Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2016/0361(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0216/2018

Ingediende teksten :

A8-0216/2018

Debatten :

PV 15/04/2019 - 17
CRE 15/04/2019 - 17

Stemmingen :

PV 16/04/2019 - 8.13
CRE 16/04/2019 - 8.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0371

Aangenomen teksten
PDF 329kWORD 111k
Dinsdag 16 april 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (verordening) ***I
P8_TA-PROV(2019)0371A8-0216/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (COM(2016)0851 – C8-0478/2016 – 2016/0361(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0851),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0478/2016),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0216/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 34 van 31.1.2018, blz. 17.
(2) PB C 209 van 30.6.2017, blz. 36.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014 met betrekking tot de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen
P8_TC1-COD(2016)0361

(voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(1) ,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2) ,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 9 november 2015 publiceerde de Raad voor financiële stabiliteit de "Total Loss-Absorbing Capacity (TLAC) Term Sheet" ("de TLAC-norm"), die in november 2015 door de G20 werd bekrachtigd. Doel van de TLAC-norm is te waarborgen dat mondiaal systeemrelevante banken , die in het regelgevings­kader van de Unie mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) worden genoemd, over de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit beschikken die nodig is om er mee voor te zorgen dat bij, en onmiddellijk volgend op, een afwikkeling, die instellingen kritieke functies kunnen voortzetten zonder dat het geld van de belastingbetaler (overheidsmiddelen) of de financiële stabiliteit in gevaar komt. In haar mededeling van 24 november 2015, "Naar de voltooiing van de bankenunie", heeft de Commissie toegezegd om tegen eind 2016 met een wetgevingsvoorstel te komen waarmee de TLAC-norm tegen de internationaal overeengekomen termijn van 2019 in Unierecht kan worden omgezet.

(2)  Voor de invoering van de TLAC-norm in Unierecht moet rekening worden gehouden met het bestaande instellingspecifieke minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (minimum requirement for own funds and eligible liabilities - "MREL"), dat van toepassing is op alle in de Unie gevestigde kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (instellingen), alsmede op iedere andere in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(4) bedoelde entiteit, (entiteiten). Aangezien de TLAC-norm en het MREL hetzelfde doel nastreven, namelijk ervoor zorgen dat de in de Unie gevestigde instellingen en entiteiten voldoende verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit hebben, moeten de twee vereisten complementaire elementen van een gemeenschappelijk kader zijn. Het geharmoniseerde minimumniveau van de TLAC-norm voor MSI's ("minimale TLAC-vereiste") moet in de wetgeving van de Unie worden ingevoerd door wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013(5), terwijl de instellingspecifieke verhoging voor MSI's en het instellingspecifieke vereiste voor niet-MSI's, dat het MREL wordt genoemd, moeten worden aangepakt door gerichte wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(6). De bepalingen van Verordening (EU) nr. 806/2014, als gewijzigd bij deze verordening, betreffende de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van instellingen en entiteiten moeten op een wijze die in overeenstemming is met die in Verordening (EU) nr. 575/2013 en in Richtlijnen 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) en 2014/59/EU worden toegepast.

(3)  Het ontbreken van geharmoniseerde regels in de lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme met betrekking tot de invoering van de TLAC-norm leidt tot extra kosten en rechtsonzekerheid, ▌ en bemoeilijkt de toepassing van het bail-in-instrument voor grensoverschrijdende instellingen en entiteiten. Het ontbreken van geharmoniseerde regels van de Unie leidt ook tot vervalsing van de mededinging op de interne markt aangezien de kosten voor instellingen en entiteiten om aan de bestaande vereisten en de TLAC-norm te voldoen, aanzienlijk kunnen verschillen tussen de lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme. Daarom is het noodzakelijk om deze belemmeringen voor de werking van de interne markt weg te nemen en vervalsing van de mededinging als gevolg van het ontbreken van geharmoniseerde regels met betrekking tot de invoering van de TLAC‑norm te vermijden. Bijgevolg is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, de passende rechtsgrond voor deze verordening.

(4)  Overeenkomstig de TLAC-norm moet Verordening (EU) nr. 806/2014 zowel de afwikkelingsstrategie "Single Point of Entry" ("SPE" – één enkel toegangspunt) als de afwikkelingsstrategie "Multiple Points of Entry" ("MPE" – meerdere toegangspunten) blijven erkennen. Bij de SPE-afwikkelingsstrategie wordt slechts één entiteit van de groep, meestal de moederonderneming, afgewikkeld terwijl andere entiteiten van de groep, meestal operationele dochterondernemingen, niet in afwikkeling worden geplaatst maar hun verliezen en herkapitalisatiebehoeften overdragen aan de af te wikkelen entiteit. Bij de MPE‑afwikkelingsstrategie kan meer dan één entiteit van de groep worden afgewikkeld. Een duidelijke identificatie van de af te wikkelen entiteiten, dat wil zeggen de entiteiten waarop afwikkelings­maatregelen kunnen worden toegepast, tezamen met dochterondernemingen die tot die entiteiten behoren ("af te wikkelen groepen"), is van belang voor een doeltreffende toepassing van de gewenste afwikkelingsstrategie. Die identificatie is ook relevant voor het bepalen van de mate waarin instellingen en entiteiten de regels inzake verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit moeten toepassen. Het is daarom noodzakelijk om de begrippen "af te wikkelen entiteit" en "af te wikkelen groep" te introduceren en Verordening (EU) nr. 806/2014 te wijzigen met betrekking tot de planning van de afwikkeling van een groep om de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad ("de afwikkelingsraad") uitdrukkelijk te verplichten de af te wikkelen entiteiten en af te wikkelen groepen binnen een groep te bepalen en terdege rekening te houden met de gevolgen van een voorgenomen ▌ maatregel binnen de groep teneinde doeltreffende afwikkeling van de groep te verzekeren.

(5)  De afwikkelingsraad moet ervoor zorgen dat instellingen en entiteiten voldoende verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit hebben om ervoor te zorgen dat de absorptie van verliezen en de herkapitalisatie bij afwikkeling soepel en snel verlopen met minimale gevolgen voor de belastingbetaler en de financiële stabiliteit. Dat moet worden bereikt door instellingen te verplichten een instellingspecifiek MREL na te leven, als bepaald in Verordening (EU) nr. 806/2014.

(6)  Om de noemers die de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van instellingen en entiteiten meten, in overeenstemming te brengen met die welke in de TLAC-norm zijn vastgesteld, moet het MREL worden uitgedrukt als een percentage van de totale risicoposten en van de totale blootstellingsmaatstaf van de betrokken instelling of entiteit, en instellingen of entiteiten moeten tegelijkertijd voldoen aan de niveaus die uit de twee berekeningen voortkomen.

(7)  Met het oog op een gelijk speelveld voor instellingen en entiteiten die in de Unie zijn gevestigd, ook op mondiaal niveau, moeten de criteria waaraan bail-inbare passiva moeten voldoen om in aanmerking te komen voor het MREL, nauw worden afgestemd op die welke in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgesteld voor het minimale TLAC-vereiste, maar met toepassing van de aanvullende aanpassingen en vereisten die in de onderhavige verordening zijn opgenomen. Met name moeten bepaalde schuldinstrumenten met een verankerd derivaatelement, zoals bepaalde gestructureerde obligaties ("structured notes"), onder bepaalde voorwaarden, in aanmerking komen voor het MREL voor zover zij een op de vervaldag terug te betalen en vooraf bekende vaste of stijgende hoofdsom hebben, terwijl slechts een extra rendement aan dat derivaatelement gekoppeld is en afhankelijk is van de prestaties van een referentieactief. Gelet op die voorwaarden zullen die schuldinstrumenten bij afwikkeling naar verwachting zeer verliesabsorberend en gemakkelijk bail-inbaar zijn. Indien het eigen vermogen waarover instellingen of entiteiten beschikken, de eigenvermogensvereisten overstijgt, mag dit feit op zich niet van invloed zijn op beslissingen betreffende de bepaling van het MREL. Bovendien moeten instellingen en entiteiten aan elk deel van hun MREL kunnen voldoen met eigen vermogen.

(8)  De passiva die worden gebruikt om aan het MREL te voldoen omvatten in beginsel alle passiva die voortvloeien uit vorderingen van gewone concurrente ▌ schuldeisers (niet‑achtergestelde passiva), tenzij ze niet voldoen aan in deze verordening bepaalde specifieke criteria om in aanmerking te komen. Om de afwikkelbaarheid van instellingen en entiteiten te verbeteren door een doeltreffend gebruik van het bail-in-instrument, moet de afwikkelings­raad kunnen eisen dat met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL wordt voldaan, vooral als er duidelijke aanwijzingen zijn dat bij een bail-in betrokken schuld­eisers bij afwikkeling waarschijnlijk verliezen zullen lijden die groter zijn dan de verliezen die ze in een normale insolventieprocedure zouden lijden. De afwikkelingsraad moet beoordelen of instellingen en entiteiten ertoe moeten worden verplicht om met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL te voldoen indien de hoeveelheid passiva die van de toepassing van het bail-in-instrument zijn uitgesloten een bepaalde drempel bereikt binnen een categorie passiva die voor het MREL in aanmerking komende passiva omvat.

Instellingen en entiteiten moeten met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL voldoen, voor zover dat nodig is om te voorkomen dat hun schuldeisers bij afwikkeling grotere verliezen zouden lijden dan die welke zij in een normale insolventieprocedure zouden lijden.

(9)  Een door de afwikkelingsraad gevraagde achterstelling van schuldinstrumenten voor het MREL mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om deels met niet-achtergestelde schuldinstrumenten aan het minimale TLAC-vereiste te voldoen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 zoals toegestaan door de TLAC-norm. Ten aanzien van af te wikkelen entiteiten van MSI's, af te wikkelen entiteiten van af te wikkelen groepen met activa boven 100 miljard EUR (top-tier banken), en voor af te wikkelen entiteiten van af te wikkelen groepen met activa onder 100 miljard EUR waarvan de nationale afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat zij bij een faillissement waarschijnlijk een systeemrisico opleveren, gelet op het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel, de beperkte toegang tot de kapitaal­markten voor in aanmerking komende passiva en de mate waarin wordt gesteund op tier 1-kernkapitaal voor het voldoen aan het MREL, moet de afwikkelingsraad kunnen eisen dat aan een deel van het MREL dat gelijk is aan het niveau van verliesabsorptie en herkapitalisatie bedoeld in artikel 27, lid 7, van Verordening (EU) nr. 806/2014 als gewijzigd bij deze verordening wordt voldaan met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva, waaronder eigen vermogen dat is gebruikt om te voldoen aan het in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde gecombineerde buffervereiste.

(10)  Op verzoek van een af te wikkelen entiteit moet de afwikkelingsraad het deel van MREL dat met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva moet worden voldaan, kunnen verminderen tot een niveau dat overeenkomt met het gedeelte van de vermindering dat toegestaan is op grond van artikel 72 ter, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 in verband met het in die verordening bepaalde TLAC-minimumvereiste. De afwikkelingsraad moet , overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel, kunnen eisen dat met eigen vermogen en andere achtergestelde passiva aan het MREL wordt voldaan voor zover het algemeen niveau van de nodige achtergestelde passiva in de vorm van eigenvermogenbestanddelen en in aanmerking komende passivabestanddelen die voortvloeien uit de verplichting van instellingen en entiteiten om te voldoen aan het TLAC-minimumvereiste, het MREL en, indien van toepassing, het gecombineerde buffervereiste overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU als gewijzigd bij deze verordening, het niveau van verliesabsorptie en herkapitalisatie bedoeld in artikel 27, lid 7, van Verordening (EU) nr. 806/2014 of, indien hoger, de formule die wordt beschreven in deze verordening op basis van de prudentiële vereisten van pijler 1 en pijler 2 en het gecombineerde buffervereiste niet overschrijdt.

(11)  Voor specifieke top-tier banken moet de afwikkelingsraad, onder door hemzelf te beoordelen voorwaarden, het niveau van het minimumvereiste voor achterstelling beperken tot een bepaalde drempel, mede rekening houdend met het mogelijke risico dat het bedrijfs­model van die instellingen onevenredig wordt beïnvloed. Die beperking mag geen afbreuk doen aan de mogelijkheid om boven deze grens een achterstellingsvereiste vast te leggen door middel van het vereiste van achterstelling uit hoofde van pijler 2, mede onder de op pijler 2 toepasselijke voorwaarden, op basis van alternatieve criteria, namelijk belemmeringen voor de afwikkelbaarheid, of de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de afwikkelingsstrategie, of het risicoprofiel van de instelling.

