Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0206(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0461/2018

Ingediende teksten :

A8-0461/2018

Debatten :

PV 15/01/2019 - 20
CRE 15/01/2019 - 20

Stemmingen :

PV 16/01/2019 - 12.7
CRE 16/01/2019 - 12.7
Stemverklaringen
PV 04/04/2019 - 6.18

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0020
P8_TA(2019)0350

Aangenomen teksten
PDF 431kWORD 142k
Donderdag 4 april 2019 - Brussel Voorlopige uitgave
Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) ***I
P8_TA-PROV(2019)0350A8-0461/2018

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) (COM(2018)0382 – C8-0232/2018 – 2018/0206(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0382),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 46, onder d), artikel 149, artikel 153, lid 2, onder a), artikel 164, artikel 168, lid 5, artikel 175, lid 3, en artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0232/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 december 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de adviezen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie begroting, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie regionale ontwikkeling, de Commissie cultuur en onderwijs, de Commissie juridische zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8‑0461/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging -1 (nieuw)
(-1)  Overeenkomstig artikel 3 VEU zet de Unie zich bij de totstandbrenging van een interne markt in voor een sociale markteconomie met een groot concurrentievermogen die gericht is op volledige werkgelegenheid en sociale vooruitgang, de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen, de solidariteit tussen generaties en de bescherming van de rechten van het kind, alsook de bestrijding van sociale uitsluiting en discriminatie. In overeenstemming met artikel 9 VWEU dient de Unie bij de bepaling en de uitvoering van haar beleid en optreden rekening te houden met de eisen in verband met onder meer de bevordering van een hoog niveau van werkgelegenheid, de waarborging van een adequate sociale bescherming, de bestrijding van sociale uitsluiting, alsmede een hoog niveau van onderwijs, opleiding en bescherming van de menselijke gezondheid.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+). Om bij te dragen tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen en daardoor bijdragen aan de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig artikel 174 VWEU.
(1)  Op 17 november 2017 hebben het Europees Parlement, de Raad en de Commissie gezamenlijk de Europese pijler van sociale rechten afgekondigd als reactie op de sociale uitdagingen in Europa. De twintig kernbeginselen van de pijler zijn opgebouwd rond drie categorieën: gelijke kansen en toegang tot de arbeidsmarkt; billijke arbeidsvoorwaarden; sociale bescherming en inclusie. De twintig beginselen van de Europese pijler van sociale rechten moeten als leidraad dienen voor de acties in het kader van het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+). Om bij te dragen tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten moet het ESF+ investeringen in mensen en systemen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, openbare diensten, gezondheid, onderwijs en sociale inclusie ondersteunen en daardoor bijdragen aan de economische, territoriale en sociale samenhang overeenkomstig de artikelen 174 en 175 VWEU. Alle acties in het kader van het ESF+ moeten stroken met het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met inachtneming van het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap, waarbij de Europese Unie en al haar lidstaten partij zijn.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten in aansluiting met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale en/of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Zij moeten ook dienen om de financiering van de Unie op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma's die in voorkomend geval door de Unie worden ondersteund in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, de stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU.
(2)  Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van die hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten in onderlinge samenwerking door de nationale, regionale en lokale autoriteiten worden ontwikkeld, een genderperspectief omvatten en in aansluiting met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale en/of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Zij moeten ook dienen om de financiering van de Unie op coherente wijze te gebruiken en de meerwaarde te maximaliseren van de financiële steun die met name zal worden ontvangen uit de programma's die in voorkomend geval door de Unie worden ondersteund in het kader van het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Cohesiefonds, het Europees Sociaal Fonds+, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, de stabilisatiefunctie voor Europese investeringen en InvestEU.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De Raad van [...] heeft herziene richtsnoeren goedgekeurd voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten om de tekst af te stemmen op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met het oog op het verbeteren van het concurrentievermogen van Europa en om Europa een betere plaats te maken om te investeren, banen te scheppen en de sociale cohesie te bevorderen. Om het ESF+ volledig af te stemmen op de doelstellingen van die richtsnoeren, met name wat werkgelegenheid, onderwijs, opleiding en bestrijding van sociale uitsluiting, armoede en discriminatie betreft, moet het ESF+ de lidstaten ondersteunen met inachtneming van de relevante geïntegreerde richtsnoeren en de relevante landenspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 121, lid 2 VWEU, en artikel 148, lid 4 VWEU, en, in voorkomend geval, op nationaal niveau, de nationale hervormingsprogramma's, onderbouwd door de nationale strategieën. Het ESF+ moet ook bijdragen aan relevante aspecten van de uitvoering van belangrijke initiatieven en activiteiten van de Unie (met name de "vaardighedenagenda voor Europa" en de Europese onderwijsruimte), relevante aanbevelingen van de Raad en andere initiatieven zoals de jongerengarantie, de bijscholingstrajecten en de integratie van langdurig werklozen.
(3)  De richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten die de Raad overeenkomstig artikel 148, lid 2, VWEU heeft aangenomen – meer bepaald het stimuleren van de vraag naar arbeid; verbetering van het arbeidsaanbod: toegang tot de arbeidsmarkt, vaardigheden en competenties; verbetering van de werking van de arbeidsmarkten en de doeltreffendheid van de sociale dialoog; gelijke kansen voor iedereen bevorderen, sociale inclusie stimuleren en armoede bestrijden, met inbegrip van betere openbare diensten in de gezondheidszorg en andere sectoren – maken samen met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid als vastgesteld overeenkomstig artikel 121, lid 2 VWEU, deel uit van de geïntegreerde richtsnoeren die als basis dienen voor de Europa 2020-strategie. De Raad van [...] heeft herziene richtsnoeren goedgekeurd voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten om deze af te stemmen op de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met het oog op het stimuleren van nieuwe werkgelegenheid en het bevorderen van de sociale cohesie, om zo het concurrentievermogen van Europa te verbeteren en van de Unie een betere plaats te maken om te investeren. Om het ESF+ volledig af te stemmen op de doelstellingen van de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid, moeten de lidstaten de voor hen relevante ESF+-steun programmeren met inachtneming van die richtsnoeren, alsook van de relevante landspecifieke aanbevelingen die zijn vastgesteld op grond van artikel 148, lid 4, en artikel 121, lid 2, VWEU, en, op nationaal niveau, van de werkgelegenheids- en sociale aspecten van de nationale hervormingsprogramma's, onderbouwd door de nationale strategieën. Het ESF+ moet ook bijdragen aan relevante aspecten van de uitvoering van belangrijke initiatieven en activiteiten van de Unie, met name de "vaardighedenagenda voor Europa", de Europese onderwijsruimte en de jongerengarantie, alsook van andere relevante aanbevelingen van de Raad en andere initiatieven zoals "Investeren in kinderen: de vicieuze cirkel van achterstand doorbreken", de bijscholingstrajecten, de integratie van langdurig werklozen, het kwaliteitskader voor stages en leerlingplaatsen, en het actieplan inzake de integratie van onderdanen van derde landen.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Op 20 juni 2017 heeft de Raad de reactie van de Unie "Een duurzame Europese toekomst" op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN) bekrachtigd. De Raad onderstreept hoe belangrijk het is om duurzame ontwikkeling te bereiken in al haar drie dimensies (economisch, sociaal en milieu), en om dit op een evenwichtige en geïntegreerde wijze te doen. Het is cruciaal dat duurzame ontwikkeling integraal deel gaat uitmaken van alle interne en externe beleidsterreinen van de EU en dat de Unie een ambitieus beleid voert om wereldwijde uitdagingen aan te pakken. De Raad verwelkomde de mededeling van de Commissie "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" van 22 november 2016 als een eerste stap naar het integreren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en het centraal stellen van duurzame ontwikkeling in al haar beleid, ook via haar financiële instrumenten.
(4)  Op 20 juni 2017 heeft de Raad de reactie van de Unie "Een duurzame Europese toekomst" op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (VN) bekrachtigd. De Raad onderstreept hoe belangrijk het is om duurzame ontwikkeling te bereiken in al haar drie dimensies (economisch, sociaal en milieu), en om dit op een evenwichtige en geïntegreerde wijze te doen. Het is cruciaal dat duurzame ontwikkeling integraal deel gaat uitmaken van alle interne en externe beleidsterreinen van de EU en dat de Unie een ambitieus beleid voert om wereldwijde uitdagingen aan te pakken. De Raad verwelkomde de mededeling van de Commissie "Volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst" van 22 november 2016 als een eerste stap naar het integreren van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen en het centraal stellen van duurzame ontwikkeling in al haar beleid, ook via haar financiële instrumenten. Het ESF+ moet onder meer bijdragen aan de tenuitvoerlegging van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen, onder meer door extreme vormen van armoede uit te bannen (doelstelling 1), door kwaliteitsvol en inclusief onderwijs te bevorderen (doelstelling 4), door gendergelijkheid te bevorderen (doelstelling 5), door aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve werkgelegenheid en waardig werk voor iedereen te bevorderen (doelstelling 8) en door ongelijkheid terug te dringen (doelstelling 10).
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Het Europees Sociaal Handvest dat op 18 oktober 1961 in Turijn werd ondertekend indachtig, moeten de Unie en de lidstaten zich ten doel stellen de werkgelegenheid te bevorderen en de levensomstandigheden en arbeidsvoorwaarden te verbeteren, teneinde blijvend hoge werkgelegenheidsniveaus te waarborgen en uitsluiting te bestrijden, overeenkomstig artikel 151 VWEU.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  De Europese samenleving staat nog steeds voor een groot aantal sociale uitdagingen. Meer dan 100 miljoen mensen lopen het risico om in een situatie van armoede of sociale uitsluiting terecht te komen, de jeugdwerkloosheid is nog steeds meer dan twee keer zo hoog als de algemene werkloosheid en een betere integratie van onderdanen van derde landen is noodzakelijk. Deze uitdagingen vormen niet alleen een gevaar voor het welzijn van de rechtstreeks betrokken personen, maar leggen ook economische en maatschappelijke druk op de Europese samenleving als geheel.
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 5
(5)  De Unie wordt geconfronteerd met structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, het beheer van migratiestromen en de toenemende veiligheidsbedreigingen, de overgang naar schone energie, technologische veranderingen en de steeds meer vergrijzende beroepsbevolking en het toenemend tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio's, dat vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, door groei inclusiever te maken en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, ook met het oog op arbeidsmobiliteit.
(5)  De Unie wordt geconfronteerd met structurele uitdagingen als gevolg van de economische globalisering, sociale ongelijkheden, het beheer van migratiestromen en de bijbehorende integratieproblemen, een rechtvaardige overgang naar schone energie, technologische veranderingen, demografische achteruitgang, werkloosheid in het algemeen en jeugdwerkloosheid, de steeds meer vergrijzende samenleving en beroepsbevolking en het toenemend tekort aan vaardigheden en arbeidskrachten in bepaalde sectoren en regio's, dat vooral door kleine en middelgrote ondernemingen wordt ervaren. Rekening houdend met de veranderende realiteit van de arbeidsmarkt, moet de Unie voorbereid zijn op de huidige en toekomstige uitdagingen door te investeren in relevante vaardigheden, onderwijs, opleiding en een leven lang leren, door groei inclusiever te maken en het vaardigheden- en kennisbeleid en het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te verbeteren, ook met het oog op arbeidsmobiliteit van burgers van de Unie en het aanpakken van de toenemende ongelijkheid op gezondheidsgebied tussen en binnen de lidstaten.
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Verordening (EU) nr. [...] stelt het kader vast voor actie door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor grensbeheer en visa (BMVI) als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), en bevat met name de beleidsdoelstellingen en de regels betreffende programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor de fondsen van de Unie die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ worden omschreven en moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.
(6)  Verordening (EU) nr. [...] stelt het kader vast voor actie door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Sociaal Fonds+ (ESF+), het Cohesiefonds, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV), het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF), het Fonds voor interne veiligheid (ISF) en het instrument voor grensbeheer en visa (BMVI) als onderdeel van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer (IBMF), en bevat met name de beleidsdoelstellingen en de regels betreffende programmering, monitoring en evaluatie, beheer en controle voor de fondsen van de Unie die onder gedeeld beheer worden uitgevoerd. Daarom moeten de algemene doelstellingen van het ESF+ en de coördinatie ervan met andere fondsen worden omschreven en moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld betreffende de activiteiten die door het ESF+ kunnen worden gefinancierd.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. [het nieuwe Financieel Reglement] (het "Financieel Reglement") bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen de regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties. Om te zorgen voor samenhang in de uitvoering van financieringsprogramma's van de Unie, is het Financieel Reglement van toepassing op de acties die worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van het ESF+.
(7)  Verordening (EU, Euratom) nr. [het nieuwe Financieel Reglement] (het "Financieel Reglement") bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen de regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, indirecte uitvoering, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties en synergieën tussen financieringsinstrumenten. Om te zorgen voor samenhang in de uitvoering van financieringsprogramma's van de Unie, is het Financieel Reglement van toepassing op de acties die worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van het ESF+. Deze verordening moet de operationele doelstellingen omschrijven en de specifieke bepalingen vaststellen betreffende de in aanmerking komende acties die in het kader van het ESF+ onder direct en indirect beheer kunnen worden gefinancierd.
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 8
(8)  De in deze verordening vermelde financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies houdt dit in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, alsook financiering die niet aan de kosten is gekoppeld, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Om maatregelen uit te voeren die verband houden met de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, en overeenkomstig artikel 88 van de GB-verordening kan de Commissie lidstaten vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.
(8)  De in deze verordening vermelde financieringsvormen en de uitvoeringsmethoden moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het vervullen van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, waarbij met name rekening wordt gehouden met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico op niet-naleving. Voor subsidies houdt dit in dat het gebruik van vaste bedragen, vaste percentages en eenheidskosten wordt overwogen, alsook financiering die niet aan de kosten is gekoppeld, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement. Om maatregelen uit te voeren die verband houden met de sociaal-economische inclusie van onderdanen van derde landen, en overeenkomstig artikel 88 van de GB-verordening kan de Commissie lidstaten vergoeden die gebruikmaken van vereenvoudigde kostenopties, waaronder vaste bedragen.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 9
(9)  Om het financieringslandschap te stroomlijnen en te vereenvoudigen en om aanvullende mogelijkheden voor synergieën te creëren via geïntegreerde benaderingen inzake financiering, moeten de acties die werden ondersteund door het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie en het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid worden geïntegreerd in één ESF+. Het ESF+ moet daarom drie onderdelen omvatten: het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid. Dat zou moeten bijdragen tot een vermindering van de administratieve lasten die gepaard gaan met het beheer van verschillende fondsen, vooral voor de lidstaten, terwijl de eenvoudigere regels voor eenvoudigere acties, zoals de distributie van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, worden behouden.
(9)  Om het financieringslandschap te stroomlijnen en te vereenvoudigen en om aanvullende mogelijkheden voor synergieën te creëren via geïntegreerde benaderingen inzake financiering, moeten de acties die werden ondersteund door het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD), het programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie en het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid worden geïntegreerd in één ESF+. Het ESF+ moet daarom drie onderdelen omvatten: het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid onder direct en indirect beheer. Dat zou moeten bijdragen tot een vermindering van de administratieve lasten die gepaard gaan met het beheer van verschillende fondsen, vooral voor de lidstaten en de begunstigden, terwijl de eenvoudigere regels voor eenvoudigere acties, zoals de distributie van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, worden behouden.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Met het oog op dit bredere toepassingsgebied van het ESF+ moet ervan worden uitgegaan dat de doelstellingen om de arbeidsmarkten efficiënter te maken en de toegang tot kwaliteitsvol werk te bevorderen, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren en sociale inclusie en gezondheid te bevorderen niet enkel worden uitgevoerd onder gedeeld beheer, maar ook onder direct en indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid voor acties die nodig zijn op Unieniveau.
(10)  De Unie moet bijdragen aan het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten door samenwerking aan te moedigen en hun acties aan te vullen. Met het oog op dit bredere toepassingsgebied van het ESF+ moet ervan worden uitgegaan dat de doelstellingen om de doeltreffendheid van inclusieve, open en eerlijke arbeidsmarkten voor alle genders te vergroten en de toegang tot kwaliteitsvol werk te bevorderen, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding te verbeteren, bij te dragen aan re-integratie in onderwijsstelsels en een leven lang leren, sociale inclusie en gezondheid te bevorderen en armoede uit te bannen, ook in de toekomst hoofdzakelijk zullen worden uitgevoerd onder gedeeld beheer, en in voorkomend geval met aanvullingen onder direct en indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid voor acties die nodig zijn op Unieniveau.
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  De integratie van het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid in het ESF+ zal ook synergieën creëren tussen de ontwikkeling en beproeving van initiatieven en beleidsmaatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid, veerkrachtigheid en duurzaamheid van gezondheidsstelsels die door het onderdeel gezondheid van het ESF+ zijn ontwikkeld, en de uitvoering daarvan in de lidstaten via de instrumenten die door de andere onderdelen van de ESF+-verordening worden aangeleverd.
(11)  De integratie van het actieprogramma van de Unie op het gebied van gezondheid in het ESF+ zal ook synergieën creëren tussen de ontwikkeling en beproeving van initiatieven en beleidsmaatregelen ter verbetering van de doeltreffendheid, toegankelijkheid, veerkrachtigheid en duurzaamheid van gezondheidsstelsels die door het onderdeel gezondheid van het ESF+ zijn ontwikkeld, en de uitvoering daarvan in de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau via de instrumenten die door de andere onderdelen van de ESF+-verordening worden aangeleverd.
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Overweging 12
(12)  In deze verordening worden de financiële middelen voor het ESF+ vastgelegd. Delen van die financiële middelen moeten worden gebruikt voor acties die moeten worden uitgevoerd in direct of indirect beheer in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid.
(12)  In deze verordening worden de financiële middelen voor het ESF+ vastgelegd. De toewijzingen voor activiteiten die moeten worden uitgevoerd onder gedeeld beheer en de toewijzingen voor acties die moeten worden uitgevoerd in direct of indirect beheer moeten worden gespecificeerd.
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  Het ESF+ moet erop gericht zijn de werkgelegenheid te bevorderen door actieve maatregelen waardoor (her)integratie op de arbeidsmarkt, met name van jongeren, langdurig werklozen en inactieven, mogelijk wordt gemaakt, alsook door zelfstandige arbeid en de sociale economie te bevorderen. Het ESF+ moet erop gericht zijn de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren door de modernisering van de arbeidsmarktinstellingen, zoals de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, te ondersteunen om hun capaciteit te verbeteren om intensief gericht advies en begeleiding te verlenen tijdens de zoektocht naar werk en de overgang naar werk en om de mobiliteit van werknemers te verbeteren. Het ESF+ moet de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen via maatregelen die er onder meer op gericht zijn het evenwicht tussen werk en privéleven en de toegang tot kinderopvang te verbeteren. Het ESF+ moet ook tot doel hebben een gezonde en goed aangepaste werkomgeving te creëren om te beantwoorden aan de gezondheidsrisico's die verband houden met de veranderende vormen van werk en de behoeften van een vergrijzende beroepsbevolking.
(13)  Het ESF+ moet erop gericht zijn om, in nauwe samenwerking met de lidstaten, de werkgelegenheid te bevorderen door actieve maatregelen waardoor integratie en re-integratie op de arbeidsmarkt, met name van jongeren, langdurig werklozen, verzorgers en economisch inactieve en kansarme groepen, mogelijk wordt gemaakt, alsook door zelfstandige arbeid, ondernemerschap en de sociale economie te bevorderen. Het ESF+ moet erop gericht zijn het werkgelegenheidsbeleid en de werking van de arbeidsmarkten te verbeteren door de modernisering van de arbeidsmarktinstellingen, zoals de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, te ondersteunen om hun capaciteit te verbeteren om waar passend intensief gericht advies en begeleiding te verlenen tijdens de zoektocht naar werk en de overgang naar werk, met bijzondere aandacht voor kansarme groepen, om de mobiliteit van werknemers te vergemakkelijken en om hun diensten op niet-discriminerende wijze te verlenen. Het ESF+ moet de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt bevorderen via maatregelen die onder meer gericht zijn op een beter evenwicht tussen werk en privéleven en vlotte toegang tot betaalbare of kosteloze, hoogwaardige kinderopvang, ouderenzorg en andere zorgdiensten of steun van goede kwaliteit. Het ESF+ moet ook tot doel hebben een veilige, gezonde en goed aangepaste werkomgeving te creëren om te beantwoorden aan de gezondheidsrisico's die verband houden met werk en met de veranderende vormen van werk en de behoeften van een vergrijzende beroepsbevolking. Het ESF+ moet ook maatregelen ondersteunen die bedoeld zijn om de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt gemakkelijker te maken voor jongeren.
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)  Om het banenscheppend potentieel van de sociale economie te ondersteunen en te ontsluiten, moet het ESF+ een bijdrage leveren om ondernemingen in de sociale economie een prominentere plaats te geven in de nationale plannen voor werkgelegenheid en sociale innovatie, alsook in de nationale hervormingsprogramma's van de lidstaten. De definitie van ondernemingen in de sociale economie moet overeenstemmen met de definities die zijn vastgesteld in het recht van de lidstaten inzake sociale economie, alsook in de conclusies van de Raad van 7 december 2015 over de bevordering van de sociale economie als belangrijkste motor van economische en sociale ontwikkeling in Europa.
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Het ESF+ moet steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwaliteitsvoller, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder digitale vaardigheden die elke persoon nodig heeft voor zelfontplooiing en ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. Het ESF+ moet helpen bij de voortgang in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk. Het moet een leven lang leren en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ondersteunen en bijdragen tot het concurrentievermogen en de maatschappelijke en economische innovatie door schaalbare en duurzame initiatieven op deze gebieden te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt via werkgerelateerde opleidingen en leerlingplaatsen, levenslange begeleiding, het anticiperen op vaardigheden in samenwerking met de sector, actueel opleidingsmateriaal, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties.
(14)  Het is van essentieel belang dat het ESF+, als belangrijkste instrument van de Unie ter bevordering van werkgelegenheid, vaardigheden en sociale inclusie, in staat is een bijdrage te leveren aan de sociale, economische en territoriale cohesie in alle delen van de Unie. Met het oog hierop moet het ESF+ steun bieden om onderwijs- en opleidingsstelsels kwaliteitsvoller, minder discriminerend, toegankelijker, inclusiever, doeltreffender en relevanter voor de arbeidsmarkt te maken om het verwerven van sleutelcompetenties te vergemakkelijken, in het bijzonder talenkennis, ondernemers- en digitale vaardigheden, waaronder vaardigheden inzake gegevensbescherming en informatiebeheer, die elke persoon nodig heeft voor zelfontplooiing en ontwikkeling, werk, sociale inclusie en actief burgerschap. In het geval van langdurig werklozen en mensen met een kansarme sociale achtergrond moet er bijzondere aandacht worden geschonken aan de versterking van hun positie. Het ESF+ moet helpen bij de voortgang in onderwijs en opleiding en bij de overgang naar werk en re-integratie in de arbeidsmarkt. Het moet voor iedereen een leven lang leren en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt ondersteunen en bijdragen tot inclusiviteit, concurrentievermogen, vermindering van horizontale en verticale segregatie en maatschappelijke en economische innovatie door schaalbare en duurzame initiatieven op deze gebieden te ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld worden bereikt via investeringen in beroepsonderwijs, werkgerelateerde opleidingen en leerlingplaatsen, waarbij bijzondere nadruk wordt gelegd op de succesformule van duaal onderwijs waarbij onderwijs wordt gecombineerd met werkervaring, levenslange begeleiding, het anticiperen op vaardigheden in samenwerking met de sociale partners, actueel opleidingsmateriaal, prognoses en het volgen van afgestudeerden, opleiding van opleiders, ondersteuning van informeel en niet-formeel leren, validatie van leerresultaten en de erkenning van kwalificaties. Het ESF+ moet onder minderheden de toegang tot het vak van leraar bevorderen, om te zorgen voor een betere integratie van gemarginaliseerde gemeenschappen, zoals de Romagemeenschap, minderheden en migranten.
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Het ESF+ moet ondersteuning bieden voor maatregelen in het kader van de nationale plannen van de lidstaten die bedoeld zijn om energiearmoede uit te bannen en energie-efficiëntie van gebouwen te bevorderen bij kwetsbare huishoudens, waaronder huishoudens die getroffen zijn door energiearmoede, en in voorkomend geval van sociale woningen, in overeenstemming met de mededeling van de Commissie getiteld "Het Europees platform tegen armoede en sociale uitsluiting: een Europees kader voor sociale en territoriale samenhang" en met Verordening nr. XX/XX van het Europees Parlement en de Raad inzake de governance van de energie-unie en Richtlijn (XX/XX) van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EU betreffende energie-efficiëntie.
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)  In de toekomst moet de toewijzing van middelen uit het ESF+ aan de lidstaten verbonden worden aan voorwaarden, waarbij de lidstaten moeten aantonen dat deze middelen daadwerkelijk worden ingezet voor projecten om het duale systeem waarbij onderwijs wordt gecombineerd met werkervaring in te voeren of verder uit te bouwen in het kader van de jongerengarantie.
