Index 
Aangenomen teksten
Dinsdag 16 april 2019 - Straatsburg 
Communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming ***I
 Toetreding van de EU tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***
 Actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***I
 Overeenkomst tussen de EU en de Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten ***
 Internationale Overeenkomst voor olijfolie en tafelolijven ***
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Viorel Ștefan
 Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Ivana Maletić
 Bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden ***I
 Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (richtlijn) ***I
 Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (verordening) ***I
 Kapitaalvereisten (verordening) ***I
 Kapitaalvereisten (richtlijn) ***I
 Verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (verordening) ***I
 Verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (richtlijn) ***I
 Door overheidsobligaties gedekte effecten ***I
 Europese toezichthoudende autoriteiten en financiële markten ***I
 Macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s ***I
 Markten voor financiële instrumenten en de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) ***I
 Prudentieel toezicht op beleggingsondernemingen (richtlijn) ***I
 Prudentiële vereisten voor beleggingsondernemingen (verordening)***I
 Transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden in de Europese Unie ***I
 Europese Arbeidsautoriteit ***I
 Instandhouding van visbestanden en bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen ***I
 Verordening betreffende Europese bedrijfsstatistieken ***I
 Onderzoeken door OLAF en samenwerking met het Europees Openbaar Ministerie ***I
 Vaststelling van het instrument voor financiële steun voor douanecontroleapparatuur ***I
 Vaststelling van het Douane-programma voor samenwerking op het gebied van douane ***I
 Het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven ***I
 Gemeenschappelijk kader voor Europese statistieken betreffende personen en huishoudens ***I
 Interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen op het gebied van grenzen en visa ***I
 Interoperabiliteit tussen de EU-informatiesystemen op het gebied van politiële en justitiële samenwerking, asiel en migratie ***I
 Europees netwerk van immigratieverbindingsfunctionarissen ***I
 Voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de algemene veiligheid betreft ***I

Communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming ***I
PDF 242kWORD 85k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming (COM(2018)0307 – C8-0182/2018 – 2018/0154(COD))
P8_TA-PROV(2019)0359A8-0395/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0307),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 338, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0182/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken en het standpunt in de vorm van amendementen van de Commissie rechten van de vrouw en gendergelijkheid (A8-0395/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Door de Commissie voorgestelde tekst   Amendement
Amendement 1
Voorstel voor een verordening
Overweging 2
(2)  Om tegemoet te komen aan nieuwe behoeften binnen de Unie aan statistieken over asiel en beheerde migratie en aangezien de kenmerken van migratie en hun facetten snel veranderen, bestaat een behoefte aan een kader dat het toelaat om snel te reageren op veranderende behoeften op het gebied van statistieken over asiel en beheerde migratie.
(2)  Om tegemoet te komen aan nieuwe behoeften binnen de Unie aan statistieken over migratie en internationale bescherming en aangezien de kenmerken van de migratiebewegingen snel veranderen, bestaat een behoefte aan een kader dat het toelaat om snel te reageren op veranderende behoeften op het gebied van statistieken over migratie en internationale bescherming.
Amendement 2
Voorstel voor een verordening
Overweging 2 bis (nieuw)
(2 bis)  Aangezien de aard van de huidige migratiestromen divers is en voortdurend verandert, zijn uitgebreide en vergelijkbare, naar gender uitgesplitste statistische gegevens over de migrantenbevolking nodig om de realiteit van de situatie te kunnen begrijpen, om kwetsbaarheden en ongelijkheden vast te kunnen stellen en om beleidsmakers te kunnen voorzien van betrouwbare gegevens en informatie voor de ontwikkeling van toekomstig overheidsbeleid.
Amendement 3
Voorstel voor een verordening
Overweging 3
(3)  Om de Unie te ondersteunen bij het doeltreffend reageren op de problemen die migratie stelt, is er behoefte aan gegevens over asiel en beheerde migratie over perioden korter dan een jaar.
(3)  Om de Unie te ondersteunen bij het doeltreffend reageren op de problemen die migratie stelt, en bij het ontwikkelen van genderbewuste en op de mensenrechten gebaseerde beleidsmaatregelen, is er behoefte aan gegevens over asiel en beheerde migratie over perioden korter dan een jaar.
Amendement 4
Voorstel voor een verordening
Overweging 4
(4)  Statistieken over asiel en beheerde migratie zijn van fundamenteel belang voor de bestudering, vaststelling en evaluatie van een groot aantal beleidsdomeinen, en vooral om te reageren op de binnenkomst van personen die bescherming in Europa zoeken.
(4)  Statistieken over asiel en beheerde migratie zijn van fundamenteel belang voor de bestudering, vaststelling en evaluatie van een groot aantal beleidsdomeinen, en vooral om te reageren op de binnenkomst van personen die bescherming in Europa zoeken, zodat de best mogelijke oplossingen kunnen worden geboden.
Amendement 5
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 bis (nieuw)
(4 bis)  Tevens zijn statistieken over migratie en internationale bescherming van fundamenteel belang om een overzicht te hebben van de migratiebewegingen binnen de Unie en de lidstaten toe te laten het Unierecht goed toe te passen, met inachtneming van de grondrechten, zoals opgenomen in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
Amendement 6
Voorstel voor een verordening
Overweging 4 ter (nieuw)
(4 ter)  Personen die op grond van hun gender worden vervolgd, kunnen om internationale bescherming verzoeken en deze krijgen. De statistische instanties van de lidstaten en van de Unie moeten statistieken verzamelen over verzoeken om internationale bescherming op grond van gendergerelateerde kwesties, met inbegrip van gendergerelateerd geweld.
Amendement 7
Voorstel voor een verordening
Overweging 9 bis (nieuw)
(9 bis)  Om de doelstellingen van Verordening (EG) nr. 862/2007 te verwezenlijken, moeten voldoende financiële middelen worden toegewezen voor de verzameling, analyse en verspreiding van hoogwaardige nationale en statistieken en statistieken van de Unie over migratie en internationale bescherming, met name door ondersteuning van acties op dat gebied overeenkomstig Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad1a.
______________
1 bis.   Verordening (EU) nr. 516/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot oprichting van het Fonds voor asiel, migratie en integratie, tot wijziging van Beschikking 2008/381/EG van de Raad en tot intrekking van Beschikkingen nr. 573/2007/EG en nr. 575/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad en Beschikking 2007/435/EG van de Raad (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 168).
Amendement 8
Voorstel voor een verordening
Overweging 10
(10)  Deze verordening garandeert het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven en het recht op bescherming van persoonsgegevens, die zijn neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
(10)  Deze verordening garandeert het recht op eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, het recht op bescherming van persoonsgegevens, het recht op non-discriminatie en het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen, zoals neergelegd in de artikelen 7, 8, 21 en 23 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad1a.
______________
1 bis.   Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad n 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
Amendement 9
Voorstel voor een verordening
Overweging 10 bis (nieuw)
(10 bis)  Door naar gender uitgesplitste gegevens te verzamelen, kunnen de specifieke kwetsbaarheden en capaciteiten van vrouwen en mannen in kaart worden gebracht en worden geanalyseerd, waardoor kloven en ongelijkheden aan het licht komen. Dankzij genderresponsieve gegevens op het gebied van migratie kan gelijkheid worden bevorderd en kunnen kansarme groepen meer mogelijkheden krijgen. Er moet in migratiestatistieken ook rekening worden gehouden met variabelen zoals genderidentiteit en seksuele geaardheid wanneer gegevens worden verzameld over de ervaringen van personen die tot de LGBTQI+-gemeenschap behoren en over ongelijkheden in migratie- en asielprocedures.
Amendement 10
Voorstel voor een verordening
Overweging 11
(11)  Om uniforme voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met de specificatie van uitsplitsingen. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad25.
(11)  Om uniforme voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend in verband met de vastlegging van regels inzake de gepaste formaten voor de toezending van gegevens. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.
__________________
__________________
25 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
25 Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
Amendement 11
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 bis (nieuw)
(11 bis)  Teneinde Verordening (EG) nr. 862/2007 aan te passen aan de technologische en economische ontwikkelingen moet aan de Commissie overeenkomstig artikel 290 VWEU de bevoegdheid worden overgedragen handelingen vast te stellen om bepaalde definities in Verordening (EG) nr. 862/2007 te actualiseren en de verordening aan te vullen, om het groeperen van gegevens en verdere uitsplitsingen te bepalen en de regels inzake nauwkeurigheids- en kwaliteitsnormen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven1bis. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.
________________
1bis PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
Amendement 12
Voorstel voor een verordening
Overweging 11 ter (nieuw)
(11 ter)  Voor een doeltreffend toezicht op de toepassing van Verordening (EG) nr. 862/2007 moeten regelmatig evaluaties worden verricht. De Commissie moet de op grond van Verordening (EG) nr. 862/2007 opgestelde statistieken, hun kwaliteit en tijdige toezending ten behoeve van verslagen aan het Europees Parlement en de Raad grondig evalueren. Er moet nauw overleg worden gepleegd met alle instanties die asielgegevens verzamelen, waaronder VN-organisaties en andere relevante internationale en niet-gouvernementele organisaties.
Amendement 13
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt -1 (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 1 – alinea 1 – letter c
-1.  In artikel 1 wordt punt c) vervangen door:
c)  de administratieve en gerechtelijke procedures in de lidstaten met betrekking tot immigratie, de verlening van verblijfsvergunningen, staatsburgerschap, asiel en andere vormen van internationale bescherming en de preventie van illegale immigratie.
"c) de administratieve en gerechtelijke procedures in de lidstaten met betrekking tot immigratie, de verlening van verblijfsvergunningen, staatsburgerschap, asiel en andere vormen van internationale bescherming, irreguliere binnenkomst en irregulier verblijf en terugkeer."
Amendement 14
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter j
-1 bis) Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
a)  in lid 1 wordt punt j) vervangen door:
j)  "verzoek om internationale bescherming": een verzoek om internationale bescherming zoals gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming2;
"verzoek om internationale bescherming": een verzoek om internationale bescherming in de zin van artikel 2, onder h), van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad2;
_______________
_______________
2 PB L 304 van 30.9.2004, blz. 12.
2 Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB L 337 van 20.12.2011, blz. 9-26)."
Amendement 15
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter b (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter k
b)  in lid 1 wordt punt k) vervangen door:
"vluchtelingenstatus": vluchtelingenstatus zoals gedefinieerd in artikel 2, onder d), van Richtlijn 2004/83/EG;
""vluchtelingenstatus": vluchtelingenstatus zoals gedefinieerd in artikel 2, onder e), van Richtlijn 2011/95/EU;"
Amendement 16
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter c (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter l
c)  in lid 1 wordt punt l) vervangen door:
""subsidiairebeschermingsstatus": subsidiairebeschermingsstatus zoals gedefinieerd in artikel 2, onder f), van Richtlijn 2004/83/EG;
""subsidiairebeschermingsstatus": subsidiairebeschermingsstatus zoals gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 2011/95/EU;"
Amendement 17
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter d (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter m
d)  lid 1, wordt punt m) vervangen door:
""gezinsleden”: gezinsleden zoals gedefinieerd in artikel 2, onder i), van Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend10;
""gezinsleden": gezinsleden in de zin van artikel 2, onder g), van Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad10;"
_______________
_______________
10 PB L 50 van 25.2.2003, blz. 1.
10 Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 31)."
Amendement 18
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter e (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter o
d)  in lid 1 wordt punt o) vervangen door:
""niet-begeleide minderjarigen": niet-begeleide minderjarigen zoals gedefinieerd in artikel 2, onder i), van Richtlijn 2004/83/EG;
""niet-begeleide minderjarigen": niet-begeleide minderjarigen zoals gedefinieerd in artikel 2, onder l), van Richtlijn 2011/95/EU;"
Amendement 19
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter f (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter p
f)  lid 1 wordt punt p) vervangen door:
""buitengrenzen": buitengrenzen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)12;
""buitengrenzen": buitengrenzen zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 2, van Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad12;"
________________
________________
12 PB L 105 van 13.4.2006, blz. 1.
12 Verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (PB L 77 van 23.3.2016, blz. 1)."
Amendement 20
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter g (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter q
g)  in lid 1 wordt punt q) vervangen door:
""onderdanen van derde landen aan wie de toegang wordt ontzegd”: onderdanen van derde landen aan wie aan de buitengrenzen de toegang wordt ontzegd omdat zij niet voldoen aan alle toegangsvoorwaarden, zoals vastgesteld in artikel 5, punt 1, van Verordening (EG) nr. 562/2006, en niet behoren tot de categorieën personen, genoemd in artikel 5, punt 4, van die verordening;
"onderdanen van derde landen aan wie de toegang wordt ontzegd": onderdanen van derde landen aan wie aan de buitengrenzen de toegang wordt ontzegd omdat zij niet voldoen aan alle toegangsvoorwaarden, zoals vastgesteld in artikel 5, punt 1, van Verordening (EU) 2016/399, en niet behoren tot de categorieën personen, genoemd in artikel 5, punt 2, van die verordening;"
Amendement 21
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter h (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter s bis (nieuw)
h)  aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
"s bis) "verwijdering": verwijdering als bedoeld in artikel 3, lid 5, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad*;
________________
* Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 98)."
Amendement 22
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter i (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter s ter (nieuw)
i)  aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
"s ter) "vrijwillig vertrek": vrijwillig vertrek als omschreven in artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/115/EG;"
Amendement 23
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter j (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 1 – letter s quater (nieuw)
j)  aan lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:
"s quater) "ondersteund vrijwillig vertrek": vrijwillig vertrek als omschreven in artikel 3, punt 8, van Richtlijn 2008/115/EG, met ondersteuning op logistiek, financieel of materieel gebied."
Amendement 24
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt –1 bis (nieuw) – letter k (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 2 – lid 3
k)  Lid 3 wordt geschrapt.
Amendement 25
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 3
-1 ter. Artikel 3 wordt vervangen door:
Artikel 3
"Artikel 3
Statistieken over internationale migratie, inwoners en de verwerving van staatsburgerschap
Statistieken over internationale migratie, inwoners en de verwerving van staatsburgerschap
1.  De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) statistieken over het aantal:
1.  De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) statistieken over het aantal:
a)  immigranten naar het grondgebied van de lidstaat, met de volgende uitsplitsingen:
a)  immigranten naar het grondgebied van de lidstaat, met de volgende uitsplitsingen:
i)  groepen naar staatsburgerschap naar leeftijd en geslacht;
i)  groepen naar staatsburgerschap naar leeftijd en gender;
ii)  groepen naar geboorteland naar leeftijd en geslacht;
ii)  groepen naar geboorteland naar leeftijd en gender;
iii)  groepen naar land van vorige gewone verblijfplaats naar leeftijd en geslacht;
iii)  groepen naar land van vorige gewone verblijfplaats naar leeftijd en gender;
b)  emigranten uit het grondgebied van de lidstaat, met de volgende uitsplitsingen:
b)  emigranten uit het grondgebied van de lidstaat, met de volgende uitsplitsingen:
i)  groepen naar staatsburgerschap;
i)  groepen naar staatsburgerschap;
ii)  naar leeftijd;
ii)  naar leeftijd;
iii)  naar geslacht;
iii)  naar gender;
iv)  groepen naar landen van volgende gewone verblijfplaats;
iv)  groepen naar landen van volgende gewone verblijfplaats;
c)  personen dat zijn gewone verblijfplaats aan het einde van de referentieperiode in de lidstaat heeft, met de volgende uitsplitsingen:
c)  personen dat zijn gewone verblijfplaats aan het einde van de referentieperiode in de lidstaat heeft, met de volgende uitsplitsingen:
i)  groepen naar staatsburgerschap naar leeftijd en geslacht;
i)  groepen naar staatsburgerschap naar leeftijd en gender;
ii)  groepen naar geboorteland naar leeftijd en geslacht;
ii)  groepen naar geboorteland naar leeftijd en gender;
d)  personen dat zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat heeft en tijdens het referentiejaar het staatsburgerschap van de lidstaat heeft verworven en daarvoor staatsburger was van een andere lidstaat of een derde land of dat daarvoor staatloos was, uitgesplitst naar leeftijd en geslacht en naar het vorige staatsburgerschap of de voorafgaande staatloosheid van de betrokken personen.
d)  personen dat zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat heeft en tijdens het referentiejaar het staatsburgerschap van de lidstaat heeft verworven en daarvoor staatsburger was van een andere lidstaat of een derde land of dat daarvoor staatloos was, uitgesplitst naar leeftijd en gender en naar het vorige staatsburgerschap of de voorafgaande staatloosheid van de betrokken personen. "
d bis)  personen dat zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van de lidstaat heeft en aan wie tijdens het referentiejaar een verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, uitgesplitst naar leeftijd en gender.
2.  De referentieperiode voor de in lid 1 bedoelde statistieken bedraagt een kalenderjaar en de statistieken worden binnen twaalf maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2008.
2.  De referentieperiode voor de in lid 1 bedoelde statistieken bedraagt een kalenderjaar en de statistieken worden binnen twaalf maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2020."
Amendement 26
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter –a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter c
-a)  in de eerste alinea van lid 1 wordt punt c) vervangen door:
c)  verzoeken om internationale bescherming dat tijdens de referentieperiode is ingetrokken.
"c) verzoeken om internationale bescherming die tijdens de referentieperiode zijn ingetrokken, uitgesplitst naar soort intrekking;"
Amendement 27
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d bis (nieuw)
d bis)  personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en van wie de aanvragen zijn verwerkt volgens de versnelde procedure als bedoeld in artikel 31, lid 8, van Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad*;
__________________
* Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 60).
Amendement 28
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d ter (nieuw)
d ter)  personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en van wie de verzoeken zijn verwerkt volgens de grensprocedures als bedoeld in artikel 43 van Richtlijn 2013/32/EU;
Amendement 29
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d quater (nieuw)
d quater)  personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en die is uitgezonderd van de versnelde procedure of de grensprocedure, overeenkomstig artikel 24, lid 3, en artikel 25, lid 6, van Richtlijn 2013/32/EU;
Amendement 30
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d quinquies (nieuw)
d quinquies)  personen dat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend zonder geregistreerd te zijn in Eurodac, als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 603/2003 van het Europees Parlement en de Raad*;
__________________
* Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de instelling van "Eurodac" voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van Verordening (EU) nr. 604/2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1077/2011 tot oprichting van een Europees Agentschap voor het operationeel beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht ( PB L 180 van 29.6.2013, blz. 1).
Amendement 31
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d sexies (nieuw)
d sexies)  personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en dat in staat is bewijsstukken over te leggen die kunnen bijdragen tot de vaststelling van de identiteit;
Amendement 32
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d septies (nieuw)
d septies)  personen dat tijdens de referentieperiode een volgend verzoek om internationale bescherming heeft ingediend als bedoeld in artikel 40 van Richtlijn 2013/32/EU of in een door een gezinslid ingediend verzoek om internationale bescherming is inbegrepen;
Amendement 33
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d octies (nieuw)
d octies)  personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en die in bewaring wordt gehouden overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad* aan het einde van de referentieperiode, uitgesplitst naar maand waarin die personen in bewaring zijn gesteld en de redenen voor de bewaring;
____________________
* Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (PB L 180 van 29.6.2013, blz. 96).
Amendement 34
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d novies (nieuw)
d novies) personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en het onderwerp vormt van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een bevel tot bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU;
Amendement 35
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d decies (nieuw)
d decies)  personen dat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en het onderwerp vormt van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU, tijdens de referentieperiode, als volgt uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel:
i)  rapportering:
ii)  stellen van een borgsom;
iii)  verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
iv)  ander soort alternatieve maatregel voor bewaring;
Amendement 36
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d undecies (nieuw)
d undecies)  personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2013/33/EU, aan het einde van de referentieperiode, uitgesplitst naar de maand waarin het administratieve of juridische besluit of de handeling tegen deze personen was afgegeven, en verder als volgt uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel:
i)  rapportering;
ii)  stellen van een borgsom;
iii)  verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
iv)  ander soort alternatieve maatregel voor bewaring;
Amendement 37
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d duodecies (nieuw)
d duodecies)  personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en van wie een leeftijdsbepaling is verricht;
Amendement 38
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d terdecies (nieuw)
d terdecies)  besluiten inzake leeftijdsbepalingen van verzoekers, uitgesplitst als volgt:
i)  bepalingen met als resultaat dat de verzoeker minderjarig is;
ii)  bepalingen met als resultaat dat de verzoeker meerderjarig is;
iii)  bepalingen zonder resultaat of niet afgeronde bepalingen;
Amendement 39
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d quaterdecies (nieuw)
d quaterdecies) personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en waarvan is geconstateerd dat zij bijzondere procedurele waarborgen behoeven overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2013/32/EU, of dat zij bijzondere opvangbehoeften hebben als bedoeld in artikel 2, punt k), van Richtlijn 2013/33/EU;
Amendement 40
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d quindecies (nieuw)
d quindecies) personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en dat kosteloze rechtsbijstand ontvangt overeenkomstig artikel 20 van Richtlijn 2013/32/EU, uitgesplitst naar procedures in eerste en tweede aanleg;
Amendement 41
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d sedecies (nieuw)
d sedecies) personen dat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend of in een dergelijk verzoek als gezinslid is inbegrepen en aan wie aan het einde van de referentieperiode materiële opvangvoorzieningen zijn toegekend die de verzoekers een waardige levensstandaard bieden, overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2013/33/EU;
Amendement 42
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d septies decies (nieuw)
d septies decies) personen dat een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend als niet-begeleide minderjarige voor wie tijdens de referentieperiode een vertegenwoordiger is aangesteld overeenkomstig artikel 25 van Richtlijn 2013/32/EU;
Amendement 43
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d octies decies (nieuw)
d octies decies) personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en als niet-begeleide minderjarige is erkend en aan wie toegang tot het onderwijsstelsel is aangeboden op grond van artikel 14 van Richtlijn 2013/33/EU;
Amendement 44
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d novies decies (nieuw)
d novies decies) personen dat tijdens de referentieperiode een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend en als niet-begeleide minderjarige is erkend en op grond van artikel 31 van Richtlijn 2011/95/EU is geplaatst, uitgesplitst naar reden voor de plaatsing;
Amendement 45
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – letter d vicies (nieuw)
d vicies) het gemiddelde aantal niet-begeleide minderjarigen per voogd tijdens de referentieperiode;
Amendement 46
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 1 – laatste alinea
Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt een kalendermaand en de statistieken worden binnen twee maanden na het eind van de referentiemaand bij de Commissie (Eurostat) ingediend. De eerste referentiemaand is januari 2020.
Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en gender en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt een kalendermaand en de statistieken worden binnen twee maanden na het eind van de referentiemaand bij de Commissie (Eurostat) ingediend. De eerste referentiemaand is januari 2020.
Amendement 47
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 2 – letter a
b bis)  In lid 2 wordt punt a) vervangen door:
a)  personen dat het onderwerp vormt van beslissingen in eerste aanleg tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, zoals beslissingen van niet-ontvankelijkheid- of ongegrondverklaringen en beslissingen die zijn genomen volgens een voorrangs- of versnelde procedure, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie;
"a) personen dat het onderwerp vormt van beslissingen in eerste aanleg tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie tijdens de referentieperiode, uitgesplitst als volgt:
i)  beslissingen van niet-ontvankelijkheid, verder uitgesplitst naar reden voor de niet-ontvankelijkheid,
ii)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken als ongegrond,
iii)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de reguliere procedure, verder uitgesplitst naar reden voor de afwijzing,
iv)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de versnelde procedure, verder uitgesplitst naar reden voor toepassing van de versnelde procedure en voor de afwijzing,
v)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken omdat de verzoeker in zijn land van herkomst binnenlandse bescherming kan genieten op grond van artikel 8 van Richtlijn 2011/95/EU; "
Amendement 48
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 2 – letter b
b ter)  in lid 2 wordt punt b) vervangen door:
b)  personen dat het onderwerp vormt van beslissingen in eerste aanleg tot verlening of intrekking van de vluchtelingenstatus, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie;
"b) personen dat het onderwerp vormt van beslissingen in eerste aanleg, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de vluchtelingenstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd; "
Amendement 49
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 2 – letter c
b quater)  in lid 2 wordt punt c) vervangen door:
c)   personen dat het onderwerp vormt van beslissingen in eerste aanleg tot verlening of intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie;
personen dat het onderwerp vormt van beslissingen in eerste aanleg, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de subsidiairebeschermingsstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd; "
Amendement 50
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter b quinquies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 2 – letter e bis (nieuw)
b quinquies)  in lid 2 wordt het volgende punt ingevoegd:
"(e bis) personen dat het onderwerp vormt van beslissingen in eerste aanleg tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, uitgesplitst naar soort beslissing, duur van de beperking of intrekking en reden voor de beperking of intrekking."
Amendement 51
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter c
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 2 – laatste alinea
Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt drie kalendermaanden en de statistieken worden binnen twee maanden na het einde van de referentieperiode aan de Commissie (Eurostat) verstrekt. De eerste referentieperiode loopt van januari tot en met maart 2020.
Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en gender en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt drie kalendermaanden en de statistieken worden binnen twee maanden na het einde van de referentieperiode aan de Commissie (Eurostat) verstrekt. De eerste referentieperiode loopt van januari tot en met maart 2020.
Deze statistieken worden verder uitgesplitst naar na een persoonlijk onderhoud genomen beslissingen en zonder persoonlijk onderhoud genomen beslissingen. Statistieken over na een persoonlijk onderhoud genomen beslissingen worden verder uitgesplitst naar persoonlijke onderhouden waarbij de verzoeker werd bijgestaan door een tolk en persoonlijke onderhouden waarbij de verzoeker niet werd bijgestaan door een tolk.
Amendement 52
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 3 – letter b
d bis)  in lid 3 wordt punt b) vervangen door:
b)  het aantal personen dat het onderwerp vormt van definitieve beslissingen tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, zoals beslissingen van niet-ontvankelijkheid- en ongegrondverklaringen, en beslissingen die zijn genomen volgens een voorrangs- of versnelde procedure, tijdens de referentieperiode door een administratieve of gerechtelijke instantie genomen in een beroeps- of herzieningsprocedure;
"b) het aantal personen dat het onderwerp vormt van definitieve beslissingen tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming, tijdens de referentieperiode door een administratieve of gerechtelijke instantie genomen in een beroeps- of herzieningsprocedure, als volgt uitgesplitst:
i)  beslissingen van niet-ontvankelijkheid, verder uitgesplitst naar reden voor de niet-ontvankelijkheid,
ii)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken als ongegrond,
iii)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de reguliere procedure, verder uitgesplitst naar reden voor de afwijzing,
iv)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken als kennelijk ongegrond in de versnelde procedure, verder uitgesplitst naar reden voor toepassing van de versnelde procedure en voor de afwijzing,
v)  beslissingen tot afwijzing van verzoeken omdat de verzoeker in zijn land van herkomst binnenlandse bescherming kan genieten op grond van artikel 8 van Richtlijn 2011/95/EU; "
Amendement 53
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 3 – letter c
d ter)  In lid 3 wordt punt c) vervangen door:
c)  het aantal personen dat het onderwerp vormt van definitieve beslissingen tot verlening of intrekking van de vluchtelingenstatus, tijdens de referentieperiode door een administratieve of gerechtelijke instantie genomen in een beroeps- of herzieningsprocedure;
"c) het aantal personen dat het onderwerp vormt van definitieve beslissingen, tijdens de referentieperiode genomen door administratieve of gerechtelijke instanties, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de vluchtelingenstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd; "
Amendement 54
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 3 – letter d
d quater)  In lid 3 wordt punt d) vervangen door:
d)  het aantal personen dat het onderwerp vormt van definitieve beslissingen tot verlening of intrekking van de subsidiairebeschermingsstatus, tijdens de referentieperiode door een administratieve of gerechtelijke instantie genomen in een beroeps- of herzieningsprocedure;
"d) het aantal personen dat het onderwerp vormt van definitieve beslissingen, tijdens de referentieperiode genomen door administratieve of gerechtelijke instanties, tot verlening, intrekking, beëindiging of afwijzing van het verlengen van de subsidiairebeschermingsstatus op basis van beëindiging, uitsluiting of andere redenen; beslissingen inzake beëindiging of uitsluiting worden verder uitgesplitst naar de specifieke redenen waarop de beëindiging of uitsluiting zijn gebaseerd; "
Amendement 55
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter d quinquies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 3 – letter g bis (nieuw)
d quinquies)  Aan lid 3 wordt het volgende punt toegevoegd:
"g bis) personen dat het onderwerp vormt van definitieve beslissingen tot beperking of intrekking van materiële opvangvoorzieningen, tijdens de referentieperiode genomen door een administratieve of gerechtelijke instantie, uitgesplitst naar soort beslissing, duur van de beperking of intrekking en reden voor de beperking of intrekking."
Amendement 56
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter e
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 3 – laatste alinea
De statistieken onder punten b), c), d) e), f) en g) worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht, naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. Bovendien worden de statistieken wat betreft punt g) per land van verblijf en per type asielbeslissing uitgesplitst. De referentieperiode bedraagt een kalenderjaar en de statistieken worden binnen drie maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2020.
De statistieken onder punten b), c), d) e), f) en g) worden uitgesplitst naar leeftijd en gender, naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. Bovendien worden de statistieken wat betreft punt g) per land van verblijf en per type asielbeslissing uitgesplitst. De referentieperiode bedraagt een kalenderjaar en de statistieken worden binnen drie maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2020.
Amendement 57
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter e bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 3 bis (nieuw)
e bis)  Het volgende lid wordt toegevoegd:
"3 bis. De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) statistieken over de duur van de beroepsprocedures, in kalenderdagen, vanaf het tijdstip waarop het beroep wordt ingesteld tot het tijdstip waarop in eerste aanleg over het beroep wordt beslist."
Amendement 58
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter e
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 4 – laatste alinea
De referentieperiode bedraagt een kalenderjaar en de statistieken worden binnen drie maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. Het eerste referentiejaar is 2020.
Deze statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en gender en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en naar niet-begeleide minderjarigen. De referentieperiode bedraagt een kalendermaand en de statistieken worden binnen drie maanden na het eind van het referentiejaar bij de Commissie (Eurostat) ingediend. De eerste referentieperiode is januari 2020.
Amendement 59
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 – letter h bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 4 – lid 4 (nieuw)
h bis)  het volgende lid wordt ingevoegd:
"4 bis. De in lid 1 tot 4 bedoelde statistische gegevens worden uitgesplitst naar maand van indiening van het verzoek."
Amendement 60
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw) – letter a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 5 – titel
1 bis.  Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:
a)  de titel wordt vervangen door:
Statistieken over de preventie van illegale binnenkomst en illegaal verblijf
Statistieken over de preventie van irreguliere binnenkomst en irregulier verblijf
Amendement 61
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw) – letter b (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 5 – lid 1 – letter a
b)  In lid 1 wordt punt a) vervangen door de volgende tekst:
a)  onderdanen van derde landen aan wie toegang tot het grondgebied van de lidstaat aan de buitengrens is geweigerd;
“a) onderdanen van derde landen aan wie toegang tot het grondgebied van de lidstaat aan de buitengrens is geweigerd, uitgesplitst naar leeftijd, gender en staatsburgerschap; "
Amendement 62
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw) – letter c (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 5 – lid 1 – letter b
c)  In lid 1 wordt punt b) vervangen door:
b)  onderdanen van derde landen dat op grond van de nationale immigratiewetgeving illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft.
"b) onderdanen van derde landen dat op grond van de nationale immigratiewetgeving irregulier op het grondgebied van de lidstaat verblijft."
Amendement 63
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 1 bis (nieuw) – letter d (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 5 – lid 1 – alinea 3
b)  De derde alinea van lid 1 wordt vervangen door:
De onder b) bedoelde statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en geslacht en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen.
De onder b) bedoelde statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en gender, naar het staatsburgerschap en naar de redenen voor aanhouding en plaats van aanhouding van de betrokken personen.
Amendement 64
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – letter -a (nieuw)
-a)  het aantal aanvragen voor eerste verblijfsvergunningen door onderdanen van derde landen, uitgesplitst naar staatsburgerschap, reden voor de aanvraag van de vergunning, leeftijd en gender;
Amendement 65
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – letter –a bis (nieuw)
–a bis) het aantal afgewezen aanvragen voor eerste verblijfsvergunningen door onderdanen van derde landen, uitgesplitst naar staatsburgerschap, reden voor de weigering, leeftijd en gender.
Amendement 66
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – letter –a ter (nieuw)
a ter)  het aantal gedurende de referentieperiode geweigerde aanvragen voor verblijfsvergunningen bij wijziging van de immigratiestatus of verblijfsgrond, uitgesplitst naar staatsburgerschap, reden voor de weigering, leeftijd en gender;
Amendement 67
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – letter a – punt i
i)  gedurende de referentieperiode verleende eerste verblijfsvergunningen die de betrokkene toestemming geven in het land te verblijven, uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en geslacht;
i)  gedurende de referentieperiode verleende eerste verblijfsvergunningen die de betrokkene toestemming geven in het land te verblijven, uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en gender;
Amendement 68
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – letter a – punt ii
ii)  gedurende de referentieperiode verleende verblijfsvergunningen bij wijziging van de immigratiestatus of verblijfsgrond van de betrokkene, uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en geslacht;
ii)  gedurende de referentieperiode verleende verblijfsvergunningen bij wijziging van de immigratiestatus of verblijfsgrond van de betrokkene, uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en gender;
Amendement 69
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – letter a – punt iii
iii)  aan het eind van de referentieperiode geldige verblijfsvergunningen (aantal verleende verblijfsvergunningen dat niet is ingetrokken of verlopen), uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en geslacht;
iii)  aan het eind van de referentieperiode geldige verblijfsvergunningen (aantal verleende verblijfsvergunningen dat niet is ingetrokken of verlopen), uitgesplitst naar staatsburgerschap, verblijfsgrond en geldigheidsduur van de vergunning, leeftijd en gender;
Amendement 70
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – letter b
b)  het aantal langdurig ingezetenen aan het eind van de referentieperiode, uitgesplitst naar type langetermijnstatus, leeftijd en geslacht.
b)  het aantal langdurig ingezetenen aan het eind van de referentieperiode, uitgesplitst naar type langetermijnstatus, leeftijd en gender.
Amendement 71
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 2 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 6 – lid 1 – alinea 1 bis (nieuw)
Voor de in de punten -a), -a bis) en a) vereiste gegevens worden aanvragen om familieredenen verder uitgesplitst naar reden en status van de gezinshereniger van een onderdaan van een derde land.
Amendement 72
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a
-a)  In lid 1 wordt punt a) vervangen door de volgende tekst:
a)   het aantal onderdanen van derde landen van wie de illegale aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat is vastgesteld en die het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling waarin wordt vastgesteld of verklaard dat hun verblijf illegaal is en waarin hen tot het verlaten van het grondgebied van de lidstaat wordt verplicht, uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de betrokken personen;
"het aantal onderdanen van derde landen van wie de irreguliere aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat is vastgesteld en die het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling waarin wordt vastgesteld of verklaard dat hun verblijf irregulier is en waarin hen tot het verlaten van het grondgebied van de lidstaat wordt verplicht, uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de betrokken personen en de redenen voor de beslissing; "
Amendement 73
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a bis (nieuw)
–a bis) In lid 1 wordt het volgende ingevoegd:
"a bis) het aantal onder a) van dit lid bedoelde onderdanen van derde landen dat het onderwerp vormde van een administratieve beslissing of handeling waarin een inreisverbod als bedoeld in artikel 11 van Richtlijn 2008/115/EG is opgelegd aan het einde van de referentieperiode, uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de betrokken personen;"
Amendement 74
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a ter (nieuw)
-a ter) In lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"a ter) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad*;"
Amendement 75
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a quater (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a quater (nieuw)
-a quater) In lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"a quater) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar de maand waarin deze onderdanen van derde landen in detentie zijn geplaatst;"
Amendement 76
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a quinquies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a quinquies (nieuw)
-a quinquies) In lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"a quinquies) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel;
i)  rapportering;
ii)  stellen van een borgsom;
iii)  verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
iv)  ander soort alternatieve maatregel voor bewaring;"
Amendement 77
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a sexies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a sexies (nieuw)
-a sexies) In lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"a sexies) het aantal onderdanen van derde landen dat aan het einde van de referentieperiode het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een alternatieve maatregel voor bewaring inhoudt overeenkomstig Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar de maand waarin hen deze administratieve of juridische maatregel is opgelegd en verder als volgt uitgesplitst naar soort alternatieve maatregel:
i)  rapportering;
ii)  stellen van een borgsom;
iii)  verplichting om op een bepaalde plaats te blijven;
iv)  ander soort alternatieve maatregel voor bewaring;"
Amendement 78
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a septies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a septies (nieuw)
-a septies) In lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"a septies) het aantal onderdanen van derde landen dat tijdens de referentieperiode het onderwerp vormde van uitstel van verwijdering op grond van artikel 9 van Richtlijn 2008/115/EG, uitgesplitst naar reden voor het uitstel en het staatsburgerschap van de betrokken personen;"
Amendement 79
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter –a octies (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter a octies (nieuw)
-a octies) In lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"a octies) het aantal onderdanen van derde landen dat het onderwerp vormde van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling die een bevel tot bewaring inhoudt en dat een verzoek om rechterlijke toetsing heeft ingediend op grond van artikel 15, lid 2, van Richtlijn 2008/115/EG, tijdens de referentieperiode;"
Amendement 80
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter b
b)  het aantal onderdanen van derde landen dat het grondgebied van de lidstaat daadwerkelijk heeft verlaten als gevolg van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling, zoals bedoeld onder a), uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de teruggekeerde personen, het type terugkeer en ontvangen steun en het land van bestemming."
b)  het aantal onderdanen van derde landen dat het grondgebied van de lidstaat daadwerkelijk heeft verlaten als gevolg van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling, zoals bedoeld onder a), uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de teruggekeerde personen, het type terugkeer en ontvangen steun en het land van bestemming, verder uitgesplitst naar terugkeer naar het land van herkomst van de onderdaan van het derde land.
Amendement 81
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter a bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 1 – letter b bis (nieuw)
a bis)  in lid 1 wordt het volgende punt ingevoegd:
"b bis) het aantal onderdanen van derde landen dat het grondgebied van de lidstaat daadwerkelijk heeft verlaten als gevolg van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling, als volgt uitgesplitst naar soort besluit of handeling:
i)  op grond van een formele overnameovereenkomst van de Unie;
ii)  op grond van een informele overnameovereenkomst van de Unie;
iii)  op grond van een nationale overnameovereenkomst;
Deze statistieken worden verder uitgesplitst naar het land van bestemming en naar het staatsburgerschap van de betrokken personen."
Amendement 82
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 3 – letter b
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 7 – lid 2
2.  De referentieperiode voor de in lid 1 bedoelde statistieken bedraagt drie kalendermaanden en die statistieken worden binnen twee maanden na het eind van het referentieperiode bij de Commissie (Eurostat) ingediend. De eerste referentieperiode loopt van januari tot en met maart 2020.
2.  De in lid 1 bedoelde statistieken worden uitgesplitst naar leeftijd en gender van de betrokken persoon, en naar niet-begeleide minderjarigen. Zij hebben betrekking op referentieperiodes van een kalendermaand en worden binnen twee weken na het eind van de referentieperiode bij de Commissie (Eurostat) ingediend. De eerste referentieperiode is januari 2020.
Amendement 83
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 9 – lid 2
4 bis)  In artikel 9 wordt lid 2 wordt vervangen door:
2.  De lidstaten brengen aan de Commissie (Eurostat) verslag uit over de gebruikte gegevensbronnen, de redenen waarom voor deze bronnen werd gekozen, de gevolgen van deze keuze voor de kwaliteit van de statistieken en de gebruikte ramingsmethoden en stellen de Commissie (Eurostat) op de hoogte van wijzigingen daarin.
"2. De lidstaten brengen aan de Commissie (Eurostat) verslag uit over de gebruikte gegevensbronnen, de redenen waarom voor deze bronnen werd gekozen, de gevolgen van deze keuze voor de kwaliteit van de statistieken, de gehanteerde mechanismen om het recht op bescherming van persoonsgegevens te eerbiedigen en de gebruikte ramingsmethoden en stellen de Commissie (Eurostat) op de hoogte van wijzigingen daarin."
Amendement 84
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 4ter (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 9bis (nieuw)
4 ter)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 9bis
Gedelegeerde handelingen
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om de definities in artikel 2, lid 1, te wijzigen.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 bis gedelegeerde handelingen tot wijziging van deze verordening vast te stellen:
a)  ter definiëring van de categorieën groepen voor geboortelanden, groepen voor landen van vorige of volgende gewone verblijfplaats en groepen voor staatsburgerschap, zoals bepaald in artikel 3, lid 1;
b)  ter definiëring van de categorieën redenen voor verlening van verblijfsvergunningen, zoals bepaald in artikel 6, lid 1, onder a);
c)  ter definiëring van verdere uitsplitsingen;
d)  ter vaststelling van de regels inzake nauwkeurigheids- en kwaliteitsnormen."
Amendement 85
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter a
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 10 – lid 1
De Commissie is bevoegd uitvoeringshandelingen vast te stellen met als doel uitsplitsingen te specificeren in lijn met de artikelen 4, 5, 6 en 7 en om de regels inzake de gepaste formaten voor de toezending van gegevens overeenkomstig artikel 9 vast te stellen.
De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de regels inzake de gepaste formaten voor de toezending van gegevens overeenkomstig artikel 9 vast te stellen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 11, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.
Amendement 86
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 – letter b
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 10 – lid 2 – letter d
b)  In lid 2 wordt punt d) geschrapt.
b)   Lid 2 wordt geschrapt.
Amendement 87
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 bis (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 10 bis (nieuw)
5 bis)  het volgende artikel wordt ingevoegd:
"Artikel 10 bis
Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie
1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.
2.  De in artikel 9 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening].
3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 9 bis bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.
4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door de lidstaten aangewezen deskundigen, en wel overeenkomstig de in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven vastgelegde beginselen.
5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.
6.  Een overeenkomstig artikel 9 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van deze termijn de Commissie hebben medegedeeld voornemens te zijn om geen bezwaar te maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd."
Amendement 88
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw) – letter a (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 11 – titel
(Niet van toepassing op de Nederlandse versie)
Comitéprocedure
Amendement 89
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw) – letter b (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 11 – lid 1
b)  lid 1 wordt vervangen door:
1.  Bij de vaststelling van uitvoeringsmaatregelen wordt de Commissie bijgestaan door het Comité statistisch programma, dat is opgericht bij Besluit 89/382/EEG, Euratom.
“1. De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EG) nr. 223/2009 betreffende de Europese statistiek opgerichte Comité voor het Europees statistisch systeem. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011."
Amendement 90
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter (nieuw) – letter c (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 11 – lid 2
c)  lid 2 wordt vervangen door:
2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 7 van Besluit 1999/468/EG van toepassing, met inachtneming van artikel 8 daarvan.
“2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, zijn de artikelen 5 en 10 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing, met inachtneming van de bepalingen van artikel 11 van die verordening."
De in artikel 5, lid 6, van Besluit 1999/468/EG vastgestelde termijn wordt vastgesteld op drie maanden.
Amendement 91
Voorstel voor een verordening
Artikel 1 – alinea 1 – punt 5 ter – letter d (nieuw)
Verordening (EG) nr. 862/2007
Artikel 11 – lid 3
d)  lid 3 wordt geschrapt.

Toetreding van de EU tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***
PDF 120kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (06929/2019 – C8-0133/2019 – 2018/0214(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0360A8-0187/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06929/2019),

–  gezien de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, ondertekend te Genève op 20 mei 2015 (11510/2018),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207 en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0133/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel en de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0187/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de toetreding van de Europese Unie tot de akte;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ***I
PDF 227kWORD 63k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake de actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (COM(2018)0365 – C8-0383/2018 – 2018/0189(COD))
P8_TA-PROV(2019)0361A8-0036/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2018)0365),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 207 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0383/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie internationale handel, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8‑0036/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de drie verklaringen van de Commissie die als bijlage bij deze resolutie zijn gevoegd en waarvan de eerste en de tweede samen met de definitieve wetgevingshandeling zullen worden gepubliceerd in de L-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de maatregelen van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen(2)

P8_TC1-COD(2018)0189


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Opdat de Unie haar exclusieve bevoegdheid op het gebied van gemeenschappelijk handelsbeleid ten volle kan uitoefenen en daarbij volledig kan voldoen aan de verplichtingen die zij in het kader van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom (TRIPS) van de Wereldhandelsorganisatie is aangegaan, wordt zij krachtens Besluit (EU) .../... van de Raad(5) overeenkomstsluitende partij bij de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen(6) (de "Akte van Genève" ); tegelijk machtigt zij de lidstaten deze akte te ratificeren of ertoe toe te treden in het belang van de Unie. De overeenkomstsluitende partijen bij de Akte van Genève zijn lid van een bijzondere unie die is opgericht bij de Overeenkomst van Lissabon tot bescherming van oorsprongsbenamingen en de internationale inschrijving ervan(7) (hierna de "bijzondere unie" genoemd). Overeenkomstig artikel 4 van Besluit (EU) .../... moeten de Unie en de lidstaten die de akte hebben geratificeerd of ertoe zijn toegetreden, in de bijzondere unie door de Commissie worden vertegenwoordigd voor wat de Akte van Genève betreft.

(2)  Er moeten regels worden vastgesteld op grond waarvan de Unie de uit de akte van Genève voortvloeiende rechten en plichten van de Unie en de lidstaten die deze ratificeren of ertoe toetreden,respectievelijk kan uitoefenen en nakomen.

(3)  De Akte van Genève beschermt oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen als gedefinieerd in de Verordeningen (EG) nr. 110/2008(8), (EU) nr. 1151/2012(9), (EU) nr. 1308/2013(10) en (EU) nr. 251/2014(11) van het Europees Parlement en de Raad ▌, die hierna tezamen als "geografische aanduidingen" worden aangeduid.

(4)  Na de toetreding van de Unie tot de Akte van Genève, en vervolgens op regelmatige basis, moet de Commissie ▌bij het Internationaal Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (het "internationaal bureau") aanvragen indienen tot internationale inschrijving in zijn register (het "internationaal register") van ▌geografische aanduidingen die afkomstig zijn uit en beschermd zijn op het grondgebied van de Unie. Deze aanvragen moeten gebaseerd zijn op kennisgevingen van lidstaten die handelen op eigen initiatief of op verzoek van een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève of van een begunstigde als gedefinieerd in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève. Bij het opstellen van deze kennisgevingen moeten de lidstaten het economische belang van internationale bescherming van de betrokken geografische aanduidingen in overweging nemen en met name rekening houden met de productiewaarde en de exportwaarde, met bescherming in het kader van andere overeenkomsten en met bestaand of mogelijk misbruik in de betrokken derde landen.

(5)  De toevoeging van geografische aanduidingen aan het internationaal register moet het leveren van kwaliteitsproducten, eerlijke concurrentie en consumentenbescherming ten goede komen. De toevoeging van geografische aanduidingen heeft weliswaar een belangrijke culturele en economische waarde, maar moet worden beoordeeld op toegevoegde waarde voor lokale gemeenschappen, teneinde de plattelandsontwikkeling te ondersteunen en nieuwe werkgelegenheid in de productie, verwerking en andere aanverwante diensten te bevorderen.

(6)  De Commissie moet gebruikmaken van bestaande mechanismen voor regelmatig overleg met de lidstaten, de brancheorganisaties en de producenten in de Unie, om een permanente dialoog met de betrokken belanghebbenden tot stand te brengen.

(7)  Er moeten passende procedures worden vastgesteld op basis waarvan de Commissie in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen van overeenkomstsluitende partijen bij de Akte van Genève die geen lidstaat zijn ("derde overeenkomstsluitende partijen") kan beoordelen, teneinde te voorzien in een procedure voor het nemen van een besluit over bescherming in de Unie en voor de ongeldigverklaring van die bescherming indien nodig.

(8)  De Unie moet de bescherming van in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen van derde overeenkomstsluitende partijen handhaven in overeenstemming met hoofdstuk III van de Akte van Genève, en met name artikel 14 van die akte, waarin is bepaald dat elke overeenkomstsluitende partij effectieve rechtsmiddelen voor de bescherming van de ingeschreven geografische aanduidingen beschikbaar moet stellen en moet bepalen dat een gerechtelijke procedure om die bescherming af te dwingen, kan worden ingesteld door een openbare autoriteit of door een belanghebbende partij, die een natuurlijke of rechtspersoon en publiek of particulier kan zijn, afhankelijk van haar rechtsstelsel en rechtspraktijk. Opdat de bescherming van nationale, regionale en Uniemerken parallel loopt met die van geografische aanduidingen, en gezien de waarborg voor oudere rechten van merken als vastgelegd in artikel 13, lid 1, van de Akte van Genève, moeten oudere merken en in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen die in de Unie beschermd zijn of worden gebruikt, naast elkaar kunnen bestaan.

(9)  Gezien de exclusieve bevoegdheid van de Unie moeten lidstaten die niet reeds partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon van 1958, als herzien op 14 juli 1967 in Stockholm en als gewijzigd op 28 september 1979 (de Overeenkomst van Lissabon), die overeenkomst niet ratificeren noch ertoe toetreden.

(10)  De lidstaten die reeds partij bij de Overeenkomst van Lissabon zijn, kunnen dat blijven, met name om de continuïteit van de verleende rechten en de nakoming van de verplichtingen krachtens die overeenkomst te waarborgen. Zij mogen echter enkel handelen in het belang van de Unie en met volledige inachtneming van de exclusieve bevoegdheid van de Unie. Die lidstaten moeten hun rechten en verplichtingen krachtens de Overeenkomst van Lissabon daarom uitoefenen, respectievelijk vervullen, met volledige inachtneming van de machtiging die de Unie conform de voorschriften van deze verordening heeft verleend. Om het in de Unie vastgestelde uniforme systeem voor de bescherming van geografische aanduidingen voor landbouwproducten te eerbiedigen, en om de harmonisering binnen de eengemaakte markt verder te versterken, mogen zij op grond van de Overeenkomst van Lissabon geen nieuwe oorsprongsbenamingen inschrijven voor producten die onder de Verordeningen (EG) nr. 110/2008, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 1308/2013 of (EU) nr. 251/2014 vallen.

(11)  Die lidstaten hebben oorsprongsbenamingen ingeschreven krachtens de Overeenkomst van Lissabon. Er moeten overgangsregelingen voor voortgezette bescherming worden getroffen, in overeenstemming met de voorschriften van die overeenkomst, de Akte van Genève en het acquis van de Unie.

(12)  Die lidstaten hebben de bescherming van de oorsprongsbenamingen van derde overeenkomstsluitende partijen aanvaard. Om hun de middelen te bieden om te voldoen aan de internationale verplichtingen die zij vóór de toetreding van de Unie tot de Akte van Genève zijn aangegaan, moet een overgangsregeling worden ingevoerd die alleen gevolgen heeft op nationaal niveau, maar niet voor het handelsverkeer binnen de Unie of het internationale handelsverkeer.

(13)  Het lijkt billijk dat de krachtens de Akte van Genève en de gemeenschappelijke regels van de Overeenkomst van Lissabon enerzijds en de Akte van Genève anderzijds te betalen vergoedingen voor de indiening bij het internationaal bureau van een aanvraag voor internationale inschrijving van een geografische aanduiding, evenals de vergoedingen voor andere vermeldingen in het internationaal register en voor de verstrekking van uittreksels, attesten of andere informatie over de inhoud van deze internationale inschrijving ten laste moeten komen van de lidstaat van de geografische aanduiding, van een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève of van een begunstigde als gedefinieerd in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève. De lidstaten moeten die natuurlijke persoon, rechtspersoon of begunstigde kunnen verplichten sommige of alle vergoedingen te betalen.

(14)  Gezien de economische en culturele waarde van de bescherming van geografische aanduidingen moet de Unie, om mogelijke tekorten in de operationele begroting van de bijzondere unie op te vangen, een bijzondere bijdrage kunnen heffen, zoals besloten door de algemene vergadering van de bijzondere unie overeenkomstig artikel 24, lid 4, van de Akte van Genève, binnen het budget dat daarvoor beschikbaar is in de jaarlijkse begroting van de Unie.

(15)  Om te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de implementatie van het Unielidmaatschap van de bijzondere unie, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het opstellen van een lijst van geografische aanduidingen voor de indiening van een aanvraag tot internationale inschrijving bij het internationaal bureau na de toetreding tot de Akte van Genève, voor de latere indiening van een aanvraag tot internationale inschrijving van een geografische aanduiding bij het internationaal bureau, voor de afwijzing van een oppositie, voor de vaststelling van een besluit over het al dan niet verlenen van bescherming aan een in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding, voor de intrekking van de weigering van de gevolgen van een internationale inschrijving, voor het verzoek om annulering van een internationale inschrijving, voor de kennisgeving van de ongeldigverklaring van de bescherming in de Unie van een in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding, en voor de machtiging van een lidstaat tot het aanbrengen van noodzakelijke wijzigingen en tot het in kennis stellen van het internationaal bureau met betrekking tot de oorsprongsbenaming van een product dat krachtens een van de in artikel 1 van deze verordening vermelde verordeningen beschermd is. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(12).

(16)  Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de Commissie op de deelname van de Unie aan die akte en toeziet en deze evalueert. Om een dergelijke evaluatie uit te voeren, moet de Commissie onder meer rekening houden met het aantal krachtens Unierecht beschermde en ingeschreven geografische aanduidingen waarvoor aanvragen tot internationale inschrijving zijn ingediend, gevallen waarin bescherming is afgewezen door overeenkomstsluitende derde partijen, de ontwikkeling van het aantal derde landen dat partij is bij de Akte van Genève, de door de Commissie getroffen maatregelen om dat aantal te verhogen, de gevolgen van het huidige EU-acquis op het gebied van geografische aanduidingen voor de aantrekkingskracht van de Akte van Genève op derde landen, en het aantal en soort geografische aanduidingen afkomstig uit overeenkomstsluitende partijen van derde landen en welke daarvan door de Unie zijn afgewezen,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening bevat regels en procedures voor acties van de Unie die voortvloeien uit de toetreding van de Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen ("de Akte van Genève").

In deze verordening worden oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, als gedefinieerd in de Verordeningen (EG) nr. 110/2008, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 251/2014 hierna tezamen aangeduid als "geografische aanduidingen".

Artikel 2

Internationale inschrijving van geografische aanduidingen▌

1.  Na de toetreding van de Unie tot de Akte van Genève, en vervolgens op regelmatige basis, dient de Commissie, als bevoegde autoriteit, bij het Internationaal Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (het "internationaal bureau") krachtens artikel 5, leden 1 en 2, van de Akte van Genève een aanvraag in tot internationale inschrijving van geografische aanduidingen die krachtens Unierecht beschermd en ingeschreven zijn en die betrekking hebben op producten van oorsprong uit de Unie.

2.  Daartoe kunnen de lidstaten de Commissie verzoeken krachtens Unierecht beschermde en ingeschreven geografische aanduidingen afkomstig uit hun grondgebied in het internationaal register in te schrijven. Die verzoeken kunnen voortvloeien uit:

a)  een verzoek van een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève of van een begunstigde als gedefinieerd in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève, of

b)  een eigen initiatief.

3.  Op basis van die verzoeken stelt de Commissie een uitvoeringshandeling met een lijst van de in ▌lid 1 van dit artikel bedoelde geografische aanduidingen vast volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 3

Annulering van een in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding afkomstig uit een lidstaat van de Unie

1.  De Commissie stelt een uitvoeringshandeling vast tot verzoek om annulering van een inschrijving in het internationaal register van een geografische aanduiding afkomstig uit een lidstaat van de Unie:

a)  indien die geografische aanduiding niet langer in de Unie beschermd is, of

b)  op verzoek van de lidstaat waaruit de geografische aanduiding afkomstig is, dat kan voortvloeien uit:

i)  een verzoek van een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève of van een begunstigde als gedefinieerd in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève, of

ii)  een eigen initiatief van die lidstaat.

2.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

3.  De Commissie stelt het internationaal bureau onverwijld in kennis van het verzoek om annulering.

Artikel 4

Bekendmaking van in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen van derde landen

1.  Alle inschrijvingen in het internationaal register van geografische aanduidingen waarvan de overeenkomstsluitende partij van oorsprong, zoals gedefinieerd in artikel 1, punt xv), van de Akte van Genève, geen lidstaat is, en die worden aangemeld door het internationaal bureau krachtens artikel 6, lid 4, van de Akte van Genève, worden door de Commissie bekendgemaakt, mits de bekendmaking een product betreft dat op Unieniveau beschermd wordt als geografische aanduiding.

2.  De bekendmaking van de internationale inschrijving wordt gedaan in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie en omvat de productsoort en het land van oorsprong.

Artikel 5

Beoordeling van in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen van derde landen

1.   Alle inschrijvingen in het internationaal register, van geografische aanduidingen waarvan de overeenkomstsluitende partij van oorsprong, als gedefinieerd in artikel 1, punt xv), ▌ van de Akte van Genève, geen lidstaat is, en die door het internationaal bureau krachtens artikel 6, lid 4, van de Akte van Genève worden aangemeld,worden door de Commissie bekendgemaakt, om uit te maken of de inschrijving de verplichte elementen bevat die zijn genoemd in regel 5, punt 2, van de gemeenschappelijke regels van de Overeenkomst van Lissabon enerzijds en de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon anderzijds ("de gemeenschappelijke regels")(13), evenals de bijzonderheden over de kwaliteit, de reputatie of de kenmerken zoals vastgelegd in regel 5, punt 3, van de gemeenschappelijke regels, en om uit te maken of de inschrijving geen product betreft dat▌op Unieniveau beschermd wordt als geografische aanduiding.

2.  De termijn voor deze beoordeling mag niet langer zijn dan vier maanden vanaf de datum van inschrijving van de geografische aanduiding in het internationaal register en er worden geen andere specifieke Uniebepalingen over het op de markt brengen van producten, en met name over sanitaire en fytosanitaire normen, handelsnormen en de etikettering van levensmiddelen beoordeeld.

Artikel 6

Oppositieprocedure voor in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen van derde landen

1.   Binnen vier maanden na de bekendmaking van de naam van de geografische aanduiding in het Publicatieblad van de Europese Unie overeenkomstig artikel 4 kunnen de autoriteiten van een lidstaat of een derde land dat geen overeenkomstsluitende partij van oorsprong is, of een natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang die gevestigd is in de Unie of in een derde land dat geen overeenkomstsluitende partij van oorsprong is, bij de Commissie een oppositie instellen in een van de officiële talen van de Unie.

2.   Die oppositie, met betrekking tot een overeenkomstig artikel 4 in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte geografische aanduiding, is enkel ontvankelijk indien ze binnen de in lid 1 van dit artikel genoemde termijn wordt ontvangen en een of meer van de volgende gronden bevat:

a)  de in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding is strijdig met de naam van een planten- of dierenras en kan de consument misleiden aangaande de werkelijke oorsprong van het product;

b)  de in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding is geheel of gedeeltelijk gelijkluidend met een geografische aanduiding die reeds beschermd is in de Unie, en er is in de praktijk niet voldoende onderscheid tussen de plaatselijke en traditionele gebruiken en de aanbiedingsvorm van de ter bescherming voorgestelde geografische aanduiding enerzijds en de in de Unie reeds beschermde geografische aanduiding anderzijds, in acht nemend dat de betrokken producenten een billijke behandeling moeten krijgen en dat de consument niet mag worden misleid;

c)  de bescherming in de Unie van de in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding zou de rechten van een ouder merk op nationaal, regionaal of Unieniveau schenden;

d)  de bescherming in de Unie van de voorgestelde geografische aanduiding zou schadelijk zijn voor het gebruik van een geheel of gedeeltelijk identieke naam of voor de exclusieve aard van een merk op nationaal, regionaal of Unieniveau of voor het bestaan van producten die ten minste vijf jaar vóór de datum van bekendmaking van de naam van de geografische aanduiding in het Publicatieblad van de Europese Unie overeenkomstig artikel 4 legaal op de markt zijn gebracht;

e)  de in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding heeft betrekking op een product dat op Unieniveau▌niet als geografische aanduiding beschermd wordt;

f)  de naam waarvoor inschrijving wordt aangevraagd, is op het grondgebied van de Unie een soortnaam;

g)  er is niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, punten i) en ii), van de Akte van Genève;

h)  de in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding is een gelijkluidende naam die bij de consument ten onrechte de indruk wekt dat de producten in kwestie afkomstig zijn uit een ander grondgebied, zelfs indien de naam de juiste naam is van het grondgebied, de regio of de plaats van oorsprong van de producten in kwestie.

3.   De Commissie beoordeelt de in lid 2 genoemde oppositiegronden met betrekking tot het grondgebied van de Unie of een deel daarvan.

Artikel 7

Besluit inzake de bescherming in de Unie van in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen van derde landen

1.  Indien uit de krachtens artikel 5, lid 1, verrichte beoordeling blijkt dat aan de in dat lid vastgestelde voorwaarden is voldaan, en indien de Commissie geen oppositie of geen ontvankelijke opposities ontvangt, wijst zij de onontvankelijke opposities in voorkomend geval af en neemt zij een besluit tot verlening van bescherming aan de geografische aanduiding door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

2.  Indien uit de krachtens artikel 5, lid 1, verrichte beoordeling blijkt dat niet aan de in dat lid vastgestelde voorwaarden is voldaan, of indien de Commissie een in artikel 6, lid 2, genoemde ontvankelijke oppositie ontvangt, neemt zij een besluit over het al dan niet verlenen van bescherming aan een in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding door middel van een uitvoeringshandeling die wordt vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure. Over geografische aanduidingen van producten die niet onder de bevoegdheid van de comités als bedoeld in artikel 15, lid 1, vallen, wordt een besluit genomen door de Commissie ▌.

3.   In het besluit tot verlening van bescherming aan een geografische aanduiding overeenkomstig lid 1 of 2 van dit artikel wordt de reikwijdte van de verleende bescherming vermeld en kunnen voorwaarden worden opgenomen die verenigbaar zijn met de Akte van Genève, in het bijzonder wat betreft een afgebakende overgangsperiode als genoemd in artikel 17 van de Akte van Genève en in regel 14 van de gemeenschappelijke regels.

4.   Overeenkomstig artikel 15, lid 1, van de Akte van Genève stelt de Commissie het internationaal bureau binnen een jaar of – in de in artikel 5, lid 1, van Besluit (EU) .../... van de Raad(14)(15) bedoelde gevallen – binnen twee jaar na ontvangst van de kennisgeving van de internationale inschrijving krachtens artikel 6, lid 4, van de Akte van Genève in kennis van de weigering van de gevolgen van de betrokken internationale inschrijving op het grondgebied van de Unie.

5.  De Commissie kan, op eigen initiatief of op gemotiveerd verzoek van een lidstaat, een derde land of een natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang, volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure uitvoeringshandelingen vaststellen tot gehele of gedeeltelijke intrekking van een eerder aan het internationaal bureau meegedeelde weigering. De Commissie stelt het internationaal bureau onverwijld van een dergelijke intrekking in kennis.

Artikel 8

Gebruik van geografische aanduidingen

1.   De door de Commissie op grond van artikel 7 vastgestelde uitvoeringshandelingen zijn van toepassing onverminderd andere specifieke Uniebepalingen over het op de markt brengen van producten, en met name over de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, sanitaire en fytosanitaire normen en de etikettering van levensmiddelen. ▌

2.   Onverminderd lid 1 mogen krachtens deze verordening beschermde geografische aanduidingen worden gebruikt door marktdeelnemers die een product op de markt brengen overeenkomstig de internationale inschrijving.

Artikel 9

Ongeldigverklaring van de gevolgen in de Unie van in het internationaal register ingeschreven geografische aanduidingen van derde landen

1.  De Commissie kan, op eigen initiatief of op gemotiveerd verzoek van een lidstaat, een derde land of een natuurlijke of rechtspersoon met een rechtmatig belang, uitvoeringshandelingen vaststellen tot gehele of gedeeltelijke ongeldigverklaring van de gevolgen van de bescherming in de Unie van een in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding, en wel in een of meer van de volgende situaties:

a)  de geografische aanduiding is niet langer beschermd in de overeenkomstsluitende partij van oorsprong;

b)  de geografische aanduiding is niet langer ingeschreven in het internationaal register;

c)  de naleving van de in regel 5, punt 2, van de gemeenschappelijke regels genoemde verplichte elementen of van de in regel 5, punt 3, van de gemeenschappelijke regels genoemde bijzonderheden over de kwaliteit, de reputatie of de kenmerken is niet langer gewaarborgd.

2.  De in lid 1 van dit artikel▌bedoelde uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure, en uitsluitend nadat de in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève bedoelde natuurlijke of rechtspersonen of de in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève gedefinieerde begunstigden de gelegenheid hebben gekregen voor hun rechten op te komen.

3.  Mits tegen de ongeldigverklaring geen beroep meer kan worden ingesteld, stelt de Commissie het internationaal bureau onverwijld in kennis van de op grond van lid 1, punt a) of c), vastgestelde ongeldigverklaring van de gevolgen op het grondgebied van de Unie van de internationale inschrijving van de geografische aanduiding.

Artikel 10

Verhouding tot merken

1.   De bescherming van een geografische aanduiding doet geen afbreuk aan de geldigheid op nationaal, regionaal of Unieniveau van een ouder merk dat te goeder trouw is aangevraagd of ingeschreven, of waarvoor rechten zijn verworven door gebruik te goeder trouw op het grondgebied van een lidstaat, een regionale unie van lidstaten, of de Unie.

2.   Een in het internationaal register ingeschreven geografische aanduiding wordt niet beschermd op het grondgebied van de Unie wanneer de bescherming van de geografische aanduiding in kwestie op het grondgebied van de Unie, in het licht van de reputatie en bekendheid van een merk en de periode waarin het reeds in gebruik is, tot gevolg heeft dat de consument kan worden misleid ten aanzien van de ware aard van het product.

3.   Onverminderd lid 2 geldt dat een ▌merk dat vóór de datum waarop het internationaal bureau de Commissie van de bekendmaking van de internationale inschrijving van de geografische aanduiding in kennis heeft gesteld, te goeder trouw op het grondgebied van een lidstaat, regionale unie of de Unie is aangevraagd of ingeschreven, of waarop, mits de betreffende wetgeving die mogelijkheid kent, door gebruik rechten zijn verworven, en waarvan het gebruik tegen de bescherming van de geografische aanduiding zou indruisen, niettegenstaande de bescherming van de geografische aanduiding verder mag worden gebruikt en verlengd voor het betrokken product, op voorwaarde dat er geen gronden zijn om het merk krachtens Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad(16) of op grond van Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad(17) nietig of vervallen te verklaren. In dergelijke gevallen is zowel het gebruik van de geografische aanduiding als het gebruik van het betreffende merk toegestaan.

Artikel 11

Overgangsbepalingen voor oorsprongsbenamingen afkomstig uit EU-lidstaten die reeds krachtens de Overeenkomst van Lissabon zijn ingeschreven

1.  Met betrekking tot elke oorsprongsbenaming van een product dat krachtens een van de in artikel 1 van deze verordening genoemde verordeningen beschermd is, afkomstig is uit een lidstaat die partij is bij de Overeenkomst van Lissabon, kiest de betrokken lidstaat ervoor:

a)  te verzoeken om de internationale inschrijving van die oorsprongsbenaming krachtens de Akte van Genève, indien hij de Akte van Genève heeft geratificeerd of er krachtens de machtiging van artikel 3 van Besluit (EU) .../...(18) toe is toegetreden, of

b)  te verzoeken om de annulering van de inschrijving van die oorsprongsbenaming in het internationaal register.

De betrokken lidstaat maakt die keuze:

a)  op verzoek van een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève of van een begunstigde als gedefinieerd in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève, of

b)  op eigen initiatief.

De betrokken lidstaat stelt de Commissie binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening in kennis van de in de eerste alinea bedoelde keuze.

In de in punt a) van de eerste alinea genoemde gevallen gaat de betrokken lidstaat, in overleg met de Commissie, bij het internationaal bureau alle wijzigingen na die krachtens regel 7, punt 4, van de gemeenschappelijke regels moeten worden aangebracht met het oog op inschrijving krachtens de Akte van Genève.

Door middel van een volgens de in artikel 15, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgestelde uitvoeringshandeling machtigt de Commissie de lidstaat om de nodige wijzigingen aan te brengen en aan het internationaal bureau kennisgeving te doen.

2.  Met betrekking tot elke oorsprongsbenaming van een product dat onder een van de in artikel 1 van deze verordening genoemde verordeningen valt maar door geen van die verordeningen beschermd wordt, en afkomstig is uit een lidstaat die partij bij de Overeenkomst van Lissabon is, verzoekt de betrokken lidstaat:

a)  om inschrijving krachtens de betrokken verordening, of

b)  om de annulering van de inschrijving van die oorsprongsbenaming in het internationaal register.

De betrokken lidstaat maakt die keuze:

a)  op verzoek van een natuurlijke persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève of van een begunstigde als gedefinieerd in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève, of

b)  op eigen initiatief.

Binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening stelt de betrokken lidstaat de Commissie in kennis van de in de eerste alinea bedoelde keuze en dient hij het betreffende verzoek in.

In de in punt a) van de eerste alinea genoemde gevallen verzoekt de betrokken lidstaat, mits de lidstaat de Akte van Genève heeft geratificeerd of er krachtens de machtiging van artikel 3 van Besluit (EU) .../...(19) toe is toegetreden, binnen een jaar na de datum van inschrijving van de geografische aanduiding krachtens de betrokken verordening, om de internationale inschrijving van die oorsprongsbenaming krachtens de Akte van Genève. De vierde en vijfde alinea van lid 1 zijn van toepassing.