(12)  Het MREL moet instellingen en entiteiten in staat stellen om de verwachte verliezen bij afwikkeling of op het moment van niet-levensvatbaarheid, naargelang het geval, op te vangen, en om na de uitvoering van de in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep te herkapitaliseren. De afwikkelingsraad moet, op basis van de door hem gekozen afwikkelingsstrategie, het opgelegde niveau van het MREL naar behoren rechtvaardigen ▌ en moet dat niveau zonder onnodige vertraging evalueren om rekening te houden met eventuele wijzigingen in het niveau van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste ▌. Als zodanig moet het opgelegde niveau van het MREL▌ de som zijn van het bedrag van de bij afwikkeling verwachte verliezen die overeenkomen met de eigenvermogensvereisten van de instelling of entiteit en het herkapitalisatiebedrag dat de instelling of entiteit in staat stelt na afwikkeling of na de uitoefening van de afschrijvings- of omzettings­bevoegdheden aan haar eigenvermogensvereisten te voldoen als voorwaarde om haar activiteiten onder de gekozen afwikkelingsstrategie te mogen uitoefenen De afwikkelingsraad ▌ moet de herkapitalisatiebedragen naar beneden of naar boven bijstellen voor eventuele wijzigingen die voortvloeien uit de in het afwikkelingsplan beschreven maatregelen.

(13)  De afwikkelingsraad moet het herkapitalisatiebedrag kunnen verhogen opdat de markt voldoende vertrouwen heeft in de instelling of entiteit nadat de in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen zijn uitgevoerd. Het vereiste niveau van de marktvertrouwenbuffer moet de instelling of entiteit in staat stellen om gedurende een passende termijn aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen, zodat de instelling of entiteit onder meer haar kosten in verband met de herstructurering van haar activiteiten na afwikkeling kan dekken en voldoende marktvertrouwen kan behouden. De marktvertrouwenbuffer moet worden vastgesteld onder verwijzing naar een deel van het gecombineerde buffer­vereiste uit hoofde van Richtlijn 2013/36/EU. De afwikkelingsraad moet het niveau van de marktvertrouwenbuffer naar beneden bijstellen indien een lager niveau volstaat om voldoende marktvertrouwen te waarborgen, of moet dat niveau naar boven bijstellen indien een hoger niveau noodzakelijk is om te verzekeren dat de entiteit, na de in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen, gedurende een passende termijn aan de voorwaarden voor haar vergunning blijft voldoen en voldoende marktvertrouwen behoudt.

(14)  Overeenkomstig Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075(8) van de Commissie moet de afwikkelingsraad de beleggersbasis van de MREL-instrumenten van een individuele instelling of entiteit onderzoeken. Indien een aanzienlijk deel van de MREL-instrumenten van een instelling wordt aangehouden door niet-professionele beleggers die mogelijkerwijs niet naar behoren werden gewezen op de relevante risico's, zou dit op zich een belemmering voor de afwikkeling kunnen vormen. Daarnaast kunnen, indien een groot deel van de MREL-instrumenten van een instelling of entiteit door andere instellingen of entiteiten wordt aangehouden, de systemische gevolgen van een afschrijving of omzetting een belemmering voor de afwikkelbaarheid vormen. Indien de afwikkelingsraad in de omvang en aard van een bepaalde beleggersbasis een belemmering voor de afwikkelbaarheid vaststelt, moet hij een instelling of entiteit kunnen aanbevelen die belemmering aan te pakken.

(15)  Om hun afwikkelbaarheid te verbeteren, moet de afwikkelingsraad MSI's een instellingspecifiek MREL kunnen opleggen naast het in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde minimale TLAC-vereiste. Dit instellingspecifieke MREL moet worden opgelegd als het minimale TLAC-vereiste niet volstaat om verliezen te absorberen en een MSI te herkapitaliseren onder de gekozen afwikkelingsstrategie.

(16)  Bij het bepalen van het niveau van het MREL moet de afwikkelingsraad rekening houden met de systeemrelevantie van een instelling of entiteit en de mogelijke nadelige gevolgen van haar faillissement voor de financiële stabiliteit. De afwikkelingsraad moet rekening houden met de noodzaak van een gelijk speelveld voor de MSI's en andere vergelijkbare systeem­relevante instellingen of entiteiten binnen de deelnemende lidstaten. Bijgevolg mag het MREL van instellingen of entiteiten die geen MSI zijn maar waarvan de systeemrelevantie binnen de deelnemende lidstaten vergelijkbaar is met die van MSI's niet onevenredig afwijken van de hoogte en samenstelling van het voor MSI's algemeen vastgestelde MREL.

(17)  Overeenkomstig Verordening nr. 575/2013 moet het MREL voor instellingen of entiteiten die als af te wikkelen entiteiten zijn aangemerkt alleen gelden op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep. Dit betekent dat af te wikkelen entiteiten, om aan het MREL te voldoen, ertoe moeten worden verplicht in aanmerking komende instrumenten en bestanddelen uit te geven aan externe schuldeisers die bij de bail-in betrokken zouden worden mocht de af te wikkelen entiteit in afwikkeling gaan.

(18)  Instellingen of entiteiten die geen af te wikkelen entiteiten zijn, moeten op individueel niveau aan het MREL voldoen. Aan de verliesabsorptie- en herkapitalisatiebehoeften van die instellingen of entiteiten moet over het algemeen door hun respectieve af te wikkelen entiteiten worden voldaan via de directe of indirecte verwerving door die af te wikkelen entiteiten van eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door die instellingen of entiteiten zijn uitgegeven en door hun afschrijving of omzetting in eigendomsinstrumenten wanneer die instellingen of entiteiten niet langer levensvatbaar zijn. Als zodanig moet het MREL dat van toepassing is op instellingen of entiteiten die geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden toegepast samen en in overeenstemming met de vereisten die op af te wikkelen entiteiten van toepassing zijn. Dat moet de afwikkelingsraad toelaten een af te wikkelen groep af te wikkelen zonder bepaalde van haar dochterondernemingen in afwikkeling te plaatsen, waardoor potentieel verstorende effecten op de markt worden vermeden. De toepassing van het MREL op instellingen of entiteiten die geen af te wikkelen entiteiten zijn, moet in overeenstemming zijn met de gekozen afwikkelingsstrategie; ze mag met name de eigendomsrelatie tussen instellingen en hun af te wikkelen groep na herkapitalisatie van die instellingen niet wijzigen.

(19)  Indien zowel de af te wikkelen entiteit als de moedermaatschappij en haar dochterondernemingen in dezelfde lidstaat zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, moet de afwikkelingsraad kunnen afzien van de toepassing van het betreffende MREL op die dochterondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, of hen in staat stellen om aan het MREL te voldoen met door garanties gedekte zekerheden tussen de moedermaatschappij en haar dochter­ondernemingen die kunnen worden geactiveerd wanneer voldaan is aan de tijds­voorwaarden die overeenkomen met die welke de afschrijving of omzetting van in aanmerking komende passiva toelaten. De zekerheid ter dekking van de garantie moet zeer liquide zijn en een minimaal markt- en kredietrisico inhouden. ▌

(20)  In Verordening (EU) nr. 575/2013 is bepaald dat de bevoegde autoriteiten kredietinstellingen die blijvend bij een centraal orgaan zijn aangesloten ("coöperatieve netwerken"), op grond waarvan zij aan bepaalde specifieke voorwaarden moeten voldoen, kunnen vrijstellen van de toepassing van bepaalde solvabiliteits- en liquiditeitsvereisten. Om rekening te houden met de specifieke kenmerken van dergelijke coöperatieve netwerken, moet de afwikkelingsraad die kredietinstellingen en het centrale orgaan ook kunnen vrijstellen van de toepassing van het MREL onder soortgelijke voorwaarden als die van Verordening (EU) nr. 575/2013 indien de kredietinstellingen en het centrale orgaan in dezelfde lidstaat zijn gevestigd. De afwikkelingsraad moet tevens kredietinstellingen en het centrale orgaan als een geheel kunnen behandelen bij de beoordeling van de afwikkelings­voorwaarden, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteits­mechanisme. De afwikkelingsraad moet de naleving van het externe MREL door de af te wikkelen groep als geheel op verschillende manieren kunnen waarborgen, afhankelijk van de kenmerken van het solidariteitsmechanisme van iedere groep, door telling van de in aanmerking komende passiva van entiteiten, die overeenkomstig het afwikkelingsplan er door de afwikkelings­raad toe worden verplicht instrumenten die in aanmerking komen voor het MREL, buiten de afwikkelingsgroep uit te geven.

(21)  De bevoegde autoriteiten, de afwikkelingsautoriteiten en de afwikkelingsraad moeten inbreuken op het minimale TLAC-vereiste en op het MREL op passende wijze aanpakken en verhelpen. Aangezien de niet-naleving van die vereisten een belemmering kan vormen voor de afwikkelbaarheid van de instelling of groep, moeten de bestaande procedures om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid weg te nemen, worden ingekort om elke niet-naleving van de vereisten doelmatig aan te pakken. De afwikkelingsraad moet instellingen of entiteiten er ook toe kunnen verplichten om de looptijdprofielen van in aanmerking komende instrumenten en bestanddelen te wijzigen en om plannen op te stellen en uit te voeren om opnieuw aan het niveau van die vereisten te voldoen. De afwikkelingsraad moet tevens bepaalde uitkeringen kunnen verbieden indien hij van oordeel is dat een instelling of entiteit niet voldoet aan de gecombineerde buffervereisten van Richtlijn 2013/36/EU wanneer deze naast het MREL in aanmerking worden genomen.

(22)  Deze verordening is in overeenstemming met de grondrechten en beginselen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, in het bijzonder het recht op eigendom en de vrijheid van ondernemerschap, en moet in overeenstemming met die rechten en beginselen worden toegepast.

(23)  Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van eenvormige regels voor het herstel- en afwikkelingskader in de Unie voor instellingen en entiteiten, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie deze verordening vaststellen in overeenstemming met het subsidiariteitsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(24)  Om voldoende tijd te laten voor de toepassing van deze verordening, moet deze verordening met ingang van ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] worden toegepast,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Wanneer de entiteit het in de tweede alinea bedoelde tijdschema voor de uitvoering van de voorgestelde maatregelen voorstelt, moet ze rekening houden met de redenen voor de wezenlijke belemmering. Na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, waaronder de ECB, beoordeelt de afwikkelingsraad of deze maatregelen de betreffende wezenlijke belemmering doeltreffend aanpakken of wegnemen.";

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EU) nr. 806/2014

Verordening (EU) nr. 806/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 3 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)  punt 21) wordt vervangen door:"

"21) "dochteronderneming": een dochteronderneming zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 16, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en, voor de toepassing van artikel 8, artikel 10, lid 10, de artikelen 12 tot en met 12 duodecies en de artikelen 21 en 53 van deze verordening op af te wikkelen groepen als bedoeld in punt 24 ter, punt b) van dit lid, met inbegrip van, indien en waar passend, kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan, het centrale orgaan zelf, en hun respectieve dochterondernemingen, rekening houdend met de manier waarop dergelijke af te wikkelen groepen voldoen aan artikel 12 septies, lid 3, van deze verordening;

   21 bis) ”dochteronderneming van wezenlijk belang”: een dochteronderneming van wezenlijk belang zoals gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 135;”

"

b)  de volgende punten worden ingevoegd:"

"24 bis) "af te wikkelen entiteit": een in een deelnemende lidstaat gevestigde rechtspersoon, die overeenkomstig artikel 8 door de afwikkelingsraad wordt aangemerkt als een entiteit waarvoor het afwikkelingsplan in een afwikkelingsmaatregel voorziet;

   24 ter) "af te wikkelen groep" ▌:
   a) een af te wikkelen entiteit samen met haar dochterondernemingen die:
   i) zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn;
   ii) geen dochterondernemingen van andere af te wikkelen entiteiten zijn ▌; of
   iii) geen in een derde land gevestigde entiteiten zijn die volgens het afwikkelingsplan geen deel uitmaken van de af te wikkelen groep, noch dochterondernemingen van die entiteiten; of
   b) geen kredietinstellingen zijn die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan en het centrale orgaan zelf, indien ten minste een van deze krediet­instellingen of het centrale orgaan een af te wikkelen entiteit is, en hun respectieve dochterondernemingen.
   24 quater) "mondiaal systeemrelevante instelling" of "MSI": een MSI als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 133, van Verordening (EU) nr. 575/2013;";

"

c)  het volgende punt wordt ingevoegd:"

"45 bis. "tier 1-kernkapitaal": tier 1-kernkapitaal als berekend overeenkomstig artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013;";

"

d)  in punt 48 wordt "in aanmerking komende passiva" vervangen door "bail-inbare passiva";

e)  punt 49 wordt vervangen door:"

"49) "bail-inbare passiva": de passiva en kapitaalinstrumenten die niet in aanmerking komen als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullende tier 1‑instrumenten of tier 2-instrumenten van een entiteit als bedoeld in artikel 2 die niet van het toepassingsgebied van het instrument van bail-in zijn uitgesloten op grond van artikel 27, lid 3;

"

f)  de volgende punten worden ingevoegd:"

"49 bis) "in aanmerking komende passiva": bail-inbare passiva die, naargelang het geval, aan de voorwaarden van artikel 12 quater of artikel 12 octies, lid 2, punt a), van deze verordening voldoen, alsmede tier 2-instrumenten die aan de voorwaarden van artikel 72 bis, lid 1, punt b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen;";

   49 ter) "achtergestelde in aanmerking komende instrumenten": instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde andere voorwaarden dan die van Artikel 72 ter, leden 3 tot en met 5, van die verordening;";

"

g)  het volgende punt wordt ingevoegd:"

"55) "gecombineerde buffervereiste": gecombineerde buffervereiste zoals gedefinieerd in artikel 128, punt 6), van Verordening 2013/36/EU.".

