Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/2237(INI)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0157/2019

Ingediende teksten :

A8-0157/2019

Debatten :

PV 27/03/2019 - 27
CRE 27/03/2019 - 27

Stemmingen :

PV 28/03/2019 - 8.12
CRE 28/03/2019 - 8.12

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0330

Aangenomen teksten
PDF 173kWORD 61k
Donderdag 28 maart 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Besluit tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit
P8_TA-PROV(2019)0330A8-0157/2019

Aanbeveling van het Europees Parlement van 28 maart 2019 aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (2018/2237(INI))

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN (SDG's), en met name SDG's 1, 16 en 17, die gericht zijn op de bevordering van vreedzame en inclusieve samenlevingen met het oog op duurzame ontwikkeling(1),

–  gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000,

–  gezien Verordening (EU) 2015/322 van de Raad van 2 maart 2015 inzake de uitvoering van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds(2),

–  gezien het Besluit (GBVB) 2015/528 van de Raad van 27 maart 2015 tot instelling van een mechanisme voor het beheer van de financiering van de gemeenschappelijke kosten van de operaties van de Europese Unie die gevolgen hebben op militair of defensiegebied (Athena) en tot intrekking van Besluit 2011/871/GBVB(3),

–  gezien Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede(4),

–  gezien Verordening (EU) 2017/2306 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 230/2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede(5),

–  gezien de interinstitutionele verklaring betreffende financieringsbronnen voor bijstandsmaatregelen uit hoofde van artikel 3 bis van Verordening (EU) nr. 230/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een instrument voor bijdrage aan stabiliteit en vrede, die als bijlage bij Verordening (EU) 2017/2306(6) is gevoegd,

–  gezien Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds(7),

–  gezien het Gemeenschappelijke Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie(8), en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik(9),

–  gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor de periode 2014‑2020, overeenkomstig de ACS‑EU-partnerschapsovereenkomst, en betreffende de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van het vierde deel van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn(10),

–  gezien het voorstel van 13 juni 2018 van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, met steun van de Commissie, aan de Raad voor een besluit van de Raad tot oprichting van een Europese vredesfaciliteit (HR(2018) 94),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad van 20 december 2013, 26 juni 2015, 15 december 2016, 9 maart 2017, 22 juni 2017, 20 november 2017, 14 december 2017 en 28 juni 2018,

–  gezien het document "Gedeelde visie, gemeenschappelijke actie: een sterker Europa – Een algemene strategie voor de Europese Unie op het gebied van het buitenlands en veiligheidsbeleid", dat op 28 juni 2016 werd gepresenteerd door de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV),

–  gezien de conclusies van de Raad van 13 november 2017, 25 juni 2018 en 19 november 2018 over veiligheid en defensie in het kader van de integrale EU-strategie,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 7 juni 2017 getiteld "Discussienota over de toekomst van de Europese defensie" (COM(2017)0315),

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de EDEO van 5 juli 2016 getiteld "Elementen voor een EU-breed strategisch kader voor steun aan de hervorming van de veiligheidssector",

–  gezien speciaal verslag nr. 20 van 18 september 2018 van de Europese Rekenkamer, getiteld "De Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur: het accent van de EU-steun moet worden verlegd",

–  gezien zijn resolutie van 22 april 2015 over de financiering van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid(11),

–  gezien zijn resolutie van 22 november 2016 over de Europese defensie-unie(12),

–  gezien zijn resoluties van 13 december 2017(13) en 12 december 2018(14) over de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB),

–  gezien artikel 113 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie buitenlandse zaken (A8‑0157/2019),

A.  overwegende dat de EU de ambitie heeft om wereldwijd de vrede te bevorderen, en streeft naar de handhaving van de internationale vrede en veiligheid en de eerbiediging van het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;

B.  overwegende dat de Unie, in een strategische omgeving die de afgelopen jaren aanzienlijk is verslechterd, een toenemende verantwoordelijkheid draagt om haar eigen veiligheid te waarborgen;

C.  overwegende dat de gecompliceerde veiligheidsproblematiek waar de EU mee te maken heeft, vereist dat de EU beschikt over strategische autonomie, hetgeen in juni 2016 door de 28 staatshoofden en regeringsleiders is erkend in de integrale EU-strategie, en dat hiertoe instrumenten moeten worden ingesteld waarmee de EU beter in staat is om de vrede te bewaren, conflicten te voorkomen, vreedzame, rechtvaardige en inclusieve samenlevingen te bevorderen, en de internationale veiligheid te versterken; overwegende dat wordt erkend dat veilige en vreedzame samenlevingen een voorwaarde vormen voor duurzame ontwikkeling;