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen, in het bijzonder voor kansarme groepen, tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding. Daarbij moet overstappen tussen onderwijs- en opleidingssectoren worden vergemakkelijkt, voortijdig schoolverlaten worden voorkomen, de kennis van gezondheid worden verbeterd, de koppeling met niet-formeel en informeel leren worden versterkt en de leermobiliteit voor iedereen worden vergemakkelijkt. Synergieën met het programma Erasmus, met name ter bevordering van de deelname van kansarme lerenden aan leermobiliteit, moet in deze context worden ondersteund.
(15)  Steun uit het ESF+ moet worden gebruikt ter bevordering van gelijke toegang voor iedereen, in het bijzonder voor kansarme groepen, tot kwaliteitsvolle, niet-gesegregeerde en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen (waarbij speciale aandacht moet worden besteed aan kinderen met een kansarme sociale achtergrond, zoals kinderen in een instelling en dakloze kinderen) via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, met inbegrip van re-integratie in het onderwijssysteem, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding. Daarbij moet generatiearmoede worden voorkomen, het overstappen tussen onderwijs- en opleidingssectoren worden vergemakkelijkt, voortijdig schoolverlaten en sociale uitsluiting worden teruggedrongen en voorkomen, de kennis van gezondheid worden verbeterd, de koppeling met niet-formeel en informeel leren worden versterkt en de leermobiliteit voor iedereen worden vergemakkelijkt. Dergelijke vormen van informeel leren mogen niet in de plaats komen van toegang tot het reguliere onderwijs, met name in het geval van kleuter- en basisonderwijs. In dit verband moeten er synergieën, complementariteit en beleidssamenhang met het programma Erasmus tot stand worden gebracht, om kansarme lerenden op passende wijze en actief te benaderen, hen voor te bereiden op mobiliteitservaringen in het buitenland en hun deelname aan grensoverschrijdende leermobiliteit te verhogen.
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)   Steun in het kader van de investeringsprioriteit "vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling" draagt bij aan de doelstellingen van deze verordening. Strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling die worden ondersteund met middelen uit het ESF+ moeten inclusief zijn in de zin dat op het desbetreffende grondgebied aanwezige kansarmen bij de strategieën betrokken moeten worden, zowel wat betreft governance van plaatselijke actiegroepen als de inhoud van de strategie. Middelen uit het ESF+ moeten ook kunnen worden ingezet ter ondersteuning van strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide plaatselijke ontwikkeling in stedelijke en plattelandsgebieden en geïntegreerde territoriale investeringen (ITI).
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 ter (nieuw)
(15 ter)  De meerwaarde van het cohesiebeleid van de Unie is met name gelegen in de gebiedsgerichte benadering met territoriale dimensie, de multilevel governance, de meerjarige planning en de gedeelde en meetbare doelstellingen, de benadering van geïntegreerde ontwikkeling en de convergentie naar Europese normen in de administratieve capaciteit.
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 quater (nieuw)
(15 quater)  De Commissie en de lidstaten moeten ervoor zorgen dat gendergelijkheid en de integratie van het genderperspectief een bindend beginsel vormen in alle fasen van de programmering, van de invulling van de prioriteiten van de operationele programma's tot de uitvoering, monitoring en evaluatie daarvan, en dat belangrijke acties gericht op gendermainstreaming steun ontvangen.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 quinquies (nieuw)
(15 quinquies)   Het ESF+ moet onderwijsprogramma's ondersteunen op basis waarvan laaggeschoolde volwassenen de mogelijkheid krijgen een minimumniveau van lees- en schrijfvaardigheden, cijfervaardigheden en digitale vaardigheden te verwerven overeenkomstig de aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen1 bis.
__________________
1 bis PB C 484 van 24.12.2016, blz. 1.
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  Het ESF+ moet flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen, met name op het gebied van digitale vaardigheden en sleuteltechnologieën, bevorderen, om mensen uit te rusten met vaardigheden die zijn aangepast aan digitalisering, technologische veranderingen, innovatie en sociale en economische veranderingen. Het moet loopbaanovergangen vergemakkelijken en mobiliteit bevorderen en in het bijzonder laaggeschoolde volwassenen of volwassenen met geringe vaardigheden ondersteunen in overeenstemming met de agenda voor vaardigheden voor Europa.
(16)  Het ESF+ moet flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen bevorderen, met name op het gebied van ondernemers- en digitale vaardigheden en sleuteltechnologieën, om mensen en lokale gemeenschappen uit te rusten met vaardigheden, competenties en kennis die zijn aangepast aan digitalisering, technologische veranderingen, innovatie en sociale en economische veranderingen, bijvoorbeeld als gevolg van de overgang naar een koolstofarme economie, daarbij rekening houdend met de uitdagingen waarmee verschillende kansarme groepen worden geconfronteerd. Het ESF+ moet tevens de overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt vergemakkelijken en mobiliteit bevorderen en in het bijzonder laaggeschoolde volwassenen, personen met een handicap en/of volwassenen met geringe vaardigheden ondersteunen in overeenstemming met de agenda voor vaardigheden voor Europa en met aandacht voor de samenhang en complementariteit met het programma Digitaal Europa.
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Overweging 17
(17)  Synergieën met het programma Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat het ESF+ door Horizon Europa ondersteunde innovatieve onderwijsprogramma's kan integreren en uitbreiden om mensen uit te rusten met de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor de banen van de toekomst.
(17)  Synergieën met het programma Horizon Europa moeten ervoor zorgen dat het ESF+ door Horizon Europa ondersteunde innovatieve onderwijsprogramma's kan integreren en uitbreiden om mensen uit te rusten met de vaardigheden en competenties die nodig zijn voor hun persoonlijke en professionele ontwikkeling, alsook voor de banen van de toekomst, en om in te spelen op de maatschappelijke uitdagingen van vandaag en morgen. De Commissie moet zorgen voor synergieën tussen het onderdeel gezondheid en het programma Horizon Europa om een impuls te geven aan de resultaten die op het gebied van gezondheidsbescherming en ziektepreventie worden geboekt.
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 bis (nieuw)
(17 bis)   Synergieën met het programma Rechten en waarden moeten ervoor zorgen dat het ESF+ acties kan integreren en uitbreiden ter voorkoming en bestrijding van discriminatie, racisme, vreemdelingenhaat, antisemitisme, moslimhaat en andere vormen van onverdraagzaamheid, alsook specifieke acties kan ondernemen gericht op het voorkomen van haat, segregatie en stigmatisering, met inbegrip van pesten, intimidatie en onverdraagzame behandeling.
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Overweging 17 ter (nieuw)
(17 ter)   De synergieën die zijn gecreëerd dankzij de Europese territoriale samenwerking op regionaal en grensoverschrijdend niveau, hebben niet alleen in de Unie, maar ook met landen die zich in de pretoetredingsfase bevinden en met buurlanden geleid tot samenwerkingsprojecten die gericht zijn op verbetering van de werkgelegenheid, de inclusie van de kwetsbaarste bevolkingsgroepen, demografische uitdagingen, gezondheid en onderwijs, waarbij samenwerking op Unieniveau een toegevoegde waarde biedt. Het ESF+ moet meer middelen uittrekken voor dit soort projecten en de kennisoverdracht tussen deze projecten en het wetgevingsproces waarborgen met het oog op verbetering van het Europese regelgevingskader en bevordering van de uitwisseling van goede praktijken tussen de gebieden van de Unie.
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Overweging 18
(18)  Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten ter bestrijding van armoede ondersteunen zodat het doorgeven van achterstand van generatie op generatie wordt doorbroken. Het moet sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen te waarborgen voor iedereen en discriminatie en ongelijkheid op gezondheidsgebied aan te pakken. Dit vereist dat een heel scala aan beleidsmaatregelen voor de meest kansarmen wordt ingezet, ongeacht hun leeftijd, met inbegrip van kinderen, gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma en werkende armen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociaal-economische integratie. Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van de tijdige en gelijke toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten, zoals gezondheidszorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband. Het ESF+ moet bijdragen tot de modernisering van socialebeschermingssystemen, vooral met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid ervan.
(18)  Het ESF+ moet de inspanningen van de lidstaten voor het uitbannen van armoede – met inbegrip van energiearmoede als bedoeld in de recent vastgestelde regels inzake de governance van de energie-unie [nummer van de verordening invoegen zodra deze gepubliceerd is] – ondersteunen op alle bestuursniveaus, ook op regionaal en lokaal niveau, zodat het doorgeven van achterstand van generatie op generatie wordt doorbroken. Het ESF+ moet sociale inclusie bevorderen door gelijke kansen te waarborgen voor iedereen, belemmeringen weg te nemen, discriminatie te bestrijden en ongelijkheid op sociaal en gezondheidsgebied aan te pakken. Dit betekent tevens – maar niet uitsluitend – dat er een heel scala aan proactieve en reactieve beleidsmaatregelen en strategieën voor de meest kansarmen moet worden ingezet, ongeacht hun leeftijd, met inbegrip van kinderen, gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma, personen met een handicap, daklozen, onderdanen van derde landen (waaronder migranten) en werkende armen. Het ESF+ moet de actieve inclusie van mensen die ver van de arbeidsmarkt af staan bevorderen met het oog op hun sociaal-economische integratie, onder meer door middel van gerichte steun aan de sociale economie. De lidstaten moeten ESF+-acties bevorderen die een aanvulling vormen op nationale maatregelen die in het kader passen van de aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten1 bis, met inbegrip van maatregelen inzake passende inkomenssteun. Het ESF+ moet ook worden ingezet ter bevordering van de tijdige en gelijke toegang tot betaalbare, duurzame en hoogwaardige diensten, zoals persoonsgerichte gezondheidszorg, gerelateerde zorg en langdurige zorg, in het bijzonder zorg in gezins- en gemeenschapsverband, en diensten om mensen de weg te wijzen naar geschikte, sociale en betaalbare huisvesting. Dit heeft onder meer betrekking op diensten voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie als onderdeel van de primaire gezondheidszorg. Het ESF+ moet bijdragen tot de modernisering van socialebeschermingssystemen, vooral met het oog op het bevorderen van de toegankelijkheid en inclusiviteit ervan en de doeltreffendheid waarmee zij inspelen op de veranderende realiteit op de arbeidsmarkt. Het ESF+ moet zich ook richten op plattelandsarmoede die het gevolg is van specifieke nadelen van plattelandsgebieden, zoals ongunstige demografische omstandigheden, een zwakke arbeidsmarkt, beperkte toegang tot onderwijs en opleidingen of gezondheidszorg en sociale diensten.
______________
1 bis Aanbeveling van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11).
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Overweging 19
(19)  Het ESF+ moet bijdragen tot het terugdringen van de armoede door ondersteuning van nationale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting en van de meest behoeftigen te bevorderen. Aangezien op Unieniveau ten minste 4 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer de meest behoeftigen ondersteunt, moeten de lidstaten ten minste 2 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede en voedselgebrek. Gezien de aard van de activiteiten en het type eindontvangers is het nodig eenvoudigere regels toe te passen op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftigen.
(19)  Het ESF+ moet bijdragen tot het uitbannen van de armoede door ondersteuning van nationale regelingen die erop gericht zijn voedselgebrek en ernstige materiële deprivatie te verminderen en de sociale integratie van mensen die te maken krijgen met of risico lopen op armoede of sociale uitsluiting en van de meest behoeftigen te bevorderen. De lidstaten moeten ten minste 3 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer gebruiken om de vormen van extreme armoede te bestrijden die het sterkst bijdragen tot sociale uitsluiting, zoals dakloosheid, kinderarmoede, armoede onder ouderen en voedselgebrek. Gezien de aard van de activiteiten en het type eindontvangers is het nodig zo eenvoudig mogelijke regels toe te passen op de steun ter bestrijding van materiële deprivatie van de meest behoeftigen.
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 bis (nieuw)
(19 bis)   Het ESF+ moet gericht zijn op het aanpakken van de armoede onder oudere vrouwen in de hele Unie, gezien het feit dat de genderkloof op het gebied van pensioenen, die 40 % bedraagt, een acuut risico vormt voor grotere armoede onder oudere vrouwen, met name vrouwen die zonder partner leven. Het fonds moet zo gevolg geven aan de verbintenissen van de conclusies van de Raad van 2015 getiteld "Gelijke kansen voor vrouwen en mannen: de pensioengenderkloof dichten"1 bis. Armoede onder oudere vrouwen neemt ook toe door de stijgende eigen bijdragen voor gezondheidszorg en geneesmiddelen die oudere patiënten moeten dragen, met name vrouwen, die een groter deel van hun leven in slechte gezondheid verkeren dan mannen, hoofdzakelijk als gevolg van hun hogere levensverwachting.
_________________
1 bis http://data.consilium.europa.eu/doc/document/ST-9302-2015-INIT/nl/pdf
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Overweging 19 ter (nieuw)
(19 ter)  Met het oog op de bestrijding van armoede en het verbeteren van sociale inclusie moet het ESF+ zorgen voor een grotere actieve deelname van gespecialiseerde ngo's en organisaties die personen in armoede vertegenwoordigen, zowel bij het opstellen als bij het uitvoeren van de desbetreffende specifieke programma's.
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Overweging 20
(20)  In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen als aanvulling op de acties die worden gefinancierd in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie.
(20)  In het licht van de aanhoudende behoefte aan grotere inspanningen voor het beheer van de migratiestromen in de Unie als geheel en met het oog op coherente, sterke en consistente ondersteuning van inspanningen voor solidariteit en de billijke verdeling van de verantwoordelijkheid, moet het ESF+ steun verlenen ter bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen, waaronder migranten, hetgeen onder meer betrekking kan hebben op initiatieven op lokaal niveau, als aanvulling op de acties die worden gefinancierd in het kader van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling en die fondsen die een positief effect kunnen hebben op de inclusie van onderdanen van derde landen.
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Overweging 20 bis (nieuw)
(20 bis)   De autoriteiten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de planning en tenuitvoerlegging van het ESF+ moeten dit doen in coördinatie met de autoriteiten die door de lidstaten zijn aangewezen om de bijstandsverlening uit het Fonds voor asiel en migratie te beheren. Op deze manier moet de integratie van onderdanen van derde landen op alle niveaus zo goed mogelijk worden bevorderd door middel van strategieën die hoofdzakelijk door lokale en regionale autoriteiten en door niet-gouvernementele organisaties worden uitgevoerd, alsook aan de hand van maatregelen die zo veel mogelijk zijn toegespitst op de specifieke situatie van de desbetreffende onderdanen van derde landen. Het toepassingsgebied van de integratiemaatregelen moet gericht zijn op onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven of in voorkomend geval in een procedure zitten om legaal in een lidstaat te verblijven, met inbegrip van personen die internationale bescherming genieten.
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Overweging 21
(21)  Het ESF+ moet beleids- en systeemhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, gezondheidszorg en langdurige zorg, en onderwijs en opleiding. Om de afstemming op het Europees Semester te verbeteren, moeten de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van relevante landspecifieke aanbevelingen in verband met structurele uitdagingen die het best kunnen worden aangepakt via meerjarige investeringen binnen het toepassingsgebied van het ESF+. De Commissie en de lidstaten moeten zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen de ESF+-onderdelen onder gedeeld beheer en het onderdeel gezondheid van het ESF+ enerzijds en het steunprogramma voor hervormingen anderzijds, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De Commissie en de lidstaten moeten met name in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren.
(21)  Het ESF+ moet beleids- en systeemhervormingen ondersteunen op het gebied van werkgelegenheid, sociale inclusie, uitbanning van armoede, gezondheidszorg en langdurige zorg, en onderwijs en opleiding. Om de afstemming op het Europees Semester te verbeteren, moeten de lidstaten een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen voor de uitvoering van relevante landspecifieke aanbevelingen in verband met structurele uitdagingen die het best kunnen worden aangepakt via meerjarige investeringen binnen het toepassingsgebied van het ESF+. De Commissie en de lidstaten moeten lokale en regionale overheden bij het proces betrekken om te zorgen voor samenhang, coördinatie en complementariteit tussen de ESF+-onderdelen onder gedeeld beheer en het onderdeel gezondheid van het ESF+ enerzijds en het steunprogramma voor hervormingen anderzijds, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De Commissie en de lidstaten moeten met name in alle stadia van het proces doeltreffende coördinatie waarborgen om de consistentie, samenhang, complementariteit en synergie tussen financieringsbronnen en de technische bijstand daarvan te bewaren, en moeten daarbij de beginselen en rechten als vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, het sociaal scorebord in het kader van het Europees Semester, de agenda voor waardig werk van de IAO en regionale kenmerken in acht nemen, en zo bijdragen aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie als vastgesteld in artikel 174 VWEU betreffende de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang.
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Overweging 21 bis (nieuw)
(21 bis)  Gezien de verschillen in ontwikkelingsniveau tussen de regio's en de uiteenlopende sociale omstandigheden in de Unie, moet het ESF+ voldoende flexibel zijn om rekening te kunnen houden met regionale en territoriale kenmerken.
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Overweging 22
(22)  Om ervoor te zorgen dat de sociale dimensie van Europa, zoals vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, naar behoren wordt bevorderd en dat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor de meest behoeftigen moeten de lidstaten ten minste 25 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de bevordering van sociale inclusie.
(22)  Om ervoor te zorgen dat de sociale dimensie van Europa, zoals vastgesteld in de Europese pijler van sociale rechten, naar behoren wordt bevorderd en dat een minimumbedrag van de middelen wordt gebruikt voor de meest behoeftigen moeten de lidstaten ten minste 27 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de bevordering van sociale inclusie en de uitbanning van armoede. Dit percentage moet een aanvulling vormen op de nationale middelen ter bestrijding van extreme armoede.
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 bis (nieuw)
(22 bis)  Alle lidstaten hebben het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind geratificeerd, dat de norm vormt voor de bevordering en bescherming van de rechten van het kind. De bevordering van de rechten van het kind is een expliciete doelstelling van het beleid van de Unie (artikel 3 van het Verdrag van Lissabon), en krachtens het Handvest moeten de belangen van het kind de eerste overweging vormen bij alle handelingen van de Unie. De Unie en de lidstaten moeten op passende wijze van het ESF+ gebruikmaken om de vicieuze cirkel van achterstand te doorbreken voor kinderen die in een situatie van armoede en sociale uitsluiting leven, zoals omschreven in de aanbeveling van de Commissie van 2013 over investeren in kinderen. Het ESF+ moet acties ondersteunen ter bevordering van doeltreffende maatregelen die bijdragen aan de verwezenlijking van de rechten van het kind.
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Overweging 22 ter (nieuw)
(22 ter)  Gezien het aanhoudend hoge percentage van kinderarmoede en sociale uitsluiting van kinderen in de Unie (26,4 % in 2017), en gezien de Europese pijler van sociale rechten, uit hoofde waarvan kinderen recht hebben op bescherming tegen armoede en kinderen uit kansarme milieus recht hebben op specifieke maatregelen ter bevordering van gelijke kansen, moeten de lidstaten ten minste 5 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan de Europese kindergarantie om bij te dragen aan de gelijke toegang van kinderen tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en geschikte voeding, met het oog op de uitbanning van kinderarmoede en de sociale uitsluiting van kinderen. Wanneer reeds in een vroeg stadium wordt geïnvesteerd in kinderen, dan komt dit deze kinderen en de samenleving als geheel aanzienlijk ten goede. Deze aanpak is cruciaal om de vicieuze cirkel van kansarmoede op vroege leeftijd te doorbreken. Door kinderen te steunen bij de ontwikkeling van hun vaardigheden en capaciteiten worden zij in staat gesteld om hun volledige potentieel te ontplooien en de beste onderwijs- en gezondheidsniveaus te bereiken, hetgeen hen helpt om als jongeren actieve leden van de samenleving te worden en hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Overweging 23
(23)  In het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio's, die vooral van invloed zijn op jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, moeten die lidstaten zich blijven inzetten om voldoende ESF+-middelen onder gedeeld beheer te investeren in acties ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, onder andere via de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuele personen en werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten verder steun blijven verlenen voor herintegratie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs en voor outreachmaatregelen voor jongeren door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, onder meer via jeugdwerk. De lidstaten moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken en de diensten voor arbeidsvoorziening te hervormen en aan te passen zodat zij ondersteuning op maat kunnen bieden aan jongeren. De betrokken lidstaten moeten daarom ten minste 10 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan ondersteuning van de inzetbaarheid van jongeren.
(23)  In het licht van de aanhoudend hoge niveaus van werkloosheid en inactiviteit onder jongeren in een aantal lidstaten en regio's, die vooral van invloed zijn op jongeren die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's), een probleem dat zich vooral voordoet bij jongeren met een kansarme sociale achtergrond, moeten de lidstaten zich blijven inzetten om voldoende middelen van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer te investeren in acties ter bevordering van jongerenwerkgelegenheid, met name via de uitvoering van jongerengarantieregelingen. Voortbouwend op de acties die gericht zijn op individuele personen en werden ondersteund door het jongerenwerkgelegenheidsinitiatief in de programmeringsperiode 2014-2020 moeten de lidstaten verder steun blijven verlenen voor hoogwaardige herintegratie op de arbeidsmarkt en in het onderwijs en voor doeltreffende outreachmaatregelen voor jongeren door, waar van toepassing, prioriteit te geven aan langdurig werkloze, inactieve en kansarme jongeren, de moeilijkst te bereiken jongeren en jongeren in kwetsbare situaties, onder meer via jeugdwerk. De lidstaten moeten ook investeren in maatregelen die erop gericht zijn de overgang van school naar werk te vergemakkelijken en de diensten voor arbeidsvoorziening te hervormen en aan te passen zodat zij ondersteuning op maat kunnen bieden aan jongeren, en die er tevens op gericht zijn deze diensten te verlenen zonder enige vorm van discriminatie. De lidstaten moeten ten minste 3 % van hun nationale ESF+-middelen onder gedeeld beheer toewijzen aan ondersteuning van beleidsmaatregelen op het gebied van de inzetbaarheid van jongeren, vervolgonderwijs, hoogwaardige werkgelegenheid, leerlingplaatsen en stages. De lidstaten waar het percentage NEET's boven het Uniegemiddelde ligt of meer dan 15 % bedraagt, moeten ten minste 15 % van hun nationale ESF+-middelen toewijzen aan de ondersteuning van beleidsmaatregelen op dit gebied, waarbij ze optreden op het passende territoriale niveau.
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 bis (nieuw)
(23 bis)  Ongelijkheden op subregionaal niveau komen steeds meer voor, ook in meer welvarende regio's met kernen van armoede.
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 ter (nieuw)
(23 ter)   Gezien de uitbreiding van het toepassingsgebied van het ESF+ moet worden gewaarborgd dat deze extra taken gepaard gaan met extra financiële middelen, zodat de doelstellingen van het programma kunnen worden verwezenlijkt. Er is meer financiering nodig voor de bestrijding van werkloosheid – met name jeugdwerkloosheid – en armoede, en voor de ondersteuning van professionele ontwikkeling en beroepsopleidingen, met name op de digitale werkplek, in overeenstemming met de in de Europese pijler van sociale rechten opgenomen beginselen.
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Overweging 23 quater (nieuw)
(23 quater)  Eures moet op lange termijn worden versterkt, met name door het internetplatform uit te breiden en de lidstaten actief in te schakelen. De lidstaten moeten dit bestaande model doeltreffender benutten en de details van alle vacatures in de lidstaten via het Eures-systeem openbaar maken.
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Overweging 24
(24)  De lidstaten moeten zorgen voor coördinatie en complementariteit tussen de door deze fondsen ondersteunde acties.
(24)  De lidstaten en de Commissie moeten zorgen voor coördinatie en complementariteit en de benutting van synergieën tussen de acties die worden ondersteund door het ESF+ en de overige programma's en instrumenten van de Unie, zoals het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, het Erasmus-programma, het Fonds voor asiel, migratie en integratie, Horizon Europa, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, het programma Digitaal Europa, InvestEU, Creatief Europa of het Europees Solidariteitskorps.
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Overweging 25
(25)  Overeenkomstig artikel 349 VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 hebben de ultraperifere gebieden en de noordelijke dunbevolkte regio's recht op specifieke maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk beleid en de EU-programma's. Deze regio's hebben bijzondere steun nodig omwille van blijvende beperkingen.
(25)  Overeenkomstig de artikelen 349 en 174 VWEU en artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 hebben de ultraperifere gebieden, de noordelijke dunbevolkte regio's en de eilanden recht op specifieke maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk beleid en de EU-programma's. Deze regio's hebben bijzondere steun nodig aangezien zij kampen met ernstige en blijvende natuurlijke belemmeringen.
Motivering
De geografische reikwijdte van het ESF+ moet duidelijk worden vastgelegd.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Overweging 25 bis (nieuw)
(25 bis)  In overeenstemming met artikel 174 VWEU moeten de lidstaten en de Commissie waarborgen dat het ESF+ bijdraagt aan de ontwikkeling en uitvoering van specifiek beleid om in te spelen op de beperkingen en problemen waarmee regio's die kampen met ernstige en permanente demografische belemmeringen, zoals ontvolkte of dunbevolkte regio's, worden geconfronteerd.
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Overweging 26
(26)  Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen alle actoren op de relevante territoriale niveaus en de sociaaleconomische actoren, met name de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten de sociale partners en het maatschappelijk middenveld aanmoedigen deel te nemen aan de uitvoering van het ESF+ onder gedeeld beheer.