"

2)  in artikel 7, lid 3, wordt punt d) vervangen door:"

"d) het overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 12 duodecies vaststellen van het niveau van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva;";

"

3)  artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 5 wordt vervangen door:"

"5. Het afwikkelingsplan beschrijft mogelijkheden voor de toepassing van de in deze verordening bedoelde afwikkelingsinstrumenten en de uitoefening van de in deze verordening bedoelde afwikkelingsbevoegdheden op de in lid 1 bedoelde entiteiten.";

"

b)  in lid 6 worden de eerste en tweede alinea vervangen door:"

"Het afwikkelingsplan voorziet in de afwikkelingsmaatregelen die de afwikkelings­raad kan nemen indien een in lid 1 bedoelde entiteit aan de afwikkelingsvoorwaarden voldoet.

De in lid 9, punt a), bedoelde informatie wordt bekendgemaakt aan de betrokken entiteit.";

"

c)  in lid 9 worden de punten o) en p) vervangen door:"

"o) de in artikel 12 septies en 12 octies bedoelde vereisten, en een termijn voor het bereiken van dat niveau, overeenkomstig artikel 12 duodecies;

   p) indien de afwikkelingsraad artikel 12 quater, lid 4, lid 5 of lid 7 toepast, een termijn voor naleving door de af te wikkelen entiteit overeenkomstig artikel 12 duodecies;";

"

d)  lid 10 wordt vervangen door:"

"10. Groepsafwikkelingsplannen bevatten een plan voor de afwikkeling van de in lid 1 bedoelde groep, geleid door de in een deelnemende lidstaat gevestigde EU-moederonderneming, en bevatten maatregelen die moeten worden genomen met betrekking tot:

   a) de EU-moederonderneming;
   b) de in de Unie gevestigde dochterondernemingen die deel uitmaken van de groep;
   c) de in artikel 2, punt b), bedoelde entiteiten; en
   d) onder voorbehoud van artikel 33, de buiten de Unie gevestigde dochter­ondernemingen die deel uitmaken van de groep.

In overeenstemming met de in de eerste alinea genoemde maatregelen vermeldt het afwikkelingsplan voor elke groep de af te wikkelen entiteiten en de af te wikkelen groepen.";

"

e)  in lid 11 worden de punten a) en b) vervangen door:"

"a) beschrijft de afwikkelingsmaatregelen die getroffen moeten worden ten aanzien van af te wikkelen entiteiten in de scenario's als bedoeld in lid 6 en de gevolgen van die afwikkelingsmaatregelen voor andere groepsentiteiten, de moederonderneming en de dochterinstellingen als bedoeld in lid 1;

   a bis) beschrijft, indien een in lid 1 bedoelde groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, de afwikkelingsmaatregelen die getroffen moeten worden ten aanzien van de af te wikkelen entiteiten van elke af te wikkelen groep en de gevolgen van die maatregelen voor zowel:
   i) andere entiteiten van de groep die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren;
   ii) andere af te wikkelen groepen;
   b) onderzoekt in welke mate, op een gecoördineerde wijze, de afwikkelingsinstrumenten kunnen worden toegepast en de afwikkelingsbevoegdheden kunnen worden- uitgeoefend ten aanzien van in de Unie gevestigde af te wikkelen entiteiten, met inbegrip van maatregelen die de overname door een derde van de groep als geheel, van afzonderlijke bedrijfsonderdelen of -activiteiten van een aantal groeps­entiteiten, of van bepaalde groepsentiteiten of af te wikkelen groepen, faciliteren, en vermeldt mogelijke belemmeringen voor een gecoördineerde afwikkeling;";

"

f)  aan lid 12 worden de volgende alinea's toegevoegd:"

"De in de eerste alinea van dit lid bedoelde evaluatie wordt verricht na het uitvoeren van afwikkelingsmaatregelen of het uitoefenen van de in artikel 21 bedoelde bevoegdheden.

Bij het vaststellen van de in lid 9, punten o) en p), bedoelde termijnen in de in de derde alinea van dit lid bedoelde omstandigheden, houdt de afwikkelingsraad rekening met de termijn om te voldoen aan het in artikel 104 ter van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste.";

"

4)  artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 4 wordt vervangen door:"

"4. Een groep wordt geacht afwikkelbaar te zijn indien het haalbaar en geloofwaardig is dat de afwikkelingsraad groepsentiteiten ofwel volgens een normale insolventieprocedure liquideert ofwel deze afwikkelt door met betrekking tot af te wikkelen entiteiten van die groep afwikkelingsinstrumenten toe te passen en afwikkelings­bevoegdheden uit te oefenen in verband met die entiteiten, met maximale voorkoming van belangrijke nadelige gevolgen voor de financiële systemen van de lidstaten waar de groepsentiteiten zich bevinden of van andere lidstaten of de Unie, met inbegrip van algemenere financiële instabiliteit of systeembrede gebeurtenissen, met het oog op de continuïteit van kritieke functies die door die groeps­entiteiten worden verricht, indien deze gemakkelijk en snel kunnen worden afgesplitst, ofwel via andere middelen.

De afwikkelingsraad stelt de EBA er tijdig van in kennis indien een groep niet afwikkelbaar wordt geacht.

Indien een groep uit meer dan één af te wikkelen groep bestaat, beoordeelt de afwikkelingsraad de afwikkelbaarheid van elke af te wikkelen groep overeenkomstig dit artikel.

De in de eerste alinea bedoelde beoordeling wordt uitgevoerd in aanvulling op de beoordeling van de afwikkelbaarheid van de hele groep.";

"

b)  aan lid 9 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Binnen twee weken na de datum van ontvangst van een overeenkomstig lid 7 van dit artikel opgesteld verslag, stelt de entiteit aan de afwikkelingsraad mogelijke maatregelen en een tijdschema voor hun uitvoering voor, om te waarborgen dat de entiteit of de moederonderneming voldoet aan artikel 12 septies of artikel 12 octies, en aan het gecombineerde buffervereiste, indien een wezenlijke belemmering voor de afwikkelbaarheid te wijten is aan een van de volgende situaties:

   i) de entiteit voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten, bedoeld in artikel 141 bis, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU, maar zij voldoet niet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast de vereisten, bedoeld in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening, bij berekening overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), van deze verordening; of
   ii) de entiteit voldoet niet aan de vereisten van de artikelen 92 bis en 494 van Verordening (EU) nr. 575/2013 of de vereisten van de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening."

"

c)  lid 11 wordt als volgt gewijzigd:

i)  in de punten i) en j) wordt "artikel 12" vervangen door "de artikelen 12 septies en 12 octies";

ii)  de volgende punten worden toegevoegd:"

"k) eisen dat een entiteit een plan indient om de naleving te herstellen van de vereisten van de artikelen 12 septies en 12 octies van deze verordening, uitgedrukt als een percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 alsook, in voorkomend geval, aan het gecombineerde buffervereiste en de vereisten van artikel 12 septies of artikel 12 octies van deze verordening, uitgedrukt als percentage van de totale blootstellingsmaatstaf als bedoeld in de artikelen 429 en 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013;

   l) om te zorgen voor voortdurende naleving van artikel 12 septies of 12 octies, eisen dat een entiteit het looptijdprofiel wijzigt van ▌:
   i) eigenvermogensinstrumenten, na instemming van de bevoegde autoriteiten, waaronder de ECB, en
   ii) in aanmerking komende passiva als bedoeld in artikel 12 quater en artikel 12 octies, lid 2, punt a).";

"

5)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 10 bis

Bevoegdheid om bepaalde uitkeringen te verbieden

1.  Indien een entiteit zich in een situatie bevindt waarin zij voldoet aan het gecombineerde buffervereiste, wanneer dit vereiste in beschouwing wordt genomen naast elk van de vereisten, bedoeld in artikel 141 bis, lid 1, punten a), b) en c), van Richtlijn 2013/36/EU, maar niet aan het gecombineerde buffervereiste voldoet wanneer het in beschouwing wordt genomen naast de vereisten, bedoeld in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening, als berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), van deze verordening heeft de afwikkelingsraad de bevoegdheid, overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel, een entiteit te verbieden uitkeringen voor een bedrag dat hoger is dan het maximaal uitkeerbare bedrag voor het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva ("M-MDA"), berekend overeenkomstig lid 4 van dit artikel, te verrichten door het stellen van een van de volgende handelingen:

   a) een uitkering verrichten in verband met tier 1-kernkapitaal;
   b) een verplichting aangaan tot het betalen van variabele beloning of discretionaire pensioenuitkeringen, of tot het betalen van variabele beloning indien de betalingsverplichting is aangegaan op het ogenblik dat de entiteit niet aan het gecombineerde buffervereiste voldeed; of
   c) betalingen verrichten op instrumenten van het aanvullend tier 1-kapitaal.

Indien een entiteit zich in de in de eerste alinea genoemde situatie bevindt, stelt zij de nationale afwikkelingsautoriteit en de afwikkelingsraad daarvan onmiddellijk in kennis.

2.  In de in lid 1 beschreven situatie beoordeelt de afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval met inbegrip van de ECB, zonder onnodige vertraging of de in lid 1 bedoelde bevoegdheid moet worden uitgeoefend, rekening houdend met elk van de volgende elementen:

   a) de reden, de duur en de omvang van de niet-naleving en de gevolgen ervan voor de afwikkelbaarheid;
   b) de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit en de waarschijnlijkheid dat zij in de nabije toekomst aan de voorwaarden van artikel 18, lid 1, punt a), zal voldoen;
   c) het vooruitzicht dat de entiteit binnen een redelijke termijn de in lid 1 genoemde vereisten zal kunnen naleven;
   d) indien de entiteit niet in staat is passiva te vervangen die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72 ter en 72 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 12 quater of artikel 12 octies, lid 2, van deze verordening de vraag of dat onvermogen eigen aan de entiteit is of te wijten is aan marktbrede verstoring;
   e) de vraag of het uitoefenen van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid de meest passende en evenredige manier is om de situatie van de entiteit aan te pakken, rekening houdend met de mogelijke gevolgen voor zowel de financieringsvoorwaarden als de afwikkelbaarheid van de betrokken entiteit.

Zolang de niet-conformiteit aanhoudt en zolang de entiteit zich in de in lid 1 bedoelde situatie bevindt, beoordeelt de afwikkelingsraad de vraag of hij de in lid 1 bedoelde bevoegdheid zal uitoefenen, minstens om de maand opnieuw.

3.  Indien de afwikkelingsraad negen maanden na de kennisgeving van de in lid 1 bedoelde situatie, vaststelt dat de entiteit zich nog steeds in die situatie bevindt, oefent hij na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval met inbegrip van de ECB, de in lid 1 bedoelde bevoegdheid uit, tenzij de afwikkelingsraad, na een beoordeling vaststelt dat aan minstens twee van de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de niet-conformiteit is toe te schrijven aan een ernstige verstoring van de werking van de financiële markten, die aanleiding geeft tot algemene spanning in verschillende segmenten van de financiële markten;
   b) de in punt a) bedoelde verstoring leidt niet alleen tot de hogere prijs­volatiliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten van de entiteit of tot hogere kosten voor de entiteit, maar ook tot een volledige of gedeeltelijke afsluiting van de markten die de entiteit verhindert om eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten uit te geven op die markten;
   c) de in punt b) bedoelde afsluiting van de markten geldt niet alleen voor de betrokken entiteit, maar ook voor meerdere andere entiteiten;
   d) de in punt a) bedoelde verstoring belet de betrokken entiteit om voldoende eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten uit te geven om de niet-conformiteit te verhelpen; of
   e) het uitoefenen van de in lid 1 bedoelde bevoegdheid heeft voor een deel van de banksector ongunstige neveneffecten die daardoor de financiële stabiliteit kunnen ondermijnen.

