 1194/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot instelling van een actie van de Europese Unie voor het Europees erfgoedlabel (PB L 303 van 22.11.2011, blz. 1).
34 Besluit nr. 1194/2011/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 tot instelling van een actie van de Europese Unie voor het Europees erfgoedlabel (PB L 303 van 22.11.2011, blz. 1).
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 3 – letter c
c)  EU-cultuurprijzen;
c)  EU-cultuurprijzen, met inbegrip van de Europese theaterprijs;
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 1 – alinea 1 – rubriek 3 – letter d bis (nieuw)
d bis)  acties gericht op interdisciplinaire producties in verband met Europa en de Europese waarden;
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – inleidende formule
Voor de prioriteiten van het programmaonderdeel MEDIA als bedoeld in artikel 5 wordt rekening gehouden met de verschillen tussen de landen wat de productie, verspreiding en toegankelijkheid van audiovisuele inhoud betreft, alsook wat de omvang en specifieke kenmerken van de respectieve markten betreft, en worden uitgevoerd door middel van, onder meer:
Voor de prioriteiten van het programmaonderdeel MEDIA als bedoeld in artikel 5 wordt rekening gehouden met de vereisten van Richtlijn 2010/13/EU en de verschillen tussen de landen wat de productie, verspreiding en toegankelijkheid van audiovisuele inhoud betreft, alsook wat de omvang en specifieke kenmerken van de respectieve markten betreft, en de prioriteiten worden uitgevoerd door middel van, onder meer:
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter a
a)  de ontwikkeling van audiovisuele werken;
a)  de ontwikkeling van Europese audiovisuele werken, met name films en televisiewerken zoals fictie, kortfilms, documentaires, kinderfilms en animatiefilms, alsook interactieve werken zoals kwalitatief hoogwaardige en narratieve videogames en multimedia met een versterkt grensoverschrijdend verspreidingspotentieel van Europese onafhankelijke productiebedrijven;
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter b
b)  de productie van innovatieve inhoud voor televisie en seriële verteltechnieken;
b)  de productie van innovatieve en kwalitatief hoogwaardige inhoud voor televisie en seriële verteltechnieken voor alle leeftijden, door ondersteuning van Europese onafhankelijke productiebedrijven;
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter b bis (nieuw)
b bis)  ondersteuning van initiatieven gericht op de creatie en promotie van werken die verband houden met de geschiedenis van de Europese integratie en Europese verhalen.
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter c
c)  reclame- en marketinginstrumenten, waaronder online en met gebruikmaking van gegevensanalyse, om de prominentie, de zichtbaarheid, de toegang over de grenzen heen en het bereiken van publiek van Europese werken te vergroten;
c)  promotie-, reclame- en marketinginstrumenten, waaronder online en met gebruikmaking van gegevensanalyse, om de prominentie, de zichtbaarheid, de toegang over de grenzen heen en het bereiken van publiek van Europese werken te vergroten;
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter d
d)  ondersteuning van de internationale verkoop en verspreiding van niet-nationale Europese werken op alle platforms, waaronder door gecoördineerde verspreidingsstrategieën in verschillende landen;
d)  ondersteuning van de internationale verkoop en verspreiding van niet-nationale Europese werken op alle platforms die zich richten op zowel kleine als grote producties, waaronder door gecoördineerde verspreidingsstrategieën in verschillende landen en ondertiteling, nasynchronisatie en audiodescriptie;
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  acties ter ondersteuning van landen met een lage capaciteit om hun respectieve vastgestelde tekortkomingen te verbeteren;
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter e
e)  ondersteuning van business-to-business-uitwisselingen en netwerkactiviteiten ter bevordering van Europese en internationale coproducties;
e)  ondersteuning van business-to-business-uitwisselingen en netwerkactiviteiten ter bevordering van Europese en internationale coproducties en de verspreiding van Europese werken;
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter e bis (nieuw)
e bis)  ondersteuning van Europese netwerken van makers van audiovisueel werk uit verschillende landen met het oog op het koesteren van creatief talent in de audiovisuele sector;
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter e ter (nieuw)
e ter)  specifieke maatregelen om bij te dragen aan een rechtvaardige behandeling van creatief talent in de audiovisuele sector;
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter g
g)  initiatieven ter bevordering van publieksontwikkeling en filmonderwijs, met name gericht op jong publiek;
g)  initiatieven ter bevordering van publieksontwikkeling en publieksbinding, met name in bioscopen en in film- en audiovisueel onderwijs, met name gericht op jong publiek;
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter h
h)  activiteiten in het kader van opleiding en mentoring ter versterking van het vermogen van audiovisuele actoren om zich aan te passen aan nieuwe marktontwikkelingen en digitale technologieën;
h)  activiteiten in het kader van opleiding en mentoring ter versterking van het vermogen van audiovisuele actoren, met inbegrip van ambachtslieden, om zich aan te passen aan nieuwe marktontwikkelingen en digitale technologieën;
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter i
i)  een Europees netwerk voor actoren op het gebied van video-on-demand met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese werken;
i)  een of meer Europese netwerken voor actoren op het gebied van video-on-demand met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese werken;
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter j
j)  netwerken van Europese festivals met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese films;
j)  Europese festivals en netwerken van festivals met het oog op vertoning en bevordering van een waaier aan Europese audiovisuele werken, met een significant aandeel van niet-nationale Europese films;
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter k
k)  een Europees netwerk van bioscoopexploitanten met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese films;
k)  een Europees netwerk van bioscoopexploitanten met het oog op vertoning van een significant aandeel van niet-nationale Europese films, het helpen versterken van de rol van bioscopen in de waardeketen en het benadrukken van openbare vertoningen als een sociale ervaring;
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter l
l)  specifieke maatregelen om bij te dragen aan een evenwichtigere participatie van mannen en vrouwen in de culturele en creatieve industrieën;
l)  specifieke maatregelen, waaronder mentoring- en netwerkactiviteiten, om bij te dragen aan een evenwichtigere participatie van mannen en vrouwen in de audiovisuele sector;
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 2 – alinea 1 – letter n bis (nieuw)
n bis)  ondersteuning van de verspreiding van en meertalige toegang tot online en offline televisie-inhoud van culturele aard, onder meer door middel van ondertiteling, om de rijkdom en diversiteit van het cultureel erfgoed, de hedendaagse creaties en de talen van Europa te bevorderen.
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 1 – letter a
a)  beleidsontwikkeling, transnationale uitwisseling van kennis en ervaringen, peer learning en netwerken tussen de culturele en creatieve organisaties en beleidsvormers, van sectoroverschrijdende aard;
a)  beleidsontwikkeling, transnationale uitwisseling van kennis en ervaringen, peer learning (waaronder peer mentoring voor nieuwkomers in het programma), bewustmaking en netwerken tussen de culturele en creatieve organisaties en beleidsvormers van sectoroverschrijdende aard, tevens door middel van een permanente structurele dialoog met belanghebbenden en met een forum voor de culturele en creatieve sectoren ter versterking van de dialoog en de oriëntatie van het beleid in de sector;
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 2 – letter a
a)  aanmoedigen van nieuwe vormen van het creëren van inhoud op het kruispunt tussen verschillende culturele en creatieve sectoren, bijvoorbeeld door het gebruik van innovatieve technologieën;
a)  aanmoedigen van nieuwe vormen van het creëren van inhoud op het kruispunt tussen verschillende culturele en creatieve sectoren en samen met actoren uit andere sectoren, bijvoorbeeld door het gebruik van en mentoring bij het gebruik van innovatieve technologieën binnen culturele organisaties en samenwerking via digitale hubs;
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 2 – letter b bis (nieuw)
b bis)  acties gericht op interdisciplinaire producties in verband met Europa en zijn waarden;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 3 – letter a
a)  promotie van het programma op nationaal niveau en verstrekking van informatie over de verschillende soorten financiële steun die in het kader van Uniebeleid beschikbaar zijn;
a)  promotie van het programma op nationaal niveau en verstrekking van relevante informatie over de verschillende soorten financiële steun die in het kader van Uniebeleid beschikbaar zijn, alsook over de evaluatiecriteria, -procedure en -resultaten;
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 3 – letter b
b)  aanmoediging van grensoverschrijdende samenwerking tussen beroepsbeoefenaars, instellingen, platforms en netwerken binnen en tussen beleidsgebieden en sectoren die onder het programma vallen;
b)  ondersteuning van potentiële begunstigden bij het indienen van een aanvraag, aanmoediging van grensoverschrijdende samenwerking en de uitwisseling van beste praktijken tussen beroepsbeoefenaars, instellingen, platforms en netwerken binnen en tussen beleidsgebieden en sectoren die onder het programma vallen;
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 3 – letter c
c)  ondersteuning van de Commissie door te zorgen voor passende communicatie en verspreiding van de resultaten van het programma naar de burgers.
c)  ondersteuning van de Commissie door te zorgen voor passende bottom-up- en top-downcommunicatie en -verspreiding van de resultaten van het programma naar de burgers en naar de actoren.
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 4 – letter a
a)  reageren op de structurele veranderingen waar de mediasector mee wordt geconfronteerd, door de bevordering en monitoring van een divers en pluralistisch medialandschap;
a)  reageren op de structurele en technologische veranderingen waar de nieuwsmediasector mee wordt geconfronteerd, door de bevordering van een onafhankelijk en pluralistisch medialandschap en door de ondersteuning van onafhankelijke monitoring om de risico's en uitdagingen voor mediapluralisme en mediavrijheid te beoordelen;
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 4 – letter b
b)  ondersteuning van een hoge standaard van mediaproductie door samenwerking, journalistieke samenwerking over grenzen heen en inhoud van hoge kwaliteit;
b)  ondersteuning van een hoge standaard van mediaproductie door bevordering van samenwerking, digitale vaardigheden, journalistieke samenwerking over grenzen heen, inhoud van hoge kwaliteit en duurzame economische modellen voor de media om de beroepsethiek in de journalistiek te waarborgen;
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 4 – letter c
c)  bevordering van mediageletterdheid zodat burgers een kritisch inzicht in de media kunnen ontwikkelen.
c)  bevordering van mediageletterdheid zodat burgers, met name jongeren, een kritisch inzicht in de media kunnen ontwikkelen, ondersteuning van de oprichting van een platform van de Unie om praktijken en beleid op het gebied van mediageletterdheid te delen onder alle lidstaten, onder meer via universitaire radio- en medianetwerken die zich met Europa bezighouden, en het aanbieden van opleidingsprogramma's voor nieuwsmediaprofessionals om desinformatie te leren herkennen en tegen te gaan.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Bijlage I – punt 3 – alinea 1 – rubriek 4 – letter c bis (nieuw)
c bis)  bevordering en bescherming van de politieke dialoog en de dialoog met het maatschappelijk middenveld over bedreigingen voor mediavrijheid en mediapluralisme in Europa;
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Bijlage II – afdeling -1 (nieuw)
-1.  GEMEENSCHAPPELIJKE KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE IMPACTINDICATOREN VAN HET PROGRAMMA
(1)  Voordeel voor burgers en gemeenschappen
(2)  Voordeel voor het versterken van Europese culturele diversiteit en Europees cultureel erfgoed
(3)  Voordeel voor de economie en werkgelegenheid in de Unie, met name voor de culturele en creatieve sectoren en kmo's
(4)  Mainstreaming van het Uniebeleid, met inbegrip van internationale culturele betrekkingen
(5)  Europese meerwaarde van projecten
(6)  Kwaliteit van partnerschappen en culturele projecten
(7)  Aantal mensen dat toegang heeft tot de Europese culturele en creatieve werken die door het programma worden ondersteund
(8)  Aantal arbeidsplaatsen in het kader van de gesteunde projecten
(9)  Genderevenwicht, indien nodig, mobiliteit en een sterkere positie voor de operatoren in de culturele en creatieve sectoren.

