Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0106(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0398/2018

Ingediende teksten :

A8-0398/2018

Debatten :

PV 15/04/2019 - 14
CRE 15/04/2019 - 14

Stemmingen :

PV 16/04/2019 - 8.8
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0366

Aangenomen teksten
PDF 376kWORD 123k
Dinsdag 16 april 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden ***I
P8_TA-PROV(2019)0366A8-0398/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0218),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207 en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0159/2018),

–  gezien de adviezen van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 16, artikel 43, lid 2, artikel 50, artikel 53, lid 1, de artikelen 91, 100, en 114, artikel 168, lid 4, artikel 169, artikel 192, lid 1 en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 26 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2018(2),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie constitutionele zaken (A8-0398/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 405 van 9.11.2018, blz. 1.
(2) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 155.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden(1)
P8_TC1-COD(2018)0106

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16, ▌ artikel 43, lid 2, artikel 50, artikel 53, lid 1, ▌ artikel 91, artikel 100, ▌ artikel 114, artikel 168, lid 4, artikel 169, artikel 192, lid 1, ▌ en artikel 325, lid 4, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 31,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(3),

Gezien het advies van de Rekenkamer(4),

Gezien het advies van een groep van personen, aangewezen door het Wetenschappelijk en Technisch Comité uit wetenschappelijke deskundigen van de lidstaten, overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Personen die voor een overheidsorganisatie of private organisatie werken of ermee in contact staan in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving die schadelijk zijn voor het algemeen belang, en bij het beschermen van het maatschappelijk welzijn. Vaak echter weerhoudt vrees voor represailles potentiële klokkenluiders ervan melding te maken van hun bezorgdheid of vermoedens. In dit verband wordt op zowel Europees als internationaal niveau steeds meer het belang onderkend van een evenwichtige en doeltreffende bescherming van klokkenluiders.

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen en openbaarmakingen door klokkenluiders als een eerste fase van de handhaving van rechtsbepalingen en maatregelen van de Unie: zij brengen informatie over aan nationale en EU-handhavingssystemen, hetgeen leidt tot daadwerkelijke opsporing, onderzoek en vervolging van inbreuken op het Unierecht, waardoor voor meer transparantie en verantwoording wordt gezorgd.

(3)  Op bepaalde beleidsgebieden kunnen inbreuken op het Unierecht – ongeacht of ze krachtens nationaal recht zijn gekwalificeerd als bestuursrechtelijke, strafrechtelijke dan wel andere soorten inbreuken – het algemeen belang ernstig schaden, in die zin dat zij significante risico’s voor het maatschappelijk welzijn kunnen vormen. In situaties waarin op die gebieden handhavingstekortkomingen zijn geconstateerd en klokkenluiders zich meestal in een bevoorrechte positie bevinden om inbreuken te onthullen, moet de handhaving worden verbeterd door in doeltreffende, vertrouwelijke en beveiligde meldingskanalen te voorzien en door klokkenluiders effectief te beschermen tegen represailles ▌.

(4)  De bescherming van klokkenluiders loopt in de EU van lidstaat tot lidstaat uiteen en is niet op alle beleidsgebieden even goed. De gevolgen van inbreuken op het Unierecht met een grensoverschrijdende dimensie die door toedoen van klokkenluiders aan het licht zijn gekomen, illustreren dat ontoereikende bescherming in één lidstaat niet alleen negatieve gevolgen kan hebben voor de werking van het EU-beleid in die lidstaat, maar ook een weerslag kan hebben op andere lidstaten en op de Unie in haar geheel.

(5)  Daarom moeten er gemeenschappelijke minimumnormen met garanties voor een doeltreffende bescherming van klokkenluiders gelden in rechtshandelingen en beleidsgebieden waar:

i)  er behoefte is aan een krachtigere handhaving;

ii)  niet-melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving; en

iii)  inbreuken op Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

De lidstaten kunnen de toepassing van de nationale bepalingen uitbreiden tot andere gebieden om zo op nationaal niveau een breed en coherent kader te verzekeren.

(6)  Bescherming van klokkenluiders is nodig om de handhaving van de Uniewetgeving inzake overheidsopdrachten te verbeteren. Niet alleen moeten fraude en corruptie bij de uitvoering van de EU-begroting, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, worden voorkomen en opgespoord, ook moet worden gezorgd voor verbetering van de thans ontoereikende handhaving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten door nationale overheden en bepaalde openbare nutsbedrijven in het kader van de aanbesteding van goederen, werken en diensten. Inbreuken op deze regelgeving leiden tot verstoring van de mededinging, tot hogere kosten voor het bedrijfsleven, tot schending van de belangen van investeerders en aandeelhouders en tot vermindering van de aantrekkelijkheid voor investeerders en een ongelijk speelveld voor het hele Europese bedrijfsleven, en tasten derhalve het goede functioneren van de interne markt aan.

(7)  Op het gebied van financiële diensten is de meerwaarde van de bescherming van klokken­luiders al door de Uniewetgever onderkend. In de nasleep van de financiële crisis, die ernstige tekortkomingen inzake de handhaving van de betrokken regelgeving aan het licht bracht, zijn in een aanzienlijk aantal wettelijke instrumenten ter zake(6) maatregelen ter bescherming van klokkenluiders opgenomen, waaronder interne en externe meldings­kanalen, alsmede een uitdrukkelijk verbod op represailles. Met name in de context van het prudentiële kader voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen voor­ziet Richtlijn 2013/36/EU in bescherming voor klokkenluiders, die ook geldt voor Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.

(8)  Wat betreft de veiligheid van producten die op de interne markt in de handel worden gebracht, zijn ondernemingen die bij de productie- en toeleveringsketen betrokken zijn, de primaire gegevensbron, wat betekent dat meldingen van klokkenluiders een hoge toegevoegde waarde hebben, omdat zij veel dichter bij de bron van mogelijke oneerlijke en illegale praktijken met betrekking tot de productie, invoer of distributie van onveilige producten staan. Dit is een goede reden voor het beschermen van klokkenluiders in verband met de veiligheidseisen die voor "geharmoniseerde producten"(7) en "niet-geharmoniseerde producten"(8) gelden. Bescherming van klokkenluiders is ook essentieel ter voorkoming van de onttrekking aan de legale handel van vuurwapens, onderdelen en componenten ervan en munitie, alsmede defensiegerelateerde producten, door het aan­moedigen van meldingen van inbreuken zoals documentfraude, wijziging van markeringen ▌ en frauduleuze intracommunautaire verwerving van vuurwapens, die vaak impliceren dat producten aan de legale markt worden onttrokken. Omdat de bescherming van klokken­luiders bijdraagt tot de correcte toepassing van beperkingen en controles op precursoren van explosieven, helpt ze ook de illegale vervaardiging van zelfgemaakte explosieven te voorkomen.

(9)  In de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart(9) en het zeevervoer(10), die doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen bevatten, is reeds onderkend hoe belangrijk klokkenluidersbescherming is voor het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werk­nemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten "cultuur van billijkheid"). Klokkenluiders moeten worden beschermd en de bestaande elementen van die bescherming in deze twee sectoren moeten worden aangevuld en uitgebreid opdat de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk de binnenvaart, het wegvervoer en het spoorvervoer, scherper worden gehandhaafd.

(10)  Het verzamelen van bewijsmateriaal, het voorkomen, opsporen en bestrijden van milieudelicten en onwettelijke gedragingen of nalatigheden, alsmede potentiële inbreuken in verband met de bescherming van het milieu blijft een uitdaging en moet beter, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie getiteld: "EU-maatregelen om de na­leving van de milieuwetgeving en milieugovernance te verbeteren" van 18 januari 2018(11). Aangezien er momenteel slechts in één sectoraal instrument inzake milieubescherming(12) regels inzake klokkenluidersbescherming zijn opgenomen, is invoering daarvan nood­zakelijk om doeltreffende handhaving van het milieuacquis van de Unie te waarborgen, omdat inbreuken daarop het algemeen belang ▌ kunnen schaden en buiten de landsgrenzen gevolgen kunnen hebben. Dit geldt ook wanneer onveilige producten tot milieuschade kunnen leiden.

(11)  Betere klokkenluidersbescherming zou ook een preventief en afschrikkend effect hebben op inbreuken op de Euratomvoorschriften inzake nucleaire veiligheid, stralings­bescherming en verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Een betere bescherming zou ook leiden tot een krachtigere handhaving van de bepalingen van de herziene richtlijn nucleaire veiligheid(13) inzake een effectieve nucleaire veiligheidscultuur, en met name artikel 8 ter, lid 2, punt a), waarin onder meer wordt bepaald dat de bevoegde regelgevende autoriteit beheerssystemen met gepaste voorrang voor nucleaire veiligheid moet opzetten die op alle personeels- en management­niveaus bevordelijk zijn voor het vermogen kritische vragen te stellen over de deugdelijke toepassing van de toepasselijke veiligheidsbeginselen en -praktijken en tijdig over veiligheidskwesties te rapporteren.

(12)  Dezelfde overwegingen wettigen de invoering van klokkenleidersbescherming als aanvulling op de bestaande bepalingen en ter voorkoming van inbreuken op de EU-voorschriften inzake de voedselketen en in het bijzonder de veiligheid van levensmiddelen en diervoerders, alsmede inzake de gezondheid, de bescherming en het welzijn van dieren. De diverse Unievoorschriften op deze gebieden zijn onderling nauw verbonden. In Verordening (EG) nr. 178/2002(14) zijn de algemene beginselen en vereisten opgenomen die ten grondslag liggen aan alle maatregelen van de Unie en de lidstaten inzake levens­middelen en diervoeders, met een bijzonder accent op voedselveiligheid, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en de belangen van de consument op voedselgebied te waarborgen en het goede functioneren van de interne markt te verzekeren. In die verordening wordt onder meer bepaald dat exploitanten van levens­middelenbedrijven en diervoederbedrijven hun werknemers of anderen niet mogen ontmoedigen met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien daardoor een risico in verband met een levensmiddel of een diervoerder kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen. De Uniewetgever heeft op het gebied van diergezondheidswetgeving dezelfde aanpak gevolgd met Verordening (EU) 2016/429, die de regels vaststelt ter voorkoming en bestrijding van op dieren of mensen overdraagbare dierziekten(15). In Richtlijn 98/58/EG van de Raad, Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot de bescherming en het welzijn van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren tijdens het vervoer en bij de slacht.

(13)  Evenzo kunnen meldingen van klokkenluiders cruciaal zijn voor het opsporen, voorkomen, verminderen of wegnemen van risico’s voor de volksgezondheid en de bescherming van de consument die voortvloeien uit inbreuken op Unievoorschriften, en die anders onopgemerkt zouden kunnen blijven. Met name is er ook een sterk verband tussen consumentenbescherming en gevallen waarin onveilige producten tot aanzienlijke schade voor de consument kunnen leiden. ▌

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, die is verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten, is een gebied waarop klokkenluiders kunnen helpen om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang ▌ kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen(16), die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, gezondheid, vervoer, bankdiensten, enz.) voor aanbieders van belangrijke digitale diensten (zoals cloudcomputing), en voor aanbieders van basis­voorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas. Meldingen van klokkenluiders zijn op dit gebied met name waardevol ter voorkoming van beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen, en eveneens ter voorkoming van inbreuken op de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor het functioneren van de interne markt en het maatschappelijk welzijn.

(15)  Een belangrijk gebied waarop de handhaving van het Unierecht moet worden verbeterd is voorts de bescherming van de financiële belangen van de Unie, die betrekking heeft op de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere illegale activiteiten die gevolgen hebben voor de uitgaven van de Unie, de inning van de inkomsten en middelen van de Unie of de eigendommen van de Unie. Betere bescherming van de financiële belangen van de Unie omvat tevens de uitvoering van de begroting van de Unie met betrekking tot de uitgaven uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoom­energie. Gebrekkige handhaving op het gebied van de financiële belangen van de Unie, onder meer ter bestrijding van fraude en corruptie op nationaal niveau, leidt tot minder inkomsten voor de Unie en misbruik van EU-middelen, wat een verstorende invloed op overheidsinvesteringen en groei kan hebben en het vertrouwen van het publiek in EU-maatregelen kan ondermijnen. De Unie en de lidstaten moeten die activiteiten bestrijden op grond van artikel 325 VWEU. Tot de toepasselijke Uniemaatregelen in dit verband behoren met name Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, die voor de ernstigste soorten frauduleus gedrag wordt aangevuld door Richtlijn (EU) 2017/1371 en door de op grond van artikel K.3. van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1995, met inbegrip van de protocollen erbij van 27 september 1996(17), van 29 november 1996(18) en van 19 juni 1997 (de Overeenkomst en de protocollen blijven van kracht voor de lidstaten die niet gebonden zijn door Richtlijn (EU) 2017/1372 en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 (OLAF).

(16)  Met het oog op het beschermen van klokkenluiders moeten ook gemeenschappelijke minimumnormen worden bepaald voor inbreuken in verband met de interne markt als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU. Daarnaast is het overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie de bedoeling van Uniemaatregelen die gericht zijn op het tot stand brengen of het waarborgen van het functioneren van de interne markt, dat zij bijdragen tot het wegwerken van bestaande of zich aandienende obstakels voor het vrij verkeer van goederen of het vrij verrichten van diensten, of tot het wegnemen van concurrentie­verstoringen.

(17)  Het beschermen van klokkenluiders opdat de mededingingswetgeving van de Unie, onder meer inzake staatssteun, beter wordt gehandhaafd, zou het efficiënte functioneren van de markten in de Unie waarborgen, een gelijk speelveld bieden voor het bedrijfs­leven en voordelen opleveren voor de consumenten. Wat betreft de mededingings­voorschriften die op ondernemingen van toepassing zijn, is het belang van melding van misstanden door personen binnen de organisatie voor het opsporen van inbreuken op het mededingingsrecht reeds erkend in het kader van het clementiebeleid van de EU en de recente invoering door de Commissie van een tool om misstanden anoniem te melden. Inbreuken met betrekking tot mededinging en staatssteun staan in verband met de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 VWEU en de ter toepassing daarvan vastgestelde secundairrechtelijke voorschriften.

(18)  Handelingen die een inbreuk vormen op de voorschriften inzake vennootschapsbelasting en constructies die ertoe strekken een belastingvoordeel te verkrijgen en zich aan wettelijke verplichtingen te onttrekken en daarmee het doel van de toepasselijke wetgeving inzake vennootschapsbelasting teniet te doen, tasten het goede functioneren van de interne markt aan. Ze kunnen leiden tot oneerlijke belastingconcurrentie en grootschalige belasting­ontduiking, waardoor het gelijke speelveld voor ondernemingen wordt verstoord en de lidstaten en de begroting van de hele Unie belastinginkomsten mislopen. Deze richtlijn biedt melders van ontduikings- of misbruikconstructies die anders onopgemerkt zouden blijven, bescherming tegen represailles, opdat bevoegde autoriteiten er beter voor kunnen zorgen dat de interne markt correct functioneert en kunnen optreden tegen verstoringen van en belemmeringen voor de handel die het concurrentievermogen van de ondernemingen in de interne markt ondermijnen, met een direct verband met de regels voor het vrije verkeer en tevens relevant voor de toepassing van de staats­steunregels. Hoewel deze richtlijn noch inhoudelijke, noch procedurele bepalingen met betrekking tot belastingen harmoniseert, vormt de bescherming van klokkenluiders een aanvulling op recente initiatieven van de Commissie om de transparantie en de uitwisseling van informatie op fiscaal gebied te verbeteren en in de Unie een eerlijker vennootschaps­belastingklimaat tot stand te brengen, teneinde de lidstaten in staat te stellen ontduikings­constructies en of misbruikconstructies die anders mogelijk onopgemerkt zouden blijven, doeltreffender in kaart te brengen en mee te ontmoedigen.