Indien de in de eerste alinea bedoelde uitzondering van toepassing is, stelt de afwikkelingsraad de bevoegde autoriteiten, in voorkomend geval met inbegrip van de ECB, van zijn besluit in kennis en licht hij zijn beoordeling schriftelijk toe.

De afwikkelingsraad herhaalt zijn beoordeling maandelijks teneinde na te gaan of de in de eerste alinea bedoelde uitzondering kan worden toegepast.

4.  Het M-MDA wordt berekend door het overeenkomstig lid 5 berekende bedrag te vermenigvuldigen met de overeenkomstig lid 6 bepaalde factor. Het M-MDA wordt verminderd met ieder bedrag dat voortkomt uit elk van de in lid 1, punt a), b) of c), bedoelde maatregelen.

5.  Het overeenkomstig lid 4 te vermenigvuldigen bedrag bestaat uit:

   a) alle tussentijdse winsten die niet in het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief elke uitkering van winst of elke betaling die voortkomen uit de in lid 1, punt a), b) of c), van dit artikel bedoelde maatregelen;

vermeerderd met

   b) alle eindejaarswinsten die niet in het tier 1-kernkapitaal overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn opgenomen, exclusief elke winstuitkering of elke betaling die voortkomt uit de in lid 1, punt a), b) of c), van dit artikel bedoelde maatregelen;

min

   c) bedragen die als belasting verschuldigd zouden zijn indien de in dit lid, punten a) en b), genoemde elementen zouden worden ingehouden.

6.  De in lid 4 bedoelde factor wordt als volgt bepaald:

   a) indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het eerste (dit wil zeggen het laagste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0;
   b) indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan een van de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het tweede kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,2;
   c) indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het derde kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,4;
   d) indien het door de entiteit aangehouden tier 1-kernkapitaal dat niet wordt gebruikt om te voldoen aan de in artikel 92 bis, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies van deze verordening vastgestelde vereisten, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, binnen het vierde (dit wil zeggen het hoogste) kwartiel van het gecombineerde buffervereiste ligt, is de factor 0,6;

De ondergrens en de bovengrens van elk kwartiel van het gecombineerde buffervereiste worden als volgt berekend:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0371_NL-p0000002.png

20190416-P8_TA-PROV(2019)0371_NL-p0000003.png

waarbij "Qn" = het volgnummer van het betrokken kwartiel.";

"

6)  artikel 12 wordt vervangen door:"

"Artikel 12

Minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  De afwikkelingsraad stelt na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, de in de artikelen 12 bis tot en met 12 decies bedoelde vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva vast, onder voorbehoud van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, waaraan de in artikel 7, lid 2, bedoelde entiteiten en groepen en de in artikel 7, lid 4, punt b), en artikel 7, lid 5, bedoelde entiteiten en groepen, te allen tijde moeten voldoen wanneer de voorwaarden voor de toepassing van deze leden zijn vervuld.

2.  De in lid 1 bedoelde entiteiten, met inbegrip van entiteiten die deel uitmaken van groepen, rapporteren de informatie overeenkomstig artikel 45 decies, leden 1, 2 en 4, van Richtlijn 2014/59/EU aan de nationale afwikkelingsautoriteit van de deelnemende lidstaat waar zij gevestigd zijn.

De nationale afwikkelingsautoriteit zendt de in de eerste alinea bedoelde informatie zonder onnodige vertraging aan de afwikkelingsraad toe.

3.  Bij het opstellen van afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 9 stellen de nationale afwikkelingsautoriteiten, na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, de in de artikelen 12 bis tot en met 12 decies bedoelde vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva vast, onder voorbehoud van de afschrijvings- en omzettings­bevoegdheden, waaraan de in artikel 7, lid 3, bedoelde entiteiten te allen tijde moeten voldoen. In dit verband is de in artikel 31 vastgestelde procedure van toepassing.

4.  De afwikkelingsraad doet elke in lid 1 van dit artikel bedoelde vaststelling parallel met het opstellen en bijhouden van de afwikkelingsplannen overeenkomstig artikel 8.

5.  De afwikkelingsraad brengt zijn vaststelling ter kennis van de nationale afwikkelings­autoriteiten. De nationale afwikkelingsautoriteiten voeren de instructies van de afwikkelingsraad uit overeenkomstig artikel 29. De afwikkelingsraad eist dat de nationale afwikkelingsautoriteiten verifiëren en waarborgen dat entiteiten en groepen aan de in lid 1 van dit artikel opgenomen vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva blijven voldoen.

6.  De afwikkelingsraad stelt de ECB en de EBA in kennis van de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die hij overeenkomstig lid 1 voor elke entiteit en groep heeft vastgesteld.

7.  Om de doeltreffende en consequente toepassing van dit artikel te waarborgen, verstrekt de afwikkelingsraad richtsnoeren en instructies aan nationale afwikkelings­autoriteiten met betrekking tot specifieke entiteiten of groepen.

Artikel 12 bis

Toepassing en berekening van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  De afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten zorgen ervoor dat de in artikel 12, leden 1 en 3, bedoelde entiteiten te allen tijde voldoen aan de vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva zoals voorgeschreven door, en overeenkomstig dit artikel en de artikelen 12 ter tot en met 12 decies.

2.  Het in lid 1 van dit artikel bedoelde vereiste wordt overeenkomstig artikel 12 quinquies, lid 3, 4 of 6, naargelang het geval, berekend als het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva en uitgedrukt als percentages van:

   a) het totaal van de risicoposten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde betrokken entiteit, berekend overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013; en
   b) de totale blootstellingsmaatstaf van de in lid 1 van dit artikel bedoelde betrokken entiteit, berekend overeenkomstig de artikelen 429 en 429 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Artikel 12 ter

Vrijstelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  Niettegenstaande artikel 12 bis stelt de afwikkelingsraad door gedekte obligaties gefinancierde instellingen voor hypothecair krediet die op grond van het nationale recht geen deposito's mogen ontvangen vrij van het in artikel 12 bis, lid 1, vastgestelde vereiste indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

   a) die instellingen worden geliquideerd in nationale insolventieprocedures of in andere, voor die instellingen vastgestelde soorten procedures die overeenkomstig artikel 38, 40 of 42 van Richtlijn 2014/59/EU zijn ingevoerd; en
   b) de in punt a) bedoelde procedures zorgen ervoor dat schuldeisers van die instellingen, met inbegrip van, in voorkomend geval, houders van gedekte obligaties, verliezen lijden op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelingsdoelstellingen.

2.  Instellingen die van het in artikel 12, lid 1, vastgestelde vereiste zijn vrijgesteld, mogen geen deel uitmaken van de in artikel 12 septies, lid 1, bedoelde consolidatie.

Artikel 12 quater

In aanmerking komende passiva voor af te wikkelen entiteiten

1.  Passiva worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van af te wikkelen entiteiten opgenomen als zij aan de voorwaarden in de volgende artikelen van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen:

   a) artikel 72 bis;
   b) artikel 72 ter, met uitzondering van lid 2, punt d); en
   c) artikel 72 quater.

▌In afwijking van de eerste alinea van dit lid, waar in deze verordening naar de vereisten van artikel 92 bis of artikel 92 ter van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt verwezen, omvatten in aanmerking komende passiva voor de toepassing van die artikelen in aanmerking komende passiva zoals gedefinieerd in artikel 72 duodecies van die verordening en zoals bepaald overeenkomstig deel twee, titel I, hoofdstuk 5 bis, van die verordening.

2.  Passiva die voortvloeien uit schuldinstrumenten met verankerde derivaten, zoals gestructureerde obligaties ("structured notes"), die voldoen aan de voorwaarden van lid 1, eerste alinea, met uitzondering van artikel 72 bis, lid 2, punt l), van Verordening (EU) nr. 575/2013, worden alleen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva opgenomen indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de hoofdsom van de passiva die uit het schuldinstrument voortvloeien is op het moment van uitgifte bekend, ligt vast of stijgt en wordt niet door een verankerd derivaatelement beïnvloed, en het totale bedrag van de passiva die uit het schuldinstrument , met inbegrip van het verankerd derivaat, voortvloeien, kan op dagbasis worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt voor een gelijkwaardig instrument zonder kredietrisico overeenkomstig de artikelen 104 en 105 van Verordening (EU) nr. 575/2013; of
   b) het schuldinstrument bevat een contractuele voorwaarde die bepaalt dat de waarde van de vordering in het geval van de insolventie van de uitgever en de afwikkeling van de uitgever vastligt of stijgt, en het initieel gestorte bedrag van de passiva niet overschrijdt.

In de eerste alinea bedoelde schuldinstrumenten, met inbegrip van de verankerde derivaten daarvan, zijn niet onderworpen aan een verrekeningsovereenkomst en de waardering van dergelijke instrumenten is niet onderworpen aan artikel 49, lid 3, van Richtlijn 2014/59/EU.

▌Van de in de eerste alinea bedoelde passiva wordt alleen het deel dat overeenkomt met de in punt a) van die alinea bedoelde hoofdsom of het in punt b) van die alinea bedoelde vaste of stijgende bedrag opgenomen in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva.

3.  Passiva die door een in de Unie gevestigde dochteronderneming worden uitgegeven aan een bestaande aandeelhouder die geen deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep, en die deel uitmaakt van dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit, worden in het bedrag van het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van die af te wikkelen entiteit opgenomen indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) zij worden uitgegeven overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, punt a);
   b) de uitoefening van de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting in verband met die passiva overeenkomstig artikel 21 doet geen afbreuk aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
   c) die passiva bedragen niet meer dan het bedrag dat wordt verkregen door:
   i) de som van de passiva die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van het eigen vermogen, uitgegeven overeenkomstig artikel 12 octies, lid 2, punt b), af te trekken van
   ii) het overeenkomstig artikel 12 octies, lid 1, vereiste bedrag.

4.   Onverminderd het minimumvereiste in artikel 12 quinquies, lid 4, of artikel 12 sexies, lid 1, punt a), zorgt de afwikkelingsraad ervoor, op eigen initiatief na raadpleging van de nationale afwikkelingsautoriteit of op voorstel van een nationale afwikkelingsautoriteit, dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, vallen, aan een deel van het in artikel 12 septies bedoelde vereiste, gelijk aan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, voldoen met gebruik van eigen vermogen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met passiva als bedoeld in lid 3 van dit artikel. De afwikkelingsraad kan toestaan dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, vallen, met gebruik van eigen vermogen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden of met passiva als bedoeld in lid 3 van dit artikel, voldoen aan een niveau dat lager ligt dan 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, maar hoger dan het bedrag dat het resultaat is van de formule (1-X1/X2) x 8% van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, mits is voldaan aan alle in artikel 72 ter, lid 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden, waarbij, in het kader van de vermindering die krachtens artikel 72 ter, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is toegestaan:

X1 = 3,5% van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten; en

X2 = de som van 18 % van het overeenkomstig artikel 92, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 berekende totaal van de risicoposten en het bedrag van het gecombineerde buffervereiste.

Indien de toepassing van de eerste alinea van dit lid voor af te wikkelen entiteiten die onder artikel 12 quinquies, lid 4, vallen, leidt tot een vereiste boven 27% van het totaal van de risicoposten, beperkt de afwikkelingsraad voor de betrokken af te wikkelen entiteit het deel van het in artikel 12 septies bedoelde vereiste waaraan moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen, met achtergestelde in aanmerking komende instrumenten die voldoen aan alle voorwaarden, of met passiva als bedoeld in lid 3 van dit artikel, tot een bedrag dat gelijk is aan 27% van het totaal van de risicoposten indien de afwikkelingsraad tot de beoordeling is gekomen dat:

   a) toegang tot het Fonds niet wordt beschouwd als een optie om die af te wikkelen entiteit in het afwikkelingsplan af te wikkelen; en
   b) indien punt a) niet van toepassing is, het in artikel 12 septies bedoelde vereiste die af te wikkelen entiteit in staat stelt te voldoen aan het vereiste van artikel 27, lid 7.

Bij het verrichten van de in de tweede alinea bedoelde beoordeling dient de afwikkelingsraad ook rekening te houden met het risico van onevenredige gevolgen voor het bedrijfsmodel van de betrokken af te wikkelen entiteit.

Op af te wikkelen entiteiten die onder artikel 12 quater, lid 5, vallen, is de tweede alinea van dit lid niet van toepassing.

