Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 18 april 2019 - Straatsburg 
China, met name de situatie van religieuze en etnische minderheden
 Kameroen
 Brunei
 Overeenkomst betreffende justitiële samenwerking in strafzaken tussen Eurojust en Denemarken*
 CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ***I
 Bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen ***I
 Gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht ***I
 Grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen ***I
 Europees Defensiefonds ***I
 Blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties ***I
 Gedekte obligaties en overheidstoezicht op gedekte obligaties ***I
 InvestEU ***I
 Europees maritiem éénloketsysteem ***I
 Informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's ***I
 Persistente organische verontreinigende stoffen ***I
 Clearingverplichting, rapportagevereisten en risicolimiteringstechnieken voor otc-derivaten, en transactieregisters ***I
 Vergunningverlening aan CTP's en erkenning van CTP's uit derde landen ***I
 Bevordering van het gebruik van mkb-groeimarkten ***I
 Onderhandelingen met de Raad en de Commissie over het wetgevingsvoorstel over het enquêterecht van het Europees Parlement
 Een alomvattend EU-kader voor hormoonontregelende stoffen

China, met name de situatie van religieuze en etnische minderheden
PDF 138kWORD 54k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over China, met name de situatie van religieuze en etnische minderheden (2019/2690(RSP))
P8_TA-PROV(2019)0422RC-B8-0255/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over de situatie in China, met name die van 26 november 2009 over China: de rechten van minderheden en de toepassing van de doodstraf(1), van 10 maart 2011 over de situatie en het cultureel erfgoed in Kashgar (Autonome Regio Xinjiang Oeigoer, China)(2), van 15 december 2016 over de zaak van de Tibetaanse boeddhistische academie Larung Gar en Ilham Tohti(3), van 12 september 2018 over de stand van zaken van de betrekkingen tussen de EU en China(4) en van 4 oktober 2018 over massale willekeurige detentie van Oeigoeren en Kazakken in de Oeigoerse autonome regio Xinjiang(5),

–  gezien het in 2003 gelanceerde strategisch partnerschap tussen de EU en China, en de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 22 juni 2016 getiteld "Elementen voor een nieuwe strategie van de EU ten aanzien van China" (JOIN(2016)0030),

–  gezien de op 24 juni 2013 door de Raad Buitenlandse Zaken aangenomen richtsnoeren van de EU tot bevordering en bescherming van de vrijheid van godsdienst en overtuiging,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 12 maart 2019 getiteld "EU en China - een strategische visie" (JOIN(2019)0005),

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de 21e EU-China-top van 9 april 2019,

–  gezien de in 1995 gestarte dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, en de 37e ronde van deze dialoog op 1 en 2 april 2019 in Brussel,

–  gezien artikel 36 van de grondwet van de Volksrepubliek China, waarin het recht van alle burgers op vrijheid van religie en geloof wordt gewaarborgd, en artikel 4 van diezelfde grondwet, waarin de rechten van "minderheidsnationaliteiten" worden bevestigd,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966, dat China in 1998 heeft ondertekend maar niet heeft geratificeerd,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de slotopmerkingen van de beoordeling van de VN-Commissie voor de uitbanning van rassendiscriminatie betreffende China,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de EU in haar strategisch kader voor mensenrechten en democratie belooft dat zij de democratie, de rechtsstaat en de "mensenrechten op alle deelterreinen van haar externe optreden, zonder uitzondering", zal bevorderen en "mensenrechten in het centrum zal plaatsen van haar betrekkingen met alle derde landen, inclusief haar strategische partners"; overwegende dat dit centraal moet blijven staan in de langlopende betrekkingen tussen de EU en China, in overeenstemming met de toezegging van de EU om deze waarden in haar extern optreden uit te dragen en het feit dat China de intentie heeft uitgesproken om bij zijn eigen ontwikkeling internationale wetten en standaarden met betrekking tot mensenrechten te respecteren;

B.  overwegende dat China erin is geslaagd om 700 miljoen mensen uit de armoede te halen, maar dat de mensenrechtensituatie in China sinds het aantreden van president Xi Jinping in maart 2013 steeds verder is verslechterd, waarbij de regering zich in toenemende mate vijandig opstelt ten aanzien van vreedzame afwijkende meningen, de vrijheid van meningsuiting en godsdienst en de rechtsstaat; overwegende dat honderden mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten door de Chinese autoriteiten zijn opgepakt en worden vervolgd;

C.  overwegende dat de nieuwe regelingen inzake religieuze zaken die op 1 februari 2018 van kracht zijn geworden, restrictiever zijn ten opzichte van groepen en activiteiten en hen dwingen dichter bij de partijlijnen te blijven; overwegende dat de vrijheid van godsdienst en van geweten een nieuw dieptepunt hebben bereikt sinds de aanvang van de economische hervormingen en de openstelling van China aan het einde van de jaren zeventig; overwegende dat China een van de grootste populaties religieuze gevangenen ter wereld huisvest;

D.  overwegende dat in september 2018 weliswaar een akkoord werd bereikt tussen de Heilige Stoel en de Chinese regering over de benoeming van bisschoppen in China, maar dat de christelijke gemeenschappen in China in toenemende mate te maken hebben met repressie, waarbij christenen, zowel in ondergrondse als door de regering goedgekeurde kerken het doelwit zijn van intimidatie, gelovigen gevangen worden genomen, kerken worden vernield, religieuze symbolen in beslag worden genomen en christelijke bijeenkomsten uiteen worden geslagen; overwegende dat de Chinese autoriteiten in sommige provincies het jongeren onder de achttien jaar niet toestaan om religieuze activiteiten bij te wonen; overwegende dat China in september 2018 de Zion Kerk heeft verboden, de grootste congregatie in China met meer dan 1 500 volgelingen;

E.  overwegende dat de situatie in Xinjiang, waar tien miljoen Oeigoerse moslims en etnische Kazakken wonen, snel is verslechterd, daar het verkrijgen van absolute controle over Xinjiang werd uitgeroepen tot topprioriteit van de Chinese autoriteiten, niet alleen vanwege de periodieke terreuraanslagen die Oeigoeren in Xinjiang plegen of zogenaamd in verband met Xinjiang zouden plegen, maar ook vanwege de strategische positie die de Oeigoerse autonome regio Xinjiang inneemt in het ""Belt and Road"-initiatief"; overwegende dat er berichten zijn dat het kampsysteem van Xinjiang ook inmiddels in andere delen van China wordt toegepast;

F.  overwegende dat er een buitengerechtelijk detentieprogramma is ingevoerd op grond waarvan volgens door de VN-Commissie inzake de uitbanning van rassendiscriminatie aangehaalde ramingen, tienduizenden tot wel een miljoen Oeigoeren voor onbepaalde duur worden vastgehouden om gedwongen een politieke "heropvoeding" te ondergaan, zonder dat zij in staat van beschuldiging worden gesteld of worden veroordeeld, zodat er dus sprake is van willekeurige detentie onder het voorwendsel van de bestrijding van terrorisme en religieus extremisme; overwegende dat in de provincie Xinjiang een beleid wordt gehanteerd van strenge beperkingen ten aanzien van religieuze praktijken en het gebruik van de Oeigoerse taal;

G.  overwegende dat een geavanceerd netwerk van indringende digitale bewaking is ontwikkeld, waarbij onder meer gebruik wordt gemaakt van gezichtsherkenningstechnieken en de verzameling van gegevens;

H.  overwegende dat de Chinese regering herhaaldelijke verzoeken van de VN-werkgroep inzake gedwongen en onvrijwillige verdwijningen, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en andere speciale VN-procedures om onafhankelijke onderzoekers naar Xinjiang te sturen, stelselmatig heeft afgewezen;

I.  overwegende dat de situatie in Tibet ondanks de economische groei en de ontwikkeling van de infrastructuur in de afgelopen jaren is verslechterd doordat de Chinese regering een breed scala van mensenrechten beperkt onder het mom van veiligheid en stabiliteit, en doordat zij de Tibetaanse identiteit en cultuur blijft aanvallen;

J.  overwegende dat de bewakings- en controlemaatregelen in Tibet de afgelopen jaren zijn verscherpt en het aantal gevallen van willekeurige detentie, foltering en mishandeling is toegenomen; overwegende dat de Chinese regering in Tibet een sfeer van onbegrensd staatsgezag heeft gecreëerd, waar angst overal voelbaar is en elk aspect van het openbaar en privéleven aan verstikkende controle en regels onderhevig is; overwegende dat in Tibet elke niet-gewelddadige uiting van protest tegen of kritiek op het overheidsbeleid met betrekking tot etnische of religieuze minderheden kan worden beschouwd als een streven naar afscheiding en daarom strafbaar is; overwegende dat de toegang tot de Tibetaanse Autonome Regio vandaag nog beperkter is dan ooit tevoren;

K.  overwegende dat er sinds 2009 een uitzonderlijk groot aantal Tibetanen, onder wie voornamelijk monniken en nonnen, zichzelf in brand zou hebben gestoken als protest tegen de restrictieve Chinese maatregelen in Tibet en ter ondersteuning van de terugkeer van de Dalai Lama en het recht op godsdienstvrijheid in de prefectuur van Aba/Ngaba (provincie Sechouan) en andere delen van de Tibetaanse hoogvlakte; overwegende dat er de afgelopen tien jaar geen enkele vooruitgang is geboekt bij het vinden van een oplossing voor de Tibetaanse crisis;

1.  is ernstig bezorgd over de toenemende onderdrukking waar verschillende religieuze en etnische minderheden, met name de Oeigoeren en Kazakken, Tibetanen en christenen, mee te maken hebben, waarbij hun grondwettelijk gegarandeerde recht op vrijheid van culturele uiting en religie en geloof, hun recht op vrijheid van mening en meningsuiting en hun recht op vreedzame vergadering en vereniging verder worden beknot; eist dat de autoriteiten deze fundamentele vrijheden eerbiedigen;

2.  dringt er bij de Chinese regering op aan onmiddellijk een einde te maken aan de willekeurige detentie, zonder enige vorm van tenlastelegging, proces of veroordeling voor strafbare feiten, van leden van de Oeigoerse en Kazakse minderheid en Tibetanen, alle kampen en detentiecentra te sluiten en gedetineerden onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten;

3.  dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van willekeurig gevangen gezette personen, gewetensgevangenen, inclusief beoefenaren van Falun Gong, en op de beëindiging van gedwongen verdwijningen; eist dat al deze personen een wettelijke vertegenwoordiger kunnen kiezen, toegang tot hun familie en medische zorg krijgen en dat hun zaken worden onderzocht;

4.  dringt er bij de Chinese regering op aan over te gaan tot de onmiddellijke vrijlating van: Oeigoeren, onder wie Ilham Tohti, Tashpolat Tiyip, Rahile Dawut, Eli Mamut, Hailaite Niyazi, Memetjan Abdulla, Abduhelil Zunun, en Abdukerim Abduweli; personen die zijn veroordeeld wegens hun religieuze overtuigingen, onder wie Zhang Shaojie, Hu Shigen, Wang Yi, en Sun Qian; Tibetaanse activisten, schrijvers en religieuze figuren die worden vervolgd of gevangen zijn gezet omdat zij hun recht op vrijheid van meningsuiting uitoefenden, onder wie Tashi Wangchuk en Lobsang Dargye;

5.  dringt aan op de onmiddellijke vrijlating van de Zweedse uitgever Gui Minhai en de twee Canadese onderdanen Michael Spavor en Michael Kovrig;

6.  roept de Chinese regering op om alle gegevens van verdwenen personen in Xinjiang aan hun familieleden te openbaren;

7.  dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan een einde te maken aan hun campagnes tegen christelijke congregaties en organisaties, en intimidatie en detentie van christelijke dominees en priesters en de gedwongen afbraak van kerken een halt toe te roepen;

8.  verzoekt de Chinese autoriteiten de taalvrijheid en de culturele, godsdienstige en andere fundamentele vrijheden van de Tibetanen te eerbiedigen en af te zien van een vestigingsbeleid dat Han-Chinezen bevoordeelt en de Tibetanen benadeelt, en Tibetaanse nomaden niet langer te dwingen hun traditionele levenswijze op te geven;

9.  veroordeelt de campagnes die in het kader van de aanpak van "patriottische opvoeding" worden gevoerd, waaronder maatregelen om Tibetaanse boeddhistische kloosters door de staat te laten beheren; vindt het zorgwekkend dat het Chinese strafrecht wordt misbruikt om Tibetanen en boeddhisten, wier religieuze activiteiten op gelijke voet worden geplaatst met "separatisme", te vervolgen; betreurt het dat het klimaat om het boeddhisme te belijden in Tibet sinds de Tibetaanse protesten in maart 2008 sterk verslechterd is, waarbij China sterker inzet op de benadering van "patriottische opvoeding";

10.  dringt er bij de Chinese autoriteiten op aan het grondwettelijk gegarandeerde recht op godsdienstvrijheid voor alle Chinese burgers te waarborgen;

11.  herinnert eraan dat het van belang is dat de EU en haar lidstaten de kwestie van mensenrechtenschendingen op ieder politiek niveau bij de Chinese autoriteiten aan de orde stellen, in overeenstemming met de toezegging van de EU om met één sterke, duidelijke stem te spreken in haar contacten met China, ook tijdens de jaarlijkse dialoog over de mensenrechten, de strategische dialoog, de economische dialoog op hoog niveau, en topontmoetingen, waaronder de komende Europees-Aziatische top;

12.  onderstreept dat hoewel de EU en China in hun gezamenlijke verklaring na de 21e EU-China-top bevestigden dat alle mensenrechten universeel, ondeelbaar, onderling afhankelijk en onderling verbonden zijn, de EU er bij China op moet aandringen dienovereenkomstig te handelen; betreurt dat dringende mensenrechtenkwesties tijdens de EU-China-top van 9 april 2019 wederom slechts een marginale rol speelden; is van mening dat telkens wanneer op een EU-China-top zwakke uitspraken over mensenrechten worden gedaan, de Raad, de Europese Dienst voor extern optreden en de Commissie moeten weigeren dit vraagstuk op te nemen en een aparte mededeling over dit onderwerp moeten doen uitgaan waarin een zinvolle beoordeling van de situatie wordt gegeven en wordt uitgelegd waarom geen overeenkomst kon worden bereikt over krachtigere formuleringen;

13.  dringt er bij de EU-lidstaten op aan om activiteiten van de Chinese autoriteiten op het grondgebied van de EU te voorkomen die gericht zijn op intimidatie van leden van Turkse gemeenschappen, Tibetanen en andere religieuze of etnische groepen, teneinde hen te verplichten als informanten op te treden, terug te keren naar China of hen monddood te maken;

14.  roept de Chinese autoriteiten op journalisten en internationale waarnemers, ook van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten en speciale VN-procedures, vrije, betekenisvolle en onbelemmerde toegang te verschaffen tot de provincie Xinjiang en de Tibetaanse Autonome Regio; dringt er bij de EU en de lidstaten op aan tijdens de volgende zitting van de VN-Mensenrechtenraad het voortouw te nemen bij een resolutie om een onderzoeksmissie naar Xinjiang te sturen;

15.  roept de Chinese regering ertoe op in de Chinese grondwet de onvoorwaardelijke eerbiediging van burgerrechten te verankeren, met inachtneming van artikel 4 inzake de bescherming van nationale minderheden, artikel 35 inzake de vrijheid van meningsuiting, de persvrijheid, de vrijheid van vergadering, van vereniging, van het organiseren van marsen en van demonstratie, artikel 36 inzake de vrijheid van religie en geloof, en artikel 41 inzake het recht op het uitoefenen van kritiek op en het doen van suggesties aan overheidsorganen en/of -functionarissen;

16.  spoort China aan het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten te ratificeren;

17.  dringt er bij China op aan diplomaten, journalisten en burgers uit de EU ongehinderd toegang tot Tibet te verlenen als tegenprestatie voor de vrije en open toegang die Chinese reizigers tot het gehele grondgebied van de EU-lidstaten genieten; dringt er bij de EU-instellingen op aan tijdens de discussies over de visumversoepelingsovereenkomst tussen de EU en China ernstig rekening te houden met de kwestie van de toegang tot Tibet;

18.  spreekt zijn teleurstelling uit over het feit dat de 37e ronde van de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten geen wezenlijke resultaten heeft opgeleverd; betreurt voorts dat de Chinese delegatie op 2 april niet heeft deelgenomen aan de voortzetting van de dialoog waarbij van gedachten zou worden gewisseld met maatschappelijke organisaties;

19.  dringt er bij de VV/HV, de EDEO en de lidstaten op aan de zorgwekkende ontwikkelingen op het gebied van de mensenrechten in Xinjiang, zoals toenemende repressie en controle van de overheid, intensiever te volgen, en zich zowel tijdens privégesprekken als publiekelijk uit te spreken tegen mensenrechtenschendingen in China;

20.  dringt er bij de Raad op aan te overwegen gerichte sancties vast te stellen jegens functionarissen die verantwoordelijk zijn voor het optreden in de Oeigoerse autonome regio Xinjiang;

21.  roept de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap op een einde te maken aan de uitvoer en technologieoverdracht van goederen en diensten die door China worden gebruikt om zijn systeem van cyberbewaking en voorspellende methode voor het opstellen van profielen te verbeteren; is uiterst bezorgd over het feit dat China dergelijke technologieën reeds exporteert naar autoritaire regimes elders in de wereld;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, en de regering en het parlement van de Volksrepubliek China.

(1) PB C 285 E van 21.10.2010, blz. 80.
(2) PB C 199 E van 7.7.2012, blz. 185.
(3) PB C 238 van 6.7.2018, blz. 108.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0343.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0377.


Kameroen
PDF 132kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over Kameroen (2019/2691(RSP))
P8_TA-PROV(2019)0423RC-B8-0245/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van 7 maart 2019 van Antonio Panzeri, voorzitter van de Subcommissie mensenrechten, over de situatie in Kameroen,

–  gezien de verklaring van 5 maart 2019 van de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (VV/HV) over de verslechterende situatie op het gebied van politiek en veiligheid in Kameroen,

–  gezien de diverse verklaringen van de woordvoerder van de VV/HV over de situatie in Kameroen, in het bijzonder de verklaring van 31 januari 2019,

–  gezien de voorlopige verklaring van 9 oktober 2018 van de verkiezingswaarnemingsmissie van de Afrikaanse Unie die aanwezig was bij de presidentsverkiezingen in Kameroen,

–  gezien de verklaring van 11 december 2018 van deskundigen van de VN over het neerslaan van protesten,

–  gezien de verklaring van 6 maart 2019 van de Afrikaanse Commissie voor de Rechten van de Mens en de Volkeren over de mensenrechtensituatie in Kameroen,

–  gezien de Kameroense wet terrorismebestrijding van 2014,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966,

–  gezien de partnerschapsovereenkomst tussen de ACS en de EU ("Overeenkomst van Cotonou"),

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1981, dat door Kameroen is geratificeerd,

–  gezien de grondwet van de Republiek Kameroen,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Kameroen gelijktijdig geconfronteerd wordt met uitdagingen op het gebied van politiek en veiligheid, waaronder de bedreigingen door Boko Haram in de regio Hoge Noorden, grensoverschrijdende bedreigingen aan de oostgrens met de Centraal-Afrikaanse Republiek, en met een binnenlandse gewapende separatistische opstand in de Engelstalige regio's Noordwest en Zuidwest;

B.  overwegende dat in Kameroen op 7 oktober 2018 presidentsverkiezingen zijn gehouden; overwegende dat deze verkiezingen gekenmerkt werden door verdenking van fraude en de melding van onregelmatigheden; overwegende dat president Paul Biya sinds 1982 aan de macht is; overwegende dat de grondwet van Kameroen in 2008 is gewijzigd met het oog op schrapping van de beperking van de ambtstermijn;

C.  overwegende dat aanhangers en ondersteuners van de oppositiepartij "Beweging voor de renaissance van Kameroen” (Mouvement pour la Renaissance du Cameroun - MRC) onder leiding van Maurice Kamto protestdemonstraties in Douala, Yaoundé, Dshang, Bafoussam en Bafang hebben gehouden; overwegende dat de veiligheidsdiensten buitensporig geweld – onder meer traangas en rubberkogels – hebben gebruikt om de protesten neer te slaan;

D.  overwegende dat circa 200 personen, waaronder Maurice Kamto en andere oppositieleiders, in januari 2019 willekeurig zijn gearresteerd en zonder directe toegang tot rechtsbijstand zijn vastgehouden; overwegende dat deze oppositieaanhangers en hun leider beschuldigd zijn van misdrijven als opstand, vijandige handelingen tegen het vaderland, rebellie, vernieling van openbare gebouwen en goederen, minachting van de president van de Republiek, en politieke samenkomsten;

E.  overwegende dat het Hof van Beroep in de Kameroense regio Centre het vonnis in eerste aanleg heeft bekrachtigd en de vrijlating van Maurice Kamto en zes anderen heeft verworpen; overwegende dat de procedure bij het Hof van Beroep plaatsvond in afwezigheid van Maurice Kamto en zijn advocaten;

F.  overwegende dat de Kameroense autoriteiten onevenredige actie heeft genomen door bij de militaire rechtbank procedures tegen bepaalde oppositieleden in te leiden, hetgeen de politieke onrust in Kameroen heeft doen toenemen; overwegende dat de aangeklaagden bij een veroordeling de doodstraf kunnen krijgen;

G.  overwegende dat de Kameroense autoriteiten de vrijheid van meningsuiting herhaaldelijk hebben ingeperkt door de toegang tot internet te blokkeren, journalisten te belagen en te arresteren, onafhankelijke media vergunningen te weigeren en de politieke aanvallen op de onafhankelijke pers op te voeren;

H.  overwegende dat er sprake is van aanhoudende spanningen tussen de Franstalige meerderheid van Kameroen en de Engelstalige minderheid; overwegende dat in de Kameroense regio's Noordwest en Zuidwest overwegend Engels wordt gesproken en dat deze regio's andere onderwijssystemen en rechtsstelsels hebben;

I.  overwegende dat de discriminatie en relatieve verwaarlozing van de Engelstalige regio's en het opleggen van het Franse rechtsstelsel en de Franse taal aan de rechtbanken en scholen eind 2016 tot vreedzame stakingen van leraren en juristen en tot vreedzame demonstraties hebben geleid;

J.  overwegende dat het geweld sinds oktober 2018 is geëscaleerd, waarbij de veiligheidstroepen grootschalige operaties hebben uitgevoerd die dikwijls gepaard gingen met wanpraktijken en schendingen van de mensenrechten, waaronder buitengerechtelijke executies, verkrachting, geweld tegen vrouwen en kinderen, en de vernieling van eigendom;

K.  overwegende dat gewapende separatisten onder meer schoolkinderen en studenten op grote schaal ontvoeren, gerichte moorden plegen op leden van de politie, handhavingsambtenaren en lokale ambtenaren, betrokken zijn bij afpersing, wekelijks zogeheten ghost-townprotesten afdwingen, en onderwijsinstellingen en ziekenhuizen boycotten en in brand steken, waarmee duizenden jongeren de toegang tot onderwijs en de bevolking in het algemeen de toegang tot gezondheidszorg verliezen;

L.  overwegende dat naar schatting 444 000 mensen als gevolg van de crisis ontheemd zijn geraakt en 32 000 mensen naar buurland Nigeria zijn gevlucht; overwegende dat de humanitaire crisis waar Kameroen mee geconfronteerd wordt in totaal meer dan 600 000 ontheemden, circa 35 000 vluchtelingen voor conflicten in aangrenzende gebieden, en 1,9 miljoen mensen die het risico lopen op voedselonzekerheid treft;

M.  overwegende dat de regering van Kameroen in 2018 en 2019 een humanitair noodhulpprogramma in de regio's Noordwest en Zuidwest in werking heeft gesteld om in eerste instantie te zorgen voor omvattende bescherming van en hulp aan ontheemden, en om mensen die door de crisis zijn getroffen gezondheidszorg te bieden;

N.  overwegende dat gendergerelateerd geweld en de vervolging van minderheden ernstige problemen blijven; overwegende dat het Kameroense wetboek van strafrecht maximaal vijf jaar gevangenisstraf stelt op seksuele relaties tussen mensen van hetzelfde geslacht; overwegende dat de politie en 'gendarmes' (militaire politie) LGTBQI's blijft arresteren en belagen;

O.  overwegende dat Boko Haram in de regio Hoge Noorden ernstige schendingen van de mensenrechten en van het internationaal humanitair recht blijft plegen, waaronder plundering en vernieling van eigendom, en het vermoorden en ontvoeren van de burgerbevolking;

1.  betreurt de gevallen van marteling, gedwongen verdwijningen en buitengerechtelijke executies door de veiligheidsdiensten en gewapende separatisten; is met name bezorgd over de rol van de regeringstroepen in het geweld; roept de veiligheidstroepen ertoe op bij hun operaties de internationale mensenrechtennormen te eerbiedigen en verzoekt de regering onmiddellijke maatregelen te nemen om een halt toe te roepen aan het geweld en de straffeloosheid in het land;

2.  veroordeelt het gebruik van excessief geweld tegen demonstranten en politieke opponenten, alsook de schendingen van de persvrijheid, de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vergadering; betreurt ten zeerste dat Maurice Kamto en andere vreedzame demonstranten zijn gearresteerd en vastgehouden worden; dringt bij de Kameroense autoriteiten aan op de onmiddellijke vrijlating van Maurice Kamto en alle andere gedetineerden die worden vastgehouden op grond van politiek gemotiveerde aanklachten, ongeacht de vraag of zij vóór dan wel na de presidentsverkiezingen van 2018 zijn gearresteerd;

3.  verzoekt de regering van Kameroen voorts alle vormen van belaging en intimidatie van politieke activisten te staken, onder meer door het verbod op vreedzame politieke samenkomsten, demonstraties en protesten op te heffen, en maatregelen te treffen om op te kunnen treden tegen haatzaaien;

4.  herinnert eraan dat militaire rechtbanken onder geen enkele omstandigheden jurisdictie mogen hebben over de burgerbevolking; herinnert Kameroen aan zijn internationale verplichtingen om voor alle burgers het recht op een eerlijk proces voor onafhankelijke rechtbanken te waarborgen;

5.  herinnert eraan dat de doodstraf in Kameroen niet is voltrokken sinds 1997; wijst erop dat dit een mijlpaal is voor het land op weg naar volledige afschaffing van de doodstraf; herhaalt andermaal dat de Europese Unie de doodstraf volledig afkeurt en verzoekt de regering van Kameroen te bevestigen dat zij niet de doodstraf zal eisen tegen politieke activisten en demonstranten;

6.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat de regering van Kameroen haar veiligheidstroepen niet ter verantwoording roept, hetgeen het geweld en de cultuur van straffeloosheid verergert; roept op tot een onafhankelijk en transparant onderzoek naar het gebruik van geweld tegen demonstranten en politieke opponenten door de politie en door veiligheidstroepen, en verlangt dat degenen die hiervoor verantwoordelijk zijn rekenschap afleggen in eerlijke processen;

7.  verzoekt de Kameroense autoriteiten om, in overeenstemming met de verplichtingen van het land op het gebied van de mensenrechten, alle nodige maatregelen te nemen met het oog op het doorbreken van de geweldscyclus; roept met name de regering ertoe op om een inclusieve politieke dialoog te organiseren die is gericht op het zoeken naar een vreedzame en blijvende oplossing voor de crisis in de Engelstalige regio's; verzoekt de internationale gemeenschap een inclusieve, nationale, op vrede gerichte dialoog te bevorderen door aan te bieden een bemiddelende rol te spelen;

8.  betreurt het dat beide conflictpartijen niet bereid zijn vredesbesprekingen aan te gaan; dringt er bij de Afrikaanse Unie en de Economische Gemeenschap van de Centraal-Afrikaanse Staten op aan het voortouw te nemen bij de organisatie van dergelijke besprekingen en verzoekt de EU dit proces te ondersteunen; is van mening dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties zich moet beraden over de crisis in Kameroen wanneer voortgang uitblijft; roept de EU voorts op de politieke invloed die zij heeft gewonnen door ontwikkelingshulp en andere bilaterale programma's te doen gelden om de verdediging van de mensenrechten in Kameroen te versterken;

9.  roept de regering van Kameroen er nadrukkelijk toe op een echte, representatieve en levendige democratie op te bouwen; verlangt daarom dat de regering alle politieke belanghebbenden bijeenroept voor een consensuele herziening van het kiesstelsel met het oog op waarborging van een vrij, transparant en geloofwaardig verkiezingsproces; verlangt dat dit proces plaatsvindt voordat er verdere verkiezingen worden gehouden, om de vrede te bevorderen en crises na verkiezingen te vermijden; verzoekt de EU intensievere technische bijstand te bieden om Kameroen te ondersteunen bij zijn inspanningen zijn verkiezingsprocessen te versterken en democratischer vorm te geven;

10.  beklemtoont dat een levendig en onafhankelijk maatschappelijk middenveld onontbeerlijk is om de mensenrechten en de rechtsstaat te waarborgen; geeft uitdrukking aan zijn bezorgdheid dat de activiteiten van het Consortium van het Engelstalige maatschappelijk middenveld in Kameroen verboden zijn; verzoekt de regering dit verbod op te heffen en toe te zien op een open ruimte waarbinnen het maatschappelijk middenveld kan opereren;

11.  geeft uitdrukking aan zijn bezorgdheid dat de wet terrorismebestrijding van 2014 misbruikt wordt om de fundamentele vrijheden in te perken; ondersteunt de verzoeken van deskundigen van de VN om deze wet te herzien, zodat zij niet wordt gebruikt om de vrijheid van meningsuiting en het recht op vreedzame vereniging en vergadering in te perken;

12.  neemt ter kennis dat de Verenigde Staten besloten hebben de militaire hulp aan Kameroen terug te brengen vanwege geloofwaardige beschuldigingen van ernstige schendingen van de mensenrechten door veiligheidstroepen; verzoekt de Commissie de EU-steun aan de veiligheidsdiensten in dit opzicht aan een beoordeling te onderwerpen en hierover verslag uit te brengen aan het Europees Parlement; verzoekt de EU en de lidstaten erop toe te zien dat ondersteuning van het Kameroense overheidsapparaat niet bijdraagt aan schendingen van de mensenrechten of deze gemakkelijker maakt;

13.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de ACS-EU-Raad, de instellingen van de Afrikaanse Unie, en de regering en het parlement van Kameroen.


Brunei
PDF 131kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over Brunei (2019/2692(RSP))
P8_TA-PROV(2019)0424RC-B8-0242/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 3 april 2019 over de tenuitvoerlegging van het strafwetboek in Brunei Darussalam,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, inzake verdedigers van de mensenrechten en inzake de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door LHBTI-personen,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, van 1 april 2019, waarin er bij Brunei op wordt aangedrongen het "draconische" nieuwe strafwetboek niet in werking te laten treden,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat Brunei in 2015 heeft geratificeerd,

–  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien de ASEAN-mensenrechtenverklaring van 2012,

–  gezien het actieplan 2018-2022 van de ASEAN en de EU,

–  gezien de beleidsdialoog over de mensenrechten tussen de ASEAN en de EU van 29 november 2017,

–  gezien de verklaring van de adjunct-woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken van 2 april 2019 over de tenuitvoerlegging van de tweede en derde fase van het sharia-strafwetboek in Brunei,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Brunei in 2014 het sharia-strafwetboek invoerde, dat in drie fasen moest worden uitgevoerd; overwegende dat de derde fase van de tenuitvoerlegging in werking is getreden op 3 april 2019; overwegende dat in deze derde fase bepalingen van kracht worden voor onder andere dood door steniging voor wederzijds gewenste seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht, seks buiten het huwelijk en abortus, alsmede de amputatie van ledematen voor diefstal; overwegende dat het wetboek ook de doodstraf oplegt wegens belediging of belastering van de profeet Mohammed door zowel moslims als niet-moslims; overwegende dat het sharia-strafwetboek zowel van toepassing is op moslims als op niet-moslims, inclusief buitenlanders, alsmede op strafbare feiten die door burgers of permanente ingezetenen worden gepleegd in het buitenland;

B.  overwegende dat kinderen in de puberleeftijd die voor deze misdrijven zijn veroordeeld, dezelfde straffen kunnen krijgen als volwassenen; overwegende dat sommige jongere kinderen kunnen worden onderworpen aan zweepslagen;

C.  overwegende dat homoseksualiteit vóór de invoering van het sharia-strafwetboek illegaal was in Brunei en bestraft werd met tot tien jaar gevangenisstraf;

D.  overwegende dat de laatste verkiezingen in Brunei plaatsvonden in 1962; overwegende dat de sultan zowel het staatshoofd als de premier is, en het volledige uitvoerende gezag uitoefent;

E.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor foltering heeft verklaard dat elke vorm van lijfstraffen in strijd is met het verbod op foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en niet kan worden beschouwd als een wettelijke sanctie krachtens het internationaal recht; overwegende dat sommige van de in het strafwetboek vastgelegde straffen neerkomen op foltering of wrede, onmenselijke en onterende behandeling, die verboden zijn op grond van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, waarbij Brunei ondertekenende partij is sinds 2015;

F.  overwegende dat de bepalingen van het sharia-strafwetboek in strijd zijn met de verplichtingen van Brunei uit hoofde van de internationale mensenrechtenwetgeving, inclusief het recht op leven, vrijheid van foltering en andere vormen van mishandeling, vrijheid van meningsuiting en godsdienst en het recht op privacy; overwegende dat de bepalingen van dit wetboek discrimineren op grond van seksuele gerichtheid, en discriminerend zijn jegens vrouwen en minderheden in Brunei en dat zij geweld kunnen aanwakkeren;

G.  overwegende dat in het gezamenlijk programma van de VN inzake hiv/aids (UNAIDS) en het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA) is verklaard dat de bepalingen van het strafwetboek van Brunei op grond waarvan homoseksualiteit strafbaar is gesteld en vormen van reproductieve gezondheidszorg worden bestraft, een onevenredige impact hebben op vrouwen en LHBTI-personen, waardoor de toegang tot informatie en diensten op het gebied van gezondheid wordt belemmerd, de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten wordt bemoeilijkt en de volksgezondheid wordt aangetast;

H.  overwegende dat traditie, religie en cultuur in Brunei worden gebruikt om discriminatie jegens vrouwen en LGTBI-personen te rechtvaardigen; overwegende dat in het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over Brunei van 11 maart 2019 wordt gesteld dat er een diepgewortelde patriarchale houding en een diepgeworteld gebruik van discriminerende stereotypen heersen die tot uiting komen in de academische en professionele keuzes van vrouwen, in hun ongelijke positie op de arbeidsmarkt en in het huwelijk en familiebetrekkingen; overwegende dat deze stereotypen onderliggende oorzaken zijn van geweld tegen vrouwen;

I.  overwegende dat Brunei bekend staat om zijn multi-etnische bevolking met een grote verscheidenheid aan religies, waaronder de islam, het christendom, het boeddhisme, het hindoeïsme en diverse inheemse religies, die vreedzaam samenleven; overwegende dat in de grondwet van Brunei religieuze vrijheid wordt erkend en wordt voorgeschreven dat alle godsdiensten in vrede en harmonie kunnen worden beoefend door de personen die ze belijden; overwegende dat de regering ondanks de grondwet van het land bekeringsactiviteiten en onderwijs verboden heeft voor alle religies behalve de islam, en alle publieke kerstvieringen heeft verboden;

J.  overwegende dat Brunei een de-factomoratorium heeft ingesteld op de doodstraf, en dat de laatste terechtstelling plaatsvond in 1957; overwegende dat het sharia-strafwetboek, als het ten uitvoer wordt gelegd, de doodstraf weer effectief zal invoeren; overwegende dat de EU de doodstraf veroordeelt, ongeacht waar en wanneer;

K.  overwegende dat de goedkeuring van de nieuwe wetten tot internationale verontwaardiging heeft geleid, en dringt aan op een boycot van de hotels die in handen zijn van het investeringsagentschap van Brunei (BIA); overwegende dat dit agentschap deel uitmaakt van het ministerie van Financiën en Economie van Brunei en eigenaar is van een verscheidenheid aan investeringsprojecten over de hele wereld; overwegende dat het BIA heeft verklaard dat wederzijds respect en het waarderen van verschillen en diversiteit tot zijn kernwaarden behoren;

L.  overwegende dat Brunei slechts twee fundamentele internationale mensenrechtenverdragen van de VN heeft geratificeerd, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; overwegende dat de derde cyclus van de universele periodieke doorlichting van Brunei van start zal gaan op 10 mei 2019;

M.  overwegende dat de EU de onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Brunei heeft opgeschort;

1.  veroordeelt de inwerkingtreding van het reactionaire sharia-strafwetboek ten stelligste; dringt er bij de autoriteiten van Brunei op aan dit strafboek onmiddellijk in te trekken en ervoor te zorgen dat zijn wetten in overeenstemming zijn met de internationale wetgeving en normen, in overeenstemming met de verplichtingen van Brunei in het kader van de internationale mensenrechteninstrumenten, inclusief ten aanzien van seksuele minderheden, religieuze minderheden en ongelovigen;

2.  herhaalt zijn veroordeling van de doodstraf; verzoekt Brunei zijn moratorium op de doodstraf te handhaven als een stap in de richting van volledige afschaffing;

3.  veroordeelt het gebruik van foltering en wrede, onmenselijke en onmenselijke behandeling in alle omstandigheden krachtig; onderstreept dat de bepalingen van het sharia-strafwetboek een schending vormen van de verplichtingen van Brunei op grond van de internationale mensenrechtenwetgeving schenden, en dat de straffen op grond daarvan in strijd zijn met de gewoonterechtelijke internationale verbodsbepalingen inzake foltering en andere vormen van mishandeling;

4.  vindt het uiterst zorgwekkend dat, terwijl veel landen de strafrechtelijke vervolging van wederzijds gewenste handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht uit het strafrecht halen, Brunei helaas het zevende land is dat wederzijds gewenste homoseksuele handelingen bestraft met de doodstraf; verzoekt de autoriteiten van Brunei de internationale mensenrechten te eerbiedigen en homoseksualiteit niet langer strafbaar te stellen;

5.  verzoekt de autoriteiten van Brunei het beginsel van gelijkheid voor de wet van alle burgers te garanderen, alsmede de eerbiediging van de grondrechten van alle burgers zonder onderscheid van welke aard ook, waaronder gender, seksuele gerichtheid, ras of religie; maakt zich ernstig zorgen over de mogelijke toepassing van de strafwetgeving op kinderen; verzoekt Brunei in geen geval de doodstraf, foltering of gevangenisstraffen op kinderen toe te passen;

6.  verzoekt de autoriteiten van Brunei om de vrijheid van godsdienst in het sultanaat, zoals vastgelegd in zijn eigen grondwet, volledig te eerbiedigen en de publieke viering toe te staan van alle religieuze feesten, met inbegrip van Kerstmis; benadrukt dat de wetgeving op dit gebied volstrekt moet stroken met de mensenrechten;

7.  spoort de autoriteiten van Brunei ertoe aan de politieke dialoog te bevorderen met essentiële belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenorganisaties, confessionele instellingen en bedrijfsorganisaties, zowel binnen als buiten Brunei, om de mensenrechten op zijn grondgebied te bevorderen en te waarborgen; wijst op het recht om kritische of satirische meningen te uiten als legitieme uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in het internationale kader inzake de mensenrechten;

8.  dringt er bij Brunei op aan de resterende fundamentele internationale mensenrechteninstrumenten van de VN te ratificeren, inclusief het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; dringt er bij de autoriteiten van Brunei op aan een vaste uitnodiging te richten aan alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad om het land te bezoeken;

9.  dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan in het geval van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het sharia-strafwetboek te overwegen op EU-niveau beperkende maatregelen te nemen in verband met ernstige schendingen van de mensenrechten, inclusief bevriezing van tegoeden en visumverboden;

10.  verzoekt de HV/VV de heropening van de onderhandelingen over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Brunei te laten afhangen van de voorwaarde dat het strafwetboek in overeenstemming is met het internationaal recht en de internationale mensenrechtennormen;

11.  wijst op het werk van verdedigers van de mensenrechten voor de bevordering en bescherming van de rechten van LHBTI-personen; verzoekt de EU-instellingen meer steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties en verdedigers van de mensenrechten in Brunei;

12.  verzoekt de EU-delegatie voor Indonesië en Brunei Darussalam in Jakarta, de EU-delegatie voor de ASEAN en de EDEO om de situatie nauwlettend te volgen en daarover overleg te plegen met de autoriteiten, ambassadeurs en vertegenwoordigers van Brunei; verzoekt de EDEO de situatie in Brunei op te nemen op de agenda van de volgende beleidsdialoog over de mensenrechten tussen de ASEAN en de EU;

13.  spoort de lidstaten ertoe aan actief deel te nemen aan de volgende universele periodieke toetsing, die zal plaatshebben van 6 t/m 17 mei 2019 en waarbij de mensenrechtensituatie in Brunei zal worden onderzocht;

14.  benadrukt dat de EU-instellingen moeten overwegen om, zolang het huidige strafwetboek van kracht is, de hotels die in handen zijn van het investeringsagentschap van Brunei, op een zwarte lijst te plaatsen;

15.  verzoekt de EU en haar lidstaten om eerbiediging van het internationale wettelijke kader met betrekking tot de toegang tot asielprocedures en humanitaire bescherming van slachtoffers van het huidige strafwetboek van Brunei;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw, de VN-Mensenrechtenraad, het secretariaat van de ASEAN, de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN, de sultan van Brunei, Hassanal Bolkiah, en de regering van Brunei.