Indien het verzoek om inschrijving krachtens de betrokken verordening wordt geweigerd en de desbetreffende bestuursrechtelijke en juridische rechtsmiddelen zijn uitgeput, of indien het verzoek om inschrijving krachtens de Akte van Genève niet in overeenstemming met de vierde alinea van dit lid is ingediend, verzoekt de betrokken lidstaat onverwijld om de annulering van de inschrijving van die geografische aanduiding in het internationaal register.

3.  Met betrekking tot oorsprongsbenamingen voor producten die niet onder een van de in artikel 1 van deze verordening genoemde verordeningen vallen en die op Unieniveau niet als geografische aanduiding beschermd worden, mag een lidstaat die reeds partij is bij de Overeenkomst van Lissabon alle bestaande inschrijvingen in het internationaal register behouden.

Die lidstaat mag ook nieuwe aanvragen indienen tot inschrijving in het internationaal register krachtens de Overeenkomst van Lissabon van dergelijke oorsprongsbenamingen afkomstig uit zijn grondgebied, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)  de betrokken lidstaat heeft de Commissie in kennis gesteld van de ontwerpaanvraag tot inschrijving van dergelijke oorsprongsbenamingen. Die kennisgeving gaat vergezeld van bewijs dat de aanvraag aan de voorschriften voor inschrijving krachtens de Overeenkomst van Lissabon voldoet; en

b)  de Commissie heeft binnen twee maanden na die kennisgeving geen negatief advies uitgebracht. Een negatief advies mag enkel worden uitgebracht na overleg met de betrokken lidstaat en in uitzonderlijke en terdege gemotiveerde gevallen waarin het in punt a) vereiste bewijs onvoldoende aantoont dat aan de eisen voor inschrijving krachtens de Overeenkomst van Lissabon is voldaan, of indien de inschrijving het handelsbeleid van de Unie nadelig zou beïnvloeden.

Indien de Commissie om verdere informatie over de in punt a) bedoelde kennisgeving verzoekt, heeft zij vanaf ontvangst van de verzochte informatie een maand om te reageren.

De Commissie brengt de andere lidstaten onmiddellijk op de hoogte van kennisgevingen overeenkomstig punt a).

Artikel 12

Voorlopige bescherming voor oorsprongsbenamingen afkomstig uit een derde land die krachtens de Overeenkomst van Lissabon zijn ingeschreven

1.   De lidstaten die vóór de toetreding van de Unie tot de Akte van Genève partij waren bij de Overeenkomst van Lissabon, kunnen oorsprongsbenamingen afkomstig uit een derde land dat partij is bij de Overeenkomst van Lissabon ▌bescherming blijven verlenen door middel van een nationaal beschermingssysteem, met ingang van de datum waarop de Unie overeenkomstsluitende partij bij de Akte van Genève wordt, voor oorsprongsbenamingen die op die datum krachtens de Overeenkomst van Lissabon ingeschreven zijn.

2.  Voor een dergelijke bescherming in het kader van een nationaal beschermingssysteem geldt dat:

a)  zij terzijde wordt geschoven door de bescherming in het kader van het beschermingssysteem van de EU voor een specifieke oorsprongsbenaming die wordt verleend krachtens een besluit op grond van artikel 7 van deze verordening na de toetreding van het betrokken derde land tot de Akte van Genève, mits die krachtens een besluit op grond van artikel 7 van deze verordening geboden bescherming de continuïteit van bescherming van de betrokken oorsprongsbenaming in de betrokken lidstaat in stand houdt;

b)  zij voor een specifieke oorsprongsbenaming ophoudt zodra de gevolgen van de internationale inschrijving aflopen.

3.   Wanneer een oorsprongsbenaming afkomstig▌uit een derde land niet krachtens deze verordening wordt ingeschreven, of de nationale bescherming niet overeenkomstig lid 2, punt a), wordt vervangen, is uitsluitend de betrokken lidstaat verantwoordelijk voor de gevolgen van een dergelijke nationale bescherming▌.

4.   De door de lidstaten krachtens lid 1 getroffen maatregelen hebben uitsluitend op nationaal niveau gevolgen en niet voor het handelsverkeer binnen de Unie of het internationale handelsverkeer.

5.  De in lid 1 bedoelde lidstaten sturen alle krachtens de Overeenkomst van Lissabon gedane kennisgevingen van het internationaal bureau door naar de Commissie, die deze vervolgens doorstuurt naar alle andere lidstaten.

6.  De in lid 1 van dit artikel bedoelde lidstaten verklaren aan het internationaal bureau dat zij niet kunnen voorzien in de nationale bescherming van oorsprongsbenamingen voor een product dat onder een van de in artikel 1 van deze verordening genoemde verordeningen valt, indien die oorsprongsbenamingen krachtens de Overeenkomst van Lissabon worden ingeschreven en aan hen worden meegedeeld op of na de datum waarop de Unie overeenkomstsluitende partij bij de Akte van Genève wordt.

Artikel 13

Vergoedingen

Krachtens artikel 7 van de Akte van Genève te betalen vergoedingen, als genoemd in de gemeenschappelijke regels, ▌komen ten laste van de lidstaat van de geografische aanduiding, of van een natuurlijke of rechtspersoon als bedoeld in artikel 5, lid 2, punt ii), van de Akte van Genève, of van een begunstigde als gedefinieerd in artikel 1, punt xvii), van de Akte van Genève. De lidstaten kunnen die natuurlijke persoon, rechtspersoon of begunstigde verplichten sommige of alle vergoedingen te betalen.

Artikel 14

Bijzondere financiële bijdrage

Indien de inkomsten van de bijzondere unie worden verkregen overeenkomstig artikel 24, lid 2, punt v), van de Akte van Genève, kan de Unie een bijzondere bijdrage leveren binnen het budget dat daarvoor beschikbaar is in de jaarlijkse begroting van de Unie.

Artikel 15

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door de volgende comités in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 voor de volgende producten:

a)  voor wijnbouwproducten die onder artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 vallen: het bij artikel 229 van die verordening ingestelde Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten;

b)  voor gearomatiseerde wijnbouwproducten als gedefinieerd in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 251/2014▌: het bij artikel 34 van die verordening ingestelde Comité voor gearomatiseerde wijnbouwproducten;

c)  voor gedistilleerde dranken als gedefinieerd in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 110/2008▌: het bij artikel 25 van die verordening ingestelde Comité voor gedistilleerde dranken;

d)  voor landbouwproducten en levensmiddelen die onder artikel 2, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 vallen: het bij artikel 57 van die verordening ingestelde Comité inzake de kwaliteit van landbouwproducten.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 16

Toezicht en evaluatie

Uiterlijk ... [twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening] evalueert de Commissie de deelname van de Unie aan de Akte van Genève en dient zij een verslag over de belangrijkste bevindingen in bij het Europees Parlement en de Raad. De beoordeling berust onder meer op de volgende aspecten:

a)  het aantal krachtens Unierecht beschermde en ingeschreven geografische aanduidingen waarvoor aanvragen tot internationale inschrijving zijn ingediend, en gevallen waarin de bescherming door overeenkomstsluitende derde partijen is geweigerd;

b)  de evolutie van het aantal derde landen dat partij is bij de Akte van Genève, en de door de Commissie getroffen maatregelen om dat aantal te verhogen, evenals de gevolgen van het huidige acquis van de Unie op het gebied van geografische aanduidingen voor de aantrekkingskracht van de Akte van Genève op derde landen; en

c)  het aantal en soort door de Unie afgewezen geografische aanduidingen van oorsprong uit derde landen.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

______________

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSHANDELING

Verklaring van de Commissie over de mogelijke uitbreiding van de bescherming door de EU van geografische aanduidingen tot niet‑landbouwproducten

De Commissie neemt nota van de resolutie van het Europees Parlement van 6 oktober 2015 over de mogelijke uitbreiding van de bescherming van geografische aanduidingen door de EU tot niet-landbouwproducten

De Commissie is in november 2018 een studie gestart die bedoeld is om, in aansluiting op een studie uit 2013, verder economisch en juridisch bewijs inzake de bescherming van niet-agrarische geografische aanduidingen in de interne markt te verkrijgen en om verdere gegevens te verkrijgen over zaken als concurrentievermogen, oneerlijke concurrentie, namaak, consumentenpercepties, kosten/baten, en over de doeltreffendheid van beschermingsmodellen voor niet-agrarische geografische aanduidingen in het licht van het evenredigheidsbeginsel.

Overeenkomstig de beginselen van betere regelgeving en overeenkomstig de verbintenissen van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven zal de Commissie zich buigen over de studie, alsook het verslag over de deelname van de Unie aan de Akte van Genève als bedoeld in het artikel over de monitoring en evaluatie van de verordening inzake de actie van de Unie ingevolge haar toetreding tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, en zal zij kijken naar mogelijke vervolgstappen.

Verklaring van de Commissie over de procedure van artikel 9 bis, lid 3, van de verordening

De Commissie merkt op dat zij, hoewel de procedure van artikel 9 bis, lid 3, van de verordening een juridische noodzaak is gezien de exclusieve bevoegdheid van de Unie, niettemin kan verklaren dat een dergelijke stap van de Commissie in het kader van het huidige EU-acquis uitzonderlijk zou zijn en naar behoren zou worden gemotiveerd. In het overleg met een lidstaat zal de Commissie alles in het werk stellen om samen met de lidstaat tot een oplossing te komen, teneinde te voorkomen dat een negatief advies wordt uitgebracht. De Commissie merkt op dat een negatief advies schriftelijk aan de betrokken lidstaat wordt meegedeeld en overeenkomstig artikel 296 VWEU met redenen wordt omkleed. De Commissie zou er dan voorts op wijzen dat bij een negatief advies opnieuw een aanvraag voor dezelfde oorsprongsbenaming kan worden ingediend indien de bezwaren waarop het negatieve advies berustte, zijn weggenomen of niet meer van toepassing zijn.

Verklaring van de Commissie over het voorstel voor een besluit van de Raad inzake de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen

De Commissie wijst erop dat de Unie exclusieve externe bevoegdheid heeft over geografische aanduidingen en als zelfstandige partij toetreedt tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon. Dit blijkt uit het arrest van het Europees Hof van Justitie van 25 oktober 2017 (zaak C-389/15, Commissie/Raad). Gezien de exclusieve externe bevoegdheid van de EU kunnen lidstaten geen zelfstandige partij worden bij de Akte van Genève en mogen zij geografische aanduidingen die nieuw zijn ingeschreven door derde landen die lid zijn van het systeem van Lissabon niet langer zelf beschermen. Rekening houdend met de buitengewone omstandigheden dat zeven lidstaten al lange tijd partij zijn bij de Overeenkomst van Lissabon, dat zij krachtens de overeenkomst een aanzienlijke hoeveelheid intellectuele eigendom hebben geregistreerd en dat een soepele overgang nodig is, zou de Commissie uitzonderlijk bereid zijn geweest ermee in te stemmen dat BG, CZ, SK, FR, HU, IT en PT in dit specifieke geval zouden worden gemachtigd om in het belang van de EU tot de Akte van Genève toe te treden.

De Commissie heeft er grote bezwaren tegen dat de Raad blijft aandringen op de mogelijkheid dat alle EU-lidstaten desgewenst kunnen worden gemachtigd om, naast de Unie, de Akte van Genève te ratificeren of ertoe toe te treden, en dat hij daarbij in plaats van de bovengenoemde omstandigheden, de regeling voor de stemrechten van de Unie in het licht van artikel 22, lid 4, onder b, ii), van de Akte van Genève, als reden opgeeft.

Voorts herinnert de Commissie eraan dat de EU-lidstaten, aangezien de Unie haar interne bevoegdheid op het gebied van geografische aanduidingen voor landbouwproducten heeft uitgeoefend, geen eigen nationale systemen ter bescherming van geografische aanduidingen voor landbouwproducten mogen hebben.

De Commissie behoudt zich derhalve haar rechten voor, met inbegrip van het recht om rechtsmiddelen aan te wenden tegen het besluit van de Raad, en is in ieder geval van oordeel dat deze zaak geen precedent mag vormen voor andere bestaande of toekomstige internationale of WIPO-overeenkomsten, in het bijzonder, maar niet uitsluitend, wanneer de EU op basis van haar exclusieve bevoegdheid reeds zelf internationale overeenkomsten heeft geratificeerd.

(1) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 55.
(2)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(3)PB C 110 van 22.3.2019, blz. 55.
(4)Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(5)PB L […] van […], blz. […].
(6)http://www.wipo.int/edocs/lexdocs/treaties/en/lisbon/trt_lisbon_009en.pdf
(7)http://www.wipo.int/export/sites/www/lisbon/en/legal_texts/lisbon_agreement.pdf
(8)Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).
(9)Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1).
(10)Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).
(11)Verordening (EU) nr. 251/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 inzake de definitie, de aanduiding, de aanbiedingsvorm, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gearomatiseerde wijnbouwproducten en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad (PB L 84 van 20.3.2014, blz. 14).
(12)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(13)Gemeenschappelijke regels van de Overeenkomst van Lissabon enerzijds en de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon anderzijds, als aangenomen door de vergadering van de Unie van Lissabon van 11 oktober 2017, http://www.wipo.int/meetings/en/doc_details.jsp?doc_id=376416, document WIPO A/57/11 van 11 oktober 2017.
(14)Besluit (EU) .../... van de Raad inzake de toetreding van de Europese Unie tot de Akte van Genève bij de Overeenkomst van Lissabon betreffende oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen (PB L … van …, blz. …).
(15)+PB: gelieve in de tekst het nummer van het besluit zoals vervat in document ST 6929/18 in te vullen, en in de voetnoot het nummer, de datum, de titel en de PB-referentie van dat besluit in te vullen.
(16)Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (PB L 154 van 16.6.2017, blz. 1).
(17)Richtlijn (EU) 2015/2436 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 336 van 23.12.2015, blz. 1).
(18)+PB: gelieve het nummer van het besluit vervat in document ST 6929/18 in te voegen in de tekst.
(19)+PB: gelieve het nummer van het besluit vervat in document ST 6929/18 in te voegen in de tekst.


Overeenkomst tussen de EU en de Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten ***
PDF 121kWORD 49k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad inzake de sluiting, namens de Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Regering van de Republiek der Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten (15056/2018 – C8-0051/2019 – 2016/0156(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0362A8-0191/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (15056/2018),

–  gezien de ontwerpovereenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Republiek der Filipijnen inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten(1),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0051/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0191/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten en van de Republiek der Filipijnen.

(1) PB L 322 van 18.12.2018, blz. 3.


Internationale Overeenkomst voor olijfolie en tafelolijven ***
PDF 119kWORD 47k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 betreffende het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting namens de Europese Unie van de Internationale Overeenkomst van 2015 voor olijfolie en tafelolijven (06781/2019 – C8-0134/2019 – 2017/0107(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0363A8-0186/2019

(Goedkeuring)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van besluit van de Raad (06781/2019),

–  gezien het ontwerp van Internationale Overeenkomst van 2015 voor olijfolie en tafelolijven (11178/2016),

–  gezien het verzoek om goedkeuring dat de Raad heeft ingediend krachtens artikel 207, lid 4, en artikel 218, lid 6, tweede alinea, onder a), v), en artikel 218, lid 7, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (C8-0134/2019),

–  gezien artikel 99, leden 1 en 4, en artikel 108, lid 7, van zijn Reglement,

–  gezien de aanbeveling van de Commissie internationale handel en het advies van de Commissie landbouw en plattelandsontwikkeling (A8-0186/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan de sluiting van de overeenkomst;

2.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie, alsmede aan de regeringen en parlementen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Viorel Ștefan
PDF 121kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 16 april 2019 over de voordracht van Viorel Ştefan voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0049/2019 – 2019/0802(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0364A8-0194/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0049/2019),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0194/2019),

A.  overwegende dat de Raad bij schrijven van 14 februari 2019 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Viorel Ştefan tot lid van de Rekenkamer;

B.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

C.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole op haar vergadering van 8 april 2019 de kandidaat die de Raad heeft voorgedragen voor benoeming tot lid van de Rekenkamer, heeft gehoord;

1.  brengt negatief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Viorel Ştefan tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmеde aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Benoeming van een lid van de Rekenkamer - Ivana Maletić
PDF 121kWORD 47k
Besluit van het Europees Parlement van 16 april 2019 over de voordracht van Ivana Maletić voor de benoeming tot lid van de Rekenkamer (C8-0116/2019 – 2019/0803(NLE))
P8_TA-PROV(2019)0365A8-0195/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 286, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8‑0116/2019),

–  gezien artikel 121 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie begrotingscontrole (A8-0195/2019),

A.  overwegende dat de Raad bij schrijven van 5 maart 2019 het Europees Parlement heeft geraadpleegd over de benoeming van Ivana Maletić tot lid van de Rekenkamer;

B.  overwegende dat zijn Commissie begrotingscontrole de kwalificaties van de voorgedragen kandidaat heeft onderzocht, met name gelet op de in artikel 286, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vermelde voorwaarden;

C.  overwegende dat de Commissie begrotingscontrole het kandidaat-lid van de Rekenkamer tijdens haar vergadering van 8 april 2019 heeft gehoord;

1.  brengt positief advies uit over de voordracht van de Raad voor de benoeming van Ivana Maletić tot lid van de Rekenkamer;

2.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit te doen toekomen aan de Raad en, ter informatie, aan de Rekenkamer, alsmede aan de overige instellingen van de Europese Unie en de controle-instellingen van de lidstaten.


Bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden ***I
PDF 376kWORD 123k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden (COM(2018)0218 – C8-0159/2018 – 2018/0106(COD))
P8_TA-PROV(2019)0366A8-0398/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0218),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 16, 33, 43 en 50, artikel 53, lid 1, en de artikelen 62, 91, 100, 103, 109, 114, 168, 169, 192, 207 en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0159/2018),

–  gezien de adviezen van de Commissie juridische zaken inzake de voorgestelde rechtsgrondslag,

–  gezien artikel 294, lid 3, artikel 16, artikel 43, lid 2, artikel 50, artikel 53, lid 1, de artikelen 91, 100, en 114, artikel 168, lid 4, artikel 169, artikel 192, lid 1 en artikel 325, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Rekenkamer van 26 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 18 oktober 2018(2),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en de adviezen van de Commissie economische en monetaire zaken, de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken, de Commissie begrotingscontrole, de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid, de Commissie cultuur en onderwijs en de Commissie constitutionele zaken (A8-0398/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad inzake de bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden(3)

P8_TC1-COD(2018)0106


HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 16, ▌ artikel 43, lid 2, artikel 50, artikel 53, lid 1, ▌ artikel 91, artikel 100, ▌ artikel 114, artikel 168, lid 4, artikel 169, artikel 192, lid 1, ▌ en artikel 325, lid 4, en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 31,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s(5),

Gezien het advies van de Rekenkamer(6),

Gezien het advies van een groep van personen, aangewezen door het Wetenschappelijk en Technisch Comité uit wetenschappelijke deskundigen van de lidstaten, overeenkomstig artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(7),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Personen die voor een overheidsorganisatie of private organisatie werken of ermee in contact staan in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten, zijn vaak als eerste op de hoogte van dreigingen of schade voor het algemeen belang die zich in die context voordoen. Door de noodklok te luiden, spelen zij een belangrijke rol bij het onthullen en voorkomen van inbreuken op de wetgeving die schadelijk zijn voor het algemeen belang, en bij het beschermen van het maatschappelijk welzijn. Vaak echter weerhoudt vrees voor represailles potentiële klokkenluiders ervan melding te maken van hun bezorgdheid of vermoedens. In dit verband wordt op zowel Europees als internationaal niveau steeds meer het belang onderkend van een evenwichtige en doeltreffende bescherming van klokkenluiders.

(2)  Op Unieniveau fungeren de meldingen en openbaarmakingen door klokkenluiders als een eerste fase van de handhaving van rechtsbepalingen en maatregelen van de Unie: zij brengen informatie over aan nationale en EU-handhavingssystemen, hetgeen leidt tot daadwerkelijke opsporing, onderzoek en vervolging van inbreuken op het Unierecht, waardoor voor meer transparantie en verantwoording wordt gezorgd.

(3)  Op bepaalde beleidsgebieden kunnen inbreuken op het Unierecht – ongeacht of ze krachtens nationaal recht zijn gekwalificeerd als bestuursrechtelijke, strafrechtelijke dan wel andere soorten inbreuken – het algemeen belang ernstig schaden, in die zin dat zij significante risico’s voor het maatschappelijk welzijn kunnen vormen. In situaties waarin op die gebieden handhavingstekortkomingen zijn geconstateerd en klokkenluiders zich meestal in een bevoorrechte positie bevinden om inbreuken te onthullen, moet de handhaving worden verbeterd door in doeltreffende, vertrouwelijke en beveiligde meldingskanalen te voorzien en door klokkenluiders effectief te beschermen tegen represailles ▌.

(4)  De bescherming van klokkenluiders loopt in de EU van lidstaat tot lidstaat uiteen en is niet op alle beleidsgebieden even goed. De gevolgen van inbreuken op het Unierecht met een grensoverschrijdende dimensie die door toedoen van klokkenluiders aan het licht zijn gekomen, illustreren dat ontoereikende bescherming in één lidstaat niet alleen negatieve gevolgen kan hebben voor de werking van het EU-beleid in die lidstaat, maar ook een weerslag kan hebben op andere lidstaten en op de Unie in haar geheel.

(5)  Daarom moeten er gemeenschappelijke minimumnormen met garanties voor een doeltreffende bescherming van klokkenluiders gelden in rechtshandelingen en beleidsgebieden waar:

i)  er behoefte is aan een krachtigere handhaving;

ii)  niet-melding van misstanden door klokkenluiders van aanzienlijke invloed is op de handhaving; en

iii)  inbreuken op Unierecht tot ernstige schade voor het algemeen belang leiden.

De lidstaten kunnen de toepassing van de nationale bepalingen uitbreiden tot andere gebieden om zo op nationaal niveau een breed en coherent kader te verzekeren.

(6)  Bescherming van klokkenluiders is nodig om de handhaving van de Uniewetgeving inzake overheidsopdrachten te verbeteren. Niet alleen moeten fraude en corruptie bij de uitvoering van de EU-begroting, onder meer op het gebied van overheidsopdrachten, worden voorkomen en opgespoord, ook moet worden gezorgd voor verbetering van de thans ontoereikende handhaving van de voorschriften inzake overheidsopdrachten door nationale overheden en bepaalde openbare nutsbedrijven in het kader van de aanbesteding van goederen, werken en diensten. Inbreuken op deze regelgeving leiden tot verstoring van de mededinging, tot hogere kosten voor het bedrijfsleven, tot schending van de belangen van investeerders en aandeelhouders en tot vermindering van de aantrekkelijkheid voor investeerders en een ongelijk speelveld voor het hele Europese bedrijfsleven, en tasten derhalve het goede functioneren van de interne markt aan.

(7)  Op het gebied van financiële diensten is de meerwaarde van de bescherming van klokken­luiders al door de Uniewetgever onderkend. In de nasleep van de financiële crisis, die ernstige tekortkomingen inzake de handhaving van de betrokken regelgeving aan het licht bracht, zijn in een aanzienlijk aantal wettelijke instrumenten ter zake(8) maatregelen ter bescherming van klokkenluiders opgenomen, waaronder interne en externe meldings­kanalen, alsmede een uitdrukkelijk verbod op represailles. Met name in de context van het prudentiële kader voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen voor­ziet Richtlijn 2013/36/EU in bescherming voor klokkenluiders, die ook geldt voor Verordening (EU) nr. 575/2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.

(8)  Wat betreft de veiligheid van producten die op de interne markt in de handel worden gebracht, zijn ondernemingen die bij de productie- en toeleveringsketen betrokken zijn, de primaire gegevensbron, wat betekent dat meldingen van klokkenluiders een hoge toegevoegde waarde hebben, omdat zij veel dichter bij de bron van mogelijke oneerlijke en illegale praktijken met betrekking tot de productie, invoer of distributie van onveilige producten staan. Dit is een goede reden voor het beschermen van klokkenluiders in verband met de veiligheidseisen die voor "geharmoniseerde producten"(9) en "niet-geharmoniseerde producten"(10) gelden. Bescherming van klokkenluiders is ook essentieel ter voorkoming van de onttrekking aan de legale handel van vuurwapens, onderdelen en componenten ervan en munitie, alsmede defensiegerelateerde producten, door het aan­moedigen van meldingen van inbreuken zoals documentfraude, wijziging van markeringen ▌ en frauduleuze intracommunautaire verwerving van vuurwapens, die vaak impliceren dat producten aan de legale markt worden onttrokken. Omdat de bescherming van klokken­luiders bijdraagt tot de correcte toepassing van beperkingen en controles op precursoren van explosieven, helpt ze ook de illegale vervaardiging van zelfgemaakte explosieven te voorkomen.

(9)  In de sectorale wetgevingsinstrumenten van de Unie inzake de veiligheid van de luchtvaart(11) en het zeevervoer(12), die doelgerichte maatregelen voor de bescherming van klokkenluiders en specifieke meldingskanalen bevatten, is reeds onderkend hoe belangrijk klokkenluidersbescherming is voor het voorkomen en ontmoedigen van inbreuken op de Unievoorschriften inzake de veiligheid van het vervoer die mensenlevens in gevaar kunnen brengen. Deze instrumenten voorzien ook in bescherming tegen represailles voor werk­nemers die fouten melden die zijzelf te goeder trouw hebben gemaakt (de zogeheten "cultuur van billijkheid"). Klokkenluiders moeten worden beschermd en de bestaande elementen van die bescherming in deze twee sectoren moeten worden aangevuld en uitgebreid opdat de veiligheidsnormen voor andere vervoerswijzen, namelijk de binnenvaart, het wegvervoer en het spoorvervoer, scherper worden gehandhaafd.

(10)  Het verzamelen van bewijsmateriaal, het voorkomen, opsporen en bestrijden van milieudelicten en onwettelijke gedragingen of nalatigheden, alsmede potentiële inbreuken in verband met de bescherming van het milieu blijft een uitdaging en moet beter, zoals aangegeven in de mededeling van de Commissie getiteld: "EU-maatregelen om de na­leving van de milieuwetgeving en milieugovernance te verbeteren" van 18 januari 2018(13). Aangezien er momenteel slechts in één sectoraal instrument inzake milieubescherming(14) regels inzake klokkenluidersbescherming zijn opgenomen, is invoering daarvan nood­zakelijk om doeltreffende handhaving van het milieuacquis van de Unie te waarborgen, omdat inbreuken daarop het algemeen belang ▌ kunnen schaden en buiten de landsgrenzen gevolgen kunnen hebben. Dit geldt ook wanneer onveilige producten tot milieuschade kunnen leiden.

(11)  Betere klokkenluidersbescherming zou ook een preventief en afschrikkend effect hebben op inbreuken op de Euratomvoorschriften inzake nucleaire veiligheid, stralings­bescherming en verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval. Een betere bescherming zou ook leiden tot een krachtigere handhaving van de bepalingen van de herziene richtlijn nucleaire veiligheid(15) inzake een effectieve nucleaire veiligheidscultuur, en met name artikel 8 ter, lid 2, punt a), waarin onder meer wordt bepaald dat de bevoegde regelgevende autoriteit beheerssystemen met gepaste voorrang voor nucleaire veiligheid moet opzetten die op alle personeels- en management­niveaus bevordelijk zijn voor het vermogen kritische vragen te stellen over de deugdelijke toepassing van de toepasselijke veiligheidsbeginselen en -praktijken en tijdig over veiligheidskwesties te rapporteren.

(12)  Dezelfde overwegingen wettigen de invoering van klokkenleidersbescherming als aanvulling op de bestaande bepalingen en ter voorkoming van inbreuken op de EU-voorschriften inzake de voedselketen en in het bijzonder de veiligheid van levensmiddelen en diervoerders, alsmede inzake de gezondheid, de bescherming en het welzijn van dieren. De diverse Unievoorschriften op deze gebieden zijn onderling nauw verbonden. In Verordening (EG) nr. 178/2002(16) zijn de algemene beginselen en vereisten opgenomen die ten grondslag liggen aan alle maatregelen van de Unie en de lidstaten inzake levens­middelen en diervoeders, met een bijzonder accent op voedselveiligheid, teneinde een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid en de belangen van de consument op voedselgebied te waarborgen en het goede functioneren van de interne markt te verzekeren. In die verordening wordt onder meer bepaald dat exploitanten van levens­middelenbedrijven en diervoederbedrijven hun werknemers of anderen niet mogen ontmoedigen met de bevoegde autoriteiten samen te werken, indien daardoor een risico in verband met een levensmiddel of een diervoerder kan worden voorkomen, beperkt of weggenomen. De Uniewetgever heeft op het gebied van diergezondheidswetgeving dezelfde aanpak gevolgd met Verordening (EU) 2016/429, die de regels vaststelt ter voorkoming en bestrijding van op dieren of mensen overdraagbare dierziekten(17). In Richtlijn 98/58/EG van de Raad, Richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad zijn voorschriften vastgesteld met betrekking tot de bescherming en het welzijn van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren tijdens het vervoer en bij de slacht.

(13)  Evenzo kunnen meldingen van klokkenluiders cruciaal zijn voor het opsporen, voorkomen, verminderen of wegnemen van risico’s voor de volksgezondheid en de bescherming van de consument die voortvloeien uit inbreuken op Unievoorschriften, en die anders onopgemerkt zouden kunnen blijven. Met name is er ook een sterk verband tussen consumentenbescherming en gevallen waarin onveilige producten tot aanzienlijke schade voor de consument kunnen leiden. ▌

(14)  Ook de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, die is verankerd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten, is een gebied waarop klokkenluiders kunnen helpen om inbreuken op het Unierecht aan het licht te brengen die het algemeen belang ▌ kunnen schaden. Soortgelijke overwegingen gelden voor inbreuken op de richtlijn inzake de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen(18), die voorziet in melding van incidenten (ook indien daardoor geen persoonsgegevens in gevaar zijn gebracht) en in beveiligingsvereisten voor aanbieders van essentiële diensten in talrijke sectoren (zoals energie, gezondheid, vervoer, bankdiensten, enz.) voor aanbieders van belangrijke digitale diensten (zoals cloudcomputing), en voor aanbieders van basis­voorzieningen, zoals water, elektriciteit en gas. Meldingen van klokkenluiders zijn op dit gebied met name waardevol ter voorkoming van beveiligingsincidenten die belangrijke economische en sociale activiteiten en veelgebruikte digitale diensten treffen, en eveneens ter voorkoming van inbreuken op de Uniewetgeving inzake gegevensbescherming. Deze meldingen dragen bij tot de continuïteit van de verlening van diensten die essentieel zijn voor het functioneren van de interne markt en het maatschappelijk welzijn.

(15)  Een belangrijk gebied waarop de handhaving van het Unierecht moet worden verbeterd is voorts de bescherming van de financiële belangen van de Unie, die betrekking heeft op de bestrijding van fraude, corruptie en alle andere illegale activiteiten die gevolgen hebben voor de uitgaven van de Unie, de inning van de inkomsten en middelen van de Unie of de eigendommen van de Unie. Betere bescherming van de financiële belangen van de Unie omvat tevens de uitvoering van de begroting van de Unie met betrekking tot de uitgaven uit hoofde van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoom­energie. Gebrekkige handhaving op het gebied van de financiële belangen van de Unie, onder meer ter bestrijding van fraude en corruptie op nationaal niveau, leidt tot minder inkomsten voor de Unie en misbruik van EU-middelen, wat een verstorende invloed op overheidsinvesteringen en groei kan hebben en het vertrouwen van het publiek in EU-maatregelen kan ondermijnen. De Unie en de lidstaten moeten die activiteiten bestrijden op grond van artikel 325 VWEU. Tot de toepasselijke Uniemaatregelen in dit verband behoren met name Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95, die voor de ernstigste soorten frauduleus gedrag wordt aangevuld door Richtlijn (EU) 2017/1371 en door de op grond van artikel K.3. van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgestelde Overeenkomst aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen van 26 juli 1995, met inbegrip van de protocollen erbij van 27 september 1996(19), van 29 november 1996(20) en van 19 juni 1997 (de Overeenkomst en de protocollen blijven van kracht voor de lidstaten die niet gebonden zijn door Richtlijn (EU) 2017/1372 en Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 (OLAF).

(16)  Met het oog op het beschermen van klokkenluiders moeten ook gemeenschappelijke minimumnormen worden bepaald voor inbreuken in verband met de interne markt als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU. Daarnaast is het overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie de bedoeling van Uniemaatregelen die gericht zijn op het tot stand brengen of het waarborgen van het functioneren van de interne markt, dat zij bijdragen tot het wegwerken van bestaande of zich aandienende obstakels voor het vrij verkeer van goederen of het vrij verrichten van diensten, of tot het wegnemen van concurrentie­verstoringen.

(17)  Het beschermen van klokkenluiders opdat de mededingingswetgeving van de Unie, onder meer inzake staatssteun, beter wordt gehandhaafd, zou het efficiënte functioneren van de markten in de Unie waarborgen, een gelijk speelveld bieden voor het bedrijfs­leven en voordelen opleveren voor de consumenten. Wat betreft de mededingings­voorschriften die op ondernemingen van toepassing zijn, is het belang van melding van misstanden door personen binnen de organisatie voor het opsporen van inbreuken op het mededingingsrecht reeds erkend in het kader van het clementiebeleid van de EU en de recente invoering door de Commissie van een tool om misstanden anoniem te melden. Inbreuken met betrekking tot mededinging en staatssteun staan in verband met de artikelen 101, 102, 106, 107 en 108 VWEU en de ter toepassing daarvan vastgestelde secundairrechtelijke voorschriften.

(18)  Handelingen die een inbreuk vormen op de voorschriften inzake vennootschapsbelasting en constructies die ertoe strekken een belastingvoordeel te verkrijgen en zich aan wettelijke verplichtingen te onttrekken en daarmee het doel van de toepasselijke wetgeving inzake vennootschapsbelasting teniet te doen, tasten het goede functioneren van de interne markt aan. Ze kunnen leiden tot oneerlijke belastingconcurrentie en grootschalige belasting­ontduiking, waardoor het gelijke speelveld voor ondernemingen wordt verstoord en de lidstaten en de begroting van de hele Unie belastinginkomsten mislopen. Deze richtlijn biedt melders van ontduikings- of misbruikconstructies die anders onopgemerkt zouden blijven, bescherming tegen represailles, opdat bevoegde autoriteiten er beter voor kunnen zorgen dat de interne markt correct functioneert en kunnen optreden tegen verstoringen van en belemmeringen voor de handel die het concurrentievermogen van de ondernemingen in de interne markt ondermijnen, met een direct verband met de regels voor het vrije verkeer en tevens relevant voor de toepassing van de staats­steunregels. Hoewel deze richtlijn noch inhoudelijke, noch procedurele bepalingen met betrekking tot belastingen harmoniseert, vormt de bescherming van klokkenluiders een aanvulling op recente initiatieven van de Commissie om de transparantie en de uitwisseling van informatie op fiscaal gebied te verbeteren en in de Unie een eerlijker vennootschaps­belastingklimaat tot stand te brengen, teneinde de lidstaten in staat te stellen ontduikings­constructies en of misbruikconstructies die anders mogelijk onopgemerkt zouden blijven, doeltreffender in kaart te brengen en mee te ontmoedigen.

(19)  Artikel 1, lid 1, punt a), bakent het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn af door te verwijzen naar een in de bijlage (delen I en II) vervatte lijst van Uniehandelingen. Dit betekent dat, indien die Uniehandelingen op hun beurt het materiële toepassings­gebied afbakenen door te verwijzen naar in hun bijlagen vermelde Uniehandelingen, die handelingen ook deel uitmaken van het materiële toepassingsgebied van de onder­havige richtlijn. Voorts moet de verwijzing naar de handelingen in de bijlage zodanig worden begrepen dat alle op grond van die handelingen vastgestelde uitvoerings- of gedelegeerde maatregelen van de lidstaten of de Unie eronder vallen. Daarnaast moet de verwijzing naar de Uniehandelingen in de bijlage bij deze richtlijn worden begrepen als een dynamische verwijzing, in die zin dat indien de Uniehandeling in de bijlage is of zal worden gewijzigd, de verwijzing geldt als een verwijzing naar de gewijzigde handeling; indien de Uniehandeling in de bijlage is of zal worden vervangen, geldt de verwijzing als een verwijzing naar de nieuwe handeling.

(20)  In bepaalde Uniehandelingen, met name op het gebied van financiële diensten, zoals Verordening (EU) nr. 596/2014 betreffende marktmisbruik(21) en de op basis van die verordening vastgestelde Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie(22), zijn al uitvoerige voorschriften over de bescherming van klokkenluiders opgenomen. Op de toepasselijke sectoren toegesneden specifieke bepalingen in die bestaande wetgeving, inclusief de lijst in deel II van de bijlage, moeten worden behouden. Dit is met name van belang om vast te stellen welke juridische entiteiten op het gebied van financiële diensten en de preventie van witwassen en terrorismefinanciering momenteel verplicht zijn interne meldingskanalen op te zetten. Tegelijkertijd moet deze richtlijn ter wille van de consistentie en rechtszekerheid in alle lidstaten toepasselijk zijn op alle aangelegenheden die niet zijn geregeld bij sectorspecifieke instrumenten, welke door de onderhavige richt­lijn moeten worden aangevuld wat betreft die niet geregelde aangelegenheden, zodat zij volledig in overeenstemming zijn met de minimumnormen. Zo moet deze richtlijn nader bepalen hoe de interne en externe kanalen eruit moeten zien, welke verplichtingen er op de bevoegde autoriteiten moeten rusten en welke vormen van bescherming tegen represailles er op nationaal niveau moeten worden geboden. In dit verband bepaalt artikel 28, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1286/2014 dat de lidstaten op het onder die verordening vallende gebied een intern meldingskanaal moeten kunnen opzetten. Voor de consistentie met de bij deze richtlijn vastgestelde minimumnomen moet de in artikel 4, lid 1, van deze richtlijn opgenomen verplichting om interne meldingskanalen op te zetten ook gelden met betrekking tot Verordening (EU) nr. 1286/2014.

(21)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bescherming van werknemers die inbreuken op het arbeidsrecht van de Unie melden. Met name moeten de lidstaten er overeenkomstig artikel 11 van Kaderrichtlijn 89/391/EEG reeds op toezien dat werknemers en werk­nemers­vertegenwoordigers geen nadeel ondervinden van verzoeken of voorstellen aan de werkgever om passende maatregelen te nemen om risico’s voor de werknemers te ondervangen en/of bronnen van gevaar uit te schakelen. Werknemers en hun vertegen­woordigers hebben het recht om problemen voor te leggen aan de bevoegde nationale autoriteiten indien zij menen dat de maatregelen die de werkgever heeft getroffen, of de middelen die hij heeft ingezet, niet toereikend zijn om de veiligheid en gezondheid te verzekeren.

(22)  De lidstaten kunnen bepalen dat meldingen in verband met interpersoonlijke klachten die uitsluitend de melder aangaan, met andere woorden klachten over interpersoonlijke conflicten tussen de melder en een andere werknemer, via andere beschikbare procedures worden behandeld.

(23)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bescherming die wordt geboden door procedures voor het melden van mogelijke onwettige activiteiten, inclusief fraude of corruptie, waar­door de belangen van de Unie worden geschaad, of van gedragingen bij de uitvoering van de werkzaamheden in dienstverband die een aanwijzing vormen voor ernstig plichtsverzuim door ambtenaren en andere personeelsleden van de Europese Unie als bedoeld in de artikelen 22 bis, 22 ter en 22 quater van het statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, neergelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68(23). De richtlijn is van toepassing indien EU-ambtenaren meldingen doen in een werk­gerelateerde context buiten hun arbeidsverhouding bij de EU-instellingen.

(24)  De nationale veiligheid blijft de exclusieve bevoegdheid van elke lidstaat. Deze richtlijn mag overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie niet van toepassing zijn op meldingen van inbreuken in verband met aanbestedingen op defensiegebied of in verband met beveiligingsaspecten indien deze onder artikel 346 VWEU vallen. Indien de lidstaten besluiten de bij deze richtlijn geregelde bescherming uit te breiden tot nog meer gebieden of handelingen die niet binnen het toepassings­gebied vallen, kunnen de lidstaten in dat verband specifieke bepalingen vaststellen ter bescherming van wezenlijke belangen van nationale veiligheid.

(25)  Deze richtlijn mag evenmin afbreuk doen aan de bescherming van gerubriceerde informatie die uit hoofde van het Unierecht of de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat tegen ongeoorloofde toegang moet worden beschermd. ▌ Voorts moeten de verplichtingen die voortvloeien uit Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie of Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie, door de bepalingen van deze richtlijn onverlet worden gelaten.

(26)  Deze richtlijn mag overeenkomstig de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen afbreuk doen aan de bescherming van de vertrouwelijkheid van communicatie tussen advocaat en cliënt ("professioneel verschoningsrecht"), die is geregeld bij nationaal en, waar toepasselijk, Unierecht. Voorts moet de bij nationaal en Unierecht neergelegde verplichting om communicatie van aanbieders van gezondheids­zorg, waaronder therapeuten, met hun patiënten vertrouwelijk te houden ("medische privacy"), door deze richtlijn onverlet worden gelaten.

(27)  Beoefenaren van andere beroepen kunnen in aanmerking komen voor bescherming op grond van deze richtlijn wanneer zij informatie melden die is beschermd door de toepasselijke beroepsregels, op voorwaarde dat het melden van die informatie nodig is voor het onthullen van een onder deze richtlijn vallende inbreuk.

(28)  Hoewel deze richtlijn in bepaalde omstandigheden een beperkte vrijstelling biedt van aansprakelijkheid, ook strafrechtelijke aansprakelijkheid, in geval van schending van de vertrouwelijkheidsplicht, doet zij geen afbreuk aan nationale strafprocedureregels, en met name niet aan de regels die de integriteit van het onderzoek en de procedure of de rechten van de verdediging van de betrokken personen moeten waarborgen. Dit geldt onverminderd de invoering van beschermingsmaatregelen in andere soorten nationaal procedurerecht, met name de omkering van de bewijslast in nationale bestuurs­rechtelijke, civielrechtelijke of arbeidsrechtelijke procedures.

(29)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de nationale regelgeving betreffende de uitoefening van de rechten van werknemersvertegenwoordigers op informatie, raadpleging en deelname aan collectieve onderhandelingen en hun verdediging van de arbeidsrechten van werknemers. Dit geldt onverminderd het bij deze richtlijn verleende beschermingsniveau.

(30)  Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op gevallen waarin personen die, op basis van hun op informatie gebaseerde toestemming, zijn vermeld als informanten of als dusdanig zijn geregistreerd in databanken die worden beheerd door de op nationaal niveau aangewezen autoriteiten, zoals douaneautoriteiten, tegen betaling of vergoeding inbreuken melden aan handhavingsinstanties. Dergelijke meldingen worden gedaan in het kader van specifieke procedures die de anonimiteit van de melders garanderen opdat hun lichamelijke integriteit beschermd is, en die verschillend zijn van de bij deze richtlijn geregelde meldingskanalen.

(31)  Personen die in de context van hun werkgerelateerde activiteiten verkregen informatie over dreigingen of schade voor het algemeen belang melden, maken gebruik van hun vrijheid van meningsuiting. Het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie, verankerd in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omvat het recht om inlichtingen te ontvangen en te verstrekken, alsmede vrijheid en pluralisme van de media.

(32)  Deze verordening stoelt dan ook op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens over het recht op vrijheid van meningsuiting en de beginselen die op basis daarvan door de Raad van Europa zijn uitgewerkt in de aanbeveling van 2014 over de bescherming van klokkenluiders(24).

(33)  Om bescherming te genieten, moeten de melders, in het licht van de omstandigheden en de informatie waarover zij ten tijde van de melding beschikken, redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de door hen gemelde zaken op waarheid berusten. Dit is een essentiële voorzorgsmaatregel tegen kwaadwillige, lichtzinnige of oneerlijke meldingen, die ervoor zorgt dat wie opzettelijk en bewust onjuiste of misleidende informatie meldt, geen bescherming geniet. Tegelijk wordt er zo voor gezorgd dat de bescherming niet verloren gaat als de melder te goeder trouw een onjuiste melding heeft gedaan. Evenzo zouden melders in aanmerking moeten komen voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn als zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat de gemelde informatie binnen het toepassingsgebied van de richtlijn valt. De motivering van de melder voor de melding moet losstaan van de vraag of hij al dan niet bescherming moet krijgen.

(34)  Doorgaans voelen melders zich beter bij interne melding, tenzij zij redenen voor externe melding hebben. Uit empirisch onderzoek blijkt dat het merendeel van de klokkenluiders geneigd is interne meldingen te doen binnen de organisatie waar zij werken. Interne meldingen zijn ook de beste manier om informatie te verschaffen aan de personen die kunnen helpen om de risico's voor het algemeen belang snel en doeltreffend af te wenden. Tegelijkertijd moet de melder het meest geschikte kanaal kunnen kiezen naargelang de individuele omstandigheden van het geval. Voorts moeten openbaar­makingen, gezien de democratische beginselen zoals transparantie en verantwoordings­plicht en grondrechten zoals vrijheid van meningsuiting en vrijheid van de media, worden beschermd en moet het belang van werkgevers om hun organisaties te besturen en hun belangen te beschermen worden afgewogen tegen het belang van het publiek om te worden beschermd tegen schade, overeenkomstig de in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria.

(35)  Onverminderd de uit hoofde van Unierecht bestaande verplichtingen om anonieme meldingen mogelijk te maken, is het aan de lidstaten om te beslissen of private en overheidsentiteiten en bevoegde autoriteiten de anonieme meldingen van onder deze richtlijn vallende inbreuken moeten aanvaarden en afhandelen. Wel moeten personen die anonieme meldingen of openbaarmakingen hebben verricht die onder deze richtlijn vallen en voldoen aan de voorwaarden ervan, bescherming krachtens deze richtlijn genieten indien zij later worden geïdentificeerd en er tegen hen represailles worden genomen.

(36)  In gevallen waarin personen overeenkomstig Uniewetgeving meldingen doen aan instellingen, organen of instanties van de Unie, bijvoorbeeld in de context van fraude tegen de Uniebegroting, moet bescherming worden verleend.

(37)  Personen hebben specifieke juridische bescherming nodig als zij de informatie die zij melden, via hun werkgerelateerde activiteiten hebben verkregen en als gevolg daarvan in hun werkomgeving het risico lopen op represailles, bijvoorbeeld wegens schending van de geheimhoudingsplicht of loyaliteitsplicht. De reden die ten grondslag ligt aan het bieden van bescherming is dat die personen economisch kwetsbaar zijn ten opzichte van de persoon van wie zij de facto afhankelijk zijn voor hun werk. Indien er geen sprake is van een dergelijke werkgerelateerde machtsongelijkheid (bijvoorbeeld bij gewone klagers of burgers die getuige zijn van een misstand), is bescherming tegen represailles niet nodig.

(38)  Voor een doeltreffende handhaving van het Unierecht moet bescherming worden geboden aan zo veel mogelijk categorieën personen die, ongeacht of zij EU-burgers of onderdanen van een derde land zijn, in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten (ongeacht de aard van de activiteiten en of zij al dan niet bezoldigd zijn) bevoorrechte toegang hebben tot informatie over inbreuken waarvan de melding in het algemeen belang is, en die aan represailles blootstaan als zij die inbreuken melden. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de noodzaak van bescherming wordt bepaald aan de hand van alle relevante omstandig­heden en niet uitsluitend op basis van de aard van de werkgerelateerde verhouding, zodat de bescherming alle personen dekt die in ruime zin in verband staan met de organisatie waar de inbreuk heeft plaatsgevonden.

(39)  De bescherming dient in de eerste plaats te gelden voor personen die de status van "werknemer" hebben in de zin van artikel 45, lid 1, VWEU, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie , dat wil zeggen een persoon die gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens leiding prestaties verricht en als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Hieronder vallen ook ambtenaren. Ook moet bescherming worden geboden aan werknemers in een atypische arbeidsverhouding, zoals deeltijd­werkers en werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, alsmede personen die een arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking met een uitzendbureau hebben, of in precaire arbeidsverhoudingen waarop de standaardvormen van bescherming tegen oneerlijke behandeling vaak moeilijk toe te passen zijn.

(40)  De bescherming moet tevens gelden voor andere categorieën natuurlijke personen ▌ die – ook al zijn zij geen "werknemer" in de zin van artikel 45, lid 1, VWEU – een belangrijke rol kunnen spelen bij het onthullen van inbreuken op het recht en economisch kwetsbaar kunnen zijn in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten. Zo staan op gebieden als productveiligheid leveranciers bijvoorbeeld veel dichter bij de bron van mogelijke oneerlijke en illegale praktijken inzake de productie, invoer of distributie van onveilige producten en zijn wat de besteding van middelen van de Unie betreft, consultants door hun dienstverlening bij uitstek in staat om de aandacht te vestigen op inbreuken waarvan zij getuige zijn. Die categorieën personen, met inbegrip van zelfstandige dienstaanbieders, freelancers, aannemers, onderaannemers en leveranciers, krijgen vaak te maken met represailles, die bijvoorbeeld de vorm aannemen van vervroegde beëindiging of opzegging van dienstenovereenkomsten, vergunningen of machtigingen, omzetderving, inkomstenderving, dwang, intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst/bedrijfs­boycot of reputatieschade. Ook aandeelhouders en personen in leidinggevende organen kunnen te maken krijgen met represailles, bijvoorbeeld in financieel opzicht of in de vorm van intimidatie of pesterij, opname op een zwarte lijst of reputatieschade. Bescherming moet ook worden geboden aan personen wier arbeidsverhouding is beëindigd en aan kandidaten voor een baan of voor dienstverrichting voor een organisatie die tijdens de wervingsprocedure of in een andere fase van precontractuele onderhandelingen informatie over inbreuken op het recht hebben verkregen en die met represailles te maken kunnen krijgen in de vorm van negatieve arbeidsreferenties of opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot.

(41)  Doeltreffende klokkenluidersbescherming betekent ook dat bescherming nodig is voor nog meer categorieën personen die weliswaar niet economisch afhankelijk zijn van hun werk­gerelateerde activiteiten, maar niettemin te maken kunnen krijgen met represailles als gevolg van het onthullen van inbreuken. Represailles jegens vrijwilligers en bezoldigde of onbezoldigde stagiairs kunnen erin bestaan dat geen gebruik meer wordt gemaakt van hun diensten, voor toekomstige banen een negatieve referentie wordt afgegeven of hun reputatie of loopbaanvooruitzichten anderszins worden geschaad.

(42)  Doeltreffende opsporing en preventie van ernstige schade voor het algemeen belang vereist dat het begrip "inbreuk" ook misbruik als omschreven door de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie omvat, namelijk handelingen of nalatigheden die formeel niet onwettig lijken, doch het doel of de toepassing van de wet tenietdoen.

(43)  Opdat inbreuken op het Unierecht effectief worden voorkomen, moet bescherming worden ▌ verleend aan personen die informatie verstrekken die nodig is voor het onthullen van inbreuken die reeds hebben plaatsgevonden, inbreuken die zich nog niet hebben voor­gedaan, maar die zich zeer waarschijnlijk zullen voordoen, of handelingen of nalatig­heden die de melder redelijkerwijs kan beschouwen als inbreuken op het Unierecht, alsmede pogingen om inbreuken te verbergen. Om dezelfde redenen is bescherming ookgerechtvaardigd voor personen die geen positief bewijs aandragen, maar redelijke bedenkingen of vermoedens kenbaar maken. Bescherming is echter niet nodig in verband met de melding van informatie die reeds ten volle tot het publieke domein behoort of van onbewezen geruchten en verhalen.

(44)  Van represailles is sprake als er een nauw (oorzakelijk) verband bestaat tussen de melding en de nadelige behandeling die de melder direct of indirect ten deel valt en op grond waarvan deze persoon voor rechtsbescherming in aanmerking komt. Doeltreffende bescherming van melders met het oog op betere handhaving van het Unierecht vereist een ruime definitie van represaille, die elke voor de melder nadelige handeling of nalatigheid binnen een werkgerelateerde context omvat. Deze richtlijn belet werkgevers niet werkgerelateerde besluiten te nemen die losstaan van de melding of openbaarmaking.

(45)  Bescherming tegen represailles moet, als middel ter bescherming van de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van de media, zowel worden geboden aan personen die informatie over handelingen of nalatigheden melden binnen een organisatie (interne melding) of aan een externe instantie (externe melding) als aan personen die dergelijke informatie door openbaarmaking in het publieke domein brengen (bijvoorbeeld door deze direct ter beschikking van het publiek te stellen via internetplatforms of sociale media, of van de media, gekozen afgevaardigden, maatschappelijke organisaties, vakbonden en beroeps-/bedrijfsorganisaties).

(46)  Klokkenluiders zijn met name een belangrijke bron voor onderzoeksjournalisten. Een doeltreffende bescherming van klokkenluiders tegen represailles vergroot de rechts­zekerheid van (potentiële) klokkenluiders en stimuleert en faciliteert daardoor klokken­luiden in de media. In dit verband is de bescherming van klokkenluiders als journalistieke bron van cruciaal belang om te waarborgen dat onderzoeksjournalistiek in democratische samenlevingen haar rol van waakhond kan vervullen.

(47)  Voor een doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht is het van vitaal belang dat de relevante informatie snel degenen bereikt die het dichtst bij de bron van het probleem staan, het best in staat zijn om onderzoek te verrichten en de bevoegd­heid hebben om het probleem aan te pakken, indien mogelijk. In beginsel moeten melders daarom worden aangemoedigd eerst gebruik te maken van de interne kanalen en melding te doen aan hun werkgever, mits zij dergelijke kanalen ter beschikking hebben en redelijkerwijs kan worden verwacht dat deze goed functioneren. Dit geldt met name indien de melders menen dat de inbreuk doeltreffend kan worden aangepakt binnen de organisatie in kwestie, en dat er geen risico op represailles bestaat. Dit betekent dat juridische entiteiten in de private en de publieke sector moeten worden aangemoedigd om passende interne procedures op te zetten voor het ontvangen en afhandelen van meldingen. Deze aanmoediging betreft ook gevallen waarin deze kanalen al tot stand zijn gebracht zonder dat hiertoe een verplichting bestond bij Unie- of nationale wet­geving. Dit beginsel moet bijdragen tot een cultuur van gedegen communicatie en maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarbij melders worden geacht in aanzienlijke mate bij te dragen tot zelfverbetering en uitmuntendheid.

(48)  Voor juridische entiteiten in de private sector moet de verplichting tot het opzetten van interne kanalen in verhouding staan tot hun omvang en tot het risiconiveau van hun activiteiten uit het oogpunt van het algemeen belang. Ze moet gelden voor alle onder­nemingen met 50 of meer werknemers, ongeacht de aard van hun activiteiten, op basis van hun verplichting btw te innen. Na een passende risicobeoordeling kunnen de lidstaten in specifieke gevallen eisen dat ook andere ondernemingen kanalen voor interne melding opzetten (bv. wegens de significante risico’s die mogelijk uit hun activiteiten voortvloeien).

(49)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de lidstaten om private entiteiten met minder dan 50 werknemers aan te moedigen interne kanalen voor melding en afhandeling op te zetten, onder meer door voor die kanalen minder dwingende voor­schriften vast te stellen dan die van artikel 5, mits die voorschriften vertrouwelijkheid en gedegen afhandeling van de melding garanderen.

(50)  De vrijstelling voor kleine en micro-ondernemingen van de verplichting om interne meldingskanalen op te zetten mag niet gelden voor private ondernemingen die momenteel bij in deel I.B en deel II van de bijlage vermelde Uniehandelingen verplicht zijn om in interne meldingskanalen te voorzien.

(51)  Het moet duidelijk zijn dat in het geval van private juridische entiteiten die niet voorzien in interne meldingskanalen, melders meldingen rechtstreeks extern aan de bevoegde autoriteiten moeten kunnen richten en dat deze personen de bescherming tegen represailles moeten genieten waarin deze richtlijn voorziet.

(52)  Om met name te waarborgen dat de regels voor het plaatsen van overheidsopdrachten worden nageleefd, moet de verplichting om interne meldingskanalen op te zetten gelden voor alle publieke juridische entiteiten – op lokaal, regionaal en nationaal niveau – en in verhouding staan tot hun grootte.

(53)  Gesteld dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder wordt verzekerd, staat het elke afzonderlijke private of publieke juridische entiteit vrij om te bepalen wat voor meldingskanalen worden opgezet. Meer bepaald moeten zij voorzien in de mogelijkheid van schriftelijke meldingen per post, via fysieke klachtenbus(sen), door middel van een online platform (intranet of internet) en/of mondelinge meldingen via een speciaal telefoonnummer of via een andere gesproken berichtendienst. Die kanalen moeten ook de mogelijkheid bieden dat op verzoek van de melder binnen een redelijke termijn een persoonlijke ontmoeting plaatsvindt.

(54)  Ook kunnen derden worden gemachtigd om namens private en publieke entiteiten meldingen te ontvangen, mits zij passende waarborgen bieden wat betreft de eerbiediging van de onafhankelijkheid, vertrouwelijkheid, gegevensbescherming en geheimhouding. Hierbij kan worden gedacht aan aanbieders van platformen voor externe melding, externe raadslieden, auditors, vakbondsvertegenwoordigers of werknemersvertegenwoordigers.

(55)  Onverminderd de bescherming die vakbondsvertegenwoordigers of werknemers­vertegenwoordigers als zodanig genieten bij Unie- en nationale regelgeving, moeten zij, zowel wanneer zij in hun hoedanigheid van werknemer meldingen doen als wanneer zij de melder advies en steun hebben verleend, onder de bij de deze richtlijn geregelde bescherming vallen.

(56)  De internemeldingsprocedures moeten het mogelijk maken dat private juridische entiteiten onder strikte vertrouwelijkheid meldingen ontvangen en onderzoeken van werknemers van de entiteit en van dochterondernemingen of verbonden ondernemingen van dezelfde entiteit (de groep), maar ook, voor zover mogelijk, van de gevolmachtigden en leveranciers van de groep, en ieder ander die via zijn werkgerelateerde activiteiten met betrekking tot de entiteit en de groep informatie verkrijgt.

(57)  Welke personen of afdelingen binnen een particuliere juridische entiteit het meest geschikt zijn om te worden aangewezen als bevoegd voor het ontvangen en afhandelen van meldingen, hangt af van de structuur van de entiteit, maar hun functie moet in elk geval waarborgen dat zij onafhankelijk zijn en geen belangenconflicten hebben. In kleinere entiteiten kan deze functie worden uitgeoefend als nevenfunctie van een stafmedewerker die in een goede positie verkeert om direct melding te doen aan het hoofd van de organisatie, zoals een hoofd naleving of personeelszaken, een integriteitsmedewerker, een jurist of privacymedewerker, een financieel directeur, een directeur audit of een lid van de raad van bestuur.

(58)  In het kader van interne melding is het, teneinde vertrouwen op te bouwen in het algehele systeem voor klokkenluidersbescherming, essentieel dat de melder zo veel als wettelijk mogelijk is en zo alomvattend mogelijk wordt geïnformeerd over de afhandeling van de melding, en dit zal de kans op latere onnodige meldingen of openbaarmakingen verminderen. De melder moet binnen een redelijke termijn worden geïnformeerd over de naar aanleiding van de melding te nemen of reeds genomen maatregelen en de redenen ervoor (bijvoorbeeld doorverwijzing naar andere kanalen of procedures in geval van meldingen die uitsluitend de individuele rechten van de melder betreffen, afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een intern onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken, doorverwijzing naar een bevoegde autoriteit voor verder onderzoek), mits die informatie geen afbreuk doet aan het vooronderzoek of het onderzoek of de rechten van de betrokkene schaadt. In alle gevallen moet de melder in kennis worden gesteld van de voortgang en het resultaat van het onderzoek. In de loop van het onderzoek kan hem worden gevraagd nog meer informatie te verstrekken, zij het zonder dat hij daartoe is verplicht.

(59)  Die redelijke termijn mag in totaal hoogstens drie maanden bedragen. Als nog niet vaststaat hoe de melding moet worden afgehandeld, moet de melder hierover worden geïnformeerd, alsmede over eventuele verdere feedback die hij mag verwachten.

(60)  Personen die overwegen inbreuken op het Unierecht te melden, moeten met kennis van zaken kunnen beslissen of, hoe en wanneer zij tot melding overgaan. Private en publieke entiteiten die over internemeldingsprocedures beschikken, dienen informatie te verstrekken over deze procedures alsmede over de procedures voor externe melding aan de bevoegde autoriteiten. Deze informatie moet gemakkelijk te begrijpen en eenvoudig toegankelijk zijn, ook, voor zover mogelijk, voor personen die geen werknemer zijn, maar door hun werkgerelateerde activiteiten met de entiteit in contact komen, zoals dienstaanbieders, distributeurs, leveranciers en zakenpartners. Zij kan bijvoorbeeld worden geplaatst op een zichtbare locatie die toegankelijk is voor al deze personen en op de website van de entiteit, en kan ook worden opgenomen in cursussen en opleidingen over ethiek en integriteit.

(61)  Doeltreffende opsporing en preventie van inbreuken op het Unierecht vereist dat potentiële klokkenluiders gemakkelijk en onder strikte vertrouwelijkheid de informatie waarover zij beschikken onder de aandacht kunnen brengen van de bevoegde autoriteiten die in staat zijn om het probleem te onderzoeken en aan te pakken, indien mogelijk.

(62)   Het is mogelijk dat interne kanalen niet bestaan of niet naar behoren functioneerden (de melding is bijvoorbeeld niet zorgvuldig of binnen een redelijke termijn behandeld, of er is geen passende actie ondernomen om de inbreuk op het recht aan te pakken, ondanks de bevestigende resultaten van het onderzoek).

(63)  In andere gevallen kon niet redelijkerwijs worden verwacht dat het gebruik van interne kanalen naar behoren zou functioneren. Dit is met name het geval wanneer de melders geldige redenen hebben om aan te nemen i) dat zij in verband met de melding represailles te verduren zouden krijgen, onder meer wegens schending van hun geheim­houdingsplicht, en ii) dat de bevoegde autoriteiten in een betere positie verkeren om doeltreffende actie te ondernemen om de inbreuk aan te pakken omdat, bijvoorbeeld omdat de uiteindelijk verantwoordelijke binnen de werkgerelateerde context betrokken is bij de inbreuk of er een risico bestaat dat de inbreuk of bewijzen daarvan mogelijk verborgen of vernietigd zijn, of meer in het algemeen omdat de doeltreffendheid van de onderzoeksmaatregelen van de bevoegde autoriteiten anders in het gedrang zou kunnen komen (bijvoorbeeld bij meldingen over kartelafspraken en andere inbreuken op de mededingingsregels) of omdat de inbreuk noopt tot dringend optreden om het leven, de gezondheid en veiligheid van personen veilig te stellen of om het milieu te beschermen. In alle gevallen moeten personen die een externe melding richten tot de bevoegde autoriteiten en, in voorkomend geval, tot instellingen, organen of instanties van de Unie, worden beschermd. Deze richtlijn biedt ook bescherming indien de melders bij Unie- of nationale wetgeving verplicht zijn meldingen te richten aan de bevoegde nationale autoriteiten, bijvoorbeeld in het kader van de taken en verantwoordelijkheden die bij hun dienstverband horen of omdat de inbreuk een strafbaar feit is.

(64)  Gebrek aan vertrouwen in de doeltreffendheid van een melding is een van de belangrijkste factoren die potentiële klokkenluiders afschrikken. Daarom moet er op de bevoegde autoriteiten een duidelijke verplichting rusten om passende externe meldingskanalen op te zetten, de ontvangen meldingen zorgvuldig op te volgen en de melders binnen een redelijke termijn feedback te geven .

(65)  Het is aan de lidstaten om vast te stellen welke autoriteiten bevoegd zijn om meldingen over binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken te ontvangen en die op gepaste wijze op te volgen. Die bevoegde autoriteiten kunnen gerechtelijke autoriteiten zijn, regelgevende of toezichthoudende instanties die bevoegd zijn voor de specifieke gebieden in kwestie, of meer algemeen bevoegde autoriteiten op het niveau van de centrale overheid, rechtshandhavingsinstanties, corruptiebestrijdingsinstanties of ombudsmannen.

(66)  Als ontvangers van meldingen moeten de als bevoegd aangewezen autoriteiten beschikken over de nodige capaciteiten en bevoegdheden voor een gepaste afhandeling – onder meer beoordelen hoe nauwkeurig de beweringen in de melding zijn en reageren op de gemelde inbreuken door het opstarten van een intern vooronderzoek of een onderzoek of vervolging of het aanspannen van een geding met het oog op het terugvorderen van middelen of het treffen van andere gepaste herstelmaatregelen overeenkomstig hun mandaat, of moeten zij de nodige bevoegdheden hebben om de melding door te verwijzen naar een andere autoriteit die de gemelde inbreuk moet onderzoeken, zodat die autoriteit voor een gepaste follow-up zorgt. Met name indien lidstaten externe kanalen willen opzetten in het kader van hun centrale niveau, bijvoorbeeld op het gebied van staatssteun, moeten zij voorzien in passende waarborgen opdat wordt voldaan aan de vereisten van deze richtlijn inzake onafhankelijkheid en autonomie. Het opzetten van die externe kanalen laat de toezichts­bevoegdheden van de lidstaten of van de Commissie inzake staatssteun onverlet, en deze richtlijn doet geen afbreuk aan de exclusieve bevoegdheid van de Commissie met betrekking tot de verenigbaarheid van staatssteunmaatregelen, met name op grond van artikel 107, lid 3, VWEU. In verband met inbreuken op artikel 101 en 102 VWEU, moeten de lidstaten de in artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1/2003 vermelde autoriteiten aanwijzen als bevoegde autoriteiten, zulks onverminderd de bevoegdheden van de Commissie op dit gebied.

(67)  De bevoegde autoriteiten moeten de melders ook feedback geven over de naar aanleiding van de melding te nemen of genomen maatregelen (bijvoorbeeld doorverwijzing naar een andere autoriteit, afsluiting wegens onvoldoende bewijs of om andere redenen, de start van een onderzoek en eventueel de bevindingen daarvan en/of maatregelen om het aan de orde gestelde probleem aan te pakken), alsmede over de gronden voor de afhandeling. Communicatie over het uiteindelijke resultaat van het onderzoek mag geen afbreuk doen aan de toepasselijke Unieregels, die mogelijke beperkingen op de bekend­making van besluiten op het gebied van financiële regulering bevatten. Dit moet van dienovereenkomstige toepassing zijn op het gebied van vennootschapsbelastingen, indien de toepasselijke nationale wetgeving vergelijkbare beperkingen bevat.

(68)  De afhandeling en de feedback moeten binnen een redelijke termijn plaatsvinden; dit is noodzakelijk om het probleem waarop de melding wellicht betrekking heeft, snel aan te pakken en onnodige openbaarmaking te voorkomen. De betrokken termijn mag niet langer zijn dan drie maanden, maar kan tot zes maanden worden verlengd als de specifieke omstandigheden van een zaak hiertoe nopen, zoals met name de aard en complexiteit van het voorwerp van de melding, die een langdurig onderzoek kunnen vereisen.

(69)  Het Unierecht voorziet op specifieke gebieden, zoals marktmisbruik(25), burgerluchtvaart(26) of de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten(27) al in het opzetten van interne en externe meldingskanalen. Wat betreft de in deze richtlijn vervatte verplichting om dergelijke kanalen op te zetten, dient zo veel mogelijk te worden voortgebouwd op de kanalen waarin op grond van specifieke handelingen van de Unie al is voorzien.

(70)  De Europese Commissie, alsmede bepaalde organen en instanties van de Unie, zoals het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF), het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (EMSA), het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA), de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) en het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA), beschikken over externe kanalen en procedures voor het ontvangen van meldingen over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van de richtlijn vallen; deze kanalen en procedure voorzien hoofdzakelijk in vertrouwelijkheid van de identiteit van de melders. Deze richtlijn laat die eventueel bestaande externe meldings­kanalen en procedures onverlet, maar zorgt ervoor dat personen die melding maken bij deze instellingen, organen en instanties van de Unie, in de hele Unie profiteren van gemeenschappelijke minimumnormen voor bescherming.

(71)  Opdat de procedures voor het afhandelen van meldingen en de reactie op inbreuken van de betrokken Unieregels effect sorteren, moeten de lidstaten maatregelen kunnen nemen om de bevoegde autoriteiten te ontlasten van de meldingen over inbreuken van geringe betekenis op onder deze richtlijn vallende bepalingen, herhaaldelijke meldingen of meldingen over inbreuken op bijkomstige bepalingen (bijvoorbeeld bepalingen over documentatie- of kennisgevingsverplichtingen). Die maatregelen kunnen behelzen dat bevoegde autoriteiten, na de aangelegenheid naar behoren te hebben beoordeeld, in staat worden gesteld te besluiten dat een gemelde inbreuk duidelijk van geringe betekenis is geen nadere vervolgmaatregelen krachtens deze richtlijn vereisen. De lidstaten kunnen ook toestaan dat bevoegde autoriteiten de procedure afsluiten bij herhaaldelijke meldingen waarvan de inhoud geen nieuwe informatie van betekenis bevat ten opzichte van een eerdere melding waarvan de behandeling reeds is afgesloten, tenzij nieuwe wettelijke of feitelijke omstandigheden een andere afhandeling recht­vaardigen. Voorts kunnen de lidstaten de bevoegde autoriteiten toestaan om meldingen van ernstige inbreuken of inbreuken op essentiële onder deze richtlijn vallende bepalingen prioritair te behandelen bij een hoge instroom van meldingen.

(72)  Indien het nationale recht of het Unierecht hierin voorziet, moeten de bevoegde autoriteiten zaken of relevante informatie doorverwijzen naar de instellingen, organen of instanties van de Unie, waaronder – voor de doeleinden van deze richtlijn – het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en het Europees Openbaar Ministerie (EPPO), onverminderd de mogelijkheid voor de melder om zich direct tot die organen of instanties van de Unie te wenden.