(1) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(2) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.


'Erasmus': het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport ***I
PDF 365kWORD 98k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van 'Erasmus': het programma van de Unie voor onderwijs, opleiding, jeugd en sport en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1288/2013 (COM(2018)0367 – C8-0233/2018 – 2018/0191(COD))
P8_TA(2019)0324A8-0111/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen ***I
PDF 304kWORD 100k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de totstandbrenging van een raamwerk om duurzame beleggingen te bevorderen (COM(2018)0353 – C8-0207/2018 – 2018/0178(COD))
P8_TA-PROV(2019)0325A8-0175/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0353),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0207/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 december 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien de gezamenlijke vergaderingen van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0175/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan duurzame groei financieren gekomen25, waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor duurzame financiering uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De totstandbrenging van een eengemaakt classificatiesysteem voor duurzame activiteiten is de belangrijkste en dringendste maatregel die in het actieplan wordt overwogen. In het actieplan wordt erkend dat de verschuiving van kapitaalstromen naar duurzamere activiteiten moet stoelen op een consensus over wat "duurzaam" inhoudt. In een eerste stap dienen duidelijke handvatten met betrekking tot activiteiten die kwalificeren als bijdragend aan milieudoelstellingen, beleggers te helpen informeren over de beleggingen die ecologisch duurzame economische activiteiten financieren. In een latere fase kunnen misschien verdere handvatten worden ontwikkeld over de activiteiten die bijdragen tot andere duurzaamheidsdoelstellingen, zoals sociale doelstellingen.
(6)  In maart 2018 is de Commissie met haar actieplan duurzame groei financieren gekomen25, waarin zij een ambitieuze en brede strategie voor duurzame financiering uittekent. Een van de doelstellingen uit dat actieplan is het heroriënteren van kapitaalstromen in de richting van duurzame beleggingen om zo duurzame en inclusieve groei te bewerkstelligen. De totstandbrenging van een eengemaakt classificatiesysteem en van indicatoren ter bepaling van de mate van duurzaamheid van activiteiten is de belangrijkste en dringendste maatregel die in het actieplan wordt overwogen. In het actieplan wordt erkend dat de verschuiving van kapitaalstromen naar duurzamere activiteiten moet stoelen op een alomvattende consensus over de impact van economische activiteiten en beleggingen op ecologische duurzaamheid en hulpbronnenefficiëntie. In een eerste stap dienen duidelijke handvatten met betrekking tot activiteiten die kwalificeren als bijdragend aan milieudoelstellingen, beleggers te helpen informeren over de beleggingen die economische activiteiten financieren naargelang van hun mate van duurzaamheid. In het licht van de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de conclusies van de Europese Raad van 20 juni 2017 moeten ook verdere handvatten worden ontwikkeld over de activiteiten die bijdragen tot andere duurzaamheidsdoelstellingen, zoals sociale en governancedoelstellingen, opdat de Agenda 2030 op volledige, samenhangende, alomvattende, geïntegreerde en doeltreffende wijze wordt uitgevoerd.
_________________
_________________
25 COM(2018)0097.
25 COM(2018)0097.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Hoewel wordt erkend dat de klimaatverandering dringend moet worden aangepakt, kan een eenzijdige nadruk op blootstelling aan koolstof negatieve overloopeffecten hebben doordat beleggingsstromen worden gericht op andere doelen, die andere milieurisico's inhouden. Daarom moeten voldoende waarborgen worden ingesteld om ervoor te zorgen dat de economische activiteiten niet nadelig zijn voor andere milieudoelstellingen, zoals biodiversiteit en energie-efficiëntie. Beleggers hebben vergelijkbare en alomvattende informatie over milieurisico's en de effecten ervan nodig om bij het beoordelen van hun portefeuilles met meer elementen rekening te kunnen houden dan uitsluitend blootstelling aan koolstof.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  Gezien de urgentie van de met elkaar samenhangende problemen van de achteruitgang van het milieu en de overconsumptie van hulpbronnen moet een systemische benadering worden gevolgd om exponentieel groeiende negatieve trends aan te pakken, zoals het verlies van biodiversiteit, de wereldwijde overconsumptie van hulpbronnen, het ontstaan van nieuwe bedreigingen, waaronder gevaarlijke chemische producten en mengsels daarvan, voedselschaarste, klimaatverandering, aantasting van de ozonlaag, verzuring van de oceanen, uitputting van drinkwaterbronnen en verandering van landgebruik. Daarom moeten de te ondernemen acties toekomstgericht zijn en geschikt zijn het hoofd te bieden aan de komende uitdagingen. Door de omvang van die uitdagingen zijn een alomvattende en ambitieuze benadering en de toepassing van een streng voorzorgsbeginsel vereist.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  In het initiatiefverslag van het Europees Parlement van 29 mei 2018 betreffende duurzame financiering zijn de essentiële elementen voor de duurzaamheidsindicatoren en de taxonomie als prikkels voor duurzame beleggingen vastgelegd. De desbetreffende wetgeving moet voorzien in een afdoende mate van samenhang.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  De omvang van die uitdagingen vereist een geleidelijke verschuiving van het financiële stelsel als geheel teneinde ervoor te zorgen dat de economie op een duurzame basis kan functioneren. Hiertoe moet duurzame financiering de standaard worden en moet rekening worden gehouden met het duurzaamheidseffect ten aanzien van financiële producten en diensten.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Financiële producten aanbieden waarmee ecologisch duurzame doelstellingen worden nagestreefd, is een doeltreffende manier om particuliere beleggingen te kanaliseren naar duurzame activiteiten. Nationale vereisten om financiële producten en bedrijfsobligaties als duurzame beleggingen in de markt te zetten, met name vereisten waarmee de betrokken marktspelers een nationaal label kunnen gebruiken, zetten in op het vergroten van het beleggersvertrouwen, het creëren van zichtbaarheid en het aanpakken van zorgen over "greenwashing". Met "greenwashing" wordt de praktijk bedoeld waarbij een oneerlijk concurrentievoordeel wordt verkregen door een financieel product als milieuvriendelijk in de markt te zetten, terwijl dat in feite niet aan elementaire milieunormen voldoet. Momenteel zijn er slechts in een paar lidstaten regelingen voor het toekennen van labels. Deze berusten op uiteenlopende taxonomieën voor de classificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten. Gezien de politieke toezeggingen in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs en op Unieniveau, valt te verwachten dat meer en meer lidstaten zullen overwegen regelingen voor de toekenning van labels op te zetten of andere eisen aan marktspelers te stellen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam in de markt worden gezet. Daarbij zouden lidstaten dan hun eigen nationale taxonomieën gebruiken om te bepalen welke beleggingen als duurzaam kwalificeren. Indien dergelijke nationale vereisten zijn gebaseerd op uiteenlopende criteria voor het beantwoorden van de vraag welke economische activiteiten als ecologisch duurzaam kwalificeren, zullen beleggers ontmoedigd worden om over de grenzen heen te investeren door de problemen die zij hebben om de verschillende beleggingskansen te vergelijken. Daarnaast zouden economische spelers die beleggingen van over de hele Unie willen aantrekken, in de verschillende lidstaten aan uiteenlopende criteria moeten voldoen, willen hun activiteiten voor de verschillende labels als ecologisch duurzaam kwalificeren. Het ontbreken van eenvormige criteria zal dus de kosten opdrijven en zal een sterk negatieve prikkel doen ontstaan voor economische spelers, die zou neerkomen op een belemmering van de toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten voor duurzame beleggingen. De barrières voor toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten met het oog op het aantrekken van middelen voor duurzame projecten, zullen naar verwachting nog verder toenemen. De criteria om te bepalen wanneer een economische activiteit ecologisch duurzaam is, dienen dus op Unieniveau te worden geharmoniseerd, om de hinderpalen voor het functioneren van de interne markt op te ruimen en te voorkomen dat verdere hinderpalen ontstaan. Met dit soort harmonisatie zullen economische spelers het eenvoudiger vinden om over de grenzen heen financiering aan te trekken voor hun groene activiteiten, omdat hun economische activiteiten kunnen worden afgetoetst aan eenvormige criteria om te worden geselecteerd als onderliggende activa voor ecologisch duurzame beleggingen. Een en ander zal dus ertoe bijdragen om in de Unie beleggingen over grenzen heen aan te trekken.