Overeenkomst betreffende justitiële samenwerking in strafzaken tussen Eurojust en Denemarken*
PDF 122kWORD 48k
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het ontwerp van uitvoeringsbesluit van de Raad tot goedkeuring van de sluiting door Eurojust van de Overeenkomst betreffende justitiële samenwerking in strafzaken tussen Eurojust en het Koninkrijk Denemarken (07770/2019 – C8-0152/2019 – 2019/0805(CNS))
P8_TA-PROV(2019)0425A8-0192/2019

(Raadpleging)

Het Europees Parlement,

–  gezien het ontwerp van de Raad (07770/2019),

–  gezien artikel 39, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals gewijzigd bij het Verdrag van Amsterdam, en artikel 9 van Protocol (nr. 36) betreffende de overgangsbepalingen, op grond waarvan het Parlement door de Raad is geraadpleegd (C8-0152/2019),

–  gezien Besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken(1), en met name artikel 26 bis, lid 2,

–  gezien artikel 78 quater van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (A8-0192/2019),

1.  hecht zijn goedkeuring aan het ontwerp van de Raad;

2.  verzoekt de Raad, wanneer deze voornemens is af te wijken van de door het Parlement goedgekeurde tekst, het Parlement hiervan op de hoogte te stellen;

3.  wenst opnieuw te worden geraadpleegd ingeval de Raad voornemens is ingrijpende wijzigingen aan te brengen in de door het Parlement goedgekeurde tekst;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

(1) PB L 63 van 6.3.2002, blz. 1.


CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ***I
PDF 427kWORD 165k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (COM(2018)0284 – C8-0197/2018 – 2018/0143(COD))
P8_TA-PROV(2019)0426A8-0354/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0284),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0197/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  na raadpleging van het Comité van de Regio's,

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 22 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8‑0354/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad

P8_TC1-COD(2018)0143


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  De Overeenkomst van Parijs bevat, onder meer, een streefcijfer op lange termijn dat strookt met de doelstelling om de gemiddelde wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus te houden en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C boven die niveaus. In de meest recente wetenschappelijke bevindingen, gerapporteerd door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering (IPCC) in haar speciaal verslag over de effecten van de opwarming van de aarde met 1,5 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus en de daarmee verband houdende mondiale broeikasgasemissietrajecten, worden de negatieve gevolgen van de klimaatverandering op ondubbelzinnige wijze bevestigd. De conclusie van dat speciaal verslag luidt dat emissiereducties in alle sectoren van cruciaal belang zijn om de opwarming van de aarde te beperken.

(2)   Om bij te dragen aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs moet in de volledige vervoersector versneld een transformatie plaatsvinden in de richting van nul emissies, in overeenstemming met de mededeling van de Commissie van 28 november 2018 getiteld "Een schone planeet voor iedereen – Een Europese strategische langetermijnvisie voor een bloeiende, moderne, concurrerende en klimaatneutrale economie", waarin een visie wordt geschetst op de vereiste economische en maatschappelijke veranderingen, waarbij alle sectoren van de economie en de samenleving worden betrokken, teneinde de transitie naar broeikasgasneutraliteit in 2050 te verwezenlijken. Tevens moet de uitstoot door het vervoer van voor de gezondheid en het milieu bijzonder schadelijke luchtverontreinigende stoffen onverwijld drastisch worden verlaagd.

(3)  ▌De Commissie heeft op 31 mei 2017 mobiliteitspakketten ("Europa in beweging: Agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen"), en op 8 november 2017 ("Invulling geven aan emissiearme mobiliteit — Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt") goedgekeurd. Deze pakketten omvatten een positieve agenda die eveneens moet zorgen voor een vlotte transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen.

(4)  Deze verordening maakt deel uit van het derde mobiliteitspakket van de Commissie van 17 mei 2018, getiteld "Europa in beweging - Duurzame mobiliteit voor Europa: veilig, geconnecteerd en schoon", dat een vervolg is op de mededeling van de Commissie van 13 september 2017 getiteld "Investeren in een slimme, innovatieve en duurzame industrie - Een hernieuwde strategie voor het industriebeleid van de EU". Deze verordening is tevens ontworpen om het proces dat de Unie in staat moet stellen ten volle profijt te trekken van de modernisering en het koolstofvrij maken van mobiliteit, af te ronden. Met dit derde mobiliteitspakket wordt beoogd de Europese mobiliteit veiliger en toegankelijker, de Europese industrie concurrerender, Europese banen zekerder, en het mobiliteitssysteem schoner en beter aangepast te maken om het probleem van de klimaatverandering aan te pakken. Dit vergt de volledige inzet van de Unie, de lidstaten en belanghebbenden, vooral voor het opvoeren van de inspanningen om de emissies van kooldioxide (CO2) en luchtverontreiniging te verminderen.

(5)  Deze verordening biedt, samen met Verordening (EU)2019/… van het Europees Parlement en de Raad (5)(6), een duidelijk traject voor CO2-emissiereducties van de wegvervoersector en draagt bij tot de verwezenlijking van de bindende doelstelling om de broeikasgasemissies in de gehele economie van de Unie tegen 2030 met ten minste 40 % te verminderen ten opzichte van 1990, zoals onderschreven in de conclusies van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 en ▌ door de Raad op 6 maart 2015 goedgekeurd als de voorgenomen nationaal vastgestelde bijdrage van de Unie krachtens de Overeenkomst van Parijs.

(6)  De Europese Raad schaarde zich in zijn conclusies van 23-24 oktober 2014 achter een broeikasgasemissiereductie tegen 2030 van 30 % ten opzichte van 2005 voor de sectoren die geen deel uitmaken van het emissiehandelssysteem van de Unie. De broeikasgasemissies van de wegvervoersector vormen een groot deel van de totale emissies van die sectoren. De wegvervoersector was goed voor bijna een kwart van de totale emissies van de Unie in 2016. Emissies van het wegvervoer vertonen een stijgende lijn en liggen nog steeds ver boven de niveaus van 1990. Als de emissies van de wegvervoersector verder toenemen, zullen de emissieverminderingen van andere sectoren om de klimaatverandering tegen te gaan, ongedaan worden gemaakt.

(7)  In de conclusies van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 werd onderstreept dat het belangrijk is de emissies van broeikasgassen en de risico's van afhankelijkheid van fossiele brandstoffen in de vervoersector te verlagen via een brede, technologieneutrale aanpak ter bevordering van emissiereductie en energie-efficiëntie in de vervoersector, van elektrisch vervoer en van hernieuwbare energiebronnen in de vervoersector, ook na 2020.

(8)  Teneinde consumenten in de Unie betrouwbare, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te bieden, is de bijdrage van energie-efficiëntie aan de matiging van de energievraag een van de vijf, elkaar wederzijds versterkende en nauw met elkaar samenhangende dimensies die worden genoemd in de mededeling van de Commissie van 25 februari 2015 getiteld "Een kaderstrategie voor een schokbestendige energie-unie met een toekomstgericht beleid inzake klimaatverandering". In die mededeling is vermeld dat hoewel alle economische sectoren maatregelen moeten nemen om de efficiëntie van hun energieverbruik te verhogen, de vervoersector een zeer groot energie-efficiëntiepotentieel heeft.

(9)  De CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen, waaronder vrachtauto's, bussen en touringcars, bedragen ongeveer 6 % van alle CO2-emissies in de Unie en ongeveer 25 % van alle CO2-emissies van het wegvervoer. Zonder verdere maatregelen, zal het aandeel van de CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen tussen 2010 en 2030 naar verwachting met ongeveer 9 % stijgen. Momenteel zijn in het recht van de Unie nog geen CO2-emissiereductievereisten voor zware bedrijfsvoertuigen vastgesteld, en daarom zijn er voor dergelijke voertuigen dringend specifieke maatregelen nodig.

(10)  Derhalve moeten voor 2025 en 2030 CO2-emissiereductieniveaus voor het gehele wagenpark van de Unie van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen worden vastgesteld, gelet op de vervangingstijd van het wagenpark en de noodzaak dat de vervoersector bijdraagt tot de klimaat- en energiedoelstellingen van de Unie voor 2030 en daarna. Een dergelijke stapsgewijze benadering geeft de sector ook een duidelijk en vroegtijdig signaal dat de invoering op de markt van energie-efficiënte technologieën en emissiearme en emissievrije zware bedrijfsvoertuigen moet worden versneld. De inzet van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen moet eveneens bijdragen aan de aanpak van stedelijke mobiliteitsproblemen. De keuze van fabrikanten voor zware bedrijfsvoertuigen is niet alleen essentieel om de CO2-uitstoot van het wegvervoer te verminderen, maar ook belangrijk voor de doeltreffende vermindering van luchtverontreinigende stoffen en excessieve geluidsniveaus in steden en stedelijke gebieden.

(11)  Om ervoor te zorgen dat het energie-efficiëntiepotentieel ten volle wordt benut en dat de wegvervoersector als geheel bijdraagt tot de overeengekomen broeikasgasemissiereducties, is het passend de reeds bestaande CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en lichte bedrijfsvoertuigen aan te vullen door CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen vast te stellen. Deze prestatienormen zullen een drijvende kracht zijn voor innovatie in brandstofefficiënte technologieën, waarmee de technologische voortrekkersrol van de fabrikanten en leveranciers van de Unie wordt versterkt, en op lange termijn hooggeschoolde banen worden geschapen.

(12)  Aangezien klimaatverandering een grensoverschrijdend probleem is, en vanwege de noodzaak een goed functionerende eengemaakte markt voor wegvervoersdiensten en zware bedrijfsvoertuigen te waarborgen en tegelijkertijd marktversnippering te vermijden, is het passend op het niveau van de Unie CO2-emissienormen voor zware bedrijfsvoertuigen vast te stellen. Die prestatienormen moeten het mededingingsrecht van de Unie onverlet laten.

(13)  Bij het vaststellen van de door het wagenpark van zware bedrijfsvoertuigen van de Unie te bereiken CO2-emissiereductieniveaus moet rekening worden gehouden met de mate waarin die reductieniveaus doeltreffend zijn om een kostenefficiënte bijdrage te leveren aan de vermindering tegen 2030 van de CO2-emissies van sectoren die onder Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad(7) vallen, met de daaruit voortvloeiende kosten en besparingen voor de samenleving, fabrikanten, vervoerondernemers en consumenten, alsook met de directe en indirecte gevolgen voor de werkgelegenheid, innovatie en de bijkomende voordelen wat betreft verminderde luchtverontreiniging en verbeterde energiezekerheid.

(14)  Een maatschappelijk aanvaardbare en rechtvaardige transitie naar emissievrije mobiliteit moet worden gewaarborgd. Daarom is het van belang rekening te houden met de sociale effecten van de transitie in de hele waardeketen van de automobielsector en proactief in te spelen op de gevolgen voor de werkgelegenheid. Om die reden moet worden overwogen gerichte programma's op niveau van de Unie, op nationaal en op regionaal niveau tot stand te brengen voor de omscholing, de bijscholing en het opnieuw inzetten van werknemers, alsook onderwijs en initiatieven voor werkzoekenden in getroffen gemeenschappen en regio's, die worden uitgevoerd in nauwe samenspraak met de sociale partners en de bevoegde instanties. Deze transitie moet gepaard gaan met een hogere arbeidsparticipatie van vrouwen en de bevordering van gelijke kansen in deze sector.

(15)  Een geslaagde transitie naar emissievrije mobiliteit vereist een geïntegreerde benadering en het juiste gunstige klimaat om innovatie te stimuleren en het technologisch leiderschap van de Unie in de wegvervoersector te behouden. Hiervoor zijn onder meer openbare en particuliere investeringen in onderzoek en innovatie nodig, een toenemend aanbod van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen, de uitrol van oplaad- en tankinfrastructuur, de integratie in de energiesystemen, alsook de duurzame toelevering van materialen voor en duurzame productie, hergebruik en recycling van batterijen in Europa. Dit vereist coherente maatregelen op Unie-, nationaal, regionaal en lokaal niveau, onder meer door middel van stimulansen om het gebruik van emissiearme en emissievrije zware bedrijfsvoertuigen te ondersteunen.

(16)  In het kader van de uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad(8) is een nieuwe procedure ingevoerd voor het bepalen van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van individuele zware bedrijfsvoertuigen. Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie(9) bevat een op de VECTO-tool gebaseerde methode waarmee de CO2-emissies en het brandstofverbruik van volledige zware bedrijfsvoertuigen kunnen worden gesimuleerd. Deze methode maakt het mogelijk rekening te houden met de diversiteit van de sector zware bedrijfsvoertuigen en de hoge mate van aanpassing van individuele zware bedrijfsvoertuigen. In eerste instantie worden vanaf 1 juli 2019 de CO2-emissies bepaald voor vier groepen zware bedrijfsvoertuigen die ongeveer 65 tot 70 % van alle CO2-emissies van het wagenpark van zware bedrijfsvoertuigen van de Unie voor hun rekening nemen.

(17)  In het licht van innovatie en teneinde rekening te houden met de toepassing van nieuwe technologieën die de brandstofefficiëntie van zware bedrijfsvoertuigen verbeteren, zullen de simulatietool VECTO en Verordening (EU) 2017/2400 voortdurend en tijdig worden geactualiseerd.

(18)  Op grond van Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad(10) moet monitoring plaatsvinden van de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde gegevens betreffende CO2-emissies. Die gegevens moeten de basis vormen voor het bepalen van de CO2-emissiereductiedoelstellingen voor de vier groepen zware bedrijfsvoertuigen met de meeste uitstoot in de Unie, alsook voor het bepalen van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant in een bepaalde rapporteringsperiode.

(19)  Voor 2025 moet een CO2-emissiereductiedoelstelling worden vastgesteld als een relatieve vermindering ten opzichte van de gemiddelde CO2-emissies van die zware bedrijfsvoertuigen die tijdens de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 nieuw zijn ingeschreven; deze vermindering moet de toepassing van direct beschikbare kostenefficiënte technologieën voor conventionele voertuigen weerspiegelen. Voor de periode na 2030 moet eveneens een CO2-emissiereductiedoelstelling worden vastgesteld. Die doelstelling moet gelden tenzij op basis van de in 2022 uit te voeren beoordeling anders wordt besloten ▌. De doelstelling voor 2030 moet worden beoordeeld in overeenstemming met de verplichtingen van de Europese Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs.

(20)  Om de robuustheid van de referentiewaarden van CO2-emissies te waarborgen tegen het verhogen van CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen door middel van ongeoorloofde procedurele middelen, hetgeen niet representatief zou zijn voor een situatie waarin CO2-emissies reeds zijn gereguleerd, is het passend te voorzien in een methodologie om de referentiewaarden van de CO2-emissies indien nodig te corrigeren.

(21)  Vloeibaar aardgas (liquified natural gas, lng) is als alternatieve brandstof voor diesel beschikbaar voor zware bedrijfsvoertuigen. De toepassing van de huidige en meer innovatieve toekomstige op lng gebaseerde technologieën, zal bijdragen tot het verwezenlijken van de CO2-emissiereductiedoelstellingen op de korte en de middellange termijn, aangezien het gebruik van lng-technologieën leidt tot lagere CO2-emissies in vergelijking met dieselvoertuigen. Het CO2-emissiereductiepotentieel van lng-voertuigen komt reeds volledig tot uitdrukking in VECTO. De huidige lng-technologieën zorgen ook voor een laag niveau van luchtverontreinigende emissies zoals stikstofoxiden en fijn stof. Er is tevens een adequate minimale tankinfrastructuur opgezet die verder wordt uitgerold als onderdeel van nationale beleidskaders voor de infrastructuur voor alternatieve brandstoffen.

(22)  Bij de berekening van de referentiewaarden van CO2-emissies ▌op basis waarvan de specifieke CO2-emissiedoelstellingen voor 2025 en 2030 worden bepaald, moet rekening worden gehouden met het verwachte CO2-emissiereductiepotentieel van het wagenpark van zware bedrijfsvoertuigen ▌. Het is derhalve passend werkvoertuigen zoals vuilniswagens of voor bouwactiviteiten gebruikte vrachtauto's niet in die berekening op te nemen. Die voertuigen leggen relatief kleine afstanden af en wegens hun specifieke rijpatroon lijken technische maatregelen voor de vermindering van CO2-emissies en brandstofverbruik voor deze voertuigen minder kostenefficiënt dan voor zware bedrijfsvoertuigen die gebruikt worden voor de levering van goederen.

(23)  De CO2-emissiereductievereisten moeten in gram CO2 per tonkilometer worden uitgedrukt om rekening te houden met de gebruikswaarde van de zware bedrijfsvoertuigen.

(24)  Er moet worden gezorgd voor een eerlijke verdeling van de totale CO2-emissiereductievereisten onder de fabrikanten, waarbij rekening wordt gehouden met de diversiteit van zware bedrijfsvoertuigen wat betreft hun ontwerp en rijpatroon, jaarlijks afgelegde afstand, belasting en configuratie van de aanhangwagen. Het is derhalve passend de zware bedrijfsvoertuigen te onderscheiden naar de verschillende en aparte subgroepen voertuigen die het typische gebruikspatroon en de specifieke technische kenmerken van de voertuigen weerspiegelen. Door jaarlijkse fabrikantspecifieke CO2-emissiedoelstellingen vast te stellen als een gewogen gemiddelde van de voor elke subgroep voertuigen bepaalde doelstellingen, krijgen de fabrikanten ook de middelen om een mogelijk mindere prestatie van voertuigen in bepaalde subgroepen voertuigen doeltreffend te compenseren met een betere prestatie in andere subgroepen voertuigen, rekening houdend met de gemiddelde CO2-emissies van voertuigen gedurende hun levensduur in de verschillende subgroepen voertuigen.

(25)  Op basis van de gemiddelde CO2-emissies van een fabrikant moet worden beoordeeld of hij zijn jaarlijkse specifieke CO2-emissiedoelstellingen naleeft. Bij de bepaling van de gemiddelde specifieke CO2-emissies moet tevens rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken die in de verschillende subgroepen voertuigen tot uitdrukking komen. Bijgevolg moeten de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant worden gebaseerd op de voor elke subgroep voertuigen bepaalde gemiddelde CO2-emissies, gewogen op basis van de veronderstelde gemiddelde jaarlijks afgelegde afstand en gemiddelde belasting, die de totale CO2-emissies gedurende de levensduur weerspiegelen. Wegens het beperkte CO2-emissiereductiepotentieel van werkvoertuigen worden die voertuigen niet in aanmerking genomen voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies.

(26)  Met het oog op de soepele overgang naar emissievrije mobiliteit en om te voorzien in stimulansen voor de ontwikkeling en inzet op de markt van de Unie van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen die een aanvulling vormen op instrumenten die gericht zijn op de vraagzijde, zoals Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad(11), moet een specifiek mechanisme in de vorm van superkredieten worden ingevoerd voor de rapporteringsperiode vóór 2025 en moet een benchmark worden vastgesteld voor het aandeel van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in het wagenpark van fabrikanten voor de rapporteringsperiode vanaf 2025.

(27)  Het stimuleringsmechanisme moet worden ontworpen om investeringszekerheid te waarborgen voor aanbieders en fabrikanten van laadinfrastructuur teneinde de snelle inzet van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen op de markt van de Unie te bevorderen, terwijl wordt voorzien in enige mate van flexibiliteit voor de fabrikanten om over hun investeringstermijn te beslissen.

(28)  Voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant moeten, in de rapporteringsperiode voor 2025, alle emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigenmeerdere keren worden geteld. Voor de rapporteringsperiode vanaf 2025 moet voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissiedoelstelling voor een fabrikant zijn prestatie ten opzichte van de benchmark voor emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in aanmerking worden genomen. De hoogte van de stimulansen moet afhankelijk zijn van de feitelijke CO2-emissies van het voertuig. Om te voorkomen dat de milieudoelstellingen hierdoor worden afgezwakt moet voor de daaruit voortvloeiende CO2-emissiereductie een maximumwaarde gelden.

(29)  De stimulansen voor emissiearme zware bedrijfsvoertuigen mogen uitsluitend worden toegepast als de CO2-emissies ervan lager zijn dan ▌de helft van de gemiddelde referentiewaarde van de CO2-emissies van alle voertuigen in de subgroep voertuigen waartoe het zware bedrijfsvoertuig behoort. Dit ▌zou innovatie op dit gebied stimuleren.

(30)  Ook kleine vrachtauto's ▌die niet aan de CO2-emissiereductiedoelstellingen van deze verordening hoeven te voldoen, moeten bij het ontwerpen van het stimuleringsmechanisme voor de inzet van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen worden meegenomen. Deze voertuigen dragen ook aanzienlijk bij tot de aanpak van luchtverontreinigingsproblemen in de steden. ▌Om ervoor te zorgen dat de stimulansen evenwichtig over de verschillende soorten voertuigen worden verdeeld, moet er derhalve ook een maximumwaarde gelden voor de reductie van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant die wordt behaald met emissievrije kleine vrachtauto's ▌.

(31)  Om een kostenefficiënte toepassing van de CO2-emissiereductievoorschriften te bevorderen, en tegelijkertijd rekening te houden met schommelingen in de samenstelling van het wagenpark van zware bedrijfsvoertuigen en de CO2-emissies over de jaren heen, moeten fabrikanten hun overtreffingen van hun specifieke CO2-emissiedoelstelling in een bepaald jaar kunnen gebruiken om ondermaatse prestaties in een ander jaar te compenseren.

(32)  Om vroegtijdige CO2-emissiereducties te stimuleren, moet een fabrikant wiens gemiddelde specifieke CO2-emissies onder het CO2-emissiereductietraject liggen dat bepaald wordt door de referentiewaarden van de CO2-emissies ▌en de CO2-emissiedoelstelling voor 2025, die emissiekredieten kunnen opsparen om aan de doelstelling voor 2025 te voldoen. Een fabrikant wiens gemiddelde specifieke CO2-emissies onder het CO2-emissiereductietraject tussen de doelstelling voor 2025 en de doelstelling voor de periode na 2030 liggen, moet die emissiekredieten kunnen opsparen om aan de CO2-emissiedoelstellingen van 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2030 te kunnen voldoen.

(33)  Indien de fabrikant zijn specifieke CO2-emissiedoelstelling in een gegeven rapporteringsperiode van 12 maanden vanaf 1 juli 2025 tot en met 30 juni 2030 niet naleeft, moet hij ook de mogelijkheid krijgen een beperkte emissieschuld te verwerven. Uiterlijk in de rapporteringsperiode van het jaar 2029 dat eindigt op 30 juni 2030 moeten de fabrikanten echter de resterende emissieschuld hebben weggewerkt.

(34)  Emissiekredieten en emissieschulden mogen uitsluitend in aanmerking worden genomen om te bepalen of de fabrikant zijn specifieke CO2-emissiedoelstelling heeft nageleefd en mogen niet als overdraagbare of aan fiscale maatregelen onderhevige activa worden beschouwd.

(35)  Wanneer blijkt dat een fabrikant, rekening houdend met de emissiekredieten en emissieschulden, overtollige CO2-emissies heeft, moet de Commissie een boete opleggen in de vorm van een bijdrage voor overtollige CO2-emissies. Informatie over overtollige CO2-emissies van fabrikanten moeten openbaar beschikbaar zijn. Om de fabrikanten voldoende te stimuleren om maatregelen te nemen om de specifieke CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen te verlagen, is het van belang dat de bijdrage hoger is dan de gemiddelde marginale kosten van de technologieën die nodig zijn om aan de CO2-emissiedoelstellingen te voldoen. De methode voor het verzamelen van de bijdragen moet door middel van een uitvoeringshandeling worden vastgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met de krachtens Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad(12) vastgestelde methode. De bijdrage moet worden beschouwd als een ontvangst voor de algemene begroting van de Europese Unie. Als onderdeel van de uit hoofde van Verordening (EU) 2019/…(13) uit te voeren evaluatie moet de Commissie nagaan of het mogelijk is deze bedragen toe te wijzen aan een specifiek fonds of een relevant programma dat erop gericht is een rechtvaardige transitie naar emissievrije mobiliteit te waarborgen en de omscholing, bijscholing en opleiding in andere vaardigheden van werknemers in de automobielsector te ondersteunen.

(36)  Om te garanderen dat aan de CO2-doelstellingen van deze verordening worden voldaan, is een degelijk nalevingsmechanisme noodzakelijk. De krachtens Verordening (EU) 2018/956 op de fabrikanten rustende verplichting om nauwkeurige gegevens te verstrekken en de administratieve boetes die kunnen worden opgelegd als de verplichting niet wordt nageleefd, dragen bij tot het waarborgen van de robuustheid van de gegevens die voor de naleving van de doelstellingen in het kader van deze verordening worden gebruikt.

(37)  Voor het behalen van de CO2-emissiereducties krachtens deze verordening moeten de CO2-emissies van de in gebruik zijnde zware bedrijfsvoertuigen in overeenstemming zijn met de krachtens Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen van die verordening vastgestelde bepaalde waarden. Daarom moet de Commissie bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant rekening kunnen houden met door typegoedkeuringsinstanties geconstateerde systematische non-conformiteit met betrekking tot de CO2-emissies van in gebruik zijnde zware bedrijfsvoertuigen.

(38)  Om dergelijke maatregelen te kunnen nemen moet de Commissie de bevoegdheid worden verleend een procedure op te stellen en ten uitvoer te leggen om te controleren of de CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen tijdens het gebruik ervan, als bepaald overeenkomstig Verordening (EG) 595/2009 en de uitvoeringsbepalingen ervan, overeenstemmen met de CO2-emissiewaarden als geregistreerd op de conformiteitscertificaten, de individuele typegoedkeuringscertificaten of de klanteninformatiedossiers. Bij de ontwikkeling van die procedure moet bijzondere aandacht worden geschonken aan het vaststellen van methoden, met inbegrip van het gebruik van gegevens van boordapparatuur voor het monitoren van het brandstof- en/of energieverbruik, om strategieën op het spoor te komen die ervoor zorgen dat de CO2-prestaties van een voertuig kunstmatig worden verbeterd in de certificeringsprocedure. Indien er bij deze controles afwijkingen of strategieën worden gevonden die ervoor zorgen dat de CO2-prestaties van een voertuig kunstmatig worden verbeterd, moet dit voldoende grond vormen om te vermoeden dat er sprake is van een ernstig risico van niet-naleving van de in Verordening (EG) nr. 595/2009 en Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad(14) vastgestelde voorschriften, en de lidstaten moeten op basis daarvan de nodige maatregelen nemen uit hoofde van hoofdstuk XI van Verordening (EU) 2018/858.

(39)  De doeltreffendheid van de in deze verordening vastgestelde CO2-emissiedoelstellingen is sterk afhankelijk van de werkelijke representativiteit van de voor het bepalen van de CO2‑emissies gebruikte methode. Overeenkomstig het advies uit 2016 van het mechanisme voor wetenschappelijk advies (SAM) voor lichte bedrijfsvoertuigen, en de aanbeveling van het Europees Parlement naar aanleiding van zijn onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector, is het ook in het geval van zware bedrijfsvoertuigen passend een mechanisme in te stellen om te beoordelen of de krachtens Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde waarden voor de CO2-emissie en het energieverbruik representatief zijn voor de werkelijkheid. De meest betrouwbare manier om te waarborgen dat deze waarden representatief zijn voor de werkelijkheid is gebruik te maken van gegevens van boordapparatuur voor het monitoren van het brandstof- en/of energieverbruik. De Commissie moet daarom de bevoegdheid krijgen de nodige procedures te ontwikkelen om de gegevens over brandstof- en energieverbruik die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van dergelijke beoordelingen te verzamelen en te verwerken en ervoor te zorgen dat deze gegevens publiek beschikbaar zijn, met inachtneming van de bescherming van eventuele persoonsgegevens.

(40)  De Commissie moet beoordelen hoe gegevens in verband met het brandstof- en energieverbruik kunnen helpen waarborgen dat de CO2-emissies van een voertuig die worden bepaald met het VECTO-instrument overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsbepalingen ervan, representatief blijven voor de werkelijke CO2-emissies in de loop van de tijd voor alle fabrikanten, en meer bepaald hoe deze gegevens kunnen worden gebruikt om toezicht te houden op de kloof tussen de door het VECTO-instrument bepaalde CO2-emissiewaarden en de werkelijke CO2-emissies en om indien nodig te voorkomen dat deze kloof groter wordt.

(41)  De Commissie moet in 2022 een beoordeling verrichten van de doeltreffendheid van de bij deze verordening vastgestelde CO2-emissienormen, en met name het niveau van de in 2030 te behalen CO2-emissiereductiedoelstelling, de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om die doelstelling te verwezenlijken en te overtreffen, alsook de vaststelling van CO2-emissiereductiedoelstellingen voor andere soorten zware bedrijfsvoertuigen, zoals kleinere vrachtauto's, werkvoertuigen, bussen, touringcars en aanhangwagens. In die evaluatie moet ook, uitsluitend voor de toepassing van deze verordening, aandacht worden besteed aan zware bedrijfsvoertuigen en voertuigcombinaties, rekening houdend met het gewicht en de afmetingen die voor nationaal vervoer gelden, zoals modulaire en intermodale concepten, en moeten tevens eventuele aspecten met betrekking tot de veiligheid en efficiëntie van het vervoer, evenals intermodale, milieu-, infrastructuur- en rebound-effecten alsook de geografische ligging van lidstaten worden beoordeeld.

(42)  Het is van belang de CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen gedurende de volledige levenscyclus op Unieniveau te beoordelen. Met het oog hierop moet de Commissie uiterlijk in 2023 evalueren of het mogelijk is een gemeenschappelijke methode van de Unie te ontwikkelen voor de beoordeling en consistente gegevensrapportering met betrekking tot de CO2-emissies gedurende de volledige levenscyclus van zware bedrijfsvoertuigen die in de Unie in de handel zijn gebracht. De Commissie moet follow-upmaatregelen nemen, met inbegrip van wetgevingsvoorstellen in voorkomend geval.

(43)  Om ervoor te zorgen dat de specifieke CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen representatief en volledig geactualiseerd blijven, moeten wijzigingen van Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsbepalingen ervan die voor die specifieke CO2-emissies gevolgen hebben, in deze verordening tot uiting komen. Daartoe moet de Commissie de bevoegdheid krijgen een methode vast te stellen voor het bepalen van een representatief zwaar bedrijfsvoertuig voor elke subgroep voertuigen, op basis waarvan wijzigingen van de specifieke CO2-emissies moeten worden beoordeeld.

(44)  Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten inzake de publicatie van een lijst van bepaalde gegevens en de prestatie van de fabrikant uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend.

(45)  Teneinde eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend inzake: de identificatie van voertuigen die als werkvoertuigen zijn gecertificeerd en het aanbrengen van correcties in de jaarlijkse gemiddelde specifieke CO2 -emissies van fabrikanten; de methode voor het innen van de bijdragen voor overtollige CO2 - CO2 -emissies; het melden van afwijkingen in CO2 -emissiewaarden en daarmee rekening houden bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies; het beoordelen van de toepassing van de voorwaarden waaronder de referentiewaarden van de CO2-emissies zijn vastgesteld en de criteria om te bepalen of deze emissies op oneigenlijke wijze zijn verhoogd en, indien dit het geval is, op welke manier zij moeten worden gecorrigeerd; het verzekeren dat bepaalde parameters voor de werkelijke CO2‑emissies en het werkelijk energieverbruik van zware bedrijfsvoertuigen ter beschikking van de Commissie staan; het verifiëren dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden die zijn opgenomen in de klanteninformatiedossiers overeenstemmen met de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen tijdens het gebruik en of er sprake is van eventuele strategieën die de prestaties van het voertuig op kunstmatige wijze verbeteren in de uitgevoerde tests of gemaakte berekeningen; en het bepalen van een of meer representatieve voertuigen van een subgroep voertuigen op basis waarvan een aanpassingsfactor voor belasting moet worden bepaald. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend inzake het bepalen van bepaalde aspecten van de milieuprestaties van voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4. De in deze overweging bedoelde bevoegdheden dienen te worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(15).

(46)  Teneinde niet-essentiële onderdelen van deze verordening te wijzigen of aan te vullen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van de aanpassing van de referentiewaarden van de CO2-emissies, ten aanzien van de vaststelling van de leidende beginselen en criteria om de procedures te omschrijven om de CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen tijdens het gebruik te verifiëren en ten aanzien van de wijziging van de bijlagen bij deze verordening wat bepaalde technische parameters betreft, met inbegrip van de weegfactoren van de missieprofielen, de belastingwaarden, de jaarlijks afgelegde afstanden en de aanpassingsfactoren voor de belasting. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(16). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(47)  Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het vaststellen van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken,

(48)  Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 en Richtlijn 96/53/EG(17) van de Raad moeten derhalve ook gewijzigd worden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en doel

Om bij te dragen tot het verwezenlijken van de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2030 haar broeikasgasemissies in de in artikel 2 van Verordening (EU) 2018/842 bedoelde sectoren met 30 % te verminderen ten opzichte van het niveau van 2005 en tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs , en om een goede werking van de interne markt te waarborgen, worden bij deze verordening CO2‑emissieprestatievoorschriften voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen vastgesteld, waardoor de specifieke CO2‑emissies van het wagenpark van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de Unie in vergelijking met de referentiewaarden van de CO2‑emissies als volgt worden verminderd:

a)  voor de rapporteringsperioden vanaf het jaar 2025 met 15 %;

b)  voor rapporteringsperioden vanaf het jaar 2030 met ▌30 %, tenzij anders wordt besloten op grond van de in artikel 15 voorziene evaluatie.

