Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2670(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0222/2019

Ingediende teksten :

B8-0222/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 28/03/2019 - 8.11
CRE 28/03/2019 - 8.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0329

Aangenomen teksten
PDF 162kWORD 55k
Donderdag 28 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Recente ontwikkelingen in het dieselgateschandaal
P8_TA-PROV(2019)0329B8-0222/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 28 maart 2019 over recente ontwikkelingen in het dieselgate-schandaal (2019/2670(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 april 1995 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement(1),

–  gezien zijn Besluit (EU) 2016/34 van 17 december 2015 over de instelling, de bevoegdheden, het aantal leden en de duur van het mandaat van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector(2),

–  gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie(3),

–  gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd(4),

–  gezien Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG(5),

–  gezien Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie van 20 april 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat de emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 6) betreft(6),

–  gezien Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa(7),

–  gezien zijn resolutie van 27 oktober 2015 over emissiemetingen in de automobielsector(8),

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2016 over het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(9) (gebaseerd op het tussentijds verslag van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector),

–  gezien het eindverslag van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector van 2 maart 2017,

–  gezien zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(10),

–  gezien de briefingnota van de Europese Rekenkamer van 7 februari 2019 over de reactie van de EU op het dieselgate-schandaal,

–  gezien het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 2018 in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16(11),

–  gezien de aanbeveling van de Europese Ombudsman in zaak 1275/2018/EWM,

–  gezien zijn resolutie van 13 maart 2019 over een Europa dat beschermt: schone lucht voor iedereen(12),

–  gezien artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het Parlement de Commissie om een uitvoerig verslag had gevraagd over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de enquêtecommissie naar emissiemetingen in de automobielsector (hierna "de EMIS-commissie");

B.  overwegende dat de commissaris voor Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Elżbieta Bieńkowska, op 18 oktober 2018 een brief heeft gestuurd naar de voormalige voorzitter van de EMIS-commissie, met daarin een tabel met de follow-upmaatregelen die de Commissie in reactie op het verzoek om een "uitvoerig verslag over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie" had genomen;

C.  overwegende dat in de bij deze brief gevoegde tabel enkel de in de aanbevelingen aangekaarte kwesties aan de orde worden gesteld en dat de conclusies van de EMIS-commissie, en met name de conclusies die betrekking hebben op gevallen van wanbeheer en inbreuken op het EU-recht, niet worden behandeld; overwegende dat commissaris Bieńkowska meermaals in de tabel heeft onderstreept dat bepaalde kwesties die in de aanbevelingen aan de orde komen, niet onder haar bevoegdheid vallen;

D.  overwegende dat de Europese Ombudsman de door een lid van het Europees Parlement ingediende klacht op 12 oktober 2018 gegrond verklaarde en concludeerde dat de weigering van de Commissie om alle standpunten van de vertegenwoordigers van de lidstaten in verband met milieugegevens openbaar te maken, neerkwam op wanbeheer;

E.  overwegende dat dit belemmerende gedrag van de Commissie het werk van de EMIS-commissie aanzienlijk heeft vertraagd en onder meer tot gevolg heeft gehad dat de leden van het Europees Parlement tijdens de hoorzittingen minder informatie tot hun beschikking hadden voor de ondervraging van de vertegenwoordigers van de Commissie;

F.  overwegende dat het Gerecht van de Europese Unie op 13 december 2018 besloot het door Parijs, Brussel en Madrid ingestelde beroep (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16) toe te wijzen en Verordening (EU) 2016/646 van de Commissie gedeeltelijk nietig te verklaren, omdat daarin buitensporig hoge maximale stikstofemissiewaarden waren vastgesteld in het kader van de tests voor nieuwe lichte personen- en bedrijfsvoertuigen;

G.  overwegende dat de Commissie op 22 februari 2019 besloot tegen de uitspraak in beroep te gaan, waardoor de door het Hof vastgestelde termijn mogelijk wordt opgeschoven en de zogenoemde "conformiteitsfactoren" in stand kunnen worden gehouden;

