Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 4 april 2019 - Brussel 
Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum tot wanneer tegenpartijen hun risicobeheerprocedures voor bepaalde niet door een centrale tegenpartij geclearde otc-derivatencontracten mogen blijven toepassen
 Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Epitideios
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Lampros Fountoulis
 Verzoek om opheffing van de immuniteit van Eleftherios Synadinos
 Vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, met betrekking tot de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
 Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
 Afvalbeheer
 Handhavingsvoorschriften en specifieke regels voor het detacheren van bestuurders in de sector van het wegvervoer ***I
 Dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en rusttijden en plaatsbepaling door middel van tachografen ***I
 Aanpassing aan de ontwikkelingen in de wegvervoersector ***I
 Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas ***I
 Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ***I
 Meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee ***I
 Versterking van de beveiliging van identiteitskaarten en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie ***I
 Beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur ***I
 Pan-Europees persoonlijk pensioenproduct ***I
 Evenwicht tussen werk en privéleven voor ouders en mantelzorgers ***I
 Bescherming van de begroting van de Unie in geval van fundamentele tekortkomingen op het gebied van de rechtsstaat in de lidstaten ***I
 Europees Sociaal Fonds+ (ESF+) ***I
 Geautomatiseerde verwerking van gegevens inzake de overbrenging van en de controle op accijnsgoederen ***I
 Hergebruik van overheidsinformatie ***I
 Meerjarig herstelplan voor mediterrane zwaardvis ***I
 Minimum opleidingsniveau van zeevarenden ***I
 Aanpassing van de jaarlijkse voorfinanciering voor de jaren 2021 tot en met 2023 ***I
 Tijdelijke herinvoering van het grenstoezicht aan de binnengrenzen ***I
 Verzoek aan het Hof van Justitie om een advies in verband met de toetreding van de EU tot het Verdrag inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld
 Fiscale behandeling van pensioenproducten, inclusief het pan-Europees persoonlijk pensioenproduct

Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum tot wanneer tegenpartijen hun risicobeheerprocedures voor bepaalde niet door een centrale tegenpartij geclearde otc-derivatencontracten mogen blijven toepassen
PDF 124kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 28 maart 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2251 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum tot wanneer tegenpartijen hun risicobeheerprocedures voor bepaalde niet door een centrale tegenpartij geclearde otc-derivatencontracten mogen blijven toepassen ((C(2019)02530 – 2019/2679(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0331B8-0234/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)02530),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 28 maart 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 1 april 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name artikel 11, lid 5, en artikel 82, lid 6,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/397 van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/2251 van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum tot wanneer tegenpartijen hun risicobeheerprocedures voor bepaalde niet door een centrale tegenpartij geclearde otc-derivatencontracten mogen blijven toepassen(2),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 4 april 2019 verstreek,

A.  overwegende dat de verordening overeenkomstig artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/397 van de Commissie van toepassing moet zijn met ingang van de datum volgende op die waarop de Verdragen overeenkomstig artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) niet langer van toepassing zijn op en in het Verenigd Koninkrijk, tenzij voor die datum een terugtrekkingsakkoord in werking is getreden of de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn van twee jaar is verlengd;

B.  overwegende dat de Europese Raad op 22 maart 2019 Besluit (EU) 2019/476(3) heeft vastgesteld om de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk te verlengen, en overwegende dat de tweede voorwaarde voor de toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/397, namelijk dat de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn van twee jaar niet is verlengd, dientengevolge niet zal zijn vervuld;

C.  overwegende dat de onderliggende redenen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/397 zullen blijven bestaan, ongeacht of de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn is verlengd, en overwegende dat het Parlement op 13 februari 2019 heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/397;

D.  overwegende dat het Parlement nog steeds onderschrijft dat het voor bevoegde autoriteiten en financiële markten van belang is om bepaalde transacties die voortvloeien uit een vernieuwing voor een beperkte periode van twaalf maanden vrij te stellen, indien de in het VK gevestigde tegenpartij wordt vervangen door een tegenpartij binnen de EU-27, en overwegende dat het Parlement in dit verband verheugd is over de gedelegeerde verordening van 28 maart 2019, die betrekking heeft op de nieuwe ontwikkeling van de verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn bij Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) PB L 71 van 13.3.2019, blz. 15.
(3) Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk, van 22 maart 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 80I van 22.3.2019, blz. 1).


Geen bezwaar tegen een gedelegeerde handeling: datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten
PDF 124kWORD 48k
Besluit van het Europees Parlement om geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening van de Commissie van 28 maart 2019 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten (C(2019)02533 – 2019/2680(DEA))
P8_TA-PROV(2019)0332B8-0235/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de gedelegeerde verordening van de Commissie (C(2019)02533),

–  gezien het schrijven van de Commissie van 28 maart 2019, waarin zij het Parlement verzoekt te verklaren dat het geen bezwaar zal maken tegen de gedelegeerde verordening,

–  gezien het schrijven van de Commissie economische en monetaire zaken aan de voorzitter van de Conferentie van commissievoorzitters van 1 april 2019,

–  gezien artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters(1), en met name de artikelen 5, lid 2, en artikel 82, lid 6,

–  gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396 van de Commissie van 19 december 2018 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2205, Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/592 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/1178 en tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de datum waarop de clearingverplichting in werking treedt voor bepaalde soorten contracten(2),

–  gezien de aanbeveling voor een besluit van de Commissie economische en monetaire zaken,

–  gezien artikel 105, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien er geen bezwaar werd gemaakt binnen de in artikel 105, lid 6, derde en vierde streepjes, van zijn Reglement gestelde termijn, die op 4 april 2019 verstreek,

A.  overwegende dat overeenkomstig artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396 van de Commissie, de verordening van toepassing is vanaf de dag volgende op die waarop de Verdragen ophouden van toepassing te zijn op en in het Verenigd Koninkrijk krachtens artikel 50, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), tenzij op die datum een terugtrekkingsakkoord van kracht is geworden of de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn van twee jaar is verlengd;

B.  overwegende dat de Europese Raad op 22 maart 2019 Besluit (EU) 2019/476(3) heeft vastgesteld om de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk te verlengen, en overwegende dat, dientengevolge, de tweede voorwaarde voor de toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396, namelijk dat de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn van twee jaar niet is verlengd, niet zal zijn vervuld;

C.  overwegende dat de onderliggende redenen van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396 zullen blijven bestaan, ongeacht of de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn is verlengd, en overwegende dat het Parlement op 13 februari 2019 heeft verklaard dat het geen bezwaar heeft tegen Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/396;

D.  overwegende dat het Parlement nog steeds onderschrijft dat het van belang is voor bevoegde autoriteiten en financiële markten om bepaalde transacties die voortvloeien uit een vernieuwing voor een beperkte periode van twaalf maanden vrij te stellen, indien de in het VK gevestigde tegenpartij wordt vervangen door een tegenpartij binnen de EU-27, en overwegende dat het Parlement in dit verband verheugd is over de gedelegeerde verordening van 28 maart 2019 die betrekking heeft op de nieuwe ontwikkeling van de uitbreiding van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn bij Besluit (EU) nr. 2019/476 van de Europese Raad;

1.  verklaart geen bezwaar te maken tegen de gedelegeerde verordening;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.
(2) PB L 71 van 13.3.2019, blz. 11.
(3) Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk, van 22 maart 2019 tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn (PB L 801, 22.3.2019, blz. 1).


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Epitideios
PDF 126kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Epitideios (2018/2268(IMM))
P8_TA-PROV(2019)0333A8-0185/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Georgios Epitideios, ingediend op 12 oktober 2018 door de plaatsvervangende openbare aanklager van het Griekse Hooggerechtshof, in samenhang met procedure nr. ABM: 2017/10839 en aangekondigd in de plenaire vergadering van 13 november 2018,

–  na Georgios Epitideios te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van Griekenland,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0185/2019),

A.  overwegende dat de plaatsvervangende openbare aanklager van het Hooggerechtshof van Griekenland om opheffing heeft verzocht van de immuniteit van Georgios Epitideios, lid van het Europees Parlement, in verband met mogelijke gerechtelijke stappen in verband met een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

C.  overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van Griekenland bepaald is dat de leden van het parlement tijdens hun parlementaire ambtsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat het verzoek van de plaatsvervangende openbare aanklager van het Hooggerechtshof van Griekenland betrekking heeft op procedures betreffende vermeende schending van artikel 45 en artikel 232A van het Griekse wetboek van strafrecht, met betrekking tot een gezamenlijke schending van een rechterlijke uitspraak;

E.  overwegende dat Georgios Epitideios wordt beschuldigd van het niet-naleven van de voorlopige uitspraak nr. 3603/2015 van de rechtbank van Athene van eerste aanleg met een enkelvoudige kamer, voor de verwijdering van alle camera's op de begane grond en de ingang van het gebouw aan Odos Grammou 73 in Marousi (Attika), en de betaling van een boete van 600 EUR (zeshonderd euro) voor elke toekomstige inbreuk op de uitspraak van 25 mei 2015;

F.  overwegende dat in artikel 9, lid 8, van het Reglement is bepaald dat de Commissie juridische zaken zich in geen geval uitspreekt over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven meningen of handelingen strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt.

G.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is om zich uit te spreken over de vraag of het lid al dan niet schuldig is, over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven handelingen strafrechtelijk te vervolgen, of over de merites van het nationale rechtsstelsel of het gerechtelijk apparaat;

H.  overwegende dat overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het Reglement van het Europees Parlement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht is van de leden, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

I.  overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

J.  overwegende dat leden van het Europees Parlement niet kunnen worden vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.  overwegende dat er op basis van de in dit dossier aangeleverde informatie en uitleg geen reden is om aan te nemen dat de strafrechtelijke vervolging ingegeven is door de wens schade toe te brengen aan de politieke activiteit of reputatie van een lid en dus de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

1.  besluit de immuniteit van Georgios Epitideios op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten en Georgios Epitideios.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Lampros Fountoulis
PDF 130kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Lampros Fountoulis (2018/2269(IMM))
P8_TA-PROV(2019)0334A8-0183/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Lampros Fountoulis, ingediend op 12 oktober 2018 door de plaatsvervangende openbare aanklager van het Griekse Hooggerechtshof, in samenhang met procedure nr. ABM: 2017/10839 en aangekondigd in de plenaire vergadering van 13 november 2018,

–  na Lampros Fountoulis te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van Griekenland,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0183/2019),

A.  overwegende dat de plaatsvervangende openbare aanklager van het Hooggerechtshof van Griekenland om opheffing heeft verzocht van de immuniteit van Lampros Fountoulis, lid van het Europees Parlement, in verband met mogelijke gerechtelijke stappen in verband met een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

C.  overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van Griekenland bepaald is dat de leden van het parlement tijdens hun parlementaire ambtsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat het verzoek van de plaatsvervangende openbare aanklager van het Hooggerechtshof van Griekenland betrekking heeft op procedures betreffende vermeende schending van artikel 45 en artikel 232A van het Griekse wetboek van strafrecht, met betrekking tot een gezamenlijke schending van een rechterlijke uitspraak;

E.  overwegende dat Lampros Fountoulis wordt beschuldigd van het niet naleven van de voorlopige uitspraak nr. 3603/2015 van de rechtbank van Athene van eerste aanleg, voor de verwijdering van alle camera’s op de begane grond en de ingang van het gebouw gelegen onder nr. 73 Odos Grammou in Marousi (Attika), en de betaling van een boete van 600 EUR (zes honderd euro) voor elke toekomstige inbreuk op de uitspraak van 25 mei 2015;

F.  overwegende dat in artikel 9, lid 8, van het Reglement is bepaald dat de Commissie juridische zaken zich in geen geval uitspreekt over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven meningen of handelingen strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt.

G.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is om zich uit te spreken over de vraag of het lid al dan niet schuldig is, over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven handelingen strafrechtelijk te vervolgen, of over de merites van het nationale rechtsstelsel of het gerechtelijk apparaat;

H.  overwegende dat overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het Reglement van het Europees Parlement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht is van de leden, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

I.  overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

J.  overwegende dat leden van het Europees Parlement niet kunnen worden vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.  overwegende dat er op basis van de in dit dossier aangeleverde informatie en uitleg geen reden is om aan te nemen dat de strafrechtelijke vervolging ingegeven is door de wens schade toe te brengen aan de politieke activiteit of reputatie van een lid en dus de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

1.  besluit de immuniteit van Lampros Fountoulis op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten en Lampros Fountoulis.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23.


Verzoek om opheffing van de immuniteit van Eleftherios Synadinos
PDF 127kWORD 49k
Besluit van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het verzoek om opheffing van de immuniteit van Eleftherios Synadinos (2018/2270(IMM))
P8_TA-PROV(2019)0335A8-0184/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het verzoek om opheffing van de immuniteit van Eleftherios Synadinos, ingediend op 12 oktober 2018 door de plaatsvervangende openbare aanklager van het Griekse Hooggerechtshof, in samenhang met procedure nr. ABM: 2017/10839 en aangekondigd in de plenaire vergadering van 13 november 2018,

–  na Eleftherios Synadinos te hebben gehoord, overeenkomstig artikel 9, lid 6, van zijn Reglement,

–  gezien de artikelen 8 en 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, en artikel 6, lid 2, van de Akte van 20 september 1976 betreffende de verkiezing van de leden van het Europees Parlement door middel van rechtstreekse algemene verkiezingen,

–  gezien de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 mei 1964, 10 juli 1986, 15 en 21 oktober 2008, 19 maart 2010, 6 september 2011 en 17 januari 2013(1),

–  gezien artikel 62 van de grondwet van Griekenland,

–  gezien artikel 5, lid 2, artikel 6, lid 1, en artikel 9 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0184/2019),

A.  overwegende dat de plaatsvervangende openbare aanklager van het Hooggerechtshof van Griekenland om opheffing heeft verzocht van de immuniteit van Eleftherios Synadinos, lid van het Europees Parlement, in verband met mogelijke gerechtelijke stappen in verband met een vermeend strafbaar feit;

B.  overwegende dat in artikel 9 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bepaald is dat de leden van het Europees Parlement op hun eigen grondgebied dezelfde immuniteiten genieten welke aan de leden van de volksvertegenwoordiging in hun land zijn verleend,

C.  overwegende dat in artikel 62 van de grondwet van Griekenland bepaald is dat de leden van het parlement tijdens hun parlementaire ambtsperiode niet kunnen worden vervolgd, gearresteerd, gevangen genomen of op andere wijze aan beperkingen worden onderworpen zonder voorafgaande toestemming van het parlement;

D.  overwegende dat het verzoek van de plaatsvervangende openbare aanklager van het Hooggerechtshof van Griekenland betrekking heeft op procedures betreffende vermeende schending van artikel 45 en artikel 232A van het Griekse wetboek van strafrecht, met betrekking tot een gezamenlijke schending van een rechterlijke uitspraak;

E.  overwegende dat Eleftherios Synadinos wordt beschuldigd van het niet-naleven van de voorlopige uitspraak nr. 3603/2015 van de rechtbank van Athene van eerste aanleg met een enkelvoudige kamer, voor de verwijdering van alle camera's op de begane grond en de ingang van het gebouw aan Odos Grammou 73 in Marousi (Attika), en de betaling van een boete van 600 EUR (zeshonderd euro) voor elke toekomstige inbreuk op de uitspraak van 25 mei 2015;

F.  overwegende dat in artikel 9, lid 8, van het Reglement is bepaald dat de Commissie juridische zaken zich in geen geval uitspreekt over de vraag of het betrokken lid al dan niet schuldig is, noch over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven meningen of handelingen strafrechtelijk te vervolgen, zelfs indien de commissie door de behandeling van het verzoek uitgebreide kennis van de zaak krijgt.

G.  overwegende dat het niet aan het Europees Parlement is om zich uit te spreken over de vraag of het lid al dan niet schuldig is, over de wenselijkheid het betrokken lid wegens de hem toegeschreven handelingen strafrechtelijk te vervolgen, of over de merites van het nationale rechtsstelsel of het gerechtelijk apparaat;

H.  overwegende dat overeenkomstig artikel 5, lid 2, van het Reglement van het Europees Parlement parlementaire immuniteit geen persoonlijk voorrecht is van de leden, maar een garantie voor de onafhankelijkheid van het Parlement als geheel en van zijn leden;

I.  overwegende dat de parlementaire immuniteit tot doel heeft het Parlement en zijn leden te beschermen tegen gerechtelijke procedures in verband met activiteiten die in de uitoefening van parlementaire taken zijn verricht en die niet van die taken kunnen worden gescheiden;

J.  overwegende dat leden van het Europees Parlement niet kunnen worden vervolgd op grond van de mening of de stem, die zij in de uitoefening van hun ambt hebben uitgebracht in de zin van artikel 8 van Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie;

K.  overwegende dat er op basis van de in dit dossier aangeleverde informatie en uitleg geen reden is om aan te nemen dat de strafrechtelijke vervolging ingegeven is door de wens schade toe te brengen aan de politieke activiteit of reputatie van een lid en dus de onafhankelijkheid van het Parlement (fumus persecutionis);

1.  besluit de immuniteit van Eleftherios Synadinos op te heffen;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit en het verslag van zijn bevoegde commissie onmiddellijk te doen toekomen aan de Griekse autoriteiten en Eleftherios Synadinos.

(1) Arrest van het Hof van Justitie van 12 mei 1964, Wagner/Fohrmann en Krier, 101/63, ECLI:EU:C:1964:28; arrest van het Hof van Justitie van 10 juli 1986, Wybot/Faure e.a., 149/85, ECLI:EU:C:1986:310; arrest van het Gerecht van 15 oktober 2008, Mote/Parlement, T-345/05, ECLI:EU:T:2008:440; arrest van het Hof van Justitie van 21 oktober 2008, Marra/De Gregorio en Clemente, C-200/07 en C-201/07, ECLI:EU:C:2008:579; arrest van het Gerecht van 19 maart 2010, Gollnisch/Parlement, T-42/06, ECLI:EU:T:2010:102; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2011, Patriciello, C-163/10, ECLI: EU:C:2011:543; arrest van het Gerecht van 17 januari 2013, Gollnisch/Parlement, T-346/11 en T-347/11, ECLI:EU:T:2013:23


Vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, met betrekking tot de terugtrekking van het VK uit de EU ***I
PDF 179kWORD 54k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, met betrekking tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie (COM(2018)0745 – C8-0483/2018 – 2018/0390(COD))
P8_TA-PROV(2019)0336A8-0047/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0745),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 77, lid 2, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0483/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 2 april 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0047/2019),

1.  stelt zijn standpunt in eerste lezing vast en neemt het voorstel van de Commissie over;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) 2018/1806 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, met betrekking tot de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie

P8_TC1-COD(2018)0390


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Op 29 maart 2017 heeft het Verenigd Koninkrijk de Europese Raad kennisgegeven van zijn voornemen om zich uit de Unie terug te trekken krachtens artikel 50 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Op 21 maart 2019 heeft de Europese Raad ingestemd met een verlenging van de in artikel 50, lid 3, genoemde periode tot en met 22 mei 2019, op voorwaarde dat het Lagerhuis van het Verenigd Koninkrijk het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie(2) ("het terugtrekkingsakkoord") zou goedkeuren. Indien het Lagerhuis van het Verenigd Koninkrijk het terugtrekkingsakkoord niet zou goedkeuren, heeft de Europese Raad ingestemd met een verlenging tot en met 12 april.

(2)  Op grond van artikel 21 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad(3) genieten burgers van de Unie het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten, met inbegrip van het recht dat grondgebied binnen te komen zonder een visum of soortgelijke formaliteit.

(3)  Ten gevolge van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Unie zullen de Verdragen en Richtlijn 2004/38/EG, samen met het recht het grondgebied van de lidstaten binnen te komen zonder een visum of soortgelijke formaliteiten, ophouden van toepassing te zijn op onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die Brits burger zijn ▌. Bijgevolg is het noodzakelijk het Verenigd Koninkrijk op te nemen in een van de bijlagen bij ▌Verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad(4). In bijlage I zijn de derde landen opgenomen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit moeten zijn van een visum en in bijlage II zijn de derde landen opgenomen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.

(4)  Gibraltar maakt geen deel uit van het Verenigd Koninkrijk. Het recht van de Unie is slechts krachtens artikel 355, lid 3, VWEU van toepassing geweest op Gibraltar in de mate als bepaald in de Akte van toetreding van 1972. De toevoeging van het Verenigd Koninkrijk aan deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/1806 zal niet gelden voor burgers van Britse overzeese gebieden die hun burgerschap hebben verworven op grond van een band met Gibraltar. Gibraltar moet derhalve evenals andere Britse overzeese gebieden in deel 3 van bijlage II bij Verordening (EU) 2018/1806 worden opgenomen.

(5)  De criteria die ▌in het kader van een beoordeling per geval in aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de derde landen waarvan de onderdanen aan de visumplicht zijn onderworpen of van die plicht zijn vrijgesteld, zijn vastgesteld in ▌ artikel 1 van Verordening (EU) 2018/1806. Deze criteria hebben onder meer betrekking op illegale immigratie, openbare orde en veiligheid, economische voordelen, in het bijzonder op het gebied van toerisme en buitenlandse handel, en de externe betrekkingen van de Europese Unie met de betrokken derde landen, waarbij in het bijzonder gekeken wordt naar mensenrechten en fundamentele vrijheden alsmede naar de implicaties voor de regionale samenhang en de wederkerigheid.

(6)  Rekening houdend met alle criteria van ▌ artikel 1 van Verordening (EU) 2018/1806 is het passend onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die Brits burger zijn, vrij te stellen van de visumplicht voor reizen naar het grondgebied van de lidstaten. Gezien de geografische nabijheid van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie, de historisch nauwe banden tussen hun economieën, de omvang van hun handelsverkeer en het aantal korte reizen van personen voor zakelijke, toeristische en andere doeleinden tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie, kan worden verwacht dat visumvrij reizen het toerisme en de economie ten goede zullen komen, en bijgevolg voordelen zal opleveren voor de Unie.

(7)  Het Verenigd Koninkrijk moet bijgevolg worden opgenomen in bijlage II bij Verordening (EU) 2018/1806 wat Britse burgers betreft.

(8)  Deze verordening is gebaseerd op de verwachting dat het Verenigd Koninkrijk, in het belang van de instandhouding van nauwe betrekkingen, volledige visumwederkerigheid zal verlenen aan de onderdanen van alle lidstaten. Als het Verenigd Koninkrijk in de toekomst de visumplicht oplegt aan onderdanen van ten minste een lidstaat, moet het wederkerigheidsmechanisme van ▌ artikel 7 van Verordening (EU) 2018/1806 worden toegepast. Het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten moeten in dat geval onverwijld handelen om het wederkerigheidsmechanisme in werking te doen treden. De Commissie moet doorlopend toezien op de naleving van het wederkerigheids­beginsel en het Europees Parlement en de Raad onmiddellijk informeren over ontwikkelingen die de eerbiediging van dat beginsel in gevaar zouden kunnen brengen.

(9)  Wat IJsland en ▌Noorwegen betreft, vormt deze verordening een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop die landen worden betrokken ▌bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(5) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad(6).

(10)  Wat Zwitserland betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis in de zin van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(7), die betrekking hebben op het gebied bedoeld in artikel 1, punten B en C, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad(8).

(11)  Wat ▌ Liechtenstein betreft, houdt deze verordening een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis in de zin van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis(9) die betrekking hebben op het gebied bedoeld in artikel 1, punten B en C, van Besluit 1999/437/EG, in samenhang met artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad(10).

(12)  Deze verordening vormt een ontwikkeling van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad(11); Het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(13)  Deze verordening vormt een ontwikkeling van de bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad(12); Ierland neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van deze verordening en deze is niet bindend voor, noch van toepassing op deze lidstaat.

(14)  Deze verordening vormt een handeling die op het Schengenacquis voortbouwt of anderszins daaraan is gerelateerd in de zin van respectievelijk artikel 3, lid 1, van de Toetredingsakte van 2003, artikel 4, lid 1, van de Toetredingsakte van 2005 en artikel 4, lid 1, van de Toetredingsakte van 2011.

(15)  Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op de dag waarop het Unierecht ophoudt van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk.

(16)  Derhalve dient Verordening (EU) 2018/1806 te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EU) 2018/1806 wordt als volgt gewijzigd:

(1)  Artikel 6(2), onder d), wordt vervangen door:"

"d) onverminderd de vereisten die voortvloeien uit de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen van de Raad van Europa (ondertekend te Straatsburg op 20 april 1959), personen met erkende vluchtelingenstatus, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die in Ierland verblijven en die houders zijn van een reisdocument dat is afgegeven door Ierland en dat is erkend door de betrokken lidstaat.";

"

(2)  in bijlage II, deel 1, wordt het volgende ingevoegd:"

"Verenigd Koninkrijk (met uitzondering van Britse onderdanen als bedoeld in deel 3)";

"

(3)  in bijlage II wordt de titel van deel 3 vervangen door:"

"BRITSE ONDERDANEN DIE GEEN BRITS BURGER ZIJN";

"

(4)  in bijlage II, deel 3, wordt na de woorden "British overseas territories citizens (BOTC)" het volgende toegevoegd:"

"Tot deze gebieden behoren Anguilla, Bermuda, Brits Antarctica, Brits gebied in de Indische Oceaan, Britse Maagdeneilanden, Kaaimaneilanden, Falklandeilanden, Gibraltar*, Montserrat, Pitcairneilanden, Sint-Helena, Ascension en Tristan da Cunha, Zuid-Georgia en de Zuidelijke Sandwicheilanden en Turks- en Caicoseilanden.

* Gibraltar is een Britse kroonkolonie. Er bestaat een meningsverschil tussen Spanje en het Verenigd Koninkrijk betreffende de soevereiniteit over Gibraltar, een gebied waarover een oplossing moet worden bereikt in het licht van de desbetreffende resoluties en besluiten van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties.".

"

Artikel 2

Ingeval het Verenigd Koninkrijk beslist om de visumplicht op te leggen aan onderdanen van ten minste een lidstaat, is het wederkerigheidsmechanisme van artikel 7 van Verordening (EU) 2018/1806 van toepassing. Het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de lidstaten handelen onverwijld om het wederkerigheidsmechanisme toe te passen.

Artikel 3

▌Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op die waarop het Unierecht ophoudt van toepassing te zijn op het Verenigd Koninkrijk.

▌Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1)Standpunt van het Europees Parlement van 4 april 2019.
(2) PB C 66I van 19.2.2019, blz. 1.
(3)Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).
(4)Verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld (PB L 303 van 28.11.2018, blz. 39).
(5)PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
(6)Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengen-acquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).
(7)PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
(8)Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).
(9)PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.
(10)Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).
(11)Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).
(12)Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).


Richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten *
PDF 119kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (COM(2019)0151 – C8-0131/2019 – 2019/0056(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0337A8-0177/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan de Raad (COM(2019)0151),

–  gezien artikel 148, lid 2 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0131/2019),

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0177/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het Commissievoorstel;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.


Afvalbeheer
PDF 136kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over afvalbeheer (2019/2557(RSP))
P8_TA-PROV(2019)0338B8-0231/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen (kaderrichtlijn afvalstoffen)(1),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/850 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 1999/31/EG over het storten van afvalstoffen(2),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/852 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende verpakking en verpakkingsafval(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2018/849 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van de Richtlijnen 2000/53/EG betreffende autowrakken, 2006/66/EG inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's, en 2012/19/EU betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur(4),

–  gezien Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013(5) (verordening klimaatmaatregelen),

–  gezien Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het vaststellen van eisen inzake ecologisch ontwerp voor energiegerelateerde producten(6) en de uitvoeringsverordeningen en vrijwillige overeenkomsten die krachtens die richtlijn zijn aangenomen,

–  gezien zijn resolutie van 13 september 2018 over een Europese strategie voor kunststoffen in een circulaire economie(7),

–  gezien zijn resolutie van 17 april 2018 over de uitvoering van het zevende milieuactieprogramma(8),

–  gezien zijn resolutie van 6 juli 2017 over Europese duurzaamheidsmaatregelen(9),

–  gezien zijn resolutie van 4 juli 2017 over een langere levensduur voor producten: voordelen voor consumenten en bedrijven(10),

–  gezien zijn resolutie van 31 mei 2018 over de uitvoering van de richtlijn inzake ecologisch ontwerp (2009/125/EG)(11),

–  gezien het voorlopige politieke akkoord dat de medewetgevers op 19 december 2018 hebben gesloten over het voorstel voor een richtlijn betreffende de vermindering van de effecten van bepaalde kunststofproducten op het milieu,

–  gezien de mededeling van de Commissie van 26 januari 2017 getiteld "De rol van energiewinning uit afval in de circulaire economie" (COM(2017)0034),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 16 januari 2018 over de tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie: opties om te werken aan het snijvlak van chemicaliën-, product- en afvalwetgeving (COM(2018)0032) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2018)0020),

–  gezien de mededeling van de Commissie van 2 december 2015 getiteld "Maak de cirkel rond – Een EU-actieplan voor de circulaire economie" (COM(2015)0614),

–  gezien de meer dan 60 verzoekschriften over afvalbeheer die het Europees Parlement de afgelopen jaren heeft ontvangen uit België, Bulgarije, Griekenland, Italië, Polen, Slowakije, Spanje en het Verenigd Koninkrijk,

–  gezien de informatiebezoeken van de Commissie verzoekschriften aan Bulgarije, Griekenland en Italië in de afgelopen jaren met betrekking tot kwesties in verband met afvalbeheer, en in het bijzonder de conclusies en specifieke aanbevelingen in de daaropvolgende verslagen,

–  gezien zijn resolutie van 2 februari 2012 over de in verzoekschriften opgeworpen vragen betreffende de toepassing van de afvalstoffenrichtlijn en aanverwante richtlijnen in de lidstaten van de Europese Unie(12),

–  gezien artikel 216, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat in de EU vooruitgang is geboekt bij het beperken van de gevolgen van afvalproductie voor het milieu en de menselijke gezondheid, maar dat nog vele uitdagingen blijven bestaan en dringend maatregelen moeten worden genomen om een duurzaam beheer van hulpbronnen te waarborgen, met name met betrekking tot de relatief hoge hoeveelheden onbehandeld afval die in veel lidstaten nog steeds worden gestort;

B.  overwegende dat twee van de belangrijkste uitdagingen voor de toekomst erin bestaan de afvalproductie te verminderen en de doelstellingen inzake afvalbeheer af te stemmen op die van de circulaire economie, met name door de percentages voor hergebruik en recycling te verhogen;

C.  overwegende dat preventie is vastgesteld als de hoogste prioriteit van de afvalhiërarchie door middel van de kaderrichtlijn afvalstoffen 2008/98/EG;

D.  overwegende dat inadequate praktijken op het gebied van afvalbeheer ernstige gevolgen hebben voor het milieu in de vorm van bodem-, water- en luchtverontreiniging; overwegende dat indieners van verzoekschriften erop hebben gewezen dat stortplaatsen en verbrandingsovens zijn toegelaten en operationeel zijn gemaakt in de onmiddellijke nabijheid van woonwijken en landbouwgebieden en in gebieden waar de bevoegde autoriteiten van de lidstaten niet naar behoren rekening hebben gehouden met de geologische en hydrogeologische omstandigheden, en een rechtstreekse bedreiging vormen voor de volksgezondheid;

E.  overwegende dat meer dan 80 % van het milieueffect van een product wordt bepaald in de ontwerpfase, die dus een belangrijke rol speelt bij de bevordering van afvalpreventie en van alle aspecten van de circulaire economie, zoals de duurzaamheid, de verbeterbaarheid, de herstelbaarheid, het hergebruik en de recycling van een product;

F.  overwegende dat naast het maken van duurzamere en hulpbronnenefficiëntere producten de beginselen van de deeleconomie en de diensteneconomie ook kunnen dienen om de afvalproductie in Europa te verminderen;

G.  overwegende dat de Commissie talrijke inbreukprocedures heeft ingeleid met betrekking tot inbreuken op de EU-wetgeving inzake afvalbeheer in diverse lidstaten; overwegende dat verscheidene van deze zaken zijn doorverwezen naar het Hof van Justitie van de Europese Unie, een aantal ervan onlangs;

H.  overwegende dat uit het laatste verslag van de Commissie over de tenuitvoerlegging van de EU-afvalwetgeving, met inbegrip van het vroegtijdige waarschuwingsverslag voor lidstaten die het risico lopen achterop te raken bij hun voorbereidingen voor het bereiken van de doelstelling inzake hergebruik/recycling van stedelijk afval voor 2020, is gebleken dat er ernstige lacunes zijn die snel moeten worden aangepakt om ervoor te zorgen dat Europa de milieu- en economische voordelen van de circulaire economie kan plukken;

I.  overwegende dat uit recente gegevens bij talrijke verzoekschriften is gebleken dat de situatie inzake afvalbeheer in diverse lidstaten en regio's nog steeds hoogst problematisch is, hetgeen duidelijk aantoont dat de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn afvalstoffen en de rest van de EU-wetgeving met betrekking tot afvalpreventie- en behandelingsmaatregelen aanzienlijk moeten worden verbeterd;

J.  overwegende dat een economie waarin voorrang wordt gegeven aan reparatie, hergebruik, herproductie en recycling van materialen, arbeidsintensiever is dan een economie die gebaseerd is op een filosofie van verwijdering, waardoor meer kansen op een baan worden gecreëerd; overwegende dat een behoorlijke tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving inzake afvalpreventie en -beheer het werkgelegenheidspotentieel van de sectoren hergebruik en recycling kan ontsluiten;

K.  overwegende dat een behoorlijk beheer van afval en afvalpreventie van essentieel belang is voor de verbetering van de levenskwaliteit in Europa en de verwezenlijking van een niet-toxische omgeving;

1.  benadrukt het feit dat in talrijke verzoekschriften die zijn ingediend over het verzuim van de lidstaten om de afvalwetgeving ten uitvoer te leggen, wordt gewezen op diverse gezondheids- en milieuproblemen die verband houden met inadequate praktijken op het gebied van afvalbeheer, zoals slechte luchtkwaliteit in stedelijke gebieden, verontreiniging van ondergrondse waterreserves, overmatige geluidsniveaus en stinkende emissies;

2.  onderstreept het feit dat ter ondersteuning van de overgang naar een meer circulaire economie, de overheidsfinanciering van afvalbeheer, zowel op nationaal als op EU-niveau, consistent zijn met het doel van een opwaartse verschuiving in de tenuitvoerlegging van de afvalhiërarchie; is daarom van mening dat middelen moeten worden ingezet voor plannen en projecten op het gebied van preventie, hergebruik, gescheiden inzameling en recycling;

3.  verzoekt de lidstaten meer vooruitgang te boeken bij de vaststelling van effectieve plannen en projecten voor preventie, hergebruik, gescheiden inzameling en recycling, die van cruciaal belang zijn voor het verminderen van de milieubelasting van afval, het plukken van de economische voordelen van de circulaire economie en het verbeteren van de hulpbronnenefficiëntie; dringt er bij de Commissie op aan de lidstaten te ondersteunen bij hun inspanningen voor de uitvoering, onder meer door middel van technische bijstand en de verstrekking van EU-middelen; stelt voor passende economische instrumenten vast te stellen, zoals vastgelegd in de kaderrichtlijn afvalstoffen, en efficiënte en kosteneffectieve regelingen voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid toe te passen om de overgang naar een circulaire economie te stimuleren;

4.  verzoekt de lidstaten maatregelen te nemen om zwerfafval te verwijderen en het beheer van afval (inzameling, sortering en recycling) te verbeteren, en economische instrumenten en bewustmakingscampagnes te ontwikkelen om zwerfafval te voorkomen;

5.  is ingenomen met de bereidheid van de Commissie om bezoeken op hoog niveau met betrekking tot de circulaire economie/afval af te leggen aan lidstaten die het risico lopen de doelstellingen inzake stedelijk afval voor 2020 niet te halen, en samen te werken met de belanghebbenden op dit gebied, waaronder verenigingen van lokale en regionale actoren en organisaties op Europees niveau die daadwerkelijk een nulafvalcultuur en aanverwant beleid bevorderen;

6.  benadrukt het feit dat de lidstaten de milieueffecten van afvalproductie moeten beperken, met name door de hoeveelheid stedelijk afval te verminderen; verzoekt de lidstaten met het oog hierop afvalpreventiemaatregelen te nemen als uiteengezet in de herziene kaderrichtlijn afvalstoffen;

7.  benadrukt het feit dat nationale, regionale en lokale actoren een cruciale rol spelen in het afvalbeheer en bij de beleidsontwikkeling en -uitvoering ter zake; herinnert eraan dat een coherent beleid, samen met de bevordering van de passende infrastructuur in overeenstemming met de afvalhiërarchie, alleen kan worden vastgesteld door coördinatie en samenwerking op alle niveaus in de EU; verzoekt de Commissie beste praktijken op alle niveaus te belonen en de uitwisseling ervan te vergemakkelijken, alsmede baanbrekende projecten concreet en adequaat te ondersteunen;

8.  verzoekt de lidstaten en de bedrijfssectoren, als belangrijke partners op het gebied van afvalbeheer, hun engagement voor de bevordering van circulaire toeleveringsketens te verbeteren om toegang te krijgen tot secundaire grondstoffen van hoge kwaliteit, vaak tegen concurrerende prijzen, die moeten worden teruggewonnen voor verder gebruik en verdere productie;

9.  roept op tot het aanbieden van opleidingen en het bevorderen van een reeks banentypes, met inbegrip van financiële steun voor opleidingen op hoog niveau en voor sociale functies, met name op het gebied van reparatie en voorbereiding voor hergebruik;

10.  is er sterk van overtuigd dat nieuwe bedrijfsmodellen die gericht zijn op afvalpreventie, hergebruik en recycling op passende wijze moeten worden bevorderd en ondersteund met het oog op een effectievere bevordering van de overgang naar een circulaire economie;

11.  onderstreept het feit dat de correcte tenuitvoerlegging van het pakket circulaire economie kansen biedt in de hele EU, met inbegrip van investeringen, die zullen bijdragen tot een rationalisering van het gebruik van natuurlijke hulpbronnen;

12.  benadrukt het feit dat het verhogen van de productiviteit van hulpbronnen door een verbetering van de efficiëntie en een vermindering van de verspilling van hulpbronnen door middel van maatregelen als hergebruik, recycling en herproductie kan leiden tot een aanzienlijke vermindering zowel van het verbruik van hulpbronnen als van de uitstoot van broeikasgassen, een doelstelling die centraal staat in de circulaire economie; onderstreept het feit dat de hulpbronnen in een circulaire economie behouden blijven in de economie en op productieve wijze voort worden gebruikt wanneer een product zijn levenseinde heeft bereikt, zodat het verbruik van hulpbronnen wordt verminderd; is met betrekking tot de afvalwetgeving van mening dat een beter ontwerp van circulaire producten zal bijdragen tot de sluiting van de productiecycli en een omschakeling zal teweegbrengen in de productie- en consumptiepatronen, waardoor de gehalten aan giftige stoffen en de totale hoeveelheid afval worden verminderd;

13.  verzoekt de lidstaten volledige transparantie te waarborgen over het volume en de eindbestemming van residuen van verschillende afvalbehandelingsopties, met name ten aanzien van gemeenschappen die potentieel getroffen worden door locaties en nieuwe projecten, en deze te raadplegen tijdens het besluitvormingsproces; dringt er bovendien bij de lidstaten op aan de bepalingen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (de milieueffectbeoordelingsrichtlijn)(13) en andere relevante EU-wetgeving ter bescherming van het milieu en de volksgezondheid volledig en grondig ten uitvoer te leggen;

14.  is van mening dat gescheiden afvalinzameling huis-aan-huis een doeltreffende manier is om de bevolking bewust te maken van het strategische belang van een circulaire economie, en om op doeltreffender wijze te komen tot een collectief engagement op dit gebied; onderstreept het feit dat deze systemen een betere boekhouding mogelijk maken met betrekking tot de soorten en hoeveelheden geproduceerd huishoudelijk afval en de daarmee verband houdende behoeften op het gebied van verwerking, met het oog op een zo groot mogelijke voorbereiding voor hergebruik en recycling, en om de invoering mogelijk te maken van eerlijkere stimulerende/ontradende economische maatregelen;

15.  herinnert eraan dat verbranding op de voorlaatste plaats staat in de afvalhiërarchie, met alleen storten als nog slechtere oplossing;

16.  herinnert eraan dat gevaarlijk afval specifieke uitdagingen op het gebied van verwerking met zich meebrengt die niet over het hoofd mogen worden gezien en specifiek moeten worden aangepakt; roept de lidstaten ertoe op de bepalingen van de kaderrichtlijn afvalstoffen met betrekking tot het beheer van gevaarlijk afval volledig ten uitvoer te leggen;

17.  steunt de Commissie bij haar lopende inbreukprocedures tegen lidstaten die de afvalwetgeving niet naleven; verzoekt de Commissie het potentieel van het systeem voor vroegtijdige waarschuwing, zoals vastgelegd in de herziene afvalrichtlijnen, ten volle te benutten; stelt voor dat de door de Commissie geïnde boetes opnieuw geïnvesteerd moeten worden in projecten die in overeenstemming zijn met de hoogste niveaus van de afvalhiërarchie;

18.  betreurt het feit dat volgens indieners van verzoekschriften stortplaatsen zijn toegelaten en aangelegd in de onmiddellijke nabijheid van woonwijken en landbouwgebieden; dringt er bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op aan te zorgen voor volledige bescherming van de menselijke gezondheid en structurele maatregelen te nemen om een oplossing te vinden voor de verontreiniging van het grondwater;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 109.
(2) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 100.
(3) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 141.
(4) PB L 150 van 14.6.2018, blz. 93.
(5) PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26.
(6) PB L 285 van 31.10.2009, blz. 10.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0352.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0100.
(9) PB C 334 van 19.9.2018, blz. 151.
(10) PB C 334 van 19.9.2018, blz. 60.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0241.
(12) PB C 239 E van 20.8.2013, blz. 60.
(13) PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1.


Handhavingsvoorschriften en specifieke regels voor het detacheren van bestuurders in de sector van het wegvervoer ***I
PDF 282kWORD 86k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector (COM(2017)0278 – C8-0170/2017 – 2017/0121(COD))
P8_TA-PROV(2019)0339A8-0206/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0278),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0170/2017,