De referentiewaarden van de CO2-emissies worden gebaseerd op de op grond van Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde monitoringgegevens ▌voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020, ("de referentieperiode"), met uitzondering van werkvoertuigen, en worden berekend overeenkomstig punt 3 van bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.  Deze verordening is van toepassing op nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de categorieën N2 en N3 met de onderstaande kenmerken:

a)  niet-gelede vrachtwagens met een asconfiguratie van 4x2 en een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 16 ton;

b)  niet-gelede vrachtwagens met een asconfiguratie van 6x2;

c)  trekkers met een asconfiguratie van 4x2 en een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 16 ton; en

d)  trekkers met een asconfiguratie van 6x2.

Deze verordening is, voor de toepassing van Artikel 5 van, en punt 2.3 van bijlage Ibij, deze verordening, tevens van toepassing ▌op nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van categorie N die niet binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad(18) vallen en die niet de onder a) tot en met d) van de eerste alinea beschreven kenmerken hebben.

De in de eerste en tweede alinea's van dit lid vermelde voertuigcategorieën verwijzen naar de voertuigcategorieën zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad(19).

2.  De in lid 1 bedoelde voertuigen worden voor de toepassing van deze verordening beschouwd als nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in een bepaalde periode van twaalf maanden met ingang van 1 juli indien zij in die periode voor het eerst in de Unie worden geregistreerd en niet eerder buiten de Unie geregistreerd zijn.

Als een voertuig, alvorens in de Unie te worden geregistreerd, minder dan drie maanden daarvoor buiten de Unie is geregistreerd, wordt met deze eerdere registratie geen rekening gehouden.

3.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een specifieke procedure vast aan de hand waarvan kan worden bepaald welke zware bedrijfsvoertuigen die op grond van Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan als werkvoertuigen zijn gecertificeerd, echter niet als dusdanig zijn geregistreerd, en brengt correcties aan in de jaarlijkse gemiddelde specifieke CO2 -emissies van fabrikanten teneinde met die voertuigen rekening te houden, met ingang van de rapporteringsperiode van het jaar 2021 en voor elke daaropvolgende rapporteringsperiode. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "referentiewaarden van de CO2-emissies": het overeenkomstig punt 3 van bijlage I bepaalde gemiddelde van de specifieke CO2-emissies in de tweede alinea van artikel 1 genoemde referentieperiode van alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in elke subgroep voertuigen, met uitzondering van werkvoertuigen;

2)  "specifieke CO2-emissie": de overeenkomstig punt 2.1 van bijlage I bepaalde CO2-emissies van een individueel zwaar bedrijfsvoertuig;

3)  "rapporteringsperiode van jaar Y": de periode van 1 juli van jaar Y tot en met 30 juni van jaar Y + 1;

4)  "gemiddelde specifieke CO2-emissies": het overeenkomstig punt 2.7 van bijlage I bepaalde gemiddelde van de specifieke CO2-emissies van de nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van een fabrikant in een bepaalde rapporteringsperiode;

5)  "specifieke CO2-emissiedoelstelling": de CO2-emissiedoelstelling van een individuele fabrikant die ieder jaar overeenkomstig punt 4 van bijlage I voor de voorgaande rapporteringsperiode wordt vastgesteld, uitgedrukt in g/tkm;

6)  "niet-gelede vrachtwagen": een vrachtauto die niet is ontworpen of gebouwd voor het trekken van een oplegger;

7)  "trekker": een trekker die uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd om opleggers te trekken;

8)  "subgroep voertuigen": een overeenkomstig punt 1 van bijlage I gedefinieerde groep voertuigen, die wordt gekenmerkt door een reeks gemeenschappelijke en onderscheidende technische criteria die relevant zijn voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van die voertuigen;

9)  "werkvoertuig": een ▌ zwaar bedrijfsvoertuig, waarvoor de CO2-emissies en het brandstofverbruik uitsluitend voor andere dan de in punt 2.1 van bijlage I bij deze verordening bedoelde missieprofielen zijn bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan;

10)  "fabrikant": de persoon die of het orgaan dat verantwoordelijk is voor het indienen van de gegevens over nieuwe zware bedrijfsvoertuigen ingevolge artikel 5 van Verordening (EU) 2018/956 of, in het geval van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen, de persoon die of het orgaan dat jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de EG-typegoedkeuringsprocedure voor volledige voertuigen of van de individuele goedkeuringsprocedure overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG, en voor het waarborgen van conformiteit van productie;

11)  "emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig": een zwaar bedrijfsvoertuig zonder interne verbrandingsmotor, of met een interne verbrandingsmotor die minder dan 1 g CO2/kWh uitstoot zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen van die verordening of die minder dan 1 g CO2/km uitstoot zoals bepaald overeenkomstig Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad(20) en de uitvoeringsmaatregelen daarvan;

12)  "emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig": een zwaar bedrijfsvoertuig dat geen emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig is, met specifieke CO2-emissies die minder dan de helft bedragen van de gemiddelde referentie-CO2-emissies van alle voertuigen in de subgroep voertuigen waartoe het zware bedrijfsvoertuig behoort, zoals bepaald overeenkomstig punt 2.3.3 van bijlage I

13)  "missieprofiel": een combinatie van een doelsnelheidscyclus, een waarde voor de belasting, een configuratie van de carrosserie of aanhangwagen en andere parameters, indien van toepassing, die het specifieke gebruik van een voertuig weergeven, aan de hand waarvan officiële CO2-emissies en brandstofverbruik van een zwaar bedrijfsvoertuig worden bepaald;

14)  "doelsnelheidscyclus": de beschrijving van de voertuigsnelheid die de bestuurder wil bereiken of waaraan hij zich door verkeersomstandigheden moet houden, als functie van de door een rit bestreken afstand;

15)  "belasting": het gewicht van de goederen die een voertuig onder verschillende omstandigheden vervoert.

Artikel 4

Gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant

Vanaf 1 juli 2020, en in elke daaropvolgende rapporteringsperiode, bepaalt de Commissie ▌ voor elke fabrikant de gemiddelde specifieke CO2-emissies in g/tkm voor de voorgaande rapporteringsperiode, en houdt daarbij rekening met:

a)  de krachtens Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde gegevens voor de in de voorgaande rapporteringsperiode geregistreerde nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant, met uitzondering van werkvoertuigen; en

b)  de overeenkomstig artikel 5 bepaalde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen.

De gemiddelde specifieke CO2-emissies worden bepaald overeenkomstig punt 2.7 van bijlage I.

Artikel 5

Emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen

1.  Vanaf 1 juli 2020 en in elke daaropvolgende rapporteringsperiode bepaalt de Commissie ▌voor elke fabrikant de factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen voor de voorgaande rapporteringsperiode.

De factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen houdt rekening met het aantal en de CO2-emissies van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen in het wagenpark van de fabrikant in een rapporteringsperiode, met inbegrip van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen van de in artikel 2, lid 1, tweede alinea, bedoelde categorieën, alsook emissievrije en emissiearme werkvoertuigen en wordt bepaald in overeenstemming met punt 2.3 van bijlage I.

2.  Voor de toepassing van lid 1 worden de emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen voor de rapporteringsperioden 2019 tot en met 2024 als volgt geteld:

a)  een emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig telt als twee voertuigen; en

b)  een emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig telt als maximaal twee voertuigen, al naargelang de specifieke CO2-emissies ervan en de lage-emissiedrempel van de subgroep voertuigen waartoe het voertuig behoort als gedefinieerd in punt 2.3.3 van bijlage I.

De factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen wordt bepaald overeenkomstig punt 2.3.1 van bijlage I.

3.  Voor de rapporteringsperioden vanaf 2025 wordt de factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen bepaald op basis van een benchmark van 2 % overeenkomstig punt 2.3.2 van bijlage I.

4.  De factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen kan de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant met hoogstens 3 % verlagen. De bijdrage van emissievrije zware bedrijfsvoertuigen van de in artikel 2, lid 1, tweede alinea, bedoelde categorieën tot die factor kan de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant met hoogstens 1,5 % verlagen.

Artikel 6

Specifieke CO2-emissiedoelstellingen van een fabrikant

Vanaf 1 juli 2026 en in elke daaropvolgende rapporteringsperiode bepaalt de Commissie ▌ voor elke fabrikant een specifieke CO2-emissiedoelstelling voor de voorgaande rapporteringsperiode. Die specifieke CO2-emissiedoelstelling is de over alle subgroepen voertuigen opgetelde som van de producten van de volgende waarden:

a)  de in artikel 1, eerste alinea, onder a) of b), bedoelde CO2-emissiereductiedoelstelling, naargelang het geval;

b)  de referentiewaarden van de CO2-emissies;

c)  het aandeel voertuigen van de fabrikant in elke subgroep voertuigen;

d)  de op elke subgroep voertuigen toegepaste weegfactoren voor de belasting en de jaarlijks afgelegde afstand.

De specifieke CO2-emissiedoelstelling wordt bepaald overeenkomstig punt 4 van bijlage I.

Artikel 7

Emissiekredieten en emissieschulden

1.  Bij de bepaling of een fabrikant zijn specifieke CO2-emissiedoelstellingen in de rapporteringsperioden van de jaren 2025 tot en met 2029 heeft nageleefd, wordt rekening gehouden met zijn emissiekredieten en -schulden, bepaald overeenkomstig punt 5 van bijlage I, die overeenkomen met het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen, met uitzondering van werkvoertuigen, van de fabrikant in een rapporteringsperiode, vermenigvuldigd met :

a)  het verschil tussen het in lid 2 bedoelde CO2-emissiereductietraject en de gemiddelde specifieke CO2-emissies van die fabrikant, als dat verschil positief is ("emissiekredieten"); of

b)  het verschil tussen de gemiddelde specifieke CO2-emissies en de specifieke CO2-emissiedoelstelling van die fabrikant, als dat verschil positief is ("emissieschulden").

De emissiekredieten worden in de rapporteringsperioden van de jaren 2019 tot en met 2029 verworven. De in de rapporteringsperioden van de jaren 2019 tot en met 2024 verworven emissiekredieten worden echter uitsluitend in aanmerking genomen om te bepalen of de fabrikant de specifieke CO2-emissiedoelstelling ▌van de rapporteringsperiode van het jaar 2025 heeft nageleefd.

De emissieschulden worden in de rapporteringsperioden van de jaren 2025 tot en met 2029 verworven. Echter de totale schuld van een fabrikant mag niet meer bedragen dan 5 % van de specifieke CO2-emissiedoelstelling van de fabrikant voor de rapporteringsperiode van het jaar 2025, vermenigvuldigd met het aantal zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant in die periode ("emissieschuldlimiet").

De in de rapporteringsperioden van de jaren 2025 tot en met 2028 verworven emissiekredieten en -schulden worden, indien van toepassing, van de ene rapporteringsperiode op de andere overgedragen. Eventuele resterende emissieschulden worden weggewerkt in de rapporteringsperiode van het jaar 2029.

2.  Het CO2-emissiereductietraject ▌wordt voor elke fabrikant overeenkomstig punt 5.1 van bijlage I bepaald op basis van een lineair traject tussen de in artikel 1, tweede alinea, bedoelde referentiewaarden van de CO2-emissies en de in artikel 1, onder a), ▌vermelde doelstelling voor de rapporteringsperiode van het jaar 2025, en tussen de ▌ CO2-emissiedoelstelling voor de rapporteringsperiode van het jaar 2025 en de ▌CO2-emissiedoelstelling voor de rapporteringsperiode van het jaar 2030, zoals vastgelegd in punt b) van het eerste lid van dat artikel.

Artikel 8

Naleving van de specifieke CO2-emissiedoelstellingen

1.  Wanneer ingevolge lid 2 blijkt dat een fabrikant overtollige CO2-emissies heeft in een bepaalde rapporteringsperiode vanaf 2025, legt de Commissie een bijdrage voor overtollige CO2-emissies op, die met onderstaande formule wordt berekend:

a)  van 2025-tot 2029:

(Bijdrage voor overtollige CO2-emissies) = (Overtollige CO2-emissies x 4 250 EUR/g CO2/tkm).

b)  vanaf 2030:

(Bijdrage voor overtollige CO2-emissies) = (Overtollige CO2-emissies x 6 800 EUR/g CO2/tkm).

2.  Een fabrikant wordt in de volgende gevallen geacht overtollige CO2-emissies te hebben:

a)  wanneer in een of meer rapporteringsperioden van de jaren 2025 tot en met 2028 de som van de emissieschulden verminderd met de som van de emissiekredieten hoger is dan de in artikel 7, lid 1, derde alinea, bedoelde emissieschuldlimiet;

b)  wanneer in de rapporteringsperiode van het jaar 2029 de som van de emissieschulden verminderd met de som van de emissiekredieten positief is;

c)  wanneer vanaf de rapporteringsperiode van het jaar 2030 de gemiddelde specifieke CO2-emissies van de fabrikant hoger zijn dan zijn specifieke CO2-emissiedoelstelling.

De overtollige CO2-emissies in een bepaalde rapporteringsperiode worden berekend overeenkomstig punt 6 van bijlage I.

3.  De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de methode voor het innen van de bijdragen voor overtollige CO2-emissies ingevolge lid 1 van dit artikel▌. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4.  De bijdragen voor overtollige CO2-emissies vloeien terug als ontvangsten naar de algemene begroting van de Europese Unie.

Artikel 9

Controle van de monitoringgegevens

1.  Wanneer de typegoedkeuringsinstanties bij controles overeenkomstig de in artikel 13 van deze verordening bedoelde procedure vaststellen dat de CO2-emissiewaarden van zware bedrijfsvoertuigen tijdens het gebruik afwijken van de in het conformiteitscertificaat of het in artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) 2017/2400 bedoelde informatiebestand van de verbruiker aangegeven waarden, melden zij dit onverwijld aan de Commissie.

2.  De Commissie houdt bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant rekening met de in lid 1 bedoelde afwijkingen.

3.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen nadere voorschriften vast betreffende de procedures voor het melden van dergelijke afwijkingen en voor de wijze waarop daarmee rekening wordt gehouden bij de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 10

Beoordeling van de referentiewaarden van de CO2-emissies

Om te waarborgen dat de referentiewaarden van CO2-emissies robuust en representatief zijn om als basis voor de bepaling van de CO2-emissiedoelstellingen voor het volledige EU-wagenpark te dienen, stelt de Commissie door middel van uitvoeringshandelingen de methodologie vast voor het beoordelen van de toepassing van de voorwaarden waaronder de referentiewaarden van de CO2-emissies werden bepaald en de criteria om te bepalen of deze emissies op oneigenlijke wijze zijn verhoogd, en indien dit het geval is op welke manier zij moeten worden gecorrigeerd.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 11

Publicatie van gegevens en van de prestatie van de fabrikant

1.  De Commissie publiceert, door middel van uitvoeringshandelingen, jaarlijks uiterlijk op 30 april een lijst met:

a)  vanaf 1 juli 2020: voor elke fabrikant, de in artikel 4 bedoelde gemiddelde specifieke CO2-emissie in de voorgaande rapporteringsperiode;

b)  vanaf 1 juli 2020: voor elke fabrikant, de in artikel 5 bedoelde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen in de voorgaande rapporteringsperiode;

c)  vanaf 1 juli 2026: voor elke fabrikant, de in artikel 6 bedoelde specifieke CO2-emissiedoelstelling in de voorgaande rapporteringsperiode;

d)  van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2031: voor elke fabrikant, het CO2-emissiereductietraject, de emissiekredieten en, vanaf 1 juli 2026 tot en met 30 juni 2031, de emissieschulden in de voorgaande rapporteringsperiode, als bedoeld in artikel 7;

e)  vanaf 1 juli 2026: voor elke fabrikant, de in artikel 8 bedoelde overtollige CO2-emissies in de voorgaande rapporteringsperiode;

f)  vanaf 1 juli 2020: het gemiddelde van de specifieke CO2-emissies van alle in de voorgaande rapporteringsperiode in de Unie geregistreerde nieuwe zware bedrijfsvoertuigen.

De lijst die uiterlijk op 30 april 2021 moet worden bekendgemaakt, bevat de in artikel 1, tweede alinea, bedoelde referentiewaarden van de CO2-emissies.

2.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast om de in lid 1 van dit artikel bedoelde referentiewaarden van de CO2-emissies op de volgende wijze aan te passen:

a)  wanneer de weegfactoren van de missieprofielen of de waarden voor de belasting krachtens artikel 14, lid 1, onder b) of c), zijn aangepast: door toepassing de in punt 1 van bijlage II vastgestelde procedure;

b)  wanneer krachtens artikel 14, lid 2, ▌ aanpassingsfactoren zijn bepaald: door die aanpassingsfactoren toe te passen op de referentiewaarden van de CO2-emissies.

c)   wanneer een oneigenlijke verhoging van de referentiewaarden van de CO2-emissies is vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 10 vermelde methodologie: door correctie van de referentiewaarden van de CO2-emissies uiterlijk op 30 april 2022.

De Commissie publiceert de aangepaste referentiewaarden van de CO2-emissies en past die waarden toe bij de berekening van de fabrikantspecifieke CO2-emissiedoelstellingen die van toepassing zijn in de rapporteringsperioden welke beginnen op de datum van toepassing van de gedelegeerde handelingen waarin de waarden worden aangepast.

Artikel 12

Werkelijke CO2‑emissies en werkelijk energieverbruik

1.  De Commissie monitort en beoordeelt in hoeverre de in het kader van Verordening (EG) nr. 595/2009 bepaalde waarden voor de CO2-emissies en het energieverbruik representatief zijn voor de werkelijkheid.

Bovendien verzamelt de Commissie op regelmatige basis gegevens over de werkelijke CO2‑emissies en het werkelijk energieverbruik van zware bedrijfsvoertuigen aan de hand van boordapparatuur voor het monitoren van het brandstof- en/of energieverbruik, te beginnen met nieuwe zware bedrijfsvoertuigen die zijn geregistreerd vanaf de datum van toepassing van de maatregelen als bedoeld in artikel 5 quater, onder b) van Verordening (EG) nr. 595/2009.

De Commissie waarborgt dat het publiek wordt ingelicht over hoe die representativiteit zich in de loop van de tijd ontwikkelt.

2.  Voor de toepassing van lid 1 van dit artikel zorgt de Commissie ervoor dat de volgende parameters betreffende de werkelijke CO2-emissies en het werkelijke energieverbruik van zware bedrijfsvoertuigen, vanaf de datum van toepassing van de maatregelen als bedoeld in artikel 5 quater, onder b) van Verordening (EG) nr. 595/2009, op gezette tijden door fabrikanten, nationale instanties of via directe gegevensoverdracht uit voertuigen, naargelang het geval, ter beschikking van de Commissie worden gesteld:

a)  voertuigidentificatienummer;

b)  brandstof- en elektriciteitsverbruik;

c)  totale afgelegde afstand;

d)  belasting;

e)  voor extern oplaadbare hybride elektrische zware bedrijfsvoertuigen: brandstof- en elektriciteitsverbruik en de afgelegde afstand per rijmodus;

f)  andere parameters die nodig zijn om te waarborgen dat de verplichting van lid 1 van dit artikel kan worden nageleefd.

De Commissie verwerkt de op grond van de eerste alinea van dit lid ontvangen gegevens om een geanonimiseerde en geaggregeerde dataset, onder meer per fabrikant, tot stand te brengen voor de toepassing van lid 1. De voertuigidentificatienummers worden uitsluitend gebruikt voor die gegevensverwerking en worden niet langer bewaard dan noodzakelijk voor dat doel.

3.  Teneinde te voorkomen dat de werkelijke emissiekloof groter wordt beoordeelt de Commissie uiterlijk twee jaar en vijf maanden na de datum van toepassing van de maatregelen als bedoeld in artikel 5 quater, onder b) van Verordening (EG) nr. 595/2009, hoe gegevens over brandstof- en energieverbruik kunnen worden gebruikt om ervoor te zorgen dat de krachtens die verordening bepaalde CO2-emissie- en energieverbruikswaarden van voertuigen representatief blijven voor de werkelijke emissies in de loop van de tijd voor elke fabrikant.

De Commissie zorgt voor monitoring en jaarlijkse rapportering in verband met de ontwikkeling van de in de eerste alinea bedoelde kloof en beoordeelt, om te voorkomen dat de kloof groter wordt, in 2027 of het haalbaar is een mechanisme in te voeren om de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant vanaf 2030 bij te stellen, en komt in voorkomend geval met een wetgevingsvoorstel om een dergelijk mechanisme tot stand te brengen.

4.  De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de in lid 2 van dit artikel bedoelde gedetailleerde procedure voor het verzamelen en verwerking van de gegevens vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 13

Verificatie van de CO2-emissies van zware bedrijfsvoertuigen tijdens het gebruik

1.  Fabrikanten waarborgen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden die zijn opgenomen in het klanteninformatiedossier als bedoeld in artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) 2017/2400 overeenstemmen met de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen tijdens het gebruik zoals bepaald in overeenstemming met die verordening.

2.  Na de inwerkingtreding van de in lid 4 van dit artikel bedoelde procedures, verifiëren de typegoedkeuringsinstanties, voor de fabrikanten aan wie zij een vergunning hebben verstrekt om het simulatie-instrument te gebruiken in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 595/2009 en zijn uitvoeringsbepalingen, op basis van passende en representatieve steekproeven van voertuigen, dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden die zijn opgenomen in de klanteninformatiedossiers overeenstemmen met de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen tijdens het gebruik zoals bepaald in overeenstemming met die verordening en de uitvoeringsbepalingen ervan, en houden hierbij onder meer rekening met beschikbare gegevens van boordapparatuur voor het monitoren van het brandstof- en/of energieverbruik.

Typegoedkeuringsinstanties verifiëren tevens of er sprake is van eventuele strategieën aan boord of met betrekking tot de in de steekproef opgenomen voertuigen die de prestaties van het voertuig op kunstmatige wijze verbeteren in de voor typegoedkeuring uitgevoerde tests of gemaakte berekeningen om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te certificeren, onder meer door gebruik te maken van gegevens van boordapparatuur voor brandstof- en/of energieverbruik.

3.  Indien als gevolg van de uit hoofde van lid 2 uitgevoerde verificaties een gebrek aan overeenstemming van CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden wordt vastgesteld die niet kan worden toegeschreven aan een gebrekkige functionering van het simulatie-instrument, of de aanwezigheid van strategieën die de prestaties van het voertuig op kunstmatige wijze verbeteren, zorgt de bevoegde typegoedkeuringsinstantie, naast de nodige maatregelen als vastgesteld in hoofdstuk XI van Verordening (EU) 2018/858, voor de correctie van de klanteninformatiedossiers, de conformiteitscertificaten en de individuele typegoedkeuringscertificaten, naargelang het geval.

4.  De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen de procedures voor het uitvoeren van de in lid 2 van dit artikel bedoelde verificaties. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 16, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

De Commissie is bevoegd, voorafgaand aan de vaststelling van de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandelingen, overeenkomstig artikel 17 een gedelegeerde handeling vast te stellen om deze verordening aan te vullen met de leidende beginselen en criteria voor het omschrijven van de in de eerste alinea bedoelde procedures.

Artikel 14

Wijzigingen van de bijlagen I en II

1.  Om ervoor te zorgen dat de technische parameters die worden gebruikt voor de berekening van de gemiddelde specifieke CO2-emissies van een fabrikant krachtens artikel 4 en de berekening van de specifieke CO2-emissiedoelstellingen krachtens artikel 6, worden aangepast aan de technische vooruitgang en de evolutie van goederenlogistiek, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 17 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde de volgende bepalingen van de bijlagen I en II te wijzigen:

a)  de in tabel 1 van bijlage I vermelde gegevens voor het soort cabine en het motorvermogen, en de definities van de in die tabel vermelde begrippen "slaapcabine" en "dagcabine";

b)  de in tabel 2 van bijlage I vermelde weegfactoren van de missieprofielen;

c)  de in tabel 3 van bijlage I vermelde waarden voor de belasting en de in tabel 1 van bijlage II vermelde aanpassingsfactoren voor belasting;

d)  de in tabel 4 van bijlage I vermelde waarden voor de jaarlijks afgelegde afstand.

2.  Wanneer de in Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan vastgestelde typegoedkeuringsprocedures op een andere manier dan waarin is voorzien in lid 1, onder b) en c), van dit artikel, zodanig worden gewijzigd dat het niveau van de CO2-emissies van de op grond van dit lid omschreven representatieve voertuigen met meer dan 5 g CO2/km toe- of afneemt, past de Commissie, overeenkomstig artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder b), een aanpassingsfactor op de referentiewaarden van de CO2-emissies toe, die met de in punt 2 van bijlage II vermelde formule wordt berekend.

3.   De Commissie stelt, door middel van uitvoeringshandelingen, ▌een methode vast voor het omschrijven van een of meer representatieve voertuigen van een subgroep voertuigen, met inbegrip van hun statistische weegfactoren, aan de hand waarvan de in lid 2 van dit artikel bedoelde aanpassing wordt bepaald, rekening houdend met de overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde monitoringgegevens en de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) 2017/2400 vermelde technische kenmerken van de voertuigen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 16, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 15

Evaluatie en rapportering

1.   De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2022 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de doeltreffendheid van deze verordening, over de CO2-emissiereductiedoelstelling en het niveau van het stimuleringsmechanisme voor emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen dat van toepassing is vanaf 2030, ▌over de vaststelling van CO2-emissiereductiedoelstellingen voor andere soorten zware bedrijfsvoertuigen, waaronder aanhangwagens, bussen en touringcars, en werkvoertuigen, en over de invoering van bindende CO2-emissiereductiedoelstellingen voor zware bedrijfsvoertuigen vanaf 2035 en 2040. De doelstelling voor 2030 wordt beoordeeld in overeenstemming met de verplichtingen van de Europese Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs.

2.   Het in lid 1 van dit artikel bedoelde verslag bevat met name het volgende:

a)  een beoordeling van de doeltreffendheid van het in lid 7 bedoelde systeem van CO2-emissiekredieten en emissieschulden en van de wenselijkheid om de toepassing ervan tot 2030 en daarna te verlengen;

b)  een beoordeling van het gebruik van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen, ▌rekening houdend met de in Richtlijn 2009/33/EG vastgestelde doelstellingen, ▌ en de relevante parameters en voorwaarden die van invloed zijn op het in de handel brengen van dergelijke zware bedrijfsvoertuigen;

c)  een beoordeling van de doeltreffendheid van het stimuleringsmechanisme voor emissievrije en emissiearme voertuigen als bedoeld in artikel 5 en de geschiktheid van de verschillende onderdelen, teneinde het voor de periode na 2025 aan te passen aan een mogelijke differentiatie naar nulemissiebereik en subgroep voertuigen, in combinatie met weegfactoren voor de belasting, met een toepassingsdatum die voorziet in een aanloopperiode van ten minste drie jaar;

d)  een beoordeling van de uitrol van de noodzakelijke oplaad- en tankinfrastructuur, van de mogelijkheid van de invoering van CO2-emissienormen, met name voor werkvoertuigen, en van de werkelijke representativiteit van de overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden;

e)  uitsluitend voor de toepassing van deze verordening, aandacht voor zware bedrijfsvoertuigen en voertuigcombinaties rekening houdend met het gewicht en de afmetingen die voor nationaal vervoer gelden, zoals modulaire en intermodale concepten, en tevens beoordeling van eventuele aspecten met betrekking tot de veiligheid en efficiëntie van het vervoer, evenals intermodale, milieu-, infrastructuur- en rebound-effecten alsook de geografische ligging van lidstaten;

f)  een beoordeling van het simulatie-instrument VECTO om te zorgen voor de voortdurende en tijdige actualisering van dit instrument;

g)  een beoordeling van de mogelijkheid om een specifieke methodologie te ontwikkelen met inbegrip van de potentiële bijdrage aan CO2-emissiereducties door het gebruik van synthetische en geavanceerde alternatieve vloeibare en gasvormige hernieuwbare brandstoffen, waaronder e-brandstoffen, die met hernieuwbare energie worden geproduceerd en voldoen aan de duurzaamheidscriteria en de criteria inzake broeikasgasemissiereducties van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad(21);

h)  een beoordeling van de haalbaarheid van het invoeren van een open, transparant en niet-discriminerend poolingmechanisme tussen fabrikanten;

i)  een beoordeling van de bijdrage voor overtollige CO2-emissies, teneinde ervoor te zorgen dat deze altijd hoger is dan de gemiddelde marginale kosten van de technologieën die nodig zijn om de CO2-emissiedoelstellingen te verwezenlijken.

3.  Het in lid 1 genoemde verslag gaat, in voorkomend geval, vergezeld van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van deze verordening.

4.  Als onderdeel van de evaluatie op grond van artikel 15, lid 5, van Verordening (EU)/...(22) evalueert de Commissie of het mogelijk is de inkomsten uit de bijdragen voor overtollige CO2-emissies toe te wijzen aan een specifiek fonds of een relevant programma, met als doel een rechtvaardige transitie naar een klimaatneutrale economie te waarborgen, als bedoeld in artikel 4.1 van de Overeenkomst van Parijs, met name om de omscholing, bijscholing en opleiding in andere vaardigheden, alsook elders inzetten, van werknemers in de automobielsector te ondersteunen in alle getroffen lidstaten, met name in de regio's en gemeenschappen die het zwaarst worden getroffen door de transitie. In voorkomend geval dient de Commissie met het oog hierop uiterlijk in 2027 een wetgevingsvoorstel in.

5.  De Commissie evalueert uiterlijk in 2023 of het mogelijk is een gemeenschappelijke methode van de Unie te ontwikkelen voor de beoordeling en consistente gegevensrapportering met betrekking tot de CO2-emissies gedurende de volledige levenscyclus van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen die in de Unie in de handel zijn gebracht. De Commissie doet het Europees Parlement en de Raad die evaluatie toekomen, in voorkomend geval vergezeld van voorstellen voor follow-upmaatregelen, zoals wetgevingsvoorstellen.

Artikel 16

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 44, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad(23) ingestelde Comité klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit punt wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 17

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 11, lid 2, artikel 13, lid 4, tweede alinea, en artikel 14, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 11, lid 2, artikel 13, lid 4, tweede alinea; en artikel 14, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 11, lid 2, artikel 13, lid 4, tweede alinea, en artikel 14, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 18

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 595/2009

Verordening (EG) nr. 595/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)  aan de eerste alinea van artikel 2 wordt de volgende zin toegevoegd:"

"Zij is, voor de toepassing van de artikelen 5 bis, 5 ter en 5 quater, tevens van toepassing op voertuigen van de categorieën O3 en O4.";

"

2)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 5 bis

Specifieke vereisten voor fabrikanten met betrekking tot de milieuprestaties van voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4

1.  De fabrikanten zorgen ervoor dat alle nieuwe voertuigen van de categorieën O3 en O4 die verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht worden aan de volgende vereisten voldoen:

   a) de invloed van deze voertuigen op de CO2-emissies, het brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en het nulemissiebereik van motorvoertuigen wordt bepaald in overeenstemming met de in artikel 5 quater, onder a), bedoelde methodologie;
   b) zij zijn uitgerust met boordapparatuur voor de monitoring en registratie van de belasting in overeenstemming met de in artikel 5 quater, onder b), bedoelde vereisten.

2.  De fabrikanten zorgen ervoor dat nieuwe voertuigen van de categorieën M2, M3, N2 en N3 die verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht worden zijn uitgerust met boordapparatuur voor de monitoring en registratie van het brandstof- en/of energieverbruik, de belasting en afgelegde afstand in overeenstemming met de in artikel 5 quater, onder b), bedoelde vereisten.

Zij zorgen er tevens voor dat het nulemissiebereik en het elektriciteitsverbruik van deze voertuigen wordt bepaald in overeenstemming met de in artikel 5 quater, onder c), bedoelde methodologie;

Artikel 5 ter

Specifieke vereisten voor lidstaten met betrekking tot de milieuprestaties van voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4

1.  In overeenstemming met de in artikel 5 quater vermelde uitvoeringsmaatregelen weigeren de nationale autoriteiten EG-typegoedkeuring of nationale typegoedkeuring te verlenen voor nieuwe voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4 die niet voldoen aan de in deze uitvoeringsmaatregelen vastgelegde vereisten.

2.  In overeenstemming met de in artikel 5 quater vermelde uitvoeringsmaatregelen verbieden de nationale autoriteiten de verkoop, registratie of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4 die niet voldoen aan de in deze uitvoeringsmaatregelen vastgelegde vereisten.

Artikel 5 quater

Maatregelen voor de vaststelling van bepaalde aspecten van de milieuprestatie van voertuigen van de categorieën M2, M3, N2, N3, O3 en O4

Uiterlijk op 31 december 2021 stelt de Commissie, door middel van uitvoeringshandelingen, de volgende maatregelen vast:

   a) een methodologie ter beoordeling van de prestaties van voertuigen van de categorieën O3 en O4 wat betreft hun invloed op CO2-emissies, brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en nulemissiebereik van motorvoertuigen;
   b) technische voorschriften voor de uitrusting met boordapparatuur voor de monitoring en registratie van het brandstof- en/of energieverbruik en de afgelegde afstand van motorvoertuigen van de categorieën M2, M3, N2 en N3, en voor de vaststelling en registratie van de belasting of het totale gewicht van voertuigen die voldoen aan de kenmerken als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, eerste alinea, onder a), b), c) of d), van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad *(24) en van de combinatie hiervan met voertuigen van de categorieën O3 en O4, met inbegrip van, indien noodzakelijk, de uitwisseling van gegevens tussen voertuigen binnen een combinatie;
   c) een methodologie voor de vaststelling van nulemissiebereik en het elektriciteitsverbruik van voertuigen van de categorieën M2, M3, N2 en N3.

Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 13 bis bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

___________________

* Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L ... van ..., blz. ...).";

"

3)  het volgende artikel wordt toegevoegd:"

"Artikel 13 bis

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordening (EU) nr. 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad* ingestelde technisch comité motorvoertuigen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit punt wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Indien het comité geen advies uitbrengt, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

___________________

* Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).".

"

Artikel 19

Wijzigingen van Verordening (EU) 2018/956

Verordening (EU) 2018/956 wordt als volgt gewijzigd:

1)  artikel 3 wordt vervangen door:"

"Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad*, in Verordening (EG) nr. 595/2009 en in Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad**(25).

____________________

* Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

** Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L ... van ..., blz. ...).”;

"

2)  artikel 4, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. Met ingang van 1 januari 2019 monitoren de lidstaten de in bijlage I, deel A, vermelde gegevens in verband met nieuwe zware bedrijfsvoertuigen die voor het eerst in de Unie worden geregistreerd.

Met ingang van 2020 rapporteren de bevoegde autoriteiten van de lidstaten elk jaar uiterlijk op 30 september de gegevens van de vorige rapporteringsperiode van 1 juli tot en met 30 juni aan de Commissie, volgens de in bijlage II beschreven rapporteringsprocedure.

Voor het jaar 2019 omvatten de uiterlijk op 30 september 2020 gerapporteerde gegevens de gegevens die van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2020 zijn gemonitord.

Gegevens met betrekking tot nieuwe zware bedrijfsvoertuigen die eerder buiten de Unie zijn geregistreerd, worden niet gemonitord en gerapporteerd, tenzij deze registratie minder dan drie maanden voor de registratie in de Unie heeft plaatsgevonden.";

"

3)  artikel 5, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. Vanaf de in bijlage I, deel B, punt 1, vastgelegde aanvangsjaren monitoren fabrikanten van zware bedrijfsvoertuigen de in bijlage I, deel B, punt 2, vermelde gegevens voor elk nieuw zwaar bedrijfsvoertuig.

Met ingang van de in bijlage I, deel B, punt 1, vastgelegde aanvangsjaren rapporteren fabrikanten van zware bedrijfsvoertuigen deze gegevens elk jaar uiterlijk op 30 september voor elk nieuw zwaar bedrijfsvoertuig met een datum van simulatie binnen de voorgaande rapporteringsperiode van 1 juli tot en met 30 juni aan de Commissie, volgens de in bijlage II beschreven rapporteringsprocedure.

Voor het jaar 2019 rapporteren fabrikanten van zware bedrijfsvoertuigen deze gegevens voor elk nieuw zwaar bedrijfsvoertuig met een datum van simulatie binnen de periode van 1 januari 2019 tot en met 30 juni 2020.

De datum van simulatie is de overeenkomstig bijlage I, deel B, punt 2, veld 71, gerapporteerde datum.";

"

4)  artikel 10, lid 1, wordt vervangen door:"

"1. De Commissie brengt elk jaar uiterlijk op 30 april een jaarverslag uit met haar analyse van de gegevens die de lidstaten en de fabrikanten betreffende de voorgaande rapporteringsperiode hebben toegezonden.";

"

5)  in bijlage II wordt punt 3.2 vervangen door:"

"3.2. De gegevens over de zware bedrijfsvoertuigen die in de voorgaande rapporteringsperiode zijn geregistreerd en in het register zijn opgenomen, worden uiterlijk op 30 april van elk jaar, met ingang van 2021, bekendgemaakt, met uitzondering van de in artikel 6, lid 1, bedoelde gegevens.".