D.  overwegende dat de Europese Vredesfaciliteit (hierna "EV" of "de faciliteit" genoemd) niet is bedoeld om het externe optreden van de Europese Unie te militariseren, maar om meer synergieën en efficiëntie te bewerkstelligen door te voorzien in een pakketsgewijze aanpak voor de operationele financiering van het externe optreden dat reeds bestaat en niet kan worden gefinancierd uit de Uniebegroting;

E.  overwegende dat de EU en haar instellingen uit hoofde van het Verdrag verplicht zijn een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) ten uitvoer te leggen, met inbegrip van de geleidelijke bepaling van een gemeenschappelijk defensiebeleid dat tot een gemeenschappelijke defensie zou kunnen leiden, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42, daarbij de Europese identiteit en onafhankelijkheid versterkend, teneinde vrede, veiligheid en vooruitgang in Europa en in de wereld te bevorderen; overwegende dat de voorgestelde faciliteit gezien moet worden als een positieve stap in deze richting, en de VV/HV aangespoord moet worden om door te gaan met de verdere ontwikkeling en tenuitvoerlegging ervan;

F.  overwegende dat de EU 's werelds grootste verstrekker van humanitaire en ontwikkelingshulp is, en dat zij ernaar streeft de koppeling tussen veiligheid en ontwikkeling te versterken, om duurzame vrede te bewerkstelligen;

G.  overwegende dat Uniefinanciering en -instrumenten moeten worden gebruikt om beter samen te werken, vaardigheden te ontwikkelen en in de toekomst missies in te zetten, alsook om de vrede te bewaren, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid aan te pakken; benadrukt dat de EV, met name, de militaire missies van de EU moet financieren, de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties moet versterken, en moet bijdragen tot de financiering van door een regionale of internationale organisatie of derde staten geleide vredesondersteunende operaties;

H.  overwegende dat het financieren van operaties op militair of defensiegebied voor de EU in het verleden problematisch is geweest; overwegende dat het Parlement meermaals heeft aangedrongen op financiering die flexibeler en doeltreffender is en uiting geeft aan solidariteit en vastberadenheid; overwegende dat aanvullende instrumenten en middelen noodzakelijk zijn, wil de EU haar rol als belangrijke speler op het gebied van veiligheid op het wereldtoneel kunnen vervullen; overwegende dat deze instrumenten onder adequate parlementaire controle moeten staan en moeten worden vastgelegd in EU-wetgeving;

I.  overwegende dat de deelname van vrouwen aan vredesprocessen nog steeds een van de onderdelen van de agenda inzake vrouwen, vrede en veiligheid is waarbij de minste vooruitgang is geboekt, ondanks het feit dat vrouwen de voornaamste slachtoffers zijn van humanitaire en veiligheidscrises en dat wanneer vrouwen een uitgesproken rol spelen in een vredesproces er 35 % meer kans is op een overeenkomst die minstens 15 jaar standhoudt;

J.  overwegende dat interne en externe veiligheid steeds meer met elkaar verweven raken; overwegende dat de EU aanzienlijke stappen heeft gezet om de samenwerking tussen haar lidstaten op het gebied van defensie te versterken; overwegende dat de EU altijd heeft gepleit voor de inzet van "zachte macht" en dit zal blijven doen; overwegende dat een veranderende en verontrustende realiteit echter vereist dat de EU niet enkel een "civiele macht" blijft, maar ook haar militaire capaciteiten ontwikkelt en versterkt, die moeten worden ingezet op een manier die consistent en in samenhang is met alle andere externe activiteiten van de EU; overwegende dat derde landen zich niet kunnen ontwikkelen als er geen vrede en veiligheid heerst; overwegende dat het leger hierbij een belangrijke rol speelt, vooral in landen waar de civiele autoriteiten vanwege de veiligheidssituatie niet in staat zijn om hun taken uit te voeren; overwegende dat de faciliteit er zeker voor zal kunnen zorgen dat de EU meer betrokken zal zijn bij partnerlanden en het externe optreden van de EU doeltreffender zal maken, zodat de EU in de toekomst een relevante speler wordt wat betreft het bieden van stabiliteit en veiligheid;

K.  overwegende dat het externe optreden van de EU niet aangewend mag worden voor "migratiebeheer" en dat alle inspanningen om samen te werken met derde staten hand in hand moeten gaan met het verbeteren van de mensenrechtensituatie in deze landen;

L.  overwegende dat non-proliferatie en ontwapening aanzienlijk zullen bijdragen tot de vermindering van conflicten en tot meer stabiliteit, overeenkomstig de verplichtingen die voortvloeien uit het Verdrag inzake de niet‑verspreiding van kernwapens en de daaraan gerelateerde resolutie van het Europees Parlement over nucleaire veiligheid en non-proliferatie(15); overwegende dat een wereld zonder massavernietigingswapens een veiligere wereld zal zijn; overwegende dat de EU een leidende rol vervult bij het uitbannen van kernwapens en haar rol op dit gebied moet vergroten;