(19)  Artikel 1, lid 1, punt a), bakent het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn af door te verwijzen naar een in de bijlage (delen I en II) vervatte lijst van Uniehandelingen. Dit betekent dat, indien die Uniehandelingen op hun beurt het materiële toepassings­gebied afbakenen door te verwijzen naar in hun bijlagen vermelde Uniehandelingen, die handelingen ook deel uitmaken van het materiële toepassingsgebied van de onder­havige richtlijn. Voorts moet de verwijzing naar de handelingen in de bijlage zodanig worden begrepen dat alle op grond van die handelingen vastgestelde uitvoerings- of gedelegeerde maatregelen van de lidstaten of de Unie eronder vallen. Daarnaast moet de verwijzing naar de Uniehandelingen in de bijlage bij deze richtlijn worden begrepen als een dynamische verwijzing, in die zin dat indien de Uniehandeling in de bijlage is of zal worden gewijzigd, de verwijzing geldt als een verwijzing naar de gewijzigde handeling; indien de Uniehandeling in de bijlage is of zal worden vervangen, geldt de verwijzing als een verwijzing naar de nieuwe handeling.

(20)  In bepaalde Uniehandelingen, met name op het gebied van financiële diensten, zoals Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik(19) en de op basis van die verordening vastgestelde Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie(20), zijn al uitvoerige voorschriften over de bescherming van klokkenluiders opgenomen. Op de toepasselijke sectoren toegesneden specifieke bepalingen in die bestaande wetgeving, inclusief de lijst in deel II van de bijlage, moeten worden behouden. Dit is met name van belang om vast te stellen welke juridische entiteiten op het gebied van financiële diensten en de preventie van witwassen en terrorismefinanciering momenteel verplicht zijn interne meldingskanalen op te zetten. Tegelijkertijd moet deze richtlijn ter wille van de consistentie en rechtszekerheid in alle lidstaten toepasselijk zijn op alle aangelegenheden die niet zijn geregeld bij sectorspecifieke instrumenten, welke door de onderhavige richt­lijn moeten worden aangevuld wat betreft die niet geregelde aangelegenheden, zodat zij volledig in overeenstemming zijn met de minimumnormen. Zo moet deze richtlijn nader bepalen hoe de interne en externe kanalen eruit moeten zien, welke verplichtingen er op de bevoegde autoriteiten moeten rusten en welke vormen van bescherming tegen represailles er op nationaal niveau moeten worden geboden. In dit verband bepaalt artikel 28, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1286/2014 dat de lidstaten op het onder die verordening vallende gebied een intern meldingskanaal moeten kunnen opzetten. Voor de consistentie met de bij deze richtlijn vastgestelde minimumnomen moet de in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn opgenomen verplichting om interne meldingskanalen op te zetten ook gelden met betrekking tot Verordening (EU) nr. 1286/2014.

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van werknemers die inbreuken op het arbeidsrecht van de Unie melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werk­nemers­vertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico’s voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegen­woordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

(22)  De lidstaten kunnen bepalen dat meldingen in verband met interpersoonlijke klachten die uitsluitend de melder aangaan, met andere woorden klachten over interpersoonlijke conflicten tussen de melder en een andere werknemer, via andere beschikbare procedures worden behandeld.

(23)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bescherming die wordt geboden door procedures voor het melden van mogelijke onwettige activiteiten, inclusief fraude of corruptie, waar­door de belangen van de Unie worden geschaad, of van gedragingen bij de uitvoering van de werkzaamheden in dienstverband die een aanwijzing vormen voor ernstig plichtsverzuim door ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie als bedoeld in de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68(21). De richtlijn is van toepassing indien EU-ambtenaren meldingen doen in een werk­gerelateerde context buiten hun arbeidsverhouding bij de EU-instellingen.

(24)  De nationale veiligheid blijft de exclusieve bevoegdheid van elke lidstaat. Deze richtlijn mag overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet van toepassing zijn op meldingen van inbreuken in verband met aanbestedingen op defensiegebied of in verband met beveiligingsaspecten indien deze onder artikel 346 VWEU vallen. Indien de lidstaten besluiten de bij deze richtlijn geregelde bescherming uit te breiden tot nog meer gebieden of handelingen die niet binnen het toepassings­gebied vallen, kunnen de lidstaten in dat verband specifieke bepalingen vaststellen ter bescherming van wezenlijke belangen van nationale veiligheid.

(25)  Deze richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan de bescherming van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. ▌ Voorts moeten de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, door de bepalingen van deze richtlijn onverlet worden gelaten.

(26)  Deze richtlijn mag overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen afbreuk doen aan de bescherming van de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaat en cliënt ("professioneel verschoningsrecht"), die is geregeld bij nationaal en, waar toepasselijk, Unierecht. Voorts moet de bij nationaal en Unierecht neergelegde verplichting om communicatie van aanbieders van gezondheids­zorg, waaronder therapeuten, met hun patiënten vertrouwelijk te houden ("medische privacy"), door deze richtlijn onverlet worden gelaten.

(27)  Beoefenaren van andere beroepen kunnen in aanmerking komen voor bescherming op grond van deze richtlijn wanneer zij informatie melden die is beschermd door de toepasselijke beroepsregels, op voorwaarde dat het melden van die informatie nodig is voor het onthullen van een onder deze richtlijn vallende inbreuk.

(28)  Hoewel deze richtlijn in bepaalde omstandigheden een beperkte vrijstelling biedt van aansprakelijkheid, ook strafrechtelijke aansprakelijkheid, in geval van schending van de vertrouwelijkheidsplicht, doet zij geen afbreuk aan nationale strafprocedureregels, en met name niet aan de regels die de integriteit van het onderzoek en de procedure of de rechten van de verdediging van de betrokken personen moeten waarborgen. Dit geldt onverminderd de invoering van beschermingsmaatregelen in andere soorten nationaal procedurerecht, met name de omkering van de bewijslast in nationale bestuurs­rechtelijke, civielrechtelijke of arbeidsrechtelijke procedures.

(29)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de nationale regelgeving betreffende de uitoefening van de rechten van werknemersvertegenwoordigers op informatie, raadpleging en deelname aan collectieve onderhandelingen en hun verdediging van de arbeidsrechten van werknemers. Dit geldt onverminderd het bij deze richtlijn verleende beschermingsniveau.

(30)  Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op gevallen waarin personen die, op basis van hun op informatie gebaseerde toestemming, zijn vermeld als informanten of als dusdanig zijn geregistreerd in databanken die worden beheerd door de op nationaal niveau aangewezen autoriteiten, zoals douaneautoriteiten, tegen betaling of vergoeding inbreuken melden aan handhavingsinstanties. Dergelijke meldingen worden gedaan in het kader van specifieke procedures die de anonimiteit van de melders garanderen opdat hun lichamelijke integriteit beschermd is, en die verschillend zijn van de bij deze richtlijn geregelde meldingskanalen.

(31)  Personen die in de context van hun werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over dreigingen of schade voor het algemeen belang melden, maken gebruik van hun vrijheid van meningsuiting. Het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie, verankerd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omvat het recht om inlichtingen te ontvangen en te verstrekken, alsmede vrijheid en pluralisme van de media.

(32)  Deze verordening stoelt dan ook op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het recht op vrijheid van meningsuiting en de beginselen die op basis daarvan door de Raad van Europa zijn uitgewerkt in de aanbeveling van 2014 over de bescherming van klokkenluiders(22).

(33)  Om bescherming te genieten, moeten de melders, in het licht van de omstandigheden en de informatie waarover zij ten tijde van de melding beschikken, redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de door hen gemelde zaken op waarheid berusten. Dit is een essentiële voorzorgsmaatregel tegen kwaadwillige, lichtzinnige of oneerlijke meldingen, die ervoor zorgt dat wie opzettelijk en bewust onjuiste of misleidende informatie meldt, geen bescherming geniet. Tegelijk wordt er zo voor gezorgd dat de bescherming niet verloren gaat als de melder te goeder trouw een onjuiste melding heeft gedaan. Evenzo zouden melders in aanmerking moeten komen voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt. De motivering van de melder voor de melding moet losstaan van de vraag of hij al dan niet bescherming moet krijgen.

(34)  Doorgaans voelen melders zich beter bij interne melding, tenzij zij redenen voor externe melding hebben. Uit empirisch onderzoek blijkt dat het merendeel van de klokkenluiders geneigd is interne meldingen te doen binnen de organisatie waar zij werken. Interne meldingen zijn ook de beste manier om informatie te verschaffen aan de personen die kunnen helpen om de risico's voor het algemeen belang snel en doeltreffend af te wenden. Tegelijkertijd moet de melder het meest geschikte kanaal kunnen kiezen naargelang de individuele omstandigheden van het geval. Voorts moeten openbaar­makingen, gezien de democratische beginselen zoals transparantie en verantwoordings­plicht en grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting en vrijheid van de media, worden beschermd en moet het belang van werkgevers om hun organisaties te besturen en hun belangen te beschermen worden afgewogen tegen het belang van het publiek om te worden beschermd tegen schade, overeenkomstig de in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

(35)  Onverminderd de uit hoofde van Unierecht bestaande verplichtingen om anonieme meldingen mogelijk te maken, is het aan de lidstaten om te beslissen of private en overheidsentiteiten en bevoegde autoriteiten de anonieme meldingen van onder deze richtlijn vallende inbreuken moeten aanvaarden en afhandelen. Wel moeten personen die anonieme meldingen of openbaarmakingen hebben verricht die onder deze richtlijn vallen en voldoen aan de voorwaarden ervan, bescherming krachtens deze richtlijn genieten indien zij later worden geïdentificeerd en er tegen hen represailles worden genomen.

(36)  In gevallen waarin personen overeenkomstig Uniewetgeving meldingen doen aan instellingen, organen of instanties van de Unie, bijvoorbeeld in de context van fraude tegen de Uniebegroting, moet bescherming worden verleend.

(37)  Personen hebben specifieke juridische bescherming nodig als zij de informatie die zij melden, via hun werkgerelateerde activiteiten hebben verkregen en als gevolg daarvan in hun werkomgeving het risico lopen op represailles, bijvoorbeeld wegens schending van de geheimhoudingsplicht of loyaliteitsplicht. De reden die ten grondslag ligt aan het bieden van bescherming is dat die personen economisch kwetsbaar zijn ten opzichte van de persoon van wie zij de facto afhankelijk zijn voor hun werk. Indien er geen sprake is van een dergelijke werkgerelateerde machtsongelijkheid (bijvoorbeeld bij gewone klagers of burgers die getuige zijn van een misstand), is bescherming tegen represailles niet nodig.

(38)  Voor een doeltreffende handhaving van het Unierecht moet bescherming worden geboden aan zo veel mogelijk categorieën personen die, ongeacht of zij EU-burgers of onderdanen van een derde land zijn, in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten (ongeacht de aard van de activiteiten en of zij al dan niet bezoldigd zijn) bevoorrechte toegang hebben tot informatie over inbreuken waarvan de melding in het algemeen belang is, en die aan represailles blootstaan als zij die inbreuken melden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de noodzaak van bescherming wordt bepaald aan de hand van alle relevante omstandig­heden en niet uitsluitend op basis van de aard van de werkgerelateerde verhouding, zodat de bescherming alle personen dekt die in ruime zin in verband staan met de organisatie waar de inbreuk heeft plaatsgevonden.

(39)  De bescherming dient in de eerste plaats te gelden voor personen die de status van "werknemer" hebben in de zin van artikel 45, lid 1, VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie , dat wil zeggen een persoon die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties verricht en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Hieronder vallen ook ambtenaren. Ook moet bescherming worden geboden aan werknemers in een atypische arbeidsverhouding, zoals deeltijd­werkers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, alsmede personen die een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met een uitzendbureau hebben, of in precaire arbeidsverhoudingen waarop de standaardvormen van bescherming tegen oneerlijke behandeling vaak moeilijk toe te passen zijn.

(40)  De bescherming moet tevens gelden voor andere categorieën natuurlijke personen ▌ die – ook al zijn zij geen "werknemer" in de zin van artikel 45, lid 1, VWEU – een belangrijke rol kunnen spelen bij het onthullen van inbreuken op het recht en economisch kwetsbaar kunnen zijn in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten. Zo staan op gebieden als productveiligheid leveranciers bijvoorbeeld veel dichter bij de bron van mogelijke oneerlijke en illegale praktijken inzake de productie, invoer of distributie van onveilige producten en zijn wat de besteding van middelen van de Unie betreft, consultants door hun dienstverlening bij uitstek in staat om de aandacht te vestigen op inbreuken waarvan zij getuige zijn. Die categorieën personen, met inbegrip van zelfstandige dienstaanbieders, freelancers, aannemers, onderaannemers en leveranciers, krijgen vaak te maken met represailles, die bijvoorbeeld de vorm aannemen van vervroegde beëindiging of opzegging van dienstenovereenkomsten, vergunningen of machtigingen, omzetderving, inkomstenderving, dwang, intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst/bedrijfs­boycot of reputatieschade. Ook aandeelhouders en personen in leidinggevende organen kunnen te maken krijgen met represailles, bijvoorbeeld in financieel opzicht of in de vorm van intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst of reputatieschade. Bescherming moet ook worden geboden aan personen wier arbeidsverhouding is beëindigd en aan kandidaten voor een baan of voor dienstverrichting voor een organisatie die tijdens de wervingsprocedure of in een andere fase van precontractuele onderhandelingen informatie over inbreuken op het recht hebben verkregen en die met represailles te maken kunnen krijgen in de vorm van negatieve arbeidsreferenties of opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot.

(41)  Doeltreffende klokkenluidersbescherming betekent ook dat bescherming nodig is voor nog meer categorieën personen die weliswaar niet economisch afhankelijk zijn van hun werk­gerelateerde activiteiten, maar niettemin te maken kunnen krijgen met represailles als gevolg van het onthullen van inbreuken. Represailles jegens vrijwilligers en bezoldigde of onbezoldigde stagiairs kunnen erin bestaan dat geen gebruik meer wordt gemaakt van hun diensten, voor toekomstige banen een negatieve referentie wordt afgegeven of hun reputatie of loopbaanvooruitzichten anderszins worden geschaad.

(42)  Doeltreffende opsporing en preventie van ernstige schade voor het algemeen belang vereist dat het begrip "inbreuk" ook misbruik als omschreven door de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie omvat, namelijk handelingen of nalatigheden die formeel niet onwettig lijken, doch het doel of de toepassing van de wet tenietdoen.

(43)  Opdat inbreuken op het Unierecht effectief worden voorkomen, moet bescherming worden ▌ verleend aan personen die informatie verstrekken die nodig is voor het onthullen van inbreuken die reeds hebben plaatsgevonden, inbreuken die zich nog niet hebben voor­gedaan, maar die zich zeer waarschijnlijk zullen voordoen, of handelingen of nalatig­heden die de melder redelijkerwijs kan beschouwen als inbreuken op het Unierecht, alsmede pogingen om inbreuken te verbergen. Om dezelfde redenen is bescherming ookgerechtvaardigd voor personen die geen positief bewijs aandragen, maar redelijke bedenkingen of vermoedens kenbaar maken. Bescherming is echter niet nodig in verband met de melding van informatie die reeds ten volle tot het publieke domein behoort of van onbewezen geruchten en verhalen.