"

Artikel 20

Wijzigingen van Richtlijn 96/53/EG

Richtlijn 96/53/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 2 wordt de volgende definitie ingevoegd na de definitie van "door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuig":"

"- "emissievrij voertuig": een emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig zoals gedefinieerd in artikel 3, onder 11), van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad*(26).

_________________________________

* Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van ... tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 595/2009 en (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 96/53/EG van de Raad (PB L ... van ..., blz. ...).";

"

2)  artikel 10 ter wordt vervangen door:"

"Artikel 10 ter

Het maximaal toegestane gewicht van door alternatieve brandstoffen aangedreven of emissievrije voertuigen komt overeen met het gewicht dat is vastgesteld in de punten 2.2.1, 2.2.2, 2.2.3, 2.2.4, 2.3.1, 2.3.2 en 2.4 van bijlage I.

Door alternatieve brandstoffen aangedreven of emissievrije voertuigen voldoen tevens aan de in bijlage I, punt 3, vastgestelde maximaal toegestane asdruk.

Het bijkomend gewicht dat voor door alternatieve brandstoffen aangedreven of emissievrije voertuigen nodig is, wordt gedefinieerd op basis van de documentatie die door de fabrikant bij de goedkeuring van het betrokken voertuig wordt verstrekt. Dat bijkomende gewicht wordt vermeld in de officiële bewijzen die overeenkomstig artikel 6 vereist zijn.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 nonies gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot het actualiseren, voor de doelstellingen van deze richtlijn, van de in artikel 2 opgenomen lijst van alternatieve brandstoffen die een bijkomend gewicht vereisen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie zoals gebruikelijk overlegt met deskundigen, onder meer uit de lidstaten, voordat zij die gedelegeerde handelingen vaststelt.";

"

3)  bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)  in de tweede kolom van de punten 2.2.1, 2.2.2, 2.2.3 en 2.2.4 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"In het geval van voertuigcombinaties met door alternatieve brandstoffen aangedreven of emissievrije voertuigen, wordt het maximaal toegestane gewicht als voorzien in deze sectie verhoogd met het voor de alternatieve brandstoftechnologie of emissievrije technologie vereiste extra gewicht van ten hoogste 1 en 2 ton respectievelijk.";

"

b)  in de tweede kolom van punt 2.3.1 wordt de volgende alinea toegevoegd: "

"Emissievrije voertuigen: het maximaal toegestane gewicht van 18 ton wordt met het voor de emissievrije technologie vereiste extra gewicht verhoogd met ten hoogste 2 ton.";

"

c)  in de derde kolom van punt 2.3.2 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Emissievrije voertuigen met drie assen: het maximaal toegestane gewicht van 25, of 26 ton wanneer de aangedreven as is uitgerust met dubbele banden en luchtvering of met een op Unieniveau als gelijkwaardig volgens de definitie in bijlage II erkende vering of wanneer elke aangedreven as is uitgerust met dubbele banden en de maximumdruk van elke as niet meer dan 9,5 ton bedraagt, wordt met het voor de emissievrije technologie vereiste extra gewicht verhoogd met ten hoogste 2 ton.";

"

d)  in de derde kolom van punt 2.4 wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"Emissievrije autobussen met drie assen: het maximaal toegestane gewicht van 28 ton wordt met het voor de alternatieve emissievrije technologie vereiste extra gewicht verhoogd met ten hoogste 2 ton.".

"

Artikel 21

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE I

Gemiddelde specifieke CO2-emissies, de gemiddelde specifieke CO2-emissiedoelstellingen en overtollige CO2-emissies

1.  Subgroepen voertuigen

Elk nieuw zwaar bedrijfsvoertuig wordt overeenkomstig de in tabel 1 vermelde voorwaarden toegewezen aan een van de daarin vermelde subgroepen voertuigen.

Tabel 1 — Subgroepen voertuigen (sg)

Zware bedrijfsvoertuigen

Soort cabine

Motorvermogen

Subgroep voertuigen (sg)

Ongelede vrachtwagens met een asconfiguratie van 4x2 en een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 16 ton

Alle

< 170 kW

4-UD

Dagcabine

≥ 170 kW

4-RD

Slaapcabine

≥ 170 kW en < 265 kW

Slaapcabine

≥ 265 kW

4-LH

Ongelede vrachtwagens met een asconfiguratie van 6x2

Dagcabine

Alle

9-RD

Slaapcabine

9-LH

Trekkers met een asconfiguratie van 4x2 en een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 16 ton

Dagcabine

Alle

5-RD

Slaapcabine

< 265 kW

Slaapcabine

≥ 265 kW

5-LH

Trekkers met een asconfiguratie van 6x2

Dagcabine

Alle

10-RD

Slaapcabine

10-LH

"Slaapcabine": een cabine met een ruimte achter de zitplaats van de bestuurder die is bedoeld om in te slapen zoals gerapporteerd overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956.

"Dagcabine": een cabine die geen slaapcabine is.

Als een nieuw zwaar bedrijfsvoertuig niet aan een subgroep voertuigen kan worden toegewezen omdat informatie over het soort cabine of het motorvermogen ontbreekt, wordt het toegewezen aan de subgroep lange afstand (long-haul, LH) die overeenkomt met het soort chassis (ongelede vrachtwagen of trekker) en de asconfiguratie (4x2 of 6x2).

Wanneer een nieuw zwaar bedrijfsvoertuig aan subgroep voertuigen 4-UD wordt toegewezen maar gegevens over de CO2-emissies in g/km ontbreken voor de missieprofielen UDL of UDR als omschreven in tabel 2 van punt 2.1, wordt het nieuwe zware bedrijfsvoertuig aan de subgroep voertuigen  4-RD toegewezen.

1.  Gemiddelde specifieke CO2emissies van een fabrikant

1.1.  Berekening van de specifieke CO2-emissies van een nieuw zwaar bedrijfsvoertuig

De specifieke CO2-emissies in g/km (CO2v) van een nieuw zwaar bedrijfsvoertuig v, toegewezen aan de subgroep voertuigen sg, worden met de volgende formule berekend:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000002.png

waarbij:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000003.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000004.png = de som van alle missieprofielen mp in tabel 2;

sg = de subgroep voertuigen waaraan het nieuwe bedrijfsvoertuig v is toegewezen overeenkomstig punt 1 van deze bijlage;

Wsg,mp = de in tabel 2 gespecificeerde weegfactor van het missieprofiel;

CO2v,mp = de CO2-emissies in g/km van een nieuw zwaar bedrijfsvoertuig v die zijn bepaald voor een missieprofiel mp en gerapporteerd overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956.

De specifieke CO2-emissies van een emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig worden op 0 g CO2/km gesteld.

De specifieke CO2-emissies van een werkvoertuig zijn het gemiddelde van de CO2-emissies in g/km gerapporteerd overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956.

Tabel 2 — Weegfactoren van missieprofielen (Wsg,mp)

Subgroep voertuigen

(sg)

Missieprofiel1 (mp)

RDL

RDR

LHL

LHR

UDL

UDR

REL, RER, LEL, LER

4-UD

0

0

0

0

0,5

0,5

0

4-RD

0,45

0,45

0,05

0,05

0

0

0

4-LH

0,05

0,05

0,45

0,45

0

0

0

9-RD

0,27

0,63

0,03

0,07

0

0

0

9-LH

0,03

0,07

0,27

0,63

0

0

0

5-RD

0,27

0,63

0,03

0,07

0

0

0

5-LH

0,03

0,07

0,27

0,63

0

0

0

10-RD

0,27

0,63

0,03

0,07

0

0

0

10-LH

0,03

0,07

0,27

0,63

0

0

0

Omschrijvingen van de missieprofielen

RDL

Regionale bezorging met lage belasting

RDR

Regionale bezorging met representatieve belasting

LHL

Lange afstand met lage belasting

LHR

Lange afstand met representatieve belasting

UDL

Stadsbezorging met lage belasting

UDR

Stadsbezorging met representatieve belasting

REL

Regionale bezorging (EMS) met lage belasting

RER

Regionale bezorging (EMS) met representatieve belasting

LEL

Lange afstand (EMS) met lage belasting

LER

Lange afstand (EMS) met representatieve belasting

1.2.  Gemiddelde specifieke CO2-emissies van alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in een subgroep voertuigen voor een fabrikant

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode worden de gemiddelde specifieke CO2-emissies in g/tkm (20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000005.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000006.png) van alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in de subgroep voertuigen sg als volgt berekend:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000007.png

waarbij:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000008.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000009.png = de som van alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant in de subgroep voertuigen sg, met uitzondering van alle werkvoertuigen overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a);

CO2v = de specifieke CO2-emissies van een nieuw zwaar bedrijfsvoertuig v, bepaald overeenkomstig punt 2.1;

Vsg = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant in de subgroep voertuigen sg, met uitzondering van alle werkvoertuigen overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a);

PLsg = de gemiddelde belasting van voertuigen in de subgroep voertuigen sg, zoals bepaald in punt 2.5.

1.3.  De factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen, bedoeld in artikel 5

2.3.1  Rapporteringsperiode 2019 tot en met 2024

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode van 2019 tot en met 2024 wordt de in artikel 5 bedoelde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen (ZLEV) als volgt berekend:

ZLEV = V / (Vconv + Vzlev) met een minimum van 0,97

waarbij:

V = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant dat voldoet aan de in artikel 2, lid 1, eerste alinea, vastgelegde kenmerken, met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a);

Vconv = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant dat voldoet aan de in artikel 2, lid 1, eerste alinea, vastgelegde kenmerken, met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a) en met uitzondering van emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen;

Vzlev = de som van Vin en Vout,

waarbij:

Vin = ∑ v (1+ (1 – CO2v/LETsg))

met 20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000010.png als de som van alle nieuwe emissievrije en emissiearme zware bedrijfsvoertuigen die voldoen aan de in artikel 2, lid 1, eerste alinea, bedoelde kenmerken;

CO2v = de specifieke CO2-emissies in g/km van een emissievrij of emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig v, bepaald overeenkomstig punt 2.1;

LETsg = de lage-emissiedrempel van de subgroep voertuigen sg waartoe het voertuig behoort als gedefinieerd in punt 2.3.3;

Vout = het totale aantal nieuw geregistreerde emissievrije zware bedrijfsvoertuigen bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede alinea, vermenigvuldigd met 2, en met een maximum van 1,5 % van Vconv.

2.3.2  Rapporteringsperioden vanaf 2025

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode wordt de in artikel 5 bedoelde factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen (ZLEV) als volgt berekend:

ZLEV = 1 - (y - x) tenzij deze som groter is dan 1 of kleiner is dan 0,97; in dat geval wordt de ZLEV factor naargelang het geval op 1 of 0,97 vastgesteld;

waarbij:

x = 0,02.

y = de som van Vin en Vout, gedeeld door Vtotal, waarbij:

Vin het totale aantal nieuw geregistreerde emissiearme en emissievrije zware bedrijfsvoertuigen die voldoen aan de in artikel 2, lid 1, eerste alinea, bedoelde kenmerken, waarbij elk voertuig wordt geteld als ZLEV-specific in overeenstemming met de onderstaande formule:

ZLE-specific = 1 - (CO2v / LETsg )

waarbij:

CO2v = de specifieke CO2-emissies in g/km van een emissievrij of emissiearm zwaar bedrijfsvoertuig v, bepaald overeenkomstig punt 2.1;

LETsg = de lage-emissiedrempel van de subgroep voertuigen sg waartoe het voertuig behoort als gedefinieerd in punt 2.3.3;

Vout = het totale aantal nieuw geregistreerde emissievrije zware bedrijfsvoertuigen bedoeld in artikel 2, lid 1, tweede alinea, , en met een maximum van 0,0035 van Vtotal;

Vtotal = het totale aantal nieuw geregistreerde zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant in die rapporteringsperiode.

Wanneer Vin/Vtotal lager is dan 0,075, wordt de ZLEV-factor op 1 vastgesteld.

2.3.3  Lage-emissiedrempel

De lage-emissiedrempel LETsg van de subgroep voertuigen sg wordt als volgt gedefinieerd:

LETsg = (rCO2sg x PLsg) / 2

waarbij:

rCO2sg = de gemiddelde referentiewaarden van de CO2-emissies van de subgroep voertuigen sg, zoals bepaald in punt 3;

PLsg = de gemiddelde belasting van voertuigen in de subgroep voertuigen sg, zoals bepaald in punt 2.5.

1.4.  Aandeel van de fabrikant van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in een subgroep voertuigen

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode wordt het aandeel sharesg van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in een subgroep voertuigen sg als volgt berekend:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000011.png

waarbij:

Vsg = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant in de subgroep voertuigen sg, met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a);

V = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a);

1.5.  Waarden voor de gemiddelde belasting van alle voertuigen in een subgroep

De waarde voor de gemiddelde belasting PLsg van een voertuig in de subgroep voertuigen sg wordt als volgt berekend:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000012.png

waarbij:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000013.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000014.png = de som van alle missieprofielen mp;

Wsg,mp = de in punt 2.1, tabel 2, gespecificeerde weegfactor van het missieprofiel;

PLsg,mp = de waarde voor de belasting die is toegekend aan de voertuigen in de subgroep voertuigen   sg voor het missieprofiel mp, zoals gespecificeerd in tabel 3.

Tabel 3 — Waarden voor de belasting PLsg, mp (in ton)

Subgroep voertuigen sg

Missieprofiel1 mp

RDL

RDR

LHL

LHR

UDL

UDR

REL

RER

LEL

LER

4-UD

0,9

4,4

1,9

14

0,9

4,4

3,5

17,5

3,5

26,5

4-RD

4-LH

5-RD

2,6

12,9

2,6

19,3

2,6

12,9

3,5

17,5

3,5

26,5

5-LH

9-RD

1,4

7,1

2,6

19,3

1,4

7,1

3,5

17,5

3,5

26,5

9-LH

10-RD

2,6

12,9

2,6

19,3

2,6

12,9

3,5

17,5

3,5

26,5

10-LH

1 Zie omschrijvingen van de missieprofielen in punt 2.1, tabel 2.

1.6.  Weegfactor voor de belasting en de afgelegde afstand

De weegfactor voor de belasting en de afgelegde afstand (MPWsg) van een subgroep voertuigen sg is gedefinieerd als het product van de in tabel 4 gespecificeerde jaarlijks afgelegde afstand en de in punt 2.5, tabel 3, gespecificeerde waarde voor de belasting per subgroep voertuigen, genormaliseerd naar de respectieve waarde voor subgroep voertuigen 5-LH, en wordt als volgt berekend:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000015.png

waarbij:

AMsg = de in tabel 4 gespecificeerde jaarlijks afgelegde afstand voor de voertuigen in de overeenkomstige subgroep voertuigen;

AM5-LH = de voor subgroep voertuigen 5-LH in tabel 4 gespecificeerde jaarlijks afgelegde afstand;

PLsg = waarde voor de gemiddelde belasting zoals bepaald in punt 2.5;

PL5-LH = de waarde voor de gemiddelde belasting voor subgroep voertuigen5-LH, zoals bepaald in punt 2.5.

Tabel 4 — Jaarlijks afgelegde afstanden

Voertuig-

subgroep sg

Jaarlijks afgelegde afstand AMsg (in km)

4-UD

60 000

4-RD

78 000

4-LH

98 000

5-RD

78 000

5-LH

116 000

9-RD

73 000

9-LH

108 000

10-RD

68 000

10-LH

107 000

1.7.  Gemiddelde specifieke CO2-emissies in g/tkm van een fabrikant, bedoeld in artikel 4

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode worden de gemiddelde specifieke CO2-emissies in g/tkm (CO2) als volgt berekend:

CO2 = ZLEV × ∑ sg share,sg × MPWsg × avgCO2sg

waarbij:

sg = de som van alle subgroep voertuigen;

ZLEV = de factor voor emissievrije en emissiearme voertuigen zoals bepaald in punt 2.3

share,sg = het aandeel nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in de subgroep voertuigen sg zoals bepaald in punt 2.4

MPWsg = de weegfactor voor de belasting en de afgelegde afstand zoals bepaald in punt 2.6.

avgCO2sg = de gemiddelde specifieke CO2-emissies in g/tkm zoals bepaald in punt 2.2.

2.  De referentiewaarden van de CO2-emissies, bedoeld in het tweede lid van artikel 1

De referentiewaarden van de CO2-emissies (rCO2) worden voor elke subgroep voertuigen sg op basis van alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van alle fabrikanten van de referentieperiode als volgt berekend:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000016.png

waarbij:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000017.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000018.png = de som van alle in de referentieperiode geregistreerde nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in de subgroep voertuigen sg, met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 1, tweede alinea;

CO2 = de specifieke CO2-emissies van het nieuwe zware bedrijfsvoertuig v, zoals bepaald overeenkomstig punt 2.1, indien van toepassing aangepast overeenkomstig bijlage II;

rVsg = het in de referentieperiode geregistreerde totale aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen in de subgroep voertuigen sg, met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 1, tweede alinea;

PLsg = de gemiddelde belasting van voertuigen in de subgroep voertuigen sg, zoals bepaald in punt 2.5.

3.  De specifieke CO2-emissiedoelstelling van een fabrikant, bedoeld in artikel 6

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode, vanaf 1 juli 2025, wordt de specifieke CO2-emissiedoelstelling T als volgt berekend:

T = ∑ sg sharesg × MPWsg × (1 - rf) × rCO2sg

waarbij:

∑ sg = de som van alle subgroepen voertuigen;

sharesg = het aandeel van de nieuwe zware bedrijfsvoertuiten in de subgroep voertuigen sg zoals bepaald in punt 2.4;

MPWsg = de weegfactor voor de belasting en de afgelegde afstand zoals bepaald in punt 2.6;

rf = de toepasselijke CO2-emissiereductiedoelstelling (in %) van toepassing in de specifieke rapporteringsperiode;

rCO2sg = de referentiewaarde van de CO2-emissie zoals bepaald in punt 3.

4.  Emissiekredieten en emissieschulden, bedoeld in artikel 7

4.1.  Het CO2-reductietraject voor emissiekredieten

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode van de jaren Y in het tijdvak vanaf 2019 tot en met 2030, wordt een CO2-emissiereductietraject (ETY) als volgt gedefinieerd:

ETY = ∑ sg sharesg × MPWsg × R-ETY × rCO2sg

waarbij:

sg (…) = de som van alle subgroepen voertuigen;

share,sg = het aandeel van de nieuwe zware bedrijfsvoertuiten in de subgroep voertuigen sg zoals bepaald zoals bepaald in punt 2.4;

MPWsg = de weegfactor voor de belasting en de afgelegde afstand zoals bepaald in punt 2.6;

rCO2sg = de referentiewaarde van de CO2-emissie zoals bepaald in punt 3;

waarbij:

voor de rapporteringsperioden van de jaren Y in het tijdvak 2019 tot en met 2025:

R-ETY, = (1-rf2025)+ rf2025 × (2025 – Y)/6

en, voor de rapporteringsperioden van de jaren Y in het tijdvak 2026 tot en met 2030:

R-ETY = (1-rf2030 ) + (rf2030 - rf2025) × (2030 – Y)/5

rf2025 en rf2030 zijn de CO2-emissiereductiedoelstellingen (in %) die van toepassing zijn voor respectievelijk de rapporteringsperioden voor 2025 en 2030 ▌.

4.2.  Emissiekredieten en emissieschulden in elke rapporteringsperiode

De emissiekredieten (cCO2Y) en emissieschulden (dCO2Y) worden voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode van de jaren Y in het tijdvak 2019 tot en met 2029 als volgt berekend:

Indien CO2Y < ETY:

cCO2Y = (ETY – CO2Y) × Vy en

dCO2Y = 0

Indien CO2 > TY voor de jaren 2025 tot en met 2029:

dCO2Y = (CO2Y - TY) × VY en

cCO2Y = 0

In alle andere gevallen worden dCO2Y en cCO2Y op 0 gesteld.

waarbij:

ETY = het overeenkomstig punt 5.1 bepaalde CO2-emissiereductietraject van de fabrikant in de rapporteringsperiode van jaar Y;

CO2Y = de overeenkomstig punt 2.7 bepaalde gemiddelde specifieke CO2-emissies van de fabrikant in de rapporteringsperiode van jaar Y;

TY = de overeenkomstig punt 4 bepaalde specifieke CO2-emissiedoelstelling van de fabrikant in de rapporteringsperiode van jaar Y;

VY = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant in de rapporteringsperiode van jaar Y, met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a);

4.3.  Emissieschuldlimiet

De emissieschuldlimiet (limCO2) voor elke fabrikant is als volgt gedefinieerd:

limCO2 = T2025 × 0,05 × V2025

waarbij:

T2025 = de overeenkomstig punt 4 bepaalde specifieke CO2-emissiedoelstelling van de fabrikant in de rapporteringsperiode van het jaar 2025;

V2025 = het aantal nieuwe zware bedrijfsvoertuigen van de fabrikant in de rapporteringsperiode van het jaar 2025, met uitzondering van werkvoertuigen, overeenkomstig artikel 4, eerste alinea, onder a);

4.4.  Vóór 2025 verworven emissiekredieten

De in de rapporteringsperiode van 2025 verworven emissiekredieten worden verminderd met een bedrag (redCO2) dat overeenkomt met de vóór deze rapporteringsperiode verworven emissiekredieten, wat voor elke fabrikant als volgt wordt bepaald:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000019.png

waarbij:

min = het minimum van de twee tussen haakjes vermelde waarden;

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000020.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000021.png = de som van de rapporteringsperioden van de jaren Y in het tijdvak 2019 tot en met 2024;

dCO22025 = de overeenkomstig punt 5.2 bepaalde emissieschulden voor de rapporteringsperiode van het jaar 2025;

cCO2Y = de overeenkomstig punt 5.2 bepaalde emissiekredieten in de rapporteringsperiode van jaar Y;

5.  Overtollige CO2-emissies van een fabrikant, bedoeld in artikel 8, lid 2

Voor elke fabrikant en elke rapporteringsperiode vanaf het jaar 2025 wordt de waarde van de overtollige CO2-emissies (exeCO2Y) als volgt berekend wanneer de waarde positief is:

voor de rapporteringsperiode van het jaar 2025

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000022.png

voor de rapporteringsperioden van de jaren Y in het tijdvak van 2026 tot en met 2028

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000023.png

voor de rapporteringsperiode van het jaar 2029

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000024.png

voor de rapporteringsperioden van de jaren Y vanaf 2030

exeCO2y = (CO2Y - TY) x VY

waarbij:

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000025.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000026.png = de som van de rapporteringsperioden van de jaren Y in het tijdvak 2019 tot en met 2025;

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000027.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000028.png = de som van de rapporteringsperioden van de jaren I vanaf 2025 tot en met jaar Y;

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000029.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000030.png = de som van de rapporteringsperioden van de jaren J vanaf 2025 tot en met het jaar (Y-1);

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000031.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000032.png = de som van de rapporteringsperioden van de jaren J in het tijdvak 2025 tot en met 2028;

20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000033.png20190418-P8_TA-PROV(2019)0426_NL-p0000034.png = de som van de rapporteringsperioden van de jaren I in het tijdvak 2025 tot en met 2029;

dCO2Y = de overeenkomstig punt 5.2 bepaalde emissieschulden in de rapporteringsperiode van jaar Y;

cCO2Y = de overeenkomstig punt 5.2 bepaalde emissiekredieten in de rapporteringsperiode van jaar Y;

limCO2 = de overeenkomstig punt 5.3 bepaalde emissieschuldlimiet;

redCO2 = de overeenkomstig punt 5.4 bepaalde vermindering van emissieschulden in de rapporteringsperiode van 2025.

In alle andere gevallen wordt de waarde voor de overtollige CO2-emissies exeCO2Y op 0 gesteld.

BIJLAGE II

Aanpassingsprocedures

1.  Aanpassingsfactoren voor de belasting, bedoeld in artikel 14, lid 1, onder c)

Voor de berekening van de in artikel 1, tweede alinea, bedoelde referentiewaarden van de CO2-emissies worden, onder voorbehoud van artikel 11, lid 2, onder a), de weegfactoren van missieprofielen en de waarden voor belasting gebruikt die van toepassing zijn in de rapporteringsperiode waarin de in artikel 14, lid 2, onder c), bedoelde wijzigingen van kracht worden voor alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en worden de CO2-emissies in g/km van een zwaar bedrijfsvoertuig v, die zijn bepaald voor een in punt 2.1, tabel 2, van bijlage I bedoeld missieprofiel mp, als volgt aangepast:

CO2v,mp = CO2(RP)v,mp x (1+ PLasg,mp x (PLsg,mp – PL(RP)sg,mp))

waarbij:

sg = de subgroep voertuigen waartoe het voertuig v behoort;

CO2(RP)v,mp = de specifieke CO2-emissies van voertuig v in g/km, zoals bepaald voor missieprofiel mp en gebaseerd op de overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde monitoringgegevens voor de referentieperiode;

PL(RP)sg, mp = de waarde van de belasting die is toegekend aan voertuig v in de subgroep voertuigen sg voor het missieprofiel mp in de referentieperiode, overeenkomstig punt 2.5, tabel 3, van bijlage I, voor het vaststellen van de overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde monitoringgegevens voor de rapporteringsperiode;

PLsg, mp = de waarde van de belasting die is toegekend aan voertuigen in de subgroep voertuigen sg voor het missieprofiel mp in de rapporteringsperiode waarin de in artikel 14, lid 1, bedoelde wijzigingen van kracht worden voor alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen overeenkomstig punt 2.5, tabel 3, van bijlage I;

PLasg, mp = de in tabel 5 gedefinieerde aanpassingsfactor voor de belasting.

Tabel 5 — Aanpassingsfactoren voor de belasting PLa sg, mp

PLasg,mp

(in 1/ton)

Missieprofielen mp1

RDL, RDR

REL, RER

LHL, LHR

LEL, LER

UDL, UDR

Voertuig-

sub-

groepen sg

4-UD

0,026

n.v.t.

0,015

n.v.t.

0,026

4-RD

4-LH

5-RD

0,022

0,022

0,017

0,017

0,022

5-LH

9-RD

0,026

0,025

0,015

0,015

0,026

9-LH

10-RD

0,022

0,021

0,016

0,016

0,022

10-LH

1 Zie omschrijvingen van de missieprofielen in punt 2.1 van bijlage I.

2.  Aanpassingsfactoren, bedoeld in artikel 11, lid 2, onder b)

Voor de berekening van de in artikel 1, tweede alinea, bedoelde referentiewaarden van de CO2-emissies worden, onder voorbehoud van artikel 11, lid 2, onder b), de weegfactoren van missieprofielen en de waarden voor belasting gebruikt die van toepassing zijn in de rapporteringsperiode waarin de in artikel 14, lid 2, onder c), bedoelde wijzigingen van kracht worden voor alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen en worden de CO2-emissies in g/km van een zwaar bedrijfsvoertuig v, die zijn bepaald voor een in punt 2.1 van bijlage I bedoeld missieprofiel mp, als volgt aangepast:

CO2v,mp = CO2(RP)v,mp x (∑ r s r,sg x CO2r,mp )/ (∑ r s r,sg x CO2(RP)r,mp )

waarbij

r = de som van alle representatieve voertuigen r voor de subgroep voertuigen sg;

sg = de subgroep voertuigen waartoe het voertuig v behoort;

s r,sg = de statistische weegfactor van representatief voertuig r in de subgroep voertuigen sg;

CO2(RP)v,mp = de specifieke CO2-emissies van voertuig v in g/km, zoals bepaald voor missieprofiel mp en gebaseerd op de overeenkomstig Verordening (EU) 2018/956 gerapporteerde monitoringgegevens voor de referentieperiode;

CO2(RP)r,mp = de specifieke CO2-emissies van representatief voertuig r in g/km, zoals bepaald voor missieprofiel mp overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan, in de referentieperiode waarin de CO2(RP)v,mp zijn vastgesteld;

CO2r,mp = de specifieke CO2-emissies van representatief voertuig r, zoals bepaald voor missieprofiel mp overeenkomstig Verordening (EG) nr. 595/2009 en de uitvoeringsmaatregelen daarvan, in de rapporteringsperiode waarin de in artikel 14, lid 2, van deze Verordening bedoelde wijzigingen van kracht worden voor alle nieuwe zware bedrijfsvoertuigen.

Het representatief voertuig wordt bepaald overeenkomstig de in artikel 14, lid 3, van deze Verordening bedoelde methode.

BIJLAGE BIJ DE WETGEVINGSRESOLUTIE

Verklaring van de Commissie

De Commissie gaat verder met de technische ontwikkeling van de calculator voor de berekening van het energieverbruik van voertuigen (Vecto: Vehicle Energy Consumption Calculation Tool), met het oog op de regelmatige en tijdige actualisering ervan in het licht van innovatie en om rekening te houden met de toepassing van nieuwe technologieën die de brandstofefficiëntie van zware bedrijfsvoertuigen verbeteren.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 286.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 14 november 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0455).
(3)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 286.
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 18 april 2019.
(5)Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L ... van ..., blz. ...).
(6)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in document 2017/0293 (COD) - PE 6/19 in te voegen, en de overeenkomstige voetnoot te vervolledigen.
(7) Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 26).
(8)Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).
(9)Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie van 12 december 2017 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (PB L 349 van 29.12.2017, blz. 1).
(10) Verordening (EU) 2018/956 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende de monitoring en de rapportering van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen (PB L 173 van 9.7.2018, blz. 1).
(11)Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5).
(12) Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1).
(13)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in document 2017/0293 (COD) - PE 6/19 in te voegen.
(14) Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).
(15)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(16)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(17) Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).
(18) Verordening (EU) nr. 510/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (PB L 145 van 31.5.2011, blz. 1).
(19) Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).
(20) Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1).
(21) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(22)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in document 2017/0293 (COD) - PE 6/19 in te voegen.
(23) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(24)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in document 2018/0143(COD) - PE 6/19 in te voegen, en de overeenkomstige voetnoot te vervolledigen.
(25)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in dit document (2018/0143 (COD) - pe 60/19) in te voegen, en de overeenkomstige voetnoot te vervolledigen.
(26)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening opgenomen in dit document (2018/0143(COD) - pe 60/19 in te voegen, en de overeenkomstige voetnoot te vervolledigen.


Bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen ***I
PDF 247kWORD 84k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (COM(2017)0653 – C8-0393/2017 – 2017/0291(COD))
P8_TA-PROV(2019)0427A8-0321/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2017)0653),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 192 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0393/2017),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 april 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio's van 5 juli 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en het advies van de Commissie vervoer en toerisme (A8-0321/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen

P8_TC1-COD(2017)0291


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(4),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(6),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In overeenstemming met de conclusies van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 verbindt de Unie zich ertoe te komen tot een duurzaam, concurrerend, betrouwbaar en koolstofvrij energiesysteem. In de mededeling van de Commissie van 22 januari 2014 getiteld "Een beleidskader voor klimaat en energie in de periode 2020-2030" zijn voor de Unie ambitieuze verbintenissen vastgesteld om de broeikasgasemissies in 2030 met minstens 40 % te beperken in vergelijking met de niveaus van 1990, om het aandeel van hernieuwbare energie tot minstens 27 % te doen stijgen, om een energiebesparing van minstens 27 % te verwezenlijken en om de energiezekerheid, het concurrentievermogen en de duurzaamheid van de Unie te verbeteren. Sindsdien is in Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad(7) vastgesteld dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen minstens 32 % van de bruto eindconsumptie van de Unie moet bedragen tegen 2030, en is in Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad(8) vastgesteld dat de Unie tegen 2030 de nieuwe energie-efficiëntiedoelstelling van minstens 32,5 % moet bereiken.

(2)  In haar mededeling van 20 juli 2016 getiteld "Een Europese strategie voor emissiearme mobiliteit" heeft de Commissie aangekondigd dat de decarbonisatie van de vervoerssector moet worden versneld en dat we tegen het midden van deze eeuw stevig op weg moeten zijn naar een nuluitstoot van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen ten gevolge van vervoer als we de verbintenissen willen naleven die de Unie is aangegaan tijdens de 21ste Conferentie van de partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, die in 2015 in Parijs plaatsvond. Bovendien moeten de emissies van luchtverontreinigende stoffen van het vervoer die schadelijk zijn voor de gezondheid en het milieu zonder aarzelen aanzienlijk worden teruggedrongen. Dat kan worden bereikt door een reeks beleidsinitiatieven, waaronder maatregelen ter ondersteuning van een overgang naar openbaar vervoer en het gebruik van overheidsopdrachten om schone voertuigen te promoten.

(3)  In haar mededeling van 31 mei 2017 getiteld "Europa in beweging: Agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen" benadrukt de Commissie dat een toename van de productie en het gebruik van schone voertuigen, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen en nieuwe mobiliteitsdiensten die baat hebben bij de digitalisering en automatisering in de Unie, tal van voordelen biedt voor de burgers, lidstaten en ondernemingen van de Unie. Die voordelen omvatten veiligere en naadloze mobiliteitsoplossingen en minder blootstelling aan schadelijke verontreinigende emissies. Bovendien bestaat, zoals de Commissie in haar toespraak over de Staat van de Unie van 13 september 2017 stelde, een van de voornaamste doelstellingen van de Unie erin een wereldleider te worden op het gebied van decarbonisatie.

(4)  Zoals aangekondigd in de bedoelde mededeling van de Commissie “Europa in beweging” maakt deze richtlijn deel uit van een tweede pakket aan voorstellen dat de Unie zal helpen om emissiearme mobiliteit tot stand te brengen. Dat pakket, dat werd gepresenteerd in de mededeling van de Commissie van 8 november 2017 getiteld "Invulling geven aan emissiearme mobiliteit - Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt", bevat een combinatie van aanbod- en vraaggerichte maatregelen om de Unie op weg te zetten naar emissiearme mobiliteit en tegelijk de concurrentiekracht van het mobiliteits-ecosysteem in de Unie te versterken. De bevordering van schone voertuigen moet plaatsvinden tegelijk met de verdere ontwikkeling van het openbaar vervoer, als manier om het aantal files te verminderen en daarmee de emissies terug te dringen en de luchtkwaliteit te verbeteren.

(5)  Nieuwe innoverende technologieën helpen de CO2-emissies van voertuigen terug te dringen en de luchtverontreiniging en de geluidshinder te verminderen, en zij dragen bij tot de decarbonisering van de vervoerssector. De emissies van CO2 en bepaalde verontreinigende stoffen (stofdeeltjes, stikstofoxiden en niet-metaanhoudende koolwaterstoffen) zullen afnemen naarmate emissiearme en emissievrije voertuigen meer ingang vinden op de markt, wat zal resulteren in een betere luchtkwaliteit in steden en andere verontreinigde gebieden, en in een groter concurrentievermogen en meer groei van de bedrijfstak van de Unie op de groeiende mondiale markt voor emissiearme en emissievrije voertuigen. De Commissie dient beleidsmaatregelen te nemen die een brede acceptatie door het bedrijfsleven van, en een significante groei van de productiecapaciteit van, dergelijke nieuwe technologieën in alle lidstaten bevorderen, teneinde bij te dragen tot gelijke randvoorwaarden en een evenwichtige ontwikkeling in de hele Unie.

(6)  Marktprognoses gaan ervan uit dat de prijzen van schone voertuigen zullen blijven dalen. Nu reeds zorgen lagere exploitatie- en onderhoudskosten voor meer concurrerende totale gebruikskosten. De verwachte daling van de aanschafkosten zal de beschikbaarheid op en de acceptatie door de markt van schone voertuigen in het volgende decennium verder aanzwengelen.

(7)  Hoewel de Unie een van de toonaangevende regio's is wat betreft onderzoek en hoogwaardige eco-innovatie, herbergt de regio Azië-Stille Oceaan de grootste fabrikanten van batterijen en door batterijen aangedreven elektrische bussen. Daarnaast geldt dat China en de Verenigde Staten leidend zijn bij de wereldwijde marktontwikkelingen op het gebied van door batterijen aangedreven elektrische voertuigen. Een ambitieus beleid van de Unie voor overheidsopdrachten voor schone voertuigen zal helpen om innovatie te stimuleren en het concurrentievermogen en de groei van de industrie van de Unie op de steeds mondialer wordende markt voor schone voertuigen en de bijbehorende technologische infrastructuur verder te bevorderen. Zoals te lezen staat in de mededeling van 3 oktober 2017 getiteld "Succesvolle overheidsopdrachten in en voor Europa" zal de Commissie doorgaan met de inspanningen gericht op het tot stand brengen van een gelijk speelveld en het bevorderen van een betere toegang tot de markten voor overheidsopdrachten in derde landen, waaronder voor de aankoop, leasing, huur of huurkoop van wegvoertuigen.

(8)  Gezien het feit dat de overheidsuitgaven voor goederen, werken en diensten in 2018 ongeveer 16 % van het bbp uitmaakten, kunnen overheidsinstanties via hun beleid inzake overheidsopdrachten markten voor innoverende goederen en diensten bevorderen en ondersteunen. Om dat doel te halen, dienen in Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad(9) heldere en transparante vereisten te worden vastgesteld, waaronder heldere langetermijndoelstellingen voor overheidsopdrachten en een eenvoudige methode voor de berekening daarvan. In Richtlijnen 2014/24/EU(10) en 2014/25/EU(11) van het Europees Parlement en de Raad zijn de minimumregels inzake overheidsopdrachten vastgesteld die aanbestedende diensten en aanbestedende instanties moeten volgen om op gecoördineerde wijze werken, leveringen en diensten aan te besteden. In die richtlijnen zijn met name algemene monetaire drempels vastgesteld om te bepalen welke overheidsopdrachten onder de wetgeving van de Unie inzake overheidsopdrachten moeten vallen. Deze drempels gelden ook voor Richtlijn 2009/33/EG.