H.  overwegende dat de Commissie op 6 december 2016 besloot een inbreukprocedure in te leiden tegen zeven lidstaten, namelijk Duitsland, Griekenland, Litouwen, Luxemburg, Spanje, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk, omdat deze lidstaten hadden verzuimd sanctieregelingen vast te stellen om autofabrikanten ervan te weerhouden inbreuk te maken op de EU-regelgeving inzake voertuigemissies of dergelijke sancties op te leggen in het kader van de Volkswagen-zaak;

I.  overwegende dat de Commissie op 17 mei 2017 een tweede inbreukprocedure inleidde betreffende de door Fiat Chrysler Automobiles (FCA) gehanteerde emissiebeperkingsstrategieën en de niet-nakoming door Italië van de verplichting om corrigerende maatregelen te treffen en sancties op te leggen aan deze fabrikant;

J.  overwegende dat deze procedures, waarvan er momenteel nog vier lopen tegen respectievelijk Duitsland, Italië, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk, bijna twee jaar geleden zijn ingeleid, maar de Commissie niettemin nog altijd op nadere informatie van de lidstaten wacht, die zij via aanvullende aanmaningsbrieven tracht te verkrijgen;

K.  overwegende dat bepaalde lidstaten in dit verband niet oprecht met de Commissie lijken mee te werken;

L.  overwegende dat de voorzitter van de Rekenkamer, Klaus-Heiner Lehne, in de persmededeling van 16 oktober 2018 over het werkprogramma van de Europese Rekenkamer voor 2019 aankondigde dat de Rekenkamer onderzoek gaat doen naar de door de EU gebruikte methode voor het meten van voertuigemissies, om vast te stellen of de EU "doet wat ze belooft";

M.  overwegende dat uit de briefingnota van de Europese Rekenkamer van 7 februari 2019 over de reactie van de EU op het dieselgate-schandaal is gebleken dat er nog altijd veel sterk vervuilende auto's rondrijden en dat de lopende terugroepacties van voertuigen, evenals de in dit verband in gang gezette software-updates, slechts een beperkt effect hebben gehad op de NOx-emissies;

N.  overwegende dat Duitsland Duitse autofabrikanten verplicht autobezitters een inwisselingsprogramma of de inbouw van selectieve katalytische hardware aan te bieden;

O.  overwegende dat de nasleep van sterk vervuilende dieselvoertuigen nog altijd grotendeels niet is aangepakt, aangezien deze voertuigen de luchtkwaliteit nog jarenlang negatief zullen blijven beïnvloeden indien geen gecoördineerde maatregelen worden genomen door de Commissie en de lidstaten om de schadelijke emissies die de voertuigen uitstoten terug te dringen, met name in regio's waarnaar veel van deze voertuigen worden geëxporteerd;

P.  overwegende dat de terugroepacties in de lidstaten volgens de informatie die de Commissie van de lidstaten heeft ontvangen betrekking hebben op een beperkt aantal auto's van de volgende merken: Volkswagen, Renault, Daimler, Opel en Suzuki;

Q.  overwegende dat ook modellen van bepaalde andere merken volgens verschillende niet-gouvernementele organisaties en de media verdacht emissiegedrag hebben vertoond of de vervuilingsnormen waarin het EU-recht voorziet, hebben overschreden;

R.  overwegende dat enkele lidstaten, namelijk Bulgarije, Hongarije, Ierland, Slovenië en Zweden, de Commissie nog altijd geen informatie over hun terugroepprogramma's hebben doen toekomen;

S.  overwegende dat de reactie van de Commissie op het dieselgate-schandaal niet alleen de herziening van Richtlijn 2007/46/EG omvatte, maar ook een voorstel voor een richtlijn betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten (COM(2018)0184); overwegende dat dergelijke bindende wetgeving van cruciaal belang is om te waarborgen dat consumenten duidelijke rechten hebben en zinvolle collectieve maatregelen kunnen nemen, met name aangezien de aanbeveling van 2013 inzake collectief beroep in de meeste de lidstaten nauwelijks ten uitvoer is gelegd; overwegende dat in de Verenigde Staten, waar het systeem voor groepsvorderingen goed is ontwikkeld, slachtoffers van dieselgate tussen 5 000 en 10 000 USD aan schadevergoeding hebben ontvangen, terwijl Europese consumenten nog altijd geen behoorlijke vergoeding hebben ontvangen; overwegende dat het desbetreffende dossier een van de vele dossiers is die door de Raad worden geblokkeerd;