(44)  Van represailles is sprake als er een nauw (oorzakelijk) verband bestaat tussen de melding en de nadelige behandeling die de melder direct of indirect ten deel valt en op grond waarvan deze persoon voor rechtsbescherming in aanmerking komt. Doeltreffende bescherming van melders met het oog op betere handhaving van het Unierecht vereist een ruime definitie van represaille, die elke voor de melder nadelige handeling of nalatigheid binnen een werkgerelateerde context omvat. Deze richtlijn belet werkgevers niet werkgerelateerde besluiten te nemen die losstaan van de melding of openbaarmaking.

(45)  Bescherming tegen represailles moet, als middel ter bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, zowel worden geboden aan personen die informatie over handelingen of nalatigheden melden binnen een organisatie (interne melding) of aan een externe instantie (externe melding) als aan personen die dergelijke informatie door openbaarmaking in het publieke domein brengen (bijvoorbeeld door deze direct ter beschikking van het publiek te stellen via internetplatforms of sociale media, of van de media, gekozen afgevaardigden, maatschappelijke organisaties, vakbonden en beroeps-/bedrijfsorganisaties).

(46)  Klokkenluiders zijn met name een belangrijke bron voor onderzoeksjournalisten. Een doeltreffende bescherming van klokkenluiders tegen represailles vergroot de rechts­zekerheid van (potentiële) klokkenluiders en stimuleert en faciliteert daardoor klokken­luiden in de media. In dit verband is de bescherming van klokkenluiders als journalistieke bron van cruciaal belang om te waarborgen dat onderzoeksjournalistiek in democratische samenlevingen haar rol van waakhond kan vervullen.

(47)  Voor een doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht is het van vitaal belang dat de relevante informatie snel degenen bereikt die het dichtst bij de bron van het probleem staan, het best in staat zijn om onderzoek te verrichten en de bevoegd­heid hebben om het probleem aan te pakken, indien mogelijk. In beginsel moeten melders daarom worden aangemoedigd eerst gebruik te maken van de interne kanalen en melding te doen aan hun werkgever, mits zij dergelijke kanalen ter beschikking hebben en redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze goed functioneren. Dit geldt met name indien de melders menen dat de inbreuk doeltreffend kan worden aangepakt binnen de organisatie in kwestie, en dat er geen risico op represailles bestaat. Dit betekent dat juridische entiteiten in de private en de publieke sector moeten worden aangemoedigd om passende interne procedures op te zetten voor het ontvangen en afhandelen van meldingen. Deze aanmoediging betreft ook gevallen waarin deze kanalen al tot stand zijn gebracht zonder dat hiertoe een verplichting bestond bij Unie- of nationale wet­geving. Dit beginsel moet bijdragen tot een cultuur van gedegen communicatie en maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij melders worden geacht in aanzienlijke mate bij te dragen tot zelfverbetering en uitmuntendheid.

(48)  Voor juridische entiteiten in de private sector moet de verplichting tot het opzetten van interne kanalen in verhouding staan tot hun omvang en tot het risiconiveau van hun activiteiten uit het oogpunt van het algemeen belang. Ze moet gelden voor alle onder­nemingen met 50 of meer werknemers, ongeacht de aard van hun activiteiten, op basis van hun verplichting btw te innen. Na een passende risicobeoordeling kunnen de lidstaten in specifieke gevallen eisen dat ook andere ondernemingen kanalen voor interne melding opzetten (bv. wegens de significante risico’s die mogelijk uit hun activiteiten voortvloeien).

(49)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de lidstaten om private entiteiten met minder dan 50 werknemers aan te moedigen interne kanalen voor melding en afhandeling op te zetten, onder meer door voor die kanalen minder dwingende voor­schriften vast te stellen dan die van artikel 5, mits die voorschriften vertrouwelijkheid en gedegen afhandeling van de melding garanderen.

(50)  De vrijstelling voor kleine en micro-ondernemingen van de verplichting om interne meldingskanalen op te zetten mag niet gelden voor private ondernemingen die momenteel bij in deel I.B en deel II van de bijlage vermelde Uniehandelingen verplicht zijn om in interne meldingskanalen te voorzien.

(51)  Het moet duidelijk zijn dat in het geval van private juridische entiteiten die niet voorzien in interne meldingskanalen, melders meldingen rechtstreeks extern aan de bevoegde autoriteiten moeten kunnen richten en dat deze personen de bescherming tegen represailles moeten genieten waarin deze richtlijn voorziet.

(52)  Om met name te waarborgen dat de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten worden nageleefd, moet de verplichting om interne meldingskanalen op te zetten gelden voor alle publieke juridische entiteiten – op lokaal, regionaal en nationaal niveau – en in verhouding staan tot hun grootte.

(53)  Gesteld dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder wordt verzekerd, staat het elke afzonderlijke private of publieke juridische entiteit vrij om te bepalen wat voor meldingskanalen worden opgezet. Meer bepaald moeten zij voorzien in de mogelijkheid van schriftelijke meldingen per post, via fysieke klachtenbus(sen), door middel van een online platform (intranet of internet) en/of mondelinge meldingen via een speciaal telefoonnummer of via een andere gesproken berichtendienst. Die kanalen moeten ook de mogelijkheid bieden dat op verzoek van de melder binnen een redelijke termijn een persoonlijke ontmoeting plaatsvindt.

(54)  Ook kunnen derden worden gemachtigd om namens private en publieke entiteiten meldingen te ontvangen, mits zij passende waarborgen bieden wat betreft de eerbiediging van de onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en geheimhouding. Hierbij kan worden gedacht aan aanbieders van platformen voor externe melding, externe raadslieden, auditors, vakbondsvertegenwoordigers of werknemersvertegenwoordigers.

(55)  Onverminderd de bescherming die vakbondsvertegenwoordigers of werknemers­vertegenwoordigers als zodanig genieten bij Unie- en nationale regelgeving, moeten zij, zowel wanneer zij in hun hoedanigheid van werknemer meldingen doen als wanneer zij de melder advies en steun hebben verleend, onder de bij de deze richtlijn geregelde bescherming vallen.

(56)  De internemeldingsprocedures moeten het mogelijk maken dat private juridische entiteiten onder strikte vertrouwelijkheid meldingen ontvangen en onderzoeken van werknemers van de entiteit en van dochterondernemingen of verbonden ondernemingen van dezelfde entiteit (de groep), maar ook, voor zover mogelijk, van de gevolmachtigden en leveranciers van de groep, en ieder ander die via zijn werkgerelateerde activiteiten met betrekking tot de entiteit en de groep informatie verkrijgt.

(57)  Welke personen of afdelingen binnen een particuliere juridische entiteit het meest geschikt zijn om te worden aangewezen als bevoegd voor het ontvangen en afhandelen van meldingen, hangt af van de structuur van de entiteit, maar hun functie moet in elk geval waarborgen dat zij onafhankelijk zijn en geen belangenconflicten hebben. In kleinere entiteiten kan deze functie worden uitgeoefend als nevenfunctie van een stafmedewerker die in een goede positie verkeert om direct melding te doen aan het hoofd van de organisatie, zoals een hoofd naleving of personeelszaken, een integriteitsmedewerker, een jurist of privacymedewerker, een financieel directeur, een directeur audit of een lid van de raad van bestuur.

(58)  In het kader van interne melding is het, teneinde vertrouwen op te bouwen in het algehele systeem voor klokkenluidersbescherming, essentieel dat de melder zo veel als wettelijk mogelijk is en zo alomvattend mogelijk wordt geïnformeerd over de afhandeling van de melding, en dit zal de kans op latere onnodige meldingen of openbaarmakingen verminderen. De melder moet binnen een redelijke termijn worden geïnformeerd over de naar aanleiding van de melding te nemen of reeds genomen maatregelen en de redenen ervoor (bijvoorbeeld doorverwijzing naar andere kanalen of procedures in geval van meldingen die uitsluitend de individuele rechten van de melder betreffen, afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een intern onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken, doorverwijzing naar een bevoegde autoriteit voor verder onderzoek), mits die informatie geen afbreuk doet aan het vooronderzoek of het onderzoek of de rechten van de betrokkene schaadt. In alle gevallen moet de melder in kennis worden gesteld van de voortgang en het resultaat van het onderzoek. In de loop van het onderzoek kan hem worden gevraagd nog meer informatie te verstrekken, zij het zonder dat hij daartoe is verplicht.

(59)  Die redelijke termijn mag in totaal hoogstens drie maanden bedragen. Als nog niet vaststaat hoe de melding moet worden afgehandeld, moet de melder hierover worden geïnformeerd, alsmede over eventuele verdere feedback die hij mag verwachten.

(60)  Personen die overwegen inbreuken op het Unierecht te melden, moeten met kennis van zaken kunnen beslissen of, hoe en wanneer zij tot melding overgaan. Private en publieke entiteiten die over internemeldingsprocedures beschikken, dienen informatie te verstrekken over deze procedures alsmede over de procedures voor externe melding aan de bevoegde autoriteiten. Deze informatie moet gemakkelijk te begrijpen en eenvoudig toegankelijk zijn, ook, voor zover mogelijk, voor personen die geen werknemer zijn, maar door hun werkgerelateerde activiteiten met de entiteit in contact komen, zoals dienstaanbieders, distributeurs, leveranciers en zakenpartners. Zij kan bijvoorbeeld worden geplaatst op een zichtbare locatie die toegankelijk is voor al deze personen en op de website van de entiteit, en kan ook worden opgenomen in cursussen en opleidingen over ethiek en integriteit.

(61)  Doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht vereist dat potentiële klokkenluiders gemakkelijk en onder strikte vertrouwelijkheid de informatie waarover zij beschikken onder de aandacht kunnen brengen van de bevoegde autoriteiten die in staat zijn om het probleem te onderzoeken en aan te pakken, indien mogelijk.

(62)   Het is mogelijk dat interne kanalen niet bestaan of niet naar behoren functioneerden (de melding is bijvoorbeeld niet zorgvuldig of binnen een redelijke termijn behandeld, of er is geen passende actie ondernomen om de inbreuk op het recht aan te pakken, ondanks de bevestigende resultaten van het onderzoek).

(63)  In andere gevallen kon niet redelijkerwijs worden verwacht dat het gebruik van interne kanalen naar behoren zou functioneren. Dit is met name het geval wanneer de melders geldige redenen hebben om aan te nemen i) dat zij in verband met de melding represailles te verduren zouden krijgen, onder meer wegens schending van hun geheim­houdingsplicht, en ii) dat de bevoegde autoriteiten in een betere positie verkeren om doeltreffende actie te ondernemen om de inbreuk aan te pakken omdat, bijvoorbeeld omdat de uiteindelijk verantwoordelijke binnen de werkgerelateerde context betrokken is bij de inbreuk of er een risico bestaat dat de inbreuk of bewijzen daarvan mogelijk verborgen of vernietigd zijn, of meer in het algemeen omdat de doeltreffendheid van de onderzoeksmaatregelen van de bevoegde autoriteiten anders in het gedrang zou kunnen komen (bijvoorbeeld bij meldingen over kartelafspraken en andere inbreuken op de mededingingsregels) of omdat de inbreuk noopt tot dringend optreden om het leven, de gezondheid en veiligheid van personen veilig te stellen of om het milieu te beschermen. In alle gevallen moeten personen die een externe melding richten tot de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, tot instellingen, organen of instanties van de Unie, worden beschermd. Deze richtlijn biedt ook bescherming indien de melders bij Unie- of nationale wetgeving verplicht zijn meldingen te richten aan de bevoegde nationale autoriteiten, bijvoorbeeld in het kader van de taken en verantwoordelijkheden die bij hun dienstverband horen of omdat de inbreuk een strafbaar feit is.

(64)  Gebrek aan vertrouwen in de doeltreffendheid van een melding is een van de belangrijkste factoren die potentiële klokkenluiders afschrikken. Daarom moet er op de bevoegde autoriteiten een duidelijke verplichting rusten om passende externe meldingskanalen op te zetten, de ontvangen meldingen zorgvuldig op te volgen en de melders binnen een redelijke termijn feedback te geven .

(65)  Het is aan de lidstaten om vast te stellen welke autoriteiten bevoegd zijn om meldingen over binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken te ontvangen en die op gepaste wijze op te volgen. Die bevoegde autoriteiten kunnen gerechtelijke autoriteiten zijn, regelgevende of toezichthoudende instanties die bevoegd zijn voor de specifieke gebieden in kwestie, of meer algemeen bevoegde autoriteiten op het niveau van de centrale overheid, rechtshandhavingsinstanties, corruptiebestrijdingsinstanties of ombudsmannen.

(66)  Als ontvangers van meldingen moeten de als bevoegd aangewezen autoriteiten beschikken over de nodige capaciteiten en bevoegdheden voor een gepaste afhandeling – onder meer beoordelen hoe nauwkeurig de beweringen in de melding zijn en reageren op de gemelde inbreuken door het opstarten van een intern vooronderzoek of een onderzoek of vervolging of het aanspannen van een geding met het oog op het terugvorderen van middelen of het treffen van andere gepaste herstelmaatregelen overeenkomstig hun mandaat, of moeten zij de nodige bevoegdheden hebben om de melding door te verwijzen naar een andere autoriteit die de gemelde inbreuk moet onderzoeken, zodat die autoriteit voor een gepaste follow-up zorgt. Met name indien lidstaten externe kanalen willen opzetten in het kader van hun centrale niveau, bijvoorbeeld op het gebied van staatssteun, moeten zij voorzien in passende waarborgen opdat wordt voldaan aan de vereisten van deze richtlijn inzake onafhankelijkheid en autonomie. Het opzetten van die externe kanalen laat de toezichts­bevoegdheden van de lidstaten of van de Commissie inzake staatssteun onverlet, en deze richtlijn doet geen afbreuk aan de exclusieve bevoegdheid van de Commissie met betrekking tot de verenigbaarheid van staatssteunmaatregelen, met name op grond van artikel 107, lid 3, VWEU. In verband met inbreuken op artikel 101 en 102 VWEU, moeten de lidstaten de in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 vermelde autoriteiten aanwijzen als bevoegde autoriteiten, zulks onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op dit gebied.

(67)  De bevoegde autoriteiten moeten de melders ook feedback geven over de naar aanleiding van de melding te nemen of genomen maatregelen (bijvoorbeeld doorverwijzing naar een andere autoriteit, afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken), alsmede over de gronden voor de afhandeling. Communicatie over het uiteindelijke resultaat van het onderzoek mag geen afbreuk doen aan de toepasselijke Unieregels, die mogelijke beperkingen op de bekend­making van besluiten op het gebied van financiële regulering bevatten. Dit moet van dienovereenkomstige toepassing zijn op het gebied van vennootschapsbelastingen, indien de toepasselijke nationale wetgeving vergelijkbare beperkingen bevat.

(68)  De afhandeling en de feedback moeten binnen een redelijke termijn plaatsvinden; dit is noodzakelijk om het probleem waarop de melding wellicht betrekking heeft, snel aan te pakken en onnodige openbaarmaking te voorkomen. De betrokken termijn mag niet langer zijn dan drie maanden, maar kan tot zes maanden worden verlengd als de specifieke omstandigheden van een zaak hiertoe nopen, zoals met name de aard en complexiteit van het voorwerp van de melding, die een langdurig onderzoek kunnen vereisen.

(69)  Het Unierecht voorziet op specifieke gebieden, zoals marktmisbruik(23), burgerluchtvaart(24) of de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten(25) al in het opzetten van interne en externe meldingskanalen. Wat betreft de in deze richtlijn vervatte verplichting om dergelijke kanalen op te zetten, dient zo veel mogelijk te worden voortgebouwd op de kanalen waarin op grond van specifieke handelingen van de Unie al is voorzien.