(26)  Een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de door het ESF+ ondersteunde acties hangt af van een goed bestuur en een goed partnerschap tussen de instellingen van de Unie en de lokale, regionale en nationale overheden, en de sociaal-economische actoren, met name de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Het is daarom van essentieel belang dat de lidstaten, in samenwerking met regionale en lokale overheden, waarborgen dat de sociale partners en organisaties van het maatschappelijk middenveld, instanties voor gelijke kansen, nationale mensenrechteninstellingen en andere relevante of representatieve organisaties op zinvolle wijze kunnen deelnemen aan de programmering en het realiseren van het ESF+, gaande van het vaststellen van prioriteiten voor operationele programma's tot de uitvoering, monitoring en evaluatie van de resultaten en effecten in overeenstemming met de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen als vastgesteld bij Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie1 bis. Daarnaast is het met het oog op de waarborging van non-discriminatie en gelijke kansen belangrijk dat ook instanties voor gelijke kansen en nationale mensenrechteninstellingen hier in elke fase bij worden betrokken.
____________
1 bis Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 betreffende de Europese gedragscode inzake partnerschap in het kader van de Europese structuur- en investeringsfondsen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 1).
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Overweging 26 bis (nieuw)
(26 bis)  Goed bestuur en samenwerking tussen de beheersautoriteiten en de partners vergen een doeltreffende en efficiënte benutting van capaciteitsopbouw voor belanghebbenden, aan wie de lidstaten een passend deel van de ESF+-middelen moeten toewijzen. Aangezien investeringen in institutionele capaciteit alsook in de efficiëntie van het openbaar bestuur en openbare diensten op nationaal, regionaal en lokaal niveau met het oog op hervormingen, betere regelgeving en goed bestuur niet langer een operationele doelstelling vormen van het ESF+ onder gedeeld beheer maar zijn opgenomen in het steunprogramma voor structurele hervormingen, moeten de Commissie en de lidstaten ervoor zorgen dat deze twee instrumenten doeltreffend op elkaar worden afgestemd.
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Overweging 27
(27)  Steun voor sociale innovatie is cruciaal om het beleid beter op de sociale veranderingen af te stemmen en innovatieve oplossingen aan te moedigen en te ondersteunen. Met name het beproeven en evalueren van innovatieve oplossingen voordat zij op grotere schaal worden toegepast, is van fundamenteel belang voor de verbetering van de doelmatigheid van het beleid en rechtvaardigt de specifieke steunverlening uit het ESF+.
(27)  Steun voor sociale innovatie en de sociale economie is cruciaal om het beleid beter op de sociale veranderingen af te stemmen en innovatieve oplossingen aan te moedigen en te ondersteunen, ook op lokaal niveau. Met name het beproeven en evalueren van innovatieve oplossingen voordat zij op grotere schaal worden toegepast, is van fundamenteel belang voor de verbetering van de doelmatigheid van het beleid en rechtvaardigt de specifieke steunverlening uit het ESF+.
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Overweging 27 bis (nieuw)
(27 bis)  Met het oog op de volledige benutting van het potentieel van sectoroverschrijdende samenwerking en de verbetering van de synergie en samenhang met andere beleidsterreinen ter verwezenlijking van de algemene doelstellingen van het fonds, moet het ESF+ innoverende acties ondersteunen die via sport, lichaamsbeweging en cultuur aanzetten tot sociale inclusie, de strijd aangaan met jeugdwerkloosheid, met name van kansarme groepen, een betere sociale inclusie van gemarginaliseerde groepen tot stand brengen, en een gezonde levensstijl en ziektepreventie bevorderen.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Overweging 28
(28)  De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU ter bevordering van gelijke behandeling en kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. Zij moeten er ook voor zorgen dat het ESF+ gelijke kansen voor iedereen bevordert, zonder discriminatie, overeenkomstig artikel 10 VWEU, alsook de inclusie in de maatschappij van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. Met deze beginselen moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma's, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige discriminatie. Het ESF+ mag geen acties ondersteunen die bijdragen tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) nr. [toekomstige GB-verordening] bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer moet worden voorzien.
(28)  De lidstaten en de Commissie moeten ervoor zorgen dat het ESF+ bijdraagt tot de bevordering van de gelijkheid van vrouwen en mannen overeenkomstig artikel 8 VWEU ter bevordering van gelijke behandeling en kansen voor vrouwen en mannen op alle gebieden, waaronder de participatie op de arbeidsmarkt, arbeidsvoorwaarden en loopbaanontwikkeling. De genderaspecten moeten tot uiting komen in alle programma's die worden uitgevoerd, tijdens de voorbereiding, uitvoering, monitoring en evaluatie. Bovendien moet het ESF+ met name de naleving van artikel 21 van het Handvest in acht nemen, waarin is bepaald dat iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht, ras, kleur, etnische of sociale afkomst, genetische kenmerken, taal, godsdienst of overtuigingen, politieke of andere denkbeelden, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, een handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, verboden is. Voorts moet ook iedere vorm van discriminatie op grond van geslachtskenmerken of genderidentiteit en op grond van nationaliteit worden verboden. De lidstaten en de Commissie moeten er tevens voor zorgen dat het ESF+ de inclusie in de maatschappij bevordert van personen met een handicap op voet van gelijkheid met anderen en dat het bijdraagt tot de uitvoering van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap, onder meer met betrekking tot onderwijs, werk, werkgelegenheid en universele toegang. Met deze beginselen moet tijdig en op consistente wijze rekening worden gehouden in alle dimensies en in alle fasen van de voorbereiding, monitoring, uitvoering en evaluatie van de programma's, waarbij ervoor moet worden gezorgd dat er specifieke acties worden ondernomen ter bevordering van gendergelijkheid en gelijke kansen. Het ESF+ moet ook de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband bevorderen, in het bijzonder voor degenen die te maken hebben met meervoudige en intersectionele discriminatie. Het ESF+ mag geen acties ondersteunen die bijdragen tot segregatie of sociale uitsluiting. Verordening (EU) nr. [toekomstige GB-verordening] bepaalt dat de regels betreffende subsidiabiliteit van de uitgaven in overeenstemming met het Handvest en op nationaal niveau moeten worden vastgesteld, met bepaalde uitzonderingen, waarvoor in specifieke bepalingen ten aanzien van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer moet worden voorzien.
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 bis (nieuw)
(28 bis)  Het gebruik van regionale indicatoren moet in overweging worden genomen, zodat beter rekening kan worden gehouden met subregionale verschillen.
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Overweging 28 ter (nieuw)
(28 ter)   Het ESF+ moet het leren van talen ondersteunen om het wederzijds begrip te bevorderen en een inclusieve samenleving op te bouwen, eveneens door meer gebruik te maken van de toolkit voor taalondersteuning voor vluchtelingen die is ontwikkeld door de Raad van Europa.
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Overweging 29
(29)  Om de administratieve lasten in verband met de verzameling van gegevens te verminderen, moeten de lidstaten wanneer dergelijke gegevens in registers beschikbaar zijn, de beheersautoriteiten in staat stellen deze gegevens uit die registers te verkrijgen.
(29)  Om de administratieve lasten in verband met de verzameling van gegevens te verminderen, moeten de lidstaten wanneer dergelijke gegevens – eventueel uitgesplitst naar geslacht – in registers beschikbaar zijn, de beheersautoriteiten in staat stellen deze gegevens uit die registers te verkrijgen, met inachtneming van de bescherming van persoonsgegevens overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1 bis. Het is raadzaam om de voortzetting van de elektronische overdracht van gegevens te stimuleren, omdat dit de administratieve lasten helpt verminderen.
__________________
1 bis Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Overweging 31
(31)  Via sociale experimenten, een kleinschalig project, kan informatie worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn met haalbare ideeën op ruimere schaal of in andere contexten door te gaan met financiële ondersteuning van het ESF+ en andere bronnen.
(31)  Via sociale experimenten, een kleinschalig project, kan informatie worden verzameld over de haalbaarheid van sociale innovatie. Het moet mogelijk zijn en worden aangemoedigd om ideeën op lokaal niveau te testen en met haalbare ideeën op ruimere schaal door te gaan – waar passend – of ze over te nemen in andere contexten in verschillende regio's of lidstaten met financiële ondersteuning van het ESF+ of in combinatie met andere bronnen.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Overweging 32
(32)  In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de centrale diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten onderling en met de Commissie tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken en de informatie op de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd.
(32)  In het ESF+ zijn bepalingen vastgelegd om het vrije verkeer van werknemers op niet-discriminerende wijze te verwezenlijken door een nauwe samenwerking tussen de openbare diensten voor arbeidsvoorziening van de lidstaten, de Commissie en de sociale partners tot stand te brengen. Het Europees netwerk van diensten voor arbeidsvoorziening moet, in overleg met de sociale partners, een betere werking van de arbeidsmarkten bevorderen door grensoverschrijdende mobiliteit van werknemers gemakkelijker te maken en de informatie op de arbeidsmarkten transparanter te maken. Het toepassingsgebied van het ESF+ omvat ook de ontwikkeling en ondersteuning van gerichte mobiliteitsregelingen zodat vacatures kunnen worden vervuld waar tekortkomingen op de arbeidsmarkt zijn geïdentificeerd. Het ESF+ ondersteunt grensoverschrijdende partnerschappen tussen regionale openbare diensten voor arbeidsvoorziening en de sociale partners en de activiteiten die zij uitvoeren ter bevordering van mobiliteit, alsook transparantie en integratie van grensoverschrijdende arbeidsmarkten door middel van voorlichting, advies en arbeidsbemiddeling. In veel grensregio's spelen deze partnerschappen een belangrijke rol bij de totstandbrenging van een echte Europese arbeidsmarkt.
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Overweging 33
(33)  Een van de grootste belemmeringen om een bedrijf te starten is gebrek aan toegang tot krediet voor micro-ondernemingen, de sociale economie en sociale ondernemingen, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. In de ESF+-verordening zijn bepalingen vastgesteld om een marktecosysteem te creëren om het aanbod aan en de toegang tot financiering te vergroten voor sociale ondernemingen en tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben, met name de werklozen, vrouwen en kwetsbare mensen die een micro-onderneming willen starten of uitbouwen. Aan deze doelstelling zal ook worden gewerkt via financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidscomponent voor sociale investeringen en vaardigheden van het InvestEU-fonds.
(33)  Een van de grootste belemmeringen om een bedrijf te starten is gebrek aan toegang tot krediet voor micro-ondernemingen, de sociale economie en ondernemingen in de sociale economie, met name voor degenen die het verst van de arbeidsmarkt af staan. In de ESF+-verordening zijn bepalingen vastgesteld om een marktecosysteem te creëren om het aanbod aan en de toegang tot financiering en ondersteunende diensten te vergroten voor ondernemingen in de sociale economie, waaronder die in de culturele en creatieve sector, en tegemoet te komen aan de vraag van degenen die hieraan het meest behoefte hebben, met name de werklozen, vrouwen en kansarme groepen die een micro-onderneming willen starten of uitbouwen. Aan deze doelstelling zal ook worden gewerkt via financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidscomponent voor sociale investeringen en vaardigheden van het InvestEU-fonds.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Overweging 33 bis (nieuw)
(33 bis)  De Commissie moet op het niveau van de Unie een label "Europese sociale economie" invoeren voor sociale en solidaire ondernemingen, gebaseerd op duidelijke criteria die ontwikkeld zijn om de specifieke kenmerken van deze ondernemingen en hun sociale impact in de verf te zetten, hun zichtbaarheid te vergroten, investeringen te stimuleren, de toegang tot financiering en tot de interne markt te faciliteren voor degenen die nationaal of naar andere lidstaten willen uitbreiden, waarbij tegelijk rekening wordt gehouden met de diverse rechtsvormen en -kaders in de sector en in de lidstaten.
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Overweging 34
(34)  Spelers op de markt voor sociale investeringen, waaronder filantropische actoren, kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van meerdere ESF+-doelstellingen aangezien ze zowel financiering als innovatieve en aanvullende benaderingen bieden om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, de werkloosheid terug te dringen en bij te dragen tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Daarom moeten filantropische actoren, zoals stichtingen en donoren naargelang het geval worden betrokken bij ESF+-acties, met name bij de acties die zijn gericht op de ontwikkeling van het ecosysteem voor de markt voor sociale investeringen.
(34)  Spelers op de markt voor sociale investeringen, waaronder filantropische actoren, kunnen een belangrijke rol spelen bij het bereiken van meerdere ESF+-doelstellingen aangezien ze zowel financiering als innovatieve en aanvullende benaderingen bieden om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, de werkloosheid terug te dringen en bij te dragen tot de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN. Daarom moeten filantropische actoren, zoals stichtingen en donoren naargelang het geval en voor zover zij geen politieke of maatschappelijke motieven hebben die in strijd zijn met de idealen van de Unie, worden betrokken bij ESF+-acties, met name bij de acties die zijn gericht op de ontwikkeling van het ecosysteem voor de markt voor sociale investeringen.
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Overweging 34 bis (nieuw)
(34 bis)  Transnationale samenwerking biedt een significante meerwaarde en dient derhalve door alle lidstaten te worden ondersteund, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel. Tevens is het nodig de Commissie een sterkere rol toe te bedelen bij het bevorderen van de uitwisseling van ervaringen en het coördineren van de uitvoering van relevante initiatieven.
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Overweging 35 bis (nieuw)
(35 bis)   De Commissie dient de participatie van de lidstaten en van ondervertegenwoordigde organisaties te bevorderen door de belemmeringen voor participatie zoveel mogelijk te verlagen, met inbegrip van de administratieve lasten voor het aanvragen en ontvangen van financiering.
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Overweging 35 ter (nieuw)
(35 ter)   Een van de hoofddoelstellingen van de Unie is de gezondheidszorgstelsels te versterken door de digitale transformatie van zorgvoorzieningen en patiëntenzorg te ondersteunen en een duurzaam zorginformatiesysteem te ontwikkelen, alsook door steun te geven aan nationale hervormingen om gezondheidszorgstelsels doeltreffender, toegankelijker en veerkrachtiger te maken.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Overweging 36
(36)  Mensen langer gezond en actief houden en hen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid, zal positieve effecten hebben op de volksgezondheid, op de ongelijkheid op gezondheidsgebied, op de levenskwaliteit, de productiviteit, het concurrentievermogen en de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale begrotingen doen afnemen. De Commissie is vastbesloten de lidstaten te helpen om hun duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals - SDG's) te behalen, in het bijzonder SDG 3 "Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd".17
(36)  Teneinde aan de voorschriften van artikel 168 VWEU te voldoen, zijn permanente inspanningen vereist. Iedereen op een niet-discriminerende manier gezond en actief houden en mensen in staat stellen een actieve rol te spelen bij de zorg voor de eigen gezondheid, zal positieve effecten hebben op de volksgezondheid, op de ongelijkheid op gezondheidsgebied, op de levenskwaliteit, de productiviteit, het concurrentievermogen en de inclusiviteit, en zal de druk op de nationale begrotingen doen afnemen. Steun voor en erkenning van innovaties, waaronder sociale innovaties, die gevolgen hebben voor de gezondheid, zijn een hulpmiddel bij de ambitie om de gezondheidssector in het licht van de uitdagingen van demografische veranderingen duurzaam te houden. Bovendien zijn maatregelen om de ongelijkheid op gezondheidsgebied te beperken van belang om "inclusieve groei" te kunnen verwezenlijken. De Commissie is vastbesloten de lidstaten te helpen om hun duurzameontwikkelingsdoelstellingen (sustainable development goals - SDG's) te behalen, in het bijzonder SDG 3 "Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd".17
_________________
_________________
17 COM(2016)0739.
17 COM(2016)0739.
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Overweging 36 bis (nieuw)
(36 bis)  Volgens de definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) is gezondheid een toestand van volkomen lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn en niet alleen de afwezigheid van ziekte of beperkingen. Om de volksgezondheid in de Unie te verbeteren, is het van essentieel belang niet uitsluitend de nadruk te leggen op lichamelijke gezondheid en sociaal welzijn. Volgens de WHO is 40 % van het aantal levensjaren dat met een beperking wordt doorgebracht te wijten aan geestelijke gezondheidsproblemen. Problemen in verband met geestelijke gezondheid zijn ook erg divers, langdurig en leiden tot discriminatie, en dragen in aanzienlijke mate bij aan ongelijkheid op gezondheidsgebied. Bovendien is de economische crisis van invloed op factoren die de geestelijke gezondheid bepalen, omdat beschermende factoren zijn afgezwakt en risicofactoren zijn toegenomen.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Overweging 37
(37)  De gemeenschappelijke waarden en beginselen in de gezondheidsstelsels van de Europese Unie, zoals vastgesteld in de conclusies van de Raad van 2 juni 2006, moeten het besluitvormingsproces ondersteunen om innovatieve, doeltreffende en veerkrachtige gezondheidsstelsels op te zetten en te beheren, om instrumenten te bevorderen die universele toegang tot hoogwaardige gezondheidszorg waarborgen en om vrijwillig de beste praktijken op grotere schaal toe te passen.
(37)  De gemeenschappelijke waarden en beginselen in de gezondheidsstelsels van de Europese Unie, zoals vastgesteld in de conclusies van de Raad van 2 juni 2006, moeten het besluitvormingsproces ondersteunen om innovatieve, doeltreffende en veerkrachtige gezondheidsstelsels op te zetten en te beheren, om instrumenten te bevorderen die universele toegang tot hoogwaardige persoonsgerichte gezondheidszorg en gerelateerde zorg waarborgen en om vrijwillig de beste praktijken op grotere schaal toe te passen. Dit heeft onder meer betrekking op diensten voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie als onderdeel van de primaire gezondheidszorg.
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 bis (nieuw)
(37 bis)  De vorige actieprogramma's van de Unie op het gebied van de volksgezondheid (2003-2008) en op het gebied van gezondheid (2008-2013 en 2014-2020), die respectievelijk zijn vastgesteld bij Besluit nr. 1786/2002/EG1 bis, Besluit nr. 1350/2007/EG1 ter en Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad1 quater ("de vorige gezondheidsprogramma's"), kregen een positieve evaluatie omdat zij een aantal belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen tot gevolg hebben gehad. Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet voortbouwen op de verwezenlijkingen van de vorige gezondheidsprogramma's.
____________________
1 bis Besluit nr. 1786/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 tot vaststelling van een communautair actieprogramma op het gebied van de volksgezondheid (2003‑2008) (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 1).
1 ter Besluit nr. 1350/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 tot vaststelling van een tweede communautair actieprogramma op het gebied van gezondheid (2008‑2013) (PB L 301 van 20.11.2007, blz. 3).
1 quater Verordening (EU) nr. 282/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 tot vaststelling van een derde actieprogramma voor de Unie op het gebied van gezondheid (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1350/2007/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 1).
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Overweging 37 ter (nieuw)
(37 ter)   Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet een instrument zijn ter bevordering van acties op gebieden waar er sprake is van een meerwaarde van de Unie die kan worden aangetoond op basis van het volgende: uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten en tussen de regio's; ondersteuning van netwerken voor kennisuitwisseling of wederzijds leren; ondersteuning van kwalificaties voor gezondheidswerkers; het aanpakken van grensoverschrijdende bedreigingen om de risico's en de gevolgen ervan te beperken; het aanpakken van bepaalde aangelegenheden met betrekking tot de interne markt wanneer de Unie over substantiële legitimiteit beschikt om in de lidstaten kwalitatief hoogstaande oplossingen te garanderen; ontsluiting van het innovatiepotentieel op gezondheidsgebied; maatregelen die kunnen leiden tot een benchmarkingsysteem om op het niveau van de Unie besluitvorming met kennis van zaken mogelijk te maken; het vergroten van de efficiëntie door verspilling van hulpbronnen als gevolg van dubbel werk te voorkomen, en de optimalisering van het gebruik van financiële middelen.
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Overweging 38
(38)  Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet bijdragen tot ziektepreventie gedurende het hele leven van de EU-burgers en tot de bevordering van de gezondheid door risicofactoren voor de gezondheid aan te pakken zoals tabaksgebruik en passief roken, schadelijk alcoholgebruik, consumptie van illegale drugs en schade aan de gezondheid door drugsgebruik, ongezonde voedingsgewoonten en gebrek aan lichaamsbeweging. Het moet een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor een gezonde levensstijl om de maatregelen van de lidstaten aan te vullen in overeenstemming met de desbetreffende strategieën. Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet doeltreffende preventiemodellen, innovatieve technologieën en nieuwe bedrijfsmodellen en oplossingen integreren om bij te dragen tot innovatieve, doeltreffende en duurzame gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en om de toegang tot een betere en veiligere gezondheidszorg voor de Europese burgers te vergemakkelijken.
(38)  Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet bijdragen tot ziektepreventie, vroegtijdige diagnose gedurende het hele leven van de inwoners van de Unie en de bevordering van de gezondheid door risicofactoren voor de gezondheid aan te pakken zoals tabaksgebruik, roken en passief roken, schadelijk alcoholgebruik, milieugerelateerde risicofactoren voor de gezondheid, consumptie van illegale drugs en schade aan de gezondheid door drugsgebruik, obesitas en ongezonde voedingsgewoonten, die ook aan armoede en een gebrek aan lichaamsbeweging zijn gerelateerd. Het moet een klimaat creëren dat bevorderlijk is voor een gezonde levensstijl, de bevolking bewuster maken van risicofactoren en weldoordachte acties op het gebied van volksgezondheid bevorderen om de lasten en effecten van infecties en te voorkomen besmettelijke ziekten op de algemene gezondheid gedurende het hele leven te verminderen, onder meer door vaccinaties, teneinde de maatregelen van de lidstaten aan te vullen in overeenstemming met de desbetreffende strategieën. In dit kader moet speciale aandacht worden besteed aan gezondheidsvoorlichting, aangezien individuele personen en gemeenschappen hierdoor hun gezondheid kunnen verbeteren, hun kennis kunnen vergroten en hun houding kunnen aanpassen. De huidige problemen op het gebied van gezondheid kunnen enkel doeltreffend worden aangepakt door samenwerking op het niveau van de Unie en aanhoudend optreden van de Unie op het gebied van gezondheid. Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet de uitvoering van de desbetreffende Uniewetgeving ondersteunen en doeltreffende preventie- en bewustmakingsmodellen voor alle doelgroepen integreren, alsook innovatieve technologieën en nieuwe bedrijfsmodellen en oplossingen om bij te dragen tot innovatieve, toegankelijke, doeltreffende en duurzame gezondheidszorgstelsels van de lidstaten en om de toegang tot een betere en veiligere gezondheidszorg voor de inwoners van de Unie te vergemakkelijken, zowel in stedelijke als plattelandsgebieden.
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Overweging 38 bis (nieuw)
(38 bis)   Met het oog op de uitvoering van de acties in het kader van het onderdeel gezondheid moet de Commissie de oprichting van een stuurgroep voor gezondheid ondersteunen. Daarnaast moet de Commissie manieren en methoden voorstellen om de gezondheidsgerelateerde activiteiten af te stemmen op het proces van het Europees Semester, dat nu bevoegd is om hervormingen op het gebied van gezondheidszorgstelsels aan te bevelen (en in feite ook andere sociale determinanten in verband met gezondheid) die tot doel hebben regelingen inzake gezondheidszorg en sociale bescherming in de lidstaten toegankelijker en duurzamer te maken.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Overweging 39
(39)  Niet-overdraagbare ziekten zijn verantwoordelijk voor meer dan 80 % van de voortijdige sterfte in de Unie en doeltreffende preventie veronderstelt verscheidene grensoverschrijdende dimensies. Tegelijkertijd hebben het Europees Parlement en de Raad de noodzaak beklemtoond om de gevolgen voor de volksgezondheid van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen, zoals overdraagbare ziekten en andere biologische, chemische, onbekende en milieubedreigingen tot een minimum te beperken door de crisisparaatheid en de responscapaciteit te ondersteunen.
(39)  Niet-overdraagbare ziekten zijn verantwoordelijk voor meer dan 80 % van de voortijdige sterfte in de Unie en doeltreffende preventie veronderstelt verscheidene sectoroverschrijdende acties en grensoverschrijdende dimensies. Tegelijkertijd hebben het Europees Parlement en de Raad de noodzaak beklemtoond om de gevolgen voor de volksgezondheid van ernstige grensoverschrijdende bedreigingen, zoals plotse en cumulatieve emissies in het milieu en milieuvervuiling, overdraagbare ziekten en andere biologische, chemische, onbekende en milieubedreigingen tot een minimum te beperken door de crisisparaatheid en de responscapaciteit te ondersteunen.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Overweging 39 bis (nieuw)
(39 bis)   Blijvende investeringen in innovatieve en op de gemeenschap gebaseerde benaderingen voor het aanpakken van grensoverschrijdende ziekten, zoals de epidemieën van hiv/aids, tuberculose en virale hepatitis, zijn van essentieel belang, aangezien de sociale dimensie van de ziekten een grote invloed heeft op het vermogen om deze ziekten in de Unie en haar buurlanden als epidemie te kunnen aanpakken. Een ambitieuzer politiek leiderschap en toereikende technische en financiële middelen om te voorzien in een duurzame regionale oplossing voor de strijd tegen hiv/aids, tuberculose en hepatitis in Europa, zullen van cruciaal belang zijn om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen inzake deze ziekten te verwezenlijken.