(73)  Op tal van onder deze richtlijn vallende beleidsgebieden maken nationale bevoegde autoriteiten gebruik van samenwerkingsregelingen om informatie uit te wisselen en vervolgactiviteiten te verrichten in verband met inbreuken op Unieregels met een grensoverschrijdende dimensie. Voorbeelden zijn onder meer het mechanisme voor administratieve bijstand en samenwerking in gevallen van grensoverschrijdende schendingen van de Uniewetgeving inzake de agrovoedingsketen en het netwerk voedselfraude, het systeem voor snelle uitwisseling van informatie over gevaarlijke non-foodproducten, het Netwerk voor samenwerking inzake consumentenbescherming, het netwerk voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving, het Europees mededingingsnetwerk, en de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten die bestaande samenwerkingsregelingen waar toepasselijk ten volle benutten in het kader van hun verplichting om meldingen in verband met onder deze richtlijn vallende inbreuken op te volgen. Daarnaast kunnen de autoriteiten van de lidstaten in gevallen van inbreuken met een grensoverschrijdende dimensie op gebieden zonder samenwerkingsregelingen ook samenwerken buiten de bestaande samenwerkingsregelingen.

(74)  Opdat doeltreffend kan worden gecommuniceerd met personeel dat belast is met het behandelen van meldingen, moeten de bevoegde autoriteiten beschikken over en gebruik maken van gebruiksvriendelijke kanalen die beveiligd zijn, vertrouwelijkheid waarborgen bij het ontvangen en behandelen van door de melder verstrekte informatie en de mogelijkheid bieden duurzame informatie op te slaan zodat die nader kan worden onderzocht. Daarvoor kan het nodig zijn deze kanalen los te koppelen van de algemene kanalen waarlangs de bevoegde autoriteiten met het publiek communiceren, zoals normale systemen voor klachten van het publiek of kanalen waarlangs de bevoegde autoriteit volgens de gewone gang van zaken intern en met derden communiceert.

(75)  De personeelsleden die zijn belast met het behandelen van meldingen, moeten professioneel zijn opgeleid, onder meer op het gebied van de toepasselijke gegevens­beschermingsvoorschriften, ▌ zodat zij meldingen kunnen behandelen, de communicatie met de melder kunnen waarborgen en de melding op gepaste wijze kunnen afhandelen.

(76)  Personen die het voornemen hebben iets te melden, moeten met kennis van zaken kunnen beslissen of, hoe en wanneer zij tot melding overgaan. De bevoegde autoriteiten moeten informatie over de beschikbare kanalen voor melding aan de bevoegde autoriteiten, over de toepasselijke procedures en over de gespecialiseerde personeelsleden die binnen deze autoriteiten met het behandelen van meldingen zijn belast, dan ook openbaar en eenvoudig toegankelijk maken. Alle informatie over meldingen moet transparant, eenvoudig te begrijpen en betrouwbaar zijn, teneinde melding te bevorderen en niet te ontmoedigen.

(77)  De lidstaten dienen er zorg voor te dragen dat de bevoegde autoriteiten beschikken over toereikende beschermingsprocedures voor de verwerking van meldingen van inbreuken en voor de bescherming van de persoonsgegevens van de personen naar wie in de melding wordt verwezen. Die procedures moeten waarborgen dat de identiteit van elke melder, betrokkene en derde die in de melding wordt vermeld (zoals getuigen of collega’s), in elke fase van de procedure wordt beschermd. ▌

(78)  Met de behandeling van meldingen belast personeel van de bevoegde autoriteit en personeelsleden van de bevoegde autoriteit die worden gemachtigd tot raadpleging van de informatie die een melder aan de bevoegde autoriteit heeft verstrekt, moeten zich houden aan het beroepsgeheim en ▌ vertrouwelijkheid wanneer zij de gegevens doorgeven, zowel binnen als buiten de bevoegde autoriteit, ook wanneer de bevoegde autoriteit een onderzoek of een vooronderzoek start of tot handhavingsmaatregelen overgaat in verband met de melding van inbreuken.

(79)  Door middel van regelmatige evaluatie van de procedures van de bevoegde autoriteiten en de uitwisseling van goede praktijken tussen deze autoriteiten moet worden gewaarborgd dat deze procedures toereikend zijn en derhalve hun doel vervullen.

(80)  Personen die ▌ overgaan tot een openbaarmaking moeten in aanmerking komen voor bescherming in gevallen waarin er in weerwil van de intern en/of extern gemaakte melding geen reactie komt op een inbreuk, bijvoorbeeld in gevallen waarin die personen geldige redenen hebben om aan te nemen dat de inbreuk niet (op gepaste wijze) is beoordeeld of onderzocht, of er geen gepaste herstelmaatregelen zijn genomen. Of de afhandeling gepast is, moet worden beoordeeld aan de hand van objectieve criteria die in verband staan met de verplichting van de bevoegde autoriteiten om na te gaan of de beweringen juist zijn en een einde te maken aan eventuele inbreuken op Unierecht. De beoordeling zal dus afhankelijk zijn van de omstandigheden van elk geval en de aard van de regels waarop een inbreuk is gepleegd. Met name indien de autoriteiten besluiten dat een inbreuk duidelijk van geringe betekenis was en geen afhandeling vereist, kan dit op grond van deze richtlijn worden beschouwd als een gepaste afhandeling.

(81)  Personen die direct overgaan tot een openbaarmaking, moeten ook voor bescherming in aanmerking komen in gevallen waarin zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat er sprake is van een dreigend of kennelijk gevaar voor het algemeen belang of een risico op onherstelbare schade, waaronder ▌ fysiek letsel.

(82)  Evenzo moeten die personen voor bescherming in aanmerking komen indien zij redelijke gronden hebben om aan te nemen dat er een risico op represailles bestaat bij meldingen via een extern kanaal, dat de kans gering is dat er doeltreffend wordt gereageerd op de inbreuk, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, omdat er bijvoorbeeld bewijsmateriaal wordt achtergehouden of vernietigd, of dat een autoriteit handelt in verstandhouding met de pleger van de inbreuk of met iemand die daarbij betrokken is.

(83)  Voor het voorkomen van represailles is het een essentiële voorzorgsmaatregel dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder tijdens het meldingsproces en het vervolgonderzoek wordt gewaarborgd. De identiteit van de melder mag uitsluitend worden bekendgemaakt indien daartoe een noodzakelijke en evenredige verplichting krachtens het Unierecht of het nationale recht bestaat in de context van het onderzoek door de autoriteiten of van gerechtelijke procedures, met name ter waarborging van de rechten van verdediging van de betrokkenen. Die verplichting kan met name voort­vloeien uit Richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures. De bescherming van de vertrouwelijkheid moet niet gelden indien de melder zijn identiteit bij een openbaarmaking bewust heeft vrijgegeven.

(84)  Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, met inbegrip van de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680(28), en elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten op het niveau van de Unie dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EG) nr. 45/2001(29). Met name dient rekening te worden gehouden met de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens vervat in artikel 5 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 4 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 45/2001, en met het beginsel van gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen vervat in artikel 25 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 20 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel XX van Verordening (EU) nr. 2018/XX tot intrekking van Verordening (EU) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG.

(85)  Indien de in deze richtlijn vervatte procedures in verband met de afhandeling van meldingen over inbreuken op het Unierecht op de eronder vallende gebieden effect sorteren, vervult dit een belangrijke doelstelling van algemeen belang van de Unie en van de lidstaten in de zin van artikel 23, lid 1, punt e) van Verordening (EU) 2016/679, aangezien daarmee wordt gestreefd naar een betere handhaving van Uniewetgeving en -maatregelen op specifieke gebieden waar inbreuken het algemeen belang ernstig kunnen schaden. De vertrouwelijkheid van de identiteit van de melders moet doeltreffend worden beschermd om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, met name de rechten en vrijheden van de melders, zoals bepaald krachtens artikel 23, lid 1, punt i) van Verordening (EU) 2016/679. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze richtlijn effect sorteert, onder meer door waar nodig via wetgevingsmaatregelen beperkingen in te stellen op de uitoefening van bepaalde gegevensbeschermingsrechten van de betrokkenen overeenkomstig artikel 23, lid 1, punten e) en i), en artikel 23, lid 2, van Verordening (EU) 2016/679 voor zover en zolang zulks noodzakelijk is ter voorkoming van en in reactie op pogingen tot het belemmeren van meldingen, tot het verhinderen, dwarsbomen of vertragen van de afhandeling van meldingen, met name van onderzoeken, of tot het achterhalen van de identiteit van de melders.

(86)  De vertrouwelijkheid van de identiteit van de melders doeltreffend beschermen is eveneens nodig om de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, met name de rechten en vrijheden van de melders, indien de meldingen worden behandeld door autoriteiten in de zin van artikel 3, lid 7, van Verordening (EU) 2016/680. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze richtlijn effect sorteert, onder meer door waar nodig via wetgevingsmaatregelen beperkingen in te stellen op de uitoefening van bepaalde gegevensbeschermingsrechten van de betrokkenen overeenkomstig artikel 13, lid 3, punten a) en e), artikel 15, lid 1, punten a) en e), artikel 16, lid 4, punten a) en e), en artikel 31, lid 5, van Verordening (EU) 2016/680 voor zover en zolang zulks noodzakelijk is ter voorkoming van en in reactie op pogingen tot het belemmeren van meldingen, tot het verhinderen, dwarsbomen of vertragen van de afhandeling van meldingen, met name van onderzoeken, of tot het achterhalen van de identiteit van de melders.

(87)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat alle meldingen van inbreuken naar behoren worden geregistreerd en dat iedere melding kan worden opgevraagd, en dat informatie die via de meldingen wordt ontvangen, als bewijsmateriaal kan worden gebruikt in het kader van eventuele handhavingsmaatregelen.

(88)  Melders moeten worden beschermd tegen alle vormen van directe of indirecte represailles die worden genomen, aanbevolen of geduld door hun werkgever of klant/ontvanger van diensten en door personen die werken voor of optreden namens laatstgenoemden, zoals collega’s en leidinggevenden in dezelfde organisatie of in andere organisaties waarmee de melder contact onderhoudt in het kader van zijn werkgerelateerde activiteiten ▌. Er is bescherming nodig tegen represailles jegens de melder zelf, maar ook tegen represailles jegens de juridische entiteit waarvan de melder eigenaar is, waarvoor hij werkt of waarmee hij in een werkgerelateerde context mee is gelieerd, zoals weigering van dienstverrichting, opname op een zwarte lijst of een bedrijfsboycot. Indirecte represailles omvatten tevens maatregelen tegen facilitatoren, collega's of familieleden van de melder die ook in een werkgerelateerd verband met diens werkgever of klant/ontvanger van diensten verkeren ▌.

(89)  Als represailles ongebreideld voorkomen en onbestraft blijven, heeft dit een remmend effect op potentiële klokkenluiders. Een duidelijk wettelijk verbod op represailles heeft een belangrijk afschrikkend effect, dat nog wordt versterkt door bepalingen inzake persoonlijke aansprakelijkheid en sancties ten aanzien van degenen die zich schuldig maken aan represailles.

(90)  Individueel advies en juiste informatie kunnen worden verstrekt door een onafhankelijke centrale autoriteit of een informatiecentrum.

(91)  Potentiële klokkenluiders die niet goed weten hoe zij een melding kunnen doen en of zij uiteindelijk zullen worden beschermd, kunnen zich daardoor van melding laten weer­houden. De lidstaten moeten waarborgen dat relevante informatie op gemakkelijk te begrijpen wijze wordt verstrekt en gemakkelijk toegankelijk is voor het grote publiek. Individueel, onpartijdig en vertrouwelijk advies dient kosteloos beschikbaar te zijn. Zo kan bijvoorbeeld worden uitgelegd of de betrokken informatie onder de toepasselijke regels voor de bescherming van klokkenluiders valt, welk meldingskanaal het best kan worden gebruikt en welke alternatieve procedures beschikbaar zijn ingeval de informatie niet onder de toepasselijke regels valt (“wegwijs maken”). Toegang tot dergelijk advies kan ertoe bijdragen dat meldingen op een verantwoorde wijze via de gepaste kanalen worden gedaan en dat inbreuken en misstanden tijdig worden ontdekt of zelfs voorkomen. De lidstaten kunnen ervoor kiezen dit advies uit te breiden tot juridisch advies. Indien dit advies aan melders wordt verstrekt door maatschappelijke organisaties die met betrekking tot de ontvangen informatie gebonden zijn aan een vertrouwelijkheidsplicht, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat deze organisaties niet worden getroffen door represailles, bijvoorbeeld in de vorm van economische nadelen via een beperking van hun toegang tot financiering of opname op een zwarte lijst die het goede functioneren van de organisatie in het gedrang kan brengen.

(92)  De bevoegde autoriteiten moeten melders de nodige steun verschaffen zodat zij effectief toegang hebben tot bescherming. Met name moeten zij bewijsmateriaal of andere vereiste documentatie verstrekken om aan andere autoriteiten of rechtbanken te bevestigen dat er een externe melding heeft plaatsgevonden. In bepaalde nationale kaders en in bepaalde gevallen komen melders ▌ in aanmerking voor vormen van officiële bevestiging dat zij voldoen aan de voorwaarden van de toepasselijke regels. Ondanks dergelijke mogelijkheden moeten zij doeltreffende toegang tot rechterlijke toetsing hebben, waarbij het aan de rechter is om op grond van de afzonderlijke omstandigheden van de zaak te besluiten of zij aan de voorwaarden van de toepasselijke regels voldoen.

(93)  ▌ Juridische of contractuele verplichtingen van personen, zoals loyaliteitsclausules in contracten of vertrouwelijkheids-/niet-openbaarmakingsovereenkomsten, mogen niet worden ingeroepen om meldingen te verbieden, bescherming te ontzeggen of melders te bestraffen indien het verstrekken van de onder die clausules en overeenkomsten vallende informatie nodig is voor het onthullen van de inbreuk. Wanneer aan deze voorwaarden is voldaan, mag op de melders geen enkele burgerlijke, strafrechtelijke, bestuurs­rechtelijke of arbeidsrechtelijke aansprakelijkheid rusten. Bescherming tegen aansprakelijkheid voor de melding of openbaarmaking op grond van deze richtlijn is te verantwoorden voor informatie waarvan de melder redelijke gronden had om aan te nemen dat melding of openbaarmaking nodig was voor het onthullen van een inbreuk op grond van deze richtlijn. Deze bescherming geldt niet voor overbodige informatie die de persoon heeft onthuld zonder dat hij daarvoor redelijke gronden heeft.

(94)  In gevallen waarin de melders op rechtmatige wijze toegang hebben verworven of verkregen tot de gemelde informatie of de documenten met deze informatie, moeten zij worden vrijgesteld van aansprakelijkheid. Dit geldt zowel in gevallen waarin zij de inhoud onthullen van documenten waartoe zij rechtmatige toegang hebben, als in gevallen waarin zij kopieën van die documenten maken of deze verwijderen uit de bedrijfsruimten van de organisatie waar zij werkzaam zijn, zulks in strijd met contractuele of andere clausules die bepalen dat de betreffende documenten eigendom van de organisatie zijn. De melders moeten ook worden vrijgesteld van aansprakelijkheid in gevallen waarin de verwerving van of de toegang tot de relevante informatie of documenten burgerrechtelijke, bestuursrechtelijke of arbeidsrechtelijke aansprakelijk­heid in het geding brengt. Gedacht kan worden aan gevallen waarin de melders de informatie hebben bemachtigd door het raadplegen van het e-mailverkeer van een collega of dossiers waar zij normaal gesproken geen gebruik van maken bij hun werk, door het nemen van foto's van de bedrijfsruimten van de organisatie of door het betreden van plaatsen waartoe zij doorgaans geen toegang hebben. Indien de melders toegang tot de relevante informatie of documenten hebben verworven of verkregen door het plegen van een strafbaar feit, zoals het fysiek betreden van verboden terreinen of hacking, moet hun strafrechtelijke aansprakelijkheid blijven vallen onder het toepasselijke nationale recht, onverminderd artikel 15, lid 7. Evenzo moet elke andere mogelijke aansprakelijkheid van de melders die voortvloeit uit handelingen of nalatig­heden die geen verband houden met de melding of niet noodzakelijk zijn voor het ont­hullen van een inbreuk op grond van deze richtlijn, onder het toepasselijke Unierecht of nationale recht blijven vallen. In deze gevallen moet het aan de nationale rechtbanken zijn om de aansprakelijkheid van de melder te beoordelen aan de hand van alle relevante feitelijke informatie en rekening houdend met de individuele omstandigheden van het geval, waaronder de noodzakelijkheid en evenredigheid van de handeling of nalatigheid in verband met de melding of openbaarmaking.

(95)  Represailles worden dikwijls gerechtvaardigd op andere gronden dan de melding en voor melders kan het zeer moeilijk zijn om het verband aan te tonen, terwijl degenen die zich schuldig maken aan de represailles wellicht beschikken over meer macht en middelen om de ondernomen actie en de redenering te staven. Als de melder eenmaal prima facie heeft aangetoond dat hij een melding of openbaarmaking heeft verricht in de zin van deze richtlijn en te maken heeft gekregen met benadeling, dient de bewijslast te verschuiven naar de verrichter van de benadeling; het dient aan laatstgenoemde te zijn om aan te tonen dat de benadeling op geen enkele wijze verband hield met de melding of openbaarmaking.

(96)  Naast een uitdrukkelijk wettelijk verbod op represailles is het van cruciaal belang dat melders die te maken krijgen met represailles, toegang hebben tot rechtsmiddelen en schadevergoeding. Het passende rechtsmiddel wordt in elk geval bepaald naargelang het soort te verduren gekregen represailles, en de geleden schade moet volledig worden vergoed overeenkomstig nationaal recht. Daarbij kan het gaan om maatregelen tot herplaatsing (bijvoorbeeld bij ontslag, overplaatsing of degradatie, of bij weigering van opleiding of bevordering) of tot herstel van een opgezegde machtiging, vergunning of overeenkomst; vergoeding voor concrete of toekomstige financiële verliezen (gederfd loon, maar ook toekomstige inkomstenderving, kosten in verband met verandering van beroep); vergoeding voor andere economische schade, zoals juridische kosten en medische zorgkosten, en voor immateriële schade (smartengeld).

(97)  De soorten rechtsmiddelen variëren naargelang het rechtsstelsel, maar moeten zorgen voor een werkelijke en doeltreffende schadevergoeding of schadeloosstelling die een afschrikkend effect heeft en in verhouding staat tot de geleden schade. Relevant zijn in dit verband de beginselen van de Europese pijler van sociale rechten, met name beginsel 7, dat luidt als volgt: "Voorafgaand aan een ontslag hebben werknemers het recht te worden geïnformeerd over de redenen die eraan ten grondslag liggen en moet hun een redelijke opzegtermijn worden geboden. Zij hebben het recht op toegang tot een doeltreffend en onpartijdig systeem van geschillenbeslechting en, bij een kennelijk onredelijk ontslag, een recht op verhaal, waarbij onder meer een passende schade­vergoeding is inbegrepen." De op nationaal niveau geregelde herstelmaatregelen mogen potentiële toekomstige klokkenluiders niet ontmoedigen. Indien bij ontslag wordt toe­gestaan dat schadevergoeding wordt betaald als alternatief voor herplaatsing zou dat, zeker in grotere organisaties, tot een stelselmatige praktijk kunnen leiden en zodoende toekomstige klokkenluiders kunnen afschrikken.

(98)  Van bijzonder belang voor melders zijn voorlopige maatregelen in afwachting van de voltooiing van mogelijk langdurige gerechtelijke procedures. Voor het stopzetten van bedreigingen, pogingen tot represailles of aanhoudende represailles (zoals intimidatie op het werk) of het voorkomen van vormen van represailles zoals ontslag, die na verloop van veel tijd wellicht moeilijk ongedaan zijn te maken en de betrokkene financieel te gronde kunnen richten – een perspectief dat potentiële klokkenluiders sterk kan ontmoedigen, moeten melders met name toegang hebben tot maatregelen in kort geding als geregeld bij nationaal recht.

(99)  Voor klokkenluiders kan ook een aanzienlijk afschrikkend effect uitgaan van maatregelen die buiten de werkgerelateerde context tegen melders worden genomen, bijvoorbeeld via procedures wegens laster of schending van auteursrechten, bedrijfsgeheimen, vertrouwelijkheid of de bescherming van persoonsgegevens. In dergelijke procedures moeten melders meldingen of openbaarmakingen op grond van deze richtlijn ter verdediging kunnen inroepen, mits de gemelde of openbaar gemaakte informatie nodig was om de inbreuk te onthullen. In die gevallen moet de last van het bewijzen dat de melder niet voldoet aan de voorwaarden van de richtlijn, rusten op de persoon die de procedure aanspant.

(100)  De regels voor het waarborgen van een toereikend en consistent niveau van civiele maatregelen in geval van het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim, zijn neergelegd in Richtlijn (EU) 2016/943 van het Europees Parlement en de Raad. De richtlijn bepaalt dat het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van een bedrijfsgeheim als rechtmatig wordt beschouwd voor zover het bij Unierecht is toegestaan. Personen die in een werkgerelateerde context verkregen bedrijfsgeheimen onthullen, mogen alleen onder de door deze richtlijn verleende bescherming vallen (onder meer in de zin dat zij niet burgerrechtelijk aansprakelijk zijn) indien zij aan de voorwaarden van deze richtlijn voldoen, onder meer de voorwaarde dat de openbaarmaking nodig was om een onder het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuk te onthullen. Indien aan deze voorwaarden is voldaan, moeten openbaarmakingen van bedrijfsgeheimen worden beschouwd als "toegestaan" bij Unierecht in de zin van artikel 3, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/943. Daarnaast moeten deze richtlijn en Richtlijn (EU) 2016/943 als complementair worden beschouwd, en moeten de civiele maatregelen, procedures, rechtsmiddelen en vrijstellingen waarin Richtlijn (EU) 2016/943 voorziet toepasselijk blijven op alle openbaarmakingen van bedrijfsgeheimen die buiten het toepassingsgebied van de onderhavige richtlijn vallen. De bevoegde autoriteiten die meldingen met bedrijfsgeheimen ontvangen moeten ervoor zorgen dat deze niet worden gebruikt of openbaar worden gemaakt voor andere doeleinden dan het correct afhandelen van de meldingen.

(101)  Toepasselijke gerechtskosten kunnen een aanzienlijk deel uitmaken van de kosten voor melders die de tegen hen genomen represailles aanvechten door middel van een gerechtelijke procedure. Hoewel zij deze gerechtskosten aan het eind van de procedure mogelijk kunnen terugvorderen, kunnen zij deze wellicht niet vooraf voldoen, met name als zij werkloos zijn en op een zwarte lijst staan. Bijstand voor strafrechtelijke procedures, met name indien de melders voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad(30), en meer in het algemeen steun voor wie in ernstige financiële moeilijkheden verkeert, zou in bepaalde gevallen van cruciaal belang kunnen zijn voor het doeltreffend handhaven van hun rechten op bescherming.

(102)  De rechten van de betrokkene dienen te worden beschermd om reputatieschade of andere negatieve gevolgen te voorkomen. Voorts moeten de rechten van de verdediging en de toegang tot rechtsmiddelen van de betrokkene in elke fase van de procedure die volgt op een melding volledig te worden geëerbiedigd overeenkomstig de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De lidstaten dienen de vertrouwelijk­heid van de identiteit van de betrokkene te beschermen en de rechten van de verdediging te waarborgen ▌, met inbegrip van het recht op toegang tot het dossier, het recht te worden gehoord en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel tegen een besluit betreffende de betrokkene overeenkomstig de toepasselijke procedures van nationaal recht in het kader van een onderzoek of de daaropvolgende gerechtelijke procedures.

(103)  Iedere persoon die als gevolg van de melding of openbaarmaking van onjuiste of misleidende informatie direct of indirect te maken krijgt met vooroordelen, moet onverminderd gebruik kunnen maken van de bescherming en de rechtsmiddelen die hem op grond van de regels van gemeen recht ter beschikking staan. Indien willens en wetens tot een onjuiste of misleidende melding of openbaarmaking is overgegaan, moeten de betrokkenen overeenkomstig nationaal recht in aanmerking komen voor schadevergoeding.

(104)  Strafrechtelijke, burgerrechtelijke of bestuursrechtelijke sancties zijn nodig om de doeltreffendheid van de regels inzake klokkenluidersbescherming te waarborgen. Sancties tegen personen die represailles of andere nadelige maatregelen jegens melders nemen, kunnen een afschrikkende werking hebben. Sancties tegen personen die aantoonbaar willens en wetens onjuiste meldingen of openbaarmakingen verrichten, zijn ook nodig om verdere kwaadwillige meldingen te voorkomen en de geloofwaardigheid van het systeem te beschermen. Die sancties moeten evenredig zijn, zodat zij geen afschrikkend effect op potentiële klokkenluiders hebben.

(105)  Door autoriteiten genomen besluiten die negatieve gevolgen hebben voor de bij deze richtlijn verleende rechten, met name overeenkomstig artikel 6 genomen besluiten, moeten overeenkomstig artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aan rechterlijke toetsing worden onderworpen.

(106)  Deze richtlijn voert minimumnormen in en het moet de lidstaten vrijstaan bepalingen in te voeren of te handhaven die gunstiger zijn voor de melder, mits die bepalingen geen afbreuk doen aan de maatregelen ter bescherming van de betrokkenen. De omzetting van deze richtlijn vormt in geen geval een rechtvaardiging voor een verlaging van het beschermingsniveau dat melders reeds geboden wordt uit hoofde van het nationaal recht in de gebieden waar het van toepassing is.

(107)  Overeenkomstig artikel 26, lid 2, VWEU dient de interne markt een ruimte zonder binnengrenzen te omvatten waarin het vrije en veilige verkeer van goederen en diensten gewaarborgd is. De interne markt moet de burgers van de Unie meerwaarde bieden in de vorm van betere en veiligere producten en diensten, door voor hoge normen inzake volksgezondheid en milieubescherming te zorgen en het vrije verkeer van persoons­gegevens te waarborgen. Artikel 114 VWEU is de juiste rechtsgrondslag voor het vaststellen van de maatregelen die nodig zijn voor de instelling en de werking van de interne markt. Naast artikel 114 VWEU moet deze richtlijn worden gebaseerd op een aantal aanvullende specifieke rechtsgronden ter dekking van de gebieden die voor het vaststellen van Uniemaatregelen vallen onder artikel 16, ▌ artikel 43, lid 2, artikel 50, artikel 53, lid 1, ▌ artikel 91, artikel 100, ▌ artikel 168, lid 4, artikel 169, artikel 192, lid 1 en artikel 325, lid 4, VWEU en artikel 31 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ▌.

(108)  Het materiële toepassingsgebied van deze richtlijn is bepaald aan de hand van de gebieden waarop de invoering van klokkenluidersbescherming gelet op het momenteel beschikbare bewijs gerechtvaardigd en noodzakelijk lijkt. Dit materiële toepassingsgebied kan worden uitgebreid tot andere gebieden of Uniehandelingen, als dit – in het licht van bewijs dat in de toekomst mogelijk naar voren komt, of op grond van de evaluatie van de wijze waarop deze richtlijn is toegepast – nodig blijkt om de handhaving aan te scherpen.

(109)  Wanneer in de toekomst wetgeving wordt aangenomen die relevant is voor deze richtlijn, moet daarin, waar passend, worden vermeld dat deze richtlijn van toepassing is. Indien nodig dienen artikel 1 en de bijlage te worden gewijzigd.

(110)  De doelstelling van deze richtlijn, namelijk klokkenluiders doeltreffend beschermen met het oog op sterkere handhaving op bepaalde beleidsterreinen en met betrekking tot bepaalde rechtshandelingen waarvoor geldt dat inbreuken op het Unierecht het algemeen belang ernstig kunnen schaden, kan niet afdoende worden bereikt als de lidstaten afzonderlijk of op een ongecoördineerde wijze optreden, maar kan beter worden verwezenlijkt als de Unie minimumnormen aanreikt voor een geharmoniseerde klokkenluiders­bescherming. Bovendien kan alleen optreden van de Unie voor samenhang zorgen en de bestaande regels van de Unie inzake de bescherming van klokkenluiders stroomlijnen. De Unie kan derhalve maatregelen treffen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(111)  Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en ▌ de beginselen die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met name artikel 11. Deze richtlijn moet derhalve worden toegepast met inachtneming van deze rechten en beginselen, door de volledige eerbiediging te waarborgen van onder meer de vrijheid van meningsuiting en van informatie, het recht op bescherming van persoonsgegevens, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op een hoog niveau van consumenten­bescherming, het recht op een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid, het recht op een hoog niveau van milieubescherming, het recht op behoorlijk bestuur, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de rechten van de verdediging.

(112)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 geraadpleegd ▌,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

TOEPASSINGSGEBIED, BESCHERMINGSVOORWAARDEN EN DEFINITIES

Artikel 1

Doel

Deze verordening heeft tot doel de tenuitvoerlegging van het recht en het beleid van de Unie op specifieke gebieden te verbeteren door de vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen die zorgen voor een hoog niveau van bescherming van melders van inbreuken.

Artikel 2

Materieel toepassingsgebied

1.  ▌Deze richtlijn bevat gemeenschappelijke minimumnormen voor de bescherming van melders van de volgende inbreuken op het Unierecht:

(a)  inbreuken die binnen het toepassingsgebied vallen van de handelingen van de Unie die zijn vermeld in de bijlage bij deze verordening (delen I en II), met betrekking tot de volgende gebieden:

i)  overheidsopdrachten;

ii)  financiële diensten, producten en markten, voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering;

iii)  productveiligheid;

iv)  veiligheid van het vervoer;

v)  bescherming van het milieu;

vi)  stralingsbescherming en nucleaire veiligheid;

vii)  veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn;

viii)  volksgezondheid;

ix)  consumentenbescherming;

x)  bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens, beveiliging van netwerk- en informatiesystemen.

b)  inbreuken waardoor de financiële belangen van de Unie als omschreven in artikel 325 VWEU en nader toegelicht in relevante maatregelen van de Unie worden geschaad;

c)  inbreuken in verband met de interne markt, als bedoeld in artikel 26, lid 2, VWEU, met inbegrip van inbreuken op de regels inzake mededinging en staatssteun, en met betrekking tot handelingen die in strijd zijn met de regels van de vennootschaps­belasting of constructies die erop gericht zijn een belastingvoordeel te verkrijgen dat afbreuk doet aan de strekking of het doel van het toepasselijke vennootschaps­belastingrecht.

2.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de mogelijkheid van lidstaten om de bescherming uit hoofde van nationale wetgeving uit te breiden met betrekking tot terreinen of handelingen die niet onder lid 1 vallen.

Artikel 3

Verband met andere handelingen van de Unie en nationale bepalingen

1.  Indien de in deel II van de bijlage vermelde sectorspecifieke handelingen van de Unie specifieke regels inzake het melden van inbreuken bevatten, zijn die regels van toepassing. De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing ▌voor zover een aangelegenheid niet verplicht in voornoemde sectorspecifieke handelingen van de Unie is geregeld.

2.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de verantwoordelijkheid van lidstaten om nationale bescherming te garanderen en aan hun bevoegdheid om hun essentiële veiligheids­belangen te beschermen. Zij is met name niet van toepassing op meldingen van inbreuken op de regels inzake overheidsopdrachten waaraan defensie- of veiligheids­aspecten verbonden zijn, tenzij zij onder de desbetreffende instrumenten van de Unie vallen.

3.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de toepassing van nationaal of Unierecht op:

a)  de bescherming van gerubriceerde gegevens;

b)  de bescherming van het wettelijk en het medisch beroepsgeheim;

c)  de geheimhouding van rechterlijke beraadslagingen; en

d)   strafprocedureregels.

4.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan nationale regels inzake de uitoefening van het recht van werknemers om hun vertegenwoordigers of vakbonden te raadplegen en inzake de bescherming tegen ongerechtvaardigde benadelende maatregelen als gevolg van deze raadplegingen, alsmede inzake de autonomie van de sociale partners en hun recht om collectieve overeenkomsten te sluiten. Dit doet geen afbreuk aan het bij deze richtlijn verleende beschermingsniveau.

Artikel 4

Persoonlijk toepassingsgebied

1.  Deze richtlijn is van toepassing op melders die werkzaam zijn in de particuliere of de publieke sector en die informatie over inbreuken hebben verkregen in een werkgerelateerde context, met inbegrip van ten minste de volgende personen:

a)  personen met de status van werknemer in de zin van artikel 45, lid 1, VWEU, met inbegrip van ambtenaren;

b)  personen met de status van zelfstandige in de zin van artikel 49 VWEU;

c)  aandeelhouders en personen die behoren tot het bestuurlijk, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een onderneming, met inbegrip van niet bij het dagelijks bestuur betrokken leden, vrijwilligers en bezoldigde of onbezoldigde stagiairs;

d)  eenieder die werkt onder toezicht en leiding van aannemers, onderaannemers en leveranciers.

2.  Deze richtlijn is van toepassing op melders, ook indien zij informatie die is verkregen in een ondertussen beëindigde werkrelatie melden of openbaar maken.

3.  Deze richtlijn is ook van toepassing op melders wier werkrelatie nog moet aanvangen, ingeval informatie over een inbreuk is verkregen tijdens de wervingsprocedure of andere precontractuele onderhandelingen.

4.  De in hoofdstuk IV bedoelde maatregelen ter bescherming van melders zijn, in voorkomend geval, tevens van toepassing op:

a)  facilitators;

b)  derden die verbonden zijn aan de melders en die te maken kunnen krijgen met represailles in een werkgerelateerde context, zoals collega's of familieleden van de melders; en

c)  juridische entiteiten die eigendom van de melders zijn, waarvoor de melders werken of waarmee de melders op een andere manier verbonden zijn in een werkgerelateerde context.

Artikel 5

Voorwaarden voor de bescherming van melders

1.  Melders van informatie over inbreuken die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, komen voor bescherming in aanmerking mits:

a)  zij gegronde redenen hadden om aan te nemen dat de gemelde informatie op het moment van de melding juist was en dat de informatie binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn viel;

b)  zij intern overeenkomstig artikel 7 en extern overeenkomstig artikel 10 informatie meldden, of rechtstreeks extern of publiekelijk informatie openbaar maakten overeenkomstig artikel 15 van deze richtlijn.

2.  Onverminderd bestaande verplichtingen om te voorzien in anonieme melding op grond van het Unierecht, doet deze richtlijn geen afbreuk aan de bevoegdheid van de lidstaten om te beslissen of particuliere of openbare entiteiten en bevoegde autoriteiten anonieme meldingen van inbreuken al dan niet moeten aanvaarden en behandelen.

3.  Personen die anoniem informatie hebben gemeld of openbaar gemaakt maar later zijn geïdentificeerd, komen niettemin in aanmerking voor bescherming indien zij met represailles te maken krijgen, op voorwaarde dat zij aan de in lid 1 gestelde voorwaarden voldoen.

4.  Een persoon die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken meldt aan de relevante instellingen, organen of instanties van de Unie, komt in aanmerking voor bescherming overeenkomstig deze richtlijn onder dezelfde voorwaarden als een persoon die extern melding heeft gedaan.

Artikel 6

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de volgende definities:

1)  "inbreuken": handelingen of nalatigheden:

i)  die onrechtmatig zijn en betrekking hebben op de handelingen en beleidsterreinen van de Unie die binnen het in artikel 2 en de bijlage bedoelde toepassingsgebied vallen; of

ii)  die het doel of de toepassing van de ▌regels in deze handelingen of beleidsterreinen van de Unie ondermijnen;

2)  "informatie over inbreuken": informatie of redelijke vermoedens over feitelijke of mogelijke inbreuken alsmede over pogingen ter verhulling van inbreuken die hebben plaatsgevonden of zeer waarschijnlijk zullen plaatsvinden binnen de organisatie waar de melder werkt of heeft gewerkt of binnen een organisatie waarmee hij uit hoofde van zijn werk in contact is geweest;

3)  "melding": het verstrekken van informatie over inbreuken;

4)  "interne melding": het binnen een publieke of private juridische entiteit verstrekken van informatie over inbreuken;

5)  "externe melding": het aan de bevoegde autoriteiten verstrekken van informatie over inbreuken;

6)  "openbaarmaking": het in het publieke domein brengen van ▌ informatie over inbreuken;

7)  "melder": een natuurlijke persoon ▌ die informatie over inbreuken meldt of openbaar maakt die hij in de context van zijn werkgerelateerde activiteiten heeft verkregen;

8)  "facilitator": een natuurlijke persoon die de melder bijstaat in het meldingsproces in een werkgerelateerde context en wiens bijstand vertrouwelijk moet zijn;

9)  "werkgerelateerde context": huidige of vroegere arbeidsactiviteiten in de publieke of particuliere sector waardoor, ongeacht de aard van de activiteiten, personen informatie kunnen verkrijgen over inbreuken en waarbij deze personen te maken kunnen krijgen met represailles indien zij deze inbreuken melden;

10)  "betrokkene": een natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de melding of bij de openbaarmaking wordt genoemd als persoon aan wie de inbreuk wordt toegeschreven of die met de inbreuk in verband wordt gebracht;

11)  "represaille": een rechtstreekse of onrechtstreekse handeling of nalatigheid die in een werkgerelateerde context plaatsvindt naar aanleiding van een interne of externe melding of openbaarmaking, en die tot ongerechtvaardigde benadeling van de melder leidt of kan leiden;

12)  "follow-up": optreden van de ontvanger van de ▌ melding of een bevoegde autoriteit om de juistheid van de beweringen in de melding na te gaan en de gemelde inbreuk zo nodig aan te pakken, via maatregelen zoals intern vooronderzoek, onderzoek, vervolging, terugvordering van middelen en afsluiting;

13)  "feedback": het aan de melders verstrekken van informatie over de naar aanleiding van hun melding geplande of genomen maatregelen en over de redenen daarvoor;

14)  "bevoegde autoriteit": een nationale autoriteit die gerechtigd is meldingen overeenkomstig hoofdstuk III te ontvangen en de melders feedback te geven en/of die is aangewezen om de in deze richtlijn vervatte plichten te vervullen, met name wat betreft de afhandeling van de meldingen.

HOOFDSTUK II

INTERNE MELDINGEN EN HUN AFHANDELING

Artikel 7

Melding via interne kanalen

1.  Als algemeen beginsel en onverminderd de artikelen 10 en 15 mag informatie over binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken worden gemeld via de interne kanalen en procedures waarin dit hoofdstuk voorziet.

2.  De lidstaten moedigen het gebruik van interne kanalen, vóór externe melding, aan indien de inbreuk doeltreffend intern kan worden behandeld en indien de melder van mening is dat er geen risico op represailles bestaat.

3.  De nodige informatie over het gebruik van interne kanalen maakt deel uit van de informatie die wordt verstrekt door juridische entiteiten in de publieke en de private sector krachtens artikel 9, lid 1, punt g), en door bevoegde autoriteiten krachtens artikel 12, lid 4, punt a), en artikel 13.

Artikel 8

Verplichting tot het opzetten van interne kanalen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat juridische entiteiten in de particuliere en de publieke sector interne kanalen en procedures voor melding en behandeling van meldingen opzetten, na overleg en in samenspraak met de sociale partners, indien het nationale recht daarin voorziet.

2.  Dergelijke kanalen en procedures bieden de werknemers van de entiteit de mogelijkheid een melding te doen. Zij kunnen die mogelijkheid ook bieden aan andere personen die in contact staan met de entiteit in het kader van hun werkgerelateerde activiteiten als bedoeld in artikel 4, lid 1, punten b), c) en d) ▌.

3.  De in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de particuliere sector hebben 50 of meer werknemers.

4.  De drempel in lid 3 geldt niet voor de entiteiten die vallen binnen het toepassingsgebied van de in de delen I.B en II van de bijlage vermelde handelingen van de Unie.

5.  Meldingskanalen kunnen intern worden beheerd door een daartoe aangewezen persoon of afdeling, of extern ter beschikking worden gesteld door derden. De in artikel 9, lid 1, bedoelde waarborgen en vereisten worden op eendere wijze nagekomen door derden die het meldingskanaal voor een particuliere entiteit beheren en aan wie deze taak is toevertrouwd.

6.  Juridische entiteiten in de particuliere sector met 50 tot 249 werknemers mogen middelen delen voor het in ontvangst nemen en eventueel onderzoeken van meldingen. Dit laat hun verplichtingen in verband met geheimhouding, het verstrekken van feedback en het behandelen van de gemelde inbreuk, onverlet.

7.  Na een passende risicobeoordeling, waarbij rekening wordt gehouden met de aard van de activiteiten van de entiteiten en het daaraan verbonden risiconiveau voor met name het milieu en de volksgezondheid, kunnen de lidstaten ▌particuliere juridische entiteiten met minder dan 50 werknemers verplichten om kanalen en procedures voor interne meldingen op te zetten.

8.  Ieder door een lidstaat uit hoofde van lid 7 genomen besluit om de particuliere juridische entiteiten te verplichten om interne meldingskanalen op te zetten, wordt ter kennis van de Commissie gebracht, met een motivering en de in de risicobeoordeling gebruikte criteria. De Commissie stelt de overige lidstaten van dat besluit in kennis.

9.  Onder de in lid 1 bedoelde juridische entiteiten in de publieke sector worden verstaan alle publieke juridische entiteiten, met inbegrip van entiteiten die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van een publieke juridische entiteit.

De lidstaten kunnen gemeenten met minder dan 10 000 inwoners of minder dan 50 werknemers of andere entiteiten met minder dan 50 werknemers vrijstellen van de in lid 1 bedoelde verplichting.

De lidstaten kunnen bepalen dat interne meldingskanalen tussen gemeenten worden gedeeld of door gezamenlijke gemeentelijke autoriteiten conform het nationale recht worden beheerd, mits de gedeelde interne kanalen gescheiden en onafhankelijk zijn van de externe kanalen.

Artikel 9

Procedures voor interne meldingen en afhandeling van meldingen

1.  De procedures voor meldingen en de afhandeling daarvan als bedoeld in artikel 8 omvatten:

a)  kanalen voor het ontvangen van meldingen die door hun ontwerp, opzet en beheer op beveiligde wijze de geheimhouding van de identiteit van de melder en van eventuele in de melding genoemde derden waarborgen en waartoe niet-gemachtigde personeelsleden geen toegang hebben;

b)  een bevestiging van ontvangst van de melding aan de melder, binnen een termijn van ten hoogste zeven dagen na ontvangst;

c)  de aanwijzing van een onpartijdige persoon of afdeling die bevoegd is voor de afhandeling van de meldingen, en die dezelfde persoon of afdeling kan zijn als de persoon of afdeling die de meldingen ontvangt, en die de communicatie met de melder zal onderhouden en deze zo nodig nadere informatie zal vragen en feedback zal geven;

d)  een zorgvuldige afhandeling van de melding door de aangewezen persoon of afdeling;

e)  een zorgvuldige afhandeling, indien het nationale recht daarin voorziet, van anonieme meldingen;

f)  een redelijke termijn ▌ om de melder feedback over de afhandeling van de melding te geven, van ten hoogste drie maanden na de ontvangstbevestiging of, indien er geen ontvangstbevestiging is verstuurd, na het verstrijken van de periode van zeven dagen nadat de melding is gedaan;

g)  duidelijke en gemakkelijk toegankelijke informatie over de ▌voorwaarden en de procedures voor externe meldingen aan bevoegde autoriteiten krachtens artikel 10 en, in voorkomend geval, aan instellingen, organen en instanties van de Unie.

2.  De in lid 1, punt a), bedoelde kanalen bieden de mogelijkheid van schriftelijke en/of mondelinge meldingen, via een telefoonlijn of andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder, door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.

HOOFDSTUK III

EXTERNE MELDINGEN EN HUN AFHANDELING

Artikel 10

Melding via externe kanalen

Onverminderd artikel 15 verstrekken melders informatie over binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallende inbreuken door gebruik te maken van de in de artikelen 11 en 12 bedoelde kanalen en procedures nadat zij eerst het interne kanaal hebben gebruikt, dan wel door rechtstreekse melding aan de bevoegde autoriteiten.

Artikel 11

Verplichting om kanalen voor externe melding op te zetten en meldingen te behandelen

1.  De lidstaten wijzen de autoriteiten aan die bevoegd zijn voor het ontvangen van meldingen en voor feedback of follow-up ter zake, en voorzien hen van voldoende middelen.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten:

a)  onafhankelijke en autonome externe meldingskanalen opzetten ▌voor het ontvangen en in behandeling nemen van door de melder verstrekte informatie;

b)  onverwijld, binnen zeven dagen, een bevestiging van de ontvangst van meldingen verzenden, tenzij melders uitdrukkelijk anders hebben verzocht of de bevoegde autoriteiten op redelijke gronden van oordeel zijn dat een bevestiging van ontvangst van meldingen de bescherming van de identiteit van melders in het gedrang zou brengen;

c)  meldingen zorgvuldig afhandelen;

d)  de melder binnen een redelijke termijn, van ten hoogste drie maanden of in naar behoren gemotiveerde gevallen, zes maanden, meedelen welk gevolg er aan de melding is gegeven. De bevoegde autoriteiten stellen de melder volgens de nationaal­rechtelijkeprocedures in kennis van het eindresultaat van het onderzoek;

e)  de informatie in de melding tijdig aan de bevoegde instellingen, organen of instanties van de Unie, naargelang het geval, doorgeven voor verder onderzoek, indien het nationale recht of het Unierecht daarin voorziet.

3.  De lidstaten kunnen bepalen dat bevoegde autoriteiten, na de aangelegenheid naar behoren te hebben beoordeeld, kunnen besluiten dat een gemelde inbreuk duidelijk van geringe betekenis is en geen follow-upmaatregelen krachtens deze richtlijn vereist. Dit geldt onverminderd andere verplichtingen of andere toepasselijke procedures voor het behandelen van gemelde inbreuken, en onverminderd de door deze richtlijn geboden bescherming in samenhang met meldingen via het interne kanaal en/of externe kanalen. In een dergelijke geval stellen de bevoegde autoriteiten de melder in kennis van hun besluit en de motivering daarvan.

4.  De lidstaten kunnen bepalen dat bevoegde autoriteiten kunnen besluiten dat geen gevolg hoeft te worden gegeven aan herhaalde meldingen waarvan de inhoud geen nieuwe informatie van betekenis bevat ten opzichte van een eerdere, reeds afgehandelde melding, tenzij door nieuwe wettelijke of feitelijke omstandigheden een andere follow-up gerechtvaardigd is. In een dergelijk geval stellen zij de melder in kennis van de motivering van hun besluit.

5.  De lidstaten kunnen bepalen dat wanneer bevoegde autoriteiten geconfronteerd worden met grote aantallen meldingen, zij voorrang geven aan de behandeling van meldingen van ernstige inbreuken of van inbreuken op essentiële bepalingen welke binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, onverminderd de in punt b) van lid 2 van dit artikel vermelde termijn.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat elke autoriteit die een melding heeft ontvangen, maar niet bevoegd is om de gemelde inbreuk aan te pakken, de melding binnen een redelijke termijn op beveiligde wijze doorzendt aan de bevoegde autoriteit en dat de melder onverwijld over deze doorgifte wordt geïnformeerd.

Artikel 12

Opzet van kanalen voor externe melding

1.  ▌Kanalen voor externe melding worden als onafhankelijk en autonoom beschouwd, indien zij aan elk van de volgende criteria voldoen:

a)  door hun ontwerp, opzet en beheer waarborgen de kanalen de volledigheid, integriteit en geheimhouding van de informatie en zijn zij niet toegankelijk voor niet-gemachtigde personeelsleden van de bevoegde autoriteit ;

b)  zij bieden de mogelijkheid om, met het oog op verder onderzoek, informatie duurzaam op te slaan overeenkomstig artikel 18.

2.  De kanalen voor externe melding bieden de mogelijkheid van schriftelijke en/of mondelinge meldingen, via de telefoon of andere spraakberichtsystemen, en op verzoek van de melder, door middel van een fysieke ontmoeting binnen een redelijke termijn.

3.  De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat, indien een melding via andere kanalen wordt ontvangen dan de in de leden 1 en 2 genoemde meldingskanalen, of door andere personeels­leden dan degenen die verantwoordelijk zijn voor het in behandeling nemen van meldingen, de personeelsleden die deze hebben ontvangen, geen informatie open­baar maken aan de hand waarvan de identiteit van de melder of van de betrokkene kan worden achterhaald, maar de melding onverwijld en ongewijzigd doorzenden aan de voor de behandeling van meldingen verantwoordelijke ▌personeelsleden.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten beschikken over personeelsleden die verantwoordelijk zijn voor het behandelen van meldingen, en met name voor:

a)  het verstrekken van informatie aan belangstellenden over de meldingsprocedures;

b)  het ontvangen van en afhandelen van meldingen;

c)  het onderhouden van contact met de melder om deze feedback te geven en zo nodig om nadere informatie te verzoeken.

5.  Deze personeelsleden worden specifiek opgeleid voor het behandelen van meldingen.

Artikel 13

Informatie over de ontvangst en afhandeling van meldingen

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten op een afzonderlijke, gemakkelijk herkenbare en toegankelijke pagina van hun website in elk geval de volgende informatie publiceren:

a)  de voorwaarden waaronder melders in aanmerking komen voor bescherming krachtens deze richtlijn;

b)  de contactgegevens voor het gebruik van de externe meldingskanalen in artikel 12 genoemde meldingskanalen, met name de elektronische en postadressen, en de telefoonnummers, met de vermelding of de telefoongesprekken zijn opgenomen ▌;

c)  de procedures die van toepassing zijn op de melding van inbreuken, met inbegrip van de wijze waarop de bevoegde autoriteit de melder kan verzoeken om toelichting van de gemelde informatie of om verstrekking van nadere informatie, de termijn voor het geven van feedback aan de melder alsmede het soort feedback en de inhoud ervan;

d)  de geheimhoudingsregels die van toepassing zijn op meldingen, en met name de informatie over de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig artikel 17 van deze richtlijn, de artikelen 5 en 13 van Verordening (EU) 2016/679, artikel 13 van Richtlijn (EU) 2016/680 en artikel 11 van Verordening (EU) 2018/1725, naargelang het geval;

e)  de wijze waarop meldingen moeten worden afgehandeld;

f)  de beschikbare rechtsmiddelen en procedures tegen represailles en de mogelijkheden tot inwinnen van vertrouwelijk advies voor personen die overwegen tot melding over te gaan;

g)  een verklaring met een duidelijke toelichting van de voorwaarden waarop personen die meldingen doen aan de bevoegde autoriteit, niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor een inbreuk op de geheimhoudingsregels van artikel 21, lid 4.

h)  contactinformatie betreffende de onafhankelijke administratieve autoriteit bedoeld in artikel 20, lid 2.

Artikel 14

Evaluatie van de procedures door de bevoegde autoriteiten

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten hun procedures voor de ontvangst en afhandeling van meldingen van inbreuken regelmatig, maar ten minste om de drie jaar, evalueren. Bij de evaluatie van deze procedures houden de bevoegde autoriteiten rekening met hun eigen ervaring en die van andere bevoegde autoriteiten en passen zij hun procedures dienovereenkomstig aan.

HOOFDSTUK IV

OPENBAARMAKING

Artikel 15

Openbaarmaking

1.  Een persoon die informatie openbaar maakt over inbreuken die binnen het toepassings­gebied van deze richtlijn vallen, komt in aanmerking voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn indien een van de volgende voorwaarden is vervuld:

a)  hij heeft eerst een interne en externe, of alleen een externe melding overeen­komstig de hoofdstukken II en III gedaan, maar er zijn naar aanleiding van die melding geen passende maatregelen genomen binnen de in artikel 9, lid 1, punt f), en artikel 11, lid 2, punt d), genoemde termijn, of

b)  hij had gegronde redenen om aan te nemen dat:

i)  de inbreuk een dreigend of reëel gevaar is voor het algemeen belang, bijvoorbeeld wanneer er sprake is van een noodsituatie of een risico op onherstelbare schade, of

ii)  er een risico op represailles bestaat bij meldingen via een extern kanaal, of het niet waarschijnlijk is dat de inbreuk doeltreffend wordt verholpen, wegens de bijzondere omstandigheden van de zaak, omdat er bijvoorbeeld bewijsmateriaal wordt achtergehouden of vernietigd, of een autoriteit handelt in verstandhouding met de pleger van de inbreuk of met iemand die daarbij is betrokken.

2.  Dit artikel is niet van toepassing op gevallen waarin een persoon rechtstreeks informatie aan de pers verstrekt op grond van specifieke nationale bepalingen tot instelling van een stelsel voor de bescherming van de vrijheid van meningsuiting en informatie.

HOOFDSTUK V

REGELS VOOR INTERNE EN EXTERNE MELDING

Artikel 16

Geheimhoudingsplicht

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de identiteit van de melder niet zonder diens uitdrukkelijke toestemming bekend wordt gemaakt aan anderen dan de gemachtigde personeelsleden die bevoegd zijn voor het ontvangen en/of afhandelen van meldingen. Dit geldt tevens voor alle andere informatie aan de hand waarvan direct of indirect de identiteit van de melder kan worden achterhaald.

2.  In afwijking van lid 1 mag de identiteit van de melder en enige andere informatie bedoeld in lid 1 uitsluitend worden bekendgemaakt indien het gaat om een noodzakelijke en evenredige verplichting krachtens het Unierecht of het nationale recht in de context van onderzoek van nationale autoriteiten of gerechtelijke procedures, mede ter waarborging van de rechten van verdediging van de betrokkene.

3.  Voor dergelijke bekendmakingen gelden passende waarborgen volgens de toepasselijke regels. Meer bepaald wordt, voordat de identiteit van de melder wordt bekendgemaakt, deze daarvan in kennis gesteld, tenzij die informatie het onderzoek of de gerechtelijke procedure in het gedrang zou brengen. De bevoegde autoriteit stuurt de melder samen met de kennisgeving een schriftelijke motivering van de bekendmaking van de vertrouwelijke gegevens toe.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat bevoegde autoriteiten door hen ontvangen meldingen met bedrijfsgeheimen niet gebruiken of bekendmaken voor andere doeleinden dan hetgeen noodzakelijk is voor een gedegen afhandeling van de meldingen.

Artikel 17

Verwerking van persoonsgegevens

Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn, met inbegrip van de uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Richtlijn (EU) 2016/680. Elke uitwisseling of doorgifte van informatie door instellingen, organen en instanties van de Unie geschiedt overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725.

Persoonsgegevens die duidelijk niet relevant zijn voor de behandeling van een specifiek geval, worden niet verzameld, en worden, indien bij toeval verzameld, onmiddellijk gewist.

Artikel 18

Registratie van demeldingen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten een register bijhouden van elke ontvangen melding, in overeen­stemming met de in artikel 16 van deze richtlijn vastgelegde geheimhoudingsvereisten. De meldingen worden niet langer opgeslagen dan noodzakelijk en evenredig is met het oog op de voorschriften waaraan de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten krachtens deze richtlijn moeten voldoen.

2.  Wanneer voor het melden, met instemming van de melder, een telefoonlijn met gespreks­opname of een ander spraakberichtsysteem wordt gebruikt, hebben de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten het recht om de mondelinge melding te registreren op een van de volgende wijzen:

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of

b)  een volledige en nauwkeurige schriftelijke weergave van het gesprek, opgesteld door de voor het behandelen van meldingen verantwoordelijke personeelsleden van de bevoegde autoriteit.

De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

3.  Indien voor de melding een telefoonlijn zonder gespreksopname of een ander spraak­berichtsysteem wordt gebruikt, hebben de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten het recht om de mondelinge melding te registreren in de vorm van een nauwkeurig verslag van het gesprek, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden. De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten bieden de melder de mogelijkheid het verslag van het telefoongesprek te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

4.  Indien een persoon verzoekt om een ontmoeting met de ▌personeelsleden van de bevoegde autoriteiten of van de particuliere en de publieke juridische entiteiten om een melding te doen overeenkomstig artikel 9, lid 2, en artikel 12, lid 2 ▌, zorgen de bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten ervoor, mits de melder hiermee instemt, dat er een volledig en nauwkeurig verslag van de ontmoeting wordt bijgehouden in een duurzame en opvraagbare vorm.

De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten registreren het verslag van de ontmoeting door middel van:

a)  een opname van het gesprek in een duurzame, opvraagbare vorm, of

b)  een nauwkeurig verslag van de ontmoeting, opgesteld door de voor het behandelen van de melding verantwoordelijke personeelsleden.

De bevoegde autoriteiten en de particuliere en de publieke juridische entiteiten bieden de melder de mogelijkheid de schriftelijke weergave van het verslag te controleren, te corrigeren en voor akkoord te tekenen.

HOOFDSTUK VI

BESCHERMINGSMAATREGELEN

Artikel 19

Verbod op represailles ▌

De lidstaten nemen de nodige maatregelen tot het verbieden van elke vorm van represailles, waaronder bedreigingen en pogingen tot represailles, ongeacht of zij direct of indirect zijn, ▌ met name:

a)  schorsing, ontslag of soortgelijke maatregelen;

b)  degradatie of weigering van bevordering;

c)  overdracht van taken, verandering van locatie van de arbeidsplaats, loonsverlaging, verandering van de werktijden;

d)  weigering van opleiding;

e)  negatieve prestatiebeoordeling of arbeidsreferentie;

f)  opleggen of toepassen van een disciplinaire maatregel, berisping of andere sanctie, zoals een financiële sanctie;

g)  dwang, intimidatie, pesterijen en uitsluiting ▌;

h)  discriminatie, benadeling of ongelijke behandeling;

i)  niet-omzetting van een tijdelijke arbeidsovereenkomst in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur, in het geval dat de werknemer de legitieme verwachting had dat hem een betrekking voor onbepaalde duur zou worden aangeboden;

j)  niet-verlenging of vroegtijdige beëindiging van een tijdelijke arbeidsovereenkomst;

k)  schade, met inbegrip van reputatieschade, met name op sociale media, of financieel verlies, met inbegrip van omzetderving en inkomstenderving;

l)  opname op een zwarte lijst op basis van een informele of formele overeenkomst voor een hele sector of bedrijfstak, waardoor de melder geen baan meer vindt in de sector of de bedrijfstak;

m)  vroegtijdige beëindiging of opzegging van een contract voor de levering van goederen of diensten;

n)  intrekking van een vergunning of machtiging.

o)  psychiatrische of medische verwijzingen.

Artikel 20

Steunmaatregelen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 4 bedoelde personen naargelang het geval toegang hebben tot steunmaatregelen, en met name:

i)  gemakkelijke en kosteloze openbare toegang tot volledige en onafhankelijke informatie en adviezen over de beschikbare rechtsmiddelen en procedures die bescherming bieden tegen represailles, alsmede over de rechten van de betrokkene.

ii)  ▌toegang tot effectieve bijstand van bevoegde autoriteiten ten aanzien van elke autoriteit die betrokken is bij de bescherming van de melder tegen represailles, onder meer, voor zover het nationale recht daarin voorziet, bevestiging dat zij in aanmerking komen voor bescherming uit hoofde van deze richtlijn.

iii)  toegang tot rechtshulp in strafprocedures en in grensoverschrijdende civiele procedures overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/1919 en Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad, en toegang tot rechtshulp in verdere procedures en juridisch advies en andere rechtsbijstand overeenkomstig het nationale recht.

2.  De lidstaten kunnen voor melders in het kader van gerechtelijke procedures voorzien in financiële bijstand en steun, met inbegrip van psychologische steun.

3.  De in dit artikel bedoelde steunmaatregelen kunnen naargelang het geval worden aangeboden door een informatiecentrum of een afzonderlijke, duidelijk gedefinieerde, onafhankelijke administratieve autoriteit.

Artikel 21

Maatregelen ter bescherming ▌tegen represailles

1.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat melders die voldoen aan de in artikel 5 genoemde voorwaarden worden beschermd tegen represailles. Daarbij gaat het met name om de in de leden 2 tot en met 8 genoemde maatregelen.

2.  Onverminderd artikel 3, leden 2 en 3, worden personen die overeenkomstig deze richtlijn een melding doen of informatie openbaar maken niet geacht een inbreuk te hebben gepleegd op enige beperking op de openbaarmaking van informatie, en kunnen zij op generlei wijze aansprakelijk worden gesteld voor een dergelijke melding of openbaar­making, mits zij redelijke gronden hadden om aan te nemen dat de melding of de openbaar­making van de informatie noodzakelijk was voor het onthullen van een inbreuk uit hoofde van deze richtlijn.

3.  Melders kunnen niet aansprakelijk worden gesteld voor de verwerving van of de toegang tot de betrokken informatie, tenzij die verwerving of die toegang op zichzelf een strafbaar feit vormde. In dat laatste geval blijft voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid het toepasselijke nationale recht gelden.

4.  Voor elke andere mogelijke aansprakelijkheid van de melders welke voortvloeit uit handelingen of nalatigheden die geen verband houden met de melding of niet nood­zakelijk zijn voor het onthullen van een inbreuk uit hoofde van deze richtlijn, blijft het toepasselijke Unierecht of nationale recht gelden.

5.  In ▌procedures voor een rechtbank of een andere autoriteit welke verband houden met benadeling waarmee de melder is geconfronteerd, wordt, mits de melder aantoont dat hij een melding of openbaarmaking heeft gedaan en met benadeling is geconfronteerd, aangenomen dat de benadeling een represaille was voor de melding of de openbaar­making. In dergelijke gevallen is het aan de persoon die de benadelende maatregel heeft genomen, om aan te tonen dat die maatregel ▌ naar behoren is gemotiveerd.

6.  Melders en facilitators hebben passende toegang tot herstelmaatregelen in verband met represailles, met inbegrip van maatregelen in kort geding, in afwachting van de voltooiing van gerechtelijke procedures, overeenkomstig het nationale kader.

7.  ▌In gerechtelijke procedures, onder meer wegens laster, schending van auteursrechten, schending van de geheimhoudingsplicht, schending van de gegevensbeschermings­voorschriften, openbaarmaking van bedrijfsgeheimen, of wegens verzoeken om schadeloosstelling op grond van privaatrecht, publiekrecht of collectief arbeidsrecht, kunnen melders op generlei wijze aansprakelijk worden gesteld voor een melding of een openbaarmaking overeenkomstig deze richtlijn en hebben zij het recht om op grond van die melding of die openbaarmaking om seponering van de zaak te verzoeken, mits zij redelijke gronden hadden om aan te nemen dat de melding of de openbaarmaking noodzakelijk was voor het onthullen van een inbreuk uit hoofde van deze richtlijn. Indien iemand melding maakt van of informatie openbaar maakt over inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, bedrijfsgeheimen omvatten en aan de voorwaarden van deze richtlijn voldoen, wordt die melding of die openbaar­making rechtmatig geacht onder de voorwaarden van artikel 3, lid 2, van Richtlijn (EU) 2016/943.

8.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om rechtsmiddelen en volledige schadeloosstelling te waarborgen voor melders die voldoen aan de in artikel 5 vermelde voorwaarden overeenkomstig het nationale recht.

Artikel 22

Maatregelen ter bescherming van betrokkenen

1.  De lidstaten zorgen er overeenkomstig het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voor dat de betrokkenen ten volle gebruik kunnen maken van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en de rechten van de verdediging, waaronder het recht om te worden gehoord en het recht op toegang tot het dossier ▌.

2.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat de identiteit van de betrokkenen ▌overeenkomstig het nationale recht wordt beschermd zolang het onderzoek loopt.

3.  De procedures van de artikelen 12, 17 en 18 zijn ook van toepassing op de bescherming van de identiteit van de betrokkenen.

Artikel 23

Sancties

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat er doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties van toepassing zijn op natuurlijke personen of rechtspersonen die:

a)  een melding belemmeren of trachten te belemmeren;

b)  represaillemaatregelen nemen tegen ▌personen bedoeld in artikel 4;

c)  vexatoire procedures aanspannen tegen ▌personen bedoeld in artikel 4;

d)  de in artikel 16 bedoelde verplichting tot geheimhouding van de identiteit van melders schenden.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat er doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op personen toepasselijk zijn indien is aangetoond dat deze bewust onjuiste meldingen of openbaarmakingen hebben verricht. De lidstaten zorgen tevens voor maatregelen tot vergoeding van schade als gevolg van dergelijke meldingen of openbaarmakingen overeenkomstig het nationale recht.

Artikel 24

Geen afstand van rechten en rechtsmiddelen

De lidstaten zien erop toe dat van de rechten en rechtsmiddelen waarin deze richtlijn voorziet, geen ontheffing of beperking mogelijk is door arbeidsovereenkomsten, -beleid, -vormen of -voorwaarden, ook niet door aan geschillen voorafgaande arbitrageovereenkomsten.

HOOFDSTUK VII

SLOTBEPALINGEN

Artikel 25

Gunstiger behandeling en non-regressieclausule

1.  De lidstaten kunnen bepalingen voor de rechten van melders vaststellen of handhaven die gunstiger zijn dan die welke in deze richtlijn zijn vastgelegd, onverminderd artikel 22 en artikel 23, lid 2.

2.  De uitvoering van deze richtlijn vormt onder geen beding een reden voor de verlaging van het in de lidstaten reeds bestaande niveau van bescherming op de onder deze richtlijn vallende gebieden.

Artikel 26

Omzetting en overgangsperiode

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... [2 jaar na de vaststelling] aan deze richtlijn te voldoen.

2.  In afwijking van lid 1 doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... [twee jaar na de omzetting] te voldoen aan de verplichting om een intern kanaal als vermeld in artikel 8, lid 3, op te zetten ten aanzien van juridische entiteiten met meer dan 50 en minder dan 250 werknemers.

3.   Wanneer de lidstaten de in de leden 1 en 2 bedoelde bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten. Zij delen de Commissie de tekst van deze bepalingen onverwijld mee.

Artikel 27

Verslaglegging, evaluatie en toetsing

1.  De lidstaten verstrekken de Commissie alle relevante informatie betreffende de uitvoering en toepassing van deze richtlijn. Uiterlijk op ... [2 jaar na de omzetting] dient de Commissie op basis van de verstrekte informatie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de uitvoering en toepassing van deze richtlijn.

2.  Onverminderd verslagleggingsverplichtingen krachtens andere rechtshandelingen van de Unie, zenden de lidstaten de Commissie jaarlijks, liefst in geaggregeerde vorm, de volgende statistieken over de in hoofdstuk III bedoelde meldingen toe, voor zover die op centraal niveau in de betrokken lidstaat beschikbaar zijn:

a)  het aantal door de bevoegde autoriteiten ontvangen meldingen;

b)  het aantal onderzoeken en procedures dat naar aanleiding van deze verslagen is ingeleid en het ▌resultaat daarvan;

c)  indien vastgesteld, de geschatte financiële schade ▌en de bedragen die zijn teruggevorderd na onderzoeken en procedures met betrekking tot de gemelde inbreuken.

3.  Uiterlijk op … [4 jaar na de omzetting] dient de Commissie, rekening houdend met haar krachtens lid 1 ingediende verslag en de krachtens lid 2 ingediende statistieken van de lidstaten, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met een beoordeling van het effect van de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijn. In dat verslag wordt de toepassing van deze richtlijn geëvalueerd en nagegaan of er aanvullende maatregelen nodig zijn, waaronder eventuele wijzigingen om het toepassingsgebied van deze richtlijn uit te breiden tot andere handelingen of gebieden van de Unie, met name het verbeteren van de werkomgeving ter bescherming van de gezondheid en de veiligheid van werknemers en de arbeidsomstandigheden.

Daarnaast wordt in dat verslag geëvalueerd hoe de lidstaten de bestaande samenwerkings­mechanismen hebben gebruikt in het kader van hun verplichtingen tot be- en afhandelen van meldingen van inbreuken die binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, en meer in het algemeen hoe zij samenwerken in gevallen van inbreuken met een grensoverschrijdende dimensie.

4.  De Commissie maakt de in de leden 1 en 3 genoemde verslagen openbaar en gemakkelijk toegankelijk.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 29

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

Deel I

A.   Artikel 2, punt a) i) –overheidsopdrachten:

1.  Procedurele voorschriften voor het plaatsen van overheidsopdrachten en het gunnen van concessies, voor het gunnen van overeenkomsten op het gebied van defensie ▌en veiligheid, en voor het gunnen van overeenkomsten door entiteiten die werkzaam zijn op het gebied van water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten, en alle andere overeenkomsten of diensten zoals die zijn geregeld bij:

i)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 1);

ii)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65);

iii)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243);

iv)  Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76).

2.  Beroepsprocedures als geregeld bij:

i)  Richtlijn 92/13/EEG van de Raad van 25 februari 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de communautaire voorschriften inzake de procedures voor het plaatsen van opdrachten door diensten die werkzaam zijn in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en telecommunicatie (PB L 76 van 23.3.1992, blz. 14);

ii)  Richtlijn van de Raad van 21 december 1989 houdende de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de toepassing van de beroepsprocedures inzake het plaatsen van overheidsopdrachten voor leveringen en voor de uitvoering van werken (PB L 395 van 30.12.1989, blz. 33).