(70)  De Europese Commissie, alsmede bepaalde organen en instanties van de Unie, zoals het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), beschikken over externe kanalen en procedures voor het ontvangen van meldingen over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen; deze kanalen en procedure voorzien hoofdzakelijk in vertrouwelijkheid van de identiteit van de melders. Deze richtlijn laat die eventueel bestaande externe meldings­kanalen en procedures onverlet, maar zorgt ervoor dat personen die melding maken bij deze instellingen, organen en instanties van de Unie, in de hele Unie profiteren van gemeenschappelijke minimumnormen voor bescherming.

(71)  Opdat de procedures voor het afhandelen van meldingen en de reactie op inbreuken van de betrokken Unieregels effect sorteren, moeten de lidstaten maatregelen kunnen nemen om de bevoegde autoriteiten te ontlasten van de meldingen over inbreuken van geringe betekenis op onder deze richtlijn vallende bepalingen, herhaaldelijke meldingen of meldingen over inbreuken op bijkomstige bepalingen (bijvoorbeeld bepalingen over documentatie- of kennisgevingsverplichtingen). Die maatregelen kunnen behelzen dat bevoegde autoriteiten, na de aangelegenheid naar behoren te hebben beoordeeld, in staat worden gesteld te besluiten dat een gemelde inbreuk duidelijk van geringe betekenis is geen nadere vervolgmaatregelen krachtens deze richtlijn vereisen. De lidstaten kunnen ook toestaan dat bevoegde autoriteiten de procedure afsluiten bij herhaaldelijke meldingen waarvan de inhoud geen nieuwe informatie van betekenis bevat ten opzichte van een eerdere melding waarvan de behandeling reeds is afgesloten, tenzij nieuwe wettelijke of feitelijke omstandigheden een andere afhandeling recht­vaardigen. Voorts kunnen de lidstaten de bevoegde autoriteiten toestaan om meldingen van ernstige inbreuken of inbreuken op essentiële onder deze richtlijn vallende bepalingen prioritair te behandelen bij een hoge instroom van meldingen.

(72)  Indien het nationale recht of het Unierecht hierin voorziet, moeten de bevoegde autoriteiten zaken of relevante informatie doorverwijzen naar de instellingen, organen of instanties van de Unie, waaronder – voor de doeleinden van deze richtlijn – het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Europees Openbaar Ministerie (EPPO), onverminderd de mogelijkheid voor de melder om zich direct tot die organen of instanties van de Unie te wenden.

(73)  Op tal van onder deze richtlijn vallende beleidsgebieden maken nationale bevoegde autoriteiten gebruik van samenwerkingsregelingen om informatie uit te wisselen en vervolgactiviteiten te verrichten in verband met inbreuken op Unieregels met een grensoverschrijdende dimensie. Voorbeelden zijn onder meer het mechanisme voor administratieve bijstand en samenwerking in gevallen van grensoverschrijdende schendingen van de Uniewetgeving inzake de agrovoedingsketen en het netwerk voedselfraude, het systeem voor snelle uitwisseling van informatie over gevaarlijke non-foodproducten, het Netwerk voor samenwerking inzake consumentenbescherming, het netwerk voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving, het Europees mededingingsnetwerk, en de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten die bestaande samenwerkingsregelingen waar toepasselijk ten volle benutten in het kader van hun verplichting om meldingen in verband met onder deze richtlijn vallende inbreuken op te volgen. Daarnaast kunnen de autoriteiten van de lidstaten in gevallen van inbreuken met een grensoverschrijdende dimensie op gebieden zonder samenwerkingsregelingen ook samenwerken buiten de bestaande samenwerkingsregelingen.

(74)  Opdat doeltreffend kan worden gecommuniceerd met personeel dat belast is met het behandelen van meldingen, moeten de bevoegde autoriteiten beschikken over en gebruik maken van gebruiksvriendelijke kanalen die beveiligd zijn, vertrouwelijkheid waarborgen bij het ontvangen en behandelen van door de melder verstrekte informatie en de mogelijkheid bieden duurzame informatie op te slaan zodat die nader kan worden onderzocht. Daarvoor kan het nodig zijn deze kanalen los te koppelen van de algemene kanalen waarlangs de bevoegde autoriteiten met het publiek communiceren, zoals normale systemen voor klachten van het publiek of kanalen waarlangs de bevoegde autoriteit volgens de gewone gang van zaken intern en met derden communiceert.

(75)  De personeelsleden die zijn belast met het behandelen van meldingen, moeten professioneel zijn opgeleid, onder meer op het gebied van de toepasselijke gegevens­beschermingsvoorschriften, ▌ zodat zij meldingen kunnen behandelen, de communicatie met de melder kunnen waarborgen en de melding op gepaste wijze kunnen afhandelen.

(76)  Personen die het voornemen hebben iets te melden, moeten met kennis van zaken kunnen beslissen of, hoe en wanneer zij tot melding overgaan. De bevoegde autoriteiten moeten informatie over de beschikbare kanalen voor melding aan de bevoegde autoriteiten, over de toepasselijke procedures en over de gespecialiseerde personeelsleden die binnen deze autoriteiten met het behandelen van meldingen zijn belast, dan ook openbaar en eenvoudig toegankelijk maken. Alle informatie over meldingen moet transparant, eenvoudig te begrijpen en betrouwbaar zijn, teneinde melding te bevorderen en niet te ontmoedigen.

(77)  De lidstaten dienen er zorg voor te dragen dat de bevoegde autoriteiten beschikken over toereikende beschermingsprocedures voor de verwerking van meldingen van inbreuken en voor de bescherming van de persoonsgegevens van de personen naar wie in de melding wordt verwezen. Die procedures moeten waarborgen dat de identiteit van elke melder, betrokkene en derde die in de melding wordt vermeld (zoals getuigen of collega’s), in elke fase van de procedure wordt beschermd. ▌

(78)  Met de behandeling van meldingen belast personeel van de bevoegde autoriteit en personeelsleden van de bevoegde autoriteit die worden gemachtigd tot raadpleging van de informatie die een melder aan de bevoegde autoriteit heeft verstrekt, moeten zich houden aan het beroepsgeheim en ▌ vertrouwelijkheid wanneer zij de gegevens doorgeven, zowel binnen als buiten de bevoegde autoriteit, ook wanneer de bevoegde autoriteit een onderzoek of een vooronderzoek start of tot handhavingsmaatregelen overgaat in verband met de melding van inbreuken.

(79)  Door middel van regelmatige evaluatie van de procedures van de bevoegde autoriteiten en de uitwisseling van goede praktijken tussen deze autoriteiten moet worden gewaarborgd dat deze procedures toereikend zijn en derhalve hun doel vervullen.

(80)  Personen die ▌ overgaan tot een openbaarmaking moeten in aanmerking komen voor bescherming in gevallen waarin er in weerwil van de intern en/of extern gemaakte melding geen reactie komt op een inbreuk, bijvoorbeeld in gevallen waarin die personen geldige redenen hebben om aan te nemen dat de inbreuk niet (op gepaste wijze) is beoordeeld of onderzocht, of er geen gepaste herstelmaatregelen zijn genomen. Of de afhandeling gepast is, moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria die in verband staan met de verplichting van de bevoegde autoriteiten om na te gaan of de beweringen juist zijn en een einde te maken aan eventuele inbreuken op Unierecht. De beoordeling zal dus afhankelijk zijn van de omstandigheden van elk geval en de aard van de regels waarop een inbreuk is gepleegd. Met name indien de autoriteiten besluiten dat een inbreuk duidelijk van geringe betekenis was en geen afhandeling vereist, kan dit op grond van deze richtlijn worden beschouwd als een gepaste afhandeling.

(81)  Personen die direct overgaan tot een openbaarmaking, moeten ook voor bescherming in aanmerking komen in gevallen waarin zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat er sprake is van een dreigend of kennelijk gevaar voor het algemeen belang of een risico op onherstelbare schade, waaronder ▌ fysiek letsel.

(82)  Evenzo moeten die personen voor bescherming in aanmerking komen indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat er een risico op represailles bestaat bij meldingen via een extern kanaal, dat de kans gering is dat er doeltreffend wordt gereageerd op de inbreuk, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, omdat er bijvoorbeeld bewijsmateriaal wordt achtergehouden of vernietigd, of dat een autoriteit handelt in verstandhouding met de pleger van de inbreuk of met iemand die daarbij betrokken is.

(83)  Voor het voorkomen van represailles is het een essentiële voorzorgsmaatregel dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder tijdens het meldingsproces en het vervolgonderzoek wordt gewaarborgd. De identiteit van de melder mag uitsluitend worden bekendgemaakt indien daartoe een noodzakelijke en evenredige verplichting krachtens het Unierecht of het nationale recht bestaat in de context van het onderzoek door de autoriteiten of van gerechtelijke procedures, met name ter waarborging van de rechten van verdediging van de betrokkenen. Die verplichting kan met name voort­vloeien uit Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures. De bescherming van de vertrouwelijkheid moet niet gelden indien de melder zijn identiteit bij een openbaarmaking bewust heeft vrijgegeven.

(84)  Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, met inbegrip van de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680(26), en elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten op het niveau van de Unie dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EG) nr. 45/2001(27). Met name dient rekening te worden gehouden met de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens vervat in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 4 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 45/2001, en met het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen vervat in artikel 25 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 20 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel XX van Verordening (EU) nr. 2018/XX tot intrekking van Verordening (EU) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG.

(85)  Indien de in deze richtlijn vervatte procedures in verband met de afhandeling van meldingen over inbreuken op het Unierecht op de eronder vallende gebieden effect sorteren, vervult dit een belangrijke doelstelling van algemeen belang van de Unie en van de lidstaten in de zin van artikel 23, lid 1, punt e) van Verordening (EU) 2016/679, aangezien daarmee wordt gestreefd naar een betere handhaving van Uniewetgeving en -maatregelen op specifieke gebieden waar inbreuken het algemeen belang ernstig kunnen schaden. De vertrouwelijkheid van de identiteit van de melders moet doeltreffend worden beschermd om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, met name de rechten en vrijheden van de melders, zoals bepaald krachtens artikel 23, lid 1, punt i) van Verordening (EU) 2016/679. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze richtlijn effect sorteert, onder meer door waar nodig via wetgevingsmaatregelen beperkingen in te stellen op de uitoefening van bepaalde gegevensbeschermingsrechten van de betrokkenen overeenkomstig artikel 23, lid 1, punten e) en i), en artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 voor zover en zolang zulks noodzakelijk is ter voorkoming van en in reactie op pogingen tot het belemmeren van meldingen, tot het verhinderen, dwarsbomen of vertragen van de afhandeling van meldingen, met name van onderzoeken, of tot het achterhalen van de identiteit van de melders.

(86)  De vertrouwelijkheid van de identiteit van de melders doeltreffend beschermen is eveneens nodig om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, met name de rechten en vrijheden van de melders, indien de meldingen worden behandeld door autoriteiten in de zin van artikel 3, lid 7, van Verordening (EU) 2016/680. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze richtlijn effect sorteert, onder meer door waar nodig via wetgevingsmaatregelen beperkingen in te stellen op de uitoefening van bepaalde gegevensbeschermingsrechten van de betrokkenen overeenkomstig artikel 13, lid 3, punten a) en e), artikel 15, lid 1, punten a) en e), artikel 16, lid 4, punten a) en e), en artikel 31, lid 5, van Verordening (EU) 2016/680 voor zover en zolang zulks noodzakelijk is ter voorkoming van en in reactie op pogingen tot het belemmeren van meldingen, tot het verhinderen, dwarsbomen of vertragen van de afhandeling van meldingen, met name van onderzoeken, of tot het achterhalen van de identiteit van de melders.

(87)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat alle meldingen van inbreuken naar behoren worden geregistreerd en dat iedere melding kan worden opgevraagd, en dat informatie die via de meldingen wordt ontvangen, als bewijsmateriaal kan worden gebruikt in het kader van eventuele handhavingsmaatregelen.

(88)  Melders moeten worden beschermd tegen alle vormen van directe of indirecte represailles die worden genomen, aanbevolen of geduld door hun werkgever of klant/ontvanger van diensten en door personen die werken voor of optreden namens laatstgenoemden, zoals collega’s en leidinggevenden in dezelfde organisatie of in andere organisaties waarmee de melder contact onderhoudt in het kader van zijn werkgerelateerde activiteiten ▌. Er is bescherming nodig tegen represailles jegens de melder zelf, maar ook tegen represailles jegens de juridische entiteit waarvan de melder eigenaar is, waarvoor hij werkt of waarmee hij in een werkgerelateerde context mee is gelieerd, zoals weigering van dienstverrichting, opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot. Indirecte represailles omvatten tevens maatregelen tegen facilitatoren, collega's of familieleden van de melder die ook in een werkgerelateerd verband met diens werkgever of klant/ontvanger van diensten verkeren ▌.

(89)  Als represailles ongebreideld voorkomen en onbestraft blijven, heeft dit een remmend effect op potentiële klokkenluiders. Een duidelijk wettelijk verbod op represailles heeft een belangrijk afschrikkend effect, dat nog wordt versterkt door bepalingen inzake persoonlijke aansprakelijkheid en sancties ten aanzien van degenen die zich schuldig maken aan represailles.

(90)  Individueel advies en juiste informatie kunnen worden verstrekt door een onafhankelijke centrale autoriteit of een informatiecentrum.

(91)  Potentiële klokkenluiders die niet goed weten hoe zij een melding kunnen doen en of zij uiteindelijk zullen worden beschermd, kunnen zich daardoor van melding laten weer­houden. De lidstaten moeten waarborgen dat relevante informatie op gemakkelijk te begrijpen wijze wordt verstrekt en gemakkelijk toegankelijk is voor het grote publiek. Individueel, onpartijdig en vertrouwelijk advies dient kosteloos beschikbaar te zijn. Zo kan bijvoorbeeld worden uitgelegd of de betrokken informatie onder de toepasselijke regels voor de bescherming van klokkenluiders valt, welk meldingskanaal het best kan worden gebruikt en welke alternatieve procedures beschikbaar zijn ingeval de informatie niet onder de toepasselijke regels valt (“wegwijs maken”). Toegang tot dergelijk advies kan ertoe bijdragen dat meldingen op een verantwoorde wijze via de gepaste kanalen worden gedaan en dat inbreuken en misstanden tijdig worden ontdekt of zelfs voorkomen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen dit advies uit te breiden tot juridisch advies. Indien dit advies aan melders wordt verstrekt door maatschappelijke organisaties die met betrekking tot de ontvangen informatie gebonden zijn aan een vertrouwelijkheidsplicht, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat deze organisaties niet worden getroffen door represailles, bijvoorbeeld in de vorm van economische nadelen via een beperking van hun toegang tot financiering of opname op een zwarte lijst die het goede functioneren van de organisatie in het gedrang kan brengen.

(92)  De bevoegde autoriteiten moeten melders de nodige steun verschaffen zodat zij effectief toegang hebben tot bescherming. Met name moeten zij bewijsmateriaal of andere vereiste documentatie verstrekken om aan andere autoriteiten of rechtbanken te bevestigen dat er een externe melding heeft plaatsgevonden. In bepaalde nationale kaders en in bepaalde gevallen komen melders ▌ in aanmerking voor vormen van officiële bevestiging dat zij voldoen aan de voorwaarden van de toepasselijke regels. Ondanks dergelijke mogelijkheden moeten zij doeltreffende toegang tot rechterlijke toetsing hebben, waarbij het aan de rechter is om op grond van de afzonderlijke omstandigheden van de zaak te besluiten of zij aan de voorwaarden van de toepasselijke regels voldoen.