5.  Voor af te wikkelen entiteiten die geen MSI's zijn en niet onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, van deze verordening vallen, kan de afwikkelingsraad, ofwel op eigen initiatief na raadpleging van de nationale afwikkelingsautoriteit ofwel op voorstel van een nationale afwikkelingsautoriteit, besluiten dat aan een deel van het in artikel 12 septies bedoelde vereiste, tot het hoogste bedrag van ofwel 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit, ofwel het bedrag dat het resultaat is van de in lid 7 bedoelde formule, moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of met passiva als bedoeld in lid 3 van dit artikel, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde niet-achtergestelde passiva hebben dezelfde prioriteit in de nationale insolventiehiërarchie als bepaalde verplichtingen die zijn uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettings­bevoegdheden overeenkomstig artikel 27, lid 3 of lid 5;
   b) het risico bestaat dat als gevolg van een voorgenomen toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden op niet-achtergestelde passiva die niet van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 27, lid 3 of lid 5, zijn uitgesloten, schuldeisers van vorderingen die uit die verplichtingen voortvloeien grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij bij een liquidatie in een normale insolventieprocedure zouden lijden;
   c) het bedrag van het eigen vermogen en andere achtergestelde passiva is niet hoger dan het bedrag dat nodig is opdat de in punt b) bedoelde schuldeisers geen grotere verliezen lijden dan de verliezen die zij bij de liquidatie in een normale insolventieprocedure zouden hebben geleden.

Indien de afwikkelingsraad vaststelt dat, binnen een categorie van passiva die in aanmerking komende passiva omvat, het bedrag van de uitgesloten passiva of van passiva waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij worden uitgesloten van de toepassing van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 27, lid 3 of lid 5, in totaal meer dan 10 % van die categorie uitmaakt, beoordeelt de afwikkelingsraad het in punt b) van de eerste alinea van dit lid bedoelde risico.

6.  Voor de toepassing van de leden 4, 5 en 7 vormen uit derivaten voortvloeiende passiva een onderdeel van de totale passiva op de grond dat salderingsrechten van tegenpartijen volledig worden erkend.

Het eigen vermogen van een af te wikkelen entiteit dat wordt gebruikt om te voldoen aan het gecombineerde buffervereiste komt in aanmerking om te voldoen aan het in de leden 4, 5 en 7 bedoelde vereisten.

7.  In afwijking van lid 3 van dit artikel kan de afwikkelingsraad besluiten dat af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, vallen, aan het in artikel 12 septies van deze verordening bedoelde vereiste moeten voldoen met gebruik van eigen vermogen, achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, of passiva als bedoeld in lid 3 van dit artikel, voor zover de som van dat eigen vermogen, die instrumenten en passiva uit hoofde van de verplichting van de af te wikkelen entiteit om te voldoen aan het gecombineerde buffervereiste en de vereisten van artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 12 quinquies, lid 4, en artikel 12 septies van deze verordening, niet hoger is dan:

   a) 8 % van de totale passiva, met inbegrip van het eigen vermogen, van de entiteit, of
   b) indien dat hoger is, het bedrag dat het resultaat is van de toepassing van de formule Ax2+Bx2+C, waarbij A, B en C de volgende bedragen zijn:

A = het bedrag dat voortvloeit uit het in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste;

B = het bedrag dat voortvloeit uit het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste;

C = het bedrag dat voortvloeit uit het gecombineerde buffervereiste.

8.  De afwikkelingsraad kan de in lid 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid uitoefenen ten aanzien van af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, vallen en die aan één van de in de tweede alinea van dit lid vastgelegde voorwaarden voldoen, tot 30 % van het totale aantal van alle af te wikkelen entiteiten die MSI's zijn of die onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, vallen waarvoor de afwikkelingsraad het in artikel 12 septies bedoelde vereiste bepaalt.

De voorwaarden worden door de afwikkelingsraad in overweging genomen als volgt:

   a) in de voorgaande afwikkelbaarheidsbeoordeling zijn wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid geconstateerd, en hetzij:
   i) binnen het door de afwikkelingsraad vastgestelde tijdschema zijn geen corrigerende maatregelen genomen naar aanleiding van de uitoefening van de in artikel 10, lid 11, bedoelde maatregelen, hetzij
   ii) de geconstateerde wezenlijke belemmeringen kunnen niet door middel van de in artikel 10, lid 11, bedoelde maatregelen worden aangepakt, en het uitoefenen van de in lid 7 van dit artikel bedoelde bevoegdheid zou de negatieve gevolgen van de wezenlijke belemmeringen voor de afwikkelbaarheid ten dele of geheel ongedaan maken;
   b) de afwikkelingsraad is van oordeel dat de haalbaarheid en geloofwaardigheid van de voorkeursafwikkelingsstrategie van de af te wikkelen entiteit beperkt is, rekening houdend met de omvang, de verwevenheid, de aard, de reikwijdte, het risico en de complexiteit van de activiteiten, de juridische status en de aandelenstructuur van de entiteit; of
   c) het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste houdt er rekening mee dat de af te wikkelen entiteit die een MSI is of onder artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, van deze verordening valt, in termen van risico bij de top 20 % instellingen hoort waarvoor de afwikkelingsraad het in artikel 12 bis, lid 1, van deze verordening bedoelde vereiste bepaalt.

Voor de toepassing van de in de eerste en de tweede alinea bedoelde percentages, rondt de afwikkelingsraad het uit de berekening resulterende cijfer af tot het dichtstbijzijnde gehele getal.

9.  Na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, neemt de afwikkelingsraad de in de lid 5 of lid 7 bedoelde besluiten.

Bij het nemen van die besluiten houdt de afwikkelingsraad tevens rekening met:

   a) de diepte van de markt voor eigenvermogensinstrumenten van de af te wikkelen entiteit en achtergestelde in aanmerking komende instrumenten, de prijsstelling van dergelijke bestaande instrumenten en de tijd die nodig is om eventuele transacties te verrichten die nodig zijn om te voldoen aan het besluit;
   b) de hoeveelheid in aanmerking komende passiva-instrumenten die voldoen aan alle in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden met een resterende looptijd van minder dan één jaar vanaf de datum van het besluit, zodat kwantitatieve aanpassingen kunnen worden doorgevoerd in de in de leden 5 en 7 van dit artikel bedoelde vereisten;
   c) de beschikbaarheid en de hoeveelheid van instrumenten die voldoen aan alle andere voorwaarden van artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013, dan die van artikel 72 ter, lid 2, punt d), van die verordening;
   d) de vraag of de hoeveelheid passiva die zijn uitgesloten van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 27, lid 3 of lid 5, en die in een normale insolventieprocedure een gelijke of lagere rang hebben dan de hoogst gerangschikte in aanmerking komende passiva, significant is in vergelijking met het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit. Indien de hoeveelheid uitgesloten passiva niet meer bedraagt dan 5 % van de hoeveelheid eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de af te wikkelen entiteit, wordt de uitgesloten hoeveelheid als niet-significant beschouwd. Boven die drempel beoordeelt de afwikkelingsraad hoe significant de uitgesloten passiva zijn;
   e) het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de af te wikkelen entiteit, alsmede haar stabiliteit en haar vermogen om bij te dragen aan de economie; en
   f) de gevolgen van eventuele herstructureringskosten voor de herkapitalisatie van de af te wikkelen entiteit.

Artikel 12 quinquies

Vaststelling van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste ▌wordt door de ▌afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, vastgesteld op basis van de volgende criteria:

   a) de noodzaak om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep door de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten op de af te wikkelen entiteit,, voor zover passend met inbegrip van het bail-in-instrument, kan worden afgewikkeld op een wijze die in overeenstemming is met de afwikkelings­doelstellingen;
   b) de noodzaak om er waar passend voor te zorgen dat de af te wikkelen entiteit en haar dochterondernemingen die instellingen of entiteiten bedoeld in artikel 12, leden 1 en 3 maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, over voldoende eigen vermogen en in aanmerking komende passiva beschikken om te verzekeren dat, indien het bail-in-instrument of de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, respectievelijk op hen zouden worden toegepast, de verliezen kunnen worden geabsorbeerd en de totale kapitaalratio en, naargelang het geval, de hefboomratio ▌van de betrokken entiteiten opnieuw op een niveau kunnen worden gebracht dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen, en de activiteiten verder uit te oefenen waarvoor de entiteiten overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend;
   c) de noodzaak om ervoor te zorgen dat, indien het afwikkelingsplan verwacht dat de mogelijkheid voor bepaalde categorieën in aanmerking komende passiva op grond van artikel 27, lid 5, van deze verordening van een bail-in worden uitgesloten, of volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, de af te wikkelen entiteit voldoende eigen vermogen en andere in aanmerking komende passiva heeft om verliezen te absorberen, en de totale kapitaalratio en, in voorkomend geval, de hefboomratio ▌van de af te wikkelen entiteit weer op het niveau te brengen dat nodig is om de entiteit in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen, en de activiteiten verder uit te oefenen waarvoor de entiteit overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2014/65/EU een vergunning is verleend;
   d) de grootte, het bedrijfsmodel, het financieringsmodel en het risicoprofiel van de entiteit;

   e) de mate waarin het falen van de entiteit nadelige gevolgen voor de financiële stabiliteit zou hebben, onder meer via besmetting van andere instellingen of entiteiten wegens de verwevenheid van de entiteit met die andere instellingen of entiteiten of met de rest van het financiële stelsel ▌.

2.  Indien in het afwikkelingsplan is bepaald dat afwikkelingsmaatregelen moeten worden genomen of dat de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 21 moeten worden uitgeoefend overeenkomstig het relevante scenario bedoeld in artikel 8, lid 6, is het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste gelijk aan een bedrag dat volstaat om te verzekeren dat:

   a) de verliezen die de entiteit naar verwachting zal lijden, volledig worden geabsorbeerd ("verliesabsorptie");
   b) de af te wikkelen entiteit en de dochterondernemingen die instellingen of in artikel 12, lid 1 of lid 3 bedoelde entiteiten, maar geen af te wikkelen entiteiten zijn, worden geherkapitaliseerd tot een niveau dat nodig is om hen in staat te stellen aan de vergunningsvoorwaarden te blijven voldoen en de activiteiten verder uit te oefenen waarvoor hun overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2014/65/EU of een gelijkwaardige wetgevingshandeling een vergunning is verleend voor een toereikende periode van maximaal één jaar ("herkapitalisatie").

Indien in het afwikkelingsplan is bepaald dat de entiteit in een normale insolventieprocedure of in het kader van andere gelijkwaardige nationale procedures moet worden geliquideerd, beoordeelt de afwikkelingsraad of het gerechtvaardigd is het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor die entiteit te beperken zodat dit niet groter is dan een bedrag dat volstaat om verliezen te absorberen overeenkomstig punt a) van de eerste alinea.

Bij de beoordeling van de afwikkelingsraad wordt een evaluatie gemaakt van met name de in de vorige alinea bedoelde limiet wat betreft eventuele gevolgen voor de financiële stabiliteit en voor het risico op besmetting van het financiële stelsel.

3.  Voor af te wikkelen entiteiten is het in lid 2, eerste alinea, bedoelde bedrag het volgende:

   a) voor de berekening van het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste, overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), de som van:
   i) het ▌ bedrag van de bij afwikkeling te absorberen verliezen dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, punt ▌c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereisten van de af te wikkelen entiteit op het ▌ geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
   ii) een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake totale kapitaalratio en haar in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste op het ▌ geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie; en
   b) voor de berekening van het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste, overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt b), de som van:
   i) het bedrag van de bij afwikkeling te absorberen verliezen dat overeenkomt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de af te wikkelen entiteit op het ▌ geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep; en
   ii) een herkapitalisatiebedrag dat de uit de afwikkeling voortvloeiende af te wikkelen groep in staat stelt de naleving te herstellen van het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste inzake hefboomratio op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie.

Voor de toepassing van artikel 12 bis, lid 2, punt a) wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt a) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door het totaal van de risicoposten ▌.

Voor de toepassing van artikel 12 bis, lid 2, punt b), wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt b) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door de totale blootstellings­maatstaf.

Bij het vaststellen van het in punt b) van de eerste alinea van dit lid bepaalde individuele vereiste, houdt de afwikkelingsraad rekening met de in artikel 27, lid 7, bedoelde voorschriften.

Bij het vaststellen van de in de voorgaande alinea's bedoelde herkapitalisatiebedragen,

   a) maakt de afwikkelingsraad gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, zoals aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde afwikkelingsmaatregelen; en
   b) stelt de afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste naar boven of naar beneden bij om het vereiste te bepalen dat na de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie van toepassing moet zijn op de af te wikkelen entiteit.