B.  Artikel 2, punt a), ii) – financiële diensten, producten en markten, en voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

Regels tot vaststelling van een regelgevings- en toezichtskader en van consumenten- en beleggersbescherming op het gebied van financiële diensten en kapitaalmarkten van de Unie, bankdiensten, kredietverstrekking, beleggingen, verzekering en herverzekering, individuele en bedrijfspensioenproducten, effecten, beleggingsfondsen, betalingsdiensten, en de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338), als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaam­heden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7);

ii)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1);

iii)  Verordening (EU) nr. 236/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 betreffende short selling en bepaalde aspecten van kredietverzuimswaps (PB L 86 van 24.3.2012, blz. 1);

iv)  Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1);

v)  Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18);

vi)  Richtlijn 2014/17/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten met betrekking tot voor bewoning bestemde onroerende goederen en tot wijziging van de Richtlijnen 2008/48/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 60 van 28.2.2014, blz. 34);

vii)  Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 77);

viii)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84);

ix)  Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35);

x)  Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 12);

xi)  Richtlijn 2007/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende de uitoefening van bepaalde rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennoot­schappen (PB L 184 van 14.7.2007, blz. 17);

xii)  Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toe­gelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38);

xiii)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1);

xiv)  Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1);

xv)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekerings­bedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1);

xvi)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190);

xvii)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1);

xviii)  Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (herschikking) (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149);

xix)  Richtlijn 97/9/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 maart 1997 inzake de beleggerscompensatiestelsels (PB L 84 van 26.3.1997, blz. 22);

xx)  Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggings­ondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

C.  Artikel 2, punt a), iii) – productveiligheid en productconformiteit:

1.  ▌Veiligheids- en conformiteitseisen voor producten die in de Unie in de handel worden gebracht, als omschreven en geregeld bij:

i)  Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4);

ii)  Harmonisatiewetgeving van de Unie die van toepassing is op vervaardigde producten, daaronder begrepen etiketteringsvoorschriften, met uitzondering van levensmiddelen, diervoeder, geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, levende planten en dieren, producten van menselijke oorsprong en producten van planten en dieren, rechtstreeks verband houdend met toekomstige vermeerdering ervan, zoals vermeld in de bijlagen bij Verordening XX betreffende markttoezicht en productconformiteit(31);

iii)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhang­wagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

2.  Het op de markt brengen en het gebruik van gevoelige en gevaarlijke producten, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.06.2009, blz. 1);

ii)  Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB L 256 van 13.9.1991, blz. 51);

iii)  Verordening (EU) nr. 98/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 over het op de markt brengen en het gebruik van precursoren voor explosieven (PB L 39 van 9.2.2013, blz. 1).

D.  Artikel 2, punt a), iv) – veiligheid van het vervoer:

1.  Veiligheidseisen in de spoorwegsector, als geregeld bij Richtlijn (EU) 2016/798 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 inzake veiligheid op het spoor (PB L 138 van 26.5.2016, blz. 102).

2.  Veiligheidseisen in de burgerluchtvaart, als geregeld bij Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en houdende intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35).

3.  Veiligheidseisen in het wegvervoer, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2008/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur (PB L 319 van 29.11.2008, blz. 59);

ii)  Richtlijn 2004/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake minimumveiligheidseisen voor tunnels in het trans-Europese wegennet (PB L 167 van 30.4.2004, blz. 39);

iii)  Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoer­ondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 51).

4.  Veiligheidseisen in de zeevaart, als geregeld bij:

i)  Verordening (EG) nr. 391/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake gemeenschappelijke voorschriften en normen voor met de inspectie en controle van schepen belaste organisaties (herziening) (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 11);

ii)  Verordening (EG) nr. 392/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de aansprakelijkheid van vervoerders van passagiers over zee bij ongevallen (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 24);

iii)  Richtlijn 2014/90/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 inzake uitrusting van zeeschepen en tot intrekking van Richtlijn 96/98/EG van de Raad (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 146);

iv)  Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 114);

v)  Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PB L 323 van 3.12.2008, blz. 33);

vi)  Richtlijn 98/41/EG van de Raad van 18 juni 1998 inzake de registratie van de opvarenden van passagiersschepen die vanuit of naar havens in de lidstaten van de Gemeenschap varen (PB L 188 van 2.7.1998, blz. 35);

vii)  Richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor veilig laden en lossen van bulkschepen (PB L 13 van 16.1.2002, blz. 9).

5.  Veiligheidseisen als geregeld bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).

E.  Artikel 2, punt a), v) – bescherming van het milieu:

1.   Strafbare feiten ten aanzien van de bescherming van het milieu, als geregeld bij Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28) of onrechtmatige gedragingen waarbij inbreuk wordt gemaakt op de in de bijlagen bij Richtlijn 2008/99/EC vermelde wetgeving;

2.  Bepalingen met betrekking tot milieu en klimaat, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32);

ii)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16);iii) Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1);

iii)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaat­verandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13);

iv)  Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

3.  Bepalingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling en afvalbeheer, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3);

ii)  Verordening (EU) nr. 1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 330 van 10.12.2013, blz. 1);

iii)   Verordening (EU) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 60).

4.  Bepalingen met betrekking tot zee- en luchtverontreiniging en geluidshinder, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 1999/94/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 1999 betreffende de beschikbaarheid van consumenteninformatie over het brandstof­verbruik en de CO2-uitstoot bij de verbranding van nieuwe personenauto's (PB L 12 van 18.1.2000, blz. 16);

ii)  Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen (PB L 309 van 27.11.2001, blz. 22);

iii)  Richtlijn 2002/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 juni 2002 inzake de evaluatie en de beheersing van omgevingslawaai (PB L 189 van 18.7.2002, blz. 12);

iv)  Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PB L 115 van 9.5.2003, blz. 1);

v)   Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56);

vi)  Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11);

vii)  Verordening (EG) nr. 166/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 18 januari 2006 betreffende de instelling van een Europees register inzake de uitstoot en overbrenging van verontreinigende stoffen en tot wijziging van de Richtlijnen 91/689/EEG en 96/61/EG van de Raad (PB L 33 van 4.2.2006, blz. 1);

viii)  Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5);

ix)  Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO 2 -emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1);

x)  Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1);

xi)  Richtlijn 2009/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 inzake fase II-benzinedampterugwinning tijdens het bijtanken van motor­voertuigen in benzinestations (PB L 285 van 31.10.2009, blz. 36);

xii)  Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfs­voertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO 2 -emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1);

xiii)  Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1);

xiv)   Verordening (EU) 2015/757 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de monitoring, de rapportage en de verificatie van kooldioxide-emissies door maritiem vervoer en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 55);

xv)  Richtlijn (EU) 2015/2193 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door middelgrote stookinstallaties (PB L 313 van 28.11.2015, blz. 1).

5.  Bepalingen met betrekking tot water- en bodembescherming en -beheer, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2007/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 over beoordeling en beheer van overstromingsrisico’s (PB L 288 van 6.11.2007, blz. 27);

ii)  Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het water­beleid tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84);

iii)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 18.1.2012, blz. 1).

6.  Bepalingen met betrekking tot de bescherming van de natuur en de biodiversiteit, als geregeld bij:

i)  Verordening (EG) nr. 1936/2001 van de Raad van 27 september 2001 tot vast­stelling van technische maatregelen voor de instandhouding van bepaalde over grote afstanden trekkende visbestanden (PB L 263 van 3.10.2001, blz. 1);

ii)  Verordening (EG) nr. 812/2004 van de Raad van 26.4.2004 tot vaststelling van maatregelen betreffende de bijvangsten van walvisachtigen bij de visserij en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 150 van 30.4.2004, blz. 12);

iii)  Verordening (EG) nr. 1007/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de handel in zeehondenproducten (PB L 286 van 31.10.2009, blz. 36);

iv)  Verordening (EG) nr. 734/2008 van de Raad van 15 juli 2008 betreffende de bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen in volle zee tegen de nadelige effecten van bodemvistuig (PB L 201 van 30.7.2008, blz. 8);

v)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7);

vi)  Verordening (EU) nr. 995/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 tot vaststelling van de verplichtingen van marktdeelnemers die hout en houtproducten op de markt brengen (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 23);

vii)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35);

7.  Bepalingen met betrekking tot chemische stoffen, als geregeld bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1).

8.  Bepalingen met betrekking tot biologische producten, als geregeld bij Verordening (EU) 2018/848 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (PB L 150 van 14.6.2018, blz. 1).

F.  Artikel 2 punt a) vi) – stralingsbescherming en nucleaire veiligheid

Voorschriften inzake nucleaire veiligheid, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2009/71/Euratom van de Raad van 25 juni 2009 tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 172 van 2.7.2009, blz. 18);

ii)  Richtlijn 2013/51/Euratom van de Raad van 22 oktober 2013 tot vaststelling van voor­schriften voor de bescherming van de volksgezondheid tegen radioactieve stoffen in voor menselijke consumptie bestemd water (PB L 296 van 7.11.2013, blz. 12);

iii)  Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom (PB L 13 van 17.1.2014, blz. 1);

iv)  Richtlijn 2011/70/Euratom van de Raad van 19 juli 2011 tot vaststelling van een communautair kader voor een verantwoord en veilig beheer van verbruikte splijtstof en radioactief afval (PB L 199 van 2.8.2011, blz. 48);

v)  Richtlijn 2006/117/Euratom van de Raad van 20 november 2006 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen en bestraalde splijtstof (PB L 337 van 5.12.2006, blz. 21).

vi)  Verordening (Euratom) 2016/52 van de Raad van 15 januari 2016 tot vaststelling van maximaal toelaatbare niveaus van radioactieve besmetting van levensmiddelen en diervoeders ten gevolge van een nucleair ongeval of ander stralingsgevaar en tot intrekking van Verordening (Euratom) nr. 3954/87 en de Verordeningen (Euratom) nr. 944/89 en (Euratom) nr. 770/90 van de Commissie (PB L 13 van 20.1.2016, blz. 2);

vii)  Verordening (Euratom) nr. 1493/93 van de Raad van 8 juni 1993 betreffende de overbrenging van radioactieve stoffen tussen lidstaten van de Europese Gemeenschap (PB L 148 van 19.6.1993, blz. 1).

G.  Artikel 2, punt a), vii) – veiligheid van levensmiddelen en diervoeders, diergezondheid en dierenwelzijn:

1.  Levensmiddelen- en diervoederwetgeving van de Unie waarvoor de algemene beginselen en voorschriften gelden die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

2.  Diergezondheid, als geregeld bij:

i)   Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid ("diergezondheids­wetgeving") (PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1);

ii)  Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1);

3.  Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).

4.   Bepalingen en normen met betrekking tot dierenbescherming en dierenwelzijn, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 98/58/EG van de Raad van 20 juli 1998 inzake de bescherming van voor landbouwdoeleinden gehouden dieren (PB L 221 van 8.8.1998, blz. 23);

ii)  Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (PB L 3 van 5.1.2005, blz. 1);

iii)  Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1);

iv)  Richtlijn 1999/22/EG van de Raad van 29 maart 1999 betreffende het houden van wilde dieren in dierentuinen (PB L 94 van 9.4.1999, blz. 24).

H.  Artikel 2, punt a), viii) – volksgezondheid:

1.  Maatregelen waarbij strenge kwaliteits- en veiligheidsnormen worden vastgesteld voor organen en stoffen van menselijke oorsprong, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het inzamelen, testen, bewerken, opslaan en distribueren van bloed en bloedbestanddelen van menselijke oorsprong en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG van de Raad (PB L 33 van 8.2.2003, blz. 30);

ii)  Richtlijn 2004/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van kwaliteits- en veiligheidsnormen voor het doneren, verkrijgen, testen, bewerken, bewaren en distribueren van menselijke weefsels en cellen (PB L 102 van 7.4.2004, blz. 48);

iii)  Richtlijn 2010/53/EU van het Europees Parlement en de Raad van 7 juli 2010 inzake kwaliteits- en veiligheidsnormen voor menselijke organen, bestemd voor transplantatie (PB L 207 van 6.8.2010, blz. 14).

2.  Maatregelen waarbij strenge kwaliteits- en veiligheidsnormen worden vastgesteld voor geneesmiddelen en medische hulpmiddelen, als geregeld bij:

i)  Verordening (EG) nr. 141/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 inzake weesgeneesmiddelen (PB L 18 van 22.1.2000, blz. 1);

ii)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67);

iii)  Verordening (EU) 2019/6 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 betreffende diergeneesmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 2001/82/EG (PB L 4 van 7.1.2014, blz. 43);

iv)  Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1);

v)  Verordening (EG) nr. 1901/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor pediatrisch gebruik en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1768/92, Richtlijn 2001/20/EG, Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 1);

vi)  Verordening (EG) nr. 1394/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 betreffende geneesmiddelen voor geavanceerde therapie en tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 (PB L 324 van 10.12.2007, blz. 121);

vii)  Verordening (EU) nr. 536/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende klinische proeven met geneesmiddelen voor menselijk gebruik en tot intrekking van Richtlijn 2001/20/EG (PB L 158 van 27.5.2014, blz. 1).

3.   Rechten van patiënten, als geregeld bij Richtlijn 2011/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 betreffende de toepassing van de rechten van patiënten bij grensoverschrijdende gezondheidszorg (PB L 88 van 4.4.2011, blz. 45).

4.  Productie, presentatie en verkoop van tabaks- en aanverwante producten, als geregeld bij Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lid­staten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaks- en aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG (PB L 127 van 29.4.2014, blz. 1).

I.  Artikel 2, punt a), ix) – consumentenbescherming:

Consumentenrechten en consumentenbescherming, als geregeld bij:

i)  Richtlijn 98/6/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende de bescherming van de consument inzake de prijsaanduiding van aan de consument aangeboden producten (PB L 80 van 18.3.1998, blz. 27);

ii)  Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171 van 7.7.1999, blz. 12);

iii)  Richtlijn 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 betreffende de verkoop op afstand van financiële diensten aan consumenten en tot wijziging van de Richtlijnen 90/619/EEG, 97/7/EG en 98/27/EG van de Raad (PB L 271 van 9.10.2002, blz. 16);

iv)  Richtlijn 2005/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2005 betreffende oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten op de interne markt en tot wijziging van Richtlijn 84/450/EEG van de Raad, Richtlijnen 97/7/EG, 98/27/EG en 2002/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 2006/2004 van het Europees Parlement en de Raad ("Richtlijn oneerlijke handels­praktijken") (PB L 149 van 11.6.2005, blz. 22);

v)  Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66);

vi)  Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten, tot wijziging van Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en van Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 85/577/EEG en van Richtlijn 97/7/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 304 van 22.11.2011, blz. 64);

vii)  Richtlijn 2014/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de vergelijkbaarheid van de in verband met betaalrekeningen aangerekende vergoedingen, het overstappen naar een andere betaalrekening en de toegang tot betaalrekeningen met basisfuncties (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 214).

J.  Artikel 2, punt a), x) – bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoons­gegevens, en beveiliging van netwerk- en informatiesystemen:

i)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37);

ii)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1);

iii)  Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).

Deel II

Artikel 3, lid 1, van de richtlijn heeft betrekking op de volgende wetgeving van de Unie:

A.  Artikel 2, punt a), ii) – financiële diensten, producten en markten, en voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

1.  Financiële diensten:

i)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32);

ii)  Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfs­pensioenvoorziening (IBPV's) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37);

iii)  Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaar­rekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87);

iv)  Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (Verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1);

v)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338);

vi)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349);

vii)  Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1);

viii)  Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retail­beleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1);

ix)  Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 1);

x)  Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) (PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19);

xi)  Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).

2.  Voorkoming van witwassen van geld en terrorismefinanciering:

i)  Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73);

ii)  Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1781/2006 (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 1).

B.  Artikel 2, punt a), iv) – veiligheid van het vervoer:

i)  Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burger­luchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18);

ii)  Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid, 2006 (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1);

iii)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).

C.  Artikel 2, punt a), v) – bescherming van het milieu:

i)  Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie betreffende de richtlijn inzake bescherming van personen die inbreuken op het Unierecht melden.

Bij de toetsing op grond van artikel 27 van de richtlijn, zal de Commissie nagaan of het mogelijk is het toepassingsgebied van de richtlijn uit te breiden tot bepaalde handelingen op grond van de artikelen 153 en 157 VWEU, in voorkomend geval na raadpleging van de sociale partners overeenkomstig artikel 154 VWEU.

(1) PB C 405 van 9.11.2018, blz. 1.
(2) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 155.
(3)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(4)PB C […] van […], blz. […].
(5)PB C […] van […], blz. […].
(6)PB C […] van […], blz. […].
(7) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(8)Mededeling van de Commissie getiteld "Het versterken van sanctieregelingen in de financiële sector" (COM(2010)0716 van 8.12.2010).
(9)De toepasselijke wetgeving inzake harmonisatie in de Unie wordt omschreven en opgesomd in Verordening [XXX] tot vaststelling van voorschriften en procedures voor de naleving en de handhaving van de harmonisatiewetgeving van de Unie (2017/0353(COD)).
(10)Geregeld bij Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (PB L 11 van 15.1.2002, blz. 4).
(11)Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart(PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).
(12)Richtlijn 2013/54/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 betreffende bepaalde verantwoordelijkheden van de vlaggenstaat met betrekking tot de naleving en de handhaving van het Verdrag betreffende maritieme arbeid (PB L 329 van 10.12.2013, blz. 1) en Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).
(13)COM(2018)0010.
(14)Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).
(15)Richtlijn 2014/87/Euratom van de Raad van 8 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2009/71/Euratom tot vaststelling van een communautair kader voor de nucleaire veiligheid van kerninstallaties (PB L 219 van 25.7.2014, blz. 42).
(16)Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).
(17)PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.
(18)Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie.
(19)PB C 313 van 23.10.1996, blz. 1.
(20)PB C 151 van 20.5.1997, blz. 1.
(21)PB L 173 van 31.3.2016, blz. 1.
(22)Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2015/2392 van de Commissie van 17 december 2015 bij Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de melding van daadwerkelijke of potentiële inbreuken op deze verordening aan de bevoegde autoriteiten (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 126).
(23)PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.
(24)CM/Rec (2014)7.
(25)Eerder aangehaald.
(26)Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart(PB L 122 van 24.4.2014, blz. 18).
(27)Richtlijn 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende de veiligheid van offshore olie- en gasactiviteiten en tot wijziging van Richtlijn 2004/35/EG (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 66).
(28)Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 89).
(29)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(30)Richtlijn (EU) 2016/1919 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 betreffende rechtsbijstand voor verdachten en beklaagden in strafprocedures en voor gezochte personen in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel (PB L 297 van 4.11.2016, blz. 1).
(31)2017/0353 (COD) - Het betreft een actueel voorstel voor een Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende markttoezicht en product­conformiteit en tot wijziging van Richtlijn 2004/42/EG en de Verordeningen (EG) nr. 765/2008 en (EU) nr. 305/2011, waarin in de bijlage alle geharmoniseerde wetgeving met voorschriften inzake productontwerp en -etikettering is opgenomen.


Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (richtlijn) ***I
PDF 218kWORD 61k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (COM(2018)0092 – C8-0111/2018 – 2018/0041(COD))
P8_TA-PROV(2019)0367A8-0430/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0092),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 53, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0111/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0430/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging

P8_TC1-COD(2018)0041


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(4) en Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(5) hebben onder meer als gemeenschappelijke doelstellingen een gelijk speelveld voor instellingen voor collectieve belegging tot stand te brengen en beperkingen voor het vrije verkeer van rechten van deelneming en aandelen in instellingen voor collectieve belegging in de Unie uit de weg te ruimen, waarbij tegelijkertijd een eenvormiger beleggersbescherming wordt bewerkstelligd. Hoewel deze doelstellingen grotendeels zijn gerealiseerd, bestaan er nog steeds bepaalde belemmeringen die in de weg staan aan de mogelijkheid voor fondsbeheerders om ten volle van de interne markt te profiteren.

(2)  De onderhavige richtlijn wordt aangevuld door Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad(6)(7) Die verordening stelt additionele voorschriften en procedures vast die betrekking hebben op instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) en beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerders). Die verordening en deze richtlijn zouden samen de voorwaarden die gelden voor fondsbeheerders die op de interne markt actief zijn verder moeten coördineren, en tevens de grensoverschrijdende distributie bevorderen van de fondsen zij beheren.

(3)  Het is noodzakelijk de bestaande lacune in de regelgeving op te vullen en de procedure voor kennisgeving aan de bevoegde autoriteiten van de wijzigingen met betrekking tot icbe's ▌gelijk te trekken met de kennisgevingsprocedure die in Richtlijn 2011/61/EU is vastgelegd.

(4)  ▌Verordening (EU) 2019/... versterkt verder ▌ de op publicitaire mededelingen toepasselijke beginselen van Richtlijn 2009/65/EG en breidt het toepassingsgebied van deze beginselen tot abi-beheerders uit, hetgeen in een hoog niveau van beleggersbescherming resulteert, ongeacht het type belegger. De overeenkomstige bepalingen van Richtlijn 2009/65/EG met betrekking tot publicitaire mededelingen en de toegankelijkheid van nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen voor de regeling van de verhandeling van rechten van deelneming in icbe's zijn derhalve niet langer noodzakelijk en moeten worden geschrapt.

(5)  De in Richtlijn 2009/65/EG vervatte bepalingen op grond waarvan icbe's voorzieningen ten behoeve van beleggers beschikbaar moeten stellen, zijn belastend gebleken, gezien de wijze waarop zij in sommige nationale rechtsstelsels ten uitvoer zijn gelegd. Daarnaast maken beleggers zelden gebruik van de lokale voorzieningen op de wijze bedoeld in die richtlijn. De methode die thans bij voorkeur wordt gevolgd om contact op te nemen, is directe interactie tussen beleggers en ▌fondsbeheerders, hetzij langs elektronische weg, hetzij per telefoon, terwijl betalingen en terugbetalingen langs andere kanalen verlopen. Van die lokale voorzieningen wordt thans weliswaar gebruikgemaakt voor administratieve doeleinden, zoals de grensoverschrijdende inning van toezichtvergoedingen, maar het verdient aanbeveling dergelijke zaken op een andere manier te regelen, onder meer via samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten. Er moeten bijgevolg regels worden vastgesteld die de vereisten voor het beschikbaar stellen van voorzieningen voor niet-professionele beleggers moderniseren en nader bepalen, en lidstaten mogen geen lokale fysieke aanwezigheid verlangen voor het beschikbaar stellen van dergelijke voorzieningen. In ieder geval moeten die regels ervoor zorgen dat beleggers toegang hebben tot de informatie waarop zij recht hebben.

(6)  Teneinde een consistente behandeling van niet-professionele beleggers te waarborgen, moeten de vereisten inzake voorzieningen ook voor abi-beheerders gelden wanneer de lidstaten hun toestaan op hun grondgebied rechten van deelneming of aandelen in alternatieve beleggingsinstellingen (abi's) aan niet-professionele beleggers aan te bieden.

(7)  Het ontbreken van duidelijke en eenvormige voorwaarden voor de stopzetting van de verhandeling van rechten van deelneming of aandelen in een icbe of een abi in een lidstaat van ontvangst brengt economische en rechtsonzekerheid voor fondsbeheerders met zich mee. Bij Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU moeten derhalve duidelijke voorwaarden ▌worden vastgesteld waaronder intrekking van de kennisgeving van de regelingen die getroffen zijn voor de verhandeling ten aanzien van sommige of alle rechten van deelneming of aandelen kan plaatsvinden. ▌Die voorwaarden moeten zorgen voor een evenwicht tussen, enerzijds, het vermogen van instellingen voor collectieve belegging of hun beheerders om hun regelingen voor de verhandeling van hun rechten van deelneming of hun aandelen stop te zetten ▌wanneer aan de gestelde voorwaarden is voldaan, en, anderzijds, de belangen van beleggers in dergelijke instellingen ▌.

(8)  De mogelijkheid om de verhandeling van icbe's of abi's in een bepaalde lidstaat stop te zetten, mag geen kosten voor beleggers met zich meebrengen noch afbreuk doen aan hun bescherming uit hoofde van Richtlijn 2009/65/EG of Richtlijn 2011/61/EU, met name wat hun recht op correcte informatie over de voortgezette activiteiten van die fondsen betreft.

(9)  Er zijn gevallen waarin een abi-beheerder die wenst na te gaan in hoeverre beleggers openstaan voor een bepaald beleggingsidee of een bepaalde beleggingsstrategie, wordt geconfronteerd met uiteenlopende behandeling van pre-marketing ▌in verschillende nationale rechtsstelsels. De definitie van pre-marketing en de voorwaarden waaronder zij wordt toegestaan verschillen aanzienlijk tussen de lidstaten waarin zij wordt toegestaan, terwijl in andere lidstaten het concept pre-marketing helemaal niet bestaat. Om die verschillen aan te pakken, moet voor een geharmoniseerde definitie van pre-marketing worden gezorgd en moeten de voorwaarden worden vastgesteld waaronder een EU-abi-beheerder aan pre-marketing kan doen.

(10)  Voor de erkenning van pre-marketing als zodanig uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU, moet zij worden gericht tot potentiële professionele beleggers en betrekking hebben op een beleggingsidee of beleggingsstrategie met de bedoeling na te gaan of zij belangstelling hebben voor een abi die of een compartiment ▌dat nog niet is opgericht of een abi die of compartiment dat wel is opgericht maar waarvoor nog geen kennisgeving voor verhandeling overeenkomstig die richtlijn is gedaan. Tijdens de pre-marketingfase mag het voor beleggers dan ook niet mogelijk zijn op de rechten van deelneming of aandelen in een abi in te schrijven en mag het evenmin zijn toegestaan aanbiedingsdocumenten of vergelijkbare documenten, in ontwerpvorm of in definitieve vorm, onder potentiële professionele beleggers te verspreiden. EU-abi-beheerders moeten ervoor zorgen dat beleggers geen rechten van deelneming of aandelen in een abi verwerven via pre-marketing en dat beleggers die in het kader van pre-marketing zijn benaderd, alleen rechten van deelneming of aandelen in die abi kunnen verwerven door middel van verhandeling die is toegestaan uit hoofde van Richtlijn 2011/61/EU. Elke inschrijving door professionele beleggers, binnen 18 maanden nadat de EU-abi-beheerder tot pre-marketing is overgegaan, op rechten van deelneming of aandelen in een abi waarvan sprake is in de in het kader van de pre-marketing verstrekte informatie, of in een abi die ten gevolge van de pre-marketing is opgericht, moet als het resultaat van verhandeling worden beschouwd en moet onderworpen zijn aan de in Richtlijn 2011/61/EU bedoelde kennisgevingsprocedures. Om ervoor te zorgen dat de bevoegde nationale autoriteiten toezicht kunnen uitoefenen op de pre-marketing in hun lidstaat, moet een EU-abi-beheerder, binnen twee weken na het begin van de pre-marketing, de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst, door middel van een informele brief, per post of langs elektronische weg, in kennis stellen van onder meer de lidstaat of lidstaten waarin hij aan pre-marketing doet of heeft gedaan, de perioden gedurende welke de pre-marketing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, en met inbegrip van, indien relevant, een lijst van zijn abi's en compartimenten van abi's die onder de pre-marketing vallen of vielen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de EU-abi-beheerder moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarin de EU-abi-beheerder aan pre-marketing doet of heeft gedaan hiervan onverwijld in kennis stellen.

(11)  EU-abi-beheerders moeten ervoor zorgen dat hun pre-marketing toereikend is gedocumenteerd.

(12)  De nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die nodig zijn om Richtlijn 2011/61/EU na te leven en, in het bijzonder, de geharmoniseerde regels inzake pre-marketing mogen in geen geval nadeliger zijn voor EU-abi-beheerders dan voor niet-EU-abi-beheerders. Dit geldt zowel voor de huidige toestand waarin niet-EU-abi-beheerders geen paspoortrechten hebben, als voor een toestand waarin de paspoortregeling van Richtlijn 2011/61/EU van kracht wordt.

(13)  Ter wille van de rechtszekerheid is het noodzakelijk de toepassingsdata te synchroniseren van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot uitvoering van deze richtlijn en ▌ verordening (EU) 2019/...(8) ▌met betrekking tot publicitaire mededelingen en pre-marketing.

(14)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(9) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2009/65/EG

Richtlijn 2009/65/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  aan artikel 17, lid 8, worden de volgende alinea's toegevoegd:

▌"

"Als de beheermaatschappij, wegens een wijziging als bedoeld in de eerste alinea, niet meer aan deze richtlijn zou voldoen, delen de ▌bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij de beheermaatschappij binnen een termijn van 15 werkdagen na ontvangst van alle in de eerste alinea bedoelde informatie mee dat deze de wijziging niet mag doorvoeren. In dat geval stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de beheermaatschappij daarvan op de hoogte.

Als een in de eerste alinea bedoelde wijziging toch wordt doorgevoerd nadat overeenkomstig de tweede alinea informatie is doorgegeven en de beheermaatschappij ingevolge die wijziging niet meer aan deze richtlijn voldoet, nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheermaatschappij alle passende maatregelen overeenkomstig artikel 98 en brengen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de beheermaatschappij onverwijld op de hoogte van de genomen maatregelen.";

"

2)  artikel 77 wordt geschrapt;

3)  in artikel 91 wordt lid 3 geschrapt;

4)  artikel 92 wordt vervangen door:"

"Artikel 92

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een icbe in elke lidstaat waar zij voornemens is haar rechten van deelneming te verhandelen, voorzieningen beschikbaar stelt om de volgende taken te vervullen:

   a) de verwerking van inschrijvings-, ▌ inkoop- en terugbetalingsorders ▌en de uitvoering van andere betalingen aan deelnemers met betrekking tot rechten van deelneming in de icbe, in overeenstemming met de in de krachtens hoofdstuk IX vereistedocumenten vervatte voorwaarden;
   b) de mededeling aan beleggers van informatie over de wijze waarop de onder a) bedoelde orders kunnen worden uitgevoerd en waarop de opbrengsten van inkopen en terugbetalingen worden uitgekeerd;
   c) het vergemakkelijken van de behandeling van informatie en de toegang tot procedures en regelingen als bedoeld in artikel 15 met betrekking tot de uitoefening door beleggers van hun rechten uit hoofde van hun belegging in de icbe in de lidstaat waar de icbe wordt verhandeld;
   d) de beschikbaarstelling van de krachtens hoofdstuk IX vereiste informatie en documenten aan beleggers onder de in artikel 94 vastgelegde voorwaarden, ter inzage en voor het verkrijgen van kopieën;
   e) de verstrekking aan beleggers van informatie die dienstig is voor de taken die de voorzieningen vervullen, op een duurzame drager; en
   f) het fungeren als een contactpunt voor de communicatie met de bevoegde autoriteiten.

2.  Voor de toepassing van lid 1 verlangen de lidstaten niet van een icbe ▌dat zij fysiek aanwezig is in de lidstaat van ontvangst of dat zij daartoe een derde aanstelt.

3.  De icbe ▌zorgt ervoor dat de voorzieningen om de in lid 1 bedoelde taken te vervullen, tevens elektronisch, voorhanden zijn:

   a) ▌in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar de icbe wordt verhandeld of in een taal die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat;
   b) ▌door de icbe ▌zelf, door een derde ▌die onderworpen is aan regelgeving en toezicht voor de te vervullen taken, of door beide.

Voor de toepassing van punt b) geldt dat indien de taken door een derde ▌worden vervuld, de benoeming van die derde ▌schriftelijk wordt vastgelegd in een overeenkomst, waarin is bepaald welke in lid 1 genoemde taken niet door de icbe ▌dienen te worden vervuld en dat de derde alle desbetreffende informatie en documenten zal ontvangen van de icbe ▌.";

"

5)  ▌artikel 93 wordt als volgt gewijzigd:

a)  aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"De kennisgevingsbrief bevat ook de gegevens die nodig zijn, waaronder het adres, voor de facturatie of voor de mededeling van eventuele wettelijk vastgestelde vergoedingen of kosten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst en informatie over de voorzieningen voor de uitvoering van de in artikel 92, lid 1, vermelde taken.";

"

b)   ▌lid 8 wordt vervangen door:"

"8. In geval van een wijziging van de informatie in de overeenkomstig lid 1 toegezonden kennisgevingsbrief, of bij een wijziging van de te verhandelen aandelenklassen, stelt de icbe de bevoegde autoriteiten van zowel de lidstaat van herkomst van de icbe als de lidstaat van ontvangst van de icbe ten minste één maand vóór het doorvoeren van de wijziging schriftelijk daarvan in kennis.

Als de icbe wegens een in de eerste alinea bedoelde wijziging niet meer aan deze richtlijn zou voldoen, delen de ▌bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe de icbe binnen een termijn van 15 werkdagen na ontvangst van alle in de eerste alinea bedoelde informatie mee dat deze de wijziging niet mag doorvoeren. In dat geval stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de icbe daarvan op de hoogte.

Als een in de eerste alinea bedoelde wijziging toch wordt doorgevoerd nadat overeenkomstig de tweede ▌alinea informatie is doorgegeven en de icbe ingevolge die wijziging niet meer aan deze richtlijn voldoet, nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe alle passende maatregelen overeenkomstig artikel 98, inclusief, indien nodig, een uitdrukkelijk verbod de icbe te verhandelen, en brengen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de icbe onverwijld op de hoogte van de genomen maatregelen.";

"

6)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 93 bis

1.  ▌De lidstaten ▌zorgen ervoor dat een icbe de kennisgeving van regelingen voor de verhandeling van rechten van deelneming, inclusief, indien relevant, met betrekking tot aandelenklassen, in een lidstaat ▌ten aanzien waarvan zij overeenkomstig artikel 93 ▌een kennisgeving heeft verricht mag intrekken, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

   a) ▌er wordt een algemeen aanbod gedaan om, zonder kosten of inhoudingen, al dergelijke rechten van deelneming ▌in te kopen of terug te kopen welke in het bezit zijn van beleggers in die lidstaat; dit aanbod wordt gedurende ten minste 30 werkdagen openbaar gemaakt en wordt, hetzij rechtstreeks hetzij via financiële tussenpersonen, gericht tot alle beleggers in die lidstaat ▌van wie de identiteit bekend is;
   b) het voornemen om regelingen voor de verhandeling van dergelijke rechten van deelneming stop te zetten in die lidstaat ▌wordt openbaar gemaakt met behulp van een voor het publiek toegankelijk medium, onder meer met behulp van elektronische middelen, dat gebruikelijk is voor de verhandeling van icbe's en dat geschikt is voor het type belegger tot wie de icbe zich richt;
   c) alle contractuele regelingen met financiële tussenpersonen of afgevaardigden worden gewijzigd of beëindigd met ingang van de datum van de intrekking van de kennisgeving om nieuwe of verdere, directe of indirecte, aanbieding of plaatsing van rechten van deelneming die in de in lid 2 bedoelde kennisgeving wordt genoemd, te voorkomen.

In de onder a) en b) bedoelde informatie wordt duidelijk beschreven wat de gevolgen zijn voor beleggers die het aanbod tot inkoop of terugkoop van hun rechten van deelneming niet aanvaarden.

De onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde informatie wordt verstrekt in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat ten aanzien waarvan de icbe overeenkomstig artikel 93 een kennisgeving heeft verricht of in een taal die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat. Met ingang van de in punt c) van de eerste alinea bedoelde datum, zet de icbe nieuwe of verdere, directe of indirecte, aanbieding of plaatsing van haar rechten van deelneming waarop de kennisgeving tot intrekking betrekking had in die lidstaat, stop.

2.  De icbe zendt de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst een kennisgeving die de in lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), bedoelde informatie bevat.

3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe gaan na of de door de icbe overeenkomstig lid 2 ingediende kennisgeving volledig is. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe zenden uiterlijk 15 werkdagen na ontvangst van de ▌volledige kennisgeving, die kennisgeving door naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 bedoelde ▌kennisgeving, alsmede naar de ESMA.

Na doorzending van de kennisgeving overeenkomstig de eerste alinea stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe deze onverwijld van die doorzending in kennis.

4.  De icbe ▌verschaft beleggers die nog steeds beleggingen in de icbe bezitten, evenals de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe, de krachtens de artikelen 68 tot en met 82 en artikel 94 te verstrekken informatie ▌.

5.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe zenden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 van dit artikel bedoelde kennisgeving informatie door over wijzigingen in de in artikel 93, lid 2, bedoelde documenten.

6.   De bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 van dit artikel bedoelde kennisgeving hebben dezelfde rechten en plichten als de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de icbe als bepaald in artikel 21, lid 2, artikel 97, lid 3, en artikel 108. Onverminderd de in artikel 21, lid 2, en artikel 97 bedoelde overige monitoringsactiviteiten en toezichtsbevoegdheden eisen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 van dit artikel bedoelde kennisgeving, vanaf de datum van doorzending overeenkomstig lid 5 van dit artikel, niet van de betrokken icbe dat deze aantoont dat zij voldoet aan de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende verhandelingsvereisten als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad*(10).

7.  Voor de toepassing van lid 4 staan de lidstaten toe dat van alle elektronische of andere middelen voor communicatie op afstand wordt gebruikgemaakt, op voorwaarde dat de informatie en communicatiemiddelen voor beleggers beschikbaar zijn in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar de belegger is gevestigd of in een taal die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat.

_____________

* Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013, (EU) nr. 346/2013 en (EU) nr. 1286/2014 (PB L ...).";

"

7)  in artikel 95, lid 1, wordt punt a) geschrapt.

Artikel 2

Wijzigingen in Richtlijn 2011/61/EU

Richtlijn 2011/61/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)  In artikel 4, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd:"

"aea) "pre-marketing": directe of indirecte verstrekking van informatie of van een mededeling over beleggingsstrategieën of beleggingsideeën door een EU-abi-beheerder, of in zijn naam, aan potentiële professionele beleggers die hun woonplaats of statutaire zetel in de Unie hebben, met de bedoeling na te gaan of deze beleggers belangstelling hebben voor een abi die of compartiment dat nog niet is opgericht, of een abi die of compartiment dat wel is opgericht, maar waarvoor de kennisgeving van verhandeling overeenkomstig artikel 31 of 32 nog niet is ingediend, in de lidstaat waar de potentiële beleggers hun woonplaats of statutaire zetel hebben, en die in geen geval neerkomt op een aanbod aan of plaatsing bij potentiële beleggers om te beleggen in de rechten van deelneming of aandelen in die abi of dat compartiment;";

"

2)  aan het begin van HOOFDSTUK VI wordt het volgende artikel ingevoegd:"

"Artikel 30 bis

Voorwaarden voor pre-marketing in de Unie door een EU-abi-beheerder

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een vergunninghoudende EU-abi-beheerder tot pre-marketing in de Unie mag overgaan, behalve wanneer de aan potentiële professionele beleggers verstrekte informatie:

   a) voldoende is om beleggers in staat te stellen zich ertoe te verbinden rechten van deelneming of aandelen in een bepaalde abi te verwerven;
   b) neerkomt op inschrijvingsformulieren of soortgelijke documenten, hetzij in ontwerpvorm hetzij in definitieve vorm; of
   c) neerkomt op ▌oprichtingsdocumenten, een prospectus of aanbiedingsdocumenten van een nog niet opgerichte abi, in definitieve vorm ▌.

Wanneer een ontwerp van een prospectus of aanbiedingsdocument wordt verstrekt, bevat het document niet voldoende informatie om beleggers in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen, en wordt hierin duidelijk vermeld dat:

   a) het document geen aanbod of uitnodiging vormt om in te schrijven op rechten van deelneming of aandelen in een abi; en
   b) niet mag worden afgegaan op de daarin opgenomen informatie, omdat deze onvolledig is en kan wijzigen.

▌De lidstaten zorgen ervoor dat een EU-abi-beheerder niet verplicht wordt de bevoegde autoriteiten van de inhoud of de geadresseerden van de pre-marketing in kennis te stellen, of andere verplichtingen of voorwaarden te vervullen dan die welke in dit artikel zijn opgenomen, alvorens hij tot pre-marketing overgaat.

2.  EU-abi-beheerders zorgen ervoor dat beleggers geen rechten van deelneming of aandelen in een abi verwerven via pre-marketing en dat beleggers die in het kader van pre-marketing zijn benaderd, alleen rechten van deelneming of aandelen in die abi kunnen verwerven door middel van verhandeling die is toegestaan uit hoofde van artikel 31 of 32.

Elke inschrijving door professionele beleggers, binnen 18 maanden nadat de EU-abi-beheerder tot pre-marketing is overgegaan, op rechten van deelneming of aandelen in een abi waarvan sprake is in de in het kader van de pre-marketing verstrekte informatie, of in een abi die ten gevolge van de pre-marketing is opgericht, wordt als resultaat van de verhandeling beschouwd en de in de artikelen 31 en 32 bedoelde kennisgevingsprocedures zijn erop van toepassing.

De lidstaten zorgen ervoor dat een EU-abi-beheerder uiterlijk twee weken nadat hij met pre-marketing is begonnen, een informele brief zendt, per post of langs elektronische weg, aan de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst. In die brief wordt aangegeven in welke lidstaten en gedurende welke periodes de pre-marketing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, een korte beschrijving van de pre-marketing, met inbegrip van informatie over de gepresenteerde beleggingsstrategieën en, indien relevant, een lijst van abi's en compartimenten van abi's die het voorwerp van pre-marketing zijn of waren. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de EU-abi-beheerder stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waarin de EU-abi-beheerder aan pre-marketing doet of heeft gedaan hiervan onverwijld in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pre-marketing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de EU-abi-beheerder verzoeken aanvullende informatie te verstrekken over de pre-marketing die op zijn grondgebied plaatsvindt of heeft plaatsgevonden.

3.  Een derde zal alleen aan pre-marketing doen namens een vergunninghoudende EU-abi-beheerder wanneer deze een vergunning heeft als beleggingsonderneming overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad*, als kredietinstelling overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad**, als icbe-beheermaatschappij overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG, als abi-beheerder overeenkomstig deze richtlijn, of optreedt als verbonden agent overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU. Voor een dergelijke derde gelden de in dit artikel gestelde voorwaarden.

4.  Een EU-abi-beheerder zorgt ervoor dat pre-marketing toereikend gedocumenteerd is.

_____________

* Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

** Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).”;

"

3)  ▌in artikel 32, lid 7, worden de tweede, derde en vierde alinea vervangen door:"

"Indien, als gevolg van een geplande wijziging, het beheer van de abi door de abi-beheerder niet meer met deze richtlijn zou stroken of de abi-beheerder anderszins niet meer aan deze richtlijn zou voldoen, delen de ter zake bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder de abi-beheerder binnen een termijn van 15 werkdagen na ontvangst van alle in de eerste alinea bedoelde informatie mede dat hij de wijziging niet mag doorvoeren. In dat geval stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van ontvangst van de abi-beheerder hiervan onmiddellijk in kennis.

Indien een geplande wijziging niettegenstaande de eerste en de tweede alinea wordt doorgevoerd of indien een ongeplande wijziging heeft plaatsgehad waardoor het beheer van de abi door de abi-beheerder niet meer met deze richtlijn zou stroken of de abi-beheerder anderszins niet meer aan deze richtlijn zou voldoen, nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder alle vereiste maatregelen overeenkomstig artikel 46, inclusief, indien nodig, een uitdrukkelijk verbod de abi te verhandelen en brengen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de abi-beheerder onverwijld daarvan op de hoogte.

Indien de wijzigingen geen effect hebben op de vraag of het beheer van de abi door de abi-beheerder met deze richtlijn strookt en of de abi-beheerder anderszins aan deze richtlijn voldoet, informeren de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder binnen één maand de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de abi-beheerder over deze wijzigingen.";

"

4)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 32 bis

Intrekking van de kennisgeving van regelingen voor de verhandeling van rechten van deelneming of aandelen in sommige of alle EU-abi's in andere lidstaten dan de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een EU-abi-beheerder de kennisgeving van regelingen voor de verhandeling van sommige of alle rechten van deelneming of aandelen in een ▌abi in een lidstaat ten aanzien waarvan hij overeenkomstig artikel 32 een kennisgeving heeft verricht, mag intrekken, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

   a) behalve voor closed-end abi's en fondsen die geregeld zijn bij Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad*, ▌wordt er een algemeen aanbod gedaan om, zonder kosten of inhoudingen, al dergelijke rechten van deelneming ▌of aandelen in te kopen of terug te kopen welke in het bezit zijn van beleggers in die lidstaat; dit aanbod wordt gedurende ten minste 30 werkdagen openbaar gemaakt en wordt, hetzij rechtstreeks hetzij via financiële tussenpersonen, individueel gericht tot alle beleggers in die lidstaat ▌van wie de identiteit bekend is;
   b) het voornemen om de regelingen voor de verhandeling van rechten van deelneming of aandelen in sommige of alle abi's in die lidstaat stop te zetten, wordt openbaar gemaakt met behulp van een voor het publiek toegankelijk medium, onder meer met behulp van elektronische middelen, dat gebruikelijk is voor de verhandeling van abi's en dat geschikt is voor het type belegger tot wie de abi zich richt;
   c) alle contractuele regelingen met financiële tussenpersonen of afgevaardigden worden gewijzigd of beëindigd met ingang van de datum van de intrekking van de kennisgeving om nieuwe of verdere, directe of indirecte, aanbieding of plaatsing van rechten van deelneming of aandelen die in de in lid 2 bedoelde kennisgeving wordt genoemd, te voorkomen.

Met ingang van de in punt c) van de eerste alinea bedoelde datum, zet de abi-beheerder nieuwe of verdere, directe of indirecte, aanbieding of plaatsing van rechten van deelneming of aandelen in de abi die hij beheert in de lidstaat ten aanzien waarvan hij overeenkomstig lid 2 een kennisgeving heeft ingediend, stop.

2.  De abi-beheerder zendt de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst een kennisgeving die de in lid 1, eerste alinea, onder a), b) en c), bedoelde informatie bevat.

3.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder gaan na of de overeenkomstig lid 2 door de abi-beheerder ingediende kennisgeving volledig is. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder zenden uiterlijk 15 werkdagen na ontvangst van een volledige ▌kennisgeving, die kennisgeving door naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 bedoelde kennisgeving ▌, alsmede naar de ESMA.

Na doorzending van de kennisgeving overeenkomstig de eerste alinea stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder deze onverwijld van die doorzending in kennis.

Gedurende een periode van 36 maanden met ingang van de in lid 1, eerste alinea, onder c), bedoelde datum doet de abi-beheerder niet aan pre-marketing van rechten van deelneming of aandelen in de in de kennisgeving bedoelde EU-abi's, of met betrekking tot vergelijkbare beleggingsstrategieën of beleggingsideeën, in de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 bedoelde kennisgeving.

4.  De abi-beheerder verschaft beleggers die nog steeds beleggingen in de EU-abi bezitten, evenals de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder ▌de krachtens de artikelen 22 en 23 te verstrekken informatie;

5.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder zenden de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 bedoelde kennisgeving informatie door over wijzigingen in de documentatie en informatie bedoeld in de punten b) tot en met f) van bijlage IV.

6.  De bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 van dit artikel bedoelde kennisgeving hebben dezelfde rechten en plichten als de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder als bepaald in artikel 45.

7.   Onverminderd de in artikel 45, lid 3, bedoelde overige toezichtsbevoegdheden eisen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die is aangegeven in de in lid 2 van dit artikel bedoelde kennisgeving, vanaf de datum van doorzending overeenkomstig lid 5 van dit artikel, niet van de betrokken abi-beheerder dat deze aantoont dat hij voldoet aan de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende verhandelingsvereisten als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad**(11).

8.  Voor de toepassing van lid 4 staan de lidstaten toe dat van alle elektronische of andere middelen voor communicatie op afstand wordt gebruikgemaakt.

_____________

* Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98).

** Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013, (EU) nr. 346/2013 en (EU) nr. 1286/2014 (PB L...).”;

"

5)  in artikel 33, lid 6, worden de tweede en derde alinea vervangen door:"

"Indien, als gevolg van een geplande wijziging, het beheer van de abi door de abi-beheerder niet meer met deze richtlijn zou stroken of de abi-beheerder anderszins niet meer aan deze richtlijn zou voldoen, delen de ter zake bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder de abi-beheerder binnen een termijn van 15 werkdagen na ontvangst van alle in de eerste alinea bedoelde informatie mee dat hij de wijziging niet mag doorvoeren.

Indien een geplande wijziging niettegenstaande de eerste en de tweede alinea wordt doorgevoerd of indien een ongeplande wijziging heeft plaatsgehad waardoor het beheer van de abi door de abi-beheerder niet meer met deze richtlijn zou stroken of de abi-beheerder anderszins niet meer aan deze richtlijn zou voldoen, nemen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de abi-beheerder alle vereiste maatregelen overeenkomstig artikel 46 en brengen zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst van de abi-beheerder onverwijld daarvan op de hoogte.";

"

6)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 43 bis

Voorzieningen ten behoeve van niet-professionele beleggers

1.  Onverminderd artikel 26 van Verordening (EU) 2015/760 ▌zorgen de lidstaten ervoor dat een abi-beheerder in elke lidstaat waar hij voornemens is rechten van deelneming of aandelen in een abi aan niet-professionele beleggers te verhandelen, voorzieningen beschikbaar stelt om de volgende taken te vervullen:

   a) de verwerking van inschrijvings-, betaal-, inkoop- en terugbetalingsorders van beleggers met betrekking tot rechten van deelneming of aandelen in de abi, in overeenstemming met de in de ▌documenten van de abi vervatte voorwaarden;
   b) de mededeling aan beleggers van informatie over de wijze waarop de onder a) bedoelde orders kunnen worden uitgevoerd en waarop de opbrengsten van inkopen en terugbetalingen worden uitgekeerd;
   c) het vergemakkelijken van de behandeling van informatie over de uitoefening door beleggers van hun rechten uit hoofde van hun belegging in de abi in de lidstaat waar de abi wordt verhandeld;
   d) de beschikbaarstelling van de krachtens de artikelen 22 en 23 vereiste informatie en documenten aan beleggers, ter inzage en voor het verkrijgen van kopieën;
   e) de verstrekking aan beleggers van informatie die dienstig is voor de taken die door de voorzieningen worden vervuld, op een duurzame drager als omschreven in artikel 2, lid 1, onder m), van Richtlijn 2009/65/EG; en
   f) het fungeren als contactpunt voor de communicatie met de bevoegde autoriteiten.

2.  Voor de toepassing van lid 1 verlangen de lidstaten niet van een abi-beheerder dat hij fysiek aanwezig is in de lidstaat van ontvangst of dat hij daartoe een derde aanstelt.

3.  De abi-beheerder zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde voorzieningen om de taken te vervullen, tevens elektronisch, voorhanden zijn:

   a) ▌in de officiële taal of een van de officiële talen van de lidstaat waar de abi-beheerder wordt verhandeld of in een taal die is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van die lidstaat;
   b) ▌door de abi-beheerder zelf, door een derde ▌die onderworpen is aan regelgeving en toezicht voor de te vervullen taken, of door beide.

Voor de toepassing van punt b) geldt dat indien de taken door een derde worden vervuld, de benoeming van die derde schriftelijk wordt vastgelegd in een overeenkomst, waarin is bepaald welke in lid 1 bedoelde taken niet door de abi-beheerder dienen te worden vervuld en dat de derde alle desbetreffende informatie en documenten zal ontvangen van de abi-beheerder.";

"

7)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 69 bis

Beoordeling van de paspoortregeling

Vóór de inwerkingtreding van de in artikel 67, lid 6, bedoelde gedelegeerde handelingen op grond waarvan de regels van de artikelen 35 en 37 tot en met 41 van kracht worden, dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad, waarbij rekening wordt gehouden met het resultaat van de beoordeling van de paspoortregeling als bepaald in deze richtlijn met inbegrip van een uitbreiding van die regeling tot niet-EU-abi-beheerders. Dat verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel";

"

8)  aan bijlage IV worden de volgende punten toegevoegd:"

"i) de gegevens die nodig zijn, waaronder het adres, voor de facturatie of de mededeling van eventuele wettelijk vastgestelde vergoedingen of kosten door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst;

   j) informatie over de voorzieningen voor de uitvoering van de in artikel 43 bis vermelde taken.";

"

Artikel 3

Omzetting

1.  De lidstaten dienen vóór ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken die nodig zijn om aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Zij passen die bepalingen toe met ingang van ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Evaluatie

Uiterlijk ... [60 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] verricht de Commissie, op basis van een openbare raadpleging en rekening houdend met besprekingen met de ESMA en met de bevoegde autoriteiten, een evaluatie van de toepassing van deze richtlijn. Uiterlijk ... [72 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] brengt de Commissie verslag uit over de toepassing van deze richtlijn.

Artikel 5

Herziening

Uiterlijk ... [48 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn] brengt de Commissie een verslag uit waarin onder meer de voordelen worden beoordeeld van een harmonisering van de bepalingen die van toepassing zijn op icbe-beheermaatschappijen die nagaan of beleggers belangstelling hebben voor een bepaald beleggingsidee of een bepaalde beleggingsstrategie, en of Richtlijn 2009/65/EG daartoe moet worden gewijzigd.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 7

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 50.
(2)PB C 367 van 10.10.2018, blz. 50.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(4) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(5) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
(6) Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013, (EU) nr. 346/2013 en (EU) nr. 1286/2014 (PB L ...).
(7)+ PB: Gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in document PE-CONS …/… (2018/0045(COD)) in te voegen, en in de voetnoot het nummer, de datum en de PB-vindplaats van die verordening.
(8)+ PB: Gelieve in de tekst het nummer in te voegen van de verordening opgenomen in document PE-CONS …/… (2018/0045(COD)).
(9)PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(10)+ PB: Gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in document PE-CONS …/… (2018/0045(COD)) in te voegen, alsook in de voetnoot het nummer, de datum en de PB-vindplaats van die verordening.
(11)+ PB: Gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in document PE-CONS …/… (2018/0045(COD)) in te voegen, alsook in de voetnoot het nummer, de datum en de PB-vindplaats van die verordening.


Grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen (verordening) ***I
PDF 228kWORD 76k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van collectieve beleggingsfondsen en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013 en (EU) nr. 346/2013 (COM(2018)0110 – C8-0110/2018 – 2018/0045(COD))
P8_TA-PROV(2019)0368A8-0431/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0110),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0110/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0431/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende het faciliteren van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging en houdende wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 345/2013, (EU) nr. 346/2013 en (EU) nr. 1286/2014

P8_TC1-COD(2018)0045


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Een uiteenlopende aanpak van regelgeving en toezicht met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van alternatieve beleggingsinstellingen ("abi's"), als omschreven in Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(4), waaronder Europese durfkapitaalfondsen (EuVECA's), als omschreven in Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad(5), Europese sociaalondernemerschapsfondsen (EuSEF's), als omschreven in Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) en Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (Eltif's), als omschreven in Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad(7), alsook instellingen voor collectieve belegging in effecten ("icbe's") in de zin van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(8) resulteert in versnippering en belemmeringen voor de grensoverschrijdende verhandeling en toegang van abi's en icbe's, wat op zijn beurt de verhandeling daarvan in andere lidstaten kan beletten. Een icbe zou, afhankelijk van haar rechtsvorm, extern of intern kunnen worden beheerd. Elke bepaling van deze verordening met betrekking tot icbe-beheermaatschappijen dient van toepassing te zijn op zowel een maatschappij waarvan de normale werkzaamheden bestaan in het beheren van een icbe als een icbe die geen icbe-beheermaatschappij heeft aangewezen.

(2)  Ter versterking van het op instellingen voor collectieve belegging toepasselijke regelgevingskader en ter verbetering van de beleggersbescherming moeten aan beleggers in abi's en icbe’s gerichte publicitaire mededelingen als zodanig herkenbaar zijn en moeten de risico's en de voordelen van het aankopen van rechten van deelneming of van aandelen in een abi of icbe op even opvallende wijze worden beschreven. Daarnaast moet alle in publicitaire mededelingen voor beleggers vervatte informatie op een correcte, duidelijke en niet-misleidende wijze worden gepresenteerd. Om de bescherming van de beleggers te waarborgen en een gelijk speelveld tussen abi's en icbe's tot stand te brengen, moeten de voor publicitaire mededelingen geldende normen derhalve gelijkelijk worden toegepast op publicitaire mededelingen voor abi's en icbe's.

(3)  Publicitaire mededelingen gericht tot beleggers in abi's en icbe's moeten aangeven waar, hoe en in welke taal beleggers een samenvatting kunnen krijgen van hun rechten, en moeten duidelijk vermelden dat de abi-beheerder, de EuVECA-beheerder, de EuSEF-beheerder of de icbe-beheermaatschappij (samen "beheerders van instellingen voor collectieve beleggingen") het recht heeft de regelingen voor verhandeling te beëindigen.

(4)  Ter bevordering van de transparantie en de beleggersbescherming, en van betere toegankelijkheid van de informatie over nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op publicitaire mededelingen, moeten de bevoegde autoriteiten deze informatie, waaronder de niet-officiële samenvattingen daarvan die beheerders van instellingen voor collectieve belegging in staat zouden stellen een algemeen overzicht te krijgen van die wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, op hun website publiceren in ten minste één taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is. De publicatie moet alleen bestemd zijn voor informatieve doeleinden en moet geen wettelijke verplichtingen met zich meebrengen. Om dezelfde redenen moet de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten; ESMA), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(9), een centrale databank opzetten met daarin samenvattingen van nationale vereisten voor publicitaire mededelingen en hyperlinks naar de informatie die gepubliceerd is op de websites van de bevoegde autoriteiten.

(5)  Ter bevordering van goede praktijken op het gebied van beleggersbescherming die verankerd zijn in de nationale vereisten voor correcte en duidelijke publicitaire mededelingen, waaronder de onlineaspecten van dergelijke publicitaire mededelingen, moet de ESMA richtsnoeren vaststellen voor de toepassing van die vereisten op publicitaire mededelingen.

(6)  De bevoegde autoriteiten moeten voorafgaande kennisgeving van publicitaire mededelingen kunnen verlangen met het oog op ex-anteverificatie van de conformiteit van die mededelingen met deze verordening en andere toepasselijke voorschriften, zoals de verificatie of de publicitaire mededelingen als zodanig herkenbaar zijn, of de risico's en voordelen van het aankopen van rechten van deelneming in een icbe en – indien een lidstaat de verhandeling van abi's aan niet-professionele beleggers toestaat – de risico's en voordelen van het aankopen van rechten van deelneming of van aandelen in een abi op even opvallende wijze worden beschreven, en of alle in de publicitaire mededelingen vervatte informatie op een correcte, duidelijke en niet-misleidende wijze wordt gepresenteerd. Die verificatie moet worden uitgevoerd binnen een beperkt tijdsbestek. Indien de bevoegde autoriteiten voorafgaande kennisgeving vereisen, mag dit hun niet verhinderen publicitaire mededelingen achteraf te verifiëren.

(7)  De bevoegde autoriteiten moeten de ESMA in kennis stellen van de resultaten van die verificaties, verzoeken tot wijziging en de eventueel aan de beheerders van instellingen voor collectieve belegging opgelegde sancties. Om enerzijds het bewustzijn omtrent en de transparantie van de regels voor publicitaire mededelingen te vergroten, en om anderzijds de beleggersbescherming te waarborgen, moet de ESMA om de twee jaar een verslag over die regels en de toepassing ervan in de praktijk opstellen, gestoeld op ex-ante- en ex-postverificaties van publicitaire mededelingen door bevoegde autoriteiten, en dit aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie doen toekomen.

(8)  Teneinde een gelijke behandeling van beheerders van instellingen voor collectieve belegging te waarborgen en het hen gemakkelijker te maken om te besluiten of zij tot de grensoverschrijdende distributie van beleggingsfondsen zullen overgaan, is het van belang dat de vergoedingen en kosten die bevoegde autoriteiten innen voor ▌ het toezicht op grensoverschrijdende activiteiten ▌ in verhouding staan tot de uitgevoerde toezichthoudende taken en openbaar worden gemaakt, en dat die vergoedingen en kosten met het oog op meer transparantie op de websites van de bevoegde autoriteiten worden gepubliceerd. Om dezelfde reden moeten hyperlinks naar de op de websites van de bevoegde autoriteiten gepubliceerde informatie over de vergoedingen en kosten worden gepubliceerd op de ESMA-website, om te beschikken over een centraal punt voor informatie. Op de ESMA-website moet ook een interactieve applicatie beschikbaar zijn waarmee een indicatieve berekening kan worden uitgevoerd van die door de bevoegde autoriteiten geïnde vergoedingen en kosten.

(9)  Teneinde vergoedingen en kosten beter te kunnen innen en de transparantie en de duidelijkheid van de structuur van vergoedingen en kosten te verbeteren, moeten beheerders van instellingen voor collectieve belegging, wanneer die vergoedingen of kosten worden geïnd door de bevoegde autoriteiten, een factuur, een individueel verzoek tot betaling of een betalingsopdracht ontvangen waarop duidelijk het verschuldigde bedrag aan vergoedingen of kosten en de te gebruiken betaalmiddelen vermeld staan.

(10)  Aangezien de ESMA overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1095/2010 de marktontwikkelingen op haar bevoegdheidsgebied moet monitoren en beoordelen, is het passend en noodzakelijk de kennis van de ESMA te vergroten door de momenteel bestaande ESMA-databanken uit te breiden met een centrale databank waarin alle abi's en icbe’s die grensoverschrijdend worden verhandeld en de beheerders van deze instellingen voor collectieve belegging zijn vermeld, alsmede alle lidstaten waarin deze verhandeling plaatsvindt. De bevoegde autoriteiten moeten daartoe, en teneinde de ESMA in staat te stellen de centrale databank bij te werken, informatie over de kennisgevingen, kennisgevingsbrieven en informatie die zij uit hoofde van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU hebben ontvangen met betrekking tot grensoverschrijdende verhandelingsactiviteiten en informatie over eventuele wijzigingen van die informatie die moeten worden weergegeven in de databank, doorzenden naar de ESMA. Met het oog hierop moet de ESMA een kennisgevingsportaal creëren waarop de bevoegde autoriteiten alle documenten met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van abi's en icbe's moeten uploaden.

(11)  Teneinde een gelijk speelveld tot stand te brengen tussen in aanmerking komende durfkapitaalfondsen als omschreven in Verordening (EU) nr. 345/2013 of in aanmerking komende sociaalondernemerschapsfondsen als omschreven in Verordening (EU) nr. 346/2013 enerzijds en andere abi's anderzijds, is het noodzakelijk in beide genoemde verordeningen regels inzake pre-marketing op te nemen die identiek zijn aan de in Richtlijn 2011/61/EU vastgelegde regels inzake pre-marketing. Die regels moeten overeenkomstig de genoemde verordeningen vergunninghoudende beheerders in staat stellen zich tot beleggers te richten om na te gaan in hoeverre zij openstaan voor toekomstige beleggingsmogelijkheden of -strategieën via in aanmerking komende durfkapitaalfondsen en in aanmerking komende sociaalondernemerschapsfondsen.

(12)  Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad(10), zijn bepaalde in artikel 32 van die verordening bedoelde maatschappijen en personen vrijgesteld van de verplichtingen uit hoofde van die verordening. In die verordening is tevens bepaald dat de Commissie uiterlijk op 31 december 2018 een evaluatie van deze verordening moet opstellen teneinde onder meer na te gaan of die tijdelijke vrijstelling dient te worden verlengd dan wel of de bepalingen inzake essentiële beleggersinformatie in Richtlijn 2009/65/EG, na de vaststelling van eventuele noodzakelijke aanpassingen, moeten worden vervangen door of gelijkwaardig moeten worden geacht aan het essentiële-informatiedocument als vastgelegd in die verordening.

(13)  Om de Commissie in staat te stellen de evaluatie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1286/2014 uit te voeren zoals oorspronkelijk gepland, moet de uiterste termijn voor deze evaluatie met twaalf maanden worden verlengd. De bevoegde commissie van het Europees Parlement dient de evaluatieprocedure van de Commissie te ondersteunen door een hoorzitting over dit onderwerp te organiseren, met deelname van de relevante belanghebbenden die de belangen van de industrie en de consument vertegenwoordigen.

(14)  Om te voorkomen dat beleggers voor één en dezelfde instelling voor collectieve belegging twee verschillende informatiedocumenten vooraf ontvangen, namelijk een document met essentiële beleggersinformatie als vereist door Richtlijn 2009/65/EG en een essentiële-informatiedocument als vereist door Verordening (EU) nr. 1286/2014, moet, tijdens de vaststelling en uitvoering van de wetgevingshandelingen die voortvloeien uit de door de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1286/2014 uitgevoerde evaluatie, de tijdelijke vrijstelling van de verplichtingen uit hoofde van de laatstgenoemde verordening met 24 maanden worden verlengd. Onverminderd die verlenging dienen alle betrokken instellingen en toezichthoudende autoriteiten ernaar te streven zo snel mogelijk te handelen, teneinde deze tijdelijke vrijstelling te beëindigen.

(15)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om door de ESMA opgestelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen met betrekking tot de standaardformulieren, templates en procedures voor publicatie en kennisgeving door de bevoegde autoriteiten van de op hun grondgebied geldende nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake verhandelingsvereisten en van de samenvattingen daarvan, van het niveau van de door hen geïnde vergoedingen en kosten voor grensoverschrijdende activiteiten, en, in voorkomend geval, van de desbetreffende berekeningsmethoden. Voorts moeten de technische uitvoeringsnormen, met het oog op de bevordering van de doorgifte aan de ESMA, ook worden vastgesteld ten aanzien van de bij de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU vereiste kennisgevingen, kennisgevingsbrieven en informatie over grensoverschrijdende verhandelingsactiviteiten, en ten aanzien van de technische regelingen die nodig zijn voor de werking van het door de ESMA op te richten kennisgevingsportaal. De Commissie dient deze technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

(16)  Het is noodzakelijk te verduidelijken welke informatie elk kwartaal aan de ESMA moet worden doorgegeven met het oog op het bijwerken van de databanken van alle instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders.

(17)  Elke verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze verordening, zoals bij uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten, moet in overeenstemming zijn met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(11), en elke uitwisseling of doorgifte van informatie door de ESMA moet plaatsvinden in overeenstemming met Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad(12).

(18)  Teneinde de bevoegde autoriteiten in staat te stellen de taken uit te voeren die hun door deze verordening zijn opgedragen, moeten de lidstaten waarborgen dat die autoriteiten over alle noodzakelijke toezichts- en onderzoeksbevoegdheden beschikken.

(19)  Uiterlijk ... [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie een evaluatie van de toepassing van deze verordening te verrichten. Bij de evaluatie moet rekening worden gehouden met de marktontwikkelingen en moet worden beoordeeld of de ingevoerde maatregelen tot een verbetering van de grensoverschrijdende distributie van instellingen voor collectieve belegging hebben geleid.

(20)  Uiterlijk ... [twee jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie een verslag over "reverse sollicitation" en aanvragen op eigen initiatief van een belegger te publiceren, waarin zij ingaat op de omvang van die vorm van inschrijving op fondsen, de geografische verspreiding ervan, waaronder in derde landen, en de gevolgen ervan voor de paspoortregeling.

(21)  Ter wille van de rechtszekerheid is het noodzakelijk de toepassingsdata te synchroniseren van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen tot uitvoering van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad(13)(14), en van deze verordening met betrekking tot publicitaire mededelingen en pre-marketing.

(22)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het verbeteren van de marktefficiëntie en het tegelijkertijd tot stand brengen van de kapitaalmarktenunie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat de verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden uniforme regels vastgesteld inzake de publicatie van nationale bepalingen betreffende verhandelingsvereisten voor instellingen voor collectieve belegging en inzake aan beleggers gerichte publicitaire mededelingen, alsmede gemeenschappelijke beginselen betreffende vergoedingen en kosten die van beheerders van instellingen voor collectieve belegging worden geïnd in verband met hun grensoverschrijdende activiteiten. In deze verordening is eveneens voorzien in het opzetten van een centrale gegevensbank betreffende de grensoverschrijdende verhandeling van instellingen voor collectieve belegging.

Artikel 2

Werkingssfeer

Deze verordening is van toepassing op:

a)   beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen;

b)   icbe-beheermaatschappijen, met inbegrip van icbe's die geen icbe-beheermaatschappij hebben aangewezen;

c)   EuVECA-beheerders; en

d)   EuSEF-beheerders.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "alternatieve beleggingsinstellingen" of "abi's": abi's als omschreven in artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2011/61/EU, waaronder EuVECA's, EuSEF's en Eltif's;

b)  "beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen" of "abi-beheerders": abi-beheerders als omschreven in artikel 4, lid 1, onder b), van Richtlijn 2011/61/EU waaraan overeenkomstig artikel 6 van die richtlijn vergunning is verleend;

c)  "EuVECA-beheerder": een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds als omschreven in artikel 3, eerste alinea, onder c), van Verordening (EU) nr. 345/2013 en geregistreerd overeenkomstig artikel 14 van die verordening;

d)  "EuSEF-beheerder": een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds als omschreven in artikel 3, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 346/2013 en geregistreerd overeenkomstig artikel 15 van die verordening;

e)  "bevoegde autoriteiten": bevoegde autoriteiten als omschreven in artikel 2, lid 1, onder h), van Richtlijn 2009/65/EG of in artikel 4, lid 1, onder f), van Richtlijn 2011/61/EU of bevoegde autoriteiten van de EU-abi als omschreven in artikel 4, lid 1, onder h), van Richtlijn 2011/61/EU;

f)  "lidstaat van herkomst": de lidstaat waar de abi-beheerder, de EuVECA-beheerder, de EuSEF-beheerder of de icbe-beheermaatschappij zijn, respectievelijk haar, statutaire zetel heeft;

g)  "icbe": een icbe waaraan overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/65/EG een vergunning is verleend;

h)  "icbe-beheermaatschappij": een beheermaatschappij als omschreven in artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2009/65/EG.

Artikel 4

Vereisten voor publicitaire mededelingen

1.  Abi-beheerders, EuVECA-beheerders, EuSEF-beheerders en icbe-beheermaatschappijen dragen er zorg voor dat alle aan beleggers gerichte publicitaire mededelingen als zodanig herkenbaar zijn, en de risico's en voordelen van het aankopen van rechten van deelneming of van aandelen in een abi of van rechten van deelneming in een icbe op even opvallende wijze beschrijven, en dat alle in publicitaire mededelingen opgenomen informatie correct, duidelijk en niet-misleidend is.

2.  Icbe-beheermaatschappijen dragen er zorg voor dat ▌ publicitaire mededelingen die specifieke informatie over een icbe bevatten, niet in tegenspraak zijn met, noch de betekenis verminderen van de informatie in het in artikel 68 van Richtlijn 2009/65/EG bedoelde prospectus of de in artikel 78 van die richtlijn bedoelde essentiële beleggersinformatie. Icbe-beheermaatschappijen dragen er zorg voor dat alle publicitaire mededelingen vermelden dat er een prospectus bestaat en dat de essentiële beleggersinformatie beschikbaar is. In dergelijke publicitaire mededelingen wordt aangegeven waar, hoe en in welke taal beleggers of potentiële beleggers het prospectus en de essentiële beleggersinformatie kunnen verkrijgen en worden hyperlinks naar die documenten verstrekt of adressen van websites waar die documenten te vinden zijn.