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Overweging 40
(40)  Het is van essentieel belang de last van resistente infecties en zorginfecties te verminderen en de beschikbaarheid van doeltreffende antibiotica te garanderen met het oog op een efficiënte gezondheidszorg en de gezondheid van de patiënten.
(40)  Het is van essentieel belang de last van resistente infecties en zorginfecties te verminderen en de beschikbaarheid van doeltreffende antibiotica te garanderen – waarbij evenwel het gebruik ervan wordt beperkt om antimicrobiële resistentie te helpen tegengaan – met het oog op een efficiënte gezondheidszorg en de gezondheid van de burgers.
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Overweging 42
(42)  Gezien de specifieke aard van enkele doelstellingen van het onderdeel gezondheid van het ESF+ en van de soorten acties in het kader van dat onderdeel, zijn de respectieve bevoegde autoriteiten van de lidstaten het best geplaatst om de daarmee samenhangende activiteiten uit te voeren. Die autoriteiten, die door de lidstaten zelf zijn aangewezen, moeten daarom voor de toepassing van artikel [195], van [het nieuwe Financieel Reglement] worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten aan dergelijke autoriteiten worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen.
(42)  Gezien de specifieke aard van enkele doelstellingen van het onderdeel gezondheid van het ESF+ en van de soorten acties in het kader van dat onderdeel, zijn de respectieve bevoegde autoriteiten van de lidstaten het best geplaatst om de daarmee samenhangende activiteiten uit te voeren met de actieve steun van het maatschappelijk middenveld. Die autoriteiten, die door de lidstaten zelf zijn aangewezen, in voorkomend geval in combinatie met organisaties uit het maatschappelijk middenveld, moeten daarom voor de toepassing van artikel [195], van [het nieuwe Financieel Reglement] worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden en de subsidies moeten aan dergelijke autoriteiten worden toegekend zonder voorafgaande bekendmaking van oproepen tot het indienen van voorstellen.
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 bis (nieuw)
(42 bis)   Om de prestaties van programma's te vergroten door toezicht te houden op tekortkomingen en gebreken, moet de Commissie programma- en actiespecifieke monitoringindicatoren toepassen om te waarborgen dat de doelstellingen van programma's worden verwezenlijkt.
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 ter (nieuw)
(42 ter)   Het ESF+-programma moet inspelen op bestaande belemmeringen die de deelname van het maatschappelijk middenveld belemmeren, bijvoorbeeld door vereenvoudiging van de aanvraagprocedures, versoepeling van de financiële criteria door in sommige gevallen af te zien van het medefinancieringspercentage, maar ook door de capaciteit van patiënten, hun organisaties en andere belanghebbenden te vergroten door middel van opleidingen en onderwijs. Het programma moet er voorts op gericht zijn op niveau van de Unie het functioneren mogelijk te maken van netwerken en organisaties van het maatschappelijk middenveld, met inbegrip van organisaties op Unieniveau, die een bijdrage leveren tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het programma.
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Overweging 42 quater (nieuw)
(42 quater)   Het onderdeel gezondheid van het ESF+ moet zo worden uitgevoerd dat de bevoegdheden van de lidstaten inzake de bepaling van hun gezondheidsbeleid en de organisatie en verlening van gezondheidsdiensten en geneeskundige zorg worden geëerbiedigd. Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen uit hoofde van de Verdragen en de rol van de lidstaten als belangrijkste gesprekspartner in het besluitvormingsproces van de Unie, moet ook de bevoegde autoriteiten op subnationaal niveau een rol worden toebedeeld om effectieve en blijvende effecten van het gezondheidsbeleid van de Unie te waarborgen door dit te integreren in het sociaal beleid in de praktijk.
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Overweging 44
(44)  Het gezondheidsbeleid van de EU heeft een onmiddellijk effect op het leven van de burgers, op de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels en de goede werking van de interne markt. Het regelgevingskader voor medische producten en technologieën (geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en stoffen van menselijke oorsprong), alsook de wetgeving inzake tabak, de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg en ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid zijn essentieel voor de bescherming van de gezondheid in de EU. De regelgeving en de toepassing en handhaving daarvan moet gelijke tred houden met de ontwikkelingen in innovatie en onderzoek en met de maatschappelijke veranderingen op dit gebied en tegelijkertijd de gezondheidsdoelstellingen verwezenlijken. Daarom is het noodzakelijk voortdurend de wetenschappelijke basis te ontwikkelen die nodig is voor de uitvoering van dergelijke wetgeving met wetenschappelijk karakter.
(44)  Het gezondheidsbeleid van de Unie heeft een onmiddellijk effect op het leven van de burgers, op de doeltreffendheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels en de goede werking van de interne markt. Het regelgevingskader voor medische producten en technologieën (geneesmiddelen, medische hulpmiddelen en stoffen van menselijke oorsprong), alsook de wetgeving inzake tabak, de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg en ernstige grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid zijn essentieel voor de bescherming van de gezondheid in de Unie. Daarnaast heeft een groot aantal andere rechtshandelingen van de Unie aanzienlijke effecten op de gezondheid, zoals rechtshandelingen in verband met voedsel en voedseletikettering, luchtvervuiling, hormoonontregelaars en gewasbeschermingsmiddelen. In sommige gevallen is er geen duidelijk inzicht in de cumulatieve effecten van milieurisicofactoren, mogelijk met onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de burgers tot gevolg.
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 bis (nieuw)
(44 bis)   Regelgeving met gevolgen voor de gezondheid, alsook de toepassing en handhaving daarvan, moeten gelijke tred houden met vorderingen op het vlak van innovatie en onderzoek en met maatschappelijke veranderingen op dit gebied, en moeten tegelijkertijd blijven berusten op het voorzorgsbeginsel als vastgelegd in de Verdragen. Daarom is het noodzakelijk de wetenschappelijke basis die nodig is voor de uitvoering van dergelijke wetgeving van wetenschappelijke aard voortdurend te blijven ontwikkelen en het hoogst mogelijke niveau van transparantie te waarborgen, teneinde onafhankelijke controle mogelijk te maken en zo het vertrouwen van het publiek in de processen van de Unie te herstellen, alsook omdat het delen van deze bewijzen per definitie in het algemeen belang is.
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Overweging 44 ter (nieuw)
(44 ter)   De uitdagingen op het gebied van gezondheid kunnen niet door de gezondheidssector alleen worden aangepakt, aangezien gezondheid afhankelijk is van een groot aantal externe factoren. Zoals vermeld in de Verdragen van Maastricht en Amsterdam is het beginsel van "gezondheid op alle beleidsgebieden" dus van belang voor het vermogen van de Unie om toekomstige uitdagingen het hoofd te bieden. Het bewustmaken van andere sectoren van de gezondheidseffecten van hun beslissingen en van het belang om gezondheid tot integraal onderdeel van hun beleid te maken, is echter een van de grootste uitdagingen waar de Europese gezondheidssector momenteel mee te kampen heeft. Er is nu al sprake van belangrijke vorderingen op het gebied van gezondheid als gevolg van het beleid in verschillende sectoren, zoals onderwijs, verkeer, voeding, landbouw, werkgelegenheid of ruimtelijke ordening. Zo zijn er op het gebied van hartgerelateerde aandoeningen grote vorderingen gemaakt als gevolg van veranderingen in beleid en regelgeving met betrekking tot voedselkwaliteit, het aanmoedigen van lichaamsbeweging en het ontmoedigen van roken.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Overweging 46
(46)  Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat het algemene streefcijfer van 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt gehaald. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie ervan.
(46)  Deze verordening weerspiegelt het belang van de strijd tegen klimaatverandering in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, en zal ertoe bijdragen dat klimaatactie in alle beleidsdomeinen van de Unie wordt geïntegreerd en dat in de loop van het MFK voor de periode 2021-2027 het algemene streefcijfer van 25 % van de EU-begrotingsuitgaven voor de ondersteuning van klimaatdoelstellingen wordt gehaald, alsook dat zo spoedig mogelijk, uiterlijk in 2027, een jaarlijks streefcijfer van 30 % wordt bereikt. Relevante acties zullen in kaart worden gebracht tijdens de voorbereiding en uitvoering, en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de tussentijdse evaluatie ervan.
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Overweging 47
(47)  Volgens artikel [94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad19] moeten in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.
(47)  Volgens artikel [94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad19] moeten in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft. Het programma moet rekening houden met bepaalde beperkingen waarmee in deze gebieden gevestigde personen en entiteiten worden geconfronteerd, teneinde te voorzien in een goede toegang tot die onderdelen.
__________________
__________________
19 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
19 Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie ("LGO-besluit") (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Overweging 48
(48)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan de programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking onder de EER-overeenkomst, die in een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet in de uitvoering van de programma's. Een specifieke bepaling moet in deze verordening worden opgenomen om de nodige rechten en toegang te verlenen aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
(48)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen, als zij voldoen aan alle betreffende regels en bepalingen, aan de programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking onder de EER-overeenkomst, die in een besluit uit hoofde van die overeenkomst voorziet in de uitvoering van de programma's. Een specifieke bepaling moet in deze verordening worden opgenomen om de nodige rechten en toegang te verlenen aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding en de Europese Rekenkamer, zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Overweging 50 bis (nieuw)
(50 bis)   Het is belangrijk ervoor te zorgen dat het fonds financieel goed en billijk wordt beheerd opdat het zo duidelijk, doeltreffend en gebruiksvriendelijk mogelijk wordt uitgevoerd, en tevens rechtszekerheid en toegankelijkheid voor alle deelnemers te waarborgen. Wanneer activiteiten van het ESF+ onder gedeeld beheer worden uitgevoerd, mogen de lidstaten geen extra regels toevoegen noch deze gedurende de looptijd wijzigen, aangezien zulks het voor de begunstigden moeilijker maakt de middelen te gebruiken en vertraging kan veroorzaken bij de betaling van facturen.
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Overweging 51
(51)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doeltreffendheid van de arbeidsmarkten vergroten en de toegang tot kwaliteitsvol werk verbeteren, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs en opleiding verbeteren, sociale inclusie en gezondheid bevorderen en armoede bestrijden, alsook de acties in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten en beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau de Unie, mag de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
(51)  Aangezien de doelstellingen van deze verordening, namelijk de doeltreffendheid en billijkheid van de arbeidsmarkten vergroten en de toegang tot kwaliteitsvol werk verbeteren, de toegang tot en de kwaliteit van onderwijs, opleiding en zorg verbeteren, sociale inclusie, gelijke kansen en gezondheid bevorderen en armoede uitbannen, alsook de acties in het kader van de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid niet voldoende kunnen worden verwezenlijkt door de lidstaten en beter kunnen worden verwezenlijkt op het niveau de Unie, mag de Unie overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie maatregelen vaststellen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 1
Voorwerp
Voorwerp
Bij deze verordening wordt het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) vastgesteld.
Bij deze verordening wordt het Europees Sociaal Fonds Plus (ESF+) vastgesteld. Het ESF+ bestaat uit drie onderdelen: het onderdeel onder gedeeld beheer, het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid.
In deze verordening worden de doelstellingen van het ESF+, de begroting voor de periode 2021-2027, de uitvoeringsmethoden, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.
In deze verordening worden de doelstellingen van het ESF+, de begroting voor de periode 2021-2027, de uitvoeringsmethoden, de vormen van financiering door de Unie alsmede de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd, in aanvulling op de algemene regels die van toepassing zijn op het ESF+ op grond van Verordening (EU) nr. [verordening houdende gemeenschappelijke bepalingen].
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 2
Artikel 2
Artikel 2
Definities
Definities
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1.  Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1)  "begeleidende maatregelen": activiteiten ter aanvulling van de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand die tot doel hebben sociale uitsluiting tegen te gaan, zoals het verwijzen naar en het verlenen van sociale diensten of advies over het beheer van een gezinsbudget;
1)  "begeleidende maatregelen": activiteiten ter aanvulling van de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand die tot doel hebben sociale uitsluiting tegen te gaan en armoede uit te bannen, zoals het verwijzen naar en het verlenen van sociale diensten en psychologische bijstand, het verstrekken van relevante informatie over openbare diensten of advies over het beheer van een gezinsbudget;
2)  "geassocieerd land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie waardoor het overeenkomstig artikel 30 kan deelnemen aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid van het ESF+;
2)  "geassocieerd land": een derde land dat partij is bij een overeenkomst met de Unie waardoor het overeenkomstig artikel 30 kan deelnemen aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid van het ESF+;
3)  "fundamentele materiële bijstand": goederen om aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven te voldoen, zoals kleding, toiletartikelen en schoolgerief;
3)  "fundamentele materiële bijstand": goederen om aan iemands basisbehoeften voor een waardig leven te voldoen, zoals kleding, toiletartikelen, met inbegrip van producten voor vrouwelijke hygiëne, en schoolgerief;
4)  "blendingverrichtingen": door de begroting van de Unie ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
4)  "blendingverrichtingen": door de begroting van de Unie ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten uit de begroting van de Unie worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;
5)  "gemeenschappelijke indicatoren van onmiddellijke resultaten": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die uiterlijk vier weken na de dag waarop de deelname aan een actie afloopt (einddatum), een beeld van de effecten geven;
5)  "gemeenschappelijke indicatoren van onmiddellijke resultaten": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die uiterlijk vier weken na de dag waarop de deelname aan een actie afloopt (einddatum), een beeld van de effecten geven;
6)  "gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die zes maanden nadat de deelname aan een actie afloopt, een beeld van de effecten geven;
6)  "gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn": gemeenschappelijke resultaatindicatoren die zes en twaalf maanden nadat de deelname aan een actie afloopt, een beeld van de effecten geven;
7)  "kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand": de werkelijke kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand door de begunstigde die niet beperkt zijn tot de prijs van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand;
7)  "kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand": de werkelijke kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand door de begunstigde die niet beperkt zijn tot de prijs van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand;
7 bis)  "grensoverschrijdende partnerschappen" binnen het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie: permanente samenwerkingsstructuren tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening, het maatschappelijk middenveld of de sociale partners die gevestigd zijn in ten minste twee lidstaten;
8)  "eindontvanger": de meest behoeftige persoon of personen die de steun ontvangen overeenkomstig punt xi) van artikel 4, lid 1;
8)  "eindontvanger": de meest behoeftige persoon of personen die de steun ontvangen overeenkomstig punt xi) van artikel 4, lid 1;
9)  "gezondheidscrisis": elke crisis die gewoonlijk als een bedreiging wordt beschouwd, een gezondheidsdimensie heeft en dringende maatregelen van de autoriteiten in onzekere omstandigheden vereist;
9)  "gezondheidscrisis": elke crisis die gewoonlijk als een bedreiging wordt beschouwd, een gezondheidsdimensie heeft en dringende maatregelen van de autoriteiten in onzekere omstandigheden vereist;
10)  "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben;
10)  "juridische entiteit": elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben;
11)  "microfinanciering": garanties, microkrediet, eigen vermogen en quasi-eigenvermogen in combinatie met begeleidende diensten voor bedrijfsontwikkeling – onder meer in de vorm van individueel advies en individuele begeleiding en opleiding – die worden verstrekt aan personen en micro-ondernemingen die problemen ondervinden bij de toegang tot krediet voor professionele en/of ontvangstengenererende activiteiten;
11)  "microfinanciering": garanties, microkrediet, eigen vermogen en quasi-eigenvermogen in combinatie met begeleidende diensten voor bedrijfsontwikkeling – onder meer in de vorm van individueel advies en individuele begeleiding en opleiding – die worden verstrekt aan personen en micro-ondernemingen die problemen ondervinden bij de toegang tot krediet voor professionele en/of ontvangstengenererende activiteiten;
12)  "micro-onderneming": een onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaarlijkse omzet of financiële balans van minder dan 2 000 000 EUR;
12)  "micro-onderneming": een onderneming met minder dan 10 werknemers en een jaarlijkse omzet of financiële balans van minder dan 2 000 000 EUR;
13)  "meest behoeftige personen": natuurlijke personen – individuen, gezinnen, huishoudens of uit dergelijke personen samengestelde groepen – van wie de behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten in overleg met relevante belanghebbende partijen, onder vermijding van belangenconflicten, zijn vastgesteld en door die bevoegde nationale autoriteiten zijn goedgekeurd en elementen kunnen bevatten waarmee de hulp kan worden afgestemd op de meest behoeftige personen in bepaalde geografische gebieden;
13)  "meest behoeftige personen": natuurlijke personen – individuen, gezinnen, huishoudens of uit dergelijke personen samengestelde groepen, met inbegrip van kinderen en daklozen – van wie de behoefte aan hulp is vastgesteld aan de hand van objectieve criteria die door de bevoegde nationale autoriteiten in overleg met relevante belanghebbende partijen, onder vermijding van belangenconflicten, zijn vastgesteld en door die bevoegde nationale autoriteiten zijn goedgekeurd en elementen kunnen bevatten waarmee de hulp kan worden afgestemd op de meest behoeftige personen in bepaalde geografische gebieden;
14)  "referentiewaarde": een waarde voor het vaststellen van doelstellingen voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren die gebaseerd is op de huidige of voorgaande soortgelijke maatregelen;
14)  "referentiewaarde": een waarde voor het vaststellen van doelstellingen voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren die gebaseerd is op de huidige of voorgaande soortgelijke maatregelen;
15)  "sociale onderneming": een onderneming – ongeacht haar juridische vorm – of een natuurlijke persoon die
15)  "sociale onderneming": een onderneming in de sociale economie – ongeacht haar juridische vorm – of een natuurlijke persoon die
a)  overeenkomstig de oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document dat kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van de regels van de lidstaat van vestiging – als belangrijkste sociale doelstelling meetbare positieve sociale effecten in plaats van winst voor andere doeleinden nastreeft en die diensten of goederen met een sociaal rendement levert en/of van methoden voor de productie van goederen of diensten gebruikmaakt die sociale doelstellingen belichamen;
a)  overeenkomstig de oprichtingsakte, statuten of enig ander juridisch document dat kan leiden tot aansprakelijkheid op grond van de regels van de lidstaat van vestiging – als belangrijkste sociale doelstelling meetbare positieve sociale effecten (waaronder milieueffecten) in plaats van winst voor andere doeleinden nastreeft en die diensten of goederen met een sociaal rendement levert en/of van methoden voor de productie van goederen of diensten gebruikmaakt die sociale doelstellingen belichamen;
b)  de winst op de eerste plaats gebruikt om de belangrijkste sociale doelstelling te verwezenlijken en over vooraf vastgestelde procedures en regels voor de verdeling van de winst beschikt die ervoor zorgen dat die verdeling de belangrijkste sociale doelstelling niet ondermijnt;
b)  het grootste deel van de winst op de eerste plaats opnieuw investeert om de belangrijkste sociale doelstelling te verwezenlijken en over vooraf vastgestelde procedures en regels voor de verdeling van de winst beschikt die ervoor zorgen dat die verdeling de belangrijkste sociale doelstelling niet ondermijnt;
c)  op zakelijke, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, vooral door de participatie van werknemers, klanten en belanghebbenden op wie de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn;
c)  op zakelijke, democratische, participatieve, controleerbare en transparante wijze wordt beheerd, vooral door de participatie van werknemers, klanten en belanghebbenden op wie de bedrijfsactiviteiten van invloed zijn;
15 bis)  "onderneming in de sociale economie": diverse soorten bedrijven en entiteiten die deel uitmaken van de sociale economie, zoals coöperaties, onderlinge maatschappijen, associaties, stichtingen, sociale ondernemingen en andere ondernemingsvormen die worden gereguleerd door de wetten van de afzonderlijke lidstaten en die voorrang geven aan individuele en sociale doelstellen boven kapitaal, aan democratisch bestuur, solidariteit en de herinvestering van het grootste deel van hun winsten of overtollige middelen;
16)  "sociale innovatie": activiteiten waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name die activiteiten die verband houden met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten en modellen) die in sociale behoeften voorzien en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëren en zo de samenleving ten goede komen en haar handelingscapaciteit vergroten;
16)  "sociale innovatie": activiteiten, met inbegrip van collectieve activiteiten, waarvan zowel de doelstellingen als de middelen sociaal zijn, en met name die activiteiten die verband houden met de ontwikkeling en uitvoering van nieuwe ideeën (met betrekking tot producten, diensten, praktijken en modellen) die in sociale behoeften voorzien en tegelijk nieuwe sociale betrekkingen of samenwerkingsverbanden creëren, onder meer tussen openbare organisaties uit de derde sector zoals vrijwilligers- en gemeenschapsorganisaties en ondernemingen in de sociale economie, en zo de samenleving ten goede komen en haar handelingscapaciteit vergroten;
17)  "sociale experimenten": beleidsmaatregelen die innovatieve oplossingen voor sociale behoeften aandragen en op kleine schaal worden uitgevoerd onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens ze – wanneer de resultaten overtuigend zijn – onder andere omstandigheden of op grotere schaal worden uitgevoerd;
17)  "sociale experimenten": beleidsmaatregelen die innovatieve oplossingen voor sociale behoeften aandragen en op kleine schaal worden uitgevoerd onder omstandigheden die het mogelijk maken de effecten ervan te meten, alvorens ze – wanneer de resultaten overtuigend zijn – onder andere omstandigheden (waaronder geografische en sectorale) of op grotere schaal worden uitgevoerd;
18)  "sleutelcompetenties": de kennis, vaardigheden en competenties die iedereen in elke levensfase nodig heeft met het oog op persoonlijke voldoening en ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale inclusie en actief burgerschap. De sleutelcompetenties zijn: lees- en schrijfvaardigheid; meertaligheid; wiskunde, wetenschappen, technologie en engineering; digitale vaardigheden; persoonlijke, sociale en leervaardigheden; burgerschap; ondernemerschap; cultureel bewustzijn en culturele expressie;
18)  "sleutelcompetenties": de kennis, vaardigheden en competenties die iedereen in elke levensfase nodig heeft met het oog op persoonlijke voldoening en ontwikkeling, werkgelegenheid, sociale inclusie en actief burgerschap. De sleutelcompetenties zijn: lees- en schrijfvaardigheid; meertaligheid; wiskunde, wetenschappen, technologie, schone kunsten en engineering; digitale vaardigheden; mediavaardigheden; persoonlijke, sociale en leervaardigheden; burgerschap; ondernemerschap; (inter)cultureel bewustzijn, culturele expressie en kritisch denken;
19)  "derde land": een land dat geen lid van de Europese Unie is.
19)  "derde land": een land dat geen lid van de Europese Unie is;
19 bis)  "kansarme groepen": doelgroepen met een groot aantal mensen die het risico lopen om met armoede, discriminatie of sociale uitsluiting te worden geconfronteerd, met inbegrip van onder meer etnische minderheden als Roma, onderdanen van derde landen, waaronder migranten, ouderen, kinderen, alleenstaande ouders, personen met een handicap of personen met een chronische ziekte;
19 ter)  "een leven lang leren": alle vormen van leren (formeel, niet-formeel en informeel leren) in alle levensfasen, met inbegrip van onderwijs voor jonge kinderen, algemeen onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding, hoger onderwijs en volwassenenonderwijs, die leiden tot een verbetering van kennis, vaardigheden, competenties en mogelijkheden om deel te nemen aan de samenleving.
2.  De definities in artikel [2] van [de toekomstige GB-verordening] gelden ook voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer.
2.  De definities in artikel [2] van [de toekomstige GB-verordening] gelden ook voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer.
2 bis.  De definities in artikel 2 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie1 bis gelden ook voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid onder direct en indirect beheer.
________________
1 bis Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 3
Artikel 3
Artikel 3
Algemene doelstellingen en uitvoeringsmethoden
Algemene doelstellingen en uitvoeringsmethoden
Het ESF+ beoogt – in overeenstemming met de beginselen van de op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie afgekondigde Europese pijler van sociale rechten – de lidstaten te steunen met het oog op hoge werkgelegenheidsniveaus, een billijke sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld.
Het ESF+ steunt de lidstaten op nationaal, regionaal en lokaal niveau, alsook de Unie, met het oog op de totstandbrenging van inclusieve samenlevingen, hoge niveaus van hoogwaardige werkgelegenheid, banencreatie, kwaliteitsvolle en inclusieve voorzieningen voor onderwijs en opleiding, gelijke kansen, de uitbanning van armoede, met inbegrip van kinderarmoede, sociale inclusie en integratie, sociale cohesie, sociale bescherming en een geschoolde en veerkrachtige beroepsbevolking voor de toekomstige arbeidswereld.
Het ESF+ is in overeenstemming met de Verdragen van de Europese Unie en het Handvest en verwezenlijkt de beginselen van de op 17 november 2017 door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie afgekondigde Europese pijler van sociale rechten, en draagt aldus bij aan de doelstellingen van de Unie met betrekking tot de versterking van de economische, sociale en territoriale cohesie in overeenstemming met artikel 174 VWEU en de verbintenis van de Unie en haar lidstaten om de duurzameontwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken, alsook aan de verbintenissen in het kader van de Overeenkomst van Parijs.
Het ESF+ verleent steun en meerwaarde aan de beleidsmaatregelen van de lidstaten en het vult die maatregelen aan met het oog op gelijke kansen, toegang tot de arbeidsmarkt, billijke arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming en inclusie, en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid.