(9)  Financiële producten aanbieden waarmee ecologisch duurzame doelstellingen worden nagestreefd, is een doeltreffende manier om particuliere beleggingen geleidelijk te verschuiven van activiteiten met een negatief milieueffect naar duurzamere activiteiten. Nationale vereisten om financiële producten, diensten en bedrijfsobligaties als duurzame beleggingen in de zin van deze verordening in de markt te zetten, met name vereisten waarmee de betrokken marktspelers een nationaal label kunnen gebruiken, zetten in op het vergroten van het beleggersvertrouwen en de bewustwording van risico's, het creëren van zichtbaarheid en het aanpakken van zorgen over "greenwashing". Met "greenwashing" wordt de praktijk bedoeld waarbij een oneerlijk concurrentievoordeel wordt verkregen door een financieel product als milieuvriendelijk in de markt te zetten, terwijl dat in feite niet aan elementaire milieunormen voldoet. Momenteel zijn er slechts in een paar lidstaten regelingen voor het toekennen van labels. Deze berusten op uiteenlopende taxonomieën voor de classificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten. Gezien de politieke toezeggingen in het kader van de Klimaatovereenkomst van Parijs en op Unieniveau, valt te verwachten dat meer en meer lidstaten zullen overwegen regelingen voor de toekenning van labels op te zetten of andere eisen aan marktspelers te stellen ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam in de markt worden gezet. Daarbij zouden lidstaten dan hun eigen nationale taxonomieën gebruiken om te bepalen welke beleggingen als duurzaam kwalificeren. Indien dergelijke nationale vereisten zijn gebaseerd op uiteenlopende criteria en indicatoren voor het beantwoorden van de vraag welke economische activiteiten als ecologisch duurzaam kwalificeren, zullen beleggers ontmoedigd worden om over de grenzen heen te investeren door de problemen die zij hebben om de verschillende beleggingskansen te vergelijken. Daarnaast zouden economische spelers die beleggingen van over de hele Unie willen aantrekken, in de verschillende lidstaten aan uiteenlopende criteria moeten voldoen, willen hun activiteiten voor de verschillende labels als ecologisch duurzaam kwalificeren. Het ontbreken van eenvormige criteria en indicatoren zal beleggingen op een in milieuopzicht ondoeltreffende, en in sommige gevallen contraproductieve, wijze kanaliseren en ertoe leiden dat de milieu- en duurzaamheidsdoelstellingen niet worden verwezenlijkt. Dit ontbreken drijft dus de kosten op en doet een sterk negatieve prikkel ontstaan voor economische spelers, die neerkomt op een belemmering van de toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten voor duurzame beleggingen. De barrières voor toegang tot grensoverschrijdende kapitaalmarkten met het oog op het aantrekken van middelen voor duurzame projecten, zullen naar verwachting nog verder toenemen. De criteria en indicatoren om de mate van duurzaamheid van een economische activiteit te bepalen, dienen dus op Unieniveau te worden geharmoniseerd, om de hinderpalen voor het functioneren van de interne markt op te ruimen en te voorkomen dat verdere hinderpalen ontstaan. Met dit soort harmonisatie van informatie, cijfers en criteria zullen economische spelers het eenvoudiger vinden om over de grenzen heen financiering aan te trekken voor hun ecologisch duurzame activiteiten, omdat hun economische activiteiten kunnen worden afgetoetst aan eenvormige criteria en indicatoren om te worden geselecteerd als onderliggende activa voor ecologisch duurzame beleggingen. Een en ander zal dus ertoe bijdragen om in de Unie beleggingen over grenzen heen aan te trekken.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)   Om het mogelijk te maken dat de Unie haar milieu- en klimaatverbintenissen kan nakomen, is het van belang particuliere beleggingen te mobiliseren. Dit vereist langetermijnplanning, stabiele regelgeving en voorspelbaarheid voor investeerders. Teneinde een coherent beleidskader voor duurzame beleggingen te waarborgen, is het dan ook van belang dat de bepalingen van deze verordening voortbouwen op bestaande Uniewetgeving.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Bovendien is het zo dat, indien marktdeelnemers geen toelichting verschaffen over de vraag hoe de activiteiten waarin zij beleggen, aan milieudoelstellingen bijdragen of indien zij in hun toelichting uiteenlopende concepten hanteren over wat een "duurzame" economische activiteit is, beleggers het onevenredig lastig zullen vinden om deze verschillende financiële producten te controleren en te vergelijken. Gebleken is dat beleggers hierdoor worden ontmoedigd om in groene financiële producten te beleggen. Bovendien heeft het gebrek aan beleggersvertrouwen belangrijke schadelijke effecten op de markt voor duurzame beleggingen. Voorts is aangetoond dat nationale regels of marktgebaseerde initiatieven om binnen nationale grenzen iets te doen aan deze kwestie, zullen leiden tot compartimentering van de interne markt. Indien financiëlemarktdeelnemers informatie verschaffen over de vraag hoe financiële producten die volgens hen milieuvriendelijk zijn, aan milieudoelstellingen voldoen en indien zij voor die informatieverschaffing gebruikmaken van in de hele Unie gemeenschappelijke criteria voor wat een ecologisch duurzame economische activiteit is, zal dit beleggers helpen om milieuvriendelijke beleggingskansen over de grenzen heen te vergelijken. Beleggers zullen in de hele Unie met meer vertrouwen in groene financiële producten beleggen, hetgeen het functioneren van de interne markt ten goede zal komen.
(10)  Bovendien is het zo dat, indien marktdeelnemers geen informatie verschaffen over hoe de activiteiten waarin zij beleggen op negatieve of positieve wijze aan milieudoelstellingen bijdragen of indien zij in hun toelichting over de mate van ecologische duurzaamheid van een economische activiteit uiteenlopende cijfers en criteria voor het bepalen van het effect hanteren, beleggers het onevenredig lastig zullen vinden om verschillende financiële producten te controleren en te vergelijken. Gebleken is dat beleggers hierdoor worden ontmoedigd om in duurzame financiële producten te beleggen. Bovendien heeft het gebrek aan beleggersvertrouwen belangrijke schadelijke effecten op de markt voor duurzame beleggingen. Voorts is aangetoond dat nationale regels of marktgebaseerde initiatieven om binnen nationale grenzen iets te doen aan deze kwestie, zullen leiden tot compartimentering van de interne markt. Indien financiëlemarktdeelnemers informatie verschaffen over de vraag hoe financiële producten die volgens hen milieuvriendelijk zijn, aan milieudoelstellingen voldoen en indien zij voor die informatieverschaffing gebruikmaken van in de hele Unie gemeenschappelijke criteria voor wat een ecologisch duurzame economische activiteit is, zal dit beleggers helpen om de milieu-impact van beleggingskansen over de grenzen heen te vergelijken en zal dit ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd aansporen duurzamere bedrijfsmodellen te ontwikkelen. Beleggers zullen in de hele Unie met meer vertrouwen in groene financiële producten beleggen, hetgeen het functioneren van de interne markt ten goede zal komen.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Teneinde een zinvol milieu- en breder duurzaamheidseffect te bewerkstelligen, onnodige administratieve lasten voor financiëlemarktdeelnemers en andere stakeholders te verminderen en de groei van Europese financiële markten die duurzame economische activiteiten financieren te bevorderen, moet de taxonomie worden gebaseerd op geharmoniseerde, vergelijkbare en uniforme criteria en indicatoren, met inbegrip van ten minste de indicatoren voor de circulaire economie. Die indicatoren moeten met de uniforme methode voor de beoordeling van levenscycli in overeenstemming worden gebracht en in regelgevingsinitiatieven van de Unie worden toegepast. Zij dienen de grondslag te vormen voor de beoordeling van het risico en milieueffect van economische activiteiten en beleggingen. Overlappingen op het gebied van regelgeving moeten worden voorkomen, omdat dit niet in overeenstemming is met de beginselen inzake betere regelgeving en evenredigheid en de doelstelling om een consistente terminologie en een helder regelgevingskader te creëren. Ook onnodige lasten voor zowel overheden als financiële instellingen moeten worden voorkomen. In dat licht moeten ook het toepassingsgebied en het gebruik van de technische screeningcriteria, alsook de koppeling met andere initiatieven, duidelijk worden vastgelegd voordat de taxonomie en de desbetreffende criteria van kracht worden. Bij het vaststellen van geharmoniseerde criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten moeten de bevoegdheden van de lidstaten in de verschillende beleidsterreinen in acht genomen worden. De vereisten van deze verordening moeten op een evenredige manier van toepassing zijn om kleine en niet-complexe instellingen in de zin van deze verordening.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 ter (nieuw)
(10 ter)  De indicatoren moeten worden geharmoniseerd op basis van reeds geleverde inspanningen, zoals de werkzaamheden van de Commissie, het Europees Milieuagentschap en de OESO, en moeten het milieueffect vaststellen van CO2- en andere emissies, biodiversiteit, de productie van afvalstoffen, het gebruik van energie en hernieuwbare energie, grondstoffen, water en direct en indirect landgebruik, zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM/2018/29 final), het EU-actieplan voor de circulaire economie (COM/2015/0614 final) en de resolutie van het Europees Parlement van 9 juli 2015 over hulpbronnenefficiëntie: de overgang naar een circulaire economie (2014/2208(INI)). Voorts moet bij de ontwikkeling van de indicatoren rekening worden gehouden met de aanbevelingen van de deskundigengroep op hoog niveau "Support to Circular Economy Financing" van de Europese Commissie. De Commissie moet beoordelen op welke wijze de werkzaamheden van deze deskundigengroep en die van de technische deskundigengroep geïntegreerd moeten worden. De indicatoren moeten in overeenstemming zijn met de internationaal erkende duurzaamheidsnormen.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Om de bestaande hinderpalen voor het functioneren van de interne markt aan te pakken en om te vermijden dat in de toekomst dergelijke obstakels ontstaan, dient van de lidstaten te worden verlangd dat zij, wanneer zij op nationaal niveau eisen aan marktspelers uitwerken om financiële producten of overheidsobligaties een label ecologisch duurzaam toe te kennen, een gemeenschappelijk concept hanteren van wat een ecologisch duurzame belegging is. Om diezelfde redenen dienen fondsbeheerders en institutionele beleggers die afficheren dat zijzelf milieudoelstellingen nastreven, van hetzelfde concept van ecologisch duurzame belegging gebruik te maken wanneer zij informatie verschaffen over de vraag hoe zij die doelstellingen nastreven.
(11)  Om de bestaande hinderpalen voor het functioneren van de interne markt aan te pakken en om te vermijden dat in de toekomst dergelijke obstakels ontstaan, dient van de lidstaten en de Unie te worden verlangd dat zij, wanneer zij op nationaal niveau eisen aan marktspelers uitwerken om financiële producten, diensten of overheidsobligaties een label ecologisch duurzaam toe te kennen, een gemeenschappelijk concept hanteren ten aanzien van de mate van ecologische duurzaamheid van beleggingen. Om diezelfde redenen dienen fondsbeheerders en institutionele beleggers die afficheren dat zijzelf milieudoelstellingen nastreven, van hetzelfde concept van ecologisch duurzame belegging en dezelfde indicatoren, cijfers en criteria voor het berekenen van het milieueffect gebruik te maken wanneer zij informatie verschaffen over de vraag hoe zij die doelstellingen nastreven.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  De vaststelling van criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten kan bedrijven ertoe aanzetten om op hun websites, op vrijwillige basis, informatie te verschaffen over de ecologisch duurzame economische activiteiten die zij verrichten. Die informatie zal niet alleen de betrokken spelers op de financiële markten helpen om gemakkelijk uit te maken welke bedrijven ecologisch duurzame economische activiteiten verrichten, maar ook zal zij die bedrijven helpen om financiering voor hun groene activiteiten aan te trekken.