3.  In de in lid 2 bedoelde publicitaire mededelingen wordt vermeld waar, hoe en in welke taal beleggers of potentiële beleggers een samenvatting van hun rechten kunnen vinden; de mededelingen bevatten bovendien een hyperlink naar deze samenvatting, die in voorkomend geval informatie bevat over de mechanismen voor collectief verhaal op Unie- en nationaal niveau die kunnen worden aangewend in het geval van een geschil.

In deze publicitaire mededelingen wordt ook duidelijk aangegeven dat de in lid 1 van dit artikel bedoelde beheerder of beheermaatschappij kan beslissen de regelingen voor de verhandeling van zijn instellingen voor collectieve belegging stop te zetten overeenkomstig artikel 93 bis van Richtlijn 2009/65/EG en artikel 32 bis van Richtlijn 2011/61/EU.

4.  Abi-beheerders, EuVECA-beheerders en EuSEF-beheerders waarborgen dat ▌ publicitaire mededelingen die een uitnodiging tot aankoop van rechten van deelneming of van aandelen in een abi en tevens specifieke informatie over een abi bevatten, niet in tegenspraak zijn met noch de betekenis verminderen van de informatie die overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2011/61/EU, artikel 13 van Verordening (EU) nr. 345/2013 of artikel 14 van Verordening (EU) nr. 346/2013 aan de beleggers moet worden medegedeeld.

5.  Lid 2 van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op abi's die overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad(15) of overeenkomstig nationaal recht een prospectus publiceren, of die regels betreffende de vorm en inhoud van de in artikel 78 van Richtlijn 2009/65/EG bedoelde essentiële beleggersinformatie toepassen.

6.  Uiterlijk ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] zal de ESMA, rekening houdend met onlineaspecten van publicitaire mededelingen, richtsnoeren betreffende de toepassing van de in lid 1 bedoelde vereisten voor dergelijke publicitaire mededelingen uitvaardigen, en deze richtsnoeren vervolgens periodiek actualiseren.

Artikel 5

Publicatie van nationale bepalingen betreffende verhandelingsvereisten

1.  Op hun websites publiceren en onderhouden de bevoegde autoriteiten ten minste in een taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is volledige en actuele informatie over de toepasselijke nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die op verhandelingsvereisten voor abi's en icbe's betrekking hebben, alsmede de samenvattingen daarvan.

2.  De bevoegde autoriteiten stellen de ESMA in kennis van ▌ de hyperlinks naar de websites van de bevoegde autoriteiten waar de in lid 1 bedoelde informatie is gepubliceerd.

De bevoegde autoriteiten stellen de ESMA zonder onnodige vertraging in kennis van elke wijziging in de overeenkomstig de eerste alinea van dit lid verstrekte informatie.

3.  De ESMA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, templates en procedures voor de publicaties en kennisgevingen uit hoofde van dit artikel.

De ESMA dient die ontwerpen van uitvoeringsnormen uiterlijk op ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 6

Centrale ESMA-databank met de nationale bepalingen betreffende verhandelingsvereisten

Uiterlijk op ... [30 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert en onderhoudt de ESMA op haar website een centrale databank met de in artikel 5, lid 1, bedoelde samenvattingen en de in artikel 5, lid 2, bedoelde hyperlinks naar de websites van de bevoegde autoriteiten.

Artikel 7

Ex-anteverificatie van publicitaire mededelingen

1.  Uitsluitend met het oog op de verificatie van de naleving van deze verordening en van de nationale bepalingen betreffende verhandelingsvereisten kunnen de bevoegde autoriteiten voorafgaande kennisgeving verlangen van de publicitaire mededelingen die de ▌ icbe-beheermaatschappijen voornemens zijn direct of indirect te gebruiken in het kader van hun omgang met beleggers.

De in de eerste alinea bedoelde vereiste van voorafgaande kennisgeving vormt geen voorwaarde voorafgaand aan het verhandelen van rechten van deelneming in icbe's en maakt geen deel uit van de in artikel 93 van Richtlijn 2009/65/EG bedoelde kennisgevingsprocedure.

Indien de bevoegde autoriteiten de in de eerste alinea bedoelde voorafgaande kennisgeving verlangen, brengen zij uiterlijk 10 werkdagen na de ontvangst van publicitaire mededelingen, de icbe-beheermaatschappij op de hoogte van elk eventueel verzoek tot wijziging van haar publicitaire mededelingen.

De in de eerste alinea bedoelde voorafgaande kennisgeving kan systematisch of in overeenstemming met andere verificatiepraktijken worden vereist en laat andere toezichthoudende bevoegdheden om publicitaire mededelingen achteraf te verifiëren onverlet.

2.  Bevoegde autoriteiten die voorafgaande kennisgeving van publicitaire mededelingen verlangen, stellen procedures voor dergelijke voorafgaande kennisgeving vast, passen deze procedures toe en publiceren deze op hun websites. De interne regels en procedures waarborgen een transparante en niet-discriminerende behandeling van alle icbe's, ongeacht de lidstaten waarin aan de icbe's vergunning is verleend.

3.  Wanneer ▌abi-beheerders, EuVECA-beheerders of EuSEF-beheerders rechten van deelneming of aandelen in hun abi's aan niet-professionele beleggers verhandelen, zijn de leden 1 en 2 ▌ van overeenkomstige toepassing op die abi-beheerders, EuVECA-beheerders of EuSEF-beheerders.

Artikel 8

ESMA-verslag over publicitaire mededelingen

1.   De bevoegde autoriteiten ▌melden uiterlijk op 31 maart 2021 en vervolgens om de twee jaar de volgende informatie aan de ESMA:

a)  het ▌aantal verzoeken om wijzigingen in de publicitaire mededelingen, ingediend op basis van een ex-anteverificatie, indien van toepassing;

b)  het aantal verzoeken om wijzigingen en genomen besluiten op basis van ex-postverificaties, waarbij een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de vaakst voorkomende inbreuken, met vermelding van een beschrijving en de aard van die inbreuken;

c)  een beschrijving van de vaakst voorkomende inbreuken als bedoeld in artikel 4; en

d)  één voorbeeld van elk van de onder b) en c) bedoelde inbreuken.

2.   Uiterlijk op 30 juni 2021 en vervolgens om de twee jaar brengt de ESMA aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie verslag uit met een overzicht van de in artikel 5, lid 1, vermelde verhandelingsvereisten in alle lidstaten en een analyse van de gevolgen van de nationale wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die publicitaire mededelingen regelen, ook op basis van de informatie ontvangen overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

Artikel 9

Gemeenschappelijke beginselen betreffende vergoedingen of kosten

1.  Indien de bevoegde autoriteiten vergoedingen of kosten innen voor de uitvoering van hun taken in verband met de grensoverschrijdende activiteiten van abi-beheerders, EuVECA-beheerders, EuSEF-beheerders en icbe-beheermaatschappijen's komen die vergoedingen of kosten overeen met de totale kosten die verband houden met de uitoefening van de taken door de bevoegde autoriteit.

2.  Voor de in lid 1 van dit artikel bedoelde vergoedingen of kosten zenden de bevoegde autoriteiten een factuur, een individueel verzoek tot betaling of een betalingsopdracht, waarin duidelijk de te gebruiken betaalmiddelen en de datum waarop de betaling moet plaatsvinden staan vermeld, naar het adres als vermeld in artikel 93, lid 1, derde alinea, van Richtlijn 2009/65/EG of bijlage IV, punt i), van Richtlijn 2011/61/EU.

Artikel 10

Publicatie van nationale bepalingen betreffende vergoedingen en kosten

1.  Uiterlijk op ... [6 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceren en onderhouden de bevoegde autoriteiten op hun websites ▌ actuele informatie met de in artikel 9, lid 1, bedoelde vergoedingen of kosten, dan wel, in voorkomend geval, met de berekeningsmethoden voor die vergoedingen of kosten, en op zijn minst in een taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is.

2.  De bevoegde autoriteiten stellen de ESMA in kennis van de hyperlinks naar de websites van de bevoegde autoriteiten waar de in lid 1 bedoelde informatie wordt gepubliceerd.

3.  De ESMA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op met het oog op de vaststelling van de standaardformulieren, templates en procedures voor de publicaties en kennisgevingen uit hoofde van dit artikel.

De ESMA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op ...[18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 11

ESMA-publicatie betreffende vergoedingen en kosten

1.  Uiterlijk op ... [30 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert de ESMA op haar website de hyperlinks naar de websites van de bevoegde autoriteiten als bedoeld in artikel 10, lid 2. Deze hyperlinks worden up-to-date gehouden.

2.  Uiterlijk op ... [30 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] ontwikkelt en publiceert de ESMA op haar website een interactieve applicatie op zijn minst in een taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is, voor het publiek toegankelijk is en die een indicatieve berekening geeft van de in artikel 9, lid 1, bedoelde vergoedingen of kosten▌. Die applicatie wordt up-to-date gehouden.

Artikel 12

Centrale ESMA-databank betreffende de grensoverschrijdende verhandeling van abi's en icbe's

1.  Uiterlijk op ... [30 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] publiceert ▌ de ESMA op haar website een centrale databank betreffende de grensoverschrijdende verhandeling van abi's en icbe's die in een taal die in de internationale financiële wereld gebruikelijk is voor het publiek toegankelijk is en de volgende informatie bevat:

a)  alle abi's die in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst worden verhandeld, de desbetreffende abi-beheerders, EuVECA-beheerders of EuSEF-beheerders, en een lijst van de lidstaten waarin ze worden verhandeld; en

b)  alle icbe's die in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst van de icbe's worden verhandeld, in de zin van artikel 2, lid 1, onder e), van Richtlijn 2009/65/EG, de desbetreffende icbe-beheermaatschappij en een lijst van de lidstaten waarin ze worden verhandeld.

Die centrale databank wordt up-to-date gehouden.

2.  De in dit artikel en in artikel 13 bedoelde verplichtingen in verband met de in lid 1 van dit artikel vermelde databank doen geen afbreuk aan de verplichtingen in verband met de in artikel 6, lid 1, tweede alinea, van Richtlijn 2009/65/EG bedoelde lijst, het in artikel 7, lid 5, tweede alinea, van Richtlijn 2011/61/EU bedoelde centraal publiek register, de in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 345/2013 bedoelde centrale databank en de in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 346/2013 bedoelde centrale databank.

Artikel 13

Standaardisatie van kennisgevingen aan de ESMA

1.  Elk kwartaal delen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten van herkomst de ESMA de informatie mee die nodig is voor het opzetten en onderhouden van de in artikel 12 van deze verordening bedoelde centrale databank met betrekking tot alle kennisgevingen, kennisgevingsbrieven ▌ en informatie als bedoeld in ▌ artikel 93, lid 1, en artikel 93 bis, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG en artikel 31, lid 2, artikel 32, lid 2, en artikel 32 bis, lid 2, ▌van Richtlijn 2011/61/EU, en alle wijzigingen van die informatie, als die wijzigingen zouden leiden tot een wijziging van de informatie in die centrale databank.

2.  De ESMA richt een kennisgevingsportaal in waarnaar de bevoegde autoriteiten alle in lid 1 bedoelde documenten uploaden.

3.  De ESMA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op tot vaststelling van de mee te delen informatie, alsmede de formulieren, templates en procedures voor het meedelen van de informatie door de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van lid 1, alsook de technische regelingen die nodig zijn voor de werking van het in lid 2 bedoelde kennisgevingsportaal.

De ESMA dient die ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid verleend om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 14

Bevoegdheden van de ESMA en de bevoegde autoriteiten

1.  De bevoegde autoriteiten beschikken over alle toezichthoudende en onderzoeksbevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun taken ingevolge deze verordening.

2.  De krachtens de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU, en de Verordeningen (EU) nr. 345/2013, (EU) nr. 346/2013 en (EU) 2015/760 aan de bevoegde autoriteiten verleende bevoegdheden, waaronder met betrekking tot sancties of andere maatregelen, worden tevens uitgeoefend ten aanzien van de in artikel 4 van deze verordening bedoelde beheerders.

Artikel 15

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 345/2013

Verordening (EU) nr. 345/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)  aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"o) "pre-marketing": directe of indirecte verstrekking van informatie of van een mededeling over beleggingsstrategieën of beleggingsideeën door de beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds, of in zijn naam, aan potentiële beleggers die hun woonplaats of statutaire zetel in de Unie hebben, met de bedoeling na te gaan of deze beleggers belangstelling hebben voor een nog niet opgericht in aanmerking komend durfkapitaalfonds, of voor een opgericht in aanmerking komend durfkapitaalfonds waarvoor nog geen kennisgeving van verhandeling overeenkomstig artikel 15 is ingediend, in de lidstaat waar de potentiële beleggers hun woonplaats of statutaire zetel hebben, waarbij de informatie of mededeling in geen geval neerkomt op een aanbod aan of plaatsing bij potentiële beleggers om te beleggen in rechten van deelneming of aandelen in dat in aanmerking komend durfkapitaalfonds.";

"

2)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 4 bis

1.  Een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds mag tot pre-marketing in de Unie overgaan, behalve wanneer de aan potentiële beleggers verstrekte informatie:

   a) volstaat om beleggers in staat te stellen zich ertoe te verbinden rechten van deelneming of aandelen in een bepaald in aanmerking komend durfkapitaalfonds te verwerven;
   b) neerkomt op ▌ inschrijvingsformulieren of soortgelijke documenten, ofwel in ontwerpvorm, ofwel in definitieve vorm ▌; of
   c) neerkomt op oprichtingsdocumenten, een prospectus of aanbiedingsdocumenten in definitieve vorm van een nog niet opgericht in aanmerking komend durfkapitaalfonds.

Wanneer een ontwerp van een prospectus of aanbiedingsdocument wordt verstrekt, bevat het document niet voldoende informatie om beleggers in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen, en wordt hierin duidelijk vermeld dat:

   a) het document geen aanbod of uitnodiging vormt om in te schrijven op rechten van deelneming of aandelen in een in aanmerking komend durfkapitaalfonds; en
   b) niet mag worden afgegaan op de daarin opgenomen informatie, omdat deze onvolledig is en kan veranderen.

2.  Bevoegde autoriteiten verlangen niet van een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds dat hij de bevoegde autoriteiten kennisgeeft van de inhoud of van de geadresseerden van pre-marketing, noch dat hij voordat hij tot pre-marketing overgaat voldoet aan andere voorwaarden of vereisten dan die welke in dit artikel zijn vermeld.

3.   Beheerders van in aanmerking komende durfkapitaalfondsen zorgen ervoor dat beleggers geen rechten van deelneming of aandelen in een in aanmerking komend durfkapitaalfonds verwerven via pre-marketing en dat beleggers die in het kader van pre-marketing zijn benaderd alleen rechten van deelneming of aandelen in dat in aanmerking komend durfkapitaalfonds kunnen verwerven door verhandeling die is toegestaan uit hoofde van artikel 15.

Elke inschrijving door professionele beleggers, binnen 18 maanden nadat de beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds tot pre-marketing is overgegaan, van rechten van deelneming of aandelen in een in aanmerking komend durfkapitaalfonds waarvan sprake is in de informatie die is verstrekt in het kader van pre-marketing, of in een in aanmerking komend durfkapitaalfonds dat is opgericht naar aanleiding van die pre-marketing, wordt als het resultaat van de verhandeling daarvan beschouwd en valt onder de in artikel 15 vermelde toepasselijke kennisgevingsprocedures.

4.  Een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds zendt uiterlijk twee weken na het begin van de pre-marketing een informele brief, per post of via elektronische weg, aan de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst. In die brief wordt verduidelijkt in welke lidstaten en gedurende welke perioden de pre-marketing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en staat een beknopte beschrijving van de pre-marketing, met inbegrip van informatie over de gepresenteerde beleggingsstrategieën en, in voorkomend geval, een lijst van de in aanmerking komende durfkapitaalfondsen die het onderwerp zijn of waren van pre-marketing. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds stellen onverwijld de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds aan pre-marketing doet of heeft gedaan, in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pre-marketing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds verzoeken aanvullende informatie te verstrekken over de pre-marketing die op zijn grondgebied plaatsvindt of heeft plaatsgevonden.

5.  Een derde mag uitsluitend aan pre-marketing doen namens een vergunninghoudende beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds indien deze een vergunning heeft overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad*, als kredietinstelling overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad**, als icbe-beheermaatschappij overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG, als beheerder van een alternatieve beleggingsinstelling overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU, of indien hij als verbonden agent optreedt overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU. Op een dergelijke derde zijn de in dit artikel bedoelde voorwaarden van toepassing.

6.  Een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds ▌ ziet erop toe dat pre-marketing toereikend wordt gedocumenteerd.

_____________

* Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

** Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

"

Artikel 16

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 346/2013

Verordening (EU) nr. 346/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)  aan artikel 3 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"o) "pre-marketing": directe of indirecte verstrekking van informatie of van een mededeling over beleggingsstrategieën of beleggingsideeën door een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds, of in zijn naam, aan potentiële beleggers die hun woonplaats of statutaire zetel in de Unie hebben, met de bedoeling na te gaan of deze beleggers belangstelling hebben voor een nog niet opgericht in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds, of voor een opgericht in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds waarvoor nog geen kennisgeving van verhandeling overeenkomstig artikel 16 is ingediend, in de lidstaat waar de potentiële beleggers hun woonplaats of statutaire zetel hebben, waarbij de informatie of mededeling in geen geval neerkomt op een aanbod aan of plaatsing bij potentiële beleggers om te beleggen in rechten van deelneming of aandelen in dat in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds.";

"

2)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 4 bis

1.  Een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds mag tot pre-marketing in de Unie overgaan, behalve wanneer de aan potentiële beleggers verstrekte informatie:

   a) volstaat om beleggers in staat te stellen zich ertoe te verbinden rechten van deelneming of aandelen in een bepaald in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds te verwerven;
   b) neerkomt op ▌ inschrijvingsformulieren of soortgelijke documenten, ofwel in ontwerpvorm, ofwel in definitieve vorm ▌; of
   c) neerkomt op oprichtingsdocumenten, een prospectus of aanbiedingsdocumenten in definitieve vorm van een nog niet opgericht in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds.

Wanneer een ontwerp van een prospectus of aanbiedingsdocument wordt verstrekt, bevatten deze documenten niet voldoende informatie om beleggers in staat te stellen een beleggingsbeslissing te nemen, en wordt hierin duidelijk vermeld dat:

   a) deze documenten geen aanbod of uitnodiging vormen om in te schrijven op rechten van deelneming of aandelen in een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds; en
   b) niet mag worden afgegaan op de daarin opgenomen informatie, omdat deze onvolledig is en kan veranderen.

2.  De bevoegde autoriteiten verlangen niet van een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds dat hij de bevoegde autoriteiten kennisgeeft van de inhoud of van de geadresseerden van pre-marketing, noch dat hij voordat hij tot pre-marketing overgaat voldoet aan andere voorwaarden of vereisten dan die welke in dit artikel zijn vermeld.

3.  Beheerders van in aanmerking komende sociaalondernemerschapsfondsen zorgen ervoor dat beleggers geen rechten van deelneming of aandelen in een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds verwerven via pre-marketing activiteiten en dat beleggers die in het kader van pre-marketing zijn benaderd, alleen rechten van deelneming of aandelen in dat in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds kunnen verwerven door verhandeling die is toegestaan uit hoofde van artikel 16.

Elke inschrijving door professionele beleggers, binnen 18 maanden nadat de beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds tot pre-marketing is overgegaan, van rechten van deelneming of aandelen in een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds waarvan sprake is in de informatie die is verstrekt in het kader van pre-marketing, of in een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds dat is opgericht naar aanleiding van die pre-marketing, wordt als het resultaat van de verhandeling daarvan beschouwd en valt onder de in artikel 16 vermelde toepasselijke kennisgevingsprocedures.

4.  Een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds zendt uiterlijk twee weken na het begin van de pre-marketing een informele brief, per post of via elektronische weg, aan de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat van herkomst. In die brief wordt verduidelijkt in welke lidstaten en gedurende welke perioden de pre-marketing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden en staat een beknopte beschrijving van de pre-marketing, met inbegrip van informatie over de gepresenteerde beleggingsstrategieën en, in voorkomend geval, een lijst van de in aanmerking komende sociaalondernemerschapsfondsen die het onderwerp zijn of waren van pre-marketing. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds stellen onverwijld de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds aan pre-marketing doet of heeft gedaan, in kennis. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de pre-marketing plaatsvindt of heeft plaatsgevonden kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst van de beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds verzoeken aanvullende informatie te verstrekken over de pre-marketing die op zijn grondgebied plaatsvindt of heeft plaatsgevonden.

5.  Een derde mag uitsluitend aan pre-marketing doen namens een vergunninghoudende beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds wanneer deze een vergunning heeft overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad*, als kredietinstelling overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad**, als icbe-beheermaatschappij overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG, als beheerder van een alternatieve beleggingsinstelling overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU, of indien hij als verbonden agent optreedt overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU. Op een dergelijke derde zijn de in dit artikel gestelde voorwaarden van toepassing.

6.  Een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds ▌ ziet erop toe dat pre-marketing toereikend wordt gedocumenteerd.

_____________

* Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

** Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).”.

"

Artikel 17

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1286/2014

Verordening (EU) nr. 1286/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 32, lid 1, wordt "31 december 2019" vervangen door "31 december 2021";

2)  artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1, eerste alinea, wordt "31 december 2018" vervangen door "31 december 2019";

b)  in lid 2, eerste alinea, wordt "31 december 2018" vervangen door "31 december 2019";

c)  in lid 4, eerste alinea, wordt "31 december 2018" vervangen door "31 december 2019".

Artikel 18

Evaluatie

Uiterlijk op ... [60 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] verricht de Commissie, op basis van een openbare raadpleging en rekening houdend met besprekingen met de ESMA en met de bevoegde autoriteiten, een evaluatie van de toepassing van deze verordening.

Uiterlijk op ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] dient de Commissie, na overleg met de bevoegde autoriteiten, de ESMA en de andere relevante belanghebbenden, een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over "reverse sollicitation" en aanvragen op eigen initiatief van een belegger, waarin de omvang van dat soort inschrijvingen op fondsen wordt uiteengezet, alsook de geografische spreiding daarvan – ook in derde landen – en de gevolgen daarvan voor de paspoortregeling. In dat verslag wordt tevens onderzocht of het overeenkomstig artikel 13, lid 2, opgerichte kennisgevingsportaal aldus moet worden uitgebouwd dat elke uitwisseling van documenten tussen bevoegde autoriteiten via dit portaal verloopt.

Artikel 19

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van ... [de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Artikel 4, leden 1 tot en met 5, artikel 5, leden 1 en 2, en de artikelen 15 en 16 zijn evenwel van toepassing met ingang van ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 50.
(2)PB C 367 van 10.10.2018, blz. 50.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2019.
(4)Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
(5) Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1).
(6) Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).
(7) Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98).
(8)Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(9) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
(10) Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (priip's) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1).
(11)Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(12)Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).
(13) Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2011/61/EU met betrekking tot de grensoverschrijdende distributie van collectievebeleggingsinstellingen (PB L ...).
(14)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de richtlijn in te voegen die in document PE-CONS 54/19 (2018/0041(COD)) is opgenomen, en in de voetnoot het nummer, de datum en de PB-referentie van die richtlijn in te voegen.
(15)Verordening (EU) 2017/1129 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 betreffende het prospectus dat moet worden gepubliceerd wanneer effecten aan het publiek worden aangeboden of tot de handel op een gereglementeerde markt worden toegelaten en tot intrekking van Richtlijn 2003/71/EG (PB L 168 van 30.6.2017, blz. 12).


Kapitaalvereisten (verordening) ***I
PDF 1369kWORD 474k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 16 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komend vreemd vermogen, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (COM(2016)0850 – C8-0480/2016 – 2016/0360A(COD))
P8_TA-PROV(2019)0369A8-0242/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2016)0850),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0480/2016),

—  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het gemotiveerde advies dat in het kader van Protocol nr. 2 betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid is uitgebracht door de Zweedse Rijksdag, en waarin wordt gesteld dat het ontwerp van wetgevingshandeling niet strookt met het subsidiariteitsbeginsel,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 8 november 2017(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 30 maart 2017(2),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 18 mei 2017 om de Commissie economische en monetaire zaken toestemming te geven om het voornoemde Commissievoorstel te splitsen en op basis daarvan twee afzonderlijke wetgevingsverslagen op te stellen,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0242/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 16 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft de hefboomratio, de nettostabielefinancieringsratio, vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, tegenpartijkredietrisico, marktrisico, blootstellingen aan centrale tegenpartijen, blootstellingen aan instellingen voor collectieve belegging, grote blootstellingen, rapportage- en openbaarmakingsvereisten, en van Verordening (EU) nr. 648/2012

P8_TC1-COD(2016)0360A


(voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(3),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(5),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In de nasleep van de financiële crisis die zich in 2007-2008 afspeelde, heeft de Unie, om de veerkracht van haar financiële instellingen te versterken, een ingrijpende hervorming van het regelgevingskader voor financiële diensten doorgevoerd. Die hervorming was grotendeels gebaseerd op de internationale normen die in 2010 in het Bazels Comité voor bankentoezicht (BCBS) zijn overeengekomen, bekend als het Bazel III-kader. Als een van de vele maatregelen bevatte dit hervormingspakket de vaststelling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad(7), waarmee de prudentiële vereisten voor krediet­instellingen en beleggingsondernemingen (instellingen) zijn aangescherpt.

(2)  Hoewel deze hervorming het financiële bestel stabieler heeft gemaakt en beter heeft gewapend tegen diverse soorten mogelijke toekomstige schokken en crises, heeft zij niet alle vastgestelde problemen opgelost. Een belangrijke reden daarvoor was het feit dat internationale normerende instellingen zoals het BCBS en de Raad voor financiële stabiliteit (FSB) hun werkzaamheden rond internationaal overeengekomen oplossingen voor het aanpakken van die problemen, op dat moment nog niet hadden voltooid. Nu die werkzaamheden inzake belangrijke aanvullende hervormingen zijn afgerond, moeten de resterende problemen worden aangepakt.

(3)  In haar mededeling van 24 november 2015 getiteld: "Naar de voltooiing van de bankenunie", onderkende de Commissie dat de risico's verder moeten afgebouwd en beloofde zij met een wetgevingsvoorstel te komen dat op internationaal overeengekomen normen voortbouwt. Ook de Raad, in zijn conclusies van 17 juni 2016, en het Europees Parlement, in zijn resolutie van 10 maart 2016 over de bankenunie — jaarverslag 2015(8), onderkenden dat verdere concrete wetgevende stappen moeten worden gezet wat betreft het afbouwen van risico's in de financiële sector.

(4)  Risicoverminderende maatregelen moeten niet alleen de veerkracht van het Europese bankenstelsel en het vertrouwen van de markten erin verder versterken, maar ook de grondslag leggen voor verdere vooruitgang bij de voltooiing van de bankenunie. Die maatregelen moeten ook worden bezien tegen de achtergrond van ruimere uitdagingen waar de Unie-economie voor staat, met name de noodzaak om groei en banen te stimuleren in tijden van onzekere economische vooruitzichten. In die context zijn diverse belangrijke beleidsinitiatieven genomen, zoals het investeringsplan voor Europa en de kapitaalmarktenunie, teneinde de economie van de Unie te versterken. Daarom is een vlotte wisselwerking nodig tussen alle risicoverminderende maatregelen en die beleids­initiatieven, alsmede de ruimere recente hervormingen in de financiële sector.

(5)  De bepalingen van deze verordening moeten gelijkwaardig zijn met internationaal overeengekomen normen en moeten waarborgen dat Richtlijn 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 575/2013 gelijkwaardig blijven met het Bazel III-kader. De gerichte aanpassingen om rekening te houden met specifieke Uniekenmerken en ruimere beleidsoverwegingen moeten beperkt blijven in omvang of in tijd, zodat de algehele soliditeit van het prudentiële kader niet in het gedrang komt.

(6)  Bestaande risicoverminderende maatregelen en, met name, rapportage- en openbaar­makingsvereisten moeten ook worden verbeterd zodat ze evenrediger kunnen worden toegepast en geen aanleiding geven tot buitensporige regeldruk, inzonderheid voor kleinere en minder complexe instellingen.

(7)   Met het oog op gerichte vereenvoudigingen van de vereisten conform het evenredigheidsbeginsel is een precieze definitie nodig van kleine en niet-complexe instellingen. Een eenvormige absolute drempel alleen houdt geen rekening met de bijzondere kenmerken van de nationale bankenmarkten. De lidstaten moeten daarom gebruik kunnen maken van hun discretionaire bevoegdheid om de drempel in overeenstemming te brengen met nationale omstandigheden en in voorkomend geval naar beneden bij te stellen. Aangezien de omvang van een instelling alleen niet doorslaggevend is voor het risicoprofiel ervan, moet er door middel van aanvullende kwalitatieve criteria voor worden gezorgd dat een instelling pas als kleine en niet-complexe instelling wordt aangemerkt en gebruik kan maken van meer evenredige regels indien zij aan alle toepasselijke criteria voldoet.

(8)  Hefboomratio's dragen bij tot het behoud van financiële stabiliteit doordat ze als achtervangmechanisme voor risicogebaseerde kapitaalvereisten functioneren en doordat ze de opbouw van buitensporige hefboomwerking tijdens een economische opleving inperken. Het BCBS heeft de internationale norm inzake de hefboomratio herzien om bepaalde aspecten van de vorm van die ratio te specificeren. Verordening (EU) nr. 575/2013 moet op de herziene norm worden afgestemd zodat internationaal een gelijk speelveld heerst voor binnen de Unie gevestigde instellingen die buiten de Unie actief zijn, en de hefboomratio een effectieve aanvulling blijft op risicogebaseerde eigenvermogens­vereisten. Daarom moet een hefboomratiovereiste worden geïntroduceerd als aanvulling op het bestaande stelsel voor rapportage en openbaarmaking van de hefboomratio.

(9)  Om de kredietverstrekking door instellingen aan bedrijven en particuliere huishoudens niet nodeloos te belemmeren en om ongewenste negatieve effecten op de marktliquiditeit te voorkomen, moet het hefboomratiovereiste worden vastgesteld op een niveau waar het als een geloofwaardig achtervangmechanisme voor het risico op buitensporige hefboom­werking functioneert, zonder de economische groei af te remmen.

(10)  De bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(9) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) (EBA), concludeerde in haar verslag aan de Commissie van 3 augustus 2016 over het hefboom­ratiovereiste dat een op 3 % geijkte hefboomratio voor tier 1-kapitaal voor iedere soort kredietinstelling een geloofwaardig achtervangmechanisme zou zijn. Over een hefboom­ratiovereiste van 3 % werd ook overeenstemming bereikt op internationaal niveau in het BCBS. Daarom moet het hefboomratiovereiste op 3 % worden geijkt.

(11)  Een hefboomratiovereiste van 3 % zou bepaalde bedrijfsmodellen en branches evenwel meer belemmeren dan andere. De openbare kredietverstrekking via publieke ontwikkelingsbanken en exportkredieten met overheidssteun zou hieronder met name disproportioneel lijden. Voor die soorten blootstellingen moet de hefboomratio derhalve worden aangepast. Bijgevolg moeten voor het helpen verifiëren van het publieke mandaat van die kredietinstellingen duidelijke criteria worden vastgesteld die betrekking hebben op aspecten zoals vestiging, soort activiteiten, doelstelling, waarborgregelingen door overheidsorganen en beperkingen van de depositoactiviteiten. Onder welke vorm en op welke wijze die kredietinstellingen worden opgezet, moet evenwel aan de centrale, regionale of lokale overheid van de lidstaat worden overgelaten; zo kunnen die overheden een nieuwe kredietinstelling oprichten of een reeds bestaande entiteit verwerven of overnemen, onder meer via concessies en in het kader van afwikkelingsprocedures.

(12)  Een hefboomratio mag instellingen ook niet verhinderen centrale clearingdiensten te verstrekken voor cliënten. Daarom moeten de initiële marges op centraal geclearde derivatentransacties die instellingen ▌van hun cliënten ontvangen en aan centrale tegen­partijen (CTP's) doorgeven, van de maatstaf van totale blootstelling worden uitgesloten.

(13)   In uitzonderlijke omstandigheden die rechtvaardigen dat bepaalde blootstellingen aan centrale banken worden uitgesloten van de hefboomratio, en met het oog op een vlottere uitvoering van het monetaire beleid, moeten de bevoegde autoriteiten die blootstellingen tijdelijk kunnen uitsluiten van de maatstaf van totale blootstelling. Daartoe moeten zij publiekelijk, na overleg met de betrokken centrale bank, verklaren dat die uitzonderlijke omstandigheden zich voordoen. Het hefboomratio­vereiste moet evenredig worden herijkt om het effect van de uitsluiting te compenseren. Door deze herijking worden risico's voor de financiële stabiliteit met negatieve gevolgen voor de betrokken banksectoren uitgesloten en blijft de door de hefboomratio geboden veerkracht gehandhaafd.

(14)  Voor instellingen die overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU en de in december 2017 gepubliceerde normen van het BCBS inzake een hefboomratiobuffer voor mondiaal systeemrelevante banken (MSB's) als mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) zijn aangemerkt, moet een hefboomratiobuffervereiste worden ingevoerd. De hefboomratiobuffer werd door het BCBS geijkt met als specifiek doel de naar verhouding grotere risico's voor de financiële stabiliteit die uitgaan van MSB's te limiteren en moet in dit stadium derhalve alleen op MSI's worden toegepast. Er moet echter nog verder onderzoek worden verricht om na te gaan of het dienstig zou zijn het hefboomratiobuffervereiste toe te passen op andere systeemrelevante instellingen (“ASI's”) in de zin van Richtlijn 2013/36/EU en, als dat het geval is, op welke manier de ijking moet worden aangepast aan de specifieke kenmerken van deze instellingen.

(15)  Op 9 november 2015 heeft de FSB ▌de nadere kenmerken van de totale verliesabsorptie­capaciteit ("total loss-absorbing capacity" - TLAC) (hierna genoemd “de TLAC-norm”) bekendgemaakt, die op de G20-top van november 2015 in Turkije zijn goedgekeurd. Volgens de TLAC-norm moeten MSB's een voldoende groot volume sterk verliesabsorberende (bail-inbare) passiva aanhouden, om bij een afwikkeling te kunnen zorgen voor een soepele en snelle verliesabsorptie en herkapitalisatie. De TLAC-norm moet in Unierecht worden omgezet.

(16)  Bij de omzetting van de TLAC-norm in Unierecht moet rekening worden gehouden met het in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(10) beschreven instellingsspecifieke minimumvereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva (MREL). Aangezien met de TLAC -norm en de MREL dezelfde doelstelling wordt nagestreefd – ervoor zorgen dat instellingen voldoende verliesabsorptiecapaciteit hebben – moeten de twee vereisten complementaire onderdelen van een gemeenschappelijk raamwerk zijn. Concreet moet het geharmoniseerde minimumniveau van de TLAC-norm worden ingevoerd in Verordening (EU) nr. 575/2013 via een nieuw vereiste voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva, terwijl de instellingsspecifieke opslagfactor voor MSI's en het instellings­specifieke vereiste inzake niet-MSI's moeten worden ingevoerd via gerichte wijzigingen van Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad(11). De bepalingen waarmee de TLAC-norm in Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt ingevoerd, moeten worden gelezen in samenhang met de bepalingen die worden opgenomen in Richtlijn 2014/59/EU en Verordening (EU) nr. 806/2014, en met Richtlijn 2013/36/EU.

(17)  Conform de TLAC-norm, die alleen betrekking heeft op MSB's, moet het bij deze verordening ingevoerde minimumvereiste voor een toereikend bedrag aan eigen vermogen en sterk verliesabsorberende passiva alleen gelden voor MSI's. De in deze verordening opgenomen regels voor in aanmerking komende passiva moeten evenwel gelden voor alle instellingen, in overeenstemming met de complementaire aanpassingen en vereisten in Richtlijn 2014/59/EU.

(18)  Net zoals bij de TLAC-norm het geval is, moet het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelden voor af te wikkelen entiteiten die zelf MSI's zijn of deel uitmaken van een als MSI aangemerkte groep. Afhankelijk van de vraag of dit soort af te wikkelen entiteiten zelfstandige instellingen zonder dochterondernemingen zijn, dan wel moederondernemingen, moet het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelden op individuele basis of op geconsolideerde basis.

(19)  Richtlijn 2014/59/EU biedt de mogelijkheid om afwikkelingsinstrumenten niet alleen voor instellingen te gebruiken, maar ook voor financiële holdings en gemengde financiële holdings. Financiële moederholdings en gemengde financiële moederholdings moeten dus net als moederinstellingen over voldoende verliesabsorptiecapaciteit beschikken.

(20)  Opdat het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva effect sorteert, is het van essentieel belang dat de instrumenten die worden aangehouden om aan dat vereiste te voldoen, een hoge verliesabsorptiecapaciteit hebben. Passiva die van het in Richtlijn 2014/59/EU bedoelde bail-in-instrument zijn uitgesloten, hebben niet die capaciteit, en dat is evenmin het geval bij andere passiva die in beginsel misschien wel bail-inbaar zijn, maar problemen kunnen doen rijzen wanneer zij in de praktijk deel van een bail-in uitmaken. Die passiva mogen derhalve niet worden geacht in aanmerking te komen voor het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. Daartegenover staat dat kapitaalinstrumenten, evenals achtergestelde verplichtingen, een hoge verliesabsorptiecapaciteit hebben. Ook het verliesabsorptiepotentieel van passiva met dezelfde rang als bepaalde uitgesloten passiva moet, in lijn met de TLAC-norm, tot op zekere hoogte worden erkend.

(21)  Om te voorkomen dat passiva voor de toepassing van het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva dubbel worden geteld, moeten voor de aftrek van aangehouden in aanmerking komende passivabestanddelen regels worden ingevoerd die een afspiegeling zijn van de overeenkomstige aftrekbenadering die in Verordening (EU) nr. 575/2013 al voor kapitaalinstrumenten is ontwikkeld. Volgens die benadering moeten aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten eerst worden afgetrokken van in aanmerking komende passiva en, voor zover er onvoldoende passiva zijn, vervolgens van tier 2-kapitaalinstrumenten.

(22)  De TLAC-norm bevat een aantal criteria om passiva in aanmerking te nemen die strenger zijn dan de bestaande criteria om kapitaalinstrumenten in aanmerking te nemen. Met het oog op coherentie moeten de criteria om kapitaalinstrumenten in aanmerking te nemen, vanaf 1 januari 2022 dienovereenkomstig worden aangepast wat betreft het niet in aanmerking nemen van via special purpose entities uitgegeven instrumenten.

(23)  Voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten moet er een duidelijke en transparante goedkeuringsprocedure komen die ertoe kan bijdragen dat deze instrumenten een hoge kwaliteit behouden. Daarom moeten bevoegde autoriteiten de taak krijgen deze instrumenten goed te keuren voordat instellingen ze als tier 1-kernkapitaal mogen aanmerken. Bevoegde autoriteiten hoeven evenwel geen voorafgaande goedkeuring verlangen voor tier 1-kernkapitaalinstrumenten die zijn uitgegeven op basis van reeds door de bevoegde autoriteit goedgekeurde juridische documentatie en die vallen onder wezenlijk dezelfde bepalingen als die welke gelden voor kapitaalinstrumenten waarvoor de instelling voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft verkregen om ze als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken. In dat geval moeten instellingen, in plaats van een voorafgaande goedkeuring te vragen, hun bevoegde autoriteiten in kennis kunnen stellen van hun voornemen om dergelijke instrumenten uit te geven. Dat moet geruime tijd voor de indeling van de instrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten gebeuren zodat de bevoegde autoriteiten de tijd hebben om deze instrumenten indien nodig te evalueren. Gelet op de taak van de EBA om de convergentie tussen toezichts­praktijken te bevorderen en de kwaliteit van eigenvermogensinstrumenten te verbeteren, moeten de bevoegde autoriteiten de EBA raadplegen alvorens nieuwe vormen van tier 1‑kernkapitaalinstrumenten goed te keuren.

(24)  Kapitaalinstrumenten komen slechts in aanmerking als aanvullend tier 1-of tier 2-instrumenten voor zover zij aan de toepasselijke toelaatbaarheidscriteria voldoen. Die kapitaalinstrumenten kunnen eigen vermogen of verplichtingen omvatten, waaronder achtergestelde leningen die aan die criteria voldoen.

(25)  Kapitaalinstrumenten of delen van kapitaalinstrumenten mogen alleen als eigen­vermogensinstrumenten worden aangemerkt voor zover zij zijn volgestort. Zolang delen van een instrument niet zijn volgestort, mogen zij niet als eigenvermogensinstrumenten worden aangemerkt.

(26)  Eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva mogen niet vallen onder verrekenings- of salderingsovereenkomsten die in geval van afwikkeling de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten. Dit mag niet betekenen dat in de voor de passiva geldende contractuele bepalingen een clausule moet worden opgenomen waarin uitdrukkelijk wordt vermeld dat het instrument niet onder verrekenings- of salderingsrechten valt.

(27)  Nu de bankensector zich in een steeds digitalere omgeving ontwikkelt, wordt software een belangrijker soort activa. Prudent gewaardeerde softwareactiva waarvan de waarde niet wezenlijk wordt beïnvloed door de afwikkeling, insolventie of liquidatie van een instelling, mogen niet worden onderworpen aan de aftrek van immateriële activa van tier 1-kernkapitaalbestanddelen. Deze verduidelijking is belangrijk, omdat software een breed concept is dat betrekking heeft op veel soorten activa die niet allemaal hun waarde behouden in een "gone concern"-situatie. In dit verband moet rekening worden gehouden met verschillen in de waardering en afschrijving van softwareactiva en de gerealiseerde verkopen van die activa. Voorts moet rekening worden gehouden met internationale ontwikkelingen en verschillen in de manier waarop software-investeringen in de regel­geving worden behandeld, met verschillende prudentiële regels die van toepassing zijn op instellingen en verzekeringsondernemingen, alsmede met de diversiteit van de financiële sector in de Unie, meer bepaald met niet-gereglementeerde entiteiten zoals financiële technologiebedrijven.

(28)  Om cliff-edge-effecten te voorkomen, moet met betrekking tot bepaalde toelaatbaarheids­criteria grandfathering worden toegepast op bestaande instrumenten. Voor passiva die zijn uitgegeven vóór ... [datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening], moet een ontheffing van bepaalde toelaatbaarheidscriteria voor eigenvermogens­instrumenten en in aanmerking komende passiva worden verleend. Die grandfathering moet gelden voor passiva die, waar toepasselijk, meetellen voor het achtergestelde deel van de TLAC en het achtergestelde deel van de MREL krachtens Richtlijn 2014/59/EU, alsook voor passiva die, waar toepasselijk, meetellen voor het niet‑achtergestelde deel van de TLAC en het niet-achtergestelde deel van de MREL krachtens Richtlijn 2014/59/EU. Voor eigenvermogensinstrumenten moet de grandfathering op ... [zes jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] verstrijken.

(29)  In aanmerking komende passiva-instrumenten, ook die met nog een resterende looptijd van minder dan één jaar, mogen slechts worden afgelost indien de afwikkelingsautoriteit daarvoor vooraf haar toestemming heeft gegeven. Die voorafgaande toestemming kan ook een algemene voorafgaande toestemming zijn; in dat geval moet de aflossing plaatsvinden binnen de beperkte termijn en voor een vooraf bepaald bedrag waarin de algemene voorafgaande toestemming voorziet.

(30)  Sinds de vaststelling van Verordening (EU) nr. 575/2013 is de internationale norm inzake de prudentiële behandeling van blootstellingen van instellingen aan centrale tegenpartijen (CTP's) gewijzigd om de behandeling van blootstellingen van instellingen aan gekwalifi­ceerde CTP's (GCTP's) te verbeteren. Opvallende punten bij de herziening van die norm zijn onder meer het gebruik van één methode voor het bepalen van het eigenvermogens­vereiste voor blootstellingen als gevolg van bijdragen aan een wanbetalingsfonds, een uitdrukkelijk plafond voor de op blootstellingen aan GCTP's toegepaste totale eigen­vermogensvereisten, en een meer risicogevoelige benadering om de waarde van derivaten uit te drukken bij het berekenen van de hypothetische middelen van een GCTP. Tegelijkertijd bleef de behandeling van blootstellingen aan niet-gekwalificeerde CTP's ongewijzigd. Aangezien met de herziene internationale normen een behandeling is ingevoerd die binnen een context van centrale clearing beter geschikt is, moet het Unierecht worden gewijzigd zodat die normen daarin worden opgenomen.

(31)  Opdat instellingen hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in instellingen voor collectieve belegging (icb's) adequaat beheren, moeten de regels voor de behandeling van die blootstellingen risicogevoelig zijn en transparantie ten aanzien van de onderliggende blootstellingen van icb's bevorderen. Het BCBS heeft daarom zijn goedkeuring gehecht aan een herziene norm die een duidelijke hiërarchie vastlegt van benaderingen om voor die blootstellingen risicogewogen posten te berekenen. Die hiërarchie weerspiegelt de transparantiegraad van de onderliggende blootstellingen. Verordening (EU) nr. 575/2013 moet op die internationaal overeengekomen regels worden afgestemd.

(32)  Voor een instelling die zich verplicht tot een minimumwaarde in het uiteindelijke belang van retailcliënten voor een belegging in een recht van deelneming of aandeel in een icb, onder meer in het kader van een door de overheid gesteunde particuliere pensioen­regeling, is geen betaling vereist door de instelling of onderneming die onder dezelfde prudentiële consolidatie valt, tenzij de waarde van de aandelen of de rechten van deel­neming van de cliënt in de icb op een of meer in het contract bepaalde tijdstippen het gewaarborgde bedrag onderschrijdt. In de praktijk is het derhalve weinig waarschijnlijk dat de verplichting moet worden vervuld. Indien de minimumwaardeverplichting van een instelling beperkt is tot een percentage van het bedrag dat een cliënt oorspronkelijk had belegd in aandelen of rechten van deelneming in een icb (minimumwaardeverplichting voor een vast bedrag) of tot een bedrag dat afhankelijk is van de prestatie van financiële indicatoren of marktindices tot een bepaald tijdstip, vormt elk actueel positief verschil tussen de waarde van de aandelen of rechten van deelneming van de cliënt en de actuele waarde van het gewaarborgde bedrag op een bepaalde datum een buffer die het risico op uitbetaling van het gewaarborgde bedrag door de instelling beperkt. Om al die redenen is een lagere kredietomrekeningsfactor gerechtvaardigd.

(33)  Voor de berekening van de blootstellingswaarde van derivatentransacties volgens het kader voor tegenpartijkredietrisico biedt Verordening (EU) nr. 575/2013 instellingen momenteel de keuze tussen drie verschillende standaardbenaderingen: de standaardmethode (SM), de op de waardering tegen marktwaarde gebaseerde methode (WtMWM) en de oorspronkelijkeblootstellingsmethode (OBM).

(34)  Die standaardbenaderingen houden echter onvoldoende rekening met het risicobeperkend effect van zekerheden bij de blootstellingen. De ijkingen ervan zijn achterhaald en de tijdens de financiële crisis waargenomen grote volatiliteit komt er niet in tot uiting. Ook de voordelen van verrekening worden er onvoldoende in weerspiegeld. Om die tekort­komingen te verhelpen heeft het BCBS besloten de SM en de WtMWM te vervangen door een nieuwe standaardbenadering voor het berekenen van de blootstelling van derivaten­blootstellingen, de zogenoemde standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico (SB-TKR). Aangezien met de herziene internationale normen een nieuwe standaardbenadering is ingevoerd die binnen een context van centrale clearing beter geschikt is, moet het Unierecht worden gewijzigd zodat die normen daarin worden opgenomen.

(35)  De SB-TKR is risicogevoeliger dan de SM en de WtMWM, en zou dus moeten resulteren in eigenvermogensvereisten die de aan derivatentransacties van instellingen verbonden risico's beter weergeven. Tegelijk is het mogelijk dat het voor sommige instellingen die momenteel de WtMWM gebruiken, te complex en lastig blijkt de SB-TKR toe te passen. Voor instellingen die voldoen aan vooraf bepaalde toelaatbaarheidscriteria en voor instellingen die deel uitmaken van een groep die op geconsolideerde basis aan die criteria voldoet, moet een vereenvoudigde versie van de SB-TKR (de "vereenvoudigde SB-TKR") worden ingevoerd. Die vereenvoudigde versie zal minder risicogevoelig zijn dan de SB-TKR, en moet dus correct worden geijkt, zodat de blootstellingswaarde van derivatentransacties daarmee niet wordt onderschat.

(36)  Voor instellingen met ▌beperkte derivatenblootstellingen die momenteel de WtMWM of de OBM gebruiken, kan zowel de SB-TKR als de vereenvoudigde SB-TKR te complex zijn om toe te passen. Daarom moet de OBM als alternatieve benadering worden voor­behouden voor instellingen die voldoen aan vooraf bepaalde toelaatbaarheidscriteria en voor instellingen die deel uitmaken van een groep die op geconsolideerde basis aan deze criteria voldoet, maar worden herzien om de belangrijkste tekortkomingen ervan aan te pakken.

(37)  Om een instelling bij haar keuze van toegestane benaderingen te begeleiden, moeten heldere criteria worden ingevoerd. Die criteria moeten uitgaan van de omvang van de derivatenactiviteiten van een instelling, die aangeeft welke mate van complexiteit een instelling moet aankunnen voor het berekenen van de blootstellingswaarde.

(38)  Tijdens de financiële crisis waren de verliezen op de handelsportefeuille voor sommige in de Unie gevestigde instellingen substantieel. Een aantal van hen bleken niet over voldoende kapitaal te beschikken om die verliezen te ondervangen en moesten daarom om buitengewone financiële steun van de overheid vragen. Die vaststellingen hebben het BCBS ertoe gebracht een aantal tekortkomingen weg te werken in de prudentiële behandeling van handelsportefeuilleposities, namelijk de eigenvermogensvereisten voor marktrisico.

(39)  In 2009 is de eerste reeks hervormingen op internationaal niveau afgerond en in Unierecht omgezet bij Richtlijn 2010/76/EU van het Europees Parlement en de Raad(12). De her­vorming van 2009 bood echter geen oplossing voor de structurele tekortkomingen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisiconormen. Het gebrek aan een duidelijke afbakening tussen de handelsportefeuille en de bankportefeuille bood kansen voor reguleringsarbitrage, en omdat de eigenvermogensvereisten voor marktrisico niet risicogevoelig waren, kon het volledige scala risico's waaraan instellingen waren blootgesteld, niet worden gevat.

(40)  Het BCBS gaf de aanzet voor de grondige herziening van de handelsportefeuille (GHHP) om oplossingen te vinden voor de structurele tekortkomingen van de eigen­vermogensvereisten voor marktrisiconormen. Die werkzaamheden leidden in januari 2016 tot een herzien marktrisicokader. De Group of Central Bank Governors and Heads of Supervision besloot in december 2017 tot verlenging van de omzettingstermijn voor het herziene marktrisicokader, zodat instellingen meer tijd krijgen voor het ontwikkelen van de nodige systeeminfrastructuur, maar ook zodat het BCBS zich kan buigen over bepaalde specifieke kwesties in verband met het kader. Het betreft onder meer een evaluatie van de ijkingen voor de standaard- en de internemodellenbenadering ter wille van de consistentie met de oorspronkelijke verwachtingen van het BCBS. Na afloop van deze evaluatie en voordat een effectbeoordeling wordt verricht om het effect van alle resulterende herzieningen van het GHHP-kader op instellingen in de Unie te beoordelen, moeten alle instellingen in de Unie die onder het GHHP-kader zouden vallen, beginnen met de rapportage van de berekeningen volgens de herziene standaardbenadering. Daartoe moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een handeling vast te stellen om de berekeningen inzake rapportagevereisten volledig in werking te doen treden conform de internationale ontwikkelingen. De Commissie moet die gedelegeerde handeling uiterlijk op 31 december 2019 vaststellen. Instellingen moeten uiterlijk één jaar na de vaststelling van die gedelegeerde handeling beginnen met de rapportage van die berekening. Daarnaast moeten instellingen die toestemming krijgen om voor de rapportage de herziene internemodellenbenadering van het GHHP-kader te gebruiken, drie jaar na de volledige inwerkingtreding ervan ook de berekening volgens de internemodellenbenadering rapporteren.

(41)  De invoering van rapportagevereisten voor de GHHP-benaderingen moet worden gezien als de eerste stap naar de volledige implementatie van het GHHP-kader in de Unie. Rekening houdend met de definitieve, door het BCBS doorgevoerde herzieningen van het GHHP-kader, de resultaten van het effect van deze herzieningen op instellingen in de Unie en de in deze verordening reeds beschreven GHHP-benaderingen voor rapportagevereisten, moet de Commissie uiterlijk op 30 juni 2020, waar toepasselijk, bij het Europees Parlement en de Raad een wetgevingsvoorstel indienen over de manier waarop het GHHP-kader in de Unie moet worden geïmplementeerd om de eigenvermogens­vereisten voor marktrisico vast te stellen.

(42)  Voor instellingen met beperkte handelsportefeuilleactiviteiten moet er een evenredige behandeling voor marktrisico gelden, zodat meer instellingen met beperkte handels­portefeuilleactiviteiten gebruik kunnen maken van het kredietrisicokader voor bank­portefeuilleposities zoals beschreven in een herziene versie van de afwijking voor kleine handelsportefeuilleactiviteiten. Het evenredigheidsbeginsel moet ook in aanmerking worden genomen wanneer de Commissie herevalueert hoe instellingen met een middelgrote handelsportefeuilleactiviteiten de eigenvermogensvereisten voor marktrisico moeten berekenen. De ijking van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico voor instellingen met middelgrote handelsportefeuilleactiviteiten moet met name worden geëvalueerd in het licht van de ontwikkelingen op internationaal niveau. Ondertussen moeten instellingen met middelgrote handelsportefeuilleactiviteiten net als instellingen met geringe handelsportefeuilleactiviteiten worden vrijgesteld van de rapportagevereisten in het kader van de GHHP.

(43)  Het kader voor grote blootstellingen moet worden versterkt om het vermogen van instellingen om verliezen te absorberen te verbeteren en internationale normen beter na te leven. Daartoe moet kapitaal van een hogere kwaliteit worden gebruikt als kapitaalbasis voor de berekening van de limiet voor grote blootstellingen en moeten blootstellingen aan kredietderivaten worden berekend volgens de SB-TKR. Ter beperking van de systeem­risico's ten gevolge van de verwevenheid tussen grote instellingen en de gevolgen die de wanbetaling van tegenpartijen van MSI's voor de financiële stabiliteit kan hebben, moet de limiet voor de eventuele blootstellingen van MSI's aan andere MSI's voorts worden verlaagd.

(44)  De liquiditeitsdekkingsratio (LCR) zorgt ervoor dat instellingen op korte termijn zware druk kunnen weerstaan, maar waarborgt niet dat die instellingen op langere termijn een stabiele financieringsstructuur zullen hebben. Aldus is gebleken dat op Unieniveau een gedetailleerd, bindend stabielefinancieringsvereiste moet worden ontwikkeld waaraan te allen tijde moet worden voldaan, om zo buitensporige looptijdmismatches tussen activa en passiva en een te grote afhankelijkheid van kortlopende wholesalefinanciering te voorkomen.

(45)  Conform de stabiele-financieringsnorm van het BCBS moeten daarom regels worden vastgesteld die het stabielefinancieringsvereiste bepalen als een verhouding tussen het bedrag aan beschikbare stabiele financiering van een instelling en het bedrag van haar vereiste stabiele financiering over een periode van één jaar. Dit ▌bindende vereiste moet het vereiste inzake de nettostabielefinancieringsratio (NSFR) worden genoemd. Het aan stabiele financiering beschikbare bedrag moet worden berekend door de passiva en het eigen vermogen van de instelling te vermenigvuldigen met passende factoren die weer­geven hoe betrouwbaar ze zijn over de horizon van één jaar van de NSFR. Het aan stabiele financiering vereiste bedrag moet worden berekend door de activa en de blootstellingen buiten de balanstelling van de instelling te vermenigvuldigen met passende factoren die de liquiditeitskenmerken en de resterende looptijden over de horizon van één jaar van de NSFR weergeven.

(46)  De NSFR moet worden uitgedrukt als een percentage en worden vastgesteld op ten minste 100 %, hetgeen aangeeft dat een instelling voldoende stabiele financiering aanhoudt om over een periode van één jaar zowel onder normale als onder stressomstandigheden aan haar financieringsbehoeften te voldoen. Mocht de NSFR van een instelling onder het 100 %-niveau zakken, dan moet zij voldoen aan de in Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde specifieke vereisten om haar NSFR tijdig terug op het minimumniveau te brengen. De toepassing van toezichtsmaatregelen indien niet aan het NSFR-vereiste wordt voldaan, mag geen automatisch karakter hebben▌. De bevoegde autoriteiten moeten de redenen voor niet-naleving van het NSFR-vereiste beoordelen voordat ze eventueel toezichtsmaatregelen bepalen.

(47)  Conform de aanbevelingen van de EBA in haar verslag van 15 december 2015 over stabielefinancieringsvereisten krachtens artikel 510 van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten de regels voor het berekenen van de NSFR nauwkeurig worden afgestemd op de BCBS-normen, inclusief ontwikkelingen in die normen met betrekking tot de behandeling van derivatentransacties. De noodzaak rekening te houden met een aantal specifieke Europese kenmerken om te voorkomen dat het NSFR-vereiste een hinderpaal is voor de financiering van de Europese reële economie, rechtvaardigt evenwel dat voor het bepalen van de Europese NSFR de door het BCBS ontwikkelde NSFR op een aantal punten wordt aangepast. Die aanpassingen als gevolg van de Europese context worden aanbevolen door de EBA en houden in hoofdzaak verband met specifieke behandelingen voor pass-throughmodellen in het algemeen en de uitgifte van gedekte obligaties in het bijzonder; handelsfinancieringsactiviteiten; gecentraliseerde gereglementeerde spaar­gelden; volledig gedekte woonkredieten, ▌kredietcoöperaties; CTP's en centrale effectenbewaarinstellingen (CSD's) die geen aanzienlijke looptijdtransformatie verrichten. Die voorgestelde specifieke behandelingen zijn grotendeels een afspiegeling van de voorkeursbehandeling die deze activiteiten in de Europese LCR krijgen in vergelijking met de door het BCBS ontwikkelde LCR. Omdat de NSFR een aanvulling is op de LCR, moeten die beide ratio's coherent zijn in hun definitie en ijking. Dit geldt met name voor de factoren voor de vereiste stabiele financiering die worden toegepast op liquide LCR-activa van hoge kwaliteit voor het berekenen van de NSFR; die factoren moeten een afspiegeling zijn van de definities en reductiefactoren van de Europese LCR, ongeacht de conformiteit ervan met de voor de LCR-berekening vastgestelde algemene en operationele vereisten die voor de horizon van één jaar van de NSFR-berekening niet passend zijn.

(48)  Afgezien van de specifiek Europese kenmerken kan de ▌ behandeling van derivaten­transacties in de door het BCBS ontwikkelde NSFR belangrijke gevolgen hebben voor derivatenactiviteiten van instellingen en bijgevolg voor Europese financiële markten en de toegang tot bepaalde activiteiten voor eindgebruikers. De invoering van de door het BCBS ontwikkelde NSFR zou onnodige en disproportionele gevolgen kunnen hebben voor derivatentransacties en bepaalde daarmee verband houdende transacties, zoals clearing­activiteiten, zonder dat daaraan uitgebreide kwantitatieve effectenstudies en openbare raadplegingen zijn gewijd. Het additionele vereiste om voor brutoderivatenverplichtingen tussen 5 en 20 % stabiele financiering aan te houden, wordt vrij algemeen gezien als een ruwe maatstaf om bijkomende financieringsrisico's in verband met de potentiële toename van derivatenverplichtingen over een periode van één jaar te vatten, en wordt momenteel door het BCBS geëvalueerd. Dit vereiste, ingevoerd op een niveau van 5 % conform de door het BCBS aan de jurisdicties overgelaten discretionaire bevoegdheid om de voor brutoderivatenverplichtingen geldende factor voor de vereiste stabiele financiering te verlagen, zou vervolgens kunnen worden aangepast om rekening te houden met ontwikkelingen op BCBS-niveau en om te voorkomen dat zich mogelijke ongewenste effecten voordoen, zoals het belemmeren van de goede werking van de Europese financiële markten en de verstrekking van risicoafdekkingsinstrumenten aan instellingen en eindgebruikers, waaronder bedrijven, met het oog op de financiering ervan als een doelstelling van de kapitaalmarktenunie.

(49)  De asymmetrische behandeling door het BCBS voor kortlopende financiering, zoals retrocessietransacties (niet erkend als stabiele financiering) en kortlopende krediet­verlening zoals omgekeerde retrocessietransacties (enige stabiele financiering vereist - 10 % indien gedekt met zekerheden in de vorm van liquide activa van hoge kwaliteit (LAHK) van niveau 1 als omschreven in de LCR en 15 % voor andere transacties) met financiële cliënten moet uitgebreide kortlopende financieringsbanden tussen financiële cliënten ontmoedigen, omdat dergelijke banden een bron van onderlinge verwevenheid zijn en het moeilijker maken om een bepaalde instelling af te wikkelen zonder dat bij een faillissement de rest van het financiële bestel wordt besmet. De asymmetrie is evenwel ▌conservatief geijkt en kan een invloed hebben op de liquiditeit van doorgaans als zekerheden bij kortlopende transacties gebruikte effecten, met name overheidsobligaties, omdat instellingen het volume van hun activiteiten op repomarkten waarschijnlijk zullen terugschroeven. Omdat repomarkten het beheer van de noodzakelijke voorraad gemakkelijker maken, kan de asymmetrie ook market-makingactiviteiten ondermijnen, en zodoende in strijd zijn met de doelstellingen van de kapitaalmarktenunie. Opdat instellingen voldoende tijd hebben om zich geleidelijk aan deze conservatieve ijking aan te passen, is een overgangsperiode nodig waarin de factoren voor de vereiste stabiele financiering tijdelijk zouden worden verlaagd. Met hoeveel de factoren voor de vereiste stabiele financiering worden verlaagd, moet afhangen van de soorten transacties en van het soort zekerheden dat bij deze transacties wordt gebruikt.

(50)  Naast de tijdelijke herijking van de BCBS-factor voor de vereiste stabiele financiering voor door overheidsobligaties gedekte kortlopende omgekeerde retrocessietransacties met financiële cliënten ▌, bleek een aantal andere aanpassingen noodzakelijk opdat de invoering van het NSFR-vereiste de liquiditeit van markten voor overheidsobligaties niet belemmert. De BCBS-factor voor de vereiste stabiele financiering van 5 % die geldt voor LAHK van niveau 1 (zoals overheidsobligaties) impliceert dat instellingen lang­lopende ongedekte financiering ten belope van dat percentage beschikbaar moeten houden, ongeacht hoelang ze dit soort overheidsobligaties verwachten aan te houden. Dit zou instellingen er nog meer toe kunnen aanzetten om contanten bij centrale banken te deponeren in plaats van als primary dealers op te treden en liquiditeit te verschaffen op markten voor overheidsobligaties. Bovendien spoort dit niet met de LCR, die deze activa zelfs in tijden van ernstige liquiditeitsstress (0 % reductiefactor) als volledig liquide beschouwt. De factor voor de vereiste stabiele financiering voor LAHK van niveau 1 als omschreven in de Europese LCR, met uitsluiting van gedekte obligaties van bijzonder hoge kwaliteit, moet derhalve worden verlaagd van 5 % naar 0 %.

(51)  Voorts moeten alle als variatiemarges bij derivatencontracten ontvangen LAHK van niveau 1 als omschreven in de Europese LCR, met uitsluiting van gedekte obligaties van bijzonder hoge kwaliteit, derivatenactiva compenseren, terwijl de door de BCBS ontwikkelde NSFR ter compensatie van derivatenactiva alleen contanten accepteert die voldoen aan de voorwaarden van het hefboomkader. Deze ruimere opname van als variatiemarge ontvangen activa zal bijdragen tot de liquiditeit van markten voor overheidsobligaties, zal voorkomen dat eindgebruikers die hoge bedragen aan overheidsobligaties maar weinig contanten aanhouden (zoals pensioenfondsen), worden benadeeld en zal voorkomen dat de vraag naar contanten op repomarkten verder onder druk komt te staan.

(52)  Instellingen moeten op zowel individuele als geconsolideerde basis onder het NSFR-vereiste vallen, tenzij de bevoegde autoriteiten op individuele basis ontheffing verlenen van het NSFR-vereiste. Indien op individueel niveau geen ontheffing van het NSFR-vereiste is verleend, moeten voor transacties tussen twee tot dezelfde groep of tot hetzelfde institutionele protectiestelsel behorende instellingen in beginsel symmetrische factoren voor beschikbare en vereiste stabiele financiering worden gebruikt om een verlies aan financiering op de interne markt te vermijden en om het effectieve liquiditeitsbeheer in Europese groepen waar liquiditeit centraal wordt beheerd, niet te belemmeren. Dit soort preferentiële symmetrische behandelingen mag alleen worden toegestaan voor intragroepstransacties waarbij alle nodige waarborgen aanwezig zijn, op basis van aanvullende criteria voor grensoverschrijdende transacties, en alleen na de voorafgaande goedkeuring van de betrokken bevoegde autoriteiten, aangezien niet mag worden aangenomen dat instellingen die problemen ondervinden bij het voldoen aan hun betalingsverplichtingen, steeds financieringssteun zullen krijgen van andere tot dezelfde groep of tot hetzelfde institutionele protectiestelsel behorende ondernemingen.

(53)  Kleine en niet-complexe instellingen moeten de mogelijkheid krijgen een vereen­voudigde versie van het NSFR-vereiste toe te passen. In het kader van een dergelijke vereen­voudigde, minder granulaire versie van de NSFR moet een beperkt aantal gegevens­punten worden verzameld waardoor de berekening voor deze instellingen conform het evenredigheidsbeginsel minder complex zou worden, en er tegelijkertijd voor wordt gezorgd dat deze instellingen een toereikende stabielefinancieringsfactor handhaven dankzij een ijking die minstens even conservatief moet zijn als die van het volwaardige NSFR-vereiste. De bevoegde autoriteiten moeten evenwel van kleine en niet-complexe instellingen kunnen verlangen dat zij het volwaardige NSFR-vereiste toepassen in plaats van de vereenvoudigde versie.

(54)  Bij de consolidatie van dochterondernemingen in derde landen moet terdege rekening worden gehouden met de in die landen geldende stabielefinancieringsvereisten. Dien­overeenkomstig mogen de consolidatieregels in de Unie dochterondernemingen in derde landen geen gunstigere behandeling wat betreft beschikbare en vereiste stabiele financiering geven dan de behandeling waarin het nationale recht van die derde landen voorziet.

(55)  Instellingen moeten worden verplicht om aan hun bevoegde autoriteiten in de rapportage­valuta de bindende gedetailleerde NSFR voor alle posten en afzonderlijk voor in elke belangrijke valuta luidende posten te rapporteren, om een passende monitoring van mogelijke valutamismatches te waarborgen. Het NSFR-vereiste mag voor instellingen niet leiden tot dubbele rapportagevereisten of tot rapportagevereisten die niet stroken met de vigerende regels, en instellingen moeten voldoende tijd krijgen om zich voor te bereiden op de inwerkingtreding van nieuwe rapportagevereisten.

(56)  Aangezien de markt voorzien van zinvolle en vergelijkbare informatie over gemeen­schappelijke kernrisicomaatstaven van instellingen een fundamentele pijler van een gezond bankwezen vormt, is het van essentieel belang de informatieasymmetrie zoveel mogelijk te beperken en de vergelijkbaarheid van risicoprofielen van kredietinstellingen binnen en tussen jurisdicties te bevorderen. Het BCBS heeft in januari 2015 de herziene openbaar­makingsnormen van de derde pijler bekendgemaakt met het oog op meer vergelijkbare, kwalitatieve en coherente verplichte openbaarmakingen door instellingen aan de markt. Daarom moeten de bestaande openbaarmakingsvereisten worden aangepast om die nieuwe internationale normen te implementeren.

(57)  De respondenten op de enquête van de Commissie met betrekking tot het EU-regelgevingskader voor financiële diensten beschouwden de geldende openbaarmakings­vereisten als onevenredig en lastig voor kleinere instellingen. Afgezien van de preciezere afstemming van openbaarmakingen op internationale normen, moeten van kleine en niet-complexe instellingen minder frequente en minder gedetailleerde openbaarmakingen worden verlangd dan van grotere instellingen, zodat de regeldruk waaraan ze onderworpen zijn, afneemt.

(58)   De openbaarmakingen over beloningen moeten hier en daar worden verduidelijkt. De in deze verordening vastgestelde openbaarmakingsvereisten voor beloningen moeten verenigbaar zijn met de doelstellingen van de beloningsregels, hetgeen inhoudt dat ten behoeve van categorieën medewerkers wier beroepsactiviteiten een wezenlijke invloed hebben op het risicoprofiel van instellingen, een beloningsbeleid en een beloningspraktijk worden bepaald en gehandhaafd die in overeenstemming zijn met een doeltreffend risicobeheer. Voorts moet van instellingen die een afwijking genieten van bepaalde regels inzake beloningen, worden verlangd dat ze informatie over dit soort afwijking openbaar maken.