T.  overwegende dat Commissievoorzitter Juncker een herziening heeft voorgesteld van Verordening (EU) nr. 182/2011 van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren(13), om de lidstaten ertoe te verplichten transparanter te zijn wat betreft de standpunten die ze op commissieniveau innemen; overwegende dat de onnodige vertraging door de lidstaten van de procedure had kunnen worden voorkomen indien de procedure voor de goedkeuring van de RDE-test transparanter was geweest, zoals in de conclusies van de EMIS-commissie wordt uitgelegd; overwegende dat ook dit dossier een van de vele dossiers is die door de Raad worden geblokkeerd;

U.  overwegende dat de Europese Investeringsbank en Volkswagen AG na een onderzoek van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) tot een overeenkomst zijn gekomen met betrekking tot een deel van een lening van 400 miljoen EUR voor een subproject die in 2009 werd verstrekt en in februari 2014 volledig volgens schema werd terugbetaald;

V.  overwegende dat de Europese Investeringsbank volgens deze overeenkomst haar onderzoek zal afronden en dat Volkswagen AG op haar beurt gedurende een uitsluitingsperiode van 18 maanden vrijwillig niet aan projecten van de Europese Investeringsbank zal deelnemen;

Verantwoordelijkheden van de Commissie

1.  herinnert eraan dat de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 8, van het Verdrag betreffende de Europese Unie "als college verantwoording [aflegt] aan het Europees Parlement"; betreurt het daarom dat de Commissie, als college, het Parlement geen uitvoerig verslag heeft doen toekomen waarin zowel de conclusies als de aanbevelingen van de EMIS-commissie aan de orde worden gesteld;

2.  noemt het betreurenswaardig dat de brief van de commissaris voor Interne Markt, Industrie, Ondernemerschap en Midden- en Kleinbedrijf, Elżbieta Bieńkowska, aan de voormalige voorzitter van de EMIS-commissie ontoereikend is, aangezien volgens de brief niet alle kwesties onder de bevoegdheid van de commissaris vallen en de conclusies van de EMIS-commissie hierin niet aan de orde worden gesteld;

3.  verzoekt de Commissie onverwijld een uitvoerig verslag te verstrekken waarin, zoals in de resolutie van het Parlement wordt gevraagd, niet alleen de aanbevelingen worden behandeld, maar ook het belangrijkste onderdeel van het parlementair onderzoek, dat wil zeggen de conclusies van de EMIS-commissie, en met name de conclusies die betrekking hebben op gevallen van wanbeheer en inbreuken op het EU-recht; meent dat de Commissie duidelijke politieke conclusies moet trekken op basis van de conclusies van de EMIS-commissie;

4.  merkt op dat in de aanbeveling van de Europese Ombudsman wordt bevestigd dat de Commissie de werkzaamheden van een officiële parlementaire onderzoekscommissie op significante wijze heeft belemmerd; is van oordeel dat de Commissie duidelijke politieke conclusies moet trekken uit deze nalatigheid;

5.  verzoekt de Commissie de notulen van de vergaderingen van de technische comités in het algemeen en van het technisch comité motorvoertuigen in het bijzonder vrij te geven;

6.  verzoekt de Commissie richtsnoeren te publiceren voor het terugroepen van voertuigen, waarin in detail wordt uiteengezet op welke manier ervoor kan worden gezorgd dat teruggeroepen voertuigen weer aan de toepasselijke EU-wetgeving voldoen, onder meer door aanpassing van de hardware indien software-updates niet volstaan om te waarborgen dat aan de emissienormen wordt voldaan;

7.  verzoekt de Commissie in deze richtsnoeren maatregelen op te nemen om ervoor te zorgen dat sterk vervuilende voertuigen niet in omloop blijven op de tweedehandsmarkt, ook niet in andere lidstaten of derde landen;