(12)  De informatie over het milieueffect van activiteiten zal de betrokken spelers op de financiële markten helpen om gemakkelijk uit te maken wat de mate van ecologische duurzaamheid van de door bedrijven verrichte economische activiteiten is, maar ook zal zij bedrijven helpen om financiering aan te trekken.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Een Unieclassificatie van ecologisch duurzame economische activiteiten zou de ontwikkeling van toekomstig Uniebeleid faciliteren, met inbegrip van Uniebrede normen voor ecologisch duurzame financiële producten, en uiteindelijk de vaststelling van labels die formele erkenning bieden van de inachtneming van die normen in de hele Unie. Eenvormige juridische vereisten om beleggingen, op basis van eenvormige criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten, als economisch duurzame beleggingen te beschouwen, zijn noodzakelijk als ijkpunt voor toekomstige Uniewetgeving die inzet op het faciliteren van die beleggingen.
(13)  Uniebrede indicatoren voor het bepalen van het milieueffect van economische activiteiten zouden de ontwikkeling van toekomstig Uniebeleid faciliteren, met inbegrip van Uniebrede normen en strategieën voor ecologisch duurzame financiële producten, en uiteindelijk de vaststelling van labels die formele erkenning bieden van de inachtneming van die normen in de hele Unie en de grondslag vormen voor andere economische, regelgevings- en prudentiële maatregelen. Eenvormige juridische vereisten voor het vaststellen van de mate van ecologische duurzaamheid van beleggingen, op basis van eenvormige criteria voor de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten en gemeenschappelijke indicatoren voor beoordeling van het milieueffect van beleggingen, zijn noodzakelijk als ijkpunt voor toekomstige Uniewetgeving die inzet op het faciliteren van de verschuiving van beleggingen met een negatieve milieu-impact naar beleggingen met een positief effect.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  In het kader van het bereiken van SDG's in de Unie, zijn beleidskeuzes zoals de oprichting van een Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) doeltreffend gebleken om particuliere beleggingen - samen met overheidsuitgaven - naar duurzame beleggingen te leiden. Verordening (EU) 2015/2017 van het Europees Parlement en de Raad27 geeft 40 % klimaatinvesteringen als streefcijfer voor infrastructuur- en innovatieprojecten in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen. Gemeenschappelijke criteria voor de duurzaamheid van economische activiteiten kunnen nieuwe vergelijkbare initiatieven van de Unie schragen die investeringen ondersteunen waarmee klimaatgerelateerde of andere milieudoelstellingen worden nagestreefd.
(14)  In het kader van het bereiken van SDG's in de Unie kunnen beleidskeuzes zoals de oprichting van een Europees Fonds voor strategische investeringen (EFSI) doeltreffend zijn om particuliere beleggingen samen met overheidsuitgaven – te mobiliseren en naar duurzame beleggingen te leiden. Verordening (EU) 2015/2017 van het Europees Parlement en de Raad27 geeft 40 % klimaatinvesteringen als horizontaal streefcijfer voor infrastructuur- en innovatieprojecten in het kader van het Europees Fonds voor strategische investeringen. Gemeenschappelijke criteria voor de duurzaamheid van economische activiteiten en gemeenschappelijke indicatoren voor milieueffectbeoordeling kunnen nieuwe vergelijkbare initiatieven van de Unie schragen die investeringen ondersteunen waarmee klimaatgerelateerde of andere milieudoelstellingen worden gemobiliseerd.
__________________
__________________
27 Verordening (EU) 2017/2396 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1316/2013 en Verordening (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 34).
27 Verordening (EU) 2017/2396 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1316/2013 en Verordening (EU) 2015/1017 wat betreft de verlenging van de looptijd van het Europees Fonds voor strategische investeringen en wat betreft de invoering van technische versterkingen voor dat fonds en de Europese investeringsadvieshub (PB L 345 van 27.12.2017, blz. 34).
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Om te vermijden dat de markt wordt gecompartimenteerd, maar ook dat consumentenbelangen worden geschaad door een uiteenlopende invulling van het begrip ecologisch duurzame economische activiteiten, dienen nationale vereisten die marktspelers in acht dienen te nemen wanneer zij hun financiële producten of bedrijfsobligaties als ecologisch duurzaam in de markt willen zetten, voort te bouwen op de eenvormige criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten. Bij die marktspelers gaat het om financiëlemarktdeelnemers die "groene" financiële producten aanbieden, en om niet-financiële vennootschappen die "groene" bedrijfsobligaties uitgeven.
(15)  Om te vermijden dat de markt wordt gecompartimenteerd, maar ook dat consumentenbelangen worden geschaad door uiteenlopende ideeën ten aanzien van de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten, dienen nationale vereisten die marktspelers in acht dienen te nemen wanneer zij hun financiële producten of bedrijfsobligaties als ecologisch duurzaam in de zin van deze verordening in de markt willen zetten, voort te bouwen op de eenvormige criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten. Bij die marktspelers gaat het om financiëlemarktdeelnemers die duurzame financiële producten of diensten aanbieden, en om niet-financiële vennootschappen die duurzame bedrijfsobligaties uitgeven.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Om te vermijden dat de informatieverschaffingsverplichting wordt omzeild, dient die verplichting ook te gelden bij het aanbieden van financiële producten met kenmerken die vergelijkbaar zijn met ecologisch duurzame beleggingen, met inbegrip van die beleggingen die milieubescherming in ruime zin als doelstelling hebben. Van financiëlemarktdeelnemers dient niet te worden verlangd dat zij uitsluitend beleggen in ecologisch duurzame economische activiteiten die zijn vastgesteld in overeenstemming met de in deze verordening beschreven technische screeningcriteria. Zij dienen te worden aangemoedigd om de Commissie te informeren indien zij van mening zijn dat een economische activiteit die niet aan de technische screeningcriteria voldoet of waarvoor dergelijke criteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam dient te worden beschouwd, ten einde de Commissie te helpen na te gaan of de technische screeningcriteria dienen te worden aangevuld of bijgewerkt.
(17)  Om te vermijden dat de informatieverschaffingsverplichting wordt omzeild, dient die verplichting ook te gelden voor alle financiële producten met kenmerken die vergelijkbaar zijn met ecologisch duurzame beleggingen, met inbegrip van die beleggingen die milieubescherming in ruime zin als doelstelling hebben. Van financiëlemarktdeelnemers dient niet te worden verlangd dat zij uitsluitend beleggen in ecologisch duurzame economische activiteiten die zijn vastgesteld in overeenstemming met de in deze verordening beschreven technische screeningcriteria. Financiëlemarktdeelnemers en andere actoren dienen te worden aangemoedigd om de Commissie te informeren indien zij van mening zijn dat technische screeningcriteria voor de activiteiten die zij financieren nog niet zijn vastgesteld, of dat hun financiële producten als ecologisch duurzaam dienen te worden beschouwd, teneinde de Commissie te helpen na te gaan of de technische screeningcriteria dienen te worden aangevuld of bijgewerkt.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Om uit te maken of een economische activiteit ecologisch duurzaam is, dient een uitputtende lijst van milieudoelstelling te worden vastgesteld.
(18)  Om uit te maken in welke mate een economische activiteit ecologisch duurzaam is, dient een uitputtende lijst van milieudoelstellingen te worden vastgesteld op basis van indicatoren die de milieu-impact meten, met inachtneming van de impact op de volledige industriële waardeketen en de samenhang met de bestaande Uniewetgeving, zoals het pakket schone energie.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  Voor elk van de milieudoelstellingen dienen eenvormige criteria te worden vastgesteld om economische activiteiten te beschouwen als substantieel bijdragend aan die doelstelling. Een onderdeel van de eenvormige criteria dient te zijn dat aanzienlijke schade aan in deze verordening beschreven milieudoelstellingen wordt vermeden. Zo moet worden vermeden dat beleggingen als ecologisch duurzaam worden beschouwd ook al berokkenen de economische activiteiten die van deze beleggingen profiteren, meer schade aan het milieu dan de bijdrage die zij leveren aan een milieudoelstelling. De voorwaarden voor een substantiële bijdrage en voor het niet berokkenen van aanzienlijke schade dienen het mogelijk te maken dat beleggingen in ecologisch duurzame economische activiteiten een reële bijdrage leveren aan de milieudoelstellingen.
(20)  Voor elk van de milieudoelstellingen dienen eenvormige criteria op grond van middels geharmoniseerde indicatoren verstrekte informatie te worden vastgesteld om economische activiteiten te beschouwen als substantieel bijdragend aan die doelstelling. Een onderdeel van de eenvormige criteria dient te zijn dat aanzienlijke schade aan in deze verordening beschreven milieudoelstellingen wordt vermeden. Zo moet worden vermeden dat beleggingen als ecologisch duurzaam worden beschouwd ook al berokkenen de economische activiteiten die van deze beleggingen profiteren, meer schade aan het milieu dan de bijdrage die zij leveren aan een milieudoelstelling. De voorwaarden voor een substantiële bijdrage en voor het niet berokkenen van aanzienlijke schade dienen het mogelijk te maken dat beleggingen in ecologisch duurzame economische activiteiten een reële bijdrage leveren aan de milieudoelstellingen.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Gezien de specifieke technische details die nodig zijn om de milieu-impact van een economische activiteit te beoordelen, en gezien het snel veranderende karakter van wetenschap en technologie, dienen de criteria van ecologisch duurzame economische activiteiten op regelmatige tijdstippen aan die veranderingen te worden aangepast. Willen de criteria actueel zijn en gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs en input van deskundigen en betrokken stakeholders, dan dienen de voorwaarden voor wat een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade is voor de verschillende economische activiteiten, meer in detail te worden uitgewerkt en dienen zij op regelmatige tijdstippen te worden bijgewerkt. Met het oog daarop dient de Commissie voor de verschillende economische activiteiten gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria vast te stellen, op basis van de technische input van een multistakeholderplatform voor duurzame financiering.