Het ESF+ verleent steun en meerwaarde aan de beleidsmaatregelen van de lidstaten en het vult die maatregelen aan met het oog op gelijke kansen, gelijke toegang tot de arbeidsmarkt, een leven lang leren, hoogwaardige arbeidsvoorwaarden, sociale bescherming, integratie en inclusie, het uitbannen van armoede, waaronder kinderarmoede, investeringen in kinderen en jongeren, non-discriminatie, gendergelijkheid, toegang tot basisdiensten en een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid.
Het wordt uitgevoerd:
Het wordt uitgevoerd:
a)  onder gedeeld beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de specifieke in artikel 4, lid 1, vermelde doelstellingen (het "ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer"), en
a)  onder gedeeld beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de specifieke in artikel 4, lid 1, vermelde doelstellingen (het "ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer"), en
b)  onder direct en indirect beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, lid 1, en artikel 23 vermelde doelstellingen (het "onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie") en voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, leden 1 en 3, en artikel 26 vermelde doelstellingen (het "onderdeel gezondheid").
b)  onder direct en indirect beheer, voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, lid 1, en artikel 23 vermelde doelstellingen (het "onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie") en voor het deel van de bijstand dat overeenkomt met de in artikel 4, leden 1 en 3, en artikel 26 vermelde doelstellingen (het "onderdeel gezondheid").
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 4
Specifieke doelstellingen
Specifieke doelstellingen
1.  Het ESF+ ondersteunt de volgende specifieke doelstellingen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs, sociale inclusie en gezondheid en draagt zo ook bij tot de in artikel [4] van de [toekomstige GB-verordening] vastgestelde beleidsdoelstelling "Een socialer Europa – De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten":
1.  Het ESF+ ondersteunt de volgende specifieke doelstellingen op de beleidsgebieden werkgelegenheid, onderwijs, mobiliteit, sociale inclusie, de uitbanning van armoede, en gezondheid en draagt zo ook bij tot de in artikel [4] van de [toekomstige GB-verordening] vastgestelde beleidsdoelstelling "Een socialer Europa – De uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten":
i)  de toegang van alle werkzoekenden – en vooral van jongeren en langdurig werklozen en inactieven tot werk verbeteren en zelfstandig ondernemerschap en de sociale economie bevorderen;
i)  de toegang tot hoogwaardig werk verbeteren en betere activeringsmaatregelen tot stand brengen voor alle werkzoekenden, met name specifieke maatregelen voor jongerenvooral door uitvoering van de jongerengarantie – langdurig werklozen, economisch inactieve personen en kansarme groepen, met nadrukkelijke aandacht voor personen die het verst van de arbeidsmarkt af staan, en werkgelegenheid, zelfstandige arbeid, ondernemerschap en de sociale economie bevorderen;
ii)  de arbeidsmarktinstellingen en -diensten moderniseren om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen met het oog op een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en ter bevordering van overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt;
ii)  de arbeidsmarktinstellingen en -diensten moderniseren om behoeften aan vaardigheden te beoordelen en erop te anticiperen en om tijdige en op maat gesneden bijstand en steun te verlenen met het oog op een betere afstemming van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt en ter bevordering van overgangen en mobiliteit op de arbeidsmarkt;
iii)  de arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, een beter evenwicht tussen werk en gezin onder meer via toegang tot kinderopvang, een gezonde en goed aangepaste werkomgeving – waarbij gezondheidsrisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden bevorderen;
iii)  de arbeidsmarktparticipatie en loopbaanontwikkeling van vrouwen bevorderen, het beginsel van gelijke beloning voor gelijk werk en een beter evenwicht tussen werk en gezin bevorderen, met speciale aandacht voor alleenstaande ouders, onder meer via toegang tot betaalbare, inclusieve en kwaliteitsvolle voorzieningen voor kinderopvang, onderwijs voor jonge kinderen, ouderenzorg en andere zorgdiensten en ondersteuning; alsook een gezonde en goed aangepaste werkomgeving waarbij gezondheids- en ziekterisico's worden aangepakt, de aanpassing van werknemers, beroepsheroriëntering, ondernemingen en ondernemers aan veranderingen, en gezond en actief ouder worden;
iv)  de kwaliteit, de doeltreffendheid en de relevantie voor de arbeidsmarkt van de onderwijs- en opleidingsstelsels verbeteren om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer digitale vaardigheden – te bevorderen;
iv)  de kwaliteit, de inclusiviteit, de doeltreffendheid en de relevantie voor de arbeidsmarkt van de onderwijs- en opleidingsstelsels verbeteren om de verwerving van sleutelcompetenties – onder meer ondernemers- en digitale vaardigheden – en de erkenning van niet-formeel en informeel leren te ondersteunen, e-inclusie te bevorderen en de overgang van onderwijs naar werk te vergemakkelijken, teneinde aan te sluiten bij sociale en economische vereisten;
v)  de gelijke toegang tot en de voltooiing van kwaliteitsvolle en inclusieve educatie en opleiding – vooral voor kansarme groepen – bevorderen vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding, onder meer door de leermobiliteit voor iedereen te vergemakkelijken;
v)  de gelijke toegang tot en de voltooiing van hoogwaardige, betaalbare en inclusieve educatie en opleiding – vooral voor kansarme groepen en verzorgers – bevorderen vanaf onderwijs en opvang voor jonge kinderen via algemeen onderwijs en beroepsonderwijs en -opleiding tot tertiair niveau, evenals de volwasseneneducatie en -opleiding, voortijdig schoolverlaten aanpakken, de invoering van systemen voor duale opleidingen, leerlingplaatsen, leermobiliteit voor iedereen en toegankelijkheid voor personen met een handicap bevorderen;
vi)  een leven lang leren – en vooral flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen op het gebied van digitale vaardigheden – bevorderen, beter op veranderingen en nieuwe vereisten inzake vaardigheden anticiperen op basis van de behoeften van de arbeidsmarkt, loopbaanovergangen vergemakkelijken en beroepsmobiliteit bevorderen;
vi)  een leven lang leren – en vooral flexibele bij- en herscholingsmogelijkheden voor iedereen op het gebied van ondernemers- en digitale vaardigheden – bevorderen, beter op veranderingen en nieuwe vereisten inzake vaardigheden anticiperen op basis van de behoeften van de arbeidsmarkt, loopbaanovergangen vergemakkelijken, en beroepsmobiliteit en volledige deelname aan de samenleving bevorderen;
vii)  actieve inclusie bevorderen met het oog op gelijke kansen en actieve participatie, en de inzetbaarheid verbeteren;
vii)  actieve inclusie bevorderen met het oog op gelijke kansen, non-discriminatie en actieve participatie, en de inzetbaarheid verbeteren, met name voor kansarme groepen;
viii)  de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen en van gemarginaliseerde gemeenschappen onder meer de Roma – bevorderen;
viii)  de sociaal-economische integratie op lange termijn van onderdanen van derde landen – met inbegrip van migranten – bevorderen;
viii bis)  discriminatie van gemarginaliseerde gemeenschappen – zoals de Romagemeenschap – bestrijden en de sociaal-economische integratie van deze gemeenschappen bevorderen;
ix)  de gelijke en tijdige toegang tot hoogwaardige, duurzame en betaalbare diensten verbeteren; de stelsels voor sociale bescherming moderniseren, onder meer door de toegang tot sociale bescherming te bevorderen; de toegankelijkheid, de doeltreffendheid en de veerkracht van de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg verbeteren;
ix)  de gelijke en tijdige toegang tot hoogwaardige, duurzame, toegankelijke en betaalbare diensten verbeteren, met inbegrip van diensten voor toegang tot huisvesting, alsook persoonsgerichte gezondheidszorg en gerelateerde zorg; de socialezekerheidsinstellingen, openbare diensten voor arbeidsvoorziening, stelsels voor sociale bescherming en sociale inclusie moderniseren, onder meer door de toegang tot gelijke sociale bescherming te bevorderen, met bijzondere aandacht voor kinderen en kansarme groepen en de meest behoeftigen; de toegankelijkheid voor onder meer personen met een handicap, de doeltreffendheid en de veerkracht van de stelsels voor gezondheidszorg en langdurige zorg verbeteren;
ix bis)  de toegankelijkheid voor personen met een handicap verbeteren met het oog op een betere inclusie in de arbeidsmarkt en in onderwijs en opleiding;
x)  de sociale integratie bevorderen van mensen die risico lopen op armoede of sociale uitsluiting, onder meer de meest behoeftigen en kinderen;
x)  de sociale integratie bevorderen van mensen die te maken krijgen met of risico lopen op armoede en/of sociale uitsluiting, onder meer de meest behoeftigen en kinderen;
xi)  materiële deprivatie bestrijden door voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftigen te verlenen en begeleidende maatregelen te nemen.
xi)  materiële deprivatie bestrijden door voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftigen te verlenen en begeleidende maatregelen te nemen met het oog op de sociale inclusie van deze personen, met nadrukkelijke aandacht voor kinderen in kwetsbare situaties.
2.  Via de in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde maatregelen ter verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde specifieke doelstellingen draagt het ESF+ ook bij tot de andere in artikel [4] van [de toekomstige GB-verordening] vermelde beleidsdoelstellingen, en met name tot de beleidsdoelstellingen in verband met:
2.  Via de in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde maatregelen ter verwezenlijking van de in lid 1 bedoelde specifieke doelstellingen streeft het ESF+ er ook naar bij te dragen tot de andere in artikel [4] van [de toekomstige GB-verordening] vermelde beleidsdoelstellingen, en met name tot de beleidsdoelstellingen in verband met:
1.  een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers, networking en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, technologische en onderzoekscentra, bedrijven en clusters, steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie;
1.  een slimmer Europa via de ontwikkeling van vaardigheden voor slimme specialisatie, vaardigheden voor sleuteltechnologieën, de industriële overgang, sectorale samenwerking rond vaardigheden en ondernemerschap, de opleiding van onderzoekers, networking en partnerschappen tussen instellingen voor hoger onderwijs, instellingen voor school- en beroepsopleiding, technologische en onderzoekscentra, medische en gezondheidscentra, bedrijven en clusters, steun voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen en de sociale economie, rekening houdend met de wetten en kaders met betrekking tot de sociale economie in de lidstaten;
2.  een groener en koolstofarm Europa via de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels die nodig is voor de aanpassing van vaardigheden en kwalificaties, de bijscholing van iedereen – onder meer de beroepsbevolking – en het creëren van nieuwe banen in sectoren die verband houden met milieu, klimaat en energie en de bio-economie.
2.  een groener en koolstofarm Europa via de verbetering van de onderwijs- en opleidingsstelsels die nodig is voor de aanpassing van vaardigheden en kwalificaties, bewustmaking onder de bevolking in verband met duurzame ontwikkeling en een duurzame levensstijl, de bijscholing van iedereen – onder meer de beroepsbevolking – en het creëren van nieuwe banen in sectoren die verband houden met milieu, klimaat en energie, de circulaire economie en de bio-economie;
2 bis.  een Unie die dichter bij haar burgers staat dankzij de terugdringing van armoede en maatregelen voor sociale inclusie, waarbij rekening wordt gehouden met de specifieke kenmerken van stedelijke, plattelands- en kustgebieden, teneinde de sociaal-economische ongelijkheden in steden en regio's aan te pakken;
2 ter.  de ondersteuning, in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie, van de ontwikkeling, uitvoering, monitoring en evaluatie van de instrumenten, het beleid en het desbetreffende recht van de Unie, alsook de bevordering van empirisch onderbouwde beleidsvorming, sociale innovatie en sociale vooruitgang in samenwerking met de sociale partners, organisaties uit het maatschappelijk middenveld en openbare en particuliere organen (specifieke doelstelling 1); de bevordering van vrijwillige geografische mobiliteit van werknemers op eerlijke basis en het stimuleren van werkgelegenheidskansen (specifieke doelstelling 2); de bevordering van werkgelegenheid en sociale inclusie door een betere beschikbaarheid en toegankelijkheid van microfinanciering voor micro-ondernemingen en ondernemingen in de sociale economie, met name voor kwetsbare personen (specifieke doelstelling 3);
3.  In het kader van het onderdeel gezondheid verleent het ESF+ steun voor gezondheidsbevordering en ziektepreventie, draagt het bij tot de doeltreffendheid, de toegankelijkheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels, maakt het de gezondheidszorg veiliger, vermindert het de ongelijkheden op gezondheidsgebied, beschermt het de burgers tegen grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid en ondersteunt het de gezondheidswetgeving van de Unie.
3.  In het kader van het onderdeel gezondheid levert het ESF+ een bijdrage tot een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en ziektepreventie, onder meer door de bevordering van lichaamsbeweging en gezondheidsvoorlichting, draagt het bij tot de doeltreffendheid, de toegankelijkheid en de veerkracht van de gezondheidsstelsels, maakt het de gezondheidszorg veiliger, vermindert het de ongelijkheden op gezondheidsgebied, verhoogt het de levensverwachting bij de geboorte, beschermt het de burgers tegen grensoverschrijdende bedreigingen voor de gezondheid, stimuleert het ziektepreventie, vroegtijdige diagnose en gezondheidsbevordering gedurende het hele leven, en versterkt en ondersteunt het de gezondheidsgerelateerde wetgeving van de Unie, onder meer op het gebied van milieuhygiëne, waarbij het beginsel "gezondheid op alle beleidsgebieden" wordt aangemoedigd. Het gezondheidsbeleid van de Unie gaat uit van de duurzameontwikkelingsdoelstellingen (SDG's) om te waarborgen dat de Unie en de lidstaten de doelstellingen van SDG 3 verwezenlijken, meer bepaald "Gezondheid en welzijn voor iedereen, op elke leeftijd".
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 5
Begroting
Begroting
1.  De totale financiële middelen voor het ESF+ voor de periode 2021-2027 bedragen 101 174 000 000 EUR in lopende prijzen.
1.  De totale financiële middelen voor het ESF+ voor de periode 2021-2027 bedragen 106 781 000 000 EUR in prijzen van 2018 (120 457 000 000 EUR in lopende prijzen).
2.  Het deel van de financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer in het kader van de doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid bedraagt 100 000 000 000 EUR in lopende prijzen of 88 646 194 590 EUR in prijzen van 2018, waarvan 200 000 000 EUR in lopende prijzen of 175 000 000 EUR in prijzen van 2018 wordt toegewezen voor de in artikel 23, onder i), bedoelde transnationale samenwerking ter ondersteuning van innovatieve oplossingen en 400 000 000 EUR in lopende prijzen of 376 928 934 EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994.
2.  Het deel van de financiële middelen voor het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer in het kader van de doelstelling investeren in groei en werkgelegenheid bedraagt 105 686 000 000 EUR in prijzen van 2018 (119 222 000 000 EUR in lopende prijzen), waarvan 200 000 000 EUR in lopende prijzen of 175 000 000 EUR in prijzen van 2018 wordt toegewezen voor de in artikel 23, onder i), bedoelde transnationale samenwerking ter ondersteuning van innovatieve oplossingen, 5 900 000 000 EUR wordt toegewezen voor maatregelen die vallen onder de in artikel 10 bis bedoelde Europese kindergarantie, en 400 000 000 EUR in lopende prijzen of 376 928 934 EUR in prijzen van 2018 als aanvullende financiering voor de in artikel 349 VWEU bedoelde ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die voldoen aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994.
3.  De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid voor de periode 2021-2027 bedragen 1 174 000 000 EUR in lopende prijzen.
3.  De financiële middelen voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid voor de periode 2021-2027 bedragen 1 095 000 000 EUR in prijzen van 2018 (1 234 000 000 EUR in lopende prijzen).
4.  De indicatieve verdeling van het in lid 3 bedoelde bedrag is als volgt:
4.  De indicatieve verdeling van het in lid 3 bedoelde bedrag is als volgt:
a)  761 000 000 EUR voor de uitvoering van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie;
a)  675 000 000 EUR in prijzen van 2018 (761 000 000 EUR in lopende prijzen) voor de uitvoering van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie;
b)  413 000 000 EUR voor de uitvoering van het onderdeel gezondheid.
b)  420 000 000 EUR in prijzen van 2018 (473 000 000 EUR in lopende prijzen, of 0,36 % van het MFK 2021-2027) voor de uitvoering van het onderdeel gezondheid.
5.  De in de leden 3 en 4 bedoelde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van de programma's, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.
5.  De in de leden 3 en 4 bedoelde bedragen kunnen ook worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van de programma's, zoals werkzaamheden op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 6
Gelijkheid van mannen en vrouwen, gelijke kansen en non-discriminatie
Gelijkheid van mannen en vrouwen, gelijke kansen en non-discriminatie
Gelijkheid van mannen en vrouwen, gelijke kansen en non-discriminatie
Gendergelijkheid, gelijke kansen en non-discriminatie
1.  Bij alle in het kader van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer uitgevoerde programma's en bij de door de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid ondersteunde acties wordt de gelijkheid van mannen en vrouwen gewaarborgd tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van de programma's en acties. Ook worden tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie van de programma's en acties gelijke kansen voor iedereen bevorderd, zonder discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap, leeftijd of seksuele gerichtheid.
1.  Bij alle in het kader van het ESF+ uitgevoerde programma's wordt gendergelijkheid gewaarborgd tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie ervan. De programma's ondersteunen ook specifieke acties om de deelname van vrouwen aan het beroepsleven alsook hun professionele ontwikkeling en het evenwicht tussen hun werk en hun privéleven te vergroten, en bevorderen gelijke kansen voor iedereen, zonder discriminatie op grond van geslacht, ras of etnische afkomst, godsdienst of overtuiging, een handicap of gezondheidstoestand, leeftijd of seksuele gerichtheid, met inbegrip van de toegankelijkheid voor personen met een handicap, ook op het gebied van ICT, tijdens de voorbereiding, de uitvoering, de monitoring en de evaluatie ervan, om aldus te zorgen voor een betere sociale inclusie en ongelijkheden terug te dringen.
2.  De lidstaten en de Commissie ondersteunen ook specifieke gerichte acties om de in lid 1 bedoelde beginselen te bevorderen in het kader van alle doelstellingen van het ESF+, met inbegrip van de overgang van residentiële/institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband.
2.  De lidstaten en de Commissie ondersteunen ook specifieke gerichte acties om de in lid 1 bedoelde beginselen te bevorderen in het kader van alle doelstellingen van het ESF+, met inbegrip van de overgang van institutionele zorg naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband en een betere universele toegankelijkheid voor personen met een handicap.
Amendement 92
Voorstel voor een verordening
Artikel 7
Artikel 7
Artikel 7
Samenhang en thematische concentratie
Samenhang en thematische concentratie
1.  De lidstaten gebruiken de ESF+-middelen onder gedeeld beheer vooral voor maatregelen met betrekking tot de uitdagingen die zijn vastgesteld in hun nationale hervormingsprogramma's, het Europees Semester en de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen, en ze houden rekening met de in de Europese pijler van sociale rechten vastgestelde beginselen en rechten.
1.  De lidstaten gebruiken de ESF+-middelen onder gedeeld beheer vooral voor maatregelen met betrekking tot de uitdagingen die zijn vastgesteld in hun nationale hervormingsprogramma's, het Europees Semester en de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen, houden rekening met de in de Europese pijler van sociale rechten vastgestelde beginselen en rechten, het sociale scorebord in het kader van het Europees Semester en specifieke regionale kenmerken, en dragen aldus bij aan de doelstellingen van de Unie als vastgesteld in artikel 174 VWEU met betrekking tot de versterking van de economische, sociale en territoriale samenhang, volledig in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de VN.
Zowel tijdens de planning als de uitvoering bevorderen de lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie synergieën en zorgen ze voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, programma's en instrumenten van de Unie, zoals Erasmus, het Fonds voor asiel en migratie en het steunprogramma voor hervormingen – met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijken met het oog op coherente en gestroomlijnde steunmaatregelen.
Zowel tijdens de planning als de uitvoering bevorderen de lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie synergieën en zorgen ze voor coördinatie, complementariteit en samenhang tussen het ESF+ en andere fondsen, programma's en instrumenten van de Unie, zoals het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO), het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG), het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, InvestEU, Creatief Europa, het instrument Rechten en waarden, Erasmus, het Fonds voor asiel en migratie, het EU-kader voor de nationale strategieën voor integratie van de Roma voor de periode na 2020 en het steunprogramma voor hervormingen – met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning. De lidstaten en – in voorkomend geval – de Commissie optimaliseren de coördinatiemechanismen om dubbel werk te voorkomen en zorgen voor nauwe samenwerking tussen de voor de uitvoering verantwoordelijke beheersautoriteiten met het oog op geïntegreerde benaderingen en coherente en gestroomlijnde steunmaatregelen.
2.  De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester binnen de werkingssfeer van het ESF+, zoals vastgesteld in artikel 4.
2.  De lidstaten wijzen een gepast bedrag van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe om de uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 121, lid 2, VWEU en artikel 148, lid 4, VWEU aangenomen relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester binnen de werkingssfeer van het ESF+, zoals vastgesteld in artikel 4.
3.  De lidstaten wijzen ten minste 25 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met xi), vastgestelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie, met inbegrip van de bevordering van de sociaaleconomische integratie van onderdanen van derde landen.
3.  De lidstaten wijzen ten minste 27 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x), vastgestelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie, met inbegrip van de bevordering van de sociaal-economische integratie van onderdanen van derde landen.
3 bis.  In het kader van de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x), vastgestelde specifieke doelstellingen voor het beleidsgebied sociale inclusie wijzen de lidstaten ten minste 5 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor gerichte acties tot uitvoering van de Europese kindergarantie, teneinde bij te dragen aan gelijke toegang van kinderen tot gratis gezondheidszorg, gratis onderwijs, gratis kinderopvang, fatsoenlijke huisvesting en geschikte voeding.
4.  De lidstaten wijzen ten minste 2 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder xi), vastgestelde specifieke doelstelling bestrijding van materiële deprivatie.
4.  Naast de minimale toewijzing van ten minste 27 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x), vastgestelde specifieke doelstellingen, wijzen de lidstaten ten minste 3 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor de in artikel 4, lid 1, onder x) en xi) vastgestelde specifieke doelstelling om sociale inclusie van de meest behoeftigen te bevorderen en/of materiële deprivatie te bestrijden.
In naar behoren gemotiveerde gevallen mag met de toegewezen middelen voor de in artikel 4, lid 1, onder x), vastgestelde specifieke doelstelling inzake de meest behoeftigen rekening worden gehouden bij de verificatie van de naleving van de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde minimumtoewijzing van ten minste 2 %.
5.  Lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2019 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, wijzen ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de periode 2021-2025 toe voor gerichte acties en structurele hervormingen om de jeugdwerkgelegenheid, de overgang van school naar werk, trajecten om jongeren opnieuw in onderwijs of opleiding te integreren en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in het kader van de uitvoering van jongerengarantieregelingen.
5.  Lidstaten wijzen ten minste 3 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer toe voor gerichte acties en structurele hervormingen om de jeugdwerkgelegenheid, de overgang van school naar werk, trajecten om jongeren opnieuw in onderwijs of opleiding te integreren en tweedekansonderwijs te ondersteunen, met name in het kader van de uitvoering van jongerengarantieregelingen.
Lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's) in 2019 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt of waar het percentage NEET's meer dan 15 % bedraagt, wijzen ten minste 15 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer in de programmeringsperiode 2021-2025 toe voor de voornoemde acties en structurele hervormingsmaatregelen, met bijzondere aandacht voor de regio's die in grotere mate getroffen zijn, met inachtneming van de verschillen tussen deze regio's.
Bij de tussentijdse programmering van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor 2026 en 2027 overeenkomstig artikel [14] van [de toekomstige GB-verordening] wijzen lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2024 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt, ten minste 10 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de jaren 2026 en 2027 voor deze acties toe.
Bij de tussentijdse programmering van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor 2026 en 2027 overeenkomstig artikel [14] van [de toekomstige GB-verordening] wijzen lidstaten waar het percentage jongeren tussen 15 en 29 jaar die geen werk hebben en geen onderwijs of opleiding volgen, in 2024 op basis van gegevens van Eurostat boven het gemiddelde van de Unie ligt of waar het percentage NEET's meer dan 15 % bedraagt, ten minste 15 % van hun ESF+-middelen onder gedeeld beheer voor de jaren 2026 en 2027 voor deze acties of structurele hervormingsmaatregelen toe.
Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de eerste en tweede alinea voldoen, wijzen ten minste 15 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in hun programma's toe voor de in de eerste alinea vastgestelde gerichte acties. Met deze toewijzing wordt rekening gehouden bij de verificatie van de naleving van het in de eerste en tweede alinea vastgestelde minimumpercentage op nationaal niveau.
Ultraperifere gebieden die aan de voorwaarden van de tweede en derde alinea voldoen, wijzen ten minste 15 % van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in hun programma's toe voor de in de eerste alinea vastgestelde gerichte acties. Met deze toewijzing wordt rekening gehouden bij de verificatie van de naleving van het in de eerste en tweede alinea vastgestelde minimumpercentage op nationaal niveau. Die toewijzing is geen vervanging voor financiering die nodig is voor infrastructuur en de ontwikkeling van ultraperifere gebieden.