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018(1),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0206/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 764
Voorstel voor een richtlijn
Titel 1
Voorstel voor een
Voorstel voor een
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
RICHTLIJN VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector
tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening")
Amendement 765
Voorstel voor een richtlijn
Overweging -1 (nieuw)
(-1)   Gezien de grote mobiliteit van het personeelsbestand in de wegvervoersector zijn sectorspecifieke regels nodig om het evenwicht te waarborgen tussen de vrijheid van ondernemers om grensoverschrijdende diensten te verrichten, het vrije verkeer van goederen en de sociale bescherming van bestuurders. Deze richtlijn heeft derhalve ten doel rechtszekerheid en duidelijkheid te bieden en bij te dragen tot de harmonisatie en bevordering van de handhaving, de bestrijding van illegale praktijken en de beperking van de administratieve lasten.
Amendement 766
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1
(1)  Om tot een veilige, efficiënte en sociaal verantwoordelijke wegvervoersector te komen, moeten enerzijds correcte arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming voor bestuurders worden verzekerd en anderzijds passende bedrijfsomstandigheden en eerlijke concurrentievoorwaarden voor ondernemers.
(1)  Om tot een veilige, efficiënte en sociaal verantwoordelijke wegvervoersector te komen, moeten het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten, correcte arbeidsvoorwaarden en sociale bescherming voor bestuurders worden verzekerd en moet worden gezorgd voor een passend zakelijk en concurrerend klimaat voor ondernemers, dit alles met inachtneming van de in de Verdragen gewaarborgde fundamentele vrijheden en met name het vrije verkeer van goederen en het vrij verrichten van diensten.
Amendement 767
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 1 bis (nieuw)
(1 bis)   Nationale regels die worden toegepast op het wegvervoer moeten evenredig en gerechtvaardigd zijn en mogen de uitoefening van in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, zoals het vrije verkeer van diensten, niet belemmeren of minder aantrekkelijk maken, teneinde de concurrentie binnen de Unie in stand te houden of zelfs te vergroten, maar wel met inachtneming van de arbeidsomstandigheden en sociale bescherming van bestuurders.
Amendement 768
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2
(2)  Wegvervoersdiensten worden gekenmerkt door een hoge mobiliteit; derhalve moet bijzondere aandacht uitgaan naar het verzekeren dat bestuurders de rechten genieten waarop zij aanspraak kunnen maken en dat ondernemers niet worden geconfronteerd met buitensporige administratieve hinderpalen die hun vrijheid om grensoverschrijdende diensten te verlenen uitermate beperken.
(2)  Wegvervoersdiensten worden gekenmerkt door een hoge mobiliteit; derhalve moet bijzondere aandacht uitgaan naar het verzekeren dat bestuurders de rechten genieten waarop zij aanspraak kunnen maken en dat ondernemers, grotendeels (90 %) kmo's met minder dan tien werknemers, niet worden geconfronteerd met buitensporige administratieve hinderpalen of ongegronde en discriminerende controles die hun vrijheid om grensoverschrijdende diensten te verlenen uitermate beperken.
Amendement 769
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   Eventuele nationale regels die van toepassing zijn op het wegvervoer moeten evenredig en gerechtvaardigd zijn en mogen de uitoefening van de in het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, zoals het vrije verkeer van goederen en de vrijheid om diensten te verrichten, niet belemmeren of minder aantrekkelijk maken, teneinde het concurrentievermogen van de Unie in stand te houden of zelfs te vergroten, met inbegrip van de kosten van producten en diensten, met inachtneming van de arbeidsvoorwaarden en de sociale bescherming van de bestuurders en de specifieke kenmerken van de sector, aangezien bestuurders zeer mobiele werknemers en geen ter beschikking gestelde werknemers zijn.
Amendement 770
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 3
(3)  Het evenwicht tussen betere sociale en arbeidsvoorwaarden voor bestuurders en de vrijheid om wegvervoersdiensten te verlenen op basis van eerlijke concurrentie tussen binnen- en buitenlandse ondernemers is van cruciaal belang voor de goede werking van de interne markt.
(3)  Het evenwicht tussen betere sociale en arbeidsvoorwaarden voor bestuurders en de vrijheid om wegvervoersdiensten te verlenen op basis van eerlijke, evenredige en niet-discriminerende concurrentie tussen binnen- en buitenlandse ondernemers is van cruciaal belang voor de goede werking van de interne markt. Derhalve moeten alle nationale wetten en beleidsmaatregelen die op nationaal niveau worden toegepast in de vervoersector positief bijdragen aan de ontwikkeling en versterking van de interne Europese vervoersruimte en mogen deze in geen geval leiden tot versnippering van de interne markt. 
Amendement 771
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4
(4)  Uit een evaluatie van de effectiviteit en efficiëntie van de huidige sociale Unieregelgeving inzake wegvervoer is gebleken dat de bestaande wetgeving achterpoortjes bevat en de handhaving tekortschiet. Bovendien worden de regels in de lidstaten op verschillende wijze geïnterpreteerd, toegepast en uitgevoerd. Dat zorgt voor rechtsonzekerheid en een ongelijke behandeling van bestuurders en ondernemers, met nadelige gevolgen voor de arbeidsomstandigheden, de sociale voorwaarden en de concurrentie in de sector.
(4)  Uit een evaluatie van de effectiviteit en efficiëntie van de huidige sociale Unieregelgeving inzake wegvervoer is gebleken dat de bestaande wetgeving achterpoortjes bevat, dat de handhaving tekortschiet en dat er sprake is van illegale praktijken, zoals het gebruik van brievenbusmaatschappijen. Er moet meer nadruk worden gelegd op het tegengaan van zwartwerk in de vervoersector. Bovendien worden de regels in de lidstaten op verschillende wijze geïnterpreteerd, toegepast en uitgevoerd, waardoor bestuurders en ondernemers te maken krijgen met zware administratieve lasten. Dat zorgt voor rechtsonzekerheid, met nadelige gevolgen voor de arbeidsomstandigheden, de sociale voorwaarden en de concurrentie in de sector.
Amendement 772
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Om ervoor te zorgen dat Richtlijn 96/71/EG1 bis en Richtlijn 2014/67/EU1 ter van het Europees Parlement en de Raad juist worden toegepast, moeten de controles en de samenwerking op EU-niveau ter bestrijding van fraude op het gebied van de terbeschikkingstelling van bestuurders worden aangescherpt, en moeten er strengere controles worden verricht om ervoor te zorgen dat de sociale bijdragen voor ter beschikking gestelde bestuurders ook echt worden betaald.
_________________
1 bis Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).
1 ter Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening") (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11).
Amendement 773
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5
(5)  Een geschikte, doeltreffende en consequente handhaving van de bepalingen inzake arbeidstijden is van cruciaal belang om de arbeidsomstandigheden van bestuurders te beschermen en concurrentieverstoringen als gevolg van niet-naleving te voorkomen. Daarom is het wenselijk de bestaande eenvormige handhavingsvoorschriften zoals vastgelegd in Richtlijn 2006/22/EG uit te breiden tot de controle op de naleving van de bepalingen inzake arbeidstijd zoals vastgelegd in Richtlijn 2002/15/EU.
(5)  Een geschikte, doeltreffende en consequente handhaving van de bepalingen inzake arbeids- en rusttijden is van cruciaal belang om de verkeersveiligheid te verbeteren, de arbeidsomstandigheden van bestuurders te beschermen en concurrentieverstoringen als gevolg van niet-naleving te voorkomen. Daarom is het wenselijk de bestaande eenvormige handhavingsvoorschriften zoals vastgelegd in Richtlijn 2006/22/EG uit te breiden tot de controle op de naleving van de bepalingen inzake arbeidstijd zoals vastgelegd in Richtlijn 2002/15/EU. De mogelijkheid om controles van rij- en arbeidstijden te combineren met controles op de naleving van de regels voor de terbeschikkingstelling van bestuurders moet ook beschikbaar worden gesteld zonder aanvullende administratieve lasten. Controles op de naleving van de arbeidstijden moeten worden beperkt tot controles die ter plaatse bij vervoersondernemingen worden uitgevoerd zolang er nog geen technologie voorhanden is waarmee controles van de arbeidstijden doeltreffend langs de weg kunnen worden uitgevoerd.
Amendement 774
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Gezien het specifieke karakter van vervoersdiensten en de directe impact op het vrije verkeer van goederen, en vooral vanwege de verkeersveiligheid, moeten controles langs de weg tot een minimum worden beperkt. Bestuurders mogen niet aansprakelijk worden gesteld voor aanvullende administratieve verplichtingen van hun onderneming. Regels inzake de arbeidstijden mogen uitsluitend ter plaatse bij vervoerondernemingen worden gecontroleerd.
Amendement 775
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 5 ter (nieuw)
(5 ter)   Om efficiëntere, snellere en meer controles langs de weg mogelijk te maken en tegelijkertijd de administratieve druk voor bestuurders te beperken, moet de naleving van Richtlijn 2002/15/EG worden gecontroleerd in het kader van controles bij ondernemingen in plaats van via controles langs de weg.
Amendement 776
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 bis (nieuw)
(6 bis)  Om een doeltreffende administratieve samenwerking en informatie-uitwisseling te bevorderen, moeten de lidstaten hun nationale elektronische registers (NER's) aan elkaar koppelen via het systeem van het Europees register van ondernemingen voor vervoer over de weg (ERRU), met als rechtsgrondslag artikel 16, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1071/2009. De lidstaten moeten alle nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de nationale elektronische registers aan elkaar gekoppeld zijn, zodat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, waaronder weginspecteurs, rechtstreeks en onmiddellijk toegang hebben tot de gegevens en informatie die zijn opgenomen in het ERRU.
Amendement 777
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)  Om een betere en uniformere toepassing van de minimumvoorwaarden voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EG) nr. 561/2006, Verordening (EU) nr. 165/2014 en Richtlijn 2002/15/EG mogelijk te maken en het voor wegvervoerondernemingen eenvoudiger te maken om te voldoen aan de administratieve eisen bij de terbeschikkingstelling van bestuurders, moet de Commissie een of meer IMI-modules ontwikkelen voor het indienen van verklaringen van terbeschikkingstelling, alsook een elektronische applicatie waarmee inspecteurs tijdens controles langs de weg rechtstreeks en onmiddellijk toegang hebben tot het ERRU en het IMI.
Amendement 778
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Teneinde te zorgen voor eerlijke concurrentie en een gelijk speelveld voor werknemers en ondernemingen, moet vooruitgang worden geboekt op het vlak van slimme handhaving en moet alle mogelijke ondersteuning worden geboden voor de volledige invoering en het gebruik van risicoclassificatiesystemen. Daartoe moeten de handhavingsinstanties onmiddellijke toegang krijgen tot de nationale elektronische registers (NER's) en tegelijkertijd optimaal gebruik kunnen maken van het Europees register van ondernemingen voor vervoer over de weg (ERRU).
Amendement 779
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)   Regels inzake de terbeschikkingstelling van werknemers die van toepassing zijn op het wegvervoer moeten evenwichtig en eenvoudig zijn, met beperkte administratieve lasten voor de lidstaten en vervoerondernemingen. Deze regels mogen er niet op gericht zijn activiteiten buiten het land van vestiging van een onderneming te ontmoedigen.
Amendement 780
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9
(9)  Er zijn ook problemen vastgesteld bij de toepassing op de zeer mobiele wegvervoersector van de regels inzake de terbeschikkingstelling van werknemers zoals gespecificeerd in Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad15 en de regels inzake administratieve voorschriften zoals vastgelegd in Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad16. De ongecoördineerde nationale maatregelen voor de toepassing en handhaving van de bepalingen inzake de terbeschikkingstelling van werknemers in de wegvervoersector veroorzaken een hoge administratieve druk op ondernemingen die in een ander land van de Unie zijn gevestigd. Daardoor wordt de vrijheid om grensoverschrijdende wegvervoersdiensten te verlenen uitermate beperkt, wat negatieve neveneffecten heeft op de werkgelegenheid.
(9)  Er zijn ook problemen vastgesteld bij de toepassing op de zeer mobiele wegvervoersector van de regels inzake de terbeschikkingstelling van werknemers zoals gespecificeerd in Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad15 en de regels inzake administratieve voorschriften zoals vastgelegd in Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad16. De ongecoördineerde nationale maatregelen voor de toepassing en handhaving van de bepalingen inzake de terbeschikkingstelling van werknemers in de wegvervoersector veroorzaken rechtsonzekerheid, concurrentieverstoringen in de vervoersector en een hoge administratieve druk op ondernemingen die in een ander land van de Unie zijn gevestigd. Daardoor wordt de vrijheid om grensoverschrijdende wegvervoersdiensten te verlenen uitermate beperkt, wat negatieve neveneffecten heeft op de werkgelegenheid en het concurrentievermogen van vervoerondernemingen. Het is noodzakelijk de administratieve vereisten en controlemaatregelen te harmoniseren om te voorkomen dat vervoerders worden geconfronteerd met onnodige en willekeurige vertragingen.
_________________
_________________
15 Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).
15 Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).
16 Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening") (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11).
16 Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van Richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening") (PB L 159 van 28.5.2014, blz. 11).
Amendement 781
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Lidstaten moeten gegevens en informatie uitwisselen, op administratief gebied samenwerken en elkaar bijstand verlenen via het Informatiesysteem interne markt (IMI), met als rechtsgrondslag Verordening (EU) nr. 1034/2012, om volledige naleving van de voorschriften te bewerkstelligen. Ook moet het IMI worden gebruikt voor het indienen van verklaringen van terbeschikkingstelling tussen vervoerondernemingen en de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaten en voor het actualiseren van deze verklaringen. Om deze laatste doelstelling te kunnen verwezenlijken, moet er binnen het IMI-systeem een parallelle openbare interface worden ontwikkeld waartoe vervoerondernemingen toegang hebben.
Amendement 782
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter)  Alle deelnemers aan de toeleveringsketen voor goederen moeten hun eigen deel van de verantwoordelijkheid op zich nemen voor inbreuken op de in deze richtlijn vastgelegde voorschriften. Dit geldt voor gevallen waarin deelnemers weet hebben van een inbreuk of daar gezien de omstandigheden weet van zouden moeten hebben.
Amendement 783
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 quater (nieuw)
(9 quater)  Om ervoor te zorgen dat controlemaatregelen voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector correct worden toegepast zoals bepaald in de Richtlijnen 96/71/EG en 2014/67/EU, moeten de controles en samenwerking op Unieniveau ter bestrijding van fraude in verband met de terbeschikkingstelling van bestuurders worden aangescherpt.
Amendement 784
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 quinquies (nieuw)
(9 quinquies)  Contractanten moeten ertoe worden aangespoord maatschappelijk verantwoord te handelen door gebruik te maken van vervoersondernemingen die voldoen aan de regels van deze richtlijn. Om het gemakkelijker te maken voor contractanten om dergelijke vervoersondernemingen te vinden, moet de Commissie een beoordeling uitvoeren van de bestaande instrumenten en beste praktijken waarmee maatschappelijk verantwoord gedrag van alle actoren in de toeleveringsketen voor goederen wordt gestimuleerd, eventueel met het oog op de totstandbrenging van een Europees platform van betrouwbare vervoersondernemingen.
Amendement 785
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 9 sexies (nieuw)
(9 sexies)  Door niet-naleving van de vestigingsregels voor ondernemingen voor internationaal wegvervoer ontstaan er verschillen binnen de interne markt en neemt de oneerlijke concurrentie tussen ondernemingen toe. Er moeten dus strengere en beter te controleren vestigingsvoorwaarden komen voor ondernemingen voor internationaal wegvervoer, met name om de oprichting van brievenbusondernemingen tegen te gaan.
Amendement 786
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)   Aangezien er in Europa een gebrek aan bestuurders bestaat, moeten de arbeidsomstandigheden aanzienlijk worden verbeterd om de aantrekkelijkheid van het beroep te vergroten.
Amendement 787
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 11
(11)  Om de doeltreffende en evenredige uitvoering van Richtlijn 96/71/EG in de wegvervoersector te waarborgen, is het noodzakelijk sectorspecifieke regels op te stellen die zijn afgestemd op de bijzondere aard van het zeer mobiele personeelsbestand van de wegvervoersector en een evenwicht te creëren tussen de sociale bescherming van bestuurders en de vrijheid van ondernemers om grensoverschrijdende diensten te verlenen.
(11)  Om de doeltreffende en evenredige uitvoering van Richtlijn 96/71/EG in de wegvervoersector te waarborgen, is het noodzakelijk sectorspecifieke regels op te stellen die zijn afgestemd op de bijzondere aard van het zeer mobiele personeelsbestand van de wegvervoersector en een evenwicht te creëren tussen de sociale bescherming van bestuurders en de vrijheid van ondernemers om grensoverschrijdende diensten te verlenen. De bepalingen van Richtlijn 96/71/EG inzake de terbeschikkingstelling van werknemers en van Richtlijn 2014/67/EU inzake de handhaving van die bepalingen moeten onder de voorwaarden van deze richtlijn van toepassing zijn op de wegvervoersector.
Amendement 788
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12
(12)  Dergelijke evenwichtige criteria moeten gebaseerd zijn op het concept van voldoende verbondenheid van een bestuurders met het grondgebied van een gastlidstaat. Daarom moet een tijdsdrempel worden ingesteld, waarbij het minimumloon en de minimale jaarlijkse betaalde vakantie van de gastlidstaat op het internationaal wegvervoer van toepassing worden zodra die drempel wordt overschreden. Die tijdsdrempel dient niet van toepassing te zijn op cabotage zoals gedefinieerd bij de Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 en 1073/2009, aangezien de volledige vervoersoperatie plaatsvindt in een gastlidstaat. Bijgevolg dienen het minimumloon en de minimale jaarlijkse betaalde vakantie van de gastlidstaat, ongeacht de frequentie en de duur van de door de bestuurder uitgevoerde activiteiten, van toepassing te zijn op cabotage.
(12)  Dergelijke evenwichtige criteria moeten gebaseerd zijn op het concept van voldoende verbondenheid van een bestuurders met het grondgebied van een gastlidstaat. Er is sprake van voldoende verbondenheid bij cabotage zoals gedefinieerd bij de Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 en 1073/2009, aangezien de volledige vervoersoperatie plaatsvindt in een gastlidstaat. Bijgevolg dienen Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU van toepassing te zijn op cabotage.
Amendement 789
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  In het geval van internationaal vervoer zou een bestuurder in het bilaterale internationale vervoer voornamelijk verbonden zijn met een lidstaat van vestiging van de vervoersonderneming, aangezien de bestuurder regelmatig terugkeert naar de lidstaat van vestiging van de vervoersonderneming. Een bestuurder kan in één rit meerdere bilaterale vervoersactiviteiten verrichten. Anderzijds kan men spreken van een voldoende verbondenheid met het grondgebied van een gastlidstaat wanneer een bestuurder in die lidstaat andere soorten activiteiten verricht, met name niet-bilateraal internationaal vervoer.
Amendement 790
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 ter (nieuw)
(12 ter)  Om te zorgen voor een efficiënt gebruik van de middelen voor vervoer, rekening te houden met de operationele realiteit en het aantal lege ritten te beperken, wat een belangrijk rol speelt voor het behalen van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs inzake de beperking van CO2-emissies, moet een beperkt aantal aanvullende vervoersactiviteiten mogelijk zijn zonder dat dit aanleiding geeft tot de toepassing van de regels inzake terbeschikkingstelling. Dergelijke activiteiten worden verricht gedurende een periode in de loop van of na afloop van een bilaterale internationale vervoersactiviteit vanuit de lidstaat van vestiging en vóór de terugrit naar de lidstaat van vestiging.
Amendement 791
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quater (nieuw)
(12 quater)  Als de bestuurder betrokken is bij gecombineerd vervoer is de aard van de dienstverlening tijdens het begin- en eindtraject nauw verbonden met de lidstaat van vestiging mits het wegtraject als bilateraal vervoer wordt afgelegd. Anderzijds kan men spreken van een voldoende verbondenheid met het grondgebied van een gastlidstaat wanneer het vervoer tijdens het wegtraject binnen de gastlidstaat of als niet-bilateraal internationaal vervoer wordt verricht, en derhalve zouden de regels inzake terbeschikkingstelling in een dergelijk geval wel moeten gelden.
Amendement 792
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 quinquies (nieuw)
(12 quinquies)   Aangezien er onvoldoende verbondenheid bestaat tussen een bestuurder en het grondgebied van een lidstaat van doorvoer, dient doorvoer niet te worden beschouwd als een situatie van terbeschikkingstelling. Er moet bovendien worden verduidelijkt dat wanneer passagiers de bus om hygiënische redenen verlaten, dit niet tot wijziging van de kwalificatie van de vervoersactiviteit leidt.
Amendement 793
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 sexies (nieuw)
(12 sexies)  Het wegvervoer is een uiterst mobiele sector en vergt een gemeenschappelijke aanpak met betrekking tot bepaalde loonaspecten. vervoersondernemingen moeten rechtszekerheid hebben over de regels en vereisten waaraan zij moeten voldoen. Die regels en vereisten moeten duidelijk, begrijpelijk en gemakkelijk toegankelijk zijn voor vervoersondernemingen en moeten doeltreffende controles mogelijk maken. Het is van belang dat nieuwe regels geen onnodige administratieve lasten met zich meebrengen en dat zij naar behoren rekening houden met de belangen van kmo's.
Amendement 794
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 12 septies (nieuw)
(12 septies)  Wanneer overeenkomstig het nationale recht en nationale tradities en praktijken, en met inachtneming van de autonomie van de sociale partners, de in artikel 3 van Richtlijn 96/71/EG bedoelde arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden zijn neergelegd in collectieve overeenkomsten in de zin van artikel 3, leden 1 en 8, van die richtlijn, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat die voorwaarden en omstandigheden overeenkomstig Richtlijn 2014/67/EU op een toegankelijke en transparante wijze beschikbaar worden gesteld voor vervoerondernemingen uit andere lidstaten en ter beschikking gestelde bestuurders, en moeten zij hierbij de sociale partners inschakelen. De relevante informatie dient met name de verschillende beloningen en de componenten daarvan, met inbegrip van de componenten van beloningen waarin in de lokaal of regionaal toepasselijke collectieve overeenkomsten is voorzien, de wijze waarop de verschuldigde beloning wordt berekend en, in voorkomend geval, de criteria voor indeling in de verschillende salarisschalen te bevatten. In overeenstemming met Richtlijn (EU) 2018/957 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG mogen vervoerondernemingen niet worden bestraft voor de niet-naleving van componenten van lonen, de methode aan de hand waarvan het verschuldigde loon wordt berekend en, in voorkomend geval, de criteria voor indeling in de verschillende salarisschalen die niet openbaar beschikbaar zijn.
Amendement 795
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13
(13)  Om een effectieve en efficiënte handhaving van de specifieke regels inzake terbeschikkingstelling van werknemers te verzekeren en onevenredige administratieve lasten voor ondernemers uit andere lidstaten te vermijden, moeten specifieke administratieve en controlemaatregelen voor de wegvervoersector worden vastgesteld, waarbij controle-instrumenten zoals de digitale tachograaf ten volle worden benut.
(13)  Om een effectieve en efficiënte handhaving van de specifieke regels inzake terbeschikkingstelling van werknemers te verzekeren en onevenredige administratieve lasten voor ondernemers uit andere lidstaten te vermijden, moeten specifieke administratieve en controlemaatregelen voor de wegvervoersector worden vastgesteld, waarbij controle-instrumenten zoals de digitale tachograaf ten volle worden benut. Om de complexiteit van de in deze richtlijn en in Richtlijn 96/71/EG vastgestelde verplichtingen beheersbaar te houden, mogen de lidstaten ervoor kiezen alleen de in deze richtlijn opgenomen en de op de wegvervoersector afgestemde administratieve eisen op te leggen aan wegvervoerondernemingen.
Amendement 796
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 bis (nieuw)
(13 bis)   Om de administratieve lasten en het papierwerk voor bestuurders tot een minimum te beperken, verstrekken de vervoerondernemingen alle noodzakelijke documenten die zijn genoemd in de bepalingen over wederzijdse bijstand en samenwerking tussen de lidstaten van hoofdstuk III van Richtlijn 2014/67/EU, als de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging van de vervoerder hierom verzoeken.
Amendement 797
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 ter (nieuw)
(13 ter)   Teneinde de uitvoering, toepassing en handhaving van deze richtlijn te vergemakkelijken, moet het Informatiesysteem interne markt (IMI) dat werd ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1024/2012, in de lidstaten worden gebruikt voor de verbeterde grensoverschrijdende uitwisseling van informatie tussen regionale en lokale autoriteiten. Het kan ook van voordeel zijn om de functies van het IMI uit te breiden en daarin de indiening en overdracht van eenvoudige verklaringen op te nemen.
Amendement 798
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 quater (nieuw)
(13 quater)   Teneinde de administratieve lasten te beperken voor vervoerondernemingen – vaak kleine en middelgrote ondernemingen – is het zaak om het proces voor de verzending van verklaringen van terbeschikkingstelling door vervoerondernemingen te vereenvoudigen aan de hand van gestandaardiseerde formulieren met een aantal vooraf vastgestelde elementen die zijn vertaald in alle officiële talen van de Unie.
Amendement 799
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 quinquies (nieuw)
(13 quinquies)   Een algemene uitvoering en toepassing van de regels inzake de terbeschikkingstelling van werknemers in het wegvervoer kan gevolgen hebben voor de structuur van de sector goederenvervoer over de weg in de Unie. De lidstaten en de Commissie moeten daarom de impact van dit proces nauwlettend blijven volgen.
Amendement 800
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 sexies (nieuw)
(13 sexies)   De handhaving moet gericht zijn op inspecties die ter plaatse worden uitgevoerd bij de ondernemingen. Controles langs de weg dienen niet te worden uitgesloten, maar moeten uitsluitend en op niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd voor vrachtbrieven of de elektronische versies daarvan, bevestigingen van inschrijvingen vooraf en verklaringen van terugkeer naar het land van vestiging van de ondernemer of het land van verblijf van de bestuurder. Bij controles langs de weg moeten in de eerste plaats de gegevens van tachografen worden onderzocht, die belangrijk zijn voor het vaststellen van de activiteiten van een bestuurder en voertuig gedurende een voortschrijdende periode van vier weken en de geografische dekking van deze activiteiten. De registratie van de landcode kan hierbij nuttig zijn.
Amendement 801
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 septies (nieuw)
(13 septies)   Het effect van de toepassing en de handhaving van de regels inzake de terbeschikkingstelling van werknemers op de wegvervoersector moet herhaaldelijk worden geëvalueerd door de Commissie. Zij moet hierover verslag uitbrengen aan het Parlement en de Raad en voorstellen indienen voor de verdere vereenvoudiging van de regels en de beperking van de administratieve lasten.
Amendement 802
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 octies (nieuw)
(13 octies)   Aangezien het noodzakelijk is specifieke regelingen te hebben voor de vervoersector, waar verplaatsing de essentie vormt van het werk van bestuurders, moet de toepassing van Richtlijn 96/71/EU op de wegvervoersector samenvallen met de datum van de inwerkingtreding van de wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en de vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector.
Amendement 803
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 13 nonies (nieuw)
(13 nonies)   Om de bijlagen bij deze richtlijn aan te passen aan de ontwikkelingen op het gebied van beste praktijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van deze bijlagen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van gedelegeerde handelingen.
Amendement 804
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  De informatie-uitwisseling in het kader van een doeltreffende administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten moet in overeenstemming zijn met de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens, die zijn vervat in Verordening (EU) 2016/679.
Amendement 805
Voorstel voor een richtlijn
Overweging 14 ter (nieuw)
(14 ter)   De regels ter waarborging van goede sociale voorwaarden op de Europese markt voor goederenvervoer over de weg moeten door alle partners in de toeleveringsketen worden geëerbiedigd. Teneinde een economisch en sociaal duurzame Europese interne markt tot stand te brengen, moet een keten van verantwoordelijkheid worden vastgesteld en toegepast die alle actoren in de logistieke keten omvat. Het afdwingen van transparantie en aansprakelijkheid en het verbeteren van sociale en economische gelijkheid zal het beroep van bestuurder aantrekkelijker maken en gezonde concurrentie aanwakkeren.
Amendement 806
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 2 – lid 1 – alinea 2
Deze controles bestrijken ieder jaar een breed en representatief staal van de mobiele werknemers, bestuurders, ondernemingen en voertuigen die binnen het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014 vallen en van de mobiele werknemers en bestuurders die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG vallen.
Deze controles bestrijken ieder jaar een breed en representatief staal van de mobiele werknemers, bestuurders, ondernemingen en voertuigen die binnen het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014 vallen en, in het geval van controles die ter plaatse bij ondernemingen worden uitgevoerd, van de mobiele werknemers en bestuurders die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2002/15/EG vallen. Alleen na de invoering van technologie die doeltreffende wegcontroles mogelijk maakt, voeren de lidstaten wegcontroles uit om de uitvoering van Richtlijn 2002/15/EG te controleren. Tot die tijd worden die controles uitsluitend ter plaatse bij de vervoersondernemingen uitgevoerd.
Amendement 807
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 2 – lid 3 – alinea 1
Iedere lidstaat organiseert de controles op zulke wijze dat ten minste 3 % van de dagen die zijn gewerkt door bestuurders van voertuigen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 561/2006, Verordening (EU) nr. 165/2014 en Richtlijn 2002/15/EG vallen, wordt gecontroleerd.
Iedere lidstaat organiseert de controles op zulke wijze dat ten minste 3 % van de dagen die zijn gewerkt door bestuurders van voertuigen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 561/2006, Verordening (EU) nr. 165/2014 en Richtlijn 2002/15/EG vallen, wordt gecontroleerd. Indien de bestuurder bij een wegcontrole een of meer van de verlangde documenten niet kan overleggen, moet hij in de gelegenheid worden gesteld zijn vervoersactiviteit voort te zetten en is de wegvervoeronderneming in de lidstaat van vestiging verplicht de vereiste documenten via de bevoegde autoriteiten over te leggen.
Amendement 808
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter c
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 2 – lid 4
4.  De overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 561/2006 aan de Commissie verstrekte informatie omvat het aantal langs de weg gecontroleerde bestuurders, het aantal controles ter plaatse bij ondernemingen, het aantal gecontroleerde werkdagen en het aantal en de aard van de gerapporteerde inbreuken, samen met de vermelding of het personen- of goederenvervoer betreft.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 809
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 5
(3 bis)  artikel 5 wordt vervangen door:
Artikel 5
"Artikel 5
Gezamenlijke controles
Gezamenlijke controles
De lidstaten ondernemen ten minste zesmaal per jaar gezamenlijke wegcontroles waarbij bestuurders en voertuigen die binnen het toepassingsgebied van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 vallen, aan wegcontroles worden onderworpen. Deze controles worden tegelijkertijd door de handhavingsinstanties van twee of meer lidstaten elk op hun eigen grondgebied uitgevoerd.
De lidstaten ondernemen ten minste zesmaal per jaar gezamenlijke wegcontroles en controles ter plaatse bij ondernemingen waarbij bestuurders en voertuigen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 561/2006 of Verordening (EU) nr. 165/2014 vallen, aan wegcontroles en controles ter plaatse bij ondernemingen worden onderworpen. Deze controles worden tegelijkertijd door de handhavingsinstanties van twee of meer lidstaten elk op hun eigen grondgebied uitgevoerd. De samengevatte resultaten van de gezamenlijke controles worden openbaar gemaakt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens."
Amendement 810
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 6 – lid 1
1.  De controles ter plaatse bij ondernemingen worden georganiseerd in het licht van de ervaringen die in het verleden met de verschillende soorten van vervoer en van ondernemingen zijn opgedaan. Deze controles worden ook verricht indien er bij wegcontroles ernstige inbreuken zijn vastgesteld op de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 of (EU) nr. 165/2014 of Richtlijn 2002/15/EG.
1.  De controles ter plaatse bij ondernemingen worden georganiseerd in het licht van de ervaringen die in het verleden met de verschillende soorten van vervoer en van ondernemingen zijn opgedaan. Deze controles worden ook verricht indien er bij wegcontroles ernstige inbreuken zijn vastgesteld op de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014.
Amendement 811
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 7 – lid 1 – letter b
(4 bis)  in artikel 7, lid 1, wordt punt b) vervangen door:
b)  het verstrekt de Commissie de tweejaarlijkse statistische gegevens overeenkomstig artikel 16, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 3820/85;
"b) het verstrekt de Commissie de tweejaarlijkse statistische gegevens overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 561/2006;"
Amendement 812
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 1 – inleidende formule
(-a)  De inleidende formule van artikel 8, lid 1, wordt vervangen door:
1.  De in het kader van artikel 17, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 3820/85 of artikel 19, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 bilateraal ter beschikking gestelde informatie wordt uitgewisseld tussen de aangewezen organen waarvan overeenkomstig artikel 7, lid 2, aan de Commissie mededeling is gedaan. Dit geschiedt:
1.  De in het kader van artikel 22, lid 2, van Verordening (EG) nr. 561/2006 of artikel 40 van Verordening (EU) nr. 165/2014 bilateraal ter beschikking gestelde informatie wordt uitgewisseld tussen de aangewezen organen waarvan overeenkomstig artikel 7 aan de Commissie mededeling is gedaan. Dit geschiedt:
Amendement 813
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter a
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 1 – letter b
(b)  in afzonderlijke gevallen op uitdrukkelijk verzoek van een lidstaat.
(b)  in afzonderlijke gevallen op specifiek verzoek van een lidstaat, mits de vereiste informatie niet kan worden verkregen door middel van rechtstreekse raadpleging van nationale elektronische registers als bedoeld in artikel 16, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1071/2009.
Amendement 814
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 1 bis – alinea 1
1 bis.  De lidstaat zal de door andere lidstaten krachtens lid 1, onder b), van dit artikel gevraagde informatie bezorgen binnen 25 werkdagen na ontvangst van het verzoek in gevallen die een grondig onderzoek vereisen of in het geval van controles ter plaatse bij de betrokken ondernemingen. De lidstaten kunnen in onderling overleg een kortere termijn overeenkomen. In dringende gevallen of gevallen waarin een eenvoudige raadpleging van de registers volstaat, zoals een risicoclassificatiesysteem, wordt de gevraagde informatie binnen drie werkdagen bezorgd.
1 bis.  De lidstaat zal de door andere lidstaten krachtens lid 1, onder b), van dit artikel gevraagde informatie bezorgen binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek. In terdege gemotiveerde gevallen die een grondig onderzoek vereisen of in het geval van controles ter plaatse bij de betrokken ondernemingen bedraagt de termijn twintig werkdagen. De lidstaten kunnen in onderling overleg een kortere termijn overeenkomen. In dringende gevallen of gevallen waarin een eenvoudige raadpleging van de registers volstaat, zoals een risicoclassificatiesysteem, wordt de gevraagde informatie binnen drie werkdagen bezorgd.
Amendement 815
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 1 bis – alinea 2
Als de lidstaat die het verzoek ontvangt van mening is dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd, zal hij de verzoekende lidstaat daarvan binnen tien werkdagen in kennis stellen. De verzoekende lidstaat moet het verzoek dan nader motiveren. Als dat niet mogelijk is, kan de lidstaat het verzoek afwijzen.
Als de lidstaat die het verzoek ontvangt van mening is dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd, zal hij de verzoekende lidstaat daarvan binnen vijf werkdagen in kennis stellen. De verzoekende lidstaat moet het verzoek dan nader motiveren. Als dat niet mogelijk is, kan de lidstaat het verzoek afwijzen.
Amendement 816
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 1 bis – alinea 3
Als het moeilijk of onmogelijk is om aan een informatieverzoek te voldoen of controles, inspecties of onderzoeken te verrichten, stelt de lidstaat in kwestie de verzoekende lidstaat daarvan binnen tien werkdagen in kennis, met vermelding van de redenen. De betrokken lidstaten zoeken in onderling overleg naar een oplossing voor eventuele moeilijkheden.";
Als het moeilijk of onmogelijk is om aan een informatieverzoek te voldoen of controles, inspecties of onderzoeken te verrichten, stelt de lidstaat die het verzoek ontvangt de verzoekende lidstaat daarvan binnen vijf werkdagen in kennis, en geeft hij daarbij de redenen op waarmee de moeilijkheid of onmogelijkheid om de relevante informatie te verstrekken naar behoren wordt gerechtvaardigd. De betrokken lidstaten zoeken in onderling overleg naar een oplossing voor eventuele moeilijkheden.";
Amendement 817
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 1 bis – alinea 3 bis (nieuw)
Als de Commissie zich bewust wordt van een aanhoudend probleem bij de uitwisseling van informatie, of wanneer men blijft weigeren informatie te verstrekken, kan zij passende maatregelen nemen om het probleem op te lossen, onder meer door zo nodig een onderzoek in te stellen en in het uiterste geval sancties aan de lidstaat op te leggen.
Amendement 818
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6– letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 2
(b bis)  lid 2 wordt vervangen door:
2.  De lidstaten streven ernaar systemen voor elektronische informatie-uitwisseling op te zetten. Volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure, stelt de Commissie een gemeenschappelijke methodologie voor efficiënte informatie-uitwisseling vast.
2.  In afwijking van artikel 21 van Richtlijn 2014/67/EU vindt de in de leden 1 en 1 bis van dit artikel vastgestelde informatie-uitwisseling tussen de bevoegde instanties van de lidstaten plaats via het bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 opgezette Informatiesysteem interne markt (IMI). De bevoegde autoriteiten van de lidstaten hebben rechtstreekse en onmiddellijke toegang tot gegevens in de nationale elektronische registers via het Europees register van ondernemingen voor vervoer over de weg (ERRU), als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1071/2009.
Amendement 819
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 8 – lid 2 bis
(b ter)  aan artikel 8 wordt het volgende lid toegevoegd:
"2 bis. De Commissie ontwikkelt een elektronische applicatie waarvan alle EU-lidstaten gebruikmaken en waarmee inspecteurs uiterlijk in 2020 rechtstreeks en onmiddellijk toegang zullen hebben tot het ERRU en het IMI tijdens controles langs de weg en ter plaatse bij vervoerondernemingen. Deze applicatie wordt ontwikkeld door middel van een proefproject.";
Amendement 820
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter a
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 9 – lid 1 – alinea 2
De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een gemeenschappelijke formule vast voor het berekenen van een risicoclassificatie voor ondernemingen, waarbij zowel rekening wordt gehouden met het aantal, de ernst en de frequentie van de inbreuken als met de resultaten van controles waarbij geen inbreuk is vastgesteld en met het feit of alle voertuigen van een vervoersonderneming al dan niet zijn uitgerust met een slimme tachograaf overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 165/2014. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 12, lid 2, van deze richtlijn bedoelde onderzoeksprocedure.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om een gemeenschappelijke formule vast te stellen voor het berekenen van een risicoclassificatie voor ondernemingen, waarbij zowel rekening wordt gehouden met het aantal, de ernst en de frequentie van de inbreuken als met de resultaten van controles waarbij geen inbreuk is vastgesteld en met het feit of de voertuigen van een vervoersonderneming al dan niet zijn uitgerust met een slimme tachograaf overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 165/2014.
Amendement 821
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7– letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 9 – lid 3 – alinea 1
(b bis)  in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:
3.  Een lijst van inbreuken op de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 is opgenomen in bijlage III.
3.  Een lijst van inbreuken op de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014 is opgenomen in bijlage III.
Amendement 822
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 9 – lid 3 – alinea 2
(b ter)  in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:
Met het oog op het aanbieden van richtsnoeren voor de waardering van inbreuken op de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85, kan de Commissie in overeenstemming met artikel 12, lid 2, zo nodig bijlage III aanpassen om richtsnoeren op te stellen over een gemeenschappelijk scala van inbreuken die overeenkomstig de ernst ervan worden ingedeeld in categorieën.
"Met het oog op het aanbieden van richtsnoeren voor de waardering van inbreuken op Verordening (EG) nr. 561/2006 of (EU) nr. 165/2014, is de Commissie in overeenstemming met artikel 15 bis bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage III om richtsnoeren op te stellen over een gemeenschappelijk scala van inbreuken die overeenkomstig de ernst ervan worden ingedeeld in categorieën.";
Amendement 823
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter b ter (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 9 – lid 3 – alinea 3
(b ter)  in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:
De categorie met betrekking tot de ernstigste inbreuken omvatten de inbreuken die door de niet-naleving van de relevante bepalingen van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 een hoog risico meebrengen voor dood of zware verwondingen.
"De categorie met betrekking tot de ernstigste inbreuken omvatten de inbreuken die door de niet-naleving van de relevante bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 of (EU) nr. 165/2014 een hoog risico meebrengen voor dood of zware verwondingen.";
Amendement 824
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter c
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 9 – lid 4
4.  Om gerichte wegcontroles te vergemakkelijken zijn de gegevens in het nationale risicoclassificatiesysteem ten tijde van de controle toegankelijk voor alle bevoegde controle-instanties van de betrokken lidstaat.
4.  Om gerichte wegcontroles te vergemakkelijken zijn de gegevens in het nationale risicoclassificatiesysteem en in de nationale registers van vervoerondernemingen en -activiteiten ten tijde van de controle, ten minste via een elektronische applicatie waarvan alle lidstaten gebruikmaken en die rechtstreeks en onmiddellijk toegang biedt tot het ERRU, toegankelijk voor alle bevoegde controle-instanties van de betrokken lidstaat.
Amendement 825
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 – letter c
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 9 – lid 5
5.  De lidstaten stellen de in het nationaal risicoclassificatiesysteem opgeslagen informatie op verzoek beschikbaar van of maken die rechtstreeks toegankelijk voor alle bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, overeenkomstig de in artikel 8 vastgelegde termijnen.
5.  De lidstaten maken de in het nationaal risicoclassificatiesysteem opgeslagen informatie rechtstreeks toegankelijk voor alle bevoegde autoriteiten van andere lidstaten via interoperabele nationale elektronische registers, als bedoeld in artikel 16 van Verordening (EG) nr. 1071/2009. Op deze manier wordt de uitwisseling van informatie en gegevens over inbreuken van vervoerders en risicoclassificaties geconcentreerd en vindt deze uitwisseling plaats via de onderlinge koppeling die het ERRU aanbrengt tussen de verschillende nationale registers van de lidstaten.
Amendement 826
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 11 – lid 3
3.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een gemeenschappelijke aanpak vast voor het registreren en controleren van perioden die aan andere werkzaamheden zijn besteed, zoals gedefinieerd in artikel 4, onder e), van Verordening (EG) nr. 561/2006, en van perioden van ten minste één week gedurende welke de chauffeur zich niet in of bij het voertuig bevindt. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure;
3.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om een gemeenschappelijke aanpak vast te stellen voor het registreren en controleren van perioden die aan andere werkzaamheden zijn besteed, zoals gedefinieerd in artikel 4, onder e), van Verordening (EG) nr. 561/2006, met inbegrip van de vorm en de specifieke gevallen waarin registratie plaatsvindt, en voor het registreren en controleren van perioden van ten minste één week gedurende welke de chauffeur zich niet in of bij het voertuig bevindt en niet in staat is werkzaamheden uit te voeren met dat voertuig.
Amendement 827
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 bis (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 12
(8 bis)  Artikel 12 wordt vervangen door:
Artikel 12
"Artikel 12
Comitéprocedure
Comitéprocedure
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 18, lid 1, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 ingestelde comité.
1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) nr. 165/2014 ingestelde comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 van dat besluit.
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing."
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG bedoelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
3.  Het comité stelt zijn reglement van orde vast.
Amendement 828
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 ter (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 13 – letter b
(8 ter)  Lid 13, onder b), wordt vervangen door:
b)  de samenhang in aanpak en een geharmoniseerde interpretatie van Verordening (EEG) nr. 3820/85 tussen verschillende handhavingsinstanties aanmoedigen;
"b) de samenhang in aanpak en een geharmoniseerde interpretatie van Verordening (EG) nr. 561/2006 tussen verschillende handhavingsinstanties aanmoedigen;
Amendement 829
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 quater (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 14
(8 quater)  Artikel 14 wordt vervangen door:
Artikel 14
"Artikel 14
Onderhandelingen met derde landen
Onderhandelingen met derde landen
Wanneer deze richtlijn in werking is getreden opent de Gemeenschap onderhandelingen met de daarvoor in aanmerking komende derde landen met het oog op de toepassing van regels die gelijkwaardig zijn aan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd.
Wanneer deze richtlijn in werking is getreden, opent de Unie onderhandelingen met de daarvoor in aanmerking komende derde landen met het oog op de toepassing van regels die gelijkwaardig zijn aan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd.
In afwachting van de voltooiing van deze onderhandelingen, nemen de lidstaten in hun verslagen aan de Commissie overeenkomstig artikel 16, lid 2 van Verordening (EEG) nr. 3820/85 gegevens op met betrekking tot controles op voertuigen van derde landen.
In afwachting van de voltooiing van deze onderhandelingen, nemen de lidstaten in hun verslagen aan de Commissie overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 561/2006 gegevens op met betrekking tot controles op voertuigen van derde landen."
Amendement 830
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 quinquies (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 15
(8 quinquies)  Artikel 15 wordt vervangen door:
Artikel 15
"Artikel 15
Bijwerking van de bijlagen
Bijwerking van de bijlagen
De wijzigingen van de bijlagen die nodig zijn om ze aan te passen aan de ontwikkeling van de beste praktijken worden vastgesteld volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 15 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I en II te wijzigen teneinde de nodige aanpassingen in te voeren aan de ontwikkeling van de beste praktijken.”
Amendement 831
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8 sexies (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Artikel 15 bis (nieuw)
(8 sexies)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 15 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.   De in artikel 9, lid 3, en artikel 15 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging bezwaar maakt.
3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9, lid 3, en artikel 15 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.
5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.   Een overeenkomstig artikel 9, lid 3, en artikel 15 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd."
Amendement 832
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter -a (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Bijlage I – deel A – punt 1
-a)  in deel A wordt punt 1 vervangen door:
(1)  dagelijkse en wekelijkse rijtijden, onderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden; de registratiebladen van de voorgaande dagen, die volgens artikel 15, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 aan boord van het voertuig moeten zijn en/of de gegevens die voor dezelfde periode worden opgeslagen op de bestuurderskaart en/of in het geheugen van het controleapparaat overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn en/of op afdrukken;
"(1)dagelijkse en wekelijkse rijtijden, onderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden; de registratiebladen van de voorgaande dagen, die volgens artikel 36, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 165/2014 aan boord van het voertuig moeten zijn en/of de gegevens die voor dezelfde periode worden opgeslagen op de bestuurderskaart en/of in het geheugen van het controleapparaat overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn en/of op afdrukken;
Amendement 833
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter -a bis (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Bijlage I – deel A – punt 2
-a bis) in deel A wordt punt 2 vervangen door:
(2)   voor de in artikel 15, lid 7, van Verordening (EEG) nr. 3821/85 bedoelde periode, alle gevallen van overschrijding van de toegestane snelheid door het voertuig, d.w.z. alle perioden van meer dan 1 minuut waarin de snelheid van het voertuig meer dan 90 km/h voor voertuigen van de categorie N3, respectievelijk 105 km/h voor voertuigen van de categorie M3 bedraagt (de categorieën N3 en M3 zijn gedefinieerd in bijlage II, deel A, bij Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan1bis.
"(2) voor de in artikel 36, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 165/2014 bedoelde periode, alle gevallen van overschrijding van de toegestane snelheid door het voertuig, d.w.z. alle perioden van meer dan 1 minuut waarin de snelheid van het voertuig meer dan 90 km/h voor voertuigen van de categorie N3, respectievelijk 105 km/h voor voertuigen van de categorie M3 bedraagt (de categorieën N3 en M3 als gedefinieerd in Richtlijn 2007/46/EG1bis)."
__________________
__________________
1bis PB L 42 van 23.2.1970, blz. 1. Richtlijn laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/28/EG van de Commissie (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 27).
1bis Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn)."
Amendement 834
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter -a ter (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Bijlage I – deel A – punt 4
(-a ter) in deel A wordt punt 4 vervangen door:
(4)  de correcte werking van het controleapparaat (vaststelling van eventueel misbruik van het controleapparaat en/of de bestuurderskaart en/of de registratiebladen) of, indien van toepassing, de aanwezigheid van de in artikel 14, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 3820/85 bedoelde documenten;
"(4) de correcte werking van het controleapparaat (vaststelling van eventueel misbruik van het controleapparaat en/of de bestuurderskaart en/of de registratiebladen) of, indien van toepassing, de aanwezigheid van de in artikel 16, lid 2, van Verordening (EG) nr. 561/2006 bedoelde documenten;"
Amendement 835
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter a
Richtlijn 2006/22/EG
Bijlage I – deel A – punt 6
(6)  wekelijkse werktijden zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2002/15/EG.
(6)  wekelijkse werktijden zoals bedoeld in de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2002/15/EG, mits de technologie doeltreffende controles mogelijk maakt.
Amendement 836
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 – letter b bis (nieuw)
Richtlijn 2006/22/EG
Bijlage I – deel B – alinea 2
b bis)  in deel B wordt de tweede alinea vervangen door:
Bij vaststelling van een inbreuk mogen de lidstaten, waar passend, nagaan of er sprake is van medeaansprakelijkheid bij andere aanstichters of medeplichtigen in de transportketen, zoals bevrachters, expediteurs of onderaannemers, waarbij ook nagegaan mag worden of, in geval van vastgestelde inbreuk, de vervoerscontracten naleving van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 mogelijk maken.
"Bij vaststelling van een inbreuk mogen de lidstaten, waar passend, nagaan of er sprake is van medeaansprakelijkheid bij andere aanstichters of medeplichtigen in de transportketen, zoals bevrachters, expediteurs of onderaannemers, waarbij ook nagegaan mag worden of, in geval van vastgestelde inbreuk, de vervoerscontracten naleving van de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014 mogelijk maken."
Amendement 837
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 2 – alinea 1
1 bis.  Deze specifieke regels zijn van toepassing op bestuurders die werken voor in een lidstaat gevestigde ondernemingen die een van de in artikel 1, lid 3, onder a) van Richtlijn 96/71/EG bedoelde transnationale maatregelen nemen.
2.  De lidstaten passen de punten b) en c) van de eerste alinea van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 96/71/EG niet toe op bestuurders in de wegvervoersector die voor de in artikel 1, lid 3, onder a), bedoelde ondernemingen werken, wanneer zij internationale vervoersactiviteiten verrichten zoals gedefinieerd in de Verordeningen (EG) nr. 1072/2009 en 1073/2009 als de periode waarin die bestuurders voor de uitvoering van die activiteiten op hun grondgebied ter beschikking zijn gesteld, korter is dan of even lang is als [3] dagen in één kalendermaand.
2.  Een bestuurder wordt niet geacht ter beschikking te zijn gesteld in de zin van Richtlijn 96/71/EG wanneer hij bilaterale vervoersactiviteiten verricht.
Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder bilaterale vervoersactiviteit met betrekking tot goederen verstaan: het vervoer van goederen op basis van een vervoersovereenkomst, van de lidstaat van vestiging als omschreven in artikel 2, punt 8, van Verordening (EG) nr. 1071/2009, naar een andere lidstaat of een derde land, of van een andere lidstaat of een derde land naar de lidstaat van vestiging.
2 bis.  Vanaf de datum waarop bestuurders grensoverschrijdende gegevens handmatig registreren, zoals vereist op grond van artikel 34, lid 7, van Verordening (EU) nr. 165/2014, passen de lidstaten tevens de in lid 2 bedoelde vrijstelling met betrekking tot goederenvervoer toe indien:
—  de bestuurder die een bilaterale vervoersactiviteit verricht, daarnaast één laad- en/of losactiviteit verricht in de lidstaten of derde landen die de bestuurder doorkruist, mits de bestuurder geen goederen laadt en weer lost in dezelfde lidstaat.
Indien een in de lidstaat van vestiging aangevangen bilaterale vervoersactiviteit waarbij geen extra activiteit werd verricht, wordt gevolgd door een bilaterale vervoersactiviteit naar de lidstaat van vestiging, is de vrijstelling van toepassing op ten hoogste twee extra laad- en/of losactiviteiten, onder de bovengenoemde voorwaarden.
Deze vrijstelling is uitsluitend van toepassing tot de datum waarop de slimme tachograaf, die voldoet aan de vereisten inzake de registratie van grensoverschrijdingen en extra activiteiten als bedoeld in artikel 8, lid 1, alinea 1, van Verordening (EU) nr. 165/2014, wordt aangesloten in de voertuigen die voor het eerst worden geregistreerd in een lidstaat, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, alinea 2, van die verordening. Vanaf die datum is de in de eerste alinea bedoelde vrijstelling slechts van toepassing op bestuurders die gebruikmaken van voertuigen waarin een slimme tachograaf is aangesloten, zoals bedoeld in de artikelen 8, 9 en 10 van die verordening.
2 ter.  Bestuurders die ongeregeld of regelmatig activiteiten voor internationaal passagiersvervoer verrichten, zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 1073/2009, worden niet beschouwd als ter beschikking gesteld met het oog op de toepassing van Richtlijn 96/71/EG indien:
—  zij passagiers meenemen vanuit de lidstaat van vestiging en afzetten in een andere lidstaat of een derde land; of
—  zij passagiers meenemen vanuit een lidstaat of derde land en afzetten in de lidstaat van vestiging; of
—  zij passagiers meenemen en afzetten in de lidstaat van vestiging met het oog op plaatselijke excursies, zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1073/2009.
2 quater.  Een bestuurder die cabotage verricht als omschreven in Verordening (EG) nr. 1072/2009 en Verordening (EG) nr. 1073/2009, wordt geacht ter beschikking te zijn gesteld in de zin van Richtlijn 96/71/EG.
2 quinquies.  In afwijking van artikel 2, lid 1, van Richtlijn 96/71/EG wordt een bestuurder niet geacht ter beschikking te zijn gesteld op het grondgebied van een lidstaat waardoorheen de doorvoer verloopt zonder dat er vracht wordt geladen of gelost en zonder dat er passagiers in- of uitstappen.
2 sexies.  Wanneer de bestuurder het begin- of eindtraject uitvoert van gecombineerd vervoer als omschreven in Richtlijn 92/106/EEG wordt hij niet beschouwd als ter beschikking gesteld in de zin van Richtlijn 96/71/EG indien het wegtraject op zich bestaat uit bilaterale vervoersactiviteiten zoals gedefinieerd in lid 2.
2 septies.  De lidstaten zorgen er in overeenstemming met Richtlijn 2014/67/EU voor dat de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van Richtlijn 96/71/EG, die zijn vastgelegd in collectieve overeenkomsten overeenkomstig artikel 3, leden 1 en 8, van die richtlijn, op toegankelijke en transparante wijze beschikbaar worden gesteld voor vervoerondernemingen uit andere lidstaten en ter beschikking gestelde bestuurders. De desbetreffende informatie bevat met name de verschillende lonen en de componenten daarvan, met inbegrip van componenten van lonen waarin is voorzien in de lokaal of regionaal toepasselijke collectieve overeenkomsten, alsook de methode aan de hand waarvan het verschuldigde loon wordt berekend en, in voorkomend geval, de criteria voor indeling in de verschillende salarisschalen. In overeenstemming met Richtlijn (EU) 2018/957 tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG worden vervoerondernemingen niet bestraft voor de niet-naleving van componenten van lonen, de methode aan de hand waarvan het verschuldigde loon wordt berekend en, in voorkomend geval, de criteria voor indeling in de verschillende salarisschalen die niet openbaar beschikbaar zijn.
2 octies.  Vervoerondernemingen die gevestigd zijn in een land dat geen lidstaat is, mogen geen gunstiger behandeling krijgen dan in een lidstaat gevestigde ondernemingen.
De lidstaten voeren in hun bilaterale overeenkomsten met derde landen maatregelen uit die gelijkwaardig zijn aan Richtlijn 96/71/EG en deze Richtlijn [XX/XX] (lex specialis) wanneer zij toegang verlenen tot de EU-markt aan wegvervoerondernemingen die zijn gevestigd in dergelijke derde landen. De lidstaten streven er bovendien naar dergelijke gelijkwaardige maatregelen uit te voeren in het kader van multilaterale overeenkomsten met derde landen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de relevante bepalingen van hun bilaterale en multilaterale overeenkomsten met derde landen.
Met het oog op de waarborging van de passende controle van deze gelijkwaardige maatregelen inzake de terbeschikkingstelling door ondernemers uit derde landen zien de lidstaten erop toe dat de herziene regels van Verordening (EU) XXX/XXX met betrekking tot positionering door middel van tachografen [Verordening tot wijziging van Verordening (EU) nr. 165/2014] worden uitgevoerd in het kader van de Europese Overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR).
Amendement 838
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 2 – alinea 2
Als de periode van terbeschikkingstelling langer is dan [3] dagen passen de lidstaten de punten b) en c) van de eerste alinea van artikel 3, lid 1, van Richtlijn 96/71/EG toe op de volledige periode van terbeschikkingstelling op hun grondgebied gedurende de in de eerste alinea genoemde periode van één kalendermaand.
Schrappen
Amendement 839
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3 – inleidende formule
3.   Ten behoeve van de berekening van de in lid 2 bedoelde perioden van terbeschikkingstelling:
Schrappen
Amendement 840
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3 – letter a
(a)   een dagelijkse werktijd van minder dan zes uur op het grondgebied van een gastlidstaat wordt beschouwd als een halve dag;
Schrappen
Amendement 841
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3 – letter b
(b)   een dagelijkse werktijd van zes uur of langer op het grondgebied van een gastlidstaat wordt beschouwd als een volledige dag;
Schrappen
Amendement 842
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 3 – letter c
(c)  onderbrekingen, rusttijden en perioden van beschikbaarheid op het grondgebied van een gastlidstaat worden beschouwd als werktijd.
Schrappen
Amendement 843
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – inleidende formule
4.  De lidstaten mogen alleen de volgende administratieve eisen en controlemaatregelen opleggen:
4.  In afwijking van artikel 9 van Richtlijn 2014/67/EU mogen de lidstaten alleen de volgende administratieve eisen en controlemaatregelen opleggen:
Amendement 844
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter a – inleidende formule
a)  de verplichting voor een in een andere lidstaat gevestigde wegvervoerondernemer om uiterlijk bij aanvang van de terbeschikkingstelling een verklaring van terbeschikkingstelling te sturen aan de nationale bevoegde autoriteiten, in elektronische vorm en in een officiële taal van de gastlidstaat of in het Engels, waarin alleen de volgende gegevens zijn opgenomen:
a)  de verplichting voor een in een andere lidstaat gevestigde wegvervoerondernemer om uiterlijk bij aanvang van de terbeschikkingstelling een verklaring en eventuele nieuwe versies daarvan in elektronische vorm bij de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin een bestuurder ter beschikking is gesteld in te dienen met behulp van het informatiesysteem voor de interne markt (IMI) als opgezet bij Verordening (EU) nr. 1024/2012, in een officiële taal van de Europese Unie, waarin alleen de volgende gegevens zijn opgenomen:
Amendement 845
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter a – punt i
i)  de identiteit van de wegvervoeronderneming;
i)  de identiteit van de wegvervoeronderneming, middels haar intracommunautaire btw-identificatienummer of het nummer van haar communautaire vergunning;
Amendement 846
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter a – punt iii
iii)  het verwachte aantal ter beschikking gestelde bestuurders en hun identiteit;
iii)  informatie over de ter beschikking gestelde bestuurder, waaronder: de identiteit, het land van verblijf, het land van afdracht van sociale bijdragen, het socialezekerheidsnummer en het rijbewijsnummer;
Amendement 847
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter a – punt iv
iv)  de verwachte duur, de voorgenomen begin- en einddatum van de terbeschikkingstelling;
iv)  de voorgenomen begindatum, de geschatte duur en de einddatum van de terbeschikkingstelling en de wetgeving die van toepassing is op de arbeidsovereenkomst;
Amendement 848
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter a – punt iv bis (nieuw)
iv bis)  voor de wegvervoerders: de identiteit en de contactgegevens van de ontvangers, mits de vervoeronderneming geen elektronische vrachtbrief (e-CMR) gebruikt;
Amendement 849
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter a – punt vi bis (nieuw)
vi bis)  voor de wegvervoerders: het adres/de adressen waar wordt geladen en gelost, mits de vervoeronderneming geen elektronische vrachtbrief (e-CMR) gebruikt.
Amendement 850
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter b
b)  de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig een papieren of elektronische kopie te bewaren van de verklaring van terbeschikkingstelling en een bewijs dat het vervoer plaatsvindt in de gastlidstaat, zoals een elektronische vrachtbrief (e-CMR) of een in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad bedoeld bewijs, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;
b)  de verplichting voor de wegvervoeronderneming om ervoor te zorgen dat de bestuurder, wanneer daarom bij een wegcontrole wordt gevraagd, in het voertuig beschikt over een papieren of elektronische kopie van de verklaring en een bewijs dat het vervoer plaatsvindt in de gastlidstaat, zoals een elektronische vrachtbrief (e-CMR) of een in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad bedoeld bewijs.
Amendement 851
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter c
c)  de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig de tachograafgegevens te bewaren, met name de landencodes van de lidstaten waar de bestuurder zich bevond tijdens internationaal vervoer over de weg of cabotage, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;
c)  de verplichting voor de wegvervoeronderneming om ervoor te zorgen dat de bestuurder, wanneer daarom bij een wegcontrole wordt verzocht, beschikt over de tachograafgegevens, met name de landencodes van de lidstaten waar de bestuurder zich bevond tijdens internationaal vervoer over de weg of cabotage;
Amendement 852
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter c bis (nieuw)
c bis)  de mogelijkheid voor de bestuurder om tijdens een in punt b) en c) van dit artikel bedoelde wegcontrole contact op te nemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit die de gevraagde documenten kan aanleveren;
Amendement 854
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter d
d)  de verplichting voor de bestuurder om in het voertuig een papieren of elektronische kopie te bewaren van de arbeidsovereenkomst of een gelijkwaardig document in de zin van artikel 3 van Richtlijn 91/533/EEG20 van de Raad, vertaald in een officiële taal van de gastlidstaat of in het Engels, en om die tijdens een wegcontrole op verzoek beschikbaar te stellen;
Schrappen
__________________
20 Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever om de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32).
Amendement 855
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter e
e)  de verplichting voor de bestuurder om tijdens een wegcontrole op verzoek een papieren of elektronische kopie van de loonstroken van de laatste twee maanden beschikbaar te stellen; de bestuurder mag tijdens een wegcontrole contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit die deze kopie kan bezorgen;
Schrappen
Amendement 853
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 4 – letter f
f)  de verplichting voor de wegvervoeronderneming om na de periode van terbeschikkingstelling papieren of elektronische kopieën van de onder b), c) en e) genoemde documenten beschikbaar te stellen op verzoek van de autoriteiten van de gastlidstaat, binnen een redelijke termijn.
f)   de verplichting voor de wegvervoeronderneming om na de periode van terbeschikkingstelling via de openbare IMI-interface [...] kopieën van de onder b) en c) genoemde documenten te versturen op verzoek van de autoriteiten van de lidstaat waarin een bestuurder ter beschikking is gesteld, alsmede documentatie over de beloning van ter beschikking gestelde bestuurders in verband met de periode van terbeschikkingstelling en hun arbeidsovereenkomst of een gelijkwaardig document in de zin van artikel 3 van Richtlijn 91/533/EEG van de Raad1 bis, arbeidstijdenoverzichten van het werk van de bestuurder en betalingsbewijzen.
De wegvervoeronderneming verstrekt de documentatie waarom is verzocht binnen twee maanden na indiening van het verzoek via de openbare IMI-interface.
Wanneer de wegvervoeronderneming niet binnen de vastgestelde termijn alle documentatie waarom is verzocht via de openbare IMI-interface overlegt, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waarin de terbeschikkingstelling heeft plaatsgevonden overeenkomstig de artikelen 6 en 7 van Richtlijn 2014/67 verzoeken om bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging van de onderneming. Indien een dergelijk verzoek via het IMI wordt gedaan, hebben de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging van de onderneming toegang tot de verklaring van terbeschikkingstelling en andere relevante informatie die door de onderneming via de openbare IMI-interface is ingediend.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van vestiging van de onderneming zorgen ervoor dat de documenten waarom is verzocht door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de terbeschikkingstelling heeft plaatsgevonden binnen 25 werkdagen na indiening van het verzoek via het IMI worden verstrekt.
__________________
1 bis Richtlijn 91/533/EEG van de Raad van 14 oktober 1991 betreffende de verplichting van de werkgever de werknemer te informeren over de voorwaarden die op zijn arbeidsovereenkomst of -verhouding van toepassing zijn (PB L 288 van 18.10.1991, blz. 32).
Amendement 856
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 5
5.  Voor de toepassing van lid 4, onder a), mag de wegvervoerondernemer een verklaring van terbeschikkingstelling indienen voor een periode van maximaal zes maanden.
5.  Voor de toepassing van lid 4, onder a), mag de wegvervoerondernemer een verklaring indienen voor een periode van maximaal zes maanden.
Amendement 857
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 5 bis (nieuw)
5 bis.  De informatie uit de verklaring wordt voor een periode van 18 maanden bewaard in het register van het IMI met het oog op controles, en is rechtstreeks en onmiddellijk toegankelijk voor alle bevoegde instanties van andere lidstaten, die zijn aangewezen volgens artikel 3 van Richtlijn 2014/67/EU, artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1071/2009 en artikel 7 van Richtlijn 2006/22/EG.
De nationale bevoegde autoriteit mag de sociale partners overeenkomstig het nationale recht en de nationale praktijken toegang verlenen tot de verstrekte informatie, mits de informatie:
—  verband houdt met de terbeschikkingstelling op het grondgebied van de betrokken lidstaat;
—  wordt gebruikt met het oog op de handhaving van de regels inzake terbeschikkingstelling;
—  de verwerking van de gegevens in overeenstemming is met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.
Amendement 858
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 5 ter (nieuw)
5 ter.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om een gestandaardiseerd formulier in alle officiële talen van de Unie op te stellen dat zal worden gebruikt om verklaringen in te dienen via de openbare IMI-interface, specificeert de functies van de verklaring in het IMI en de manier waarop de in lid 4, onder a), i) t/m vi bis), bedoelde informatie moet worden gepresenteerd in de verklaring en ziet erop toe dat die informatie uit de verklaringen automatisch wordt vertaald in een taal van de gastlidstaat. De uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 2 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
Amendement 859
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 5 quater (nieuw)
5 quater.   De lidstaten voorkomen bij de uitvoering van de controlemaatregelen onnodige vertragingen die de duur en de data van de terbeschikkingstelling kunnen beïnvloeden.
Amendement 860
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 – lid 5 quinquies (nieuw)
5 quinquies.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen, verlenen elkaar wederzijdse bijstand en verstrekken alle relevante informatie, onder de in Richtlijn 2014/67/EU en in Verordening (EG) nr. 1071/2009 gestelde voorwaarden.
Amendement 861
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 bis (nieuw)
Artikel 2 bis
1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 42, lid 1, van Verordening (EU) nr. 165/2014 ingestelde comité. Dit comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.
2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.
Amendement 862
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 ter (nieuw)
Artikel 2 ter
De lidstaten voorzien in sancties tegen verzenders, expediteurs, contractanten en subcontractanten wegens niet-naleving van artikel 2 van deze richtlijn, wanneer ze weten of, rekening houdend met alle relevante omstandigheden, zouden moeten weten dat de vervoersdiensten waartoe zij opdracht geven een inbreuk vormen op deze richtlijn.
De lidstaten stellen de regels voor sancties vast die van toepassing zijn op inbreuken op de bepalingen van deze richtlijn en nemen alle maatregelen die nodig zijn om de toepassing van die sancties te garanderen. Die sancties moeten doeltreffend, evenredig, afschrikkend en niet-discriminerend zijn.
Amendement 863
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 quater (nieuw)
Artikel 2 quater
De Commissie voert een beoordeling uit van de bestaande instrumenten en optimale werkmethoden waarmee maatschappelijk verantwoord gedrag van alle deelnemers aan de toeleveringsketen voor goederen wordt gestimuleerd en doet vóór [twee jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn] een wetgevingsvoorstel om een Europees vertrouwensplatform op te zetten, als daar behoefte aan is.
Amendement 864
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 quinquies (nieuw)
Artikel 2 quinquies
Slimme handhaving
1.   Onverminderd Richtlijn 2014/67/EU en om de verplichtingen op grond van artikel 2 van deze richtlijn verder te handhaven, zorgen de lidstaten ervoor dat er op hun grondgebied een samenhangende nationale handhavingsstrategie wordt toegepast. Deze strategie is vooral gericht op ondernemingen met een hoge risicoclassificatie als bedoeld in artikel 9 van Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad.
2.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat de controles als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2006/22/EG in voorkomend geval ook een controle op terbeschikkingstelling omvatten en dat deze controles op niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd, met name zonder discriminatie op basis van de nummerplaten van voertuigen die worden gebruikt voor de terbeschikkingstelling.
3.   De lidstaten richten hun controles op ondernemingen die geclassificeerd zijn als ondernemingen met een verhoogd risico op inbreuken op de bepalingen van artikel 2 van deze richtlijn, die op hen van toepassing zijn. Daartoe behandelen de lidstaten, in het kader van het risicoclassificatiesysteem dat door hen is ingesteld overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad en dat is uitgebreid overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad, het risico op dergelijke inbreuken als een risico op zich.
4.   Voor de toepassing van lid 3 hebben de lidstaten toegang tot relevante informatie en gegevens die zijn geregistreerd, verwerkt of opgeslagen door de in hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 165/2014 bedoelde slimme tachograaf, de in artikel 2, lid 4, van deze richtlijn bedoelde verklaringen van terbeschikkingstelling en elektronische vervoersdocumenten, zoals elektronische vrachtbrieven in het kader van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (eCMR).
5.   De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de kenmerken van de gegevens waartoe de lidstaten toegang hebben, de voorwaarden voor het gebruik ervan en de technische specificaties voor de doorgifte ervan of voor de toegang ertoe, en met name:
a)   een gedetailleerde lijst van informatie en gegevens waartoe de nationale bevoegde autoriteiten toegang hebben, die ten minste de tijd en plaats van grensoverschrijdingen, laad- en losverrichtingen, de kentekenplaat van het voertuig en de bestuurdersgegevens omvat;
b)   de toegangsrechten van de bevoegde autoriteiten, zo nodig gedifferentieerd naar het soort bevoegde autoriteiten, het soort toegang en het doel waarvoor de gegevens worden gebruikt;
c)   de technische specificaties voor de doorgifte van of de toegang tot de onder a) bedoelde gegevens, in voorkomend geval met inbegrip van de maximale duur van bewaring van de gegevens, zo nodig gedifferentieerd naar het soort gegevens.
6.   Persoonsgegevens als bedoeld in dit artikel worden niet langer ingezien of opgeslagen dan strikt noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of waarvoor zij verder worden verwerkt. Persoonsgegevens die niet meer nodig zijn voor deze doeleinden worden vernietigd.
7.   Minstens drie keer per jaar verrichten de lidstaten gezamenlijke controles van terbeschikkingstelling langs de weg, die kunnen samenvallen met de controles die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2006/22/EG. Dergelijke controles worden tegelijk uitgevoerd door de voor de handhaving van de regels op het gebied van terbeschikkingstelling bevoegde nationale autoriteiten van twee of meer lidstaten, elk op hun eigen grondgebied. De lidstaten wisselen informatie uit over het aantal en het type overtredingen dat is vastgesteld nadat de gezamenlijke controles langs de weg zijn uitgevoerd.
De samengevatte resultaten van de gezamenlijke controles worden openbaar gemaakt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens.
Amendement 865
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 2 sexies (nieuw)
Artikel 2 sexies
Wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012
Aan de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 worden de volgende punten toegevoegd:
"12 bis. Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EG) nr. 561/2006 en (EU) nr. 165/2014 en van Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad: Artikel 8
12 ter.   Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2006/22/EG wat betreft de handhavingsvoorschriften en tot vaststelling van specifieke regels met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in de wegvervoersector: artikel 2, lid 5.
Amendement 866
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3
Artikel 3
Rapportage en herziening
1.  De Commissie evalueert de uitvoering van deze richtlijn, met name het effect van artikel 2, uiterlijk [drie jaar na de omzettingsdatum van deze richtlijn] en brengt bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van deze richtlijn. Het verslag van de Commissie gaat indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel.
1.  De lidstaten brengen jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de uitvoering van deze richtlijn, en met name over de uitvoering van de slimme handhaving als bedoeld in artikel 2 quinquies en de eventuele problemen bij de handhaving.
Om ervoor te zorgen dat de doeltreffendheid van de handhavingsinformatie kan worden beoordeeld, omvat het verslag informatie over de doeltreffendheid van:
—  de slimme tachograaf, als bedoeld in hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 165/2014;
—  het gebruik van IMI's, als bedoeld in artikel 2, leden 5 bis en 5 ter, van deze richtlijn;
—  het gebruik van elektronische vervoersdocumenten, zoals elektronische vrachtbrieven, volgens het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (eCMR);
—  de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten via het ERRU en het IMI, evenals informatie over de doeltreffendheid van de rechtstreekse en onmiddellijke toegang van de autoriteiten tot zowel het ERRU als het IMI via de EU-applicatie tijdens controles langs de weg, als bedoeld in de artikelen 8 en 9 van Richtlijn 2006/22/EG; en
—  de uitvoering van het opleidingsprogramma dat erop gericht is bestuurders en alle andere bij de procedure betrokken actoren, met inbegrip van ondernemingen, overheden en inspecteurs, te helpen zich aan te passen aan de nieuwe regels en vereisten die voor hen gelden.
2.  Volgend op het in lid 1 bedoelde verslag verricht de Commissie geregeld een evaluatie van deze richtlijn en dient de resultaten daarvan in bij het Europees Parlement en de Raad.
2.  De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin de vorm van de verslaglegging als bedoeld in lid 1 wordt gespecificeerd en richtsnoeren voor deze verslaglegging worden vastgesteld.
Deze uitvoeringshandelingen kunnen regels omvatten die vereisen dat de lidstaten de Commissie voorzien van gegevens over verkeersstromen en gegevens over de lidstaat van registratie van voertuigen die door tolheffingssystemen in de lidstaten worden verzameld, wanneer dergelijke gegevens bestaan, met het oog op de beoordeling van de doeltreffendheid van de handhaving van deze richtlijn.
3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde verslagen gaan indien nodig vergezeld van relevante voorstellen.
3.  Uiterlijk op 31 december 2025 dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de uitvoering en effecten van deze richtlijn, met name met betrekking tot de doeltreffendheid van de handhaving, met inbegrip van een kosten-batenanalyse van het gebruik van weegsensoren voor de automatische registratie van laad-/losplaatsen. De Commissie laat haar verslag in voorkomend geval vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel. Dit verslag wordt openbaar gemaakt.
Amendement 867
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 3 bis (nieuw)
Artikel 3 bis
Opleiding
Teneinde de bepalingen van deze richtlijn na te leven, moeten zowel de Commissie als de lidstaten een alomvattend en geïntegreerd programma instellen voor opleiding inzake en aanpassing aan de nieuwe regels en vereisten, zowel voor bestuurders als voor alle andere partijen in de procedure: ondernemingen, overheidsinstanties en inspecteurs.
Amendement 868
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – alinea 1
De lidstaten dienen uiterlijk tegen [...] [de omzettingstermijn dient zo kort mogelijk te zijn en mag in het algemeen niet meer dan twee jaar bedragen] de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
De lidstaten stellen uiterlijk op 30 juli 2020 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
Amendement 869
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
De vervoersector is, vanwege zijn erkende zeer mobiele aard, vrijgesteld van de maatregelen die voortvloeien uit de wetgevingshandeling tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG totdat deze richtlijn van toepassing wordt.
Amendement 870
Voorstel voor een richtlijn
Artikel 4 – lid 1 – alinea 1 ter (nieuw)
De vervoersector is vrijgesteld van de maatregelen die voortvloeien uit de wetgevingshandeling tot wijziging van Richtlijn 96/71/EG tot aan de inwerkingtreding van de handhavingsvoorschriften tot vaststelling van specifieke regels voor de vervoersector van deze richtlijn.

(1) Nog niet in het Publicatieblad verschenen.


Dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en rusttijden en plaatsbepaling door middel van tachografen ***I
PDF 249kWORD 91k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 wat betreft de minimumeisen voor maximale dagelijkse en wekelijkse rijtijden, minimumonderbrekingen en dagelijkse en wekelijkse rusttijden, en Verordening (EU) nr. 165/2014 wat betreft positionering door middel van tachografen (COM(2017)0277 – C8-0167/2017 – 2017/0122(COD))
P8_TA-PROV(2019)0340A8-0205/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0277),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0167/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio’s van 1 februari 2018(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0205/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 346
Voorstel voor een verordening
Overweging 1
(1)  Goede arbeidsvoorwaarden voor bestuurders en eerlijke concurrentievoorwaarden voor wegvervoerondernemingen zijn uiterst belangrijk om te komen tot een veilige, efficiënte en sociaal verantwoordelijke wegvervoersector. Om dat proces te bevorderen is het essentieel dat de sociale EU-regelgeving in het wegvervoer duidelijk, geschikt en gemakkelijk toe te passen en te handhaven is, en dat ze in de hele Unie op een doeltreffende en consequente manier wordt uitgevoerd.
(1)  Goede arbeidsvoorwaarden voor bestuurders en eerlijke concurrentievoorwaarden voor wegvervoerondernemingen zijn uiterst belangrijk om te komen tot een veilige, efficiënte en sociaal verantwoordelijke, en niet-discriminerende wegvervoersector, die in staat is gekwalificeerde werknemers aan te trekken. Om dat proces te bevorderen is het essentieel dat de sociale EU-regelgeving in het wegvervoer duidelijk, evenredig, geschikt en gemakkelijk toe te passen en te handhaven is, en dat ze in de hele Unie op een doeltreffende en consequente manier wordt uitgevoerd.
Amendement 347
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Bij de evaluatie van de effectiviteit en de efficiëntie van de uitvoering van de bestaande reeks sociale regels van de Unie in het wegvervoer, en met name Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad9, zijn een aantal tekortkomingen van het bestaande rechtskader aan het licht gekomen. Onduidelijke en ongeschikte regels voor de wekelijkse rusttijd, rustfaciliteiten en onderbrekingen bij een meervoudige bemanning en het gebrek aan regels inzake de terugkeer van bestuurders naar huis, leiden tot uiteenlopende interpretaties en handhavingspraktijken in de lidstaten. Verscheidene lidstaten hebben onlangs unilaterale maatregelen vastgesteld waardoor de rechtsonzekerheid en de ongelijke behandeling van bestuurders en ondernemingen nog is toegenomen.
(2)  Bij de evaluatie van de effectiviteit en de efficiëntie van de uitvoering van de bestaande reeks sociale regels van de Unie in het wegvervoer, en met name Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad9, zijn een aantal tekortkomingen bij de tenuitvoerlegging van het rechtskader aan het licht gekomen. Onduidelijke regels voor de wekelijkse rusttijd, rustfaciliteiten en onderbrekingen bij een meervoudige bemanning en het gebrek aan regels inzake de terugkeer van bestuurders naar huis of naar een andere, door de bestuurder gekozen locatie, leiden tot uiteenlopende interpretaties en handhavingspraktijken in de lidstaten. Verscheidene lidstaten hebben onlangs unilaterale maatregelen vastgesteld waardoor de rechtsonzekerheid en de ongelijke behandeling van bestuurders en ondernemingen nog is toegenomen.
De maximumrijtijd per dag en per week, zoals vastgelegd in Verordening (EG) nr. 561/2006, vormt daarentegen een doeltreffende bijdrage aan de verbetering van de sociale omstandigheden van bestuurders en aan de verkeersveiligheid in het algemeen, en daarom moeten er stappen worden ondernomen om de naleving ervan te waarborgen.
–––––––––––––––––––––––
––––––––––––––––––––––
9 Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1).
9 Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 1).
Amendement 348
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)   Het is in het belang van de verkeersveiligheid en de handhaving dat alle bestuurders zich volledig bewust zijn van de regels op het gebied van rij- en rusttijden en de beschikbaarheid van rustfaciliteiten. Het is daarom passend voor de lidstaten om richtsnoeren op te stellen waarin deze verordening op een duidelijke en eenvoudige manier wordt weergegeven, nuttige informatie wordt verschaft over parkeer- en rustfaciliteiten en het belang van vermoeidheidsbestrijding wordt benadrukt.
Amendement 349
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 ter (nieuw)
(2 ter)   Het is in het belang van de verkeersveiligheid om vervoersondernemingen te stimuleren een veiligheidscultuur te creëren die het volgende omvat: beleid en procedures op het gebied van de veiligheid die worden vastgesteld door het hogere management, de inzet door het middenmanagement om het veiligheidsbeleid ten uitvoer te leggen en de bereidheid bij de werknemers om de veiligheidsvoorschriften in acht te nemen. Er moet een duidelijke focus komen op problemen met de veiligheid van het vervoer over de weg, waaronder vermoeidheid, aansprakelijkheid, routeplanning, roosters, betaling op basis van prestaties en "just in time"-management.
Amendement 350
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  De ex-postevaluatie van Verordening (EG) nr. 561/2006 heeft bevestigd dat de onsamenhangende en ondoelmatige handhaving van de sociale regelgeving van de Unie hoofdzakelijk te wijten was aan onduidelijke regels, inefficiënt gebruik van controle-instrumenten en onvoldoende administratieve samenwerking tussen de lidstaten.
(3)  De ex-postevaluatie van Verordening (EG) nr. 561/2006 heeft bevestigd dat de onsamenhangende en ondoelmatige handhaving van de sociale regelgeving van de Unie hoofdzakelijk te wijten was aan onduidelijke regels, inefficiënt en ongelijkwaardig gebruik van controle-instrumenten en onvoldoende administratieve samenwerking tussen de lidstaten, waardoor de versnippering van de Europese interne markt toeneemt.
Amendement 351
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Duidelijke, geschikte en eenvormig gehandhaafde regels zijn ook van cruciaal belang om de beleidsdoelstelling inzake betere arbeidsvoorwaarden voor bestuurders te verwezenlijken, en met name te zorgen voor onvervalste concurrentie tussen ondernemers en bij te dragen tot meer verkeersveiligheid voor alle weggebruikers.
(4)  Duidelijke, geschikte en eenvormig gehandhaafde regels zijn ook van cruciaal belang om de beleidsdoelstelling inzake betere arbeidsvoorwaarden voor bestuurders te verwezenlijken, en met name te zorgen voor onvervalste en eerlijke concurrentie tussen ondernemers en bij te dragen tot meer verkeersveiligheid voor alle weggebruikers.
Amendement 352
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)   Nationale regels voor het wegvervoer moeten evenredig en gerechtvaardigd zijn en mogen de uitoefening van grondrechten die zijn gegarandeerd in het Verdrag, zoals het vrije verkeer van goederen en de vrijheid om diensten aan te bieden, niet belemmeren of minder aantrekkelijk maken, teneinde het concurrentievermogen van de Europese Unie te behouden of zelfs te vergroten.
Amendement 353/rev
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  Teneinde in heel Europa een gelijk speelveld te waarborgen op het gebied van wegvervoer, moet deze verordening van toepassing zijn op alle voertuigen van meer dan 2,4 ton die worden ingezet bij internationaal vervoer.
Amendement 354
Voorstel voor een verordening
Overweging 5 bis (nieuw)
(5 bis)   Goederenvervoer verschilt sterk van personenvervoer. Bestuurders van touringcars staan in nauw contact met hun passagiers en moeten in staat zijn flexibele pauzes in te lassen zonder de rijtijd te verlengen of de rusttijden en pauzes te verkorten.
Amendement 355
Voorstel voor een verordening
Overweging 6
(6)  Bestuurders die betrokken zijn bij internationaal langeafstandsvervoer, zijn lange tijd weg van huis. Door de huidige voorschriften inzake de wekelijkse rusttijd worden die perioden onnodig verlengd. Het is dus wenselijk om de bepaling inzake de wekelijkse rusttijd zodanig aan te passen dat het voor bestuurders gemakkelijker is om in overeenstemming met de regels te rijden en toch de normale wekelijkse rusttijd thuis te nemen, en dat zij volledig worden gecompenseerd voor alle verkorte wekelijkse rusttijden. Ook moet worden bepaald dat ondernemers de werkzaamheden zodanig moeten plannen dat de bestuurders niet buitensporig lang van huis weg zijn.
(6)  Bestuurders die betrokken zijn bij internationaal langeafstandsvervoer, zijn lange tijd weg van huis. Door de huidige voorschriften inzake de wekelijkse rusttijd worden die perioden onnodig verlengd. Het is dus wenselijk om de bepaling inzake de wekelijkse rusttijd zodanig aan te passen dat het voor bestuurders gemakkelijker is om in overeenstemming met de regels te rijden en toch de normale wekelijkse rusttijd thuis of op een bestemming naar hun keuze te nemen, en dat zij volledig worden gecompenseerd voor alle verkorte wekelijkse rusttijden. Ook moet worden bepaald dat ondernemers de werkzaamheden zodanig moeten plannen dat de bestuurders niet buitensporig lang van huis weg zijn. Wanneer een bestuurder ervoor kiest zijn rust thuis te nemen, moet de vervoeronderneming de bestuurder de middelen verstrekken om terug te keren naar huis.
Amendement 356
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 bis (nieuw)
6 bis)   Wanneer het werk van een bestuurder voorspelbaar andere activiteiten voor de werkgever omvat dan zijn/haar professionele rijtaken, zoals laden/lossen, het vinden van een parkeerplek, onderhoud aan het voertuig, voorbereiden van de route, enz. moet de tijd die hij/zij nodig heeft om deze taken uit te voeren in aanmerking worden genomen bij het bepalen van zowel zijn/haar arbeidstijd als de mogelijkheid van passende rust en beloning.
Amendement 357
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 ter (nieuw)
(6 ter)   Om de arbeidsomstandigheden van bestuurders op de plaatsen van laden en lossen te beschermen, moeten eigenaars en exploitanten van dergelijke voorzieningen de bestuurder toegang bieden tot hygiënische voorzieningen.
Amendement 358
Voorstel voor een verordening
Overweging 6 quater (nieuw)
(6 quater)  De snelle technologische vooruitgang leidt tot de ontwikkeling van steeds geavanceerdere autonome rijsystemen. In de toekomst zouden deze systemen een gedifferentieerd gebruik van voertuigen mogelijk kunnen maken waarbij geen bestuurder betrokken is. Dit kan leiden tot nieuwe operationele mogelijkheden, zoals "platooning" van vrachtwagens. Bijgevolg moet de bestaande wetgeving, met inbegrip van de voorschriften inzake rij- en rusttijden, worden aangepast, waarvoor vooruitgang op het niveau van de VN/ECE-werkgroep van essentieel belang is. De Commissie dient een evaluatieverslag in over het gebruik van autonome rijsystemen in de lidstaten, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel om rekening te houden met de voordelen van technologieën voor zelfstandig rijden. Het doel van deze wetgeving is de verkeersveiligheid, een gelijk speelveld en goede arbeidsomstandigheden te garanderen en de EU tegelijkertijd in staat te stellen een pioniersrol te vervullen op het gebied van nieuwe innovatieve technologieën en praktijken.
Amendement 359
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  De interpretatie en tenuitvoerlegging van de voorschriften inzake de wekelijkse rusttijd verschillen van lidstaat tot lidstaat wat betreft de plaats waar de wekelijkse rusttijd moet worden genomen. Het is daarom aangewezen dat voorschrift toe te lichten om te waarborgen dat bestuurders over een passend verblijf beschikken als zij hun wekelijkse rusttijd buitenshuis nemen.
(7)  De interpretatie en tenuitvoerlegging van de voorschriften inzake de wekelijkse rusttijd verschillen van lidstaat tot lidstaat wat betreft de plaats waar de wekelijkse rusttijd moet worden genomen. Om te zorgen voor goede arbeidsomstandigheden en de veiligheid van bestuurders is het daarom aangewezen dat voorschrift toe te lichten om te waarborgen dat bestuurders over een kwalitatief hoogwaardig en gendervriendelijk verblijf of een andere door de bestuurder gekozen en door de werkgever betaalde locatie beschikken als zij hun wekelijkse rusttijd buitenshuis nemen. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er voldoende veilige parkeerterreinen beschikbaar zijn die zijn afgestemd op de behoeften van de bestuurders.
Amendement 360
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 bis (nieuw)
(7 bis)  Speciale parkeerterreinen moeten alle faciliteiten hebben die nodig zijn voor goede rustomstandigheden, dat wil zeggen op onder andere sanitair, culinair en veiligheidsgebied.
Amendement 361
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 ter (nieuw)
(7 ter)  Passende rustfaciliteiten zijn van cruciaal belang om de arbeidsomstandigheden van bestuurders in de sector te verbeteren en de verkeersveiligheid op peil te houden. Aangezien rusten in de cabine kenmerkend is voor de vervoerssector en in bepaalde gevallen wenselijk is vanuit het oogpunt van comfort en geschiktheid, moeten bestuurders hun rust kunnen nemen in het voertuig, indien het voertuig voorzien is van passende slaapfaciliteiten. Daarom mag de aanleg van speciale parkeerterreinen niet onevenredig worden gehinderd of bemoeilijkt door de lidstaten.
Amendement 362
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 quater (nieuw)
(7 quater)  De herziene TEN-V-richtsnoeren voorzien in de ontwikkeling van parkeerterreinen langs snelwegen op ongeveer elke 100 km met parkeerplaatsen voor commerciële weggebruikers met een passend veiligheids- en beveiligingsniveau, en de lidstaten moeten dan ook worden aangespoord om de TEN-V-richtsnoeren ten uitvoer te leggen en voldoende steun te verlenen aan en te investeren in veilige en op passende wijze aangepaste parkeerterreinen.
Amendement 363
Voorstel voor een verordening
Overweging 7 quinquies (nieuw)
(7 quinquies)  Teneinde hoogwaardige en betaalbare rustfaciliteiten te bieden, moeten de Commissie en de lidstaten de oprichting van sociale, commerciële, openbare en andere ondernemingen voor de exploitatie van speciale parkeerterreinen bevorderen.
Amendement 364
Voorstel voor een verordening
Overweging 8 bis (nieuw)
(8 bis)  Bij vele wegvervoersactiviteiten binnen de Unie wordt voor een gedeelte van de rit gebruikgemaakt van veerboten en treinen. Voor dergelijke activiteiten zouden daarom duidelijke, passende bepalingen betreffende rusttijden en onderbrekingen moeten worden vastgesteld.
Amendement 365
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Teneinde een doeltreffende handhaving te kunnen garanderen, is het van essentieel belang dat de bevoegde instanties bij wegcontroles kunnen nagaan of de rij- en rusttijden naar behoren zijn nageleefd op de dag van de controle en tijdens de voorafgaande 56 dagen.
Amendement 366
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 ter (nieuw)
(9 ter)   Om te waarborgen dat de regels duidelijk, eenvoudig te begrijpen en handhaafbaar zijn, moet er informatie toegankelijk worden gemaakt voor de bestuurders. Dit moet worden bereikt door middel van coördinatie door de Commissie. Bestuurders moeten ook informatie ontvangen over rustplaatsen en veilige parkeerterreinen zodat ze hun ritten beter kunnen plannen. Daarnaast moet er door middel van coördinatie door de Commissie een hotline worden opgericht om de controlediensten te waarschuwen in geval van buitensporige druk op bestuurders, fraude of illegaal gedrag.
Amendement 367
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 quater (nieuw)
(9 quater)  In artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1071/2009 worden de lidstaten verplicht een algemene indeling van inbreuken toe te passen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. De lidstaten moeten alle noodzakelijke maatregelen nemen om te waarborgen dat de nationale regels inzake sancties die van toepassing zijn op inbreuken op grond van Verordening (EG) nr. 561/2006 en Verordening (EU) nr. 165/2014 op doeltreffende, evenredige en ontmoedigende wijze ten uitvoer worden gelegd. Er zijn verdere maatregelen nodig om te waarborgen dat alle door de lidstaten toegepaste sancties niet-discriminerend zijn en evenredig zijn aan de ernst van de inbreuk.
Amendement 368
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Om de kosteneffectiviteit van de handhaving van de sociale regelgeving te verbeteren, moet het potentieel van de huidige en de toekomstige tachograafsystemen ten volle worden benut. De functies van de tachograaf moeten derhalve worden verbeterd om preciezere positionering mogelijk te maken, met name bij internationaal vervoer.
(11)  Om de kosteneffectiviteit van de handhaving van de sociale regelgeving te verbeteren, moeten de huidige en slimme tachograafsystemen verplicht worden gesteld in het internationaal vervoer. De functies van de tachograaf moeten derhalve worden verbeterd om preciezere positionering mogelijk te maken.
Amendement 369
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)   Met het oog op de snelle ontwikkeling van nieuwe technologieën en digitalisering in de economie van de Unie en de behoefte aan een gelijk speelveld voor bedrijven in het internationale wegvervoer moet de overgangsperiode voor de installatie van de slimme tachograaf in geregistreerde voertuigen worden bekort. Met behulp van slimme tachografen zullen controles eenvoudiger zijn, hetgeen het werk van nationale autoriteiten zal vergemakkelijken.
Amendement 370
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 ter (nieuw)
(11 ter)   Rekening houdend met het wijdverbreide gebruik van smartphones en de voortdurende ontwikkeling van de bijbehorende functies, en met het oog op de stationering van Galileo, dat steeds meer mogelijkheden biedt voor lokalisatie in real time, die door veel mobiele telefoons al wordt gebruikt, moet de Commissie de mogelijkheid onderzoeken om een mobiele toepassing te ontwikkelen en te certificeren die dezelfde voordelen biedt als die door de slimme tachograaf worden geboden, tegen dezelfde kosten.
Amendement 371
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 quater (nieuw)
(11 quater)  Om behoorlijke gezondheids- en veiligheidsnormen te kunnen waarborgen voor bestuurders moeten veilige parkeerterreinen en adequate sanitaire voorzieningen en kwaliteitsvolle accommodaties worden aangelegd of verbeterd. Binnen de Unie zou er een toereikend netwerk van parkeerterreinen moeten bestaan.
Amendement 372
Voorstel voor een verordening
Overweging 12 bis (nieuw)
(12 bis)  Is zich ervan bewust dat goederenvervoer sterk verschilt van personenvervoer. Bestuurders van touringcars staan in nauw contact met hun passagiers en voor hen moet in het kader van deze verordening worden voorzien in passender voorwaarden zonder de rijtijd te verlengen of de rusttijden en pauzes te verkorten. Daarom zal de Commissie evalueren of er voor deze sector specifieke regels kunnen worden vastgesteld, met name in het geval van ongeregeld vervoer als gedefinieerd in artikel 2, eerste alinea, punt 4 van Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten.
Amendement 373
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 2 – lid 1 – letter -a bis (nieuw)
-1)  aan artikel 2, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd:
"(-a bis) van goederen in het internationaal vervoer waarbij de toegestane maximummassa van de voertuigen, dat van de aanhangwagens of opleggers inbegrepen, meer dan 2,4 ton bedraagt; of"
Amendement 374
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 3 – lid 1 – letter a bis
1 bis)  in artikel 3 is punt (a bis) vervangen door:
a bis)  voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 7,5 ton die gebruikt worden voor het vervoer van materiaal, uitrusting of machines die de bestuurder nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep en die enkel binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van de onderneming worden gebruikt en op voorwaarde dat het besturen van het voertuig niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;
a bis)  voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 7,5 ton die gebruikt worden voor het vervoer van materiaal, uitrusting of machines die de bestuurder nodig heeft voor de uitoefening van zijn beroep of voor het leveren van goederen die in de onderneming waar de bestuurder werkzaam is op ambachtelijke wijze zijn vervaardigd en die enkel binnen een straal van 150 km rond de vestigingsplaats van de onderneming worden gebruikt en op voorwaarde dat het besturen van het voertuig niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;
Amendement 375
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 3 – letter h bis (nieuw)
1 bis)  aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:
"h bis) lichte bedrijfsvoertuigen die worden gebruikt voor het vervoer van goederen, indien het vervoer niet wordt verzorgd voor rekening van derden, maar voor rekening van de onderneming of de bestuurder, en het besturen van het voertuig niet de hoofdactiviteit is van de persoon die het voertuig bestuurt;"
Amendement 376
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 4 – letter r
r)  "niet-commercieel vervoer": elk vervoer over de weg, anders dan vervoer voor rekening van derden of voor eigen rekening, waarvoor geen vergoeding wordt ontvangen en dat geen inkomsten genereert.";
r)  "niet-commercieel vervoer": elk vervoer over de weg, anders dan vervoer voor rekening van derden of voor eigen rekening, waarvoor geen vergoeding wordt ontvangen en dat geen inkomsten of omzet genereert.";
Amendement 377
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 4 – letter r bis (nieuw)
2 bis)   aan artikel 4 wordt het volgende punt toegevoegd:
"r bis) "thuis": het geregistreerde woonadres van een bestuurder in een lidstaat;";
Amendement 378
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 5 – lid 1
2 ter)   artikel 5, lid 1, wordt vervangen door:
1.  De minimumleeftijd van conducteurs wordt vastgesteld op 18 jaar.
"1. De minimumleeftijd van bestuurders wordt vastgesteld op 18 jaar.";
Amendement 379
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 6 – alinea 1
a)  in lid 6 wordt de eerste alinea vervangen door:
Schrappen
"6. Per periode van vier opeenvolgende weken moet een bestuurder ten minste:
a)  vier normale wekelijkse rusttijden, of
b)  twee normale wekelijkse rusttijden van ten minste 45 uur en twee verkorte wekelijkse rusttijden van ten minste 24 uur nemen.
Voor de toepassing van punt b) moeten de verkorte wekelijkse rusttijden evenwel worden gecompenseerd door een equivalente periode van rust die voor het einde van de derde week na de betrokken week en bloc moet worden genomen.
Amendement 381
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 7
7.  Rust die wordt genomen ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd moet onmiddellijk voorafgaand aan of aansluitend op een normale wekelijkse rusttijd van ten minste 45 uur worden genomen.";
7.  Rust die wordt genomen ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd moet aansluitend op een normale wekelijkse rusttijd van ten minste 45 uur worden genomen.
Amendement 382
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 8 bis – inleidende formule
8 bis.  De normale wekelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden, mogen niet in een voertuig worden genomen. Zij worden genomen in een passend verblijf met geschikte slaapfaciliteiten en sanitaire voorzieningen,
8 bis.  De normale wekelijkse rusttijden en wekelijkse rusttijden van meer dan 45 uur ter compensatie van eerdere verkorte wekelijkse rusttijden, mogen niet in een voertuig worden genomen. Zij worden genomen in een kwalitatief hoogstaand en gendervriendelijk verblijf buiten de cabine, met geschikte sanitaire voorzieningen en slaapfaciliteiten voor de bestuurder. Dat verblijf:
Amendement 383
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 8 bis – letter a
a)  dat ter beschikking wordt gesteld of betaald door de werkgever, of
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 384
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 8 bis – letter b
b)  thuis of op een andere privélocatie die door de bestuurder wordt gekozen.
b)  bij de bestuurder thuis of op een andere privélocatie die door de bestuurder wordt gekozen.
Amendement 385
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 8 ter – alinea 1
8 ter.  Een vervoeronderneming plant de werkzaamheden van een bestuurder zodanig dat deze per periode van drie opeenvolgende weken ten minste één normale wekelijkse rusttijd of een wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd thuis kan nemen.
8 ter). Een vervoersonderneming plant de werkzaamheden van een bestuurder zodanig dat deze voor het einde van elke periode van vier opeenvolgende weken ten minste één normale wekelijkse rusttijd of een wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd thuis of op een andere locatie naar keuze van de bestuurder kan nemen. De bestuurder informeert de vervoersonderneming schriftelijk uiterlijk twee weken voorafgaand aan een dergelijke rusttijd als deze plaatsvindt op een andere locatie dan bij de bestuurder thuis. Wanneer een bestuurder ervoor kiest zijn rust thuis te nemen, verstrekt de vervoersonderneming de bestuurder de nodige middelen om terug te keren naar huis. De onderneming licht toe hoe zij deze verplichting zal vervullen en houdt de documentatie bij op haar zetel om deze op verzoek ter beschikking te kunnen stellen van de controleautoriteiten.";
Amendement 386
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 8 ter – alinea 1 bis
aan artikel 8, lid 8 ter, wordt de volgende alinea toegevoegd:
"De bestuurder verklaart dat een normale wekelijkse rusttijd of een wekelijkse rusttijd van meer dan 45 uur die wordt genomen ter compensatie van een verkorte wekelijkse rusttijd, is genomen op een locatie naar keuze van de bestuurder. De verklaring wordt ter plaatse bij de onderneming bewaard.";
Amendement 380
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter c bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 – lid 9 bis (nieuw)
c bis)  de volgende alinea wordt toegevoegd:
9 bis)  Uiterlijk [twee jaar na inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] beoordeelt de Commissie of meer geschikte regels kunnen worden vastgesteld ten aanzien van bestuurders die ongeregeld vervoer verrichten van personen, zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4 van Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten, en brengt daarvan verslag uit aan het Parlement en de Raad.
Amendement 387
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 8 bis (nieuw)
5 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 8 bis
1.  Uiterlijk [zes maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] delen de lidstaten de Commissie de locaties mede waar op hun grondgebied speciale parkeerterreinen (hierna "DPA's" genoemd) beschikbaar zijn, en delen zij nadien alle wijzigingen in deze gegevens mede. De Commissie vermeldt alle openbaar toegankelijke DPA's op één officiële website die regelmatig wordt geactualiseerd.
2.  Alle parkeerterreinen die minstens beschikken over de faciliteiten en voorzieningen zoals beschreven in bijlage 1 en die overeenkomstig lid 2 zijn gepubliceerd door de Commissie mogen bij hun ingang vermelden dat zij een DPA zijn.
3.  De lidstaten zorgen ervoor dat er regelmatig willekeurige controles worden uitgevoerd om de overeenstemming van de kenmerken van parkeerterreinen met de criteria voor DPA's van de bijlage te controleren.
4.  De lidstaten onderzoeken klachten over gecertificeerde DPA's die niet aan de criteria van de bijlage voldoen.
5.  De lidstaten moedigen de aanleg van speciale parkeerterreinen aan overeenkomstig artikel 39, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1315/2013.
De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2020 een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de beschikbaarheid van geschikte rustfaciliteiten voor bestuurders en beveiligde parkeerfaciliteiten. Dit verslag gaat vergezeld van de ontwerpverordening waarin de in lid 4 van dit artikel bedoelde certificeringsnormen en ‑procedures voor DPA's zijn vastgelegd. Dit verslag wordt jaarlijks bijgewerkt op basis van informatie die de Commissie krachtens lid 5 verzamelt en bevat een lijst van voorgestelde maatregelen om het aantal en de kwaliteit van geschikte rustfaciliteiten voor bestuurders en beveiligde parkeerfaciliteiten te vergroten.";
Amendement 388
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 9 – lid 1
1.  In afwijking van artikel 8 mag, wanneer een bestuurder een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd, en op voorwaarde dat hij een normale dagelijkse rusttijd of verkorte wekelijkse rusttijd neemt, die rusttijd hooguit tweemaal worden onderbroken door andere activiteiten die niet langer dan één uur duren. Tijdens die normale dagelijkse rusttijd of verkorte wekelijkse rusttijd moet de bestuurder kunnen beschikken over een bed of slaapbank.
1.  In afwijking van artikel 8 mag, wanneer een bestuurder een voertuig begeleidt dat per veerboot of trein wordt vervoerd, en op voorwaarde dat hij een normale dagelijkse rusttijd of verkorte wekelijkse rusttijd neemt, die rusttijd hooguit tweemaal worden onderbroken door andere activiteiten die niet langer dan één uur duren. Tijdens die normale dagelijkse rusttijd of verkorte wekelijkse rusttijd moet de bestuurder kunnen beschikken over een slaapcabine, bed of slaapbank.
Amendement 389
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 9 – lid 1 bis (nieuw)
6 bis)  in artikel 9 wordt het volgende lid ingevoegd:
"1 bis) De afwijking in lid 1 kan worden uitgebreid naar normale wekelijkse rusttijden wanneer de veerbootreis twaalf uur of langer duurt. Tijdens die wekelijkse rusttijd heeft de bestuurder toegang tot een slaapcabine.";
Amendement 390
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 6 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 10 – lid 1
6 bis)  artikel 10, lid 1, wordt vervangen door:
1.  Een vervoersonderneming mag bestuurders die zij in dienst heeft of die haar ter beschikking zijn gesteld, niet betalen, zelfs niet wanneer dit geschiedt in de vorm van premies of loontoeslagen naar gelang van de afgelegde afstand en/of de hoeveelheid vervoerde goederen, ingeval dergelijke betalingen van die aard zijn de verkeersveiligheid in gevaar te brengen en/of inbreuken op deze verordening aan te moedigen.
"1. Een vervoersonderneming mag bestuurders die zij in dienst heeft of die haar ter beschikking zijn gesteld, niet extra betalen, zelfs niet wanneer dit geschiedt in de vorm van premies of loontoeslagen naar gelang van de afgelegde afstand, de snelheid van de levering en/of de hoeveelheid vervoerde goederen, ingeval dergelijke betalingen inbreuken op deze verordening aanmoedigen.";
Amendement 391
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 12 – alinea 2
Mits de verkeersveiligheid niet in gevaar komt, mag de bestuurder afwijken van artikel 8, lid 2, en de tweede alinea van artikel 8, lid 6, om een geschikt verblijf zoals bedoeld in artikel 8, lid 8 bis, te kunnen bereiken voor het nemen van een dagelijkse of wekelijkse rusttijd. Een dergelijke afwijking mag niet leiden tot de overschrijding van de dagelijkse of wekelijkse rijtijden of tot verkorte dagelijkse of wekelijkse rusttijden. De bestuurder moet uiterlijk bij aankomst bij een geschikt verblijf de reden van een dergelijke afwijking met de hand aantekenen op het registratieblad of op een afdruk van zijn controleapparaat of in het dienstrooster.
Mits de verkeersveiligheid niet in gevaar komt, mag de bestuurder in uitzonderlijke gevallen afwijken van artikel 6, leden 1 en 2, na een rusttijd van 30 minuten, om binnen de twee uur het operationeel centrum van de werkgever waar de bestuurder normaal gezien gestationeerd is en waar de normale wekelijkse rusttijd van de bestuurder begint te kunnen bereiken. De bestuurder moet de reden van een dergelijke afwijking met de hand aantekenen op de afdruk van zijn controleapparaat. Deze periode van maximaal twee uur wordt gecompenseerd door een equivalente periode van rust, die tegen het einde van de derde week na de betrokken week en bloc in combinatie met een rusttijd moet worden genomen.
Amendement 392
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 13 – lid 1 – letter d
7 bis)  artikel 13, lid 1, onder d), wordt vervangen door:
d)  voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummasse van ten hoogste 7,5 ton, die worden gebruikt door leveranciers van de universele dienst als gedefinieerd in artikel 2, lid 13, van Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst voor het bezorgen van goederen in het kader van de universele dienst.
"d) voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 7,5 ton, die worden gebruikt door leveranciers van de universele dienst als gedefinieerd in artikel 2, lid 13, van Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst voor het bezorgen van postzendingen als gedefinieerd in artikel 2, lid 6, van Richtlijn 97/67/EG."
Amendement 393
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 13 – lid 1 – letter e
7 ter)   artikel 13, lid 1, onder e), wordt vervangen door:
e)  voertuigen die uitsluitend rijden op eilanden waarvan de oppervlakte niet meer dan 2 300 km2 bedraagt en die niet met de rest van het nationale grondgebied zijn verbonden door een brug, een wad of een tunnel, geschikt voor het verkeer van motorvoertuigen;
"e) voertuigen die uitsluitend rijden op eilanden of regio's die geïsoleerd zijn van de rest van het nationale grondgebied en waarvan de oppervlakte niet meer dan 2 300 km2 bedraagt en die niet met de rest van het nationale grondgebied zijn verbonden door een brug, een wad of een tunnel, geschikt voor het verkeer van motorvoertuigen, en niet grenzen aan een andere lidstaat;";
Amendement 394
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 7 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 13 – lid 1 – letter p bis (nieuw)
7 quater)  aan artikel 13, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
"p bis) voertuigen of combinaties van voertuigen met een toegestane maximummassa van hoogstens 44 ton, die worden ingezet door een bouwbedrijf binnen een straal van 100 km rond de vestigingsplaats van het bedrijf, op voorwaarde dat het besturen van de voertuigen niet de hoofdactiviteit van de bestuurder is;".
Amendement 395
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 14 – lid 2
2.  In dringende gevallen kunnen de lidstaten onder uitzonderlijke omstandigheden voor een periode van ten hoogste 30 dagen een tijdelijke uitzondering toestaan, die onmiddellijk ter kennis van de Commissie wordt gebracht.
2.  In dringende gevallen kunnen de lidstaten onder uitzonderlijke omstandigheden voor een periode van ten hoogste 30 dagen een tijdelijke uitzondering toestaan, die naar behoren wordt gerechtvaardigd en onmiddellijk ter kennis van de Commissie wordt gebracht.
Deze informatie wordt bekendgemaakt op een speciale openbare website die door de Commissie wordt onderhouden in alle EU-talen.
Amendement 396
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 15
De lidstaten zorgen ervoor dat bestuurders van de in artikel 3, onder a), omschreven voertuigen onder de toepassing vallen van nationale regels die een adequate bescherming bieden in de vorm van toegestane rijtijden en voorgeschreven onderbrekingen en rusttijden. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de relevante nationale regels die op dergelijke bestuurders van toepassing zijn.
De lidstaten zorgen ervoor dat bestuurders van de in artikel 3, onder a), omschreven voertuigen onder de toepassing vallen van nationale regels die een adequate bescherming bieden in de vorm van toegestane rijtijden en voorgeschreven onderbrekingen en rusttijden. Het is in het belang van de arbeidsomstandigheden van bestuurders en van de verkeersveiligheid en de handhaving dat de lidstaten voorzien in parkeerterreinen en rustplaatsen die in de winter sneeuw- en ijsvrij zijn, met name in de ultraperifere en/of perifere regio's van de Europese Unie.
Amendement 397
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 9 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 17 – lid 3 bis (nieuw)
9 bis)  In artikel 17 wordt het volgende lid ingevoegd:
"3 bis. Het verslag bevat een evaluatie van het gebruik van autonome rijsystemen in de lidstaten en de mogelijkheid voor de bestuurder om de periode waarin een autonome rijinrichting wordt geactiveerd, te registreren en gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening, met inbegrip van de nodige voorschriften voor de bestuurder om deze gegevens in de slimme tachograaf te registreren.";
Amendement 398
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 19 – lid 1
1.  De lidstaten stellen regelgeving vast inzake sancties voor inbreuken op deze verordening en op Verordening (EU) nr. 165/2014 en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan. Die sancties dienen doeltreffend, in verhouding met de ernst als bepaald overeenkomstig bijlage III van Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad12, en niet-discriminerend te zijn en een afschrikkende werking te hebben. Geen enkele inbreuk op deze verordening en op Verordening (EU) nr. 165/2014 mag aan meer dan één sanctie of procedure onderworpen worden. De lidstaten doen de Commissie uiterlijk op de in artikel 29, tweede alinea, vermelde datum mededeling van deze maatregelen en van de regelgeving inzake sancties. Zij delen eventuele latere wijzigingen van de bepalingen onmiddellijk mee. De Commissie stelt de lidstaten hiervan in kennis.
1.  De lidstaten stellen regelgeving vast inzake sancties voor inbreuken op deze verordening en op Verordening (EU) nr. 165/2014 en nemen alle maatregelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering ervan. Die sancties dienen doeltreffend en in verhouding met de ernst van de inbreuken, zoals vermeld in bijlage III van Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad12, en niet-discriminerend te zijn en een afschrikkende werking te hebben. Geen enkele inbreuk op deze verordening en op Verordening (EU) nr. 165/2014 mag aan meer dan één sanctie of procedure onderworpen worden. De lidstaten doen de Commissie uiterlijk op de in artikel 29, tweede alinea, vermelde datum mededeling van deze regels en maatregelen, samen met de op nationaal niveau gekozen methode en criteria voor de beoordeling van de evenredigheid. De lidstaten delen eventuele latere wijzigingen die van invloed zijn op de bepalingen onmiddellijk mee. De Commissie stelt de lidstaten in kennis van deze regels en maatregelen en van eventuele wijzigingen daarvan.
Deze informatie wordt bekendgemaakt op een speciale openbare website die door de Commissie wordt onderhouden in alle EU-talen, met gedetailleerde informatie over dergelijke sancties die van toepassing zijn in de lidstaten van de EU.
__________________
__________________
12 Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35).
12 Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer en tot intrekking van Richtlijn 88/599/EEG van de Raad (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35).
Amendement 399
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 561/2006
Artikel 25 – lid 2
2.  In de gevallen bedoeld in lid 1 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen inzake de gemeenschappelijke aanpak vast, overeenkomstig de adviesprocedure zoals bedoeld in artikel 24, lid 2.
2.  In de gevallen bedoeld in lid 1 stelt de Commissie uitvoeringshandelingen inzake de gemeenschappelijke aanpak voor de tenuitvoerlegging van deze verordening vast, overeenkomstig de adviesprocedure zoals bedoeld in artikel 24, lid 2.
Amendement 400
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 561/2006
Bijlage (nieuw)
12 bis)  De volgende bijlage wordt toegevoegd:
"Minimumvereisten voor de parkeerterreinen
Deel A: Dienstfaciliteiten
1)  Schone en werkende toiletten met waterkranen, regelmatig gecontroleerd:
—  tot 10 plaatsen: ten minste één toiletblok met vier toiletten;
—  van 10 tot 25 plaatsen: ten minste één toiletblok met acht toiletten;
—  van 25 tot 50 plaatsen: ten minste twee toiletblokken met elk tien toiletten;
—  van 50 tot 75 plaatsen: ten minste twee toiletblokken met elk vijftien toiletten;
—  van 75 tot 125 plaatsen: ten minste vier toiletblokken met elk vijftien toiletten;
—  meer dan 125 plaatsen: ten minste zes toiletblokken met elk vijftien toiletten.
2)  Schone en werkende douches, regelmatig gecontroleerd:
—  tot 10 plaatsen: ten minste één doucheblok met twee douches;
—  van 25 tot 50 plaatsen: ten minste twee doucheblokken met elk vijf douches;
—  van 50 tot 75 plaatsen: ten minste twee doucheblokken met elk tien douches;
—  van 75 tot 125 plaatsen: ten minste vier doucheblokken met elk twaalf douches;
—  meer dan 125 plaatsen: ten minste zes doucheblokken met elk vijftien douches.
3)  Toereikende toegang tot drinkwater;
4)  Geschikte kookgelegenheid, snackbar of restaurant;
5)  Winkel met diverse etenswaren, dranken enz. op de locatie of in de buurt;
6)  Toereikend aantal beschikbare vuilnisbakken met voldoende capaciteit;
7)  Schuilplaats tegen regen of zon bij parkeerterrein;
8)  Noodplan/-beheer beschikbaar / noodcontacten bekend bij het personeel;
9)  Redelijk aantal picknicktafels met banken of alternatieven;
10)  Speciale wifiservice;
11)  Reserverings-, betalings- en factureringssysteem zonder contant geld;
12)  Systeem voor de vermelding van de beschikbaarheid van plaatsen, zowel op de locatie als online;
13)  De faciliteiten zijn gendervriendelijk.
Deel B: Veiligheidskenmerken
1)  Een doorlopende scheiding van het parkeerterrein en de omgeving, zoals omheiningen of alternatieve slagbomen, die toevallige binnenkomst en opzettelijke onrechtmatige binnenkomst verhindert of de binnenkomst vertraagt;
2)  Alleen aan gebruikers van het vrachtwagenparkeerterrein en personeel wordt toegang verleend tot het parkeerterrein;
3)  Digitale opname (minstens 25 beelden per seconde) aanwezig; het systeem filmt ononderbroken of wordt door de bewegingsdetector geactiveerd;
4)  Er is een operationeel CCTV-systeem waarmee de volledige omheining bewaakt wordt en duidelijke opnames worden gemaakt van alle bewegingen die zich in de nabijheid van of naast de omheining voordoen (CCTV-opnamecontrole);
5)  Toezicht ter plaatse door patrouilles of anderszins;
6)  Criminele incidenten moeten aan het personeel van het vrachtwagenparkeerterrein en aan de politie worden gerapporteerd; indien mogelijk moet het voertuig in afwachting van instructies van de politie stil blijven staan;
7)  Te allen tijde verlichte rij- en voetgangersbanen;
8)  Voetgangersveiligheid op de speciale parkeerterreinen;
9)  Bewaking van het parkeergedeelte door passende en evenredige beveiligingscontroles;
10)  Duidelijk aangegeven telefoonnummer(s) van hulpdiensten.";
Amendement 401
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 1 – lid 1
-1)  Artikel 1, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
1.  Deze verordening bepaalt de verplichtingen en voorschriften met betrekking tot de constructie, de installatie, het gebruik, het testen en de controle van tachografen die in het wegvervoer worden gebruikt om de naleving van Verordening (EG) nr. 561/2006, Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad14 en Richtlijn 92/6/EEG van de Raad15 te verifiëren.
1.  Deze verordening bepaalt de verplichtingen en voorschriften met betrekking tot de constructie, de installatie, het gebruik, het testen en de controle van tachografen die in het wegvervoer worden gebruikt om de naleving van Verordening (EG) nr. 561/2006, Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad14, Richtlijn 92/6/EEG van de Raad15, Verordening (EG) nr. 1072/2009, Richtlijn 92/106/EEG van de Raad15 bis, Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor wat de terbeschikkingstelling van werknemers in het wegvervoer betreft, en de richtlijn houdende vaststelling van specifieke voorschriften met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de terbeschikkingstelling van bestuurders in het wegvervoer te verifiëren.
__________________
__________________
14 Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35).
14 Richtlijn 2002/15/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 betreffende de organisatie van de arbeidstijd van personen die mobiele werkzaamheden in het wegvervoer uitoefenen (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 35).
15 Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB L 57 van 2.3.1992, blz. 27).
15 Richtlijn 92/6/EEG van de Raad van 10 februari 1992 betreffende de installatie en het gebruik, in de Gemeenschap, van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (PB L 57 van 2.3.1992, blz. 27).
15 bis Richtlijn 92/106/EEG van de Raad van 7 december 1992 houdende vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor bepaalde vormen van gecombineerd vervoer van goederen tussen Lid-Staten (PB L 368 van 17.12.1992, blz. 38).
Amendement 402
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 2 – lid 2 – letter h bis (nieuw)
-1 bis) In artikel 2, lid 2, wordt het volgende punt ingevoegd:
"h bis) "slimme tachograaf": een digitale tachograaf die gebruikmaakt van een positioneringsdienst op basis van een satellietnavigatiesysteem dat automatisch zijn positie bepaalt in overeenstemming met deze verordening;";
Amendement 403
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 ter (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 3 – lid 4
-1 ter) Artikel 3, lid 4, wordt vervangen door:
4.  Vijftien jaar nadat nieuw ingeschreven voertuigen een tachograaf moeten hebben zoals bepaald in de artikelen 8, 9 en 10, worden voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van inschrijving worden gebruikt, van zo'n tachograaf voorzien.
“4. Uiterlijk1 [PB: drie jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] worden de volgende voertuigen voorzien van een slimme tachograaf:
a)  voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van registratie worden gebruikt en die voorzien zijn van een analoge tachograaf;
b)  voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van registratie worden gebruikt en die voorzien zijn van een digitale tachograaf die voldoet aan de voorschriften van bijlage IB bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad, die tot 30 september 2011 van toepassing waren; of
c)  voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van registratie worden gebruikt en die voorzien zijn van een digitale tachograaf die voldoet aan de voorschriften van bijlage IB bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad, die sinds 1 oktober 2011 van toepassing zijn.”
__________________
Ervan uitgaande dat het wegenpakket in 2019 in werking treedt en het uitvoeringsbesluit van de Commissie voor versie 2 van de slimme tachograaf uiterlijk in 2019/2020 (zie artikel 11 hieronder), waarna een gefaseerde aanpak van de aanpassing wordt toegepast.";
Amendement 404
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 quater (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 3 – lid 4 bis (nieuw)
-1 quater) In artikel 3 wordt het volgende lid ingevoegd:
"4 bis Uiterlijk [PB: vier jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] worden alle voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van registratie worden gebruikt en die voorzien zijn van een digitale tachograaf die voldoet aan bijlage IB bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad, die sinds 1 oktober 2012 van toepassing zijn, voorzien van een slimme tachograaf."
Amendement 405
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 sexies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 3 – lid 4 ter (nieuw)
-1 sexies) In artikel 3 wordt het volgende lid ingevoegd:
"4 ter. Uiterlijk [PB: vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] worden alle voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van registratie worden gebruikt en die voorzien zijn van een slimme tachograaf die voldoet aan bijlage IC bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/7991 van de Commissie, voorzien van een slimme tachograaf."
____________________
1 Uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 van de Commissie van 18 maart 2016 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen voor de constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie van tachografen en tachograafonderdelen (PB L 139 van 26.5.2016, blz. 1).
Amendement 406
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 sexies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 4 – lid 2 – streepje 3 bis (nieuw)
-1 sexies) in artikel 4, lid 2, wordt het volgende streepje ingevoegd:
"– beschikken over voldoende geheugencapaciteit om alle gegevens op te slaan die krachtens deze verordening vereist zijn;";
Amendement 407
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 septies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 7 – lid 1
-1 septies) in artikel 7 wordt lid 1 vervangen door:
1.  De lidstaten zien erop toe dat persoonsgegevens in het kader van deze verordening alleen worden verwerkt om te controleren of deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/2006 worden nageleefd en of de verwerking geschiedt overeenkomstig de Richtlijnen 95/46/EG en 2002/58/EG en onder toezicht van de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat in de zin van artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG.
"1. De lidstaten zien erop toe dat persoonsgegevens in het kader van deze verordening alleen worden verwerkt om te controleren of deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/2006, Richtlijn 2002/15/EG, Richtlijn 92/6/EEG van de Raad, Richtlijn 92/106/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1072/2009, Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor zover de terbeschikkingstelling van werknemers in het wegvervoer betreft, en de richtlijn houdende vaststelling van specifieke voorschriften met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor wat de terbeschikkingstelling van werknemers in het wegvervoer betreft worden nageleefd en of de verwerking geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn 2002/58/EG en onder toezicht van de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat in de zin van artikel 51 van Verordening (EU) 2016/679.";
Amendement 408
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt -1 octies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 7 – lid 2 – inleidende formule
-1 octies) In artikel 7 wordt de inleidende formule van lid 2 vervangen door:
2.  De lidstaten zien er met name op toe dat persoonsgegevens worden beschermd tegen ander gebruik dan het gebruik dat strikt verbonden is met deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/2006, overeenkomstig lid 1 met betrekking tot:
2.  De lidstaten zien er met name op toe dat persoonsgegevens worden beschermd tegen ander gebruik dan het gebruik dat strikt verbonden is met deze verordening en Verordening (EG) nr. 561/2006, Richtlijn 2002/15/EG, Richtlijn 92/6/EEG van de Raad, Richtlijn 92/106/EEG van de Raad, Verordening (EG) nr. 1072/2009, Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor wat de terbeschikkingstelling van werknemers in het wegvervoer betreft, en de richtlijn houdende vaststelling van specifieke voorschriften met betrekking tot Richtlijn 96/71/EG en Richtlijn 2014/67/EU voor de detachering van werknemers in het wegvervoer overeenkomstig lid 1 met betrekking tot:
Amendement 409
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 8 – lid 1 – alinea 1 – streepje 2
–  iedere drie uur van de bij elkaar opgetelde rijtijd en telkens wanneer het voertuig de grens oversteekt;
–  iedere drie uur van de bij elkaar opgetelde rijtijd en telkens wanneer het voertuig de grens van een lidstaat oversteekt;
Amendement 410
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 8 – lid 1 – alinea 1 – streepje 2 bis (nieuw)
–  telkens wanneer laad- of losactiviteiten met betrekking tot het voertuig worden verricht;
Amendement 411
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 8 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
1 bis)  aan artikel 8, lid 1, wordt de volgende alinea ingevoegd:
"Om de controle op de naleving door de controleautoriteiten te vergemakkelijken, registreert de slimme tachograaf ook, indien het voertuig in het goederen- of personenvervoer is gebruikt, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 561/2006.";
Amendement 412
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 8 – lid 1 – alinea 2 bis (nieuw)
1 ter)  aan artikel 8, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:
"Voertuigen die voor de eerste keer geregistreerd worden vanaf [24 maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] worden uitgerust met een tachograaf overeenkomstig artikel 8, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, en artikel 8, lid 1, tweede alinea, van deze verordening.";
Amendement 413/rev
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 quater (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 9 – lid 2
1 quater)  artikel 9, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Vijftien jaar nadat nieuw ingeschreven voertuigen een tachograaf moeten hebben, zoals bepaald in dit artikel en in de artikelen 8 en 10, rusten de lidstaten hun controleautoriteiten in passende mate uit met apparatuur voor vroegtijdige detectie op afstand die noodzakelijk is om de in dit artikel bedoelde gegevensoverdracht mogelijk te maken, met inachtneming van hun specifieke handhavingsvoorschriften en -strategieën. Tot die tijd mogen de lidstaten besluiten of hun controleautoriteiten worden uitgerust met dergelijke vroegtijdige detectieapparatuur op afstand.
"2. Uiterlijk op [PB: één jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] rusten de lidstaten hun controleautoriteiten in passende mate uit met apparatuur voor vroegtijdige detectie op afstand die noodzakelijk is om de in dit artikel bedoelde gegevensoverdracht mogelijk te maken, met inachtneming van hun specifieke handhavingsvoorschriften en -strategieën. Tot die tijd mogen de lidstaten besluiten of hun controleautoriteiten worden uitgerust met dergelijke vroegtijdige detectieapparatuur op afstand.";
Amendement 414
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 quinquies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 9 – lid 3
1 quinquies)  artikel 9, lid 3 wordt vervangen door:
3.  De in lid 1 bedoelde communicatieverbinding met de tachograaf wordt uitsluitend tot stand gebracht door toedoen van het apparaat van de controleautoriteiten. Het apparaat wordt beveiligd, om de gegevensintegriteit en de legitimatie van het registratie- en controleapparaat te garanderen. Toegang tot de uitgewisselde gegevens wordt beperkt tot voor controle bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn inbreuken op Verordening (EG) nr. 561/2006 en deze verordening te controleren, en tot werkplaatsen voor zover het noodzakelijk is te controleren of de tachograaf goed functioneert.
"3. De in lid 1 bedoelde communicatieverbinding met de tachograaf wordt uitsluitend tot stand gebracht door toedoen van het apparaat van de controleautoriteiten. Het apparaat wordt beveiligd, om de gegevensintegriteit en de legitimatie van het registratie- en controleapparaat te garanderen. Toegang tot de uitgewisselde gegevens wordt beperkt tot voor controle bevoegde autoriteiten die gemachtigd zijn inbreuken op de in artikel 7, lid 1, vermelde rechtshandelingen van de Unie en deze verordening te controleren, en tot werkplaatsen voor zover het noodzakelijk is te controleren of de tachograaf goed functioneert.";
Amendement 415
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 sexies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 11 – alinea 1
1 sexies)  in artikel 11 wordt alinea 1 vervangen door:
Om te waarborgen dat de slimme tachografen en voldoen aan de beginselen en vereisten van deze verordening stelt de Commissie, via uitvoeringshandelingen, gedetailleerde bepalingen vast die nodig zijn voor de eenvormige uitvoering van de artikelen 8, 9 en 10, maar geen bepalingen die de registratie van aanvullende gegevens door de tachograaf mogelijk maken. De uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 42, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
"Om te waarborgen dat de slimme tachografen en voldoen aan de beginselen en vereisten van deze verordening stelt de Commissie, via uitvoeringshandelingen, gedetailleerde bepalingen vast die nodig zijn voor de eenvormige uitvoering van de artikelen 8, 9 en 10, maar geen bepalingen die de registratie van aanvullende gegevens door de tachograaf mogelijk maken.
Uiterlijk ... [PB: 12 maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] stelt de Commissie uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde regels voor de registratie van de in artikel 8, lid 1, eerste alinea, tweede streepje, en artikel 8, lid 1, tweede alinea, bedoelde grensoverschrijdingen van voertuigen.
De uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 42, lid 3, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.";
Amendement 416
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 septies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 34 – lid 5 – letter b – punt iv
1 septies)  in artikel 34, lid 5, onder b), wordt punt iv) vervangen door:
iv)  onder het teken 20190404-P8_TA-PROV(2019)0340_NL-p0000002.png: onderbrekingen of rust.
"iv) onder het teken 20190404-P8_TA-PROV(2019)0340_NL-p0000003.png: onderbrekingen, rust, jaarlijks verlof of ziekteverlof;
onder het teken "veerboot/trein", naast het teken20190404-P8_TA-PROV(2019)0340_NL-p0000004.png: de op een veerboot of trein doorgebrachte rusttijd als vereist in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 561/2006."
Amendement 417
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 34 – lid 7 – alinea 1
7.  De bestuurder vermeldt in de digitale tachograaf het symbool van het land waar de werkperiode van de dag is begonnen en geëindigd, en bij aankomst op een geschikte stopplaats ook waar en wanneer hij in het voertuig een grens is overgestoken. Een lidstaat kan de bestuurder van voertuigen die op zijn grondgebied binnenlands vervoer verrichten echter verplichten bij het landsymbool nadere geografische gegevens te verstrekken, mits deze nadere geografische gegevens door de betrokken lidstaat vóór 1 april 1998 aan de Commissie zijn meegedeeld.
7.  Wanneer de tachograaf de grensoverschrijding niet automatisch kan registreren, vermeldt de bestuurder op de eerst mogelijke en beschikbare stopplaats het symbool van het land waar de werkperiode van de dag is begonnen en geëindigd, en waar en wanneer hij een grens is overgestoken. De code van het land na het overschrijden van een grens naar een nieuw land wordt in de tachograaf onder het kopje "BEGIN" vermeld. Een lidstaat kan de bestuurders van voertuigen die op zijn grondgebied binnenlands vervoer verrichten echter verplichten bij het landsymbool nadere geografische gegevens te verstrekken, mits deze nadere geografische gegevens door de betrokken lidstaat vóór 1 april 1998 aan de Commissie zijn meegedeeld.
Amendement 418
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 bis (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 34 – lid 7 bis (nieuw)
2 bis)   Aan artikel 34 wordt het volgende lid toegevoegd:
"7 bis. Bestuurders krijgen een opleiding over het correcte gebruik van een tachograaf om de apparatuur volledig te kunnen gebruiken. De bestuurder is niet verantwoordelijk voor de kosten van de opleiding, die door de werkgever moet worden verstrekt."
Amendement 419
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 ter (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 34 – lid 7 ter (nieuw)
2 ter)   Aan artikel 34 wordt het volgende lid toegevoegd:
"7 ter. Zo veel mogelijk controleautoriteiten moeten worden opgeleid in het correct lezen en gebruiken van een tachograaf."
Amendement 420
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 quater (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 36 – lid 1 – punt i
2 quater)  in artikel 36, lid 1, wordt punt i) vervangen door:
i)   de registratiebladen van de lopende dag en die welke de bestuurder de voorgaande 28 dagen heeft gebruikt;
"i) de registratiebladen van de lopende dag en die welke de bestuurder de voorgaande 56 dagen heeft gebruikt;"
Amendement 421
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 quinquies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 36 – lid 1 – punt iii
2 quinquies)  in artikel 36, lid 1, wordt punt iii) vervangen door:
iii)  alle handmatig opgetekende gegevens en alle afdrukken van de lopende dag en van de voorgaande 28 dagen, zoals vereist bij deze verordening en bij Verordening (EG) nr. 561/2006.
"iii) alle handmatig opgetekende gegevens en alle afdrukken van de lopende dag en van de voorgaande 56 dagen, zoals vereist bij deze verordening en bij Verordening (EG) nr. 561/2006."
Amendement 422
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 sexies (nieuw)
Verordening (EU) nr. 165/2014
Artikel 36 – lid 2 – punt ii
2 sexies)  artikel 36, lid 2, wordt punt ii), vervangen door:
ii)   alle handmatig opgetekende gegevens en alle afdrukken van de lopende dag en van de voorgaande 28 dagen, zoals vereist bij deze verordening en bij Verordening (EG) nr. 561/2006.
"ii) alle handmatig opgetekende gegevens en alle afdrukken van de lopende dag en van de voorgaande 56 dagen, zoals vereist bij deze verordening en bij Verordening (EG) nr. 561/2006."

(1) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 45.
(2) PB C 176 van 23.5.2018, blz. 57.