(9)  De beschikbaarheid van voldoende infrastructuur voor opladen en tanken is een voorwaarde voor de marktpenetratie van op alternatieve wijze aangedreven voertuigen. Op 8 november 2017 heeft de Commissie een actieplan goedgekeurd ter ondersteuning van de versnelde introductie van infrastructuurvoorzieningen voor alternatieve brandstoffen in de Unie, waaronder meer ondersteuning voor de uitrol van publiekelijk beschikbare infrastructuurvoorzieningen door middel van Uniefondsen en de totstandbrenging van gunstiger voorwaarden voor de overstap op schone voertuigen, waaronder in het openbaar vervoer. De Commissie bekijkt ten laatste op 31 december 2020 hoe het staat met de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad(12) en zij zal een wetgevingsvoorstel indienen voor het wijzigen van die richtlijn indien zij dit op basis van haar beoordeling nodig acht.

(10)  Richtlijn 2009/33/EG vult de horizontale Uniewetgeving inzake overheidsopdrachten aan met duurzaamheidscriteria, teneinde de markt voor schone en energie-efficiënte wegvoertuigen te stimuleren. De Commissie heeft in 2015 een ex-postevaluatie uitgevoerd van Richtlijn 2009/33/EG en kwam tot de conclusie dat die richtlijn er niet voor zorgde dat schone voertuigen sneller ingang vonden op de markt in de Unie, met name wegens tekortkomingen inzake het toepassingsgebied en inzake de bepalingen met betrekking tot de aankoop van voertuigen. De conclusie van die evaluatie was dat die richtlijn slechts een zeer beperkt effect had op de beperking van de emissies van broeikasgassen en verontreinigende stoffen en op de bevordering van het concurrentievermogen van de sector.

(11)  Uit de effectbeoordeling van de Commissie over de herziening van Richtlijn 2009/33/EG blijkt duidelijk dat een wijziging van de algemene beleidsaanpak, waarbij op het niveau van de Unie de overheidsopdrachten verschuiven naar schone voertuigen, tal van voordelen biedt. Het vaststellen van minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten kan daadwerkelijk helpen om de doelstelling een groter marktaandeel van schone voertuigen te bevorderen en te stimuleren, meer dan wanneer externe kosten worden meegenomen in de besluiten tot aanbesteding van overheidsopdrachten; verder wordt er ook op gewezen dat het belangrijk is in alle besluiten tot aanbesteding van overheidsopdrachten rekening te houden met milieuaspecten. De voordelen voor de burgers van de Unie op middellange en lange termijn rechtvaardigen die aanpak ten volle, voor zover aanbestedende diensten en aanbestedende instanties bij de keuze van de te gebruiken technologieën over voldoende flexibiliteit beschikken.

(12)  Door het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/33/EG uit te breiden tot leasing, huur en huurkoop van voertuigen, en tot contracten voor bepaalde diensten, wordt gegarandeerd dat alle relevante aanbestedingspraktijken onder de richtlijn vallen. De diensten die binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallen, zoals openbare vervoersdiensten over de weg, passagiersvervoer over de weg voor speciale doeleinden, niet-geregeld passagiersvervoer alsmede specifieke post- en koerierdiensten en afvalverwijderingsdiensten, zijn diensten waarvan de voertuigen die voor de verrichting ervan worden gebruikt onder de in deze richtlijn bedoelde voertuigcategorieën vallen, en die een belangrijk element in het contract vertegenwoordigen. Die diensten dienen te worden geïdentificeerd aan de hand van hun respectievelijke codes in de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) in de bijlage. Lopende contracten mogen echter niet met terugwerkende kracht door deze richtlijn worden beïnvloed.

(13)  De meeste belanghebbenden zijn voorstander van een definitie van schone voertuigen die rekening houdt met de eisen inzake de vermindering van broeikasgassen en luchtverontreinigende emissies van lichte bedrijfsvoertuigen. Om te garanderen dat er in de Unie passende stimulansen worden gegeven om emissiearme en emissievrije voertuigen sneller ingang te doen vinden op de markt, dienen de in deze richtlijn vastgestelde bepalingen inzake overheidsopdrachten voor dergelijke voertuigen in overeenstemming te worden gebracht met de definitie van emissievrij en emissiearme voertuigen in Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad(13)(14). Maatregelen die in het kader van deze richtlijn worden uitgevoerd, zullen bijdragen tot de naleving van de vereisten van de normen die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2019/...(15). Teneinde de luchtkwaliteit te verbeteren, dienen schone voertuigen beter te presteren dan de minimumvereisten inzake stikstofoxiden (NOx) en ultrafijn stof - deeltjesaantal (Particle Number; PN) op basis van de geldende grenswaarden voor emissies onder reële rijomstandigheden (real-driving emission; RDE). Naast emissievrije voertuigen zijn er op dit moment slechts weinig lichte bedrijfsvoertuigen met luchtverontreinigende emissies van 80 % of minder van de bestaande emissiegrenswaarden. Het aantal van dergelijke voertuigen, en met name van plug-in hybride voertuigen, zal de komende jaren naar verwachting echter toenemen. Een ambitieuzere benadering van overheidsopdrachten kan een significante aanvullende marktprikkel geven.

(14)  Schone zware bedrijfsvoertuigen dienen te worden gedefinieerd aan de hand van het gebruik van alternatieve brandstoffen in overeenstemming met Richtlijn 2014/94/EU. In gevallen waarin voor de voertuigen die het voorwerp van een aanbesteding vormden, biobrandstoffen, synthetische of paraffinehoudende brandstoffen moeten worden gebruikt, dienen de aanbestedende diensten en de aanbestedende instanties door middel van bindende contractclausules of door middel van vergelijkbaar doeltreffende middelen in het kader van de openbareaanbestedingsprocedure te garanderen dat in die voertuigen uitsluitend dergelijke brandstoffen worden gebruikt. Die brandstoffen mogen brandstofadditieven bevatten, zoals het geval is met bijvoorbeeld op ethanol gebaseerde brandstof voor aangepaste dieselmotoren (ED95), maar zij mogen niet worden gemengd met fossiele brandstoffen.

(15)  Om de luchtkwaliteit in steden en gemeenten te verbeteren, is het van cruciaal belang het wagenpark te vervangen door schone voertuigen. Bovendien houden de beginselen van de circulaire economie in dat de levensduur van producten moet worden verlengd. Vandaar dat voertuigen die als gevolg van aanpassingen aan de vereisten voor schone of emissievrije voertuigen voldoen ook dienen te worden meegerekend bij de inspanningen voor het verwezenlijken van de respectieve minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten.

(16)  Lichte en zware bedrijfsvoertuigen worden gebruikt voor verschillende doeleinden en hebben verschillende niveaus van marktvolwassenheid, en het zou nuttig zijn in overheidsopdrachten rekening te houden met deze verschillen. In de effectbeoordeling werd erkend dat de markt voor emissiearme en emissievrije stadsbussen volwassener is geworden, terwijl de markt voor emissiearme en emissievrije vrachtwagens zich nog in een pril stadium bevindt. Vanwege de geringe volwassenheid van de markt voor emissiearme en emissievrije touringcars, de relatief kleine rol van openbare aanbestedingen in dit marktsegment en hun specifieke exploitatievereisten dienen touringcars niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn te vallen. In overeenstemming met de benadering die wordt gevolgd in Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad(16), en in Reglement 107 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, worden voertuigen van categorie M3 met ruimte voor staande passagiers, zodat passagiers vaak kunnen in- en uitstappen, beschouwd als bussen, terwijl voertuigen van categorie M3 met zeer beperkte of geen ruimte voor staande passagiers worden beschouwd als touringcars. Gezien de zeer beperkte markt voor dubbeldekkerbussen en hun specifieke designbeperkingen is het gepast om gedurende de eerste in deze richtlijn bedoelde referentieperiode lagere minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor emissievrije voertuigen van die categorie zware bedrijfsvoertuigen te hanteren in lidstaten waar dubbeldekkerbussen een aanzienlijk deel van de overheidsopdrachten uitmaken.

(17)  Om het opleggen van onevenredige lasten aan overheden en exploitanten te vermijden, dienen de lidstaten overheidsopdrachten voor bepaalde voertuigen met specifieke kenmerken in verband met hun gebruik te kunnen vrijstellen van het bepaalde in deze richtlijn. Die voertuigen omvatten gepantserde voertuigen, ziekenwagens, lijkwagens, rolstoelvriendelijke voertuigen van categorie M1, mobiele kranen, voertuigen specifiek ontworpen en gebouwd om hoofdzakelijk te worden gebruikt op bouwplaatsen of in mijnen, havens of luchthavens, alsook voertuigen specifiek ontworpen en gebouwd of aangepast voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, brandweerdiensten en diensten belast met de handhaving van de openbare orde. Dergelijke aanpassingen kunnen verband houden met de inbouw van specialistische communicatie-apparatuur of noodverlichting. De vereisten van deze richtlijn dienen niet van toepassing te zijn op voertuigen die specifiek ontworpen en gebouwd zijn voor werkzaamheden en niet geschikt voor het vervoer van passagiers of goederen. Het gaat hierbij onder meer om voertuigen voor het onderhoud van wegen, zoals sneeuwschuivers.

(18)  De vaststelling van minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone voertuigen waaraan op het niveau van de lidstaten moet worden voldaan in twee referentieperiodes die eindigen in 2025, respectievelijk in 2030, moet bijdragen tot de beleidszekerheid op markten waar investeringen in emissiearme en emissievrije mobiliteit noodzakelijk zijn. De minimumstreefcijfers ondersteunen de creatie van een markt voor schone voertuigen in de hele Unie. Zij zorgen voor de nodige tijd om de processen voor overheidsopdrachten aan te passen en geven een duidelijk marktsignaal. Bovendien wordt, door op te leggen dat de helft van het minimumstreefcijfer voor bussen die in die referentieperiodes het voorwerp van een aanbesteding uitmaken, door middel van aanbestedingen voor emissievrije bussen moet worden ingevuld, de verbintenis tot decarbonisatie van de vervoersector kracht bijgezet. Er zij op gewezen dat trolleybussen als emissievrije bussen worden beschouwd, op voorwaarde dat zij uitsluitend met elektriciteit worden aangedreven, of dat zij uitsluitend een emissievrije aandrijflijn gebruiken wanneer ze niet op het net aangesloten zijn, en dat ze wanneer dit niet het geval is toch als schone voertuigen worden aangemerkt. In de effectbeoordeling wordt erop gewezen dat steeds meer lidstaten nationale streefcijfers vaststellen, afhankelijk van hun economische capaciteit en de ernst van het probleem. Er moeten verschillende streefcijfers worden vastgesteld voor verschillende lidstaten, al naargelang hun economische capaciteit (bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking) en de blootstelling aan vervuiling (bevolkingsdichtheid in steden). Uit de territoriale effectbeoordeling die voor deze richtlijn is verricht, bleek dat het effect gelijk verspreid zal zijn over de regio's in de Unie.

(19)  De lidstaten dienen over de flexibiliteit te beschikken om de inspanningen gericht op het halen van de minimumstreefcijfers over hun grondgebied te verdelen, met inachtneming van hun grondwettelijk kader en in overeenstemming met de doelstellingen van hun vervoersbeleid. Bij de verdeling van de inspanningen binnen een lidstaat dient met meerdere factoren rekening te worden gehouden, zoals verschillen in economische capaciteit, de luchtkwaliteit, de bevolkingsdichtheid, de kenmerken van het vervoerssysteem, de maatregelen voor het decarboniseren van het vervoer en het verminderen van de luchtvervuiling, en alle andere relevante criteria.

(20)  Voertuigen die aan de uitlaat niets uitstoten, hebben toch een milieuafdruk als gevolg van de emissies van de brandstoftoeleveringsketen, van de extractiefase tot aan de tank, alsook van het productieproces van de onderdelen en de graad van recycleerbaarheid daarvan. Teneinde te voldoen aan de doelstellingen op het gebied van duurzaamheid moeten de milieueffecten van de productie van batterijen binnen de Unie en daarbuiten zoveel mogelijk worden beperkt, met name wat betreft de winning van de grondstoffen voor de productie van batterijen. De bevordering van technologieën die deze uitdaging aanpakken, zoals duurzame en recycleerbare batterijen, kunnen bijdragen tot de algemene duurzaamheid van elektrische voertuigen, door middel van initiatieven als de EU-alliantie voor batterijen en het EU-actieplan voor batterijen en in het kader van de herziening van Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad(17). De mogelijkheid om de CO2-emissies gedurende de hele levenscyclus en de CO2-emissies "van bron tot wiel" van voertuigen weer te geven, moet overwogen worden voor de periode na 2030, rekening houdend met de relevante bepalingen in het Unierecht voor de berekening daarvan op dat moment.

(21)  In zijn aanbeveling aan de Raad en de Commissie van 4 april 2017 naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector(18) verzocht het Europees Parlement de lidstaten om groen beleid inzake overheidsopdrachten te stimuleren waarbij overheidsinstanties emissievrije voertuigen en zeer emissiearme voertuigen aankopen voor hun eigen wagenpark of voor openbare of semi-openbare autodeelprogramma's, en om nieuwe CO2-uitstotende auto's tegen 2035 te verwijderen.

(22)  Het effect zal het grootst zijn indien overheidsopdrachten voor schone voertuigen gericht worden op gebieden met relatief veel luchtverontreiniging en geluidshinder. De overheden van de lidstaten worden aangespoord om vooral op dergelijke gebieden te focussen bij de tenuitvoerlegging van binnenlandse minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten. De overheden worden er ook toe aangemoedigd om maatregelen te nemen zoals het ter beschikking stellen van voldoende financiële middelen aan aanbestedende diensten en aanbestedendeinstanties, om te vermijden dat de kosten voor het voldoen aan de minimumvereisten voor overheidsopdrachten als vaastgesteld in deze richtlijn tot duurdere kaartjes voor consumenten of tot een kleiner aanbod van openbaarvervoersdiensten leiden, of de ontwikkeling van ander schoon vervoer dan wegvervoer, zoals de tram en de metro, belemmeren. De overheden dienen de in dit verband genomen maatregelen op te nemen in hun verslagen in het kader van deze richtlijn. Om onevenredige lasten te voorkomen en de potentiële resultaten van deze richtlijn te optimaliseren, moet de overheden passende technische bijstand worden verleend.

(23)  Slechts een klein deel van de emissies van de vervoerssector is aan het openbaar vervoer toe te schrijven. Teneinde de decarbonisatie van de vervoerssector verder te bevorderen, de luchtkwaliteit te verbeteren en een gelijk speelveld tussen de verschillende exploitanten te handhaven, kunnen de lidstaten, met inachtneming van het Unierecht, besluiten om vergelijkbare vereisten op te leggen aan particuliere exploitanten en diensten die niet onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, zoals taxi-, autoverhuur- en ride-pooling-bedrijven.

(24)  Levenscycluskosten zijn voor aanbestedende diensten en aanbestedende instanties een belangrijk instrument om rekening te houden met de energie- en milieukosten gedurende de volledige levenscyclus van een voertuig, met inbegrip van de kosten van broeikasgasemissies en andere verontreinigende stoffen, op basis van een relevante methode om de geldwaarde ervan te bepalen. Gezien het schaarse gebruik van de in Richtlijn 2009/33/EG voorgeschreven methode om de operationele levenscycluskosten te berekenen en de informatie die aanbestedende diensten en aanbestedende instanties hebben verstrekt over het gebruik van eigen methoden, die afgestemd zijn op hun specifieke omstandigheden en behoeften, dient geen methode naar voren te worden geschoven die verplicht moet worden gebruikt, maar moeten de aanbestedende diensten en aanbestedende instanties kunnen kiezen welke methode voor de berekening van de levenscycluskosten zij willen gebruiken om hun aanbestedingsprocessen te ondersteunen, op basis van de criteria betreffende de inschrijver die de economisch meest voordelige inschrijving heeft ingediend, zoals beschreven in artikel 67 van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 82 van Richtlijn 2014/25/EU, met inachtneming van de kosteneffectiviteit over de hele levenscyclus van het voertuig, alsook milieu- en sociale aspecten.

(25)  De verslagen over overheidsopdrachten in het kader van deze richtlijn moeten een duidelijk marktoverzicht bevatten, teneinde effectieve monitoring van de tenuitvoerlegging ervan mogelijk te maken. Uiterlijk ... [36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzingsrichtlijn] dienen de lidstaten voor het eerst tussentijds informatie bij de Commissie in te dienen; het eerste alomvattende verslag over de tenuitvoerlegging van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten moet voor het eerst in 2026, en daarna om de drie jaar worden ingediend. De deadlines dienen te worden afgestemd met de bestaande rapporteringsverplichtingen in het kader van de Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU. Om de administratieve lasten voor overheidsorganen tot een minimum te beperken en een doeltreffend marktoverzicht op te stellen, moet vereenvoudigde rapportering worden bevorderd. De Commissie zal oplossingen bieden voor de registratie en monitoring in het kader van de Tenders Electronic Daily-gegevensbank, en zal zorgen voor alomvattende rapportering over emissiearme en emissievrije voertuigen en andere voertuigen op alternatieve brandstoffen in het kader van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten van de Unie. Specifieke codes in de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten zullen helpen bij de registratie en monitoring in de Tenders Electronic Daily-gegevensbank.

(26)  Door gerichte openbare steunmaatregelen te nemen op het niveau van de lidstaten en de Unie kan de marktopname van schone voertuigen en de voor deze voertuigen benodigde infrastructuur verder worden ondersteund. Zulke maatregelen behelzen een grotere inzet van fondsen van de Unie voor ondersteuning van de vernieuwing van de publieke vervoerswagenparken en een betere uitwisseling van kennis en afstemming van aanbestedingen om acties mogelijk te maken op een schaal die groot genoeg is om de kosten te drukken en een effect te hebben op de markt. De mogelijkheid van overheidssteun ter bevordering van de ontwikkeling van de infrastructuur die nodig is voor de distributie van alternatieve brandstoffen wordt erkend in de Richtsnoeren staatssteun ten behoeve van milieubescherming en energie 2014-2020(19). De bepalingen van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in het bijzonder de artikelen 107 en 108, blijven echter van toepassing op dergelijke staatssteun.

(27)  Gerichte ondersteuningsmaatregelen voor overheidsopdrachten voor schone voertuigen kunnen aanbestedende diensten en aanbestedende instanties helpen. In het kader van het huidige meerjarig financieel kader (MFK) voor 2014-2020 beschikt de Unie reeds over een reeks verschillende fondsen om lidstaten, lokale overheden en betrokken exploitanten te ondersteunen bij hun overgang naar duurzame mobiliteit. Met name de Europese structuur- en investeringsfondsen zijn een belangrijke financieringsbron voor projecten op het gebied van stedelijke mobiliteit. Horizon 2020, het bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad(20) opgerichte onderzoeksprogramma van de Unie, verstrekt financiering voor onderzoeks- en innovatieprojecten op het gebied van stedelijke mobiliteit en slimme steden en gemeenten, terwijl de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, opgericht bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad(21), steun verstrekt voor de ontwikkeling van relevante infrastructuur op stedelijke knooppunten. De introductie van een definitie van schone voertuigen en de vaststelling van minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten daarvoor in deze richtlijn kunnen bijdragen tot een nog gerichter gebruik van de financiële instrumenten van de Unie, onder meer in het volgende MFK voor de periode 2021-2027. Deze ondersteuningsmaatregelen zullen de hoge kosten van de aanvangsinvesteringen voor de infrastructurele wijzigingen helpen verminderen en helpen bijdragen tot de decarbonisatie van de vervoerssector.

(28)  Teneinde er mede voor te zorgen dat de potentiële voordelen volledig worden benut, moet de Commissie de lidstaten informeren over de verschillende Uniefondsen die kunnen worden gebruikt, en moet ze de uitwisseling van kennis en goede praktijken tussen de lidstaten faciliteren en structureren, ter bevordering van de aankoop, leasing, huur of huurkoop van schone en energiezuinige wegvoertuigen door aanbestedende diensten en aanbestedende instanties. De Commissie moet ook technische en financiële adviesdiensten blijven verstrekken aan plaatselijke autoriteiten en exploitanten door middel van instrumenten zoals de Europese investeringsadvieshub, JASPERS en JESSICA. Die bijstand moet er onder meer in bestaan dat zij aanbestedende diensten en aanbestedende instanties aanmoedigt de handen ineen te slaan bij gemeenschappelijke aanbesteding van emissiearme en energiezuinige wegvoertuigen, teneinde schaalvoordelen te bewerkstelligen en bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van deze richtlijn.

(29)  Om de effecten van de investeringen te maximaliseren, dient de mobiliteits- en stadsplanning beter te worden gecoördineerd, bijvoorbeeld met behulp van duurzame stedelijke mobiliteitsplanning (sustainable urban mobility plans, SUMP's). SUMP's zijn plannen die over verschillende beleidsterreinen heen en in samenwerking met verschillende bestuursniveaus ontwikkeld zijn en waarin verschillende vervoerswijzen, verkeersveiligheid, goederenvervoer, mobiliteitsbeheer en intelligente vervoerssystemen worden gecombineerd. SUMP's kunnen een belangrijke rol spelen in het behalen van de streefcijfers van de Unie inzake verminderingen van CO2-emissies, geluidshinder en luchtvervuiling.

(30)  Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend voor het vaststellen van het gemeenschappelijke format voor de verslagen van de lidstaten en de wijze van indiening daarvan. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(22).

(31)  Uiterlijk op 31 december 2027 dient de Commissie de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2009/33/EG aan een evaluatie te onderwerpen. Die evaluatie dient, indien passend, vergezeld te gaan van een wetgevingsvoorstel tot wijziging van die richtlijn voor de periode na 2030, waaronder voor het vaststellen van nieuwe ambitieuze streefcijfers en voor het aan het toepassingsgebied toevoegen van andere categorieën voertuigen, zoals voertuigen van categorie L en bouwmachines. In de context van deze evaluatie dient de Commissie ook te beoordelen of het mogelijk is deze richtlijn af te stemmen op enige in het kader van de Uniale CO2-emissienormen voor voertuigen ontwikkelde methode voor het berekenen van CO2-emissies gedurende de hele levenscyclus en de CO2-emissies "van bron tot wiel", en of duurzame en recycleerbare batterijen alsook het gebruik van banden van klasse A en hernieuwde banden kunnen worden bevorderd.

(32)  Hoewel de in deze richtlijn vastgestelde minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten niet voor de instellingen van de Unie gelden, is het wenselijk dat de instellingen van de Unie het goede voorbeeld geven.

(33)  Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk langs de vraagzijde stimulansen geven voor schone voertuigen en zo een overgang naar emissiearme mobiliteit ondersteunen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege een gemeenschappelijk beleidskader op lange termijn en om schaalredenen, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VWEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te bereiken.

(34)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(23) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(35)  Richtlijn 2009/33/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2009/33/EG

Richtlijn 2009/33/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)  de titel wordt vervangen door:"

"Richtlijn 2009/33/EG inzake de bevordering van schone wegvoertuigen ter ondersteuning van emissiearme mobiliteit";

"

2)  artikel 1 wordt vervangen door:"

"Artikel 1

Onderwerp en doelstellingen

Op grond van deze richtlijn moeten de lidstaten verzekeren dat aanbestedende diensten en aanbestedende instanties bij de aanbesteding van bepaalde wegvoertuigen rekening houden met energie- en milieueffecten tijdens de volledige levensduur, met inbegrip van energieverbruik en emissies van CO2 en bepaalde verontreinigende stoffen, teneinde de markt voor schone en energiezuinige voertuigen te bevorderen en de bijdrage van de vervoerssector aan het milieu-, klimaat- en energiebeleid van de Unie te verbeteren.";

"

3)  artikel 2 wordt vervangen door:"

"Artikel 2

Vrijstellingen

De lidstaten kunnen de voertuigen als bedoeld in artikel 2, lid 2, onder d), en lid 3, onder a) en b), van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad* en in de punten 5.2 tot en met 5.5 en punt 5.7 van deel A van bijlage I bij die verordening vrijstellen van de vereisten van deze richtlijn.

_____________

* Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PB L 151 van 14.6.2018, blz. 1).";

"

4)  artikel 3 wordt vervangen door:"

"Artikel 3

Werkingssfeer

1.  Deze richtlijn is van toepassing op aanbestedingen door middel van:

   a) overeenkomsten voor de aankoop, leasing, huur of huurkoop van wegvoertuigen gegund door aanbestedende diensten of aanbestedende instanties, voor zover zij verplicht zijn de in de Richtlijnen 2014/24/EU* en 2014/25/EU** van het Europees Parlement en de Raad bedoelde procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten toe te passen;
   b) openbaredienstencontracten in de zin van Verordening (EG) nr. 1370/2007*** van het Europees Parlement en de Raad ter verlening van diensten voor het vervoer van personen over de weg boven een door de lidstaten vast te stellen drempel die niet hoger mag liggen dan de toepasselijke drempelwaarde als bedoeld in artikel 5, lid 4, van die verordening;
   c) dienstencontracten zoals uiteengezet in tabel 1 van de bijlage bij deze richtlijn, voor zover de aanbestedende diensten of aanbestedende instanties verplicht zijn de in de Richtlijn 2014/24/EU en 2014/25/EU bedoelde procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten toe te passen.

Deze richtlijn is enkel van toepassing op contracten waarvoor een oproep tot mededinging is verzonden na ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] of, in gevallen waarin niet in een oproep tot mededinging is voorzien, waarvoor de aanbestedende dienst of aanbestedende instantie de procedure voor het plaatsen van de overheidsopdracht na die datum is begonnen.

2.  Deze richtlijn is niet van toepassing op:

   a) voertuigen zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), b) en c), en lid 3, onder c), van Verordening (EU) 2018/858;
   b) voertuigen van categorie M3 andere dan voertuigen van klasse I en klasse A als gedefinieerd in artikel 3, punten 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad****.

_______________

* Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).

** Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

*** Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).

**** Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).”;

"

5)  artikel 4 wordt vervangen door:"

"Artikel 4

Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

   1) "aanbestedende diensten": aanbestedende diensten als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 3 van Richtlijn 2014/25/EU;
   2) "aanbestedende instanties": aanbestedende instanties als gedefinieerd in artikel 4 van Richtlijn 2014/25/EU;
   3) "wegvoertuig": een voertuig van categorie M of N als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EU) 2018/858;
   4) "schoon voertuig":
   a) een voertuig van categorie M1, M2 of N1 met een maximale uitlaatemissie, uitgedrukt in gram CO2/km, en verontreinigende emissies in echte rijomstandigheden die lager zijn dan een percentage van de in tabel 2 van de bijlage vastgestelde toepasselijke emissiegrenzen; of
   b) een voertuig van categorie M3, N2 of N3 dat alternatieve brandstoffen gebruikt als gedefinieerd in artikel 2, punten 1 en 2, van Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad*, met uitzondering van brandstoffen geproduceerd met grondstoffen met een hoog risico op indirecte veranderingen in landgebruik waarvoor een belangrijke uitbreiding van het productiegebied naar land met hoge koolstofvoorraden waar te nemen valt in overeenstemming met artikel 26 van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad**. In het geval van voertuigen die vloeibare biobrandstoffen, synthetische brandstoffen en paraffinehoudende brandstoffen gebruiken, mogen die brandstoffen niet worden gemengd met conventionele fossiele brandstoffen;
   5) "emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig": een schoon voertuig als gedefinieerd in punt 4, onder b), van dit artikel zonder interne verbrandingsmotor, of met een interne verbrandingsmotor met emissies van minder dan 1 g CO2/kWh als gemeten in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad*** en de uitvoeringsbepalingen daarvan, of met emissies van minder dan 1 g CO2/km als gemeten in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad**** en de uitvoeringsbepalingen daarvan.

_____________

* Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).

** Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).

*** Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1).

**** Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1).";

"

6)  artikel 5 wordt vervangen door:"

"Artikel 5

Minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten

1.  De lidstaten zien erop toe dat de aanbesteding van voertuigen en diensten als vermeld in artikel 3 van deze richtlijn in overeenstemming is met de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone lichte bedrijfsvoertuigen als vastgesteld in tabel 3 van de bijlage en voor schone zware bedrijfsvoertuigen als vastgesteld in tabel 4 van de bijlage. Die streefcijfers worden uitgedrukt als een minimumpercentage aan schone voertuigen van het totale aantal wegvoertuigen in alle contracten als vermeld in artikel 3, toegekend tussen ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] en 31 december 2025 voor de eerste referentieperiode, en tussen 1 januari 2026 en 31 december 2030 voor de tweede referentieperiode.

2.  Bij de berekening van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten wordt uitgegaan van de datum waarop de openbare aanbestedingsprocedure door middel van de gunning van de opdracht wordt afgerond.

3.  Voertuigen die als gevolg van aanpassingen voldoen aan de definitie van schoon voertuig van punt 4 van artikel 4, of van emissievrij zwaar bedrijfsvoertuig van punt 5 van artikel 4, mogen voor de inachtneming van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten als schone voertuigen, respectievelijk emissievrije zware bedrijfsvoertuigen worden meegerekend.

4.  In het geval van overeenkomsten als vermeld in artikel 3, lid 1, onder a), wordt voor het beoordelen van de naleving van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten rekening gehouden met het aantal wegvoertuigen onder elk contract voor aankoop, leasing, huur of huurkoop.

5.  In het geval van contracten als vermeld in artikel 3, lid 1, onder b) en c), wordt voor het beoordelen van de naleving van de minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten rekening gehouden met het aantal wegvoertuigen die worden gebruikt voor de verstrekking van de diensten in het kader van elk contract.

6.  Indien voor de periode na 1 januari 2030 geen nieuwe streefcijfers vastgesteld worden, blijven voor daaropvolgende perioden van vijf jaar de streefcijfers van de tweede referentieperiode gelden, die in overeenstemming met de leden 1 tot en met 5 worden berekend.

7.  De lidstaten mogen hogere nationale streefcijfers toepassen of strengere vereisten hanteren dan die welke in de bijlage zijn vermeld, of hun aanbestedende diensten of aanbestedende instanties toestaan dat te doen.";

"

7)  de artikelen 6 en 7 worden geschrapt;

8)  artikel 8 wordt vervangen door:"

"Artikel 8

Uitwisseling van kennis en goede praktijken

De Commissie faciliteert en structureert de uitwisseling van kennis en goede praktijken tussen de lidstaten met betrekking tot de bevordering van de aanbesteding van schone en energiezuinige wegvoertuigen door de aanbestedende diensten en aanbestedende instanties.";

"

9)  artikel 9 wordt vervangen door:"

"Artikel 9

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 9 van Richtlijn 2014/94/EU ingestelde comité.

Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad*.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is lid 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

3.  Wanneer het advies van het comité via de schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.

_______________

* Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de voorschriften en algemene beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).";

"

10)  artikel 10 wordt vervangen door:"

"Artikel 10

Rapportage en herziening

1.  De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk ...[36 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] in kennis van de maatregelen die zij hebben genomen voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, alsook van de toekomstige tenuitvoerleggingsactiviteiten die zij voornemens zijn te ondernemen, waaronder de timing en de eventuele verdeling van de inspanningen over de verschillende bestuursniveaus, alsmede van alle andere informatie die zij relevant achten.

2.   De lidstaten dienen uiterlijk op 18 april 2026 en vervolgens om de drie jaar een verslag over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn in bij de Commissie. Die verslagen vergezellen de verslagen als bedoeld in artikel 83, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2014/24/EU en artikel 99, lid 3, tweede alinea, van Richtlijn 2014/25/EU, en bevatten informatie over de maatregelen die zijn genomen om deze richtlijn ten uitvoer te leggen, over toekomstige tenuitvoerleggingsactiviteiten en alle andere informatie die de lidstaat relevant acht. Die verslagen bevatten ook het aantal en de categorieën voertuigen die onder de in artikel 3, lid 1, van deze richtlijn vermelde contracten vallen, gebaseerd op de door de Commissie in overeenstemming met lid 3 van dit artikel verstrekte gegevens. Deze informatie wordt ingedeeld volgens de categorieën van Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad*.

3.  Teneinde de lidstaten te ondersteunen bij het voldoen aan hun rapportageverplichtingen verzamelt en publiceert de Commissie het aantal en de categorieën voertuigen onder de contracten als vermeld in artikel 3, lid 1, onder a) en c), van deze richtlijn door de desbetreffende gegevens te extraheren uit de aankondigingen van gegunde opdrachten in de Tenders Electronic Daily-gegevensbank (TED-gegevensbank) in overeenstemming met de Richtlijnen 2014/24/EU en 2014/25/EU.

4.  Uiterlijk op 18 april 2027, en vervolgens om de drie jaar, dient de Commissie een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, waarin ze specificeert welke maatregelen de lidstaten in dit verband hebben genomen, na de in lid 2 bedoelde verslagen.

5.   Uiterlijk op 31 december 2027 evalueert de Commissie de tenuitvoerlegging van deze richtlijn en presenteert ze, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel voor de wijziging ervan voor de periode na 2030, inclusief voor de vaststelling van nieuwe streefcijfers en voor de opname van andere categorieën voertuigen binnen het toepassingsgebied van de richtlijn, zoals twee- en driewielers.

6.  De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast in overeenstemming met artikel 9, lid 2, met het formaat van de in lid 2 van dit artikel bedoelde verslagen en de wijze van indiening daarvan.

__________________

* Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) (PB L 340 van 16.12.2002, blz. 1).";

"

11)  de bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

"BIJLAGE

Informatie voor de tenuitvoerlegging van minimumstreefcijfers voor overheidsopdrachten voor schone wegvoertuigen, ter ondersteuning van emissiearme mobiliteit in de lidstaten

Tabel 1: In artikel 3, lid 1, onder c), bedoelde codes van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten voor diensten

Code van de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten

Beschrijving

60112000-6

Openbaarvervoersdiensten

60130000-8

Diensten voor speciaal personenvervoer over land

60140000-1

Personenvervoer zonder dienstregeling

90511000-2

Diensten voor ophalen van vuilnis

60160000-7

Postvervoer over de weg

60161000-4

Pakketvervoer

64121100-1

Postbezorging

64121200-2

Pakketbezorging

Tabel 2: Emissiedrempels voor schone lichte bedrijfsvoertuigen

Voertuigcategorieën

Tot en met 31 december 2025

Vanaf 1 januari 2026

 

CO2 g/km

RDE-emissies van luchtverontreinigende stoffen*, uitgedrukt als percentage van de emissiegrenswaarden**

CO2 g/km

RDE-emissies van luchtverontreinigende stoffen*, uitgedrukt als percentage van de emissiegrenswaarden**

M1

50

80 %

0

n.v.t.

M2

50

80 %

0

n.v.t.

N1

50

80 %

0

n.v.t.

* Opgegeven maximale emissies onder reële rijomstandigheden (RDE) van stofdeeltjes (Particle Number; PN) in #/km en stikstofoxiden (NOx) in mg/km als vermeld in punt 48.2 van het conformiteitscertificaat, als bedoeld in bijlage IX bij Richtlijn 2007/46/EG voor zowel complete als stedelijke RDE-ritten.

** De toepasselijke emissiegrenswaarde neergelegd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 715/2007 of de opvolgingsinstrumenten daarvan.

Tabel 3: Minimumstreefcijfer voor overheidsopdrachten voor het aandeel schone lichte bedrijfsvoertuigen overeenkomstig tabel 2 in het totale aantal lichte bedrijfsvoertuigen onder de in artikel 3 vermelde contracten per lidstaat

Lidstaat

Van ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] tot en met 31 december 2025

Van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030

Luxemburg

38,5 %

38,5 %

Zweden

38,5 %

38,5 %

Denemarken

37,4 %

37,4 %

Finland

38,5 %

38,5 %

Duitsland

38,5 %

38,5 %

Frankrijk

37,4 %

37,4 %

Verenigd Koninkrijk

38,5 %

38,5 %

Nederland

38,5 %

38,5 %

Oostenrijk

38,5 %

38,5 %

België

38,5 %

38,5 %

Italië

38,5 %

38,5 %

Ierland

38,5 %

38,5 %

Spanje

36,3 %

36,3 %

Cyprus

31,9 %

31,9 %

Malta

38,5 %

38,5 %

Portugal

29,7 %

29,7 %

Griekenland

25,3 %

25,3 %

Slovenië

22 %

22 %

Tsjechië

29,7 %

29,7 %

Estland

23,1 %

23,1 %

Slowakije

22 %

22 %

Litouwen

20,9 %

20,9 %

Polen

22 %

22 %

Kroatië

18,7 %

18,7 %

Hongarije

23,1 %

23,1 %

Letland

22 %

22 %

Roemenië

18,7 %

18,7 %

Bulgarije

17,6 %

17,6 %

Tabel 4: Minimumstreefcijfer voor overheidsopdrachten voor het aandeel schone zware bedrijfsvoertuigen in het totale aantal zware bedrijfsvoertuigen onder de in artikel 3 vermelde contracten per lidstaat*

Lidstaat

Vrachtwagens (voertuigcategorie N2 en N3)

Bussen (voertuigcategorie M3)*

 

Van ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] tot en met 31 december 2025

Van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030

Van ... [24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] tot en met 31 december 2025

Van 1 januari 2026 tot en met 31 december 2030

Luxemburg

10 %

15 %

45 %

65 %

Zweden

10 %

15 %

45 %

65 %

Denemarken

10 %

15 %

45 %

65 %

Finland

9 %

15 %

41 %

59 %

Duitsland

10 %

15 %

45 %

65 %

Frankrijk

10 %

15 %

43 %

61 %

Verenigd Koninkrijk

10 %

15 %

45 %

65 %

Nederland

10 %

15 %

45 %

65 %

Oostenrijk

10 %

15 %

45 %

65 %

België

10 %

15 %

45 %

65 %

Italië

10 %

15 %

45 %

65 %

Ierland

10 %

15 %

45 %

65 %

Spanje

10 %

14 %

45 %

65 %

Cyprus

10 %

13 %

45 %

65 %

Malta

10 %

15 %

45 %

65 %

Portugal

8 %

12 %

35 %

51 %

Griekenland

8 %

10 %

33 %

47 %

Slovenië

7 %

9 %

28 %

40 %

Tsjechië

9 %

11 %

41 %

60 %

Estland

7 %

9 %

31 %

43 %

Slowakije

8 %

9 %

34 %

48 %

Litouwen

8 %

9 %

42 %

60 %

Polen

7 %

9 %

32 %

46 %

Kroatië

6 %

7 %

27 %

38 %

Hongarije

8 %

9 %

37 %

53 %

Letland

8 %

9 %

35 %

50 %

Roemenië

6 %

7 %

24 %

33 %

Bulgarije

7 %

8 %

34 %

48 %

* De helft van het minimumstreefcijfer voor het aandeel schone bussen moet worden vervuld via de aanbesteding van emissievrije bussen als gedefinieerd in punt 5 van artikel 4. Dit vereiste wordt verlaagd tot een kwart van het minimumstreefcijfer voor de eerste referentieperiode indien meer dan 80 % van de bussen onder alle contracten als vermeld in artikel 3 die in die periode in een lidstaat worden gegund, dubbeldekkerbussen zijn."