8.  verzoekt de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) 2018/858 toe te zien op de vormgeving en tenuitvoerlegging van de controles door de lidstaten in het kader van het markttoezicht;

9.  verzoekt de Commissie haar werkzaamheden in het kader van het eerste stadium van de inbreukprocedures tegen Duitsland, Italië, Luxemburg en het Verenigd Koninkrijk voort te zetten, aangezien deze procedures ruim twee jaar geleden zijn ingesteld, en daarnaast met redenen omklede adviezen uit te brengen;

10.  is ingenomen met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 december 2018, waarin wordt geconcludeerd dat de Commissie niet bevoegd is om, als onderdeel van het tweede RDE-pakket, de NOx-emissiegrenswaarden van de Euro 6-norm te wijzigen; stelt vast dat het Hof van Justitie verder heeft geconcludeerd dat de Commissie de noodzaak om de NOx-emissiegrenswaarden middels de introductie van conformiteitsfactoren aan te passen onvoldoende technisch heeft onderbouwd; is van oordeel dat de NOx-emissiegrenswaarden van de Euro 6-norm in acht moeten worden genomen onder normale gebruiksomstandigheden en dat het de verantwoordelijkheid van de Commissie is om RDE-tests te ontwerpen die een beeld geven van emissies onder reële rijomstandigheden;

11.  betreurt het dat de Commissie heeft besloten tegen de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16 in beroep te gaan en vraagt de Commissie in het licht van de recente ontwikkelingen op haar besluit terug te komen;

12.  vraagt de Commissie het Parlement op de hoogte te stellen indien de door het Hof vastgestelde termijn wordt opgeschoven en de conformiteitsfactoren daardoor in stand kunnen worden gehouden;

13.  verzoekt de Commissie de huidige, in Verordening (EG) nr. 715/2007 vastgelegde maximale emissiewaarden na te leven, waaraan overeenkomstig de verordening onder reële omstandigheden moet worden voldaan, en geen nieuwe aanpassingscoëfficiënten (d.w.z. conformiteitsfactoren) in te voeren waardoor deze wettelijke grenswaarden worden versoepeld;

14.  betreurt het dat het verslag over het onderzoek van het OLAF naar de "Antrieb RDI"-lening van de EIB aan Volkswagen AG nooit openbaar is gemaakt en dat de door de EIB genomen maatregelen ontoereikend waren;

Verantwoordelijkheden van de lidstaten

15.  verzoekt de lidstaten de Commissie onverwijld te voorzien van alle informatie die zij nodig heeft om een verslag over de door de Commissie en de lidstaten getroffen maatregelen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie op te stellen;

16.  noemt de uiteenlopende benaderingen van en het gebrek aan coördinatie door de lidstaten met betrekking tot het terugroepen van voertuigen en het aanbieden van inwisselingsprogramma's betreurenswaardig; is van oordeel dat deze uiteenlopende benaderingen afbreuk doen aan de belangen van consumenten, de bescherming van het milieu, de gezondheid van burgers en de werking van de interne markt;

17.  verzoekt de lidstaten met klem de nodige maatregelen in te voeren om het grote aantal sterk vervuilende auto's terug te roepen of uit de markt te halen, en volledig met de Commissie mee te werken aan een gemeenschappelijke benadering voor terugroepacties op basis van richtsnoeren van de Commissie;

18.  betreurt het dat de eisen voor Duitse autofabrikanten in Duitsland met betrekking tot inwisselingsprogramma's en aanpassingen aan de hardware van voertuigen niet in andere landen of voor andere autofabrikanten in de Unie worden gehanteerd;

19.  verzoekt de lidstaten en de autofabrikanten ten aanzien van de verplichte aanpassingen aan de hardware van niet-conforme dieselvoertuigen, waaronder de inbouw van selectieve katalytische hardware voor het terugdringen van de emissies van stikstofdioxide (NO2) en het schoon maken van het huidige wagenpark voor onderlinge coördinatie te zorgen; is van oordeel dat de kosten van deze aanpassingen voor rekening moeten komen van de verantwoordelijke autofabrikant;