M.  overwegende dat de Verdragen niet voorzien in enig extern militair optreden van de Unie buiten het kader van het GVDB om; overwegende dat een werkelijk GBVB voor alle EU-lidstaten de mogelijkheden van de EU om op het gebied van buitenlands beleid op te treden, vergroot; overwegende dat extern militair optreden in het kader van het GVDB enkel de vorm aan kan nemen van missies voor vredeshandhaving, conflictpreventie en versterking van de internationale veiligheid buiten de Unie overeenkomstig de beginselen van het VN-Handvest, als bedoeld in artikel 42, lid 1, van het VEU;

N.  overwegende dat steun aan militaire vredesondersteunende operaties van partners tot nu toe extrabudgettair werd gefinancierd via de Vredesfaciliteit voor Afrika, die is opgericht in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en er ook door wordt gefinancierd; overwegende dat steun via de Vredesfaciliteit voor Afrika momenteel beperkt is tot operaties onder leiding van de Afrikaanse Unie (AU) of Afrikaanse regionale organisaties;

O.  overwegende dat verwacht wordt dat de nieuwe Europese vredesfaciliteit de Unie in staat zal stellen op mondiaal niveau rechtstreeks bij te dragen aan internationale organisaties en aan de financiering van door derde staten geleide vredesondersteunende operaties, ook buiten Afrika en de AU;

P.  overwegende dat de voorgestelde faciliteit het Athenamechanisme en de Vredesfaciliteit voor Afrika zal vervangen; overwegende dat de faciliteit een aanvulling zal zijn op het initiatief voor capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling door EU-activiteiten op defensiegebied zoals AU-vredesmissies, de gemeenschappelijke kosten van haar eigen militaire GVDB-operaties en de militaire capaciteitsopbouw van partners te financieren, die overeenkomstig artikel 41, lid 2, van het VEU niet kunnen worden gefinancierd uit de EU-begroting;

Q.  overwegende dat bij in het kader van de faciliteit uitgevoerde operaties de beginselen en waarden die zijn verankerd in het Handvest van de grondrechten moeten worden nageleefd, en het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten in acht moeten worden genomen; overwegende dat operaties die vanuit het oogpunt van menselijke veiligheid, gezondheid en veiligheid, vrijheid, privacy, integriteit en waardigheid ethisch niet aanvaardbaar zijn, aan een grondige beoordeling moeten worden onderworpen en moeten worden heroverwogen;

R.  overwegende dat het huidige aandeel gemeenschappelijke kosten zeer laag blijft (naar schatting ongeveer 5-10 % van alle kosten) en dat het hoge aandeel van door de lidstaten gedragen kosten en verantwoordelijkheden bij militaire operaties op basis van het principe "de kosten worden gedragen waar ze worden gemaakt" indruist tegen de beginselen van solidariteit en lastenverdeling, waardoor de lidstaten minder geneigd zijn actief deel te nemen aan GVDB-operaties;

S.  overwegende dat de voorgestelde gemiddelde jaarlijkse toewijzing voor de EV 1 500 000 000 EUR bedraagt, terwijl de totale uitgaven in het kader van het Athenamechanisme en de Vredesfaciliteit voor Afrika schommelden tussen de 250 000 000 en 500 000 000 EUR per jaar; overwegende dat in het voorstel niet voldoende wordt verduidelijkt of gewaarborgd waar de bijkomende 1 000 000 000 EUR per jaar eventueel aan zal worden besteed;

T.  overwegende dat wordt verwacht dat de EV, als extrabudgettair mechanisme dat wordt gefinancierd door jaarlijkse bijdragen van de lidstaten volgens een verdeelsleutel op basis van het bni, de EU in staat zal stellen om een groter deel van de gemeenschappelijke kosten (35-45 %) van militaire missies en operaties te financieren, zoals momenteel het geval is met het Athenamechanisme; overwegende dat daarnaast wordt verwacht dat de EV ervoor zal zorgen dat er permanent EU-middelen beschikbaar zijn, waardoor passende programma's voor crisisparaatheid gewaarborgd worden en middelen gemakkelijker snel kunnen worden ingezet, en er meer flexibiliteit komt wanneer er snel moet worden gereageerd; overwegende dat het Parlement al lange tijd heeft aangedrongen op een ambitieuze opname en uitbreiding van het Athenamechanisme voor de gemeenschappelijke financiering van GVDB-missies en operaties; overwegende dat het voorstel voor een besluit van de Raad echter niet hetzelfde bindende karakter heeft als de interne overeenkomst over de Vredesfaciliteit voor Afrika, wat betekent dat lidstaten kunnen besluiten het EV-optreden niet te financieren;