(22)  Gezien de specifieke technische details die nodig zijn om de milieu-impact van een economische activiteit te beoordelen, en gezien het snel veranderende karakter van wetenschap en technologie, dienen de criteria ter bepaling van de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten op regelmatige tijdstippen aan die veranderingen te worden aangepast. Willen de criteria en indicatoren actueel zijn en gebaseerd zijn op wetenschappelijk bewijs en input van deskundigen en betrokken stakeholders, dan dienen de voorwaarden voor wat een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade is voor de verschillende economische activiteiten, meer in detail te worden uitgewerkt en dienen zij op regelmatige tijdstippen te worden bijgewerkt. Met het oog daarop dient de Commissie voor de verschillende economische activiteiten gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria en een reeks geharmoniseerde indicatoren vast te stellen, op basis van de technische input van een multistakeholderplatform voor duurzame financiering.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  Sommige economische activiteiten hebben een negatieve impact op het milieu en een substantiële bijdrage aan één of meer milieudoelstellingen kan worden bereikt door die negatieve impact te verminderen. Voor die economische activiteiten dienen technische screeningcriteria te worden vastgesteld die een substantiële verbetering van de milieuprestaties ten opzichte van (onder meer) het sectorale gemiddelde vergen. Die criteria dienen ook rekening te houden met de impact op lange termijn van een bepaalde economische activiteit.
(23)  Sommige economische activiteiten hebben een negatieve impact op het milieu en een substantiële bijdrage aan één of meer milieudoelstellingen kan worden bereikt door die negatieve impact te verminderen. Voor die economische activiteiten dienen technische screeningcriteria te worden vastgesteld die een substantiële verbetering van de milieuprestaties ten opzichte van (onder meer) het sectorale gemiddelde vergen teneinde te bepalen of de activiteiten een aanzienlijke bijdrage aan één of meer milieudoelstellingen kunnen leveren. Die criteria dienen ook rekening te houden met de impact op lange termijn (namelijk meer dan drie jaar) van een bepaalde economische activiteit, met name de milieuvoordelen van producten en diensten tijdens het gebruik ervan, alsook de bijdrage van tussenproducten, zodat de productie- en gebruiksfasen in hun totaliteit voor de volledige gegenereerde meerwaarde, in de volledige waardeketen en gedurende de hele levenscyclus, worden beoordeeld.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  Een economische activiteit mag niet als ecologisch duurzaam worden beschouwd indien deze het milieu meer schade berokkent dan de voordelen die zij oplevert. De technische screeningcriteria dienen de minimumeisen in kaart te brengen die nodig zijn om aanzienlijke schade aan andere doelstellingen te vermijden. Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria dient de Commissie erop toe te zien dat die criteria zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en dat zij op geregelde tijdstippen worden bijgewerkt. Wanneer het risico op basis van wetenschappelijke evaluatie met onvoldoende zekerheid kan worden bepaald, dient het voorzorgsbeginsel te gelden, overeenkomstig artikel 191 VWEU.
(24)  Een economische activiteit mag niet als ecologisch duurzaam worden beschouwd indien deze onder de streep geen winst voor het milieu oplevert. De technische screeningcriteria dienen de minimumeisen in kaart te brengen die nodig zijn om aanzienlijke schade aan andere doelstellingen te vermijden. Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria dient de Commissie erop toe te zien dat die criteria redelijk en evenredig zijn en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en dat zij op geregelde tijdstippen worden bijgewerkt, met inachtneming van de volledige waardeketen en de levenscyclus van technologieën. Zij dient er ook op toe te zien dat de criteria op regelmatige wijze worden bijgewerkt. Wanneer het risico op basis van wetenschappelijke evaluatie met onvoldoende zekerheid kan worden bepaald, dient het voorzorgsbeginsel te gelden, overeenkomstig artikel 191 VWEU.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria dient de Commissie rekening te houden met het desbetreffende Unierecht, alsmede met reeds bestaande niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad37, het EU-milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)38, de EU-criteria voor groene overheidsopdrachten39 en de lopende werkzaamheden met betrekking tot regels voor de ecologische voetafdruk van producten en organisaties40. Om onnodige incoherenties te vermijden met classificaties van economische activiteiten die reeds voor andere doeleinden bestaan, dient de Commissie ook rekening te houden met de statistische classificaties met betrekking tot de sector milieugoederen en -diensten, met name de classificatie van activiteiten voor de bescherming van het milieu (CEPA) en de classificatie van activiteiten voor het beheer van hulpbronnen (CReMA)41.
(25)  Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria en een reeks geharmoniseerde indicatoren dient de Commissie rekening te houden met het desbetreffende Unierecht, alsmede met reeds bestaande niet-wetgevingsinstrumenten van de Unie, met inbegrip van Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad37, het EU-milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS)38, de EU-criteria voor groene overheidsopdrachten39, het platform voor circulaire economie van de Commissie, het Europees Platform voor de beoordeling van levenscycli en de lopende werkzaamheden met betrekking tot regels voor de ecologische voetafdruk van producten en organisaties40. Om onnodige incoherenties te vermijden met classificaties van economische activiteiten die reeds voor andere doeleinden bestaan, dient de Commissie ook rekening te houden met de statistische classificaties met betrekking tot de sector milieugoederen en -diensten, met name de classificatie van activiteiten voor de bescherming van het milieu (CEPA) en de classificatie van activiteiten voor het beheer van hulpbronnen (CReMA)41.
__________________
__________________
37 Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1).
37 Verordening (EG) nr. 66/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de EU-milieukeur (PB L 27 van 30.1.2010, blz. 1).
38 Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).
38 Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie (PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1).
39 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Overheidsopdrachten voor een beter milieu SEC(2008)2124 SEC(2008)2125 SEC(2008) 2126 (COM(2008)0400).
39 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Overheidsopdrachten voor een beter milieu SEC(2008)2124 SEC(2008)2125 SEC(2008)2126 (COM(2008)0400.
40 Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie van 9 april 2013 over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 124 van 4.5.2013, blz. 1).
40 Aanbeveling 2013/179/EU van de Commissie van 9 april 2013 over het gebruik van gemeenschappelijke methoden voor het meten en bekendmaken van de milieuprestatie van producten en organisaties gedurende hun levenscyclus (PB L 124 van 4.5.2013, blz. 1).
41 Bijlagen 4 en 5 bij Verordening (EU) nr. 538/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 113).
41 Bijlagen 4 en 5 bij Verordening (EU) nr. 538/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 113).
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria dient de Commissie ook rekening te houden met de specifieke kenmerken van de infrastructuursector en dient zij ook ecologische, sociale en economische externaliteiten in een kosten-batenanalyse mee te nemen. Op dat punt dient de Commissie rekening te houden met de werkzaamheden van internationale organisaties, zoals de OESO, de desbetreffende Uniewetgeving en -normen, met inbegrip van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad42, Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad43, Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad44, Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad45, Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad46, en de bestaande methodiek. In dat verband dienen de technische screeningcriteria passende governanceraamwerken te bevorderen waarin ecologische, sociale en governancefactoren zijn geïntegreerd, als bedoeld in de door de Verenigde Naties gesteunde Principles for Responsible Investment (UN PRI)47, tijdens alle fasen van de levenscyclus van een project.
(26)  Bij het vaststellen en bijwerken van de technische screeningcriteria en de geharmoniseerde indicatoren dient de Commissie ook rekening te houden met de specifieke kenmerken van de verschillende sectoren en dient zij ook ecologische, sociale en economische externaliteiten in een kosten-batenanalyse mee te nemen. Op dat punt dient de Commissie rekening te houden met de werkzaamheden van internationale organisaties, zoals de OESO, de desbetreffende Uniewetgeving en -normen, met inbegrip van Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad42, Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad43, Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad44, Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad45, Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad46, en de bestaande methodiek. In dat verband dienen de technische screeningcriteria en indicatoren passende governanceraamwerken te bevorderen waarin ecologische, sociale en governancefactoren zijn geïntegreerd, als bedoeld in de door de Verenigde Naties gesteunde Principles for Responsible Investment (UN PRI)47, tijdens alle fasen van de levenscyclus van een project.
__________________
__________________
42 Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
42 Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).
43 Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
43 Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).
44 Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
44 Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1).
45 Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
45 Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
46 Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
46 Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
47 https://www.unpri.org/download?ac=1534.
47 https://www.unpri.org/download?ac=1534.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)  Bij het vaststellen van de technische screeningcriteria dient de Commissie ook rekening te houden met maatregelen ten behoeve van de transitie naar een duurzamere koolstofarme economie. Voor ondernemingen die momenteel economische activiteiten verrichten die uiterst schadelijk zijn voor het milieu, moeten er stimulansen zijn voor een snelle transitie naar een ecologisch duurzame of ten minste ecologisch onproblematische status. De technische screeningcriteria moeten dergelijke reeds lopende transitieprocessen aanmoedigen. Als het merendeel van de ondernemingen die een bepaalde schadelijke activiteit verrichten aantoonbaar betrokken is bij een dergelijke transitie, kan daar in de screeningcriteria rekening mee worden gehouden. Onder meer aanhoudende inspanningen voor onderzoek en ontwikkeling, grote projecten waarbij geïnvesteerd wordt in nieuwe en ecologisch duurzamere technologieën, of concrete transitieplannen vanaf het moment dat zij zich in een vroege uitvoeringsfase bevinden, kunnen het bewijs vormen dat ernstige inspanningen voor transitie worden geleverd.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Om te vermijden dat bij het aantrekken van financiering voor ecologisch duurzame economische activiteiten de mededinging wordt verstoord, dienen de technische screeningcriteria ervoor te zorgen dat alle betrokken economische activiteiten binnen een bepaalde bedrijfstak als ecologisch duurzaam kunnen kwalificeren en gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate aan één of meer van de in deze verordening bepaalde milieudoelstellingen bijdragen. Hun potentiële vermogen om aan die milieudoelstellingen bij te dragen, kan echter verschillen tussen bedrijfstakken, hetgeen in de criteria tot uiting dient te komen. Binnen elke bedrijfstak mogen deze criteria echter niet bepaalde economische activiteiten oneerlijk benadelen tegenover andere indien die eerste groep in dezelfde mate aan de milieudoelstellingen bijdraagt als de tweede groep.