Aanpassing aan de ontwikkelingen in de wegvervoersector ***I
PDF 236kWORD 74k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1071/2009 en Verordening (EG) nr. 1072/2009 teneinde ze aan te passen aan de ontwikkelingen in de sector (COM(2017)0281 – C8-0169/2017 – 2017/0123(COD))
P8_TA-PROV(2019)0341A8-0204/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0281),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0169/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Economisch en Sociaal Comité van 18 januari 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme en het advies van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken (A8-0204/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 110
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Tenzij anders bepaald in nationale wetgeving, waren de regels inzake toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer tot dusver niet van toepassing op ondernemingen die uitsluitend vervoersactiviteiten uitvoerden met motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen die dat maximum niet overschrijden. Het aantal van dergelijke ondernemingen, zowel op de nationale als internationale vervoersmarkten, gaat in stijgende lijn. Ten gevolge daarvan hebben verscheidene lidstaten besloten de regels inzake toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1071/2009 toe te passen op die ondernemingen. Teneinde aan de hand van gemeenschappelijke regels te zorgen voor een minimumniveau van professionalisering van de sector die voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton gebruikt en aldus de concurrentievoorwaarden tussen alle marktdeelnemers dichter bij elkaar te brengen, moet deze bepaling worden geschrapt; de eisen inzake werkelijke en duurzame vestiging en voldoende financiële draagkracht moeten daarentegen verplicht worden gesteld.
(2)  Tenzij anders bepaald in nationale wetgeving, waren de regels inzake toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer tot dusver niet van toepassing op ondernemingen die uitsluitend vervoersactiviteiten uitvoerden met motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, van hoogstens 3,5 ton. Het aantal van dergelijke ondernemingen gaat in stijgende lijn. Ten gevolge daarvan hebben verscheidene lidstaten besloten de regels inzake toegang tot het beroep van wegvervoerondernemer, vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1071/2009 toe te passen op die ondernemingen. Teneinde eventuele mazen te dichten en aan de hand van gemeenschappelijke regels te zorgen voor een minimumniveau van professionalisering van de sector die motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton gebruikt voor internationaal vervoer en aldus de concurrentievoorwaarden tussen alle marktdeelnemers dichter bij elkaar te brengen, moeten de eisen voor de uitoefening van het beroep van wegvervoerondernemer voor iedereen op gelijke wijze van toepassing zijn, waarbij onevenredige administratieve lasten moeten worden vermeden. Aangezien deze verordening alleen van toepassing is op ondernemingen die goederen voor rekening van derden vervoeren, vallen ondernemingen die vervoer voor eigen rekening verrichten, niet onder deze bepaling.
Amendement 111
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  In haar effectbeoordeling raamt de Commissie dat bedrijven in de periode 2020-2035 tussen de 2,7 en 5,2 miljard EUR zullen besparen.
Amendement 112
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Het is noodzakelijk ervoor te zorgen dat wegvervoersondernemingen die in een lidstaat zijn gevestigd, werkelijk en duurzaam in die lidstaat aanwezig zijn en hun bedrijfsactiviteiten vanuit die lidstaat uitvoeren. In het licht van de opgedane ervaring moeten de bepalingen inzake het bestaan van een werkelijke en duurzame vestiging dan ook worden verduidelijkt.
(4)  Om het verschijnsel van zogenaamde "brievenbusmaatschappijen" te bestrijden en eerlijke concurrentie en een gelijk speelveld op de interne markt te garanderen, zijn duidelijkere vestigingscriteria, intensievere monitoring en handhaving en een betere samenwerking tussen de lidstaten noodzakelijk. Wegvervoersondernemingen die in een lidstaat zijn gevestigd, moeten werkelijk en duurzaam in die lidstaat aanwezig zijn, hun vervoersactiviteiten daadwerkelijk vanuit die lidstaat uitvoeren en substantiële activiteiten vanuit die lidstaat verrichten. In het licht van de opgedane ervaring moeten de bepalingen inzake het bestaan van een werkelijke en duurzame vestiging dan ook worden verduidelijkt en verscherpt, waarbij onevenredige administratieve lasten moeten worden vermeden.
Amendement 113
Voorstel voor een verordening
Overweging 7
(7)  Aangezien ernstige schendingen van de regels van de Unie betreffende de detachering van werknemers en de wetgeving inzake contractuele verplichtingen, een aanzienlijk effect kunnen hebben op de eerlijke concurrentie op de wegvervoersmarkt en de sociale bescherming van werknemers, moeten dergelijke schendingen worden toegevoegd aan de punten die relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheidsstatus.
(7)  Aangezien ernstige schendingen van de regels van de Unie betreffende de detachering van werknemers, cabotage en de wetgeving inzake contractuele verplichtingen, een aanzienlijk effect kunnen hebben op de eerlijke concurrentie op de wegvervoersmarkt en de sociale bescherming van werknemers, moeten dergelijke schendingen worden toegevoegd aan de punten die relevant zijn voor de beoordeling van de betrouwbaarheidsstatus.
Amendement 114
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen die dat maximum niet overschrijden, moeten een minimumniveau van financiële draagkracht hebben teneinde te garanderen dat zij over de middelen beschikken om hun activiteiten op stabiele en duurzame basis te verrichten. Aangezien de activiteiten in kwestie meestal beperkt zijn in omvang, moeten de overeenkomstige eisen echter minder streng zijn dan die welke van toepassing zijn op exploitanten die gebruik maken van voertuigen of combinaties van voertuigen die het bovenvermelde maximum overschrijden.
(10)  Ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton, en die internationale wegvervoersactiviteiten verrichten, moeten een minimale financiële draagkracht hebben teneinde te garanderen dat zij over de middelen beschikken om hun activiteiten op stabiele en duurzame basis te verrichten. Aangezien de activiteiten die met deze voertuigen worden verricht, meestal beperkt zijn in omvang, moeten de overeenkomstige eisen echter minder streng zijn dan die welke van toepassing zijn op exploitanten die gebruikmaken van voertuigen of combinaties van voertuigen die het bovenvermelde maximum overschrijden.
Amendement 115
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  De informatie over vervoerders in de nationale elektronische registers moet zo volledig mogelijk zijn teneinde de bevoegde nationale autoriteiten die de relevante regels toepassen, een voldoende overzicht te bieden van de onderzochte vervoerders. Met name informatie over het registratiekenteken van de voertuigen waarover de vervoerder beschikt, het aantal werknemers dat hij in dienst heeft, zijn risicocategorie en financiële toestand moet betere nationale en grensoverschrijdende handhaving van de bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 1071/2009 en (EG) nr. 1072/2009 mogelijk maken. De regels betreffende het nationale elektronische register moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
(11)  De informatie over vervoerders in de nationale elektronische registers moet volledig en actueel zijn teneinde de bevoegde nationale autoriteiten die de relevante regels toepassen, een voldoende overzicht te bieden van de onderzochte vervoerders. Met name informatie over het registratiekenteken van de voertuigen waarover de vervoerder beschikt, het aantal werknemers dat hij in dienst heeft en zijn risicocijfer, moet betere nationale en grensoverschrijdende handhaving van de bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 1071/2009 en (EG) nr. 1072/2009 en andere relevante Uniewetgeving mogelijk maken. Om ervoor te zorgen dat rechtshandhavers, waaronder functionarissen die controles langs de weg verrichten, een duidelijk en volledig overzicht hebben van de vervoerders die worden gecontroleerd, moeten zij rechtstreekse en realtimetoegang krijgen tot alle desbetreffende informatie. Daarom moeten de nationale elektronische registers echt interoperabel zijn en moeten de gegevens die hierin zijn opgenomen, rechtstreeks en in real time toegankelijk zijn voor alle aangewezen rechtshandhavers van alle lidstaten. De regels betreffende het nationale elektronische register moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.
Amendement 116
Voorstel voor een verordening
Overweging 13
(13)  De regels betreffende nationaal vervoer dat op tijdelijke basis wordt verricht door niet-ingezeten vervoerders in een lidstaat van ontvangst ("cabotage"), moeten duidelijk, eenvoudig en gemakkelijk te handhaven zijn, waarbij het tot dusver bereikte niveau van liberalisering over het algemeen moet worden behouden.
(13)  De regels betreffende nationaal vervoer dat op tijdelijke basis wordt verricht door niet-ingezeten vervoerders in een lidstaat van ontvangst ("cabotage"), moeten duidelijk, eenvoudig en gemakkelijk te handhaven zijn.
Amendement 117
Voorstel voor een verordening
Overweging 14
(14)  Om de controle te vergemakkelijken en de onzekerheid weg te nemen, moet de beperking van het aantal cabotageritten na een internationale vervoersactiviteit worden afgeschaft en worden vervangen door een beperking van het aantal dagen dat voor dergelijke activiteiten beschikbaar is.
(14)  Om lege ritten te voorkomen moet cabotagevervoer, met specifieke beperkingen, worden toegestaan in de ontvangende lidstaat. Om de controle te vergemakkelijken en de onzekerheid weg te nemen, moet de beperking van het aantal cabotageritten na een internationale vervoersactiviteit worden afgeschaft en worden vervangen door een beperking van het aantal dagen dat voor dergelijke activiteiten beschikbaar is.
Amendement 118
Voorstel voor een verordening
Overweging 14 bis (nieuw)
(14 bis)  Om te voorkomen dat cabotagevervoer systematisch wordt verricht, waardoor een permanente of doorlopende activiteit zou kunnen ontstaan die de nationale markt verstoort, moet de periode die in één ontvangende lidstaat voor cabotagevervoer beschikbaar is, worden verkort. Bovendien mag het wegvervoerders niet worden toegestaan om binnen een bepaalde termijn in dezelfde ontvangende lidstaat opnieuw cabotagevervoer te verrichten zolang zij geen nieuw internationaal vervoer hebben verricht vanuit de lidstaat waar de onderneming is gevestigd. Deze bepaling laat de verrichting van internationaal vervoer onverlet.
Amendement 119
Voorstel voor een verordening
Overweging 15
(15)  De regels die wegvervoerders moeten volgen om aan te tonen dat zij de cabotageregels naleven, moeten worden verduidelijkt. Het gebruik en de verzending van elektronische vervoersinformatie moet daartoe worden erkend; dit moet de indiening van relevante bewijzen en de behandeling ervan door de bevoegde autoriteiten vergemakkelijken. Het formaat dat voor dat doel wordt gebruikt, moet de betrouwbaarheid en de authenticiteit garanderen. Aangezien in het vervoer en de logistiek steeds vaker gebruik wordt gemaakt van efficiënte elektronische uitwisseling van informatie, is het belangrijk ervoor te zorgen dat de regelgevingskaders en -bepalingen met betrekking tot de vereenvoudiging van de administratieve procedures coherent zijn.
(15)  Effectieve en efficiënte handhaving van de regels is een noodzakelijke voorwaarde voor eerlijke concurrentie op de interne markt. Een verdere digitalisering van de handhavingsinstrumenten is essentieel om handhavingscapaciteit vrij te maken, onnodige administratieve lasten voor internationale vervoerders en met name kleine en middelgrote ondernemingen te verminderen, zich beter te concentreren op vervoerders met een hoog risico en frauduleuze praktijken op te sporen. Opdat vervoersdocumenten papierloos worden, moet het gebruik van elektronische documenten in de toekomst de regel worden, met name de elektronische vrachtbrief in het kader van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (eCMR). De regels die wegvervoerders moeten volgen om aan te tonen dat zij de cabotageregels naleven, moeten worden verduidelijkt. Het gebruik en de verzending van elektronische vervoersinformatie moet daartoe worden erkend; dit moet de indiening van relevante bewijzen en de behandeling ervan door de bevoegde autoriteiten vergemakkelijken. Het formaat dat voor dat doel wordt gebruikt, moet de betrouwbaarheid en de authenticiteit garanderen. Aangezien in het vervoer en de logistiek steeds vaker gebruik wordt gemaakt van efficiënte elektronische uitwisseling van informatie, is het belangrijk ervoor te zorgen dat de regelgevingskaders en -bepalingen met betrekking tot de vereenvoudiging van de administratieve procedures coherent zijn.
Amendement 120
Voorstel voor een verordening
Overweging 15 bis (nieuw)
(15 bis)  De spoedige invoering van de slimme tachograaf is van het grootste belang, aangezien deze de handhavingsautoriteiten in staat zal stellen wegcontroles te verrichten om inbreuken en onregelmatigheden sneller en efficiënter vast te stellen, hetgeen tot een betere handhaving van deze verordening zou leiden.
Amendement 121
Voorstel voor een verordening
Overweging 16
(16)  De regels inzake internationaal vervoer zijn gericht tot vervoersondernemingen; deze ondernemingen moeten dan ook de gevolgen van eventuele schendingen van deze regels dragen. Om misbruiken te voorkomen door ondernemingen waaraan wegvervoerders hun vervoersdiensten uitbesteden, moeten de lidstaten ook voorzien in sancties voor bevrachters en expediteurs in geval zij bewust opdracht geven voor vervoersdiensten die schendingen inhouden van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1072/2009.
(16)  De regels inzake internationaal vervoer zijn gericht tot vervoersondernemingen; deze ondernemingen moeten dan ook de gevolgen van eventuele schendingen van deze regels dragen. Om misbruiken te voorkomen door ondernemingen waaraan wegvervoerders hun vervoersdiensten uitbesteden, moeten de lidstaten ook voorzien in sancties voor verzenders, bevrachters, expediteurs, contractanten en subcontractanten indien deze weten dat de vervoersdiensten waartoe zij opdracht geven, schendingen inhouden van de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1072/2009. Wanneer ondernemingen die vervoersdiensten uitbesteden, deze diensten laten verrichten door vervoersondernemingen met een laag risicocijfer, moet hun aansprakelijkheid worden beperkt.
Amendement 122
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 bis (nieuw)
(16 bis)   De voorgestelde Europese Arbeidsautoriteit [...] heeft tot doel de samenwerking en informatie-uitwisseling tussen de nationale bevoegde autoriteiten te ondersteunen en te vergemakkelijken met het oog op de effectieve handhaving van de betreffende Uniewetgeving. Ter ondersteuning en vergemakkelijking van de handhaving van deze verordening kan de Autoriteit een belangrijke rol spelen door de bevoegde autoriteiten bij te staan bij het uitwisselen van informatie, de lidstaten te ondersteunen bij capaciteitsopbouw door het uitwisselen en opleiden van personeel, en de lidstaten bij te staan bij het organiseren van gecoördineerde controles. Dit zou het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten versterken, effectieve samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten bevorderen, en fraude en misbruik van de regels helpen bestrijden.
Amendement 123
Voorstel voor een verordening
Overweging 16 ter (nieuw)
(16 ter)   De wetgeving voor het wegvervoer moet worden aangescherpt om een goede toepassing en handhaving van de Rome I-verordening te garanderen zodat in arbeidscontracten wordt uitgegaan van de gebruikelijke werkplek van werknemers. De fundamentele voorschriften van Verordening (EG) nr. 1071/2009 om brievenbusmaatschappijen te bestrijden en passende vestigingscriteria voor ondernemingen te waarborgen, vormen een aanvulling op en houden rechtstreeks verband met de Rome I-verordening. Deze voorschriften moeten worden aangescherpt om de rechten van werknemers te garanderen als zij tijdelijk werkzaam zijn buiten het land van hun gebruikelijke werkplek, en om eerlijke concurrentie tussen vervoersondernemingen te waarborgen.
Amendement 124
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a – punt i
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 1 – lid 4 – letter a
i)  punt a) wordt geschrapt;
i)  punt a) wordt vervangen door:
a)  ondernemingen die het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uitsluitend uitoefenen met motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, van minder dan 2,4 ton;
a bis)  ondernemingen die het beroep van ondernemer van goederenvervoer over de weg uitsluitend uitoefenen met motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, van minder dan 3,5 ton die uitsluitend nationale vervoersactiviteiten verrichten;
Amendement 125
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a – punt ii
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 1 – lid 4 – letter b – alinea 2
Vervoer over de weg waarvoor geen vergoeding wordt ontvangen en dat geen inkomen creëert, zoals het vervoer van personen voor charitatieve doeleinden of strikt voor privégebruik, wordt beschouwd als vervoer dat uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden is bestemd;
Vervoer over de weg dat niet tot doel heeft winst te genereren voor de bestuurder of voor anderen, bijvoorbeeld wanneer de dienst wordt verleend op charitatieve of liefdadigheidsbasis, wordt beschouwd als vervoer dat uitsluitend voor niet-commerciële doeleinden is bestemd;
Amendement 126
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 1 – lid 6
b)  het volgende lid 6 wordt toegevoegd:
Schrappen
"6. Artikel 3, lid 1, onder b) en d), en de artikelen 4, 6, 8, 9, 14, 19 en 21, zijn niet van toepassing op ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton.
De lidstaten mogen echter:
a)  ondernemingen verplichten om sommige of alle van de in de eerste alinea bedoelde bepalingen toe te passen;
b)  het in de eerste alinea bedoelde maximum verlagen voor alle of voor sommige categorieën wegvervoersactiviteiten.";
Amendement 127
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 5 – alinea 1 – letter a
"a) beschikken over gebouwen en/of terreinen waar zij de documenten inzake haar hoofdactiviteiten bewaart, met name de commerciële contracten, boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, arbeidsovereenkomsten, documenten met gegevens over de rij- en rusttijden en alle andere documenten waartoe de bevoegde instantie toegang moet krijgen om te kunnen controleren of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan;";
"a) beschikken over passende gebouwen en/of terreinen die in verhouding staan tot de activiteiten van de onderneming, waar zij toegang heeft tot de originelen van de documenten inzake haar hoofdactiviteiten, in elektronische of enige andere vorm, met name de commerciële contracten, boekhoudkundige bescheiden, documenten inzake personeelsbeleid, arbeidsovereenkomsten, socialezekerheidsdocumenten, documenten met gegevens over cabotage, detachering en rij- en rusttijden, en alle andere documenten waartoe de bevoegde instantie toegang moet krijgen om te kunnen controleren of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan;";
Amendement 128
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 5 – alinea 1 – letter a bis (nieuw)
a bis)  het volgende punt wordt ingevoegd:
"a bis) met de onder b) vermelde voertuigen in het kader van een vervoersovereenkomst ten minste één lading of lossing van goederen per vier weken verrichten in de lidstaat van vestiging;";
Amendement 129
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 5 – alinea 1 – letter c
"c) haar administratieve en commerciële activiteiten effectief en permanent verrichten met passende administratieve uitrusting en voorzieningen in gebouwen en/of op terreinen die zich in die lidstaat bevinden;";
"c) haar administratieve en commerciële activiteiten effectief en permanent verrichten met passende uitrusting en voorzieningen in gebouwen en/of op terreinen als bedoeld onder a) die zich in die lidstaat bevinden;";
Amendement 130
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter c
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 5 – alinea 1 – letter d
"d) de vervoersactiviteiten beheren die worden uitgevoerd met de onder b) vermelde voertuigen, met passende technische apparatuur die zich in die lidstaat bevindt;";
"d) effectief en doorlopend de vervoersactiviteiten beheren die worden uitgevoerd met behulp van de onder b) vermelde voertuigen, met passende technische apparatuur die zich in die lidstaat bevindt;";
Amendement 131
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter d bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 5 – alinea 1 – letter f (nieuw)
d bis)  het volgende punt f) wordt toegevoegd:
"f) een duidelijke band tussen de verrichte vervoersactiviteiten en de lidstaat van vestiging hebben, over een exploitatievestiging beschikken en toegang hebben tot voldoende parkeerplaatsen voor regelmatig gebruik door de onder b) vermelde voertuigen;";
Amendement 132
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter d ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 5 – alinea 1 – letter g (nieuw)
d ter)  het volgende punt g) wordt toegevoegd:
"g) bestuurders aanwerven en in dienst nemen volgens de wet die van toepassing is op arbeidsovereenkomsten van die lidstaat;";
Amendement 133
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter d quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 5 – alinea 1 – letter h (nieuw)
d quater)  het volgende punt h) wordt toegevoegd:
"h) ervoor zorgen dat de vestiging de plaats is waar of van waaruit werknemers gewoonlijk hun arbeid verrichten in de zin van Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad1 bis en/of het Verdrag van Rome.
_______________________
1 bis Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I) (PB L 177 van 4.7.2008, blz. 6)."
Amendement 134
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter a – punt iii
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 6 – lid 3 – letter b
iii)  in de derde alinea, onder b), worden punten xi) en xii) toegevoegd:
iii)  in de derde alinea, onder b), worden punten xi), xii) en xiii) toegevoegd:
"xi) de detachering van werknemers;
"xi) de detachering van werknemers;
xii)  de wetgeving die van toepassing is op contractuele verplichtingen.
xii)  de wetgeving die van toepassing is op contractuele verplichtingen;
xiii)  cabotage.";
Amendement 135
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 – letter c
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 6 – lid 2 bis – alinea 2 – letter b
b)  de ernst van de inbreuken definiëren volgens het risico dat zij inhouden op overlijden of ernstige verwondingen en op concurrentieverstoring op de wegvervoersmarkt, onder meer door de werkomstandigheden van werknemers in het wegvervoer te ondermijnen;
b)  de ernst van de inbreuken definiëren volgens het risico dat zij inhouden op overlijden of ernstige verwondingen of op concurrentieverstoring op de wegvervoersmarkt, onder meer door de werkomstandigheden van werknemers in het wegvervoer te ondermijnen;
Amendement 136
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 7 – lid 1 – alinea 1
"Om te voldoen aan artikel 3, lid 1, onder c), moet een onderneming op permanente basis in staat zijn haar financiële verplichtingen in het lopende boekjaar na te komen. De onderneming moet aan de hand van haar door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aantonen dat zij jaarlijks beschikt over eigen vermogen ter waarde van ten minste 9 000 EUR wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en 5 000 EUR per extra voertuig. Ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton, moeten op basis van door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aantonen dat zij elk jaar kunnen beschikken over eigen vermogen van minstens 1 800 euro wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en 900 euro per extra voertuig.";
"Om te voldoen aan artikel 3, lid 1, onder c), moet een onderneming op permanente basis in staat zijn haar financiële verplichtingen in het lopende boekjaar na te komen. De onderneming moet aan de hand van haar door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aantonen dat zij jaarlijks beschikt over eigen vermogen ter waarde van ten minste 9 000 EUR wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en 5 000 EUR per extra voertuig met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, van meer dan 3,5 ton, en 900 EUR per extra voertuig met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, tussen 2,4 en 3,5 ton. Ondernemingen die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, tussen 2,4 en 3,5 ton, moeten op basis van door een accountant of een daartoe naar behoren gemachtigde persoon gecertificeerde jaarrekeningen aantonen dat zij elk jaar kunnen beschikken over eigen vermogen van minstens 1 800 EUR wanneer slechts één voertuig wordt gebruikt en 900 EUR per extra voertuig.";
Amendement 137
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 7 – lid 2 – alinea 1
2.  Wanneer een onderneming niet over gecertificeerde jaarrekeningen beschikt, aanvaardt de bevoegde autoriteit, bij wijze van uitzondering op lid 1, dat die onderneming haar financiële draagkracht aantoont door middel van een certificaat, zoals een bankgarantie, een door een financiële instelling afgegeven document dat de onderneming toegang verschaft tot krediet, of een ander bindend document waaruit blijkt dat de onderneming over de in lid 1, eerste alinea, vermelde bedragen beschikt.
2.  Wanneer een onderneming niet over gecertificeerde jaarrekeningen beschikt, aanvaardt de bevoegde autoriteit, bij wijze van uitzondering op lid 1, dat die onderneming haar financiële draagkracht aantoont door middel van een certificaat, zoals een bankgarantie of een verzekering, inclusief een beroepsaansprakelijkheidsverzekering van één of meerdere banken of andere financiële instellingen, waaronder verzekeringsmaatschappijen, of een ander bindend document met een gezamenlijke en hoofdelijke garantie voor de onderneming ten aanzien van de in de eerste alinea van lid 1 vastgestelde bedragen.
Amendement 138
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 8 – lid 5
(5 bis)  artikel 8, lid 5, wordt vervangen door:
De lidstaten kunnen met tussenpozen van tien jaar periodieke bijscholing aanmoedigen met betrekking tot de in bijlage I genoemde onderwerpen, om te waarborgen dat vervoersmanagers op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in de sector.
De lidstaten kunnen met tussenpozen van drie jaar periodieke bijscholing aanmoedigen met betrekking tot de in bijlage I genoemde onderwerpen, om te waarborgen dat de in lid 1 bedoelde persoon of personen voldoende op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in de sector.
Amendement 139
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 8
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 12 – lid 2 – alinea 2
(8)  artikel 12, lid 2, tweede alinea, wordt geschrapt;
(8)  artikel 12, lid 2, tweede alinea, wordt vervangen door:
De lidstaten voeren ten minste om de drie jaar controles uit om na te gaan of de ondernemingen aan de voorwaarden van artikel 3 voldoen.
Amendement 140
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 10 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 14 – lid 2
(10 bis)   artikel 14, lid 2, wordt vervangen door:
2.  Zolang overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van nationaal recht geen rehabilitatiemaatregelen zijn getroffen, is het in artikel 8, lid 8, bedoelde getuigschrift van vakbekwaamheid van een ongeschikt verklaarde vervoersmanager in geen enkele lidstaat meer geldig.
2.  Zolang er overeenkomstig de betreffende bepalingen van nationaal recht geen rehabilitatiemaatregelen zijn getroffen, is het in artikel 8, lid 8, bedoelde getuigschrift van vakbekwaamheid van een ongeschikt verklaarde vervoersmanager in geen enkele lidstaat meer geldig. De Commissie stelt een lijst op van rehabilitatiemaatregelen waarmee de betrouwbaarheidsstatus kan worden hersteld.
Amendement 141
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt i bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 2 – letter c
i bis)  punt c) wordt vervangen door:
c)  de namen van de vervoersmanagers die zijn aangewezen om te voldoen aan de vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid of, in voorkomend geval, de naam van een juridische vertegenwoordiger;
c)  de namen van de vervoersmanagers die zijn aangewezen om te voldoen aan de in artikel 3 vastgestelde vereisten inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid of, in voorkomend geval, de naam van een juridische vertegenwoordiger;
Amendement 142
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt i
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 2 – letter h
h)  het aantal werknemers;
h)  het aantal mensen dat de onderneming gedurende het laatste kalenderjaar in dienst had;
Amendement 143
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt i bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 2 – letter j bis (nieuw)
i bis)  het volgende punt j bis) wordt toegevoegd:
j bis)   arbeidsovereenkomsten van internationale bestuurders van de laatste zes maanden;
Amendement 144
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt ii
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 2 – alinea 2
De lidstaten kunnen ervoor kiezen de gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) tot en met j), op te nemen in afzonderlijke registers. In dat geval zijn de relevante gegevens op verzoek beschikbaar of rechtstreeks toegankelijk voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat. De opgevraagde informatie wordt binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek verschaft. De onder a) tot en met d) van de eerste alinea bedoelde gegevens zijn openbaar toegankelijk, overeenkomstig de relevante bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
De onder a) tot en met d) van de eerste alinea bedoelde gegevens zijn openbaar toegankelijk, overeenkomstig de relevante bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
Amendement 145
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt ii
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 2 – alinea 3
De gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) tot en met j), zijn alleen toegankelijk voor andere dan de bevoegde instanties, indien eerstgenoemde instanties naar behoren beschikken over controle- en sanctiebevoegdheden met betrekking tot het wegvervoer en de ambtenaren daarvan beëdigd zijn of een andere formele geheimhoudingsplicht hebben.
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Amendement 146
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter a – punt ii
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 2
"De lidstaten kunnen ervoor kiezen de gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) tot en met j), op te nemen in afzonderlijke registers. In dat geval zijn de relevante gegevens op verzoek beschikbaar of rechtstreeks toegankelijk voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat. De opgevraagde informatie wordt binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek verschaft. De onder a) tot en met d) van de eerste alinea bedoelde gegevens zijn openbaar toegankelijk, overeenkomstig de relevante bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
"De lidstaten kunnen ervoor kiezen de gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) tot en met j), op te nemen in afzonderlijke registers. In dat geval zijn de relevante gegevens op verzoek beschikbaar of rechtstreeks toegankelijk voor alle bevoegde instanties van de betrokken lidstaat. De opgevraagde informatie wordt binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek verschaft. De onder a) tot en met d) van de eerste alinea bedoelde gegevens zijn openbaar toegankelijk, overeenkomstig de relevante bepalingen inzake de bescherming van persoonsgegevens.
De gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) tot en met j), zijn alleen toegankelijk voor andere dan de bevoegde instanties, indien eerstgenoemde instanties naar behoren beschikken over controle- en sanctiebevoegdheden met betrekking tot het wegvervoer en de ambtenaren daarvan beëdigd zijn of een andere formele geheimhoudingsplicht hebben.";
De gegevens als bedoeld in de eerste alinea, onder e) tot en met j), zijn alleen toegankelijk voor andere dan de bevoegde instanties, indien eerstgenoemde instanties naar behoren beschikken over controle- en sanctiebevoegdheden met betrekking tot het wegvervoer en de ambtenaren daarvan beëdigd zijn of een andere formele geheimhoudingsplicht hebben.
Voor de toepassing van artikel 14 bis van Verordening (EG) nr. 1072/2009 zijn de onder j) bedoelde gegevens op verzoek beschikbaar voor verzenders, expediteurs, contractanten en subcontractanten.";
Amendement 147
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 5
b bis)  lid 5 wordt vervangen door:
5.  Onverminderd lid 1 en lid 2 nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de nationale elektronische registers vanuit de gehele Gemeenschap via de nationale contactpunten als aangegeven in artikel 18 onderling gekoppeld en toegankelijk zijn. De toegankelijkheid via de nationale contactpunten en de onderlinge koppeling moeten uiterlijk op 31 december 2012 zijn gerealiseerd en wel zodanig dat de bevoegde instanties uit alle lidstaten de nationale elektronische registers van alle andere lidstaten kunnen raadplegen.
"5. Om de grensoverschrijdende handhaving doeltreffender te maken, zorgen de lidstaten ervoor dat de nationale elektronische registers in de hele Unie via het in Verordening (EU) 2016/480 bedoelde European Registers of Road Transport Undertakings (ERRU) onderling gekoppeld en interoperabel zijn, zodat de in lid 2 bedoelde gegevens in real time rechtstreeks toegankelijk zijn voor alle bevoegde handhavingsautoriteiten en controleorganen van alle lidstaten.
Amendement 148
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 11 – letter b ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 16 – lid 6
b ter)  alinea 6 wordt vervangen door:
6.  Gemeenschappelijke regels voor de uitvoering van lid 5, zoals het formaat van de uitgewisselde gegevens, de technische procedures voor de elektronische raadpleging van de nationale elektronische registers van andere lidstaten en de bevordering van de interoperabiliteit van deze registers met andere relevante databanken worden door de Commissie vastgesteld overeenkomstig de in artikel 25, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure, en wel voor het eerst vóór 31 december 2010. Deze gemeenschappelijke regels moeten bepalen welke instantie verantwoordelijk is voor de toegang tot, het verdere gebruik en de bijwerking van de gegevens na raadpleging en moeten derhalve voorschriften bevatten over registratie van en toezicht op de gegevens.
"6. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 24 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde gemeenschappelijke regels vast te stellen en bij te werken om ervoor te zorgen dat de nationale elektronische registers op zodanige wijze volledig onderling gekoppeld en interoperabel zijn dat een bevoegde autoriteit of een controleorgaan van om het even welke lidstaat rechtstreeks en in real time toegang heeft tot het nationale elektronische register van om het even welke lidstaat, als vastgesteld in lid 5. Dergelijke gemeenschappelijke regels omvatten regels inzake het formaat van de uitgewisselde gegevens, de technische procedures voor de elektronische raadpleging van de nationale elektronische registers van andere lidstaten en de interoperabiliteit van deze registers, alsook specifieke regels met betrekking tot de toegang tot, registratie van en toezicht op de gegevens.";
"
Amendement 149
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 18 – lid 1
1.  De lidstaten wijzen een nationaal contactpunt aan dat wordt belast met de uitwisseling van gegevens met de andere lidstaten, voor wat de toepassing van deze verordening betreft. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 december 2018 in kennis van de naam en het adres van hun nationale contactpunt. De Commissie stelt een lijst op van alle nationale contactpunten en stuurt deze naar de lidstaten.De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen met betrekking tot de contactpunten.
1.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen en bieden elkaar snel wederzijdse bijstand en andere relevante informatie teneinde de tenuitvoerlegging en handhaving van deze verordening te vergemakkelijken.
Amendement 150
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 18 – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Voor de toepassing van lid 1 wordt de administratieve samenwerking waarin dit artikel voorziet ten uitvoer gelegd via het bij Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad1 bis ingestelde Informatiesysteem interne markt (IMI), dat alle vervoerders in staat stelt gegevens in hun eigen taal te verstrekken.
__________________
1 bis Verordening (EU) nr. 1024/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt en tot intrekking van Beschikking 2008/49/EG van de Commissie ("de IMI-verordening") (PB L 316 van 14.11.2012, blz. 1).
Amendement 151
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 18 – lid 3
3.  De lidstaten beantwoorden verzoeken om informatie van alle bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en voeren, indien nodig, inspecties en onderzoeken uit met betrekking tot de naleving van de in artikel 3, lid 1, onder a), vastgestelde eis door de op hun grondgebied gevestigde wegvervoersondernemingen. Verzoeken om informatie van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten worden gemotiveerd. Zij moeten geloofwaardige aanwijzingen van mogelijke schendingen van artikel 3, lid 1, onder a), bevatten.
3.  De lidstaten beantwoorden verzoeken om informatie van alle bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten en voeren inspecties en onderzoeken uit met betrekking tot de naleving van de in artikel 3, lid 1, onder a), vastgestelde eis door de op hun grondgebied gevestigde wegvervoersondernemingen. Verzoeken om informatie van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten naar behoren gerechtvaardigd en gemotiveerd worden. Zij moeten geloofwaardige aanwijzingen van mogelijke schendingen van artikel 3, lid 1, onder a), bevatten.
Amendement 152
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 18 – lid 4
4.  Als de lidstaat die om informatie wordt verzocht, van oordeel is dat het verzoek onvoldoende gemotiveerd is, stelt hij de verzoekende lidstaat daar binnen tien werkdagen van in kennis. De verzoekende lidstaat moet het verzoek verder onderbouwen. Als dit niet mogelijk is, kan het verzoek door de lidstaat worden afgewezen.
4.  Als de lidstaat die om informatie wordt verzocht, van oordeel is dat het verzoek onvoldoende gemotiveerd is, stelt hij de verzoekende lidstaat daar binnen vijf werkdagen van in kennis. De verzoekende lidstaat moet het verzoek verder onderbouwen. Als dit niet mogelijk is, kan het verzoek door de lidstaat worden afgewezen.
Amendement 153
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 18 – lid 5
5.  Als het moeilijk of onmogelijk is om te voldoen aan een verzoek om informatie of een verzoek tot het uitvoeren van controles of onderzoeken, stelt de lidstaat in kwestie de verzoekende lidstaat daar binnen tien werkdagen van in kennis, met opgave van redenen. De betrokken lidstaten plegen overleg om een oplossing voor eventuele problemen te vinden.
5.  Als het moeilijk of onmogelijk is om te voldoen aan een verzoek om informatie of een verzoek tot het uitvoeren van controles of onderzoeken, stelt de lidstaat in kwestie de verzoekende lidstaat daar binnen vijf werkdagen van in kennis, waarbij die moeilijkheid of onmogelijkheid naar behoren wordt gerechtvaardigd. De betrokken lidstaten werken samen om een oplossing voor eventuele problemen te vinden. In geval van aanhoudende problemen bij de uitwisseling van informatie, of een niet naar behoren gerechtvaardigde permanente weigering om informatie te verstrekken, kan de Commissie, na hiervan in kennis te zijn gesteld en na de betrokken lidstaten te hebben geraadpleegd, alle nodige maatregelen nemen om de situatie op te lossen.
Amendement 154
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 18 – lid 6
6.  In reactie op verzoeken uit hoofde van lid 3, verstrekken de lidstaten de gevraagde informatie en voeren zij de vereiste controles, inspecties en onderzoeken uit binnen 25 werkdagen na ontvangst van het verzoek, tenzij zij de verzoekende lidstaat ervan in kennis hebben gesteld dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd of dat het onmogelijk of moeilijk is eraan te voldoen, zoals bepaald in leden 4 en 5.
6.  In reactie op verzoeken uit hoofde van lid 3, verstrekken de lidstaten de gevraagde informatie en voeren zij de vereiste controles, inspecties en onderzoeken uit binnen 15 werkdagen na ontvangst van het verzoek, tenzij de betrokken lidstaten onderling een andere tijdslimiet overeenkomen of tenzij zij de verzoekende lidstaat ervan in kennis hebben gesteld dat het verzoek onvoldoende is gemotiveerd of dat het onmogelijk of moeilijk is eraan te voldoen, zoals bepaald in de leden 4 en 5, en er geen oplossing voor deze moeilijkheden kan worden gevonden.
Amendement 155
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 12 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 18 bis (nieuw)
12 bis)  Het volgende artikel 18 bis wordt ingevoegd:
"Artikel 18 bis
Flankerende maatregelen
1.  De lidstaten nemen flankerende maatregelen ter ontwikkeling, vergemakkelijking en bevordering van uitwisselingen tussen ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor administratieve samenwerking en wederzijdse bijstand tussen de lidstaten en ambtenaren die verantwoordelijk zijn voor het toezicht op de naleving van en voor de handhaving van de toepasselijke regels van deze verordening.
2.  De Commissie biedt in technische en andere ondersteuning om de administratieve samenwerking verder te verbeteren en het wederzijdse vertrouwen tussen de lidstaten te vergroten, onder meer door het bevorderen van uitwisseling van personeel en gezamenlijke opleidingsprogramma's, alsook de ontwikkeling, vergemakkelijking en bevordering van initiatieven voor good practices. De Commissie kan, onverminderd de prerogatieven van het Europees Parlement en de Raad in het kader van de begrotingsprocedure, beschikbare financieringsinstrumenten gebruiken om de capaciteitsopbouw en de administratieve samenwerking tussen de lidstaten verder uit te bouwen.
3.  De lidstaten stellen een programma voor collegiale toetsing vast waaraan alle bevoegde handhavingsautoriteiten moeten deelnemen, en zorgen daarbij voor een passende roulatie van de bevoegde handhavingsautoriteiten die de toetsing uitvoeren en die welke worden getoetst. De lidstaten stellen de Commissie om de twee jaar van deze programma's in kennis als onderdeel van het verslag over de activiteiten van de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 26.";
Amendement 156
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 3 – inleidende formule
3.  de lidstaten stellen elk jaar een verslag op over het gebruik van motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton op hun grondgebied en dienen dit uiterlijk op 30 juni van het jaar na het einde van de verslagperiode in bij de Commissie. Dit verslag bevat:
3.  De lidstaten stellen elk jaar een verslag op over het gebruik van motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton die gebruikt worden voor internationale wegvervoersactiviteiten en die zich op hun grondgebied bevinden, en dienen dit uiterlijk op 30 juni van het jaar na het einde van de verslagperiode in bij de Commissie. Dit verslag bevat:
Amendement 157
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 3 – letter a
a)  het aantal vergunningen dat is toegekend aan vervoerders die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton;
a)  het aantal vergunningen dat is toegekend aan vervoerders die goederenvervoer over de weg verrichten met uitsluitend motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton en die internationale wegvervoersactiviteiten verrichten;
Amendement 158
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 3 – letter b
b)  het aantal voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton dat in elk kalenderjaar in de lidstaat is ingeschreven;
b)  het aantal in elk kalenderjaar in de lidstaat ingeschrevenmotorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton die internationale wegvervoersactiviteiten verrichten;
Amendement 159
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 3 – letter c
c)  het totale aantal voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton dat op 31 december van elk jaar in de lidstaat is ingeschreven;
c)  het totale aantal op 31 december van elk jaar in de lidstaat ingeschreven motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton die internationale wegvervoersactiviteiten verrichten;
Amendement 160
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 3 – letter d
d)  een raming van het aandeel van motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton in de totale wegvervoersactiviteiten van alle in de lidstaat ingeschreven voertuigen, opgesplitst in nationaal vervoer, internationaal vervoer en cabotagevervoer.
d)  een raming van het aandeel van motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton, alsook van die van minder dan 2,4 ton, in de totale wegvervoersactiviteiten van alle in de lidstaat ingeschreven voertuigen, opgesplitst in nationaal vervoer, internationaal vervoer en cabotagevervoer.
Amendement 161
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 4
4.  Op basis van de informatie die de Commissie overeenkomstig lid 3 heeft vergaard en van verder bewijsmateriaal presenteert de Commissie uiterlijk op 31 december 2024 een verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de ontwikkeling van het totale aantal motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton of combinaties van voertuigen met een toelaatbare maximummassa van hoogstens 3,5 ton die worden ingezet voor nationale en internationale wegvervoersactiviteiten. Op basis van dit verslag beoordeelt de Commissie of het nodig is aanvullende maatregelen voor te stellen.
4.  Op basis van de informatie die de Commissie overeenkomstig lid 3 heeft vergaard en van verder bewijsmateriaal presenteert de Commissie uiterlijk op 31 december 2024 een verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de ontwikkeling van het totale aantal motorvoertuigen met een toelaatbare maximummassa, met inbegrip van die van de aanhangwagens, van 2,4 tot 3,5 ton die worden ingezet voor wegvervoersactiviteiten. Op basis van dit verslag beoordeelt de Commissie of het nodig is aanvullende maatregelen voor te stellen.
Amendement 162
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 5
5.  Elk jaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de verzoeken die zij hebben ontvangen uit hoofde van artikel 18, leden 3 en 4, van de antwoorden die zij van andere lidstaten hebben ontvangen en van de maatregelen die zij op basis van de verstrekte informatie hebben genomen.";
5.  Elk jaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de verzoeken die zij hebben ontvangen uit hoofde van artikel 18, van de antwoorden die zij van andere lidstaten hebben ontvangen en van de maatregelen die zij op basis van de verstrekte informatie hebben genomen.";
Amendement 163
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 16 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1071/2009
Artikel 26 – lid 5 bis (nieuw)
16 bis)  het volgende lid 5 bis wordt ingevoegd:
"5 bis. Op basis van de informatie die zij krachtens lid 5 heeft verzameld en verder bewijsmateriaal dient de Commissie uiterlijk op 31 december 2020 een gedetailleerd verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de mate van administratieve samenwerking tussen de lidstaten, mogelijke tekortkomingen in dit opzicht en mogelijke manieren om de samenwerking te verbeteren. Op basis van dit verslag beoordeelt de Commissie of het noodzakelijk is om aanvullende maatregelen voor te stellen.".
Amendement 164
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 1 – lid 1 – alinea 1 ter (nieuw)
1 bis)  aan artikel 1, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:
"De in artikel 8, leden 2 en 2 bis, van deze verordening genoemde termijnen zijn ook van toepassing op het aan- of uitrijden van goederen over de weg als eerste binnenlandse en/of laatste binnenlandse gedeelte van het traject van gecombineerd vervoer als vastgelegd in Richtlijn 92/106/EEG van de Raad."
Amendement 165
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 1 – lid 2
(1 ter)  Artikel 1, lid 2, wordt vervangen door:
2.  In geval van vervoer vanuit een lidstaat naar een derde land en omgekeerd is deze verordening van toepassing op het traject op het grondgebied van iedere lidstaat van doorvoer. Zij is niet van toepassing op het traject over het grondgebied van de lidstaat waar de goederen worden geladen of gelost, zolang niet de noodzakelijke overeenkomst tussen de Gemeenschap en het betrokken derde land is gesloten.
"2. In geval van vervoer vanuit een lidstaat naar een derde land en omgekeerd is deze verordening van toepassing op het traject op het grondgebied van iedere lidstaat van doorvoer. Dit doorvoertraject is echter uitgesloten van het toepassingsgebied van de richtlijn terbeschikkingstelling werknemers. Zij is niet van toepassing op het traject over het grondgebied van de lidstaat waar de goederen worden geladen of gelost, zolang niet de noodzakelijke overeenkomst tussen de Gemeenschap en het betrokken derde land is gesloten."
Amendement 166
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 1 quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 1 – lid 5 – letter c
(1 quater)  Lid 5, onder c), wordt vervangen door:
(c)  goederenvervoer met motorvoertuigen waarvan de toegestane massa in beladen toestand, met inbegrip van die van de aanhangwagen(s), niet meer dan 3,5 t bedraagt;
(c)  goederenvervoer met motorvoertuigen waarvan de toegestane massa in beladen toestand, met inbegrip van die van de aanhangwagen(s), minder dan 2,4 ton bedraagt;
Amendement 167
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 2 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 2 – punt 7 bis (nieuw)
(a bis)  Het volgende punt wordt toegevoegd:
7 bis.  "doorvoer": de verplaatsingen van een geladen voertuig via één of meer lidstaten of derde landen, waarvan het punt van vertrek en het punt van aankomst zich niet in die lidstaten of derde landen bevinden.
Amendement 168
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 3 – letter -a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 4 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
(-a)  In lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
"(b bis) internationaal vervoer verrichten met voertuigen die zijn uitgerust met een slimme tachograaf als bedoeld in artikel 3 en hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad1 bis."
__________________
1 bis Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1).
Amendement 169
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 8 – lid 2
2.  Zodra de goederen die worden vervoerd in het kader van inkomend internationaal vervoer uit een andere lidstaat of uit een derde land zijn geleverd, mogen de in lid 1 bedoelde vervoerders met hetzelfde voertuig of, in het geval van een samenstel van voertuigen, met de trekker van hetzelfde voertuig cabotageritten in de ontvangende lidstaat of in aangrenzende lidstaten uitvoeren. De laatste lossing in het kader van een cabotagerit vindt plaats binnen 5 dagen na de laatste lossing in de ontvangende lidstaat in het kader van het inkomend internationaal vervoer.
2.  Zodra de goederen die worden vervoerd in het kader van inkomend internationaal vervoer uit een andere lidstaat of uit een derde land zijn geleverd, mogen de in lid 1 bedoelde vervoerders met hetzelfde voertuig of, in het geval van een samenstel van voertuigen, met de trekker van hetzelfde voertuig cabotageritten in de ontvangende lidstaat uitvoeren. De laatste lossing in het kader van een cabotagerit vindt plaats binnen dagen na de laatste lossing in de ontvangende lidstaat in het kader van het inkomend internationaal vervoer, met inachtneming van de toepasselijke vervoersovereenkomst;
Amendement 170
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 8 – lid 2 bis (nieuw)
a bis)  Het volgende lid wordt ingevoegd:
"2 bis. Na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn van drie dagen is het vervoerders niet toegestaan om binnen 60 uur na de terugkeer naar de lidstaat van vestiging van de vervoerder of totdat zij nieuw internationaal vervoer hebben verricht vanuit de lidstaat waar de onderneming is gevestigd, met hetzelfde voertuig of, in het geval van een samenstel van voertuigen, met het motorvoertuig van dat samenstel, cabotageritten te verrichten in dezelfde lidstaat van ontvangst."
Amendement 171
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 – letter c
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 8 – lid 4 bis
4 bis.  De in lid 3 bedoelde bewijzen worden op verzoek voorgelegd aan of verzonden naar de gemachtigde inspecteur van de ontvangen lidstaat, binnen de duur van de controle langs de weg. De bewijzen mogen elektronisch worden verzonden, met gebruik van een wijzigbaar gestructureerd formaat dat rechtstreeks gebruikt kan worden voor opslag en verwerking door computers, zoals eCMR*. Tijdens de controle langs de weg mag de bestuurder contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit die de in lid 3 bedoelde bewijzen kan verstrekken.
4 bis.  De in lid 3 bedoelde bewijzen worden op verzoek voorgelegd aan of verzonden naar de gemachtigde inspecteur van de ontvangen lidstaat, binnen de duur van de controle langs de weg. De lidstaten accepteren bewijzen die elektronisch worden verzonden, met gebruik van een wijzigbaar gestructureerd formaat dat rechtstreeks gebruikt kan worden voor opslag en verwerking door computers, zoals een elektronische vrachtbrief in het kader van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (eCMR). Tijdens de controle langs de weg mag de bestuurder contact opnemen met het hoofdkantoor, de vervoersmanager of een andere persoon of entiteit die de in lid 3 bedoelde bewijzen kan verstrekken.
Amendement 172
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 9 – lid 1 – letter e bis (nieuw)
(5 bis)  Aan artikel 9, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
"e bis) de bezoldiging en betaalde vakantiedagen als bedoeld in artikel 3, lid 1, eerste alinea, onder b) en c), van Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
__________________
1 bis Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1)."
Amendement 173
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – titel
Controles
Slimme handhaving
Amendement 174
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – lid 1
1.  Elke lidstaat organiseert de controles op zodanige wijze dat, vanaf 1 januari 2020, in elk kalenderjaar ten minste 2 % van alle cabotageritten op zijn grondgebied worden gecontroleerd. Vanaf 1 januari 2022 verhogen zij dit percentage tot minstens 3 %. De basis voor de berekening van dat percentage wordt gevormd door de totale cabotageactiviteit in de lidstaat, uitgedrukt in tonkilometers in jaar t-2, zoals gerapporteerd door Eurostat.
1.  Om de verplichtingen op grond van dit hoofdstuk verder te handhaven, zorgen de lidstaten ervoor dat er op hun grondgebied een samenhangende nationale handhavingsstrategie wordt toegepast. Deze strategie is vooral gericht op ondernemingen met een hoge risicocategorie als bedoeld in artikel 9 van Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad1 bis.
__________________
1 bis Richtlijn 2006/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 inzake minimumvoorwaarden voor de uitvoering van de Verordeningen (EEG) nr. 3820/85 en (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PB L 102 van 11.4.2006, blz. 35).
Amendement 175
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – lid 1 bis (nieuw)
1 bis.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat de controles als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2006/22/EG in voorkomend geval ook een controle op cabotageritten omvatten.
Amendement 176
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – lid 2 bis (nieuw)
2 bis.  Voor de toepassing van lid 2 hebben de lidstaten toegang tot relevante informatie en gegevens die zijn geregistreerd, verwerkt of opgeslagen door de in hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 165/2014 bedoelde slimme tachograaf en in elektronische vervoersdocumenten, zoals elektronische vrachtbrieven in het kader van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (eCMR).
Amendement 177
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – lid 2 ter (nieuw)
2 ter.  De lidstaten verlenen alleen bevoegde autoriteiten die bevoegd zijn om inbreuken op de in deze verordening genoemde rechtshandelingen te controleren, toegang tot deze gegevens. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de contactgegevens van alle bevoegde autoriteiten op hun grondgebied die zij hebben aangewezen om toegang te krijgen tot die gegevens. Uiterlijk [XXX] stelt de Commissie een lijst van alle bevoegde autoriteiten op en zendt zij deze toe aan de lidstaten. De lidstaten melden eventuele latere wijzigingen in de lijst onverwijld.
Amendement 178
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – lid 2 quater (nieuw)
2 quater.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 14 ter gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de kenmerken van de gegevens waartoe de lidstaten toegang hebben, de voorwaarden voor het gebruik ervan en de technische specificaties voor de doorgifte ervan of voor de toegang ertoe, en met name:
a)  een gedetailleerde lijst van informatie en gegevens waartoe de nationale bevoegde autoriteiten toegang hebben, die ten minste de tijd en plaats van grensoverschrijdingen, laad- en losverrichtingen, de kentekenplaat van het voertuig en de bestuurdersgegevens omvat;
b)  de toegangsrechten van de bevoegde autoriteiten, zo nodig gedifferentieerd naar het soort bevoegde autoriteiten, het soort toegang en het doel waarvoor de gegevens worden gebruikt;
c)  de technische specificaties voor de doorgifte van of de toegang tot de onder a) bedoelde gegevens, in voorkomend geval met inbegrip van de maximale duur van bewaring van de gegevens, zo nodig gedifferentieerd naar het soort gegevens.
Amendement 179
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – lid 2 quinquies (nieuw)
2 quinquies.  Persoonsgegevens als bedoeld in dit artikel worden niet langer ingezien of opgeslagen dan strikt noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of waarvoor zij verder worden verwerkt. Persoonsgegevens die niet meer nodig zijn voor deze doeleinden worden vernietigd.
Amendement 180
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 7
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 10 bis – lid 3
3.  Minstens drie keer per jaar verrichten de lidstaten gezamenlijke controles van cabotagevervoer langs de weg. Dergelijke controles worden tegelijk uitgevoerd door de voor de handhaving van de regels op het gebied van wegvervoer bevoegde nationale autoriteiten van twee of meer lidstaten, elk op hun eigen grondgebied. De nationale contactpunten die overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad**** zijn aangewezen, wisselen informatie uit over het aantal en het type overtredingen dat is vastgesteld nadat de gezamenlijke controles langs de weg zijn uitgevoerd.
3.  Minstens drie keer per jaar verrichten de lidstaten gezamenlijke controles van cabotagevervoer langs de weg, die kunnen samenvallen met de controles die worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2006/22/EG. Dergelijke controles worden tegelijk uitgevoerd door de voor de handhaving van de regels op het gebied van wegvervoer bevoegde nationale autoriteiten van twee of meer lidstaten, elk op hun eigen grondgebied. De lidstaten wisselen informatie uit over het aantal en het type overtredingen dat is vastgesteld nadat de gezamenlijke controles langs de weg zijn uitgevoerd.
Amendement 181
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 8
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 14 bis – alinea 1
De lidstaten voorzien in sancties tegen verzenders, expediteurs, contractanten en subcontractanten wegens niet-naleving van de hoofdstukken II en III, als deze bewust opdracht geven voor vervoersdiensten die in strijd zijn met deze verordening.
De lidstaten voorzien in doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties tegen verzenders, expediteurs, contractanten en subcontractanten wegens niet-naleving van de hoofdstukken II en III, als deze weten of redelijkerwijze moeten weten dat de vervoersdiensten waartoe zij opdracht geven, in strijd zijn met deze verordening.
Wanneer verzenders, expediteurs, contractanten en subcontractanten vervoersdiensten laten verrichten door vervoersondernemingen met een laag risicocijfer als bedoeld in artikel 9 van Richtlijn 2006/22/EG, zijn zij niet onderworpen aan sancties voor inbreuken, tenzij wordt aangetoond dat zij daadwerkelijk van die inbreuken op de hoogte waren.
Amendement 182
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 17 – lid 3
3.  Uiterlijk op 31 januari van elk jaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van het aantal cabotagecontroles dat in het voorgaande kalenderjaar is uitgevoerd overeenkomstig artikel 10 bis. Deze informatie omvat het aantal gecontroleerde voertuigen en het aantal gecontroleerde tonkilometers.
3.  Uiterlijk … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] leggen de lidstaten hun overeenkomstig artikel 10 bis vastgestelde nationale handhavingsstrategie voor aan de Commissie. Uiterlijk op 31 januari van elk jaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de handhavingsactiviteiten die in het voorgaande kalenderjaar zijn uitgevoerd overeenkomstig artikel 10 bis, met inbegrip van het aantal verrichte controles, voor zover van toepassing. Deze informatie omvat het aantal gecontroleerde voertuigen en het aantal gecontroleerde tonkilometers.
Amendement 183
Voorstel voor een verordening
Artikel 2 – alinea 1 – punt 10
Verordening (EG) nr. 1072/2009
Artikel 17 – lid 3 bis (nieuw)
3 bis.  De Commissie stelt uiterlijk eind 2022 een verslag op over de stand van de communautaire markt voor vervoer over de weg. Dit verslag bevat een analyse van de marktsituatie, met inbegrip van een evaluatie van de doeltreffendheid van de controles en de ontwikkeling van de in het beroep geldende arbeidsvoorwaarden.

(1) PB C 197 van 8.6.2018, blz. 38.
(2) PB C 176 van 23.5.2018, blz. 57.


Gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas ***I
PDF 202kWORD 59k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/73/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (COM(2017)0660 – C8-0394/2017 – 2017/0294(COD))
P8_TA-PROV(2019)0342A8-0143/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0660),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 194, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0394/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Franse Senaat, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 april 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 16 mei 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie (A8-0143/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/73/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas

P8_TC1-COD(2017)0294


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 194, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De interne markt voor aardgas, die sinds 1999 overal in de Unie geleidelijk is ingevoerd, beoogt te zorgen voor echte keuzevrijheid voor alle eindafnemers in de Unie, zowel particulieren als ondernemingen, voor nieuwe zakelijke kansen, voor eerlijke concurrentievoorwaarden, voor concurrerende tarieven, voor efficiënte investeringssignalen en voor een betere dienst­verlening, en bij te dragen tot leverings- en voorzieningszekerheid en tot duurzaamheid.

(2)  Richtlijnen 2003/55/EG(6) en 2009/73/EG(7) van het Europees Parlement en de Raad hebben aanzienlijk bijgedragen tot de totstandbrenging van de interne markt voor aardgas.

(3)  Deze richtlijn heeft tot doel ▌ obstakels voor de voltooiing van de interne markt voor aardgas, die het gevolg zijn van de niet-toepassing van de marktregels van de Unie op gastransmissieleidingen van en naar derde landen, weg te nemen. De bij deze richtlijn ingevoerde wijzigingen beogen ervoor te zorgen dat de regels die gelden voor gastransmissieleidingen tussen twee of meer lidstaten, binnen de Unie ook gelden voor gastransmissieleidingen van en naar derde landen. Dit zal zorgen voor de samenhang van het rechtskader binnen de Unie, terwijl concurrentieverstoringen op de interne energiemarkt van de Unie en negatieve effecten op de leverings- en voorzieningszekerheid worden voorkomen. Dit zal ook meer transparantie en rechtszekerheid bieden aan marktdeelnemers, in het bijzonder aan investeerders in gasinfrastructuur en systeemgebruikers, met betrekking tot de toepasselijke wettelijke regeling.

(4)  Om rekening te houden met het gebrek aan specifieke Unieregels die van toepassing zijn op gastransmissieleidingen van en naar derde landen vóór de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om afwijkingen van sommige bepalingen van Richtlijn 2009/73/EG toe te staan voor gastransmissieleidingen die voor de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn reeds voltooid zijn. De datum voor de toepassing van andere ontvlechtingsmodellen dan ontvlechting van de eigendom moet worden aangepast voor gastransmissieleidingen van en naar derde landen.

(5)  Pijpleidingen die een olie- of gasproductieproject van een derde land verbinden met een verwerkingsinstallatie of met een aanlandingsterminal binnen een lidstaat, dienen als upstreampijpleidingnetten te worden beschouwd. Pijpleidingen die een olie- of gasproductie­project in een lidstaat verbinden met een verwerkingsinstallatie of met een aanlandings­terminal binnen een derde land, dienen voor de toepassing van deze richtlijn niet als upstreampijpleidingnetten te worden beschouwd, aangezien zulke pijpleidingen normaliter geen groot effect hebben op de interne energiemarkt.

(6)  Transmissiesysteembeheerders dienen de vrijheid te hebben technische overeenkomsten met transmissiesysteembeheerders of andere entiteiten in derde landen te sluiten over kwesties in verband met de exploitatie en de interconnectie van transmissiesystemen, mits de inhoud van die overeenkomsten verenigbaar is met het Unierecht.

(7)   Bestaande technische overeenkomsten tussen transmissiesysteembeheerders of andere entiteiten over de exploitatie van transmissieleidingen dienen van kracht te blijven, mits zij stroken met het Unierecht en de relevante besluiten van de nationale regulerende instantie.

(8)   Indien dergelijke technische overeenkomsten bestaan, is het krachtens deze richtlijn niet noodzakelijk dat een internationale overeenkomst tussen een lidstaat en een derde land of een overeenkomst tussen de Unie en een derde land wordt gesloten met betrekking tot de exploitatie van de betrokken gastransmissieleiding.

(9)  De toepasselijkheid van Richtlijn 2009/73/EG op gastransmissieleidingen van en naar derde landen blijft beperkt tot het grondgebied van de lidstaten. Wat offshore­gastransmissieleidingen betreft, dient Richtlijn 2009/73/EG van toepassing te zijn in de territoriale wateren van de lidstaat waar zich het eerste interconnectiepunt met het net van de lidstaten bevindt.

(10)   Bestaande overeenkomsten tussen een lidstaat en een derde land over de exploitatie van transmissieleidingen moeten van kracht kunnen blijven, overeenkomstig deze richtlijn.

(11)  Wat overeenkomsten of gedeelten van overeenkomsten met derde landen betreft die gevolgen kunnen hebben voor de gemeenschappelijke regels van de Unie, moet een coherente en transparante procedure worden ingesteld waarbij een lidstaat op eigen verzoek kan worden gemachtigd tot wijziging, verlenging, aanpassing, vernieuwing of sluiting van een overeenkomst met een derde land over de exploitatie van een transmissieleiding of een upstreampijpleidingnet tussen de lidstaat en een derde land. De procedure mag de uitvoering van deze richtlijn niet vertragen, dient de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten onverlet te laten, en dient van toepassing te zijn op zowel bestaande als nieuwe overeenkomsten.

(12)   Indien duidelijk is dat het voorwerp van een overeenkomst deels een bevoegdheid van de Unie is en deels van een lidstaat, is het van wezenlijk belang dat er nauwe samenwerking is tussen die lidstaat en de instellingen van de Unie.

(13)   Verordening (EU) 2015/703 van de Commissie(8), Verordening (EU) 2017/459 van de Commissie(9), Besluit 2012/490/EU van de Commissie(10), alsook de hoofdstukken III, V, VI en IX en artikel 28 van Verordening (EU) 2017/460 van de Commissie(11) zijn van toepassing op entrypunten van en exitpunten naar derde landen, met inachtneming van de relevante besluiten van de desbetreffende nationale regulerende instantie, terwijl Verordening (EU) nr. 312/2014 van de Commissie(12) uitsluitend van toepassing is op balanceringszones binnen de grenzen van de Unie.

(14)   Teneinde besluiten te nemen om lidstaten te machtigen een overeenkomst met een derde land te wijzigen, te verlengen, aan te passen, te vernieuwen of te sluiten, of besluiten om die machtiging te weigeren, moeten aan de Commissie uitvoerings­bevoegdheden worden overgedragen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(13).

(15)   Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk zorgen voor samenhang van het rechtskader binnen de Unie terwijl concurrentieverstoringen in de interne energiemarkt van de Unie worden vermeden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(16)   Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(14) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om, indien gerechtvaardigd, de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(17)  Richtlijn 2009/73/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2009/73/EG

Richtlijn 2009/73/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 2 wordt punt 17 vervangen door:"

"17. "interconnector": transmissieleiding die een grens tussen lidstaten overschrijdt of overspant met de bedoeling de nationale transmissiesystemen van die lidstaten aan elkaar te koppelen, of een transmissieleiding tussen een lidstaat en een derde land tot aan het grondgebied van de lidstaten of tot aan de territoriale wateren van die lidstaat;";

"

2)  artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:"

"8. Indien het transmissiesysteem op 3 september 2009 toebehoorde aan een verticaal geïntegreerd bedrijf, kan een lidstaat besluiten lid 1 niet toe te passen. Wat betreft het gedeelte van het transmissiesysteem dat een lidstaat met een derde land verbindt tussen de grens van die lidstaat en het eerste connectiepunt met het net van die lidstaat, indien het transmissiesysteem op … [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] toebehoort aan een verticaal geïntegreerd bedrijf, kan een lidstaat besluiten lid 1 niet toe te passen.";

"

b)  lid 9 wordt vervangen door:"

"9. Indien het transmissiesysteem op 3 september 2009 toebehoorde aan een verticaal geïntegreerd bedrijf en er regelingen van kracht zijn die een effectievere onafhankelijkheid van de transmissiesysteembeheerder waarborgen dan de bepalingen van hoofdstuk IV, kan een lidstaat besluiten lid 1 van dit artikel niet toe te passen.

Wat betreft het gedeelte van het transmissiesysteem dat een lidstaat met een derde land verbindt tussen de grens van die lidstaat en het eerste connectiepunt met het net van die lidstaat, indien het transmissiesysteem op … [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] toebehoort aan een verticaal geïntegreerd bedrijf en er regelingen van kracht zijn die een effectievere onafhankelijkheid van de transmissiesysteembeheerder waarborgen dan de bepalingen van hoofdstuk IV, kan die lidstaat besluiten lid 1 van dit artikel niet toe te passen.";

"

3)  in artikel 14 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. Indien het transmissiesysteem op 3 september 2009 toebehoorde aan een verticaal geïntegreerd bedrijf, kan een lidstaat besluiten artikel 9, lid 1, niet toe te passen en op voorstel van de eigenaar van het transmissiesysteem een onafhankelijke systeembeheerder aan te wijzen.

Wat betreft het gedeelte van het transmissiesysteem dat een lidstaat met een derde land verbindt tussen de grens van die lidstaat en het eerste connectiepunt met het net van die lidstaat, indien het transmissiesysteem op … [de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] toebehoort aan een verticaal geïntegreerd bedrijf, kan die lidstaat besluiten artikel 9, lid 1, niet toe te passen en op voorstel van de eigenaar van het transmissiesysteem een onafhankelijke systeembeheerder aan te wijzen.

De aanwijzing van een onafhankelijke systeembeheerder moet door de Commissie worden goedgekeurd.";

"

4)  in artikel 34, wordt lid 4 vervangen door:"

"4. In geval van een grensoverschrijdend geschil wordt de regeling voor geschillenbeslechting toegepast van de lidstaat die rechtsmacht heeft over het upstream­pijpleidingnet waartoe de toegang wordt geweigerd. Wanneer bij grensoverschrijdende geschillen meer dan één lidstaat bevoegd is voor het betrokken net, plegen de betrokken lidstaten overleg met elkaar om ervoor te zorgen dat de bepalingen van deze richtlijn consequent worden toegepast. Indien het upstream­pijpleidingnet begint in een derde land en ten minste met één lidstaat ▌ verbonden is, overleggen de betrokken lidstaten met elkaar, en raadpleegt de lidstaat waar zich het eerste connectiepunt met het net van de lidstaten bevindt, het ▌ betrokken derde land waar het upstreampijpleidingnet begint, teneinde ervoor te zorgen dat, wat het betrokken net betreft, deze richtlijn consequent wordt toegepast op het grondgebied van de lidstaten.";

"

5)  artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt punt e) vervangen door:"

"e) de ontheffing gaat niet ten koste van de mededinging op de relevante markten waarop de investering waarschijnlijk een effect zal hebben, van het efficiënte functioneren van de interne markt voor aardgas, van het efficiënte functioneren van de betrokken gereguleerde systemen of van de leverings- en voorzieningszekerheid inzake aardgas in de Unie.";

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. De in hoofdstuk VIII bedoelde regulerende instantie kan per geval een besluit nemen over de in de leden 1 en 2 bedoelde ontheffing.

Voordat een besluit over de ontheffing wordt genomen, gaat de nationale regulerende instantie, of in voorkomend geval een andere bevoegde instantie van die lidstaat, over tot raadpleging van:

   a) de nationale regulerende instanties van de lidstaten wier markten waarschijnlijk een effect zullen ondervinden van de nieuwe infrastructuur; en
   b) de nationale regulerende instanties van de derde landen wier betrokken infrastructuur verbonden is met het Unienet dat onder het rechtsgebied van een lidstaat valt en begint of eindigt in één of meer derde landen.

Indien de geraadpleegde autoriteiten van de derde landen niet binnen een redelijke of vastgelegde termijn van ten hoogste drie maanden reageren, kan de betrokken nationale regulerende instantie het vereiste besluit nemen.";

"

c)  in lid 4 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Indien alle betrokken regulerende instanties binnen zes maanden vanaf de datum waarop de laatste regulerende instantie het verzoek om ontheffing heeft ontvangen, overeenstemming hebben bereikt over dit verzoek, stellen zij het Agentschap op de hoogte van hun besluit. Indien de betrokken infrastructuur een transmissieleiding is tussen een lidstaat en een derde land, alvorens een besluit over de ontheffing te nemen, kan de nationale regulerende instantie, of in voorkomend geval een andere bevoegde autoriteit van de lidstaat waar zich het eerste interconnectiepunt met het net van de lidstaten bevindt, de relevante bevoegde autoriteit van dat derde land raadplegen, teneinde ervoor te zorgen dat, wat de betrokken infrastructuur betreft, deze richtlijn consequent wordt toegepast op het grondgebied en, in voorkomend geval, in de territoriale wateren van die lidstaat. Indien de geraadpleegde autoriteit van het derde land niet binnen een redelijke of vastgelegde termijn van ten hoogste drie maanden reageert, kan de betrokken nationale regulerende instantie het vereiste besluit nemen.";

"

6)  in artikel 41, lid 1, wordt punt c) vervangen door:"

"c) samenwerken in verband met grensoverschrijdende kwesties met de regulerende instantie of instanties van de betrokken lidstaten en met het Agentschap. Met betrekking tot de infrastructuur van en naar een derde land kan de regulerende instantie van de lidstaat waar zich het eerste interconnectiepunt met het net van de lidstaten bevindt, samenwerken met de bevoegde autoriteiten van het derde land, na overleg met de regulerende instanties van de andere betrokken lidstaten, teneinde, wat deze infrastructuur betreft, deze richtlijn consequent toe te passen op het grondgebied van de lidstaten;";

"

7)  aan artikel 42 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"6. Regulerende instanties, of in voorkomend geval andere bevoegde autoriteiten, kunnen overleg plegen en samenwerken met de betrokken autoriteiten van derde landen wat de exploitatie van de gasinfrastructuur van en naar derde landen betreft, om ervoor te zorgen dat deze richtlijn met betrekking tot de betrokken infrastructuur consequent worden toegepast op het grondgebied en in de territoriale wateren van een lidstaat.";

"

8)   het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 48 bis

Technische overeenkomsten over de exploitatie van transmissieleidingen

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de vrijheid van transmissiesysteembeheerders of andere marktdeelnemers om technische overeenkomsten over kwesties in verband met de exploitatie van transmissieleidingen tussen een lidstaat en een derde land van kracht te laten blijven of te sluiten, voor zover die overeenkomsten verenigbaar zijn met het Unierecht en met desbetreffende besluiten van de nationale regulerende instanties van de betrokken lidstaten. Van dergelijke overeenkomsten wordt kennis gegeven aan de regulerende instanties van de betrokken lidstaten.";

"

9)   de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 49 bis

Afwijkingen met betrekking tot transmissieleidingen van en naar derde landen

1.  Wat gastransmissieleidingen tussen een lidstaat en een derde land betreft die vóór…[de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] voltooid zijn, kan de lidstaat waar zich het eerste connectiepunt van die transmissieleiding met het net van de lidstaat bevindt, ertoe besluiten af te wijken van de artikelen 9, 10, 11 en 32 en artikel 41, leden 6, 8 en 10, voor de gedeelten van de gastransmissieleiding die zich op zijn grond­gebied en in zijn territoriale wateren bevinden, indien daarvoor objectieve redenen bestaan zoals de mogelijkheid om de gedane investering terug te verdienen of de behoefte aan leverings- en voorzieningszekerheid, mits de afwijking niet ten koste gaat van de mededinging, van het efficiënte functioneren van de interne markt voor aardgas of van de leverings- en voorzieningszekerheid in de Unie.

De afwijking is in de tijd beperkt tot maximaal 20 jaar op basis van een objectieve rechtvaardiging, kan, mits gerechtvaardigd, worden verlengd, en kan aan voorwaarden onderworpen zijn die bijdragen tot de verwezenlijking van de hierboven vermelde eisen.

Dergelijke afwijkingen zijn niet van toepassing op transmissieleidingen tussen een lidstaat en een derde land dat ertoe gehouden is deze richtlijn om te zetten en deze effectief in zijn rechtsorde ten uitvoer legt overeenkomstig een met de Unie gesloten overeenkomst.

2.  Indien de betrokken transmissieleiding zich op het grondgebied van meer dan één lidstaat bevindt, besluit de lidstaat op wiens grondgebied zich het eerste connectie­punt met het net van de lidstaten bevindt, na overleg met alle betrokken lidstaten, of hij een afwijking voor die transmissieleiding verleent.

Op verzoek van de betrokken lidstaten kan de Commissie besluiten om als waarnemer te fungeren in het overleg tussen de lidstaat op wiens grondgebied zich het eerste connectiepunt bevindt en het derde land met betrekking tot de consequente toepassing van deze richtlijn op het grondgebied en in de territoriale wateren van de lidstaat waar het eerste interconnectiepunt zich bevindt, ook met betrekking tot het verlenen van afwijkingen voor zulke transmissielijnen.

3.  Besluiten op grond van de leden 1 en 2 worden uiterlijk op … [een jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] genomen. De lidstaten stellen de Commissie van dergelijke besluiten in kennis en maken deze bekend.

Artikel 49 ter

Machtigingsprocedure

1.   Onverminderd andere Unierechtelijke verplichtingen en de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten kunnen bestaande overeenkomsten tussen een lidstaat en een derde land over de exploitatie van een gastransmissie­leiding of een upstreampijpleidingnet van kracht blijven tot de inwerkingtreding van een latere overeenkomst tussen de Unie en het betrokken derde land of totdat de procedure uit hoofde van de leden 2 tot en met 15 van dit artikel van kracht wordt.

2.   Onverminderd de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten stelt een lidstaat die voornemens is onderhandelingen met een derde land aan te knopen teneinde een overeenkomst over de exploitatie van een transmissieleiding met dit land te wijzigen, te verlengen, aan te passen, te vernieuwen of te sluiten betreffende zaken die geheel of gedeeltelijk onder deze richtlijn vallen, de Commissie schriftelijk van dat voornemen in kennis.

Een dergelijke kennisgeving gaat vergezeld van de relevante ondersteunende stukken en van een opgave van de bepalingen waarover zal worden onderhandeld of heronderhandeld, de onderhandelingsdoelen en alle andere relevante informatie, en wordt ten minste vijf maanden voor de beoogde start van de onderhandelingen aan de Commissie toegezonden.

3.   Na een kennisgeving op grond van lid 2 machtigt de Commissie de betrokken lidstaat om formele onderhandelingen met een derde land aan te knopen voor wat betreft het gedeelte dat van invloed kan zijn op de gemeenschappelijke regels van de Unie, tenzij zij oordeelt dat het aanknopen van die onderhandelingen:

   a) in strijd zou zijn met het Unierecht op een andere grond dan een onverenigbaarheid die voortvloeit uit de bevoegdheidsverdeling tussen de Unie en de lidstaten;
   b) schadelijk zou zijn voor het functioneren van de interne markt voor aardgas, het concurrentievermogen of de leverings- en voorzieningszekerheid in een lidstaat of in de Unie;
   c) afbreuk zou doen aan de doelstellingen van lopende onderhandelingen of intergouvernementele overeenkomsten tussen de Unie en een derde land;
   d) discriminerend zou zijn.

4.   Bij het verrichten van de beoordeling uit hoofde van lid 3 houdt de Commissie rekening met de vraag of de beoogde overeenkomst betrekking heeft op een transmissieleiding of upstreampijpleiding die met nieuwe aardgasbronnen bijdraagt tot de diversificatie van de aardgastoevoer en -leveranciers.

5.   Binnen 90 dagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde kennisgeving stelt de Commissie een besluit vast waarbij een lidstaat wordt gemachtigd, of waarbij een lidstaat wordt geweigerd, om onderhandelingen aan te knopen teneinde een overeenkomst met een derde land te wijzigen, te verlengen, aan te passen, te vernieuwen of te sluiten. Als aanvullende informatie vereist is voor de vaststelling van een besluit, gaat de termijn van 90 dagen in op de datum waarop die aanvullende informatie is ontvangen.

6.   Ingeval de Commissie een besluit vaststelt waarbij een lidstaat wordt geweigerd om onderhandelingen aan te knopen teneinde een overeenkomst met een derde land te wijzigen, te verlengen, aan te passen, te vernieuwen of te sluiten, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis en geeft zij een motivering hiervoor.

7.   Besluiten waarbij een lidstaat wordt gemachtigd, of waarbij een lidstaat wordt geweigerd, om onderhandelingen aan te knopen teneinde een overeenkomst met een derde land te wijzigen, te verlengen, aan te passen, te vernieuwen of te sluiten, worden door middel van uitvoeringshandelingen volgens de in artikel 51, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

8.   De Commissie kan richtsnoeren beschikbaar stellen en kan verzoeken om in de beoogde overeenkomst bepaalde clausules op te nemen om ervoor te zorgen dat de overeenkomst verenigbaar is met het Unierecht, overeenkomstig Besluit (EU) 2017/684 van het Europees Parlement en de Raad*.

9.   De Commissie wordt in de verschillende stadia op de hoogte gehouden van de voortgang en de resultaten van de onderhandelingen tot wijziging, verlenging, aanpassing, vernieuwing of sluiting van een overeenkomst, en kan overeenkomstig Besluit (EU) 2017/684 verzoeken aan de onderhandelingen tussen de lidstaat en het derde land deel te nemen.

10.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van de op grond van lid 5 vastgestelde besluiten.

11.   Alvorens een overeenkomst met een derde land te ondertekenen, stelt de betrokken lidstaat de Commissie in kennis van het resultaat van de onderhandelingen en zendt hij de Commissie de tekst van de onderhandelde overeenkomst toe.

12.   Na ontvangst van de kennisgeving op grond van lid 11, beoordeelt de Commissie de door onderhandelingen tot stand gekomen overeenkomst op grond van lid 3. Wanneer de Commissie oordeelt dat de onderhandelingen hebben geleid tot een overeenkomst die voldoet aan lid 3, machtigt zij de lidstaat de overeenkomst te ondertekenen en te sluiten.

13.   Binnen 90 dagen na ontvangst van de in lid 11 bedoelde kennisgeving neemt de Commissie een besluit waarbij een lidstaat wordt gemachtigd, of waarbij een lidstaat wordt geweigerd, om een overeenkomst met een derde land te ondertekenen en te sluiten. Als aanvullende informatie vereist is voor de vaststelling van een besluit, gaat de termijn van 90 dagen in op de datum waarop die aanvullende informatie is ontvangen.

14.   Indien de Commissie op grond van lid 13 een besluit neemt waarbij een lidstaat wordt gemachtigd om een overeenkomst met een derde land te ondertekenen en te sluiten, stelt de betrokken lidstaat de Commissie in kennis van de sluiting en inwerkingtreding van de overeenkomst, alsook van alle toekomstige wijzigingen in de status van die overeenkomst.

15.   Indien de Commissie op grond van lid 13 een besluit neemt waarbij een lidstaat wordt geweigerd om een overeenkomst met een derde land te ondertekenen en te sluiten, stelt zij de betrokken lidstaat daarvan in kennis en geeft zij een motivering hiervoor.

________________

* Besluit (EU) 2017/684 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2017 tot instelling van een mechanisme voor informatie-uitwisseling met betrekking tot intergouvernementele overeenkomsten en niet-bindende instrumenten tussen lidstaten en derde landen op energiegebied, en tot intrekking van Besluit nr. 994/2012/EU (PB L 99 van 12.4.2017, blz. 1).".

"

Artikel 2

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … [negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] aan deze richtlijn te voldoen, onder voorbehoud van eventuele afwijkingen op grond van artikel 49 bis van Richtlijn 2009/73/EG. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

In afwijking van de eerste alinea zijn door land ingesloten lidstaten die geen geografische grenzen en geen transmissieleidingen met derde landen hebben er niet toe gehouden maatregelen in werking te doen treden die noodzakelijk zijn om aan deze richtlijn te voldoen.

In afwijking van de eerste alinea zijn Cyprus en Malta er vanwege hun geografische ligging niet toe gehouden maatregelen in werking te doen treden die noodzakelijk zijn om aan deze richtlijn te voldoen zolang zij niet beschikken over infrastructuur die hen met derde landen verbindt, waaronder upstreampijpleidingnetten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 64.
(2) PB C 361 van 5.10.2018, blz. 72.
(3)PB C 262 van 25.7.2018, blz. 64.
(4)PB C 361 van 5.10.2018, blz. 72.
(5)Standpunt van het Europees Parlement van 4 april 2019.
(6)Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (PB L 176 van 15.7.2003, blz. 57).
(7)Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van Richtlijn 2003/55/EG (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 94).
(8)Verordening (EU) 2015/703 van de Commissie van 30 april 2015 tot vaststelling van een netcode inzake interoperabiliteit en gegevensuitwisseling.(PB L 113 van 1.5.2015, blz. 13).
(9)Verordening (EU) 2017/459 van de Commissie van 16 maart 2017 tot vaststelling van een netcode betreffende capaciteitstoewijzingsmechanismen in gastransmissiesystemen en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 984/2013 (PB L 72 van 17.3.2017, blz. 1).
(10)Besluit 2012/490/EU van de Commissie van 24 augustus 2012 tot wijziging van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten (PB L 231 van 28.8.2012, blz. 16).
(11)Verordening (EU) 2017/460 van de Commissie van 16 maart 2017 tot vaststelling van een netcode betreffende geharmoniseerde transmissietariefstructuren voor gas (PB L 72 van 17.3.2017, blz. 29).
(12)Verordening (EU) nr. 312/2014 van de Commissie van 26 maart 2014 tot vaststelling van een netcode inzake gasbalancering van transmissienetten (PB L 91 van 27.3.2014, blz. 15).
(13)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van uitvoerings­bevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(14) PB C 369, 17.12.2011, blz. 14.


Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij ***I
PDF 448kWORD 129k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0390 – C8-0270/2018 – 2018/0210(COD))
P8_TA(2019)0343A8-0176/2019

Deze tekst wordt nog verwerkt voor publicatie in uw taal. U kunt alvast de pdf- of Word-versie bekijken door op het icoontje rechtsboven te klikken.


Meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee ***I
PDF 250kWORD 84k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee (COM(2018)0115 – C8-0104/2018 – 2018/0050(COD))
P8_TA-PROV(2019)0344A8-0005/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0115),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0104/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0005/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  hecht zijn goedkeuring aan de bij deze resolutie als bijlage gevoegde gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad, die samen met de definitieve wetgevingshandeling zal worden bekendgemaakt in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014

P8_TC1-COD(2018)0050


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982, waarbij de Unie partij is, zijn instandhoudingsverplichtingen vastgesteld, onder meer betreffende het behoud of het herstel van populaties van geoogste soorten op een niveau dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren.

(2)  Tijdens de top van de Verenigde Naties inzake duurzame ontwikkeling die in 2015 in New York heeft plaatsgevonden, hebben de Unie en haar lidstaten zich ertoe verbonden om uiterlijk in 2020 het oogsten van vis daadwerkelijk te hebben gereguleerd en een einde te hebben gemaakt aan overbevissing, aan illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij en aan destructieve visserijpraktijken, en wetenschappelijk gefundeerde beheersplannen uit te voeren teneinde de bestanden in zo kort mogelijke tijd te herstellen tot op zijn minst het niveau dat de door hun biologische kenmerken bepaalde MDO kan opleveren.

(3)  Bij de ministeriële verklaring MedFish4Ever van Malta van 30 maart 2017(4) is een nieuw kader vastgesteld voor het beheer van de visserijen in de Middellandse Zee en een werkprogramma met vijf concrete acties voor de komende 10 jaar. Een van de toezeggingen is de vaststelling van meerjarenplannen.

(4)  Bij Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(5) zijn de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) vastgesteld in overeenstemming met de internationale verplichtingen van de Unie. Het GVB moet bijdragen tot de bescherming van het mariene milieu, tot het duurzame beheer van alle commercieel geëxploiteerde soorten en in het bijzonder tot het bereiken, uiterlijk in 2020, van een goede milieutoestand.

(5)  Het GVB heeft onder meer tot doel te garanderen dat visserij- en aquacultuuractiviteiten uit ecologisch, sociaal en economisch oogpunt duurzaam zijn op de lange termijn, en de voorzorgsbenadering en de ecosysteemgerichte benadering toe te passen bij het visserijbeheer. Het GVB draagt ook bij aan een redelijke levensstandaard voor de visserijsector, daaronder begrepen de kleinschalige, de ambachtelijke en de kustvisserij. Het verwezenlijken van die doelstellingen draagt ook bij aan de beschikbaarheid van voedselvoorraden en biedt voordelen op het gebied van de werkgelegenheid.

(6)  Om de GVB-doelstellingen te halen, dienen een aantal instandhoudingsmaatregelen zoals meerjarenplannen, technische maatregelen en de vaststelling en toewijzing van de maximaal toegestane visserijinspanning te worden vastgesteld.

(7)  Op grond van de artikelen 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten meerjarenplannen gebaseerd zijn op wetenschappelijke, technische en economische adviezen. Volgens die bepalingen moet het bij deze verordening vastgestelde meerjarenplan ("het plan") doelstellingen, kwantificeerbare streefdoelen met duidelijke tijdschema's, instandhoudingsreferentiepunten en vrijwaringsmaatregelen bevatten alsook technische maatregelen om ongewenste vangsten te voorkomen en te beperken.

(8)  "Beste beschikbare wetenschappelijke advies" dient te worden begrepen als openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies dat wordt geschraagd door de meest recente wetenschappelijke gegevens en methoden en dat is afgegeven of beoordeeld door een op internationaal of EU-niveau erkend onafhankelijk wetenschappelijk orgaan.

(9)  De Commissie dient het beste beschikbare wetenschappelijke advies in te winnen voor de bestanden die binnen het toepassingsgebied van het plan vallen. Daartoe dient zij met name het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) te raadplegen. De Commissie moet met name openbaar beschikbaar wetenschappelijk advies inwinnen, onder meer betreffende gemengde visserijen, waarbij rekening wordt gehouden met het plan en waarbij FMSY-bandbreedtes en instandhoudingsreferentiepunten (BPA en BLIM) zijn aangegeven.

(10)  Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad(6) stelt een beheerskader voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee in, en legt de vaststelling op van beheersplannen voor de visserij met trawlnetten, bootzegens, landzegens, omsluitingsnetten en dreggen binnen hun territoriale wateren.

(11)  Frankrijk, Italië en Spanje hebben beheersplannen aangenomen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1967/2006. Er is echter onvoldoende samenhang tussen die plannen en er wordt in de plannen niet met al het voor demersale bestanden gebruikt vistuig rekening gehouden, noch met het grensoverschrijdende karakter van bepaalde bestanden en vissersvloten. Daarnaast zijn die plannen ondoeltreffend gebleken voor de verwezenlijking van de GVB-doelstellingen. De lidstaten en belanghebbenden hebben zich uitgesproken voor de opstelling en uitvoering van een beheersplan op Unieniveau voor de betrokken bestanden.

(12)  Het WTECV heeft aangetoond dat het niveau waarop veel demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee worden geëxploiteerd, veel te hoog ligt om de MDO te bereiken.

(13)  Bijgevolg is het wenselijk een meerjarenplan vast te stellen voor de instandhouding en duurzame exploitatie van demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

(14)  Het plan dient rekening te houden met de gemengde aard van de visserijen en met de dynamiek tussen de bestanden die deze visserijen bepalen, d.w.z. heek (Merluccius merluccius), zeebarbeel (Mullus barbatus), roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris), langoustine (Nephrops norvegicus), blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) en rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea). Tevens dient het rekening te houden met in het kader van demersale visserij gevangen bijvangstsoorten en met demersale bestanden waarvoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn. Het plan dient van toepassing te zijn op de demersale visserijen (in het bijzonder met trawlnetten, staande netten, vallen en beugen) in wateren van de Unie of door vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

(15)  Wanneer de door recreatievisserij veroorzaakte visserijsterfte significante gevolgen heeft voor de betrokken bestanden, dient de Raad niet-discriminerende beperkingen voor recreatievissers te kunnen vaststellen. De Raad dient daarbij transparante en objectieve criteria te hanteren. In voorkomend geval dienen de lidstaten de nodige en evenredige maatregelen vast te stellen voor het toezicht op en het verzamelen van de gegevens op basis waarvan een betrouwbare raming kan worden verricht van de feitelijke vangstniveaus in de recreatievisserij. Voorts dienen ten aanzien van de recreatievisserij technische instandhoudingsmaatregelen vastgesteld te kunnen worden.

(16)  De geografische reikwijdte van het plan moet gebaseerd zijn op de geografische spreiding van bestanden als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies. In het licht van verbeterde wetenschappelijke informatie kunnen toekomstige wijzigingen in de geografische spreiding van de bestanden die is opgenomen in het plan, nodig zijn. Daarom dient de Commissie de bevoegdheid te krijgen gedelegeerde handelingen vast te stellen tot aanpassing van de in het plan opgenomen geografische spreiding van bepaalde bestanden indien wetenschappelijk advies wijst op een verandering in die spreiding.

(17)  Dit plan moet erop gericht zijn bij te dragen tot het verwezenlijken van het GVB en met name de MDO voor de doelbestanden te bereiken en te behouden de aanlandingsverplichting uit te voeren voor demersale bestanden en bijvangsten, in de demersale visserij, van pelagische soorten waarvoor een minimuminstandhoudingsreferentiegrootte geldt, en een redelijke levensstandaard te bevorderen voor diegenen die leven van visserijactiviteiten, met aandacht voor de kustvisserij en de sociaaleconomische aspecten. Ook dient het plan een ecosysteemgerichte benadering toe te passen op het visserijbeheer om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het dient in samenhang te zijn met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, overeenkomstig Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad(7), en de doelstellingen van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) en Richtlijn 92/43/EEG van de Raad(9).

(18)  Het is passend om het streefdoel voor de visserijsterfte (F) dat overeenkomt met de doelstelling inzake het bereiken en behouden van de MDO vast te stellen in de vorm van bandbreedtes van waarden die in overeenstemming zijn met het bereiken van de MDO ( FMSY). Die op het beste beschikbare wetenschappelijke advies gebaseerde bandbreedtes zijn noodzakelijk om de flexibiliteit te bieden die nodig is om rekening te houden met ontwikkelingen in het wetenschappelijk advies, om bij te dragen aan de uitvoering van de aanlandingsverplichting en om rekening te houden met de gemengde visserij. Die bandbreedtes worden op basis van het plan zo bepaald dat bij toepassing ervan de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager vergeleken met de MDO. Bovendien is de bovengrens van de FMSY-bandbreedte geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt voor biomassa (BLIM) terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt.

(19)  Met het oog op de vaststelling van de maximaal toegestane visserijinspanning moeten er FMSY-bandbreedtes voor "normaal gebruik" komen en, mits het betrokken bestand in goede staat verkeert, ook de mogelijkheid om voor het meest kwetsbare bestand een maximaal toegestane visserijinspanning boven die FMSY-bandbreedtes vast te stellen indien dat volgens wetenschappelijk advies noodzakelijk is om de doelstellingen van deze verordening te verwezenlijken in de gemengde visserijen, om schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te voorkomen of om de jaarlijkse schommelingen van de maximaal toegestane visserijinspanning te beperken. Een streefdoel voor de visserijsterfte dat zich binnen die FMSY-bandbreedtes situeert, dient, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 indien mogelijk, en in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2025 te worden verwezenlijkt.

(20)  In het licht van de toepassing van vrijwaringsmaatregelen moeten, voor bestanden waarvoor streefdoelen in verband met de MDO beschikbaar zijn, instandhoudingsreferentiepunten worden vastgesteld, uitgedrukt als preventieve referentiepunten (BPA) en grensreferentiepunten (BLIM).

(21)  Er moet worden voorzien in passende vrijwaringsmaatregelen om te waarborgen dat de streefdoelen worden gehaald en, indien nodig, om herstelmaatregelen op gang te brengen, onder meer wanneer een bestand tot onder de instandhoudingsreferentiepunten daalt. Die herstelmaatregelen dienen noodmaatregelen te omvatten overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, maximaal toegestane visserijinspanning en andere specifieke instandhoudingsmaatregelen.

(22)  Met het oog op transparante toegang tot de visserij en de verwezenlijking van de streefwaarden voor de visserijsterfte dient een visserijinspanningsregeling van de Unie te worden vastgesteld voor trawls, aangezien dit het meest gebruikte vistuig is voor demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee. Daartoe is het passend visserijinspanningsgroepen te bepalen zodat de Raad jaarlijks de maximaal toegestane visserijinspanning kan vaststellen, uitgedrukt in aantal visdagen. Waar nodig moet de visserijinspanningsregeling andere soorten vistuig omvatten.