(93)  ▌ Juridische of contractuele verplichtingen van personen, zoals loyaliteitsclausules in contracten of vertrouwelijkheids-/niet-openbaarmakingsovereenkomsten, mogen niet worden ingeroepen om meldingen te verbieden, bescherming te ontzeggen of melders te bestraffen indien het verstrekken van de onder die clausules en overeenkomsten vallende informatie nodig is voor het onthullen van de inbreuk. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, mag op de melders geen enkele burgerlijke, strafrechtelijke, bestuurs­rechtelijke of arbeidsrechtelijke aansprakelijkheid rusten. Bescherming tegen aansprakelijkheid voor de melding of openbaarmaking op grond van deze richtlijn is te verantwoorden voor informatie waarvan de melder redelijke gronden had om aan te nemen dat melding of openbaarmaking nodig was voor het onthullen van een inbreuk op grond van deze richtlijn. Deze bescherming geldt niet voor overbodige informatie die de persoon heeft onthuld zonder dat hij daarvoor redelijke gronden heeft.

(94)  In gevallen waarin de melders op rechtmatige wijze toegang hebben verworven of verkregen tot de gemelde informatie of de documenten met deze informatie, moeten zij worden vrijgesteld van aansprakelijkheid. Dit geldt zowel in gevallen waarin zij de inhoud onthullen van documenten waartoe zij rechtmatige toegang hebben, als in gevallen waarin zij kopieën van die documenten maken of deze verwijderen uit de bedrijfsruimten van de organisatie waar zij werkzaam zijn, zulks in strijd met contractuele of andere clausules die bepalen dat de betreffende documenten eigendom van de organisatie zijn. De melders moeten ook worden vrijgesteld van aansprakelijkheid in gevallen waarin de verwerving van of de toegang tot de relevante informatie of documenten burgerrechtelijke, bestuursrechtelijke of arbeidsrechtelijke aansprakelijk­heid in het geding brengt. Gedacht kan worden aan gevallen waarin de melders de informatie hebben bemachtigd door het raadplegen van het e-mailverkeer van een collega of dossiers waar zij normaal gesproken geen gebruik van maken bij hun werk, door het nemen van foto's van de bedrijfsruimten van de organisatie of door het betreden van plaatsen waartoe zij doorgaans geen toegang hebben. Indien de melders toegang tot de relevante informatie of documenten hebben verworven of verkregen door het plegen van een strafbaar feit, zoals het fysiek betreden van verboden terreinen of hacking, moet hun strafrechtelijke aansprakelijkheid blijven vallen onder het toepasselijke nationale recht, onverminderd artikel 15, lid 7. Evenzo moet elke andere mogelijke aansprakelijkheid van de melders die voortvloeit uit handelingen of nalatig­heden die geen verband houden met de melding of niet noodzakelijk zijn voor het ont­hullen van een inbreuk op grond van deze richtlijn, onder het toepasselijke Unierecht of nationale recht blijven vallen. In deze gevallen moet het aan de nationale rechtbanken zijn om de aansprakelijkheid van de melder te beoordelen aan de hand van alle relevante feitelijke informatie en rekening houdend met de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de noodzakelijkheid en evenredigheid van de handeling of nalatigheid in verband met de melding of openbaarmaking.

(95)  Represailles worden dikwijls gerechtvaardigd op andere gronden dan de melding en voor melders kan het zeer moeilijk zijn om het verband aan te tonen, terwijl degenen die zich schuldig maken aan de represailles wellicht beschikken over meer macht en middelen om de ondernomen actie en de redenering te staven. Als de melder eenmaal prima facie heeft aangetoond dat hij een melding of openbaarmaking heeft verricht in de zin van deze richtlijn en te maken heeft gekregen met benadeling, dient de bewijslast te verschuiven naar de verrichter van de benadeling; het dient aan laatstgenoemde te zijn om aan te tonen dat de benadeling op geen enkele wijze verband hield met de melding of openbaarmaking.

(96)  Naast een uitdrukkelijk wettelijk verbod op represailles is het van cruciaal belang dat melders die te maken krijgen met represailles, toegang hebben tot rechtsmiddelen en schadevergoeding. Het passende rechtsmiddel wordt in elk geval bepaald naargelang het soort te verduren gekregen represailles, en de geleden schade moet volledig worden vergoed overeenkomstig nationaal recht. Daarbij kan het gaan om maatregelen tot herplaatsing (bijvoorbeeld bij ontslag, overplaatsing of degradatie, of bij weigering van opleiding of bevordering) of tot herstel van een opgezegde machtiging, vergunning of overeenkomst; vergoeding voor concrete of toekomstige financiële verliezen (gederfd loon, maar ook toekomstige inkomstenderving, kosten in verband met verandering van beroep); vergoeding voor andere economische schade, zoals juridische kosten en medische zorgkosten, en voor immateriële schade (smartengeld).

(97)  De soorten rechtsmiddelen variëren naargelang het rechtsstelsel, maar moeten zorgen voor een werkelijke en doeltreffende schadevergoeding of schadeloosstelling die een afschrikkend effect heeft en in verhouding staat tot de geleden schade. Relevant zijn in dit verband de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met name beginsel 7, dat luidt als volgt: "Voorafgaand aan een ontslag hebben werknemers het recht te worden geïnformeerd over de redenen die eraan ten grondslag liggen en moet hun een redelijke opzegtermijn worden geboden. Zij hebben het recht op toegang tot een doeltreffend en onpartijdig systeem van geschillenbeslechting en, bij een kennelijk onredelijk ontslag, een recht op verhaal, waarbij onder meer een passende schade­vergoeding is inbegrepen." De op nationaal niveau geregelde herstelmaatregelen mogen potentiële toekomstige klokkenluiders niet ontmoedigen. Indien bij ontslag wordt toe­gestaan dat schadevergoeding wordt betaald als alternatief voor herplaatsing zou dat, zeker in grotere organisaties, tot een stelselmatige praktijk kunnen leiden en zodoende toekomstige klokkenluiders kunnen afschrikken.

(98)  Van bijzonder belang voor melders zijn voorlopige maatregelen in afwachting van de voltooiing van mogelijk langdurige gerechtelijke procedures. Voor het stopzetten van bedreigingen, pogingen tot represailles of aanhoudende represailles (zoals intimidatie op het werk) of het voorkomen van vormen van represailles zoals ontslag, die na verloop van veel tijd wellicht moeilijk ongedaan zijn te maken en de betrokkene financieel te gronde kunnen richten – een perspectief dat potentiële klokkenluiders sterk kan ontmoedigen, moeten melders met name toegang hebben tot maatregelen in kort geding als geregeld bij nationaal recht.

(99)  Voor klokkenluiders kan ook een aanzienlijk afschrikkend effect uitgaan van maatregelen die buiten de werkgerelateerde context tegen melders worden genomen, bijvoorbeeld via procedures wegens laster of schending van auteursrechten, bedrijfsgeheimen, vertrouwelijkheid of de bescherming van persoonsgegevens. In dergelijke procedures moeten melders meldingen of openbaarmakingen op grond van deze richtlijn ter verdediging kunnen inroepen, mits de gemelde of openbaar gemaakte informatie nodig was om de inbreuk te onthullen. In die gevallen moet de last van het bewijzen dat de melder niet voldoet aan de voorwaarden van de richtlijn, rusten op de persoon die de procedure aanspant.

(100)  De regels voor het waarborgen van een toereikend en consistent niveau van civiele maatregelen in geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, zijn neergelegd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad. De richtlijn bepaalt dat het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim als rechtmatig wordt beschouwd voor zover het bij Unierecht is toegestaan. Personen die in een werkgerelateerde context verkregen bedrijfsgeheimen onthullen, mogen alleen onder de door deze richtlijn verleende bescherming vallen (onder meer in de zin dat zij niet burgerrechtelijk aansprakelijk zijn) indien zij aan de voorwaarden van deze richtlijn voldoen, onder meer de voorwaarde dat de openbaarmaking nodig was om een onder het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuk te onthullen. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, moeten openbaarmakingen van bedrijfsgeheimen worden beschouwd als "toegestaan" bij Unierecht in de zin van artikel 3, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/943. Daarnaast moeten deze richtlijn en Richtlijn (EU) 2016/943 als complementair worden beschouwd, en moeten de civiele maatregelen, procedures, rechtsmiddelen en vrijstellingen waarin Richtlijn (EU) 2016/943 voorziet toepasselijk blijven op alle openbaarmakingen van bedrijfsgeheimen die buiten het toepassingsgebied van de onderhavige richtlijn vallen. De bevoegde autoriteiten die meldingen met bedrijfsgeheimen ontvangen moeten ervoor zorgen dat deze niet worden gebruikt of openbaar worden gemaakt voor andere doeleinden dan het correct afhandelen van de meldingen.

(101)  Toepasselijke gerechtskosten kunnen een aanzienlijk deel uitmaken van de kosten voor melders die de tegen hen genomen represailles aanvechten door middel van een gerechtelijke procedure. Hoewel zij deze gerechtskosten aan het eind van de procedure mogelijk kunnen terugvorderen, kunnen zij deze wellicht niet vooraf voldoen, met name als zij werkloos zijn en op een zwarte lijst staan. Bijstand voor strafrechtelijke procedures, met name indien de melders voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad(28), en meer in het algemeen steun voor wie in ernstige financiële moeilijkheden verkeert, zou in bepaalde gevallen van cruciaal belang kunnen zijn voor het doeltreffend handhaven van hun rechten op bescherming.

(102)  De rechten van de betrokkene dienen te worden beschermd om reputatieschade of andere negatieve gevolgen te voorkomen. Voorts moeten de rechten van de verdediging en de toegang tot rechtsmiddelen van de betrokkene in elke fase van de procedure die volgt op een melding volledig te worden geëerbiedigd overeenkomstig de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten dienen de vertrouwelijk­heid van de identiteit van de betrokkene te beschermen en de rechten van de verdediging te waarborgen ▌, met inbegrip van het recht op toegang tot het dossier, het recht te worden gehoord en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen een besluit betreffende de betrokkene overeenkomstig de toepasselijke procedures van nationaal recht in het kader van een onderzoek of de daaropvolgende gerechtelijke procedures.

(103)  Iedere persoon die als gevolg van de melding of openbaarmaking van onjuiste of misleidende informatie direct of indirect te maken krijgt met vooroordelen, moet onverminderd gebruik kunnen maken van de bescherming en de rechtsmiddelen die hem op grond van de regels van gemeen recht ter beschikking staan. Indien willens en wetens tot een onjuiste of misleidende melding of openbaarmaking is overgegaan, moeten de betrokkenen overeenkomstig nationaal recht in aanmerking komen voor schadevergoeding.

(104)  Strafrechtelijke, burgerrechtelijke of bestuursrechtelijke sancties zijn nodig om de doeltreffendheid van de regels inzake klokkenluidersbescherming te waarborgen. Sancties tegen personen die represailles of andere nadelige maatregelen jegens melders nemen, kunnen een afschrikkende werking hebben. Sancties tegen personen die aantoonbaar willens en wetens onjuiste meldingen of openbaarmakingen verrichten, zijn ook nodig om verdere kwaadwillige meldingen te voorkomen en de geloofwaardigheid van het systeem te beschermen. Die sancties moeten evenredig zijn, zodat zij geen afschrikkend effect op potentiële klokkenluiders hebben.

(105)  Door autoriteiten genomen besluiten die negatieve gevolgen hebben voor de bij deze richtlijn verleende rechten, met name overeenkomstig artikel 6 genomen besluiten, moeten overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aan rechterlijke toetsing worden onderworpen.

(106)  Deze richtlijn voert minimumnormen in en het moet de lidstaten vrijstaan bepalingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor de melder, mits die bepalingen geen afbreuk doen aan de maatregelen ter bescherming van de betrokkenen. De omzetting van deze richtlijn vormt in geen geval een rechtvaardiging voor een verlaging van het beschermingsniveau dat melders reeds geboden wordt uit hoofde van het nationaal recht in de gebieden waar het van toepassing is.

(107)  Overeenkomstig artikel 26, lid 2, VWEU dient de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen te omvatten waarin het vrije en veilige verkeer van goederen en diensten gewaarborgd is. De interne markt moet de burgers van de Unie meerwaarde bieden in de vorm van betere en veiligere producten en diensten, door voor hoge normen inzake volksgezondheid en milieubescherming te zorgen en het vrije verkeer van persoons­gegevens te waarborgen. Artikel 114 VWEU is de juiste rechtsgrondslag voor het vaststellen van de maatregelen die nodig zijn voor de instelling en de werking van de interne markt. Naast artikel 114 VWEU moet deze richtlijn worden gebaseerd op een aantal aanvullende specifieke rechtsgronden ter dekking van de gebieden die voor het vaststellen van Uniemaatregelen vallen onder artikel 16, ▌ artikel 43, lid 2, artikel 50, artikel 53, lid 1, ▌ artikel 91, artikel 100, ▌ artikel 168, lid 4, artikel 169, artikel 192, lid 1 en artikel 325, lid 4, VWEU en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ▌.

(108)  Het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn is bepaald aan de hand van de gebieden waarop de invoering van klokkenluidersbescherming gelet op het momenteel beschikbare bewijs gerechtvaardigd en noodzakelijk lijkt. Dit materiële toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot andere gebieden of Uniehandelingen, als dit – in het licht van bewijs dat in de toekomst mogelijk naar voren komt, of op grond van de evaluatie van de wijze waarop deze richtlijn is toegepast – nodig blijkt om de handhaving aan te scherpen.

(109)  Wanneer in de toekomst wetgeving wordt aangenomen die relevant is voor deze richtlijn, moet daarin, waar passend, worden vermeld dat deze richtlijn van toepassing is. Indien nodig dienen artikel 1 en de bijlage te worden gewijzigd.

(110)  De doelstelling van deze richtlijn, namelijk klokkenluiders doeltreffend beschermen met het oog op sterkere handhaving op bepaalde beleidsterreinen en met betrekking tot bepaalde rechtshandelingen waarvoor geldt dat inbreuken op het Unierecht het algemeen belang ernstig kunnen schaden, kan niet afdoende worden bereikt als de lidstaten afzonderlijk of op een ongecoördineerde wijze optreden, maar kan beter worden verwezenlijkt als de Unie minimumnormen aanreikt voor een geharmoniseerde klokkenluiders­bescherming. Bovendien kan alleen optreden van de Unie voor samenhang zorgen en de bestaande regels van de Unie inzake de bescherming van klokkenluiders stroomlijnen. De Unie kan derhalve maatregelen treffen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(111)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en ▌ de beginselen die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 11. Deze richtlijn moet derhalve worden toegepast met inachtneming van deze rechten en beginselen, door de volledige eerbiediging te waarborgen van onder meer de vrijheid van meningsuiting en van informatie, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een hoog niveau van consumenten­bescherming, het recht op een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, het recht op een hoog niveau van milieubescherming, het recht op behoorlijk bestuur, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van de verdediging.

(112)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 geraadpleegd ▌,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED, BESCHERMINGSVOORWAARDEN EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel

Deze verordening heeft tot doel de tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie op specifieke gebieden te verbeteren door de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen die zorgen voor een hoog niveau van bescherming van melders van inbreuken.