U.  overwegende dat door de verhoging van de gemeenschappelijke kosten, de voorgestelde faciliteit zal zorgen voor meer solidariteit en een betere verdeling van de lasten tussen de lidstaten, en bijdrages van lidstaten aan GVDB-operaties, vooral van lidstaten met een gebrek aan financiële of operationele middelen, zal bevorderen;

V.  overwegende dat de Raad zich in zijn conclusies van 19 november 2018 terughoudend opstelde ten opzichte van het voorstel voor een EV; overwegende dat het desalniettemin belangrijk is om te streven naar de vaststelling van een ambitieus voorstel waarin alle voorgestelde componenten besloten liggen, waaronder het Athenamechanisme;

W.  overwegende dat alle militaire taken in het kader van de faciliteit, zoals gezamenlijke ontwapeningsoperaties, humanitaire en reddingstaken, militaire advies- en bijstandstaken, conflictpreventie- en vredeshandhavingstaken, taken van strijdkrachten in crisisbeheersing, waaronder vredestichting en stabilisering na conflicten, en terrorismebestrijding, ook door middel van steun aan derde landen om het terrorisme op hun grondgebied te bestrijden zoals vermeld in artikel 43, lid 1, van het VEU, waarbij de mensenrechten volledig in acht worden genomen, tot de onder het GVDB vallende taken behoren; overwegende dat de in artikel 41, lid 2, van het VEU opgenomen uitzondering enkel van toepassing is op de beleidsuitgaven die voortvloeien uit deze militaire missies; overwegende dat alle andere beleidsuitgaven die voortvloeien uit het GVDB, waaronder uitgaven die voortvloeien uit enig ander in artikel 42 van het VEU bedoeld optreden, moeten worden bekostigd uit de Uniebegroting; overwegende dat de administratieve uitgaven van de EV ten laste moeten komen van de begroting van de Unie;

X.  overwegende dat in het kader van artikel 41, lid 2, van het VEU alle beleidsuitgaven die voortvloeien uit het GBVB ten laste moeten komen van de Uniebegroting, behalve uitgaven die voortvloeien uit operaties met gevolgen op militair of defensiegebied; overwegende dat in artikel 2, onder a) en d), van het voorstel voor een besluit is bepaald dat de EV moet bijdragen in respectievelijk de financiering van operaties die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, en ander operationeel optreden van de Unie dat gevolgen heeft op militair of defensiegebied;

Y.  overwegende dat de Unie uit hoofde van artikel 21, lid 2, onder d), van het VEU, een gemeenschappelijk beleid en optreden moet bepalen en voeren en zich moet beijveren voor een hoge mate van samenwerking op alle gebieden van de internationale betrekkingen om de duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden op economisch, sociaal en milieugebied te ondersteunen, met uitbanning van de armoede als voornaamste doel;

Z.  overwegende dat in artikel 208, lid 1, tweede alinea, van het VWEU is bepaald dat het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van de Unie tot hoofddoel heeft de armoede terug te dringen en uiteindelijk uit te bannen; overwegende dat in dezelfde alinea is bepaald dat de Unie bij de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden, rekening houdt met de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking; overwegende dat deze tweede zin een Verdragsbepaling vormt, en dus voor de EU een grondwettelijk plicht, die wordt aangeduid met de term "beleidscoherentie voor ontwikkeling" (PCD);

AA.  overwegende dat militaire en civiele missies buiten de Unie van elkaar gescheiden moeten blijven om ervoor te zorgen dat civiele missies enkel uit de Uniebegroting worden gefinancierd;

AB.  overwegende dat de EU de personeelsleden van GVDB-missies een status moet verlenen die vergelijkbaar is met die van gedetacheerde nationaal deskundigen door hun in het kader van de personeelsstatuten van de Unie een uniforme status en de best mogelijke bescherming te bieden; overwegende dat alle vergoedingen die voortvloeien uit die status en alle reis- en verblijfkosten en uitgaven voor gezondheidszorg als administratieve uitgaven ten laste moeten komen van de EU-begroting;

AC.  overwegende dat de Europese Rekenkamer (ERK) een speciaal verslag heeft gepubliceerd over de door de Vredesfaciliteit voor Afrika ondersteunde Afrikaanse vredes- en veiligheidsarchitectuur, die volgens het voorstel in de EV zal worden opgenomen en worden uitgebreid; overwegende dat de ERK van mening is dat er bij deze steun te weinig prioriteiten werden gesteld en dat deze steun slechts een beperkt effect heeft gehad; overwegende dat er gezien de ambitieuze verhoging van de middelen voor de nieuwe faciliteit naar behoren rekening moet worden gehouden met de aanbevelingen van de ERK;