De afwikkelingsraad kan het in de eerste alinea, punt a), onder ii), bedoelde vereiste verhogen met een passend bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat de entiteit na de afwikkeling voldoende marktvertrouwen kan behouden gedurende een passende periode van niet langer dan één jaar.

Indien de zesde alinea van dit lid van toepassing is, wordt het in die alinea bedoelde bedrag gelijkgesteld met het gecombineerde buffervereiste dat van toepassing moet zijn na de toepassing van de afwikkelingsinstrumenten, verminderd met het in artikel 128, punt 6), onder a), van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde bedrag.

Het in de zesde alinea van dit lid bedoelde bedrag wordt naar beneden bijgesteld indien de afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, vaststelt dat het haalbaar en geloofwaardig is dat een lager bedrag voldoende is om marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de instelling kritieke economische functies blijft vervullen en toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit het Fonds, overeenkomstig artikel 27, lid 7, en artikel 76, lid 3, na uitvoering van de afwikkelingsstrategie. Dat bedrag wordt naar boven bijgesteld indien de afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om voldoende marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat dat de instelling of de in artikel 12, lid 1, bedoelde entiteit zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit het Fonds, overeenkomstig artikel 27, lid 7, en artikel 76, lid 3, gedurende een passende periode van niet langer dan één jaar.

4.  Voor af te wikkelen entiteiten die niet zijn onderworpen aan artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 en die deel uitmaken van een af te wikkelen groep waarvan de totale activa meer dan 100 miljard EUR bedragen, is het niveau van het in lid 3 van dit artikel bedoelde vereiste ten minste gelijk aan:

   a) 13,5 % indien berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a); en
   b) 5% indien berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt b).

In afwijking van artikel 12 quater voldoen de in de eerste alinea van dit lid bedoelde af te wikkelen entiteiten aan het niveau van het in de eerste alinea van dit lid bedoelde vereiste, dat gelijk is aan 13,5% indien berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), en aan 5% indien berekend overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt b), met gebruik van achtergestelde in aanmerking komende instrumenten met passiva als bedoeld in artikel 12 ter, lid 3, van deze verordening.

5.  Op verzoek van de nationale afwikkelingsautoriteit van een af te wikkelen entiteit past de afwikkelingsraad de in lid 4 van dit artikel vastgestelde vereisten toe op een af te wikkelen entiteit die niet onder artikel 92 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 valt en die deel uitmaakt van een af te wikkelen groep waarvan het balanstotaal lager is dan 100 miljard EUR, en waarvan de nationale afwikkelingsautoriteit van oordeel is dat zij bij een falen redelijk waarschijnlijk een systeemrisico vormt.

Bij het nemen van een besluit om een verzoek als bedoeld in de eerste alinea van dit lid in te dienen, houdt de nationale afwikkelingsautoriteit rekening met het volgende:

   a) het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;
   b) de mate waarin de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende passiva is beperkt;
   c) de mate waarin de af te wikkelen entiteit een beroep doen op tier 1-kernkapitaal om te voldoen aan het vereiste in artikel 12 septies.

Het ontbreken van een verzoek door de nationale afwikkelingsautoriteit op grond van de eerste alinea van dit lid laat een besluit van de afwikkelingsraad uit hoofde van artikel 12 quater, lid 5, onverlet.

6.  Voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, is het in lid 2, eerste alinea, bedoelde bedrag het volgende:

   a) voor de berekening van het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste, overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt a), de som van:
   i) het bedrag van de ▌te absorberen verliezen dat overeenkomt met de in artikel 92, lid 1, ▌punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereisten van de entiteit; en
   ii) een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereiste van totale kapitaalratio en haar in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 21 van deze verordening of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep; en
   b) voor de berekening van het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste, overeenkomstig artikel 12 bis, lid 2, punt b), de som van:
   i) het bedrag van de ▌ te absorberen verliezen dat overeenkomt met het in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste van de entiteit; en
   ii) een herkapitalisatiebedrag dat de entiteit in staat stelt de naleving te herstellen van haar in artikel 92, lid 1, punt d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde hefboomratiovereiste na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 21 van deze verordening of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.

Voor de toepassing van artikel 12 bis, lid 2, punt a), wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt a) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door het totaal van de risicoposten ▌.

Voor de toepassing van artikel 12 bis, lid 2, punt b), wordt het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste in procenten uitgedrukt als het overeenkomstig punt b) van de eerste alinea van dit lid berekende bedrag, gedeeld door de totale blootstellingsmaatstaf.

Bij het vaststellen van het individuele vereiste, bedoeld in punt b) van de eerste alinea van dit lid, houdt de afwikkelingsraad rekening met de in artikel 27, lid 7, bedoelde voorschriften.

Bij het vaststellen van de in de voorgaande alinea's bedoelde herkapitalisatiebedragen,

   a) maakt de afwikkelingsraad gebruik van de meest recentelijk gerapporteerde waarden voor het betrokken totaal van de risicoposten of de totale blootstellingsmaatstaf, zoals aangepast om rekening te houden met eventuele wijzigingen die voortvloeien uit in het afwikkelingsplan vastgestelde maatregelen; en
   b) stelt de afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, het bedrag dat overeenkomt met het huidige in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste naar boven of naar beneden bij om het vereiste te bepalen dat van toepassing moet zijn op de betrokken entiteit na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten overeenkomstig artikel 21 van deze verordening of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep.

De afwikkelingsraad kan het in dit lid, eerste alinea, punt a), onder ii), bepaalde vereiste, verhogen met een passend bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat de entiteit, na uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 21 af te schrijven of om te zetten, in staat is voldoende markt­vertrouwen behouden gedurende een passende periode van niet langer dan één jaar.

Indien de zesde alinea van dit lid van toepassing is, is het in die alinea bedoelde bedrag gelijk aan het gecombineerde buffervereiste dat van toepassing moet zijn na de uitoefening van de in artikel 21 van deze verordening bedoelde bevoegdheid of na de afwikkeling van de af te wikkelen groep, verminderd met het in artikel 128, lid 6, punt a) van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde bedrag.

Het in de zesde alinea van dit lid bedoelde bedrag wordt naar beneden bijgesteld indien de afwikkelingsraad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, vaststelt dat het haalbaar en geloofwaardig is dat een lager bedrag voldoende is om het marktvertrouwen te waarborgen en ervoor te zorgen dat de instelling of entiteit bedoeld in artikel 12, lid 1, kritieke economische functies blijft vervullen en toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit het Fonds, overeenkomstig artikel 27, lid 7 en artikel 76, lid 3, na de uitoefening van de in artikel 21 bedoelde bevoegdheid of de afwikkeling van de af te wikkelen groep. Dat bedrag wordt naar boven bijgesteld indien de afwikkelings­raad na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, vaststelt dat een hoger bedrag noodzakelijk is om voldoende marktvertrouwen te behouden en ervoor te zorgen dat de instelling of entiteit bedoeld in artikel 12, lid 1, zowel kritieke economische functies blijft vervullen als toegang heeft tot financiering zonder dat een beroep wordt gedaan op andere buitengewone openbare financiële steun dan bijdragen uit het Fonds, overeenkomstig artikel 27, lid 7, en artikel 76, lid 3, gedurende een passende periode van niet langer dan één jaar.

7.  Indien de afwikkelingsraad van oordeel is dat van bepaalde categorieën in aanmerking komende passiva redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij geheel of gedeeltelijk van een bail-in worden uitgesloten op grond van artikel 27, lid 5, of dat zij mogelijk volledig aan een ontvanger worden overgedragen bij een gedeeltelijke overdracht, wordt aan het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voldaan met gebruik van eigen vermogen of andere in aanmerking komende passiva die volstaan om:

   a) het bedrag van de overeenkomstig artikel 27, lid 5, geïdentificeerde uitgesloten passiva te dekken;
   b) te verzekeren dat aan de in lid 2 genoemde voorwaarden is voldaan.

8.  Elk besluit van de afwikkelingsraad om op grond van dit artikel een minimum­vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op te leggen, bevat een motivering van dat besluit, met inbegrip van een volledige beoordeling van de in de leden 2 tot en met 7, van dit artikel bedoelde elementen, en wordt zonder onnodige vertraging geëvalueerd door de afwikkelingsraad om rekening te houden met eventuele veranderingen in het niveau van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste ▌.

9.  Voor de toepassing van de leden 3 en 6 van dit artikel worden de kapitaalvereisten geïnterpreteerd in overeenstemming met de toepassing door de bevoegde autoriteit van de overgangsbepalingen in deel tien, titel I, hoofdstukken 1, 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en in de bepalingen van de nationale wetgeving waarbij de door die verordening aan de bevoegde autoriteiten verleende opties worden uitgeoefend.

Artikel 12 sexies

Vaststelling van het ▌minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor af te wikkelen entiteiten van MSI's en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU MSI's in de Unie

1.  Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor een af te wikkelen entiteit die een MSI of een deel van een MSI is, bestaat uit:

   a) de in de artikelen 92 bis en 494 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
   b) een eventueel aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dat door de afwikkelingsraad specifiek met betrekking tot die entiteit is bepaald overeenkomstig lid 3 van dit artikel.

2.  Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de Unie, bestaat uit:

   a) de in de artikelen 92 ter en 494 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde vereisten; en
   b) een eventueel aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dat door de afwikkelingsraad ▌specifiek met betrekking die dochteronderneming van wezenlijk belang is bepaald overeenkomstig lid 3 van dit artikel, en waaraan moet worden voldaan met gebruik van eigen vermogen en passiva die aan de voorwaarden van artikel 12 octies en artikel 92 ter, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen.

3.  De afwikkelingsraad legt een in lid 1, punt b), en lid 2, punt b), bedoeld aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva uitsluitend op:

   a) indien het in lid 1, punt a), of lid 2, punt a), van dit artikel bedoelde vereiste niet volstaat om aan de in artikel 12 quinquies gestelde voorwaarden te voldoen; en
   b) tot een niveau dat garandeert dat aan de voorwaarden van artikel 12 quinquies is voldaan.

4.  Elk besluit van de afwikkelingsraad om op grond van ▌ lid 1, punt b), of lid 2, punt b), van dit artikel een aanvullend vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op te leggen worden de redenen voor dat besluit uiteengezet, met inbegrip van een volledige beoordeling van de in lid 3 van dit artikel bedoelde elementen, en het besluit wordt zonder onnodige vertraging door de afwikkelingsraad geëvalueerd om rekening te houden met eventuele wijzigingen in het niveau van het in artikel 104 bis van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde vereiste dat van toepassing is op de af te wikkelen groep of dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU MSI in de Unie .

Artikel 12 septies

Toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op af te wikkelen entiteiten

1.  Af te wikkelen entiteiten moeten op geconsolideerde basis op het niveau van de af te wikkelen groep voldoen aan de vereisten van de artikelen 12 quater tot en met 12 sexies.

2.  De afwikkelingsraad bepaalt, na raadpleging van de afwikkelingsautoriteit op groepsniveau, indien die autoriteit niet de afwikkelingsraad is, en van de consoliderende toezichthouder, het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor een in een deelnemende lidstaat gevestigde af te wikkelen entiteit op het geconsolideerde niveau van de af te wikkelen groep op basis van de ▌ de artikelen 12 quater, 12 quinquies en 12 sexies vastgelegde vereisten en op basis van de vraag of de in derde landen gevestigde dochterondernemingen van de groep volgens het afwikkelingsplan afzonderlijk moeten worden afgewikkeld.

3.  Voor overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt 24 ter), onder b), aangewezen af te wikkelen groepen besluit de afwikkelingsraad, rekening houdend met de kenmerken van het solidariteitsmechanisme en van de voorkeursafwikkelingsstrategie, welke entiteiten in de af te wikkelen groep moeten voldoen aan artikel 12 quinquies, leden 3 en 4, en artikel 12 sexies, lid 1, punt a), om ervoor te zorgen dat de af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de leden 1 en 2 van dit artikel en hoe dergelijke entiteiten dat moeten doen overeenkomstig het afwikkelingsplan.

Artikel 12 octies

Toepassing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva op entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn

1.  Instellingen die dochterondernemingen van een af te wikkelen entiteit of van een entiteit uit een derde land zijn, maar die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn ▌voldoen op individuele basis aan de vereisten van artikel 12 quinquies ▌.