(59)  Kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) vormen één van de pijlers van de economie van de Unie door de fundamentele rol die zij spelen bij het creëren van economische groei en het scheppen van banen. Aangezien aan kmo's een lager systeemrisico is verbonden dan aan grotere ondernemingen, moeten de kapitaalvereisten voor kmo's lager zijn dan die voor grote ondernemingen, om een optimale bancaire financiering van kmo's te garanderen. Momenteel geldt voor kmo-blootstellingen tot 1,5 miljoen EUR een reductie van 23,81 % van de risicogewogen post. Aangezien die drempel van 1,5 miljoen EUR voor een kmo-blootstelling geen indicatie is voor een verandering van de risicograad van een kmo, moet de vermindering van kapitaalvereisten worden uitgebreid tot kmo-blootstellingen ▌tot 2,5 miljoen EUR en moet voor ▌het deel van een kmo-blootstelling boven 2,5 miljoen EUR een vermindering van kapitaalvereisten van 15 % gelden.

(60)  Investeringen in infrastructuur zijn van essentieel belang om het Europese concurrentie­vermogen te versterken en het scheppen van banen te stimuleren. Het herstel en de toekomstige groei van de Unie-economie is grotendeels afhankelijk van de beschikbaar­heid van kapitaal voor strategische investeringen van Europees belang in infrastructuur, met name in breedband- en energienetwerken, alsmede in vervoersinfrastructuur, daaronder begrepen infrastructuur voor elektromobiliteit (met name in industriële centra); in opleiding, onderzoek en innovatie; en in hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. Het investeringsplan voor Europa zet in op het stimuleren van aanvullende financiering voor levensvatbare infrastructuurprojecten, onder meer door het aantrekken van aanvullende financiering uit particuliere bronnen. Voor een aantal kandidaat-investeerders is de belangrijkste drempel het gepercipieerde gebrek aan levensvatbare projecten en het beperkte vermogen om risico's goed te kunnen inschatten, gezien het inherent complexe karakter van dat soort projecten.

(61)  Om particuliere en openbare investeringen in infrastructuurprojecten aan te moedigen, is het van essentieel belang een regelgevingsklimaat tot stand te brengen dat hoogwaardige infrastructuurprojecten bevordert en risico's voor investeerders vermindert. Met name moeten eigenvermogensvereisten voor blootstellingen aan infrastructuurprojecten worden verlaagd, op voorwaarde dat ze voldoen aan een reeks criteria waarmee het risicoprofiel ervan kan worden verlaagd en de voorspelbaarheid van kasstromen kan worden vergroot. De Commissie moet deze bepaling over hoogwaardige infrastructuurprojecten evalueren om een beoordeling te maken van de gevolgen ervan voor het volume infrastructuur­investeringen door instellingen en de kwaliteit van investeringen in het licht van de EU-doelstellingen om over te schakelen naar een koolstofarme, klimaatveerkrachtige en circulaire economie; alsook een beoordeling van de toereikendheid ervan uit prudentieel oogpunt. Ook moet de Commissie nagaan of het toepassingsgebied van die bepalingen moet worden uitgebreid tot infrastructuurinvesteringen door ondernemingen.

(62)  Zoals wordt aanbevolen door de EBA, de bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(13) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (de Europese Autoriteit voor effecten en markten) (ESMA) en de ECB, moeten CTP's vanwege hun verschillend bedrijfsmodel worden vrijgesteld van het vereiste inzake de hefboomratio aangezien zij verplicht zijn een bankvergunning aan te vragen louter om toegang te krijgen tot kortlopende faciliteiten van de centrale bank en om hun rol te vervullen als essentiële instrumenten voor de verwezenlijking van belangrijke politieke en reguleringsdoelstellingen in de financiële sector.

(63)  Voorts moeten blootstellingen van CSD's met een vergunning als kredietinstelling en blootstellingen van overeenkomstig artikel 54, lid 2, van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad(14) aangewezen kredietinstellingen, zoals kassaldi als gevolg van het verstrekken van kasrekeningen aan, en het aanvaarden van deposito's van, deelnemers aan een effectenafwikkelingssysteem en houders van effecten­rekeningen, worden uitgesloten van de maatstaf van totale blootstelling aangezien zij geen risico van buitensporige hefboom­werking vormen omdat deze kassaldi uitsluitend worden gebruikt voor het afwikkelen van transacties in effectenafwikkelingssystemen.

(64)  Aangezien de in Richtlijn 2013/36/EU bedoelde richtsnoeren inzake aanvullend eigen vermogen een kapitaalstreefcijfer vormen dat de verwachtingen van de toezichthouders weerspiegelt, mogen deze niet onderworpen zijn aan een verplichte openbaarmaking, noch aan een verbod op openbaarmaking door de bevoegde autoriteiten op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 of van die richtlijn.

(65)  Teneinde te zorgen voor een passende definitie van bepaalde specifieke technische bepalingen van Verordening (EU) nr. 575/2013 en rekening te houden met eventuele normatieve ontwikkelingen op internationaal niveau, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het wijzigen van de lijst van producten of diensten waarvan de activa en passiva als onderling afhankelijk kunnen worden beschouwd, ten aanzien van het wijzigen van de lijst van multilaterale ontwikkelingsbanken, ten aanzien van het wijzigen van de rapportagevereisten inzake marktrisico, en ten aanzien van het specificeren van aanvullende liquiditeitsvereisten. Voordat die handelingen worden vastgesteld, is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(15). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(66)  Technische normen moeten ervoor zorgen dat de in Verordening (EU) nr. 575/2013 neergelegde vereisten consistent worden geharmoniseerd. De EBA, als orgaan met zeer hoge deskundigheid ter zake, moet de opdracht krijgen ontwerpen van technische reguleringsnormen, vrij van politieke keuzes op te stellen, die vervolgens aan de Commissie worden voorgelegd. De op te stellen technische reguleringsnormen moeten betrekking hebben op prudentiële consolidatie, eigen vermogen, TLAC, de behandeling van blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed, aandelen­beleggingen in fondsen, de berekeningen van verliezen bij wanbetaling volgens de internemodellenbenadering voor kredietrisico, marktrisico, grote blootstellingen en liquiditeit. De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend deze technische reguleringsnormen vast te stellen door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010. De Commissie en de EBA moeten ervoor zorgen dat die normen en vereisten door alle betrokken instellingen kunnen worden toegepast op een wijze die in verhouding staat tot de aard, de omvang en de complexiteit van die instellingen en hun activiteiten.

(67)  Opdat openbaarmakingen onderling vergelijkbaar zouden zijn, moet de EBA de opdracht krijgen ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op te stellen tot vaststelling van gestandaardiseerde openbaarmakingstemplates met betrekking tot alle substantiële openbaarmakingsvereisten van Verordening (EU) nr. 575/2013. Bij het opstellen van deze normen moet de EBA rekening houden met de omvang en de complexiteit van instellingen, alsmede met de aard en risicograad van hun activiteiten. De EBA moet verslag uitbrengen over de vraag hoe het Uniepakket voor rapportage aan toezichthouders evenrediger kan worden gemaakt wat betreft de reikwijdte, gedetailleerdheid of frequentie, en ten minste concrete aanbevelingen doen over de manier waarop de gemiddelde nalevingskosten voor kleine instellingen met idealiter 20 % of meer, maar ten minste 10% kunnen worden verlaagd door de vereisten op passende wijze te vereenvoudigen. De EBA moet de opdracht krijgen tot het opstellen van ontwerpen van uitvoeringsnormen die bij dat verslag moeten worden gevoegd. De Commissie moet de bevoegdheid worden verleend die technische uitvoeringsnormen vast te stellen door middel van uitvoerings­handelingen op grond van artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

(68)  Ter facilitering van de naleving door instellingen van de in deze verordening en in Richtlijn 36/2013/EU vervatte regels, alsmede van de technische reguleringsnormen, technische uitvoeringsnormen, richtsnoeren en templates die zijn vastgesteld ter uitvoering van die regels, moet de EBA een IT-toepassing ontwikkelen die instellingen door de naargelang hun omvang en bedrijfsmodel toepasselijke bepalingen, normen, richtsnoeren en templates loodst.

(69)  Naast het verslag over mogelijke kostenbeperkingen moet de EBA, uiterlijk op … [twaalf maanden na de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening], in samenwerking met alle betrokken autoriteiten, te weten de autoriteiten die bevoegd zijn voor prudentieel toezicht en afwikkelings- en depositogarantiestelsels, en in het bijzonder het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), een haalbaarheidsverslag opstellen over de ontwikkeling van een consistent en geïntegreerd systeem voor het verzamelen van statistische gegevens, afwikkelingsgegevens en prudentiële gegevens. Op basis van de voorgaande werkzaamheden van het ESCB inzake geïntegreerde gegevensverzameling moet dat verslag een kosten-batenanalyse bevatten over de totstandbrenging van een centraal gegevensverzamelingspunt voor een geïntegreerd systeem voor de rapportering van statistische en reguleringsgegevens voor alle in de Unie gevestigde instellingen. Dit systeem dient onder meer gebruik te maken van consistente definities en normen voor de te verzamelen gegevens, en een betrouwbare en permanente uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten te waarborgen, waarbij wordt gezorgd voor strikte vertrouwelijkheid van de verzamelde gegevens, deugdelijke authenticatie en deugdelijk beheer van de rechten inzake toegang tot het systeem, alsmede voor cyberbeveiliging. Met een dergelijke centralisering en harmonisering van de Europese rapporterings­structuren moet worden voorkomen dat soortgelijke of identieke gegevens meermaals door verschillende autoriteiten worden opgevraagd en kunnen aldus de administratieve en financiële kosten voor de bevoegde autoriteiten en de instellingen aanzienlijk worden beperkt. De Commissie dient, in voorkomend geval en rekening houdend met het haalbaarheidsverslag van de EBA, een wetgevingsvoorstel in te dienen bij het Europees Parlement en de Raad.

(70)  De betrokken bevoegde of aangewezen autoriteiten moeten trachten af te zien van elke vorm van overlappend of onverenigbaar gebruik van de in Verordening (EU) nr. 575/2013/EU en Richtlijn 2013/36/EU vervatte macroprudentiële bevoegdheden. Met name moeten de betrokken bevoegde of aangewezen autoriteiten terdege nagaan of de maatregelen die zij krachtens artikel 124, 164 of 458 van Verordening (EU) nr. 575/2013 nemen, overlappen of onverenigbaar zijn met andere bestaande of komende maatregelen krachtens artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

(71)  Gezien de in deze verordening neergelegde wijzigingen in de behandeling van blootstellingen van GCTP's, meer bepaald de behandeling van bijdragen van instellingen aan wanbetalingsfondsen van GCTP's, moeten de bij Verordening (EU) nr. 575/2013 in Verordening (EU) nr. 648/2012(16) ingevoerde toepasselijke bepalingen waarin is bepaald hoe het hypothetische kapitaal van CTP's wordt berekend dat vervolgens door instellingen voor het berekenen van hun eigenvermogensvereisten wordt gebruikt, derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(72)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk het versterken en het verfijnen van reeds bestaande Uniewetgevingshandelingen om te komen tot eenvormige prudentiële vereisten die van toepassing zijn op instellingen in de hele Unie, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het optreden beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(73)  Om het ordelijk afstoten van deelnemingen in verzekeringsholdings die niet aan aanvullend toezicht zijn onderworpen, mogelijk te maken, moet er een gewijzigde versie van de overgangsbepalingen in verband met de vrijstelling van aftrek van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van toepassing worden, met retroactieve werking vanaf 1 januari 2019.

(74)  Verordening (EU) nr. 575/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)  de artikelen 1 en 2 worden vervangen door:"

"Artikel 1

Toepassingsgebied

In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende algemene prudentiële vereisten waaraan instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings waarop overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU toezicht wordt uitgeoefend, moeten voldoen op de volgende gebieden:

   a) eigenvermogensvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van kredietrisico, marktrisico, operationeel risico ▌, afwikkelingsrisico en hefboomfinanciering;
   b) vereisten ter beperking van grote blootstellingen;
   c) liquiditeitsvereisten met betrekking tot volledig kwantificeerbare, uniforme en gestandaardiseerde elementen van liquiditeitsrisico;
   d) rapportagevereisten met betrekking tot de punten a), b) en c);
   e) openbaarmakingsvereisten.

In deze verordening worden uniforme regels vastgesteld betreffende de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die af te wikkelen entiteiten die mondiaal systeemrelevante instellingen (MSI's) zijn of onderdeel zijn van MSI's en dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU-MSI's, in acht moeten nemen.

Deze verordening is niet van toepassing op de in Richtlijn 2013/36/EU bepaalde openbaarmakingsvereisten voor bevoegde autoriteiten op het gebied van prudentiële regelgeving voor en prudentieel toezicht op de instellingen.

Artikel 2

Toezichtsbevoegdheden

   1. Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2013/36/EU en in deze verordening zijn bepaald.
   2. Teneinde de naleving van deze verordening te waarborgen, beschikken de afwikkelingsautoriteiten over de bevoegdheden en volgen zij de procedures die in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad* en in deze verordening zijn bepaald.
   3. Teneinde de naleving van de vereisten betreffende eigen vermogen en in aanmerking komende passiva te waarborgen, werken de bevoegde autoriteiten en de afwikkelingsautoriteiten samen.
   4. Teneinde de naleving in het kader van hun respectieve bevoegdheden te waarborgen, zorgen de bij artikel 42 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad** ingestelde Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad en de Europese Centrale Bank, wat betreft aangelegenheden die verband houden met de haar bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad*** toevertrouwde taken, voor de regelmatige en betrouwbare uitwisseling van relevante informatie.

__________________

* Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

** Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

*** Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).";

"

2)  artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  punt 7 wordt vervangen door:"

"(7) "instelling voor collectieve belegging" of "icb": een icbe als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad*, of een alternatieve beleggingsinstelling (abi) als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad**;

__________________

* Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

** Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).";

"

ii)  punt 20 wordt vervangen door:"

"(20) "financiële holding": een financiële instelling waarvan de dochter­ondernemingen uitsluitend of hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen zijn, en die geen gemengde financiële holding is; de dochter­ondernemingen van een financiële instelling zijn hoofdzakelijk instellingen of financiële instellingen indien ten minste één van de dochterondernemingen een instelling is en indien meer dan 50% van het eigen vermogen, de geconsoli­deerde activa, de inkomsten, het personeel van de financiële instelling of een andere indicator die door de bevoegde autoriteit als relevant wordt beschouwd, verbonden is met dochterondernemingen die instellingen of financiële instellingen zijn.";

"

iii)  punt 26 wordt vervangen door:"

"(26) "financiële instelling": een onderneming die geen instelling en evenmin een zuiver industriële holding is en waarvan de hoofdwerkzaamheid bestaat in het verwerven van deelnemingen of in het uitoefenen van een of meer van de in de punten 2 tot en met 12 en punt 15 van bijlage I bij Richtlijn 2013/36/EU genoemde werkzaamheden, met inbegrip van een financiële holding, een gemengde financiële holding, een betalingsinstelling in de zin van artikel 4, punt 4, van Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad* en een vermogensbeheerder, maar met uitsluiting van verzekeringsholdings en gemengde verzekeringsholdings als respectievelijk gedefinieerd in artikel 212, lid 1, punt f) en punt g), van Richtlijn 2009/138/EG;

________________________

* Richtlijn (EU) 2015/2366 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende betalingsdiensten in de interne markt, houdende wijziging van de Richtlijnen 2002/65/EG, 2009/110/EG en 2013/36/EU en Verordening (EU) nr. 1093/2010 en houdende intrekking van Richtlijn 2007/64/EG (PB L 337 van 23.12.2015, blz. 35).";

"

iv)   punt 28 wordt vervangen door:"

"(28) "moederinstelling in een lidstaat": een instelling in een lidstaat die een instelling, een financiële instelling of een nevendiensten verrichtende onderneming als dochteronderneming heeft, of die een deelneming heeft in een instelling, financiële instelling of een nevendiensten verrichtende onderneming en zelf geen dochteronderneming is van een andere instelling waaraan in dezelfde lidstaat vergunning is verleend, of van een in dezelfde lidstaat opgerichte financiële holding of gemengde financiële holding;";

"

v)  de volgende punten worden ingevoegd:"

"(29 bis) "moederbeleggingsonderneming in een lidstaat": een moederinstelling in een lidstaat die een beleggingsonderneming is;

   (29 ter) "EU-moederbeleggingsonderneming": een EU-moederinstelling die een beleggingsonderneming is;
   (29 quater) "moederkredietinstelling in een lidstaat": een moederinstelling in een lidstaat die een kredietinstelling is;
   (29 quinquies) "EU-moederkredietinstelling": een EU-moederinstelling die een kredietinstelling is;";

"

vi)  aan punt 39 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Twee of meer natuurlijke of rechtspersonen die wegens hun directe blootstelling aan dezelfde CTP in het kader van clearingactiviteiten aan de in punt a) of b) vervatte omschrijvingen beantwoorden, worden niet als een groep verbonden cliënten beschouwd;";

"

vii)   punt 41 wordt vervangen door:"

"(41) "consoliderend toezichthouder": een bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op geconsolideerde basis overeenkomstig artikel 111 van Richtlijn 2013/36/EU;";

"

viii)  in punt 71, wordt in subpunt b) het inleidende zinsdeel vervangen door:"

"b) voor de toepassing van artikel 97, de som van:";

"

ix)  in punt 72 wordt subpunt a) vervangen door:"

"a) ze is een gereglementeerde markt of een markt van een derde land die geacht wordt gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt overeenkomstig de in artikel 25, lid 4, punt a), van Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad* beschreven procedure;

__________________

* Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).";

"

x)  punt 86 wordt vervangen door:"

"(86) "handelsportefeuille": alle posities in financiële instrumenten en grondstoffen die door een instelling worden ingenomen, hetzij met de intentie om te handelen, hetzij ter afdekking van posities die worden ingenomen met de intentie ▌ om te handelen overeenkomstig artikel 104 ▌;";

"

xi)  punt 91 wordt vervangen door:"

"(91) "CTP-transactieblootstelling": een actuele blootstelling, met inbegrip van een door het clearinglid te ontvangen maar nog niet ontvangen variatiemarge, en een potentiële toekomstige, uit in artikel 301, lid 1, punten a), b) en c), bedoelde overeenkomsten en transacties voortvloeiende blootstelling van een clearinglid of een cliënt aan een CTP, alsmede de initiële marge;";

"

xii)  punt 96 wordt vervangen door:"

"(96) "interne afdekking": een positie die de risicocomponenten tussen een positie in de handelsportefeuille en een positie of reeks posities in de niet-handelsportefeuille, of tussen twee tradingafdelingen in wezenlijke mate compenseert;";

"

xiii)  in punt 127 wordt subpunt a) vervangen door:"

"a) de instellingen vallen onder hetzelfde, in artikel 113, lid 7, bedoelde institutioneel protectiestelsel of zijn blijvend in een netwerk aangesloten bij een centraal orgaan;"

"

xiv)   punt 128 wordt vervangen door:"

"(128) "uitkeerbare bestanddelen": de som van de winsten aan het eind van het laatste boekjaar, vermeerderd met overgedragen winsten en voor dat doel beschikbare reserves vóór uitkeringen aan houders van eigenvermogens­instrumenten, verminderd met overgedragen verliezen, winsten die op grond van het Unie- of nationale recht of de statuten van de instelling niet uitkeerbaar zijn en sommen die overeenkomstig het nationale recht of de statuten van de instelling in niet-uitkeerbare reserves zijn geplaatst, telkens met betrekking tot de specifieke categorie van eigenvermogensinstrumenten waarop het Unie- of nationale recht, de statuten van de instellingen of statuten betrekking hebben; dergelijke winsten, verliezen en reserves worden bepaald aan de hand van de individuele jaarrekeningen van de instelling en niet aan de hand van de geconsolideerde jaarrekeningen;";

"

xv)  de volgende punten worden toegevoegd:"

"(130) "afwikkelingsautoriteit": een afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 18, van Richtlijn 2014/59/EU;

   (131) "af te wikkelen entiteit": een af te wikkelen entiteit in de zin van artikel 2, lid 1, punt 83 bis, van Richtlijn 2014/59/EU;
   (132) "af te wikkelen groep": een af te wikkelen groep in de zin van artikel 2, lid 1, punt 83 ter, van Richtlijn 2014/59/EU;
   (133) "mondiaal systeemrelevante instelling" of "MSI": een instelling die overeen­komstig artikel 131, leden 1 en 2, van Richtlijn 2013/36/EU als dusdanig is aangemerkt;
   (134) "niet-EU mondiaal systeemrelevante instelling" of "niet-EU-MSI": mondiaal systeemrelevante bankgroep of bank (MSB's) die geen MSI is en opgenomen is in de regelmatig geactualiseerde lijst met MSB's die wordt bekendgemaakt door de Raad voor financiële stabiliteit;
   (135) "dochteronderneming van wezenlijk belang": een dochteronderneming die op individuele of geconsolideerde basis aan één van de volgende voorwaarden voldoet:
   a) de dochteronderneming houdt meer dan 5 % van de geconsolideerde risicogewogen activa van haar oorspronkelijke moederonderneming aan;
   b) de dochteronderneming genereert meer dan 5 % van de totale bedrijfsopbrengsten van haar oorspronkelijke moederonderneming;
   c) de in artikel 429, lid 4, van deze verordening bedoelde maatstaf van totale blootstelling van de dochteronderneming bedraagt meer dan 5 % van de maatstaf van geconsolideerde totale blootstelling van haar oorspronkelijke moederonderneming;

Indien artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is, tellen voor het bepalen van de dochteronderneming van wezenlijk belang de twee intermediaire EU-moederondernemingen als één enkele dochteronderneming op basis van hun geconsolideerde situatie;

   (136) "MSI-entiteit": een entiteit met rechtspersoonlijkheid die een MSI of onderdeel van een MSI of een niet-EU-MSI is;
   (137) "bail-in-instrument": een instrument van bail-in in de zin van artikel 2, lid 1, punt 57, van Richtlijn 2014/59/EU;
   (138) "groep": een groep van ondernemingen waarvan er ten minste één een instelling is en die bestaat uit een moederonderneming en haar dochter­ondernemingen, of uit ondernemingen die in een verhouding tot elkaar staan als beschreven in artikel 22 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad*;
   (139) "effectenfinancieringstransactie": een retrocessietransactie, een transactie met betrekking tot verstrekte of opgenomen effecten- of grondstoffenleningen, of een margeleningstransactie;

   (140) "initiële marge" of "IM": zekerheden die geen variatiemarges zijn, ontvangen van of gestort bij een entiteit ter dekking van de actuele en potentiële toe­komstige blootstelling van een transactie of een portefeuille transacties voor de tijd die nodig is om die transacties te liquideren of de marktrisico ervan opnieuw af te dekken, na wanbetaling van de tegenpartij bij de transactie of portefeuille van transacties;
   (141) "marktrisico": het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in marktprijzen, onder meer in wisselkoersen of grondstoffenprijzen;
   (142) "wisselkoersrisico": het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in wisselkoersen;
   (143) "grondstoffenrisico": het risico op verliezen als gevolg van bewegingen in grondstoffenprijzen;
   (144) "tradingafdeling": een welomschreven groep handelaren die door de instelling is opgezet om gezamenlijk een portefeuille van posities in de handels­portefeuille te beheren volgens een welomschreven en coherente bedrijfs­strategie en die functioneert onder dezelfde risicobeheersstructuur;
   (145) "kleine en niet-complexe instelling": een instelling die aan alle volgende voorwaarden voldoet:
   a) zij is geen grote instelling;
   b) de totale waarde van haar activa op individuele basis of, waar toepasselijk, op geconsolideerde basis overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, is gemiddeld gelijk aan of lager dan de drempel van 5 miljard EUR over de periode van vier jaar die onmiddellijk voorafgaat aan de lopende periode voor de jaarlijkse rapportage. De lidstaten kunnen die drempel verlagen;
   c) voor haar gelden geen, dan wel vereenvoudigde verplichtingen met betrekking tot de herstel- en afwikkelingsplanning overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2014/59/EU;
   d) haar handelsportefeuilleactiviteiten worden overeen­komstig artikel 94, lid 1, ingedeeld als gering;
   e) de totale waarde van de door haar met de intentie om te handelen aangehouden derivatenposities bedraagt maximaal 2 % en de totale waarde van al haar derivatenposities bedraagt maximaal 5 %, van de totale activa binnen en buiten de balanstelling, beide berekend overeenkomstig artikel 273 bis, lid 3;
   f) meer dan 75 % van de geconsolideerde totale activa en passiva van de instelling, in beide gevallen met uitsluiting van de intragroep­blootstellingen, houdt verband met activiteiten met tegenpartijen die in de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn;
   g) de instelling maakt geen gebruik van interne modellen om te voldoen aan de prudentiële vereisten krachtens deze verordening, behalve in het geval van dochterondernemingen die op groepsniveau goedgekeurde interne modellen gebruiken, mits de groep onderworpen is aan de openbaarmakingsvereisten van artikel 433 bis of artikel 433 quater op geconsolideerde basis;
   h) de instelling heeft bij de bevoegde autoriteit geen bezwaar gemaakt tegen de indeling als kleine en niet-complexe instelling;
   i) de bevoegde autoriteit heeft niet besloten dat de instelling op grond van een analyse van de omvang, de verwevenheid, de complexiteit of het risicoprofiel ervan niet moet worden aangemerkt als kleine en niet-complexe instelling;
   (146) "grote instelling": een instelling die aan een van de volgende voorwaarden voldoet:
   a) zij is een MSI;
   b) zij is aangewezen als andere systeemrelevante instelling ("ASI") overeenkomstig artikel 131, leden 1 en 3, van Richtlijn 2013/36/EU;
   c) zij is in de lidstaat waar zij is gevestigd één van de drie grootste instellingen gerekend naar de totale waarde van de activa;
   d) de totale waarde van haar activa op individuele basis of, waar toepasselijk, op basis van haar geconsolideerde situatie overeen­komstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, is gelijk aan of groter dan 30 miljard EUR;
   (147) "grote dochteronderneming": een dochteronderneming die kan worden aangemerkt als een grote instelling;
   (148) "niet-beursgenoteerde instelling": een instelling die geen effecten heeft uitgegeven die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 21, van Richtlijn 2014/65/EU;
   (149) "financieel verslag": voor de toepassing van deel acht, een financieel verslag in de zin van de artikelen 4 en 5 van Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad**.

__________________

* Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemings­vormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

** Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgeveninstellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38).";

"

b)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"4. De EBA stelt ontwerpen van technische reguleringsnormen op waarin nader wordt bepaald onder welke omstandigheden aan de ▌ in punt 39 van lid 1 vervatte voorwaarden is voldaan.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische regulerings­normen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.";

"

3)  artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Instellingen voldoen op individuele basis aan de verplichtingen die zijn neergelegd in de delen twee, drie, vier, zeven, zeven bis en acht van deze verordening en in hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening.";

"

b)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"1 bis. In afwijking van lid 1 van dit artikel voldoen uitsluitend als af te wikkelen entiteiten aangemerkte instellingen die ook MSI's of deel van een MSI zijn en geen dochterondernemingen hebben, op individuele basis aan het in artikel 92 bis bepaalde vereiste.

Dochterondernemingen van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI ▌ voldoen op individuele basis aan artikel 92 ter mits zij:

   a) geen af te wikkelen entiteiten zijn;
   b) geen dochterondernemingen hebben;
   c) geen dochterondernemingen zijn van een EU-moederinstelling.";

"

c)  de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:"

"3. Van een instelling die een moederonderneming of een dochteronderneming is en van een instelling die op grond van artikel 18 in de consolidatie wordt betrokken, wordt niet vereist dat zij op individuele basis aan de in deel acht bepaalde verplichtingen voldoet.

In afwijking van de eerste alinea van dit lid voldoen de in lid 1 bis van dit artikel bedoelde instellingen op individuele basis aan artikel 437 bis en artikel 447, punt h).

   4. Kredietinstellingen en beleggingsondernemingen die een vergunning hebben om de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2014/65/EU opgesomde beleggingsdiensten en -activiteiten te verrichten, voldoen op individuele basis aan de in deel zes en in artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening neergelegde verplichtingen.

De volgende instellingen hoeven niet te voldoen aan artikel 413, lid 1, en aan de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake liquiditeit van deel zeven bis van deze verordening:

   a) instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012;
   b) instellingen waaraan ook een vergunning is verleend overeenkomstig artikel 16 en artikel 54, lid 2, punt a), van Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad*, mits zij geen significante looptijdtransformatie verrichten; en
   c) en instellingen die overeenkomstig artikel 54, lid 2, punt b), van Verordening (EU) nr. 909/2014 zijn aangewezen, mits:
   i) hun activiteiten beperkt zijn tot het aanbieden van bancaire diensten als genoemd in afdeling C, punten a) tot en met e), van de bijlage bij die verordening en tot centrale effectenbewaar­instellingen waaraan overeenkomstig artikel 16 van die verordening een vergunning is verleend; en
   ii) zij geen significante looptijdtransformatie verrichten.

In afwachting van het verslag van de Commissie overeenkomstig artikel 508, lid 3, kunnen de bevoegde autoriteiten beleggingsondernemingen van de naleving van de in de deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), bepaalde verplichtingen vrijstellen, waarbij zij rekening houden met de aard, de omvang en de complexiteit van hun activiteiten.

   5. Van beleggingsondernemingen als bedoeld in artikel 95, lid 1, en artikel 96, lid 1, van deze verordening, instellingen waarop door bevoegde autoriteiten de bij artikel 7, lid 1 of lid 3, van deze verordening bepaalde afwijking is toegepast en instellingen waaraan ook een vergunning is verleend uit hoofde van artikel 14 van Verordening (EU) nr. 648/2012, wordt niet vereist dat zij op individuele basis voldoen aan de in deel zeven van deze verordening neergelegde verplichtingen en aan de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake hefboomratio’s van deel zeven bis van deze verordening.

_________________

* Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).;

"

4)   artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt punt b) vervangen door:"

"b) de moederinstelling houdt op geconsolideerde basis - of de dochteronderneming op gesubconsolideerde basis - voortdurend toezicht op de liquiditeitsposities van alle instellingen binnen de groep of subgroep die onder de ontheffing vallen, monitort houdt te allen tijde toezicht op de financieringsposities van alle instellingen binnen de groep of subgroep die ontheven zijn van het in deel zes, titel IV, beschreven vereiste inzake de nettostabielefinancieringsratio (NSFR)▌, en staat garant voor een toereikend niveau van liquiditeit en, indien ontheffing wordt verleend van de in deel zes, titel IV, beschreven NSFR, van stabiele financiering van al deze instellingen;";

"

b)  in lid 3 worden de punten b) en c) vervangen door:"

"b) de verdeling van bedragen, locatie en eigendom van de liquide activa die binnen die ene liquiditeitssubgroep moeten worden aangehouden, indien ontheffing wordt verleend van het vereiste inzake de liquiditeitsdekkingsratio (LCR) dat is neergelegd in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling, en de verdeling van bedragen en locatie van de beschikbare stabiele financiering binnen die ene liquiditeitssubgroep, indien ontheffing wordt verleend van het in deel zes, titel IV, bepaalde NSFR-vereiste;

   c) de bepaling van de minimumbedragen aan liquide activa die moeten worden aangehouden door de instellingen waaraan ontheffing is verleend van de toepassing van het LCR-vereiste dat is neergelegd in de in artikel 460, lid 1, bedoelde gedelegeerde handeling en de bepaling van de minimumbedragen aan beschikbare stabiele financiering die moeten worden aangehouden door de instellingen waaraan ontheffing van het in deel zes, titel IV, van deze verordening bepaalde NSFR-vereiste is verleend;"

"

c)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"6. Indien een bevoegde autoriteit overeenkomstig dit artikel geheel of gedeeltelijk aan een instelling ontheffing van de toepassing van deel zes verleent, kan zij aan die instelling ook ontheffing van de toepassing van de verband houdende rapportagevereisten inzake liquiditeit uit hoofde van artikel 430, lid 1, punt d), verlenen.;

"

5)  in artikel 10, lid 1, wordt de inleidende formule vervangen door:"

"1. De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomstig het nationale recht geheel of gedeeltelijk ontheffing verlenen van de toepassing van de vereisten van de delen twee tot en met acht van deze verordening en hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 op een of meer kredietinstellingen die in dezelfde lidstaat gevestigd zijn en die blijvend zijn aangesloten bij een centraal orgaan dat toezicht op hen uitoefent en dat in dezelfde lidstaat gevestigd is, mits er aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:";

"

6)  artikelen 11 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de leden 1 en 2 worden vervangen door:"

"1. Moederinstellingen in een lidstaat voldoen, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18, aan de in de delen twee, drie, vier, zeven en zeven bis neergelegde verplichtingen op basis van hun geconsolideerde situatie, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d). De moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, zetten een deugdelijke organisatiestructuur op en stellen passende mechanismen voor interne controle in om ervoor te zorgen dat de voor de consolidatie vereiste gegevens naar behoren worden verwerkt en doorgeleid. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochterondernemingen regelingen, processen en mechanismen hanteren die deugdelijke consolidatie garanderen.

   2. Opdat de vereisten van deze verordening op geconsolideerde basis worden toegepast, worden met de termen "instelling", "moederinstelling in een lidstaat", "EU-moederinstelling" en "moederonderneming", naargelang het geval, tevens bedoeld:
   a) financiële holdings of gemengde financiële holdings die overeenkomstig artikel 21 bis van Richtlijn 2013/36/EU zijn goedgekeurd;
   b) aangewezen instellingen die onder zeggenschap staan van een financiële moederholding of een gemengde financiële moederholding, indien die moederholdings niet zijn onderworpen aan goedkeuring uit hoofde van artikel 21 bis, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU;
   c) financiële holdings, gemengde financiële holdings of instellingen die overeenkomstig artikel 21 bis, lid 6, punt d), van Richtlijn 2013/36/EU zijn aangewezen.

De geconsolideerde situatie van een onderneming als bedoeld in de eerste alinea, onder b), van dit lid is de geconsolideerde situatie van de financiële moederholding of de gemengde financiële moederholding die niet is onderworpen aan goedkeuring uit hoofde van artikel 21 bis, lid 4, van Richtlijn 2013/36/EU. De geconsolideerde situatie van een onderneming als bedoeld in de eerste alinea, onder c), van dit lid is de geconsolideerde situatie van haar financiële moederholding of gemengde financiële moederholding.";

"

b)  lid 3 wordt geschrapt;

c)  het volgende lid wordt ingevoegd:"

"3 bis. In afwijking van lid 1 van dit artikel voldoen alleen als af te wikkelen entiteiten aangemerkte moederinstellingen die ook MSI's of deel van een MSI of deel van een niet-EU-MSI zijn, op geconsolideerde basis aan artikel 92 bis van deze verordening, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18 van deze verordening.

Alleen EU-moederondernemingen die een dochteronderneming van wezenlijk belang van een niet-EU-MSI zijn en geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen op geconsolideerde basis aan artikel 92 ter van deze verordening, in de mate en op de wijze als bepaald in artikel 18 van deze verordening. Indien artikel 21 ter, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU van toepassing is, voldoen de twee intermediaire EU-moederondernemingen die gezamenlijk als één dochteronderneming van wezenlijk belang zijn aangemerkt elk afzonderlijk op basis van hun geconsolideerde situatie aan artikel 92 ter van deze verordening.";

"

d)  de leden 4 en 5 worden vervangen door:"

"4. EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening ▌ indien de groep uit één of meer kredietinstellingen of beleggingsondernemingen bestaat waaraan een vergunning is verleend voor het verstrekken van de in de punten 3 en 6 van bijlage I, afdeling A, bij Richtlijn 2014/65/EU vermelde beleggingsdiensten en -activiteiten. In afwachting van het in artikel 508, lid 2, van deze verordening genoemde verslag van de Commissie en op voorwaarde dat de groep uitsluitend beleggingsondernemingen omvat, kunnen de bevoegde autoriteiten de EU-moederinstellingen van de naleving van deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening op geconsolideerde basis vrijstellen, waarbij rekening wordt gehouden met de aard, de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de beleggingsonderneming.

Wanneer er uit hoofde van artikel 8, leden 1 tot en met 5, ontheffing is verleend, voldoen de instellingen en, in voorkomend geval, de financiële holdings of gemengde financiële holdings die deel uitmaken van een liquiditeitssubgroep, op geconsolideerde basis of op de gesubconsolideerde basis van de liquiditeitssubgroep aan deel zes en artikel 430, lid 1, punt d).

   5. Wanneer artikel 10 van deze verordening van toepassing is, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan de vereisten van de delen twee tot en met acht van deze verordening en hoofdstuk 2 van Verordening (EU) 2017/2402 op basis van de geconsoli­deerde situatie van het geheel dat door het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen wordt gevormd.
   6. Naast de vereisten van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel, en onverminderd andere bepalingen van deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien zulks voor toezichtsdoeleinden vanwege de specifieke kenmerken van het risico of van de kapitaalstructuur van een instelling gerechtvaardigd is, of wanneer lidstaten nationale wetgeving vaststellen op grond waarvan activiteiten binnen een bankgroep structureel moeten worden gescheiden, van een instelling verlangen dat zij op gesubconsolideerde basis voldoet aan de verplichtingen van de delen twee, tot en met acht van deze verordening en van titel VII van Richtlijn 2013/36/EU.

De toepassing van de in de eerste alinea vervatte benadering mag geen afbreuk doen aan het effectieve toezicht op geconsolideerde basis en mag evenmin onevenredige negatieve gevolgen hebben voor het geheel of delen van het financiële stelsel van andere lidstaten of van de Unie als geheel, noch de werking van de interne markt belemmeren.";

"

7)  artikel 12 wordt geschrapt;

8)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 12 bis

Geconsolideerde berekening voor MSI's met meerdere af te wikkelen entiteiten

Wanneer ten minste twee tot dezelfde MSI behorende MSI-entiteiten af te wikkelen entiteiten zijn, berekent de EU-moederinstelling van die MSI het bedrag van het in artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva. Die berekening wordt verricht op basis van de geconsolideerde situatie van de EU-moederinstelling alsof het de enige af te wikkelen entiteit van de MSI betrof.

Wanneer het overeenkomstig de eerste alinea van dit artikel berekende bedrag lager is dan de som van de in artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van alle tot die MSI behorende af te wikkelen entiteiten, handelen de afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig artikel 45 quinquies, lid 3, en artikel 45 nonies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU.

Wanneer het overeenkomstig de eerste alinea van dit artikel berekende bedrag hoger is dan de som van de in artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening bedoelde bedragen aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van alle tot die MSI behorende af te wikkelen entiteiten, kunnen de afwikkelingsautoriteiten overeenkomstig artikel 45 quinquies, lid 3, en artikel 45 nonies, lid 2, van Richtlijn 2014/59/EU handelen.";

"

9)  de artikelen 13 en 14 worden vervangen door:"

"Artikel 13

Toepassing van openbaarmakingsvereisten op geconsolideerde basis

   1. EU-moederinstellingen voldoen op basis van hun geconsolideerde situatie aan deel acht.

Grote dochterondernemingen van EU-moederinstellingen maken de in de artikelen 437, 438, 440, 442, 450, 451, 451 bis ▌ en 453 genoemde informatie openbaar op individuele basis of, wanneer van toepassing, overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU, op gesubconsolideerde basis.

   2. Als af te wikkelen entiteiten aangemerkte instellingen die MSI’s of deel van een MSI zijn, voldoen op basis van de geconsolideerde ▌ situatie van hun af te wikkelen groep aan artikel 437 bis en artikel 447, punt h).
   3. De eerste alinea van lid 1 is niet van toepassing op EU-moederinstellingen, financiële EU-moederholdings, gemengde financiële EU-moederholdings of af te wikkelen entiteiten voor zover zij worden betrokken bij gelijkwaardige openbaarmakingen die door een in een derde land gevestigde moederonderneming op geconsolideerde basis worden verstrekt.

De tweede alinea van lid 1 is van toepassing op dochterondernemingen van in een derde land gevestigde moederondernemingen indien die dochterondernemingen als grote dochterondernemingen worden aangemerkt.

   4. Wanneer artikel 10 van toepassing is, voldoet het in dat artikel bedoelde centrale orgaan aan deel acht op basis van de geconsolideerde situatie van het centrale orgaan. Artikel 18, lid 1, is van toepassing op het centrale orgaan en de aangesloten instellingen worden behandeld als de dochterondernemingen van het centrale orgaan.

Artikel 14

Toepassing van de vereisten van artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 op geconsolideerde basis

   1. Moederondernemingen en hun dochterondernemingen die onder deze verordening vallen, wordt voorgeschreven te voldoen op geconsolideerde of gesubconsolideerde basis aan de in artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 neergelegde verplichtingen, zodat hun bij deze bepalingen voorgeschreven regelingen, procedures en mechanismen samenhang vertonen en goed geïntegreerd zijn, en alle gegevens en informatie die voor het toezicht van belang zijn, kunnen worden verkregen. Zij dragen er meer in het bijzonder zorg voor dat niet onder deze verordening vallende dochter­ondernemingen regelingen, procedures en mechanismen hanteren die de inachtneming van deze bepalingen garanderen.
   2. Instellingen passen overeenkomstig artikel 270 bis van deze verordening een extra risicogewicht toe wanneer zij artikel 92 van deze verordening op een geconsolideerde of gesubconsolideerde basis toepassen indien de vereisten van artikel 5 van Verordening (EU) 2017/2402 niet worden nageleefd op het niveau van een in een derde land gevestigde entiteit die overeenkomstig artikel 18 van deze verordening bij de consolidatie betrokken is, en de niet-naleving een wezenlijke invloed heeft op het algehele risicoprofiel van de groep.";

"

10)  in artikel 15, lid 1, wordt de inleidende formule vervangen door:"

"1. De consoliderend toezichthouder kan, op ad-hocbasis, op geconsolideerde basis ontheffing van de toepassing van deel drie, de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis van deze verordening, en van titel VII, hoofdstuk 4, van Richtlijn 2013/36/EU, met uitzondering van artikel 430, lid 1, punt d), van deze verordening verlenen, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:";

"

11)  artikel 16 wordt vervangen door:"

“Artikel 16

Afwijking van de toepassing van de hefboomratiovereisten op geconsolideerde basis voor groepen van beleggingsondernemingen

Indien alle entiteiten in een groep van beleggingsondernemingen, inclusief de moederentiteit, beleggingsondernemingen zijn die zijn vrijgesteld van het overeenkomstig artikel 6, lid 5, toepassen van de vereisten van deel zeven op individuele basis, kan de moederbeleggingsonderneming ervoor kiezen de vereisten van deel zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten inzake hefboomratio's van deel zeven bis op geconsolideerde basis toe te passen. ";

"

12)  artikel 18 wordt vervangen door:"

"Artikel 18

Methoden voor prudentiële consolidatie

   1. Instellingen, financiële holdings en gemengde financiële holdings die aan de in afdeling 1 van dit hoofdstuk genoemde vereisten op basis van hun geconsolideerde situatie moeten voldoen, voeren een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn. De leden 3 tot en met 6 en lid 9 van dit artikel zijn niet van toepassing indien deel zes en artikel 430, lid 1, punt d), van toepassing zijn op de geconsolideerde situatie van een instelling, financiële holding of gemengde financiële holding of op de gesubconsolideerde situatie van een liquiditeitssubgroep zoals beschreven in de artikelen 8 en 10.

Voor de toepassing van artikel 11, lid 3 bis, voeren instellingen die op geconsolideerde basis moeten voldoen aan de in artikel 92 bis of artikel 92 ter genoemde vereisten, een volledige consolidatie uit van alle instellingen en financiële instellingen die hun dochterondernemingen zijn in de betrokken af te wikkelen groepen.

   2. Nevendiensten verrichtende ondernemingen worden bij de consolidatie betrokken in de gevallen en volgens de methoden die in dit artikel zijn omschreven.
   3. Indien ondernemingen die in verhouding staan zoals beschreven in artikel 22, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU, bepalen de bevoegde autoriteiten hoe de consolidatie moet worden uitgevoerd.
   4. De consoliderend toezichthouder verlangt de proportionele consolidatie naargelang van het aandeel in het kapitaal van deelnemingen in instellingen en financiële instellingen welke gezamenlijk door een bij de consolidatie betrokken onderneming en een of meer daarin niet betrokken ondernemingen worden geleid, wanneer daaruit een beperking van de aansprakelijkheid van deze ondernemingen voortvloeit die afhangt van hun aandeel in het kapitaal.
   5. In het geval van deelnemingen of van andere vormen van kapitaalbinding dan bedoeld in de leden 1 en 4 bepalen bevoegde autoriteiten of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden. Ze kunnen met name de toepassing van de vermogensmutatiemethode toestaan of voorschrijven. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen bij het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.
   6. De bevoegde autoriteiten bepalen in de volgende gevallen of en in welke vorm consolidatie moet plaatsvinden:
   a) een instelling oefent naar het oordeel van de bevoegde autoriteiten een invloed van betekenis uit op een of meer instellingen of financiële instellingen, zonder daarin evenwel een deelneming te houden of daarmee andere vormen van kapitaalbinding te hebben; en
   b) twee of meer instellingen of financiële instellingen staan onder centrale leiding zonder dat dit op grond van een overeenkomst of statutaire bepalingen vastgelegd hoeft te zijn.

De bevoegde autoriteiten kunnen in het bijzonder het gebruik van ▌ de in artikel 22, leden 7, 8 en 9, van Richtlijn 2013/34/EU bedoelde methode toestaan ▌ of voor­schrijven. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

   7. Indien een instelling een dochteronderneming heeft die geen instelling, financiële instelling of nevendiensten verrichtende onderneming is, of een deelneming in een dergelijke onderneming heeft, past zij op die dochteronderneming of die deel­neming de vermogensmutatiemethode toe. Die methode houdt evenwel niet in dat de betrokken ondernemingen in het toezicht op geconsolideerde basis worden betrokken.

In afwijking van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten instellingen toestaan of verplichten om op zulke dochterondernemingen of deelnemingen een andere methode toe te passen, met inbegrip van de door het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving voorgeschreven methode, op voorwaarde dat:

   a) de instelling de vermogensmutatiemethode nog niet gebruikt op ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening];
   b) het te belastend zou zijn de vermogensmutatiemethode toe te passen of de vermogensmutatiemethode de risico's van de in de eerste alinea bedoelde onderneming voor de instelling onvoldoende weergeeft; en
   c) de toegepaste methode niet resulteert in de volledige of proportionele consolidatie van die onderneming.
   8. De bevoegde autoriteiten kunnen de volledige of proportionele consolidatie verlangen van een dochteronderneming of een onderneming waarin een instelling een deelneming heeft, mits die dochteronderneming of onderneming geen instelling, financiële instelling of een nevendiensten verrichtende onderneming is en mits aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:
   a) de onderneming is geen verzekeringsonderneming, verzekeringsonderneming uit een derde land, herverzekeringsonderneming, herverzekerings­onderneming uit een derde land, verzekeringsholding of een van het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG uitgesloten onderneming overeenkomstig artikel 4 van die richtlijn;
   b) er bestaat een significant risico dat de instelling besluit financiële steun te verlenen aan die onderneming in stressomstandigheden, in afwezigheid van, of in aanvulling op enige contractuele verplichtingen om dergelijke steun te verlenen.
   9. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder consolidatie in de in de leden 3 tot en met 6 en 8 bedoelde gevallen wordt uitgevoerd.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2020 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.";

"

13)  artikel 22 wordt vervangen door:"

"Artikel 22

Subconsolidatie in geval van entiteiten in derde landen

   1. Instellingen die een dochteronderneming zijn, passen de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie, vier en zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe indien die instellingen in een derde land een instelling of een financiële instelling als dochteronderneming hebben of een deelneming in dit soort onderneming hebben.
   2. In afwijking van lid 1 van dit artikel mogen instellingen die een dochteronderneming zijn, besluiten de vereisten van de artikelen 89, 90 en 91 en de delen drie, vier en zeven en de daarmee verband houdende rapportagevereisten van deel zeven bis niet op basis van hun gesubconsolideerde situatie toe te passen indien de totale activa en posten buiten de balanstelling van hun dochterondernemingen en deelnemingen in derde landen minder dan 10 % bedragen van het totale bedrag van de actiefposten en de posten buiten de balanstelling van de instelling die een dochteronderneming is.";

"

14)  de titel van deel twee wordt vervangen door:"

"EIGEN VERMOGEN EN IN AANMERKING KOMENDE PASSIVA";

"

15)  in artikel 26 wordt lid 3 vervangen door:"

"3. De bevoegde autoriteiten gaan na of uitgiften van kapitaalinstrumenten voldoen aan de criteria van artikel 28 of, naargelang het geval, van artikel 29. Uitgiften van kapitaalinstrumenten worden door de instellingen slechts als tier 1-kernkapitaal­instrumenten aangemerkt nadat daarvoor toestemming is gegeven door de bevoegde autoriteiten.

In afwijking van de eerste alinea kunnen instellingen opeenvolgende uitgiften van een vorm van tier 1-kernkapitaalinstrumenten waarvoor zij die toestemming reeds hebben gekregen, als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aanmerken mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de voor die opeenvolgende uitgiften geldende bepalingen zijn wezenlijk dezelfde als de bepalingen die gelden voor de uitgiften waarvoor de instellingen reeds toestemming hebben verkregen;
   b) de instellingen hebben de bevoegde autoriteiten voldoende tijd vóór de indeling ervan als tier 1-kernkapitaalinstrumenten in kennis gesteld van die opeenvolgende uitgiften.

De bevoegde autoriteiten raadplegen de EBA voordat zij toestemming verlenen voor nieuwe vormen van als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken kapitaal­instrumenten. De bevoegde autoriteiten houden terdege rekening met het advies van de EBA en delen, indien zij besluiten van het advies af te wijken, de EBA binnen drie maanden na de datum van ontvangst van het advies van de EBA schriftelijk mee waarom zij van het betrokken advies zijn afgeweken. Deze alinea is niet van toepassing op de in artikel 31 bedoelde kapitaalinstrumenten.

Op basis van de door bevoegde autoriteiten verstrekte informatie wordt door de EBA een lijst opgesteld, geactualiseerd en gepubliceerd van alle vormen van kapitaalinstrumenten in elke lidstaat die als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt. Overeenkomstig artikel 35 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 kan de EBA alle met tier 1-kernkapitaalinstrumenten verband houdende informatie verzamelen die zij nodig acht om zich van de vervulling van de in artikel 28 of, waar toepasselijk, artikel 29 van deze verordening beschreven criteria te vergewissen, en om de in deze alinea bedoelde lijst bij te houden en te actualiseren.

Na de in artikel 80 beschreven toetsingsprocedure en indien voldoende is aangetoond dat de betrokken kapitaalinstrumenten niet of niet meer voldoen aan de in artikel 28 of, waar toepasselijk, artikel 29 beschreven criteria, kan de EBA besluiten die instrumenten niet aan de in de vierde alinea bedoelde lijst toe te voegen of deze van die lijst te schrappen, naargelang het geval. De EBA brengt met dat doel een verklaring uit waarin het standpunt ter zake van de bevoegde autoriteit ook wordt vermeld. Deze alinea is niet van toepassing op de in artikel 31 bedoelde kapitaalinstrumenten.";

"

16)  artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  punt b) wordt vervangen door:"

"b) de instrumenten zijn volgestort en de verwerving van de eigendom van die instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;";

"

ii)  de volgende alinea wordt toegevoegd:"

"Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als tier 1-kernkapitaalinstrument worden aangemerkt.";

"

b)  in lid 3 worden de volgende alinea's toegevoegd:"

"Aan de in lid 1, punt h), onder v), in de eerste alinea, beschreven voorwaarde wordt geacht te zijn voldaan niettegenstaande een dochteronderneming onderworpen is aan een met haar moederonderneming aangegane overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten volgens welke de dochteronderneming verplicht is om na de opstelling van haar jaarlijkse financiële overzichten haar jaarresultaat over te dragen aan de moederonderneming, indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de moederonderneming bezit 90 % of meer van de stemrechten en van het kapitaal van de dochteronderneming;
   b) de moederonderneming en de dochteronderneming zijn in dezelfde lidstaat gevestigd;
   c) de overeenkomst werd vanuit rechtmatige fiscale overwegingen gesloten;
   d) bij het opstellen van het jaarlijks financieel overzicht beschikt de dochteronderneming over een beoordelingsmarge om het bedrag van de uitkeringen neerwaarts bij te stellen door haar winsten geheel of gedeeltelijk toe te wijzen aan haar eigen reserves of middelen voor algemeen bankrisico, voordat betalingen aan haar moederonderneming worden gedaan;
   e) de moederonderneming is krachtens de overeenkomst verplicht alle verliezen van de dochteronderneming volledig te compenseren;
   f) de overeenkomst bevat een opzegtermijn volgens welke de overeenkomst pas aan het einde van een boekjaar kan worden beëindigd en die beëindiging niet vroeger dan het begin van het volgende boekjaar van kracht wordt, en die de verplichting voor de moederonderneming om alle verliezen van de dochter­onderneming van het lopende boekjaar volledig te compenseren onverlet laat.

Indien een instelling een overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten is aangegaan, stelt zij de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis en verstrekt zij de bevoegde autoriteit een exemplaar van de overeenkomst. Ook stelt de instelling de bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van wijzigingen in de overeenkomst tot overdracht van de bedrijfsresultaten en van de beëindiging ervan. Een instelling gaat maximaal één overeenkomst tot de overdracht van de bedrijfsresultaten aan.";

"

17)  in artikel 33, lid 1, wordt punt c) vervangen door:"

"c) tegen reële waarde gewaardeerde winsten en verliezen op derivatenverplichtingen van de instelling die voortvloeien uit wijzigingen in het eigen kredietrisico van de instelling.";

"

18)  artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)  punt b) wordt vervangen door:"

"b) de immateriële activa, met uitzondering van de prudent gewaardeerde softwareactiva waarvan de waarde geen negatieve gevolgen ondervindt van een afwikkeling, insolventie of liquidatie van de instelling;";

"

ii)  het volgende punt wordt toegevoegd:"

"n) voor een minimumwaardeverplichting als bedoeld in artikel 132 quater, lid 2, het bedrag waarmee de huidige marktwaarde van de rechten van deelneming of aandelen in een icb die aan de basis liggen van de minimumwaardeverplichting inferieur is aan de huidige waarde van de minimumwaardeverplichting en waarvoor de instelling niet reeds een vermindering van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen heeft opgenomen.";

"

b)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"4. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de toepassing van de in lid 1, punt b), bedoelde aftrekkingen, onder meer met betrekking tot de vraag of er sprake is van negatieve gevolgen voor de waarde die geen aanleiding geven tot prudentiële bezwaren.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.";

"

19)  aan artikel 37 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"c) het af te trekken bedrag wordt verminderd met het bedrag van de uit de consolidatie van dochterondernemingen voortvloeiende boekhoudkundige herwaardering van de immateriële activa van dochterondernemingen die kunnen worden toegerekend aan andere personen dan de ondernemingen die onder de consolidatie op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2 vallen.";

"

20)  in artikel 39, lid 2, eerste alinea, wordt de inleidende zinsnede vervangen door:"

"Uitgestelde belastingvorderingen die niet op toekomstige winstgevendheid berusten, zijn beperkt tot uitgestelde belastingvorderingen die vóór 23 november 2016 zijn gecreëerd en die voortvloeien uit tijdelijke verschillen, indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:";

"

21)  in artikel 45, punt a), wordt subpunt i) vervangen door:"

"i) de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum ▌ van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;";

"

22)  artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:▌

a)  aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Dit lid is niet van toepassing op het berekenen van het eigen vermogen ten behoeve van de vereisten in de artikelen 92 bis en 92 ter, die worden berekend volgens het in artikel 72 sexies, lid 4, beschreven aftrekkader.";

"

b)  lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)  in punt a), subpunt iv), wordt de laatste zin vervangen door:"

"De geconsolideerde balans of de uitgebreide geaggregeerde berekening wordt met de frequentie bepaald in de in artikel 430, lid 7, bedoelde technische uitvoeringsnormen, ter kennis van de bevoegde autoriteiten gebracht.";

"

ii)  in punt a), subpunt v), wordt de eerste zin vervangen door:"

"v) de onder een institutioneel protectiestelsel vallende instellingen voldoen tezamen op geconsolideerde basis of op uitgebreide geaggregeerde basis aan de vereisten van artikel 92 en rapporteren overeenkomstig artikel 430 over de naleving van die vereisten.";

"

23)  in artikel 52 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)  punt a) wordt vervangen door:"

"a) de instrumenten worden direct uitgegeven door een instelling en volgestort;";

"

b)  in punt b) wordt de inleidende zinsnede vervangen door:"

"b) de instrumenten zijn geen eigendom van een van de volgende entiteiten:";

"

c)  punt c) wordt vervangen door:"

"c) de verwerving van de eigendom van de instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;";

"

d)  punt h) wordt vervangen door:"

"h) indien de instrumenten één of meer opties tot vervroegde aflossing waaronder callopties bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;";

"

e)  punt j) wordt vervangen door:"

"j) de voor de instrumenten geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten door de instelling zouden worden opgevraagd, afgelost of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;";

"

f)  punt p) wordt vervangen door:"

"p) indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeen­komstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettings­bevoegdheden uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;";

"

g)  ▌ de volgende punten ▌ worden toegevoegd:"

"q) indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeen­komstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, mogen de instrumenten slechts worden uitgegeven op grond van, of anderszins onderworpen zijn aan, de wetgeving van een derde land indien de uitoefening van de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden krachtens die wetgeving doeltreffend en afdwingbaar is op grond van wettelijke bepalingen of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen die voorzien in afwikkeling of andere afschrijvings- of omzettingsacties;

   r) de instrumenten zijn niet onderworpen aan ▌ salderings- of verrekeningsovereenkomsten ▌ die de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten.";

"

h)  de volgende alinea wordt toegevoegd:"

"Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als een aanvullend-tier 1-instrument worden aangemerkt.";

"

24)  aan artikel 54, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:"

"e) indien aanvullend-tier 1-kapitaalinstrumenten door een in een derde land gevestigde dochteronderneming zijn uitgegeven, wordt het in punt a) bedoelde triggerpercentage van 5.125 % of hoger berekend volgens het nationale recht van dat derde land of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen, mits de bevoegde autoriteit zich er na raadpleging van de EBA van heeft vergewist dat deze bepalingen minstens evenwaardig zijn aan de in dit artikel beschreven vereisten.";

"

25)  in artikel 59, punt a), wordt subpunt i) vervangen door:"

"i) de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum ▌ van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;";

"

26)  in artikel 62 wordt punt a) vervangen door:"

"a) kapitaalinstrumenten ▌, indien is voldaan aan de voorwaarden van artikel 63, en in de mate als bepaald in artikel 64;";

"

27)  artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de inleidende zinsnede wordt vervangen door:"

"Kapitaalinstrumenten worden als tier 2-instrumenten aangemerkt indien onderstaande voorwaarden zijn vervuld:";

"

b)  punt a) wordt vervangen door:"

"a) de instrumenten worden direct uitgegeven ▌ door een instelling en volgestort;";

"

c)  in punt b) wordt de inleidende zinsnede vervangen door:"

"b) de instrumenten zijn geen eigendom van een van de volgende entiteiten:";

"

d)  de punten c) en d) worden vervangen door:"

"c) de verwerving van de eigendom van de instrumenten wordt niet direct of indirect door de instelling gefinancierd;

   d) de vordering op de hoofdsom van de instrumenten overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten is volledig achtergesteld bij de vorderingen van alle in aanmerking komende passiva-instrumenten;";

"

e)  in punt e) wordt de inleidende zinsnede vervangen door:"

"e) de instrumenten zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie die de rangordepositie van de vordering verbetert en die verstrekt is door een van de volgende entiteiten:"

"

f)  de punten f) tot en met n) worden vervangen door:"

"f) de instrumenten zijn niet onderworpen aan enige regeling die de rangorde van de vordering uit hoofde van de instrumenten verhoogt;

   g) de instrumenten hebben een oorspronkelijke looptijd van ten minste vijf jaar;
   h) de voor de instrumenten geldende bepalingen bevatten geen prikkel voor het aflossen of terugbetalen, naargelang het geval, van de hoofdsom ervan door de instelling vóór hun vervaldatum;
   i) indien de instrumenten één of meer opties tot vervroegde terugbetaling, waaronder callopties, bevatten, mogen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend;
   j) de instrumenten kunnen uitsluitend vervroegd worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht indien de voorwaarden van artikel 77 vervuld zijn, en ten vroegste vijf jaar na de datum van uitgifte, tenzij de voorwaarden van artikel 78, lid 4, vervuld zijn;
   k) de voor de instrumenten geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de instrumenten door de instelling vervroegd zouden worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;
   l) de voor de instrumenten geldende bepalingen verlenen de houder ervan niet het recht de voor de toekomst geplande betaling van de interest of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling;
   m) het niveau van de interest- of dividenduitkeringen, naargelang het geval, die uit hoofde van de instrumenten verschuldigd zijn, zal niet worden gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de instelling of haar moeder­onderneming;
   n) indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeen­komstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de afwikkelingsautoriteit om de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettings­bevoegdheden uit te oefenen, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;

indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en niet overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, schrijven de wetgeving of de voor de instrumenten geldende contractuele bepalingen voor dat, na een besluit van de bevoegde autoriteit van het derde land, de hoofdsom van de instrumenten permanent moet worden afgeschreven of de instrumenten moeten worden omgezet in tier 1-kernkapitaalinstrumenten;";

"

g)  de volgende punten worden toegevoegd:"

"o) indien de uitgevende instelling in een derde land is gevestigd en overeen­komstig artikel 12 van Richtlijn 2014/59/EU is aangemerkt als deel van een af te wikkelen groep waarvan de af te wikkelen entiteit in de Unie is gevestigd, of indien de uitgevende instelling in een lidstaat is gevestigd, mogen de instrumenten slechts worden uitgegeven op grond van, of anderszins onderworpen zijn aan, de wetgeving van een derde land indien de uitoefening van de in artikel 59 van die richtlijn bedoelde afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden krachtens die wetgeving doeltreffend en afdwingbaar is op grond van wettelijke bepalingen of juridisch afdwingbare contractuele bepalingen die voorzien in afwikkeling of andere afschrijvings- of omzettingsacties;

   p) de instrumenten zijn niet onderworpen aan ▌ salderings- of verrekenings­overeenkomsten ▌ die de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten.";

"

h)  de volgende alinea wordt toegevoegd:"

"Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kan alleen het deel van een kapitaalinstrument dat is volgestort, als een tier-2-instrument worden aangemerkt.";

"

28)  Artikel 64 wordt vervangen door:"

"Artikel 64

Afschrijving van tier 2-instrumenten

   1. Het volledige bedrag aan tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van meer dan vijf jaar wordt als tier 2-bestanddelen aangemerkt.
   2. De mate waarin tier 2-instrumenten gedurende de laatste vijf jaar van de looptijd van de instrumenten als tier 2-bestanddelen worden aangemerkt, wordt berekend door het resultaat van de in punt a) bedoelde berekening te vermenigvuldigen met het in punt b) bedoelde cijfer:
   a) de boekwaarde van de instrumenten ▌ op de eerste dag van de laatste vijf jaar van hun contractuele looptijd, gedeeld door het aantal dagen in die periode;
   b) het aantal resterende dagen van de contractuele looptijd van de instrumenten ▌.";

"

29)  aan artikel 66 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"e) het op grond van artikel 72 sexies van de in aanmerking komende passiva­bestanddelen af te trekken bedrag aan bestanddelen dat de in aanmerking komende passivabestanddelen van de instelling overtreft.";

"

30)  in artikel 69, punt a), wordt subpunt i) vervangen door:"

"i) de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum ▌ van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;";

"

31)  na artikel 72 wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd:"

"HOOFDSTUK 5 bis

In aanmerking komende passiva

Afdeling 1

In aanmerking komende passivabestanddelen en -instrumenten

Artikel 72 bis

In aanmerking komende passivabestanddelen

   1. In aanmerking komende passivabestanddelen bestaan uit het volgende, tenzij ze onder één van de in lid 2 van dit artikel vastgestelde categorieën uitgesloten verplichtingen vallen, en voor zover gespecificeerd in artikel 72 quater:
   a) in aanmerking komende passiva-instrumenten indien de in artikel 72 ter beschreven voorwaarden zijn vervuld, voor zover ze niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt;
   b) tier 2-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar, voor zover deze niet als tier 2-bestanddelen kunnen worden aangemerkt overeenkomstig artikel 64.
   2. De volgende verplichtingen worden uitgesloten van de in aanmerking komende passivabestanddelen:
   a) gedekte deposito's;
   b) zichtdeposito's en kortlopende deposito's met een oorspronkelijke looptijd van minder dan één jaar;
   c) het gedeelte van in aanmerking komende deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen dat het in artikel 6 van Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad* bedoelde dekkingsniveau overschrijdt;
   d) deposito's afkomstig van natuurlijke personen en van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen die in aanmerking komende deposito's zouden zijn indien ze niet waren verricht in zich buiten de Unie bevindende bijkantoren van in de Unie gevestigde instellingen;
   e) door zekerheden gedekte verplichtingen, met inbegrip van gedekte obligaties en verplichtingen in de vorm van financiële instrumenten voor hedging­doeleinden die integraal deel uitmaken van de dekkingspool van onderliggende activa en overeenkomstig nationaal recht op gelijke wijze als gedekte obligaties worden gedekt, op voorwaarde dat alle zekergestelde activa in verband met een dekkingspool van gedekte obligaties onaangeroerd en gescheiden blijven en over voldoende financiering blijven beschikken, met uitsluiting van die delen van door zekerheden of anderszins gedekte verplichtingen die de waarde van de activa, het pand, het pandrecht of de zakelijke zekerheid waarmee ze zijn gedekt, overschrijden;
   f) elke verplichting die ontstaat door het aanhouden van activa of geld van cliënten, met inbegrip van namens instellingen voor collectieve belegging aangehouden activa of geld van cliënten, op voorwaarde dat de cliënten in kwestie bescherming genieten uit hoofde van de toepasselijke insolventie­wetgeving;
   g) elke verplichting die ontstaat doordat er een fiduciaire relatie tussen de af te wikkelen entiteit of een van haar dochterondernemingen (als vertrouwens­persoon) en een andere persoon (als begunstigde) bestaat, op voorwaarde dat de begunstigde in kwestie bescherming geniet uit hoofde van de toepasselijke insolventie- of civielrechtelijke wetgeving;
   h) verplichtingen jegens instellingen, met uitzondering van verplichtingen jegens tot dezelfde groep behorende entiteiten, met een oorspronkelijke looptijd van minder dan zeven dagen;
   i) verplichtingen met een resterende looptijd van minder dan zeven dagen jegens:
   i) systemen of exploitanten van systemen die als zodanig zijn aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad**;
   ii) deelnemers aan een overeenkomstig Richtlijn 98/26/EG als zodanig aangemerkt systeem, en die ontstaan uit de deelname aan een dergelijk systeem; of
   iii) CTP's uit derde landen die zijn erkend overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 648/2012;
   j) verplichtingen jegens:
   i) werknemers ▌, met betrekking tot hun loon, pensioenuitkeringen of andere vaste vergoedingen, met uitzondering van de niet bij collectieve arbeidsovereenkomst geregelde variabele beloningscomponent, en met uitzondering van de variabele beloningscomponent van medewerkers die wezenlijke risico's nemen als bedoeld in artikel 92, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU;
   ii) commerciële of handelscrediteuren ▌, wanneer de verplichting voortvloeit uit de levering aan de instelling of moederonderneming van goederen of diensten die van kritiek belang zijn voor de dagelijkse bedrijfsactiviteiten van de instelling of de moederonderneming, zoals IT-diensten, nutsvoorzieningen en de huur, de exploitatie en het onderhoud van bedrijfsruimten;
   iii) belastingautoriteiten en socialezekerheidsinstanties, op voorwaarde dat het, volgens het toepasselijke recht, preferente verplichtingen betreft;
   iv) depositogarantiestelsels ▌, wanneer de verplichting voortvloeit uit bijdragen die uit hoofde van Richtlijn 2014/49/EU verschuldigd zijn;
   k) uit derivaten voortvloeiende verplichtingen;
   l) uit schuldinstrumenten voortvloeiende verplichtingen met ingebouwde derivaten.

Voor de toepassing van punt l) van de eerste alinea worden schuldinstrumenten met opties tot vervroegde terugbetaling die naar eigen inzicht door de uitgevende instelling of de houder kunnen worden uitgeoefend, en schuldinstrumenten met variabele rente afgeleid van een algemeen gebruikte referentierente zoals Euribor of Libor, niet louter op basis van deze kenmerken beschouwd als schuld­instrumenten met ingebouwde derivaten.