(27)  Om ecologisch duurzame innovatie te bevorderen en te vermijden dat bij het aantrekken van financiering voor ecologisch duurzame economische activiteiten de mededinging wordt verstoord, dienen de technische screeningcriteria ervoor te zorgen dat alle betrokken economische activiteiten binnen de macrosectoren (d.w.z. NACE-sectoren als landbouw, bosbouw en visserij, productie, elektriciteit, gas, stoom en airconditioning, bouw, vervoer en opslag) als ecologisch duurzaam kunnen kwalificeren en gelijk worden behandeld indien zij in gelijke mate aan één of meer van de in deze verordening bepaalde milieudoelstellingen bijdragen en geen aanzienlijke schade berokkenen aan één van de andere in de artikelen 3 en 12 bedoelde milieudoelstellingen. Hun potentiële vermogen om aan die milieudoelstellingen bij te dragen, kan echter verschillen tussen bedrijfstakken, hetgeen in de screeningcriteria tot uiting dient te komen. Binnen elke economische macrosector mogen deze criteria echter niet bepaalde economische activiteiten oneerlijk benadelen tegenover andere indien die eerste groep in dezelfde mate aan de milieudoelstellingen bijdraagt als de tweede groep en geen aanzienlijke schade berokkent aan één van de andere in de artikelen 3 en 12 bedoelde milieudoelstellingen.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)  Ecologisch duurzame activiteiten zijn het resultaat van technologieën en producten die binnen alle onderdelen van de waardeketen worden ontwikkeld. Het is dan ook zaak dat de technische screeningcriteria de rol van de gehele waardeketen beslaan, uiteenlopend van de verwerking van grondstoffen, het eindproduct en de afvalfase, tot de daadwerkelijke verrichting van ecologisch duurzame activiteiten.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 ter (nieuw)
(27 ter)   Teneinde te voorkomen dat goed werkende waardeketens worden verstoord, moet bij het vaststellen van de screeningcriteria rekening worden gehouden met het feit dat ecologisch duurzame activiteiten het resultaat zijn van technologieën en producten die door verschillende economische actoren zijn ontwikkeld.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  Bij het vaststellen van technische screeningcriteria dient de Commissie na te gaan of de vaststelling van die criteria voor ecologisch duurzame activiteiten aanleiding kan geven tot gestrande activa of incoherente prikkels kan afgeven, en of een en ander een negatief effect op liquiditeit van financiële markten kan hebben.
(28)  Bij het vaststellen van technische screeningcriteria dient de Commissie mogelijke transitierisico's te beoordelen en na te gaan of het tempo van de vaststelling van die criteria voor ecologisch duurzame activiteiten aanleiding kan geven tot gestrande activa of incoherente prikkels kan afgeven.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 30
(30)  Om ervoor te zorgen dat beleggingen worden gekanaliseerd naar economische activiteiten die de grootste positieve impact op de milieudoelstellingen hebben, dient de Commissie prioriteit te geven aan de vaststelling van technische screeningcriteria voor de economische activiteiten die potentieel het meeste aan de milieudoelstellingen bijdragen.
(30)  Om ervoor te zorgen dat beleggingen worden gekanaliseerd naar economische activiteiten die de grootste positieve impact op de milieudoelstellingen hebben, dient de Commissie prioriteit te geven aan de vaststelling van technische screeningcriteria voor de economische activiteiten die potentieel het meeste aan de milieudoelstellingen bijdragen. Ten behoeve van het identificeren en ontwikkelen van nieuwe technologieën moeten de screeningcriteria rekening houden met de resultaten van projecten en de schaalbaarheid van deze technologieën.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Passende technische screeningcriteria dienen te worden vastgesteld voor de vervoersector, onder meer voor mobiele activa, die rekening dienen te houden met het feit dat de vervoersector, met inbegrip van de internationale scheepvaart, voor bijna 26 % bijdraagt aan de totale broeikasgasemissies in de Unie. Zoals bleek uit het actieplan duurzame groei financieren48, vertegenwoordigt de vervoersector rond 30 % van de extra jaarlijkse investeringsbehoeften voor duurzame ontwikkeling in de Unie, onder meer door meer te elektrificeren of een sterkere transitie naar schonere vervoersvormen door het bevorderen van de modal shift en van verkeersbeheer.
(31)  Passende technische screeningcriteria dienen te worden vastgesteld voor de vervoersector, onder meer voor mobiele activa, die rekening dienen te houden met de gehele levenscyclus van technologieën en met het feit dat de vervoersector, met inbegrip van de internationale scheepvaart, voor bijna 26 % bijdraagt aan de totale broeikasgasemissies in de Unie. Zoals bleek uit het actieplan duurzame groei financieren48, vertegenwoordigt de vervoersector rond 30 % van de extra jaarlijkse investeringsbehoeften voor duurzame ontwikkeling in de Unie, onder meer door meer te elektrificeren of een sterkere transitie naar schonere vervoersvormen door het bevorderen van de modal shift en van verkeersbeheer.
__________________
__________________
48 COM(2018)0097.
48 COM(2018)0097.
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie, wanneer zij de uitwerking van technische screeningcriteria voorbereidt, de nodige consultaties houdt in lijn met de vereisten inzake betere regelgeving. Bij het proces voor de vaststelling en bijwerking van technische screeningcriteria dienen ook de desbetreffende stakeholders te worden betrokken en dient te worden voortgebouwd op het advies van deskundigen met bewezen kennis en ervaring voor de betrokken gebieden. Daartoe dient de Commissie een platform voor duurzame financiering op te zetten. Dit platform dient te bestaan uit deskundigen die zowel de publieke als de particuliere sector vertegenwoordigen. Bij de vertegenwoordigers van de publieke sector dient het te gaan om deskundigen van het Europees Milieuagentschap (EEA), de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA's) en de Europese Investeringsbank (EIB). Bij de deskundigen uit de particuliere sector dient het te gaan om vertegenwoordigers van de betrokken stakeholders, zoals spelers op financiële markten, universiteiten, onderzoeksinstellingen, verenigingen en organisaties. Het platform dient de Commissie te adviseren over de uitwerking, analyse en herziening van technische screeningcriteria, onder meer wat betreft de potentiële impact ervan op de waardering van de activa die tot aan de vaststelling van de technische screeningcriteria volgens bestaande marktpraktijken als "groene" activa werden beschouwd. Ook dient het platform de Commissie te adviseren over de vraag of de technische screeningcriteria geschikt zijn voor verder gebruik in toekomstige beleidsinitiatieven van de Unie die gericht zijn op het bevorderen van duurzame investeringen.
(32)  Het is van bijzonder belang dat de Commissie, wanneer zij de uitwerking van technische screeningcriteria voorbereidt, de nodige consultaties houdt in lijn met de vereisten inzake betere regelgeving. Bij het proces voor de vaststelling en bijwerking van technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren dienen ook de desbetreffende stakeholders te worden betrokken en dient te worden voortgebouwd op wetenschappelijk bewijs, sociaal-economische impact, beste praktijken, bestaande werkzaamheden en entiteiten, met name van het platform voor circulaire economie van de Commissie, en het advies van deskundigen met bewezen kennis en ervaring voor de betrokken gebieden. Daartoe dient de Commissie een platform voor duurzame financiering op te zetten. Dit platform dient te bestaan uit een breed spectrum van deskundigen die zowel de publieke als de particuliere sector vertegenwoordigen teneinde te waarborgen dat naar behoren rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van alle betrokken sectoren. Bij de vertegenwoordigers van de publieke sector dient het te gaan om deskundigen van het Europees Milieuagentschap (EEA) en nationale milieubeschermingsautoriteiten, de Europese toezichthoudende autoriteiten (ESA's), de European Financial Reporting Advisory Group en de Europese Investeringsbank (EIB). Bij de deskundigen uit de particuliere sector gaat het om vertegenwoordigers van de betrokken stakeholders, zoals spelers op financiële en niet-financiële markten, vertegenwoordigers van de reële economie die een breed spectrum van industrieën vertegenwoordigen, en universiteiten, onderzoeksinstellingen, verenigingen en organisaties. In voorkomend geval moet het het platform vrij staan advies in te winnen bij niet-leden. Het platform dient de Commissie te adviseren over de uitwerking, analyse en herziening van technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren, onder meer wat betreft de potentiële impact ervan op de waardering van de activa die tot aan de vaststelling van de technische screeningcriteria volgens bestaande marktpraktijken als duurzaam werden beschouwd. Ook dient het platform de Commissie te adviseren over de vraag of de technische screeningcriteria en indicatoren geschikt zijn voor verder gebruik in toekomstige beleidsinitiatieven van de Unie die gericht zijn op het bevorderen van duurzame investeringen. Het platform moet de Commissie adviseren over de ontwikkeling van normen met betrekking tot de boekhouding en geïntegreerde verslaglegging inzake duurzame investeringen voor ondernemingen en financiëlemarktdeelnemers, onder meer in de vorm van de herziening van Richtlijn 2013/34/EU.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Met het oog op de nadere uitwerking van de in deze verordening uiteengezette vereisten, en met name met het oog op de vaststelling en uitwerking van gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria van wat voor verschillende economische activiteiten een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade aan de milieudoelstellingen is, dient ten aanzien van de informatie die vereist is om aan de in artikel 4, lid 3, uiteengezette informatieverschaffingsverplichting en de in artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vermelde technische screeningcriteria te voldoen, aan de Commissie de bevoegdheid te worden overgedragen om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende consultaties overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die consultaties plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen de deskundigen van het Europees Parlement en de Raad stelselmatig toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.
(33)  Met het oog op de nadere uitwerking van de in deze verordening uiteengezette vereisten, en met name met het oog op de vaststelling en uitwerking van gedetailleerde en gekalibreerde technische screeningcriteria en indicatoren van wat voor verschillende economische activiteiten een substantiële bijdrage en aanzienlijke schade aan de milieudoelstellingen is, dient ten aanzien van de informatie die vereist is om aan de in artikel 4, lid 3, uiteengezette informatieverschaffingsverplichting en de in artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, vermelde technische screeningcriteria te voldoen, aan de Commissie de bevoegdheid te worden overgedragen om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende publieke consultaties overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die consultaties plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Om met name te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dienen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde moment te ontvangen als de deskundigen van de lidstaten, en dienen de deskundigen van het Europees Parlement en de Raad stelselmatig toegang te hebben tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 35
(35)  De toepassing van deze verordening dient op regelmatige tijdstippen te worden bezien om na te gaan welke vooruitgang is geboekt bij de uitwerking van de technische screeningcriteria voor ecologisch duurzame activiteiten, het gebruik van de definitie van ecologisch duurzame beleggingen en de vraag of inachtneming van de verplichtingen het opzetten van een verificatiemechanisme rechtvaardigt. Bij deze evaluatie dient ook te worden nagegaan of het toepassingsgebied van deze verordening moet worden uitgebreid tot sociale duurzaamheidsdoelstellingen.