(1) PB C 262 van 25.7.2018, blz. 58.
(2) PB C 387 van 25.10.2018, blz. 70.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 25 oktober 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0424).
(4)PB C 262, 25.7.2018, blz. 58.
(5)PB C 387, 25.10.2018, blz. 70.
(6)Standpunt van het Europees Parlement van 18 april 2019.
(7) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(8)Richtlijn (EU) 2018/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot wijziging van Richtlijn 2012/27/EG van de Raad betreffende het storten van afvalstoffen (PB L 328, 21.12.2018, blz. 210).
(9)Richtlijn 2009/33/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de bevordering van schone en energiezuinige wegvoertuigen (PB L 120 van 15.5.2009, blz. 5).
(10)Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(11)Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(12)Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).
(13)Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad van... tot vaststelling van CO2-emissienormen voor nieuwe personenauto's en nieuwe lichte bedrijfsvoertuigen, en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 443/2009 en (EU) nr. 510/2011 (PB L ...)
(14)+ PB: gelieve in de tekst het nummer van de verordening in document PE-CONS 6/19 (2017/0293(COD)) in te voegen, alsook in de voetnoot het nummer, de datum, de titel en de PB-vindplaats van die verordening.
(15)++ PB: gelieve in de tekst het volgnummer van de verordening vervat in document PE-CONS 6/19 (2017/0293(COD)) in te voegen.
(16) Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).
(17)Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu's, alsook afgedankte batterijen en accu's en tot intrekking van Richtlijn 91/157/EEG (PB L 266 van 26.9.2006, blz. 1).
(18)PB C 298 van 23.8.2018, blz. 140.
(19)PB C 200 van 28.6.2014, blz. 1.
(20) Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 - het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).
(21) Verordening (EU) nr. 1316/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van de financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 913/2010 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 680/2007 en (EG) nr. 67/2010 (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 129).
(22)Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(23)PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


Gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht ***I
PDF 295kWORD 81k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2017/1132/EU met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht (COM(2018)0239 – C8-0166/2018 – 2018/0113(COD))
P8_TA-PROV(2019)0428A8-0422/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0239),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 50, lid 1, en artikel 50, lid 2, onder b), c), f) en g), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0166/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 14 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken (A8-0422/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is ingrijpende wijzigingen in haar voorstel aan te brengen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot het gebruik van digitale instrumenten en processen in het kader van het vennootschapsrecht

P8_TC1-COD(2018)0113


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 50, lid 1, en artikel 50, lid 2, onder b), c), f) en g),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad(4) bevat onder meer voorschriften inzake openbaarmaking en inzake de koppeling van de centrale handels- en vennootschapsregisters van de lidstaten.

(2)  Voor de doeltreffende werking, modernisering en administratieve stroomlijning van een concurrerende eengemaakte markt en voor het concurrentievermogen en de betrouwbaarheid van vennootschappen is het onder meer noodzakelijk dat het opstarten van een economische activiteit, via het oprichten van een vennootschap of het openen van een bijkantoor van die vennootschap in een andere lidstaat, gemakkelijker, sneller en tijd- en kosteneffectiever zijn beslag krijgt door middel van het gebruik van digitale instrumenten en processen, en dat in uitgebreide en toegankelijke informatie over vennootschappen wordt voorzien.

(3)  Om te zorgen voor een juridische en administratieve omgeving die aansluit bij de nieuwe sociale en economische uitdagingen van mondialisering en digitalisering is het enerzijds van essentieel belang de noodzakelijke bescherming tegen misbruik en fraude te bieden en anderzijds doelstellingen na te streven zoals de bevordering van economische groei, het scheppen van banen en het aantrekken van investeringen in de Unie, wat allemaal economische en sociale voordelen zou opleveren voor de samenleving als geheel.

(4)  Er bestaan momenteel aanzienlijke verschillen tussen de lidstaten wat betreft de beschikbaarheid van online instrumenten die het ondernemers en vennootschappen mogelijk maken om met de autoriteiten te communiceren over vennootschapsrechtelijke aangelegenheden. E-overheidsdiensten verschillen van lidstaat tot lidstaat. Sommige lidstaten voorzien in uitgebreide en gebruiksvriendelijke diensten die volledig online beschikbaar zijn, terwijl andere lidstaten niet in staat zijn om in bepaalde belangrijke fasen van de levenscyclus van een vennootschap online oplossingen te bieden. Zo kan de oprichting van vennootschappen of de indiening van wijzigingen in documenten en informatie bij het register in sommige lidstaten uitsluitend in fysieke aanwezigheid plaatsvinden, in sommige lidstaten zowel in fysieke aanwezigheid als online en in andere lidstaten uitsluitend online.

(5)  Voorts bepaalt het Unierecht ten aanzien van de toegang tot vennootschapsinformatie dat een minimum aan gegevens altijd kosteloos moet worden verstrekt. De omvang van dergelijke informatie blijft echter beperkt. De toegang tot dergelijke informatie loopt uiteen: in sommige lidstaten is er meer informatie kosteloos beschikbaar dan in andere. Binnen de Unie is hierdoor sprake van een zekere onevenwichtigheid.

(6)  De Commissie heeft in haar mededeling over “een strategie voor een digitale eengemaakte markt voor Europa” en in haar mededeling "EU-actieplan inzake e-overheid 2016-2020 – Voor een snellere digitalisering van overheidsdiensten" benadrukt dat de overheid het bedrijven gemakkelijker moet maken hun activiteiten op te starten, online uit te voeren en over de grenzen heen uit te breiden. In het EU-actieplan inzake e-overheid werd met name benadrukt hoe belangrijk het is om in het kader van de naleving van vereisten op het gebied van het vennootschapsrecht beter gebruik te maken van digitale instrumenten. Voorts hebben de lidstaten in de Verklaring van Tallinn van 6 oktober 2017 over e-overheid met klem ertoe opgeroepen om in de Unie meer werk te maken van efficiënte, gebruikersgerichte elektronische procedures.

(7)  Als gevolg van de operationele koppeling van de centrale handels- en vennootschapsregisters van de lidstaten in juni 2017 is de grensoverschrijdende toegang tot vennootschapsinformatie in de Unie aanzienlijk vergemakkelijkt en kunnen de registers van de lidstaten elektronisch met elkaar communiceren over bepaalde grensoverschrijdende handelingen die van invloed zijn op vennootschappen.

(8)  Om de oprichting van vennootschappen en de registratie van ▌hun bijkantoren te vergemakkelijken en om de met de registratie gepaard gaande kosten, tijd en administratieve lasten te verminderen, met name voor kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (kmo's) in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie(5), moet worden voorzien in procedures waarmee de oprichting van vennootschappen en de registratie van bijkantoren volledig online kan worden verricht. Deze richtlijn mag vennootschappen niet verplichten dergelijke procedures te volgen. De lidstaten moeten evenwel kunnen besluiten sommige of alle online procedures verplicht te stellen. De huidige kosten en lasten die verband houden met de oprichtings- en registratieprocedures vloeien niet alleen voort uit de administratieve vergoedingen voor de oprichting van een vennootschap of voor de registratie van een bijkantoor, maar ook uit andere vereisten die het proces vertragen, met name wanneer de fysieke aanwezigheid van de aanvrager ▌vereist is. Bovendien moet informatie over zulke procedures online en kosteloos beschikbaar worden gesteld.

(9)  Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad(6) tot oprichting van één digitale toegangspoort bevat algemene regels inzake het online verstrekken van informatie, procedures en diensten voor ondersteuning met relevantie voor de werking van de interne markt. Bij onderhavige richtlijn worden specifieke regels vastgesteld inzake de oprichting van kapitaalvennootschappen, de registratie van bijkantoren en de indiening van documenten en informatie door vennootschappen en bijkantoren (online procedures"), hetgeen niet onder die verordening valt. Meer bepaald moeten de lidstaten specifieke informatie over de online procedures als bedoeld in deze richtlijn en modellen van oprichtingsakten (modellen) verstrekken op de websites die toegankelijk zijn via de digitale toegangspoort ▌.

(10)  Door het mogelijk te maken de oprichting van vennootschappen, de registratie van ▌bijkantoren en de indiening van documenten en informatie volledig online te doen worden vennootschappen in de gelegenheid gesteld om in hun contacten met bevoegde autoriteiten van de lidstaten gebruik te maken van digitale instrumenten. Om het vertrouwen te vergroten, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat zowel hun eigen onderdanen als grensoverschrijdende gebruikers overeenkomstig Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad gebruik kunnen maken van beveiligde elektronische identificatie en vertrouwensdiensten. Voorts moeten zij, met het oog op grensoverschrijdende elektronische identificatie, stelsels voor elektronische identificatie opzetten die voorzien in toegestane elektronische identificatiemiddelen. Dergelijke nationale stelsels kunnen dan worden gebruikt als basis voor de erkenning van elektronische identificatiemiddelen die zijn uitgegeven in een andere lidstaat. Om een hoog niveau van vertrouwen te waarborgen in grensoverschrijdende situaties, mogen alleen elektronische identificatiemiddelen die voldoen aan artikel 6 van Verordening (EU) nr. 910/2014(7), worden erkend. ▌In elk geval mag de richtlijn de lidstaten er enkel toe verplichten om aanvragers die burgers van de Unie zijn, via de erkenning van hun elektronische identificatiemiddelen de mogelijkheid te bieden vennootschappen online op te richten, bijkantoren online te registreren en online documenten en informatie in te dienen. De lidstaten moeten vaststellen op welke manier de door hen erkende identificatiemiddelen, waaronder de niet onder Verordening (EU) nr. 910/2014 vallende identificatiemiddelen, voor het publiek beschikbaar worden gesteld.

(11)  Het moet de lidstaten vrij blijven staan te bepalen welke persoon krachtens het nationale recht als aanvrager van online procedures wordt beschouwd, op voorwaarde dat dit geen beperking inhoudt van het toepassingsgebied en de doelstelling van deze richtlijn.

(12)  Om de online procedures voor vennootschappen te vergemakkelijken, moeten de registers van de lidstaten ervoor zorgen ervoor dat de regels inzake vergoedingen voor de in deze richtlijn bepaalde online procedures transparant zijn en op niet-discriminerende wijze worden toegepast. Het vereiste van de transparantie van de regels inzake vergoedingen mag echter noch afbreuk doen aan de contractvrijheid, indien van toepassing, van aanvragers en personen die hun bijstand verlenen tijdens een bepaald deel van de online procedure, waaronder de vrijheid om te onderhandelen over een passende vergoeding voor dergelijke diensten.

(13)  De door de registers in rekening gebrachte kosten voor online procedures moeten worden berekend op basis van de kosten van de betrokken diensten. Dergelijke vergoedingen kunnen onder meer betrekking hebben op de kosten van kleine diensten die kosteloos zijn verricht. Bij de berekening van het bedrag ervan mogen lidstaten uitgaan van alle kosten die verband houden met het volgen van de online procedures, met inbegrip van de algemene kosten die met de desbetreffende verrichtingen samenhangen. Voorts moet de lidstaten worden toegestaan forfaitaire heffingen op te leggen waarvan het bedrag voor onbepaalde tijd wordt vastgesteld, mits zij zich regelmatig ervan vergewissen dat die heffingen de gemiddelde kosten van de desbetreffende registraties niet overschrijden. Vergoedingen die door de registers van de lidstaten in rekening worden gebracht voor online procedures, mogen niet meer bedragen dan de kosten voor het verstrekken van zulke diensten. Bovendien moet ervoor worden gezorgd dat, wanneer voor de afronding van de procedure een betaling is vereist, deze betaling kan worden verricht met behulp van betaaldiensten die algemeen beschikbaar zijn in het kader van grensoverschrijdende betaaldiensten, zoals creditcardbetalingen of bankoverschrijvingen.

(14)  De lidstaten personen die een vennootschap of een bijkantoor wensen op te richten, bijstand verlenen door via de digitale toegangspoort, en indien van toepassing op het e-justitieportaal, bepaalde beknopte en gebruiksvriendelijke informatie te verstrekken over de procedures en vereisten voor het oprichten van kapitaalvennootschappen, de registratie van bijkantoren en het indienen van documenten en informatie, alsook voorschriften inzake het opleggen van een bestuursverbod aan bestuurders en een overzicht van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de bestuurs-, leidinggevende of toezichthoudende organen van vennootschappen.

(15)  Het moet mogelijk zijn vennootschappen volledig online op te richten. De lidstaten moeten echter de mogelijkheid krijgen om, zoals bepaald in deze richtlijn, de online oprichting te beperken tot bepaalde soorten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, dit vanwege de complexiteit van het proces voor de oprichting van andere vennootschapsvormen overeenkomstig het nationale recht. ▌In ieder geval moeten de lidstaten voorzien in gedetailleerde regels voor de online oprichting. In het kader van ▌online oprichting moeten documenten of informatie in elektronische vorm kunnen worden ingediend, onverminderd de materiële en procedurele voorschriften van de lidstaten, met inbegrip van vereisten inzake juridische procedures voor het opstellen van oprichtingsakten, en inzake de authenticiteit, nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en geschikte rechtsvorm van de ingediende documenten en informatie. Deze materiële en procedurele voorschriften mogen de uitvoering van online procedures, in het bijzonder de online oprichting van een vennootschap en de online registratie van een bijkantoor, echter niet onmogelijk maken. In gevallen waarin het technisch gezien niet mogelijk zou zijn om elektronische kopieën van documenten te verkrijgen die aan de vereisten van de lidstaten zouden voldoen, zouden bij wijze van uitzondering papieren documenten kunnen worden vereist.

(16)   Wanneer is voldaan aan alle voor de online oprichting van een vennootschap gestelde vereisten, waaronder het aan de vennootschap gestelde vereiste om alle documenten en informatie correct te verstrekken, is het aan de autoriteiten, personen of instanties die krachtens het nationale recht gemachtigd zijn om een bepaald deel van de online procedures te behandelen, om de online oprichting te bespoedigen. Bij twijfel of daadwerkelijk aan de noodzakelijke vormvereisten is voldaan, met inbegrip van de verificatie van de identiteit van de aanvrager, de rechtmatigheid van de naam van de vennootschap, het opleggen van een bestuursverbod aan een bestuurder of de naleving van andere juridische vereisten inzake informatie en documenten, of bij een vermoeden van fraude of misbruik, kan de online oprichting meer tijd in beslag nemen en mag de termijn waaraan de instanties zich moeten houden, pas ingaan als aan deze vormvereisten is voldaan. Als de procedure niet binnen de vastgestelde termijn kan worden afgerond, zorgen de lidstaten er in ieder geval voor dat de aanvrager in kennis wordt gesteld van de redenen voor de vertraging.

(17)  Met het oog op de tijdige online oprichting van een vennootschap of online registratie van een bijkantoor, mogen de lidstaten die oprichting of registratie niet laten afhangen van het voorafgaand aan die oprichting of die registratie verkrijgen van een vergunning of machtiging, tenzij zulks in het nationaal recht is bepaald met het oog op het waarborgen van een passend toezicht op bepaalde activiteiten. Na de oprichting of registratie moet het nationale recht van toepassing zijn op situaties waarin vennootschappen of bijkantoren bepaalde activiteiten niet zonder vergunning of machtiging mogen verrichten.

(18)  Om bedrijven, met name kmo’s, te helpen bij het opstarten, moet het mogelijk zijn om een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid op te richten aan de hand van modellen van oprichtingsakten die online beschikbaar moeten zijn. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deze modellen kunnen worden gebruikt voor online oprichting en moeten de vrijheid behouden om zelf de juridische waarde ervan te bepalen. Dergelijke modellen kunnen een vooraf vastgestelde lijst van opties bevatten in overeenstemming met het nationale recht. De aanvragers moeten een vennootschap kunnen oprichten aan de hand van zulke modellen of een op maat gesneden oprichtingsakte, en de lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen om ook voor andere vennootschapsvormen modellen beschikbaar te stellen.

(19)  Om de bestaande vennootschapsrechtelijke tradities van de lidstaten te eerbiedigen, is het belangrijk dat de lidstaten enige flexibiliteit krijgen om te voorzien in een systeem voor het volledig online oprichten van vennootschappen, registreren van bijkantoren en indienen van documenten en informatie, onder meer wat betreft de rol van notarissen of advocaten in welk deel van dergelijke online procedures dan ook. De niet in deze richtlijn geregelde aangelegenheden met betrekking tot de online procedures blijven beheerst door het nationale recht.

(20)  Om fraude en bedrijfskaping aan te pakken en om waarborgen te bieden ten aanzien van de betrouwbaarheid van in de nationale registers opgenomen documenten en informatie, moeten de in deze richtlijn vervatte bepalingen inzake online procedures ook voorzien in controles van de identiteit en de handelingsbekwaamheid van personen die een vennootschap willen oprichten of een bijkantoor willen registreren of online documenten of informatie willen indienen. Deze controles mogen deel uitmaken van de in bepaalde lidstaten vereiste rechtmatigheidstoetsing. Het moet ▌aan de lidstaten worden overgelaten de middelen en methoden voor deze controles te ontwikkelen en vast te stellen. ▌Daartoe moeten de lidstaten kunnen eisen of er notarissen of advocaten bij een bepaald deel van de online procedures worden betrokken. Dit mag het volledig online afwikkelen van de procedure echter niet in de weg staan.

(21)  Indien dit gerechtvaardigd is om redenen van algemeen belang, namelijk het voorkomen van identiteitsmisbruik of -wijziging of het waarborgen van de naleving van de regels inzake de handelingsbekwaamheid van aanvragers en hun bevoegdheid om een vennootschap te vertegenwoordigen, moeten de lidstaten overeenkomstig het nationale recht maatregelen kunnen nemen, zoals het ▌opleggen van het vereiste dat de aanvrager ▌zich fysiek aanmeldt bij een autoriteit, of een persoon of instantie die krachtens het nationaal recht gemachtigd is om een bepaald aspect van online procedures te behandelen, van de lidstaat waar de vennootschap moet worden opgericht of een bijkantoor moet worden geregistreerd. Fysieke aanwezigheid mag echter niet stelselmatig worden vereist, maar alleen bij wijze van uitzondering en per geval, en alleen in gevallen waarin er redenen zijn om te vermoeden dat aanvragers identiteitsfraude hebben gepleegd of dat zij de regels inzake de handelingsbekwaamheid en hun bevoegdheid om een vennootschap te vertegenwoordigen niet hebben nageleefd. Dergelijke vermoedens moeten gebaseerd zijn op ▌informatie van de autoriteiten, personen of instanties die krachtens het nationale recht gemachtigd zijn om dergelijke controles uit te voeren. Indien de fysieke aanwezigheid van de aanvrager is vereist, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de overige stappen van de procedure online kunnen worden voltooid. Het begrip handelingsbekwaamheid moet aldus worden opgevat dat het tevens het vermogen omvat om op te treden.

(22)  Om na te gaan of aan alle voorwaarden voor de oprichting van vennootschappen is voldaan, moeten de lidstaten in staat worden gesteld hun bevoegde autoriteiten, personen of instanties aanvullende elektronische controles van identiteit, handelingsbekwaamheid en rechtmatigheid te laten verrichten. Dergelijke controles kunnen onder meer videoconferenties of andere online middelen omvatten waarmee een real time audiovisuele verbinding tot stand kan worden gebracht.

(23)  Met het oog op de bescherming van alle personen die met vennootschappen interageren, moeten de lidstaten met het oog op de voorkoming van frauduleus of ander wangedrag de benoeming van een persoon als bestuurder van een vennootschap op hun grondgebied kunnen weigeren, daarbij niet alleen rekening houdend met het voormalige gedrag van die persoon op zijn eigen grondgebied maar ook, wanneer zo vastgesteld in het nationale recht, met inachtneming van door andere lidstaten verstrekte informatie. Derhalve moeten de lidstaten andere lidstaten om informatie kunnen verzoeken. In antwoord kan informatie worden verstrekt over het bestuursverbod dat van kracht is dan wel andere informatie die relevant is voor het bestuursverbod in een lidstaat die het verzoek heeft ontvangen. Dergelijke verzoeken om informatie ▌moeten via het systeem van gekoppelde registers kunnen verlopen. In dat verband moet het de lidstaten vrij blijven staan om zelf te bepalen op welke manier deze informatie het best kan worden verzameld, bijvoorbeeld door de relevante informatie op te vragen bij een register of een andere plaats waar deze krachtens het nationale recht is opgeslagen of door te voorzien in speciale registers of afdelingen van ondernemingsregisters. Indien nadere informatie noodzakelijk is, bijvoorbeeld over de periode van en de redenen voor het bestuursverbod, moet het de lidstaten worden toegestaan deze aanvullende informatie, overeenkomstig het nationale recht, via alle beschikbare systemen voor informatie-uitwisseling verstrekken. Deze richtlijn mag echter geen verplichting inhouden dat in alle gevallen om dergelijke informatie mag worden verzocht. Bovendien mag de mogelijkheid om rekening te houden met informatie over bestuursverboden die in andere lidstaten hebben plaatsgevonden, de lidstaten niet ertoe verplichten bestuursverboden die in andere lidstaten gelden te erkennen.

(24)  Met het oog op de bescherming van alle personen die met vennootschappen of bijkantoren interageren, en met het oog op het voorkomen van frauduleus of ander wangedrag, is het van belang dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen nagaan of het de persoon die tot bestuurder moet worden benoemd, niet is verboden om de taken van een bestuurder uit te voeren. Daartoe moeten de bevoegde autoriteiten zich er via het systeem van gekoppelde registers van vergewissen dat de naam van de betrokkene niet is opgenomen in een van de registers voor bestuursverboden voor bestuurders in andere lidstaten. De registers, de autoriteiten of de autoriteiten, personen of instanties die krachtens het nationale recht gemachtigd zijn om een bepaald aspect van online procedures te behandelen, mogen dergelijke persoonsgegevens niet langer opslaan dan nodig is om te beoordelen of de betrokkene al dan niet voor een benoeming tot bestuurder in aanmerking komt. Met het oog op de eventuele herziening van een negatief besluit kan het echter nodig zijn dat zulke instanties deze gegevens voor een langere periode moeten opslaan. In elk geval mogen de gegevens niet langer worden opgeslagen dan de maximale periode voor de opslag van persoonsgegevens in verband met de oprichting van een vennootschap of de registratie van een bijkantoor of de daarmee verband houdende indiening van documenten en informatie zoals deze in de nationale voorschriften is vastgelegd.

(25)  De in deze richtlijn neergelegde verplichtingen inzake online oprichting van vennootschappen en registratie van bijkantoren gelden onverminderd alle andere, niet met het vennootschapsrecht verband houdende vormvereisten die een vennootschap moet vervullen om een activiteit op te starten overeenkomstig het Unie- en het nationale recht.

(26)  Net zoals bij de online oprichting van vennootschappen en registratie van bijkantoren ▌, en om kosten en lasten voor vennootschappen te verminderen, moeten vennootschappen gedurende hun hele levenscyclus ook documenten en informatie volledig online kunnen indienen bij de nationale registers. Tegelijkertijd moet het de lidstaten vrij staan de mogelijkheid te bieden om documenten en informatie ook op andere manieren, onder meer op papier, in te dienen. Bovendien moet vennootschapsinformatie openbaar worden gemaakt zodra die informatie voor het publiek beschikbaar wordt gesteld in die nationale registers, aangezien zij nu gekoppeld zijn en fungeren als integraal referentiepunt voor de gebruikers. Om verstoring van de bestaande openbaarmakingsinstrumenten te voorkomen, moeten de lidstaten de optie hebben om de vennootschapsinformatie ook geheel of gedeeltelijk bekend te maken in een nationaal publicatieblad, met dien verstande dat het register deze informatie elektronisch aan het nationale publicatieblad moet bezorgen. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan nationale voorschriften inzake de juridische waarde van het register en de rol van een nationaal publicatieblad.

(27)  Om het doorzoeken van de in de nationale registers opgeslagen informatie en de uitwisseling van die informatie met andere systemen te vergemakkelijken, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alle documenten en informatie die worden verstrekt aan een autoriteit, persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald aspect van online procedures te behandelen, na het verstrijken van de relevante omzettingsperiode in het kader van de in deze richtlijn vastgelegde online procedures door de registers worden opgeslagen in een machineleesbaar en doorzoekbaar format of als gestructureerde gegevens. Dit betekent dat een bestandsformaat zodanig moet worden gestructureerd dat softwaretoepassingen specifieke gegevens en hun interne structuur gemakkelijk kunnen identificeren, herkennen en extraheren. Het vereiste dat het format van documenten en informatie doorzoekbaar is, mag zich niet uitstrekken tot gescande handtekeningen, noch tot andere gegevens die niet geschikt zijn voor machineleesbaarheid. Om ruimte te laten voor eventueel vereiste aanpassingen in de bestaande informatiesystemen van de lidstaten, moet voor dit voorschrift een langere omzettingsperiode worden voorzien.

(28)  Om de kosten, de administratieve lasten en de duur van de procedures voor de vennootschappen te verminderen, moeten de lidstaten het eenmaligheidsbeginsel toepassen in het kader van het vennootschapsrecht, dat in de Unie is verankerd, zoals onder meer blijkt uit Verordening (EU) 2018/1724, het Europese actieplan inzake e-overheid van de Europese Commissie en de Verklaring van Tallinn over e-overheid. Het eenmaligheidsbeginsel houdt in dat van vennootschappen niet mag worden geëist dat zij dezelfde informatie meer dan één keer bij instanties indienen. Zo hoeven vennootschappen dezelfde informatie niet tegelijk bij het nationale register én bij het nationale publicatieblad in te dienen. Het register moet de reeds ingediende informatie rechtstreeks doorsturen naar het nationale publicatieblad. Vennootschappen die zijn opgericht in een bepaalde lidstaat en een bijkantoor in een andere lidstaat willen registreren, moeten kunnen gebruikmaken van de documenten of informatie die eerder bij een register zijn ingediend. Voor vennootschappen die zijn opgericht in een bepaalde lidstaat, maar een bijkantoor in een andere lidstaat hebben, moet het bovendien volstaan om bepaalde wijzigingen van de vennootschapsinformatie in te dienen bij het register waar de vennootschap is geregistreerd – en dus niet ook nog bij het register waar het bijkantoor is geregistreerd. Informatie zoals een wijziging van de naam of de statutaire zetel van de vennootschap moet elektronisch via het systeem van gekoppelde registers worden uitgewisseld tussen het register waar de vennootschap is geregistreerd en het register waar het bijkantoor is geregistreerd.

(29)  Om te zorgen voor consistente en actuele informatie over de vennootschappen in de Unie en voor een grotere transparantie, moeten de gekoppelde registers kunnen worden gebruikt om informatie uit te wisselen over elke overeenkomstig het nationale recht in de registers van de lidstaten ingeschreven vennootschapsvorm. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om via dat systeem van gekoppelde registers ook elektronische kopieën beschikbaar te stellen van de documenten en informatie inzake deze andere vennootschapsvormen.

(30)  In het belang van de transparantie, de bescherming van de belangen van werknemers, schuldeisers en minderheidsaandeelhouders, en het vertrouwen in zakelijke transacties, met inbegrip van grensoverschrijdende transacties binnen de eengemaakte markt, moeten investeerders, belanghebbenden, zakenpartners en instanties gemakkelijk toegang hebben tot vennootschapsinformatie. Om de toegankelijkheid van die informatie te verbeteren, moet meer informatie kosteloos beschikbaar zijn in alle lidstaten. Dergelijke informatie zou betrekking hebben op de ▌toestand van een vennootschap en informatie over haar bijkantoren in andere lidstaten, evenals informatie over de personen die als instantie dan wel als leden van een dergelijke instantie gemachtigd zijn om de vennootschap te vertegenwoordigen ▌. Voorts mogen de kosten voor de verkrijging van een kopie van alle of een gedeelte van de door de vennootschap op papier dan wel langs elektronische weg openbaar gemaakte documenten of informatie niet meer bedragen dan de administratiekosten daarvan, waaronder de kosten voor het ontwikkelen en beheren van registers, op voorwaarde dat de prijs in verhouding staan tot de opgevraagde informatie.

(31)  Momenteel is het voor de lidstaten mogelijk om facultatieve punten voor toegang tot het systeem van gekoppelde registers op te zetten. Het is echter niet mogelijk voor de Commissie om andere belanghebbenden te verbinden met het systeem van gekoppelde registers. De Commissie moet de toestemming krijgen om extra toegangspunten op te zetten, zodat ook andere belanghebbenden voordeel kunnen halen uit de gekoppelde registers en ervoor kunnen zorgen dat de in hun systemen opgenomen informatie over vennootschappen accuraat, actueel en betrouwbaar is. Deze toegangspunten bestaan uit systemen die door de Commissie of andere instellingen, organen en instanties van de Unie worden ontwikkeld en beheerd om hun administratieve taken te vervullen of om aan Unierechtelijke bepalingen te voldoen.

(32)  Om vennootschappen binnen de eengemaakte markt opgerichte vennootschappen te helpen om hun bedrijfsactiviteiten gemakkelijker over de grenzen uit te breiden, moeten zij online bijkantoren in een andere lidstaat kunnen openen en registreren. De lidstaten moeten dan ook, net als voor vennootschappen, voorzien in de online registratie van bijkantoren en de online indiening van documenten en informatie, waardoor de kosten kunnen worden verlaagd en tegelijkertijd de administratieve lasten en de duur van de vormvereisten voor de grensoverschrijdende uitbreiding worden verminderd.

(33)  Wanneer in een lidstaat een bijkantoor van een in een andere lidstaat geregistreerde vennootschap wordt geregistreerd, moet de eerstgenoemde lidstaat bepaalde informatie over de vennootschap kunnen verifiëren via de gekoppelde registers. Wanneer een bijkantoor in een lidstaat wordt gesloten, moet het register van die lidstaat dit via het systeem van gekoppelde registers melden aan de lidstaat waar de vennootschap is geregistreerd en moeten beide registers deze informatie registreren.

(34)  Ter wille van de consistentie met het Unie- en het nationale recht moet de bepaling over het Contactcomité, dat niet langer bestaat, worden geschrapt en moeten de in de bijlagen I en II bij Richtlijn (EU) 2017/1132 opgenomen vennootschapsvormen worden geactualiseerd.

(35)  Teneinde aanpassing mogelijk te maken aan toekomstige wijzigingen in de wetgeving van de lidstaten en van de Unie inzake vennootschapsvormen, dient de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie te worden gedelegeerd aan de Commissie met het oog op de actualisering van de lijst van vennootschapsvormen in de bijlagen I, II en IIA bij Richtlijn (EU) 2017/1132. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(8). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(36)  Deze richtlijn, met inbegrip van de vereisten inzake de registratie van vennootschappen, doet geen afbreuk aan nationale wetten aangaande belastingmaatregelen van de lidstaten of van territoriale of bestuurlijke onderdelen van de lidstaten.

(37)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om in gevallen van fraude of misbruik aanvragen tot oprichting van vennootschappen en de registratie van bijkantoren te weigeren, en evenmin aan de onderzoeks- en handhavingsmaatregelen van de lidstaten, waaronder van de politie of andere bevoegde autoriteiten. Andere Unie- en nationaalrechtelijke verplichtingen, waaronder die welke resulteren uit witwaspraktijken, maatregelen ter bestrijding van terrorismefinanciering en voorschriften inzake feitelijke eigendom, moeten eveneens onverlet worden gelaten. Wat het aanpakken van risico's op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering betreft, doet deze richtlijn geen afbreuk aan Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad(9), en met name de daarin opgenomen voorschriften inzake de toepassing van cliëntenonderzoeksmaatregelen naargelang van de risicogevoeligheid van deze cliënten en inzake de identificatie en registratie van de uiteindelijk begunstigde van een nieuw opgerichte entiteit in de lidstaat waar deze entiteit is opgericht.

(38)  Deze richtlijn moet worden toegepast overeenkomstig het Unierecht inzake gegevensbescherming en de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens zoals vastgelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De verwerking van de persoonsgegevens van natuurlijke personen uit hoofde van deze richtlijn dient te geschieden in overeenstemming met Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad(10).

(39)  De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad(11) geraadpleegd en heeft op 26 juli 2018 een advies uitgebracht.

(40)  Daar het doel van deze richtlijn, namelijk het aanreiken van digitale oplossingen voor vennootschappen in de eengemaakte markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar vanwege omvang of de gevolgen ervan, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(41)  Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken(12) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(42)  Gezien de complexiteit van de wijzigingen die aan de nationale systemen moeten worden aangebracht om aan de bepalingen van deze richtlijn te voldoen, en gezien het feit dat de mate van gebruik van digitale instrumenten en processen op het gebied van het vennootschapsrecht in de diverse lidstaten in dit verband momenteel sterk uiteenloopt, is het passend dat de lidstaten die bijzondere moeilijkheden ondervinden bij het omzetten van bepaalde bepalingen van deze richtlijn de Commissie ervan in kennis kunnen stellen dat zij een verlenging de relevante omzettingstermijn nodig hebben van maximaal één jaar. De lidstaten moeten hun objectieve redenen voor het verzoeken om een dergelijke verlenging kenbaar maken.

(43)  De Commissie moet een evaluatie van deze richtlijn verrichten. Krachtens punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet die evaluatie gebaseerd zijn op doelmatigheid, doeltreffendheid, relevantie, samenhang en meerwaarde voor de Unie, en de basis vormen voor effectbeoordelingen van opties voor verdere acties. De lidstaten moeten bijdragen aan die evaluatie door aan de Commissie al hun gegevens te verstrekken over de manier waarop online oprichting van vennootschappen in de praktijk verloopt, zoals gegevens over het aantal online oprichtingen, het aantal gevallen waarin er modellen werden gebruikt of waarin fysieke aanwezigheid werd vereist en de gemiddelde duur en de kosten van online oprichtingen.

(44)  Er moet informatie worden verzameld om deze richtlijn te toetsen aan de vooropgestelde doelstelling en om een evaluatie van de wetgeving te kunnen uitvoeren overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016over beter wetgeven.

(45)  Richtlijn (EU) 2017/1132 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2017/1132

Richtlijn (EU) 2017/1132 wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 1 wordt het volgende streepje ingevoegd na het tweede streepje:"

"- de regels inzake de online oprichting van vennootschappen, de online registratie van bijkantoren en de online indiening van documenten en informatie door vennootschappen en bijkantoren van vennootschappen,";

"

2)  in titel I wordt de titel van hoofdstuk III vervangen door:"

"Online procedures (oprichting, registratie en indiening), openbaarmaking en registers"

"

3)  Artikel 13 wordt vervangen door:"

"Artikel 13

Toepassingsgebied

De door deze afdeling en door afdeling 1 bis voorgeschreven coördinatiemaatregelen zijn van toepassing op de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten betreffende de in bijlage II vermelde vennootschapsvormen en, waar gespecificeerd, de in de bijlagen I en IIA genoemde vennootschapsvormen.";

"

4)  de volgende artikelen worden ingevoegd:"

"Artikel 13 bis

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk:

   1) "elektronisch identificatiemiddel": een elektronisch identificatiemiddel zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 2, van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad ▌▌*;
   2) "stelsel voor elektronische identificatie": een stelsel voor elektronische identificatie zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 4, van Verordening (EU) nr. 910/2014;
   3) "elektronisch middel": elektronische uitrusting die wordt gebruikt voor de verwerking – waaronder digitale compressie – en de opslag van gegevens, en aan de hand waarvan informatie aanvankelijk wordt verzonden en op haar bestemming wordt ontvangen, waarbij die informatie volledig wordt verzonden, doorgeleid en ontvangen op een door de lidstaten vast te stellen wijze;
   4) "oprichting": het volledige proces van oprichting van een vennootschap overeenkomstig het nationale recht, waaronder het opstellen van de oprichtingsakte van de vennootschap en alle nodige stappen met het oog op opname van de vennootschap in het register;
   5) "registratie van een bijkantoor": een proces dat leidt tot de openbaarmaking van documenten en informatie betreffende een in een lidstaat pas geopend bijkantoor;
   6) "model": een model voor de oprichtingsakte van een vennootschap dat door de lidstaten overeenkomstig het nationale recht wordt opgesteld en wordt gebruikt voor de online oprichting van een vennootschap overeenkomstig artikel 13 octies.