AD.  overwegende dat het voorstel niet vergezeld ging van een evaluatie van de financiële gevolgen met betrekking tot de administratieve uitgaven; overwegende dat de administratieve uitgaven voor de EV wezenlijke gevolgen hebben voor de EU-begroting; overwegende dat er naast het personeel dat momenteel werkt voor de te vervangen instrumenten geen extra personeel moet worden aangenomen of gedetacheerd bij de EV; overwegende dat de uit het samenbrengen van de huidige afzonderlijke instrumenten in één administratieve structuur voortvloeiende synergieën het beheer van de grotere geografische omvang van de EV moeten bevorderen; overwegende dat extra personeel enkel moet worden aangenomen als en wanneer de bijdragen van alle deelnemende lidstaten voor een missie of maatregel daadwerkelijk zijn verzameld; overwegende dat de korte termijn van de inkomsten vraagt om overeenkomstig korte termijnen bij de contracten van personeel dat door de faciliteit wordt aangenomen of bij de faciliteit wordt gedetacheerd voor een specifieke missie of maatregel; overwegende dat er bij de faciliteit geen personeel moet worden aangenomen of gedetacheerd uit lidstaten die met betrekking tot een specifieke missie of maatregel in het kader van artikel 31, lid 1, van het VEU een formele verklaring hebben afgelegd;

AE.  overwegende dat de VV/HV het Parlement regelmatig moet raadplegen over de belangrijkste aspecten en keuzes op het gebied van het GBVB en het GVDB en over het verdere verloop daarvan; overwegende dat het Parlement tijdig geraadpleegd en geïnformeerd moet worden zodat het zijn mening kan geven en vragen kan stellen, ook inzake PCD, aan de VV/HV en de Raad voordat besluiten worden genomen of beslissende acties worden ondernomen; overwegende dat het de taak van de VV/HV is om rekening te houden met de mening van het Parlement, ook inzake PCD, en deze te integreren in zijn of haar voorstellen, om beslissingen of delen van beslissingen waar het Parlement tegen is te heroverwegen, of dergelijke voorstellen in te trekken, niettegenstaande de mogelijkheid dat in een dergelijk geval een lidstaat het betreffende initiatief kan overnemen, en om met betrekking tot het GVDB besluiten van de Raad voor te stellen wanneer de VV/HV hiertoe wordt uitgenodigd door het Parlement; overwegende dat het Parlement een jaarlijks debat moet houden met de VV/HV over de door de faciliteit gefinancierde operaties;

1.  beveelt de Raad aan:

   a) de bijdrage aan de faciliteit van lidstaten die artikel 31, lid 1, van het VEU inroepen niet te verlagen, aangezien dit de verdeelsleutel op basis van het bni waarop het financieringsmechanisme en de algehele financiering van de faciliteit is gebaseerd, zou ondermijnen;
   b) in zijn besluit te verwijzen naar de rol van het Parlement als kwijtingsautoriteit, zoals momenteel het geval is voor het EOF en dus ook voor de Vredesfaciliteit voor Afrika, overeenkomstig de relevante bepalingen van de voor het EOF geldende financiële verordeningen, met het oog op behoud van consistentie van het externe optreden van de EU in het kader van het EOF en andere relevante beleidsdomeinen van de Unie in lijn met artikel 18 van het VEU en artikel 21, lid 2, onder d), van het VEU, juncto artikel 208 van het VWEU;
   c) werk te maken van de instelling, binnen het Europees Parlement, van een mechanisme dat volgens strikt geregelde procedures tijdig toegang geeft tot informatie, inclusief originele documenten, met betrekking tot de jaarlijkse begroting van de EV, gewijzigde begrotingen, overdrachten, actieprogramma's (ook tijdens de voorbereidende fase), tenuitvoerlegging van ondersteuningsmaatregelen (waaronder ad-hocmaatregelen), overeenkomsten met uitvoerende actoren, verslagen over de uitvoering van ontvangsten en uitgaven, de jaarrekening, de financiële staat, het evaluatieverslag en het jaarverslag van de ERK;
   d) ermee in te stemmen om toegang tot alle vertrouwelijke documenten op te nemen in de onderhandelingen over het herziene Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement en de Raad over de toegang van het Parlement tot gevoelige gegevens van de Raad op het gebied van het veiligheids- en defensiebeleid;
   e) te waarborgen dat door de faciliteit gefinancierde operaties, actieprogramma's, ad-hocbijstandsmaatregelen en ander operationeel optreden op geen enkele manier de in artikel 21 van het VEU vastgelegde grondbeginselen schenden of gebruikt worden om deze te schenden, of gebruikt worden om het internationale recht te schenden, met name het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten;
   f) de herziening van het Athenamechanisme zo mogelijk voor het einde van dit jaar af te ronden, en het mechanisme naadloos in te lijven in de EV zonder de operationele doeltreffendheid en flexibiliteit van het mechanisme te verliezen;
   g) ervoor te zorgen dat de door het samenbrengen van afzonderlijke instrumenten tot een enkel instrument verkregen verhoogde efficiëntie en verbeterde doeltreffendheid niet verloren gaan wanneer aan het voorstel de nodige aanpassingen worden gedaan;
   h) onderstaande amendementen op te nemen in de tekst:
   in overweging 4 en artikel 1 wordt "gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid" vervangen door "gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid";
   een nieuwe overweging (10 bis) wordt toegevoegd: "(10 bis) De in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken op het vlak van advies en bijstand op militair gebied kunnen de vorm aannemen van versterking van de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties om vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid aan te pakken, waarbij het internationaal humanitair recht en het internationaal recht inzake de mensenrechten, de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik strikt worden nageleefd.";
   een nieuwe overweging (10 ter) wordt toegevoegd: "(10 ter) De in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken inzake conflictpreventie en vredeshandhaving kunnen de vorm aannemen van bijdragen in de financiering van vredesondersteunende operaties onder leiding van een regionale of internationale organisatie of van derde staten.";
   een nieuwe overweging (10 quater) wordt toegevoegd: "(10 quater) Bij operaties die worden ondersteund met EU-financiering dient VN-resolutie 1325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid in acht te worden genomen.";
   in artikel 2 wordt punt a) als volgt gewijzigd: "a) bij te dragen in de financiering van missies in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) die gevolgen hebben op militair of defensiegebied;";
   in artikel 2 wordt punt b) als volgt gewijzigd: "b) de militaire en defensiecapaciteiten van derde staten en regionale en internationale organisaties te versterken om vrede te handhaven, conflicten te voorkomen, te beheersen en op te lossen en bedreigingen voor de internationale veiligheid en cyberbeveiliging aan te pakken;";
   aan artikel 3, lid 2, wordt een nieuw punt toegevoegd: "2 bis. In bijlage I bis (nieuw) staat ter informatie vermeld hoe de administratieve uitgaven voor deze faciliteit die ten laste komen van de EU-begroting per jaar worden uitgesplitst.";
   in artikel 5 wordt punt c) als volgt gewijzigd: "c) "operatie": een militaire operatie waartoe is besloten in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid op grond van artikel 42 van het VEU voor het uitvoeren van de in artikel 43, lid 1, van het VEU bedoelde taken die gevolgen hebben op militair of defensiegebied, met inbegrip van een taak die op grond van artikel 44 van het VEU aan een groep lidstaten is toevertrouwd;";
   aan het einde van artikel 6 wordt een nieuwe alinea toegevoegd: "Alle civiele aspecten, middelen of missies in het kader van het GBVB en met name het GVDB, of delen daarvan, worden uitsluitend uit de EU-begroting gefinancierd.";
   artikel 7 wordt als volgt gewijzigd: "Een lidstaat, de hoge vertegenwoordiger of de hoge vertegenwoordiger met steun van de Commissie kan voorstellen voor op grond van titel V van het VEU door de faciliteit te financieren optreden van de Unie indienen. De hoge vertegenwoordiger stelt het Europees Parlement tijdig in kennis van deze voorstellen.";
   in artikel 10 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Overeenkomstig artikel 21, lid 3, en artikel 26, lid 2, van het VEU, wordt de samenhang tussen het in het kader van de faciliteit te financieren optreden van de Unie en ander optreden van de Unie in het kader van andere relevante beleidsdomeinen gewaarborgd. Het in het kader van de faciliteit te financieren optreden van de Unie vertoont tevens samenhang met de doelstellingen van die andere beleidsdomeinen van de Unie met betrekking tot derde landen en internationale organisaties.";