Bij de uitvoering van dergelijke acties geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen ze voor gerichte outreachmaatregelen.
Bij de uitvoering van dergelijke acties geven de lidstaten voorrang aan inactieve en langdurig werkloze jongeren en zorgen ze voor gerichte outreachmaatregelen.
6.  De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op de specifieke aanvullende toewijzing die de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, ontvangen.
6.  De leden 2 tot en met 5 zijn niet van toepassing op de specifieke aanvullende toewijzing die de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, ontvangen.
7.  De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op technische bijstand.
7.  De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing op technische bijstand.
Amendement 93
Voorstel voor een verordening
Artikel 7 bis (nieuw)
Artikel 7 bis
Eerbiediging van de grondrechten
De lidstaten en de Commissie zien bij de besteding van de middelen toe op de eerbiediging van de grondrechten en naleving van het Handvest.
Eventuele kosten die worden gemaakt voor acties die niet in overeenstemming zijn met het Handvest zijn niet subsidiabel overeenkomstig artikel 58, lid 2, van de verordening gemeenschappelijke bepalingen (Verordening (EU) nr. [xx/xx]) en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014.
Amendement 94
Voorstel voor een verordening
Artikel 8
Artikel 8
Artikel 8
Partnerschap
Partnerschap
1.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat sociale partners en maatschappelijke organisaties naar behoren worden betrokken bij beleidsmaatregelen op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer worden ondersteund.
1.  In overeenstemming met artikel 6 van [de toekomstige GB-verordening] en Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 240/2014, zorgt elke lidstaat er in samenwerking met lokale en regionale autoriteiten voor dat sociale partners, maatschappelijke organisaties, instanties voor gelijke kansen, nationale mensenrechteninstellingen en andere relevante of representatieve organisaties op zinvolle wijze worden betrokken bij de programmering en verwezenlijking van beleidsmaatregelen en initiatieven op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs, non-discriminatie en sociale inclusie die door het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer worden ondersteund. Deze zinvolle betrokkenheid is inclusief en toegankelijk voor personen met een handicap.
2.  De lidstaten wijzen een passend bedrag van de ESF+-middelen onder gedeeld beheer in elk programma toe voor de capaciteitsopbouw van sociale partners en maatschappelijke organisaties.
2.  De lidstaten wijzen ten minste 2 % van de ESF+-middelen toe voor de capaciteitsopbouw van sociale partners en maatschappelijke organisaties op nationaal en Unieniveau in de vorm van opleiding, maatregelen op gebied van networking en versterking van de sociale dialoog, alsook voor gezamenlijk door de sociale partners ondernomen activiteiten.
Amendement 95
Voorstel voor een verordening
Artikel 9
Artikel 9
Artikel 9
Materiële deprivatie bestrijden
Materiële deprivatie bestrijden
De in artikel 7, lid 4, bedoelde middelen worden in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd.
De in artikel 7, lid 4, bedoelde middelen in verband met sociale inclusie van de meest behoeftigen en/of materiële deprivatie worden in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd. Het medefinancieringspercentage voor deze prioriteit of dit programma is vastgesteld op ten minste 85 %.
Amendement 96
Voorstel voor een verordening
Artikel 10
Artikel 10
Artikel 10
Steun voor jeugdwerkgelegenheid
Steun voor jeugdwerkgelegenheid
Steun overeenkomstig artikel 7, lid 5, wordt in het kader van een specifieke prioriteit geprogrammeerd en gebruikt voor de in artikel 4, lid 1, onder i), vastgestelde specifieke doelstelling.
Steun overeenkomstig artikel 7, lid 5, wordt in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma geprogrammeerd en gebruikt voor de in artikel 4, lid 1, onder i), vastgestelde specifieke doelstelling.
Amendement 97
Voorstel voor een verordening
Artikel 10 bis (nieuw)
Artikel 10 bis
Steun voor de Europese kindergarantie
Steun overeenkomstig artikel 7, lid 3 bis, wordt geprogrammeerd in het kader van een specifieke prioriteit of een specifiek programma waarin rekening wordt gehouden met de aanbeveling van de Europese Commissie van 2013 over investeren in kinderen. Deze steun is bedoeld voor de bestrijding van kinderarmoede en sociale uitsluiting van kinderen in het kader van de in artikel 4, lid 1, onder vii) tot en met x) vastgestelde specifieke doelstellingen.
Amendement 98
Voorstel voor een verordening
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 11
Steun voor relevante landspecifieke aanbevelingen
Steun voor relevante landspecifieke aanbevelingen
De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester, worden in het kader van een of meer specifieke prioriteiten geprogrammeerd.
De acties om de in artikel 7, lid 2, bedoelde uitdagingen aan te gaan die zijn vastgesteld in relevante landspecifieke aanbevelingen en in het Europees Semester, worden in het kader van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 4, lid 1, geprogrammeerd. De lidstaten zorgen voor complementariteit, samenhang, coördinatie en synergieën met de Europese pijler van sociale rechten.
Op het niveau van de beheersautoriteiten wordt voorzien in voldoende flexibiliteit om prioriteiten en terreinen voor ESF+-investeringen in kaart te brengen in overeenstemming met de specifieke lokale of regionale uitdagingen.
Amendement 99
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 bis (nieuw)
Artikel 11 bis
Geïntegreerde territoriale ontwikkeling
1.  Het ESF+ kan steun verlenen aan geïntegreerde territoriale ontwikkeling in het kader van programma's voor beide doelstellingen waarnaar wordt verwezen in artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) nr. 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening] in overeenstemming met de bepalingen van hoofdstuk II van titel III van die verordening [nieuwe GB-verordening].
2.  Voor de uitvoering van geïntegreerde territoriale ontwikkeling met steun uit het ESF+ gebruiken de lidstaten uitsluitend de formulieren als bedoeld in artikel [22] van Verordening (EU) nr. 2018/xxxx [nieuwe GB-verordening].
Amendement 100
Voorstel voor een verordening
Artikel 11 ter (nieuw)
Artikel 11 ter
Transnationale samenwerking
1.  De lidstaten kunnen steun verlenen aan maatregelen voor transnationale samenwerking in het kader van een specifieke prioriteit.
2.  Maatregelen voor transnationale samenwerking kunnen in het kader van elk van de in de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.
3.  Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteit kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer aan deze prioriteiten.
Amendement 101
Voorstel voor een verordening
Artikel 12
Artikel 12
Artikel 12
Toepassingsgebied
Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op ESF+-steun onder gedeeld beheer in het kader van de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, (de "algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer").
Dit hoofdstuk is van toepassing op ESF+-steun onder gedeeld beheer in het kader van de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, (de "algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer"). Daarnaast is artikel 13 tevens van toepassing op ESF+-steun in het kader van punt xi) van artikel 4, lid 1.
Amendement 102
Voorstel voor een verordening
Artikel 13
Artikel 13
Artikel 13
Innovatieve acties
Sociaal innovatieve acties
1.  De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en sociale experimenten of versterken bottom-up benaderingen op basis van partnerschappen tussen de overheid, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld, zoals de lokale actiegroepen die door de gemeenschap geleide, plaatselijke ontwikkelingsstrategieën ontwikkelen en uitvoeren.
1.  De lidstaten verlenen steun aan sociale innovatie en/of sociale experimenten, ook die met een sociaal-culturele component, aan de hand van bottom‑upbenaderingen op basis van partnerschappen tussen de overheid, de sociale partners, ondernemingen in de sociale economie, de particuliere sector en het maatschappelijk middenveld.
1 bis.  De lidstaten brengen in hun operationele programma's dan wel in een later stadium van de uitvoering in kaart welke terreinen in aanmerking komen voor sociale innovatie en sociale experimenten die aan de specifieke behoeften van de lidstaten beantwoorden.
2.  De lidstaten kunnen steun verlenen aan de opschaling van innovatieve methoden die op kleine schaal zijn uitgetest (sociale experimenten) en in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en andere programma's van de Unie zijn ontwikkeld.
2.  De lidstaten kunnen steun verlenen aan de opschaling van innovatieve methoden die op kleine schaal zijn uitgetest (sociale innovatie en sociale experimenten, ook die met een sociaal-culturele component) en in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en andere programma's van de Unie zijn ontwikkeld.
3.  Innovatieve acties en methoden kunnen in het kader van elk van de in de punten i) tot en met x) van artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.
3.  Innovatieve acties en methoden kunnen in het kader van elk van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen worden geprogrammeerd.
4.  Elke lidstaat wijdt ten minste één prioriteit aan de uitvoering van de leden 1 of 2 of aan beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer aan deze prioriteiten.
4.  Elke lidstaat wijdt ten minste één prioriteit aan de uitvoering van de leden 1 of 2 of aan beide. Het maximale medefinancieringspercentage voor deze prioriteiten kan tot 95 % worden verhoogd voor de toewijzing van maximaal 5 % van de nationale ESF+-toewijzing onder gedeeld beheer.
Amendement 103
Voorstel voor een verordening
Artikel 14
Artikel 14
Artikel 14
Subsidiabiliteit
Subsidiabiliteit
1.  Naast de in artikel [58] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer:
1.  Naast de in artikel [58] van [de toekomstige GB-verordening] bedoelde kosten zijn de volgende kosten niet subsidiabel in het kader van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer:
a)  de aankoop van grond en onroerend goed en de beschikbaarstelling van infrastructuur, en
a)  de aankoop van grond en onroerend goed en de aankoop van infrastructuur, en
b)  de aankoop van meubilair, apparatuur en voertuigen, tenzij de aankoop voor de verwezenlijking van de doelstelling van de actie noodzakelijk is, of de items volledig zijn afgeschreven, of de aankoop van deze items de meest economische optie is.
b)  de aankoop van meubilair, apparatuur en voertuigen, tenzij de aankoop absoluut noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstelling van de actie, of de items volledig zijn afgeschreven, of de aankoop van deze items de meest economische optie is.
2.  Bijdragen in natura in de vorm van toelagen of lonen die door een derde partij ten behoeve van de deelnemers aan een actie worden uitbetaald, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits de bijdragen in natura zijn verleend overeenkomstig de nationale regels, inclusief de boekhoudregels, en de door de derde partij gedragen kosten niet overstijgen.
2.  Bijdragen in natura in de vorm van toelagen of lonen die door een derde partij ten behoeve van de deelnemers aan een actie worden uitbetaald, kunnen in aanmerking komen voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits de bijdragen in natura zijn verleend overeenkomstig de nationale regels, inclusief de boekhoudregels, en de door de derde partij gedragen kosten niet overstijgen.
3.  De specifieke aanvullende toewijzing voor de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, wordt gebruikt om de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen te ondersteunen.
3.  De specifieke aanvullende toewijzing voor de ultraperifere gebieden en de regio's van NUTS-niveau 2 die aan de criteria van artikel 2 van Protocol nr. 6 bij de Akte van Toetreding van 1994 voldoen, wordt gebruikt om de verwezenlijking van de in artikel 4, lid 1, vastgestelde specifieke doelstellingen te ondersteunen.
4.  Directe personeelskosten komen in aanmerking voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, mits uit gegevens van Eurostat blijkt dat ze niet hoger zijn dan 100 % van de gebruikelijke beloning voor het betrokken beroep in de lidstaat.
4.  Directe personeelskosten komen in aanmerking voor een bijdrage uit de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer. Indien er een collectieve overeenkomst van toepassing is, worden ze bepaald overeenkomstig die overeenkomst. Indien er geen collectieve overeenkomst van toepassing is, zijn deze kosten niet hoger dan 100 % van de gebruikelijke beloning voor het betrokken beroep of de betrokken specifieke deskundigheid in de lidstaat of regio zoals blijkt uit door de respectieve beheersautoriteit verstrekte relevante bewijsstukken en/of gegevens van Eurostat.
Amendement 104
Voorstel voor een verordening
Artikel 15
Artikel 15
Artikel 15
Indicatoren en verslaglegging
Indicatoren en verslaglegging
1.  Programma's die algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer ontvangen, gebruiken de in bijlage 1 bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. De programma's mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
1.  Programma's die algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer ontvangen, gebruiken de in bijlage I bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren, of die van bijlage II bis voor acties die gericht zijn op sociale inclusie van de meest behoeftigen in het kader van artikel 4, lid 1, onder x), om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. De programma's mogen ook programmaspecifieke en actiespecifieke indicatoren gebruiken.
2.  Voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren bedraagt de basiswaarde nul. Wanneer dit relevant is voor de aard van de ondersteunde acties, worden cumulatief gekwantificeerde mijlpalen en streefcijfers voor die indicatoren in absolute cijfers vastgesteld. De gerapporteerde waarden voor de outputindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
2.  Voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke outputindicatoren bedraagt de basiswaarde nul. Wanneer dit relevant is voor de aard van de ondersteunde acties, worden cumulatief gekwantificeerde mijlpalen en streefcijfers voor die indicatoren in absolute cijfers vastgesteld. De gerapporteerde waarden voor de outputindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
3.  De referentiewaarde voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren waarvoor een cumulatief gekwantificeerde mijlpaal voor 2024 en een streefcijfer voor 2029 zijn vastgesteld, wordt vastgesteld op basis van de meest recente beschikbare gegevens of andere relevante bronnen van informatie. Streefcijfers voor gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers of in procenten vastgesteld. Programmaspecifieke resultaatindicatoren en daarmee verband houdende streefcijfers kunnen in kwantitatieve of kwalitatieve termen worden uitgedrukt. De gerapporteerde waarden voor de gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
3.  De referentiewaarde voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren waarvoor een cumulatief gekwantificeerde mijlpaal voor 2024 en een streefcijfer voor 2029 zijn vastgesteld, wordt vastgesteld op basis van de meest recente beschikbare gegevens of andere relevante bronnen van informatie. Streefcijfers voor gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers of in procenten vastgesteld. Programmaspecifieke resultaatindicatoren en daarmee verband houdende streefcijfers kunnen in kwantitatieve of kwalitatieve termen worden uitgedrukt. De gerapporteerde waarden voor de gemeenschappelijke resultaatindicatoren worden in absolute cijfers uitgedrukt.
4.  Gegevens over de indicatoren voor deelnemers worden alleen overgemaakt wanneer alle krachtens punt 1a) van bijlage 1 vereiste gegevens met betrekking tot die deelnemer beschikbaar zijn.
4.  Gegevens over de indicatoren voor deelnemers worden alleen overgemaakt wanneer alle krachtens punt 1a) van bijlage I vereiste gegevens met betrekking tot die deelnemer beschikbaar zijn.
4 bis.  De in lid 3 bedoelde gegevens omvatten een gendereffectbeoordeling om de uitvoering van de ESF+-programma's te monitoren wat gendergelijkheid betreft. Deze gegevens worden uitgesplitst naar geslacht.
5.  Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, stellen de lidstaten de beheersautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, in staat deze gegevens uit gegevensregisters of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en e), van Verordening (EU) 2016/679.
5.  Wanneer gegevens in registers of gelijkwaardige bronnen beschikbaar zijn, kunnen de lidstaten de beheersautoriteiten en andere instanties die belast zijn met de verzameling van gegevens die nodig zijn voor de monitoring en de evaluatie van de algemene steun van het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer, in staat stellen deze gegevens uit gegevensregisters of gelijkwaardige bronnen te verkrijgen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) en e), van Verordening (EU) 2016/679.
6.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage I te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
6.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage I en bijlage II bis te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
Amendement 105
Voorstel voor een verordening
Artikel 17
Artikel 17
Artikel 17
Beginselen
Beginselen
1.  De ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie mag alleen worden gebruikt om de distributie te ondersteunen van voedsel en goederen die beantwoorden aan het Unierecht inzake de veiligheid van consumentenproducten.
1.  De ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie mag alleen worden gebruikt om de distributie te ondersteunen van voedsel en goederen die beantwoorden aan het Unierecht inzake de veiligheid van consumentenproducten.
2.  De lidstaten en de begunstigden kiezen de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand op basis van objectieve criteria met betrekking tot de behoeften van de meest behoeftige personen. Bij de selectiecriteria voor voedsel – en in voorkomend geval voor goederen – wordt ook rekening gehouden met klimatologische en milieuaspecten, vooral met het oog op minder voedselverspilling. In voorkomend geval wordt bij de keuze van het te verdelen soort voedsel rekening gehouden met de bijdrage van het voedsel tot het evenwichtig dieet van de meest behoeftige personen.
2.  De lidstaten en de begunstigden kiezen de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand op basis van objectieve criteria met betrekking tot de behoeften van de meest behoeftige personen. Bij de selectiecriteria voor voedsel – en in voorkomend geval voor goederen – wordt ook rekening gehouden met klimatologische en milieuaspecten, vooral met het oog op minder voedselverspilling en minder kunststoffen voor eenmalig gebruik. In voorkomend geval wordt bij de keuze van het te verdelen soort voedsel rekening gehouden met de bijdrage van het voedsel tot het evenwichtig dieet van de meest behoeftige personen.
De voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand kunnen direct aan de meest behoeftige personen worden verleend of indirect met behulp van elektronische vouchers of kaarten, op voorwaarde dat ze uitsluitend kunnen worden ingeruild voor voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand als bedoeld in artikel 2, punt 3.
De voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand kunnen direct aan de meest behoeftige personen worden verleend of indirect met behulp van elektronische vouchers of kaarten, op voorwaarde dat ze uitsluitend kunnen worden ingeruild voor voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand als bedoeld in artikel 2, punt 3, en niet ter vervanging dienen van bestaande sociale uitkeringen.
Het voedsel voor de meest behoeftige personen kan worden verkregen uit het gebruik, de verwerking of de verkoop van producten die zijn afgezet overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, mits dit de economisch gunstigste optie is en de levering van het voedsel aan de meest behoeftige personen hierdoor niet onnodig wordt vertraagd.
Het voedsel voor de meest behoeftige personen kan worden verkregen uit het gebruik, de verwerking of de verkoop van producten die zijn afgezet overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013, mits dit de economisch gunstigste optie is en de levering van het voedsel aan de meest behoeftige personen hierdoor niet onnodig wordt vertraagd.
Uit dergelijke transacties afkomstige bedragen worden gebruikt ten behoeve van de meest behoeftige personen, naast de bedragen waarover het programma al beschikt.
Uit dergelijke transacties afkomstige bedragen worden gebruikt ten behoeve van de meest behoeftige personen, naast de bedragen waarover het programma al beschikt.
3.  De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat bij de hulp in het kader van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie de waardigheid van de meest behoeftige personen wordt geëerbiedigd en ze niet worden gestigmatiseerd.
3.  De Commissie en de lidstaten zorgen ervoor dat bij de hulp in het kader van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie de waardigheid van de meest behoeftige personen wordt geëerbiedigd en ze niet worden gestigmatiseerd.
4.  De levering van voedselhulp en/of materiële bijstand kan worden aangevuld met een reoriëntatie naar bevoegde diensten en andere begeleidende maatregelen die de sociale inclusie van de meest behoeftige personen beogen.
4.  De levering van voedselhulp en/of materiële bijstand wordt aangevuld met een heroriëntatie naar bevoegde diensten en andere begeleidende maatregelen die de sociale inclusie van de meest behoeftige personen beogen.
Amendement 106
Voorstel voor een verordening
Artikel 20
Artikel 20
Artikel 20
Subsidiabiliteit van uitgaven
Subsidiabiliteit van uitgaven
1.  De volgende kosten van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie zijn subsidiabel:
1.  De volgende kosten van de ESF+-steun ter bestrijding van materiële deprivatie zijn subsidiabel:
a)  de kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, met inbegrip van de kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken;
a)  de kosten voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, met inbegrip van de kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken;
b)  wanneer het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken, niet onder a) valt, de door de aankopende instantie gedragen kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de opslagplaatsen en/of de begunstigden en de opslagkosten tegen een vast tarief van 1 % van de onder a) bedoelde kosten of – in naar behoren gemotiveerde gevallen – de daadwerkelijk opgelopen en betaalde kosten;
b)  wanneer het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de eindontvangers verstrekken, niet onder a) valt, de door de aankopende instantie gedragen kosten voor het vervoer van de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand naar de opslagplaatsen en/of de begunstigden en de opslagkosten tegen een vast tarief van 1 % van de onder a) bedoelde kosten of – in naar behoren gemotiveerde gevallen – de daadwerkelijk opgelopen en betaalde kosten;
c)  de administratieve, vervoers- en opslagkosten die door de bij de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen betrokken begunstigden worden gedragen, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten; of 5 % van de waarde van het overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 afgezette voedsel;
c)  de administratieve, vervoers- en opslagkosten die door de bij de verdeling van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen betrokken begunstigden worden gedragen, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten; of 5 % van de waarde van het overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 afgezette voedsel;
d)  de kosten voor de inzameling, het vervoer, de opslag en de distributie van voedseldonaties en daarmee rechtstreeks verband houdende voorlichtingsactiviteiten;
d)  de kosten voor de inzameling, het vervoer, de opslag en de distributie van voedseldonaties en daarmee rechtstreeks verband houdende voorlichtingsactiviteiten;
e)  de kosten van begeleidende maatregelen door of namens begunstigden die zijn gemeld door de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen leveren, tegen een vast tarief van 5 % van de onder a) bedoelde kosten.
e)  de kosten van begeleidende maatregelen door of namens begunstigden die zijn gemeld door de begunstigden die de voedselhulp en/of de fundamentele materiële bijstand aan de meest behoeftige personen leveren, tegen een vast tarief van 5,5 % van de onder a) bedoelde kosten.
2.  Een verlaging van de in lid 1, onder a), bedoelde subsidiabele kosten als gevolg van inbreuken op het toepasselijke recht door de instantie die verantwoordelijk is voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, leidt niet tot een verlaging van de in lid 1, onder c) en e), bedoelde subsidiabele kosten.
2.  Een verlaging van de in lid 1, onder a), bedoelde subsidiabele kosten als gevolg van inbreuken op het toepasselijke recht door de instantie die verantwoordelijk is voor de aankoop van voedselhulp en/of fundamentele materiële bijstand, leidt niet tot een verlaging van de in lid 1, onder c) en e), bedoelde subsidiabele kosten.
3.  De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
3.  De volgende kosten zijn niet subsidiabel:
a)  de debetrente;
a)  de debetrente;
b)  de beschikbaarstelling van infrastructuur;
b)  de aankoop van infrastructuur;
c)  de kosten voor tweedehandsgoederen.
c)  de kosten voor tweedehandsgoederen waarvan de kwaliteit is afgenomen.
Amendement 107
Voorstel voor een verordening
Artikel 21
Artikel 21
Artikel 21
Indicatoren en verslaglegging
Indicatoren en verslaglegging
1.  Prioriteiten ter bestrijding van materiële deprivatie gebruiken de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. Deze programma's mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
1.  Prioriteiten ter bestrijding van materiële deprivatie gebruiken de in bijlage II bij deze verordening vastgestelde gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren om de voortgang bij de uitvoering te monitoren. Deze programma's mogen ook programmaspecifieke indicatoren gebruiken.
2.  De referentiewaarden voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren worden vastgesteld.
2.  De referentiewaarden voor gemeenschappelijke en programmaspecifieke resultaatindicatoren worden vastgesteld. De verslagleggingsvereisten worden zo eenvoudig mogelijk gehouden.
3.  Uiterlijk 30 juni 2025 en 30 juni 2028 delen de beheersautoriteiten de Commissie de resultaten mee van een tijdens het voorgaande jaar uitgevoerd gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers. Dit onderzoek is gebaseerd op het model dat door de Commissie wordt vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling.
3.  Uiterlijk 30 juni 2025 en 30 juni 2028 delen de beheersautoriteiten de Commissie de resultaten mee van een tijdens het voorgaande jaar uitgevoerd gestructureerd anoniem onderzoek naar de eindontvangers, waarbij tevens aandacht wordt besteed aan hun levensomstandigheden en de aard van hun materiële deprivatie. Dit onderzoek is gebaseerd op het model dat door de Commissie wordt vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling.
4.  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een model vast voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
4.  Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van dit artikel te waarborgen, stelt de Commissie door middel van een uitvoeringshandeling een model vast voor het gestructureerd onderzoek naar de eindontvangers volgens de in artikel 39, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.
5.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage II te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
5.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage II te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van programma's doeltreffend te kunnen beoordelen.
Amendement 108
Voorstel voor een verordening
Artikel 22 – alinea 1
De audit van acties kan betrekking hebben op alle stadia van de uitvoering ervan en op alle niveaus van de distributieketen, met als enige uitzondering de controle van de eindontvangers, tenzij uit een risicobeoordeling blijkt dat er een specifiek risico van onregelmatigheden of fraude bestaat.
De audit van acties kan betrekking hebben op alle stadia van de uitvoering ervan en op alle niveaus van de distributieketen, met als enige uitzondering de controle van de eindontvangers, tenzij uit een risicobeoordeling blijkt dat er een specifiek risico van onregelmatigheden of fraude bestaat. De audit van acties omvat in de eerste fasen van de tenuitvoerlegging meer controles, zodat de middelen in geval van frauderisico alsnog naar andere projecten kunnen worden geleid.