(35)  De toepassing van deze verordening dient op regelmatige tijdstippen en ten minste na twee jaar te worden bezien om na te gaan welke vooruitgang is geboekt bij de uitwerking van de technische screeningcriteria en geharmoniseerde indicatoren voor ecologisch duurzame en ecologisch schadelijke activiteiten, het gebruik van de definitie van ecologisch duurzame beleggingen ofwel beleggingen met een negatief milieueffect, en de vraag of inachtneming van de verplichtingen het opzetten van verdere verificatiemechanismes rechtvaardigt. Bij deze evaluatie dienen ook de bepalingen te worden beoordeeld die nodig zijn voor het uitbreiden van het toepassingsgebied van deze verordening tot sociale duurzaamheidsdoelstellingen. In voorkomend geval maakt de Commissie uiterlijk op 31 maart 2020 wetgevingsvoorstellen bekend betreffende de inrichting van een op naleving gericht verificatiemechanisme.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden gerealiseerd, omdat op Unieniveau eenvormige criteria moeten worden ingevoerd voor ecologisch duurzame economische activiteiten, kan de Unie maatregelen nemen in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,
(36)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening onvoldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden gerealiseerd, omdat op Unieniveau eenvormige criteria en indicatoren moeten worden ingevoerd voor ecologisch duurzame economische activiteiten, kan de Unie maatregelen nemen in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,
Amendementen 35, 55, 59, 87 en 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
Onderwerp en toepassingsgebied
1.  In deze verordening worden de criteria vastgesteld om uit te maken of een economische activiteit ecologisch duurzaam is, met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging.
1.  In deze verordening worden de criteria vastgesteld om uit te maken hoe groot het milieueffect en de mate van duurzaamheid van een economische activiteit zijn met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging.
2.  Deze verordening is van toepassing op:
2.  Deze verordening is van toepassing op:
(a)  door lidstaten of de Unie genomen maatregelen waarin voor marktspelers vereisten worden uiteengezet ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als ecologisch duurzaam op de markt worden gebracht;
(a)  door lidstaten of de Unie genomen maatregelen waarin voor financiëlemarktdeelnemers vereisten worden uiteengezet ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die binnen de Unie als ecologisch duurzaam op de markt worden gebracht;
(b)  financiëlemarktdeelnemers die financiële producten aanbieden als zijnde ecologisch duurzame beleggingen of als beleggingen die vergelijkbare kenmerken hebben.
(b)  financiëlemarktdeelnemers die binnen de Unie financiële producten aanbieden als zijnde ecologisch duurzame beleggingen of als beleggingen die vergelijkbare kenmerken hebben, en
(b bis)   financiëlemarktdeelnemers die andere financiële producten aanbieden, behalve wanneer:
i)  zij verklaringen bieden, die door redelijke bewijzen worden geschraagd tot tevredenheid van de bevoegde autoriteiten, dat de economische activiteiten die door hun financiële producten gefinancierd worden geen grote impact op de duurzaamheid hebben volgens de in artikel 3 en artikel 3 bis bedoelde technische screeningcriteria, in welk geval de bepalingen van hoofdstuk II en III niet van toepassing zijn. Deze informatie wordt in hun prospectus opgenomen, of
ii)  de financiëlemarktdeelnemer in zijn prospectus verklaart dat het financiële product in kwestie geen duurzaamheidsdoelstellingen nastreeft en een verhoogd risico met zich meebrengt om economische activiteiten te ondersteunen die overeenkomstig deze verordening niet als duurzaam beschouwd worden.
2 bis.  De in artikel 1, lid 1, bedoelde criteria worden op een evenredige wijze toegepast waarbij buitensporige administratieve rompslomp wordt vermeden en rekening wordt gehouden met de aard, omvang en complexiteit van de financiëlemarktdeelnemer en kredietinstellingen door middel van vereenvoudigde bepalingen voor kleine en niet-complexe eenheden overeenkomstig de bepalingen van artikel 4, lid 2 quinquies.
2 ter.  De in artikel 1, lid 1, bedoelde criteria kunnen op vrijwillige basis worden gebruikt voor het in dat lid genoemde doel door ondernemingen die niet onder artikel 1, lid 2, vallen, alsook voor andere financiële instrumenten dan bedoeld in artikel 2.
2 quater.  De Commissie stelt een gedelegeerde handeling vast om te specificeren welke informatie financiëlemarktdeelnemers bij de bevoegde autoriteiten moeten indienen voor de toepassing van artikel 1, lid 2, onder a).
Amendementen 36, 88 en 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 2
Artikel 2
Artikel 2
Definities
Definities
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(a)   "ecologisch duurzame belegging": een investering waarmee één of meerdere economische activiteiten worden gefinancierd die op grond van deze verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren;
(a)  "ecologisch duurzame belegging": een investering waarmee één of meerdere economische activiteiten worden gefinancierd die op grond van deze verordening als ecologisch duurzaam kwalificeren;
(b)  "financiëlemarktdeelnemers": financiëlemarktdeelnemers in de zin van artikel 2, onder a), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341];
(b)  "financiëlemarktdeelnemers": elk van de volgende categorieën, in de zin van artikel 2, onder a), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341]:
i)  een kredietinstelling als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in de zin van [PB: verwijzing invoegen naar het desbetreffende artikel van Verordening (EU) nr. 575/2013];
(b bis)   "uitgevende instelling": een beursgenoteerde uitgevende instelling in de zin van artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis, en van artikel 2, onder h), van Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad1 ter;
(c)  "financiële producten": financiële producten in de zin van artikel 2, onder j), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341];
(c)  "financiële producten": vermogensbeheer, een abi-beheerder, een IBIP, een pensioenproduct, een pensioenregeling of een icbe, of een bedrijfsobligatie, in de zin van artikel 2, onder j), van [voorstel voor een verordening van de Commissie betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341], evenals de uitgifte van effecten als bedoeld in Richtlijn 2003/71/EG en Verordening (EU)2017/1129;
(c bis)  "milieu-indicatoren": ten minste de meting van het verbruik van hulpbronnen, zoals grondstoffen, energie, hernieuwbare energie, water, effect op ecosysteemdiensten, emissies van onder meer CO2, effect op biodiversiteit en landgebruik en productie van afvalstoffen, gebaseerd op wetenschappelijk bewijs en de methode van de Commissie voor de beoordeling van levenscycli en overeenkomstig de mededeling van de Commissie over een monitoringkader voor de circulaire economie (COM/2018/0029);
(c ter)  "relevante nationale bevoegde autoriteit": de bevoegde of toezichthoudende autoriteit of autoriteiten in de lidstaat als bedoeld in de Uniewetgeving vermeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1095/2010, Verordening (EU) nr. 1093/2010 en Verordening (EU) nr. 1094/2010, waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op de categorie financiëlemarktdeelnemers die onder de in artikel 4 van deze verordening bedoelde informatieverschaffingsverplichting vallen;
(c quater)  "betrokken ESA": de Europese toezichthoudende autoriteit of toezichthoudende autoriteit of autoriteiten als bedoeld in de Uniewetgeving vermeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en/of Verordening (EU) nr. 1095/2010, waarvan het toepassingsgebied betrekking heeft op de categorie financiëlemarktdeelnemers die onder de in artikel 4 van deze verordening bedoelde informatieverschaffingsverplichting vallen;
(d)  "mitigatie van klimaatverandering": het proces om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C ten aanzien van het pre-industriële niveau en de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau;
(d)  "mitigatie van klimaatverandering": de processen, met inbegrip van overgangsmaatregelen, vereist om de gemiddelde mondiale temperatuurstijging te beperken tot beduidend minder dan 2 °C, waarbij ernaar wordt gestreefd de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, zoals bepaald in de Overeenkomst van Parijs;
(e)  "adaptatie aan klimaatverandering": het proces van aanpassing aan het daadwerkelijke en verwachte klimaat en de gevolgen daarvan;
(e)  "adaptatie aan klimaatverandering": het proces van aanpassing aan de daadwerkelijke en verwachte klimaatverandering en de gevolgen daarvan;
(f)  "broeikasgas": een broeikasgas genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad49;
(f)  "broeikasgas": een broeikasgas genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad49;
(g)  "circulaire economie": het zolang mogelijk behouden van de waarde van producten, materialen en hulpbronnen in de economie en het tot een minimum beperken van de afvalproductie, onder meer door toepassing van de afvalhiërarchie vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad50;
(g)  "circulaire economie": het zolang mogelijk gebruiken en behouden van de waarde van producten, materialen en alle andere hulpbronnen in de economie op hun piekniveau om zo de milieueffecten terug te dringen en de afvalproductie tot een minimum te beperken, onder meer door toepassing van de afvalhiërarchie vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad50, alsook het tot een minimum beperken van het gebruik van hulpbronnen op basis van essentiële indicatoren voor de circulaire economie zoals uiteengezet in het monitoringkader voor voortgang naar een circulaire economie, met betrekking tot verschillende productiestadia, consumptie en afvalbeheer;
(h)  "verontreiniging":
(h)  "verontreiniging":
i)  de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;
i)  de directe of indirecte inbreng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte, geluid, licht of andere verontreinigende stoffen in lucht, water of bodem die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of in de weg kan staan;
ii)  in het kader van mariene verontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad51;
ii)  in het kader van mariene verontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad51;
ii bis)   in het kader van waterverontreiniging: verontreiniging in de zin van artikel 2, punt 33, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad;
(i)  "gezond ecosysteem": een ecosysteem dat in goede fysische, chemische en biologische toestand verkeert of dat van een goede fysische, chemische en biologische kwaliteit is;
(i)  "gezond ecosysteem": een ecosysteem dat in goede fysische, chemische en biologische toestand verkeert of dat van een goede fysische, chemische en biologische kwaliteit is en dat in staat is tot zelfreproductie of zelfherstel tot evenwicht en dat biodiversiteit in stand houdt;
(j)  "energie-efficiëntie": een efficiënter energiegebruik in alle stadia van de energieketen - van opwekking tot eindverbruik;
(j)  "energie-efficiëntie": een efficiënter energiegebruik in alle stadia van de energieketen - van opwekking tot eindverbruik;
(k)  "goede milieutoestand": een goede milieutoestand in de zin van artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;
(k)  "goede milieutoestand": een goede milieutoestand in de zin van artikel 3, punt 5, van Richtlijn 2008/56/EG;
(l)  "mariene wateren": mariene wateren in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG;
(l)  "mariene wateren": mariene wateren in de zin van artikel 3, punt 1, van Richtlijn 2008/56/EG;
(m)  "oppervlaktewater", "binnenwateren", "overgangswater" en "kustwateren" hebben dezelfde betekenis als in artikel 2, punten 1, 3, 6 en 7, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad52;
(m)  "oppervlaktewater", "binnenwateren", "overgangswater" en "kustwateren" hebben dezelfde betekenis als in artikel 2, punten 1, 3, 6 en 7, van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad52;
(n)  "duurzaam bosbeheer": het gebruik van bossen en bosgronden op een manier en met een intensiteit waarbij deze hun biodiversiteit, productiviteit, regeneratiecapaciteit en vitaliteit behouden, alsook het vermogen om nu en in de toekomst relevante ecologische, economische en sociale functies op lokaal, nationaal en mondiaal niveau te vervullen, en waarbij geen schade aan andere ecosystemen wordt toegebracht.