De afwikkelingsraad kan na raadpleging van de bevoegde autoriteiten, met inbegrip van de ECB, besluiten om het in dit artikel neergelegde vereiste toe te passen op een in artikel ▌2, punt b), bedoelde entiteit die een dochteronderneming van een af te wikkelen entiteit is, maar zelf geen af te wikkelen entiteit is.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid voldoen EU-moederondernemingen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die dochterondernemingen van entiteiten uit derde landen zijn, op geconsolideerde basis aan de in de artikelen 12 quinquies en 12 sexies neergelegde vereisten.

Voor overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt 24 ter, onder b), aangewezen af te wikkelen groepen voldoen kredietinstellingen die blijvend bij een centraal orgaan aangesloten zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, centrale organen die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, alsmede alle af te wikkelen entiteiten die niet onder een vereiste uit hoofde van artikel 12 septies, lid 3, vallen, op individuele basis aan artikel 12 quinquies, lid 6.

Het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor een in dit lid bedoelde entiteit wordt bepaald op basis van de in artikel 12 quinquies neergelegde vereisten.

2.  Aan het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste voor in lid 1 van dit artikel bedoelde entiteiten wordt met gebruik van een of meer van het volgende voldaan:

   a) passiva:
   i) die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct of indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep die de passiva hebben gekocht van de entiteit die onder dit artikel valt, of zijn uitgegeven aan en gekocht door een bestaande aandeelhouder die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoort, voor zover de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 21 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
   ii) die voldoen aan de in artikel 72 bis van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde criteria om in aanmerking te komen, behalve wat artikel 72 ter, lid 2, punten b), c), k), l) en m), en artikel 72 ter, leden 3, 4 en 5, van die verordening betreft;
   iii) ▌waarvan de rang in normale insolventieprocedures lager is dan passiva die niet aan de onder i) bedoelde voorwaarde voldoen en die niet in aanmerking komen voor eigenvermogensvereisten ▌;
   iv) die onderworpen zijn aan afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 21 in overeenstemming met de afwikkelingsstrategie van de af te wikkelen groep, met name zonder afbreuk te doen aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
   v) waarvan de verwerving van eigendom niet direct of indirect gefinancierd wordt door de entiteit waarop dit artikel van toepassing is;
   vi) waarvoor in de desbetreffende bepalingen expliciet noch impliciet wordt vermeld dat ze door de entiteit waarop dit artikel van toepassing is, zouden worden opgevraagd, afgelost, vervroegd terugbetaald of opnieuw ingekocht, naargelang het geval, behalve in geval van insolventie of liquidatie van de entiteit, en de entiteit vermeldt dit niet anderszins;
   vii) waarvoor in de desbetreffende bepalingen de houder ervan niet het recht wordt gegeven de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve in het geval van de insolventie of liquidatie van de entiteit waarop dit artikel van toepassing is;
   viii) waarvoor het niveau van de daarover verschuldigde rentebetalingen of dividenduitkeringen, naargelang het geval, niet wordt gewijzigd op basis van de kredietwaardigheid van de entiteit waarop dit artikel van toepassing is of van haar moeder­onderneming;
   b) eigen vermogen, als volgt:
   i) tier 1-kernkapitaal, en
   ii) ander eigen vermogen dat:
   zijn uitgegeven aan en gekocht door ▌entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, of
   zijn uitgegeven aan en gekocht door entiteiten die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, voor zover de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 21 geen afbreuk doet aan de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming.

3.  De afwikkelingsraad kan toestaan dat volledig of ten dele aan het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste kan worden voldaan met een door de af te wikkelen entiteit ▌verstrekte garantie die aan de volgende voorwaarden voldoet:

   a) zowel de dochteronderneming als de af te wikkelen entiteit is gevestigd in dezelfde deelnemende lidstaat en maakt deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;
   b) de af te wikkelen entiteit voldoet aan het in artikel 12 septies bedoelde vereiste;
   c) de garantie wordt verstrekt voor ten minste een bedrag dat op zijn minst gelijk is aan het bedrag van het vereiste dat de garantie vervangt;
   d) de garantie wordt geactiveerd wanneer de dochteronderneming niet in staat is haar schulden of andere verplichtingen te betalen op het moment dat deze opeisbaar worden, of ten aanzien van de dochteronderneming een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 21, lid 3, indien dat eerder is;
   e) de garantie wordt voor ten minste 50 % van haar bedrag gedekt door een financiëlezekerheidsovereenkomst als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt a), van Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad*;

   f) de zekerheid ter dekking van de garantie voldoet aan de vereisten van artikel 197 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en volstaat, na de nodige conservatieve waarderingscorrecties, om het door zekerheden gedekte bedrag als bedoeld in punt d) ▌ te dekken;
   g) de zekerheid ter dekking van de garantie is onbezwaard en wordt met name niet gebruikt als zekerheid om een andere garantie te dekken;
   h) de zekerheid heeft een effectieve looptijd die aan de looptijdvoorwaarde in artikel 72 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoet; en
   i) er zijn geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen voor de overdracht van de zekerheid van de af te wikkelen entiteit aan de dochter­onderneming, ook niet indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.

Voor de toepassing van de eerste alinea, punt i), verstrekt de af te wikkelen entiteit op verzoek van de afwikkelings­raad een onafhankelijk schriftelijk en met redenen omkleed juridisch advies of maakt zij op andere bevredigende wijze aannemelijk dat er geen wettelijke, regelgevende of operationele belemmeringen zijn voor de overdracht van de zekerheid van de af te wikkelen entiteit aan de betrokken dochteronderneming.

Artikel 12 nonies

Ontheffing van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor entiteiten die zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn

1.  De afwikkelingsraad kan afzien van de toepassing van artikel 12 octies ten aanzien van een dochteronderneming van een in een deelnemende lidstaat gevestigde af te wikkelen entiteit indien:

   a) ▌zowel de dochteronderneming als de af te wikkelen entiteit in dezelfde deelnemende lidstaat zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
   b) de af te wikkelen entiteit aan het in artikel 12 septies bedoelde vereiste voldoet;
   c) er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of de onmiddellijke terugbetaling van passiva door de af te wikkelen entiteit aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 21, lid 3, in het bijzonder indien ten aanzien van de af te wikkelen entiteit afwikkelingsmaatregelen worden genomen.

2.  De afwikkelingsraad kan afzien van de toepassing van artikel 12 octies ten aanzien van een dochteronderneming van een in een deelnemende lidstaat gevestigde af te wikkelen entiteit indien:

   a) ▌zowel de dochteronderneming als haar moederonderneming in dezelfde deelnemende lidstaat zijn gevestigd en deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep;
   b) de moederonderneming in die deelnemende lidstaat op geconsolideerde basis voldoet aan het in artikel 12 bis, lid 1, bedoelde vereiste;
   c) er geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering is voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of de onmiddellijke terugbetaling van passiva door de moederonderneming aan de dochteronderneming waarvoor een vaststelling is gedaan overeenkomstig artikel 21, lid 3, in het bijzonder indien ten aanzien van de moeder­onderneming afwikkelingsmaatregelen worden genomen.

Artikel 12 decies

Vrijstelling voor centrale organen en kredietinstellingen die blijvend aangesloten zijn bij een centraal orgaan

De afwikkelingsraad kan centrale organen of kredietinstellingen die blijvend bij een centraal orgaan aangesloten zijn, geheel of gedeeltelijk vrijstelling verlenen van de toepassing van artikel 12 octies indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de kredietinstellingen en het centrale orgaan zijn onderworpen aan toezicht door dezelfde bevoegde autoriteit, zijn gevestigd in dezelfde deelnemende lidstaat, en maken deel uit van dezelfde af te wikkelen groep;
   b) de verbintenissen van het centrale orgaan en van de blijvend bij haar aangesloten kredietinstellingen zijn solidaire verplichtingen, of de verbintenissen van de blijvend aangesloten kredietinstellingen worden volledig door het centrale orgaan gewaarborgd;
   c) het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, en de solvabiliteit en de liquiditeit van het centrale orgaan en van alle blijvend aangesloten kredietinstellingen worden in hun totaliteit gemonitord op basis van de geconsolideerde jaarrekening van die instellingen;
   d) in het geval van een vrijstelling voor een blijvend bij een centraal orgaan aangesloten kredietinstelling, is de leiding van het centrale orgaan bevoegd om instructies te geven aan de leiding van de blijvend aangesloten instelling;
   e) de betreffende af te wikkelen groep voldoet aan het in artikel 12 septies, lid 3, bedoelde vereiste; en,
   f) er is geen bestaande of te voorziene wezenlijke, praktische of juridische belemmering voor de onmiddellijke overdracht van eigen vermogen of de onmiddellijke terugbetaling van passiva tussen het centrale orgaan en de blijvend aangesloten kredietinstellingen in het geval van afwikkeling.

Artikel 12 undecies

Niet-naleving van het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

1.  Elke niet-naleving van de minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, bedoeld in artikel 12 septies of artikel 12 octies wordt aangepakt met behulp van ten minste één van het volgende ▌:

   a) bevoegdheden om belemmeringen voor de afwikkelbaarheid aan te pakken of weg te nemen overeenkomstig artikel 10;
   b) in artikel 10 bis bedoelde bevoegdheden;
   c) in artikel 104 van Richtlijn 2013/36/EG bedoelde maatregelen;
   d) vroegtijdige-interventiemaatregelen overeenkomstig artikel 13;
   e) administratieve sancties en andere administratieve maatregelen overeenkomstig de artikelen 110 en 111 van Richtlijn 2014/59/EU.

Voorts kan de afwikkelingsraad of de ECB beoordelen of de instelling faalt of waarschijnlijk zal falen, overeenkomstig artikel 18.

2.  De afwikkelingsraad, de afwikkelingsautoriteiten en de bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten raadplegen elkaar wanneer zij hun respectieve in lid 1 ▌ bedoelde bevoegdheden uitoefenen.

Artikel 12 duodecies

Overgangsregelingen en regelingen na afwikkeling

1.  In afwijking van artikel 12 bis, lid 1, bepalen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten passende overgangsperioden voor in artikel 12, leden 1 en 3, bedoelde entiteiten om te voldoen aan de vereisten in artikel 12 septies of artikel 12 octies, of aan de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval. Entiteiten voldoen uiterlijk op 1 januari 2024 aan de vereisten in artikel 12 septies of artikel 12 octies, of aan de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, .

De afwikkelingsraad bepaalt tussentijdse streefniveaus voor de vereisten in artikel 12 septies of artikel 12 octies, of voor de vereisten die voortvloeien uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, waaraan entiteiten als bedoeld in artikel 12, leden 1 en 3, op 1 januari 2022 moeten voldoen. Het tussentijdse streefniveau zorgt in de regel voor een lineaire opbouw van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva en richting het vereiste.

De afwikkelingsraad kan, indien naar behoren gerechtvaardigd en passend op basis van de in lid 7 bedoelde criteria, voorzien in een overgangsperiode die na 1 januari 2024 verstrijkt, waarbij rekening wordt gehouden met het volgende:

   a) de ontwikkeling van de financiële situatie van de entiteit;
   b) de verwachting dat de entiteit in staat zal zijn om binnen een redelijk tijdbestek de naleving te waarborgen van de vereisten van artikel 12 septies of artikel 12 octies, dan wel van een vereiste die voortvloeit uit van de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7; en
   c) of de entiteit in staat is passiva te vervangen die niet langer voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen of de criteria inzake looptijd die zijn vastgesteld in de artikelen 72 ter en 72 quater van Verordening (EU) nr. 575/2013, en artikel 12 quater of artikel 12 octies, lid 2, van deze verordening, en indien niet, de vraag of dat onvermogen eigen is aan de entiteit of te wijten is aan marktbrede verstoring.

2.  De af te wikkelen entiteiten die onderworpen zijn aan de in artikel 12 quinquies, lid 4 of 5, bedoelde vereisten voldoen uiterlijk op 1 januari 2022 aan het minimumniveau van die vereisten.

3.  De minimumniveaus van de in artikel 12 quinquies, leden 4 en 5, bedoelde vereisten zijn niet van toepassing binnen de periode van twee jaar na de datum waarop:

   a) de afwikkelingsraad of de nationale afwikkelingsautoriteit het instrument van bail-in heeft toegepast; of
   b) de af te wikkelen entiteit een in artikel 18, lid 1, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde alternatieve maatregel van de particuliere sector heeft opgezet waarmee kapitaal­instrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1‑kernkapitaalinstrumenten zijn omgezet, of ten aanzien van die af te wikkelen entiteit overeenkomstig artikel 21 afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, teneinde de af te wikkelen entiteit te herkapitaliseren zonder dat afwikkelingsinstrumenten worden toegepast.