   aan artikel 10, lid 3, wordt een nieuw punt toegevoegd: "3 bis. De hoge vertegenwoordiger brengt twee keer per jaar verslag uit aan het Europees Parlement over de in lid 1 bedoelde samenhang.";
   aan artikel 11, lid 2, wordt een nieuw punt toegevoegd: "2 bis. De faciliteit beschikt over een verbindingsofficier voor het Europees Parlement. Bovendien houdt de adjunct-secretaris-generaal GVDB en crisisrespons een jaarlijkse gedachtewisseling met het betrokken parlementaire orgaan om regelmatig verslag uit te brengen.";
   in artikel 12 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Er wordt een comité voor de faciliteit (hierna "het comité") opgericht waarin elke deelnemende lidstaat één vertegenwoordiger heeft. Vertegenwoordigers van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) en van de Commissie worden uitgenodigd om de vergaderingen van het comité bij te wonen, zonder dat zij deelnemen aan de stemmingen. Vertegenwoordigers van het Europees Defensieagentschap (EDA) kunnen worden uitgenodigd om vergaderingen van het comité bij te wonen waarin onderwerpen worden besproken die verband houden met het werkterrein van het EDA, zonder dat zij deelnemen aan of aanwezig zijn bij de stemmingen. Vertegenwoordigers van het Europees Parlement kunnen worden uitgenodigd om vergaderingen van het comité bij te wonen, zonder dat zij deelnemen aan of aanwezig zijn bij de stemmingen.";
   in artikel 13 wordt lid 8 als volgt gewijzigd: "8. De beheerder waarborgt de continuïteit van zijn functies door middel van de bestuurlijke structuur van de in artikel 9 bedoelde bevoegde militaire structuren van de EDEO.";
   aan artikel 13, lid 8, wordt een nieuw punt toegevoegd: "8 bis. De beheerder brengt verslag uit aan het Europees Parlement.";
   aan artikel 16, lid 8, wordt een nieuw punt toegevoegd: "8 bis. De operationeel commandanten brengen verslag uit aan het Europees Parlement.";
   in artikel 34 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. De beheerder stelt aan het comité de benoeming van een intern controleur van de faciliteit voor, en van ten minste één plaatsvervangend intern controleur, voor een periode van vier jaar, die tot maximaal acht jaar kan worden verlengd. De intern controleurs moeten de nodige beroepskwalificaties hebben en voldoende waarborgen bieden inzake veiligheid, onpartijdigheid en onafhankelijkheid. De intern controleur mag noch de ordonnateur noch de rekenplichtige zijn; hij mag niet deelnemen aan de voorbereiding van de financiële staten.";
   in artikel 47 wordt lid 4 als volgt gewijzigd: "4. De eindbestemming van gemeenschappelijk gefinancierde uitrusting en infrastructuur wordt door het comité goedgekeurd, met inachtneming van de operationele behoeften, de mensenrechten, de beoordeling van het veiligheids- en omleidingsrisico met betrekking tot geautoriseerd eindgebruik en eindgebruikers, en financiële criteria. Wat de eindbestemming betreft:
   i) kan infrastructuur via de faciliteit worden verkocht of overgedragen aan het gastland, een lidstaat of een derde;
   ii) kan uitrusting via de faciliteit worden verkocht aan een lidstaat, het gastland of een derde, dan wel door de faciliteit, een lidstaat of deze derde opgeslagen en onderhouden worden voor een volgende operatie.";
   in artikel 47 wordt lid 6 als volgt gewijzigd: "6. De verkoop of de overdracht aan het gastland of aan een derde geschiedt overeenkomstig het internationale recht, met inbegrip van de relevante mensenrechtenbepalingen en de "berokken geen schade"-beginselen, en overeenkomstig de geldende veiligheidsvoorschriften ter zake en de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.";
   in artikel 48 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. De hoge vertegenwoordiger kan de Raad een concept voor een eventueel actieprogramma of ad-hocbijstandsmaatregel voorleggen. De hoge vertegenwoordiger stelt het Europees Parlement in kennis van deze concepten.";
   in artikel 49 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Actieprogramma's worden goedgekeurd door de Raad, op voorstel van de hoge vertegenwoordiger. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de goedgekeurde actieprogramma's zodra deze zijn aangenomen door de Raad.";
   in artikel 50 wordt lid 3 als volgt gewijzigd: "3. Voor verzoeken die buiten bestaande actieprogramma's vallen, kan de Raad op voorstel van de hoge vertegenwoordiger een ad-hocbijstandsmaatregel goedkeuren. Het Europees Parlement wordt in kennis gesteld van de goedgekeurde ad-hocbijstandsmaatregelen zodra deze zijn aangenomen door de Raad.";
   aan artikel 52, lid 2, wordt na punt e) een nieuw punt toegevoegd: "e bis) een gedetailleerde lijst van door de faciliteit gefinancierde uitrusting.";
   in artikel 53, lid 1, wordt punt b) als volgt gewijzigd: "b) daadwerkelijk aan de troepenmacht van de betrokken derde staat worden geleverd, op voorwaarde dat is vastgesteld dat de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik in acht zijn genomen;";
   in artikel 53, lid 1, wordt punt d) als volgt gewijzigd: "d) worden gebruikt in overeenstemming met het beleid van de Unie, met inachtneming van het internationaal recht, met name inzake de mensenrechten, en eindgebruikerscertificaten, met name clausules inzake heroverdrachten;";
   in artikel 53, lid 1, wordt punt e) als volgt gewijzigd: "e) worden beheerd met inachtneming van eventuele restricties of beperkingen op het gebruik, de verkoop of de overdracht ervan zoals bepaald door de Raad of het comité, en overeenkomstig de relevante eindgebruikerscertificaten, de criteria van het Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie, en Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik.";
   in artikel 54 wordt lid 1 als volgt gewijzigd: "1. Alle uitvoerend actoren waaraan de uitvoering van de uitgaven via de faciliteit is toevertrouwd, eerbiedigen de beginselen van goed financieel beheer en transparantie, voeren de nodige risicobeoordelingen en controles op het eindgebruik uit, en houden terdege rekening met de fundamentele waarden van de EU en het internationale recht, met name wat betreft de mensenrechten en de "berokken-geen-schade"-beginselen. Alle uitvoerend actoren worden vooraf onderworpen aan een risicobeoordeling om de mogelijke risico's voor de mensenrechten en de bestuursrisico's in kaart te brengen.";