Amendement 109
Voorstel voor een verordening
Artikel 23
Artikel 23
Artikel 23
Operationele doelstellingen
Operationele doelstellingen
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie heeft de volgende operationele doelstellingen:
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie heeft de volgende operationele doelstellingen:
a)  hoogwaardige vergelijkende analytische kennis ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de in artikel 4 bedoelde specifieke doelstellingen gebaseerd zijn op solide gegevens en afgestemd op de behoeften, uitdagingen en omstandigheden in de geassocieerde landen;
a)  hoogwaardige vergelijkende analytische kennis ontwikkelen om ervoor te zorgen dat de beleidsmaatregelen ter verwezenlijking van de in artikel 4 bedoelde specifieke doelstellingen gebaseerd zijn op solide gegevens en afgestemd op de behoeften, uitdagingen en omstandigheden in de geassocieerde landen;
b)  een doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren, collegiale toetsingen en een dialoog over beleidsmaatregelen op de in artikel 4 bedoelde gebieden bevorderen om de geassocieerde landen te helpen passende beleidsmaatregelen te nemen;
b)  een doeltreffende en inclusieve informatie-uitwisseling, wederzijds leren, collegiale toetsingen en een dialoog over beleidsmaatregelen op de in artikel 4 bedoelde gebieden bevorderen om de geassocieerde landen te helpen passende beleidsmaatregelen te nemen;
c)  sociale experimenten op de in artikel 4 bedoelde gebieden ondersteunen en de capaciteit van de belanghebbenden opbouwen om de geteste sociale beleidsinnovaties uit te voeren, over te dragen of op te schalen;
c)  sociale experimenten op de in artikel 4 bedoelde gebieden ondersteunen en de capaciteit van de belanghebbenden opbouwen om de geteste sociale beleidsinnovaties voor te bereiden, te ontwerpen en uit te voeren, over te dragen of op te schalen, met bijzondere aandacht voor het bevorderen van de opschaling van door steden, lokale en regionale overheden, de sociale partners, maatschappelijke organisaties en sociaal-economische actoren ontwikkelde lokale projecten op het gebied van opvang, sociale inclusie en integratie van onderdanen van derde landen;
d)  specifieke ondersteunende diensten aan werkgevers en werkzoekenden verlenen om geïntegreerde Europese arbeidsmarkten te ontwikkelen, van de voorbereiding voor de werving tot steun na plaatsing om vacatures voor bepaalde groepen (bijvoorbeeld kwetsbare personen) en in bepaalde sectoren, beroepen, landen en grensregio's te vervullen;
d)  specifieke ondersteunende diensten aan werkgevers en werkzoekenden tot stand brengen en verlenen om geïntegreerde Europese arbeidsmarkten te ontwikkelen, van de voorbereiding voor de werving tot steun na plaatsing om vacatures voor bepaalde groepen (bijvoorbeeld mensen in kwetsbare situaties) en in bepaalde sectoren, beroepen, landen en grensregio's te vervullen;
d bis)  grensoverschrijdende partnerschappen tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening, het maatschappelijk middenveld en sociale partners ondersteunen ter bevordering van een grensoverschrijdende arbeidsmarkt en grensoverschrijdende mobiliteit met passende voorwaarden;
d ter)  de verlening van Eures-diensten voor de werving en plaatsing van werknemers in kwaliteitsvolle en duurzame banen ondersteunen door het tot elkaar brengen en de compensatie van aanbiedingen van en aanvragen om werk, onder meer middels grensoverschrijdende partnerschappen;
d quater)  de vrijwillige geografische mobiliteit van werknemers faciliteren met passende sociale voorwaarden en de werkgelegenheid vergroten door in de Unie hoogwaardige en inclusieve arbeidsmarkten tot stand te brengen, open en voor iedereen toegankelijk, met inachtneming van de rechten van werknemers in de hele Unie;
e)  steun verlenen aan de ontwikkeling van het marktecosysteem met betrekking tot de verlening van microfinanciering aan micro-ondernemingen in de aanloop- en ontwikkelingsfase, en met name aan ondernemingen die kwetsbare personen tewerkstellen;
e)  steun verlenen aan de ontwikkeling van het marktecosysteem met betrekking tot de verlening van microfinanciering, alsook de beschikbaarheid en toegankelijkheid daarvan voor micro-ondernemingen, ondernemingen in de sociale economie en kwetsbare personen in de aanloop- en ontwikkelingsfase, en met name voor ondernemingen die mensen in kwetsbare situaties, met inbegrip van kansarme groepen, tewerkstellen;
f)  steun verlenen aan networking op het niveau van de Unie en aan de dialoog met en tussen belanghebbenden op de in artikel 4 bedoelde gebieden, en bijdragen tot de opbouw van de institutionele capaciteit van deze belanghebbenden, onder meer de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, socialezekerheidsinstellingen, instellingen voor microfinanciering en instellingen die sociale ondernemingen en de sociale economie financieren;
f)  steun verlenen aan networking op het niveau van de Unie en aan de dialoog met en tussen belanghebbenden op de in artikel 4 bedoelde gebieden, en bijdragen tot de opbouw van de institutionele capaciteit van de betrokken belanghebbenden, onder meer de openbare diensten voor arbeidsvoorziening, socialezekerheidsinstellingen, het maatschappelijk middenveld, instellingen voor microfinanciering en instellingen die ondernemingen in de sociale economie en de sociale economie financieren;
g)  de ontwikkeling van sociale ondernemingen en de opkomst van een markt voor sociale investeringen ondersteunen, waardoor publieke en particuliere interacties en de deelname van stichtingen en filantropische actoren op die markt worden bevorderd;
g)  de ontwikkeling van ondernemingen in de sociale economie en de opkomst van een markt voor sociale investeringen ondersteunen, waardoor publieke en particuliere interacties en de deelname van stichtingen en filantropische actoren op die markt worden bevorderd;
h)  advies verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten benodigde sociale infrastructuur (met inbegrip van huisvesting, kinderopvang, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg);
h)  advies verstrekken voor de ontwikkeling van de voor de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten benodigde sociale infrastructuur (met inbegrip van huisvesting, onderwijs en opvang voor jonge kinderen, ouderenzorg, toegankelijkheidseisen en de overgang van institutionele zorg naar zorg in gemeenschaps- of gezinsverband, met inbegrip van toegankelijkheidseisen voor personen met een handicap, kinderopvang, onderwijs en opleiding, gezondheidszorg en langdurige zorg);
i)  de transnationale samenwerking bevorderen om de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen in heel Europa te vergemakkelijken, met name op het gebied van werkgelegenheid, vaardigheden en sociale inclusie;
i)  de transnationale samenwerking bevorderen om de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen in heel Europa te vergemakkelijken, met name op het gebied van armoedebestrijding, werkgelegenheid, vaardigheden en sociale inclusie;
j)  de uitvoering van relevante internationale sociale en arbeidsnormen ondersteunen in de context van de globalisering en de externe dimensie van het beleid van de Unie op de in artikel 4 bedoelde gebieden.
j)  de uitvoering van relevante internationale sociale en arbeidsnormen ondersteunen in de context van de globalisering en de externe dimensie van het beleid van de Unie op de in artikel 4 bedoelde gebieden.
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Artikel 23 bis (nieuw)
Artikel 23 bis
Thematische concentratie en financiering
Het deel van de financiële middelen voor het ESF+ ten behoeve van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie als bedoeld in artikel 5, lid 4, onder a), wordt gedurende de gehele periode toegewezen voor de specifieke doelstellingen die zijn vastgesteld in artikel 4, lid 2 ter, overeenkomstig de volgende indicatieve percentages:
a)  55 % voor specifieke doelstelling 1;
b)  18 % voor specifieke doelstelling 2;
c)  18 % voor specifieke doelstelling 3.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Artikel 24
Artikel 24
Artikel 24
In aanmerking komende acties
In aanmerking komende acties
1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 4 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 4 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
2.  Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie kan de volgende acties ondersteunen:
2.  Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie kan de volgende acties ondersteunen:
a)  analytische activiteiten, onder meer met betrekking tot derde landen, en met name:
a)  analytische activiteiten, onder meer met betrekking tot derde landen, en met name:
i)  onderzoeken, studies, statistische gegevens, methoden, classificaties, microsimulaties, indicatoren, steun voor Europese waarnemingsposten en benchmarks;
i)  onderzoeken, studies, statistische gegevens, methoden, classificaties, microsimulaties, indicatoren, steun voor Europese waarnemingsposten en benchmarks;
ii)  sociale experimenten ter evaluatie van sociale innovatie;
ii)  sociale experimenten ter evaluatie van sociale innovatie;
iii)  monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;
iii)  monitoring en beoordeling van de omzetting en de toepassing van het recht van de Unie;
b)  uitvoering van het beleid, en met name:
b)  uitvoering van het beleid, en met name:
i)  grensoverschrijdende partnerschappen en ondersteunende diensten in grensoverschrijdende regio's;
i)  grensoverschrijdende partnerschappen en ondersteunende diensten in grensoverschrijdende regio's;
ii)  een op arbeid gerichte mobiliteitsregeling op het niveau van de Unie om vacatures te vervullen waar zich tekorten op de arbeidsmarkt voordoen;
ii)  een op arbeid gerichte mobiliteitsregeling op het niveau van de Unie om vacatures te vervullen waar zich tekorten op de arbeidsmarkt voordoen;
iii)  steun voor microfinanciering en sociale ondernemingen, onder meer via blendingverrichtingen zoals asymmetrische risicodeling of het beperken van transactiekosten, alsmede steun voor de ontwikkeling van sociale infrastructuur en vaardigheden;
iii)  steun voor microfinanciering en ondernemingen in de sociale economie, onder meer via blendingverrichtingen zoals asymmetrische risicodeling of het beperken van transactiekosten, alsmede steun voor de ontwikkeling van sociale infrastructuur en vaardigheden;
iv)  steun voor transnationale samenwerking en partnerschappen met het oog op de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen;
iv)  steun voor transnationale samenwerking en partnerschappen met het oog op de overdracht en de opschaling van innovatieve oplossingen;
c)  capaciteitsopbouw, met name:
c)  capaciteitsopbouw, met name:
i)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
i)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
ii)  van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het onderdeel;
ii)  van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het onderdeel;
iii)  van de administratieve structuren van de deelnemende landen, van socialezekerheidsinstellingen, van voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit verantwoordelijke diensten voor arbeidsvoorziening, van instellingen voor microfinanciering en van instellingen die sociale ondernemingen of andere actoren op het gebied van sociale investeringen financieren, alsook van de structuren voor networking;
iii)  van de administratieve structuren van de deelnemende landen, van socialezekerheidsinstellingen, van voor de bevordering van de arbeidsmobiliteit verantwoordelijke diensten voor arbeidsvoorziening, van instellingen voor microfinanciering en van instellingen die ondernemingen in de sociale economie of andere actoren op het gebied van sociale investeringen financieren, alsook van de structuren voor networking;
iv)  van belanghebbenden met het oog op transnationale samenwerking;
iv)  van de sociale partners en belanghebbenden met het oog op transnationale samenwerking;
d)  communicatie- en verspreidingsactiviteiten, en met name:
d)  communicatie- en verspreidingsactiviteiten, en met name:
i)  wederzijds leren door de uitwisseling van goede praktijken, innovatieve methoden, resultaten van analytische activiteiten, collegiale toetsingen en benchmarking;
i)  wederzijds leren door de uitwisseling van goede praktijken, innovatieve methoden, resultaten van analytische activiteiten, collegiale toetsingen en benchmarking;
ii)  handleidingen, verslagen, informatiemateriaal en mediaberichtgeving over initiatieven met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
ii)  handleidingen, verslagen, informatiemateriaal en mediaberichtgeving over initiatieven met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iii)  informatiesystemen die gegevens verspreiden met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iii)  informatiesystemen die gegevens verspreiden met betrekking tot de in artikel 4, lid 1, bedoelde gebieden;
iv)  evenementen, conferenties en seminars van het voorzitterschap van de Raad.
iv)  technische en administratieve bijstand voor het uitvoeren van het werkprogramma, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, met inbegrip van informatietechnologiesystemen.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 – lid 1 – letter b
b)  elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie, of elke internationale organisatie;
b)  elke juridische entiteit die is opgericht krachtens het recht van de Unie, of relevante internationale organisatie;
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Artikel 25 bis (nieuw)
Artikel 25 bis
Governance
1.  De Commissie overlegt met belanghebbenden in de Unie, met name de sociale partners en maatschappelijke organisaties, over de werkprogramma's voor werkgelegenheid en sociale innovatie en de prioriteiten, strategische oriëntatie en uitvoering ervan.
2.  De Commissie brengt de nodige relaties tot stand met het Comité voor de werkgelegenheid, het Comité voor sociale bescherming, het Raadgevend comité voor veiligheid en gezondheid op de werkplek, de groep van directeuren-generaal voor arbeidsverhoudingen en het Raadgevend comité voor het vrij verkeer van werknemers, om ervoor te zorgen dat deze regelmatig en op passende wijze op de hoogte worden gehouden over de voortgang van de uitvoering van deze programma's. De Commissie informeert ook andere comités die zich bezighouden met beleid, instrumenten en acties die relevant zijn voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter -a (nieuw)
-a)   een volksgezondheidsstrategie van de Unie ondersteunen die gericht is op:
i)  het ondersteunen van de lidstaten bij hun inspanningen ter bescherming en bevordering van de volksgezondheid; en
ii)  het bevorderen van de opdracht van de Unie op het gebied van gezondheid overeenkomstig artikel 168 VWEU, waarin is bepaald dat een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid bij de bepaling en uitvoering van elk beleid en elk optreden van de Unie wordt verzekerd.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter a –inleidende formule
a)  de crisisparaatheid, -beheersing en -respons in de Unie versterken om burgers te beschermen tegen grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid
a)  de crisisparaatheid, -beheersing en -respons in de Unie versterken om grensoverschrijdende bedreigingen van de gezondheid aan te pakken
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter a – punt iv bis (nieuw)
iv bis)   goed vormgegeven interventies op het gebied van volksgezondheid uitvoeren om de lasten en effecten van infecties en besmettelijke te voorkomen ziekten te beperken
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter a – punt iv ter (nieuw)
iv ter)   de ontwikkeling van vaardigheden en instrumenten voor doeltreffende risicocommunicatie ondersteunen
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt i
i)  investeren in gezondheidsbevordering en ziektepreventie
i)  investeren in gezondheidsbevordering en ziektepreventie, onder meer door middel van programma's voor de bevordering van de kennis van gezondheid en gezondheidsvoorlichting, en door het bevorderen van lichaamsbeweging
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt i bis (nieuw)
i bis)  investeren in vroegtijdige diagnose en screening
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii
ii)  de digitale transformatie van gezondheid en zorg ondersteunen
ii)  de digitale transformatie van gezondheid en zorg ondersteunen die beantwoordt aan de behoeften en zorgen van patiënten en burgers, met name door het tot stand brengen van koppelingen met programma's ter ondersteuning van mediageletterdheid en digitale vaardigheden
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii bis (nieuw)
ii bis)   de ontwikkeling van digitale overheidsdiensten op gebieden als gezondheidszorg ondersteunen
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii ter (nieuw)
ii ter)   de beveiliging en kwaliteit van gezondheidsinformatie verbeteren
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt ii
ii)  de ontwikkeling van een duurzaam systeem voor gezondheidsinformatie in de Unie ondersteunen
ii)  de ontwikkeling van een duurzaam, transparant en toegankelijk systeem voor gezondheidsinformatie in de Unie ondersteunen, met waarborging van de bescherming van privégegevens
(In het Commissievoorstel is de nummering van de punten in Artikel 26, onder b), niet correct: er zijn twee punten genummerd als ii))
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iii
iii)  de lidstaten helpen bij kennisoverdracht die voor nationale hervormingen nuttig is met het oog op meer doeltreffende, toegankelijke en veerkrachtige gezondheidsstelsels en een betere gezondheidsbevordering en ziektepreventie, waarbij vooral de in het Europees Semester vermelde uitdagingen worden aangegaan
iii)  de lidstaten helpen bij kennisoverdracht en steun bij de uitvoering die voor nationale hervormingen nuttig is met het oog op meer doeltreffende, toegankelijke, veerkrachtige, niet-discriminerende, inclusieve en rechtvaardige gezondheidsstelsels die sociale ongelijkheid tegengaan, en een betere gezondheidsbevordering en ziektepreventie, waarbij vooral de in het Europees Semester vermelde uitdagingen worden aangegaan. Dit houdt onder meer de ondersteuning van hoogwaardige nationale registers in die ook vergelijkbare gegevens leveren
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iv bis (nieuw)
iv bis)   de overgang naar persoonsgerichte zorg, buurt- en nabijheidsdiensten op sociaal en gezondheidsgebied en geïntegreerde zorg in gemeenschapsverband ondersteunen, met name door het bevorderen van organisatiemodellen die zijn gebaseerd op interprofessionele samenwerking en networking met meerdere belanghebbenden
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iv ter (nieuw)
iv ter)   de betrokkenheid van alle relevante belanghebbenden met betrekking tot bovengenoemde acties waarborgen, op het niveau van de Unie en/of op nationaal niveau, al naargelang het geval
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter b – punt iv quater (nieuw)
iv quater)   instrumenten en strategieën ontwikkelen en toepassen om ongelijkheden op gezondheidsgebied te voorkomen en aan te pakken, alsook om sociale inclusie, een sterkere positie voor burgers en participatie van de gemeenschap te bevorderen
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter c – punt i
i)  de uitvoering van de wetgeving inzake geneesmiddelen en medische hulpmiddelen ondersteunen
i)  de uitvoering van de wetgeving inzake geneesmiddelen, toegang tot deze geneesmiddelen in de hele Unie en medische hulpmiddelen ondersteunen
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter c – punt vi
vi)  de wetenschappelijke comités van de Commissie voor consumentenveiligheid en voor gezondheids-, milieu- en opkomende risico's ondersteunen
vi)  de ontwikkeling van het beginsel van "gezondheid op alle beleidsgebieden" ondersteunen en processen tot stand brengen om gezondheidseffecten op alle beleidsgebieden te kunnen onderzoeken en in aanmerking te kunnen nemen
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter c bis (nieuw)
c bis)   de monitoring en uitvoering van andere wetgeving en beleidsmaatregelen van de Unie met gevolgen voor de gezondheid ondersteunen en versterken, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid te helpen waarborgen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, wetgeving en beleidsmaatregelen die betrekking hebben op:
i)  luchtvervuiling
ii)  hormoonontregelende stoffen en andere chemische stoffen met schadelijke eigenschappen
iii)  bestrijdingsmiddelenresiduen in voedsel, water en in de lucht
iv)  voedsel en voedseletikettering, onder meer met betrekking tot transvetzuren, de etikettering van alcoholische producten, additieven en materialen die met levensmiddelen in aanraking komen
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt ii
ii)  de samenwerking bij de evaluatie van gezondheidstechnologie ondersteunen in de aanloop naar nieuwe geharmoniseerde regels
ii)  de samenwerking bij de evaluatie van gezondheidstechnologie, alsook de capaciteitsopbouw in dit verband ondersteunen in de aanloop naar nieuwe geharmoniseerde regels
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt iii bis (nieuw)
iii bis)   de uitvoering van programma's en beste praktijken inzake voorlichting en campagnes voor jongeren met betrekking tot seksuele en reproductieve gezondheid ondersteunen
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt iii ter (nieuw)
iii ter)   op Unieniveau actieve maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met gezondheid en gezondheidsgerelateerde kwesties ondersteunen
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 26 – lid 2 – letter d – punt iii quater (nieuw)
iii quater)  de oprichting van een stuurgroep voor gezondheid voor de uitvoering van de acties in het kader van het onderdeel gezondheid ondersteunen
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 1
1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 en 26 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
1.  Alleen gezondheidsgerelateerde acties voor de verwezenlijking van de in de artikelen 3, 4 en 26 bedoelde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter a – punt i bis (nieuw)
i bis)   activiteiten voor het monitoren van de cumulatieve gezondheidseffecten van milieurisicofactoren, onder meer als gevolg van verontreinigende stoffen in voedsel, water, in de lucht en in andere bronnen;
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter a – punt i ter (nieuw)
i ter)   activiteiten voor het monitoren van de gezondheidseffecten van het Unierecht, zoals geneesmiddelenbewaking en soortgelijke activiteiten;
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter a – alinea 1 bis (nieuw)
De resultaten van analytische activiteiten worden openbaar gemaakt zodra deze zijn afgerond;
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter b – punt i
i)  grensoverschrijdende samenwerking en partnerschappen, onder meer in grensoverschrijdende regio's;
i)  grensoverschrijdende samenwerking en partnerschappen, onder meer in grensoverschrijdende regio's en onder meer met betrekking tot luchtvervuiling en andere grensoverschrijdende milieuverontreiniging;
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter c – punt i
i)  door de overdracht, de aanpassing en de toepassing van beste praktijken met een toegevoegde waarde van de Unie tussen de lidstaten;
i)  door de uitwisseling, de overdracht, de aanpassing en de toepassing van beste praktijken met een toegevoegde waarde van de Unie tussen de lidstaten;
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter c – punt ii
ii)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde gebieden;
ii)  van netwerken op het niveau van de Unie met betrekking tot de in artikel 26 bedoelde gebieden, op continue en duurzame wijze, waarbij wordt gezorgd voor de aanwezigheid van een actief maatschappelijk middenveld op het niveau van de Unie;
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 27 – lid 2 – letter c – punt iv
iv)  van nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het programma;
iv)  van regionale, subnationale en nationale contactpunten die advies, informatie en bijstand verlenen met betrekking tot de uitvoering van het programma;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 – alinea 1
De Commissie raadpleegt de gezondheidsautoriteiten van de lidstaten in de stuurgroep voor gezondheidsbevordering, ziektepreventie en het beheersen van niet-overdraagbare ziekten of in andere relevante deskundigengroepen van de Commissie of soortgelijke entiteiten over de werkplannen voor en de prioriteiten, de strategische richtsnoeren en de uitvoering van het onderdeel gezondheid, evenals over de aspecten inzake gezondheidsbeleid van andere beleidsmaatregelen en steunmechanismen, waardoor de algemene coördinatie en de toegevoegde waarde ervan toenemen.
De Commissie raadpleegt de gezondheidsautoriteiten van de lidstaten in de stuurgroep voor gezondheidsbevordering, ziektepreventie en het beheersen van niet-overdraagbare ziekten of in andere relevante deskundigengroepen van de Commissie of soortgelijke entiteiten, zoals beroepsorganisaties in de zorgsector, over de jaarlijkse werkplannen voor en de prioriteiten, de strategische richtsnoeren en de uitvoering van het onderdeel gezondheid, evenals over de aspecten inzake gezondheidsbeleid van andere beleidsmaatregelen en steunmechanismen, waardoor de algemene coördinatie en de toegevoegde waarde ervan toenemen. Een sterk politiek leiderschap en een passende op gezondheid gerichte governancestructuur zullen zorgen voor de waarborging van gezondheidsbescherming en -bevordering binnen alle Commissieportefeuilles overeenkomstig artikel 168, lid 1, VWEU.
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 bis (nieuw)
Artikel 29 bis
Stuurgroep voor gezondheid
1.  De Commissie richt een stuurgroep voor gezondheid op ("de stuurgroep") voor de uitvoering van acties in het kader van het onderdeel gezondheid.
2.  De stuurgroep richt zich op de totstandbrenging, via coördinatie en samenwerking, van synergieën tussen het onderdeel gezondheid en andere programma's met een geïntegreerde gezondheidsdimensie, op de bevordering van de betrokkenheid van patiënten en de samenleving en op de verstrekking van wetenschappelijk advies en wetenschappelijke aanbevelingen. In het kader van die acties wordt gezorgd voor op waarden gerichte gezondheidsmaatregelen, duurzaamheid en betere gezondheidsoplossingen, voor betere toegang en een beperking van de ongelijkheid op het gebied van gezondheid.
3.  De stuurgroep stelt een omvattende strategie op en zorgt voor aansturing bij de ontwikkeling van de werkplannen in het kader van het onderdeel gezondheid.
4.  De stuurgroep is een onafhankelijke groep belanghebbenden, bestaande uit actoren uit relevante sectoren op het gebied van volksgezondheid, welzijn en sociale bescherming, en met een participerende rol voor vertegenwoordigers van de regio's en lokale gezondheidsautoriteiten, vertegenwoordigers van patiënten, en burgers.
5.  De stuurgroep bestaat uit 15 tot 20 hooggeplaatste personen die worden geselecteerd uit verschillende disciplines en activiteiten als bedoeld in lid 4. De leden van de stuurgroep worden door de Commissie aangewezen na een openbare oproep tot het indienen van voordrachten van kandidaten en/of het indienen van blijken van belangstelling.
6.  De voorzitter van de stuurgroep wordt door de Commissie aangewezen uit de leden van de stuurgroep.
7.  De stuurgroep:
i)  levert een bijdrage aan de jaarlijkse werkplannen in het kader van het onderdeel gezondheid, na een voorstel van de Commissie;
ii)  ontwikkelt een blauwdruk voor coördinatie en samenwerking op het vlak van aansturing tussen het onderdeel gezondheid en andere programma's met een geïntegreerde gezondheidsdimensie.