(23)  Gezien de zorgwekkende toestand van veel demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee en ter vermindering van het huidige hoge niveau van de visserijsterfte moet de visserijinspanningsregeling voorzien in een significante vermindering van de visserijinspanning in de eerste vijf jaar van toepassing van het plan.

(24)  De lidstaten moeten specifieke maatregelen treffen om ervoor te zorgen dat de visserijinspanningsregeling doeltreffend en werkbaar is, door een methode voor de toewijzing van visserijinspanningsquota overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 op te nemen, een vaartuigenlijst op te stellen, vismachtigingen af te geven en vijsserijinspanningsgegevens te registreren en door te zenden.

(25)  Teneinde bij te dragen aan het effectief beheer van de doelstellingen van het plan, en overeenkomstig de in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 opgenomen beginselen van goed bestuur, moet de lidstaten worden toegestaan regelingen van participatief management op lokaal niveau te stimuleren.

(26)  Om kraamgebieden, kwetsbare habitats en de kleinschalige visserij te beschermen moet het kustgebied regelmatig worden voorbehouden voor selectievere visserijen. Daarom moet in het plan worden vastgesteld dat elk jaar gedurende drie maanden niet met trawls mag worden gevist binnen zes zeemijlen uit de kust, behalve in gebieden die dieper zijn dan de dieptelijn van 100 m. Het moet mogelijk zijn andere gesloten gebieden in te stellen wanneer de vangsten van jonge heek daardoor met ten minste 20 % kunnen worden verminderd.

(27)  Er dienen verdere instandhoudingsmaatregelen te worden vastgesteld voor demersale bestanden. Op basis van wetenschappelijk advies zijn met name in gebieden met hoge concentraties paaiende exemplaren extra sluitingen wenselijk om de omvang van het momenteel ernstig beschadigde bestand volwassen heek veilig te stellen.

(28)  De voorzorgsbenadering moet van toepassing zijn op bijvangstbestanden en op demersale bestanden waarvoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn. Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat herstelmaatregelen nodig zijn, moeten specifieke instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(29)  Het plan moet voorzien in aanvullende technische instandhoudingsmaatregelen die moeten worden vastgesteld door middel van gedelegeerde handelingen. Dat is nodig om de doelstellingen van het plan te halen, met name wat betreft de instandhouding van demersale bestanden en de verbetering van de selectiviteit.

(30)  Met het oog op de naleving van de bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting dient het plan te voorzien in aanvullende beheersmaatregelen, die nader dienen te worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(31)  Teneinde het ▌plan tijdig te kunnen aanpassen aan technische en wetenschappelijke vooruitgang moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanvulling van deze verordening met herstelmaatregelen en technische instandhoudingsmaatregelen, de uitvoering van de aanlandingsverplichting en de wijziging van bepaalde elementen van het plan. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(10). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(32)  Voor de indiening van gemeenschappelijke aanbevelingen van lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer moet de uiterste termijn worden vastgesteld, zoals voorgeschreven bij Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(33)  Om de vorderingen bij het verwezenlijken van de maximale duurzame opbrengst te beoordelen, moet het ▌plan de mogelijkheid bieden tot regelmatige wetenschappelijke monitoring van de betrokken bestanden en, waar mogelijk, van bijvangstbestanden.

(34)  Overeenkomstig artikel 10, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moet de Commissie de toereikendheid en doeltreffendheid van deze verordening op gezette tijden beoordelen. Die beoordeling dient gebaseerd te zijn op een voorafgaande periodieke evaluatie van het plan die het WTECV uiterlijk op … [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens elke drie jaar op basis van wetenschappelijk advies uitvoert. In die periode zou de aanlandingsverplichting ten volle kunnen worden uitgevoerd, zouden geregionaliseerde maatregelen kunnen worden vastgesteld en uitgevoerd en zouden de gevolgen van die maatregelen voor de bestanden en de visserijen voelbaar kunnen worden. ▌

(35)  Met het oog op rechtszekerheid moet worden verduidelijkt dat maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, geacht worden in aanmerking te komen voor steun krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad(11).

(36)  Teneinde een evenwicht te bewerkstelligen tussen de vangstcapaciteit van de vloot en de beschikbare maximaal toegestane visserijinspanning, moet steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij beschikbaar worden gesteld met het oog op de definitieve beëindiging van visserijactiviteiten in de onder deze verordening vallende vlootsegmenten die onevenwichtigheden vertonen. Verordening (EU) nr. 508/2014 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(37)  De verwachte economische en sociale effecten van het plan zijn naar behoren geëvalueerd voordat het plan werd opgesteld, overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

(38)  Aangezien de maximaal toegestane visserijinspanning voor elk kalenderjaar wordt vastgesteld, moeten de bepalingen aangaande de visserijinspanningsregeling van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2020. Rekening houdend met de duurzaamheid op milieugebied en op maatschappelijk en economisch gebied moeten de bepalingen over de FMSY-bandbreedtes en over de vrijwaringsmaatregelen voor bestanden die zich onder de preventieve referentiepunten (BPA) bevinden, van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2025,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Bij deze verordening wordt een meerjarenplan (hierna "het plan" genoemd) vastgesteld voor de instandhouding en de duurzame exploitatie van demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

2.  Deze verordening is van toepassing op de volgende bestanden:

a)  blauwrode diepzeegarnaal (Aristeus antennatus) in GFCM-deelgebieden 1, 5, 6 en 7;

b)  roze diepzeegarnaal (Parapenaeus longirostris) in de GFCM-deelgebieden 1, 5, 6 en 9-10-11;

c)  rode diepzeegarnaal (Aristaeomorpha foliacea) in de GFCM-deelgebieden 9-10-11;

d)  heek (Merluccius merluccius) in de GFCM-deelgebieden 1-5-6-7 en 9-10-11;

e)  langoustine (Nephrops norvegicus) in GFCM-deelgebieden 5, 6, 9 en 11;

f)  zeebarbeel (Mullus barbatus) in GFCM-deelgebieden 1, 5, 6, 7, 9, 10 en 11.

3.  Deze verordening is tevens van toepassing op bijvangstbestanden die in het westelijke deel van de Middellandse Zee worden gevangen bij de visserij op de in lid 2 opgesomde bestanden. Zij is eveneens van toepassing op alle andere demersale bestanden die in het westelijke deel van de Middellandse Zee worden gevangen en waarvoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn.

4.  Deze verordening is van toepassing op de commerciële ▌visserij op de in de leden 2 en 3 bedoelde demersale bestanden in de wateren van de Unie of door vissersvaartuigen van de Unie buiten de wateren van de Unie van het westelijke deel van de Middellandse Zee.

5.  Deze verordening bevat ook nadere bepalingen voor de uitvoering van de aanlandingsverplichting in de wateren van de Unie van het westelijke deel van de Middellandse Zee voor alle bestanden van soorten waarvoor de aanlandingsverplichting krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt en die in het kader van demersale visserij gevangen zijn.

6.  Deze verordening voorziet in technische maatregelen, zoals vastgesteld in artikel 13, voor alle bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden naast de definities die zijn vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(12) en artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1967/2006, de volgende definities:

1)  "westelijk deel van de Middellandse Zee": de wateren in de geografische deelgebieden (GDG's) nrs. 1 (Zee van Alborán (noord)), 2 (Alborán), 5 (Balearen), 6 (Noord-Spanje), 7 (Golfe du Lion), 8 (Corsica), 9 (Ligurische Zee en Tyrreense Zee (noord)), 10 (Tyrreense Zee (zuid)) en 11 (Sardinië) van de GFCM, als omschreven in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad(13);

2)  "de betrokken bestanden": de in artikel 1, lid 2, opgesomde bestanden;

3)  "meest kwetsbare bestand": het bestand waarvoor, op het tijdstip van de vaststelling van de maximaal toegestane visserijinspanning, de visserijsterfte voor het voorgaande jaar het verst verwijderd is van de FMSY-puntwaarde zoals bepaald in het best beschikbare wetenschappelijke advies;

4)  "FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van het WTECV, of van een vergelijkbare onafhankelijke wetenschappelijke instantie die op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt erkend, weergegeven waarden waarbij alle niveaus van visserijsterfte binnen de grenswaarden van die bandbreedte maximale duurzame opbrengsten (MDO) op de lange termijn opleveren bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende gemiddelde milieuomstandigheden, zonder beduidende nadelige gevolgen voor het reproductieproces voor de betrokken bestanden. De bandbreedte zorgt ervoor dat de langetermijnopbrengst ten hoogste 5 % lager is dan de MDO. De bandbreedte is geplafonneerd, zodat de waarschijnlijkheid dat het bestand onder het grensreferentiepunt (BLIM) terechtkomt, niet meer dan 5 % bedraagt;

5)  "FMSY-puntwaarde": de waarde van de geraamde visserijsterfte die, bij een bepaald visserijpatroon en bij de heersende gemiddelde milieuomstandigheden, een maximale opbrengst op de lange termijn oplevert;

6)  "MSY FLOWER": de laagste waarde binnen de FMSY-bandbreedte;

7)  "MSY FUPPER": de hoogste waarde binnen de FMSY-bandbreedte;

8)  "laagste segment van de FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden die gaat van MSY FLOWER tot de FMSY-puntwaarde;

9)  "hoogste segment van de FMSY-bandbreedte": een bandbreedte van waarden die gaat van de FMSY-puntwaarde tot MSY FUPPER;

10)  "BLIM": het grensreferentiepunt, uitgedrukt in paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van het WTECV, of van een vergelijkbare onafhankelijke wetenschappelijke instantie die op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt erkend, onder hetwelk de reproductiecapaciteit verminderd kan zijn;

11)  "BPA": het preventieve referentiepunt, uitgedrukt in paaibiomassa, als weergegeven in het beste beschikbare wetenschappelijke advies, met name van het WTECV, of van een vergelijkbare onafhankelijke wetenschappelijke instantie die op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt erkend, dat garandeert dat de waarschijnlijkheid dat de paaibiomassa onder BLIM belandt, minder dan 5 % bedraagt;

12)  "visserijinspanningsgroep": een vlootbeheerseenheid van een lidstaat waarvoor een maximaal toegestane visserijinspanning is vastgesteld;

13)  "bestandsgroep": een groep gezamenlijk gevangen bestanden als vastgesteld in Bijlage I;

14)  "visdag": een aaneengesloten periode van 24 uur, of een gedeelte daarvan, tijdens welke een vaartuig zich in het westelijk deel van de Middellandse Zee bevindt en buitengaats is.

Artikel 3

Doel

1.  Het plan is gebaseerd op een visserijinspanningsregeling en beoogt bij te dragen tot de verwezenlijking van de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vermelde doelstellingen van het GVB, met name door de toepassing van de voorzorgsbenadering bij het visserijbeheer, alsmede ervoor te zorgen dat de biologische rijkdommen van de zee zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten boven een niveau worden gebracht en behouden dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren.

2.  Het plan draagt bij tot het uitbannen van teruggooi door ongewenste vangsten zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsook tot de tenuitvoerlegging van de bij artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingestelde aanlandingsverplichting voor de onder deze verordening vallende bestanden waarvoor krachtens Unierecht minimuminstandhoudingsreferentiegrootten gelden.

3.  Het plan past de ecosysteemgerichte benadering toe op het visserijbeheer teneinde ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor het mariene ecosysteem tot een minimum worden beperkt. Het is in overeenstemming met de milieuwetgeving van de Unie, met name met de doelstelling om uiterlijk in 2020 een goede milieutoestand te bereiken, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG ▌

4.  Het plan heeft met name tot doel:

a)  ervoor te zorgen dat de in beschrijvend element 3 van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG beschreven voorwaarden worden vervuld; ▌

b)  bij te dragen tot de vervulling van andere relevante beschrijvende elementen van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, in verhouding tot de rol die de visserijen voor de vervulling ervan spelen; en

c)  bij te dragen aan het verwezenlijken van de doelstellingen die zijn opgenomen in de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2009/147/EG en de artikelen 6 en 12 van Richtlijn van 92/43/EEG, met name om ervoor te zorgen dat de negatieve gevolgen van visserijactiviteiten voor kwetsbare habitats en beschermde soorten tot een minimum worden beperkt.

5.  De maatregelen in het kader van het plan worden genomen op basis van het beste beschikbare wetenschappelijke advies. ▌

HOOFDSTUK II

STREEFDOELEN, INSTANDHOUDINGSREFERENTIEPUNTEN EN VRIJWARINGSMAATREGELEN

Artikel 4

Streefdoelen

1.  Het streefdoel voor visserijsterfte binnen de in artikel 2 omschreven FMSY-bandbreedtes wordt voor de betrokken bestanden geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 indien mogelijk, en in ieder geval uiterlijk op 1 januari 2025 verwezenlijkt en wordt van dan af gehandhaafd binnen de FMSY-bandbreedtes.

2.  Met name het WTECV, of een vergelijkbare onafhankelijke wetenschappelijke instantie die op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt erkend, wordt verzocht om de FMSY-bandbreedtes op basis van het plan te verstrekken.

3.  Overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 stelt de Raad, wanneer hij de maximaal toegestane visserijinspanning vaststelt, die visserijinspanning voor elke visserijinspanningsgroep vast binnen de FMSY-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor het meest kwetsbare bestand.

4.  Niettegenstaande de leden 1 en 3 kan de maximaal toegestane visserijinspanning worden vastgesteld op een niveau dat lager ligt dan de FMSY-bandbreedte.

5.  Niettegenstaande de leden 1 en 3 kan de maximaal toegestane visserijinspanning worden vastgesteld op een niveau dat hoger ligt dan de FMSY-bandbreedte die op dat moment beschikbaar is voor het meest kwetsbare bestand, mits alle betrokken bestanden zich boven het BPA bevinden:

a)  indien dat op grond van het best beschikbare wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3 in het geval van gemengde visserijen;

b)  indien dat op grond van het best beschikbare wetenschappelijk advies of bewijs noodzakelijk is om ernstige schade aan een bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen of tussen soorten te vermijden; of

c)  om schommelingen in de maximaal toegestane visserijinspanning tussen opeenvolgende jaren te beperken tot niet meer dan 20 %.

6.  Wanneer er voor een in artikel 1, lid 2, vermeld bestand geen FMSY-bandbreedtes kunnen worden bepaald vanwege het ontbreken van adequate wetenschappelijke informatie, wordt dat bestand beheerd overeenkomstig artikel 12 tot er FMSY -bandbreedtes beschikbaar zijn op grond van lid 2 van dit artikel.

Artikel 5

Instandhoudingsreferentiepunten

Voor de toepassing van artikel 6 wordt met name het WTECV, of een vergelijkbare onafhankelijke wetenschappelijke instantie die op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt erkend, op basis van het plan verzocht om de volgende instandhoudingsreferentiepunten te verstrekken:

a)  preventieve referentiepunten, uitgedrukt in paaibiomassa (BPA); en

b)  grensreferentiepunten, uitgedrukt in paaibiomassa (BLIM).

Artikel 6

Vrijwaringsmaatregelen

1.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de betrokken bestanden onder het BPA ligt, worden alle passende herstelmaatregelen genomen om ervoor te zorgen dat het betrokken bestand snel weer boven een niveau wordt gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder wordt, niettegenstaande artikel 4, lid 3, de maximaal toegestane visserijinspanning vastgesteld op een niveau dat overeenkomt met een visserijsterfte die is teruggebracht op een waarde binnen de FMSY-bandbreedte voor het meest kwetsbare bestand, rekening houdend met de afname van de biomassa van dat bestand.

2.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de betrokken bestanden onder het BLIM ligt, worden verdere herstelmaatregelen vastgesteld om ervoor te zorgen dat de betrokken bestanden snel weer boven een niveau worden gebracht dat de MDO kan opleveren. In het bijzonder kunnen dergelijke herstelmaatregelen, niettegenstaande artikel 4, lid 3 ▌, inhouden dat de gerichte visserij op de betrokken bestanden wordt geschorst en de maximaal toegestane visserijinspanning op passende wijze wordt verlaagd.

3.  De in dit artikel bedoelde herstelmaatregelen kunnen bestaan in:

a)  maatregelen op grond van de artikelen 7, 8 en 11 tot en met 14 van deze verordening; en

b)  noodmaatregelen overeenkomstig de artikelen 12 en 13 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

4.  De keuze van de in dit artikel bedoelde maatregelen wordt gemaakt navenant de aard, de ernst, de duur en de herhaling van de situatie waarbij de paaibiomassa zich onder de in artikel 5 bedoelde niveaus bevindt.

HOOFDSTUK III

VISSERIJINSPANNING

Artikel 7

Visserijinspanningsregeling

1.  Een visserijinspanningsregeling is van toepassing op alle vaartuigen van de lengteklassen als omschreven in bijlage I die vissen met trawls in de gebieden en op de bestandsgroepen als omschreven in bijlage I.

2.  Elk jaar bepaalt de Raad op basis van wetenschappelijk advies en op grond van artikel 4 per lidstaat een maximaal toegestane visserijinspanning voor elke visserijinspanningsgroep.

3.  In afwijking van artikel 3, lid 1, en niettegenstaande lid 2 van dit artikel ▌ geldt tijdens de eerste vijf jaar van toepassing van het plan het volgende: ▌

a)  voor het eerste jaar van toepassing van het plan wordt de maximaal toegestane visserijinspanning, met uitzondering van de deelgebieden waar de visserijinspanning tijdens de uitgangsperiode al met meer dan 20 % is verlaagd, met 10 % verlaagd ten opzichte van de uitgangswaarde;

b)  voor het tweede tot en met het vijfde jaar van toepassing van het plan wordt de maximaal toegestane visserijinspanning tijdens die periode verlaagd met ten hoogste 30 %. De verlaging van de visserijinspanning kan worden aangevuld met alle relevante technische of andere instandhoudingsmaatregelen die overeenkomstig het Unierecht worden genomen om de FMSY uiterlijk op 1 januari 2025 te verwezenlijken.

4.  De in lid 3 bedoelde uitgangswaarde wordt ▌ door elke lidstaat voor elke visserijinspanningsgroep of deelgebied berekend als de gemiddelde visserijinspanning uitgedrukt in aantal visdagen tussen 1 januari 2015 en 31 december 2017 en daarbij wordt alleen rekening gehouden met de vaartuigen die tijdens die periode actief waren ▌.

5.  Wanneer het best beschikbare wetenschappelijke advies wijst op significante vangsten van een bepaald bestand met ander vistuig dan trawls, kan de maximaal toegestane visserijinspanning voor het vistuig in kwestie worden vastgesteld op basis van dat wetenschappelijke advies.

Artikel 8

Recreatievisserij

1.  Wanneer uit wetenschappelijk advies blijkt dat de recreatievisserij significante gevolgen heeft voor de visserijsterfte bij een in artikel 1, lid 2, vermeld bestand kan de Raad niet-discriminerende beperkingen voor recreatievissers vaststellen.

2.  Bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde beperkingen hanteert de Raad transparante en objectieve criteria, waaronder sociale, economische en milieucriteria. De criteria die worden gehanteerd, kunnen onder meer betrekking hebben op de impact van de recreatievisserij op het milieu, het maatschappelijke belang van die activiteit en de bijdrage ervan aan de economie in kustgebieden.

3.  In voorkomend geval nemen de lidstaten noodzakelijke en evenredige maatregelen voor het controleren en verzamelen van gegevens op basis waarvan een betrouwbare raming kan worden verricht van de feitelijke vangstniveaus in de recreatievisserij.

Artikel 9

Verplichtingen van de lidstaten

1.  De lidstaten beheren de maximaal toegestane visserijinspanning overeenkomstig de in de artikelen 26 tot en met 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde voorwaarden.

2.  Elke lidstaat bepaalt een methode voor de toewijzing van de maximaal toegestane visserijinspanning aan individuele vaartuigen of groepen vaartuigen die zijn vlag voeren, in overeenstemming met de in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde criteria. ▌

3.  Een lidstaat mag de hem toegewezen visserijinspanning wijzigen door visdagen over te dragen tussen visserijinspanningsgroepen van hetzelfde geografische gebied, op voorwaarde dat de lidstaat een omrekeningsfactor hanteert die wordt geschraagd door het best beschikbare wetenschappelijke advies. De uitgewisselde visdagen en de omrekeningsfactor worden onmiddellijk en uiterlijk na tien werkdagen beschikbaar gesteld aan de Commissie en de andere lidstaten.

4.  Wanneer een lidstaat toestaat dat onder zijn vlag varende vaartuigen vissen met trawlnetten, zorgt hij ervoor dat dergelijke visserij is beperkt tot maximaal 15 uur per visdag, vijf visdagen per week of het equivalent daarvan.

De lidstaten mogen een afwijking van maximaal 18 uur per visdag toestaan om rekening te houden met de vaartijd tussen de haven en de visgrond. Die afwijkingen worden onverwijld meegedeeld aan de Commissie en de andere betrokken lidstaten.

5.  Niettegenstaande lid 3 wordt, wanneer een vaartuig op één visdag vist op twee verschillende bestandsgroepen, een halve dag in mindering gebracht op de maximaal toegestane visserijinspanning voor dat vaartuig voor elke bestandsgroep.

6.  Voor de vaartuigen die zijn vlag voeren en de betrokken bestanden bevissen, geeft elke lidstaat vismachtigingen af voor de in bijlage I bedoelde gebieden overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat de totale capaciteit (uitgedrukt in BT en kW) waarvoor overeenkomstig lid 6 vismachtigingen zijn afgegeven, niet wordt verhoogd tijdens de looptijd van het plan.

8.  Elke lidstaat stelt een lijst op van de vaartuigen waaraan overeenkomstig lid 6 een vismachtiging is afgegeven, actualiseert die lijst en stelt haar ter beschikking van de Commissie en de andere lidstaten. De lidstaten zenden hun lijsten voor de eerste maal toe binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens uiterlijk op 30 november van elk jaar.

9.  De lidstaten monitoren hun visserijinspanningsregeling en garanderen dat de maximaal toegestane visserijinspanning als bedoeld in artikel 7 de vastgestelde grenzen niet overschrijdt.

10.  In overeenstemming met de beginselen van goed bestuur als vastgesteld in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, kunnen de lidstaten regelingen voor participatief management op lokaal niveau stimuleren om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken.

Artikel 10

Doorzenden van relevante gegevens

1.  De lidstaten registreren de visserijinspanningsgegevens en sturen die door aan de Commissie in overeenstemming met artikel 33 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en de artikelen 146 quater, 146 quinquies en 146 sexies van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie(14).

2.  De visserijinspanningsgegevens worden samengevoegd per maand en bevatten de in bijlage II vermelde informatie. Het formaat van de samengevoegde gegevens is de XML-schemadefinitie, gebaseerd op UN/CEFACT-norm P1000-12.

3.  De lidstaten zenden de in lid 1 bedoelde visserijinspanningsgegevens vóór de vijftiende van elke maand naar de Commissie.

HOOFDSTUK IV

TECHNISCHE INSTANDHOUDINGSMAATREGELEN

Artikel 11

Gesloten gebieden

1.  Bovenop de bepalingen van artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1967/2006 geldt dat het gebruik van trawls in het westelijke deel van de Middellandse Zee elk jaar gedurende drie, indien passend aaneengesloten, maanden verboden is binnen zes zeemijlen uit de kust, behalve in gebieden die dieper zijn dan de dieptelijn van 100 m, op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies. Die jaarlijkse sluiting voor een periode van drie maanden wordt door elke lidstaat bepaald en geldt tijdens de meest relevante periode die wordt vastgesteld op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies. Die periode wordt onverwijld meegedeeld aan de Commissie en de andere betrokken lidstaten.

2.  In afwijking van lid 1 en op voorwaarde dat de afwijking wordt gerechtvaardigd door bijzondere geografische beperkingen, zoals de beperkte afmetingen van het continentaal plat of de lange afstanden naar de visgronden, mogen de lidstaten op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies andere gesloten gebieden instellen, op voorwaarde dat er een vermindering van ten minste 20 % van de vangsten van jonge heek in elk geografisch deelgebied wordt bereikt. De afwijking wordt onverwijld meegedeeld aan de Commissie en de andere betrokken lidstaten.

3.  Uiterlijk op … [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies stellen de betrokken lidstaten andere gesloten gebieden in wanneer er aanwijzingen zijn van een hoge concentratie jonge vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte en van paaiplaatsen van demersale bestanden, in het bijzonder voor de betrokken bestanden.

4.  De op grond van lid 3 ingestelde nieuwe gesloten gebieden worden met name beoordeeld door het WTECV of door een vergelijkbare onafhankelijke wetenschappelijke instantie die op het niveau van de Unie of op internationaal niveau wordt erkend. Indien uit die beoordeling blijkt dat die gesloten gebieden niet stroken met hun doelstellingen, herzien de lidstaten de gesloten gebieden in het licht van de aanbevelingen.

5.  Wanneer de in lid 3 van dit artikel bedoelde gesloten gebieden gevolgen hebben voor vissersvaartuigen van verschillende lidstaten, is de Commissie bevoegd om op basis van het best beschikbare wetenschappelijke advies overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en artikel 18 van de onderhavige verordening gedelegeerde handelingen tot instelling van de betrokken gesloten gebieden vast te stellen.

Artikel 12

Beheer van bijvangstbestanden en demersale bestanden waarvoor onvoldoende gegevens beschikbaar zijn

1.  De in artikel 1, lid 3, van deze verordening bedoelde bestanden worden beheerd op basis van de voorzorgsbenadering van het visserijbeheer als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

2.  Beheersmaatregelen voor de in artikel 1, lid 3, bedoelde bestanden, met name technische instandhoudingsmaatregelen zoals die welke zijn vermeld in artikel 13, worden vastgesteld met inachtneming van het best beschikbare wetenschappelijke advies.

Artikel 13

Specifieke instandhoudingsmaatregelen

1.  De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door de volgende technische instandhoudingsmaatregelen vast te stellen:

a)  de specificatie van kenmerken en gebruiksvoorschriften van vistuig, om te zorgen voor selectiviteit of deze te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve gevolgen op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

b)  de specificatie van aanpassingen van of aanvullende hulpmiddelen voor vistuig, om de selectiviteit te behouden of te verbeteren, ongewenste vangsten te verminderen of de negatieve gevolgen op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

c)  de beperking van of het verbod op het gebruik van bepaald vistuig en visserijactiviteiten in bepaalde gebieden of perioden, om paaiende vis, vis die kleiner is dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of niet-doelvissoorten te beschermen of de negatieve gevolgen op het ecosysteem tot een minimum te beperken;

d)  de vaststelling van minimuminstandhoudingsreferentiegrootten voor de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, om de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen te waarborgen, en

e)  maatregelen inzake de recreatievisserij.

2.  De in lid 1 bedoelde maatregelen dragen bij tot de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen.

HOOFDSTUK V

AANLANDINGSVERPLICHTING

Artikel 14

Bepalingen betreffende de aanlandingsverplichting

Voor alle bestanden van soorten in het westelijke deel van de Middellandse Zee waarvoor de aanlandingsverplichting geldt krachtens artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en voor incidentele vangsten van pelagische soorten in visserijen die de in artikel 1, lid 2, opgesomde bestanden exploiteren waarop de aanlandingsverplichting van toepassing is, is de Commissie bevoegd om, na raadpleging van de lidstaten, overeenkomstig artikel 18 van deze verordening en artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze verordening aan te vullen door nadere bepalingen met betrekking tot die verplichting vast te leggen, als bedoeld in artikel 15, lid 5, onder a) tot en met e), van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

HOOFDSTUK VI

REGIONALISERING

Artikel 15

Regionale samenwerking

1.  Artikel 18, leden 1 tot en met 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 is van toepassing op de in de artikelen 11 tot en met 14 van deze verordening bedoelde maatregelen.

2.  Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel kunnen lidstaten met een rechtstreeks belang bij het beheer gezamenlijke aanbevelingen indienen overeenkomstig artikel 18, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013:

a)   voor de eerste keer niet later dan twaalf maanden na … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens niet later dan twaalf maanden na elke indiening van een evaluatie van het plan overeenkomstig artikel 17, lid 2, van deze verordening;

b)   uiterlijk op 1 juli van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de maatregelen moeten worden toegepast; en/of

c)   wanneer zij dat noodzakelijk achten, met name wanneer de toestand van een van de bestanden waarop deze verordening van toepassing is, plotseling verandert.

3.  De krachtens de artikelen 11 tot en met 14 van deze verordening toegekende bevoegdheden laten de bevoegdheden die krachtens andere bepalingen van het Unierecht aan de Commissie zijn verleend, onder andere krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013, onverlet.

HOOFDSTUK VII

WIJZIGINGEN EN FOLLOW-UP

Artikel 16

Wijzigingen van het plan

1.  Wanneer wetenschappelijk advies wijst op een verandering in de geografische spreiding van de betrokken bestanden, is de Commissie bevoegd om overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening door de in artikel 1, lid 2, en bijlage I vermelde gebieden aan die verandering aan te passen.

2.  Wanneer de Commissie op basis van wetenschappelijk advies van oordeel is dat de lijst van de betrokken bestanden moet worden gewijzigd, kan de Commissie een voorstel tot wijziging van die lijst indienen.

Artikel 17

Monitoring en evaluatie van het plan

1.  Voor het in artikel 50 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde jaarverslag omvatten de kwantificeerbare indicatoren onder meer jaarlijkse ramingen van de huidige visserijsterfte over FMSY (F/FMSY), paaibiomassa (PBM) en sociaal-economische indicatoren voor de betrokken bestanden en, waar mogelijk, voor de bijvangstbestanden. Deze kunnen worden aangevuld met andere indicatoren op basis van het wetenschappelijke advies.

2.  Uiterlijk op … [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] en vervolgens om de drie jaar brengt de Commissie verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de resultaten en de effecten van het plan op de betrokken bestanden en op de visserijen die deze bestanden exploiteren, met name met betrekking tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 3.

HOOFDSTUK VIII

PROCEDURELE BEPALINGEN

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in de artikelen 11 tot en met 14 en 16 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in de artikelen 11 tot en met 14 en 16 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een in het besluit genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgevingen aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een op grond van de artikelen 11 tot en met 14 en 16 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

HOOFDSTUK IX

EUROPEES FONDS VOOR MARITIEME ZAKEN EN VISSERIJ

Artikel 19

Steun uit het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

Maatregelen voor tijdelijke stopzetting die zijn vastgesteld om de doelstellingen van het plan te verwezenlijken, worden voor de toepassing van artikel 33, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 508/2014 als de tijdelijke stopzetting van visserijactiviteiten beschouwd.

Artikel 20

Wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 wat betreft bepaalde voorschriften betreffende het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij

Artikel 34 van Verordening (EU) nr. 508/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)  lid 4 wordt vervangen door:"

"4. Steun op grond van dit artikel mag tot en met 31 december 2017 worden verleend, behalve wanneer definitieve stopzettingsmaatregelen worden vastgesteld ter verwezenlijking van de doelstellingen van het meerjarenplan voor de instandhouding en duurzame exploitatie van demersale bestanden in het westelijke deel van de Middellandse Zee, ingesteld bij Verordening (EU) …/…(15) van het Europees Parlement en de Raad*.

___________________________

* Verordening (EU) .../...van het Europees Parlement en de Raad van ... tot vaststelling van een meerjarenplan voor de visserijen die demersale bestanden exploiteren in het westelijke deel van de Middellandse Zee en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 508/2014 (PB L ..., blz. ...).”;

"

2)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

“4 bis. Uitgaven voor definitieve stopzettingsmaatregelen die zijn vastgesteld ter verwezenlijking van de doelstellingen van Verordening (EU) …/…(16) komen vanaf de inwerkingtreding van die verordening in aanmerking voor steun uit het EFMZV.".

"

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 21

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Rekening houdend met de ecologische, sociale en economische duurzaamheid, zijn artikel 4 en artikel 6, lid 1, van toepassing met ingang van 1 januari 2025.

Artikel 7 is van toepassing met ingang van 1 januari 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

Bijlage I

Visserijinspanningsregeling

(als bedoeld in artikel 7)

De visserijinspanningsgroepen worden als volgt gedefinieerd:

A)  Trawls waarmee wordt gevist op zeebarbeel, heek, roze diepzeegarnaal en langoustine in het continentaal plat en het hoogste gedeelte van de continentale helling

Vistuigtype

Geografisch gebied

Bestandsgroepen

Lengte over alles van de vaartuigen

Code visserijinspanningsgroep

Trawls

(TBB, OTB, PTB, TBN, TBS, TB, OTM, PTM, TMS, TM, OTT, OT, PT, TX, OTP, TSP)

GFCM-deelgebieden 1-2-5-6-7

zeebarbeel in deelgebieden 1, 5, 6 en 7; heek in deelgebieden 1-5-6-7; roze diepzeegarnaal in deelgebieden 1, 5 en 6; en langoustine in deelgebieden 5 en 6.

< 12 m

EFF1/MED1_TR1

≥ 12 m en < 18 m

EFF1/MED1_TR2

≥ 18 m en < 24 m

EFF1/MED1_TR3

≥ 24 m

EFF1/MED1_TR4

GFCM-deelgebieden 8-9-10-11

zeebarbeel in deelgebieden 9, ▌10 en 11; heek in deelgebieden 9-10-11; roze diepzeegarnaal in deelgebieden 9-10-11; en langoustine in deelgebieden 9 en 10.

< 12 m

EFF1/MED2_TR1

≥ 12 m en< 18 m

EFF1/MED2_TR2

≥ 18 m en< 24 m

EFF1/MED2_TR3

≥ 24 m

EFF1/MED1_TR4

B)  Trawls waarmee wordt gevist op blauwrode diepzeegarnaal en rode diepzeegarnaal in de diepzee

Vistuigtype

Geografisch gebied

Bestandsgroepen

Lengte over alles van de vaartuigen

Code visserijinspanningsgroep

Trawls

(TBB, OTB, PTB, TBN, TBS, TB, OTM, PTM, TMS, TM, OTT, OT, PT, TX, OTP, TSP)

GFCM-deelgebieden 1-2-5-6-7

blauwrode diepzeegarnaal in deelgebieden 1, 5, 6 en 7.

< 12 m

EFF2/MED1_TR1

≥ 12 m en< 18 m

EFF2/MED1_TR2

≥ 18 m en< 24 m

EFF2/MED1_TR3

≥ 24 m

EFF2/MED1_TR4

GFCM-deelgebieden 8-9-10-11

rode diepzeegarnaal in deelgebieden 9, 10 en 11

< 12 m

EFF2/MED2_TR1

≥ 12 m en< 18 m

EFF2/MED2_TR2

≥ 18 m en< 24 m

EFF2/MED2_TR3

≥ 24 m

EFF2/MED1_TR4

Bijlage II

Lijst van informatie betreffende visserijinspanningsgegevens

(als bedoeld in artikel 10)

Informatie

Definitie en opmerkingen

1.  Lidstaat

ISO-drielettercode van de rapporterende vlaggenlidstaat

2.  Visserijinspanningsgroep

Code visserijinspanningsgroep als vastgesteld in bijlage I

3.  Visserijinspanningsperiode

Begin- en einddatum van de verslagmaand

4 Aangifte van visserijinspanning

Totaal aantal visdagen

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement en de Raad

Het Europees Parlement en de Raad zijn voornemens de bevoegdheden om overeenkomstig artikel 13 van de onderhavige verordening door middel van gedelegeerde handelingen technische maatregelen vast te stellen, in te trekken wanneer zij een nieuwe verordening inzake technische maatregelen vaststellen waarin een bevoegdheidsdelegatie is opgenomen die dezelfde maatregelen omvat.

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 103.
(2)PB C 367 van 10.10.2018, blz. 103.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 4 april 2019.
(4)Ministeriële verklaring MedFish4Ever van Malta. Ministeriële conferentie inzake de duurzaamheid van de visserij in de Middellandse Zee (Malta, 30 maart 2017).
(5)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(6)Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11).
(7)Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19).
(8)Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(9)Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(10)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(11)Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1).
(12)Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008 en (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(13)Verordening (EU) nr. 1343/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean — Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee (PB L 347 van 30.12.2011, blz. 44).
(14)Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).
(15)+ PB: gelieve in de tekst het volgnummer van de verordening vervat in document PE-CONS 32/19 (2018/0050(COD)) in te voegen alsook in de voetnoot het nummer, de datum, de titel en de PB-referentie van die verordening.
(16)+ PB: gelieve in de tekst het volgnummer van de verordening vervat in document PE-CONS 32/19 (2018/0050(COD)) in te voegen.


Versterking van de beveiliging van identiteitskaarten en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie ***I
PDF 240kWORD 66k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen (COM(2018)0212 – C8-0153/2018 – 2018/0104(COD))
P8_TA-PROV(2019)0345A8-0436/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018) 212),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 21, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0153/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het advies in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0436/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de versterking van de beveiliging van identiteitskaarten van burgers van de Unie en van verblijfsdocumenten afgegeven aan burgers van de Unie en hun familieleden die hun recht van vrij verkeer uitoefenen

P8_TC1-COD(2018)0104


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 21, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Overeenkomstig het Verdrag van de Europese Unie (VEU) is de Unie vastbesloten het vrije verkeer van personen te vergemakkelijken en tegelijkertijd tevens de veiligheid en zekerheid van hun volkeren te waarborgen, door een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen, overeenkomstig het bepaalde in het VEU en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

(2)  Met het burgerschap van de Unie wordt iedere burger van de Unie het recht van vrij verkeer verleend, mits bepaalde beperkingen en voorwaarden in acht worden genomen. Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) geeft uitvoering aan dat recht. Artikel 45 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie ("het Handvest") voorziet eveneens in het recht van vrijheid van verkeer en van verblijf. Vrijheid van verkeer houdt het recht in om lidstaten te verlaten en binnen te komen met een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort.

(3)  Overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG verstrekken lidstaten hun burgers overeenkomstig hun nationale recht een identiteitskaart of een paspoort en hernieuwen zij deze bescheiden. Voorts is in deze richtlijn bepaald dat lidstaten Unieburgers en hun familieleden de verplichting kunnen opleggen zich bij de bevoegde autoriteiten te laten inschrijven. De lidstaten moeten burgers van de Unie een verklaring van inschrijving verstrekken op de in die richtlijn vastgestelde voorwaarden. Op grond van deze richtlijn moeten lidstaten familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, ook een verblijfskaart verstrekken en, op verzoek, een document ter staving van duurzaam verblijf en een kaart voor duurzaam verblijf verstrekken.

(4)  In Richtlijn 2004/38/EG is bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen kunnen nemen om een in die richtlijn neergelegd recht in geval van rechtsmisbruik of fraude te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken. Vervalsing van documenten of een onjuiste voorstelling van feiten betreffende de voorwaarden voor het verblijfsrecht zijn in het kader van deze richtlijn genoemd als typische gevallen van fraude.

(5)  Er bestaan aanzienlijke verschillen tussen de beveiligingsniveaus van de door de lidstaten afgegeven nationale identiteitskaarten en verblijfsvergunningen voor in een andere lidstaat woonachtige Unieonderdanen en hun familieleden. Die verschillen doen het risico op vervalsing en documentfraude toenemen, en leiden eveneens tot praktische moeilijkheden voor burgers bij de uitoefening van hun recht op vrij verkeer. Uit cijfers van het European Document Fraud Risk Analysis Network (EDF-RAN) blijkt dat het aantal incidenten met betrekking tot frauduleuze identiteitskaarten in de loop der tijd is toegenomen.

(6)  In haar mededeling van 14 september 2009 getiteld "Versterking van de veiligheid in een door mobiliteit gekenmerkte wereld door betere informatie-uitwisseling in de strijd tegen terrorisme en door sterkere buitengrenzen" benadrukt de Commissie dat beveiligde reis- en identiteitsdocumenten een cruciale rol spelen wanneer het erop aankomt de identiteit van een persoon onomstotelijk vast te stellen, en kondigt zij aan een actieplan te zullen presenteren voor de bestrijding van reisdocumentfraude. Volgens deze mededeling zijn voor de totstandbrenging van een betere aanpak robuuste systemen nodig waarmee misbruik van en bedreigingen voor de interne veiligheid als gevolg van tekortkomingen in de beveiliging van documenten, met name in verband met terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit, kunnen worden voorkomen.

(7)  Volgens het Actieplan van de Commissie van 8 december 2016 voor een krachtige Europese reactie op reisdocumentfraude (het actieplan 2016) wordt bij ten minste driekwart van de frauduleuze documenten die aan de buitengrenzen, maar ook binnen het gebied zonder controles aan de binnengrenzen worden ontdekt, de indruk gewekt dat zij door de lidstaten of de met Schengen geassocieerde landen zijn afgegeven. Door de lidstaten afgegeven nationale identiteitskaarten met een lager beveiligingsniveau zijn de vaakst aangetroffen vervalste documenten om door het Schengengebied te reizen.

(8)  Om identiteitsfraude tegen te gaan, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de vervalsing en namaak van identiteitsdocumenten en het gebruik van dergelijke vervalste of nagemaakte documenten op passende wijze wordt bestraft krachtens hun nationale recht.

(9)  In het actieplan 2016 kwamen de risico's van frauduleuze identiteitskaarten en verblijfsdocumenten aan bod. In het actieplan 2016 en in haar verslag 2017 over het EU-burgerschap heeft de Commissie zich ertoe verbonden om beleidsopties te onderzoeken om de beveiliging van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten te verbeteren.

(10)  In overeenstemming met het actieplan 2016 vereist de afgifte van authentieke en beveiligde identiteitskaarten een betrouwbaar proces voor identiteitsregistratie en beveiligde onderliggende documenten ter ondersteuning van het aanvraagproces. Gezien het toegenomen gebruik van valse onderliggende documenten blijven de Commissie, de lidstaten en de desbetreffende agentschappen van de Unie zich gezamenlijk inzetten om onderliggende documenten minder gevoelig voor fraude te maken.

(11)  Door de onderhavige verordening wordt van lidstaten niet verlangd dat zij identiteitskaarten of verblijfsdocumenten invoeren wanneer het nationale recht daarin niet voorziet, noch wordt daardoor afbreuk gedaan aan de bevoegdheid van de lidstaat om op grond van het nationale recht andere verblijfsdocumenten uit te geven buiten het toepassingsgebied van het Unierecht, zoals verblijfskaarten die worden afgegeven voor alle ingezetenen op hun grondgebied, ongeacht hun nationaliteit.

(12)  Deze verordening belet de lidstaten niet om op een niet-discriminerende manier andere documenten dan reisdocumenten, zoals rijbewijzen, voor identificatiedoeleinden te aanvaarden.

(13)  Identiteitsdocumenten die zijn afgegeven aan burgers wier rechten van vrij verkeer overeenkomstig het recht van de Unie of het nationaal recht zijn beperkt, en waarop expliciet staat vermeld dat zij niet als reisdocumenten kunnen worden gebruikt, mogen niet worden geacht binnen het toepassingsgebied van deze verordening te vallen.

(14)  Reisdocumenten die voldoen aan Document 9303, deel 5 (zevende uitgave, 2015) van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) inzake machineleesbare reisdocumenten (“ICAO-document 9303”), die niet voor identificatiedoeleinden worden gebruik in de lidstaten van afgifte, zoals de door Ierland afgegeven paspoortkaart, mogen niet worden geacht binnen het toepassingsgebied van deze verordening te vallen.

(15)  Deze verordening laat het gebruik door lidstaten van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten met eID-functie voor andere doeleinden onverlet, noch doet zij afbreuk aan de regels die zijn vastgesteld in Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad(5), die voorziet in Uniebrede wederzijdse erkenning van elektronische identificatiemiddelen bij de toegang tot overheidsdiensten en die burgers die naar een andere lidstaat verhuizen, helpt door de wederzijdse erkenning van elektronische identificatiemiddelen op te leggen onder voorbehoud van bepaalde voorwaarden. Verbeterde identiteitskaarten moeten identificatie eenvoudiger maken en bijdragen tot een betere toegang tot diensten.

(16)  Goede verificatie van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten vereist dat lidstaten voor elk type onder deze verordening vallend document de correcte titel gebruiken. Om de controle van onder deze verordening vallende documenten in andere lidstaten te vergemakkelijken, dient de titel van het document ook ten minste in één aanvullende, officiële taal van de instellingen van de Unie te worden vermeld. Wanneer lidstaten voor identiteitskaarten reeds ingeburgerde benamingen gebruiken anders dan de titel "identiteitskaart", dient hen te worden toegestaan deze in hun officiële taal of talen te blijven gebruiken. Er mogen in de toekomst echter geen nieuwe benamingen worden ingevoerd.

(17)  Beveiligingskenmerken zijn noodzakelijk om te verifiëren of een document authentiek is en om de identiteit van een persoon vast te stellen. De vaststelling van minimumbeveiligingsnormen en de integratie van biometrische gegevens in identiteitskaarten en in verblijfskaarten van familieleden die niet de nationaliteit bezitten van een lidstaat, zijn belangrijke stappen om het gebruik ervan in de Unie veiliger te maken. Het opnemen van dergelijke biometrische kenmerken dient Unieburgers in staat te stellen ten volle te profiteren van hun rechten van vrij verkeer.

(18)  De opslag van een gezichtsopname en twee vingerafdrukken ("biometrische gegevens") op identiteitskaarten en verblijfskaarten, waarin reeds wordt voorzien bij biometrische paspoorten en verblijfsvergunningen voor onderdanen van derde landen, vormt een passende combinatie van betrouwbare identificatie en authenticatie met een lagere fraudegevoeligheid, waarmee identiteitskaarten en verblijfskaarten beter kunnen worden beveiligd.

(19)  Als algemene praktijk dienen lidstaten voor de verificatie van de authenticiteit van het document en de identiteit van de houder, primair de gezichtsopname te verifiëren en, indien dit nodig is om de authenticiteit van het document en de identiteit van de houder zonder enige twijfel te bevestigen, moeten de lidstaten ook de vingerafdrukken verifiëren.

(20)  De lidstaten moeten waarborgen dat in gevallen waar een verificatie van de biometrische gegevens de authenticiteit van het document of de identiteit van de houder ervan niet bevestigt, een verplichte manuele controle door gekwalificeerd personeel plaatsvindt.

(21)  Deze verordening voorziet niet in een rechtsgrond voor het opzetten of bijhouden van nationale databanken voor de opslag van biometrische gegevens in de lidstaten; dit is een kwestie van nationale wetgeving die moet voldoen aan het Unierecht inzake gegevensbescherming. De verordening voorziet evenmin in een rechtsgrond voor het opzetten of bijhouden van een gecentraliseerde databank op Unieniveau.

(22)  Biometrische gegevens moeten worden verzameld en opgeslagen in het opslagmedium van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten, zodat de authenticiteit van het document en de identiteit van de houder kunnen worden geverifieerd. Een dergelijke verificatie mag alleen worden verricht door naar behoren gemachtigd personeel en alleen wanneer de afgifte van een identiteitskaart of verblijfsvergunning wettelijk vereist is. Biometrische kenmerken die met het oog op de personalisering van identiteitskaarten of verblijfsdocumenten worden opgeslagen, moeten bovendien op een zeer veilige manier worden bewaard en slechts tot de datum waarop het document wordt afgehaald en in geen geval langer dan 90 dagen na de dag van afgifte van het document. Na deze periode moeten deze biometrische kenmerken onmiddellijk worden gewist en vernietigd. Dit mag geen afbreuk doen aan eventuele andere verwerking van deze gegevens overeenkomstig het Unie- of nationaal recht inzake gegevensbescherming.

(23)  Voor de toepassing van deze verordening dient rekening te worden gehouden met de specificaties van ICAO-document 9303 die mondiale interoperabiliteit garanderen onder meer voor machineleesbaarheid en het gebruik van visuele inspectie.

(24)  De lidstaten moeten kunnen besluiten of zij op een onder deze verordening vallend document de gender van een persoon willen vermelden. Indien een lidstaat de gender van een persoon op een dergelijk document vermeldt, moeten in voorkomend geval de specificaties van ICAO-document 9303 "F", "M" of "X" worden gebruikt, of de corresponderende letters in de taal of talen van die lidstaat.

(25)  Om ervoor te zorgen dat terdege rekening wordt gehouden met de toekomstige beveiligingsnormen en technische specificaties die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) 1030/2002 van de Raad(6), waar van toepassing, voor identiteitskaarten en verblijfskaarten, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(7). Met het oog daarop moet de Commissie worden bijgestaan door het comité dat is opgericht bij artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad(8). Indien noodzakelijk moet het mogelijk zijn dat de vastgestelde uitvoeringshandelingen geheim blijven, teneinde het risico op namaak en vervalsing tegen te gaan.

(26)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat passende en doeltreffende procedures voor de verzameling van biometrische kenmerken zijn vastgesteld en die procedures stroken met de rechten en beginselen zoals verankerd in het Handvest, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van de Raad van Europa en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de belangen van het kind tijdens de verzamelingsprocedure te allen tijde voorop staan. Daartoe moet gekwalificeerd personeel een passende opleiding krijgen op het gebied van kindvriendelijke methoden voor de verzameling van biometrische kenmerken.

(27)  Wanneer zich moeilijkheden voordoen bij het verzamelen van biometrische kenmerken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat passende procedures voorhanden zijn om de waardigheid van de betrokken persoon te eerbiedigen. Derhalve dient rekening te worden gehouden met specifieke overwegingen in verband met gender, alsook met de specifieke behoeften van kinderen en kwetsbare personen.

(28)  De invoering van minimumnormen voor de beveiliging en het model van identiteitskaarten dient lidstaten in staat te stellen op de authenticiteit van die documenten te vertrouwen wanneer Unieburgers hun rechten van vrij verkeer uitoefenen. De invoering van aangescherpte beveiligingsnormen moet overheidsinstanties en private entiteiten voldoende garanties bieden om te vertrouwen op de authenticiteit van de identiteitskaarten wanneer deze door Unieburgers voor identificatiedoeleinden worden gebruikt.

(29)  Een onderscheidingsteken in de vorm van de uit twee letters bestaande landencode van de lidstaat die het document afgeeft, omringd door twaalf gele sterren en negatief afgedrukt in een blauwe rechthoek, bevordert de visuele controle van het document, met name wanneer de houder het recht van vrij verkeer uitoefent.

(30)  Hoewel de mogelijkheid om aanvullende nationale kenmerken op te nemen behouden blijft, dienen de lidstaten ervoor te zorgen dat die kenmerken geen afbreuk doen aan de doeltreffendheid van de gemeenschappelijke beveiligingskenmerken of ongunstig uitwerken op de grensoverschrijdende compatibiliteit van de identiteitskaarten, zoals de geschiktheid dat de identiteitskaarten kunnen worden gelezen door machines die in gebruik zijn in andere lidstaten dan die van afgifte.

(31)  De vaststelling van beveiligingsnormen voor identiteitskaarten en voor verblijfskaarten van familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, mag niet leiden tot onevenredige stijging van de kosten voor Unieburgers of onderdanen van derde landen. De lidstaten dienen met dit beginsel rekening te houden wanneer zij een aanbesteding organiseren.

(32)  De lidstaten moeten alle noodzakelijke maatregelen nemen om te waarborgen dat biometrische gegevens op correcte wijze de persoon identificeren aan wie een identiteitskaart wordt verstrekt. Hiertoe kunnen lidstaten overwegen om biometrische kenmerken, met name de gezichtsopname, te verzamelen door middel van een persoonlijke verschijning van de aanvrager bij de nationale autoriteiten die de identiteitskaarten afgeven.

(33)  De lidstaten moeten dergelijke informatie met elkaar delen, aangezien deze nodig is voor de toegang, authenticatie en verificatie van de op het veilige opslagmedium opgeslagen informatie. De formaten die voor het veilige opslagmedium worden gebruikt, moeten interoperabel zijn en moeten ook bruikbaar zijn bij geautomatiseerde grenspassage.

(34)  Richtlijn 2004/38/EG betreft de situatie waarin Unieburgers, of familieleden van Unieburgers die geen onderdaan van een lidstaat zijn, die niet over de vereiste reisdocumenten beschikken, binnen redelijke grenzen in de gelegenheid moeten worden gesteld om op andere wijze te bewijzen dat zij het recht van vrij verkeer genieten. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om identiteitsdocumenten die voorlopig worden verstrekt en verblijfskaarten voor dergelijke familieleden.

(35)  Deze verordening neemt de verplichtingen in acht die zijn verankerd in het Handvest en in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van personen met een handicap. De lidstaten worden hiertoe aangemoedigd samen te werken met de Commissie aan de integratie van aanvullende kenmerken die identiteitskaarten toegankelijker en gebruiksvriendelijker maken voor mensen met een handicap, zoals visueel gehandicapte personen. De lidstaten moeten de toepassing van oplossingen onderzoeken, zoals mobiele aanvraagapparatuur, met het oog op de afgifte van identiteitskaarten aan personen die niet in staat zijn zelf langs te gaan bij de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van identiteitskaarten.

(36)  Verblijfsdocumenten die aan burgers van de Unie worden afgegeven, dienen specifieke informatie te bevatten om ervoor te zorgen dat zij als dusdanig in alle lidstaten worden geïdentificeerd. Een en ander dient de erkenning van het recht van vrij verkeer van de mobiele Unieburger en van de aan het gebruik van dat recht inherente rechten te vergemakkelijken, maar harmonisatie mag niet verder gaan dan hetgeen passend is om de zwakke punten van bestaande documenten aan te pakken. De lidstaten hebben de vrijheid om het formaat te kiezen waarin deze documenten worden afgegeven, en kunnen deze afgeven in een formaat dat voldoet aan de specificaties van ICAO-document 9303.

(37)  Wat betreft verblijfsdocumenten afgegeven aan familieleden die niet de nationaliteit bezitten van een lidstaat, is het wenselijk gebruik te maken van hetzelfde model en dezelfde beveiligingskenmerken als die waarin is voorzien door Verordening (EG) nr. 1030/2002 als gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/1954 van het Europees Parlement en de Raad(9). Niet alleen vormen die documenten een bewijs van het verblijfsrecht, zij stellen de houders ervan voor wie anders een visumplicht zou gelden, eveneens vrij van de verplichting om een visum te verkrijgen wanneer zij de burger van de Unie op het grondgebied van de Unie begeleiden of zich bij hem voegen.

(38)  In Richtlijn 2004/38/EG is bepaald dat documenten die worden afgegeven aan familieleden die niet de nationaliteit bezitten van een lidstaat, "Verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie" moet worden genoemd. Om hun identificatie te vergemakkelijken moeten op verblijfskaarten van een familielid van een burger van de Unie een gestandaardiseerde titel en code worden vermeld.

(39)  Rekening houdende met zowel het veiligheidsrisico als de kosten die lidstaten moeten maken, dienen identiteitskaarten maar ook verblijfskaarten van een familielid van een burger van de Unie met onvoldoende beveiligingsnormen te worden uitgefaseerd. Algemeen genomen dient een uitfaseringsperiode van tien jaar voor identiteitskaarten en vijf jaar voor verblijfskaarten voldoende te zijn om een evenwicht te vinden tussen de frequentie waarmee documenten doorgaans worden vervangen, en de noodzaak om de bestaande beveiligingslacune in de Unie te dichten. Voor kaarten die belangrijke beveiligingskenmerken missen of niet machineleesbaar zijn, is een kortere uitfaseringsperiode ▌om veiligheidsredenen noodzakelijk.

(40)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(10) is van toepassing op de op grond van deze verordening te verwerken persoonsgegevens Voorts dienen nadere waarborgen te worden bepaald die gelden voor de verwerkte persoonsgegevens, en in het bijzonder voor gevoelige gegevens, zoals biometrische kenmerken. De betrokkenen dienen er op te worden gewezen dat hun documenten een opslagmedium met hun biometrische gegevens bevatten, die ook contactloos toegankelijk zijn, alsmede op alle gevallen waarin de in hun identiteitskaarten en verblijfsdocumenten opgenomen gegevens worden gebruikt. Hoe dan ook dienen de betrokkenen toegang te hebben tot persoonsgegevens die in hun identiteitskaarten en verblijfsdocumenten zijn verwerkt en dienen zij het recht te hebben deze te laten aanpassen door de afgifte van een nieuw document, indien deze gegevens incorrect of incompleet zijn. Het opslagmedium dient aan de hoogste veiligheidseisen te voldoen en dient de erop opgeslagen persoonsgegevens doeltreffend tegen ongeoorloofde toegang te beschermen.

(41)  De lidstaten moeten, overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, verantwoordelijk zijn voor de correcte verwerking van biometrische gegevens, vanaf de verzameling tot aan de opname van de gegevens op het opslagmedium dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet.

(42)  De lidstaten moeten uiterste voorzichtigheid betrachten wanneer zij samenwerken met een externe dienstverlener. Een dergelijke samenwerking mag geen uitsluiting inhouden van de aansprakelijkheid van de lidstaten die voortvloeit uit het Unierecht of nationaal recht voor schendingen van bepalingen met betrekking tot persoonsgegevens.

(43)  In deze verordening dient de grondslag voor het verzamelen en het opslaan van gegevens op het opslagmedium van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten nader te worden vermeld. In overeenstemming met het Unierecht of het nationaal recht en met inachtneming van de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit, moeten de lidstaten ▌gegevens kunnen opslaan op een opslagmedium voor elektronische diensten of voor andere doeleinden met betrekking tot de identiteitskaart of het verblijfsdocument. De verwerking van dergelijke gegevens, met inbegrip van het verzamelen ervan, en de doelstellingen waarvoor deze kunnen worden gebruikt, dienen te worden toegestaan door het Unierecht of het nationale recht. Alle nationale gegevens dienen fysiek of logisch gescheiden te worden van de in deze verordening bedoelde biometrische gegevens en moeten worden verwerkt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679.

(44)  De lidstaten dienen deze verordening uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding ervan toe te passen. Vanaf de datum van toepassing van deze verordening mogen de lidstaten uitsluitend documenten afgeven die de in deze verordening uiteengezette vereisten in acht nemen.

(45)  De Commissie dient respectievelijk twee en elf jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt, verslag te doen over de tenuitvoerlegging ervan, onder meer over de vraag of het beveiligingsniveau passend is, met inachtneming van het effect ervan op de grondrechten en de gegevensbeschermingsbeginselen. Overeenkomstig het interinstitutioneel akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(11) dient de Commissie, zes jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt en vervolgens om de zes jaar, voor deze verordening een evaluatie uit te voeren op basis van via specifieke monitoringregelingen verzamelde informatie om de daadwerkelijke effecten van deze verordening en de behoefte aan verdere acties na te gaan. De lidstaten dienen, met het oog op de monitoring, statistische gegevens te verzamelen over het aantal door hen afgegeven identiteitskaarten en verblijfsdocumenten.

(46)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken van beveiliging en het vergemakkelijken van het vrij verkeer voor burgers van de Unie en hun familieleden, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(47)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest, waaronder de menselijke waardigheid, de eerbiediging van het recht op lichamelijke integriteit, het verbod op onmenselijke of vernederende behandeling, het recht op gelijkheid voor de wet en non-discriminatie, de rechten van kinderen en ouderen, de eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven, het recht op de bescherming van persoonsgegevens, het recht van vrij verkeer en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, en de lidstaten dienen bij de tenuitvoerlegging van deze verordening het Handvest te eerbiedigen.

(48)  De Europese toezichthouder voor gegevensbescherming en het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten hebben respectievelijk op 10 augustus 2018(12) en op 5 september 2018(13) een advies uitgebracht.

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening versterkt de beveiligingsnormen die gelden voor identiteitskaarten die lidstaten aan hun onderdanen afgeven, en voor verblijfsdocumenten die lidstaten afgeven aan burgers van de Unie en hun familieleden wanneer deze(n) hun recht op vrij verkeer binnen de Unie uitoefenen.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op:

a)  identiteitskaarten die lidstaten aan hun eigen onderdanen afgeven als bedoeld in artikel 4, lid 3, van Richtlijn 2004/38/EG;

Deze verordening is niet van toepassing op identiteitsdocumenten die tijdelijk worden afgegeven en die een geldigheidsduur van minder dan zes maanden hebben.

b)  verklaringen van inschrijving afgegeven overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2004/38/EG aan burgers van de Unie die langer dan drie maanden in een gastland verblijven en documenten ter staving van duurzaam verblijf op verzoek afgegeven aan burgers van de Unie overeenkomstig artikel 19 van Richtlijn 2004/38/EG;

c)  verblijfskaarten afgegeven overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2004/38/EG aan familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en duurzame verblijfskaarten afgegeven overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2004/38/EG aan familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten.

HOOFDSTUK II

NATIONALE IDENTEITSKAARTEN

Artikel 3

Beveiligingsnormen/model/specificaties

1.  Identiteitskaarten die lidstaten afgeven, worden geproduceerd in het ID-1-model en bevatten een machineleesbare zone. Zij zijn gebaseerd op de specificaties en de minimumbeveiligingsnormen van ICAO-document 9303 en voldoen aan de bepalingen die zijn opgenomen onder de punten c), d), f) en g) van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1030/2002 als gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/1954.

2.  De gegevenselementen die op de identiteitskaarten worden vermeld voldoen aan de in deel vijf van ICAO-document 9303 vastgelegde specificaties.

In afwijking van de eerste alinea mag het documentnummer in zone I worden vermeld, terwijl de vermelding van het geslacht van een persoon optioneel is.

3.  Het document draagt als titel "Identiteitskaart" of een andere goed ingeburgerde benaming in de officiële taal of talen van de afgevende lidstaat, en de woorden "identiteitskaart" in ten minste één andere officiële taal van de instellingen van de Unie;

4.  De identiteitskaart bevat, aan de voorzijde, de uit twee letters bestaande landencode van de lidstaat die het document afgeeft, negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek.

5.  De identiteitskaart bevat een opslagmedium dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet en dat een gezichtsopname en twee vingerafdrukbeelden van de houder van de kaart bevat, in een digitaal formaat. Voor het verzamelen van biometrische gegevens passen de lidstaten de technische specificaties toe die zijn vastgesteld bij Commissiebesluit C(2018)7767(14).

6.  Het opslagmedium heeft voldoende capaciteit en is voldoende geschikt om de integriteit, de authenticiteit en de vertrouwelijkheid van de gegevens te garanderen. De gegevens zijn contactloos toegankelijk en zijn beveiligd zoals bepaald in Besluit C(2018)/7767. De lidstaten wisselen onderling de informatie uit die nodig is voor de authenticatie van het opslagmedium en voor de toegang tot en verificatie van de in lid 5 vermelde biometrische gegevens.

7.  Kinderen onder de twaalf jaar kunnen worden vrijgesteld van de verplichting om vingerafdrukken te laten nemen.

Kinderen onder de zes jaar zijn vrijgesteld van de verplichting om vingerafdrukken te laten nemen.

▌Personen bij wie het nemen van vingerafdrukken fysiek onmogelijk is, worden vrijgesteld van de verplichting om vingerafdrukken te laten nemen.

8.  Indien dit noodzakelijk is voor en in verhouding staat tot het nagestreefde doel kunnen de lidstaten bijzonderheden en opmerkingen opnemen voor nationaal gebruik, zoals vereist in overeenstemming met hun nationale bepalingen. De efficiëntie van de minimumbeveiligingsnormen en de grensoverschrijdende compatibiliteit van de identiteitskaarten mogen hierdoor niet worden aangetast.

9.  Wanneer de lidstaten een dual interface of een afzonderlijk opslagmedium opnemen in de identiteitskaart, voldoet het aanvullende opslagmedium aan de desbetreffende ISO-normen en interfereert het niet met het in lid 5 genoemde opslagmedium.

10.  Wanneer de lidstaten gegevens voor elektronische diensten zoals e-overheid en e-business in de identiteitskaart opnemen, zijn dergelijke nationale gegevens fysiek of logisch gescheiden van de in lid 5 genoemde biometrische gegevens.

11.  Wanneer de lidstaten aanvullende beveiligingskenmerken opnemen in de identiteitskaarten, mag de grensoverschrijdende compatibiliteit van die identiteitskaarten en de efficiëntie van de minimumbeveiligingsnormen niet afnemen.

Artikel 4

Geldigheidsduur

1.  Identiteitskaarten hebben een minimale geldigheidsduur van vijf jaar en een maximale geldigheidsduur van tien jaar.

2.  In afwijking van lid 1 kan een lidstaat voorzien in een geldigheidsduur van:

a)  minder dan vijf jaar, voor identiteitskaarten die aan minderjarigen worden verstrekt;

b)  in uitzonderlijke gevallen, minder dan vijf jaar, voor identiteitskaarten die worden verstrekt aan personen in speciale of anderszins strikt gelimiteerde omstandigheden en waarvan de geldigheidsduur beperkt is in overeenstemming met het Unie- en nationaal recht.

c)  meer dan tien jaar, voor identiteitskaarten die worden verstrekt aan personen van zeventig jaar en ouder.

3.  Indien er tijdelijk van geen enkele vinger een afdruk kan worden gemaakt om een fysieke reden, kunnen de lidstaten een identiteitskaart afgeven met een geldigheidsduur van twaalf maanden of minder.

Artikel 5

Uitfasering

1.   Identiteitskaarten die niet aan de vereisten van artikel 3 voldoen, zijn niet langer geldig bij de einddatum van hun geldigheid of, wanneer dit vroeger valt, uiterlijk op ... [tien jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt]. ▌

2.   In afwijking van lid 1:

a)   zijn identiteitskaarten die niet aan de minimumbeveiligingsvereisten van deel 2 van ICAO-document 9303 voldoen of die geen functionele MRZ als gedefinieerd in lid 3 bevatten, niet langer geldig bij de einddatum van geldigheid of, wanneer dit vroeger valt, uiterlijk op ... [vijf jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt];

b)  zijn identiteitskaarten van personen die op ... [de datum waarop deze verordening van toepassing wordt] zeventig jaar of ouder zijn, die aan de minimumbeveiligingsvereisten van deel 2 van ICAO-document 9303 voldoen en die een functionele MRZ als gedefinieerd in lid 3 bevatten, niet langer geldig bij de einddatum van geldigheid;

3.   Voor de toepassing van lid 2 wordt onder een functionele MRZ verstaan:

a)  een machineleesbare zone die voldoet aan deel 3 van ICAO-document 9303; of

b)  enige andere machineleesbare zone waarvoor de lidstaat van afgifte de regels bekend maakt die gelden voor het uitlezen en weergeven van de hierin opgenomen informatie, tenzij een lidstaat de Commissie uiterlijk op ... [de datum waarop deze verordening van toepassing wordt] in kennis stelt van zijn onvermogen om deze informatie uit te lezen en weer te geven.

Bij ontvangst van een kennisgeving als bedoeld in de eerste alinea, onder b), stelt de Commissie de betrokken lidstaat en de Raad dienovereenkomstig van een dergelijke kennisgeving op de hoogte.