Artikel 72 ter

In aanmerking komende passiva-instrumenten

   1. Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten ▌ aangemerkt, mits ze voldoen aan de voorwaarden, beschreven in dit artikel en slechts in de mate als bepaald in dit artikel.
   2. Verplichtingen worden als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de verplichtingen zijn direct uitgegeven of aangetrokken, naargelang het geval, door een instelling en volgestort;
   b) de verplichtingen zijn niet het eigendom van een van de volgende entiteiten:
   i) de instelling of een in dezelfde af te wikkelen groep opgenomen entiteit;
   ii) een onderneming waarin de instelling al dan niet middellijk een deelneming heeft in de vorm van de eigendom, rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsrelatie, van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van die onderneming;
   c) de verwerving van de eigendom van de verplichtingen wordt niet direct of indirect door de af te wikkelen entiteit gefinancierd;
   d) de vordering op de hoofdsom van de verplichtingen overeenkomstig de bepalingen betreffende de instrumenten is volledig achtergesteld bij de vorderingen die uit de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen voortvloeien; dit achterstellingsvereiste wordt in de volgende situaties geacht te zijn vervuld:
   i) in de voor de verplichtingen geldende contractuele bepalingen is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen;
   ii) in de toepasselijke wetgeving ▌ is nader bepaald dat in het geval van normale insolventieprocedures als omschreven in van artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU de vordering op de hoofdsom van de instrumenten volledig is achtergesteld bij vorderingen die voortvloeien uit de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen;
   iii) de instrumenten zijn uitgegeven door een af te wikkelen entiteit die op haar balans geen van de in artikel 72 bis, lid 2, van deze verordening bedoelde uitgesloten verplichtingen heeft met eenzelfde rang als of een lagere rang dan de in aanmerking komende passiva-instrumenten;
   e) de verplichtingen zijn niet gedekt door een zekerheid of onderworpen aan een garantie of enige andere regeling die de rang van de vordering verbetert en die door een van de volgende entiteiten is verstrekt:
   i) de instelling of haar dochterondernemingen;
   ii) de moederonderneming van de instelling of haar dochterondernemingen;
   iii) een onderneming die nauwe banden heeft met de onder i) en ii) bedoelde entiteiten;
   f) de verplichtingen zijn niet onderworpen aan ▌ salderings- of verrekenings­overeenkomsten ▌ die bij afwikkelingsoperaties de verliesabsorptiecapaciteit ervan zouden aantasten;
   g) de voor de verplichtingen geldende bepalingen bevatten geen prikkel voor het opvragen, aflossen, wederinkopen van de hoofdsom ervan vóór hun verval­datum of de vervroegde terugbetaling door de instelling, naargelang het geval, behalve in de in artikel 72 quater, lid 3, bedoelde gevallen;
   h) de verplichtingen kunnen niet vóór de vervaldatum door de houders van de instrumenten worden afgelost, behalve in de in artikel 72 quater, lid 2, bedoelde gevallen;
   i) met inachtneming van artikel 72 quater, leden 3 en 4, indien de verplichtingen één of meer ▌ opties tot vervroegde terugbetaling, waaronder callopties, bevatten, kunnen de opties naar eigen inzicht van de uitgevende instelling worden uitgeoefend, behalve in de in artikel 72 quater, lid 2, bedoelde gevallen;
   j) de verplichtingen mogen alleen vervroegd worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht indien de in de artikelen 77 en 78 bis beschreven voorwaarden zijn vervuld;
   k) de voor de verplichtingen geldende bepalingen vermelden expliciet noch impliciet dat de verplichtingen door de af te wikkelen entiteit vervroegd zouden worden opgevraagd, afgelost, terugbetaald of wederingekocht, naargelang het geval, behalve bij insolventie of liquidatie van de instelling, en de instelling vermeldt dit niet anderszins;
   l) door de voor de verplichtingen geldende bepalingen krijgt de houder ervan niet het recht verleend de voor de toekomst geplande betaling van de rente of van de hoofdsom te versnellen, behalve bij insolventie of liquidatie van de af te wikkelen entiteit;
   m) het niveau van de interest- of dividenduitkeringen, naargelang het geval, die uit hoofde van de verplichtingen verschuldigd zijn, wordt niet ▌ gewijzigd op grond van de kredietwaardigheid van de af te wikkelen entiteit of haar moederonderneming;
   n) voor instrumenten die zijn uitgegeven na … [twee jaar te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] vermelden de toepasselijke contractuele documentatie en, in voorkomend geval, het prospectus met betrekking tot de uitgifte expliciet de mogelijke uitoefening van de afschrijvings- en omzettingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 48 van Richtlijn 2014/59/EU. ▌

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea kunnen alleen de volgestorte delen van verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt.

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea van dit artikel wordt, wanneer sommige van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen, onder meer doordat zij worden aangehouden door een crediteur met nauwe banden met de debiteur, doordat de crediteur een aandeelhouder is of is geweest, zich in een zeggenschaps- of groepsverhouding bevindt, lid is van het leiding­gevende orgaan of een band heeft met een van die personen, de achterstelling niet beoordeeld aan de hand van de uit deze uitgesloten verplichtingen voortvloeiende vorderingen.

   3. Naast de in lid 2 van dit artikel bedoelde verplichtingen kan de afwikkelingsautoriteit toestaan dat verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt tot een totaalbedrag dat niet meer bedraagt dan 3,5 % van het totaal van de risico­posten, berekend overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4, mits:
   a) aan alle in lid 2 beschreven voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt d), is voldaan;
   b) de verplichtingen dezelfde rang hebben als de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de derde alinea van lid 2 van dit artikel; en
   c) de afwikkelingsautoriteit in het licht van de in artikel 34, lid 1, punt g), en artikel 75 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde beginselen heeft geoordeeld dat de opname van die verplichtingen in de in aanmerking komende passiva geen wezenlijk risico op een succesvolle rechtsvordering of op geldige vorderingen tot schadeloosstelling inhoudt.

   4. De afwikkelingsautoriteit kan toestaan dat andere verplichtingen dan de in lid 2 bedoelde verplichtingen als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt, op voorwaarde dat:
   a) ▌ de instelling geen verplichtingen als bedoeld in ▌ lid 3 ▌ opneemt in de in aanmerking komende passivabestanddelen;
   b) aan alle in lid 2 beschreven voorwaarden, met uitzondering van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt d), is voldaan;
   c) de verplichtingen dezelfde rang hebben als of een hogere rang hebben dan de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen met de laagste rang, met uitzondering van de uitgesloten verplichtingen die uit hoofde van het nationale insolventierecht zijn achtergesteld bij gewone ongedekte vorderingen als bedoeld in de derde alinea van lid 2 van dit artikel;
   d) het bedrag van de in artikel 72 bis, lid 2, bedoelde uitgesloten verplichtingen dat bij insolventie dezelfde rang als of een lagere rang dan die verplichtingen heeft, op de balans van de instelling niet meer beloopt dan 5 % van het bedrag aan eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling;
   e) de afwikkelingsautoriteit in het licht van de in artikel 34, lid 1, punt g), en artikel 75 van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde beginselen heeft geoordeeld dat de opname van die verplichtingen in de in aanmerking komende passiva geen wezenlijk risico op een succesvolle rechtsvordering of op geldige vorderingen tot schadeloosstelling inhoudt.
   5. De afwikkelingsautoriteit mag een instelling uitsluitend toestaan ▌ verplichtingen als bedoeld in hetzij lid 3, hetzij lid 4, als in aanmerking komende passiva­bestanddelen op te nemen.

   6. De ▌ afwikkelingsautoriteit raadpleegt de bevoegde autoriteit wanneer zij onderzoekt of de voorwaarden van dit artikel zijn vervuld.
   7. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
   a) de toepasselijke vormen en aard van indirecte financiering van in aanmerking komende passiva-instrumenten;
   b) de vorm en aard van de prikkels tot aflossing, voor de toepassing van de voorwaarde van lid 2, eerste alinea, punt g), van dit artikel, en artikel 72 quater, lid 3.

Die ontwerpen van technische reguleringsnormen worden volledig afgestemd op de in artikel 28, lid 5, punt a), en artikel 52, lid 2, punt a), bedoelde gedelegeerde handeling.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 72 quater

Afschrijving van in aanmerking komende passiva-instrumenten

   1. In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van ten minste één jaar worden volledig aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

In aanmerking komende passiva-instrumenten met een resterende looptijd van minder dan één jaar worden niet aangemerkt als in aanmerking komende passivabestanddelen.

   2. Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument een aflossingsoptie voor de houder bevat die kan worden uitgeoefend vóór de oorspronkelijke vervaldatum van het instrument, de vervaldatum van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de houder de aflossings­optie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.
   3. Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument een prikkel voor de uitgevende instelling bevat om het instrument vóór zijn oorspronkelijke vervaldatum op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, de vervaldatum van het instrument bepaald als de vroegst mogelijke datum waarop de uitgevende instelling die optie kan uitoefenen en aflossing of terugbetaling van het instrument kan verlangen.
   4. Voor de toepassing van lid 1 wordt, indien een in aanmerking komend passiva-instrument opties voor vroegtijdige aflossing bevat die de uitgevende instelling naar eigen inzicht vóór de oorspronkelijke vervaldatum kan uitoefenen, maar de voor het instrument geldende bepalingen geen prikkels bevatten voor het opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van het instrument vóór de vervaldatum en geen aflossings- of terugbetalingsoptie bevatten die naar eigen inzicht van de houders kan worden uitgeoefend, de vervaldatum van het instrument bepaald als de oorspronkelijke vervaldatum.

Artikel 72 quinquies

Gevolgen van het niet langer voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen

Wanneer in het geval van een in aanmerking komend passiva-instrument niet langer aan de in artikel 72 ter beschreven voorwaarden is voldaan, worden de verplichtingen met onmiddellijke ingang niet langer als in aanmerking komende passiva-instrumenten aangemerkt.

De in artikel 72 ter, lid 2, bedoelde verplichtingen mogen verder als in aanmerking komende passiva-instrumenten worden meegeteld zolang ze krachtens artikel 72 ter, lid 3 of lid 4, kunnen worden aangemerkt als in aanmerking komende passiva-instrumenten.

Afdeling 2

Aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

Artikel 72 sexies

Aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

   1. Instellingen die onder artikel 92 bis vallen, trekken het volgende af van in aanmerking komende passivabestanddelen:
   a) direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten, met inbegrip van eigen passiva welke die instelling krachtens bestaande contractuele verplichtingen mogelijk moet kopen;
   b) direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarmee de instelling wederzijdse deelnemingen heeft, die volgens de bevoegde autoriteit bedoeld zijn om de verliesabsorptie- en herkapitalisatiecapaciteit van de af te wikkelen entiteit kunstmatig te verhogen;
   c) het overeenkomstig artikel 72 decies bepaalde toepasselijke bedrag aan direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling geen aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft;
   d) direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten, indien de instelling een aanzienlijke deelneming in die entiteiten heeft, met uitsluiting van de voor vijf werkdagen of minder ingenomen overnemingsposities.
   2. Voor de toepassing van deze afdeling worden alle instrumenten met dezelfde rang als in aanmerking komende passiva-instrumenten behandeld als in aanmerking komende passiva-instrumenten, met uitzondering van instrumenten met dezelfde rang als instrumenten die op grond van artikel 72 ter, leden 3 en 4, erkend zijn als in aanmerking komende passiva.
   3. Voor de toepassing van deze afdeling mogen instellingen het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden, als volgt berekenen:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000002.png

waarbij:

h = het bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten wordt aangehouden;

i = de index die de uitgevende instelling aangeeft;

Hi = het totale bedrag dat aan in artikel 72 ter, lid 3, bedoelde in aanmerking komende passiva-instrumenten van de uitgevende instelling i wordt aangehouden;

li = het bedrag aan verplichtingen dat in de in aanmerking komende passiva­bestanddelen is opgenomen door de uitgevende instelling i binnen de in artikel 72 ter, lid 3, bepaalde beperkingen volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling; en

Li = het totale bedrag aan uitstaande verplichtingen van de uitgevende instelling i als bedoeld in artikel 72 ter, lid 3, volgens de recentste openbaarmakingen van de uitgevende instelling.

   4. Wanneer een EU-moederinstelling of een moederinstelling in een lidstaat die onder artikel 92 bis valt, direct, indirect of synthetisch eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten aanhoudt van één of meer dochter­ondernemingen die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoren als die moeder­instelling, kan de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling, na terdege rekening te hebben gehouden met het advies van de afwikkelingsautoriteiten van betrokken dochterondernemingen, de moederinstelling toestaan om die aangehouden instrumenten af te trekken door een door de afwikkelingsautoriteit van die moederinstelling bepaald lager bedrag af te trekken. Dat aangepaste bedrag is ten minste gelijk aan het bedrag (m), berekend als volgt:

𝑚𝑖=max{0;𝑂𝑃𝑖+𝐿𝑃𝑖−𝑚𝑎𝑥{0;𝛽∙[𝑂𝑖+𝐿𝑖−𝑟𝑖∙a𝑅𝑊𝐴𝑖]}}

waarbij:

i = de index die de dochteronderneming aangeeft;

OPi = het bedrag aan door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden eigenvermogensinstrumenten;

LPi = het bedrag aan de door dochteronderneming i uitgegeven en door de moederinstelling aangehouden in aanmerking komende passivabestanddelen;

𝛽 = percentage van door dochteronderneming i ▌ uitgegeven en door de moederonderneming aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passivabestanddelen;

Oi = het bedrag aan eigen vermogen van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;

Li = het bedrag aan in aanmerking komende passiva van dochteronderneming i, zonder rekening te houden met de overeenkomstig dit lid berekende aftrek;

ri = de ratio die van toepassing is op dochteronderneming i op het niveau van haar af te wikkelen groep overeenkomstig artikel 92 bis, lid 1, punt a), van deze verordening en artikel 45 quinquies van Richtlijn 2014/59/EU; en

aRWAi = het totaal van de risicoposten van de MSI-entiteit i, berekend overeenkomstig artikel 92, leden 3 en 4, rekening houdend met de aanpassingen van artikel 12.

Indien de moederinstelling het aangepaste bedrag overeenkomstig de eerste alinea mag aftrekken, wordt het verschil tussen het in de eerste alinea bedoelde bedrag aan aangehouden eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten en dat aangepaste bedrag door de dochteronderneming afgetrokken ▌.

Artikel 72 septies

Aftrekking van aangehouden eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten

Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punt a), berekenen instellingen de door hen aangehouden instrumenten op basis van de bruto lange posities, onder voorbehoud van de volgende uitzonderingen:

   a) instellingen mogen het bedrag van de door hen aangehouden instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
   i) de lange en korte posities hebben betrekking op dezelfde onderliggende blootstelling en de korte posities houden geen tegenpartijrisico in;
   ii) ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;
   b) instellingen bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten te berekenen;
   c) instellingen mogen bruto lange posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die uit het aanhouden van indexeffecten voortvloeien, verrekenen met korte posities in eigen in aanmerking komende passiva-instrumenten die voortvloeien uit korte posities in onderliggende indices, ook indien die korte posities tegenpartij­risico inhouden, op voorwaarde dat aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
   i) de lange en korte posities zijn in dezelfde onderliggende indices;
   ii) ofwel worden zowel de lange als de korte posities in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden.

Artikel 72 octies

Aftrekkingsgrondslag van in aanmerking komende passivabestanddelen

Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punten b), c) en d), trekken instellingen de bruto lange posities af, met inachtneming van de in de artikelen 72 nonies en 72 decies neergelegde uitzonderingen.

Artikel 72 nonies

Aftrekking van aangehouden in aanmerking komende passiva van andere MSI-entiteiten

Instellingen die geen gebruik maken van de in artikel 72 undecies ▌ beschreven uitzondering, verrichten de in artikel 72 sexies, lid 1, punten c) en d), bedoelde aftrekkingen met inachtneming van het volgende:

   a) zij mogen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten berekenen op basis van de netto lange positie in dezelfde onderliggende blootstelling mits aan beide volgende voorwaarden is voldaan:
   i) de vervaldatum van de korte positie is dezelfde als of komt na de vervaldatum ▌ van de lange positie, of de resterende looptijd van de korte positie bedraagt ten minste één jaar;
   ii) ofwel worden zowel de lange als de korte positie in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;
   b) zij bepalen het af te trekken bedrag voor direct, indirect en synthetisch aangehouden indexeffecten door de doorkijkbenadering te hanteren voor de onderliggende blootstelling met betrekking tot de in die indices vervatte in aanmerking komende passiva-instrumenten.

Artikel 72 decies

Aftrekking van in aanmerking komende passiva wanneer de instelling geen aanzienlijke deelneming in MSI-entiteiten bezit

   1. Voor de toepassing van artikel 72 sexies, lid 1, punt c), berekenen instellingen het toepasselijke af te trekken bedrag door het in punt a) van dit lid bedoelde bedrag te vermenigvuldigen met de uit de in punt b) van dit lid bedoelde berekening afgeleide factor:
   a) het totaalbedrag waarmee direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling overschrijdt, berekend na toepassing van het volgende:
   i) de artikelen 32 tot en met 35;
   ii) artikel 36, lid 1, punten a) tot en met g), punt k), onder ii) tot en met v), en punt l) met uitsluiting van het voor uitgestelde belasting­vorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten en voortvloeien uit tijdelijke verschillen, af te trekken bedrag;
   iii) de artikelen 44 en 45;
   b) het bedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft, gedeeld door het totaalbedrag van direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector en in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de af te wikkelen entiteit geen aanzienlijke deelneming heeft.
   2. Instellingen houden de voor vijf of minder werkdagen ingenomen overnemings­posities buiten het in lid 1, punt a), bedoelde bedrag en buiten de berekening van de factor overeenkomstig lid 1, punt b).
   3. Het op grond van lid 1 af te trekken bedrag wordt omgeslagen over elk van de door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van een MSI-entiteit. Instellingen bepalen het op grond van lid 1 af te trekken bedrag van elk in aanmerking komend passiva-instrument door het in dit lid, punt a), gespecificeerde bedrag te vermenigvuldigen met het in dit lid, punt b), gespecificeerde gedeelte:
   a) het op grond van lid 1 af te trekken bedrag aan aangehouden instrumenten;
   b) het gedeelte van het totaalbedrag aan direct, indirect en synthetisch door de instelling aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten van MSI-entiteiten waarin de instelling geen aanzienlijke deelneming heeft dat wordt vertegenwoordigd door elk door de instelling aangehouden in aanmerking komend passiva-instrument.
   4. Het bedrag aan in artikel 72 sexies, lid 1, punt c), bedoelde aangehouden instrumenten dat gelijk is aan of lager ligt dan 10 % van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de bepalingen van punt a), onder i), ii) en iii), van lid 1 van dit artikel wordt niet afgetrokken en is onderworpen aan de toepasselijke risicogewichten overeenkomstig deel drie, titel II, hoofdstuk 2 of 3, en de in deel drie, titel IV, vastgestelde vereisten, naargelang het geval.
   5. Instellingen bepalen het op grond van lid 4 af te trekken bedrag van elk in aan­merking komend passiva-instrument door het bedrag aan aangehouden instrumenten dat op grond van lid 4 naar risico moet worden gewogen, te vermenigvuldigen met het uit de in lid 3, punt b), bedoelde berekening resulterende gedeelte.

Artikel 72 undecies

Uitzondering voor de handelsportefeuille wat betreft aftrekkingen van in aanmerking komende passivabestanddelen

   1. Instellingen mogen besluiten om een aangegeven deel van de door hen direct, indirect en synthetisch aangehouden in aanmerking komende passiva-instrumenten, dat in totaal en gemeten op basis van bruto lange posities gelijk is aan of minder dan 5% van tier 1-kernkapitaalbestanddelen van de instelling na toepassing van de artikelen 32 tot en met 36 niet af te trekken, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de aangehouden instrumenten worden in de handelsportefeuille aangehouden;
   b) de in aanmerking komende passiva-instrumenten worden voor maximaal 30 werkdagen aangehouden.
   2. Voor de bedragen van de bestanddelen die op grond van lid 1 niet worden afgetrokken, gelden de eigenvermogensvereisten voor bestanddelen in de handelsportefeuille.
   3. Wanneer in het geval van aangehouden bestanddelen die overeenkomstig lid 1 niet worden afgetrokken, niet langer aan de in dat lid beschreven voorwaarden is voldaan, worden de aangehouden bestanddelen afgetrokken overeenkomstig artikel 72 octies, zonder toepassing van de in de artikelen 72 nonies en 72 decies neergelegde uitzonderingen.

Afdeling 3

Eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Artikel 72 duodecies

In aanmerking komende passiva

De in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de in aanmerking komende passivabestanddelen van de instelling na de in artikel 72 sexies bedoelde aftrekkingen.

Artikel 72 terdecies

Eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

Het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van een instelling bestaan uit de som van haar eigen vermogen en haar in aanmerking komende passiva.

__________________

* Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 149).

** Richtlijn 98/26/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (PB L 166 van 11.6.1998, blz. 45).";

"

32)  in deel twee, titel I, wordt de titel van hoofdstuk 6 vervangen door:"

"Algemene vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva";

"

33)  artikel 73 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

"Uitkeringen op instrumenten";

"

b)  de leden 1 tot en met 4 worden vervangen door:"

"1. Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het volledig ter beoordeling van een instelling staat om te besluiten uitkeringen in een andere vorm uit te betalen dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten, kunnen alleen als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt indien de instelling de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit heeft gekregen.

   2. De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 1 bedoelde voorafgaande toestemming uitsluitend indien naar hun oordeel aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   a) het vermogen van de instelling om uitkeringen uit hoofde van het instrument te staken, zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;
   b) het vermogen van het kapitaalinstrument of van de verplichting om verliezen te absorberen zou niet nadelig worden beïnvloed door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan;
   c) de kwaliteit van het kapitaalinstrument of de verplichting zou in geen enkel ander opzicht worden beperkt door de in lid 1 bedoelde beoordelingsbevoegdheid of door de vorm waarin de uitkeringen zouden kunnen worden gedaan.

De bevoegde autoriteit raadpleegt de afwikkelingsautoriteit betreffende de naleving door een instelling van die voorwaarden voordat zij de in lid 1 bedoelde voorafgaande toestemming verleent.

   3. Kapitaalinstrumenten en verplichtingen waarvoor het een andere rechtspersoon dan de uitgevende instelling ter beoordeling staat om te besluiten of te ver­langen dat de uitkeringen op die instrumenten of passiva in een andere vorm dan in contanten of als eigenvermogensinstrumenten worden gedaan, kunnen niet als tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten worden aangemerkt.
   4. Instellingen mogen zich voor het vaststellen van het niveau van de uitkeringen op aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten onder meer op een brede marktindex baseren.";

"

c)  lid 6 wordt vervangen door:"

"6. Instellingen melden de brede marktindices waarop hun kapitaalinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten berusten, en maken deze openbaar.";

"

34)  in artikel 75 wordt de inleidende zinsnede vervangen door:"

"Aan de in artikel 45, punt a), artikel 59, punt a), artikel 69, punt a), en artikel 72 nonies, punt a), bedoelde looptijdvereisten voor korte posities wordt geacht te zijn voldaan voor aangehouden posities indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:";

"

35)  in artikel 76 worden de leden 1, 2 en 3 vervangen door:"

"1. Voor de toepassing van artikel 42, punt a), artikel 45, punt a), artikel 57, punt a), artikel 59, punt a), artikel 67, punt a), artikel 69, punt a), en artikel 72 nonies, punt a), mogen instellingen het bedrag van een lange positie in een kapitaalinstrument verlagen met het gedeelte van een index dat is samengesteld uit dezelfde onder­liggende blootstelling die wordt afgedekt, mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan:

   a) ofwel worden zowel de afgedekte lange positie als de korte positie in een index die wordt gebruikt om die lange positie af te dekken, in de handelsportefeuille aangehouden, ofwel worden beide in de niet-handelsportefeuille aangehouden;
   b) de in punt a) bedoelde posities worden tegen reële waarde aangehouden op de balans van de instelling;
   c) de in punt a) bedoelde korte positie wordt in het kader van de interne­controleprocedures van de instelling als een effectieve afdekking aangemerkt;
   d) de bevoegde autoriteiten toetsen de in punt c) bedoelde internecontrole­procedures ten minste eenmaal per jaar op adequaatheid en vergewissen zich ervan dat die procedures nog steeds naar behoren functioneren.
   2. Indien de bevoegde autoriteit haar voorafgaande toestemming heeft verleend, mag een instelling uitgaan van een voorzichtige raming van haar onderliggende bloot­stelling met betrekking tot in indices opgenomen instrumenten in plaats van haar blootstelling aan één of meer van de in de volgende punten bedoelde bestanddelen te berekenen:
   a) in indices opgenomen eigen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten;
   b) in indices opgenomen tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten van entiteiten uit de financiële sector;
   c) in indices opgenomen in aanmerking komende passiva-instrumenten van instellingen.
   3. De bevoegde autoriteiten verlenen de in lid 2 bedoelde voorafgaande toestemming uitsluitend indien de instelling ten genoegen van die bevoegde autoriteiten heeft aangetoond dat het monitoren van haar onderliggende blootstelling aan de bestanddelen, bedoeld in één of meer van de punten van lid 2, naargelang het geval, voor de instelling in operationeel opzicht belastend zou zijn.";

"

36)  artikel 77 wordt vervangen door:"

"Artikel 77

Voorwaarden voor het verminderen van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

   1. Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit nodig, wil zij een van de volgende handelingen doen:
   a) de door de instelling uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten verminderen, aflossen of wederinkopen op een wijze die krachtens het toepasselijke nationale recht is toegestaan;
   b) de agiorekeningen met betrekking tot eigenvermogensinstrumenten verminderen, verdelen of herindelen als een ander eigenvermogens­bestanddeel;
   c) aanvullend-tier 1-instrumenten of tier 2-instrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen.
   2. Een instelling heeft de voorafgaande toestemming van de afwikkelingsautoriteit nodig, wil zij niet onder lid 1 vallende in aanmerking komende passiva-instrumenten vóór de contractuele vervaldatum opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen.";

"

37)  artikel 78 wordt vervangen door:"

"Artikel 78

Toestemming van de toezichthouder voor het verminderen van het eigen vermogen ▌

   1. De bevoegde autoriteit verleent een instelling toestemming voor het verminderen, opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten ▌, of voor het verminderen, verdelen of herindelen van daaraan gerelateerde agiorekeningen, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   a) vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als een van de in artikel 77, lid 1, bedoelde handelingen vervangt de instelling de in artikel 77, lid 1, bedoelde instrumenten of de daaraan gerelateerde agiorekeningen door eigenvermogensinstrumenten ▌ van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;
   b) de instelling heeft ten genoegen van de bevoegde autoriteit aangetoond dat het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling na de in artikel 77, lid 1, van deze verordening bedoelde handeling de in deze verordening, in ▌ Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten zouden overschrijden met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht.

Indien een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te functioneren met eigen vermogen boven de in deze verordening en in Richtlijn 2013/13/EU ▌ vereiste bedragen, kan de bevoegde autoriteit ▌ die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om ongeacht welke handeling als bedoeld in artikel 77, lid 1, van deze verordening te verrichten, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid beschreven voorwaarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de bevoegde autoriteit wordt bepaald. In het geval van tier 1-kernkapitaalinstrumenten bedraagt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 3 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 10 % van het bedrag waarmee het tier 1-kernkapitaal het totaal van de in deze verordening, in de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde tier 1-kernkapitaalvereisten overschrijdt met een marge die de bevoegde autoriteit noodzakelijk acht. In het geval van aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten overschrijdt dat vooraf bepaalde bedrag niet meer dan 10 % van de betrokken uitgifte en niet meer dan 3 % van het totale bedrag van uitstaande aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang het geval. ▌

De bevoegde autoriteiten trekken de algemene voorafgaande toestemming in wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.

   2. Wanneer de bevoegde autoriteiten de duurzaamheid beoordelen van de vervangings­instrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling als bedoeld in lid 1, punt a), houden zij rekening met de mate waarin die vervangende kapitaal­instrumenten ▌ kostbaarder voor de instelling zouden zijn dan de kapitaal­instrumenten of agiorekeningen die zij zouden vervangen.
   3. Indien een instelling een in artikel 77, lid 1, punt a), bedoelde handeling verricht en het toepasselijke nationale recht verbiedt om het aflossen van de in artikel 27 bedoelde tier 1-kernkapitaalinstrumenten te weigeren, kan de bevoegde autoriteit ontheffing verlenen van de in lid 1 van dit artikel beschreven voorwaarden, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit van de instelling verlangt dat deze de aflossing van die instrumenten op een passende basis beperkt.
   4. De bevoegde autoriteiten kunnen instellingen toestaan om aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten of daaraan gerelateerde agiorekeningen op te vragen, af te lossen of weder in te kopen gedurende vijf jaar na de datum van uitgifte ervan wanneer aan de voorwaarden van lid 1 en aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de indeling van die instrumenten volgens de regelgeving ondergaat een wijziging, ten gevolge waarvan ze waarschijnlijk zouden worden uitgesloten van het eigen vermogen of worden heringedeeld als eigen vermogen van lagere kwaliteit, en de beide onderstaande voorwaarden zijn vervuld:
   i) de bevoegde autoriteit acht dit soort wijziging voldoende zeker;
   ii) de instelling toont ten genoegen van de bevoegde autoriteit aan dat de herindeling van die instrumenten volgens de regelgeving redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte ervan;
   b) de toepasselijke fiscale behandeling van die instrumenten ondergaat een wijziging waarvan de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat zij wezenlijk is en redelijkerwijs niet was te voorzien op het tijdstip van uitgifte van die instrumenten;
   c) op de instrumenten en daaraan gerelateerde agiorekeningen zijn grandfatheringbepalingen krachtens artikel 494 ter van toepassing;
   d) vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als de in artikel 77, lid 1, bedoelde handeling vervangt de instelling de in artikel 77, lid 1, bedoelde instrumenten of daaraan gerelateerde agiorekeningen door eigen vermogensinstrumenten ▌ van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling, en de bevoegde autoriteit heeft toe­stemming gegeven voor die maatregel op basis van de vaststelling dat deze uit prudentieel oogpunt gunstig zou zijn en gerechtvaardigd door uitzonderlijke omstandigheden;
   e) de aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten worden wederingekocht ten behoeve van het onderhouden van een markt.

   5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:
   a) de betekenis van "houdbaar voor de inkomstencapaciteit van de instelling";
   b) de in lid 3 bedoelde passende bases voor de beperking van aflossing;
   c) de procedures, met inbegrip van de limieten en procedures voor voorafgaande toestemming door de bevoegde autoriteiten voor het uitvoeren van een in artikel 77, lid 1, vermelde handeling, en de gegevensvereisten voor een verzoek van een instelling om toestemming van de bevoegde autoriteit om een daarin vermelde handeling uit te voeren, daaronder begrepen de bij aflossing van aan leden van coöperaties uitgegeven aandelen toe te passen procedure, en de termijn voor de behandeling van een dergelijk verzoek.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 28 juli 2013 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.";

"

38)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 78 bis

Toestemming voor het verminderen van in aanmerking komende passiva-instrumenten

   1. De afwikkelingsautoriteit verleent een instelling toestemming voor het opvragen, aflossen, terugbetalen of wederinkopen van in aanmerking komende passiva-instrumenten indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:
   a) vroeger dan of op hetzelfde tijdstip als een van de in artikel 77, lid 2, bedoelde handelingen vervangt de instelling de in aanmerking komende passiva-instrumenten door eigenvermogensinstrumenten of in aanmerking komende passiva-instrumenten van gelijke of hogere kwaliteit tegen voorwaarden die houdbaar zijn voor de inkomstencapaciteit van de instelling;
   b) de instelling heeft ten genoegen van de afwikkelingsautoriteit aangetoond dat het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling na de in artikel 77, lid 2, van deze verordening bedoelde handeling de in deze verordening en de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva zou overschrijden met een marge die de afwikkelingsautoriteit, in overeenstemming met de bevoegde autoriteit, noodzakelijk acht;
   c) de instelling heeft ten genoegen van de afwikkelingsautoriteit aangetoond dat de gedeeltelijke of volledige vervanging van de in aanmerking komende passiva door eigenvermogensinstrumenten nodig is om te voldoen aan de in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde eigenvermogens­vereisten voor het behouden van de vergunning.

Wanneer een instelling voldoende waarborgen biedt met betrekking tot haar capaciteit om te opereren met eigen vermogen en in aanmerking komende passiva boven het bedrag van de in deze verordening, in de Richtlijnen 2013/36/EU en 2014/59/EU vastgestelde vereisten, kan de afwikkelingsautoriteit, na raadpleging van de bevoegde autoriteit, die instelling een algemene voorafgaande toestemming verlenen om in aanmerking komende passiva-instrumenten op te vragen, af te lossen, terug te betalen of weder in te kopen, op voorwaarde dat criteria in acht worden genomen die waarborgen dat dit soort toekomstige maatregelen in overeenstemming is met de in de punten a) en b) van dit lid beschreven voor­waarden. Deze algemene voorafgaande toestemming wordt alleen verleend voor een bepaalde periode, die niet meer dan één jaar bedraagt, waarna deze kan worden verlengd. De algemene voorafgaande toestemming wordt verleend voor een bepaald vooraf vastgesteld bedrag, dat door de afwikkelingsautoriteit wordt bepaald. Afwikkelingsautoriteiten stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van algemene voorafgaande toestemmingen die ze verlenen.

De afwikkelingsautoriteit trekt de algemene voorafgaande toestemming in wanneer een instelling een van de ten behoeve van die toestemming vastgestelde criteria schendt.

   2. Wanneer de afwikkelingsautoriteiten de duurzaamheid beoordelen van de vervangingsinstrumenten voor de inkomstencapaciteit van de instelling als bedoeld in lid 1, punt a), houden zij rekening met de mate waarin die vervangende kapitaalinstrumenten of vervangende in aanmerking komende passiva ▌ kostbaarder voor de instelling zouden zijn dan die welke zij zouden vervangen.
   3. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van het volgende:
   a) de samenwerkingsprocedure tussen de bevoegde autoriteit en de afwikkelingsautoriteit;
   b) de procedure, inclusief de termijnen en informatievereisten, voor het verlenen van de toestemming overeenkomstig de eerste alinea van lid 1;
   c) de procedure, inclusief de termijnen en informatievereisten, voor het verlenen van de algemene voorafgaande toestemming overeenkomstig de tweede alinea van lid 1;
   d) de betekenis van "duurzaam voor de inkomstencapaciteit van de instelling".

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea van dit lid worden de ontwerpen van technische reguleringsnormen volledig afgestemd op de in artikel 78 bedoelde gedelegeerde handeling.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.";

"

39)  artikel 79 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

"Tijdelijke ontheffing van de aftrekking van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva";

"

b)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Indien een instelling houder is van kapitaalinstrumenten of passiva ▌ die als eigenvermogensinstrumenten in een entiteit uit de financiële sector of als in aanmerking komende passiva-instrumenten in een instelling kunnen worden aangemerkt, en de bevoegde autoriteit van oordeel is dat het aanhouden van die instrumenten dient voor een financiëlebijstandsoperatie om die entiteit of instelling te saneren en de levensvatbaarheid ervan te herstellen, kan de bevoegde autoriteit tijdelijk ontheffing verlenen van de bepalingen inzake aftrek die anders op die instrumenten van toepassing zouden zijn.";

"

40)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 79 bis

Beoordeling van de naleving van de voorwaarden voor eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten

Bij het beoordelen of de in deel twee vastgestelde vereisten worden nageleefd, houden instellingen rekening met de wezenlijke kenmerken van instrumenten, en niet alleen met de rechtsvorm ervan. Bij het beoordelen van de wezenlijke kenmerken van een instrument wordt rekening gehouden met alle regelingen in verband met de instrumenten, zelfs als die niet uitdrukkelijk worden vermeld in de voorwaarden van de instrumenten zelf, teneinde te bepalen of de gecombineerde economische gevolgen van zulke regelingen stroken met de doelstelling van de betrokken bepalingen.";

"

41)  artikel 80 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

"Doorlopende toetsing van de kwaliteit van eigen vermogen en in aanmerking komende passiva-instrumenten";

"

b)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. De EBA monitort de kwaliteit van de eigenvermogensinstrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen in de hele Unie worden uitgegeven, en stelt de Commissie onmiddellijk in kennis wanneer er significante aanwijzingen zijn dat die instrumenten niet voldoen aan de in deze verordening uiteengezette criteria om in aanmerking te komen.

De bevoegde autoriteiten doen de EBA, onverwijld en op haar verzoek, alle informatie toekomen die de EBA met betrekking tot nieuw uitgegeven kapitaalinstrumenten of nieuwe soorten verplichtingen relevant acht, teneinde de EBA in staat te stellen de kwaliteit te monitoren van de eigenvermogens­instrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die door instellingen waar ook in de Unie worden uitgegeven.";

"

c)  in lid 3 wordt de inleidende zinsnede vervangen door:"

"3. De EBA verstrekt de Commissie technisch advies betreffende alle belangrijke wijzigingen die volgens haar in de definitie van eigen vermogen en in aan­merking komende passiva moeten worden aangebracht naar aanleiding van een van de volgende gevallen:";

"

42)  in artikel 81 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. Minderheidsbelangen omvatten de som van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:
   i) een instelling;
   ii) een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU;
   iii) een financiële tussenholding in een derde land die is onderworpen aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en indien de Commissie, overeenkomstig artikel 107, lid 4, heeft besloten dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;
   b) de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;
   c) de tier 1-kernkapitaalbestanddelen, bedoeld in de inleidende zin van dit lid, zijn eigendom van andere personen dan de op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.";

"

43)  artikel 82 wordt vervangen door:"

"Artikel 82

In aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en in aanmerking komend eigen vermogen

Het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- en tier 2-kapitaal en het in aanmerking komend eigen vermogen omvatten het minderheidsbelang, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, naargelang het geval, en de daaraan gerelateerde ingehouden winsten en agiorekeningen van een dochteronderneming, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) de dochteronderneming is een van de volgende entiteiten:
   i) een instelling;
   ii) een onderneming die krachtens het toepasselijke nationale recht onderworpen is aan de vereisten van deze verordening en van Richtlijn 2013/36/EU;
   iii) een financiële tussenholding in een derde land die is onderworpen aan even strenge prudentiële vereisten als kredietinstellingen van dat derde land, en indien de Commissie overeenkomstig artikel 107, lid 4, heeft besloten dat die prudentiële vereisten ten minste gelijkwaardig zijn aan die van deze verordening;
   b) de dochteronderneming is volledig in de consolidatie betrokken op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2;
   c) die instrumenten zijn eigendom van andere personen dan de op grond van deel een, titel II, hoofdstuk 2, in de consolidatie betrokken ondernemingen.";

"

44)  in artikel 83, lid 1, wordt de inleidende zinsnede vervangen door:"

"1. Aanvullend-tier 1- en tier 2-instrumenten die door een special purpose-entity worden uitgegeven en de daaraan gerelateerde agiorekeningen worden tot en met 31 december 2021 uitsluitend in het in aanmerking komend aanvullend-tier 1-, tier 1- of tier 2-kapitaal of in aanmerking komend eigen vermogen, naargelang het geval, opgenomen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:";

"

45)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 88 bis

Gekwalificeerde in aanmerking komende passiva-instrumenten

Passiva die zijn uitgegeven door een in de Unie gevestigde dochteronderneming die is verbonden aan dezelfde af te wikkelen groep als de af te wikkelen entiteit, komen in aanmerking om te worden opgenomen in de geconsolideerde in aanmerking komende passiva-instrumenten van een onder artikel 92 bis vallende instelling, indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) zij zijn uitgegeven overeenkomstig artikel 45 septies, lid 3, punt a), van Richtlijn 2014/59/EU;
   b) zij zijn gekocht door een bestaande aandeelhouder die niet tot dezelfde af te wikkelen groep behoort, voor zover de uitoefening van de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 van Richtlijn 2014/59/EU zonder gevolgen blijft voor de zeggenschap van de af te wikkelen entiteit over de dochteronderneming;
   c) zij bedragen niet meer dan het bedrag dat wordt verkregen door het in punt i) bedoelde bedrag af te trekken van het in punt ii) bedoelde bedrag:
   i) de som van de passiva die zijn uitgegeven aan en gekocht door de af te wikkelen entiteit, direct dan wel indirect via andere entiteiten in dezelfde af te wikkelen groep, en het bedrag van overeenkomstig artikel 45 septies, lid 3, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU uitgegeven eigenvermogensinstrumenten;
   ii) het overeenkomstig artikel 45 septies, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU vereiste bedrag.";

"

46)  artikel 92 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt het volgende punt toegevoegd:"

"d) een hefboomratio van 3 %;";

"

b)   het volgende lid wordt ingevoegd:"

"1 bis. In aanvulling op het in lid 1, punt d), van dit artikel neergelegde vereiste houdt een MSI een hefboomratiobuffer aan die gelijk is aan de in artikel 429, lid 4, van deze verordening bedoelde maatstaf van totale blootstelling van de MSI vermenigvuldigd met 50 % van het MSI-bufferpercentage van toepassing op de MSI overeenkomstig artikel 131 van Richtlijn 2013/36/EU.

Een MSI voldoet bij uitsluiting met tier 1-kapitaal aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer. Tier 1-kapitaal dat wordt gebruikt om aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer te voldoen, wordt niet gebruikt om te voldoen aan de op hefboomwerking gebaseerde vereisten die zijn vastgesteld in deze verordening en in Richtlijn 2013/36/EU, tenzij daarin nadrukkelijk anderszins is bepaald.

Voor een MSI die niet aan het vereiste inzake de hefboomratiobuffer voldoet, geldt het vereiste inzake kapitaalinstandhouding overeenkomstig artikel 141 ter van Richtlijn 2013/36/EU.

Voor een MSI die niet tegelijkertijd aan het vereiste inzake de hefboomratio en het gecombineerd buffervereiste, zoals gedefinieerd in artikel 128, punt 6), van Richtlijn 2013/36/EU, voldoet, geldt het hoogste van de vereisten inzake kapitaalinstandhouding overeenkomstig de artikelen 141 en 141 ter van die richtlijn.”;

"

c)  lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)  punten b) en c) worden vervangen door:"

"b) de eigenvermogensvereisten voor de handelsportefeuilleactiviteiten van een instelling, voor het volgende:

   i) marktrisico's als bepaald overeenkomstig titel IV van dit deel, met uitzondering van de benaderingen beschreven in hoofdstukken 1bis en 1ter van die titel;
   ii) grote blootstellingen die de in de artikelen 395 tot en met 401 bepaalde limieten overschrijden, voor zover een instelling die limieten mag overschrijden, als bepaald overeenkomstig deel vier.
   c) de eigenvermogensvereisten voor marktrisico's, bepaald in titel IV van dit deel, met uitzondering van de benaderingen beschreven in hoofdstukken 1bis en 1ter van die titel, voor alle bedrijfsactiviteiten die die onderhevig zijn aan wisselkoers- of grondstoffenrisico's;";

"

ii)  het volgende punt wordt ingevoegd:"

"c bis) de eigenvermogensvereisten, berekend overeenkomstig titel V van dit deel, met uitzondering van artikel 379 voor afwikkelingsrisico.";

"

47)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 92 bis

Voor MSI's geldende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

   1. Met inachtneming van de artikelen 93 en 94 en de in lid 2 van dit artikel vervatte uitzonderingen voldoen instellingen die als af te wikkelen entiteiten zijn geïdentificeerd en die een MSI of deel van een MSI zijn, te allen tijde aan de volgende vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva:
   a) een risicogebaseerde ratio van 18 %, die het eigen vermogen en in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van het totaal van de risicoposten, berekend overeenkomstig ▌ artikel 92, leden 3 en 4;
   b) een niet-risicogebaseerde ratio van 6,75 %, die het eigen vermogen en de in aanmerking komende passiva van de instelling vertegenwoordigt, uitgedrukt als percentage van de in artikel 429, lid 4, bedoelde maatstaf van totale blootstelling.
   2. De in lid 1 vastgestelde vereisten gelden niet in de volgende gevallen:
   a) binnen drie jaar na de datum waarop de instelling of de groep waarvan de instelling deel uitmaakt, als MSI is aangemerkt;
   b) binnen twee jaar na de datum waarop de afwikkelingsautoriteit het bail-in-instrument overeenkomstig Richtlijn 2014/59/EU heeft toegepast;
   c) binnen twee jaar na de datum waarop de af te wikkelen entiteit een in artikel 32, lid 1, punt b), van Richtlijn 2014/59/EU bedoelde alternatieve maatregel van de particuliere sector heeft opgezet waarmee kapitaal­instrumenten en andere verplichtingen zijn afgeschreven of in tier 1-kernkapitaalbestanddelen omgezet, om de af te wikkelen entiteit te her­kapitaliseren zonder dat er afwikkelingsinstrumenten worden aangewend.
   3. Wanneer het totaal, resulterend uit de toepassing van het in lid 1, punt a), van dit lid vastgestelde vereiste op elke af te wikkelen entiteit van dezelfde MSI, het vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva als berekend overeenkomstig artikel 12 van deze verordening overschrijdt, kan de afwikkelingsautoriteit van de EU-moederinstelling, na raadpleging van de andere betrokken afwikkelingsautoriteiten, overeenkomstig artikel 45 quinquies, lid 3, of artikel 45 nonies, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU handelen.

Artikel 92 ter

Voor niet-EU-MSI's geldend vereiste inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva

   1. Instellingen die dochterondernemingen van wezenlijk belang van niet-EU MSI's zijn en die geen af te wikkelen entiteiten zijn, voldoen te allen tijde aan de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva gelijk aan 90 % van de vereisten inzake eigen vermogen en in aanmerking komende passiva die in artikel 92 bis zijn vastgesteld.
   2. Aanvullend-tier 1-, tier 2- en in aanmerking komende passiva-instrumenten worden ten behoeve van de naleving van lid 1 slechts in aanmerking genomen indien die instrumenten eigendom zijn van de uiteindelijke moederonderneming van de niet-EU-MSI en indien zij direct of indirect zijn uitgegeven via andere entiteiten binnen dezelfde groep, mits al die entiteiten in hetzelfde derde land zijn gevestigd als die uiteindelijke moederonderneming dan wel in een lidstaat.
   3. Een in aanmerking komend passiva-instrument wordt ten behoeve van de naleving van lid 1 slechts in aanmerking genomen indien het voldoet aan elk van de volgende aanvullende voorwaarden:
   a) bij normale insolventieprocedures in de zin van artikel 2, lid 1, punt 47, van Richtlijn 2014/59/EU is de uit de verplichting voortvloeiende vordering achtergesteld bij vorderingen die voortvloeien uit verplichtingen die niet voldoen aan de voorwaarden van lid 2 van dit artikel en niet als eigen vermogen kunnen worden aangemerkt;
   b) het valt onder de afschrijvings- of omzettingsbevoegdheden overeenkomstig de artikelen 59 tot en met 62 van Richtlijn 2014/59/EU.";

"

48)  artikel 94 wordt vervangen door:"

"Artikel 94

Afwijking voor geringe handelsportefeuilleactiviteiten

   1. In afwijking van artikel 92, lid 3, punt b), mogen instellingen het eigenvermogens­vereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten berekenen overeenkomstig lid 2 van dit artikel, op voorwaarde dat de omvang van de handelsportefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling van de instelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing aan de hand van de gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner dan beide volgende drempelwaarden:
   a) 5 % van de totale activa van de instelling;
   b) 50 miljoen EUR.
   2. Wanneer aan beide in lid 1, punten a) en b), beschreven voorwaarden is voldaan, mogen instellingen het eigenvermogensvereiste van hun handelsportefeuilleactiviteiten als volgt berekenen:
   a) voor de in bijlage II, punt 1, vermelde contracten, contracten met betrekking tot aandelen als vermeld in punt 3 van die bijlage en kredietderivaten mogen instellingen die posities vrijstellen van het in artikel 92, lid 3, punt b), bedoelde eigenvermogensvereiste;
   b) voor andere dan de in dit lid, punt a), bedoelde posities in de handels­portefeuille mogen instellingen het in artikel 92, lid 3, punt b), bedoelde eigenvermogensvereiste vervangen door het overeenkomstig artikel 92, lid 3, punt a), berekende vereiste.
   3. Voor de toepassing van lid 1 berekenen instellingen de omvang van hun handels­portefeuilleactiviteiten binnen en buiten de balanstelling aan de hand van de gegevens op de laatste dag van elke maand met inachtneming van de volgende vereisten:
   a) alle aan de handelsportefeuille overeenkomstig artikel 104 toegewezen posities worden meegenomen in de berekening, met uitzondering van het volgende:
   i) deviezen- en grondstoffenposities;
   ii) posities in kredietderivaten die als interne afdekking tegen bloot­stellingen aan kredietrisico's of tegenpartijrisico's in de niet-handels­portefeuille zijn opgenomen en de kredietderivatentransacties die het marktrisico van die interne afdekkingen als bedoeld in artikel 106, lid 3, perfect ondervangen;
   b) alle posities die in de berekening overeenkomstig punt a) worden meegenomen, worden tegen hun marktwaarde op die datum gewaardeerd; indien de marktwaarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar is, nemen instellingen voor de positie een reële waarde op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor die positie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;
   c) de absolute waarde van lange posities wordt samengeteld met de absolute waarde van korte posities.
   4. Indien aan beide voorwaarden van, lid 1, punten a) en b), van dit artikel is voldaan, zijn artikel 102, leden 3 en 4, artikel 103 en artikel 104 ter van deze verordening niet van toepassing, ongeacht de in de artikelen 74 en 83 van Richtlijn 2013/36/EU beschreven verplichtingen.
   5. Instellingen delen de bevoegde autoriteiten mee dat ze de eigenvermogensvereisten voor hun handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig ▌ lid 2 berekenen, of niet langer berekenen.
   6. Een instelling die niet langer aan een of meerdere voorwaarden van lid 1 voldoet, stelt de bevoegde autoriteit daarvan onverwijld in kennis.
   7. Een instelling berekent niet langer de eigenvermogensvereisten van haar handels­portefeuilleactiviteiten overeenkomstig lid 2 binnen een termijn van drie maanden nadat zich een van de volgende situaties heeft voorgedaan:
   a) de instelling voldoet ▌ gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de in lid 1, punt a) of punt b), beschreven voorwaarden;
   b) de instelling voldoet ▌ gedurende meer dan zes van de laatste twaalf maanden niet aan de in lid 1, punt a) of punt b) beschreven voorwaarden.
   8. Ingeval een instelling de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuille­activiteiten niet langer overeenkomstig dit artikel berekent, is het haar pas toegestaan de eigenvermogensvereisten van haar handelsportefeuilleactiviteiten overeenkomstig dit artikel te berekenen wanneer zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van één volledig jaar aan alle voorwaarden van lid 1 is voldaan.
   9. Instellingen mogen geen handelsportefeuillepositie innemen, kopen of verkopen met als enig doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van lid 1 te voldoen.";

"

49)  in deel drie, titel I, wordt hoofdstuk 2 geschrapt;

50)  Artikel 102 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de leden 2, 3 en 4 worden vervangen door:"

"2. De intentie om te handelen blijkt uit de strategieën, beleidslijnen en procedures die door de instelling in het leven zijn geroepen om de positie of de portefeuille overeenkomstig de artikelen 103, 104 en 104 bis te beheren.

   3. Instellingen zorgen voor de inrichting en instandhouding van systemen en controles om hun handelsportefeuille overeenkomstig artikel 103 te beheren.
   4. Voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, lid 3, worden handelsportefeuilleposities toegewezen aan tradingafdelingen ▌ die overeenkomstig artikel 104 ter zijn opgericht. ▌";

"

b)  de volgende leden worden toegevoegd:"

"5. De posities in de handelsportefeuille vallen onder de in artikel 105 bepaalde vereisten voor prudente waardering.

   6. Instellingen behandelen interne afdekkingsinstrumenten overeenkomstig artikel 106.";

"

51)  artikel 103 ▌ wordt vervangen door:"

"Artikel 103

Beheer van de handelsportefeuille

   1. Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor het algemene beheer van de handelsportefeuille. Deze beleidslijnen en procedures regelen ten minste:
   a) welke activiteiten de instelling met het oog op de eigenvermogensvereisten als commercieel en deel uitmakend van de handelsportefeuilleactiviteiten beschouwt;
   b) de mate waarin een positie dagelijks tegen marktprijs kan worden gewaardeerd onder verwijzing naar een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt;
   c) voor posities die op basis van een modellenbenadering worden gewaardeerd, de mate waarin de instelling in staat is:
   i) alle wezenlijke risico's van de positie te bepalen;
   ii) alle wezenlijke risico's van de positie af te dekken door middel van instrumenten waarvoor een actieve, liquide vraag- en aanbodmarkt bestaat;
   iii) betrouwbare ramingen af te leiden voor de voornaamste in het model gebruikte aannames en parameters;
   d) de mate waarin een instelling in staat en verplicht is voor de positie waarderingen te produceren die extern op samenhangende wijze kunnen worden gevalideerd;
   e) de mate waarin de wettelijke beperkingen of andere operationele vereisten het vermogen van de instelling aantasten om op korte termijn liquidatie of afdekking van de positie te bewerkstelligen;
   f) de mate waarin een instelling in staat en verplicht is om de risico's van de posities in het kader van haar commerciële werkzaamheden actief te beheren;
   g) de mate waarin de instelling risico's of posities mag herindelen tussen de niet-handelsportefeuille en de handelsportefeuille, en de vereisten voor die herindelingen als bedoeld in artikel 104 bis.

   2. Bij het beheer van haar posities of portefeuilles van posities in de handelsportefeuille voldoet de instelling aan alle volgende vereisten:

   a) ten aanzien van de betrokken posities of portefeuilles in de handelsportefeuille beschikt de instelling over een helder gedocumenteerde handelsstrategie, die door de directie is goedgekeurd en de verwachte aanhoudingsperiode omvat;

   b) voor het actieve beheer van de posities of portefeuilles in de handels­portefeuille beschikt de instelling over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures; in deze beleidslijnen en procedures is onder meer het volgende bepaald:

   i) welke posities of portefeuilles van posities mogen worden ingenomen door elke tradingafdeling of, naargelang het geval, door aangewezen handelaren;
   ii) welke positielimieten gelden en hoe de adequaatheid ervan wordt gemonitord;
   iii) dat handelaren met inachtneming van de vastgestelde strategie autonoom posities kunnen innemen en beheren binnen de overeen­gekomen limieten en in overeenstemming met de goedgekeurde strategie;
   iv) dat in het kader van de risicobeheerprocedure van de instelling aan de directie wordt gerapporteerd over de ingenomen posities;
   v) dat de ingenomen posities actief worden gemonitord op basis van marktinformatiebronnen en er een beoordeling wordt gemaakt van de verhandelbaarheid of de afdekbaarheid van de positie of de risico­componenten ervan, met inbegrip van de beoordeling, de kwaliteit en de beschikbaarheid van inputs vanuit de markt voor de waarderings­procedure, de op de markt gerealiseerde omzet en de omvang van de op de markt verhandelde posities;
   vi) actieve procedures en controles ter bestrijding van fraude;
   c) de instelling beschikt over duidelijk omschreven beleidslijnen en procedures voor toetsing van posities aan de handelsstrategie van de instelling, onder meer voor het monitoren van de omzet en van posities waarvoor de oorspronkelijk beoogde aanhoudingsperiode overschreden is.";

"

52)  in artikel 104 wordt lid 2 geschrapt;

53)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 104 bis

Herindeling van een positie

   1. Instellingen beschikken over duidelijk omschreven beleidslijnen om aan te geven welke uitzonderlijke omstandigheden de herindeling rechtvaardigen van een positie in de handelsportefeuille naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, de herindeling van een positie in de niet-handelsportefeuille naar een ▌ positie in de handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigen­vermogensvereisten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten. Instellingen evalueren deze beleidslijnen ten minste jaarlijks.

De EBA monitort de diverse toezichtspraktijken en verstrekt uiterlijk op … [vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] richtsnoeren overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 over de betekenis van "uitzonderlijke omstandigheden" voor de toepassing van lid 1 van dit artikel. Totdat de EBA die richtsnoeren heeft verstrekt, stellen de bevoegde autoriteiten de EBA in kennis van en verstrekken zij een motivering voor hun besluiten om aan een instelling al dan niet toestemming te verlenen om een positie herin te delen als bedoeld in lid 2 van dit artikel.

   2. De bevoegde autoriteiten verlenen alleen toestemming om een positie in de handelsportefeuille herin te delen naar een positie in de niet-handelsportefeuille of, omgekeerd, een positie in de niet-handelsportefeuille naar een positie in de ▌ handelsportefeuille, met het oog op het bepalen van hun eigenvermogensvereisten, wanneer de instelling de bevoegde autoriteiten schriftelijk bewijs heeft verschaft dat haar besluit om die positie herin te delen, voortvloeit uit een uitzonderlijke omstandigheid die strookt met de door de instelling overeenkomstig lid 1 van dit artikel vastgestelde beleidslijnen. Met het oog daarop verschaft de instelling voldoende bewijs dat de positie niet langer voldoet aan de voorwaarde om op grond van artikel 104 als positie in de handelsportefeuille of de niet-handelsportefeuille te worden ingedeeld.

Het in de eerste alinea bedoelde besluit wordt goedgekeurd door het leidinggevende orgaan.

   3. Indien de bevoegde autoriteit overeenkomstig lid 2 toestemming heeft verleend voor de herindeling van een positie, doet de instelling waaraan toestemming is verleend het volgende:
   a) zij zorgt onverwijld voor de openbaarmaking van
   i) de informatie dat haar positie heringedeeld is, en
   ii) indien de eigenvermogensvereisten van de instelling als gevolg van die herindeling worden verminderd, de omvang van die vermindering; en
   b) indien de eigenvermogensvereisten van de instelling als gevolg van die herindeling worden verminderd, neemt zij die vermindering niet op totdat de positie is vervallen, tenzij de bevoegde autoriteit de instelling toestaat die vermindering op een vroegere datum op te nemen.
   4. De instelling berekent de uit de herindeling van de positie voortvloeiende nettoverandering in het bedrag van haar eigenvermogensvereisten als het verschil tussen de eigenvermogensvereisten onmiddellijk na de herindeling en de eigenvermogensvereisten onmiddellijk vóór de herindeling, telkens berekend overeenkomstig artikel 92. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met andere factoren dan de herindeling.
   5. De herindeling van een positie overeenkomstig dit artikel is onherroepelijk.

Artikel 104 ter

Vereisten voor tradingafdelingen

   1. Voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, lid 3, richten instellingen tradingafdelingen op en wijzen zij elke van hun handelsportefeuille­posities toe aan een van deze tradingafdelingen. Posities in een handelsportefeuille worden alleen aan dezelfde tradingafdeling toegewezen wanneer deze aan de voor de tradingafdeling overeengekomen bedrijfsstrategie voldoen en coherent worden beheerd en gemonitord overeenkomstig lid 2 van dit artikel.
   2. De tradingafdelingen van instellingen voldoen te allen tijde aan alle volgende vereisten:
   a) elke tradingafdeling heeft een heldere en afgebakende bedrijfsstrategie en risicobeheersstructuur die adequaat is voor haar bedrijfsstrategie;
   b) elke tradingafdeling heeft een heldere organisatiestructuur; posities in een bepaalde tradingafdeling worden beheerd door aangewezen handelaren binnen de instelling; elke handelaar heeft specifieke functies binnen de trading­afdeling; elke handelaar wordt aan slechts één tradingafdeling toegewezen; ▌
   c) positielimieten worden binnen elke tradingafdeling vastgesteld overeenkomstig de bedrijfsstrategie van die tradingafdeling;
   d) rapporten over de activiteiten, de winstgevendheid, het risicobeheer en de regelgevingsvereisten op het niveau van de tradingafdeling worden ten minste wekelijks opgesteld en op regelmatige basis meegedeeld aan het leiding­gevende orgaan;
   e) elke tradingafdeling heeft een helder bedrijfsjaarplan met een welomschreven beloningsbeleid, op basis van deugdelijke criteria voor prestatiemeting;
   f) rapporten over vervallende posities, schendingen van intraday-transactielimieten, schendingen van dagelijkse transactielimieten en de maatregelen die de instelling heeft genomen om deze schendingen aan te pakken, evenals beoordelingen van de marktliquiditeit worden maandelijks voor elke tradingafdeling opgesteld en ter beschikking van de bevoegde autoriteiten gesteld.
   3. In afwijking van lid 2, punt b), kan een instelling een handelaar toewijzen aan meer dan een tradingafdeling op voorwaarde dat de instelling ten genoegen van de bevoegde autoriteit aantoont dat de toewijzing het gevolg is van overwegingen van commerciële aard of op het gebied van de middelen, en dat de toewijzing de andere op handelaren en tradingafdelingen toepasselijke kwalitatieve vereisten van dit artikel onverlet laat.
   4. Instellingen delen de bevoegde autoriteiten mee hoe ze lid 2 nakomen. De bevoegde autoriteiten kunnen van een instelling verlangen dat deze de structuur of organisatie van haar tradingafdelingen aanpast om dit artikel na te leven.";

"

54)  artikel 105 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Op alle tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en in de niet-handelsportefeuille worden de in dit artikel bepaalde normen voor prudente waardering toegepast. Instellingen dragen er in het bijzonder zorg voor dat de prudente waardering van hun posities in de handelsportefeuille een passende mate van zekerheid bereikt, rekening houdende met het dynamische karakter van de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handels­portefeuille en de niet-handelsportefeuille, de vereisten inzake prudentiële soliditeit en de werkwijze en doelstellingen van de kapitaalvereisten met betrekking tot de tegen reële waarde gewaardeerde posities van de handelsportefeuille en de niet-handelsportefeuille.";

"

b)  de leden 3 en 4 worden vervangen door:"

"3. Instellingen herwaarderen de posities in de handelsportefeuille tegen reële waarde ten minste dagelijks. Veranderingen in de waarde van die posities worden opgenomen in de resultatenrekening van de instelling.

   4. Instellingen waarderen hun tegen reële waarde gewaardeerde posities in de handelsportefeuille en niet-handelsportefeuille zoveel mogelijk tegen marktwaarde, ook bij het onderwerpen van die posities aan de toepasselijke kapitaalvereisten.";

"

c)  lid 6 wordt vervangen door:"

"6. Indien waardering tegen marktwaarde niet mogelijk is, onder meer bij het berekenen van eigenvermogensvereisten voor posities in de handelsportefeuille en tegen reële waarde gewaardeerde posities in de niet-handelsportefeuille, waarderen instellingen hun posities en portefeuilles op een conservatieve manier op basis van een modellenbenadering.";

"

d)  in lid 7 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea wordt het model onafhankelijk van de trading­afdelingen ontwikkeld of erkend, en wordt het op onafhankelijke wijze getoetst, onder meer door het valideren van de wiskundige formules, de aannames en de implementatie van de software.";

"

e)  in lid 11 wordt punt a) vervangen door:"

"a) de extra termijn die nodig is voor het afdekken van de positie of risico­bestanddelen binnen de positie, bovenop de overeenkomstig artikel 325 septquinquagies aan de risicofactoren van de positie toegekende liquiditeitshorizons;";

"

55)  artikel 106 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de leden 2 en 3 worden vervangen door:"

"2. De vereisten van lid 1 zijn van toepassing onverminderd de vereisten die van toepassing zijn op de afgedekte positie in de niet-handelsportefeuille of in de handelsportefeuille, naargelang het geval.

   3. Wanneer een instelling een kredietrisicoblootstelling of een tegenpartijrisicoblootstelling in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen kredietderivaat afdekt, wordt deze kredietderivatenpositie als een interne afdekking van de kredietrisicoblootstelling of de tegenpartijrisico­blootstelling in de niet-handelsportefeuille opgenomen voor de berekening van de in artikel 92, lid 3, punt a), bedoelde risicogewogen posten wanneer de instelling met een in aanmerking komende externe protectiegever een andere kredietderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

Zowel een overeenkomstig de eerste alinea opgenomen interne afdekking als een met de externe protectiegever aangegaan kredietderivaat wordt bij het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de handelsportefeuille opgenomen.";

"

b)  de volgende leden worden toegevoegd:"

"4. Wanneer een instelling een risicoblootstelling aan aandelen in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen aandelen­derivaat afdekt, wordt deze aandelenderivatenpositie als een interne afdekking van de risicoblootstelling aan aandelen in de niet-handelsportefeuille opgenomen voor de berekening van de in artikel 92, lid 3, punt a), bedoelde risicogewogen posten wanneer de instelling met een in aanmerking komende externe protectiegever een andere aandelenderivatentransactie aangaat die aan de vereisten voor niet-volgestorte kredietprotectie in de niet-handelsportefeuille voldoet en het marktrisico van de interne afdekking volkomen compenseert.

Zowel een overeenkomstig de eerste alinea opgenomen interne afdekking als een met de in aanmerking komende externe protectiegever aangegaan aandelenderivaat wordt bij het berekenen van de eigenvermogensvereisten voor marktrisico in de handelsportefeuille opgenomen.

   5. Wanneer een instelling een blootstelling aan renterisico in de niet-handelsportefeuille met een in haar handelsportefeuille opgenomen renterisicopositie afdekt, wordt deze renterisicopositie voor de beoordeling, overeenkomstig de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU, van het uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico beschouwd als een interne afdekking wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:
   a) de positie is toegewezen aan een portefeuille die gescheiden is van de andere handelsportefeuillepositie en waarvan de bedrijfsstrategie uitsluitend bestaat uit het beheren en limiteren van het marktrisico van interne afdekkingen van blootstellingen aan renterisico; daartoe kan de instelling aan deze portefeuille andere renterisicoposities toewijzen die met derden of haar eigen handelsportefeuille zijn aangegaan, mits de instelling het marktrisico van die met haar eigen handelsportefeuille aangegane renterisicoposities volkomen compenseert door met derden tegengestelde renterisicoposities aan te gaan;
   b) voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, lid 3, is de positie toegewezen aan een overeenkomstig artikel 104 ter opgerichte tradingafdeling waarvan de bedrijfsstrategie uitsluitend bestaat uit het beheren en limiteren van het marktrisico van interne afdekkingen van blootstelling aan renterisico; daartoe mag die tradingafdeling met derden of andere tradingafdelingen van de instelling andere renterisicoposities aangaan, zolang die andere tradingafdelingen het marktrisico van die andere renterisicoposities volkomen compenseren door tegengestelde renterisicoposities aan te gaan met derden;
   c) de instelling heeft volledig gedocumenteerd hoe de positie het uit posities in de niet-handelsportefeuille voortvloeiende renterisico limiteert ten behoeve van de in de artikelen 84 en 98 van Richtlijn 2013/36/EU vastgestelde vereisten.
   6. De eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van alle posities die zijn toegewezen aan een in lid 5, punt a), bedoelde gescheiden portefeuille worden afzonderlijk berekend en vormen een aanvulling op de eigenvermogensvereisten voor de andere handelsportefeuilleposities.
   7. Voor de toepassing van de rapportagevereisten in artikel 430 ter, worden de eigenvermogensvereisten voor het marktrisico van alle posities die zijn toegewezen aan de in lid 5, punt a), van dit artikel bedoelde gescheiden portefeuille of aan de tradingafdeling of die zijn aangegaan door de in lid 5, punt b), van dit artikel bedoelde tradingafdeling, in voorkomend geval, afzonderlijk berekend als een gescheiden portefeuille, en de berekening vormt een aanvulling op de berekening van de eigenvermogensvereisten voor de andere handelsportefeuilleposities.";

"

56)  in artikel 107 wordt lid 3 vervangen door:"

"3. Voor de toepassing van deze verordening worden blootstellingen met betrekking tot een beleggingsonderneming uit een derde land, een kredietinstelling uit een derde land en een effectenbeurs uit een derde land alleen als blootstellingen met betrekking tot een instelling behandeld voor zover het derde land op die entiteit toezichts- en reguleringsvereisten toepast die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke in de Unie worden toegepast.";

"

57)  in artikel 117 wordt lid 2 als volgt gewijzigd:

a)  de volgende punten worden toegevoegd:"

"o) de Internationale Ontwikkelingsassociatie;

   p) de Aziatische Investeringsbank voor infrastructuur.";

"

b)  de volgende alinea wordt toegevoegd:"

"De Commissie is bevoegd om deze verordening te wijzigen door overeenkomstig artikel 462 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van multilaterale ontwikkelingsbanken in de eerste alinea in overeenstemming met de internationale normen.";

"

58)  in artikel 118 wordt punt a) vervangen door:"

"a) de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;";

"

59)  aan artikel 123 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Aan blootstellingen als gevolg van door een kredietinstelling aan gepensioneerden of werknemers met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur verstrekte leningen tegen de onvoorwaardelijke overdracht van een deel van het pensioen of het salaris van de kredietnemer aan die kredietinstelling wordt een risicogewicht van 35 % toegekend, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

   a) voor het terugbetalen van de lening geeft de kredietnemer het pensioenfonds of de werkgever de onvoorwaardelijke toestemming voor het verrichten van directe betalingen aan de kredietinstelling, zulks door de maandelijkse afbetalingen van de lening af te trekken van het maandelijkse pensioen of salaris van de kredietnemer;
   b) de risico's op sterfte, arbeidsongeschiktheid, werkloosheid of vermindering van het nettomaandpensioen of -salaris van de kredietnemer zijn afdoende ondervangen door een door de kredietnemer onderschreven verzekerings­polis ten behoeve van de kredietinstelling;
   c) de maandelijkse afbetalingen die door de kredietnemer moeten worden verricht van alle met de voorwaarden in de punten a) en b) conforme leningen, bedragen gezamenlijk maximaal 20 % van het nettomaand­pensioen of -salaris van de kredietnemer;
   d) de oorspronkelijke maximumlooptijd van de lening bedraagt hoogstens tien jaar.";

"

60)  artikel 124 wordt vervangen door:"

"Artikel 124

Blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op onroerend goed

   1. Aan blootstellingen of delen van blootstellingen die volledig zijn gedekt door hypotheken op onroerend goed wordt een risicogewicht van 100 % toegekend indien de voorwaarden van artikel 125 of artikel 126 niet zijn vervuld, behalve voor delen van de blootstellingen die bij een andere categorie blootstellingen zijn ingedeeld. Aan het deel van de blootstelling dat de waarde van de hypotheek van het onroerend goed te boven gaat, wordt het risicogewicht toegekend dat van toepassing is op de niet-gedekte blootstellingen van de betrokken tegenpartij.

Het deel van een blootstelling dat wordt behandeld als zijnde volledig door onroerend goed gedekt, is niet groter dan het in zekerheid gegeven bedrag van de marktwaarde of, in de lidstaten die bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde hebben vastgesteld, de hypotheekwaarde van het betrokken onroerend goed.

   1 bis. De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de toepassing van lid 2. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, de bevoegde autoriteit is, zorgt deze ervoor dat de relevante nationale instanties en autoriteiten met een macroprudentieel mandaat voldoende worden geïnformeerd over het voornemen van de bevoegde autoriteit om van dit artikel gebruik te maken, en op passende wijze worden betrokken bij de beoordeling van zorgpunten met betrekking tot de financiële stabiliteit in haar lidstaat, overeenkomstig lid 2.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, een andere dan de bevoegde autoriteit is, nemen de lidstaten de nodige maatregelen om, met het oog op de correcte toepassing van dit artikel, te zorgen voor goede coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit. De autoriteiten dienen met name nauw samen te werken en alle informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor de juiste uitvoering, door de aangewezen autoriteit, van haar verplichtingen op grond van dit artikel. In het kader van deze samenwerking wordt getracht elke vorm van overlappend of inconsistent optreden van de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit te vermijden, en naar behoren rekening te houden met de interactie met andere maatregelen, met name maatregelen krachtens artikel 458 van deze verordening en artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

   2. Op basis van de krachtens artikel 430 bis verzamelde gegevens en eventuele andere relevante indicatoren beoordeelt de overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteit periodiek en ten minste jaarlijks of het risicogewicht van 35 % voor de in artikel 125 bedoelde blootstellingen aan een of meer onroerendgoedsegmenten die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit is gesitueerd, en het risicogewicht van 50 % voor in artikel 126 bedoelde blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op zakelijk onroerend goed dat op een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit is gesitueerd, voldoende gebaseerd zijn op:
   a) de ervaring met verliezen op blootstellingen die door onroerend goed zijn gedekt;
   b) de toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed.