Artikel 2

Materieel toepassingsgebied

1.  ▌Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van de volgende inbreuken op het Unierecht:

(a)  inbreuken die binnen het toepassingsgebied vallen van de handelingen van de Unie die zijn vermeld in de bijlage bij deze verordening (delen I en II), met betrekking tot de volgende gebieden:

i)  overheidsopdrachten;

ii)  financiële diensten, producten en markten, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering;

iii)  productveiligheid;

iv)  veiligheid van het vervoer;

v)  bescherming van het milieu;

vi)  stralingsbescherming en nucleaire veiligheid;

vii)  veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn;

viii)  volksgezondheid;

ix)  consumentenbescherming;

x)  bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, beveiliging van netwerk- en informatiesystemen.

b)  inbreuken waardoor de financiële belangen van de Unie als omschreven in artikel 325 VWEU en nader toegelicht in relevante maatregelen van de Unie worden geschaad;

c)  inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, met inbegrip van inbreuken op de regels inzake mededinging en staatssteun, en met betrekking tot handelingen die in strijd zijn met de regels van de vennootschaps­belasting of constructies die erop gericht zijn een belastingvoordeel te verkrijgen dat afbreuk doet aan de strekking of het doel van het toepasselijke vennootschaps­belastingrecht.

2.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van lidstaten om de bescherming uit hoofde van nationale wetgeving uit te breiden met betrekking tot terreinen of handelingen die niet onder lid 1 vallen.

Artikel 3

Verband met andere handelingen van de Unie en nationale bepalingen

1.  Indien de in deel II van de bijlage vermelde sectorspecifieke handelingen van de Unie specifieke regels inzake het melden van inbreuken bevatten, zijn die regels van toepassing. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing ▌voor zover een aangelegenheid niet verplicht in voornoemde sectorspecifieke handelingen van de Unie is geregeld.

2.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van lidstaten om nationale bescherming te garanderen en aan hun bevoegdheid om hun essentiële veiligheids­belangen te beschermen. Zij is met name niet van toepassing op meldingen van inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten waaraan defensie- of veiligheids­aspecten verbonden zijn, tenzij zij onder de desbetreffende instrumenten van de Unie vallen.

3.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van nationaal of Unierecht op:

a)  de bescherming van gerubriceerde gegevens;

b)  de bescherming van het wettelijk en het medisch beroepsgeheim;

c)  de geheimhouding van rechterlijke beraadslagingen; en

d)   strafprocedureregels.

4.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan nationale regels inzake de uitoefening van het recht van werknemers om hun vertegenwoordigers of vakbonden te raadplegen en inzake de bescherming tegen ongerechtvaardigde benadelende maatregelen als gevolg van deze raadplegingen, alsmede inzake de autonomie van de sociale partners en hun recht om collectieve overeenkomsten te sluiten. Dit doet geen afbreuk aan het bij deze richtlijn verleende beschermingsniveau.

Artikel 4

Persoonlijk toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op melders die werkzaam zijn in de particuliere of de publieke sector en die informatie over inbreuken hebben verkregen in een werkgerelateerde context, met inbegrip van ten minste de volgende personen:

a)  personen met de status van werknemer in de zin van artikel 45, lid 1, VWEU, met inbegrip van ambtenaren;

b)  personen met de status van zelfstandige in de zin van artikel 49 VWEU;

c)  aandeelhouders en personen die behoren tot het bestuurlijk, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een onderneming, met inbegrip van niet bij het dagelijks bestuur betrokken leden, vrijwilligers en bezoldigde of onbezoldigde stagiairs;

d)  eenieder die werkt onder toezicht en leiding van aannemers, onderaannemers en leveranciers.

2.  Deze richtlijn is van toepassing op melders, ook indien zij informatie die is verkregen in een ondertussen beëindigde werkrelatie melden of openbaar maken.

3.  Deze richtlijn is ook van toepassing op melders wier werkrelatie nog moet aanvangen, ingeval informatie over een inbreuk is verkregen tijdens de wervingsprocedure of andere precontractuele onderhandelingen.

4.  De in hoofdstuk IV bedoelde maatregelen ter bescherming van melders zijn, in voorkomend geval, tevens van toepassing op:

a)  facilitators;

b)  derden die verbonden zijn aan de melders en die te maken kunnen krijgen met represailles in een werkgerelateerde context, zoals collega's of familieleden van de melders; en

c)  juridische entiteiten die eigendom van de melders zijn, waarvoor de melders werken of waarmee de melders op een andere manier verbonden zijn in een werkgerelateerde context.

Artikel 5

Voorwaarden voor de bescherming van melders

1.  Melders van informatie over inbreuken die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, komen voor bescherming in aanmerking mits:

a)  zij gegronde redenen hadden om aan te nemen dat de gemelde informatie op het moment van de melding juist was en dat de informatie binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn viel;

b)  zij intern overeenkomstig artikel 7 en extern overeenkomstig artikel 10 informatie meldden, of rechtstreeks extern of publiekelijk informatie openbaar maakten overeenkomstig artikel 15 van deze richtlijn.

2.  Onverminderd bestaande verplichtingen om te voorzien in anonieme melding op grond van het Unierecht, doet deze richtlijn geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen of particuliere of openbare entiteiten en bevoegde autoriteiten anonieme meldingen van inbreuken al dan niet moeten aanvaarden en behandelen.

3.  Personen die anoniem informatie hebben gemeld of openbaar gemaakt maar later zijn geïdentificeerd, komen niettemin in aanmerking voor bescherming indien zij met represailles te maken krijgen, op voorwaarde dat zij aan de in lid 1 gestelde voorwaarden voldoen.

4.  Een persoon die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken meldt aan de relevante instellingen, organen of instanties van de Unie, komt in aanmerking voor bescherming overeenkomstig deze richtlijn onder dezelfde voorwaarden als een persoon die extern melding heeft gedaan.

Artikel 6

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1)  "inbreuken": handelingen of nalatigheden:

i)  die onrechtmatig zijn en betrekking hebben op de handelingen en beleidsterreinen van de Unie die binnen het in artikel 2 en de bijlage bedoelde toepassingsgebied vallen; of

ii)  die het doel of de toepassing van de ▌regels in deze handelingen of beleidsterreinen van de Unie ondermijnen;

2)  "informatie over inbreuken": informatie of redelijke vermoedens over feitelijke of mogelijke inbreuken alsmede over pogingen ter verhulling van inbreuken die hebben plaatsgevonden of zeer waarschijnlijk zullen plaatsvinden binnen de organisatie waar de melder werkt of heeft gewerkt of binnen een organisatie waarmee hij uit hoofde van zijn werk in contact is geweest;

3)  "melding": het verstrekken van informatie over inbreuken;

4)  "interne melding": het binnen een publieke of private juridische entiteit verstrekken van informatie over inbreuken;

5)  "externe melding": het aan de bevoegde autoriteiten verstrekken van informatie over inbreuken;

6)  "openbaarmaking": het in het publieke domein brengen van ▌ informatie over inbreuken;

7)  "melder": een natuurlijke persoon ▌ die informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt die hij in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten heeft verkregen;

8)  "facilitator": een natuurlijke persoon die de melder bijstaat in het meldingsproces in een werkgerelateerde context en wiens bijstand vertrouwelijk moet zijn;

9)  "werkgerelateerde context": huidige of vroegere arbeidsactiviteiten in de publieke of particuliere sector waardoor, ongeacht de aard van de activiteiten, personen informatie kunnen verkrijgen over inbreuken en waarbij deze personen te maken kunnen krijgen met represailles indien zij deze inbreuken melden;

10)  "betrokkene": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de melding of bij de openbaarmaking wordt genoemd als persoon aan wie de inbreuk wordt toegeschreven of die met de inbreuk in verband wordt gebracht;

11)  "represaille": een rechtstreekse of onrechtstreekse handeling of nalatigheid die in een werkgerelateerde context plaatsvindt naar aanleiding van een interne of externe melding of openbaarmaking, en die tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder leidt of kan leiden;

12)  "follow-up": optreden van de ontvanger van de ▌ melding of een bevoegde autoriteit om de juistheid van de beweringen in de melding na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, via maatregelen zoals intern vooronderzoek, onderzoek, vervolging, terugvordering van middelen en afsluiting;

13)  "feedback": het aan de melders verstrekken van informatie over de naar aanleiding van hun melding geplande of genomen maatregelen en over de redenen daarvoor;

14)  "bevoegde autoriteit": een nationale autoriteit die gerechtigd is meldingen overeenkomstig hoofdstuk III te ontvangen en de melders feedback te geven en/of die is aangewezen om de in deze richtlijn vervatte plichten te vervullen, met name wat betreft de afhandeling van de meldingen.

HOOFDSTUK II

INTERNE MELDINGEN EN HUN AFHANDELING

Artikel 7

Melding via interne kanalen

1.  Als algemeen beginsel en onverminderd de artikelen 10 en 15 mag informatie over binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken worden gemeld via de interne kanalen en procedures waarin dit hoofdstuk voorziet.

2.  De lidstaten moedigen het gebruik van interne kanalen, vóór externe melding, aan indien de inbreuk doeltreffend intern kan worden behandeld en indien de melder van mening is dat er geen risico op represailles bestaat.

3.  De nodige informatie over het gebruik van interne kanalen maakt deel uit van de informatie die wordt verstrekt door juridische entiteiten in de publieke en de private sector krachtens artikel 9, lid 1, punt g), en door bevoegde autoriteiten krachtens artikel 12, lid 4, punt a), en artikel 13.

Artikel 8

Verplichting tot het opzetten van interne kanalen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector interne kanalen en procedures voor melding en behandeling van meldingen opzetten, na overleg en in samenspraak met de sociale partners, indien het nationale recht daarin voorziet.

2.  Dergelijke kanalen en procedures bieden de werknemers van de entiteit de mogelijkheid een melding te doen. Zij kunnen die mogelijkheid ook bieden aan andere personen die in contact staan met de entiteit in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten als bedoeld in artikel 4, lid 1, punten b), c) en d) ▌.

3.  De in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de particuliere sector hebben 50 of meer werknemers.

4.  De drempel in lid 3 geldt niet voor de entiteiten die vallen binnen het toepassingsgebied van de in de delen I.B en II van de bijlage vermelde handelingen van de Unie.

5.  Meldingskanalen kunnen intern worden beheerd door een daartoe aangewezen persoon of afdeling, of extern ter beschikking worden gesteld door derden. De in artikel 9, lid 1, bedoelde waarborgen en vereisten worden op eendere wijze nagekomen door derden die het meldingskanaal voor een particuliere entiteit beheren en aan wie deze taak is toevertrouwd.

6.  Juridische entiteiten in de particuliere sector met 50 tot 249 werknemers mogen middelen delen voor het in ontvangst nemen en eventueel onderzoeken van meldingen. Dit laat hun verplichtingen in verband met geheimhouding, het verstrekken van feedback en het behandelen van de gemelde inbreuk, onverlet.

7.  Na een passende risicobeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de activiteiten van de entiteiten en het daaraan verbonden risiconiveau voor met name het milieu en de volksgezondheid, kunnen de lidstaten ▌particuliere juridische entiteiten met minder dan 50 werknemers verplichten om kanalen en procedures voor interne meldingen op te zetten.

8.  Ieder door een lidstaat uit hoofde van lid 7 genomen besluit om de particuliere juridische entiteiten te verplichten om interne meldingskanalen op te zetten, wordt ter kennis van de Commissie gebracht, met een motivering en de in de risicobeoordeling gebruikte criteria. De Commissie stelt de overige lidstaten van dat besluit in kennis.

9.  Onder de in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de publieke sector worden verstaan alle publieke juridische entiteiten, met inbegrip van entiteiten die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van een publieke juridische entiteit.

De lidstaten kunnen gemeenten met minder dan 10 000 inwoners of minder dan 50 werknemers of andere entiteiten met minder dan 50 werknemers vrijstellen van de in lid 1 bedoelde verplichting.

De lidstaten kunnen bepalen dat interne meldingskanalen tussen gemeenten worden gedeeld of door gezamenlijke gemeentelijke autoriteiten conform het nationale recht worden beheerd, mits de gedeelde interne kanalen gescheiden en onafhankelijk zijn van de externe kanalen.

Artikel 9

Procedures voor interne meldingen en afhandeling van meldingen

1.  De procedures voor meldingen en de afhandeling daarvan als bedoeld in artikel 8 omvatten:

a)  kanalen voor het ontvangen van meldingen die door hun ontwerp, opzet en beheer op beveiligde wijze de geheimhouding van de identiteit van de melder en van eventuele in de melding genoemde derden waarborgen en waartoe niet-gemachtigde personeelsleden geen toegang hebben;

b)  een bevestiging van ontvangst van de melding aan de melder, binnen een termijn van ten hoogste zeven dagen na ontvangst;

c)  de aanwijzing van een onpartijdige persoon of afdeling die bevoegd is voor de afhandeling van de meldingen, en die dezelfde persoon of afdeling kan zijn als de persoon of afdeling die de meldingen ontvangt, en die de communicatie met de melder zal onderhouden en deze zo nodig nadere informatie zal vragen en feedback zal geven;

d)  een zorgvuldige afhandeling van de melding door de aangewezen persoon of afdeling;

e)  een zorgvuldige afhandeling, indien het nationale recht daarin voorziet, van anonieme meldingen;

f)  een redelijke termijn ▌ om de melder feedback over de afhandeling van de melding te geven, van ten hoogste drie maanden na de ontvangstbevestiging of, indien er geen ontvangstbevestiging is verstuurd, na het verstrijken van de periode van zeven dagen nadat de melding is gedaan;

g)  duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie over de ▌voorwaarden en de procedures voor externe meldingen aan bevoegde autoriteiten krachtens artikel 10 en, in voorkomend geval, aan instellingen, organen en instanties van de Unie.

2.  De in lid 1, punt a), bedoelde kanalen bieden de mogelijkheid van schriftelijke en/of mondelinge meldingen, via een telefoonlijn of andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder, door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.

HOOFDSTUK III

EXTERNE MELDINGEN EN HUN AFHANDELING

Artikel 10

Melding via externe kanalen

Onverminderd artikel 15 verstrekken melders informatie over binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken door gebruik te maken van de in de artikelen 11 en 12 bedoelde kanalen en procedures nadat zij eerst het interne kanaal hebben gebruikt, dan wel door rechtstreekse melding aan de bevoegde autoriteiten.

Artikel 11

Verplichting om kanalen voor externe melding op te zetten en meldingen te behandelen

1.  De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn voor het ontvangen van meldingen en voor feedback of follow-up ter zake, en voorzien hen van voldoende middelen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten:

a)  onafhankelijke en autonome externe meldingskanalen opzetten ▌voor het ontvangen en in behandeling nemen van door de melder verstrekte informatie;

b)  onverwijld, binnen zeven dagen, een bevestiging van de ontvangst van meldingen verzenden, tenzij melders uitdrukkelijk anders hebben verzocht of de bevoegde autoriteiten op redelijke gronden van oordeel zijn dat een bevestiging van ontvangst van meldingen de bescherming van de identiteit van melders in het gedrang zou brengen;

c)  meldingen zorgvuldig afhandelen;

d)  de melder binnen een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, meedelen welk gevolg er aan de melding is gegeven. De bevoegde autoriteiten stellen de melder volgens de nationaal­rechtelijkeprocedures in kennis van het eindresultaat van het onderzoek;

e)  de informatie in de melding tijdig aan de bevoegde instellingen, organen of instanties van de Unie, naargelang het geval, doorgeven voor verder onderzoek, indien het nationale recht of het Unierecht daarin voorziet.

3.  De lidstaten kunnen bepalen dat bevoegde autoriteiten, na de aangelegenheid naar behoren te hebben beoordeeld, kunnen besluiten dat een gemelde inbreuk duidelijk van geringe betekenis is en geen follow-upmaatregelen krachtens deze richtlijn vereist. Dit geldt onverminderd andere verplichtingen of andere toepasselijke procedures voor het behandelen van gemelde inbreuken, en onverminderd de door deze richtlijn geboden bescherming in samenhang met meldingen via het interne kanaal en/of externe kanalen. In een dergelijke geval stellen de bevoegde autoriteiten de melder in kennis van hun besluit en de motivering daarvan.