4.  De vereisten, bedoeld in artikel 12 quater, leden 4 en 7, alsmede artikel 12 quinquies, leden 4 en 5, naargelang het geval, gelden niet binnen de periode van drie jaar die volgt op de datum waarop de af te wikkelen entiteit of de groep waartoe de af te wikkelen entiteit behoort, als een MSI is aangemerkt, of de datum vanaf welke de af te wikkelen entiteit zich in de in artikel 12 quinquies, lid 4 of lid 5, bedoelde situatie bevindt.

5.  In afwijking van artikel 12 bis, lid 1, bepalen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten een geschikte overgangsperiode om te voldoen aan de vereisten van artikel 12 septies of artikel 12 octies, of een vereiste die voortvloeit uit de toepassing van artikel 12 quater, lid 4, 5 of 7, naargelang het geval, voor entiteiten waarop afwikkelingsinstrumenten of de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid bedoeld in artikel 21 zijn toegepast.

6.  Voor de toepassing van de leden 1 tot en met 5 stellen de afwikkelingsraad en de nationale afwikkelingsautoriteiten de entiteit in kennis van een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva voor elke periode van 12 maanden gedurende de overgangsperiode teneinde een geleidelijke opbouw van haar verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit te faciliteren. Aan het einde van de overgangsperiode is het minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelijk aan het bedrag, bepaald overeenkomstig artikel 12 quater, leden 4, 5, of 7, artikel 12 quinquies, lid 4 of5, artikel 12 septies of artikel 12 octies, naargelang het geval.

7.  Bij het bepalen van de overgangstermijnen houdt de afwikkelingsraad rekening met:

   a) het overwicht van deposito's en het ontbreken van schuldinstrumenten in het financieringsmodel;
   b) de toegang tot de kapitaalmarkten voor in aanmerking komende passiva;
   c) de mate waarin de af te wikkelen entiteit beroep moet doen op tier 1-kernkapitaal om aan het in artikel 12 septies bedoelde vereiste te voldoen.

8.  Onder voorbehoud van lid 1 is de afwikkelingsraad bevoegd vervolgens de overgangsperiode of een gepland minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva als meegedeeld uit hoofde van lid 6 te herzien.

______________________

* Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43).";

"

7)  artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. De afwikkelingsraad neemt een afwikkelingsmaatregel ten aanzien van een in artikel 2, punt b), bedoelde moederonderneming indien aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden is voldaan.";

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Niettegenstaande het feit dat een moederonderneming niet aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden voldoet, kan de afwikkelingsraad een besluit over afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van die moederonderneming nemen indien deze een af te wikkelen entiteit is en een of meer van haar dochter­ondernemingen die instellingen zijn maar zelf geen af te wikkelen entiteiten, aan de in artikel 18, lid 1, gestelde voorwaarden voldoen mits hun activa en passiva van dien aard zijn dat hun falen een bedreiging vormt voor een instelling of de groep als geheel, en afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van die moeder­onderneming noodzakelijk zijn voor hetzij de afwikkeling van dergelijke dochterondernemingen die instellingen zijn, hetzij de afwikkeling van de betrokken af te wikkelen groep als geheel.";

"

8)  artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt punt b) vervangen door:"

“b) gezien de timing en andere relevante omstandigheden valt het redelijkerwijs niet te verwachten dat ten aanzien van de entiteit genomen alternatieve maatregelen van de particuliere sector, met inbegrip van maatregelen door een institutioneel protectiestelsel, of maatregelen van een toezichthouder, met inbegrip van vroegtijdige-interventiemaatregelen of de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva, overeenkomstig artikel 21, lid 1, het falen van de entiteit binnen een redelijk tijdsbestek zou voorkomen;";

"

b)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"1 bis. De afwikkelingsraad kan een afwikkelingsregeling vaststellen overeenkomstig lid 1 met betrekking tot een centraal orgaan en alle blijvend aangesloten kredietinstellingen die deel uitmaken van dezelfde af te wikkelen groep, indien die af te wikkelen groep als geheel voldoet aan de voorwaarden in lid 1, eerste alinea.";

"

9)  artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 21";

b)  lid 5 wordt als volgt gewijzigd:

i)  in punt a) wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 21";

ii)  punten c) en d) worden vervangen door:"

"c) wanneer de bevoegdheid tot afschrijving of omzetting van relevante kapitaal­instrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 21, lid 7, wordt uitgeoefend, om als onderbouwing te dienen voor het besluit over de omvang van de intrekking of verwatering van eigendomsinstrumenten, en de omvang van de afschrijving of omzetting van relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva;";

   d) wanneer het instrument van bail-in toegepast wordt, ter onderbouwing van het besluit over de mate van de afschrijving of omzetting van bail-inbare passiva;";

"

iii)  in punt g) wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 21";

c)  in de leden 6, 13 en 15 wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva overeenkomstig artikel 21";

10)  artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

"Afschrijving of omzetting van kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva";

"

b)  in het inleidende deel en lid 1, punt b), wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaal­instrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 7 bis";

c)  in lid 3, punt b), wordt het woord "kapitaalinstrumenten" vervangen door de woorden "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 7 bis";

d)  lid 7 wordt vervangen door:"

"7. Indien aan een of meer van de in lid 1 gestelde voorwaarden is voldaan, bepaalt de afwikkelingsraad, handelend overeenkomstig de in artikel 18 vastgestelde procedure, of de bevoegdheden om relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva af te schrijven of om te zetten afzonderlijk moeten worden uitgeoefend of in combinatie met een afwikkelingsmaatregel overeenkomstig de in artikel 18 beschreven procedure.

Indien de betreffende kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva indirect door de af te wikkelen entiteit zijn aangekocht via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, wordt de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheid van de relevante kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva samen uitgeoefend met dezelfde bevoegdheid op het niveau van de moederonderneming van de betrokken entiteit of op het niveau van andere moederondernemingen die geen af te wikkelen entiteiten zijn, zodat de verliezen daadwerkelijk worden doorgeschoven naar, en de betrokken entiteit wordt geherkapitaliseerd door, de af te wikkelen entiteit.

Na de uitoefening van de bevoegdheid om relevante kapitaalinstrumenten of in aanmerking komende passiva onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen af te schrijven of om te zetten, wordt de waardering, bedoeld in artikel 20, lid 16, uitgevoerd en is artikel 76, lid 1, punt e) van toepassing.";

"

e)  de volgende leden worden ingevoegd:"

"7 bis. De bevoegdheid om in aanmerking komende passiva onafhankelijk van afwikkelingsmaatregelen af te schrijven of om te zetten, kan alleen worden uitgeoefend met betrekking tot in aanmerking komende passiva die aan de in▌ artikel 12 octies, lid 2, punt a), van deze verordening gestelde voorwaarden voldoen, met uitzondering van de voorwaarde die betrekking heeft op de resterende looptijd van passiva, als bepaald in artikel 72 quater, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

Indien die bevoegdheid wordt uitgeoefend, wordt de afschrijving of omzetting verricht overeenkomstig het in artikel 15, lid 1, punt g), bedoelde beginsel.

7 ter.  Indien afwikkelingsmaatregelen worden getroffen ten aanzien van een af te wikkelen entiteit of, in uitzonderlijke omstandigheden in afwijking van het afwikkelingsplan, ten aanzien van een entiteit die geen af te wikkelen entiteit is, wordt het bedrag dat bij die entiteit is verlaagd, afgeschreven of omgezet overeenkomstig artikel 21, lid 10, meegeteld voor de in artikel 27, lid 7, punt a), vastgestelde drempels die van toepassing zijn op de betrokken entiteit.";

"

f)  in lid 8, tweede alinea wordt "kapitaalinstrumenten", vervangen door "kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva als bedoeld in lid 7 bis";

g)  aan lid 10 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"d) de hoofdsom van de in lid 7 bis bedoelde in aanmerking komende passiva wordt afgeschreven of omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten, of beide, voor zover dat nodig is om de in artikel 14 vervatte afwikkelingsdoelstellingen te verwezenlijken of tot de volledige omvang van de betrokken in aanmerking komende passiva indien die lager is.";

"

11)  artikel 27 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva";

b)  lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)  punt f) wordt vervangen door"

"f) verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens systemen of exploitanten van systemen die als zodanig zijn aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad* of jegens hun deelnemers en die uit de deelname aan een dergelijk systeem voortvloeien, of jegens CTP's waaraan in de Unie een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en CTP's uit derde landen die door de ESMA zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van die verordening;

________________

* Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45).";

"

ii)  het volgende punt wordt toegevoegd:"

"h) verplichtingen jegens entiteiten die bedoeld zijn in artikel 1, lid 1, onder a), b), c) of d), van Richtlijn 2014/59/EU en die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn, ongeacht de looptijd ervan, tenzij deze verplichtingen in rangorde na gewone ongedekte verplichtingen staan op grond van het nationale recht van de deelnemende lidstaat dat de op … [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] toepasselijke normale insolventieprocedures regelt; in gevallen waarin die uitzondering geldt, beoordeelt de afwikkelingsraad of het bedrag van bestanddelen die voldoen aan het bepaalde in artikel 12 octies, lid 2, volstaat om de uitvoering van de voorkeursafwikkelingsstrategie te ondersteunen.";

"

c)  in lid 4 worden de woorden "in aanmerking komende passiva voor een bail-in-instrument" vervangen door de woorden "bail-inbare passiva";

d)  in lid 5, wordt de tweede alinea vervangen door:"

"De afwikkelingsraad gaat zorgvuldig na of verplichtingen jegens instellingen of entiteiten die tot dezelfde af te wikkelen groep behoren, maar zelf geen af te wikkelen entiteiten zijn en die niet zijn uitgesloten van de toepassing van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden krachtens lid 3, punt h), moeten worden uitgesloten of ten dele worden uitgesloten op grond van de punten a) tot en met d) van de eerste alinea, om een doeltreffende uitvoering van de afwikkelingsstrategie te waarborgen.

Indien een bail-inbaar passivum of een categorie bail-inbare passiva op grond van dit lid geheel of gedeeltelijk wordt uitgesloten, mag het niveau van afschrijving of omzetting dat op andere bail-inbare passiva wordt toegepast, worden verhoogd om met die uitsluitingen rekening te houden, mits dat niveau van afschrijving of omzetting dat op andere bail-inbare passiva wordt toegepast, in overeenstemming is met het in artikel 15, lid 1, punt g), vervatte beginsel.";

"

e)  lid 6 wordt gewijzigd als volgt:"

“6. Ingeval een bail-inbaar passivum of een categorie van bail-inbare passiva uit hoofde van lid 5 geheel of gedeeltelijk wordt uitgesloten, en de verliezen die uit deze passiva zouden zijn voortgevloeid niet volledig aan andere crediteuren zijn overgedragen, kan een bijdrage uit het Fonds aan de instelling in afwikkeling ter beschikking worden gesteld voor één of beide van de volgende doelstellingen:

   a) eventuele verliezen te dekken die niet door bail-inbare passiva zijn opgevangen en ervoor te zorgen dat de nettowaarde van de activa van de instelling in afwikkeling overeenkomstig lid 13, punt a), wederom gelijk is aan nul;
   b) eigendoms- of kapitaalinstrumenten in de instelling in afwikkeling te kopen met de bedoeling de instelling overeenkomstig lid 13, punt b), te herkapitaliseren.”;

"

f)  in lid 7, punt a), worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail‑inbare passiva";

g)  in lid 13 worden de woorden "in aanmerking komende passiva" vervangen door de woorden "bail inbare passiva";

12)  in artikel 31, lid 2, worden de woorden "artikel 45, leden 9 tot en met 13" vervangen door de woorden "artikel 45 nonies";

13)  in artikel 32, lid 1, wordt het woord "12" vervangen door de woorden "12 tot en met 12 duodecies".

Artikel 2

Inwerkingtreding

1.  Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.  Deze verordening is van toepassing vanaf … [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1)PB C 34 van 31.1.2018, blz. 17.
(2)PB C 209 van 30.6.2017, blz. 36.
(3)Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(4)Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(5)Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(6)Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).
(7)Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op krediet­instellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(8)Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1075 van de Commissie van 23 maart 2016 houdende aanvulling van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen ter specificatie van de inhoud van herstelplannen, afwikkelingsplannen en groepsafwikkelingsplannen, de minimumcriteria die de bevoegde autoriteiten moeten beoordelen met betrekking tot herstelplannen en groepsherstelplannen, de voorwaarden voor financiële steun binnen de groep, de voorwaarden voor onafhankelijke taxateurs, de contractuele erkenning van afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden, de procedures en de inhoud van de kennisgevingsvereisten en van de kennisgeving van opschorting en de operationele werking van de afwikkelingscolleges (PB L 184 van 8.7.2016, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 18 april 2019Juridische mededeling