Artikel 13 ter

Erkenning van identificatiemiddelen voor de online procedures

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat door aanvragers die burgers van de Unie zijn, de volgende elektronische-identificatiemiddelen ▌ kunnen worden gebruikt voor de in dit hoofdstuk bedoelde online procedures:

   a) een elektronisch identificatiemiddel dat is uitgegeven op grond van een stelsel voor elektronische identificatie dat door de eigen lidstaat is goedgekeurd;
   b) een elektronisch identificatiemiddel dat is uitgegeven in een andere lidstaat en ten behoeve van de grensoverschrijdende authenticatie is erkend overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) nr. 910/2014.

2.  De lidstaten kunnen weigeren elektronische identificatiemiddelen te erkennen, als de betrouwbaarheidsniveaus van die elektronische identificatiemiddelen niet voldoen aan de in artikel 6, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 gestelde voorwaarden.

3.  Alle door de lidstaten erkende identificatiemiddelen worden voor het publiek beschikbaar gesteld.

4.  Indien dit gerechtvaardigd is om redenen van algemeen belang, namelijk het voorkomen van identiteitsmisbruik of -wijziging, kunnen de lidstaten met het oog op de verificatie van de identiteit van de aanvrager maatregelen treffen op grond waarvan de aanvrager zich fysiek moet melden bij de autoriteit, persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald aspect van de in dit hoofdstuk bedoelde online procedures te behandelen, met inbegrip van het opstellen van de oprichtingsakte van een vennootschap. De lidstaten zorgen ervoor dat fysieke aanwezigheid van een aanvrager uitsluitend per geval wordt vereist in gevallen waarin er redenen zijn om te vermoeden dat er identiteitsfraude is gepleegd, en dat alle andere procedurehandelingen online kunnen worden afgewikkeld.

Artikel 13 quater

Algemene regels inzake online procedures

1.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan nationale wetten op grond waarvan een autoriteit, persoon of instantie overeenkomstig de rechtsstelsels en rechtstradities van de lidstaten wordt aangewezen die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald aspect van de procedure voor online oprichting van vennootschappen, online registratie van bijkantoren of online indiening van documenten en informatie te behandelen.

2.  Deze richtlijn doet evenmin afbreuk aan de nationaalrechtelijke procedures en voorschriften, waaronder die welke betrekking hebben de wettelijke procedures voor het opstellen van oprichtingsakten, op voorwaarde dat online oprichting als bedoeld in artikel 13 octies en online registratie van een bijkantoor als bedoeld in artikel 28 bis, alsook online indiening van documenten en informatie, als bedoeld in artikel 13 undecies en artikel 28 ter, mogelijk blijven.

3.  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de voorschriften van het toepasselijke nationale recht inzake de authenticiteit, nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en de geschikte rechtsvorm van de ingediende documenten en informatie, op voorwaarde dat online oprichting als bedoeld in artikel 13 nonies en online registratie van een bijkantoor als bedoeld in artikel 28 bis, alsook online indiening van informatie, als bedoeld in artikel 13 duodecies en artikel 28 ter, mogelijk blijven.

Artikel 13 quinquies

Vergoedingen voor online procedures

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de regels inzake vergoedingen voor in dit hoofdstuk bedoelde online procedures transparant zijn en op niet-discriminerende wijze worden toegepast.

2.  Vergoedingen die door de in artikel 16 bedoelde registers in rekening worden gebracht voor online procedures, mogen niet meer bedragen dan de voor het verstrekken van zulke diensten gemaakte kosten.

Artikel 13 sexies

Betalingen

Wanneer voor de voltooiing van een in dit hoofdstuk bedoelde procedure een betaling is vereist, zorgen de lidstaten ervoor dat die betaling kan worden verricht met behulp van een algemeen beschikbare online betaaldienst die kan worden gebruikt voor grensoverschrijdende betaling, die identificatie van de betaler mogelijk maakt en wordt aangeboden door een in een lidstaat gevestigde financiële instelling of betalingsdienstaanbieder.

Artikel 13 septies

Informatievereisten

De lidstaten zorgen ervoor dat op registratieportaalsites of -websites die toegankelijk zijn via de digitale toegangspoort, ten minste in een taal die zoveel mogelijk grensoverschrijdende gebruikers grotendeels begrijpen, kosteloos beknopte en gebruiksvriendelijke informatie beschikbaar wordt gesteld om de oprichting van vennootschappen en de registratie van bijkantoren van vennootschappen te vergemakkelijken. Er wordt ten minste informatie verstrekt over de volgende punten:

   a) voorschriften inzake de oprichting van vennootschappen, waaronder de in artikel 13 octies en artikel 13 undecies bedoelde online procedures, en voorschriften inzake het gebruik van modellen en andere oprichtingsdocumenten, de identificatie van personen, het gebruik van talen en inzake toepasselijke vergoedingen;
   b) voorschriften inzake de registratie van bijkantoren, waaronder de in artikel 28 bis en artikel 28 ter bedoelde online procedures, en voorschriften inzake registratiedocumenten, de identificatie van personen en het gebruik van talen;
   c) een schets van de toepasselijke voorschriften om lid te worden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een vennootschap, waaronder van de voorschriften inzake het opleggen van een bestuursverbod aan bestuurders en inzake de autoriteiten of instanties die verantwoordelijk zijn voor het bijhouden van informatie over bestuurders aan wie een bestuursverbod is opgelegd;

   d) een schets van de uit en verantwoordelijkheden van het bestuurs-, leidinggevend en toezichthoudend orgaan van een vennootschap ▌, waaronder de bevoegdheid om een vennootschap ▌in betrekking met derden te vertegenwoordigen.

________________________________

* Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73);

▌";

"

(5)  in titel I, hoofdstuk III, wordt de volgende afdeling ingevoegd:"

"Afdeling 1 bis

Online oprichting, online indiening van informatie en openbaarmaking

Artikel 13 octies

Online oprichting van vennootschappen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat vennootschappen volledig online kunnen worden opgericht zonder dat de aanvragers ▌zich daarvoor fysiek moeten aanmelden bij een ▌autoriteit of een andere persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald aspect van de procedure voor de online oprichting van vennootschappen te behandelen, waaronder het opstellen van de oprichtingsakte van een vennootschap, met inachtneming van de bepalingen van artikel 13 ter, lid 4, en lid 8 van dit artikel.

De lidstaten kunnen evenwel besluiten om voor andere dan de in bijlage IIA genoemde vennootschapsvormen niet te voorzien in oprichtingsprocedures die ▌online kunnen worden afgewikkeld.

2.  De lidstaten voorzien in nadere voorschriften inzake de online oprichting van vennootschappen, onder meer inzake het gebruik van de in artikel 13 nonies bedoelde modellen en inzake de documenten en informatie die vereist zijn voor de oprichting van een vennootschap. In het kader van die voorschriften zorgen de lidstaten ervoor dat een dergelijke online oprichting kan worden verricht door de indiening van documenten of informatie in elektronische vorm, waaronder elektronische kopieën van de documenten en informatie als bedoeld in artikel 16 bis, lid 4.

3.  De in lid 2 bedoelde voorschriften hebben op zijn minst betrekking op:

   a) de procedures om te waarborgen dat de aanvragers de nodige handelingsbekwaam hebben en de bevoegdheid hebben om de vennootschap te vertegenwoordigen;
   b) de middelen om de identiteit van de aanvragers te verifiëren overeenkomstig artikel 13 ter;
   c) de voorschriften voor de aanvragers om gebruik te maken van in Verordening (EU) nr. 910/2014 bedoelde vertrouwensdiensten;
   d) de procedures om de rechtmatigheid van het doel van de vennootschap te verifiëren voor zover het nationale recht in zulke controles voorziet;
   e) de procedures om de rechtmatigheid van de naam van de vennootschap te verifiëren voor zover het nationale recht in zulke controles voorziet;
   f) de procedures om de benoeming van bestuurders te verifiëren.

4.  De in lid 2 bedoelde voorschriften ▌kunnen met name ook betrekking hebben op:

   a) de procedures om de rechtmatigheid van de oprichtingsakten van de vennootschap te waarborgen, onder meer via een controle van het correcte gebruik van modellen;
   b) de gevolgen van het opleggen van een bestuursverbod aan een bestuurder door de bevoegde autoriteit van een lidstaat;
   c) de rol van een notaris of een andere persoon of instantie die overeenkomstig het nationaal recht gemachtigd is om een aspect van de online oprichting van een vennootschap te behandelen;
   d) de uitsluiting van online oprichting in gevallen waarin het aandelenkapitaal van de vennootschap moet worden voldaan in natura.

5.  De lidstaten laten de online oprichting van een vennootschap niet afhangen van het voor de vennootschapsregistratie verkrijgen van een vergunning of machtiging, tenzij een dergelijke voorwaarde onontbeerlijk is voor een passend toezicht van bepaalde activiteiten als vastgelegd in het nationale recht.

6.  Wanneer in het kader van de procedure voor het oprichten van een vennootschap aandelenkapitaal moet worden betaald, zorgen de lidstaten ervoor dat een dergelijke betaling overeenkomstig artikel 13 sexies online kan worden gedaan naar een bankrekening van een in de Unie actieve bank. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat het bewijs van deze betalingen ook online kan worden verstrekt.

7.  Indien een vennootschap uitsluitend wordt opgericht door natuurlijke personen die gebruikmaken van de in artikel 13 nonies bedoelde modellen, dragen de lidstaten ▌er zorg voor dat de online oprichting wordt afgewikkeld binnen ▌vijf werkdagen en in andere gevallen binnen tien werkdagen, te rekenen vanaf de meest recente van de volgende data:

   a) de datum van vervulling van alle aan de online oprichting gestelde vormvereisten, met inbegrip van de ontvangst van alle documenten en informatie die in overeenstemming zijn met het nationale recht, door een ▌autoriteit of ▌ persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald aspect van de procedure voor de oprichting van een vennootschap te behandelen;
   b) de datum van betaling van een registratievergoeding, de datum van de betaling van aandelenkapitaal in contanten of de datum van de betaling van aandelenkapitaal in natura overeenkomstig het nationale recht.

Als de procedure niet binnen de in dit lid vastgestelde termijn kan worden afgerond, zorgen de lidstaten ervoor dat de aanvrager ▌in kennis wordt gesteld van de redenen voor de vertraging.

8.  Indien dit gerechtvaardigd is om redenen van algemeen belang, namelijk het waarborgen van de naleving van de regels inzake de handelingsbekwaamheid van aanvragers en hun bevoegdheid om een vennootschap te vertegenwoordigen, mag elke autoriteit, persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald aspect van de procedure voor de online oprichting van vennootschappen te behandelen, waaronder het opstellen van de oprichtingsakte van een vennootschap, om de fysieke aanwezigheid van de aanvrager verzoeken. De lidstaten zorgen ervoor dat in dergelijke gevallen de fysieke aanwezigheid van een aanvrager uitsluitend per geval kan worden vereist wanneer er redenen zijn om te vermoeden dat de in lid 3, onder a), vastgestelde regels niet worden nageleefd. De lidstaten zorgen ervoor dat alle andere stappen van de procedure toch online kunnen worden afgewikkeld.

Artikel 13 nonies

Modellen voor de online oprichting van vennootschappen

1.  De lidstaten stellen de modellen voor de in bijlage IIA genoemde vennootschapsvormen ter beschikking op registratieportaalsites of -websites die toegankelijk zijn via de digitale toegangspoort. De lidstaten kunnen online ook modellen ter beschikking stellen voor de oprichting van andere vennootschapsvormen ▌.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de aanvragers de in lid 1 van dit artikel bedoelde modellen kunnen gebruiken in het kader van de in artikel 13 octies bedoelde online oprichtingsprocedure. Indien de modellen door de aanvragers zijn gebruikt in overeenstemming met de regels als bedoeld in artikel 13 octies, lid 4, onder a), ▌wordt aangenomen dat is voldaan aan het in artikel 10 vastgelegde vereiste om de oprichtingsakte van de vennootschap bij authentieke akte te verlijden wanneer er niet is voorzien in een voorafgaande administratieve of rechterlijke controle.

Deze richtlijn doet geen afbreuk aan verplichtingen uit hoofde van nationaal recht om het opstellen van oprichtingsakten onder de vorm van een authentieke akte te doen, zolang de in artikel 13 octies bedoelde online oprichting mogelijk blijft.

3.  De lidstaten stellen deze modellen ten minste beschikbaar in een officiële taal van de Unie die zoveel mogelijk grensoverschrijdende gebruikers grotendeels begrijpen. De beschikbaarheid van modellen in andere talen dan de officiële taal of talen van de betrokken lidstaat dient uitsluitend informatiedoeleinden, tenzij die lidstaat besluit dat het ook mogelijk is een vennootschap op te richten met modellen in een dergelijke andere taal.

4.  De inhoud van de modellen wordt beheerst door het nationale recht.

Artikel 13 decies

Bestuurders aan wie een bestuursverbod is opgelegd

1.  ▌ De lidstaten zorgen ervoor dat zij beschikken over regels inzake bestuursverboden. Die regels voorzien onder meer in de mogelijkheid om rekening te houden met een van kracht zijnd bestuursverbod of met informatie die relevant is voor een bestuursverbod in een andere lidstaat. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "bestuurders" ten minste de in artikel 14, onder d), i), bedoelde personen verstaan.

2.  De lidstaten kunnen van personen die bestuurder willen worden, verlangen dat zij verklaren of zij op de hoogte zijn van omstandigheden die kunnen leiden tot een bestuursverbod in de betrokken lidstaat.

De lidstaten kunnen de benoeming van een persoon als bestuurder van een vennootschap weigeren indien aan die persoon een bestuursverbod is opgelegd in een andere lidstaat.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat zij antwoord kunnen geven op een verzoek van een andere lidstaat om informatie die relevant is voor het opleggen van een bestuursverbod aan bestuurders krachtens het recht van de lidstaat die op het verzoek antwoordt.

4.   Teneinde antwoord te geven op een verzoek als bedoeld in lid 3 van onderhavig artikel, nemen de lidstaten ten minste de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat zij, middels het in artikel 22 bedoelde systeem, onverwijld informatie kunnen verstrekken waaruit blijkt of aan een bepaalde persoon een bestuursverbod is opgelegd of of hij is ingeschreven in een van hun registers met informatie die relevant is voor het opleggen van een bestuursverbod aan. De lidstaten kunnen ook verdere informatie uitwisselen, zoals over de periode van en de redenen voor het opleggen van het bestuursverbod. Een dergelijke uitwisseling wordt beheerst door het nationale recht.

5.  De Commissie stelt nadere bepalingen en technische details vast voor de uitwisseling van de in lid 4 van onderhavig artikel bedoelde informatie door middel van de in artikel 24 bedoelde uitvoeringshandeling.

6.   De leden 1 t/m 5 van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing indien een vennootschap bij het in artikel 16 bedoelde register informatie over de benoeming van een nieuwe bestuurder indient.

7.  De persoonsgegevens van personen als bedoeld in dit artikel worden verwerkt overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en het nationale recht teneinde de autoriteit of de persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is, in staat te stellen de nodige informatie in verband met het opleggen van een bestuursverbod aan een persoon te beoordelen met het oog op het voorkomen van frauduleus of ander onrechtmatig gedrag en het waarborgen van de bescherming van alle personen die interageren met vennootschappen of bijkantoren.

De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 16 bedoelde registers, de autoriteiten of de personen of instanties die krachtens het nationale recht gemachtigd zijn om een bepaald aspect van online procedures te behandelen de voor de toepassing van dit artikel verzonden persoonsgegevens niet langer opslaan dan nodig is en in elk geval niet langer dan persoonsgegevens met betrekking tot de oprichting van een vennootschap, de registratie van een bijkantoor of de indiening van informatie door een vennootschap of bijkantoor zijn opgeslagen.

Artikel 13 undecies

Online indiening van documenten en informatie van vennootschappen

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ▌documenten en informatie als bedoeld in artikel 14, alsook wijzigingen daarvan, online bij het register kunnen worden ingediend binnen de termijn die is vastgesteld in de wetgeving van de lidstaat waar de vennootschap is ingeschreven. De lidstaten zorgen ervoor dat deze informatie volledig online kan worden ingediend zonder dat een aanvrager zich fysiek moeten aanmelden bij een ▌autoriteit of persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om de online indiening te behandelen, met inachtneming van de bepalingen van artikel 13 ter, lid 4, en, indien van toepassing, artikel 13 octies, lid 8.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de oorsprong en integriteit van de online ingediende documenten elektronisch kunnen worden geverifieerd.

3.  De lidstaten kunnen verlangen dat bepaalde of dat alle vennootschappen bepaalde of alle in lid 1 bedoelde documenten en informatie online indienen.

4.  Artikel 13 octies, leden 2 tot en met 5, is van overeenkomstige toepassing op online indiening van documenten en informatie.

5.  De lidstaten mogen andere dan de in lid 1 bedoelde vormen van indiening van informatie blijven toestaan, zowel langs elektronische weg of op papier, door vennootschappen, door notarissen of door andere personen of instanties die krachtens het nationale recht gemachtigd zijn om dergelijke indieningsvormen te behandelen.";

"

6)  Artikel 16 wordt vervangen door:"

"Artikel 16

Openbaarmaking in het register

1.  In iedere lidstaat wordt bij een centraal handels- of vennootschapsregister ("het register") voor elke van de daar ingeschreven vennootschappen een dossier aangelegd.

De lidstaten zien erop toe dat vennootschappen een Europese unieke identificatiecode ("EUID") krijgen, zoals bedoeld in punt 8 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/884 van de Commissie(13), waarmee zij eenduidig kunnen worden geïdentificeerd wanneer registers met elkaar communiceren via het overeenkomstig artikel 22 ingestelde systeem voor koppeling van registers ("systeem van gekoppelde registers"). Die unieke identificatiecode bevat ten minste elementen die het mogelijk maken om de lidstaat van het register, het nationale register van oorsprong en het nummer van de vennootschap in dat register te bepalen en, indien nodig, kenmerken om identificatiefouten te vermijden.

2.  Alle documenten en informatie die krachtens artikel 14 openbaar gemaakt dienen te worden, worden bewaard in het in lid 1 van onderhavig artikel bedoelde dossier of worden rechtstreeks in het register opgenomen en de inhoud van de vermeldingen in het register worden opgenomen in het dossier.

Alle in artikel 14 bedoelde documenten en informatie, worden, ongeacht de manier waarop zij zijn ingediend, in het dossier in het register bewaard of er rechtstreeks elektronisch in opgenomen. De lidstaten dragen er zorg voor dat alle op papier ingediende documenten en informatie zo spoedig mogelijk door het register in elektronische vorm worden omgezet.

De lidstaten dragen er zorg voor dat in artikel 14 bedoelde documenten en informatie die vóór 31 december 2006 op papier zijn ingediend, door het register in elektronische vorm worden omgezet na ontvangst van een aanvraag om openbaarmaking langs elektronische weg.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in artikel 14 bedoelde documenten en informatie openbaar worden gemaakt door deze voor het publiek beschikbaar te stellen in het register. Bovendien kunnen de lidstaten verlangen dat alle of bepaalde van die documenten en informatie worden bekendgemaakt in een daartoe bestemd nationaal publicatieblad of een even doeltreffend instrument. Dit instrument houdt minstens het gebruik in van een systeem waarbij de gepubliceerde documenten of informatie in chronologische volgorde kan worden geraadpleegd via een centraal elektronisch platform. In dergelijke gevallen zendt het register deze documenten en informatie langs elektronische weg toe aan het nationale publicatieblad of een centrale elektronische platform.

4.  De lidstaten nemen de nodige maatregelen om discrepanties tussen de inhoud van het register en de inhoud van het dossier te vermijden.

De lidstaten die de publicatie van documenten en informatie in een nationaal publicatieblad of op een centraal elektronisch platform vereisen, nemen de nodige maatregelen om discrepanties te vermijden tussen hetgeen overeenkomstig lid 3 openbaar wordt gemaakt en hetgeen in het publicatieblad of op het platform wordt gepubliceerd.

In geval van discrepanties in de zin van dit artikel prevaleren de in het register beschikbaar gestelde documenten en informatie.

5.  De in artikel 14 bedoelde documenten en informatie kunnen door de vennootschap pas na de in lid 3 van onderhavig artikel bedoelde openbaarmaking worden tegengeworpen aan derden, tenzij de vennootschap aantoont dat deze derden er kennis van droegen.

Deze documenten en informatie kunnen evenwel, met betrekking tot verrichtingen van vóór de zestiende dag volgend op die van de openbaarmaking, niet worden tegengeworpen aan derden die aantonen dat zij er onmogelijk kennis van hadden kunnen dragen.

Derden kunnen zich altijd beroepen op documenten en informatie ten aanzien waarvan de vormvereisten van openbaarmaking nog niet zijn vervuld, tenzij de niet-openbaarmaking met zich brengt dat zulke documenten of informatie geen gevolgen sorteren.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat alle documenten en informatie ▌die worden ingediend als onderdeel van de oprichting van een vennootschap, van de registratie van een bijkantoor of van een ▌indiening van informatie door een vennootschap of een bijkantoor, door de registers worden opgeslagen in een machineleesbaar en doorzoekbaar format of als gestructureerde gegevens.".

"

7)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 16 bis

Toegang tot openbaar gemaakte informatie

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat bij het register zowel op papier als langs elektronische weg een kopie kan worden aangevraagd van alle of een gedeelte van de in artikel 14 bedoelde documenten en informatie.

De lidstaten kunnen echter besluiten dat bepaalde categorieën documenten en informatie die tot uiterlijk 31 december 2006 op papier zijn ingediend, niet of slechts ten dele langs elektronische weg van het register kunnen worden verkregen indien zij vóór een vastgestelde termijn voorafgaand aan de datum van de aanvraag bij het register zijn ingediend. Die vastgestelde termijn mag niet korter zijn dan tien jaar.

2.  De kosten voor de verkrijging van een kopie van alle of een gedeelte van de in artikel 14 bedoelde documenten of informatie, hetzij op papier, hetzij langs elektronische weg, mogen niet meer bedragen dan de administratiekosten, waaronder de kosten voor het ontwikkelen en onderhouden van registers.

3.  De aan een aanvrager verstrekte elektronische en papieren kopieën worden voor eensluidend afschrift gewaarmerkt, tenzij de aanvrager daarvan afziet.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat elektronische kopieën en extracten van de door het register verstrekte documenten en informatie zijn gewaarmerkt door middel van vertrouwensdiensten als bedoeld in Verordening (EU) nr. 910/2014, teneinde te garanderen dat de elektronische kopieën of extracten door het register zijn verstrekt en dat de inhoud ervan hetzij een eensluidend afschrift is van het door het register bewaarde document, hetzij in overeenstemming is met de daarin opgenomen informatie.".

"

8)  in artikel 17 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. De lidstaten dragen er zorg voor dat er bijgewerkte informatie beschikbaar is, waarin toelichting wordt verschaft bij de nationaalrechtelijke bepalingen krachtens dewelke derden overeenkomstig artikel 16, leden 3, 4 en 5, kunnen vertrouwen op informatie en elk soort document als bedoeld in artikel 14.";

"

9)  Artikel 18 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Elektronische kopieën van de in artikel 14 bedoelde documenten en informatie worden eveneens voor het publiek beschikbaar gesteld via het systeem van gekoppelde registers. De lidstaten kunnen de in artikel 14 bedoelde documenten en informatie ook beschikbaar stellen voor andere dan de in bijlage II genoemde vennootschapsvormen.";

"

b)  in lid 3 wordt punt a) vervangen door:"

"a) de in artikel 14 bedoelde documenten en informatie, onder meer voor andere dan de in bijlage II genoemde vennootschapsvormen, wanneer die documenten door de lidstaten ter beschikking worden gesteld;";

"

10)  Artikel 19 wordt vervangen door:"

"Artikel 19

Vergoeding voor documenten en informatie

1.  De vergoedingen die in rekening worden gebracht om de in artikel 14 bedoelde documenten en informatie via het systeem van gekoppelde registers te verkrijgen, mogen niet meer bedragen dan de daaraan verbonden administratiekosten, waaronder de kosten voor het ontwikkelen en behouden van registers.

2.  De lidstaten dragen er zorg voor dat ten minste de volgende informatie en documenten kosteloos beschikbaar zijn via het systeem van gekoppelde registers:

   a) de naam of de namen en de rechtsvorm van de vennootschap;
   b) de statutaire zetel van de vennootschap en de lidstaat waar deze is geregistreerd;
   c) het registratienummer en de EUID van de vennootschap;
   d) nadere gegevens over de website van de vennootschap, indien dergelijke gegevens in het nationale register zijn opgenomen;
   e) de ▌toestand van de vennootschap, zoals: bedrijfsactiviteiten gestaakt, doorgehaald in het register, vereffend, ontbonden, economisch actief of inactief, zoals gedefinieerd in het nationale recht en mits deze informatie in de nationale registers is opgenomen);
   f) het doel van de vennootschap, mits dit in het nationale register is opgenomen;

   g) de personalia van personen die, ofwel als instantie ofwel als lid van een dergelijke instantie, momenteel door de vennootschap gemachtigd zijn om haar ten opzichte van derden en in rechte te vertegenwoordigen, en informatie over de vraag of de personen die gemachtigd zijn om de vennootschap te vertegenwoordigen, dit alleen kunnen doen of gezamenlijk moeten optreden;
   h) informatie over bijkantoren die de vennootschap in een andere lidstaat heeft geopend, met inbegrip van de naam, het registratienummer, de EUID en de lidstaat waar het bijkantoor is geregistreerd.

3.  De uitwisseling van informatie via het systeem van gekoppelde registers is kosteloos voor de registers.

4.  De lidstaten kunnen besluiten dat de onder d) en f) bedoelde informatie alleen kosteloos beschikbaar is voor de autoriteiten van andere lidstaten.

"

11)  Artikel 20, lid 3, wordt geschrapt.

12)  Artikel 22 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de volgende alinea wordt toegevoegd aan lid 4:"

"De Commissie kan facultatieve punten voor toegang tot het systeem van gekoppelde registers opzetten. Deze toegangspunten bestaan uit systemen die door de Commissie of andere instellingen, organen en instanties van de Unie worden ontwikkeld en beheerd om hun administratieve taken te vervullen of aan Unierechtelijke bepalingen te voldoen. De Commissie stelt de lidstaten onverwijld in kennis van de instelling van deze toegangspunten en van elke belangrijke wijziging in de werking ervan.";

"

b)  lid 5 wordt vervangen door:"

"5. Toegang tot de informatie van het systeem van gekoppelde registers wordt verstrekt via het portaal en de door de lidstaten en de Commissie ingestelde facultatieve toegangspunten.";

"

13)  Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a)  punt d) wordt vervangen door:"

"d) de technische specificatie voor de methoden voor informatie-uitwisseling tussen het register van de vennootschap en het register van het bijkantoor als bedoeld in artikel 20, artikel 28 bis, leden 4 en 6, en de artikelen 28 quater, 30 bis en 34;";

"

b)  punt e) wordt vervangen door:"

"e) de gedetailleerde lijst van gegevens die worden verzonden voor de informatie-uitwisseling tussen de registers, als bedoeld in de artikelen 20, 28 bis, 28 quater, 30 bis, 34 en 130;";

"

c)  punt n) wordt vervangen door:"

"n) de procedure en de technische vereisten voor de verbinding van de facultatieve toegangspunten met het platform als bedoeld in artikel 22;";

"

d)  het volgende punt wordt toegevoegd:"

"o) de nadere bepalingen voor en de technische details van de uitwisseling van de in artikel 13 decies bedoelde informatie tussen de registers.";

"

e)  aan het eind van het artikel wordt de volgende alinea toegevoegd:"

"De Commissie stelt uiterlijk ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding] overeenkomstig de punten d), e), n) en o) de uitvoeringshandelingen vast.";

"

14)  in titel I, hoofdstuk III wordt de titel van afdeling 2 vervangen door:"

"Registratie- en openbaarmakingsregels voor bijkantoren van vennootschappen van andere lidstaten";

"

15)  in titel I, hoofdstuk III, afdeling 2 worden de volgende artikelen ingevoegd:"

"Artikel 28 bis

Online registratie van bijkantoren

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat bijkantoren van onder het recht van een andere lidstaat vallende vennootschappen bij hen volledig online kunnen worden geregistreerd zonder dat de aanvragers zich daarvoor fysiek moeten aanmelden bij een ▌autoriteit of een persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald aspect van de aanvraag om registratie van bijkantoren te behandelen, met inachtneming van artikel 13 ter, lid 4, en dienovereenkomstig van artikel 13 octies, lid 8.

2.  De lidstaten stellen nadere voorschriften voor de online registratie van bijkantoren vast, waaronder inzake de documenten en informatie die bij een bevoegde autoriteit moeten worden ingediend. In het kader van deze voorschriften zorgen de lidstaten ervoor dat de online registratie kan worden verricht door de indiening van documenten of gegevens in elektronische vorm, met inbegrip van elektronische kopieën van de documenten en informatie als bedoeld in artikel 16 bis, lid 4, of door gebruikmaking van de eerder bij een register ingediende documenten of gegevens.

3.  De in lid 2 bedoelde voorschriften hebben op zijn minst betrekking op:

   a) de procedure om te waarborgen dat de aanvragers de nodige handelingsbekwaamheid hebben en de bevoegdheid hebben om de vennootschap te vertegenwoordigen;
   b) de middelen om de identiteit te verifiëren van de persoon of personen die de bijkantoren registreren, of hun vertegenwoordigers;
   c) de verplichting voor de aanvragers om gebruik te maken van de in Verordening (EU) nr. 910/2014 bedoelde vertrouwensdiensten.

4.  De in lid 2 bedoelde voorschriften kunnen ook betrekking hebben op procedures met het oog op:

   a) het verifiëren van de rechtmatigheid van het doel van het bijkantoor;
   b) het verifiëren van de rechtmatigheid van de naam van het bijkantoor;
   c) het verifiëren van de rechtmatigheid van de documenten en informatie die zijn ingediend voor de registratie van het bijkantoor te;
   d) het bepalen van de rol van een notaris of een andere overeenkomstig de nationale bepalingen gemachtigde persoon of instantie die betrokken is bij het proces van de registratie van een bijkantoor.

5.  De lidstaten kunnen, in het kader van de registratie van een bijkantoor van een in een andere lidstaat opgerichte vennootschap, de informatie over die vennootschap verifiëren aan de hand van het systeem van gekoppelde registers.

De lidstaten laten de online registratie van een bijkantoor niet afhangen van het voorafgaand verkrijgen van een vergunning of machtiging, tenzij zulks onontbeerlijk is voor een passend toezicht op bepaalde activiteiten zoals vastgelegd in het nationale recht.

6.  De lidstaten dragen er zorg voor dat de online registratie van een bijkantoor wordt afgewikkeld binnen tien werkdagen te rekenen vanaf de datum waarop aan alle vormvereisten is voldaan, met inbegrip van de ontvangst van alle vereiste documenten en informatie die in overeenstemming zijn met het nationale recht, door een ▌autoriteit of ▌ een persoon of instantie die krachtens het nationale recht gemachtigd is om een bepaald deel van de registratie van een bijkantoor te behandelen.

Als de procedure voor de registratie van een bijkantoor niet kan worden afgerond binnen de in dit lid gestelde termijn, zorgen de lidstaten ervoor dat de aanvrager in kennis wordt gesteld van de redenen voor de vertraging.

7.  Zodra het bijkantoor van de krachtens de wetgeving van een andere lidstaat opgerichte vennootschap is geregistreerd, meldt het register van de lidstaat waar het bijkantoor is geregistreerd dit via het systeem van gekoppelde registers aan de lidstaat waar de vennootschap is geregistreerd. De lidstaat waar de vennootschap is geregistreerd, bevestigt de ontvangst van deze melding en registreert de informatie onmiddellijk in zijn register.

Artikel 28 ter

Online indiening van documenten en informatie voor bijkantoren

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat in artikel 30 bedoelde documenten en informatie, en wijzigingen daarvan, online kunnen worden ingediend binnen de periode die is bepaald in de wetgeving van de lidstaat waar het bijkantoor is opgericht. De lidstaten zorgen ervoor dat die indiening volledig online kan plaatsvinden zonder dat de aanvragers zich fysiek moeten aanmelden bij een autoriteit of persoon of instantie die op grond van nationaal recht gemachtigd is de online indiening te behandelen, met inachtneming van de bepalingen die zijn vastgelegd in artikel 13 ter, lid 4, en op overeenkomstige wijze in artikel 13 octies, lid 8.

2.  Artikel 28 bis, leden 2 tot en met 5, is van overeenkomstige toepassing op online indiening voor bijkantoren.

3.  De lidstaten kunnen verlangen dat bepaalde of alle in lid 1 bedoelde documenten en informatie alleen online worden ingediend.

Artikel 28 quater

Sluiting van bijkantoren

De lidstaten zorgen ervoor dat het register van een lidstaat waar het bijkantoor van de vennootschap is geregistreerd, onmiddellijk na ontvangst van de in artikel 30, lid 1, onder h), bedoelde documenten en informatie, via het systeem van gekoppelde registers meldt aan het register van de lidstaat waar de vennootschap is geregistreerd dat het bijkantoor is gesloten en uit het register is geschrapt. Het register van de lidstaat van de vennootschap bevestigt ook via dat systeem dat het deze melding heeft ontvangen en ▌registreert de ▌informatie onmiddellijk.";

"

(16)  Het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 30 bis

Wijzigingen van documenten en informatie van de vennootschap

1.  De lidstaat waar een vennootschap is geregistreerd geeft de lidstaat waar een bijkantoor van de vennootschap is geregistreerd er via het systeem van gekoppelde registers onverwijld kennis van wanneer een wijziging is ingediend met betrekking tot:

   a) de naam van de vennootschap;
   b) de statutaire zetel van de vennootschap;
   c) het registratienummer van de vennootschap in het register;
   d) de rechtsvorm van de vennootschap;
   e) de documenten en in artikel 14, onder d) en f) bedoelde documenten en informatie.

Het register waarin het bijkantoor is geregistreerd, bevestigt de ontvangst van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde informatie onmiddellijk via het systeem van gekoppelde registers en zorgt ervoor dat de in artikel 30, lid 1, bedoelde documenten en informatie onverwijld worden bijgewerkt.".

"

17)  in artikel 31 wordt de volgende alinea wordt toegevoegd:"

"De lidstaten kunnen bepalen dat aan de verplichting tot openbaarmaking van boekhoudbescheiden als bedoeld in artikel 30, lid 1, onder g), is voldaan indien de in artikel 14, onder f), bedoelde openbaarmaking heeft plaatsgevonden in het register van de lidstaat waar de vennootschap is geregistreerd.";

"

18)  Artikel 43 wordt geschrapt.

19)  Artikel 161 wordt vervangen door:"

"Artikel 161

Gegevensbescherming

Verordening (EU) 2016/679 is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze richtlijn.";

"

20)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 162 bis

Wijzigingen van de bijlagen

De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van elke wijziging die wordt aangebracht in de soorten kapitaalvennootschappen waarin hun nationale recht voorziet, en die gevolgen heeft voor de inhoud van de bijlagen I, II en IIA.

Wanneer een lidstaat de Commissie kennis geeft krachtens de eerste alinea van dit artikel, is de Commissie bevoegd om door middel van gedelegeerde handelingen in overeenstemming met artikel 163 de lijst van vennootschapsvormen in de bijlagen I, II en IIA aan te passen in lijn met de in de eerste alinea van onderhavig artikel bedoelde informatie.";

"

21)  Artikel 163 wordt vervangen door:"

"Artikel 163

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 25, lid 3, en artikel 162 bis bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van ... [datum van inwerkingtreding van deze richtlijn].

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 25, lid 3, en artikel 162 bis, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 25, lid 3, of artikel 162 bis vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.";

"

22)  In bijlage I wordt het 27e streepje vervangen door:"

"— Zweden:

publikt aktiebolag;";

"

23)  In bijlage II wordt het 27e streepje vervangen door:"

"— Zweden:

privat aktiebolag

publikt aktiebolag;";

"

24)  Bijlage IIA, zoals opgenomen in de bijlage bij deze richtlijn, wordt ingevoegd.

Artikel 2

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... [2 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de tekst van die bepalingen onmiddellijk mee aan de Commissie.

2.  Niettegenstaande lid 1 van dit artikel doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op ... [4 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] te voldoen aan artikel 1, lid 5, van onderhavige richtlijn wat artikel 13 decies en artikel 13 undecies, lid 2, van Richtlijn (EU) 2017/1132 betreft, en aan artikel 1, lid 6, van onderhavige richtlijn wat artikel 16, lid 6, van Richtlijn 2017/1132 betreft.