4.  De lidstaten kunnen bepalen dat bevoegde autoriteiten kunnen besluiten dat geen gevolg hoeft te worden gegeven aan herhaalde meldingen waarvan de inhoud geen nieuwe informatie van betekenis bevat ten opzichte van een eerdere, reeds afgehandelde melding, tenzij door nieuwe wettelijke of feitelijke omstandigheden een andere follow-up gerechtvaardigd is. In een dergelijk geval stellen zij de melder in kennis van de motivering van hun besluit.

5.  De lidstaten kunnen bepalen dat wanneer bevoegde autoriteiten geconfronteerd worden met grote aantallen meldingen, zij voorrang geven aan de behandeling van meldingen van ernstige inbreuken of van inbreuken op essentiële bepalingen welke binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, onverminderd de in punt b) van lid 2 van dit artikel vermelde termijn.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat elke autoriteit die een melding heeft ontvangen, maar niet bevoegd is om de gemelde inbreuk aan te pakken, de melding binnen een redelijke termijn op beveiligde wijze doorzendt aan de bevoegde autoriteit en dat de melder onverwijld over deze doorgifte wordt geïnformeerd.

Artikel 12

Opzet van kanalen voor externe melding

1.  ▌Kanalen voor externe melding worden als onafhankelijk en autonoom beschouwd, indien zij aan elk van de volgende criteria voldoen:

a)  door hun ontwerp, opzet en beheer waarborgen de kanalen de volledigheid, integriteit en geheimhouding van de informatie en zijn zij niet toegankelijk voor niet-gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteit ;

b)  zij bieden de mogelijkheid om, met het oog op verder onderzoek, informatie duurzaam op te slaan overeenkomstig artikel 18.

2.  De kanalen voor externe melding bieden de mogelijkheid van schriftelijke en/of mondelinge meldingen, via de telefoon of andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder, door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.

3.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat, indien een melding via andere kanalen wordt ontvangen dan de in de leden 1 en 2 genoemde meldingskanalen, of door andere personeels­leden dan degenen die verantwoordelijk zijn voor het in behandeling nemen van meldingen, de personeelsleden die deze hebben ontvangen, geen informatie open­baar maken aan de hand waarvan de identiteit van de melder of van de betrokkene kan worden achterhaald, maar de melding onverwijld en ongewijzigd doorzenden aan de voor de behandeling van meldingen verantwoordelijke ▌personeelsleden.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over personeelsleden die verantwoordelijk zijn voor het behandelen van meldingen, en met name voor:

a)  het verstrekken van informatie aan belangstellenden over de meldingsprocedures;

b)  het ontvangen van en afhandelen van meldingen;

c)  het onderhouden van contact met de melder om deze feedback te geven en zo nodig om nadere informatie te verzoeken.

5.  Deze personeelsleden worden specifiek opgeleid voor het behandelen van meldingen.

Artikel 13

Informatie over de ontvangst en afhandeling van meldingen

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten op een afzonderlijke, gemakkelijk herkenbare en toegankelijke pagina van hun website in elk geval de volgende informatie publiceren:

a)  de voorwaarden waaronder melders in aanmerking komen voor bescherming krachtens deze richtlijn;

b)  de contactgegevens voor het gebruik van de externe meldingskanalen in artikel 12 genoemde meldingskanalen, met name de elektronische en postadressen, en de telefoonnummers, met de vermelding of de telefoongesprekken zijn opgenomen ▌;

c)  de procedures die van toepassing zijn op de melding van inbreuken, met inbegrip van de wijze waarop de bevoegde autoriteit de melder kan verzoeken om toelichting van de gemelde informatie of om verstrekking van nadere informatie, de termijn voor het geven van feedback aan de melder alsmede het soort feedback en de inhoud ervan;

d)  de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen, en met name de informatie over de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 17 van deze richtlijn, de artikelen 5 en 13 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 13 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 11 van Verordening (EU) 2018/1725, naargelang het geval;

e)  de wijze waarop meldingen moeten worden afgehandeld;

f)  de beschikbare rechtsmiddelen en procedures tegen represailles en de mogelijkheden tot inwinnen van vertrouwelijk advies voor personen die overwegen tot melding over te gaan;

g)  een verklaring met een duidelijke toelichting van de voorwaarden waarop personen die meldingen doen aan de bevoegde autoriteit, niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een inbreuk op de geheimhoudingsregels van artikel 21, lid 4.

h)  contactinformatie betreffende de onafhankelijke administratieve autoriteit bedoeld in artikel 20, lid 2.

Artikel 14

Evaluatie van de procedures door de bevoegde autoriteiten

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten hun procedures voor de ontvangst en afhandeling van meldingen van inbreuken regelmatig, maar ten minste om de drie jaar, evalueren. Bij de evaluatie van deze procedures houden de bevoegde autoriteiten rekening met hun eigen ervaring en die van andere bevoegde autoriteiten en passen zij hun procedures dienovereenkomstig aan.

HOOFDSTUK IV

OPENBAARMAKING

Artikel 15

Openbaarmaking

1.  Een persoon die informatie openbaar maakt over inbreuken die binnen het toepassings­gebied van deze richtlijn vallen, komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn indien een van de volgende voorwaarden is vervuld:

a)  hij heeft eerst een interne en externe, of alleen een externe melding overeen­komstig de hoofdstukken II en III gedaan, maar er zijn naar aanleiding van die melding geen passende maatregelen genomen binnen de in artikel 9, lid 1, punt f), en artikel 11, lid 2, punt d), genoemde termijn, of

b)  hij had gegronde redenen om aan te nemen dat:

i)  de inbreuk een dreigend of reëel gevaar is voor het algemeen belang, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een noodsituatie of een risico op onherstelbare schade, of

ii)  er een risico op represailles bestaat bij meldingen via een extern kanaal, of het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk doeltreffend wordt verholpen, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, omdat er bijvoorbeeld bewijsmateriaal wordt achtergehouden of vernietigd, of een autoriteit handelt in verstandhouding met de pleger van de inbreuk of met iemand die daarbij is betrokken.

2.  Dit artikel is niet van toepassing op gevallen waarin een persoon rechtstreeks informatie aan de pers verstrekt op grond van specifieke nationale bepalingen tot instelling van een stelsel voor de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en informatie.

HOOFDSTUK V

REGELS VOOR INTERNE EN EXTERNE MELDING

Artikel 16

Geheimhoudingsplicht

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de identiteit van de melder niet zonder diens uitdrukkelijke toestemming bekend wordt gemaakt aan anderen dan de gemachtigde personeelsleden die bevoegd zijn voor het ontvangen en/of afhandelen van meldingen. Dit geldt tevens voor alle andere informatie aan de hand waarvan direct of indirect de identiteit van de melder kan worden achterhaald.

2.  In afwijking van lid 1 mag de identiteit van de melder en enige andere informatie bedoeld in lid 1 uitsluitend worden bekendgemaakt indien het gaat om een noodzakelijke en evenredige verplichting krachtens het Unierecht of het nationale recht in de context van onderzoek van nationale autoriteiten of gerechtelijke procedures, mede ter waarborging van de rechten van verdediging van de betrokkene.

3.  Voor dergelijke bekendmakingen gelden passende waarborgen volgens de toepasselijke regels. Meer bepaald wordt, voordat de identiteit van de melder wordt bekendgemaakt, deze daarvan in kennis gesteld, tenzij die informatie het onderzoek of de gerechtelijke procedure in het gedrang zou brengen. De bevoegde autoriteit stuurt de melder samen met de kennisgeving een schriftelijke motivering van de bekendmaking van de vertrouwelijke gegevens toe.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde autoriteiten door hen ontvangen meldingen met bedrijfsgeheimen niet gebruiken of bekendmaken voor andere doeleinden dan hetgeen noodzakelijk is voor een gedegen afhandeling van de meldingen.

Artikel 17

Verwerking van persoonsgegevens

Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, met inbegrip van de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680. Elke uitwisseling of doorgifte van informatie door instellingen, organen en instanties van de Unie geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725.

Persoonsgegevens die duidelijk niet relevant zijn voor de behandeling van een specifiek geval, worden niet verzameld, en worden, indien bij toeval verzameld, onmiddellijk gewist.

Artikel 18

Registratie van demeldingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten een register bijhouden van elke ontvangen melding, in overeen­stemming met de in artikel 16 van deze richtlijn vastgelegde geheimhoudingsvereisten. De meldingen worden niet langer opgeslagen dan noodzakelijk en evenredig is met het oog op de voorschriften waaraan de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten krachtens deze richtlijn moeten voldoen.

2.  Wanneer voor het melden, met instemming van de melder, een telefoonlijn met gespreks­opname of een ander spraakberichtsysteem wordt gebruikt, hebben de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten het recht om de mondelinge melding te registreren op een van de volgende wijzen:

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of

b)  een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek, opgesteld door de voor het behandelen van meldingen verantwoordelijke personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

3.  Indien voor de melding een telefoonlijn zonder gespreksopname of een ander spraak­berichtsysteem wordt gebruikt, hebben de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten het recht om de mondelinge melding te registreren in de vorm van een nauwkeurig verslag van het gesprek, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden. De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten bieden de melder de mogelijkheid het verslag van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

4.  Indien een persoon verzoekt om een ontmoeting met de ▌personeelsleden van de bevoegde autoriteiten of van de particuliere en de publieke juridische entiteiten om een melding te doen overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 12, lid 2 ▌, zorgen de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten ervoor, mits de melder hiermee instemt, dat er een volledig en nauwkeurig verslag van de ontmoeting wordt bijgehouden in een duurzame en opvraagbare vorm.

De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten registreren het verslag van de ontmoeting door middel van:

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of

b)  een nauwkeurig verslag van de ontmoeting, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden.

De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het verslag te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

HOOFDSTUK VI

BESCHERMINGSMAATREGELEN

Artikel 19

Verbod op represailles ▌

De lidstaten nemen de nodige maatregelen tot het verbieden van elke vorm van represailles, waaronder bedreigingen en pogingen tot represailles, ongeacht of zij direct of indirect zijn, ▌ met name:

a)  schorsing, ontslag of soortgelijke maatregelen;

b)  degradatie of weigering van bevordering;

c)  overdracht van taken, verandering van locatie van de arbeidsplaats, loonsverlaging, verandering van de werktijden;

d)  weigering van opleiding;

e)  negatieve prestatiebeoordeling of arbeidsreferentie;

f)  opleggen of toepassen van een disciplinaire maatregel, berisping of andere sanctie, zoals een financiële sanctie;

g)  dwang, intimidatie, pesterijen en uitsluiting ▌;

h)  discriminatie, benadeling of ongelijke behandeling;

i)  niet-omzetting van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, in het geval dat de werknemer de legitieme verwachting had dat hem een betrekking voor onbepaalde duur zou worden aangeboden;

j)  niet-verlenging of vroegtijdige beëindiging van een tijdelijke arbeidsovereenkomst;

k)  schade, met inbegrip van reputatieschade, met name op sociale media, of financieel verlies, met inbegrip van omzetderving en inkomstenderving;

l)  opname op een zwarte lijst op basis van een informele of formele overeenkomst voor een hele sector of bedrijfstak, waardoor de melder geen baan meer vindt in de sector of de bedrijfstak;

m)  vroegtijdige beëindiging of opzegging van een contract voor de levering van goederen of diensten;

n)  intrekking van een vergunning of machtiging.

o)  psychiatrische of medische verwijzingen.

Artikel 20

Steunmaatregelen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 4 bedoelde personen naargelang het geval toegang hebben tot steunmaatregelen, en met name:

i)  gemakkelijke en kosteloze openbare toegang tot volledige en onafhankelijke informatie en adviezen over de beschikbare rechtsmiddelen en procedures die bescherming bieden tegen represailles, alsmede over de rechten van de betrokkene.

ii)  ▌toegang tot effectieve bijstand van bevoegde autoriteiten ten aanzien van elke autoriteit die betrokken is bij de bescherming van de melder tegen represailles, onder meer, voor zover het nationale recht daarin voorziet, bevestiging dat zij in aanmerking komen voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn.

iii)  toegang tot rechtshulp in strafprocedures en in grensoverschrijdende civiele procedures overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1919 en Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad, en toegang tot rechtshulp in verdere procedures en juridisch advies en andere rechtsbijstand overeenkomstig het nationale recht.

2.  De lidstaten kunnen voor melders in het kader van gerechtelijke procedures voorzien in financiële bijstand en steun, met inbegrip van psychologische steun.

3.  De in dit artikel bedoelde steunmaatregelen kunnen naargelang het geval worden aangeboden door een informatiecentrum of een afzonderlijke, duidelijk gedefinieerde, onafhankelijke administratieve autoriteit.

Artikel 21

Maatregelen ter bescherming ▌tegen represailles

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat melders die voldoen aan de in artikel 5 genoemde voorwaarden worden beschermd tegen represailles. Daarbij gaat het met name om de in de leden 2 tot en met 8 genoemde maatregelen.

2.  Onverminderd artikel 3, leden 2 en 3, worden personen die overeenkomstig deze richtlijn een melding doen of informatie openbaar maken niet geacht een inbreuk te hebben gepleegd op enige beperking op de openbaarmaking van informatie, en kunnen zij op generlei wijze aansprakelijk worden gesteld voor een dergelijke melding of openbaar­making, mits zij redelijke gronden hadden om aan te nemen dat de melding of de openbaar­making van de informatie noodzakelijk was voor het onthullen van een inbreuk uit hoofde van deze richtlijn.

3.  Melders kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor de verwerving van of de toegang tot de betrokken informatie, tenzij die verwerving of die toegang op zichzelf een strafbaar feit vormde. In dat laatste geval blijft voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid het toepasselijke nationale recht gelden.

4.  Voor elke andere mogelijke aansprakelijkheid van de melders welke voortvloeit uit handelingen of nalatigheden die geen verband houden met de melding of niet nood­zakelijk zijn voor het onthullen van een inbreuk uit hoofde van deze richtlijn, blijft het toepasselijke Unierecht of nationale recht gelden.

5.  In ▌procedures voor een rechtbank of een andere autoriteit welke verband houden met benadeling waarmee de melder is geconfronteerd, wordt, mits de melder aantoont dat hij een melding of openbaarmaking heeft gedaan en met benadeling is geconfronteerd, aangenomen dat de benadeling een represaille was voor de melding of de openbaar­making. In dergelijke gevallen is het aan de persoon die de benadelende maatregel heeft genomen, om aan te tonen dat die maatregel ▌ naar behoren is gemotiveerd.

6.  Melders en facilitators hebben passende toegang tot herstelmaatregelen in verband met represailles, met inbegrip van maatregelen in kort geding, in afwachting van de voltooiing van gerechtelijke procedures, overeenkomstig het nationale kader.

7.  ▌In gerechtelijke procedures, onder meer wegens laster, schending van auteursrechten, schending van de geheimhoudingsplicht, schending van de gegevensbeschermings­voorschriften, openbaarmaking van bedrijfsgeheimen, of wegens verzoeken om schadeloosstelling op grond van privaatrecht, publiekrecht of collectief arbeidsrecht, kunnen melders op generlei wijze aansprakelijk worden gesteld voor een melding of een openbaarmaking overeenkomstig deze richtlijn en hebben zij het recht om op grond van die melding of die openbaarmaking om seponering van de zaak te verzoeken, mits zij redelijke gronden hadden om aan te nemen dat de melding of de openbaarmaking noodzakelijk was voor het onthullen van een inbreuk uit hoofde van deze richtlijn. Indien iemand melding maakt van of informatie openbaar maakt over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, bedrijfsgeheimen omvatten en aan de voorwaarden van deze richtlijn voldoen, wordt die melding of die openbaar­making rechtmatig geacht onder de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/943.