Indien de overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteit op basis van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde beoordeling tot de conclusie komt dat de in artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2, vermelde risicogewichten geen adequate afspiegeling vormen van de werkelijke risico's die verbonden zijn aan een of meer onroerendgoedsegmenten van blootstellingen die volledig gedekt zijn door hypotheken op in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit gelegen niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed, en indien zij van oordeel is dat de ontoereikendheid van de risicogewichten een negatief effect kan hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in de eigen lidstaat, kan zij de risico­gewichten die op deze blootstellingen van toepassing zijn, binnen de in de vierde alinea van dit lid vastgestelde marges verhogen of strengere criteria opleggen dan die welke in artikel 125, lid 2, of artikel 126, lid 2, zijn vastgesteld.

De overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteit stelt de EBA en het ESRB in kennis van de aanpassingen die op grond van dit lid in de risicogewichten en de toegepaste criteria zijn aangebracht. Uiterlijk één maand na ontvangst van bovengenoemde kennisgeving verstrekken de EBA en het ESRB hun advies aan de betrokken lidstaat. De EBA en het ESRB publiceren de risicogewichten en criteria voor de in artikel 125, artikel 126 en artikel 199, lid 1, punt a), bedoelde blootstellingen zoals geïmplementeerd door de betrokken autoriteit.

Voor de toepassing van de tweede alinea van dit lid mag de overeenkomstig lid 1 bis aangewezen autoriteit de risicogewichten binnen het volgende bereik vaststellen:

   a) 35 % tot 150 % voor blootstellingen die door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed zijn gedekt;
   b) 50 % tot 150 % voor blootstellingen die door hypotheken op zakelijk onroerend goed zijn gedekt.
   3. Indien de overeenkomstig lid 1 bis aangewezen autoriteit op grond van de tweede alinea van lid 2 hogere risicogewichten of striktere criteria vaststelt, krijgen de instellingen een overgangsperiode van zes maanden om deze toe te passen.
   4. De EBA ontwikkelt, in nauwe samenwerking met het ESRB, ontwerpen van technische reguleringsnormen tot bepaling van de in lid 1 bedoelde strikte criteria voor de beoordeling van de hypotheekwaarde en van de soorten factoren die in aanmerking moeten worden genomen bij de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde beoordeling van de geschiktheid van de risicogewichten.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2019 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

   5. Het ESRB kan door middel van aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, en in nauwe samenwerking met de EBA, aan de overeenkomstig lid 1 bis van dit artikel aangewezen autoriteiten richtsnoeren verstrekken betreffende het volgende:
   a) factoren die "een negatief effect zouden hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit" als bedoeld in de tweede alinea van lid 2; en
   b) indicatieve benchmarks waarmee de overeenkomstig lid 1 bis aangewezen autoriteit rekening dient te houden bij het bepalen van hogere risicogewichten.
   6. De instellingen van een lidstaat passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat overeenkomstig lid 2 bepaalde hogere risicogewichten en criteria toe op alle overeenkomstige blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van die lidstaat is gesitueerd.";

"

61)  in artikel 128 worden de leden 1 en 2 vervangen door:"

"1. Instellingen kennen een risicogewicht van 150 % toe aan blootstellingen waaraan bijzonder hoge risico's verbonden zijn.

   2. Voor de toepassing van dit artikel behandelen instellingen de volgende blootstellingen als blootstellingen waaraan bijzonder hoge risico's verbonden zijn:
   a) beleggingen in durfkapitaalfondsen, behalve wanneer deze beleggingen krachtens artikel 132 worden behandeld;
   b) beleggingen in particulier risicokapitaal, behalve wanneer deze beleggingen krachtens artikel 132 worden behandeld;
   c) speculatieve financiering van onroerend goed.";

"

62)  Artikel 132 wordt vervangen door:"

"Artikel 132

Eigenvermogensvereisten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

   1. Instellingen berekenen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de risicogewogen posten van de icb-blootstellingen, berekend overeenkomstig de in de eerste alinea van lid 2 bedoelde benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.
   2. Indien aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel is voldaan, mogen instellingen de doorkijk­benadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 1, of de beleidsbenadering overeenkomstig artikel 132 bis, lid 2, toepassen.

Met inachtneming van artikel 132 ter, lid 2, kennen instellingen die de doorkijkbenadering of de beleidsbenadering niet toepassen, een risicogewicht van 1 250 % ("fall-backbenadering") toe aan hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb.

Instellingen mogen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de in dit lid genoemde benaderingen te combineren, mits aan de voorwaarden voor het gebruik van die benaderingen is voldaan.

   3. Instellingen mogen de risicogewogen posten van blootstellingen van ▌ een icb bepalen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen indien aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de icb is een van de volgende entiteiten:
   i) een onder Richtlijn 2009/65/EG vallende instelling voor collectieve belegging in effecten (icbe);
   ii) een ▌ abi beheerd door een EU-abi-beheerder die krachtens artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2011/61/EU notificatie heeft gedaan;
   iii) een abi beheerd door een EU-abi-beheerder met een vergunning krachtens artikel 6 van Richtlijn 2011/61/EU;
   iv) een abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder met een vergunning krachtens artikel 37 van Richtlijn 2011/61/EU;
   v) een niet-EU-abi beheerd door een niet-EU-abi-beheerder en verhandeld overeenkomstig artikel 42 van Richtlijn 2011/61/EU;
   vi) een niet-EU-abi die niet in de Unie wordt verhandeld, en die wordt beheerd door een in een derde land gevestigde niet-EU-abi die valt onder een in artikel 67, lid 6, van Richtlijn 2011/61/EU bedoelde gedelegeerde handeling;
   b) het prospectus of daarmee gelijk te stellen document van de icb bevat het volgende:
   i) de categorieën activa waarin de icb mag beleggen;
   ii) indien beleggingslimieten van toepassing zijn: de geldende limieten en berekeningsmethoden;
   c) de rapportage door de icb of de icb-beheermaatschappij aan de instelling voldoet aan de volgende vereisten:
   i) over de blootstellingen van de icb wordt ten minste even frequent gerapporteerd als over die van de instelling;
   ii) de financiële informatie is voldoende gedetailleerd om de instelling in staat te stellen de risicogewogen posten van de icb te berekenen overeenkomstig de door de instelling gekozen benadering;
   iii) indien de instelling de doorkijkbenadering hanteert, wordt de informatie over de onderliggende blootstellingen gecontroleerd door een onafhankelijke derde.

In afwijking van punt a) van de eerste alinea van dit artikel kunnen multilaterale en bilaterale ontwikkelingsbanken en andere instellingen die gezamenlijk met multilaterale en bilaterale ontwikkelingsbanken in een icb beleggen, de risicogewogen posten van de blootstellingen van ▌ die icb bepalen overeenkomstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen, mits de voorwaarden van de punten b) en c) van de eerste alinea van dit artikel zijn vervuld en het beleggingsbeleid van de icb de soorten activa waarin kan worden belegd, beperkt tot activa die duurzame ontwikkeling in ontwikkelingslanden bevorderen.

Instellingen delen aan hun bevoegde autoriteit mede op welke icb's zij de in de tweede alinea bedoelde behandeling toepassen.

In afwijking van de eerste alinea, punt c), onder i), kan, indien de instelling de risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb bepaalt overeenkomstig de beleidsbenadering, de rapportage door de icb of de icb-beheersmaatschappij aan de instelling worden beperkt tot het beleggingsbeleid van de icb en eventuele wijzigingen daarvan, en kan deze alleen worden verricht wanneer de instelling de blootstelling met betrekking tot de icb voor het eerst aangaat en wanneer er zich een wijziging van het beleggingsbeleid van de icb voordoet.

   4. Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb te berekenen overeen­komstig de in artikel 132 bis beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:
   a) de derde is een van de volgende entiteiten:
   i) de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaar­instelling in bewaring geeft;
   ii) voor niet onder punt i) van dit punt vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat de maatschappij voldoet aan de in lid 3, punt a), genoemde criteria;
   b) de derde voert de berekening uit overeenkomstig de benaderingen genoemd in artikel 132 bis, lid 1, 2 of 3, naargelang het geval;
   c) een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

Instellingen die een beroep doen op berekeningen van derden, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2.

In afwijking van de tweede alinea geldt de factor 1,2 niet indien de instelling onbeperkte toegang heeft tot de gedetailleerde berekeningen door de derde. De instelling verstrekt die berekeningen op verzoek aan haar bevoegde autoriteit.

   5. Indien een instelling de in artikel 132 bis bedoelde benaderingen toepast voor de berekening van de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb ("niveau 1 icb") en een van de onderliggende blootstellingen van de niveau 1 icb is een blootstelling in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een andere icb ("niveau 2 icb"), mogen de risicogewogen posten van de blootstellingen van de niveau 2 icb worden berekend door gebruik te maken van een van de drie in lid 2 van dit artikel beschreven benaderingen. De instelling mag de doorkijkbenadering voor het berekenen van de risicogewogen posten van blootstellingen van icb's op niveau 3 en eventuele verdere niveaus alleen gebruiken wanneer zij die benadering heeft gebruikt voor de berekening van het vorige niveau. In alle overige scenario's gebruikt zij de fall-backbenadering.
   6. De risicogewogen posten van blootstellingen van een icb berekend overeenkomstig de in artikel 132 bis, in leden 1 en 2 bedoelde doorkijkbenadering en de beleidsbenadering worden gemaximeerd op de risicogewogen posten van de blootstellingen van die icb berekend overeenkomstig de fall-backbenadering.
   7. In afwijking van lid 1 van dit artikel mogen instellingen die de doorkijkbenadering overeen­komstig artikel 132 bis, lid 1, toepassen, de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de blootstellingswaarden van die blootstellingen, berekend overeenkomstig artikel 111, te vermenigvuldigen met het risicogewicht (RWi*), berekend overeenkomstig de formule van artikel 132 quater, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de instellingen berekenen de waarde van hun rechten van deelneming of aandelen in een icb tegen historische kostprijs, maar berekenen de waarde van de onderliggende activa van de icb tegen reële waarde indien zij de doorkijkbenadering toepassen;
   b) een verandering in de marktwaarde van de rechten van deelneming of aandelen waarvan de instellingen de waarde tegen historische kostprijs berekenen, laat het bedrag aan eigen vermogen van die instellingen en de blootstellingswaarde in verband met die rechten van deelneming of aandelen onverlet.";

"

63)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 132 bis

Benaderingen voor het berekenen van risicogewogen posten van icb's

   1. Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende blootstellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door die instellingen werden aangehouden.
   2. Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb om de doorkijkbenadering te kunnen gebruiken, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen binnen de limieten van het beleggingsbeleid van de icb en het toepasselijke recht.

Instellingen verrichten de in de eerste alinea bedoelde berekeningen vanuit de aanname dat de icb eerst het maximale volume aan blootstellingen aangaat dat op grond van haar beleggingsbeleid of het toepasselijke recht is toegestaan in de blootstellingen met het hoogste eigenvermogensvereiste, en vervolgens in dalende volgorde blootstellingen blijft aangaan totdat de maximale totale blootstellingslimiet is bereikt, en dat de icb, waar toepasselijk, de maximaal toegestane hefboom­financiering in overeenstemming met het beleggingsbeleid of het toepasselijke recht toepast.

Instellingen verrichten de in de eerste alinea bedoelde berekeningen overeenkomstig de in dit hoofdstuk, in hoofdstuk 5 en in afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel uiteengezette methoden.

   3. In afwijking van artikel 92, lid 3, punt d), mogen instellingen die de risicogewogen posten van blootstellingen van een icb overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb berekenen als een bedrag gelijk aan 50 % van het eigenvermogensvereiste voor de derivatenblootstellingen die zijn berekend overeenkomstig afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naargelang het geval.

In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die blootstellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

   4. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen om nader te bepalen hoe instellingen de in lid 2 bedoelde risicogewogen posten moeten berekenen wanneer een of meerdere voor die berekening vereiste inputs niet beschikbaar zijn.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 132 ter

In benaderingen voor het berekenen van risicogewogen posten van icb's buiten beschouwing gelaten factoren

   1. Instellingen mogen de door een icb aangehouden tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- ▌, tier 2-instrumenten en in aanmerking komende passiva-instrumenten die zij overeenkomstig respectievelijk artikel 36, lid 1, artikel 56, artikel 66 en artikel 72 sexies in mindering moeten brengen, bij de in artikel 132 bedoelde berekeningen buiten beschouwing laten.
   2. Instellingen mogen blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's als bedoeld in artikel 150, lid 1, punten g) en h), bij de in artikel 132 bedoelde berekeningen buiten beschouwing laten en, in plaats daarvan, de in artikel 133 beschreven behandeling op die blootstellingen toepassen.

Artikel 132 quater

Behandeling van blootstellingen buiten de balanstelling aan icb's

   1. Instellingen berekenen de waarde van risicogewogen posten voor hun posten buiten de balanstelling met het potentieel om te worden omgezet in blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb, door de blootstellings­waarden daarvan, berekend overeenkomstig artikel 111, te vermenigvuldigen met het volgende risicogewicht:
   a) voor alle blootstellingen waarvoor instellingen één van de in artikel 132 bis beschreven benaderingen gebruiken:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000003.png

waarbij:

RWi* = het risicogewicht;

i = de index die de icb aangeeft;

RW20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000004.png= het bedrag berekend overeenkomstig artikel 132 bis voor een icb i;

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000005.png= de blootstellingswaarde van de blootstellingen van icb i;

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000006.png = de boekwaarde van de activa van icb i; en

EQi = de boekwaarde van de aandelen van icb i.

   b) voor alle overige blootstellingen,20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000007.png.
   2. Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van een minimumwaarde­verplichting die voldoet aan de voorwaarden van lid 3 van dit artikel als de met behulp van een standaard risicovrije disconteringsfactor gedisconteerde huidige waarde van het gegarandeerde bedrag. Instellingen mogen eventuele volgens de toepasselijke normen voor jaarrekeningen opgenomen verliezen in verband met de minimumwaardeverplichting in mindering brengen op de blootstellingswaarde van de minimumwaardeverplichting.

Instellingen berekenen de risicogewogen posten voor blootstellingen buiten de balanstelling die voortvloeien uit minimumwaardeverplichtingen die voldoen aan alle voorwaarden van lid 3 van dit artikel door de blootstellingswaarde van die blootstellingen te vermenigvuldigen met een kredietomrekeningsfactor van 20 % en het risicogewicht afgeleid krachtens artikel 132 of artikel 152.

   3. Instellingen bepalen de risicogewogen posten voor blootstellingen buiten de balanstelling die voortvloeien uit minimumwaardeverplichtingen overeenkomstig lid 2 mits aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan:
   a) de blootstelling buiten de balanstelling van de instelling is een minimum­waardeverplichting voor een belegging in rechten van deelneming of aandelen van een of meerdere icb's volgens welke de instelling slechts tot de betaling uit hoofde van de minimumwaardeverplichting is gehouden indien de marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's op een of meerdere tijdstippen onder een vooraf bepaalde drempel ligt, zoals nader bepaald in het contract;
   b) de icb is een van de volgende entiteiten:
   i) een icbe in de zin van Richtlijn 2009/65/EG; of
   ii) een abi in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU die uitsluitend belegt in effecten of andere liquide financiële activa als bedoeld in artikel 50, lid 1, van Richtlijn 2009/65/EG, mits het beleggings­beleid van de abi geen hogere hefboomwerking toestaat dan die welke krachtens artikel 51, lid 3, van Richtlijn 2009/65/EG is toegestaan;
   c) de huidige marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb die aan de basis liggen van de minimumwaardeverplichting zonder dat het effect van de minimumwaardeverplichtingen buiten de balanstelling in aanmerking wordt genomen, dekt of overtreft de huidige waarde van de in de minimum­waardeverplichting bepaalde drempel;
   d) indien het surplus van de marktwaarde van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's in vergelijking met de huidige waarde van de minimum­waardeverplichting afneemt, kan de instelling, of een andere onderneming voor zover die onder het geconsolideerd toezicht staat waaraan ook de instelling zelf is onderworpen overeenkomstig deze verordening en Richtlijn 2013/36/EU of Richtlijn 2002/87/EG, de samenstelling van de onderliggende blootstellingen van de icb of icb's beïnvloeden of het potentieel voor een verdere afname van het surplus anderszins beperken;
   e) de uiteindelijke directe of indirecte begunstigde van de minimumwaarde­verplichting is in de regel een niet-professionele cliënt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 11, van Richtlijn 2014/65/EU.";

"

64)  in artikel 144, lid 1, wordt punt g) vervangen door:"

"g) de instelling heeft in het kader van de IRB-benadering de eigenvermogensvereisten berekend die resulteren uit haar ramingen van risicoparameters en is in staat de bij artikel 430 voorgeschreven rapportage te verrichten;";

"

65)  artikel 152 wordt vervangen door:"

"Artikel 152

Behandeling van blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in icb's

   1. Instellingen berekenen de waarden van risicogewogen posten voor blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb door de waarde van de risicogewogen posten van de icb, berekend overeenkomstig de in de leden 2 en 5 beschreven benaderingen, te vermenigvuldigen met het percentage door die instellingen aangehouden rechten van deelneming of aandelen.
   2. Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, hanteren instellingen die voldoende informatie over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb hebben, voor die onderliggende blootstellingen de doorkijkbenadering om de risicogewogen posten van de icb te berekenen, waarbij alle onderliggende bloot­stellingen van de icb naar risico worden gewogen alsof ze rechtstreeks door de instellingen werden aangehouden.
   3. In afwijking van artikel 92, lid 3, punt d), mogen instellingen die de risicogewogen posten van de icb overeenkomstig lid 1 of lid 2 van dit artikel berekenen, het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering van derivatenblootstellingen van die icb berekenen als een bedrag gelijk aan 50 % van het eigenvermogensvereiste voor de derivatenblootstellingen die zijn berekend overeenkomstig afdeling 3, 4 of 5 van hoofdstuk 6 van deze titel, naargelang het geval.

In afwijking van de eerste alinea mag een instelling derivatenblootstellingen uitsluiten van de berekening van het eigenvermogensvereiste voor het risico van aanpassing van de kredietwaardering wanneer dat vereiste niet voor die bloot­stellingen zou gelden indien ze rechtstreeks door de instelling werden ingenomen.

   4. Instellingen die overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel de doorkijkbenadering toepassen en die voldoen aan de voorwaarden voor permanent gedeeltelijk gebruik overeen­komstig artikel 150 of die niet voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik van de in dit hoofdstuk beschreven methoden of een of meer van de in hoofdstuk 5 beschreven methoden voor alle of een deel van de onderliggende blootstellingen van de icb, berekenen de risicogewogen posten en verwachte verliesposten in overeenstemming met de volgende beginselen:
   a) voor blootstellingen die zijn ingedeeld bij de in artikel 147, lid 2, punt e), bedoelde categorie blootstellingen in aandelen, passen instellingen de eenvoudige risicogewichtbenadering van artikel 155, lid 2, toe;
   b) voor blootstellingen die zijn ingedeeld bij de in artikel 147, lid 2, punt f), bedoelde categorie posten die securitisatieposities vertegenwoordigen, passen instellingen de in artikel 254 beschreven behandeling toe alsof die blootstellingen rechtstreeks door die instellingen werden aangehouden;
   c) voor alle overige onderliggende blootstellingen passen instellingen de in hoofdstuk 2 van deze titel vastgestelde standaardbenadering toe.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea behandelt de instelling, als zij niet in staat is een onderscheid te maken tussen blootstellingen in niet-beurs­verhandelde, beursverhandelde en overige aandelen, de betrokken blootstellingen als blootstellingen in overige aandelen.

   5. Wanneer de voorwaarden van artikel 132, lid 3, zijn vervuld, mogen instellingen die onvoldoende informatie hebben over de individuele onderliggende blootstellingen van een icb, de risicogewogen posten van die blootstellingen berekenen overeen­komstig de in artikel 132 bis, lid 2, uiteengezette beleidsbenadering. Voor de in lid 4, punten a), b) en c), van dit artikel opgesomde blootstellingen passen instellingen evenwel de benaderingen uit die bepalingen toe.
   6. Met inachtneming van artikel 132 ter, lid 2, passen instellingen die geen doorkijkbenadering overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel of geen beleidsbenadering overeen­komstig lid 5 van dit artikel toepassen, de in artikel 132, lid 2, bedoelde fall-backbenadering toe.
   7. Instellingen mogen de risicogewogen posten voor hun blootstellingen in de vorm van rechten van deelneming of aandelen in een icb berekenen door de in dit lid genoemde benaderingen te combineren, mits aan de voorwaarden voor het gebruik van die benaderingen is voldaan.
   8. Instellingen die niet over afdoende gegevens of informatie beschikken om de risico­gewogen posten van een icb te berekenen overeenkomstig de in de leden 2, 3, 4 en 5 beschreven benaderingen, mogen een beroep doen op de berekeningen van een derde, mits alle volgende voorwaarden zijn vervuld:
   a) de derde is een van de volgende entiteiten:
   i) de effectenbewaarinstelling of de financiële effectenbewaarinstelling van de icb, op voorwaarde dat de icb uitsluitend in effecten belegt en alle effecten bij die effectenbewaarinstelling of de financiële effecten­bewaarinstelling in bewaring geeft;
   ii) voor niet onder punt i) van dit punt vallende icb's: de icb-beheermaatschappij, op voorwaarde dat die voldoet aan de in artikel 132, lid 3, punt a), genoemde criteria;
   b) voor andere blootstellingen dan die welke in lid 4, punten a), b) en c), van dit artikel worden opgesomd, voert de derde de berekening uit overeenkomstig de doorkijk­benadering beschreven in artikel 132 bis, lid 1;
   c) voor de blootstellingen die in lid 4, punten a), b) en c), worden opgesomd, voert de derde de berekening uit overeenkomstig de daarin uiteengezette benaderingen;
   d) een externe accountant heeft de deugdelijkheid van de berekening van de derde bevestigd.

Instellingen die een beroep doen op berekeningen door derden, vermenigvuldigen de uit die berekeningen resulterende risicogewogen posten van de blootstellingen van een icb met een factor 1,2.

In afwijking van de tweede alinea geldt de factor 1,2 niet indien de instelling onbeperkte toegang heeft tot de gedetailleerde berekeningen door de derde. De instelling verstrekt die berekeningen op verzoek aan haar bevoegde autoriteit.

   9. Voor de toepassing van dit artikel zijn artikel 132, leden 5 en 6, en artikel 132 ter van toepassing ▌. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 132 quater van toepassing, waarbij de overeenkomstig hoofdstuk 3 van deze titel berekende risicogewichten gelden.";

"

66)  in artikel 158 wordt het volgende lid ingevoegd:"

"9 bis. De verwachte verliesposten voor een minimumwaardeverplichting die aan alle voorwaarden van artikel 132 quater, lid 3, voldoet, zijn gelijk aan nul.";

"

67)  artikel 164 wordt vervangen door:"

"Artikel 164

Verlies bij wanbetaling (Loss Given Default - LGD)

   1. Instellingen verstrekken eigen ramingen van LGD's, met inachtneming van de vereisten van afdeling 6 van dit hoofdstuk en met toestemming van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 143. Voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen wordt een LGD-waarde van 75 % gebruikt. Indien een instelling haar EL-ramingen voor het verwateringsrisico van gekochte kortlopende vorderingen op betrouwbare wijze kan uitsplitsen in PD's en LGD's, kan de instelling haar eigen LGD-raming gebruiken.
   2. Niet-volgestorte kredietprotectie ter dekking van een individuele blootstelling of een pool van blootstellingen kan in aanmerking worden genomen door de PD- of LGD-ramingen aan te passen, met inachtneming van de vereisten van artikel 183, leden 1, 2 en 3, en met toestemming van de bevoegde autoriteiten. Een instelling kent aan gegarandeerde blootstellingen geen zodanig aangepaste PD of LGD toe dat het aangepaste risicogewicht lager is dan dat van een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de garantiegever.
   3. Voor de toepassing van artikel 154, lid 2, is het LGD van een vergelijkbare directe blootstelling met betrekking tot de in artikel 153, lid 3, bedoelde protectiegever gelijk aan het LGD dat samenhangt met ofwel een ongedekte faciliteit ten behoeve van de garantiegever, ofwel de ongedekte faciliteit van de debiteur, naargelang uit beschikbaar bewijsmateriaal en de structuur van de garantie blijkt dat indien zowel de garantiegever als de debiteur tijdens de looptijd van de afgedekte transactie in gebreke blijft, het teruggevorderde bedrag afhankelijk zou zijn van de financiële situatie van de garantiegever respectievelijk de debiteur.
   4. Het naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD van alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door niet-zakelijk onroerend goed en waarvoor de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, bedraagt minimaal 10 %.

Het naar blootstelling gewogen gemiddelde LGD van alle blootstellingen met betrekking tot particulieren en kleine partijen die gedekt zijn door zakelijk onroerend goed en waarvoor de centrale overheid geen garantie heeft afgegeven, bedraagt minimaal 15 %.

   5. De lidstaten wijzen een autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de toepassing van lid 6. Deze autoriteit is de bevoegde autoriteit of de aangewezen autoriteit.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, de bevoegde autoriteit is, zorgt deze ervoor dat de relevante nationale instanties en autoriteiten met een macroprudentieel mandaat voldoende worden geïnformeerd over het voornemen van de bevoegde autoriteit om van dit artikel gebruik te maken, en op passende wijze worden betrokken bij de beoordeling van zorgpunten met betrekking tot de financiële stabiliteit in haar lidstaat, overeenkomstig lid 6.

Indien de autoriteit die voor de toepassing van dit artikel door de lidstaat is aangewezen, een andere dan de bevoegde autoriteit is, neemt de lidstaat de nodige maatregelen om, met het oog op de correcte toepassing van dit artikel, te zorgen voor goede coördinatie en informatie-uitwisseling tussen de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit. De autoriteiten dienen met name nauw samen te werken en alle informatie uit te wisselen die nodig kan zijn voor de juiste uitvoering, door de aangewezen autoriteit, van haar verplichtingen op grond van dit artikel. In het kader van deze samenwerking wordt getracht elke vorm van overlappend of inconsistent optreden van de bevoegde autoriteit en de aangewezen autoriteit te vermijden, en naar behoren rekening te houden met de interactie met andere maatregelen, met name maatregelen krachtens artikel 458 van deze verordening en artikel 133 van Richtlijn 2013/36/EU.

   6. Op basis van de gegevens die krachtens artikel 430 bis zijn verzameld en van eventuele andere relevante indicatoren, en rekening houdend met de toekomstige ontwikkelingen op de markten voor onroerend goed, beoordeelt de overeenkomstig lid 5 van dit artikel aangewezen autoriteit periodiek en ten minste jaarlijks of de in lid 4 van dit artikel bedoelde minimumwaarden van het LGD geschikt zijn voor blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit is gesitueerd.

Indien de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit op basis van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde beoordeling tot de conclusie komt dat de minimumwaarden van het LGD als bedoeld in lid 4 ontoereikend zijn, en indien zij van oordeel is dat de ontoereikendheid van de LGD-waarden een negatief effect kan hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit in de eigen lidstaat, kan zij hogere minimumwaarden van het LGD vaststellen voor de blootstellingen die in een of meer delen van het grondgebied van de lidstaat van de betrokken autoriteit zijn gesitueerd. Deze hogere minimumwaarden kunnen ook worden toegepast op het niveau van één of meer onroerendgoedsegmenten van dergelijke blootstellingen.

De overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit stelt de EBA en het ESRB in kennis voordat zij het in dit lid bedoelde besluit neemt. Uiterlijk één maand na ontvangst van bovengenoemde kennisgeving verstrekken de EBA en het ESRB hun advies aan de betrokken lidstaat. De EBA en het ESRB publiceren deze LGD-waarden.

   7. Indien de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit hogere minimumwaarden van het LGD vaststelt op grond van lid 6, krijgen de instellingen een overgangsperiode van zes maanden om deze toe te passen.
   8. De EBA stelt, in nauwe samenwerking met het ESRB, ontwerpen van technische reguleringsnormen op tot nadere bepaling van de omstandigheden waarmee de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit rekening moeten houden bij het beoordelen van de toereikendheid van LGD-waarden in het kader van de beoordeling, bedoeld in lid 6.

De EBA legt die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 31 december 2019 voor aan de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

   9. Het ESRB kan door middel van aanbevelingen overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1092/2010, en in nauwe samenwerking met de EBA, aan de overeenkomstig lid 5 van dit artikel aangewezen autoriteiten richtsnoeren verstrekken betreffende het volgende:
   a) factoren die "een negatief effect zouden hebben op de huidige of toekomstige financiële stabiliteit" als bedoeld in lid 6; en
   b) indicatieve benchmarks waarmee de overeenkomstig lid 5 aangewezen autoriteit rekening dient te houden bij het vaststellen van de hogere minimumwaarden van het LGD.
   10. De instellingen van een lidstaat passen de door de autoriteiten van een andere lidstaat overeenkomstig lid 6 bepaalde hogere minimumwaarden van het LGD toe op alle overeenkomstige blootstellingen die gedekt zijn door hypotheken op niet-zakelijk onroerend goed of zakelijk onroerend goed dat in één of meerdere delen van die lidstaat is gesitueerd.";

"

68)  in artikel 201, lid 1, wordt punt h) vervangen door:"

"h) gekwalificeerde centrale tegenpartijen.";

"

69)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 204 bis

In aanmerking komende soorten aandelenderivaten

   1. Instellingen mogen aandelenderivaten die total return swaps zijn of economisch feitelijk vergelijkbaar, alleen ten behoeve van interne afdekking als toelaatbare kredietprotectie gebruiken.

Indien een instelling kredietprotectie koopt in de vorm van een total return swap en de uit hoofde van die swap ontvangen nettobetalingen als netto-inkomsten boekt, maar nalaat de daartegenover staande waardevermindering van het door middel van verminderingen van de reële waarde of een toevoeging aan de reserves beschermde actief te boeken, wordt die kredietprotectie niet als toelaatbare kredietprotectie aangemerkt.

   2. Indien een instelling gebruikmaakt van een intern afdekkingsinstrument in de vorm van een aandelenderivaat, kan de interne afdekking voor de toepassing van dit hoofdstuk slechts als toelaatbare kredietprotectie worden aangemerkt indien het naar de handelsportefeuille overgehevelde kredietrisico aan een derde of aan derden wordt overgedragen.

Indien overeenkomstig de eerste alinea een intern afdekkingsinstrument is gebruikt en aan de vereisten van dit hoofdstuk is voldaan, passen instellingen bij aankoop van niet-volgestorte kredietprotectie de voorschriften van de afdelingen 4, 5 en 6 van dit hoofdstuk toe voor de berekening van risicogewogen posten en verwachte verliesposten.";

"

70)  artikel 223 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:"

"In het geval van otc-derivatentransacties berekenen instellingen aan de hand van de in afdeling 6 van hoofdstuk zes uiteengezette methode EVA als volgt:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000008.png.";

"

b)  aan lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"In het geval van otc-derivatentransacties houden instellingen die van de in afdelingen 3, 4 en 5 van hoofdstuk 6 vastgestelde methoden gebruikmaken, rekening met de risicolimiterende effecten van zekerheden, overeenkomstig de bepalingen van de afdelingen 3, 4, 5 van hoofdstuk 6, naargelang het geval.";

"

71)  artikel 272 wordt als volgt gewijzigd:

a)  punt 6 wordt vervangen door:"

"6) "samenstel van afdekkingsinstrumenten ("hedging set")": een tot eenzelfde netting set behorende groep transacties, waarvoor volledige of gedeeltelijke verrekening is toegestaan om de potentiële toekomstige blootstelling te bepalen volgens de in de afdeling 3 of 4 van dit hoofdstuk beschreven methoden;";

"

b)  het volgende punt wordt ingevoegd:"

"7 bis) "eenrichtingsmargeovereenkomst": een margeovereenkomst op grond waarvan een instelling aan een tegenpartij variatiemarges moet storten, maar niet gerechtigd is tot ontvangst van variatiemarge van die tegenpartij, of omgekeerd;";

"

c)  punt 12) wordt vervangen door:"

"12) "actuele marktwaarde" ("current market value" of "CMV"): de nettomarktwaarde van alle transacties binnen een netting set, inclusief aangehouden of gestorte zekerheden, waarbij bij de berekening van de CMV zowel positieve als negatieve marktwaarden worden verrekend;";

"

d)  het volgende punt wordt ingevoegd:"

"12 bis) "nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden" ("NICA"): de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte nettozekerheden, naargelang het geval, van de netting set niet zijnde variatiemarge;";

"

72)  artikel 273 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Instellingen berekenen de blootstellingswaarde voor de in bijlage II vermelde contracten op basis van een van de in afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden, overeenkomstig het onderhavige artikel.

Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 1, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 4 beschreven methode. Een instelling die niet aan de in artikel 273 bis, lid 2, uiteengezette voorwaarden voldoet, maakt geen gebruik van de in afdeling 5 beschreven methode.

Instellingen mogen binnen een groep de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden permanent in combinatie gebruiken. Een afzonderlijke instelling mag de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden niet permanent in combinatie gebruiken.";

"

b)  de leden 6, 7 en 8 worden vervangen door:"

"6. In het kader van de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden is de blootstellingswaarde voor een bepaalde tegenpartij gelijk aan de som van de voor iedere netting set met die tegenpartij berekende blootstellingswaarden.

In afwijking van de eerste alinea wordt, wanneer een margeovereenkomst van toepassing is op meerdere netting sets met die tegenpartij en de instelling voor het berekenen van de blootstellingswaarde van deze netting sets gebruikmaakt van een van de in afdeling 3 tot en met 6 beschreven methoden, de blootstellingswaarde berekend overeenkomstig de relevante afdeling.

Voor een bepaalde tegenpartij ligt de blootstellingswaarde voor een bepaalde netting set met in bijlage II vermelde otc-derivaten, berekend overeenkomstig dit hoofdstuk, tussen nul en het verschil tussen de som van de blootstellings­waarden van alle netting sets met de tegenpartij en de som van de aanpassingen van de kredietwaardering voor die tegenpartij die door de instelling als een ondergane afschrijving worden opgenomen. Bij de berekening van de aanpassingen van de krediet­waarderingen wordt geen rekening gehouden met enige compenserende aanpassing van de aan het eigen kredietrisico van de instelling toegekende schuldwaarde die reeds van het eigen vermogen is uitgesloten overeenkomstig artikel 33, lid 1, punt c).

   7. Bij de berekening van de blootstellingswaarde volgens de in de afdelingen 3, 4 en 5 beschreven methoden mogen instellingen twee in dezelfde verrekenings­overeenkomst opgenomen perfect matchende otc-derivatencontracten behandelen als één enkel contract waarvan de notionele hoofdsom gelijk is aan nul.

Voor de toepassing van de eerste alinea zijn twee otc-derivatencontracten perfect matchend wanneer ze aan alle volgende voorwaarden voldoen:

   a) de risicoposities ervan zijn tegengesteld;
   b) de kenmerken ervan zijn, afgezien van de transactiedatum, identiek;
   c) de kasstromen compenseren elkaar volledig.
   8. Instellingen bepalen de blootstellingswaarde voor uit transacties met afwikkeling op lange termijn voortvloeiende blootstellingen door een van de in de afdelingen 3 tot en met 6 van dit hoofdstuk beschreven methoden toe te passen, ongeacht de methode die door de instelling is gekozen voor de behandeling van otc-derivaten en retrocessietransacties, transacties inzake opgenomen of verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en margelenings­transacties. Bij de berekening van de eigenvermogensvereisten voor transacties met afwikkeling op lange termijn mag een instelling die de in hoofdstuk 3 beschreven benadering toepast, op permanente basis en ongeacht de materia­liteit van die posities, de risicogewichten toekennen volgens de in hoofdstuk 2 beschreven benadering.";

"

c)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"9. Voor de in de afdelingen 3 tot en met 6 beschreven methoden behandelen de instellingen transacties waarvoor een specifiek wrongwayrisico is vastgesteld overeenkomstig artikel 291, leden 2, 4, 5 en 6.";

"

73)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 273 bis

Voorwaarden voor het gebruik van vereenvoudigde methoden om de blootstellingswaarde te berekenen

   1. Een instelling mag de blootstellingswaarde van haar derivatenposities berekenen volgens de in afdeling 4 beschreven methode, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing op basis van gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner is dan beide volgende drempelwaarden:
   a) 10 % van de totale activa van de instelling;
   b) 300 miljoen EUR.

   2. Een instelling mag de blootstellingswaarde van ▌ haar derivatenposities berekenen volgens de in afdeling 5 beschreven methode, op voorwaarde dat de omvang van haar derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling volgens een maandelijks uitgevoerde toetsing op basis van gegevens op de laatste dag van de maand gelijk is aan of kleiner is dan beide volgende drempelwaarden:
   a) 5 % van de totale activa van de instelling;
   b) 100 miljoen EUR.

   3. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 berekenen instellingen de omvang van hun derivatenactiviteiten binnen en buiten de balanstelling op basis van gegevens op de laatste dag van elke maand, met inachtneming van de volgende voorschriften:
   a) derivatenposities worden gewaardeerd tegen hun marktwaarden op die datum; indien de marktwaarde van een positie op die datum niet beschikbaar is, nemen instellingen een reële waarde voor de positie in kwestie op die datum; indien de marktwaarde en de reële waarde van een positie op een bepaalde datum niet beschikbaar zijn, nemen instellingen voor die positie de meest recente waarde, hetzij de marktwaarde, hetzij de reële waarde;
   b) de absolute waarde van lange derivatenposities wordt samengeteld met de absolute waarde van korte derivatenposities;
   c) alle derivatenposities worden in aanmerking genomen, met uitzondering van kredietderivaten die als interne afdekking tegen kredietrisicoblootstellingen in de niet-handelsportefeuille zijn opgenomen.
   4. In afwijking van lid 1 of lid 2, naargelang het geval, wanneer de derivaten­activiteiten op geconsolideerde basis de in lid 1 of lid 2, naargelang het geval, vastgelegde drempelwaarden niet overschrijden, kan een instelling die betrokken is bij de consolidatie en de methode als bedoeld in afdeling 3 of 4 zou moeten toepassen aangezien zij die drempelwaarden op individuele basis overschrijdt, in plaats daarvan de methode toepassen die op geconsolideerde basis zou moeten worden toegepast, op voorwaarde dat zij hiervoor toestemming krijgt van de bevoegde autoriteiten.
   5. Instellingen stellen de bevoegde autoriteiten in kennis van de in afdeling 4 of 5 beschreven methoden die ze gebruiken of niet langer gebruiken, naargelang het geval, om de blootstellingswaarde van hun derivatenposities te berekenen.
   6. Instellingen mogen geen derivatentransactie aangaan of derivaten kopen of verkopen met als enige doel om tijdens de maandelijkse toetsing aan één van de voorwaarden van de leden 1 en 2 te voldoen.

Artikel 273 ter

Niet-naleving van de voorwaarden voor het gebruik van vereenvoudigde methoden ter berekening van de blootstellingswaarde van derivaten

   1. Een instelling die niet langer aan één of meer van de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1 of 2, voldoet, stelt de bevoegde autoriteit onverwijld daarvan in kennis.
   2. Een instelling berekent de blootstellingswaarden van haar derivatenposities niet langer overeenkomstig afdeling 4 of 5, naargelang het geval, uiterlijk drie maanden nadat zich één van de volgende situaties heeft voorgedaan:
   a) de instelling voldoet ▌gedurende drie opeenvolgende maanden niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt a) of van artikel 273 bis, lid 2, punt a), naargelang het geval, of niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt b) of van artikel 273 bis, lid 2, punt b), naargelang het geval;
   b) de instelling voldoet gedurende meer dan zes van de voorgaande twaalf maanden niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt a), of van artikel 273 bis, lid 2, punt a), naargelang het geval, of niet aan de voorwaarden van artikel 273 bis, lid 1, punt b), of van artikel 273 bis, lid 2, punt b), naargelang het geval.
   3. Een instelling die de blootstellingswaarden van haar derivatenposities niet langer overeenkomstig afdeling 4 of 5, naargelang het geval, berekent, mag de blootstellingswaarde van haar derivatenposities pas opnieuw overeenkomstig afdeling 4 of 5 berekenen, indien zij aan de bevoegde autoriteit aantoont dat gedurende een ononderbroken periode van een jaar aan alle in artikel 273 bis, lid 1 of 2, uiteengezette voorwaarden is voldaan.";

"

74)  in deel 3, titel II, hoofdstuk 6 worden de afdelingen 3, 4 en 5 vervangen door:"

"Afdeling 3

standaardbenadering voor tegenpartijkredietrisico

Artikel 274

Blootstellingswaarde

   1. Een instelling mag voor alle onder een overeenkomst inzake contractuele verrekening vallende transacties één blootstellingswaarde op het niveau van de netting set berekenen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:
   a) de verrekeningsovereenkomst behoort tot een van de in artikel 295 bedoelde soorten overeenkomsten inzake contractuele verrekening;
   b) de verrekeningsovereenkomst is door de bevoegde autoriteiten erkend overeenkomstig artikel 296;
   c) de instelling heeft ten aanzien van de verrekeningsovereenkomst de verplichtingen uit hoofde van artikel 297 vervuld. ▌

Wanneer een van de in de eerste alinea vermelde voorwaarden niet is vervuld, behandelt de instelling elke transactie alsof het haar eigen netting set was.

   2. Instellingen berekenen de blootstellingswaarde van een netting set volgens de standaardbenadering voor de tegenpartijkredietrisico als volgt:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000009.png

waarbij:

RC= de overeenkomstig artikel 275 berekende vervangingswaarde; en

PFE = de overeenkomstig artikel 278 berekende potentiële toekomstige blootstelling;

α = 1,4.

   3. De blootstellingswaarde van een aan een contractuele margeovereenkomst onderworpen netting set wordt gemaximeerd op de blootstellingswaarde van diezelfde netting set die niet aan enige vorm van margeovereenkomst is onderworpen.
   4. Indien meerdere margeovereenkomsten van toepassing zijn op dezelfde netting set, wijzen instellingen elke margeovereenkomst toe aan de groep transacties in de netting set waarop die margeovereenkomst contractueel van toepassing is, en berekenen ze voor elk van deze gegroepeerde transacties afzonderlijk een blootstellingswaarde.
   5. Instellingen mogen de blootstellingswaarde van een netting set die aan alle volgende voorwaarden voldoet, op nul stellen:
   a) de netting set bestaat uitsluitend uit verkochte opties;
   b) de actuele marktwaarde van de netting set is steeds negatief;
   c) de premie van alle in de netting set opgenomen opties is vooraf ontvangen door de instelling om de uitvoering van de contracten te garanderen;
   d) de netting set is niet aan enige margeovereenkomst onderworpen.
   6. In een netting set vervangen instellingen een transactie die een eindige lineaire combinatie van alle ge- of verkochte call- of putopties is, door alle individuele opties welke die lineaire combinatie vormen, beschouwd als een individuele transactie met het oog op de berekening van de blootstellingswaarde van de netting set in overeenstemming met deze afdeling. Elke dergelijke combinatie van opties wordt behandeld als een individuele transactie in de netting set waarin de combinatie is opgenomen met het oog op de berekening van de blootstellingswaarde.
   7. De blootstellingswaarde van een kredietderivatentransactie die een lange positie in de onderliggende waarde vertegenwoordigt, kan worden gemaximeerd op het bedrag van de uitstaande onbetaalde premie mits die wordt behandeld als eigen netting set die niet aan een margeovereenkomst is onderworpen.

Artikel 275

Vervangingswaarde

   1. Instellingen berekenen de vervangingswaarde RC voor netting sets die niet aan een margeovereenkomst onderworpen zijn, volgens de volgende formule:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000010.png

   2. Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor eenzelfde aan een margeovereenkomst onderworpen netting set volgens de volgende formule:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000011.png

waarbij:

RC = de vervangingswaarde;

VM = de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte nettovariatiemarge, naargelang het geval, om verandering in de CMV van de netting set te limiteren;

TH = de uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke margedrempel waaronder de instelling geen zekerheden kan opvragen; en

MTA = het uit hoofde van de margeovereenkomst op de netting set toepasselijke minimumbedrag van de overdracht.

   3. Instellingen berekenen de vervangingswaarde voor meerdere aan dezelfde margeovereenkomst onderworpen netting sets volgens de onderstaande formule:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000012.png

waarbij:

RC = de vervangingswaarde;

i = de index die aangeeft dat de netting set aan de individuele margeovereenkomst onderworpen is;

CMVi = de CMV van de netting set i;

VMMA = de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de op regelmatige basis ontvangen of gestorte zekerheden, naargelang het geval, voor meervoudige netting sets om veranderingen in hun CMV te limiteren; en

NICAMA = de som van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van de ontvangen of gestorte zekerheden, naargelang het geval, voor meervoudige netting sets niet zijnde VMMA.

Voor de toepassing van de eerste alinea mag NICAMA, afhankelijk van het niveau waarop de margeovereenkomst van toepassing is, worden berekend op handels­niveau, op het niveau van de netting set of op het niveau van alle netting sets waarop de margeovereenkomst van toepassing is.

Artikel 276

Opname en behandeling van zekerheden

   1. Voor de toepassing van deze afdeling berekenen instellingen de bedragen aan zekerheden van VM, VMMA, NICA en NICAMA door alle volgende voorwaarden toe te passen:
   a) indien alle in een netting set opgenomen transacties tot de handelsportefeuille behoren, worden alleen krachtens de artikelen 197 en 299 in aanmerking komende zekerheden opgenomen;
   b) indien een netting set ten minste één transactie bevat die tot de niet‑handelsportefeuille behoort, worden alleen krachtens artikel 197 toelaatbare zekerheden opgenomen;
   c) van een tegenpartij ontvangen zekerheden worden opgenomen met een positief teken, terwijl bij een tegenpartij gestorte zekerheden met een negatief teken worden opgenomen;
   d) de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van alle soorten ontvangen of gestorte zekerheden wordt berekend overeenkomstig artikel 223; ten behoeve van die berekening gebruiken instellingen de in artikel 225 beschreven methode;
   e) hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VM en NICA opgenomen;
   f) hetzelfde zekerheidsbestanddeel wordt niet tegelijk in VMMA en NICAMA opgenomen;
   g) aan de tegenpartij gestorte zekerheden die gescheiden zijn van de activa van die tegenpartij en, als gevolg van die scheiding, buiten het faillissement vallen in geval van wanbetaling door of insolventie van de tegenpartij, worden niet opgenomen in de berekening van NICA en NICAMA.
   2. Voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van gestorte zekerheden als bedoeld in lid 1, punt d), van dit artikel vervangen instellingen de formule van artikel 223, lid 2, door de volgende formule:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000013.png

waarbij:

CVA = de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van gestorte zekerheden; en

C = de zekerheden;

Hc en Hfx zijn bepaald overeenkomstig artikel 233, lid 2.

   3. Voor de toepassing van punt d) van lid 1 stellen instellingen de voor de berekening van de voor volatiliteit gecorrigeerde waarde van ontvangen of gestorte zekerheden toepasselijke liquidatieperiode vast volgens één van de volgende tijdshorizons:
   a) één jaar voor de in artikel 275, lid 1, bedoelde netting sets;
   b) de margerisicoperiode als bepaald overeenkomstig artikel 279 quater, lid 1, punt b), voor de in artikel 275, leden 2 en 3, bedoelde netting sets.

Artikel 277

Mapping van transacties naar risicocategorieën

   1. Instellingen mappen elke transactie van een netting set naar een van de volgende risicocategorieën om de in artikel 278 bedoelde potentiële toekomstige blootstelling van de netting set te bepalen:
   a) renterisico;
   b) wisselkoersrisico;
   c) kredietrisico;
   d) aandelenrisico;
   e) grondstoffenrisico;
   f) overige risico's.
   2. Instellingen voeren de in lid 1 bedoelde mapping uit op basis van de primaire risicodeterminant van de derivatentransactie. De primaire risicodeterminant is de enige substantiële risicodeterminant van een derivatentransactie.

   3. In afwijking van lid 2 mappen instellingen derivatentransacties die meer dan één substantiële risicodeterminant hebben, naar meer dan één risicocategorie. Wanneer alle substantiële risicodeterminanten van één van die transacties tot dezelfde risicocategorie behoren, wordt van instellingen alleen verlangd dat ze die transactie eenmaal naar die risicocategorie mappen op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten. Wanneer de substantiële risicodeterminanten van een van die transacties tot verschillende risicocategorieën behoren, mappen instellingen die transactie eenmaal naar elke risicocategorie waarvoor de transactie, op basis van de meest substantiële van die risicodeterminanten in die risicocategorie, ten minste één substantiële risicodeterminant heeft.
   4. Niettegenstaande de leden 1, 2 en 3 passen instellingen bij de mapping van transacties naar de in lid 1 opgesomde risicocategorieën de volgende voorwaarden toe:
   a) wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie, of de meest substantiële risicodeterminant in een bepaalde risicocategorie voor in lid 3 bedoelde transacties, een inflatievariabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie "renterisico";
   b) wanneer de primaire risicodeterminant van een transactie, of de meest substantiële risicodeterminant in een bepaalde risicocategorie voor in lid 3 bedoelde transacties, een klimaat­afhankelijke variabele is, mapt de instelling de transactie naar de risicocategorie "grondstoffenrisico".
   5. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
   a) de methode om transacties met slechts één substantiële risicodeterminant te identificeren ▌;
   b) de methode om transacties met meer dan één substantiële risicodeterminant te identificeren en om de voor de toepassing van lid 3 meest substantiële van deze risicodeterminanten te identificeren;

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 277 bis

Samenstellen van afdekkingsinstrumenten ("hedging sets")

   1. Instellingen bepalen de voor elke risicocategorie van netting sets relevante hedging sets en wijzen elk van deze transacties als volgt aan die hedging sets toe:
   a) naar de risicocategorie "renterisico" gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, in dezelfde valuta luidt;
   b) naar de risicocategorie "wisselkoersrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, op hetzelfde valutapaar is gebaseerd;
   c) alle naar de risicocategorie "kredietrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;
   d) alle naar de risicocategorie "aandelenrisico" gemapte transacties worden aan dezelfde hedging set toegewezen;
   e) naar de risicocategorie "grondstoffenrisico" gemapte transacties worden aan één van de volgende hedging sets toegewezen op basis van de aard van hun primaire risicodeterminant of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties:
   i) energie;
   ii) metalen;
   iii) landbouwproducten;
   iv) overige grondstoffen;
   v) klimatologische omstandigheden;
   f) naar de risicocategorie "overige risico's" gemapte transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, identiek is.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea van dit lid worden naar de risicocategorie "renterisico" gemapte transacties die een inflatievariabele als de primaire risico­determinant hebben, toegewezen aan afzonderlijke hedging sets niet zijnde de hedging sets, bepaald voor transacties gemapt naar de risicocategorie "renterisico" die geen inflatievariabele als primaire risicodeterminant hebben. Die transacties worden alleen aan dezelfde hedging set toegewezen indien hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, in dezelfde valuta luidt.

   2. In afwijking van lid 1 van dit artikel bepalen instellingen binnen elke risicocategorie afzonderlijke individuele hedging sets voor de volgende transacties:
   a) transacties waarvoor de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, ofwel de impliciete markt­volatiliteit is of de gerealiseerde volatiliteit van een risicodeterminant of de correlaties tussen beide risicodeterminanten;
   b) transacties waarvoor de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, het verschil is tussen twee risicodeterminanten die naar dezelfde risicocategorie zijn gemapt of transacties die bestaan uit twee in dezelfde valuta luidende betalingsgedeelten en waarvoor een risicodeterminant uit dezelfde risicocategorie van de primaire risico­determinant is vervat in het andere betalingsgedeelte dan het gedeelte dat de primaire risicodeterminant bevat.

Voor de toepassing van punt a) van de eerste alinea van dit lid wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer hun primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, identiek is.

Voor de toepassing van punt b) van de eerste alinea wijzen instellingen transacties alleen aan dezelfde hedging set van de betrokken risicocategorie toe wanneer het paar van risicodeterminanten in die transacties als bedoeld daarin identiek is en de beide in dit paar vervatte risicodeterminanten positief gecorreleerd zijn. Anders wijzen instellingen in punt b) van de eerste alinea bedoelde transacties toe aan één van de overeen­komstig lid 1 bepaalde hedging sets, op basis van slechts één van de beide in punt b) van de eerste alinea bedoelde risicodeterminanten.

   3. Instellingen stellen op verzoek van de bevoegde autoriteiten het aantal overeen­komstig lid 2 van dit artikel voor elke risicocategorie bepaalde hedging sets beschikbaar, met de primaire risicodeterminant, of de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, of het paar van risicodeterminanten van elk van die hedging sets, en met het aantal transacties in elk van die hedging sets.

Artikel 278

Potentiële toekomstige blootstelling

   1. Instellingen berekenen de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set als volgt:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000014.png

waarbij:

PFE = de potentiële toekomstige blootstelling;

a = de index die de in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van de netting set opgenomen risicocategorieën aangeeft;

AddOn(a) = de opslagfactor voor risicocategorie 'a', berekend overeenkomstig de artikelen 280 bis tot en met 280 septies, naargelang het geval; en

multiplier = de vermenigvuldigingsfactor, berekend volgens de in lid 3 bedoelde formule.

Ten behoeve van deze berekening nemen instellingen de opslagfactor van een bepaalde risicocategorie op in de berekening van de potentiële toekomstige blootstelling van een netting set wanneer ten minste één transactie van de netting set naar die risicocategorie is gemapt.

   2. De potentiële toekomstige blootstelling van aan één margeovereenkomst onderworpen meervoudige netting sets, als bedoeld in artikel 275, lid 3, wordt berekend als de som van de potentiële toekomstige blootstellingen van alle individuele netting sets alsof deze niet aan enige vorm van margeovereenkomst waren onderworpen.
   3. Voor de toepassing van lid 1 wordt de multiplicator als volgt berekend:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000015.png

waarbij:

Floorm = 5 %;

y = 20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000016.png

z = 20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000017.png

NICAi = het nettobedrag aan onafhankelijke zekerheden, berekend uitsluitend voor transacties die in de netting set i zijn opgenomen. NICAi wordt berekend op handelsniveau of op het niveau van de netting set, afhankelijk van de margeovereenkomst.

Artikel 279

Berekening van de risicopositie

Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor risicocategorieën berekenen instellingen de risicopositie van iedere transactie van een netting set als volgt:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000018.png

waarbij:

δ = de delta voor toezichtsdoeleinden van de transactie, berekend volgens de in artikel 279 bis bepaalde formule;

AdjNot = het aangepaste notionele bedrag van de transactie, berekend overeenkomstig artikel 279 ter; en

MF = de looptijdfactor van de transactie, berekend volgens de in artikel 279 quater bepaalde formule.

Artikel 279 bis

Delta voor toezichtsdoeleinden

   1. Instellingen berekenen de delta voor toezichtsdoeleinden (δ) als volgt:
   a) voor call- en putopties die de optiekoper het recht geven een onderliggend instrument te kopen of verkopen voor een positieve prijs op één specifieke datum of meerdere datums in de toekomst, behalve wanneer die opties zijn gemapt naar de risicocategorie "renterisico", gebruiken instellingen de volgende formule:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000019.png

waarbij:

δ = de delta voor toezichtsdoeleinden;

sign = -1 als de transactie een verkochte calloptie of een gekochte putoptie is;

sign = +1 als de transactie een gekochte calloptie of een verkochte putoptie is;

type = -1 als de transactie een putoptie is;

type = +1 als de transactie een calloptie is;

N(x) = de cumulatieve distributiefunctie van een standaardnormale toevalsvariabele, d.w.z. de kans dat een normale toevalsvariabele met een gemiddelde van nul en een variantie van één kleiner is dan of gelijk aan "x";

P = de spot- of termijnprijs van het onderliggende instrument van de optie; voor opties waarvan de kasstromen afhangen van een gemiddelde waarde van de prijs van het onderliggende instrument, is P gelijk aan de gemiddelde waarde op de berekeningsdatum.

K = de uitoefenprijs van de optie;

T = de uiterste geldigheidsdatum van de optie; voor opties die slechts op een enkele toekomstige datum kunnen worden uitgeoefend, is de uiterste geldigheidsdatum gelijk aan die datum; voor opties die op meerdere toekomstige datums kunnen worden uitgeoefend, is de uiterste geldigheids­datum gelijk aan die datums; de uiterste geldigheidsdatum wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen; en

σ = de volatiliteit voor toezichtsdoeleinden van de optie, bepaald overeen­komstig tabel 1, op basis van de risicocategorie van de transactie en de aard van het onderliggende instrument van de optie.

Tabel 1

Risicocategorie

Onderliggend instrument

Volatiliteit voor toezichtsdoeleinden

Wisselkoers

Alle

15 %

Krediet

Single-name-instrument

100 %

Multiple-names-instrument

80 %

Aandeel

Single-name-instrument

120 %

Multiple-names-instrument

75 %

Grondstof

Elektriciteit

150 %

Overige grondstoffen (elektriciteit uitgezonderd)

70 %

Overige

Alle

150 %

Instellingen die de termijnprijs van het onderliggende instrument gebruiken, zorgen ervoor dat:

   i) de termijnprijs coherent is met de kenmerken van de optie;
   ii) de termijnprijs wordt berekend aan de hand van een relevant rentepercentage dat op het tijdstip van de rapportage geldt;
   iii) in de termijnprijs de verwachte kasstromen van het onderliggende instrument vóór het aflopen van de optie zijn verwerkt;
   b) voor tranches van een synthetische securitisatie en een nth-to-default-kredietderivaat gebruiken instellingen de volgende formule:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000020.png

waarbij:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000021.png

A = het attachment point van de tranche; voor een nth-to-default krediet­derivatentransactie die gebaseerd is op referentie-entiteiten k, A = (n-1)/k; en

D = het detachment point van de tranche; voor een nth-to-default krediet­derivatentransactie die gebaseerd is op referentie-entiteiten k, D = n/k;

   c) voor niet in punt a) of b) vermelde transacties maken instellingen gebruik van de volgende delta voor toezichtsdoeleinden:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000022.png

   2. Voor de toepassing van deze afdeling betekent een lange positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, dat de marktwaarde van de transactie toeneemt wanneer de waarde van die risicodeterminant toeneemt, en betekent een korte positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties, dat de marktwaarde van de transactie afneemt wanneer de waarde van die risicodeterminant toeneemt.

   3. De EBA ontwikkelt ontwerpen van technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van:
   a) in overeenstemming met internationale ontwikkelingen op regelgevings­gebied, de formule die door instellingen wordt gebruikt voor het berekenen van de delta voor toezichtsdoeleinden van call- en putopties die zijn gemapt naar de risicocategorie "renterisico", in overeenstemming met marktomstandigheden waarin rentepercentages negatief kunnen zijn en de volatiliteit voor toezichts­doeleinden welke voor die formule geschikt is;
   b) de methode om te bepalen of een ▌ transactie een lange of korte positie in de primaire risicodeterminant of in de meest substantiële risicodeterminant in de gegeven risicocategorie voor in artikel 277, lid 3, bedoelde transacties is ▌.

De EBA dient die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op ... [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsverordening] bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om deze verordening aan te vullen door de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Artikel 279 ter

Aangepast notioneel bedrag

   1. Instellingen berekenen het aangepaste notionele bedrag als volgt:
   a) voor naar de risicocategorie "renterisico" of de risicocategorie "kredietrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van het notionele bedrag van het derivatencontract en de duurfactor voor toezichtsdoeleinden, die als volgt wordt berekend:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000023.png

waarbij:

R = de disconteringsvoet voor toezichtsdoeleinden; R = 5 %;

S = de termijn tussen de aanvangsdatum van een transactie en de rapportagedatum, die wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen; en

E = de termijn tussen de einddatum ▌van een transactie ▌en de rapportage­datum, die wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen.

De aanvangsdatum van een transactie is de eerste datum waarop er in het kader van de transactie ten minste een contractuele betaling aan of door de instelling wordt vastgesteld of gedaan, met uitzondering van betalingen in verband met de uitwisseling van zeker­heden in het kader van een margeovereenkomst. Indien de transactie op de rapportagedatum al aanleiding heeft gegeven tot de vaststelling of het doen van betalingen, is de aanvangsdatum van een transactie gelijk aan 0. ▌

Indien een transactie betrekking heeft op één of meerdere contractuele toekomstige datums waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten, is de startdatum van een transactie gelijk aan de vroegste van de volgende datums:

   i) de datum of de vroegste van de diverse toekomstige datums waarop de instelling of de tegenpartij mag besluiten om de transactie vóór haar contractuele looptijd stop te zetten;
   ii) de datum waarop een transactie aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen, niet zijnde betalingen in verband met de uitwisseling van zekerheden in het kader van een marge­overeenkomst.

Indien een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de aanvangsdatum van de transactie bepaald op basis van de vroegste datum waarop het onderliggende instrument aanleiding begint te geven tot de vaststelling of het doen van betalingen.

De einddatum van een transactie is de laatste datum waarop in het kader van de transactie een contractuele betaling aan of door de instelling wordt uitgewisseld, of uitgewisseld kan worden.

Indien een transactie als onderliggend instrument een financieel instrument heeft dat aanleiding kan geven tot contractuele verplichtingen bovenop die van de transactie, wordt de einddatum van de transactie bepaald op basis van de laatste contractuele betaling van het onderliggende instrument van de transactie.

Indien een transactie gestructureerd is om op gespecificeerde betalings­datums een uitstaande blootstelling af te wikkelen en indien de voorwaarden zodanig worden herzien dat de marktwaarde van de transactie op die gespecificeerde betaaldatums gelijk is aan nul, wordt de afwikkeling van de uitstaande blootstelling op deze gespecificeerde datums als een contractuele betaling in het kader van de transactie in kwestie aangemerkt;

   b) voor naar de risicocategorie "wisselkoersrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als volgt:
   i) indien de transactie uit één betalingsgedeelte bestaat, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het derivatencontract;
   ii) indien de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van één betalingsgedeelte in de rapportagevaluta van de instelling luidt, is het aangepaste notionele bedrag het notionele bedrag van het andere betalingsgedeelte;
   iii) indien de transactie uit twee betalingsgedeelten bestaat en het notionele bedrag van elk betalingsgedeelte luidt in een andere valuta dan de rapportagevaluta van de instelling, is het aangepaste notionele bedrag het grootste notionele bedrag van de beide betalingsgedeelten nadat die bedragen zijn omgezet in de rapportagevaluta van de instelling tegen de geldende contante wisselkoers;
   c) voor naar de risicocategorie "aandelenrisico" of "grondstoffenrisico" gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag als het product van de marktprijs van één eenheid van het onderliggende instrument van de transactie en het aantal eenheden in het onderliggende instrument waarnaar de transactie verwijst;

indien een naar de risicocategorie "aandelenrisico" of "grondstoffenrisico" gemapte transactie contractueel als een notioneel bedrag is uitgedrukt, gebruiken de instellingen het notionele bedrag van de transactie als het aangepaste notionele bedrag, en niet het aantal eenheden in het onderliggende instrument;

   d) voor naar andere risicocategorieën gemapte transacties berekenen instellingen het aangepaste notionele bedrag op basis van de meest geschikte van de in de punten a), b) en c) vermelde methodes, naar gelang van de aard en kenmerken van het onderliggende instrument van de transactie.
   2. Instellingen bepalen het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument ten behoeve van de berekening van het aangepaste notionele bedrag van een in lid 1 bedoelde transactie, als volgt:
   a) indien het notionele bedrag of het aantal eenheden van het onderliggende instrument van een transactie pas aan het einde van de contractuele looptijd wordt vastgesteld ▌:
   i) voor deterministische notionele bedragen en aantallen eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het gewogen gemiddelde van alle deterministische waarden van notionele bedragen of aantallen eenheden van het onderliggende instrument, naargelang het geval, tot het eind van de contractuele looptijd van de transactie, waarbij de gewichten in verhouding staan tot de tijd dat elke waarde van het notionele bedrag van toepassing is;
   ii) voor stochastische notionele bedragen en aantallen van eenheden van het onderliggende instrument is het notionele bedrag het bedrag als vast­gesteld door het vastleggen van actuele marktwaarden in de formule voor het berekenen van de toekomstige marktwaarden;

   b) voor contracten met meervoudige uitwisselingen van het notionele bedrag wordt het notionele bedrag vermenigvuldigd met het aantal resterende betalingen dat overeenkomstig de contracten nog moet worden verricht;
   c) voor contracten die voorzien in een vermenigvuldiging van de kasstroom­betalingen of een vermenigvuldiging van de onderliggende waarde van het derivatencontract, wordt het notionele bedrag door een instelling aangepast om rekening te houden met de gevolgen van deze vermenigvuldiging voor de risicostructuur van die contracten.
   3. Instellingen zetten het aangepaste notionele bedrag van een transactie om in hun rapportagevaluta tegen de geldende contante wisselkoers wanneer het aangepaste notionele bedrag op grond van dit artikel wordt berekend op basis van een contractueel notioneel bedrag of een marktprijs van het aantal eenheden van het in een andere valuta luidende onderliggende instrument.

Artikel 279 quater

Looptijdfactor

   1. Instellingen berekenen de looptijdfactor als volgt:
   a) voor transacties opgenomen in de netting sets als bedoeld in artikel 275, lid 1, gebruiken instellingen de volgende formule:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000024.png

waarbij:

MF = de looptijdfactor;

M = de resterende looptijd van de transactie die gelijk is aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van de transactie te beëindigen; met het oog daarop wordt iedere optionaliteit van een derivatencontract als een contractuele verplichting beschouwd; de resterende looptijd wordt uitgedrukt in jaren, volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen;

indien een transactie een ander derivatencontract als onderliggend instrument heeft dat aanleiding kan geven tot aanvullende contractuele verplichtingen bovenop de contractuele verplichtingen van de transactie, is de resterende looptijd van de transactie gelijk aan de tijd die nodig is om alle contractuele verplichtingen van het onderliggende instrument te beëindigen;

indien een transactie gestructureerd is om op gespecificeerde betalings­datums de uitstaande blootstelling af te wikkelen en indien de voorwaarden zodanig herzien worden dat de marktwaarde van de transactie op die gespecificeerde datums gelijk is aan nul, is de resterende looptijd van de transactie gelijk aan de resterende tijd tot de volgende herzieningsdatum; en

"OneBusinessYear" = één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen;

   b) voor transacties die zijn opgenomen in de netting sets als bedoeld in artikel 275, leden 2 en 3, wordt de looptijdfactor omschreven als:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000025.png

waarbij:

MF = de looptijdfactor;

MPOR = de margerisicoperiode van de netting set, bepaald overeenkomstig artikel 285, leden 2 tot en met 5; en

OneBusinessYear = één jaar uitgedrukt in werkdagen volgens de betrokken gebruiken inzake werkdagen.

Bij het bepalen van de margerisicoperiode voor transacties tussen een cliënt en een clearinglid vervangt een instelling die hetzij als cliënt hetzij als clearinglid handelt, de in artikel 285, lid 2, punt b), genoemde minimale periode door vijf werkdagen.

   2. Voor de toepassing van lid 1 is de resterende looptijd gelijk aan de tijd tot de volgende herzieningsdatum voor transacties die zijn gestructureerd om na gespecificeerde betalingsdatums de uitstaande blootstelling af te wikkelen en waarvan de voorwaarden zodanig worden herzien dat de marktwaarde van het contract op die gespecificeerde betaaldatums gelijk is aan nul.

Artikel 280

Factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor hedging sets

Voor de berekening van de in de artikelen 280 bis tot en met 280 septies bedoelde opslagfactoren voor een hedging set is de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor hedging set 'ϵ' de volgende:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000026.png

Artikel 280 bis

Opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico"

   1. Voor de toepassing van artikel 278 berekenen instellingen de opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico" voor een bepaalde netting set als volgt:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000027.png

waarbij:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000028.png = de opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico";

j = de index die alle hedging sets voor renterisico's als bepaald overeenkomstig artikel 277 bis, lid 1, punt a), en overeenkomstig artikel 277 bis, lid 2, voor de netting set aangeeft; en

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000029.png = de opslagfactor voor de risicocategorie "renterisico" voor de hedging set 'j' van de risicocategorie "renterisico", berekend overeenkomstig lid 2.

   2. Instellingen berekenen de opslagfactor voor de hedging set 'j' van de risicocategorie "renterisico" als volgt:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000030.png

waarbij:

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000031.png = de factorcoëfficiënt voor toezichtsdoeleinden voor de hedging set 'j', bepaald overeenkomstig de in artikel 280 gespecificeerde toepasselijke waarde;

SFIR = de factor voor toezichtsdoeleinden voor de risicocategorie "renterisico" met een waarde gelijk aan 0,5 %; en

20190416-P8_TA-PROV(2019)0369_NL-p0000032.png = het effectieve notionele bedrag van de hedging set 'j', berekend overeenkomstig lid 3.

   3. Voor de berekening van het effectieve notionele bedrag van de hedging set 'j' mappen instellingen eerst elke transactie van de hedging set naar de passende subklasse in tabel 2. Ze doen dit op basis van de einddatum van elke transactie als bepaald krachtens artikel 279 ter, lid 1, punt a):

Tabel 2

Subklasse

Einddatum

(in jaar)