Deze blauwdruk helpt de zichtbaarheid en coördinatie van alle bestaande financieringsmechanismen in verband met gezondheid te waarborgen en draagt bij aan coördinatie en samenwerking op het vlak van aansturing.
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 29 ter (nieuw)
Artikel 29 ter
Internationale samenwerking
De Commissie brengt samenwerkingsverbanden tot stand met relevante internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en gespecialiseerde agentschappen daarvan, met name de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), alsook met de Raad van Europa en met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) om het onderdeel gezondheid uit te voeren, met het oog op een zo groot mogelijke doeltreffendheid en efficiëntie van acties op het niveau van de Unie en op internationaal niveau.
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 31
Artikel 31
Artikel 31
Vormen van EU-financiering en uitvoeringsmethoden
Vormen van EU-financiering en uitvoeringsmethoden
1.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid kunnen voor financiering zorgen in de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen en vrijwillige betalingen aan internationale organisaties waarvan de Unie lid is of aan de werkzaamheden waarvan de Unie deelneemt.
1.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid kunnen voor financiering zorgen in de in het Financieel Reglement vastgestelde vormen, met name subsidies, prijzen, aanbestedingen, bijdragen en vrijwillige betalingen aan internationale organisaties waarvan de Unie lid is of aan de werkzaamheden waarvan de Unie deelneemt.
2.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid worden direct uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement of indirect met in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement bedoelde organen.
2.  De onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid worden direct uitgevoerd overeenkomstig het Financieel Reglement of indirect met in artikel [61, lid 1, onder c),] van het Financieel Reglement bedoelde organen.
Bij de toekenning van subsidies kan het in artikel [150] van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité zijn samengesteld uit externe deskundigen.
Bij de toekenning van subsidies kan het in artikel [150] van het Financieel Reglement bedoelde evaluatiecomité zijn samengesteld uit externe deskundigen.
3.  Blendingverrichtingen in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
3.  Blendingverrichtingen in het kader van het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie vinden plaats in overeenstemming met de [InvestEU-verordening] en titel X van het Financieel Reglement.
4.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om acties te financieren met een duidelijke meerwaarde van de Unie die worden medegefinancierd door de voor gezondheid bevoegde autoriteiten in de lidstaten of de met het programma geassocieerde derde landen, of door individueel of als netwerk optredende overheidsinstanties en niet-gouvernementele organen die door die bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd.
4.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend om acties te financieren met een duidelijke meerwaarde van de Unie die worden medegefinancierd door de voor gezondheid bevoegde autoriteiten in de lidstaten of de met het programma geassocieerde derde landen, of door individueel of als netwerk optredende overheidsinstanties en niet-gouvernementele organen die door die bevoegde autoriteiten zijn gemachtigd.
5.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan Europese referentienetwerken die als netwerken door de bestuursraad van lidstaten van de Europese referentienetwerken zijn goedgekeurd op grond van de goedkeuringsprocedure die is vastgesteld in Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken.
5.  In het kader van het onderdeel gezondheid kunnen directe subsidies zonder oproep tot het indienen van voorstellen worden toegekend aan Europese referentienetwerken die als netwerken door de bestuursraad van lidstaten van de Europese referentienetwerken zijn goedgekeurd op grond van de goedkeuringsprocedure die is vastgesteld in Uitvoeringsbesluit 2014/287/EU van de Commissie van 10 maart 2014 tot vaststelling van de criteria voor de oprichting en evaluatie van Europese referentienetwerken en de leden daarvan en voor de bevordering van de uitwisseling van informatie en expertise in verband met de oprichting en evaluatie van dergelijke netwerken.
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 32
Artikel 32
Artikel 32
Werkprogramma en coördinatie
Werkprogramma en coördinatie
Het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie en het onderdeel gezondheid worden uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel [108] van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt – in voorkomend geval – het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
De Commissie stelt overeenkomstig artikel 38 gedelegeerde handelingen vast in aanvulling op de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid door werkprogramma's als bedoeld in artikel [108] van het Financieel Reglement vast te stellen. In die werkprogramma's wordt – in voorkomend geval – het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen.
De Commissie bevordert synergie en zorgt voor doeltreffende coördinatie tussen het onderdeel gezondheid van het ESF+ en het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning.
De Commissie bevordert synergie en zorgt voor doeltreffende coördinatie tussen het onderdeel gezondheid van het ESF+ en het steunprogramma voor hervormingen, met inbegrip van het hervormingsinstrument en het instrument voor technische ondersteuning.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 33
Artikel 33
Artikel 33
Monitoring en verslaglegging
Monitoring en verslaglegging
1.  Er worden indicatoren vastgesteld om de uitvoering en de voortgang van de onderdelen te monitoren bij de verwezenlijking van de in artikel 4 vastgestelde specifieke doelstellingen en de in de artikelen 23 en 26 vastgestelde operationele doelstellingen.
1.  Er worden indicatoren vastgesteld om de uitvoering en de voortgang van de onderdelen te monitoren bij de verwezenlijking van de in artikel 4 vastgestelde specifieke doelstellingen en de in de artikelen 23 en 26 vastgestelde operationele doelstellingen.
2.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering van de onderdelen en de resultaten efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en – in voorkomend geval – de lidstaten.
2.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering van de onderdelen en de resultaten efficiënt, doeltreffend en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en – in voorkomend geval – de lidstaten.
3.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in bijlage III aan te vullen of te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van de onderdelen doeltreffend te kunnen beoordelen.
3.  De Commissie is overeenkomstig artikel 38 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de indicatoren in de bijlagen II ter en III aan te vullen of te wijzigen, als zulks noodzakelijk wordt geacht om de voortgang bij de uitvoering van de onderdelen doeltreffend te kunnen beoordelen.
3 bis.  Met het oog op een regelmatige monitoring van de onderdelen en eventuele aanpassingen van het desbetreffende beleid en de desbetreffende financieringsprioriteiten, stelt de Commissie een eerste kwalitatief en kwantitatief monitoringverslag op dat het eerste jaar beslaat, en vervolgens drie verslagen die opeenvolgende tweejaarlijkse periodes beslaan, en legt zij die verslagen voor aan het Europees Parlement en de Raad. De verslagen worden tevens ter informatie aan het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's voorgelegd. De verslagen bevatten de resultaten van de onderdelen en de mate waarin de beginselen van gelijkheid van mannen en vrouwen en gendermainstreaming zijn toegepast en op welke wijze overwegingen inzake non-discriminatie, waaronder toegankelijkheidskwesties, in de desbetreffende activiteiten aan de orde zijn gesteld. Ter bevordering van de transparantie met betrekking tot de onderdelen, worden de verslagen ook openbaar gemaakt.
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 35
Artikel 35
Artikel 35
Evaluatie
Evaluatie
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.
2.  De tussentijdse evaluatie van de onderdelen kan worden uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering ervan beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van de onderdelen is begonnen.
2.  Uiterlijk op 31 december 2024 voert de Commissie een tussentijdse evaluatie van de onderdelen uit met het oog op het volgende:
a)  om op kwalitatieve en kwantitatieve basis de vooruitgang ten opzichte van de doelstellingen te meten;
b)  om het maatschappelijke klimaat binnen de Unie en eventuele grote wijzigingen als gevolg van het Unierecht aan de orde te stellen;
c)  om te bepalen of de middelen van de onderdelen doeltreffend zijn gebruikt en de meerwaarde voor de Unie ervan te beoordelen.
De resultaten van die tussentijdse evaluatie worden voorgelegd aan het Europees Parlement en de Raad.
3.  Aan het einde van de uitvoeringperiode, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 5 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de onderdelen uit.
3.  Aan het einde van de uitvoeringperiode, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 5 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van de onderdelen uit.
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 37
Artikel 37
Artikel 37
Informatie, communicatie en publiciteit
Informatie, communicatie en publiciteit
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende en doeltreffende wijze te informeren.
1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende en doeltreffende wijze te informeren.
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid, alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikelen 4, 23 en 26 bedoelde doelstellingen.
2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid, alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan de onderdelen werkgelegenheid en sociale innovatie en gezondheid toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikelen 4, 23 en 26 bedoelde doelstellingen.
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 38
Artikel 38
Artikel 38
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
2.  De in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, artikel 32 en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, artikel 32 en artikel 33, lid 3, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201628.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 201628.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  Een overeenkomstig artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, en artikel 33, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
6.  Een overeenkomstig artikel 15, lid 6, artikel 21, lid 5, artikel 32 en artikel 33, lid 3, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.
_________________________________
_________________________________
28 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
28 PB L 123 van 12.5.2016, blz. 13.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 40
Artikel 40
Artikel 40
Comité overeenkomstig artikel 163 VWEU
Comité overeenkomstig artikel 163 VWEU
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 163 VWEU ingestelde comité (het ESF+-Comité).
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 163 VWEU ingestelde comité (het ESF+-Comité).
2.  Iedere lidstaat wijst één vertegenwoordiger van de regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties, één vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties alsmede één plaatsvervanger voor ieder lid aan voor een termijn van maximaal zeven jaar. Bij afwezigheid van een lid neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.
2.  Iedere lidstaat wijst één vertegenwoordiger van de regering, één vertegenwoordiger van de werknemersorganisaties, één vertegenwoordiger van de werkgeversorganisaties, één vertegenwoordiger van het maatschappelijk middenveld, één vertegenwoordiger van de instanties voor gelijke kansen of andere onafhankelijke mensenrechteninstellingen, overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder c) van [de toekomstige GB-verordening] alsmede één plaatsvervanger voor ieder lid aan voor een termijn van maximaal zeven jaar. Bij afwezigheid van een lid neemt de plaatsvervanger van rechtswege aan de beraadslagingen deel.
3.  Het ESF+-Comité omvat telkens één vertegenwoordiger van de organisaties die de werknemersorganisaties en de werkgeversorganisaties op het niveau van de Unie vertegenwoordigen.
3.  Het ESF+-Comité omvat telkens één vertegenwoordiger van de organisaties die de werknemersorganisaties, de werkgeversorganisaties en maatschappelijke organisaties op het niveau van de Unie vertegenwoordigen.
3 bis.  Het ESF+-Comité kan vertegenwoordigers van de Europese Investeringsbank en het Europees Investeringsfonds uitnodigen.
3 ter.  In het ESF+-Comité wordt het evenwicht tussen mannen en vrouwen, alsook een gepaste vertegenwoordiging van minderheden en andere uitgesloten groepen gewaarborgd.
4.  Het ESF+-Comité wordt geraadpleegd over het geplande gebruik van technische bijstand, voor zover daarvoor een bijdrage uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer wordt verleend, alsook over andere kwesties met gevolgen voor de uitvoering van de strategieën op het niveau van de Unie die relevant zijn voor het ESF+;
4.  Het ESF+-Comité wordt geraadpleegd over het geplande gebruik van technische bijstand, voor zover daarvoor een bijdrage uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer wordt verleend, alsook over andere kwesties met gevolgen voor de uitvoering van de strategieën op het niveau van de Unie die relevant zijn voor het ESF+;
5.  Het ESF+-Comité kan advies uitbrengen over:
5.  Het ESF+-Comité kan advies uitbrengen over:
a)  kwesties met betrekking tot de ESF+-bijdrage tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer landspecifieke aanbevelingen en semestergerelateerde prioriteiten (nationale hervormingsprogramma’s, enzovoort);
a)  kwesties met betrekking tot de ESF+-bijdrage tot de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten, onder meer landspecifieke aanbevelingen en semestergerelateerde prioriteiten (nationale hervormingsprogramma’s, enzovoort);
b)  kwesties met betrekking tot de [toekomstige GB-verordening] die relevant zijn voor het ESF+;
b)  kwesties met betrekking tot de [toekomstige GB-verordening] die relevant zijn voor het ESF+;
c)  andere dan de in lid 4 bedoelde kwesties in verband met het ESF+ die de Commissie aan het comité voorlegt.
c)  andere dan de in lid 4 bedoelde kwesties in verband met het ESF+ die de Commissie aan het comité voorlegt.
De adviezen van het ESF+-Comité worden goedgekeurd met absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen en worden ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. De Commissie licht het ESF+-Comité in over de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.
De adviezen van het ESF+-Comité worden goedgekeurd met absolute meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen en worden ter informatie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's toegezonden. De Commissie licht het ESF+-Comité schriftelijk in over de wijze waarop zij met zijn adviezen rekening heeft gehouden.
6.  Het ESF+-Comité kan werkgroepen oprichten voor elk onderdeel van het ESF+.
6.  Het ESF+-Comité kan werkgroepen oprichten voor elk onderdeel van het ESF+.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Bijlage I
BIJLAGE I1
BIJLAGE I1
Gemeenschappelijke indicatoren voor de algemene steun uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Gemeenschappelijke indicatoren voor de algemene steun uit het ESF+-onderdeel onder gedeeld beheer
Alle persoonlijke gegevens moeten worden opgesplitst naar gender (vrouwelijk, mannelijk, "non-binair"). Indien bepaalde resultaten niet mogelijk zijn, moeten de gegevens voor die resultaten niet worden verzameld en gerapporteerd.
Alle persoonlijke gegevens moeten worden opgesplitst naar gender (vrouwelijk, mannelijk, "non-binair"). Indien bepaalde resultaten niet beschikbaar zijn, moeten de gegevens voor die resultaten niet worden verzameld en gerapporteerd. Gevoelige persoonsgegevens kunnen anoniem worden onderzocht.
1)  Gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot activiteiten die gericht zijn op mensen:
1)  Gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot activiteiten die gericht zijn op mensen:
1a)  Gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers
1a)  Gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers
–  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:
–  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor deelnemers zijn:
–  werklozen, onder wie langdurig werklozen*,
–  werklozen, onder wie langdurig werklozen*,
–  langdurig werklozen*,
–  langdurig werklozen*,
–  inactieven*,
–  inactieven*,
–  werkenden, onder wie zelfstandigen*,
–  werkenden, onder wie zelfstandigen*,
–  personen die geen onderwijs of opleiding volgen (NEET's)*,
–  jonger dan 30 jaar*,
–  kinderen jonger dan 18 jaar*,
–  jongeren tussen 18 en 29 jaar*,
–  ouder dan 54 jaar*,
–  ouder dan 54 jaar*,
–  met lager voortgezet onderwijs of minder (ISCED 0-2)*,
–  met lager voortgezet onderwijs of minder (ISCED 0-2)*,
–  met hoger middelbaar (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4)*,
–  met hoger middelbaar (ISCED 3) of postsecundair onderwijs (ISCED 4)*,
–  met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8)*.
–  met hoger onderwijs (ISCED 5 tot en met 8)*.
Het totale aantal deelnemers moet automatisch worden berekend op basis van de gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot de arbeidssituatie.
Het totale aantal deelnemers moet automatisch worden berekend op basis van de gemeenschappelijke outputindicatoren met betrekking tot de arbeidssituatie.
1b)  Andere gemeenschappelijke outputindicatoren
1b)  Andere gemeenschappelijke outputindicatoren
Als de gegevens voor deze indicatoren niet worden verzameld uit gegevensregisters, mogen de waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigde.
Als de gegevens voor deze indicatoren niet worden verzameld uit gegevensregisters, mogen de waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigde. De deelnemers verstrekken de gegevens altijd vrijwillig.
–  deelnemers met een handicap**,
–  deelnemers met een handicap**,
–  deelnemers jonger dan 18 jaar*,
–  onderdanen van derde landen*,
–  onderdanen van derde landen*,
–  deelnemers met een buitenlandse achtergrond*,
–  deelnemers met een buitenlandse achtergrond*,
–  minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma)**,
–  minderheden (behalve de Romagemeenschap)**,
–  deelnemers uit de Romagemeenschap**
–  daklozen of mensen die van de woningmarkt uitgesloten zijn*,
–  daklozen of mensen die van de woningmarkt uitgesloten zijn*,
–  deelnemers van het platteland*.
–  deelnemers van het platteland*,
–  deelnemers uit geografische gebieden met een hoog percentage armoede en sociale uitsluiting*,
–  deelnemers die van institutionele zorg overgaan naar zorg in gezins- en gemeenschapsverband**.
2)  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor entiteiten zijn:
2)  De gemeenschappelijke outputindicatoren voor entiteiten zijn:
–  aantal ondersteunde overheidsadministraties of overheidsdiensten op nationaal, regionaal of lokaal niveau,
–  aantal ondersteunde overheidsadministraties of overheidsdiensten op nationaal, regionaal of lokaal niveau,
–  aantal ondersteunde, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (waaronder coöperatieve ondernemingen en sociale ondernemingen).
–  aantal ondersteunde, kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (waaronder coöperatieve ondernemingen en sociale ondernemingen).
3)  De gemeenschappelijke onmiddellijkresultaatindicatoren voor de deelnemers zijn:
3)  De gemeenschappelijke onmiddellijkresultaatindicatoren voor de deelnemers zijn:
–  deelnemers die na de deelname op zoek gaan naar werk*,
–  deelnemers die na de deelname op zoek gaan naar werk*,
–  deelnemers die na de deelname onderwijs of opleiding volgen*,
–  deelnemers die na de deelname onderwijs of opleiding volgen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
–  deelnemers die na de deelname een kwalificatie behalen*,
4)  Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor de deelnemers:
4)  Gemeenschappelijke indicatoren van resultaten op langere termijn voor de deelnemers:
–  deelnemers die zes maanden na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige*,
–  deelnemers die zes en twaalf maanden na de deelname aan het werk zijn, met inbegrip van werk als zelfstandige*,
–  deelnemers van wie de arbeidsmarktsituatie zes maanden na de deelname verbeterd was*,
–  deelnemers van wie de arbeidsmarktsituatie zes en twaalf maanden na de deelname verbeterd was*,
Als minimumvereiste moeten deze gegevens worden verzameld op basis van een representatieve steekproef van deelnemers binnen elke specifieke doelstelling. De interne validiteit van de steekproef moet zodanig worden gegarandeerd dat de gegevens kunnen worden gegeneraliseerd op het niveau van de specifieke doelstelling.
Als minimumvereiste moeten deze gegevens worden verzameld op basis van een representatieve steekproef van deelnemers binnen elke specifieke doelstelling. De interne validiteit van de steekproef moet zodanig worden gegarandeerd dat de gegevens kunnen worden gegeneraliseerd op het niveau van de specifieke doelstelling.
________________________________
__________________________________
1 De onder de met een * aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn persoonsgegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
1 De onder de met een * aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn persoonsgegevens overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) 2016/679.
De onder de met ** aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn een bijzondere categorie van gegevens overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2016/679.
De onder de met ** aangemerkte indicatoren vermelde gegevens zijn een bijzondere categorie van gegevens overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Bijlage II
BIJLAGE II
BIJLAGE II
Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bestrijding van materiële deprivatie
Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bestrijding van materiële deprivatie
1)  Outputindicatoren
1)  Outputindicatoren
a)  Totale waarde in geld van verstrekte voedselhulp en goederen.
a)  Totale waarde in geld van verstrekte voedselhulp en goederen.
i)  totale waarde van de voedselhulp;
i)  totale waarde van de voedselhulp;
ia)  totale waarde in geld van voedselhulp voor kinderen;
ia)  totale waarde in geld van voedselhulp voor kinderen;
ib)  totale waarde in geld van voedselhulp voor daklozen;
ib)  totale waarde in geld van voedselhulp voor daklozen;
ic)  totale waarde in geld van voedselhulp voor andere doelgroepen.
ic)  totale waarde in geld van voedselhulp voor andere doelgroepen.
ii)  totale waarde van verstrekte goederen
ii)  totale waarde van verstrekte goederen
iia)  totale waarde in geld van goederen voor kinderen;
iia)  totale waarde in geld van goederen voor kinderen;
iib)  totale waarde in geld van goederen voor daklozen;
iib)  totale waarde in geld van goederen voor daklozen;
iic)  totale waarde in geld van goederen voor andere doelgroepen.
iic)  totale waarde in geld van goederen voor andere doelgroepen.
b)  Totale hoeveelheid verstrekte voedselhulp (in ton).
b)  Totale hoeveelheid verstrekte voedselhulp (in ton).
Waarvan2:
Waarvan2:
a)  aandeel levensmiddelen waarvoor alleen transport, distributie en opslag zijn betaald door het programma (in %);
a)  aandeel levensmiddelen waarvoor alleen transport, distributie en opslag zijn betaald door het programma (in %);
b)  aandeel van door het ESF+ medegefinancierde levensmiddelen in het totale volume van aan de begunstigden verstrekte levensmiddelen (in %)
b)  aandeel van door het ESF+ medegefinancierde levensmiddelen in het totale volume van aan de begunstigden verstrekte levensmiddelen (in %)
3)  Gemeenschappelijke resultaatindicatoren3
3)  Gemeenschappelijke resultaatindicatoren3
Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen
Aantal eindontvangers die voedselhulp ontvangen
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma);
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (behalve uit de Romagemeenschap);
–  Aantal deelnemers uit de Romagemeenschap;
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
Aantal eindontvangers die materiële ondersteuning ontvangen
Aantal eindontvangers die materiële ondersteuning ontvangen
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal kinderen van 18 jaar of jonger;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal jongeren in de leeftijdsgroep van 18-29 jaar;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers van 54 jaar of ouder;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal eindontvangers met een handicap;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal onderdanen van derde landen;
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (waaronder gemarginaliseerde gemeenschappen zoals de Roma);
–  Aantal eindontvangers met een buitenlandse achtergrond en minderheden (behalve uit de Romagemeenschap);
–  Aantal deelnemers uit de Romagemeenschap;
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
–  Aantal daklozen en ontvangers of eindontvangers die van de woningmarkt uitgesloten zijn.
_________________________________
_________________________________
2 Waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigden
2 Waarden voor deze indicatoren worden bepaald op basis van gefundeerde ramingen door de begunstigden
3 Ibid
3 Ibid
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Bijlage II bis (nieuw)
BIJLAGE II bis
Gemeenschappelijke indicatoren voor ESF+-ondersteuning ter bevordering van sociale inclusie van de meest behoeftigen
Outputindicatoren
1)  Totale aantal personen die steun ontvangen met het oog op sociale inclusie.
Waarvan:
a)  aantal kinderen van 15 jaar of jonger;
b)  aantal personen van 65 jaar of ouder;
c)  aantal vrouwen;
d)  aantal personen met een buitenlandse achtergrond en minderheden (behalve uit de Romagemeenschap);
e)  aantal deelnemers uit de Romagemeenschap;
f)  aantal daklozen.
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Bijlage II ter (nieuw)
BIJLAGE II ter
Indicatoren voor het onderdeel werkgelegenheid en sociale innovatie
1.  Aangegeven winst op het vlak van een beter begrip van het Uniebeleid en de Uniewetgeving
1)  Aantal analytische activiteiten;
2)  Aantal activiteiten in verband met wederzijds leren, bewustmaking en verspreiding;
3)  Steun voor de voornaamste actoren.
2.  Mate van actieve samenwerking en partnerschap tussen overheidsinstellingen van de Unie, de lidstaten en de geassocieerde landen
1)  Aantal analytische activiteiten;
2)  Aantal activiteiten in verband met wederzijds leren, bewustmaking en verspreiding;
3)  Steun voor de voornaamste actoren.
3.  Aangegeven gebruik van sociale beleidsinnovatie bij de uitvoering van sociale landspecifieke aanbevelingen en de resultaten van sociale beleidsexperimenten voor beleidsvorming
1)  Aantal analytische activiteiten;
2)  Aantal activiteiten in verband met wederzijds leren, bewustmaking en verspreiding;
3)  Steun voor de voornaamste actoren.
4.  Aantal bezoeken aan het Eures-platform
5.  Aantal in het kader van de voorbereidende actie "Je eerste Eures-baan" en van gerichte mobiliteitsregelingen verrichte of ondersteunde arbeidsbemiddelingen voor jongeren
6.  Aantal afzonderlijke persoonlijke contacten tussen Eures-adviseurs enerzijds en werkzoekenden, mensen die van baan veranderen en werkgevers anderzijds
7.  Aantal opgerichte of geconsolideerde ondernemingen die Uniesteun hebben ontvangen
8.  Aandeel van de begunstigden dat werkloos is of tot een kansarme groep behoort en dat met microfinanciering van de Unie een zaak heeft opgericht of uitgebouwd
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 2
2.  Aantal gezamenlijke klinische evaluaties van gezondheidstechnologieën
2.  Aantal begunstigden (beroepsbeoefenaars, burgers, patiënten) waarop de resultaten van het programma van invloed zijn
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 3
3.  Aantal overgedragen beste praktijken
3.  Aantal gezamenlijke klinische evaluaties van gezondheidstechnologieën
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 4
4.  Mate waarin gebruik wordt gemaakt van de resultaten van het programma in het nationale gezondheidsbeleid zoals gemeten aan de hand van een vragenlijst "voor en na".
4.  Aantal overgedragen beste praktijken
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Bijlage III – punt 4 bis (nieuw)
4 bis.   Mate waarin gebruik wordt gemaakt van de resultaten van het programma in regionale en nationale beleidsmaatregelen of instrumenten op het gebied van gezondheid zoals gemeten aan de hand van gevalideerde methoden.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 165.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 84.
(3) Dit standpunt stemt overeen met de amendementen die zijn aangenomen op 16 januari 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA-PROV(2019)0020).

Laatst bijgewerkt op: 8 april 2019Juridische mededeling