8.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om rechtsmiddelen en volledige schadeloosstelling te waarborgen voor melders die voldoen aan de in artikel 5 vermelde voorwaarden overeenkomstig het nationale recht.

Artikel 22

Maatregelen ter bescherming van betrokkenen

1.  De lidstaten zorgen er overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor dat de betrokkenen ten volle gebruik kunnen maken van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op toegang tot het dossier ▌.

2.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de identiteit van de betrokkenen ▌overeenkomstig het nationale recht wordt beschermd zolang het onderzoek loopt.

3.  De procedures van de artikelen 12, 17 en 18 zijn ook van toepassing op de bescherming van de identiteit van de betrokkenen.

Artikel 23

Sancties

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat er doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties van toepassing zijn op natuurlijke personen of rechtspersonen die:

a)  een melding belemmeren of trachten te belemmeren;

b)  represaillemaatregelen nemen tegen ▌personen bedoeld in artikel 4;

c)  vexatoire procedures aanspannen tegen ▌personen bedoeld in artikel 4;

d)  de in artikel 16 bedoelde verplichting tot geheimhouding van de identiteit van melders schenden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat er doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op personen toepasselijk zijn indien is aangetoond dat deze bewust onjuiste meldingen of openbaarmakingen hebben verricht. De lidstaten zorgen tevens voor maatregelen tot vergoeding van schade als gevolg van dergelijke meldingen of openbaarmakingen overeenkomstig het nationale recht.

Artikel 24

Geen afstand van rechten en rechtsmiddelen

De lidstaten zien erop toe dat van de rechten en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, geen ontheffing of beperking mogelijk is door arbeidsovereenkomsten, -beleid, -vormen of -voorwaarden, ook niet door aan geschillen voorafgaande arbitrageovereenkomsten.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 25

Gunstiger behandeling en non-regressieclausule

1.  De lidstaten kunnen bepalingen voor de rechten van melders vaststellen of handhaven die gunstiger zijn dan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd, onverminderd artikel 22 en artikel 23, lid 2.

2.  De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden voor de verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande niveau van bescherming op de onder deze richtlijn vallende gebieden.

Artikel 26

Omzetting en overgangsperiode

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... [2 jaar na de vaststelling] aan deze richtlijn te voldoen.

2.  In afwijking van lid 1 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... [twee jaar na de omzetting] te voldoen aan de verplichting om een intern kanaal als vermeld in artikel 8, lid 3, op te zetten ten aanzien van juridische entiteiten met meer dan 50 en minder dan 250 werknemers.

3.   Wanneer de lidstaten de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Zij delen de Commissie de tekst van deze bepalingen onverwijld mee.

Artikel 27

Verslaglegging, evaluatie en toetsing

1.  De lidstaten verstrekken de Commissie alle relevante informatie betreffende de uitvoering en toepassing van deze richtlijn. Uiterlijk op ... [2 jaar na de omzetting] dient de Commissie op basis van de verstrekte informatie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en toepassing van deze richtlijn.

2.  Onverminderd verslagleggingsverplichtingen krachtens andere rechtshandelingen van de Unie, zenden de lidstaten de Commissie jaarlijks, liefst in geaggregeerde vorm, de volgende statistieken over de in hoofdstuk III bedoelde meldingen toe, voor zover die op centraal niveau in de betrokken lidstaat beschikbaar zijn:

a)  het aantal door de bevoegde autoriteiten ontvangen meldingen;

b)  het aantal onderzoeken en procedures dat naar aanleiding van deze verslagen is ingeleid en het ▌resultaat daarvan;

c)  indien vastgesteld, de geschatte financiële schade ▌en de bedragen die zijn teruggevorderd na onderzoeken en procedures met betrekking tot de gemelde inbreuken.

3.  Uiterlijk op … [4 jaar na de omzetting] dient de Commissie, rekening houdend met haar krachtens lid 1 ingediende verslag en de krachtens lid 2 ingediende statistieken van de lidstaten, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van het effect van de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijn. In dat verslag wordt de toepassing van deze richtlijn geëvalueerd en nagegaan of er aanvullende maatregelen nodig zijn, waaronder eventuele wijzigingen om het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te breiden tot andere handelingen of gebieden van de Unie, met name het verbeteren van de werkomgeving ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers en de arbeidsomstandigheden.

Daarnaast wordt in dat verslag geëvalueerd hoe de lidstaten de bestaande samenwerkings­mechanismen hebben gebruikt in het kader van hun verplichtingen tot be- en afhandelen van meldingen van inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, en meer in het algemeen hoe zij samenwerken in gevallen van inbreuken met een grensoverschrijdende dimensie.

4.  De Commissie maakt de in de leden 1 en 3 genoemde verslagen openbaar en gemakkelijk toegankelijk.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 29

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Deel I

A.   Artikel 2, punt a) i) –overheidsopdrachten:

1.  Procedurele voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten en het gunnen van concessies, voor het gunnen van overeenkomsten op het gebied van defensie ▌en veiligheid, en voor het gunnen van overeenkomsten door entiteiten die werkzaam zijn op het gebied van water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, en alle andere overeenkomsten of diensten zoals die zijn geregeld bij:

i)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1);

ii)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65);

iii)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243);

iv)  Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76).

2.  Beroepsprocedures als geregeld bij:

i)  Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76 van 23.3.1992, blz. 14);

ii)  Richtlijn van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33).

B.  Artikel 2, punt a), ii) – financiële diensten, producten en markten, en voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

Regels tot vaststelling van een regelgevings- en toezichtskader en van consumenten- en beleggersbescherming op het gebied van financiële diensten en kapitaalmarkten van de Unie, bankdiensten, kredietverstrekking, beleggingen, verzekering en herverzekering, individuele en bedrijfspensioenproducten, effecten, beleggingsfondsen, betalingsdiensten, en de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338), als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaam­heden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7);

ii)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1);

iii)  Verordening (EU) nr. 236/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 betreffende short selling en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps (PB L 86 van 24.3.2012, blz. 1);

iv)  Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1);

v)  Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18);

vi)  Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34);

vii)  Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 77);

viii)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84);

ix)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35);

x)  Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 12);

xi)  Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennoot­schappen (PB L 184 van 14.7.2007, blz. 17);

xii)  Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toe­gelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38);

xiii)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1);

xiv)  Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1);

xv)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekerings­bedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1);

xvi)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190);

xvii)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1);

xviii)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149);

xix)  Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22);

xx)  Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggings­ondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

C.  Artikel 2, punt a), iii) – productveiligheid en productconformiteit:

1.  ▌Veiligheids- en conformiteitseisen voor producten die in de Unie in de handel worden gebracht, als omschreven en geregeld bij:

i)  Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4);

ii)  Harmonisatiewetgeving van de Unie die van toepassing is op vervaardigde producten, daaronder begrepen etiketteringsvoorschriften, met uitzondering van levensmiddelen, diervoeder, geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, levende planten en dieren, producten van menselijke oorsprong en producten van planten en dieren, rechtstreeks verband houdend met toekomstige vermeerdering ervan, zoals vermeld in de bijlagen bij Verordening XX betreffende markttoezicht en productconformiteit(29);

iii)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhang­wagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

2.  Het op de markt brengen en het gebruik van gevoelige en gevaarlijke producten, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.06.2009, blz. 1);

ii)  Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB L 256 van 13.9.1991, blz. 51);

iii)  Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (PB L 39 van 9.2.2013, blz. 1).

D.  Artikel 2, punt a), iv) – veiligheid van het vervoer:

1.  Veiligheidseisen in de spoorwegsector, als geregeld bij Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 102).

2.  Veiligheidseisen in de burgerluchtvaart, als geregeld bij Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35).

3.  Veiligheidseisen in het wegvervoer, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PB L 319 van 29.11.2008, blz. 59);

ii)  Richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PB L 167 van 30.4.2004, blz. 39);

iii)  Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoer­ondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).

4.  Veiligheidseisen in de zeevaart, als geregeld bij:

i)  Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (herziening) (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 11);

ii)  Verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 24);

iii)  Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 146);

iv)  Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 114);

v)  Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33);

vi)  Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35);

vii)  Richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor veilig laden en lossen van bulkschepen (PB L 13 van 16.1.2002, blz. 9).

5.  Veiligheidseisen als geregeld bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).

E.  Artikel 2, punt a), v) – bescherming van het milieu:

1.   Strafbare feiten ten aanzien van de bescherming van het milieu, als geregeld bij Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28) of onrechtmatige gedragingen waarbij inbreuk wordt gemaakt op de in de bijlagen bij Richtlijn 2008/99/EC vermelde wetgeving;

2.  Bepalingen met betrekking tot milieu en klimaat, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32);

ii)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16);iii) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1);

iii)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaat­verandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13);

iv)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

3.  Bepalingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling en afvalbeheer, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3);

ii)  Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 330 van 10.12.2013, blz. 1);

iii)   Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 60).

4.  Bepalingen met betrekking tot zee- en luchtverontreiniging en geluidshinder, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstof­verbruik en de CO2-uitstoot bij de verbranding van nieuwe personenauto's (PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16);

ii)  Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22);

iii)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12);

iv)  Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PB L 115 van 9.5.2003, blz. 1);

v)   Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56);

vi)  Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11);

vii)  Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1);

viii)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5);

ix)  Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO 2 -emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1);

x)  Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1);

xi)  Richtlijn 2009/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motor­voertuigen in benzinestations (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 36);

xii)  Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfs­voertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO 2 -emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1);

xiii)  Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1);

xiv)   Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 55);

xv)  Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1).

5.  Bepalingen met betrekking tot water- en bodembescherming en -beheer, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s (PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27);

ii)  Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het water­beleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84);

iii)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 18.1.2012, blz. 1).

6.  Bepalingen met betrekking tot de bescherming van de natuur en de biodiversiteit, als geregeld bij:

i)  Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad van 27 september 2001 tot vast­stelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 263 van 3.10.2001, blz. 1);

ii)  Verordening (EG) nr. 812/2004 van de Raad van 26.4.2004 tot vaststelling van maatregelen betreffende de bijvangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 12);

iii)  Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 36);

iv)  Verordening (EG) nr. 734/2008 van de Raad van 15 juli 2008 betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen in volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig (PB L 201 van 30.7.2008, blz. 8);

v)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7);

vi)  Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23);

vii)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35);

7.  Bepalingen met betrekking tot chemische stoffen, als geregeld bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

8.  Bepalingen met betrekking tot biologische producten, als geregeld bij Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).

F.  Artikel 2 punt a) vi) – stralingsbescherming en nucleaire veiligheid

Voorschriften inzake nucleaire veiligheid, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18);

ii)  Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voor­schriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12);

iii)  Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz. 1);

iv)  Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48);

v)  Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof (PB L 337 van 5.12.2006, blz. 21).

vi)  Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad van 15 januari 2016 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 en de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie (PB L 13 van 20.1.2016, blz. 2);

vii)  Verordening (Euratom) nr. 1493/93 van de Raad van 8 juni 1993 betreffende de overbrenging van radioactieve stoffen tussen lidstaten van de Europese Gemeenschap (PB L 148 van 19.6.1993, blz. 1).

G.  Artikel 2, punt a), vii) – veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn:

1.  Levensmiddelen- en diervoederwetgeving van de Unie waarvoor de algemene beginselen en voorschriften gelden die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

2.  Diergezondheid, als geregeld bij:

i)   Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheids­wetgeving") (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1);

ii)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1);

3.  Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).

4.   Bepalingen en normen met betrekking tot dierenbescherming en dierenwelzijn, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23);

ii)  Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1);

iii)  Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1);

iv)  Richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PB L 94 van 9.4.1999, blz. 24).

H.  Artikel 2, punt a), viii) – volksgezondheid:

1.  Maatregelen waarbij strenge kwaliteits- en veiligheidsnormen worden vastgesteld voor organen en stoffen van menselijke oorsprong, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG van de Raad (PB L 33 van 8.2.2003, blz. 30);

ii)  Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PB L 102 van 7.4.2004, blz. 48);

iii)  Richtlijn 2010/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 inzake kwaliteits- en veiligheidsnormen voor menselijke organen, bestemd voor transplantatie (PB L 207 van 6.8.2010, blz. 14).

2.  Maatregelen waarbij strenge kwaliteits- en veiligheidsnormen worden vastgesteld voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, als geregeld bij:

i)  Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1);

ii)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67);

iii)  Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2014, blz. 43);

iv)  Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1);

v)  Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1768/92, Richtlijn 2001/20/EG, Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 1);

vi)  Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121);

vii)  Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).

3.   Rechten van patiënten, als geregeld bij Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

4.  Productie, presentatie en verkoop van tabaks- en aanverwante producten, als geregeld bij Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid­staten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1).

I.  Artikel 2, punt a), ix) – consumentenbescherming:

Consumentenrechten en consumentenbescherming, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB L 80 van 18.3.1998, blz. 27);

ii)  Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171 van 7.7.1999, blz. 12);

iii)  Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16);

iv)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad ("Richtlijn oneerlijke handels­praktijken") (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22);

v)  Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66);

vi)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64);

vii)  Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214).

J.  Artikel 2, punt a), x) – bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoons­gegevens, en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen:

i)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37);

ii)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1);

iii)  Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).

Deel II

Artikel 3, lid 1, van de richtlijn heeft betrekking op de volgende wetgeving van de Unie:

A.  Artikel 2, punt a), ii) – financiële diensten, producten en markten, en voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

1.  Financiële diensten:

i)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32);

ii)  Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfs­pensioenvoorziening (IBPV's) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37);

iii)  Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaar­rekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87);

iv)  Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1);

v)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338);

vi)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349);

vii)  Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1);

viii)  Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retail­beleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1);

ix)  Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1);

x)  Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) (PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19);

xi)  Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).

2.  Voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

i)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73);

ii)  Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006 (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 1).

B.  Artikel 2, punt a), iv) – veiligheid van het vervoer:

i)  Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burger­luchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18);

ii)  Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006 (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1);

iii)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

C.  Artikel 2, punt a), v) – bescherming van het milieu:

i)  Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de richtlijn inzake bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

Bij de toetsing op grond van artikel 27 van de richtlijn, zal de Commissie nagaan of het mogelijk is het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot bepaalde handelingen op grond van de artikelen 153 en 157 VWEU, in voorkomend geval na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig artikel 154 VWEU.

(1)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(2)PB C […] van […], blz. […].
(3)PB C […] van […], blz. […].
(4)PB C […] van […], blz. […].
(5) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(6)Mededeling van de Commissie getiteld "Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector" (COM(2010)0716 van 8.12.2010).
(7)De toepasselijke wetgeving inzake harmonisatie in de Unie wordt omschreven en opgesomd in Verordening [XXX] tot vaststelling van voorschriften en procedures voor de naleving en de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie (2017/0353(COD)).
(8)Geregeld bij Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4).
(9)Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart(PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).
(10)Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).
(11)COM(2018)0010.
(12)Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).
(13)Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/71/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 219 van 25.7.2014, blz. 42).
(14)Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(15)PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(16)Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie.
(17)PB C 313 van 23.10.1996, blz. 1.
(18)PB C 151 van 20.5.1997, blz. 1.
(19)PB L 173 van 31.3.2016, blz. 1.
(20)Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie van 17 december 2015 bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 126).
(21)PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.
(22)CM/Rec (2014)7.
(23)Eerder aangehaald.
(24)Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart(PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).
(25)Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).
(26)Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(27)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(28)Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1).
(29)2017/0353 (COD) - Het betreft een actueel voorstel voor een Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende markttoezicht en product­conformiteit en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011, waarin in de bijlage alle geharmoniseerde wetgeving met voorschriften inzake productontwerp en -etikettering is opgenomen.

Laatst bijgewerkt op: 29 april 2019Juridische mededeling