20.  verzoekt de lidstaten die nog geen informatie over hun terugroepprogramma's aan de Commissie hebben verstrekt, dit onverwijld te doen;

21.  verzoekt de lidstaten erop toe te zien dat de controles in het kader van het markttoezicht doeltreffend zijn en bij het testen van auto's die reeds in gebruik zijn genomen, zoals in het verslag van de Rekenkamer wordt voorgesteld, meer parameters in aanmerking te nemen dan enkel de RDE-parameters, om ervoor te zorgen dat fabrikanten hun voertuigen niet met behulp van hun eigen voorzieningen op deze RDE-tests kunnen afstemmen;

22.  verzoekt de bij de desbetreffende inbreukprocedures betrokken lidstaten volledig met de Commissie mee te werken en haar van alle nodige informatie te voorzien;

23.  verzoekt de lidstaten te verhinderen dat autofabrikanten nieuwe speelruimte in de volgens de wereldwijde testprocedure voor lichte voertuigen (WLTP) uitgevoerde laboratoriumtests vinden die hen in staat stelt hun CO2-emissies terug te dringen;

24.  wijst de lidstaten erop dat zij ervoor moeten zorgen dat autodealers uitsluitend gebruikmaken van de in het kader van de WLTP vastgestelde CO2-waarden voor alle auto's die zij verkopen om verwarring bij consumenten te vermijden, en benadrukt dat de lidstaten hun voertuigenbelasting en belastingprikkels op de WLTP-waarden moeten afstemmen, met inachtneming van het beginsel dat de WLTP geen negatieve gevolgen mag hebben voor consumenten;

25.  verzoekt de Raad van de Europese Unie met klem zijn verantwoordelijkheid te nemen en dringend een algemene benadering vast te stellen inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en het voorstel tot herziening van Verordening (EU) nr. 182/2011;

26.  benadrukt het belang van een hoog en uniform niveau van consumentenbescherming in de interne markt ten aanzien van eventuele toekomstige manipulatie door autofabrikanten die leidt tot hogere emissies dan verwacht, en roept de lidstaten op de ontwikkeling van eerlijke, betaalbare en tijdige procedures voor collectief verhaal te ondersteunen;

27.  verzoekt de lidstaten en de Commissie resolute stappen te zetten om de toegang tot emissievrije en emissiearme voertuigen in alle lidstaten te bevorderen, en tegelijkertijd een toename van oude, zeer vervuilende voertuigen in lidstaten met een laag inkomen te voorkomen;

28.  benadrukt hierbij dat de beschikbaarheid en toegankelijkheid van oplaadinfrastructuur, ook in particuliere en overheidsgebouwen overeenkomstig de richtlijn energieprestatie van gebouwen(14), en het concurrentievermogen van elektrische voertuigen essentieel zijn om de aanvaarding door de consument te verhogen;

29.  verzoekt de voorzitter van de Europese Raad en de voorzitter van de Commissie met klem de eerste plenaire vergadering van het Europees Parlement van april 2019 bij te wonen om eventuele onbeantwoorde vragen over de conclusies en aanbevelingen van de EMIS-commissie, de aanbeveling van de Europese Ombudsman en andere elementen van deze resolutie te beantwoorden;

o
o   o

30.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 113 van 19.5.1995, blz. 1.
(2) PB L 10 van 15.1.2016, blz. 13.
(3) PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.
(4) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(5) PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1.
(6) PB L 109 van 26.4.2016, blz. 1.
(7) PB L 152 van 11.6.2008, blz. 1.
(8) PB C 355 van 20.10.2017, blz. 11.
(9) PB C 204 van 13.6.2018, blz. 21.
(10) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 140.
(11) Arrest van het Hof van Justitie van 13 december 2018, Ville de Paris, Stad Brussel en Ayuntamiento de Madrid tegen Europese Commissie, Gevoegde zaken T-339/16, T-352/16 en T-391/16 (ECLI:EU:T:2018:927).
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0186.
(13) PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.
(14) Richtlijn (EU) 2018/844 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/31/EU betreffende de energieprestatie van gebouwen en Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 75).

Laatst bijgewerkt op: 1 april 2019Juridische mededeling