2.  beveelt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid aan:

   a) het Parlement te raadplegen over de aanbevolen amendementen en erop toe te zien dat de opvattingen van het Parlement in aanmerking worden genomen, overeenkomstig artikel 36 van het VEU;
   b) bij het opstellen van voorstellen voor meerjarige actieprogramma's of ad-hocbijstandsmaatregelen de opvattingen van het Parlement overeenkomstig artikel 36 van het VEU ten volle in aanmerking te nemen, ook door voorstellen waar het Parlement tegen is in te trekken;
   c) een volledige evaluatie van de financiële gevolgen van het besluit aan te leveren, gezien de implicaties van het besluit voor de EU-begroting, waarbij met name aanvullende personeelsbehoeften worden aangegeven;
   d) ontwerpbesluiten van de Raad met betrekking tot de EV gelijktijdig in te dienen bij het Parlement voor raadpleging en bij de Raad of het Politiek en Veiligheidscomité, zodat het Parlement voldoende tijd heeft om zijn mening te geven; ontwerpbesluiten van de Raad te wijzigen indien het Parlement hierom verzoekt;
   e) toe te zien op de complementariteit met bestaande fondsen, programma's en instrumenten van de EU, en de samenhang tussen de EV en alle andere aspecten van het extern optreden van de EU, overeenkomstig artikel 18 van het VEU, met name met betrekking tot het initiatief van capaciteitsopbouw voor veiligheid en ontwikkeling (CBSD) en het voorgestelde instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI), die te allen tijde ten uitvoer moeten worden gelegd in het kader van het bredere hervormingsprogramma voor de veiligheidssector, dat belangrijke onderdelen inzake behoorlijk bestuur, bepalingen inzake gendergerelateerd geweld en, met name, bepalingen inzake civiel toezicht op het beveiligingssysteem en democratische controle op de strijdkrachten moet bevatten;
   f) regelmatig verslag uit te brengen aan het Parlement over de geboekte vooruitgang bij de tenuitvoerlegging van Resolutie 1325 inzake vrouwen, vrede en veiligheid, het Parlement te raadplegen over het aanbevolen onderdeel inzake gender, waarmee aandacht wordt gegeven aan de rol van vrouwen bij het voorkomen en oplossen van conflicten en bij de wederopbouw en vredesonderhandelingen in de nasleep van een conflict, en regelmatig een beoordeling uit te voeren van de maatregelen die zijn genomen om kwetsbare mensen, waaronder vrouwen en meisjes, te beschermen tegen geweld in conflictsituaties;
   g) toe te zien op de samenhang tussen de EV en alle andere aspecten van het extern optreden van de EU, met inbegrip van haar ontwikkelings- en humanitaire beleid, overeenkomstig artikel 18 van het VEU en met het oog op het bevorderen van de ontwikkeling van de desbetreffende derde landen, en het terugdringen en uitbannen van de armoede in deze landen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze aanbeveling te doen toekomen aan de Raad en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en, ter informatie, aan de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie.

(1) https://sustainabledevelopment.un.org/
(2) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 1.
(3) PB L 84 van 28.3.2015, blz. 39.
(4) PB L 77 van 15.3.2014, blz. 1.
(5) PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.
(6) PB L 335 van 15.12.2017, blz. 6.
(7) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(8) PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99.
(9) PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1.
(10) PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.
(11) PB C 353 van 27.9.2016, blz. 68.
(12) PB C 224 van 27.6.2018, blz. 18.
(13) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 47.
(14) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0514.
(15) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 202.

Laatst bijgewerkt op: 29 maart 2019Juridische mededeling