(n)  "duurzaam bosbeheer": het gebruik van bossen en bosgronden in overeenstemming met de toepasselijke wetgeving.
__________________
__________________
1 bis Richtlijn 2003/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende het prospectus dat gepubliceerd moet worden wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel worden toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 345 van 31.12.2003, blz. 64).
1 ter Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).
49 Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).
49 Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).
50 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
50 Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).
51 Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
51 Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
52 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz.1).
52 Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz.1).
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten
Criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten
Met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging is een economische activiteit ecologisch duurzaam wanneer die activiteit aan elk van de volgende criteria voldoet:
Met het oog op het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van een belegging is een economische activiteit ecologisch duurzaam wanneer die activiteit aan elk van de volgende criteria voldoet:
(a)  de economische activiteit draagt, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, substantieel bij aan één of meer van de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;
(a)  de economische activiteit draagt, overeenkomstig de artikelen 6 tot en met 11, substantieel bij aan één of meer van de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;
(b)  de economische activiteit berokkent, overeenkomstig artikel 12, geen aanzienlijke schade aan de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;
(b)  de economische activiteit berokkent, overeenkomstig artikel 12, geen aanzienlijke schade aan de in artikel 5 genoemde milieudoelstellingen;
(c)  de economische activiteit wordt verricht met inachtneming van de in artikel 13 vastgestelde minimumgaranties;
(c)  de economische activiteit wordt verricht met inachtneming van de in artikel 13 vastgestelde minimumgaranties;
(d)  de economische activiteit voldoet aan de technische screeningcriteria wanneer de Commissie die nader heeft uitgewerkt in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2.
(d)  de economische activiteit voldoet aan de technische screeningcriteria wanneer de Commissie die nader heeft uitgewerkt op basis van geharmoniseerde indicatoren die de duurzaamheidsimpact van de economische activiteit op ondernemings- of planniveau meten, in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Criteria voor economische activiteiten met een aanzienlijk negatief milieueffect
Tegen 31 december 2021 voert de Commissie een effectbeoordeling uit van de gevolgen van de herziening van deze verordening, teneinde het kader voor duurzame investeringen uit te breiden met een kader om criteria te definiëren voor wanneer, en hoe, een economische activiteit een significante impact heeft op de duurzaamheid.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 4
Gebruik van de criteria voor ecologisch duurzame economische activiteiten
Toepassing en naleving van criteria voor het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten
1.  De lidstaten passen de in artikel 3 voor het bepalen van ecologisch duurzame economische activiteiten vastgelegde criteria toe met het oog op maatregelen tot vaststelling van vereisten voor marktspelers ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties die als "ecologisch duurzaam" in de markt worden gezet.
1.  De lidstaten en de Unie passen de in artikel 3 voor het bepalen van de mate van ecologische duurzaamheid van economische activiteiten vastgelegde criteria toe met het oog op maatregelen tot vaststelling van duurzaamheidsvereisten voor marktspelers ten aanzien van financiële producten of bedrijfsobligaties.
2.  Financiëlemarktdeelnemers die financiële producten aanbieden als zijnde ecologisch duurzaam of als beleggingen met vergelijkbare kenmerken, verschaffen informatie over de vraag hoe en in welke mate de in artikel 3 voor ecologisch duurzame economische activiteiten vastgelegde criteria worden gebruikt om de ecologische duurzaamheid van de belegging te bepalen. Wanneer financiëlemarktdeelnemers van oordeel zijn dat een economische activiteit die niet voldoet aan de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria of waarvoor die technische screeningcriteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam dient te worden beschouwd, kunnen zij de Commissie daarvan in kennis stellen.
2.  Financiëlemarktdeelnemers die financiële producten of bedrijfsobligaties aanbieden verschaffen de relevante informatie waardoor vastgesteld kan worden of de producten die zij aanbieden gekwalificeerd kunnen worden als duurzame investeringen overeenkomstig de criteria van artikel 3. Wanneer financiëlemarktdeelnemers van oordeel zijn dat een economische activiteit waarvoor technische screeningcriteria nog niet zijn vastgesteld, als ecologisch duurzaam dient te worden beschouwd, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. In voorkomend geval stelt de Commissie het in artikel 15 bedoelde platform voor duurzame financiering in kennis van dergelijke verzoeken door financiëlemarktdeelnemers. Financiëlemarktdeelnemers bieden geen financiële producten aan als zijnde ecologisch duurzaam of als beleggingen met vergelijkbare kenmerken indien die producten niet als ecologisch duurzaam kunnen worden gekwalificeerd.
2 bis.   De lidstaten houden in nauwe samenwerking met de betrokken ESA toezicht op de informatie als bedoeld in lid 2. De financiëlemarktdeelnemers geven de informatie door aan de relevante nationale bevoegde autoriteit die de informatie vervolgens onverwijld aan de betrokken ESA doorgeeft. Wanneer de relevante nationale bevoegde autoriteit of de betrokken ESA het niet eens is met de gerapporteerde informatie als bedoeld in de leden 2 en 2 bis, evalueren en corrigeren de financiëlemarktdeelnemers de verstrekte informatie.
2 ter.  De verschaffing van informatie als bedoeld in artikel 4 voldoet aan de beginselen van eerlijke, heldere en niet-misleidende informatie die zijn opgenomen in Richtlijn (EU) 2014/65/EU en Richtlijn (EU) 2016/97 en de bevoegdheden voor interventie als bedoeld in artikel 4, lid 2 ter, in overeenstemming met degene die zijn opgenomen in Verordening nr. 600/2014.
2 quater.  De informatieverschaffingsverplichtingen die zijn vereist uit hoofde van [PB: Verwijzing invoegen naar de verordening betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341], maken geen deel uit van deze verordening.
2 quinquies.  Voor de in artikel 2, lid 2 ter en 2 quater, bedoelde kleine en niet-complexe ondernemingen gelden vereenvoudigde bepalingen.
3.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van lid 2 om nader aan te geven welke informatie vereist is om aan dat lid te voldoen, rekening houdende met de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria. Die informatie stelt beleggers in staat om het volgende te bepalen:
3.  De Commissie stelt in overeenstemming met artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot aanvulling van de leden 2, 2 bis en 2 ter, om nader aan te geven welke informatie vereist is om aan deze leden te voldoen, met een lijst van investeringen die soortgelijke kenmerken hebben als duurzame investeringen en de relevante kwalificatiedrempels voor de toepassing van lid 2, rekening houdende met de beschikbaarheid van relevante informatie en de in overeenstemming met deze verordening vastgestelde technische screeningcriteria. Die informatie stelt beleggers in staat om het volgende te bepalen:
(a)  het percentage van deelnemingen in ondernemingen die ecologisch duurzame economische activiteiten verrichten;
(a)  het percentage van deelnemingen in verschillende ondernemingen die ecologisch duurzame economische activiteiten verrichten;
(b)  het aandeel van de belegging waarmee ecologisch duurzame economische activiteiten worden gefinancierd, uitgedrukt als percentage van alle economische activiteiten.
(b)  het aandeel van de belegging waarmee ecologisch duurzame economische activiteiten worden gefinancierd, uitgedrukt als percentage van alle economische activiteiten;
(b bis)  de relevante definities van de in artikel 2 ter bedoelde kleine en niet-complexe ondernemingen evenals de vereenvoudigde bepalingen die op deze entiteiten van toepassing zijn.
3 bis.  Financiëlemarktdeelnemers maken de informatie als bedoeld in lid 3, onder a) en b), bekend.
4.  De Commissie stelt de gedelegeerde handeling overeenkomstig lid 3 uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. De Commissie kan die gedelegeerde handeling wijzigen, met name in het licht van wijzigingen van de gedelegeerde handelingen die in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, zijn vastgesteld.
4.  De Commissie stelt de gedelegeerde handeling overeenkomstig lid 3 uiterlijk 31 december 2019 vast, om ervoor te zorgen dat deze per 1 juli 2020 van toepassing wordt. De Commissie kan die gedelegeerde handeling wijzigen, met name in het licht van wijzigingen van de gedelegeerde handelingen die in overeenstemming met artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 2, artikel 8, lid 2, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, en artikel 11, lid 2, zijn vastgesteld.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 4 bis (nieuw)
Artikel 4 bis
Markttoezicht
1.  Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, monitort de betrokken ESA de in artikel 1 van deze verordening bedoelde markt voor financiële producten die in de Unie op de markt worden gebracht, worden gedistribueerd of worden verkocht.
2.  De bevoegde autoriteiten houden toezicht op markt voor financiële producten die in of vanuit hun lidstaat op de markt worden gebracht, worden verspreid of worden verkocht.
3.  Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, kan de betrokken ESA wanneer deze verordening wordt geschonden door de in artikel 1 bedoelde entiteiten, het op de markt brengen, distribueren of verkopen van de in artikel 1 bedoelde financiële producten in de Unie tijdelijk verbieden of beperken.
Een verbod of beperking in de zin van artikel 3 kan gelden in omstandigheden of onderworpen zijn aan uitzonderingen die door de betrokken ESA worden gespecificeerd.
4.  Wanneer de betrokken ESA op grond van dit artikel maatregelen neemt, zorgt zij ervoor dat de maatregel:
a)  geen nadelig effect heeft op de efficiëntie van de financiële markten of op de beleggers dat onevenredig is in vergelijking met de voordelen van de maatregel; en
b)  niet een risico op regelgevingsarbitrage (regulatory arbitrage) veroorzaakt.
Indien een bevoegde autoriteit of bevoegde autoriteiten een maatregel heeft of hebben genomen op grond van dit artikel, kan de betrokken ESA elk van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen nemen.
5.  Voordat de betrokken ESA besluit een maatregel te nemen op grond van dit artikel, stelt zij de bevoegde autoriteiten van de voorgenomen maatregel in kennis.