HOOFDSTUK III

Verblijfsdocumenten voor burgers van de Unie

Artikel 6

Minimaal te vermelden informatie

Wanneer verblijfsdocumenten door lidstaten worden afgeven aan burgers van de Unie is hierop ten minste het volgende aangegeven:

a)  de titel van het document in de officiële talen of talen van de betrokken lidstaat en in ten minste één andere officiële taal van de instellingen van de Unie;

b)  een duidelijke vermelding dat het document is afgegeven aan een burger van de Unie in overeenstemming met Richtlijn 2004/38/EG;

c)  het documentnummer;

d)  de naam (achternaam en voornaam/voornamen) van de houder;

e)  de geboortedatum van de houder;

f)   de informatie die moet worden opgenomen in registratiecertificaten en documenten ter staving van duurzaam verblijf, die worden afgegeven in overeenstemming met respectievelijk de artikelen 8 en 19 van Richtlijn 2004/38/EG;

g)  de afgevende autoriteit;

h)  aan de voorzijde, de uit twee letters bestaande landencode van de lidstaat die het document afgeeft, negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek.

Indien een lidstaat besluit om vingerafdrukken af te nemen, is artikel 3, lid 7, van dienovereenkomstige toepassing.

Personen bij wie het nemen van vingerafdrukken fysiek onmogelijk is, worden vrijgesteld van de verplichting om vingerafdrukken te laten nemen.

HOOFDSTUK IV

Verblijfskaart voor familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten

Artikel 7

Uniform model

.1. Wanneer lidstaten verblijfskaarten afgeven aan familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, gebruiken zij hetzelfde model als dat wat is vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1030/2002 als gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/1954 en ten uitvoer gelegd bij Beschikking C(2018)7767.

2.  In afwijking van lid 1 ▌heeft een kaart als titel respectievelijk, "Verblijfskaart ▌" of "Kaart duurzaam verblijf ▌". De lidstaten geven aan dat deze documenten zijn afgegeven aan een familielid van een burger van de Unie overeenkomstig Richtlijn 2004/38/EG. Hiertoe gebruiken de lidstaten de gestandaardiseerde code "Familielid EU Art 10 RL 2004/38/EG" of "Familielid EU Art 20 RL 2004/38/EG" in gegevensveld [10], als bedoeld in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1030/2002 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/1954.

.3. De lidstaten mogen gegevens voor nationaal gebruik invoeren overeenkomstig het nationale recht. Wanneer lidstaten dergelijke gegevens invoeren en opslaan, nemen zij de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 4, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 1030/2002 zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2017/1954 in acht.

Artikel 8

Uitfasering van bestaande verblijfskaarten

1.  Verblijfskaarten van familieleden van burgers van burgers van de Unie die niet aan de vereisten van artikel 7 voldoen, zijn niet langer geldig bij de einddatum van geldigheid of, wanneer dit vroeger valt, uiterlijk op ... [vijf jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt].

2.  In afwijking van lid 1 zijn verblijfskaarten van familieleden van burgers van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat hebben, die niet aan de minimumbeveiligingsvereisten van deel 2 van ICAO-document 9303 voldoen of die geen functionele MRZ die voldoet aan deel 3 van ICAO-document 9303 bevatten, zijn niet langer geldig bij de einddatum van geldigheid of, wanneer dit vroeger valt, uiterlijk op ... [twee jaar na de datum waarop deze verordening van toepassing wordt];

HOOFDSTUK V

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

Artikel 9

Contactpunt

1.  Elke lidstaat wijst voor de toepassing van deze verordening ten minste één centrale autoriteit als contactpunt aan. Wanneer een lidstaat meer dan een centrale autoriteit heeft aangewezen, geeft hij aan welke van deze autoriteiten als contactpunt voor de tenuitvoerlegging van deze verordening zal fungeren. De lidstaat deelt de naam van die autoriteit aan de Commissie en aan de overige lidstaten mee. Indien een lidstaat de door hem aangewezen autoriteit verandert, stelt hij de Commissie en de overige lidstaten daarvan in kennis.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de contactpunten bekend zijn met de ▌relevante informatie- en ondersteuningsdiensten op Unieniveau, die zijn opgenomen in één digitale toegangspoort als bedoeld in Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad(15), en in staat zijn met deze diensten samen te werken.

Artikel 10

Verzameling van biometrische gegevens

1.  De biometrische gegevens worden uitsluitend verzameld door gekwalificeerd en naar behoren gemachtigd personeel dat door de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van identiteitskaarten of verblijfskaarten, is aangewezen met als doel te worden geïntegreerd in het in artikel 3, lid 5, voor identiteitskaarten, en artikel 7, lid 1, voor verblijfskaarten bedoelde opslagmedium dat aan de hoogste veiligheidseisen voldoet. Bij wijze van afwijking op de eerste zin worden vingerafdrukken uitsluitend verzameld door gekwalificeerd en naar behoren gemachtigd personeel van deze autoriteiten, behalve in het geval van aanvragen die zijn ingediend bij de diplomatieke of consulaire autoriteiten van de lidstaat.

Om te waarborgen dat de biometrische gegevens consistent zijn met de identiteit van de aanvrager, verschijnt de aanvrager tijdens het proces van afgifte voor iedere aanvraag ten minste een maal in persoon.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat passende en doeltreffende procedures voor de verzameling van biometrische gegevens zijn vastgesteld en dat procedures stroken met de rechten en beginselen zoals verankerd in het Handvest, het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind.

Wanneer zich moeilijkheden voordoen bij het verzamelen van biometrische gegevens, zorgen de lidstaten ervoor dat passende procedures voorhanden zijn om de waardigheid van de betrokken persoon te eerbiedigen.

3.  Tenzij dit met het oog op verwerking in overeenstemming met het Unie- en nationaal recht vereist is, worden biometrische gegevens die met het oog op de personalisering van identiteitskaarten of verblijfsdocumenten worden opgeslagen, op een zeer veilige manier bewaard en slechts tot de datum waarop het document wordt afgehaald en in geen geval langer dan 90 dagen na de dag van afgifte van het document. Na deze periode worden deze biometrische gegevens onmiddellijk gewist en vernietigd.

Artikel 11

Bescherming van persoonsgegevens en aansprakelijkheid

1.  Onverminderd Verordening (EU) 2016/679 dragen de lidstaten zorg voor de beveiliging, integriteit, authenticiteit en vertrouwelijkheid van de voor de toepassing van deze verordening verzamelde en opgeslagen gegevens.

2.  Voor de toepassing van deze verordening worden de voor de afgifte van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten verantwoordelijke autoriteiten beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke als bedoeld in artikel 4, lid 7, van Verordening (EU) 2016/679 en zijn zij verantwoordelijk voor de verwerking van persoonsgegevens.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat toezichthoudende autoriteiten hun taken als bedoeld in Verordening (EU) 2016/679 volledig kunnen vervullen, en onder meer toegang hebben tot alle persoonsgegevens en alle vereiste informatie, evenals toegang tot alle bedrijfsruimten of uitrusting voor gegevensverwerking van de bevoegde autoriteiten.

4.  Samenwerking met externe dienstverleners mag geen uitsluiting inhouden van de aansprakelijkheid van een lidstaat, die voortvloeit uit het Unierecht of nationaal recht in verband met schendingen van bepalingen met betrekking tot persoonsgegevens.

5.  Informatie in machineleesbaar formaat wordt alleen op een identiteitskaart of verblijfsdocument vermeld in overeenstemming met deze verordening en het nationaal recht van de afgevende lidstaat.

6.  Biometrische gegevens die worden opgeslagen op het opslagmedium van identiteitskaarten en verblijfsdocumenten worden, in overeenstemming met Unierecht en nationaal recht, door de naar behoren gemachtigde personeelsleden van de bevoegde nationale autoriteiten en Unie-agentschappen, alleen gebruikt voor het verifiëren van:

a)  de authenticiteit van de identiteitskaart of het verblijfsdocument;

b)  de identiteit van de houder door middel van direct beschikbare en vergelijkbare kenmerken wanneer het overleggen van een identiteitskaart of verblijfsdocument wettelijk vereist is.

7.  De lidstaten houden een lijst bij van de bevoegde autoriteiten die toegang hebben tot de biometrische gegevens die zijn opgeslagen op het in artikel 3, lid 5, van deze verordening bedoelde opslagmedium en stellen de Commissie van deze lijst jaarlijks in kennis. De Commissie publiceert online een compilatie van deze nationale lijsten.

Artikel 12

Monitoring

Uiterlijk op ... [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] stelt de Commissie een gedetailleerd programma op voor de monitoring van de outputs, resultaten en effecten van deze verordening, met inbegrip van de gevolgen van de verordening voor de grondrechten.

In het monitoringprogramma wordt vermeld met welke middelen en op welke tijdstippen gegevens en ander noodzakelijke bewijsstukken moeten worden verzameld. In het programma wordt tevens nader aangegeven welke actie de Commissie en de lidstaten moeten ondernemen om de gegevens en andere bewijsstukken te verzamelen en te analyseren.

De lidstaten verschaffen de Commissie de voor deze monitoring noodzakelijke gegevens en andere bewijsstukken.

Artikel 13

Rapportage en evaluatie

1.  Respectievelijk twee jaar en elf jaar na de datum van toepassing van deze verordening dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag in over de tenuitvoerlegging ervan, met name over de bescherming van de grondrechten en persoonsgegevens.

2.  ▌Zes jaar na de datum van toepassing van deze verordening en vervolgens om de zes jaar stelt de Commissie een evaluatie van deze verordening op en brengt zij over de belangrijkste bevindingen verslag uit aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité. In het verslag wordt met name aandacht besteed aan:

a)  de gevolgen van deze verordening voor de grondrechten;

b)  de mobiliteit van burgers van de Unie;

c)  de doeltreffendheid van biometrische verificatie bij het waarborgen van de beveiliging van reisdocumenten;

d)  mogelijk gebruik van verblijfskaarten als reisdocumenten;

e)  mogelijke verdere harmonisering van identiteitskaarten;

f)  de noodzaak om gemeenschappelijke veiligheidskenmerken van tijdelijke identiteitsdocumenten in te voeren met het oog op een betere erkenning ervan.

3.  De lidstaten en de Unie-agentschappen die op dit gebied actief zijn, verstrekken de Commissie de informatie die nodig is om deze verslagen op te stellen.

Artikel 14

Aanvullende technische specificaties

1.  Om er in voorkomend geval voor te zorgen dat de in artikel 2, onder a) en c), bedoelde identiteitskaarten en verblijfsdocumenten overeenstemmen met de toekomstige minimumbeveiligingsnormen, stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen aanvullende technische specificaties vast met betrekking tot het volgende:

a)   aanvullende beveiligingskenmerken en -vereisten, met inbegrip van strengere normen ter voorkoming van vervalsing en namaak;

b)  technische specificaties voor het opslagmedium waarop de biometrische gegevens worden opgeslagen als bedoeld in artikel 3, lid 5, en voor de beveiliging daarvan, waaronder het voorkomen van ongeoorloofde toegang en het faciliteren van validatie;

c)  kwaliteitseisen en gemeenschappelijke technische normen inzake gezichtsopname en vingerafdrukken.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.  Overeenkomstig de in artikel 15, lid 2, bedoelde procedure kan worden besloten dat de in dit artikel bedoelde specificaties geheim zijn en niet worden bekendgemaakt. Zij worden in dergelijk geval uitsluitend verstrekt aan de door de lidstaten aangewezen organisaties die verantwoordelijk zijn voor het drukken en aan door een lidstaat of de Commissie naar behoren gemachtigde personen.

3.  Iedere lidstaat wijst één instantie aan die verantwoordelijk is voor het drukken van identiteitskaarten en één instantie die verantwoordelijk is voor het drukken van verblijfskaarten van familieleden van burgers van de Unie, en geeft de namen van deze instanties door aan de Commissie en aan de andere lidstaten. De lidstaten hebben het recht dergelijke aangewezen instanties te veranderen en stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan dienovereenkomstig in kennis.

De lidstaten mogen ook één enkele instantie aanwijzen die verantwoordelijk is voor het drukken van zowel identiteitskaarten als verblijfskaarten van familieleden van burgers van de Unie, en geven de naam van deze instantie door aan de Commissie en aan de andere lidstaten.

Twee of meer lidstaten kunnen ook besluiten om één enkele instantie voor deze doeleinden aan te wijzen en stellen de Commissie en de andere lidstaten daarvan dienovereenkomstig in kennis.

Artikel 15

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1683/95 ingestelde comité.

Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit punt wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Als het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 78.
(2)PB C 367 van 10.10.2018, blz. 78.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 4 april 2019.
(4)Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (PB L 158 van 30.4.2004, blz. 77).
(5)Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
(6) Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 157 van 15.6.2002, blz. 1).
(7) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(8) Verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel (PB L 164 van 14.7.1995, blz. 1).
(9) Verordening (EU) 2017/1954 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2017 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1030/2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (PB L 286 van 1.11.2017, blz. 9).
(10)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad n 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(11)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(12) PB C 338 van 21.9.2018, blz. 22.
(13) Nog niet bekendgemaakt.
(14) Commissiebesluit C(2018)7767 van 30 november 2018 tot vastlegging van de technische specificaties betreffende een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen
(15) Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1).


Beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur ***I
PDF 242kWORD 74k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/96/EG betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (COM(2018)0274 – C8-0196/2018 – 2018/0129(COD))
P8_TA-PROV(2019)0346A8-0008/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0274),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 91, lid 1, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0196/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 6 februari 2019(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0008/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2008/96/EG betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur(3)

P8_TC1-COD(2018)0129


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(6),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's van 20 juli 2010, "Naar een Europese verkeersveiligheidsruimte - Strategische beleidsoriëntaties inzake de verkeersveiligheid voor de periode 2011-2020", wordt verklaard dat het de strategische doelstelling van de Unie is om het aantal verkeersdoden tegen 2020 te halveren in vergelijking met 2010, en tegen 2050 tot nagenoeg nul terug te brengen. In de afgelopen jaren is de vooruitgang op weg naar de verwezenlijking van die doelstellingen echter gestokt. In zijn conclusies van 8 juni 2017 over verkeersveiligheid, waarin de inhoud van de Verklaring van Valletta van maart 2017 wordt bekrachtigd, heeft de Raad zijn goedkeuring gehecht aan een nieuwe tussentijdse doelstelling om tegen 2030 het aantal ernstige verkeersletsels in vergelijking met 2020 te halveren. Er zijn daarom meer inspanningen nodig om deze twee doelstellingen te halen.

(2)  Volgens de "Safe System"-benadering kunnen verkeersongevallen met doden en zwaargewonden bijna volledig worden voorkomen. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid op alle niveaus om ervoor te zorgen dat verkeersongevallen geen ernstige of dodelijke verwondingen tot gevolg hebben. Met name goed ontworpen en onderhouden alsook duidelijk gemarkeerde en bewegwijzerde wegen kunnen de kans op verkeersongevallen beperken, en als een ongeval toch plaatsvindt, kunnen "vergevingsgezinde" wegen (intelligent aangelegde wegen die ervoor zorgen dat rijfouten niet onmiddellijk ernstige of dodelijke gevolgen hebben) de ernst van verkeersongevallen beperken. De Commissie moet op basis van de door alle lidstaten opgedane ervaringen richtsnoeren verstrekken voor de aanleg en het onderhoud van "vergevingsgezinde" wegkanten.

(3)  De wegen van het trans-Europees vervoersnetwerk (hierna "TEN-T-netwerk" genoemd), zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7), spelen een cruciale rol bij de ondersteuning van de Europese integratie. Er moet dan ook worden gezorgd voor een hoog niveau van veiligheid op die wegen.

(4)  De op het TEN-T-netwerk toegepaste procedures voor het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur hebben het aantal doden en zwaargewonden in de Unie helpen terugdringen. Uit de effectbeoordeling van Richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) blijkt duidelijk dat de lidstaten die de beginselen van het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur vrijwillig toepassen op hun nationale wegen die geen deel uitmaken van het TEN-T-netwerk, veel beter scoren op het gebied van verkeersveiligheid dan de lidstaten die dit niet doen. Het is derhalve wenselijk dat die beginselen ook op andere delen van het Europese wegennet worden toegepast.

(5)  Het is van belang dat de weggedeelten over bruggen en door tunnels die deel uitmaken van het netwerk dat onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, ook onder deze richtlijn vallen voor zover het de verkeersveiligheid betreft, met uitzondering van de tunnels die onder Richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad vallen(9).

(6)  Met het oog op de verkeersveiligheid is het belangrijk dat de ingangen naar en uitgangen van parkeerterreinen langs het netwerk dat onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, in het bijzonder langs autosnelwegen en hoofdwegen, ook onder deze richtlijn vallen.

(7)  De seizoensgebonden omstandigheden verschillen sterk van lidstaat tot lidstaat en van regio tot regio. Het is derhalve van belang dat in de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn naar behoren rekening wordt gehouden met deze omstandigheden.

(8)  Een groot gedeelte van de verkeersongevallen doet zich voor op een klein gedeelte van het wegennet, namelijk op wegen met hoge verkeersvolumes en snelheden en met grote verschillen in rijsnelheid. Een beperkte uitbreiding van het toepassingsgebied van Richtlijn 2008/96/EG tot de autosnelwegen en andere hoofdwegen die geen deel uitmaken van het TEN-T-netwerk, zal dan ook een aanzienlijke bijdrage leveren tot de verbetering van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur in de hele Unie.

(9)  Om ervoor te zorgen dat een dergelijke uitbreiding van het toepassingsgebied het beoogde effect heeft, is het logisch dat hoofdwegen die geen autosnelwegen zijn, alle wegen omvatten die in de nationale wegindeling behoren tot de hoogste wegcategorie onder de categorie "autosnelweg". Om dezelfde reden moeten de lidstaten worden aangemoedigd om ervoor te zorgen dat ten minste alle wegen waarop Richtlijn 2008/96/EG vóór de inwerkingtreding van de onderhavige richtlijn al dan niet op vrijwillige basis van toepassing was, ook onder de onderhavige richtlijn blijven vallen.

(10)  De verplichte toepassing van de procedures van Richtlijn 2008/96/EG op alle weginfrastructuurprojecten buiten stedelijke gebieden die met financiering van de Unie worden gerealiseerd, moet garanderen dat deze middelen niet worden gebruikt om onveilige wegen aan te leggen.

(11)  Richtlijn 2008/96/EG heeft uitsluitend betrekking op weginfrastructuur. Deze richtlijn laat derhalve de wegverkeerswetgeving evenals de bevoegdheid van de lidstaten om op eigen gezag besluiten te nemen met betrekking tot wegverkeerswetgeving onverlet. Het VN-Verdrag van Genève inzake het wegverkeer van 19 september 1949, het Verdrag van Wenen inzake het wegverkeer van 8 november 1968 en het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens van 8 november 1968 moeten worden geëerbiedigd.

(12)  Risicogebaseerde veiligheidsbeoordelingen van het wegennet zijn een efficiënt en effectief instrument gebleken om te bepalen welke gedeelten van het wegennet aan een meer gerichte en gedetailleerde verkeersveiligheidsinspectie moeten worden onderworpen en welke investeringen prioriteit moeten krijgen omdat ze kunnen leiden tot een verbetering van de veiligheid op het volledige wegennet. Het volledige wegennet dat onder deze richtlijn valt, moet dan ook systematisch worden beoordeeld, onder meer aan de hand van elektronisch en digitaal verzamelde gegevens, om de verkeersveiligheid in de hele Unie te verbeteren.

(13)  Door de best presterende onderdelen van de oude procedure voor de "classificatie en het beheer van de verkeersveiligheid van het in gebruik zijnde wegennet" te integreren in de nieuwe veiligheidsbeoordeling van het wegennet kan beter worden bepaald welke weggedeelten het grootste potentieel bieden om de veiligheid te verbeteren en waar gericht ingrijpen tot de grootste verbeteringen leidt.

(14)  Om de kwaliteit, objectiviteit en efficiëntie van de procedures voor het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur te verbeteren, is het nuttig lidstaten in staat te stellen om, in voorkomend geval, te profiteren van de zich steeds verder ontwikkelende technologieën voor inspectie van weggedeelten, documentering van de verkeersveiligheid en verzameling van andere gegevens over de veiligheid van het wegennet.

(15)  Systematische follow-up van de bevindingen van de procedures voor het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur is van cruciaal belang om de verbeteringen van de veiligheid van de weginfrastructuur tot stand te brengen die nodig zijn om de verkeersveiligheidsdoelstellingen van de Unie te bereiken. Geprioriteerde actieplannen moeten ervoor zorgen dat de nodige ingrepen zo snel mogelijk worden uitgevoerd. Met name de bevindingen van de veiligheidsbeoordeling van het wegennet moeten leiden tot gerichte verkeersveiligheidsinspecties of, indien mogelijk en kostenefficiënt, tot directe remediërende maatregelen ter verwijdering of vermindering van de risico's voor de verkeersveiligheid, zonder onnodige administratieve lasten op te leggen.

(16)  Het veiligheidsniveau van bestaande wegen moet worden verbeterd door de investeringen te richten op de weggedeelten met het hoogste aantal ongevallen en het grootste potentieel om het aantal ongevallen te doen afnemen.

(17)  Financiering en financiële stimulansen op het niveau van de Unie kunnen, in overeenstemming met de toepasselijke voorwaarden, worden gebruikt om dergelijke investeringen te ondersteunen, ter aanvulling van overeenkomstige nationale investeringen en stimulansen.

(18)  Het risico op ongevallen is met name groot op delen van het wegennet die grenzen aan wegtunnels van het trans-Europese wegennet dat onder Richtlijn 2004/54/EG valt. Om de veiligheid te verbeteren van het wegennet dat onder de onderhavige richtlijn valt, moet dan ook worden voorzien in gezamenlijke veiligheidsinspecties van die weggedeelten door vertegenwoordigers van zowel de bevoegde wegenautoriteiten als de bevoegde tunnelautoriteiten.

(19)  In 2017 maakten kwetsbare weggebruikers 47 % uit van alle verkeersdoden in de Unie. De veiligheid van de kwetsbare weggebruikers zou moeten verbeteren door ervoor te zorgen dat in alle procedures voor het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur rekening wordt gehouden met deze gebruikers en door kwaliteitseisen te ontwikkelen inzake voor deze weggebruikers bestemde infrastructuur.

(20)  Om de lidstaten in staat te stellen hun procedures te verbeteren die erop gericht zijn het operationele gebruik van hun wegmarkeringen en verkeersborden te waarborgen, moeten gemeenschappelijke specificaties worden vastgesteld om de effectieve leesbaarheid en detecteerbaarheid van wegmarkeringen en verkeersborden voor menselijke bestuurders en geautomatiseerde rijhulpsystemen te bevorderen.

(21)  Verbetering van de veiligheid is ook een prioriteit voor spoorwegovergangen (d.w.z. seingeving, verbetering van de infrastructuur). Volgens het verslag over spoorwegveiligheid en -interoperabiliteit in de EU van 2018 van het Spoorwegbureau van de Europese Unie vonden er in 2016 aan de 108 000 spoorwegovergangen in de Unie 433 ernstige ongevallen plaats, waarbij 255 personen stierven en 217 personen zwaargewond raakten. De overgangen die een groot veiligheidsrisico vormen, moeten dan ook worden geïdentificeerd met het oog op de verbetering van die overgangen.

(22)  Hoogwaardige wegmarkeringen en verkeersborden vervullen een cruciale ondersteunende rol voor bestuurders en verbonden en geautomatiseerde voertuigen. Gemeenschappelijke specificaties voor wegmarkeringen en verkeersborden moeten de basis vormen voor de uitrol van geavanceerde verbonden en geautomatiseerde mobiliteitssystemen. Een gezamenlijke Europese aanpak in overeenstemming met het Verdrag van Wenen inzake verkeerstekens van 1968 verdient in dit verband de voorkeur.

(23)  Om de verwachte resultaten van de toepassing van deze richtlijn te versterken en een adequaat veiligheidsniveau in noodsituaties te waarborgen, kunnen de lidstaten waar nodig en vooral op grensoverschrijdende weggedeelten de samenwerking tussen hun diensten voor civiele bescherming, noodhulp en verkeerspolitie bevorderen. Wanneer bij deze activiteiten samenwerking tussen de lidstaten nodig is, biedt het Uniemechanisme voor civiele bescherming hiertoe een kader overeenkomstig Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad(10).

(24)  Onverminderd de wetgeving inzake overheidsopdrachten, met name Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad(11), moeten de technische specificaties inzake veiligheid voor het publiek toegankelijk worden gemaakt wanneer overheidsopdrachten in de sector weginfrastructuur worden aanbesteed.

(25)  Om de transparantie te garanderen en ervoor te zorgen dat meer rekenschap wordt afgelegd, moet de veiligheidsclassificatie van de wegen worden gerapporteerd zodat weggebruikers op de hoogte kunnen worden gesteld van de toestand van de infrastructuur en over het algemeen beter geïnformeerd zijn.

(26)  De uitwisseling van ervaringen op het gebied van "Safe System"-methoden tussen vakmensen en de informatie-uitwisseling tussen verkeersveiligheidsauditoren moet worden bevorderd.

(27)  De bekendmaking van de resultaten van veiligheidsbeoordelingen van het wegennet moet het mogelijk maken om het niveau van veiligheid van weginfrastructuur in de hele Unie te vergelijken.

(28)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vaststelling van procedures om een consequent hoog verkeersveiligheidsniveau op het hele TEN-T-netwerk en het hele netwerk van autosnelwegen en hoofdwegen in de Unie te verzekeren, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar beter kan worden bereikt op het niveau van de Unie, aangezien in de hele Unie verbeteringen nodig zijn om te zorgen voor convergentie naar hogere normen voor de veiligheid van weginfrastructuur, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. Ten gevolge van maatregelen op het niveau van de Unie moet reizen in de Unie veiliger worden, en dit moet op zijn beurt de werking van de interne markt verbeteren en de doelstelling van economische, sociale en territoriale samenhang ondersteunen.

(29)  Om te garanderen dat de inhoud van de procedures voor het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur een weergave vormt van de beste beschikbare technische kennis, moet de Commissie worden gemachtigd om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen met het oog op de aanpassing van de bijlagen bij deze richtlijn aan de technische vooruitgang. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(12). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(30)  Er zijn specifieke maatregelen nodig om de praktijken op het gebied van het beheer van de veiligheid van het wegennet te blijven verbeteren en om de herkenning van wegmarkeringen en verkeersborden door voertuigen met rijhulpsystemen of hogere niveaus van automatisering te vergemakkelijken. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van de desbetreffende bepalingen van deze richtlijn, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(13).

(31)  Richtlijn 2008/96/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2008/96/EG

Richtlijn 2008/96/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  Artikel 1 wordt vervangen door:"

"Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.  Krachtens deze richtlijn worden procedures vastgesteld en uitgevoerd met betrekking tot verkeersveiligheidseffectbeoordelingen, verkeersveiligheidsaudits, verkeersveiligheidsinspecties en veiligheidsbeoordelingen van het wegennet door de lidstaten.

2.  Deze richtlijn is van toepassing op wegen die deel uitmaken van het trans-Europese wegennet, op autosnelwegen en op andere hoofdwegen, en heeft betrekking op zowel wegen in de ontwerp- of aanlegfase als op wegen die reeds in gebruik zijn.

3.  Deze richtlijn is ook van toepassing op niet onder lid 2 vallende wegen en weginfrastructuurprojecten die zich buiten stedelijke gebieden bevinden, geen toegangen naar aanliggende percelen omvatten en met financiering van de Unie worden gerealiseerd, met uitzondering van wegen die niet toegankelijk zijn voor algemeen verkeer met motorvoertuigen (zoals fietspaden), of wegen die niet voor algemeen verkeer zijn ontworpen (zoals toegangswegen naar industriële, landbouw- of bosbouwlocaties).

4.  Op basis van naar behoren gemotiveerde redenen die verband houden met verkeersvolumes en ongevallenstatistieken kunnen de lidstaten hoofdwegen met een laag veiligheidsrisico uitsluiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn.

De lidstaten kunnen in het toepassingsgebied van deze richtlijn ook wegen opnemen die niet in de leden 2 en 3 worden bedoeld.

Elke lidstaat geeft de Commissie uiterlijk op ... [24 maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] kennis van de lijst van autosnelwegen en hoofdwegen op zijn grondgebied en, nadien, van de eventuele latere wijzigingen daarvan. Elke lidstaat geeft de Commissie bovendien kennis van de wegen die overeenkomstig dit lid zijn uitgesloten van of zijn opgenomen in het toepassingsgebied van deze richtlijn en, nadien, van de eventuele latere wijzigingen daarvan.

De Commissie maakt de lijst van wegen bekend waarvan overeenkomstig dit artikel kennis is gegeven.

5.  Deze richtlijn is niet van toepassing op tunnels die onder Richtlijn 2004/54/EG vallen.".

"

2)  Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)  punt 1 wordt vervangen door:"

"1. "trans-Europees wegennet": het wegennet, beschreven in Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad*;

_____________________

* Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).";

"

b)  de volgende punten worden ingevoegd:"

"2 bis. "autosnelweg": een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder toegangen naar aanliggende percelen, en die:

   a) behalve op bepaalde plaatsen of bepaalde tijden, voorzien is van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, die van elkaar gescheiden zijn hetzij door een strook die niet voor het verkeer bestemd is, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze;
   b) geen andere wegen, trein- of tramsporen, fietspaden of voetpaden gelijkvloers kruist; en
   c) door specifieke verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid;

2 ter.  "hoofdweg": een weg buiten stedelijke gebieden die grote steden of regio's, of beide, verbindt en die in de op [datum van bekendmaking van deze wijzigingsrichtlijn in het PB] geldende nationale wegindeling behoort tot de hoogste wegcategorie onder de categorie "autosnelweg";"

"

c)  punt 5 wordt geschrapt;

d)  de punten 6 en 7 worden vervangen door:"

"6. "veiligheidsclassificatie": de indeling van delen van het bestaande wegennet in categorieën op basis van hun objectief gemeten ingebouwde veiligheid;

7.  "gerichte verkeersveiligheidsinspectie": een gericht onderzoek ter opsporing van gevaarlijke omstandigheden, gebreken en problemen die het risico op ongevallen en verwondingen verhogen, aan de hand van een bezoek ter plaatse aan een bestaande weg of een weggedeelte;";

"

e)   het volgende punt wordt ingevoegd:"

"7 bis. "periodieke verkeersveiligheidsinspectie": een gewone periodieke beoordeling van de kenmerken en gebreken waarvoor onderhoudswerkzaamheden nodig zijn met het oog op de verkeersveiligheid;";

"

f)  het volgende punt wordt toegevoegd:"

"10. "kwetsbare weggebruikers": niet-gemotoriseerde weggebruikers waaronder met name fietsers en voetgangers, alsook gebruikers van gemotoriseerde tweewielers.".

"

3)  Aan artikel 4 wordt het volgende lid toegevoegd:"

"5 bis. De Commissie verstrekt richtsnoeren voor het ontwerp van "vergevingsgezinde" wegkanten en van wegen die een duidelijk wegbeeld hebben en een aangepaste snelheid afdwingen in het kader van de eerste audit van de ontwerpfase, alsmede inzake de kwaliteitseisen voor kwetsbare weggebruikers. Die richtsnoeren worden in nauwe samenwerking met deskundigen van de lidstaten opgesteld.".

"

4)  Artikel 5 wordt vervangen door:"

"Artikel 5

Veiligheidsbeoordeling van het wegennet

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een veiligheidsbeoordeling van het wegennet wordt uitgevoerd op het gehele in gebruik zijnde wegennet dat onder deze richtlijn valt. ▌

2.  Aan de hand van veiligheidsbeoordelingen van het wegennet worden het ongevalsrisico en de ernst en gevolgen van ongevallen geëvalueerd op basis van:

   a) in de eerste plaats een visueel onderzoek, hetzij ter plaatse hetzij op elektronische wijze, van de ontwerpkenmerken van de weg (ingebouwde veiligheid); en
   b) een analyse van de gedeelten van het wegennet die meer dan drie jaar in gebruik zijn en waarop zich in verhouding tot de verkeersstroom een groot aantal zware ongevallen heeft voorgedaan.

3.  De lidstaten zien erop toe dat de eerste veiligheidsbeoordeling van het wegennet uiterlijk in 2024 wordt uitgevoerd. De volgende veiligheidsbeoordelingen van het wegennet vinden voldoende frequent plaats om een toereikend veiligheidsniveau te waarborgen, en hoe dan ook ten minste om de vijf jaar.

4.  Bij de uitvoering van de veiligheidsbeoordeling van het wegennet kunnen de lidstaten rekening houden met de in bijlage III vastgestelde indicatieve elementen.

5.  De Commissie verstrekt richtsnoeren inzake de methodologie voor systematische veiligheidsbeoordelingen van het wegennet en de veiligheidsclassificatie.

6.  Op basis van de resultaten van de in lid 1 bedoelde beoordeling en met het oog op de prioritering van de behoeften aan verdere maatregelen delen de lidstaten alle gedeelten van het wegennet in naar veiligheidsniveau in minstens drie categorieën.".

"

5)  Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

"Artikel 6

Periodieke verkeersveiligheidsinspecties";

"

b)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. De lidstaten zien erop toe dat periodieke verkeersveiligheidsinspecties worden uitgevoerd; deze inspecties vinden voldoende frequent plaats om een toereikend veiligheidsniveau voor de betrokken weginfrastructuur te waarborgen.";

"

c)  lid 2 wordt geschrapt;

d)   lid 3 wordt vervangen door:"

"3. De lidstaten zien toe op de veiligheid van weggedeelten die grenzen aan onder Richtlijn 2004/54/EG vallende wegtunnels via gezamenlijke verkeersveiligheidsinspecties door de voor de tenuitvoerlegging van de onderhavige richtlijn bevoegde instanties en de voor de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/54/EG bevoegde instanties. De gezamenlijke verkeersveiligheidsinspecties vinden voldoende frequent plaats om een toereikend veiligheidsniveau te waarborgen, en hoe dan ook ten minste om de zes jaar.".

"

6)  De volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 6 bis

Follow-up van procedures voor in gebruik zijnde wegen

1.  De lidstaten zien erop toe dat de bevindingen van overeenkomstig artikel 5 uitgevoerde veiligheidsbeoordelingen van het wegennet worden gevolgd door gerichte verkeersveiligheidsinspecties of directe remediërende maatregelen.

2.  Bij de uitvoering van gerichte verkeersveiligheidsinspecties kunnen de lidstaten rekening houden met de in bijlage II bis vastgestelde indicatieve elementen.

3.  Gerichte verkeersveiligheidsinspecties worden uitgevoerd door deskundigenteams. Ten minste één lid van het deskundigenteam voldoet aan de in artikel 9, lid 4, onder a), vastgestelde eisen.

4.  De lidstaten zien erop toe dat de bevindingen van gerichte verkeersveiligheidsinspecties ▌worden gevolgd door gemotiveerde besluiten waarin bepaald wordt of remediërende maatregelen nodig zijn. De lidstaten onderzoeken met name op welke weggedeelten ▌de veiligheid van de weginfrastructuur moet worden verbeterd, en stellen maatregelen vast die bij voorrang moeten worden uitgevoerd om die weggedeelten veiliger te maken.

5.  De lidstaten zien erop toe dat de remediërende maatregelen in de eerste plaats worden gericht op weggedeelten met een laag veiligheidsniveau, waar maatregelen met een groot potentieel voor de ontwikkeling van de verkeersveiligheid kunnen worden uitgevoerd en veel kosten van ongevallen kunnen worden bespaard.

6.  De lidstaten zorgen voor de opstelling en regelmatige actualisering van een actieplan met op basis van risico's bepaalde prioriteiten om de tenuitvoerlegging van de vastgestelde remediërende maatregelen te volgen.▌

Artikel 6 ter

Bescherming van kwetsbare weggebruikers

De lidstaten zien erop toe dat bij de toepassing van de procedures van de artikelen 3 tot en met 6 rekening wordt gehouden met de behoeften van kwetsbare weggebruikers.

Artikel 6 quater

Wegmarkeringen en verkeersborden

1.  De lidstaten besteden in hun bestaande en toekomstige procedures voor wegmarkeringen en verkeersborden bijzondere aandacht aan de leesbaarheid en detecteerbaarheid daarvan voor menselijke bestuurders en geautomatiseerde rijhulpsystemen. Wanneer gemeenschappelijke specificaties zijn vastgesteld overeenkomstig lid 3, wordt in deze procedures rekening gehouden met de gemeenschappelijke specificaties.

2.  Een door de Commissie opgerichte groep van deskundigen beoordeelt uiterlijk in juni 2021 of het mogelijk is gemeenschappelijke specificaties vast te stellen die verschillende elementen omvatten om het operationele gebruik van de wegmarkeringen en verkeersborden van de lidstaten te waarborgen ter bevordering van de effectieve leesbaarheid en detecteerbaarheid van wegmarkeringen en verkeersborden voor menselijke bestuurders en geautomatiseerde rijhulpsystemen. Die groep bestaat uit door de lidstaten aangewezen deskundigen. De beoordeling omvat een raadpleging van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa.

Bij de beoordeling wordt met name rekening gehouden met de volgende elementen:

   a) de wisselwerking tussen verschillende rijhulptechnologieën en infrastructuur;
   b) het effect van het weer en atmosferische fenomenen en van het verkeer op wegmarkeringen en verkeersborden op het grondgebied van de Unie;
   c) het soort en de frequentie van de onderhoudsinspanningen die de verschillende technologieën vergen, vergezeld van een kostenraming.

3.  Rekening houdend met de in lid 2 bedoelde beoordeling kan de Commissie uitvoeringshandelingen aannemen om gemeenschappelijke specificaties vast te stellen met betrekking tot de in lid 1 bedoelde procedures van de lidstaten die erop gericht zijn het operationele gebruik van hun wegmarkeringen en verkeersborden te waarborgen en met betrekking tot de effectieve leesbaarheid en detecteerbaarheid van wegmarkeringen en verkeersborden voor menselijke bestuurders en geautomatiseerde rijhulpsystemen.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De uitvoeringshandelingen laten de bevoegdheid van het Europees Comité voor Normalisatie inzake normen voor wegmarkeringen en verkeersborden onverlet.

Artikel 6 quinquies

Informatie en transparantie

De Commissie publiceert een Europese kaart van het wegennet volgens het toepassingsgebied van deze richtlijn, die online toegankelijk is en de in artikel 5, lid 6, bedoelde categorieën zichtbaar maakt.

Artikel 6 sexies

Vrijwillige melding

De lidstaten streven naar de invoering van een nationaal systeem van vrijwillige melding dat voor alle weggebruikers online toegankelijk is, teneinde het gemakkelijker te maken om details te verzamelen van voorvallen die door weggebruikers en voertuigen worden doorgegeven en van andere veiligheidsgerelateerde informatie die door de melder als een feitelijk of potentieel gevaar voor de veiligheid van de weginfrastructuur wordt beschouwd.".

"

7)  In artikel 7 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"1 bis. De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen om richtsnoeren te verstrekken aan de hand waarvan verslag moet worden uitgebracht over de ernst van het ongeval en het aantal dodelijke slachtoffers en gewonden. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 13, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.".

"

8)  In artikel 9 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"1 bis. Voor verkeersveiligheidsauditoren die hun opleiding volgen met ingang van ... [5 jaar na de inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] zorgen de lidstaten ervoor dat de opleidingscurricula voor verkeersveiligheidsauditoren aspecten omvatten die betrekking hebben op kwetsbare weggebruikers en de infrastructuur voor deze gebruikers.".

"

9)  Artikel 10 wordt vervangen door:"

"Artikel 10

Uitwisseling van beste praktijken

Om de verkeersveiligheid in de Unie te verbeteren, zet de Commissie een systeem op voor de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten, waarin onder andere de opleidingscurricula voor verkeersveiligheid en bestaande projecten op het gebied van de verkeersveiligheid van de weginfrastructuur worden opgenomen alsmede verkeersveiligheidstechnologie die haar nut heeft bewezen.".

"

10)  In artikel 11 wordt lid 2 geschrapt.

11)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 11 bis

Verslaglegging

1.  De lidstaten dienen uiterlijk op 31 oktober 2025 een verslag in bij de Commissie over de veiligheidsclassificatie van het volledige overeenkomstig artikel 5 beoordeelde wegennet. Indien mogelijk wordt het verslag gebaseerd op een gemeenschappelijke methodologie. Indien van toepassing, bevat het verslag ook de lijst van bepalingen van geactualiseerde nationale richtsnoeren, waaronder met name de verbeteringen inzake technologische vooruitgang en bescherming van kwetsbare weggebruikers. Met ingang van 31 oktober 2025 worden deze verslagen om de vijf jaar ingediend.

2.  Op basis van een analyse van de in lid 1 bedoelde nationale verslagen stelt de Commissie een eerste maal uiterlijk op 31 oktober 2027 en vervolgens om de vijf jaar een verslag op ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, met name wat betreft de in lid 1 bedoelde elementen, en over eventuele vervolgmaatregelen, waaronder een herziening van deze richtlijn en eventuele aanpassingen ervan aan de technische vooruitgang.".

"

12)  Artikel 12 wordt vervangen door:"

"Artikel 12

Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 12 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlagen teneinde deze aan de technische vooruitgang aan te passen.".

"

13)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 12 bis

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar, met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven ▌*.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

_____________________

* PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.".

"

14)  Artikel 13 wordt vervangen door:"

"Artikel 13

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad*.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

_____________________

* Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).".

"

15)  De bijlagen worden gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … [24 maanden na de inwerkingtreding van deze richtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

De bijlagen bij Richtlijn 2008/96/EG worden als volgt gewijzigd:

1)  Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:

"BIJLAGE I

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN VERKEERSVEILIGHEIDSEFFECTBEOORDELINGEN";

b)  in deel 2 wordt punt e) vervangen door:

"e) verkeer (bijv. verkeersvolume, onderverdeling per vervoerstype), met inbegrip van geraamde voetgangers- en fietsersstromen, op basis van het gebruik van aangrenzende terreinen;".

2)  Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:

"BIJLAGE II

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN VERKEERSVEILIGHEIDSAUDITS";

b)  aan deel 1 wordt het volgende punt toegevoegd:

"n) bepalingen met betrekking tot kwetsbare weggebruikers:

i)  bepalingen met betrekking tot voetgangers,

ii)  bepalingen met betrekking tot fietsers, waaronder de aanwezigheid van alternatieve routes of afscheidingen van snel gemotoriseerd verkeer,

iii)  bepalingen met betrekking tot gemotoriseerde tweewielers,

iv)  frequentie en locatie van oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers,

v)  bepalingen met betrekking tot voetgangers en fietsers op de betrokken wegen in het gebied,

vi)  afscheiding van voetgangers en fietsers van snel gemotoriseerd verkeer of de aanwezigheid van rechtstreekse alternatieve routes via secundaire wegen;";

c)  in deel 2 wordt punt h) vervangen door:

"h) bepalingen met betrekking tot kwetsbare weggebruikers:

i)  bepalingen met betrekking tot voetgangers,

ii)  bepalingen met betrekking tot fietsers,

iii)  bepalingen met betrekking tot gemotoriseerde tweewielers;".

3)  De volgende bijlage wordt ingevoegd:

"BIJLAGE II bis

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN GERICHTE VERKEERSVEILIGHEIDSINSPECTIES

1.  Tracé en dwarsprofiel:

a)  zichtbaarheid en zichtafstanden;

b)  snelheidsbeperking en indeling in snelheidszones;

c)  duidelijk wegbeeld (d.w.z. de "leesbaarheid" van het wegbeeld voor de weggebruikers);

d)  toegang tot aangrenzende eigendommen en ontwikkelingen;

e)  toegankelijkheid voor nood- en dienstvoertuigen;

f)  passende veiligheidsvoorzieningen aan bruggen en duikers;

g)  wegkantontwerp (bermen, lager gelegen stoepen, "cut and fill"-hellingen).

2.  Kruispunten en knooppunten:

a)  geschiktheid van het type kruispunt/knooppunt;

b)  geometrisch ontwerp van het kruispunt/knooppunt;

c)  zichtbaarheid en leesbaarheid (waarneming) van kruispunten;

d)  zichtbaarheid op het kruispunt;

e)  ontwerp van zijwegen aan kruispunten;

f)  verkeerbeheer aan kruispunten (bv. stoptekens, verkeerslichten enz.);

g)  aanwezigheid van oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers.

3.  Bepalingen met betrekking tot kwetsbare weggebruikers:

a)  bepalingen met betrekking tot voetgangers;

b)  bepalingen met betrekking tot fietsers;

c)  bepalingen met betrekking tot gemotoriseerde tweewielers;

d)  openbaar vervoer en infrastructuur;

e)  spoorwegovergangen (met vermelding van het type overgang en of deze bemand of onbemand is, en manueel bediend wordt of geautomatiseerd is).

4.  Verlichting, borden en markeringen:

a)  coherente verkeersborden die het zicht niet belemmeren;

b)  leesbaarheid van verkeersborden (plaats, grootte, kleur);

c)  wegwijzers;

d)  coherente wegmarkeringen en afbakening;

e)  leesbaarheid van wegmarkeringen (plaats, grootte en retroreflectiviteit in droge en natte omstandigheden);

f)  passend contrast van wegmarkeringen;

g)  verlichting van verlichte wegen en kruispunten;

h)  passende wegkantapparatuur.

5.  Verkeerslichten:

a)  werking;

b)  zichtbaarheid.

6.  Obstakels, obstakelvrije ruimten en afschermende constructies langs de weg:

a)  omgeving van de wegkant, met inbegrip van vegetatie;

b)  gevaren in de wegkant en afstand tot de rand van de rijweg of het fietspad;

c)  gebruikersvriendelijke aanpassing van de afschermende constructies langs de weg (middenbermen en vangrails om risico's voor kwetsbare weggebruikers te voorkomen);

d)  veiligheidsvoorzieningen aan de uiteinden van vangrails;

e)  passende afschermende constructies aan bruggen en duikers;

f)  omheiningen (aan wegen met toegangsbeperkingen).

7.  Wegdek:

a)  defecten aan het wegdek;

b)  slipweerstand;

c)  los materiaal / grind / stenen;

d)  plasvorming, waterafvoer.

8.  Bruggen en tunnels:

a)  aanwezigheid van en aantal bruggen;

b)  aanwezigheid van en aantal tunnels;

c)  visuele elementen die risico's voor de veiligheid van de infrastructuur vormen.

9.  Andere aandachtspunten:

a)  veilige parkeerterreinen en rustplaatsen;

b)  voorzieningen voor zware voertuigen;

c)  verblinding door koplampen;

d)  wegenwerken;

e)  onveilige activiteiten langs de kant van de weg;

f)  passende informatie in ITS-apparatuur (bv. variabele informatieborden);

g)  dieren;

h)  waarschuwingen aan scholen (indien van toepassing).".

4)  Bijlage III wordt vervangen door:

"Bijlage III

INDICATIEVE ELEMENTEN VAN VEILIGHEIDSBEOORDELINGEN VAN HET WEGENNET

1.  Algemeen:

a)  wegtype in verhouding tot het type en de grootte van de regio's/steden die de weg verbindt;

b)  lengte van het weggedeelte;

c)  gebiedstype (landelijk, stedelijk);

d)  landgebruik (onderwijs, handel, industrie & productie, residentieel, landbouw, onontwikkelde gebieden);

e)  dichtheid van toegangspunten tot eigendommen;

f)  aanwezigheid van dienstwegen (bv. voor winkels);

g)  aanwezigheid van wegenwerken;

h)  aanwezigheid van parkeervoorzieningen.

2.  Verkeersvolumes:

a)  verkeersintensiteit;

b)  vastgestelde intensiteit motorfietsen;

c)  vastgestelde intensiteit voetgangers aan beide zijden, met vermelding van "in de verkeersrichting" of "kruisend";

d)  vastgestelde intensiteit fietsen aan beide zijden, met vermelding van "in de verkeersrichting" of "kruisend";

e)  vastgestelde intensiteit zware voertuigen;

f)  geraamde voetgangersstromen, op basis van het gebruik van aangrenzende terreinen;

g)  geraamde fietsersstromen, op basis van het gebruik van aangrenzende terreinen.

3.  Gegevens over ongevallen:

a)  aantal, plaats en oorzaak van dodelijke verkeersongevallen per groep van weggebruikers;

b)  aantal en plaats van verkeersongevallen met zwaargewonden per groep van weggebruikers.

4.  Gebruikskenmerken:

a)  snelheidslimiet (algemeen, voor motorfietsen; voor vrachtwagens);

b)  reële snelheid (85 procent);

c)  snelheidsbeheer en/of verkeersremming;

d)  aanwezigheid van ITS-voorzieningen: filewaarschuwingen, variabele informatieborden;

e)  waarschuwingen aan schoolomgevingen;

f)  aanwezigheid toezichthouder aan oversteekplaatsen bij scholen op vooraf bepaalde tijdstippen.

5.  Geometrische kenmerken:

a)  kenmerken van de dwarsprofielen (aantal, type en breedte van rijstroken, ontwerp en materiaal van de middenberm, fietspaden, voetpaden enz.), met inbegrip van de aanpasbaarheid daarvan;

b)  afrondingsbogen;

c)  hellingshoek en verticaal alignement;

d)  zichtbaarheid en zichtafstanden.

6.  Obstakels, obstakelvrije ruimten en afschermende constructies langs de weg:

a)  omgeving van de wegkant en obstakelvrije zones;

b)  vaste obstakels langs de weg (bv. verlichtingspalen, bomen enz.);

c)  afstand tussen obstakels en de kant van de weg;

d)  dichtheid van obstakels;

e)  ribbelstroken;

f)  afschermende constructies langs de weg.

7.  Bruggen en tunnels:

a)  aanwezigheid van en aantal bruggen, met inbegrip van relevante informatie daarover;

b)  aanwezigheid van en aantal tunnels, met inbegrip van relevante informatie daarover;

c)  visuele elementen die risico's voor de veiligheid van de infrastructuur vormen.

8.  Kruispunten:

a)  type kruispunt en aantal armen (met name type verkeerssturing en aanwezigheid van afslagpijlen);

b)  aanwezigheid van verkeersgeleiders;

c)  kwaliteit van het kruispunt;

d)  verkeersintensiteiten op het kruispunt;

e)  aanwezigheid van spoorwegovergangen (met vermelding van het type overgang en of deze bemand of onbemand is, en manueel bediend wordt of geautomatiseerd is).

9.  Onderhoud:

a)  defecten aan het wegdek;

b)  slipweerstand van het wegdek;

c)  staat van de berm (met inbegrip van vegetatie);

d)  staat van de verkeersborden, markeringen en afbakening;

e)  staat van de afschermende constructies langs de weg.

10.  Voorzieningen voor kwetsbare weggebruikers:

a)  oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers (gelijkvloerse en ongelijkvloerse kruisingen);

b)  oversteekplaatsen voor fietsers (gelijkvloerse en ongelijkvloerse kruisingen);

c)  afscherming voor voetgangers;

d)  aanwezigheid van stoepen of gescheiden voorzieningen;

e)  voorzieningen voor fietsers en de betrokken soort voorzieningen (fietspaden, fietsstroken of andere);

f)  kwaliteit van de oversteekplaatsen voor voetgangers, wat de zichtbaarheid en signalisatie van de voorzieningen betreft;

g)  oversteekplaatsen voor voetgangers en fietsers op toegangswegen van aansluitende ondergeschikte wegen;

h)  aanwezigheid van alternatieve routes voor voetgangers en fietsers indien er geen gescheiden voorzieningen zijn.

11.  "Pre-crash"- en "post-crash"-systemen ter vermindering van verkeersletsels en elementen ter beperking van de ernst van ongevallen:

a)  operationele netwerkcentra en andere surveillancevoorzieningen;

b)  mechanismen om weggebruikers in te lichten over de rijomstandigheden ter voorkoming van ongevallen of incidenten;

c)  automatische systemen voor incidentdetectie: sensoren en camera's;

d)  systemen voor incidentbeheer;

e)  systemen voor communicatie met hulpdiensten.".

5)  Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)  punt 1 wordt vervangen door:

"1. zo nauwkeurig mogelijke vermelding van de plaats van het ongeval, met inbegrip van GNSS-coördinaten;";

b)  punt 5 wordt vervangen door:

"5. ernst van het ongeval;".

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 261.
(2) Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad.
(3)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(4) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 261.
(5) PB C ...
(6) Standpunt van het Europees Parlement van 4 april 2019.
(7) Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
(8) Richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PB L 319 van 29.11.2008, blz. 59).
(9) Richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PB L 167 van 30.4.2004, blz. 39).
(10) Besluit nr. 1313/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 924).
(11) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(12) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(13) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


Pan-Europees persoonlijk pensioenproduct ***I
PDF 421kWORD 135k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 4 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) (COM(2017)0343 – C8-0219/2017 – 2017/0143(COD))
P8_TA-PROV(2019)0347A8-0278/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0343),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0219/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 oktober 2017(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord, en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 13 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0278/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 4 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP)

P8_TC1-COD(2017)0143


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Huishoudens in de Unie behoren tot de grootste spaarders ter wereld, maar het grootste deel van die spaargelden wordt aangehouden op bankrekeningen met korte looptijden. Wanneer meer wordt belegd op de kapitaalmarkten kan dit bijdragen tot het aangaan van de uitdagingen die gepaard gaan met de vergrijzing van de bevolking en de lage rentetarieven.

(2)  Ouderdomspensioenen vormen een essentieel onderdeel van het inkomen van gepensioneerden en voor veel mensen maakt een toereikende pensioenvoorziening het verschil tussen een waardige oude dag en armoede. Deze pensioenen vormen een eerste voorwaarde voor het uitoefenen van de grondrechten die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met inbegrip van de rechten van ouderen als bedoeld in artikel 25, waarin het volgende is bepaald: "De Unie erkent en eerbiedigt het recht van ouderen, een waardig en zelfstandig leven te leiden en aan het maatschappelijk en cultureel leven deel te nemen.".

(3)  De Unie wordt geconfronteerd met een aantal uitdagingen, waaronder demografische uitdagingen die voortvloeien uit de vergrijzing van Europa. Daarnaast vinden er radicale veranderingen plaats in loopbaanpatronen, de arbeidsmarkt en de verdeling van de welvaart, niet in de laatste plaats als gevolg van de digitale revolutie.

(4)   Een aanzienlijk deel van de ouderdomspensioenen wordt uit hoofde van publieke regelingen verstrekt. Niettegenstaande de in de Verdragen vastgelegde exclusieve nationale bevoegdheid voor de organisatie van pensioenstelsels zijn toereikende inkomens en financieel duurzame nationale pensioenstelsels van vitaal belang voor de stabiliteit van de Unie in haar geheel. De overheveling van meer spaargelden van Europese burgers van kas- en bankdeposito's naar beleggingsproducten voor de lange termijn, zoals vrijwillige pensioenregelingen met een langetermijnpensioenkarakter, zou gunstig zijn zowel voor individuele burgers (in de vorm van een hoger rendement en een beter pensioen) als voor de bredere economie.

(5)  In 2015 woonden 11,3 miljoen burgers van de Unie in de werkende leeftijd (20‑64 jaar) in een andere lidstaat dan die waarvan zij staatsburger waren, en werkten 1,3 miljoen burgers van de Unie in een andere lidstaat dan hun lidstaat van verblijf.

(6)  Meeneembaarheid van een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) met een langetermijnpensioenkarakter zal de aantrekkelijkheid ervan als product verhogen, met name voor jongeren en mobiele werknemers, en zal het recht van burgers om in de hele Unie te leven en te werken verder helpen bevorderen.

(7)  Persoonlijke pensioenen zijn belangrijk bij het koppelen van langetermijnspaarders aan langetermijnbeleggingen. Een grotere Europese markt voor persoonlijke pensioenen zal het aanbod van financiële middelen voor institutionele beleggers en investeringen in de reële economie ondersteunen.

(8)  Deze verordening maakt de invoering mogelijk van een persoonlijk pensioenproduct dat een langetermijnpensioenkarakter heeft en waarin zo veel mogelijk rekening wordt gehouden met milieu-, sociale en governancefactoren (MSG-factoren) als bedoeld in de VN-beginselen voor verantwoord beleggen, en dat, voor zover mogelijk, eenvoudig, veilig, redelijk geprijsd, transparant, klantvriendelijk en in de hele Unie meeneembaar zal zijn, en complementair aan de bestaande stelsels in de lidstaten.

(9)   Momenteel ▌functioneert de interne markt voor persoonlijke pensioenproducten niet soepel. In een aantal lidstaten is er nog geen markt voor persoonlijke pensioenproducten. In andere lidstaten zijn wel persoonlijke pensioenproducten beschikbaar, maar er is sprake van een hoge mate van fragmentatie tussen de nationale markten. Het gevolg is dat persoonlijke pensioenproducten slechts in beperkte mate meeneembaar zijn. Dit kan het moeilijk maken voor natuurlijke personen om gebruik te maken van hun fundamentele vrijheden. Zo zouden zij verhinderd kunnen worden een baan te nemen of met pensioen te gaan in een andere lidstaat. Bovendien wordt de mogelijkheid voor aanbieders om de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten te gebruiken, belemmerd door het gebrek aan standaardisatie van bestaande persoonlijke pensioenproducten.

(10)  Aangezien de interne markt voor persoonlijke pensioenproducten uitermate gefragmenteerd en divers is, kan de impact van PEPP's van lidstaat tot lidstaat sterk verschillen, en de doelgroep is wellicht net zo gevarieerd. In sommige lidstaten kunnen PEPP’s oplossingen bieden voor mensen die momenteel geen toegang hebben tot toereikende voorzieningen. In andere lidstaten zouden PEPP’s consumenten meer keuzemogelijkheden kunnen bieden of oplossingen kunnen aanreiken voor mobiele burgers. PEPP's mogen er evenwel niet op gericht zijn bestaande nationale pensioenstelsels te vervangen, aangezien het een aanvullend en complementair persoonlijk pensioenproduct betreft.

(11)  De kapitaalmarktenunie zal ertoe bijdragen kapitaal in Europa te mobiliseren en te kanaliseren naar alle ondernemingen, met inbegrip van kleine en middelgrote ondernemingen, infrastructuur en duurzame langetermijnprojecten die daaraan behoefte hebben om uit te breiden en banen te creëren. Een van de belangrijkste doelstellingen van de kapitaalmarktenunie is om investeringen en keuzes voor retailbeleggers te vermeerderen door Europese spaargeld beter te gebruiken. In dit kader zal een PEPP een stap voorwaarts zijn voor een betere integratie van de kapitaalmarkten, aangezien deze producten de langetermijnfinanciering van de reële economie ondersteunen, rekening houdend met het langetermijnpensioenkarakter van het product en de duurzaamheid van investeringen.

(12)  Zoals aangekondigd in het actieplan van de Commissie over de opbouw van een kapitaalmarktenunie van 30 september 2015, zal de Commissie "beoordelen of een beleidskader noodzakelijk is om te komen tot een succesvolle Europese markt voor eenvoudige, efficiënte en concurrerende individuele pensioenen, en zij zal nagaan of EU-wetgeving noodzakelijk is om deze markt te ondersteunen.".

(13)  In de resolutie van het Europees Parlement van 19 januari 2016 getiteld "Inventarisatie en uitdagingen van de EU-verordening financiële diensten: impact en op weg naar een efficiënter en doeltreffender EU-kader voor financiële regelgeving en een kapitaalmarktenunie"(4) heeft het Europees Parlement benadrukt dat "een omgeving moet worden gecreëerd waarin de innovatie van financiële producten wordt gestimuleerd, zodat meer diversiteit en voordelen voor de reële economie worden bewerkstelligd en wordt voorzien in sterkere investeringsprikkels, en die eveneens kan bijdragen tot de waarborging van adequate, veilige en duurzame pensioenen, bijvoorbeeld door middel van de ontwikkeling van een pan-Europees pensioenproduct (PEPP), met een eenvoudige en transparante opzet".

(14)  In zijn conclusies van 28 juni 2016 heeft de Europese Raad opgeroepen tot "snelle en vastberaden vooruitgang om te zorgen voor een gemakkelijker toegang tot financiering voor bedrijven en om investeringen in de reële economie te ondersteunen door vaart te zetten achter de agenda voor de kapitaalmarktenunie".

(15)  In de Mededeling van de Commissie van 14 september 2016 Kapitaalmarktenunie – Versnellen van de hervorming heeft de Commissie aangekondigd voorstellen te zullen "bekijken voor een eenvoudig, efficiënt en concurrerend persoonlijk pensioenproduct van de EU [...]. Opties die worden bekeken zijn onder meer een mogelijk wetgevingsvoorstel dat in 2017 zou kunnen worden ingediend.".

(16)  De Commissie heeft in de Mededeling van de Commissie van 8 juni 2017 over de tussentijdse evaluatie van het actieplan kapitaalmarktenunie aangekondigd te zullen komen met "wetgevingsvoorstel over een pan-Europees Persoonlijk Pensioen Product (PEPP) (eind juni 2017). Hiermee zullen de fundamenten worden gelegd voor een veiligere, kostenefficiëntere en transparantere markt voor betaalbaar en vrijwillig individueel pensioensparen dat op een pan-Europese schaal kan worden beheerd. Dit zal helpen tegemoet te komen aan de behoeften van mensen die de toereikendheid van hun pensioenvoorzieningen willen versterken, de demografische uitdaging adresseren, een aanvulling zijn op de bestaande pensioenproducten en -regelingen, en de kostenefficiëntie ondersteunen van individuele pensioenen door goede kansen te bieden voor langetermijnbeleggingen voor individuele pensioenen.".

(17)  De ontwikkeling van een PEPP zal tot het vermeerderen van de keuzes voor pensioensparen bijdragen, in het bijzonder voor mobiele werknemers, en een Uniemarkt voor PEPP-aanbieders instellen. Het dient evenwel uitsluitend complementair te zijn aan publieke pensioenstelsels.

(18)  Financiële voorlichting kan bijdragen tot meer inzicht en bewustzijn van de door huishoudens gemaakte spaarkeuzes op het gebied van vrijwillige individuele persoonlijke pensioenproducten. Spaarders moeten ook daadwerkelijk in de gelegenheid worden gesteld om volledig inzicht te krijgen in de risico's en kenmerken van een PEPP.

(19)  Een wetgevend kader voor een PEPP zal de basis leggen voor een succesvolle markt voor betaalbare en vrijwillige pensioengerelateerde beleggingen die op pan-Europese schaal kan worden beheerd. Door de bestaande wettelijke en bedrijfspensioenregelingen en pensioenproducten aan te vullen, zal het bijdragen tot het voorzien in de behoeften van mensen die de toereikendheid van hun pensioenspaargeld willen vermeerderen, het aanpakken van de demografische uitdaging en het beschikbaar stellen van een krachtige nieuwe bron van privaat kapitaal voor langetermijninvesteringen. Dit kader vervangt of harmoniseert geen bestaande nationale persoonlijke pensioenproducten of -regelingen, noch doet het afbreuk aan bestaande nationale wettelijke en bedrijfspensioenregelingen en pensioenproducten.

(20)  Een PEPP is een individueel niet-bedrijfsgerelateerd pensioenproduct waarop een PEPP-spaarder vrijwillig heeft ingeschreven. Aangezien een PEPP moet voorzien in de opbouw van kapitaal op de lange termijn, moeten de mogelijkheden voor de vervroegde opname van kapitaal worden beperkt en mogelijks zelfs bestraft.

(21)  Deze verordening harmoniseert een reeks kernkenmerken voor het PEPP, die betrekking hebben op sleutelelementen zoals distributie, minimuminhoud van contracten, beleggingsbeleid, overstappen naar een andere aanbieder, of grensoverschrijdend aanbod en grensoverschrijdende meeneembaarheid. De harmonisatie van die kernkenmerken zal het gelijk speelveld voor aanbieders van persoonlijke pensioenen in het algemeen verbeteren en bijdragen tot het stimuleren van de voltooiing van de kapitaalmarktenunie en de integratie van de interne markt voor persoonlijke pensioenen. Zij zal leiden tot het creëren van een grotendeels gestandaardiseerd pan-Europees product dat in alle lidstaten beschikbaar is, waardoor de consument de mogelijkheid krijgt om ten volle gebruik te maken van de interne markt door zijn pensioenrechten naar het buitenland over te dragen en waardoor er een bredere keuze zal komen uit verschillende soorten aanbieders, inclusief op een grensoverschrijdende manier. Als gevolg van minder belemmeringen voor het verlenen van pensioendiensten over de grenzen heen, zal een PEPP de concurrentie tussen aanbieders op pan-Europese basis vermeerderen en schaalvoordelen creëren waarvan de spaarders zouden moeten profiteren.

(22)  Artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) staat toe handelingen zowel in de vorm van een verordening als in de vorm van een richtlijn vast te stellen. Er is de voorkeur aan gegeven een verordening vast te stellen aangezien deze rechtstreeks van toepassing zou worden in alle lidstaten. Bijgevolg zou een verordening een snellere marktpenetratie van het PEPP mogelijk maken en sneller bijdragen tot het voorzien in de behoefte aan meer pensioensparen en -beleggingen in de context van de kapitaalmarktenunie. Deze verordening harmoniseert de kernkenmerken van PEPP’s die niet aan specifieke nationale regels onderworpen moeten zijn en daarom lijkt een verordening in dit geval beter geschikt te zijn dan een richtlijn. Anderzijds zijn de kenmerken die buiten de werkingssfeer van deze verordening vallen (bijvoorbeeld de voorwaarden van de opbouwfase) onderworpen aan nationale regels.

(23)  In deze verordening worden eenvormige regels vastgesteld voor de registratie, de verstrekking en de distributie van en het toezicht op PEPP's. PEPP’s moeten onderworpen zijn aan de bepalingen van deze verordening, het relevante sectorale Unierecht, evenals de desbetreffende gedelegeerde en uitvoeringshandelingen. Daarnaast zijn de door de lidstaten vastgestelde wetten ter uitvoering van het sectorale Unierecht van toepassing. In gevallen die niet bestreken worden door deze verordening noch door sectoraal Unierecht, moeten de respectievelijke wetten van de lidstaten van toepassing zijn. Een PEPP moet eveneens onderworpen worden aan een contract tussen de PEPP-spaarder en de PEPP-aanbieder ("de PEPP-overeenkomst"). In de PEPP-overeenkomst moet een aantal belangrijke kenmerken van het product worden opgenomen. Deze verordening mag geen afbreuk doen aan de regels van de Unie met betrekking tot het internationale privaatrecht, in het bijzonder de regels met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid en het toepasselijke recht. Deze verordening mag bovendien geen afbreuk doen aan nationaal contractueel, sociaal, arbeids- en belastingrecht.

(24)  Deze verordening moet duidelijk maken dat de PEPP-overeenkomst moet voldoen aan alle toepasselijke regels. In de PEPP-overeenkomst moeten bovendien de rechten en plichten van de partijen worden vastgelegd en een aantal belangrijke kenmerken van het pensioenproduct worden opgenomen. Een PEPP-overeenkomst kan ook worden gesloten door de vertegenwoordiger van een groep PEPP-spaarders, zoals een onafhankelijke spaardersvereniging, die optreedt namens die groep, mits dit gebeurt in overeenstemming met deze verordening en het toepasselijk nationaal recht, en mits PEPP-spaarders die op deze manier inschrijven dezelfde informatie en adviezen ontvangen als PEPP-spaarders die rechtstreeks met een PEPP-aanbieder of via een PEPP-distributeur een PEPP-overeenkomst sluiten.

(25)  PEPP-aanbieders moeten toegang hebben tot de gehele Uniemarkt met één enkele productregistratie die dient te worden afgegeven op basis van één enkele reeks regels. Om een product onder de benaming "PEPP" op de markt te mogen brengen, moeten aanvragende PEPP-aanbieders bij de bevoegde autoriteiten een aanvraag tot registratie indienen. Deze verordening belet niet dat een bestaand persoonlijk pensioenproduct wordt geregistreerd dat aan de in deze verordening vastgelegde voorwaarden voldoet. De bevoegde autoriteiten nemen een besluit met betrekking tot registratie indien de aanvragende PEPP-aanbieder alle noodzakelijke informatie heeft verstrekt en indien passende regelingen zijn getroffen om aan de vereisten van deze verordening te voldoen. Nadat de bevoegde autoriteiten een besluit met betrekking tot registratie hebben genomen, dienen zij de Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority - EIOPA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad(5)), hiervan dienovereenkomstig in kennis te stellen, teneinde de PEPP-aanbieder en het PEPP te registreren en het centraal openbaar register. Deze registratie moet geldig zijn in de hele Unie. Om op doeltreffende wijze toe te zien op naleving van de in deze verordening vastgelegde eenvormige vereisten, dienen de bevoegde autoriteiten en EIOPA in voorkomend geval onmiddellijk in kennis te worden gesteld van eventuele latere wijzigingen van de informatie en documenten die in het kader van de registratieprocedure zijn verstrekt.

(26)  EIOPA dient een centraal openbaar register op te zetten dat informatie bevat over PEPP's die in de Unie zijn geregistreerd en kunnen worden aangeboden en gedistribueerd, alsook over de PEPP-aanbieders, evenals een lijst van lidstaten waarin het PEPP wordt aanboden. Wanneer PEPP-aanbieders een PEPP niet op het grondgebied van een lidstaat distribueren, maar een subrekening voor die lidstaat kunnen openen om de meeneembaarheid voor hun PEPP-cliënten te garanderen, moet in dit register eveneens informatie worden opgenomen over de lidstaten waarvoor de PEPP-aanbieder subrekeningen aanbiedt.

(27)  De wijze waarop instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's), als bedoeld in Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad(6), zijn georganiseerd en gereglementeerd, verschilt aanzienlijk van lidstaat tot lidstaat. In sommige lidstaten is het deze instellingen uitsluitend toegestaan om activiteiten te ontplooien op het gebied van bedrijfspensioenen, terwijl het deze instellingen, met inbegrip van de bevoegde entiteiten die verantwoordelijk zijn voor het beheer ervan en die in hun naam handelen, wanneer IBPV's geen rechtspersoonlijkheid hebben, in andere lidstaten is toegestaan activiteiten te ontplooien op het gebied van bedrijfspensioenen en persoonlijke pensioenen. Dit heeft niet alleen geleid tot uiteenlopende organisatiestructuren bij IBPV's, maar gaat ook gepaard met een ander toezicht op nationaal niveau. Zo is met name het prudentieel toezicht op IBPV's die zich zowel met bedrijfspensioenen als met persoonlijke pensioenen mogen bezighouden breder dan dat op IBPV's die uitsluitend actief zijn op het gebied van bedrijfspensioenen.

Teneinde de financiële stabiliteit niet te ondermijnen en rekening te houden met de verschillen in organisatorische structuur en toezicht, zouden alleen de IBPV's die op grond van het nationale recht gemachtigd zijn en onder toezicht staan om persoonlijke pensioenproducten aan te bieden, PEPP's mogen aanbieden. Bovendien, en om de financiële stabiliteit verder te waarborgen, dienen alle met het aanbieden van PEPP's overeenkomende activa en passiva te worden afgescheiden, zonder dat er enige mogelijkheid tot overdracht naar de andere pensioenvoorzieningswerkzaamheden van de instelling bestaat. IBPV's die PEPP's aanbieden dienen te allen tijde te voldoen aan de desbetreffende normen die zijn vastgelegd in Richtlijn (EU) 2016/2341, met inbegrip van de meer gedetailleerde investeringsregels die bij de omzetting van die richtlijn zijn vastgesteld in de lidstaten waar zij geregistreerd zijn of een vergunning hebben gekregen overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/2341, en de bepalingen van hun governancesysteem. Net als voor andere PEPP-aanbieders moeten, indien in deze Verordening strengere bepalingen worden vastgesteld, die bepalingen van toepassing zijn.

(28)  Het gemeenschappelijk PEPP-paspoort zal zorgen voor de totstandbrenging van een interne markt voor PEPP.

(29)  PEPP-aanbieders moeten de mogelijkheid hebben om door hen ontwikkelde PEPP's en niet door hen ontwikkelde PEPP's te distribueren, mits dit in overeenstemming is met het relevante sectorale recht. PEPP-distributeurs moeten het recht hebben om niet door hen ontwikkelde PEPP's te distribueren. PEPP-distributeurs mogen uitsluitend die producten distribueren ten aanzien waarvan zij over de passende kennis en vakbekwaamheid beschikken in overeenstemming met het relevante sectorale recht.

(30)  Voorafgaand aan de sluiting van de PEPP-overeenkomst dienen PEPP-aanbieders of PEPP-distributeurs verplicht advies te verstrekken aan potentiële PEPP-spaarders, daarbij rekening houdend met het langetermijnpensioenkarakter van het product, de individuele eisen en behoeften van de PEPP-spaarder en de beperkte terugvorderingsmogelijkheden. Het advies dient er in het bijzonder op gericht te zijn de PEPP-spaarder te informeren over de kenmerken van de beleggingsopties, het niveau van kapitaalbescherming en de vormen van uitbetaling.

(31)   Op grond van de vrijheid van dienstverrichting of de vrijheid van vestiging kunnen PEPP-aanbieders PEPP's aanbieden en kunnen PEPP-distributeurs PEPP's distribueren op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst nadat zij een subrekening voor deze lidstaat van ontvangst hebben geopend. Om te zorgen voor een kwalitatief hoogwaardige dienstverlening en effectieve consumentenbescherming, moeten de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst nauw met elkaar samenwerken bij de handhaving van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen. Indien PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs in verschillende lidstaten opereren onder de vrijheid van dienstverrichting moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verantwoordelijk zijn voor het zorgen voor naleving van de in deze verordening vastgestelde verplichtingen wegens hun nauwere banden met de PEPP-aanbieder. Om een rechtvaardige verdeling van verantwoordelijkheden tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst en de lidstaat van ontvangst te waarborgen, moeten de bevoegde autoriteiten van een lidstaat van ontvangst, als deze vaststellen dat er op hun grondgebied verplichtingen niet worden nageleefd, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis stellen, die dan verplicht moeten worden de aangewezen maatregelen te nemen. Bovendien moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst in staat zijn te interveniëren als de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst nalaten de nodige actie te ondernemen of als de actie ontoereikend is.

(32)  De bevoegde autoriteiten van de lidstaten dienen over alle nodige middelen te beschikken om te garanderen dat PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs in heel de Unie hun activiteiten op een ordelijke wijze uitoefenen, ongeacht of deze activiteiten op grond van het recht van vestiging dan wel in het kader van het vrij verrichten van diensten worden verricht. Met het oog op de doeltreffendheid van het toezicht moeten alle acties die door de bevoegde autoriteiten worden ondernomen evenredig zijn met de aard, omvang en complexiteit van de risico's die inherent zijn aan de activiteiten van een bepaalde aanbieder of distributeur▐.

(33)  De pan-Europese dimensie van het PEPP kan niet alleen op het niveau van de aanbieder worden ontwikkeld, via de mogelijkheden voor zijn grensoverschrijdende activiteit, maar ook op het niveau van de PEPP-spaarder, via de meeneembaarheid van het PEPP en de overstapdienst, waardoor wordt bijgedragen aan het veiligstellen van de persoonlijk-pensioenrechten van personen die hun recht op vrij verkeer uitoefenen overeenkomstig de artikelen 21 en 45 VWEU. Meeneembaarheid houdt in dat de PEPP-spaarder van verblijfplaats verandert naar een andere lidstaat zonder van PEPP-aanbieder te veranderen, terwijl overstap naar een andere PEPP-aanbieder niet noodzakelijk een verandering van verblijfplaats inhoudt.

(34)  Een PEPP moet nationale subrekeningen omvatten, die voorzien in persoonlijk-pensioenproductkenmerken, waardoor bijdragen in het PEPP of uitbetalingen in aanmerking komen voor stimulansen indien hiervan sprake is in de lidstaten waarvoor de PEPP-aanbieder een subrekening heeft gecreëerd. De subrekening moet worden gebruikt om bij te houden welke bijdragen tijdens de opbouwfase en welke uitbetalingen tijdens de afbouwfase worden gedaan in overeenstemming met het recht van de lidstaat waarvoor de subrekening is geopend. Op het niveau van de PEPP-spaarder moet een eerste subrekening worden gecreëerd bij het sluiten van een PEPP-overeenkomst.

(35)  Om een soepele overgang voor PEPP-aanbieders mogelijk te maken, moet de verplichting tot het aanbieden van PEPP's met subrekeningen voor ten minste twee lidstaten binnen drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening van toepassing zijn. Bij de start van een PEPP dient de PEPP-aanbieder informatie te verstrekken over de vraag welke nationale subrekeningen onmiddellijk beschikbaar zijn om mogelijke misleiding van PEPP-spaarders te voorkomen. Als een PEPP-spaarder naar een andere lidstaat verhuist en er voor die lidstaat geen subrekening beschikbaar is, moet de PEPP-aanbieder de PEPP-spaarder de mogelijkheid bieden om onverwijld en kosteloos over te stappen naar een andere PEPP-aanbieder die wel een subrekening voor die lidstaat aanbiedt. De PEPP-spaarder kan eveneens blijven bijdragen aan de subrekening waar de bijdragen werden gedaan vóór de verandering van verblijfplaats.

(36)  Rekening houdend met het langetermijnpensioenkarakter van het PEPP en de desbetreffende administratieve lasten, dienen PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs duidelijke, gemakkelijk te begrijpen en toereikende informatie te verstrekken aan potentiële PEPP-spaarders en PEPP-gerechtigden om hun besluitvorming over hun pensioen te ondersteunen. Om dezelfde reden moeten PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs in dezelfde mate voor een hoog niveau van transparantie zorgen in alle verschillende fasen van een PEPP, met inbegrip van de fase vóór de sluiting van het contract, de sluiting van het contract, de opbouwfase (met inbegrip van vóór de pensionering) en de afbouwfase. Meer bepaald dient informatie te worden verstrekt over opgebouwde pensioenrechten, verwachte omvang van de PEPP-pensioenuitkeringen, risico's, garanties, de integratie van MSG-factoren, en kosten. Indien de verwachte hoogte van de PEPP-pensioenuitkeringen op economische scenario's is gebaseerd, moet die informatie ook een beste-schattingsscenario en een ongunstig scenario omvatten dat extreem maar plausibel is.

(37)  Alvorens een PEPP-overeenkomst te sluiten moeten potentiële PEPP-spaarders alle nodige informatie krijgen om een gefundeerde keuze te maken. Voorafgaand aan de sluiting van de PEPP-overeenkomst moeten pensioengerelateerde eisen en behoeften worden gespecificeerd en moet advies worden verstrekt.

(38)  Om te zorgen voor optimale producttransparantie, dienen PEPP-aanbieders een essentiële-informatiedocument voor PEPP's (PEPP-essentiële-informatiedocument) op te stellen voor de PEPP's die zij ontwikkelen voordat die PEPP’ kunnen worden gedistribueerd aan PEPP-spaarders. Zij moeten ook verantwoordelijk zijn voor de nauwkeurigheid van het PEPP-essentiële-informatiedocument. Het PEPP-essentiële-informatiedocument moet het essentiële-informatiedocument voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten op grond van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad(7), dat bijgevolg niet voor PEPP's zou hoeven te worden verstrekt, vervangen en aanpassen. Er moet een apart PEPP-essentiële-informatiedocument worden opgesteld voor het basis-PEPP. Wanneer de PEPP-aanbieder alternatieve beleggingsopties aanbiedt, moet een algemeen essentiële-informatiedocument voor de alternatieve beleggingsopties worden verstrekt dat ook verwijzingen naar andere documenten kan bevatten. Indien de vereiste informatie over de alternatieve beleggingsopties niet in één beknopt, op zichzelf staand essentiële-informatiedocument kan worden verstrekt, moet een op zichzelf staand essentiële-informatiedocument voor iedere alternatieve beleggingsoptie worden verstrekt. Dit moet echter alleen het geval zijn indien het verstrekken van een algemeen essentiële-informatiedocument voor de alternatieve beleggingsopties niet in het belang van PEPP-cliënten zou zijn. Wanneer de bevoegde autoriteiten beoordelen of het PEPP-essentiële-informatiedocument voldoet aan deze verordening, moeten zij dan ook zorgen voor optimale vergelijkbaarheid van verschillende beleggingsopties, indien van toepassing, en daarbij in het bijzonder rekening houden met actuele kennis van gedragsanalyse teneinde eventuele "cognitieve bias" als gevolg van de presentatie van de informatie te voorkomen.

(39)  Met het oog op een brede verspreiding en beschikbaarheid van PEPP-essentiële-informatiedocumenten moet deze verordening bepalen dat een PEPP-aanbieder de PEPP-essentiële-informatiedocumenten op zijn website publiceert. De PEPP-aanbieder moet het PEPP-essentiële-informatiedocument publiceren voor iedere lidstaat waar het PEPP wordt gedistribueerd op grond van de vrijheid van dienstverrichting of de vrijheid van vestiging, en het PEPP-essentiële-informatiedocument moet de specifieke informatie bevatten over de voorwaarden met betrekking tot de opbouwfase en de afbouwfase.

(40)  Rekentools voor persoonlijke pensioenproducten worden reeds op nationaal niveau ontwikkeld. Om zo nuttig mogelijk voor consumenten te zijn, moeten deze rekentools echter ook rekening houden met de kosten en vergoedingen die door de diverse PEPP-aanbieders in rekening worden gebracht, alsmede alle andere kosten of vergoedingen die door intermediairs of andere actoren in de beleggingsketen in rekening worden gebracht en die niet al door de PEPP-aanbieders zijn meegeteld.

(41)  De details van de informatie die in het PEPP-essentiële-informatiedocument moet worden opgenomen ▌en de presentatie van deze informatie moeten verder worden geharmoniseerd via technische reguleringsnormen ▌, rekening houdend met bestaand en lopend onderzoek naar consumentengedrag, inclusief resultaten van het testen van de effectiviteit van verschillende manieren om informatie aan de consument te presenteren. De Commissie moet bevoegd zijn technische reguleringsnormen vast te stellen. De ontwerpen van technische reguleringsnormen moeten door EIOPA worden ontwikkeld na raapleging van de Europese Toezichthoudende Autoriteiten (ETA's) – de Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Bankautoriteit) (EBA) opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(8) en de Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (ESMA) opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(9), waar van toepassing, alsook met de Europese Centrale Bank, bevoegde autoriteiten en na het uitvoeren van consumenten- en sectortests zoals bepaald in deze verordening, het volgende te specificeren: de details en de presentatie van de informatie die in het PEPP-essentiële-informatiedocument moet worden opgenomen; de voorwaarden waarop het PEPP-essentiële-informatiedocument moet worden geëvalueerd en herzien; de regels om de aannames over pensioenprojecties te bepalen; de bijzonderheden van de presentatie van de informatie die moet opgenomen worden in het PEPP-overzicht; en de minimumcriteria waaraan de risicolimiteringstechnieken moeten voldoen. Bij de ontwikkeling van de ontwerpen van technische reguleringsnormen moet EIOPA rekening houden met de diverse mogelijke soorten PEPP's, het langetermijnpensioenkarakter van PEPP’s, de capaciteiten van de PEPP-spaarders, en de kenmerken van PEPP's. Alvorens de ontwerpen van technische reguleringsnormen aan de Commissie voor te leggen, moeten deze door consumenten en de sector op basis van reële gegevens worden getest, indien van toepassing. De Commissie moet die technische reguleringsnormen vaststellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010. De Commissie moet ook bevoegd zijn door EIOPA ontwikkelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen waarin samenwerking en informatie-uitwisseling nader zijn uitgewerkt samen met de vereisten om die informatie in een gestandaardiseerd formaat te presenteren zodat deze kan worden vergeleken en, na raadpleging van de overige ETA’s en de bevoegde autoriteiten en na sectortests, wat betreft het model van de toezichtsrapportage door middel van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

(42)  Het PEPP-essentiële-informatiedocument moet duidelijk te onderscheiden zijn, en gescheiden worden van marketingmateriaal.

(43)  PEPP-aanbieders dienen een tot PEPP-spaarders gericht PEPP-overzicht op te stellen, om hen te voorzien van zeer belangrijke persoonlijke en generieke gegevens over het PEPP▌ en om actuele informatie erover te waarborgen. Het PEPP-overzicht moet duidelijk en volledig zijn en moet relevante en passende informatie bevatten, zodat het een goed inzicht biedt in de pensioenrechten in de tijd en in de verschillende pensioenproducten, en tevens de arbeidsmobiliteit ten goede komt. Het PEPP-overzicht moet eveneens essentiële informatie bevatten over het beleggingsbeleid in verband met MSG-factoren en moet aangeven waar en hoe PEPP-spaarders aanvullende informatie kunnen verkrijgen over de integratie van MSG-factoren. Het PEPP-overzicht moet jaarlijks aan PEPP-spaarders worden verstrekt.

(44)  PEPP-aanbieders moeten PEPP-spaarders twee maanden voor de data waarop PEPP-spaarders de mogelijkheid hebben om hun uitbetalingsopties te wijzigen, informeren over het aanstaande begin van de afbouwfase, de mogelijke vormen van uitbetaling en de mogelijkheid de vorm van uitbetalingen te wijzigen. Wanneer meer dan een subrekening is geopend, moeten PEPP-spaarders worden geïnformeerd over het mogelijke begin van de afbouwfase van iedere subrekening.

(45)  Tijdens de afbouwfase moeten PEPP-gerechtigden informatie over hun PEPP-uitkeringen en de desbetreffende betalingsmogelijkheden blijven ontvangen. Dat is met name van belang wanneer tijdens de uitbetalingsfase een significant deel van het beleggingsrisico door de PEPP-gerechtigden wordt gedragen.

(46)  Om de rechten van PEPP-spaarders en PEPP-gerechtigden afdoende te beschermen, moeten PEPP-aanbieders kunnen kiezen voor een allocatie van activa die strookt met de specifieke aard en de looptijd van hun verplichtingen, met inbegrip van verplichtingen op de lange termijn. Bijgevolg is efficiënt toezicht vereist, alsook een benadering van de beleggingsregels die PEPP-aanbieders voldoende flexibiliteit biedt om het veiligste en doelmatigste beleggingsbeleid te kiezen en hen verplicht prudent en in de beste langetermijnbelangen van alle PEPP-spaarders tezamen te handelen. Naleving van de "prudent person"-regel vereist derhalve een beleggingsbeleid dat is toegespitst op de klantenstructuur van de PEPP-aanbieder.

(47)  Door de "prudent person"-regel tot onderliggend beginsel te maken voor kapitaalbelegging en door het voor PEPP-aanbieders mogelijk te maken om grensoverschrijdende activiteiten te verrichten, wordt de overheveling van spaargelden naar de sector persoonlijkpensioenvoorziening gestimuleerd, waardoor wordt bijgedragen aan de economische en sociale vooruitgang. In de "prudent person"-regel moet ook uitdrukkelijk rekening worden gehouden met de rol van MSG-factoren in het beleggingsproces.

(48)  Deze verordening moet een passend niveau van beleggingsvrijheid voor PEPP-aanbieders waarborgen. Als beleggers op zeer lange termijn met lage liquiditeitsrisico's kunnen PEPP-aanbieders bijdragen aan de ontwikkeling van de kapitaalmarktenunie door binnen prudente grenzen te beleggen in niet-liquide activa zoals aandelen en in andere instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet verhandeld worden op gereglementeerde markten, multilaterale handelsfaciliteiten (MTF's) of georganiseerde handelsfaciliteiten (OTF's). Zij kunnen ook van de voordelen van internationale diversificatie profiteren. Beleggingen in aandelen in andere valuta's dan die waarin de verplichtingen zijn uitgedrukt en in andere instrumenten die een economisch langetermijnprofiel hebben en niet op gereglementeerde markten, MTF's of OTF's worden verhandeld, mogen derhalve, tenzij om prudentiële redenen, overeenkomstig de "prudent person"-regel niet worden beperkt, teneinde de belangen van PEPP-spaarders en PEPP-gerechtigden te beschermen.

(49)  In de context van de verdieping van de kapitaalmarktenunie moet het begrip instrumenten met een economisch langetermijnprofiel ruim worden opgevat. Dergelijke instrumenten zijn niet-overdraagbare effecten die bijgevolg niet van de door secundaire markten geboden liquiditeit kunnen profiteren. Zij vereisen vaak dat men zich gedurende een bepaalde termijn vastlegt, waardoor de verhandelbaarheid ervan beperkt is en zij moeten worden geacht participatie- en schuldinstrumenten van niet-beursgenoteerde ondernemingen en aan dergelijke ondernemingen verstrekte leningen te omvatten. Niet-beursgenoteerde ondernemingen zijn onder meer infrastructuurprojecten, niet-beursgenoteerde vennootschappen die groei nastreven en vastgoed of andere activa die geschikt kunnen zijn voor langetermijnbeleggingsdoeleinden. Koolstofarme en klimaatbestendige infrastructuurprojecten zijn veelal niet-beursgenoteerde activa en zijn wat projectfinanciering betreft vaak op langetermijnkredieten aangewezen. Gezien de langlopende aard van hun verplichtingen worden PEPP-aanbieders aangemoedigd om een voldoende deel van hun activaportefeuille toe te wijzen ten behoeve van duurzame investeringen in de reële economie met economische langetermijnvoordelen, met name infrastructuurprojecten en -bedrijven.

(50)  MSG-factoren zijn belangrijk voor het beleggingsbeleid en de risicobeheersystemen van PEPP-aanbieders. PEPP-aanbieders moeten worden aangemoedigd om bij beleggingsbeslissingen dergelijke factoren in aanmerking te nemen en rekening te houden met de wijze waarop deze deel uitmaken van hun risicobeheersysteem, teneinde “gestrande activa” te voorkomen. De informatie over MSG-factoren moet toegankelijk voor EIOPA, de bevoegde autoriteiten en PEPP-spaarders.

(51)  Een van de doelstellingen van de regulering van PEPP's is de totstandbrenging van een veilig, betaalbaar, pensioenspaarproduct voor de lange termijn. Aangezien de investeringen met betrekking tot persoonlijke pensioenproducten langetermijninvesteringen zijn, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de langetermijngevolgen van allocatie van activa. Er moet met name rekening worden gehouden met MSG-factoren. PEPP-spaargeld moet worden belegd met inachtneming van MSG-factoren als omschreven in de klimaat- en duurzaamheidsdoelstellingen van de Unie, die zijn vastgesteld in de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering (Overeenkomst van Parijs), de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties en de leidende beginselen inzake bedrijfsleven en mensenrechten van de Verenigde Naties.

(52)  Om ervoor te zorgen dat zij voldoen aan hun verplichting om een beleggingsbeleid te ontwikkelen in overeenstemming met de "prudent person"-regel, moet PEPP-aanbieders worden belet te beleggen in niet-coöperatieve jurisdicties die in de desbetreffende conclusies van de Raad op de -lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor belastingdoeleinden zijn opgenomen, noch in derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen als omschreven in de desbetreffende gedelegeerde verordening van de Commissie, vastgesteld op basis van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad(10).

(53)  Gezien de langetermijnpensioendoelstelling van het PEPP moeten de beleggingsopties die aan de PEPP-spaarders worden toegekend, worden geformuleerd en daarbij de elementen worden behandeld die beleggers in staat stellen om een beleggingsbeslissing te nemen, inclusief het aantal beleggingsopties waaruit zij kunnen kiezen. Na de eerste keuze die is gemaakt bij de toetreding tot een PEPP, moet de PEPP-spaarder de mogelijkheid hebben om deze keuze minimaal vijf jaar na de toetreding tot een PEPP of, in het geval van latere wijzigingen, na de laatste wijziging van de beleggingsoptie, te wijzigen zodat aanbieders voldoende stabiliteit wordt geboden voor hun langetermijnbeleggingsstrategie terwijl tegelijkertijd beleggersbescherming wordt gewaarborgd. PEPP-aanbieders moeten PEPP-spaarders evenwel de mogelijkheid bieden om de gekozen beleggingsoptie vaker te wijzigen.

(54)  Het basis-PEPP moet een veilig product zijn en dient als standaardbeleggingsoptie te fungeren. Het zou de vorm kunnen aannemen van ofwel een risicolimiteringstechniek die strookt met de doelstelling om de PEPP-spaarder in staat te stellen het belegde kapitaal te recupereren, ofwel een garantie op het geïnvesteerde kapitaal. Een risicolimiteringstechniek die strookt met de doelstelling om de PEPP-spaarder in staat te stellen het belegde kapitaal te recupereren, kan een conservatieve beleggingsstrategie zijn of een levenscyclusstrategie, waarbij het totale risico geleidelijk afneemt. Garanties die uit hoofde van de standaardbeleggingsoptie worden geboden moeten ten minste de bijdragen tijdens de opbouwfase na aftrek van alle vergoedingen en lasten dekken. Garanties kunnen ook de vergoedingen en lasten dekken en kunnen volledige of gedeeltelijke dekking van de inflatie bieden. Een garantie op het belegde kapitaal moet verschuldigd zijn aan het begin van de afbouwfase en, indien van toepassing, gedurende de afbouwfase.

(55)  Teneinde PEPP-spaarders kostenefficiëntie en een toereikend rendement te garanderen, moeten de kosten en vergoedingen voor het basis-PEPP beperkt blijven tot een vast percentage van het opgebouwde kapitaal. Hoewel deze limiet moet worden vastgesteld op 1 % van het opgebouwde kapitaal, zou het wenselijk zijn de soorten kosten en vergoedingen waarmee rekening moet worden gehouden in de technische reguleringsnormen nader te specificeren, zodat gelijke voorwaarden worden gewaarborgd voor de verschillende PEPP-aanbieders en de verschillende soorten PEPP's met hun specifieke kosten- en vergoedingenstructuren. De Commissie moet de bevoegdheid krijgen dergelijke technische reguleringsnormen die moeten ontwikkeld worden door EIOPA, vast te stellen. Bij het opstellen van de ontwerpen van technische reguleringsnormen moet EIOPA in het bijzonder rekening houden met het langetermijnkarakter van het PEPP, de verschillende soorten PEPP's en de kostengerelateerde factoren die verband houden met de specifieke kenmerken van PEPP's, teneinde een eerlijke en gelijke behandeling van de verschillende PEPP-aanbieders en hun producten te waarborgen en tegelijkertijd rekening te houden met de aard van het basis-PEPP als een eenvoudig, kostenefficiënt en transparant product dat op de lange termijn een toereikend reëel beleggingsrendement biedt. Teneinde het langetermijn pensioenkarakter van het product te waarborgen, moet bovendien de vorm van uitbetaling, in het bijzonder waar het levenslange annuïteiten betreft, zorgvuldig worden beoordeeld. Binnen dit kader en om te waarborgen dat voor PEPP-aanbieders die een kapitaalgarantie bieden dezelfde spelregels gelden als voor andere aanbieders, dient EIOPA terdege rekening te houden met de structuur van kosten en vergoedingen. Voorts dienen de procentuele waarden voor kosten en vergoedingen regelmatig worden herzien om de voortdurende geschiktheid ervan te waarborgen, daarbij rekening houdend met eventuele veranderingen in het kostenniveau. De Commissie moet die technische reguleringsnormen vaststellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

Teneinde voortdurende kostenefficiëntie te waarborgen en PEPP-cliënten te beschermen tegen te omslachtige kostenstructuren, dient aan de Commissie de bevoegdheid te worden overgedragen overeenkomstig artikel 290 VWEU gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de procentuele waarde, daarbij rekening houdend met haar beoordelingen, in het bijzonder het feitelijke niveau en veranderingen van het feitelijke niveau van kosten en vergoedingen en het effect van het kostenplafond op de beschikbaarheid van PEPP's, en passende markttoegang van verschillende PEPP-aanbieders die verschillende soorten PEPP's aanbieden.

(56)  De voornaamste doelstellingen van de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van hun bevoegdheden moeten de bescherming van de rechten van PEPP-spaarders en PEPP-gerechtigden en de stabiliteit en soliditeit van PEPP-aanbieders zijn.

(57)  Indien de PEPP-aanbieder een IBPV of een EU-beheerder van alternatieve beleggingsinstellingen (EU-abi-beheerder) is, moet hij een bewaarder aanstellen in verband met de bewaring van de met het aanbieden van PEPP's overeenkomende activa. Er zijn aanvullende garanties nodig in verband met de entiteit die als bewaarder optreedt en haar taken, aangezien de regels inzake de bewaarder als vastgelegd in Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(11) betrekking hebben op fondsen die uitsluitend aan professionele beleggers worden aangeboden, met uitzondering van Europese langetermijnbeleggingsinstellingen uit hoofde van Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad(12), die eveneens aan retailbeleggers worden aangeboden, terwijl het sectorale recht dat van toepassing is op IBPV's niet in alle gevallen voorziet in de aanstelling van een bewaarder. Om de grootst mogelijke beleggersbescherming te bieden in verband met de bewaring van met het aanbieden van PEPP's overeenkomende activa, verplicht deze verordening IBPV's en EU-abi-beheerders die PEPP's aanbieden tot naleving van de regels van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(13) wat betreft de aanstelling van de bewaarder, de uitvoering van zijn taken en zijn toezichtstaken.

(58)  Transparantie en billijkheid van kosten en vergoedingen zijn essentieel om vertrouwen op te bouwen met PEPP-spaarders en hen in staat te stellen gefundeerde keuzes te maken. Dienovereenkomstig moet het gebruik van niet-transparante prijsmethoden worden verboden.

(59)  Teneinde de in deze verordening geformuleerde doelstellingen te verwezenlijken, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen wat betreft het specificeren van de voorwaarden voor de interventiebevoegdheden van EIOPA en de bevoegde autoriteiten en de criteria en factoren die EIOPA moet toepassen om te bepalen wanneer er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van PEPP-spaarders. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(14). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(60)  Onverminderd het recht van PEPP-cliënten om een rechtsvordering in te stellen bij de rechtbank, dienen gemakkelijk toegankelijke, adequate, onafhankelijke, onpartijdige, transparante en effectieve procedures voor alternatieve geschillenbeslechting (ADR) tussen PEPP-aanbieders of PEPP-distributeurs en PEPP-cliënten te worden ingesteld voor de beslechting van geschillen uit hoofde van de rechten en verplichtingen die in deze verordening zijn vastgesteld.

(61)  Met het oog op de instelling van een efficiënte en effectieve geschillenbeslechtingsprocedure dienen PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs een effectieve klachtenprocedure in te voeren die door hun klanten kan worden doorlopen voordat het geschil wordt doorverwezen om in een ADR-procedure of voor een rechtbank te worden beslecht. De klachtenprocedure dient te voorzien in korte en duidelijk bepaalde termijnen waarbinnen de PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur op een klacht moet reageren. ADR-organen moeten over toereikende capaciteit beschikken om op adequate en efficiënte wijze grensoverschrijdend samen te werken met betrekking tot geschillen betreffende de rechten en plichten die uit deze verordening voortvloeien.

(62)  Om betere voorwaarden te vinden voor hun beleggingen, waardoor ook de concurrentie tussen PEPP-aanbieders wordt gestimuleerd, moeten PEPP-spaarders het recht hebben om tijdens de opbouwfase ▌via een duidelijke, snelle en veilige procedure naar een andere PEPP-aanbieder in dezelfde of een andere lidstaat over te stappen. Wanneer spaarders uitbetalingen ontvangen in de vorm van levenslange annuïteiten, mogen PEPP-aanbieders evenwel niet worden verplicht om de overstapdienst voor PEPP's aan te bieden. Tijdens de overstap dienen overdragende PEPP-aanbieders de overeenkomstige bedragen of, indien van toepassing activa in natura, van de PEPP-rekening over te dragen en deze te sluiten. PEPP-spaarders kunnen contracten sluiten met ontvangende PEPP-aanbieders inzake de opening van een nieuwe PEPP-rekening. De nieuwe PEPP-rekening moet dezelfde subrekeningstructuur hebben als de vorige PEPP-rekening.

(63)  Tijdens de overstapdienst kunnen PEPP-spaarders er alleen voor kiezen activa in natura over te dragen wanneer het een overstap tussen PEPP-aanbieders betreft, zoals beleggingsondernemingen of andere in aanmerking komende aanbieders die over een aanvullende vergunning beschikken, die vermogensbeheer voor PEPP-spaarders aanbieden. In dit geval is schriftelijke toestemming van de ontvangende aanbieder noodzakelijk. In het geval van collectief beleggingsbeheer is de overdracht van activa in natura niet mogelijk, aangezien er geen sprake is van de scheiding van activa per individuele PEPP-spaarder.

(64)  Het overstapproces moet eenvoudig zijn voor de PEPP-spaarder. Dienovereenkomstig moet de ontvangende PEPP-aanbieder verantwoordelijk zijn voor het initiëren en beheren van het proces namens en op verzoek van de PEPP-spaarder. PEPP-aanbieders moeten op vrijwillige basis extra middelen, zoals een technische oplossing, kunnen gebruiken bij de oprichting van de overstapdienst. Gezien de pan-Europese aard van het product moeten PEPP-spaarders onverwijld en kosteloos kunnen overstappen wanneer in de lidstaat waar de PEPP-spaarder naartoe verhuist geen subrekening beschikbaar is.

(65)  De consument moet, voordat hij toestemming verleent om over te stappen, worden geïnformeerd over alle stappen en de kosten van de procedure die noodzakelijk zijn om de overstap te voltooien, teneinde de PEPP-spaarder in de gelegenheid te stellen een geïnformeerde beslissing te nemen over de overstapdienst.

(66)  De medewerking van de overdragende PEPP-aanbieder is noodzakelijk voor een succesvolle overstap. Bijgevolg moet aan de ontvangende PEPP-aanbieder door de overdragende PEPP-aanbieder alle informatie worden verstrekt die nodig is om de betalingen naar de andere PEPP-rekening over te brengen. Deze informatie dient evenwel beperkt te blijven tot wat nodig is om de overstap uit te voeren.

(67)  PEPP-spaarders mogen niet worden onderworpen aan financiële verliezen, daaronder begrepen heffingen en interesten, die het gevolg zijn van fouten van een van beide PEPP-aanbieders die bij de overstap betrokken zijn. PEPP-spaarders mogen met name geen financieel verlies dragen als gevolg van de betaling van bijkomende vergoedingen, interesten of andere heffingen, alsmede van boeten, sancties of enige andere financiële schade die is toe te schrijven aan de vertraagde uitvoering van de overstap. Aangezien kapitaalbescherming moet worden gewaarborgd aan het begin van de afbouwfase en, indien van toepassing, gedurende de afbouwfase, mag de overdragende PEPP-aanbieder niet worden verplicht om de kapitaalbescherming of -garantie te waarborgen ten tijde van de overstap. De PEPP-aanbieder kan ook besluiten om de kapitaalbescherming te waarborgen of de garantie te bieden ten tijde van de overstap.

(68)  PEPP-spaarders moeten in staat worden gesteld om met kennis van zaken een beslissing te nemen alvorens zij overstappen. De ontvangende PEPP-aanbieder moet aan alle distributie- en informatievereisten voldoen, inclusief de verstrekking van een PEPP-essentiële-informatiedocument, advies en voldoende informatie betreffende de kosten in verband met de overstap en de mogelijke negatieve gevolgen voor de kapitaalbescherming wanneer de overstap een PEPP met een garantie betreft. Kosten die de overdragende PEPP-aanbieder aanrekent moeten worden beperkt tot een bedrag dat geen obstakel voor mobiliteit vormt, en dienen in ieder geval te worden beperkt tot 0,5 % van de over te dragen overeenkomstige bedragen of geldwaarde van de activa in natura.

(69)  PEPP-spaarders moeten de vrijheid hebben om bij het toetreden tot een PEPP en het openen van een nieuwe subrekening te beslissen over hun uitbetalingskeuze (annuïteiten, vast bedrag of andere keuze) in de afbouwfase, maar met de mogelijkheid om hun keuze een jaar voor de aanvang van de afbouwfase, bij aanvang van de afbouwfase en ten tijde van de overstap, te herzien teneinde hun uitbetalingskeuze optimaal te kunnen aanpassen aan hun behoeften wanneer zij het pensioen naderen. Indien de PEPP-aanbieder meer dan één vorm van uitbetaling biedt, moet het voor de PEPP-spaarder mogelijk zijn te kiezen voor een andere uitbetalingsoptie voor iedere subrekening die in zijn PEPP-rekening is geopend.

(70)  PEPP-aanbieders moeten een breed scala aan vormen van uitbetaling aan PEPP-spaarders kunnen aanbieden. Die aanpak zou het doel bereiken van een verhoogde marktpenetratie van het PEPP via meer flexibiliteit en keuze voor PEPP-spaarders. Aanbieders zouden daardoor hun PEPP's op de meest kosteneffectieve wijze kunnen ontwerpen. Hij is coherent met ander Uniebeleid en politiek haalbaar, aangezien de lidstaten zo voldoende ruimte hebben om te beslissen welke vormen van uitbetaling zij willen aanmoedigen. In overeenstemming met het langetermijnkarakter van het product moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om maatregelen vast te stellen om bepaalde vormen van uitbetaling te bevoordelen, zoals kwantitatieve limieten voor betalingen op basis van vaste bedragen, teneinde levenslange annuïteiten en inkomensonttrekkingen verder te bevorderen.

(71)   Gezien de pan-Europese aard van het PEPP moet er op de hele interne markt worden gezorgd voor een consistent hoog beschermingsniveau van PEPP-spaarders. Dit vereist passende instrumenten om inbreuken doeltreffend te bestrijden en schade voor de consument te voorkomen. De bevoegdheden van EIOPA en de bevoegde autoriteiten dienen daarom te worden aangevuld met een speciaal mechanisme om het op de markt brengen, distribueren en verkopen te verbieden van PEPP's ten aanzien waarvan ernstige zorgen bestaan wat betreft de bescherming van de PEPP-spaarders, onder meer wat betreft het langetermijnkarakter van het product, de ordentelijke werking en integriteit van de financiële markt, of de stabiliteit van het gehele of delen van het financiële stelsel, in combinatie met passende coördinatie- en noodbevoegdheden voor EIOPA.

De bevoegdheden van EIOPA moeten gebaseerd zijn op artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1094/2010 om te waarborgen dat dergelijke mechanismen om in te grijpen in werking kunnen worden gesteld in het geval er aanzienlijke zorgen over de bescherming van PEPP-spaarders bestaan, onder meer wat betreft het langetermijnkarakter van het PEPP. Wanneer aan de voorwaarden wordt voldaan, kunnen de bevoegde autoriteiten het verbod of de beperking uit voorzorg opleggen voordat een PEPP op de markt is gebracht, is gedistribueerd of aan PEPP-spaarders is verkocht. Die bevoegdheden ontslaan de PEPP-aanbieder niet van zijn verantwoordelijkheid om aan alle relevante vereisten uit hoofde van deze verordening te voldoen.

(72)  Er moet volledige transparantie over kosten en vergoedingen in verband met de belegging in een PEPP gegarandeerd worden. Dezelfde spelregels zouden gelden voor alle aanbieders, waarbij consumentenbescherming wordt gewaarborgd. Er zou vergelijkende informatie beschikbaar zijn voor de verschillende producten, waardoor concurrerende prijsstelling wordt gestimuleerd.

(73)  Hoewel het doorlopende toezicht op PEPP-aanbieders door de respectieve bevoegde autoriteiten moet worden uitgeoefend, moet het toezicht op PEPP's door EIOPA worden gecoördineerd om de consistente toepassing van een uniforme toezichthoudende methode te waarborgen, waardoor tot de pan-Europese aard en het langetermijnkarakter van het PEPP wordt bijgedragen.

(74)  Teneinde de consumentenrechten te versterken en de toegang tot een klachtenprocedure te vergemakkelijken, moeten PEPP-spaarders individueel of collectief klachten kunnen indienen bij de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van verblijf, ongeacht waar de inbreuk heeft plaatsgevonden.

(75)  EIOPA moet samenwerken met de bevoegde autoriteiten en de samenwerking en samenhang tussen hen vergemakkelijken. In dit verband moet EIOPA een rol spelen in verband met de bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten om toezichtsmaatregelen toe te passen door bewijs te leveren over PEPP-gerelateerde inbreuken. EIOPA dient ook bindende bemiddeling te bieden in geval van onenigheid tussen bevoegde autoriteiten in grensoverschrijdende situaties.

(76)  Om ervoor te zorgen dat deze verordening wordt nageleefd door PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs, en om ervoor te zorgen dat zij in heel de Unie gelijk behandeld worden, moet in bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen die effectief, evenredig en afschrikkend zijn, worden voorzien.

(77)  Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 8 december 2010 betreffende "Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector" en om de naleving van de voorschriften van deze verordening te waarborgen moeten de lidstaten de nodige stappen nemen om op inbreuken op deze verordening passende bestuursrechtelijke sancties en andere maatregelen te stellen.

(78)  Hoewel de lidstaten regels voor zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke sancties voor dezelfde inbreuken vast kunnen stellen, mag van de lidstaten niet worden verlangd dat zij regels voor bestuursrechtelijke sancties vaststellen voor inbreuken op deze verordening die onder hun nationale strafrecht vallen. Het handhaven van strafrechtelijke sancties in plaats van bestuursrechtelijke sancties voor inbreuken op deze verordening mag de bevoegde autoriteiten evenwel niet beperken of anderszins beïnvloeden in hun vermogen om voor de toepassing van deze verordening tijdig samen te werken, informatie in te winnen en uit te wisselen met bevoegde autoriteiten in andere lidstaten, ook nadat de betrokken inbreuken voor strafrechtelijke vervolging naar de bevoegde rechterlijke instanties zijn verwezen.

(79)  De bevoegde autoriteiten moeten worden gemachtigd om geldelijke sancties op te leggen die hoog genoeg zijn om actuele of potentiële winsten teniet te doen en die zelfs op grotere financiële ondernemingen en de bestuurders daarvan een afschrikkend effect hebben.

(80)  Om de consistente toepassing van sancties in heel de Unie te waarborgen, dienen de bevoegde autoriteiten rekening te houden met alle relevante omstandigheden bij het bepalen van het type bestuursrechtelijke sancties of andere maatregelen en het niveau van geldelijke sancties.

(81)  Om ervoor te zorgen dat beslissingen inzake inbreuken en sancties door bevoegde autoriteiten een afschrikkend effect hebben op het grote publiek en om de consumentenbescherming te versterken door hen te waarschuwen over PEPP's die in overtreding van deze verordening worden gedistribueerd, moeten deze beslissingen worden gepubliceerd, tenzij een dergelijke bekendmaking de stabiliteit van de financiële markten of een aan de gang zijnde onderzoek in gevaar brengt.

(82)  De bevoegde autoriteiten moeten over de nodige onderzoeksbevoegdheden beschikken om mogelijke inbreuken op te sporen, en moeten tevens doeltreffende mechanismen opzetten om de melding van mogelijke of feitelijke inbreuken mogelijk te maken.

(83)  Deze verordening moet de bepalingen van de wetgevingen van de lidstaten met betrekking tot strafbare feiten onverlet laten.

(84)  De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening, zoals bij de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten of de verwerking van persoonsgegevens door PEPP-aanbieders of PEPP-distributeurs, moet plaatsvinden in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(15) en Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad(16). Iedere uitwisseling of doorgifte van informatie door de ETA's moet plaatsvinden in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(17).

(85)   Gezien de gevoeligheid van persoonlijke financiële gegevens is een krachtige gegevensbescherming van groot belang. Derhalve wordt aanbevolen dat gegevensbeschermingsautoriteiten nauw betrokken zijn bij de uitvoering van en het toezicht op deze verordening.

(86)  De in deze verordening vastgelegde registratie- en kennisgevingprocedure mag niet in de plaats komen van een eventuele aanvullende nationale procedure die is ingesteld om te kunnen profiteren van de op nationaal niveau vastgestelde voordelen en stimulansen.

(87)  Er moet een evaluatie van deze verordening worden uitgevoerd, onder meer door beoordeling van marktontwikkelingen, zoals de opkomst van nieuwe types PEPP's, alsook ontwikkelingen op andere gebieden van het Unierecht en de ervaringen van de lidstaten. Bij die evaluatie moet rekening worden gehouden met de verschillende doelstellingen die met een goed functionerende PEPP-markt worden nagestreefd, en moet in het bijzonder worden beoordeeld of deze verordening ertoe heeft geleid dat meer Europese burgers sparen voor een duurzaam en toereikend pensioen. Het belang van Europese minimumnormen voor het toezicht op PEPP-aanbieders vereist ook dat de PEPP-aanbieders worden beoordeeld met betrekking tot hun naleving van deze verordening en het toepasselijke sectorale recht.

(88)  Gezien de mogelijke gevolgen van deze verordening op de lange termijn is het van groot belang dat ontwikkelingen tijdens de eerste toepassingsfase nauwlettend worden gemonitord. Bij de evaluatie moet de Commissie ook rekening houden met de ervaringen van EIOPA, belanghebbenden en deskundigen, en ze moet het Europees Parlement en de Raad in kennis stellen van eventuele bevindingen.

(89)  Deze verordening moet erop toezien dat de grondrechten worden geëerbiedigd en moet de beginselen in acht nemen die in het bijzonder zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name het recht van ouderen een waardig en zelfstandig leven te leiden en deel te namen aan het maatschappelijk en cultureel leven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het eigendomsrecht, de vrijheid van ondernemerschap, het beginsel van gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het beginsel van een hoog niveau van consumentenbescherming.

(90)  Daar de doelstellingen van deze verordening, te weten een betere bescherming van de PEPP-spaarder en een groter vertrouwen van de PEPP-spaarders in PEPP’s, ook in verband met de grensoverschrijdende distributie van deze producten, niet voldoende door de onafhankelijk van elkaar optredende lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden eenvormige regels vastgesteld voor de registratie, ontwikkeling en distributie van en het toezicht op persoonlijke pensioenproducten die in de Unie worden gedistribueerd onder de benaming "pan‑Europees persoonlijk pensioenproduct" of "PEPP".

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "persoonlijk pensioenproduct": een product dat:

a)  is gebaseerd op een overeenkomst op vrijwillige basis tussen een individuele spaarder en een entiteit en een aanvulling vormt op elk pensioenproduct in het kader van een wettelijk of bedrijfspensioen;

b)  voorziet in de langetermijnopbouw van kapitaal met als expliciet doel een inkomen te verstrekken bij de pensionering en met ▌beperkte mogelijkheden voor vervroegde opname vóór pensionering;

c)  geen pensioenproduct in het kader van een wettelijk pensioen of bedrijfspensioen is;

2)  "pan-Europees persoonlijk pensioenproduct" of "(PEPP)": een langetermijn persoonlijk pensioenproduct dat in het kader van een PEPP-overeenkomst wordt aangeboden door een overeenkomstig artikel 6, lid 1, in aanmerking komende financiële onderneming ▌, en waarop een ▌PEPP-spaarder, of een vereniging van onafhankelijke PEPP-spaarders namens haar leden, heeft ingeschreven met het oog op pensioen, met geen of een strikt beperkte mogelijkheid van vervroegde terugvordering, en dat geregistreerd is overeenkomstig deze verordening;

3)  "PEPP-spaarder": een natuurlijke persoon die een PEPP-overeenkomst met een PEPP-aanbieder heeft gesloten;

4)  "PEPP-overeenkomst": een overeenkomst tussen een PEPP-spaarder en een PEPP-aanbieder die voldoet aan de voorwaarden van artikel 4;

5)  "PEPP-rekening": een op naam van een PEPP-spaarder of PEPP-gerechtigde aangehouden persoonlijke pensioenrekening die wordt gebruikt voor de registratie van transacties opdat de PEPP-spaarder periodiek kan bijdragen voor het pensioen en de PEPP-gerechtigde zijn PEPP-uitkeringen kan ontvangen;

6)  "PEPP-gerechtigde": een natuurlijke persoon die PEPP-uitkeringen ontvangt;

7)  "PEPP-cliënt": een PEPP-spaarder, een potentiële PEPP-spaarder of een PEPP-gerechtigde;

8)  "PEPP-distributie":▐ het adviseren over, het voorstellen of het uitvoeren van ander voorbereidend werk voor het sluiten van overeenkomsten voor het aanbieden van een PEPP, het sluiten van dit soort overeenkomsten, of het assisteren bij het beheer en de uitvoering van dit soort overeenkomsten, daaronder begrepen het verstrekken van informatie over één of meerdere PEPP-overeenkomsten op basis van criteria die PEPP-cliënten via een website of andere media kiezen en het opstellen van een PEPP-ranglijst, met inbegrip van prijs- en productvergelijking of van een korting op de premie van een PEPP, wanneer de PEPP-cliënt direct of indirect via een website of andere media een PEPP-overeenkomst kan sluiten;

9)  "PEPP-pensioenuitkeringen": uitkeringen die worden uitbetaald bij het bereiken of naar verwachting bereiken van de pensioenleeftijd in een van de vormen als bedoeld in artikel 58, lid 1;

10)  "PEPP-uitkeringen": PEPP-pensioenuitkeringen en andere, bijkomende voordelen waarop een PEPP-gerechtigde overeenkomstig de PEPP-overeenkomst recht heeft, met name voor de strikt beperkte gevallen van vroegtijdige terugvordering of indien in de PEPP-overeenkomst is voorzien in een dekking van biometrische risico's;

11)  "opbouwfase": de periode waarin de activa▐ worden opgebouwd op een PEPP-rekening en die in de regel loopt tot de afbouwfase start;

12)  "afbouwfase": de periode waarin de op een PEPP-rekening opgebouwde activa kunnen worden aangesproken om pensioen- of andere inkomensbehoeften te financieren;

13)  "annuïteit": een bedrag dat periodiek wordt betaald gedurende een bepaalde periode, zoals gedurende het leven van de PEPP-gerechtigde of gedurende een bepaald aantal jaren, als tegenprestatie voor een belegging;

14)  "onttrekkingen":▐ discretionaire bedragen die PEPP-gerechtigden kunnen opnemen, tot een bepaald plafond op periodieke basis;

15)  ▐ "PEPP-aanbieder": een financiële onderneming als bedoeld in artikel 6, lid 1, die gemachtigd is om een PEPP te ontwikkelen en te distribueren;

16)  ▌"PEPP-distributeur": een financiële onderneming als bedoeld in artikel 6, lid 1, die gemachtigd is om niet door haar ontwikkelde PEPP's te distribueren, een beleggingsonderneming die beleggingsadvies verleent, of een verzekeringstussenpersoon als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 3, van Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad(18);

17)  "duurzame drager": ieder hulpmiddel:

a)  dat een PEPP-cliënt in staat stelt om persoonlijk aan hem gerichte informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze achteraf gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd, en

b)  waarmee de opgeslagen informatie ongewijzigd kan worden gereproduceerd;

18)  "bevoegde autoriteiten" ▌: de nationale autoriteiten die door een lidstaat zijn aangewezen om toezicht te houden op PEPP-aanbieders of PEPP-distributeurs, al naar gelang, of om de taken uit te voeren waarin in deze verordening is voorzien;

19)  "lidstaat van herkomst van de PEPP-aanbieder": de lidstaat van herkomst overeenkomstig de definitie in de desbetreffende wetgevingshandeling als bedoeld in artikel 6, lid 1;

20)  "lidstaat van herkomst van de PEPP-distributeur":

a)  indien de distributeur een natuurlijk persoon is, de lidstaat waar deze zijn verblijfplaats heeft;

b)  indien de distributeur een rechtspersoon is, de lidstaat waar zijn statutaire zetel is gevestigd of, indien deze rechtspersoon volgens zijn nationale recht geen statutaire zetel heeft, de lidstaat waar zijn hoofdkantoor is gevestigd;

21)  "lidstaat van ontvangst van de PEPP-aanbieder": een lidstaat, niet zijnde de lidstaat van herkomst van de PEPP-aanbieder, waar de PEPP-aanbieder PEPP's aanbiedt op grond van de vrijheid van dienstverrichting of de vrijheid van vestiging of waarvoor de PEPP-aanbieder een subrekening heeft geopend;

22)  "lidstaat van ontvangst van de PEPP-distributeur": een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de PEPP-distributeur, waar de PEPP-distributeur PEPP's distribueert op grond van de vrijheid van dienstverrichting of de vrijheid van vestiging;

23)  "subrekening": een nationaal segment dat binnen elke PEPP-rekening wordt geopend en voldoet aan de wettelijke eisen en voorwaarden voor het gebruik van eventuele stimulansen die op nationaal niveau voor het beleggen in een PEPP zijn vastgesteld door de lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder; bijgevolg kan iedereen een PEPP-spaarder of een PEPP-gerechtigde in elke subrekening zijn, afhankelijk van de desbetreffende wettelijke vereisten voor de opbouwfase en afbouwfase;

24)  "kapitaal": totaal van de kapitaalinbrengen ▌, berekend op basis van belegbare bedragen na aftrek van alle vergoedingen, lasten en kosten die direct of indirect door de PEPP-spaarders worden gedragen;

25)  "financiële instrumenten": de financiële instrumenten die nader worden bepaald in deel C van bijlage I bij Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(19);

26)  "bewaarder": een instelling belast met de bewaring van activa en het toezicht op de inachtneming van het reglement van het fonds en het toepasselijke recht;

27)   "basis-PEPP": een investeringsoptie als bedoeld in artikel 45;

28)  "risicolimiteringstechnieken": technieken voor een stelselmatige vermindering van de omvang van de blootstelling aan een risico en/of de kans dat dit risico zich voordoet;

29)  "biometrische risico's": risico's in verband met overlijden, arbeidsongeschiktheid en/of lange levensduur;

30)  "overstappen naar een andere aanbieder": het op verzoek van een PEPP-spaarder van één PEPP-aanbieder naar een andere PEPP-aanbieder overdragen van de overeenkomstige bedragen of, indien van toepassing, activa in natura overeenkomstig artikel 52, lid 4, van één PEPP-rekening naar de andere PEPP-rekening, met afsluiting van de eerste PEPP-rekening, onverminderd artikel 53, lid 4, onder e);

31)  "advies": een persoonlijke aanbeveling van de PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur aan een PEPP-cliënt over een of meer PEPP-overeenkomsten ▌;

32)  "partnerschap": samenwerking tussen PEPP-aanbieders om subrekeningen aan te bieden voor verschillende lidstaten in de context van de meeneembaarheidsdienst als bedoeld in artikel 19, lid 2;

33)  "milieu-, sociale en governancefactoren" of "MSG-factoren": milieu-, sociale en governancekwesties zoals die welke zijn opgenomen in de Overeenkomst van Parijs, de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties, de leidende beginselen van de Verenigde Naties inzake bedrijfsleven en mensenrechten en de door de Verenigde Naties ondersteunde beginselen voor verantwoord beleggen.

Artikel 3

Toepasselijke voorschriften

De registratie, ontwikkeling en distributie van en het toezicht op PEPP's zijn onderworpen aan:

a)  deze verordening, en

b)   voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening worden geregeld ▌:

i)  het toepasselijke sectorale Unierecht, met inbegrip van de overeenkomstige gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen;

ii)  de door de lidstaten vastgestelde wettelijke voorschriften ter uitvoering van het toepasselijke sectorale Unierecht en ter uitvoering van maatregelen die specifiek op PEPP's zijn gericht;

iii)  andere nationale wettelijke voorschriften die gelden voor PEPP's.

Artikel 4

PEPP-overeenkomst

1.  In de PEPP-overeenkomst worden de specifieke bepalingen voor het PEPP vastgesteld, overeenkomstig de toepasselijke regels bedoeld in artikel 3.

2.  De PEPP-overeenkomst omvat met name het volgende:

a)  een beschrijving van het basis-PEPP als bedoeld in artikel 45, met inbegrip van informatie over de garantie op het geïnvesteerde kapitaal of de investeringsstrategie voor het garanderen van de kapitaalbescherming;

b)  een beschrijving van de alternatieve beleggingsopties als bedoeld in artikel 42, lid 2, indien van toepassing;

c)  de in artikel 44 bedoelde voorwaarden met betrekking tot een wijziging van de investeringsoptie;

d)  indien het PEPP de dekking aanbiedt van biometrische risico's, nadere gegevens over die dekking, inclusief de omstandigheden die aanleiding geven tot uitkering;

e)  een beschrijving van de PEPP-pensioenuitkeringen, in het bijzonder de mogelijke vormen van uitbetaling en het in artikel 59 bedoelde recht om de vorm van uitbetaling te wijzigen;

f)  de in de artikelen 17 tot en met 20 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de meeneembaarheidsdienst, met inbegrip van informatie over de lidstaten waarvoor een subrekening beschikbaar is;

g)  de in de artikelen 52 tot en met 55 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de overstapdienst;

h)  de kostencategorieën en de totale kosten, uitgedrukt als percentage en in geldwaarde, indien van toepassing;

i)  de in artikel 47 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de opbouwfase voor de subrekening die betrekking heeft op de lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder;

j)  de in artikel 57 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de afbouwfase voor de subrekening die betrekking heeft op de lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder;

k)  indien van toepassing, de voorwaarden waaronder de toegekende voordelen of stimulansen moeten worden terugbetaald aan de lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder.

HOOFDSTUK II

REGISTRATIE

Artikel 5

Registratie

1.  Een PEPP mag in de Unie alleen worden aangeboden en gedistribueerd wanneer het geregistreerd is in het door EIOPA bijgehouden centraal openbaar register overeenkomstig artikel 13.

2.  De registratie van een PEPP is voor alle lidstaten geldig. Hiermee wordt aan de PEPP-aanbieder het recht verleend om het PEPP dat in het in artikel 13 bedoelde centraal openbaar register werd geregistreerd, aan te bieden, en aan de PEPP-distributeur om het te distribueren.

Er wordt overeenkomstig hoofdstuk IX permanent toezicht gehouden op de naleving van deze verordening.

Artikel 6

Aanvraag van registratie van een PEPP

1.  Alleen de volgende financiële ondernemingen die een vergunning hebben of ingeschreven zijn overeenkomstig het Unierecht, kunnen de registratie van een PEPP aanvragen:

a)  kredietinstellingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(20) vergunning is verleend,

b)  verzekeringsondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(21) vergunning is verleend en die actief zijn op het gebied van directe levensverzekering overeenkomstig artikel 2, lid 3, van Richtlijn 2009/138/EG en bijlage II bij die richtlijn,;

c)  instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (IBPV's) die beschikken over een vergunning of zijn geregistreerd overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/2341 en die op grond van het nationale recht gemachtigd zijn en onder toezicht staan om ook persoonlijke pensioenproducten aan te bieden. In dit geval worden alle activa en passiva die overeenkomen met activiteiten op het gebied van de aanbieding van PEPP's, afgescheiden, zonder dat er enige mogelijkheid bestaat om ze over te hevelen naar de andere pensioenaanbiedingsactiviteiten van de instelling;

d)  beleggingsondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU vergunning is verleend en die vermogensbeheer aanbieden ;

e)  beleggingsondernemingen of beheersmaatschappijen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EU vergunning is verleend;

f)   beheerders van alternatieve EU-beleggingsinstellingen (EU-abi-beheerders) waaraan overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU ▌vergunning is verleend;

2.  De in lid 1 genoemde financiële ondernemingen dienen de aanvraag van registratie van een PEPP in bij hun bevoegde autoriteiten. De aanvraag omvat:

a)  de standaardcontractbepalingen van de PEPP-overeenkomst die aan PEPP-spaarders zullen worden voorgesteld, zoals bedoeld in artikel 4;

b)  informatie over de identiteit van de aanvrager ;

c)  informatie over regelingen betreffende portefeuille- en risicobeheer en administratie met betrekking tot het PEPP, met inbegrip van de regelingen als bedoeld in artikel 19, lid 2, artikel 42, lid 5, en artikel 49, lid 3;

d)  een lijst van de lidstaten waar de PEPP-aanbieder die de aanvraag indient, het PEPP op de markt wil brengen, indien van toepassing;

e)  informatie over de identiteit van de bewaarder, indien van toepassing;

f)  de essentiële PEPP-informatie als bedoeld in artikel 26;

g)   een lijst van de lidstaten waarvoor de PEPP-aanbieder die de aanvraag indient, de onmiddellijke opening van een subrekening zal kunnen garanderen.

3.   De bevoegde autoriteiten beoordelen uiterlijk vijftien werkdagen na ontvangst van de in lid 2 bedoelde aanvraag of de aanvraag volledig is.

De bevoegde autoriteiten stellen een termijn vast waarbinnen de aanvrager aanvullende informatie moet verstrekken als de aanvraag niet volledig is. Nadat de aanvraag als volledig wordt beschouwd, stellen de bevoegde autoriteiten de aanvrager daarvan in kennis.

4.   Binnen drie maanden na de datum van indiening van de volledige aanvraag op grond van lid 3 nemen de bevoegde autoriteiten een besluit tot registratie van een PEPP, alleen als de aanvrager in aanmerking komt voor het aanbieden van PEPP's overeenkomstig lid 1 en als de met de registratieaanvraag ingediende informatie en documenten bedoeld in lid 2 voldoen aan deze verordening.

5.   Binnen vijf werkdagen na het nemen van een besluit tot registratie van het PEPP stellen de bevoegde autoriteiten EIOPA in kennis van het besluit en van de in lid 2, onder a), b), d), f) en g), bedoelde informatie en documenten, en brengen zij de PEPP-aanbieder die de aanvraag heeft ingediend, hiervan op de hoogte.

EIOPA is niet verantwoordelijk en wordt niet aansprakelijk gesteld voor een besluit tot registratie door bevoegde autoriteiten.

Als de bevoegde autoriteiten weigeren registratie te verlenen, brengen zij een met redenen omkleed besluit uit dat vatbaar is voor beroep.

6.  Als er in een lidstaat meer dan één bevoegde autoriteit is voor een specifieke soort financiële onderneming als bedoeld in lid 1, wijst die lidstaat één bevoegde autoriteit aan voor elke soort financiële onderneming als bedoeld in lid 1 die verantwoordelijk is voor de registratieprocedure en voor de communicatie met EIOPA.

Alle latere wijzigingen van de met de aanvraag ingediende informatie en documenten als bedoeld in lid 2 worden onmiddellijk ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten. Als de wijzigingen verband houden met de in lid 2, onder a), b), d), f) en g), bedoelde informatie en documenten, delen de bevoegde autoriteiten deze wijzigingen zonder onnodige vertraging mee aan EIOPA.

Artikel 7

Registratie van een PEPP

1.  Binnen vijf werkdagen na de datum van kennisgeving van het besluit tot registratie alsmede de informatie en documenten overeenkomstig artikel 6, lid 5, registreert EIOPA het PEPP in het in artikel 13 bedoelde centraal openbaar register en stelt zij de bevoegde autoriteiten daarvan zonder onnodige vertraging in kennis.

2.  Binnen vijf werkdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving van de registratie van het PEPP stellen de bevoegde autoriteiten de PEPP-aanbieder die de aanvraag heeft ingediend, daarvan in kennis.

3.   De PEPP-aanbieder mag het PEPP aanbieden en de PEPP-distributeur mag het PEPP distribueren vanaf de datum van de registratie van het PEPP in het in artikel 13 bedoelde centraal openbaar register.

Artikel 8

Voorwaarden voor doorhaling van een registratie van een PEPP

1.  De bevoegde autoriteiten nemen een besluit tot doorhaling van de registratie van het PEPP wanneer:

a)  de PEPP-aanbieder uitdrukkelijk afstand doet van de registratie;

b)  de PEPP-aanbieder de registratie heeft verkregen door middel van valse verklaringen of op enige andere onregelmatige wijze;

c)  de PEPP-aanbieder deze verordening ernstig of stelselmatig heeft geschonden; of

d)  de PEPP-aanbieder of het PEPP niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de registratie is verleend.

2.  Binnen vijf werkdagen na het nemen van een besluit tot doorhaling van de registratie van het PEPP delen de bevoegde autoriteiten dit mee aan EIOPA en stellen zij de PEPP-aanbieder daarvan in kennis.

3.  Binnen vijf werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van het in lid 2 bedoelde besluit tot doorhaling haalt EIOPA de registratie van het PEPP door en stelt zij de bevoegde autoriteiten daarvan in kennis.

4.  Binnen vijf werkdagen na ontvangst van de in lid 3 bedoelde kennisgeving van de doorhaling van de registratie van het PEPP, inclusief de datum van de doorhaling, stellen de bevoegde autoriteiten de PEPP-aanbieder daarvan in kennis.

5.  De PEPP-aanbieder biedt het PEPP niet meer aan en de PEPP-distributeur distribueert het PEPP niet meer vanaf de datum van de doorhaling van de registratie van het PEPP in het in artikel 13 bedoelde centraal openbaar register.

6.  Als EIOPA informatie heeft ontvangen over het bestaan van een van de in lid 1, onder b) of c), van dit artikel bedoelde omstandigheden, richt zij, overeenkomstig de in artikel 66 bedoelde verplichting tot samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten en EIOPA, het verzoek aan de bevoegde autoriteiten van de PEPP-aanbieder om na te gaan of van deze omstandigheden sprake is; de bevoegde autoriteiten dienen hun bevindingen en de desbetreffende informatie in bij EIOPA.

7.  Alvorens een besluit tot doorhaling van de registratie van het PEPP te nemen, stellen de bevoegde autoriteiten en EIOPA alles in het werk om ervoor te zorgen dat de belangen van de PEPP-spaarders worden beschermd.

Artikel 9

Benaming ▌

De benaming ▌"pan-Europees persoonlijk pensioenproduct" of "PEPP" mag met betrekking tot een persoonlijk pensioenproduct alleen worden gebruikt wanneer ▌het persoonlijke pensioenproduct door EIOPA ▌is geregistreerd om in overeenstemming met deze verordening onder de benaming "PEPP" te worden gedistribueerd.

Artikel 10

Distributie van PEPP's

1.  De in artikel 6, lid 1, genoemde financiële ondernemingen mogen door henzelf ontwikkelde PEPP's distribueren. Zij mogen ook niet door henzelf ontwikkelde PEPP's distribueren, mits zij voldoen aan het desbetreffende sectorale recht op grond waarvan zij producten mogen distribueren die niet door henzelf zijn ontwikkeld.

2.  In overeenstemming met Richtlijn (EU) 2016/97 geregistreerde verzekeringstussenpersonen en beleggingsondernemingen waaraan overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU vergunning is verleend voor de verlening van beleggingsadvies als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 4, van Richtlijn 2014/65/EU, zijn gerechtigd om PEPP's te distribueren die zijzelf niet hebben ontwikkeld.

Artikel 11

Voor de verschillende soorten aanbieders geldend prudentieel regime

PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs voldoen ▌aan ▌deze verordening, alsmede aan het desbetreffende prudentiële regime dat voor hen geldt in overeenstemming met de in artikel 6, lid 1, en artikel 10, lid 2, genoemde wetgevingshandelingen.

Artikel 12

Publicatie van nationale bepalingen

1.  De tekst van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die gelden voor de voorwaarden met betrekking tot de opbouwfase als bedoeld in artikel 47 en de voorwaarden met betrekking tot de afbouwfase als bedoeld in artikel 57, met inbegrip van informatie over aanvullende nationale procedures die zijn ingesteld voor het aanvragen van de op nationaal niveau vastgestelde voordelen en stimulansen, indien van toepassing, wordt openbaar gemaakt en bijgewerkt door de betrokken nationale autoriteit.

2.  Alle bevoegde autoriteiten in een lidstaat plaatsen op hun website een bijgewerkte link naar de in lid 1 bedoelde teksten.

3.  De publicatie van de in lid 1 bedoelde teksten is uitsluitend bestemd voor informatiedoeleinden en schept geen wettelijke verplichtingen of aansprakelijkheid voor de betrokken nationale autoriteiten.

Artikel 13

Centraal openbaar register

1.  EIOPA houdt een centraal openbaar register bij dat elk PEPP bevat dat op grond van deze verordening geregistreerd is, evenals het registratienummer van het PEPP, de PEPP-aanbieder van dit PEPP, de bevoegde autoriteiten van de PEPP-aanbieder, de datum van de registratie van het PEPP, een volledige lijst van de lidstaten waar dit PEPP wordt aangeboden en een volledige lijst van lidstaten waarvoor de PEPP-aanbieder een subrekening aanbiedt. Het register wordt in elektronische vorm publiek beschikbaar gesteld en wordt bijgewerkt.

2.  De bevoegde autoriteiten brengen EIOPA op de hoogte van de in artikel 12, lid 2, bedoelde links en houden deze informatie actueel.

3.  EIOPA publiceert de in lid 2 bedoelde links in het in lid 1 bedoelde centraal openbaar register en houdt ze actueel.

HOOFDSTUK III

GRENSOVERSCHRIJDENDE AANBIEDING EN MEENEEMBAARHEID VAN PEPP's

AFDELING I

VRIJHEID VAN DIENSTVERRICHTING EN VRIJHEID VAN VESTIGING

Artikel 14

Uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting en de vrijheid van vestiging door PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs

1.   PEPP-aanbieders mogen PEPP's aanbieden en PEPP-distributeurs mogen PEPP's distribueren op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst op grond van de vrijheid van dienstverrichting of de vrijheid van vestiging op voorwaarde dat ze dat doen met inachtneming van de desbetreffende regels en procedures die zijn vastgesteld in of op grond van het in artikel 6, lid 1, onder a), b), d) en e), of in artikel 10, lid 2, genoemde Unierecht dat op hen van toepassing is en na kennisgeving van hun voornemen om een subrekening voor deze lidstaat van ontvangst te openen overeenkomstig artikel 21.

2.   PEPP-aanbieders als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder c) en f), nemen de voorschriften van artikel 15 in acht.

Artikel 15

Uitoefening van de vrijheid van dienstverrichting door IBPV's en EU-abi-beheerders

1.  De in artikel 6, lid 1, onder c) en f), bedoelde PEPP-aanbieders die voornemens zijn PEPP-spaarders op het grondgebied van een lidstaat van ontvangst voor het eerst PEPP's aan te bieden in het kader van het vrij verrichten van diensten delen na kennisgeving van hun voornemen om voor deze lidstaat van ontvangst een subrekening te openen overeenkomstig artikel 21, de bevoegde autoriteiten van hun lidstaat van herkomst de volgende informatie mee:

a)  de naam en het adres van de PEPP-aanbieder;

b)  de lidstaat waar de PEPP-aanbieder voornemens is PEPP´s aan PEPP-spaarders aan te bieden of te distribueren.

2.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst zenden de informatie binnen tien werkdagen na de datum van ontvangst door naar de lidstaat van ontvangst, samen met een bevestiging dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde PEPP-aanbieder voldoet aan de vereisten van artikel 6, lid 1. De informatie wordt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst meegedeeld, tenzij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst redenen hebben om te twijfelen aan de toereikendheid van de administratieve structuur met betrekking tot het aanbieden van PEPP's of aan de financiële situatie van de PEPP-aanbieder als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder c) en f).

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst weigeren de gegevens aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst te verstrekken, delen zij de redenen van deze weigering binnen één maand na ontvangst van alle gegevens mede aan de betrokken PEPP-aanbieder. Tegen deze weigering of ieder uitblijven van een antwoord staat beroep open bij de rechter in de lidstaat van herkomst van de PEPP-aanbieder.

3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst bevestigen binnen tien werkdagen de ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst delen de PEPP-aanbieder vervolgens mee dat de informatie door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst is ontvangen en dat de PEPP-aanbieder kan beginnen met het aanbieden van PEPP's aan PEPP-spaarders in die lidstaat.

4.  Bij gebreke van een ontvangstbevestiging als bedoeld in lid 3 binnen tien werkdagen na de datum van toezending van de in lid 2 bedoelde informatie, delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de PEPP-aanbieder mee dat de PEPP-aanbieder in die lidstaat van ontvangst diensten kan beginnen aan te bieden.

5.  In geval van wijziging van de in lid 1 bedoelde informatie stelt de PEPP-aanbieder ten minste één maand voordat de wijziging wordt doorgevoerd, de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van deze wijziging in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst zo spoedig mogelijk en uiterlijk één maand na ontvangst van de kennisgeving in kennis van de wijziging.

6.   De lidstaten van ontvangst kunnen voor de toepassing van deze procedure andere dan de in artikel 2, punt 18, bedoelde bevoegde autoriteiten aanwijzen om de aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst verleende bevoegdheden uit te oefenen. De lidstaten stellen de Commissie en EIOPA van deze aanwijzing en van de eventuele taakverdeling in kennis.

Artikel 16

Bevoegdheden van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst

1.  Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst redenen hebben om aan te nemen dat een PEPP op zijn grondgebied is gedistribueerd of dat een subrekening voor die lidstaat is geopend in strijd met de verplichtingen die voortvloeien uit de toepasselijke voorschriften als bedoeld in artikel 3, stellen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de PEPP-aanbieder of de PEPP-distributeur in kennis van hun bevindingen.

2.  Na beoordeling van de op grond van lid 1 ontvangen informatie nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, in voorkomend geval, onverwijld passende maatregelen om de situatie te verhelpen. Zij stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst op de hoogte van deze maatregelen.

3.  Wanneer de door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst genomen maatregelen ontoereikend zijn of ontbreken, en de PEPP-aanbieder of de PEPP-distributeur het PEPP blijft distribueren op een wijze die duidelijk schadelijk is voor de belangen van de PEPP-spaarders van de lidstaat van ontvangst of voor de ordelijke werking van de markt voor persoonlijke pensioenproducten in die lidstaat, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst, na de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis te hebben gesteld, passende maatregelen nemen om verdere onregelmatigheden te voorkomen, onder meer om, voor zover dat strikt noodzakelijk is, de PEPP-aanbieder of de PEPP-distributeur te beletten de distributie van PEPP's op hun grondgebied voort te zetten.

Voorts mogen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst of de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst de zaak overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 naar EIOPA doorverwijzen en om haar bijstand verzoeken.

4.  De leden 1 tot en met 3 doen geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaat van ontvangst om passende en niet-discriminerende maatregelen te nemen om onregelmatigheden op zijn grondgebied te voorkomen of te bestraffen in situaties waarin onmiddellijk optreden strikt noodzakelijk is om de rechten van de consument in de lidstaat van ontvangst te beschermen en wanneer gelijkwaardige maatregelen van de lidstaat van herkomst ontoereikend zijn of ontbreken, of in gevallen waarin de onregelmatigheden in strijd zijn met nationale wettelijke voorschriften ter bescherming van het algemeen belang, voor zover strikt noodzakelijk. In dergelijke situaties hebben de lidstaten van ontvangst de mogelijkheid om de PEPP-aanbieder of de PEPP-distributeur te beletten op hun grondgebied nieuwe activiteiten uit te oefenen.

5.  Alle maatregelen die door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst uit hoofde van dit artikel worden genomen, worden in een met redenen omkleed document aan de PEPP-aanbieder of de PEPP-distributeur meegedeeld en zonder onnodige vertraging ter kennis gebracht van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst.

AFDELING II

MEENEEMBAARHEID

Artikel 17

De meeneembaarheidsdienst

1.  PEPP-spaarders hebben het recht gebruik te maken van een meeneembaarheidsdienst die hen het recht geeft te blijven bijdragen op hun bestaande PEPP-rekening wanneer zij hun verblijfplaats verplaatsen naar een andere lidstaat.

2.  Bij gebruik van de meeneembaarheidsdienst hebben PEPP-spaarders het recht om alle voordelen en stimulansen te behouden die door de PEPP-aanbieder zijn verleend en die verband houden met doorlopende belegging in hun PEPP.

Artikel 18

Aanbieden van de meeneembaarheidsdienst

1.  PEPP-aanbieders bieden de in artikel 17 genoemde meeneembaarheidsdienst aan aan PEPP-spaarders die een PEPP-rekening bij hen aanhouden en om deze dienst verzoeken.

2.  Bij het voorstellen van een PEPP verstrekt de PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur potentiële PEPP-spaarders informatie over de meeneembaarheidsdienst en over welke subrekeningen onmiddellijk beschikbaar zijn.

3.  Binnen drie jaar na de datum van toepassing van deze verordening biedt elke PEPP-aanbieder, na een tot hem gericht verzoek, nationale subrekeningen aan voor ten minste twee lidstaten.

Artikel 19

Subrekeningen van het PEPP

1.  Wanneer PEPP-aanbieders overeenkomstig artikel 17 een meeneembaarheidsdienst aan PEPP-spaarders aanbieden, zorgen zij ervoor dat wanneer een nieuwe subrekening wordt geopend binnen een PEPP-rekening, deze subrekening voldoet aan de wettelijke eisen en voorwaarden die op nationaal niveau voor het PEPP zijn vastgesteld door de nieuwe lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder, zoals bedoeld in de artikelen 47 en 57. Alle transacties in de PEPP-rekening worden op een overeenkomstige subrekening geboekt. De bijdragen aan en de opnamen uit de subrekening kunnen onderworpen zijn aan afzonderlijke contractbepalingen.

2.  Onverminderd het toepasselijke sectorale recht kunnen PEPP-aanbieders er ook voor zorgen dat wordt voldaan aan de in lid 1 bedoelde eisen door een partnerschap aan te gaan met een andere geregistreerde PEPP-aanbieder (de "partner").

Gelet op de omvang van de door de partner uit te voeren taken, moet de partner gekwalificeerd zijn en in staat zijn de gedelegeerde taken uit te voeren. De PEPP-aanbieder sluit een schriftelijke overeenkomst met de partner. De overeenkomst is juridisch afdwingbaar en omschrijft duidelijk de rechten en plichten van de PEPP-aanbieder en van de partner. De overeenkomst voldoet aan de relevante regels en procedures voor delegatie en uitbesteding die zijn vastgesteld bij of krachtens het Unierecht dat op hen van toepassing is, als bedoeld in artikel 6, lid 1. Niettegenstaande die overeenkomst blijft de PEPP-aanbieder als enige aansprakelijk voor zijn verantwoordelijkheden uit hoofde van deze verordening.

Artikel 20

Opening van een nieuwe subrekening

1.   ▌ Onverwijld nadat hij in kennis is gesteld van de verplaatsing van de verblijfplaats van de PEPP-spaarder naar een andere lidstaat informeert de PEPP-aanbieder de PEPP-spaarder over de mogelijkheid om binnen de PEPP-rekening van de PEPP-spaarder een nieuwe subrekening te openen en over de termijn waarbinnen een subrekening kan worden geopend.

In dat geval verstrekt de PEPP-aanbieder de PEPP-spaarder gratis het PEPP-essentiële-informatiedocument met de in artikel 28, lid 3, onder g), bedoelde specifieke vereisten voor de subrekening die overeenkomt met de nieuwe lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder.

Indien er geen nieuwe subrekening beschikbaar is, stelt de PEPP-aanbieder de PEPP-spaarder in kennis van het recht om onverwijld en kosteloos over te stappen en van de mogelijkheid om te blijven sparen op de laatst geopende subrekening.

2.  Indien de PEPP-spaarder gebruik wil maken van de mogelijkheid om een subrekening te openen, stelt de PEPP-spaarder de PEPP-aanbieder in kennis van het volgende:

a)  de nieuwe lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder;

b)  de datum vanaf wanneer de bijdragen naar de nieuwe subrekening moeten worden overgemaakt;

c)  alle nodige informatie over ▌andere voorwaarden voor het PEPP.

3.  De PEPP-spaarder kan blijven bijdragen aan de laatst geopende subrekening.

4.   De PEPP-aanbieder biedt de PEPP-spaarder aan om een gepersonaliseerde aanbeveling te verstrekken waarin wordt uiteengezet of de opening van een nieuwe subrekening binnen de PEPP-rekening van de PEPP-spaarder en het leveren van bijdragen aan de nieuwe subrekening gunstiger zou zijn dan het blijven bijdragen aan de laatst geopende subrekening.

5.  Wanneer de PEPP-aanbieder niet in staat is om de opening van een nieuwe subrekening die overeenkomt met de nieuwe lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder te garanderen, wordt de PEPP-spaarder overeenkomstig zijn keuze in staat gesteld:

a)  onverwijld en kosteloos naar een andere PEPP-aanbieder over te stappen, niettegenstaande de vereisten van artikel 52, lid 3, inzake de frequentie van het overstappen; of

b)  te blijven bijdragen aan de laatst geopende subrekening.

6.  De nieuwe subrekening wordt geopend door ▌het aanpassen van de bestaande PEPP-overeenkomst tussen de PEPP-spaarder en de PEPP-aanbieder, in overeenstemming met het toepasselijke overeenkomstenrecht. De openingsdatum wordt in de overeenkomst vastgesteld ▌.

Artikel 21

Informatieverstrekking aan de bevoegde autoriteiten over de meeneembaarheid

1.  De PEPP-aanbieder die voor het eerst een nieuwe subrekening voor een lidstaat van ontvangst wil openen, stelt de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst daarvan in kennis.

2.  De PEPP-aanbieder neemt in de kennisgeving de volgende informatie en documenten op:

a)  de standaardcontractbepalingen van de PEPP-overeenkomst als bedoeld in artikel 4, met inbegrip van de bijlage voor de nieuwe subrekening;

b)  het PEPP-essentiële-informatiedocument, dat de specifieke vereisten bevat voor de subrekening die overeenstemt met de nieuwe subrekening overeenkomstig artikel 28, lid 3, onder g);

c)   het in artikel 36 bedoelde PEPP-overzicht;

d)  informatie over de in artikel 19, lid 2, bedoelde contractuele regelingen, indien van toepassing.

3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst verifiëren of de verstrekte documentatie volledig is en zenden deze binnen tien werkdagen na ontvangst van de volledige documentatie toe aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst.

4.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst bevestigen onverwijld de ontvangst van de in lid 2 bedoelde informatie en documenten.

5.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst delen de PEPP-aanbieder vervolgens mee dat de informatie door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst is ontvangen en dat de PEPP-aanbieder de subrekening voor die lidstaat kan openen.

Bij gebreke van een ontvangstbevestiging als bedoeld in lid 4 binnen 10 werkdagen na de datum van toezending van de in lid 3 bedoelde documentatie, delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst de PEPP-aanbieder mee dat de subrekening voor die lidstaat kan worden geopend.

6.  In geval van wijziging van de in lid 2 bedoelde informatie en documenten stelt de PEPP-aanbieder de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst ten minste één maand voor de invoering van de wijziging in kennis van deze wijziging. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst zo spoedig mogelijk en uiterlijk één maand na ontvangst van de kennisgeving in kennis van de wijziging.

HOOFDSTUK IV

VOORWAARDEN INZAKE DISTRIBUTIE EN INFORMATIEVERSTREKKING

AFDELING I

Algemene bepalingen

Artikel 22

Algemeen beginsel

Bij het uitvoeren van distributieactiviteiten voor PEPP's handelen PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs steeds eerlijk, billijk en professioneel in het beste belang van hun PEPP-cliënten.

Artikel 23

Distributieregeling voor de verschillende soorten PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs

1.   Voor de distributie van PEPP's nemen de verschillende soorten PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs de volgende regels in acht:

a)  verzekeringsondernemingen als bedoeld onder b) van artikel 6, lid 1, van onderhavige richtlijn en verzekeringstussenpersonen als bedoeld in artikel 10, lid 2, van onderhavige richtlijn voldoen aan het toepasselijke nationale recht tot omzetting van de in de hoofdstukken V en VI van Richtlijn (EU) 2016/97 uiteengezette regels, met uitzondering van de artikelen 20, 23 en 25 en artikel 30, lid 3, van die richtlijn voor de distributie van verzekeringen met een beleggingscomponent, aan het op grond van die regels aangenomen rechtstreeks toepasselijke Unierecht met betrekking tot de distributie van die producten en aan deze verordening, met uitzondering van artikel 34, lid 4;

b)  beleggingsondernemingen als bedoeld inartikel 10, lid 2 van deze richtlijn voldoen aan het toepasselijke nationale recht tot omzetting van de regels die voor het in de handel brengen en distribueren van financiële instrumenten zijn uiteengezet in artikel 16, lid 3, eerste alinea, ▌en artikelen 23, 24 en 25 van Richtlijn 2014/65/EU, met uitzondering van artikel 24, lid 2, en artikel 25, leden 3 en 4, van die richtlijn, aan het op grond van die bepalingen aangenomen rechtstreeks toepasselijke Unierecht, en aan ▌deze verordening, met uitzondering van artikel 34, lid 4;

c)  alle overige PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs voldoen aan het toepasselijke nationale recht tot omzetting van de regels die voor het in de handel brengen en distribueren van financiële instrumenten zijn uiteengezet in artikel 16, lid 3, eerste alinea, en in de artikelen 23, 24 en 25 van Richtlijn 2014/65/EU, met uitzondering van artikel 24, lid 2, en artikel 25, leden 2, 3. en 4, van die richtlijn, aan het op grond van die bepalingen aangenomen rechtstreeks toepasselijke Unierecht en aan deze verordening.

2.  De in lid 1, onder a), beschreven regels gelden alleen voor zover er geen strengere bepaling is in het toepasselijke nationale recht die uitvoering geeft aan de voorschriften van hoofdstukken V en VI van Richtlijn (EU) 2016/97.

Artikel 24

Elektronische distributie en andere duurzame dragers

PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs verstrekken PEPP-cliënten kosteloos alle documenten en informatie in het kader van dit hoofdstuk in elektronische vorm, mits de PEPP-cliënt in staat wordt gesteld om deze informatie op zodanige wijze op te slaan dat deze gedurende een voor het doel van de informatie toereikende periode kan worden geraadpleegd en mits het instrument toelaat dat de opgeslagen informatie ongewijzigd wordt gereproduceerd.

Op verzoek verstrekken PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs deze documenten en informatie ook kosteloos op een andere duurzame drager, waaronder papier. PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs informeren PEPP-cliënten over hun recht om kosteloos een kopie van deze documenten op een andere duurzame drager, waaronder papier, aan te vragen.

Artikel 25

Toezicht op producten en governancevereisten

1.  PEPP-aanbieders zorgen voor handhaving, toepassing en toetsing van een procedure voor de goedkeuring van elk PEPP, of van significante aanpassingen van een bestaand PEPP, voordat het onder PEPP-cliënten wordt gedistribueerd.

Het productgoedkeuringsproces is evenredig aan en past bij de aard van het PEPP.

Tijdens het productgoedkeuringsproces wordt een beoogde doelmarkt voor elk PEPP gespecificeerd, wordt gewaarborgd dat alle desbetreffende risico's voor een dergelijke beoogde doelmarkt zijn geëvalueerd en dat de geplande distributiestrategie in samenhang is met de beoogde doelmarkt, en worden redelijke stappen genomen om ervoor te zorgen dat het PEPP op de beoogde doelmarkt wordt gedistribueerd.

De PEPP-aanbieder begrijpt en toetst ook regelmatig de PEPP's die hij aanbiedt, waarbij rekening wordt gehouden met alle gebeurtenissen die materiële gevolgen kunnen hebben voor het potentiële risico voor de beoogde doelmarkt, om ten minste te beoordelen of het PEPP blijft beantwoorden aan de behoeften van de beoogde doelmarkt en of de geplande distributiestrategie passend blijft.

PEPP-aanbieders verstrekken aan alle PEPP-distributeurs alle adequate informatie over het PEPP en het productgoedkeuringsproces, met inbegrip van de beoogde doelmarkt van het PEPP.

PEPP-distributeurs beschikken over adequate regelingen om de in de vijfde alinea genoemde informatie te verkrijgen en de kenmerken en de beoogde doelmarkt van elk PEPP te begrijpen.

2.  De in dit artikel bedoelde beleidsmaatregelen, processen en regelingen laten alle overige vereisten op grond van, of die van toepassing zijn uit hoofde van, deze verordening, met inbegrip van de vereisten inzake openbaarmaking, geschiktheid of adequaatheid, vaststelling van en omgang met belangenconflicten, ▌"inducements" en MSG-factoren onverlet.

AFDELING II

INFORMATIEVERSTREKKING IN DE PRECONTRACTUELE FASE

Artikel 26

PEPP-essentiële-informatiedocument

1.  Voordat een PEPP aan PEPP-spaarders wordt voorgesteld, stelt de PEPP-aanbieder voor dat PEPP-product een PEPP-essentiële-informatiedocument op in overeenstemming met de voorschriften van deze afdeling en maakt hij het PEPP-essentiële-informatiedocument op zijn website bekend.

2.  Het PEPP-essentiële-informatiedocument bevat precontractuele informatie. Het document is accuraat, eerlijk en duidelijk en mag niet misleidend zijn. Het bevat essentiële informatie en strookt met alle bindende contractuele documenten, met de ter zake doende delen van de documenten waarmee het product wordt aangeboden en met de voorwaarden van het PEPP.

3.  Het PEPP-essentiële-informatiedocument is een op zichzelf staand document dat duidelijk verschilt van marketingmateriaal. Het bevat geen verwijzingen naar marketingmateriaal. Het kan verwijzen naar andere documenten, waaronder, indien van toepassing, een prospectus, maar alleen wanneer deze verwijzingen te maken hebben met de informatie die uit hoofde van deze verordening in het PEPP-essentiële-informatiedocument moet staan.

Voor het basis-PEPP wordt een afzonderlijk PEPP-essentiële-informatiedocument opgesteld.

4.  Wanneer een PEPP-aanbieder een PEPP-spaarder een reeks alternatieve beleggingsopties aanbiedt, zodat niet alle in artikel 28, lid 3, vereiste informatie over deze onderliggende beleggingsopties binnen één beknopt, op zichzelf staand PEPP-essentiële-informatiedocument kan worden verstrekt, stellen de PEPP-aanbieders een van de volgende documenten op:

a)  een op zichzelf staand PEPP-essentiële-informatiedocument voor elke alternatieve investeringsoptie;

b)  een generiek PEPP-essentiële-informatiedocument waarin ten minste een generieke beschrijving van de alternatieve beleggingsopties wordt gegeven en waarin wordt aangegeven waar en hoe meer gedetailleerde precontractuele informatie over de beleggingen ter ondersteuning van deze beleggingsopties kan worden gevonden.

5.  Overeenkomstig artikel 24 wordt het PEPP-essentiële-informatiedocument opgesteld als een kort document dat op een beknopte wijze is geschreven. Het PEPP-essentiële-informatiedocument:

a)  is op zodanige wijze gepresenteerd en vormgegeven dat het gemakkelijk leesbaar is, met gebruik van tekens van leesbare grootte;

b)  is toegespitst op de essentiële informatie die PEPP-cliënten nodig hebben;

c)  is duidelijk uitgedrukt en geschreven in een taal en een stijl die het begrip van de informatie vergemakkelijken, met name in een duidelijke, beknopte en begrijpelijke taal.

6.  Wanneer in het PEPP-essentiële-informatiedocument kleuren worden gebruikt, mag dit de informatie niet minder duidelijk maken ingeval het PEPP-essentiële-informatiedocument in zwart-wit wordt afgedrukt of gefotokopieerd.

7.  Wanneer de bedrijfsnaam of het logo van de PEPP-aanbieder of de groep waarvan hij deel uitmaakt wordt gebruikt, mag dat niet de aandacht van de informatie in het PEPP-essentiële-informatiedocument afleiden of de leesbaarheid van de tekst bemoeilijken.

8.  Naast het PEPP-essentiële-informatiedocument verstrekken PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs potentiële PEPP-spaarders verwijzingen naar alle openbare verslagen over ▌ de financiële toestand van de PEPP-aanbieder, met inbegrip van zijn solvabiliteit, zodat potentiële PEPP-spaarders gemakkelijk kennis kunnen nemen van deze informatie.

9.   Aan potentiële PEPP-spaarders wordt ook informatie verstrekt over de resultaten die de beleggingsoptie van de PEPP-spaarder in het verleden heeft behaald over ten minste tien jaar, of over alle jaren gedurende welke het PEPP is aangeboden indien dat minder dan tien jaar is. De informatie over de resultaten in het verleden gaan vergezeld van de mededeling "in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst".

Artikel 27

Taal van het PEPP-essentiële-informatiedocument

1.  Het PEPP-essentiële-informatiedocument wordt opgesteld in de officiële talen – of ten minste één daarvan – die worden gebruikt in de regio van de lidstaat waar het PEPP wordt gedistribueerd, of in een andere taal die door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat wordt aanvaard; indien het document in een nog andere taal werd opgesteld, wordt het in één van deze talen vertaald.

Deze vertaling vormt een getrouwe en nauwkeurige weergave van het oorspronkelijke PEPP-essentiële-informatiedocument.

2.  Wanneer een PEPP in een lidstaat in de handel wordt gebracht met marketingmateriaal dat is opgesteld in één of meer van de officiële talen van die lidstaat, wordt het PEPP-essentiële-informatiedocument ten minste in dezelfde officiële talen opgesteld.

3.  Het PEPP-essentiële-informatiedocument wordt op verzoek in een passend formaat ter beschikking gesteld van PEPP-spaarders met een visuele handicap.

Artikel 28

Inhoud van het PEPP-essentiële-informatiedocument

1.  De titel "essentiële-informatiedocument voor een PEPP" staat duidelijk zichtbaar bovenaan de eerste bladzijde van het PEPP-essentiële-informatiedocument.

Het PEPP-essentiële-informatiedocument wordt opgesteld zoals in de leden 2 en 3 is vastgelegd.

2.  Onmiddellijk onder de titel staat een toelichting, die als volgt luidt:"

"Dit document geeft u essentiële informatie aangaande dit pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP). Het is geen marketingmateriaal. Deze informatie is wettelijk voorgeschreven om u te helpen de aard, de risico's, de kosten en de mogelijke winsten en verliezen van dit persoonlijk pensioenproduct te begrijpen en om u te helpen het met andere PEPP's te vergelijken.".

"

3.  Het PEPP-essentiële-informatiedocument bevat de volgende informatie:

a)  aan het begin van het document: de naam van het PEPP en of het al dan niet om een basis-PEPP gaat, de identiteit en contactgegevens van de PEPP-aanbieder, informatie over de bevoegde autoriteiten van de PEPP-aanbieder, het registratienummer van het PEPP in het centraal openbaar register en de datum van het document;

b)  de verklaring: "Het in dit document beschreven pensioenproduct is een langetermijnproduct met beperkte terugvorderingsmogelijkheid dat niet te allen tijde kan worden beëindigd";

c)  onder het kopje "Wat is dit voor een product?": de aard en de voornaamste kenmerken van het PEPP, waaronder:

i)  de langetermijndoelstellingen van het PEPP en de middelen om deze te verwezenlijken, waarbij het in het bijzonder gaat om de vraag of de doelstellingen worden bereikt via directe of indirecte blootstelling aan de onderliggende beleggingsactiva, inclusief een beschrijving van de onderliggende instrumenten of referentiewaarden, inclusief een specificatie van de markten waarin de PEPP-aanbieder investeert, alsmede een toelichting van de manier waarop het rendement wordt bepaald;

ii)  een beschrijving van het type PEPP-spaarder tot wie het PEPP wordt gericht wanneer het op de markt komt, met name wat betreft diens vermogen om beleggingsverlies te dragen en de beleggingshorizon;

iii)  een verklaring over

–  de vraag of het basis-PEPP een garantie op het kapitaal biedt dan wel de vorm aanneemt van een risicolimiteringstechniek die in overeenstemming is met de doelstelling om de PEPP-spaarder in staat te stellen het kapitaal te recupereren, of

–  de vraag of en in welke mate een alternatieve beleggingsoptie, indien van toepassing, een garantie of een risicolimiteringstechniek biedt;

iv)  een beschrijving van de PEPP-pensioenuitkeringen, in het bijzonder de mogelijke vormen van uitbetaling en het recht om de vorm van uitbetaling te wijzigen als bedoeld in artikel 59, lid 1;

v)  wanneer het PEPP betrekking heeft op biometrische risico's: bijzonderheden over de gedekte risico's en de verzekeringsuitkeringen, met inbegrip van de omstandigheden waaronder deze uitkeringen kunnen worden aangevraagd;

vi)  informatie over de meeneembaarheidsdienst, met inbegrip van een verwijzing naar het in artikel 13 bedoelde centraal openbaar register waarin informatie is opgenomen over de voorwaarden voor de opbouwfase en de afbouwfase die door de lidstaten overeenkomstig de artikelen 47 en 57 zijn vastgesteld;

vii)  een verklaring over de gevolgen voor de PEPP-spaarder van een vroegtijdige terugtrekking uit het PEPP, met inbegrip van alle toepasselijke vergoedingen, boetes, en mogelijk verlies van kapitaalbescherming en van andere mogelijke voordelen en stimulansen;

viii)  een verklaring over de gevolgen voor de PEPP-spaarder indien de PEPP-spaarder ophoudt bij te dragen aan het PEPP;

ix)  informatie over de beschikbare subrekeningen en over de in artikel 20, lid 5, bedoelde rechten van de PEPP-spaarder;

x)  informatie over het recht van de PEPP-spaarder om over te stappen en het recht op informatie over de overstapdienst als bedoeld in artikel 56;

xi)  de voorwaarden voor wijziging van de gekozen investeringsoptie als bedoeld in artikel 44;

xii)  informatie, indien beschikbaar, over de prestaties van de beleggingen van de PEPP-aanbieder wat betreft MSG-factoren;

xiii)  het recht dat op de PEPP-overeenkomst van toepassing wanneer de partijen geen vrijheid van rechtskeuze hebben, of, wanneer de partijen vrij zijn in de keuze van het toepasselijke recht, het recht dat de PEPP-aanbieder voorstelt te kiezen;

xiv)  indien van toepassing, een vermelding of er een bedenktijd of annuleringsperiode voor de PEPP-spaarder bestaat;

d)  onder het kopje "Wat zijn de risico's en wat kan ik ervoor terugkrijgen?": een korte beschrijving van het risico- en rendementsprofiel, die de volgende elementen omvat:

i)  een samenvattende risico-indicator, aangevuld met een beschrijvende toelichting van die indicator, de voornaamste beperkingen ervan en een beschrijvende toelichting van de voor het PEPP materieel relevante risico's die niet afdoende in de samenvattende risico-indicator worden weergegeven;

ii)  het maximaal mogelijke verlies aan belegd kapitaal, met inbegrip van informatie over:

–  de vraag of de PEPP-spaarder het belegde kapitaal volledig kan verliezen, of

–  de vraag of de PEPP-spaarder risico loopt op aanvullende financiële verbintenissen of verplichtingen;

iii)  passende prestatiescenario's, en de aannames waarop zij zijn gebaseerd;

iv)  indien van toepassing, de rendementsvoorwaarden voor de PEPP-spaarders of ingebouwde prestatiebeperkingen;

v)  een verklaring dat de belastingwetgeving van de lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder invloed kan hebben op de daadwerkelijke uitbetaling;

e)  onder het kopje "Wat gebeurt er als [naam van de PEPP-aanbieder] niet kan uitbetalen?": een korte beschrijving van de vraag of het verlies wordt gedekt door een compensatie- of waarborgregeling voor beleggers, en zo ja, om welke regeling het gaat, de naam van de garantsteller en welke risico's al dan niet door de regeling worden gedekt;

f)  onder het kopje "Wat zijn de kosten?": de kosten die aan de belegging in het PEPP zijn verbonden, waaronder de door de PEPP-spaarder te dragen directe en indirecte kosten, met inbegrip van zowel eenmalige als vaste kosten, gepresenteerd door middel van samenvattende indicatoren van deze kosten en, ter wille van de vergelijkbaarheid, een vermelding van de totale kosten, uitgedrukt in geldelijke en in procentuele termen, om alle gevolgen van de totale kosten voor de belegging te tonen.

In het PEPP-essentiële-informatiedocument wordt duidelijk aangegeven dat de PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur uitgebreide informatie zal geven over distributiekosten die niet in de voornoemde kosten zijn vervat, zodat de PEPP-spaarders het cumulatieve effect van deze totale kosten op het rendement van de belegging kunnen begrijpen;

g)  onder het kopje "Wat zijn de specifieke vereisten voor de subrekening voor [mijn lidstaat van verblijf]?:

i)  onder de rubriek: "Vereisten voor de bijdragefase":

een beschrijving van de voorwaarden voor de opbouwfase, zoals bepaald door de lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder overeenkomstig artikel 47;

ii)  onder de rubriek: "Vereisten voor de uitbetalingsfase":

een beschrijving van de voorwaarden voor de afbouwfase, zoals bepaald door de lidstaat van verblijf van de PEPP-spaarder overeenkomstig artikel 57;

h)  onder het kopje "Hoe kan ik een klacht indienen?": informatie over hoe en bij wie een PEPP-spaarder een klacht kan indienen over het PEPP of over het gedrag van de PEPP-aanbieder of de PEPP-distributeur.

4.  Wanneer het PEPP-essentiële-informatiedocument in elektronische vorm wordt verstrekt mag de op grond van lid 3 vereiste informatie in gelaagde vorm worden verstrekt, zodat gedetailleerde stukken informatie kunnen worden weergegeven in pop-upvensters of via links naar bijbehorende lagen. In dat geval moet het PEPP-essentiële-informatiedocument als één enkel document kunnen worden geprint.

5.  Om een consistente toepassing van dit artikel te garanderen, stelt EIOPA, na raadpleging van de andere ETA's en na het uitvoeren van consumenten- en sectortests, ontwerpen van technische reguleringsnormen op ter nadere bepaling van:

a)  de bijzonderheden van de presentatie, met inbegrip van de vorm en de lengte van het document, en de inhoud van elk van de in lid 3 bedoelde informatie-onderdelen;

b)  de methode voor de presentatie van de in lid 3, onder d), i) en iv), bedoelde risico's en rendement;

c)  de methode voor de berekening van de kosten, met inbegrip van de specificatie van samenvattende indicatoren, als bedoeld in lid 3, onder f);

d)  wanneer informatie wordt gepresenteerd in elektronische vorm met gelaagde informatie, welke informatie zich in de eerste laag bevindt en welke informatie in de aanvullende detaillagen mag worden verstrekt.

Bij de ontwikkeling van de ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt EIOPA rekening met de diverse soorten PEPP's, het langetermijnkarakter van het PEPP, de capaciteiten van de PEPP-spaarders en de kenmerken van de PEPP's, zodat de PEPP-spaarder een keuze kan maken tussen verschillende beleggingsopties en andere opties waarin het PEPP voorziet, onder meer wanneer deze keuze op verschillende tijdstippen kan worden gemaakt of in de toekomst kan worden gewijzigd.

EIOPA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

Artikel 29

Marketingmateriaal

Marketingmateriaal dat specifieke informatie met betrekking tot het PEPP geeft, bevat geen verklaring die in strijd is met de informatie in het PEPP-essentiële-informatiedocument of die de betekenis van het PEPP-essentiële-informatiedocument aantast. In het marketingmateriaal wordt vermeld dat er een PEPP-essentiële-informatiedocument beschikbaar is en wordt aangegeven hoe en waar dit kan worden verkregen. Ook wordt de website van de PEPP-aanbieder vermeld.

Artikel 30

Herziening van het PEPP-essentiële-informatiedocument

1.  De PEPP-aanbieder evalueert de in het PEPP-essentiële-informatiedocument vermelde informatie ten minste eenmaal per jaar en herziet het document onmiddellijk wanneer uit de evaluatie blijkt dat er veranderingen moeten worden aangebracht. De herziene versie wordt onmiddellijk beschikbaar gesteld.

2.  Om een consistente toepassing van dit artikel te garanderen, stelt EIOPA, na raadpleging van de andere ETA's en na het uitvoeren van consumenten- en sectortests, ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin de voorwaarden worden gespecificeerd waaronder het PEPP-essentiële-informatiedocument wordt geëvalueerd en herzien.

EIOPA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

Artikel 31

Burgerrechtelijke aansprakelijkheid

1.  De PEPP-aanbieder kan niet burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld louter op basis van het PEPP-essentiële-informatiedocument, met inbegrip van vertalingen daarvan, tenzij het misleidend is, niet accuraat is of niet strookt met de ter zake doende gedeelten van juridisch bindende precontractuele en contractuele documenten of met de in artikel 28 opgenomen vereisten.

2.  Een PEPP-spaarder die aantoont verlies te hebben geleden bij het sluiten van een PEPP-overeenkomst waarvoor een PEPP-essentiële-informatiedocument was opgesteld, omdat hij heeft vertrouwd op dat PEPP-essentiële-informatiedocument onder de in lid 1 genoemde omstandigheden, kan overeenkomstig het nationaal recht van de PEPP-aanbieder voor dat verlies een schadevergoeding vorderen.

3.  Elementen zoals "verlies" of "schadevergoeding" als bedoeld in lid 2, die niet worden gedefinieerd, worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met het toepasselijke nationale recht zoals aangewezen door de betreffende regels van het internationaal privaatrecht.

4.  Dit artikel staat nadere vorderingen voor burgerrechtelijke aansprakelijkheid overeenkomstig het nationale recht niet in de weg.

5.  De verplichtingen uit hoofde van dit artikel worden niet door contractuele bedingen beperkt of uitgesloten.

Artikel 32

PEPP-overeenkomsten die biometrische risico's dekken

Wanneer het PEPP-essentiële-informatiedocument betrekking heeft op een PEPP-overeenkomsten waarin biometrische risico's worden gedekt, gelden de verplichtingen van de PEPP-aanbieder uit hoofde van deze afdeling alleen ten aanzien van de PEPP-spaarder.

Artikel 33

Verstrekking van het PEPP-essentiële-informatiedocument

1.  Een PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur verstrekt, wanneer hij advies geeft over een PEPP of een PEPP te koop aanbiedt, aan potentiële PEPP-spaarders tijdig alle overeenkomstig artikel 26 opgestelde PEPP-essentiële-informatiedocumenten voordat deze PEPP-spaarders gebonden zijn door een PEPP-overeenkomst of een aanbod met betrekking tot deze PEPP-overeenkomst.

2.  Een PEPP- aanbieder of PEPP-distributeur kan aan de vereisten van lid 1 voldoen door het PEPP-essentiële-informatiedocument te verstrekken aan een natuurlijke persoon met een schriftelijke volmacht om namens de PEPP-spaarder beleggingsbeslissingen te nemen met betrekking tot transacties die uit hoofde van die schriftelijke volmacht worden gesloten.

3.  Om de coherente toepassing van dit artikel te waarborgen ontwikkelt EIOPA, in voorkomend geval na raadpleging van de andere ETA's, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden voor het voldoen aan de verplichting het PEPP-essentiële-informatiedocument te verstrekken als bepaald in lid 1.

EIOPA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

AFDELING III

ADVIES ▌

Artikel 34

Specificatie van wensen en behoeften en adviesverlening

1.  Voorafgaand aan de sluiting van een PEPP-overeenkomst stelt de PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur, op basis van de van de potentiële PEPP-spaarder vereiste en ontvangen informatie, de pensioenwensen en -behoeften van die potentiële PEPP-spaarder vast, inclusief de mogelijke behoefte om een annuïteitenproduct te verwerven, en verstrekt hij de potentiële PEPP-spaarder objectieve en begrijpelijke informatie over het PEPP om hem in staat te stellen met kennis van zaken een beslissing te nemen.

Iedere voorgestelde PEPP-overeenkomst sluit aan bij de pensioenwensen en -behoeften van de PEPP-spaarder, rekening houdend met zijn of haar opgebouwde pensioenrechten.

2.  De ▌PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur verleent de potentiële PEPP-spaarder advies alvorens er een PEPP-overeenkomst wordt gesloten en doet de potentiële PEPP-spaarder een gepersonaliseerde aanbeveling waarin wordt uitgelegd waarom een bepaald PEPP, inclusief een specifieke beleggingsoptie, in voorkomende geval, het best aansluit bij de wensen en behoeften van de PEPP-spaarder ▌.

De PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur verschaft de potentiële PEPP-spaarder ook gepersonaliseerde pensioenprojecties voor het aanbevolen product, op basis van de vroegste datum waarop de afbouwfase kan starten, en een waarschuwing dat die projecties kunnen verschillen van de uiteindelijke waarde van de ontvangen PEPP-uitkeringen. Indien de pensioenprojecties op basis van economische scenario's worden opgesteld, bevat die informatie ook het meest realistische scenario en een ongunstig scenario, rekening houdend met de specifieke aard van de PEPP-overeenkomst.

3.  Indien een basis-PEPP wordt aangeboden zonder ten minste een garantie op het kapitaal, geeft de PEPP-aanbieder of -distributeur duidelijk aan dat er PEPP’s beschikbaar zijn met een garantie op het kapitaal, om welke redenen hij een basis-PEPP aanbeveelt op basis van een risicolimiteringstechniek die consistent is met de doelstelling om de PEPP-spaarder in staat te stellen het kapitaal te recupereren en wijst hij duidelijk op eventuele bijkomende risico's die deze PEPP's kunnen inhouden ten opzichte van een op een kapitaalgarantie gebaseerd basis-PEPP dat een garantie op het kapitaal biedt. Deze uitleg wordt schriftelijk verstrekt.

4.  Bij het verstrekken van advies vraagt de in artikel 23, lid 1, onder c), van deze verordening bedoelde PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur de potentiële PEPP-spaarder hem informatie te verschaffen met betrekking tot de voor het aangeboden of gevraagde PEPP relevante kennis en ervaring van de betrokken persoon op het gebied van beleggingen, de financiële situatie van de betrokken persoon, met inbegrip van diens vermogen om verliezen te dragen, zijn beleggingsdoelstellingen en zijn risicotolerantie, zodat de PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur in staat is de potentiële PEPP-spaarder een of meerdere PEPP’s aan te bevelen die voor hem geschikt zijn en, in het bijzonder, in overeenstemming zijn met zijn risicotolerantie en vermogen om verliezen te dragen.

5.  De verantwoordelijkheden van de PEPP-aanbieder of PEPP-distributeur worden niet beperkt door het feit dat het advies geheel of gedeeltelijk wordt verstrekt via een geautomatiseerd of semi-geautomatiseerd systeem.

6.  Onverminderd strenger sectorale recht, waarborgen PEPP-aanbieders en PEPP-distributeurs, en tonen zij op verzoek aan de bevoegde autoriteiten aan, dat natuurlijke personen die advies over PEPP's verlenen, over de nodige kennis en bekwaamheid beschikken om hun verplichtingen krachtens deze verordening na te komen. De lidstaten maken de criteria ter beoordeling van deze kennis en bekwaamheid openbaar.

AFDELING IV

INFORMATIE OVER DE LOOPTIJD VAN DE OVEREENKOMST

Artikel 35

Algemene bepalingen

1.  PEPP-aanbieders stellen ten behoeve van iedere PEPP-spaarder een beknopt, gepersonaliseerd document op dat tijdens de opbouwfase wordt verstrekt met essentiële informatie rekening houdende met de specifieke aard van de nationale pensioenstelsels en toepasselijke regelgeving, met inbegrip van het nationale sociale, arbeids- en belastingrecht ("PEPP-overzicht"). De titel van het document bevat het woord "PEPP-overzicht".

2.  De precieze datum waarop de informatie in het PEPP-overzicht betrekking heeft, wordt duidelijk zichtbaar vermeld.

3.  De informatie in het PEPP-overzicht is duidelijk en actueel.

4.  De PEPP-aanbieder verstrekt iedere PEPP-spaarder jaarlijks een PEPP-overzicht.

5.  Elke wezenlijke wijziging van de in het PEPP-overzicht opgenomen informatie ten opzichte van het voorgaande overzicht wordt duidelijk aangegeven.

6.  Naast het PEPP-overzicht wordt de PEPP-spaarder gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst onverwijld op de hoogte gehouden van elke wijziging van de volgende gegevens:

a)  de contractbepalingen, inclusief de algemene en bijzondere polisvoorwaarden;

b)  de naam ▌, de rechtsvorm of het adres van het hoofdkantoor van de PEPP-aanbieder en, in voorkomend geval, van het bijkantoor waarmee de overeenkomst is gesloten;

c)  informatie over de wijze waarop in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met MSG-factoren.

Artikel 36

PEPP-overzicht

1.  Het PEPP-overzicht bevat ten minste de volgende essentiële informatie voor de PEPP-spaarders:

a)  de persoonsgegevens van de PEPP-spaarder en de vroegste datum waarop de afbouwfase voor een subrekening kan starten;

b)  de naam en de contactgegevens van de PEPP-aanbieder en een identificatie van de PEPP-overeenkomst;

c)  de lidstaat waar de PEPP-aanbieder een vergunning heeft verkregen of is geregistreerd en de namen van de bevoegde autoriteiten;

d)  informatie over de pensioenprojecties op basis van de onder a) vermelde datum, met een waarschuwing dat die projecties kunnen verschillen van de definitieve waarde van de ontvangen PEPP-uitkeringen. Indien de pensioenprojecties op basis van economische scenario's worden opgesteld, bevat die informatie ook het meest realistische scenario en een ongunstig scenario, rekening houdend met de specifieke aard van de PEPP-overeenkomst.

e)  informatie over de bijdragen die door de PEPP-spaarder of door een derde betaald zijn op de PEPP-rekening gedurende de voorgaande 12 maanden;

f)   een uitsplitsing van alle, indirecte en directe, door de PEPP-spaarder betaalde kosten, ten minste over de voorgaande 12 maanden, waarbij de administratiekosten, de kosten voor het bewaren van activa, de kosten in verband met portefeuilletransacties en de overige kosten worden vermeld, alsmede een raming van de impact van de kosten op de uiteindelijke PEPP-uitkeringen; dergelijke kosten zouden moeten worden uitgedrukt in monetaire termen en als percentage van de bijdragen gedurende de voorgaande 12 maanden;

g)  indien van toepassing, de aard en het mechanisme van de garantie of risicolimiteringstechnieken als bedoeld in artikel 46;

h)  indien van toepassing, het aantal en de waarde van de eenheden die overeenkomen met de bijdragen van de PEPP-spaarder gedurende de voorgaande 12 maanden;

i)  het totale bedrag op de PEPP-rekening van de PEPP-spaarder op de in artikel 35 bedoelde datum;

j)   ▌informatie over de resultaten die in het verleden door de beleggingsoptie van de PEPP-spaarder gedurende ten minste tien jaar zijn behaald of, indien het PEPP minder dan tien jaar wordt aangeboden, gedurende alle jaren dat het PEPP wordt aangeboden. De informatie over de in het verleden behaalde resultaten gaat vergezeld van de mededeling ‘in het verleden behaalde resultaten bieden geen garantie voor de toekomst’;

k)  voor PEPP-rekeningen met meer dan één subrekening, wordt de informatie in het PEPP-overzicht opgesplitst voor alle bestaande subrekeningen;

l)  beknopte informatie over het beleggingsbeleid in verband met MSG-factoren.

2.  EIOPA stelt in overleg met de Europese Centrale Bank en de bevoegde autoriteiten ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin de regels worden uiteengezet ter bepaling van de in lid 1, onder d), van dit artikel en in artikel 34, lid 2, bedoelde aannames over pensioenprojecties. Die regels passen de PEPP-aanbieders toe voor de vaststelling van, voor zover van toepassing, het jaarlijkse percentage van de nominale beleggingsresultaten, het jaarlijkse inflatiepercentage en de toekomstige loontrend.

EIOPA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... op [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in. Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

Artikel 37

Aanvullende informatie

1.  In het PEPP-overzicht wordt nader vermeld waar en hoe aanvullende informatie kan worden verkregen, zoals:

a)  verdere praktische informatie over de rechten en opties van de PEPP-spaarder, ook met betrekking tot beleggingen, de afbouwfase, de overstapdienst en de meeneembaarheidsdienst;

b)  ▌ de jaarrekeningen en jaarverslagen van de PEPP-aanbieder die openbaar toegankelijk zijn;

c)  een schriftelijke verklaring met daarin de beginselen van het beleggingsbeleid van de PEPP-aanbieder, verklaring die ten minste informatie bevat over de toegepaste wegingsmethoden voor beleggingsrisico's, de risicobeheerprocedures en de strategische allocatie van activa in het licht van de aard en de looptijd van de PEPP-verplichtingen, alsmede de wijze waarop in het beleggingsbeleid rekening wordt gehouden met MSG-factoren;

d)  indien van toepassing, informatie over de gehanteerde aannames voor in annuïteiten uitgedrukte bedragen, met name over het percentage van de annuïteit, het soort PEPP-aanbieder en de duur van de annuïteit;

e)  de hoogte van de PEPP-uitkeringen in geval van ▌terugvordering vóór de in artikel 36, lid 1, onder a), bedoelde datum.

2.  Omwille van consistente toepassing van artikel 36 en van dit artikel, ontwikkelt EIOPA, na raadpleging van de overige ETA’s en na uitvoering van consumententests en sectortests, ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin de bijzonderheden van de presentatie van de in artikel 36 en in dit artikel bedoelde informatie nader is aangegeven. Met betrekking tot de presentatie van de in artikel 36, lid 1, onder j), bedoelde informatie over de resultaten die in het verleden zijn behaald, wordt rekening gehouden met de verschillen tussen beleggingsopties, met name als de PEPP-spaarder een beleggingsrisico draagt, als de beleggingsoptie leeftijdafhankelijk is of als er sprake is van afstemming van de looptijden van activa en passiva;

EIOPA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [12 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

3.  Onverminderd artikel 34, lid 2, en artikel 36, lid 1, onder d,) mogen de lidstaten van PEPP-aanbieders verlangen dat zij de PEPP-spaarders aanvullende pensioenprojecties verstrekken waarbij de regels ter bepaling van de aannames worden vastgesteld door de respectieve lidstaten, zodat PEPP-spaarders het PEPP kunnen vergelijken met nationale producten.

Artikel 38

Informatie te verstrekken aan PEPP-spaarders tijdens de fase vóór de pensionering en aan PEPP-gerechtigden tijdens de afbouwfase

1.  In aanvulling op het PEPP-overzicht verstrekken PEPP-aanbieders aan iedere PEPP-spaarder twee maanden vóór de in artikel 59, lid 1, onder a) en b), bedoelde data of op verzoek van de PEPP-spaarder, informatie over de op handen zijnde aanvang van de afbouwfase, de mogelijke vormen van uitbetaling en de mogelijkheid voor de PEPP-spaarder om de vorm van uitbetaling te wijzigen overeenkomstig artikel 59, lid 1.

2.   Gedurende de afbouwfase verstrekken PEPP-aanbieders jaarlijks informatie aan PEPP-gerechtigden over de verschuldigde PEPP-uitkeringen en de corresponderende vorm van uitbetalingen.

Indien de PEPP-spaarder gedurende de afbouwfase blijft bijdragen of beleggingsrisico blijft dragen, blijft de PEPP-aanbieder hem het PEPP-overzicht met de relevante informatie toesturen.

Artikel 39

Op verzoek aan PEPP-spaarders en PEPP-gerechtigden te verstrekken ▌informatie

Op verzoek van een PEPP-spaarder, een PEPP-gerechtigde of hun vertegenwoordigers verstrekt de PEPP-aanbieder de ▌aanvullende informatie als bedoeld in artikel 37, lid 1, en aanvullende informatie over de gehanteerde aannames om de in artikel 36, lid 1, onder d), bedoelde projecties te genereren.

AFDELING V

RAPPORTAGE AAN NATIONALE AUTORITEITEN

Artikel 40

Algemene bepalingen

1.  PEPP-aanbieders dienen bij hun bevoegde autoriteiten de voor toezichtsdoeleinden benodigde informatie in, in aanvulling op de informatie die wordt verstrekt krachtens het relevante sectorale recht. Die aanvullende informatie omvat, indien van toepassing, ▌de gegevens die nodig zijn om bij de uitvoering van een toezichtsproces de volgende activiteiten uit te voeren:

a)  beoordelen van het door de PEPP-aanbieders toegepaste governancesysteem, de door hen verrichte werkzaamheden, de voor solvabiliteitsdoeleinden gehanteerde waarderingsgrondslagen, de risico's en de risicobeheersystemen en hun kapitaalstructuur, -behoeften en -beheer;

b)  op basis van de uitoefening van hun rechten en plichten als toezichthouder elke passende beslissing nemen.

2.  De bevoegde autoriteiten beschikken, naast de bevoegdheden die hun krachtens het nationale recht zijn toegekend, over de bevoegdheden om:

a)  de aard, de reikwijdte en het model van de in lid 1 bedoelde informatie vast te stellen die PEPP-aanbieders met van tevoren bepaalde tussenpozen, in van tevoren bepaalde gevallen of bij onderzoeken naar de situatie van een PEPP-aanbieder moeten verschaffen;

b)  bij de PEPP-aanbieders alle informatie in te winnen over overeenkomsten die in het bezit zijn van PEPP-aanbieders, of over overeenkomsten die met derden worden aangegaan; en

c)  informatie op te vragen bij externe deskundigen, zoals accountants en actuarissen.

3.  De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie bestaat uit:

a)  kwalitatieve of kwantitatieve elementen, of een passende combinatie daarvan;

b)  historische, actuele of prospectieve elementen, of een passende combinatie daarvan;

c)  gegevens uit interne of externe bronnen, of een passende combinatie daarvan.

4.  De in de leden 1 en 2 bedoelde informatie:

a)  houdt rekening met de aard, omvang en complexiteit van de werkzaamheden van de PEPP-aanbieder, en met name met de risico’s die aan die werkzaamheden verbonden zijn;

b)  is toegankelijk, in alle essentiële opzichten volledig, vergelijkbaar en in de tijd gezien consistent;

c)  is relevant, betrouwbaar en begrijpelijk.

5.  PEPP-aanbieders verschaffen de bevoegde autoriteiten jaarlijks de volgende informatie:

a)  voor welke lidstaten de PEPP-aanbieder subrekeningen aanbiedt;

b)  het aantal meldingen overeenkomstig artikel 20, lid 1, ontvangen van PEPP-spaarders die hun verblijfplaats hebben verplaatst naar een andere lidstaat;

c)  het aantal verzoeken om een subrekening te openen en het aantal subrekeningen dat geopend is overeenkomstig artikel 20, lid 2;

d)  het aantal verzoeken van PEPP-spaarders om over te stappen en de feitelijke overdrachten overeenkomstig artikel 20, lid 5, onder a);

e)  het aantal verzoeken van PEPP-spaarders om over te stappen en de feitelijke overdrachten overeenkomstig artikel 52, lid 3;

De ▌bevoegde autoriteiten geven de informatie door aan EIOPA.

6.  PEPP-aanbieders beschikken over passende systemen en structuren om aan de vereisten van de leden 1 tot en met 5 te voldoen, alsmede over een door het leidinggevend, toezichthoudend of bestuurlijk orgaan van de PEPP-aanbieder goedgekeurde schriftelijk vastgelegde beleidslijn die waarborgt dat de ingediende informatie steeds correct is.

7.  Op verzoek aan de bevoegde autoriteiten en om de taken uit te voeren die haar overeenkomstig deze verordening zijn toegekend, heeft EIOPA toegang tot de door de PEPP-aanbieders ingediende informatie.

8.  Indien PEPP-bijdragen en -uitkeringen in aanmerking komen voor voordelen of stimulansen, verschaft de PEPP-aanbieder in overeenstemming met het relevante nationale recht de relevante nationale autoriteit alle informatie die noodzakelijk is voor het leveren of claimen van dergelijke voordelen en stimulansen die ontvangen zijn met betrekking tot dergelijke bijdragen en uitkeringen, indien van toepassing.

9.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 72 gedelegeerde handelingen vast om deze verordening aan te vullen, waarin nadere invulling wordt gegeven aan de in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel bedoelde aanvullende informatie, teneinde te zorgen voor een passende convergentie van de rapportage aan toezichthoudende autoriteiten.

EIOPA ontwikkelt, na raadpleging van de overige ETA’s en de bevoegde autoriteiten en na sectortests, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen wat betreft het model van de toezichtsrapportage.

EIOPA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de in de tweede alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

HOOFDSTUK V

OPBOUWFASE

AFDELING I

BELEGGINGSREGELS VOOR PEPP-AANBIEDERS

Artikel 41

Beleggingsregels

1.  PEPP-aanbieders beleggen de met het PEPP verbonden activa in overeenstemming met de "prudent person"-regel en met name met de volgende voorschriften:

a)  de activa worden belegd in het belang op lange termijn van de PEPP-spaarders in hun geheel. In geval van mogelijke tegenstrijdige belangen zorgt een PEPP-aanbieder, of de entiteit die zijn portefeuille beheert, ervoor dat de belegging uitsluitend in het belang van de PEPP-spaarders plaatsvindt;

b)  in overeenstemming met de "prudent person"-regel houden de PEPP-aanbieders rekening met de risico’s die verband houden met het mogelijke langetermijneffect van beleggingsbeslissingen op MSG-factoren;

c)  de activa worden op zodanige wijze belegd dat de veiligheid, de kwaliteit, de liquiditeit en het rendement van de portefeuille als geheel worden gewaarborgd;

d)  de activa worden hoofdzakelijk op gereglementeerde markten belegd. Beleggingen in activa die niet zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde financiële markt, worden tot een prudent niveau beperkt;

e)  beleggingen in derivaten zijn toegestaan voor zover deze instrumenten tot een vermindering van het beleggingsrisico bijdragen of een doeltreffend portefeuillebeheer vergemakkelijken. Die instrumenten worden op prudente basis gewaardeerd, met inachtneming van de onderliggende activa, en worden mede in aanmerking genomen bij de waardering van de activa van een PEPP-aanbieder. PEPP-aanbieders vermijden voorts een bovenmatig risico met betrekking tot één en dezelfde tegenpartij en tot andere derivatenverrichtingen;

f)  de activa zijn naar behoren gediversifieerd zodat een bovenmatig vertrouwen in bepaalde activa, of een bepaalde emittent of groep van ondernemingen en risicoaccumulatie in de portefeuille als geheel worden vermeden. Beleggingen in activa uitgegeven door dezelfde emittent of door emittenten die tot dezelfde groep behoren, stellen de PEPP-aanbieder niet bloot aan bovenmatige risicoconcentratie;

g)  de activa worden niet voor fiscale doeleinden belegd in een niet-coöperatief rechtsgebied dat ▌in de toepasselijke conclusies van de Raad op de lijst van niet-coöperatieve rechtsgebieden voor fiscale doeleinden is geplaatst, noch in derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen zoals vermeld in de toepasselijke gedelegeerde verordening van de Commissie die is vastgesteld op basis van artikel 9 van Richtlijn (EU) 2015/849

h)  de PEPP-aanbieder stelt zichzelf noch de met het PEPP verbonden activa bloot aan risico's veroorzaakt door buitensporige hefboomwerking en buitensporige looptijdtransformatie.

2.  De in lid 1, onder a) tot en met h), beschreven regels gelden alleen voor zover er geen strengere bepaling is in het voor de PEPP-aanbieder geldende desbetreffende sectorale recht.

AFDELING II

BELEGGINGSOPTIES VOOR PEPP-SPAARDERS

Artikel 42

Algemene bepalingen

1.  PEPP-aanbieders mogen PEPP-spaarders tot zes beleggingsopties aanbieden.

2.  De beleggingsopties omvatten het basis-PEPP en kunnen alternatieve beleggingsopties omvatten.

3.  Alle beleggingsopties worden door PEPP-aanbieders ontworpen op basis van een garantie ofrisicolimiteringstechniek die afdoende bescherming bieden voor PEPP-spaarders.

4.  Het bieden van garanties is onderhevig aan het relevante sectorale recht dat toepasselijk is op de PEPP-aanbieder.

5.  PEPP-aanbieders als bedoeld in artikel 6, lid 1, onder c), d), e) en f), mogen PEPP-spaarders alleen een garantie bieden in samenwerking met kredietinstellingen of verzekeringsondernemingen die dergelijke garanties kunnen bieden overeenkomstig het sectorale recht dat op hen van toepassing is. Alleen die instellingen en ondernemingen zijn aansprakelijk voor de garantie.

Artikel 43

Keuze van de beleggingsoptie door de PEPP-spaarder

Na de relevante informatie en het relevante advies te hebben ontvangen kiest de PEPP-spaarder ▌bij het afsluiten van de PEPP-overeenkomst voor een beleggingsoptie.

Artikel 44

Voorwaarden voor het aanpassen van de gekozen beleggingsoptie

1.  Als de PEPP-aanbieder alternatieve beleggingsopties aanbiedt kan de PEPP-spaarder ▌, in de opbouwfase van het PEPP, kiezen voor een andere beleggingsoptie na een minimumperiode van vijf jaar na het sluiten van de PEPP-overeenkomst en, in geval van latere wijzigingen, vijf jaar na de meest recente wijziging van een beleggingsoptie. De PEPP-aanbieder kan de PEPP-spaarder toestaan om de gekozen beleggingsoptie vaker te wijzigen.

2.  De aanpassing van de beleggingsopties is kosteloos voor de PEPP-spaarder.

Artikel 45

Het basis-PEPP

1.  Het basis-PEPP is een veilig product dat de standaardbeleggingsoptie vormt. Het wordt ontworpen door PEPP-aanbieders op basis van een garantie op het kapitaal dat verschuldigd is bij aanvang van de afbouwfase en gedurende de afbouwfase, indien van toepassing, of een risicolimiteringstechniek die consistent is met de doelstelling om de PEPP-spaarder in staat te stellen het kapitaal te recupereren.

2.  De kosten en vergoedingen voor het basis-PEPP bedragen ten hoogste 1 % van het opgebouwde kapitaal per jaar.

3.  Om ervoor te zorgen dat dezelfde regels gelden voor de verschillende PEPP-aanbieders en de verschillende soorten PEPP’s, ontwikkelt EIOPA ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin de verschillende soorten kosten en vergoedingen als bedoeld in lid 2, worden gespecificeerd, in voorkomend geval in overleg met de overige ETA’s.

Bij het ontwikkelen van de ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt EIOPA rekening met de verschillende soorten PEPP’s, het langetermijnkarakter van het PEPP en de verschillende mogelijke kenmerken van de PEPP’s, met name uitbetalingen in de vorm van levenslange annuïteiten of jaarlijkse onttrekkingen tot ten minste de leeftijd die overeenkomt met de gemiddelde levensverwachting van de PEPP-spaarder. EIOPA beoordeelt ook de bijzondere aard van de kapitaalbescherming met specifieke betrekking tot de kapitaalgarantie. EIOPA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1094/2010.

4.  Om de twee jaar vanaf de datum van toepassing van deze verordening, evalueert de Commissie na raadpleging van EIOPA, en, indien van toepassing, de overige ETA’s, de toereikendheid van het in lid 2 bedoelde percentage. De Commissie houdt in het bijzonder rekening met het huidige niveau en de wijzigingen van het huidige niveau van de kosten en vergoedingen en de impact op de beschikbaarheid van PEPP’s.

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 72 gedelegeerde handelingen vast te stellen voor de wijziging van het percentage als bedoeld in lid 2 van dit artikel in het licht van haar evaluaties om ervoor te zorgen dat PEPP-aanbieders voldoende markttoegang hebben.

Artikel 46

Risicolimiteringstechnieken

1.  Het gebruik van risicolimiteringstechnieken zorgt ervoor dat de beleggingsstrategie voor het PEPP zodanig is ontworpen dat met het PEPP een stabiel en toereikend toekomstig persoonlijk pensioeninkomen wordt opgebouwd en dat wordt gezorgd voor een eerlijke behandeling van alle generaties van PEPP-spaarders.

Alle risicolimiteringstechnieken, of zij nu worden toegepast in het kader van het basis-PEPP of voor alternatieve beleggingsopties, zijn solide, robuust en afgestemd op het risicoprofiel van de betrokken beleggingsoptie.

2.  De toepasselijke risicolimiteringstechnieken kunnen o.a. bepalingen bevatten:

a)  voor de geleidelijke aanpassing van de beleggingsallocatie om de financiële risico's van beleggingen voor cohorten te limiteren in overeenstemming met de resterende looptijd (levenscyclusstrategie);

b)  voor het aanleggen van reserves van bijdragen of beleggingsresultaten, die op eerlijke en transparante wijze aan PEPP-spaarders worden toegewezen, om beleggingsverliezen te limiteren; of

c)  om te voorzien in passende financiële garanties ter bescherming tegen beleggingsverliezen.

3.  Om te zorgen voor de consistente toepassing van dit artikel ontwikkelt EIOPA, na raadpleging van de overige ETA’s en na uitvoering van sectortests, ontwerpen van technische reguleringsnormen waarin de minimumcriteria worden gespecificeerd waaraan risicolimiteringstechnieken moeten voldoen, rekening houdend met de verschillende soorten PEPP’s en hun specifieke kenmerken, alsmede de verschillende soorten PEPP-aanbieders en de verschillen tussen hun prudentiële regimes.