3.  In afwijking van lid 1 komen de lidstaten die bijzondere moeilijkheden ondervinden bij het omzetten van deze richtlijn in aanmerking voor een verlenging van maximaal één jaar van de in lid 1 bepaalde termijn. Zij geven objectieve redenen voor de noodzaak van een dergelijke verlenging. De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk ... [18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] in kennis van hun voornemen om van een dergelijke verlenging gebruik te maken.

4.  Wanneer de lidstaten de bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

5.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Verslaglegging, evaluatie en gegevensverzameling

1.  Uiterlijk ... [5 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] of, indien een lidstaat gebruikmaakt van de afwijking als bedoeld in artikel 2, lid 3, uiterlijk ... [P6 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] verricht de Commissie een evaluatie van de bij onderhavige richtlijn in Richtlijn (EU) 2017/1132 ingevoerde bepalingen en brengt zij aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de bevindingen, behalve wat betreft de in artikel 2, lid 2, bedoelde bepalingen, waarvoor de evaluatie en dit verslag uiterlijk ... [7 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wijzigingsrichtlijn] worden opgesteld.

De lidstaten stellen de Commissie de informatie ter beschikking die zij voor het opstellen van de verslagen nodig heeft, met name gegevens over het aantal online registraties en de daarmee verbonden kosten.

2.  De evaluatie in het verslag van de Commissie heeft onder meer betrekking op:

a)  de vraag of het ▌haalbaar is om te voorzien in de volledige online registratie van andere dan de in bijlage IIA genoemde vennootschapsvormen;

b)  de vraag of het ▌haalbaar is om de lidstaten modellen te laten verstrekken voor alle soorten kapitaalvennootschappen, en de vraag of het noodzakelijk en haalbaar is om een geharmoniseerd model te verstrekken dat door alle lidstaten moet worden gebruikt voor de in bijlage IIA genoemde vennootschapsvormen;

c)  de praktische ervaring met de toepassing van de in artikel 13 decies bedoelde regels inzake de het opleggen van een bestuursverbod aan bestuurders;

d)  de methoden voor de online indiening en online toegang, met inbegrip van het gebruik van application programming interfaces;

e)  de vraag of het noodzakelijk en haalbaar is om meer dan in de artikel 19, lid 2, vereiste informatie kosteloos ter beschikking te stellen en onbelemmerde toegang tot die informatie te waarborgen;

f)  de vraag of het noodzakelijk en haalbaar is om het eenmaligheidsbeginsel verder toe te passen.

3.  Het verslag gaat in voorkomend geval vergezeld van voorstellen tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132.

4.  Met het oog op een betrouwbare evaluatie van de bij onderhavige richtlijn in Richtlijn (EU) 2017/1132 ingevoerde bepalingen verzamelen de lidstaten gegevens over hoe online oprichting in de praktijk werkt. Normaliter moet deze informatie bestaan uit het aantal online oprichtingen, het aantal gevallen waarin modellen werden gebruikt of waarin fysieke aanwezigheid vereist was en de gemiddelde duur en kosten van online oprichtingen. Zij stellen de Commissie tweemaal van deze informatie in kennis, uiterlijk twee jaar na de datum van omzetting.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

"BIJLAGE IIA

VENNOOTSCHAPSVORMEN BEDOELD IN DE ARTIKELEN 13, 13 sexies, 13 octies, 13 nonies en 162 bis

—  België:

société privée à responsabilité limitée/besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,

société privée à responsabilité limitée unipersonnelle/eenpersoons besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;

—  Bulgarije:

дружество с ограничена отговорност,

еднолично дружество с ограничена отговорност;

—  Tsjechië:

společnost s ručením omezeným;

—  Denemarken:

Anpartsselskab;

—  Duitsland:

Gesellschaft mit beschränkter Haftung;

—  Estland:

osaühing;

—  Ierland:

private company limited by shares or by guarantee/cuideachta phríobháideach faoi theorainn scaireanna nó ráthaíochta,

designated activity company/cuideachta ghníomhaíochta ainmnithe;

—  Griekenland:

εταιρεία περιορισμένης ευθύνης,

ιδιωτική κεφαλαιουχική εταιρεία;

—  Spanje:

sociedad de responsabilidad limitada;

—  Frankrijk:

société à responsabilité limitée,

entreprise unipersonnelle à responsabilité limitée,

société par actions simplifiée,

société par actions simplifiée unipersonnelle;

—  Kroatië:

društvo s ograničenom odgovornošću,

jednostavno društvo s ograničenom odgovornošću;

—  Italië:

società a responsabilità limitata,

società a responsabilità limitata semplificata;

—  Cyprus:

ιδιωτική εταιρεία περιορισμένης ευθύνης με μετοχές ή/και με εγγύηση;

—  Letland:

sabiedrība ar ierobežotu atbildību;

—  Litouwen:

uždaroji akcinė bendrovė;

—  Luxemburg:

société à responsabilité limitée;

—  Hongarije:

korlátolt felelősségű társaság;

—  Malta:

private limited liability company/kumpannija privata;

—  Nederland:

besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid;

—  Oostenrijk:

Gesellschaft mit beschränkter Haftung;

—  Polen:

spółka z ograniczoną odpowiedzialnością;

—  Portugal:

sociedade por quotas;

—  Roemenië:

societate cu răspundere limitată;

—  Slovenië:

družba z omejeno odgovornostjo;

—  Slowakije:

spoločnosť s ručením obmedzeným;

—  Finland:

yksityinen osakeyhtiö/privat aktiebolag;

—  Zweden:

privat aktiebolag;

—  Verenigd Koninkrijk:

private limited by shares or guarantee. "

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 24.
(2)PB C 62 van 15.2.2019, blz. 24.
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 18 april 2019.
(4)Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46).
(5) Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).
(6) Verordening (EU) 2018/1724 van het Europees Parlement en de Raad van 2 oktober 2018 tot oprichting van één digitale toegangspoort voor informatie, procedures en diensten voor ondersteuning en probleemoplossing en houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 1024/2012 (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 1).
(7) Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73).
(8)PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.
(9)Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
(10) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(11)Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(12)PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(13) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/884 van de Commissie van 8 juni 2015 tot vaststelling van de technische specificaties en de procedures voor het systeem van gekoppelde registers dat is ingesteld bij Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 144 van 10.6.2015, blz. 1).


Grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen ***I
PDF 416kWORD 126k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen (COM(2018)0241 – C8-0167/2018 – 2018/0114(COD))
P8_TA-PROV(2019)0429A8-0002/2019

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0241),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 50, leden 1 en 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0167/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie juridische zaken en ook de adviezen van de Commissie werkgelegenheid en sociale zaken en de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0002/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn (EU) 2017/1132 met betrekking tot grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen(2)

P8_TC1-COD(2018)0114


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 50, leden 1 en 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad(5) regelt grensoverschrijdende fusies van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid. Deze regels vormen een belangrijke mijlpaal voor een betere werking van de eengemaakte markt voor vennootschappen en ondernemingen en de uitoefening van de vrijheid van vestiging. Bij het evalueren van deze regels is echter gebleken dat wijzigingen van de regels voor grensoverschrijdende fusies noodzakelijk zijn. Bovendien is het passend te voorzien in regels voor grensoverschrijdende omzettingen en splitsingen, aangezien Richtlijn (EU) 2017/1132 alleen in regels voor binnenlandse splitsingen van naamloze vennootschappen voorziet.

(2)  Vrijheid van vestiging is een van de fundamentele beginselen van het Unierecht. Overeenkomstig de tweede alinea van artikel 49 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), gelezen in samenhang met artikel 54 VWEU, omvat de vrijheid van vestiging voor vennootschappen onder meer het recht om vennootschappen op te richten en te beheren volgens de voorwaarden waarin de wetgeving van de lidstaat van vestiging voorziet. Dit recht is door het Hof van Justitie van de Europese Unie uitgelegd als onder meer het recht van een overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat opgerichte vennootschap om zich om te zetten in een vennootschap naar het recht van een andere lidstaat, voor zover is voldaan aan de vereisten van de wetgeving van die andere lidstaat, en meer bepaald aan het criterium dat door die andere lidstaat is gekozen voor de aanknoping van een vennootschap met zijn nationale rechtsorde.

(3)  Bij gebreke van harmonisatie van het Unierecht behoort de omschrijving van het element van aanknoping dat bepaalt onder welk nationaal recht een vennootschap valt, overeenkomstig artikel 54 VWEU tot de ▌ bevoegdheid van elke lidstaat. In artikel 54 VWEU worden de statutaire zetel, het hoofdbestuur en de hoofdvestiging van een vennootschap als element van aanknoping op gelijke voet geplaatst. Daarom sluit, zoals in rechtspraak is verduidelijkt, ▌het feit op zich dat alleen de statutaire zetel (en niet het hoofdbestuur of de hoofdvestiging) wordt verplaatst, niet uit dat de vrijheid van vestiging overeenkomstig artikel 49 VWEU kan worden toegepast. ▌

(4)  Door deze ontwikkelingen in de rechtspraak zijn voor vennootschappen ▌ in de eengemaakte markt nieuwe kansen ontstaan om economische groei, daadwerkelijke concurrentie en productiviteit te bevorderen. Tegelijkertijd moet de doelstelling van een eengemaakte markt zonder interne grenzen voor vennootschappen ook in overeenstemming worden gebracht met andere doelstellingen van Europese integratie zoals sociale bescherming, als vastgelegd in artikel 3 VEU en artikel 9 VWEU, en bevordering van de sociale dialoog, als vastgelegd in de artikelen 151 en 152 VWEU. Het recht van vennootschappen op omzetting, fusie en splitsing over de grenzen heen moet hand in hand gaan en naar behoren worden afgewogen tegen de bescherming van werknemers, schuldeisers en deelnemers in de vennootschap.

(5)  Het ontbreken van een rechtskader voor grensoverschrijdende omzettingen en splitsingen brengt juridische versnippering en gebrek aan rechtszekerheid mee en vormt dus een hinderpaal voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging. Het leidt ook tot een minder optimale bescherming voor werknemers, schuldeisers en minderheidsdeelnemers in de eengemaakte markt.

(6)  Het Europees Parlement heeft de Commissie opgeroepen geharmoniseerde regels voor grensoverschrijdende omzettingen en splitsingen vast te stellen. Een geharmoniseerd rechtskader zou verder bijdragen tot het opheffen van beperkingen op de vrijheid van vestiging en tegelijkertijd voorzien in een passende ▌ bescherming voor belanghebbenden zoals werknemers, schuldeisers en deelnemers in de vennootschap.

(7)  Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de lidstaten om werknemers beter te beschermen, overeenkomstig het bestaande sociale acquis.

(8)  Het aangaan van een grensoverschrijdende omzetting brengt mee dat de rechtsvorm van een vennootschap veranderingen ondergaat zonder dat haar rechtspersoonlijkheid verloren gaat. Noch een grensoverschrijdende omzetting, noch een grensoverschrijdende fusie of splitsing mag echter ▌ leiden tot omzeiling van de vereisten voor oprichting in de lidstaat ▌ waar de vennootschap na de operatie moet worden geregistreerd. Deze voorwaarden, waaronder de verplichting om het hoofdkantoor te hebben in de lidstaat van bestemming en de verplichtingen met betrekking tot het diskwalificeren van bestuurders, moeten door de vennootschap volledig worden nagekomen. Het toepassen van deze voorwaarden door de lidstaat van bestemming mag er bij grensoverschrijdende omzettingen echter niet toe leiden dat de continuïteit van de rechtspersoonlijkheid van de omgezette vennootschap wordt aangetast. ▌

(9)  Deze richtlijn mag niet van toepassing zijn op vennootschappen in vereffening waarbij een begin is gemaakt met de verdeling van de activa. Bovendien kunnen de lidstaten besluiten ook vennootschappen uit te sluiten waartegen een andere vereffeningsprocedure is ingeleid. De lidstaten moeten er ook voor kunnen kiezen deze richtlijn niet toe te passen op vennootschappen in een insolventieprocedure, als omschreven in het nationale recht, op vennootschappen ten aanzien waarvan een preventieve herstructureringsprocedure loopt, als omschreven in het nationale recht, ongeacht of dergelijke procedures in een nationaal insolventiekader zijn geregeld, alsook op vennootschappen waarop crisispreventiemaatregelen in de zin van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(6) van toepassing zijn.

Deze richtlijn moet de richtlijn betreffende preventieve herstructureringskaders, een tweede kans en maatregelen ter verhoging van de efficiëntie van herstructurerings-, insolventie- en kwijtingsprocedures onverlet laten.

(10)   Gelet op de complexiteit van grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen (hierna "grensoverschrijdende operaties" genoemd) en de menigvuldige betrokken belangen moet met het oog op de rechtszekerheid worden voorzien in toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende operatie voordat deze van kracht wordt. Met dat doel ▌ moeten de bevoegde instanties van ▌ de betrokken lidstaten ▌ ervoor zorgen dat het besluit tot goedkeuring van een grensoverschrijdende operatie op billijke, objectieve en niet-discriminerende wijze wordt genomen op basis van alle relevante gegevens die op grond van het nationale en het Unierecht vereist zijn.

(11)   Om mogelijk te maken dat in de procedure voor de grensoverschrijdende operatie de legitieme belangen van alle belanghebbenden in aanmerking worden genomen, moet de vennootschap het voorstel voor de voorgestelde operatie opstellen en openbaar maken. Dit moet de belangrijkste informatie over de voorgestelde operatie bevatten. Indien het nationale recht daarin voorziet en/of in overeenstemming met de nationale gebruiken, moeten in het bestuurs- of leidinggevende orgaan werknemersvertegenwoordigers op bestuursniveau worden betrokken bij de besluitvorming over het voorstel voor de grensoverschrijdende operatie. Deze informatie moet ten minste de beoogde rechtsvorm van de vennootschap of vennootschappen, de oprichtingsakte, in voorkomend geval, de statuten, het voorgestelde indicatieve tijdschema voor de operatie en bijzonderheden over de waarborgen die aan de deelnemers en schuldeisers van de vennootschap worden geboden, omvatten. In het ondernemingsregister moet een openbare kennisgeving worden opgenomen aan de deelnemers en schuldeisers van de vennootschap en de vertegenwoordigers van de werknemers van de vennootschap, of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, de werknemers zelf, zodat zij opmerkingen kunnen indienen over de voorgestelde operatie. De lidstaten kunnen ook besluiten dat het verslag van de onafhankelijke deskundige openbaar wordt gemaakt.

(12)  Om de deelnemers in de vennootschap en de werknemers informatie te verschaffen, moet de vennootschap die de grensoverschrijdende operatie aangaat voor hen een verslag opstellen. In het verslag moet toelichting en motivering worden verstrekt omtrent de juridische en economische aspecten van de voorgestelde grensoverschrijdende operatie en de gevolgen van de voorgestelde grensoverschrijdende operatie voor de werknemers. Met name moet in het verslag toelichting worden verstrekt omtrent de gevolgen van de grensoverschrijdende operatie wat betreft de toekomstige activiteiten van de vennootschap, met inbegrip van haar dochterondernemingen. Wat de deelnemers in de vennootschap betreft, moet het verslag met name de mogelijke rechtsmiddelen bevatten waarover de deelnemers in de vennootschap kunnen beschikken, en in het bijzonder informatie over hun uitstaprecht. Wat de werknemers betreft, moet in het verslag met name ook worden toegelicht welke gevolgen de voorgestelde grensoverschrijdende operatie heeft voor de werkgelegenheid. In het bijzonder moet worden toegelicht of er zich materiële veranderingen zullen voordoen in de arbeidsvoorwaarden die zijn vastgelegd in het recht, collectieve overeenkomsten en transnationale bedrijfsovereenkomsten, en in de vestigingsplaatsen van de vennootschap, zoals de plaats van het hoofdkantoor, en moet informatie worden verstrekt over het leidinggevende orgaan en, indien van toepassing, het personeel, de uitrusting, de gebouwen en de activa vóór en na de grensoverschrijdende operatie en over de waarschijnlijke wijzigingen in de organisatie van werkzaamheden, de lonen, de locatie van specifieke functies en de verwachte gevolgen voor de werknemers die dergelijke functies bekleden, alsook over de sociale dialoog op vennootschapsniveau, met inbegrip van, indien van toepassing, de werknemersvertegenwoordiging op bestuursniveau. Voorts moet worden toegelicht hoe deze veranderingen van invloed zouden zijn op eventuele dochterondernemingen van de vennootschap. Deze vereiste hoeft echter niet te worden toegepast indien het bestuursorgaan van de vennootschap alleen uit werknemers van de vennootschap bestaat. Om te komen tot een betere bescherming voor de werknemers, moeten de werknemers of hun vertegenwoordigers bovendien advies kunnen verstrekken over het verslag waarin de op hen wegende gevolgen van de grensoverschrijdende operatie worden uiteengezet. Het verslag moet worden opgesteld en advies moet kunnen worden verstrekt onverminderd de toepasselijke informatie- en raadplegingsprocedures die op nationaal niveau zijn ingesteld, met inbegrip van die uit hoofde van Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad(7) of Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad(8). De deelnemers in de vennootschap en de vertegenwoordigers van de werknemers van de vennootschap die de grensoverschrijdende omzetting aangaat of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, de werknemers zelf, moeten kunnen beschikken over het verslag of over de verslagen, indien deze afzonderlijk worden opgesteld.

(13)  Het voorstel voor de grensoverschrijdende operatie, de vergoeding in geld die door de vennootschap wordt aangeboden aan de deelnemers die uit de vennootschap willen stappen en, in voorkomend geval, de ruilverhouding van de aandelen met inbegrip van het bedrag van een eventuele bijbetaling in geld dat in het voorstel opgenomen is, moeten worden gecontroleerd door een van de vennootschap onafhankelijke deskundige. Wat de onafhankelijkheid van de deskundige betreft, moeten de lidstaten rekening houden met de beginselen van de artikelen 22 en 22 ter van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad(9).

(14)  De door de vennootschap openbaar gemaakte informatie moet uitgebreid zijn en de belanghebbenden in staat stellen de gevolgen van de voorgenomen grensoverschrijdende operatie te beoordelen. Vennootschappen mogen echter niet worden verplicht vertrouwelijke informatie openbaar te maken waarvan de openbaarmaking schadelijk zou zijn voor hun commerciële positie overeenkomstig het nationale recht of het Unierecht. Deze niet-openbaarmaking mag geen afbreuk doen aan de andere vereisten van deze richtlijn.

(15)  Op basis van het voorstel ▌ en de verslagen moet de algemene vergadering van de deelnemers in de vennootschap of vennootschappen besluiten of zij dit voorstel en de vereiste wijzigingen van de oprichtingsakten, met inbegrip van de statuten, goedkeurt. Het is belangrijk dat de vereiste meerderheid bij een dergelijke stemming voldoende hoog is om te verzekeren dat het voorstel op een solide meerderheid berust. Daarnaast moeten de deelnemers in de vennootschap ook het recht hebben te stemmen over regelingen betreffende werknemersparticipatie indien zij dat recht op de algemene vergadering hebben voorbehouden.

(16)  Als gevolg van een grensoverschrijdende operatie krijgen deelnemers in een vennootschap er vaak mee te maken dat het recht van een andere lidstaat van toepassing wordt op hun rechten, aangezien zij deelnemers worden in een vennootschap die onder het recht van een andere lidstaat valt en niet langer onder het recht dat van toepassing was op de vennootschap waarin zij deelnemers waren vóór de operatie. Daarom moeten de lidstaten deelnemers in de vennootschap die aandelen met stemrechten bezitten en tegen de goedkeuring van het voorstel hebben gestemd, ten minste het recht verlenen om uit de vennootschap te stappen en voor hun aandelen een vergoeding in geld te krijgen die overeenstemt met de waarde van die aandelen. De lidstaten kunnen evenwel besluiten dit recht ook te verlenen aan andere deelnemers in de vennootschap, bijvoorbeeld aan deelnemers in de vennootschap die aandelen zonder stemrecht bezitten, aan deelnemers in de vennootschap die als gevolg van een grensoverschrijdende splitsing aandelen in de vennootschap zouden verwerven in een andere verhouding dan vóór de operatie, of aan deelnemers in de vennootschap voor wie niet het toepasselijke recht is gewijzigd, maar voor wie bepaalde rechten wel zijn gewijzigd als gevolg van de operatie. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de nationale regelgeving inzake de geldigheid van overeenkomsten voor de verkoop en overdracht van aandelen in vennootschappen, noch aan bijzondere vereisten inzake rechtsvorm. De lidstaten moeten bijvoorbeeld een notariële akte of een bevestiging van ondertekening kunnen eisen.

(17)  Vennootschappen moeten voor zover mogelijk de kosten in verband met de grensoverschrijdende operatie kunnen ramen. De deelnemers in de vennootschap moeten daarom worden verplicht aan de vennootschap te verklaren of zij gebruikmaken van het recht op vervreemding van hun aandelen. Dit mag geen afbreuk doen aan de formele vereisten die in het nationale recht zijn vastgelegd. Van deelnemers in de vennootschap kan ook worden verlangd dat zij tegelijk met de verklaring of binnen een specifieke termijn aangeven of zij voornemens zijn de aangeboden vergoeding in geld aan te vechten en om een aanvullende vergoeding in geld te verzoeken.

(18)  De berekening van de aangeboden vergoeding in geld moet gebaseerd zijn op algemeen aanvaarde waarderingsmethoden. De deelnemers in de vennootschap moeten het recht hebben om de berekening aan te vechten en de passende hoogte van de vergoeding in geld te betwisten bij een bevoegde bestuurlijke of rechterlijke instantie of een krachtens het nationale recht gemachtigde instantie, met inbegrip van scheidsgerechten. De lidstaten moeten kunnen bepalen dat deelnemers in de vennootschap die gebruik hebben gemaakt van het recht op vervreemding van hun aandelen, het recht hebben om zich in de procedure te voegen, en de lidstaten moeten de termijnen kunnen vaststellen waarbinnen dit naar nationaal recht mogelijk is.

(19)  Bij een grensoverschrijdende fusie of splitsing moeten deelnemers in de vennootschap die niet beschikten over of geen gebruik hebben gemaakt van het uitstaprecht echter wel het recht hebben om de ruilverhouding van de aandelen aan te vechten. Wanneer wordt beoordeeld of sprake is van een adequate ruilverhouding van de aandelen moet de bevoegde bestuurlijke of rechterlijke instantie of een krachtens het nationale recht gemachtigde instantie ook rekening houden met het bedrag van een eventuele bijbetaling in geld dat in het voorstel opgenomen is.

(20)   ▌ Om deze schuldeisers te beschermen tegen het risico van insolventie van de vennootschap na de grensoverschrijdende operatie, moeten de lidstaten daarnaast van de vennootschap of vennootschappen een solvabiliteitsverklaring kunnen eisen volgens welke hun geen redenen bekend zijn om aan te nemen dat door de uit de grensoverschrijdende operatie voortkomende vennootschap of vennootschappen niet zou kunnen worden voldaan aan de erop rustende verplichtingen. In deze omstandigheden moeten de lidstaten de leden van het leidinggevende orgaan persoonlijk aansprakelijk kunnen stellen voor de nauwkeurigheid van deze verklaring. Gelet op de uiteenlopende juridische tradities onder de lidstaten met betrekking tot het gebruik van solventieverklaringen en de mogelijke gevolgen daarvan, staat het aan de lidstaten passende gevolgen te verbinden aan onnauwkeurige of misleidende verklaringen, waaronder effectieve en evenredige sancties en verplichtingen in overeenstemming met het Unierecht.

(21)  Om schuldeisers passende bescherming te garanderen in gevallen waarin zij geen genoegen nemen met de bescherming die de vennootschap biedt in het voorstel en waarin zij mogelijk geen bevredigende oplossing met de vennootschap hebben gevonden, kunnen de schuldeisers die de vennootschap vooraf in kennis hebben gesteld, waarborgen vragen bij de bevoegde ▌instantie ▌. Bij de beoordeling van deze waarborgen moet de passende instantie rekening houden met de vraag of de vordering van de schuldeiser tegen de ▌ vennootschap of ▌ een derde partij ten minste dezelfde waarde en een even goede kredietkwaliteit heeft als vóór de grensoverschrijdende operatie en of de vordering bij dezelfde rechterlijke instantie ▌ kan worden ingediend.

(22)  De lidstaten moeten zorgen voor passende bescherming voor de schuldeisers die al banden onderhielden met de vennootschap voor de vennootschap haar voornemen om een grensoverschrijdende operatie uit te voeren openbaar heeft gemaakt. Naast de algemene regels van de Brussel I bis-verordening moeten de lidstaten derhalve bepalen dat dergelijke schuldeisers gedurende een periode van twee jaar na de openbaarmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting de mogelijkheid moeten hebben om een vordering in te dienen in de lidstaat van vertrek. Nadat het voorstel openbaar is gemaakt, moeten de schuldeisers rekening kunnen houden met de potentiële impact van de wijziging van rechtsgebied en toepasselijk recht als gevolg van de grensoverschrijdende operatie. Tot de te beschermen schuldeisers van een vennootschap kunnen ook actieve en voormalige werknemers met verworven bedrijfspensioenrechten behoren, alsook personen die uitkeringen van een bedrijfspensioen ontvangen. De in deze richtlijn voorziene maatregel voor tweejarige bescherming met betrekking tot het rechtsgebied waarin schuldeisers vorderingen kunnen indienen die zijn ontstaan voor de openbaarmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting, laat het nationale recht inzake de verjaring van rechtsvorderingen onverlet.

(23)  Gewaarborgd moet worden dat de rechten van werknemers om geïnformeerd en geraadpleegd te worden in het kader van grensoverschrijdende operaties volledig worden gerespecteerd. De informatie en raadpleging van werknemers in het kader van grensoverschrijdende operaties moet worden uitgevoerd overeenkomstig het rechtskader van Richtlijn 2002/14/EG, indien van toepassing voor ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie, overeenkomstig Richtlijn 2009/38/EG, en Richtlijn 2001/23/EG van de Raad(10), wanneer de grensoverschrijdende fusie of grensoverschrijdende splitsing wordt beschouwd als overgang van een onderneming in de zin van die richtlijn. De onderhavige richtlijn laat Richtlijn 2009/38/EG, Richtlijn 98/59/EG van de Raad, Richtlijn 2001/23/EG en Richtlijn 2002/14/EG onverlet. Aangezien in de onderhavige richtlijn echter een geharmoniseerde procedure voor grensoverschrijdende operaties is vastgelegd, is het passend om met name de termijn te specificeren waarbinnen de informatie en raadpleging van werknemers in verband met de grensoverschrijdende operatie moet plaatsvinden.

(24)  De werknemersvertegenwoordiging overeenkomstig het nationale recht en/of de nationale gebruiken, in voorkomend geval, moet ook de eventuele relevante organen omvatten die overeenkomstig het EU-recht zijn ingesteld, zoals de Europese ondernemingsraad die is ingesteld overeenkomstig Richtlijn 2009/38/EG en het vertegenwoordigingsorgaan dat is ingesteld overeenkomstig Richtlijn 2001/86/EG van de Raad(11).

(25)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat werknemersvertegenwoordigers bij de uitoefening van hun functie voldoende bescherming en waarborgen genieten overeenkomstig artikel 7 van Richtlijn 2002/14/EG om de taken die hun zijn toevertrouwd naar behoren te kunnen vervullen.

(26)  Om het verslag te analyseren, moet de vennootschap die de grensoverschrijdende operatie aangaat de werknemersvertegenwoordigers voorzien van de middelen die zij nodig hebben om de uit deze richtlijn voortvloeiende rechten correct uit te oefenen.

(27)   Om te verzekeren dat de werknemersmedezeggenschap geen onnodig nadeel ondervindt ten gevolge van de grensoverschrijdende operatie wanneer de vennootschap die de grensoverschrijdende operatie aangaat, ▌ een stelsel van werknemersmedezeggenschap heeft ingevoerd, moet op de uit de grensoverschrijdende operatie voortkomende vennootschap of vennootschappen de verplichting rusten een rechtsvorm aan te nemen die de uitoefening van medezeggenschap mogelijk maakt, onder meer door de aanwezigheid van vertegenwoordigers van de werknemers in het passende leidinggevende of toezichthoudende orgaan van de vennootschap of vennootschappen. Bovendien moeten in een dergelijk geval, wanneer de vennootschap en haar werknemers te goeder trouw onderhandelen, de onderhandelingen worden gevoerd volgens de in Richtlijn 2001/86/EG ingestelde procedure om een minnelijke oplossing te vinden waarin het recht van de vennootschap om een grensoverschrijdende operatie aan te gaan, verzoend wordt met de medezeggenschapsrechten van de werknemers. Een op maat toegesneden en onderling overeengekomen oplossing op basis van deze onderhandelingen of, indien er geen overeenkomst wordt bereikt, de toepassing van de referentievoorschriften als bedoeld in de bijlage bij Richtlijn 2001/86/EG moeten op overeenkomstige wijze gelden. Om de overeengekomen oplossing of de toepassing van de referentievoorschriften te vrijwaren, mag de vennootschap niet de mogelijkheid krijgen de medezeggenschapsrechten op te heffen door binnen een termijn van vier jaar een volgende binnenlandse of grensoverschrijdende omzetting, fusie of splitsing aan te gaan.

(28)  Om te voorkomen dat de medezeggenschapsrechten voor werknemers worden omzeild door middel van een grensoverschrijdende operatie, mag voor de vennootschap of vennootschappen waardoor de grensoverschrijdende operatie wordt aangegaan en die geregistreerd is of zijn in de lidstaat waar voorzien is in medezeggenschapsrechten voor werknemers, niet de mogelijkheid bestaan om een grensoverschrijdende operatie aan te gaan zonder eerst onderhandelingen te voeren met de werknemers of hun vertegenwoordigers, wanneer het gemiddelde aantal werknemers van de vennootschap vier vijfde bedraagt van de nationale drempel die nodig is voor het opzetten van werknemersparticipatie.

(29)  De betrokkenheid van alle belanghebbenden, met name de werknemers, draagt bij tot een duurzame langetermijnaanpak van vennootschappen binnen de gehele eengemaakte markt. In dit verband speelt het waarborgen en bevorderen van werknemersmedezeggenschap in het bestuur van vennootschappen een belangrijke rol, met name bij grensoverschrijdende herstructurering of verhuizing van vennootschappen. Daarom is het van essentieel belang en moet worden bevorderd dat de onderhandelingen over medezeggenschapsrechten in het kader van grensoverschrijdende operaties met succes worden afgerond.

(30)   Om een passende verdeling van taken tussen de lidstaten en een efficiënte en effectieve voorafgaande controle van grensoverschrijdende operaties te verzekeren, moeten ▌ de bevoegde instanties van de lidstaten van de vennootschap of vennootschappen waardoor de grensoverschrijdende operatie wordt aangegaan, bevoegd zijn om een aan de omzetting, fusie of splitsing voorafgaand attest (hierna "aan de operatie voorafgaand attest" genoemd) af te geven. Zonder een dergelijk attest kunnen de bevoegde instanties van de lidstaten van de omgezette vennootschap of van de uit de grensoverschrijdende operatie voortkomende vennootschap of vennootschappen de procedures voor de grensoverschrijdende operatie niet voltooien.

(31)  Met het oog op de afgifte van het aan de operatie voorafgaande attest moeten de lidstaten van de vennootschap of vennootschappen waardoor de grensoverschrijdende operatie wordt aangegaan, overeenkomstig het nationale recht een of meer instanties aanwijzen die bevoegd zijn om toezicht te houden op de rechtmatigheid van de operatie. Onder de bevoegde instantie(s) kunnen vallen: rechterlijke, notariële of andere instanties, een belastinginstantie of een autoriteit voor financiële diensten. Indien er meer dan één bevoegde instantie is, moet de vennootschap een aanvraag voor het aan de operatie voorafgaande attest kunnen indienen bij één door de lidstaten aangewezen bevoegde instantie, die met de andere bevoegde instanties overleg moet plegen. Door de bevoegde instantie of instanties moet worden beoordeeld of aan alle relevante voorwaarden is voldaan en of alle procedures en formaliteiten correct zijn vervuld in die lidstaat en moet binnen drie maanden na de indiening van het verzoek door de vennootschap worden beslist over de afgifte van een aan de operatie voorafgaand attest, tenzij er ernstige twijfels rijzen over de vraag of de grensoverschrijdende operatie is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden, en het onderzoek aanvullende informatie of aanvullende onderzoeksactiviteiten vereist.

(32)  In sommige omstandigheden kan het recht van vennootschappen om een grensoverschrijdende operatie aan te gaan, gebruikt worden voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden, zoals het omzeilen van de rechten van werknemers, socialezekerheidsbetalingen of fiscale verplichtingen, of voor criminele doeleinden. Met name van belang is het bestrijden van "lege vennootschappen" of "brievenbusmaatschappijen" die zijn opgericht om het nationale recht en/of het Unierecht te ontduiken, te omzeilen of te schenden. Wanneer de bevoegde instantie in het kader van haar toezicht op de rechtmatigheid, onder meer door raadpleging van de relevante instanties, constateert dat de grensoverschrijdende operatie is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden, mag zij de operatie niet toestaan. De relevante procedure, met inbegrip van alle gedetailleerde beoordelingen, moet worden uitgevoerd in overeenstemming met het nationale recht. In dat geval kan de bevoegde instantie de termijn voor de beoordeling voor nog eens maximaal drie maanden verlengen.

(33)  Wanneer er bij de bevoegde instantie ernstige twijfels rijzen over de vraag of de grensoverschrijdende operatie is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden, moeten bij de beoordeling alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen en moet daarbij ten minste rekening worden gehouden met, in voorkomend geval, indicatieve factoren met betrekking tot de kenmerken van de vestiging in de lidstaat waar de registratie van de vennootschap of vennootschappen na de grensoverschrijdende operatie moet plaatsvinden, met inbegrip van de opzet van de operatie, de sector, de investering, de netto-omzet en winst of verlies, het aantal werknemers, de samenstelling van de balans, de fiscale woonplaats, de activa en de plaats waar deze zich bevinden, de uitrusting, de uiteindelijk begunstigden van de vennootschap, de gebruikelijke werkplek van de werknemers en van specifieke werknemersgroepen, de plaats waar de sociale bijdragen verschuldigd zijn, het aantal gedetacheerde werknemers in het jaar vóór de omzetting in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad(12) en Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad(13), het aantal werknemers dat gelijktijdig in meer dan één lidstaat werkzaam is in de zin van Verordening (EG) nr. 883/2004 en de commerciële risico's van de vennootschap of vennootschappen vóór en na de grensoverschrijdende operatie. Bij de beoordeling moet ook rekening worden gehouden met de relevante feiten en omstandigheden in verband met de medezeggenschapsrechten voor werknemers, met name wat betreft de onderhandelingen over dergelijke rechten die zijn aangegaan doordat het aantal werknemers niet minder bedraagt dan vier vijfde van de toepasselijke nationale drempel. Al deze elementen mogen in de algemene beoordeling slechts als indicatieve factoren worden beschouwd en mogen dus niet op zichzelf in aanmerking worden genomen. De bevoegde instantie kan het als een aanwijzing beschouwen dat er geen omstandigheden zijn die tot misbruik of fraude leiden, indien de grensoverschrijdende operatie ertoe leidt dat de plaats van de werkelijke leiding en/of de economische activiteit van de vennootschap zich in de lidstaat bevindt waar de registratie van de vennootschap of vennootschappen na de grensoverschrijdende operatie moet plaatsvinden.

(34)  Ook moet de bevoegde instantie bij de vennootschap die de grensoverschrijdende operatie aangaat, of bij andere bevoegde instanties, met inbegrip van die van de lidstaat van bestemming, alle relevante informatie en documenten kunnen opvragen met het oog op de controle van de rechtmatigheid binnen het in het nationale recht vastgestelde procedurele kader. De lidstaten moeten kunnen bepalen welke gevolgen de door de deelnemers en schuldeisers van de vennootschap ingeleide procedures overeenkomstig deze richtlijn kunnen hebben voor de afgifte van het aan de operatie voorafgaande attest.

(35)  Bij de beoordeling van de door de vennootschap ingediende aanvraag voor het verkrijgen van een aan de operatie voorafgaand attest kan de bevoegde instantie een beroep doen op een onafhankelijke deskundige. De lidstaten moeten regels vaststellen om ervoor te zorgen dat de deskundige of de rechtspersoon in wiens naam de deskundige optreedt, onafhankelijk is van de vennootschap die de aanvraag voor het aan de operatie voorafgaande attest indient. De deskundige(n) moet(en) door de bevoegde instantie worden aangewezen en er mogen noch momenteel, noch in het verleden banden zijn (geweest) tussen de deskundige(n) en de betrokken vennootschap die van invloed kunnen zijn op de onafhankelijkheid van de deskundige(n).

(36)  Om ervoor te zorgen dat de vennootschap die de grensoverschrijdende operatie aangaat, haar schuldeisers niet benadeelt, moet de bevoegde instantie met name kunnen nagaan of de vennootschap haar verbintenissen tegenover openbare schuldeisers is nagekomen en of eventuele openstaande verplichtingen voldoende zijn gewaarborgd. De bevoegde instantie moet met name ook kunnen nagaan of de vennootschap nog verwikkeld is in rechtszaken over bijvoorbeeld inbreuken op het sociaal, arbeids- of milieurecht, die kunnen leiden tot verdere verplichtingen van de vennootschap, onder meer tegenover burgers en particuliere entiteiten.

(37)  De lidstaten moeten procedurele waarborgen bieden die in overeenstemming zijn met de algemene beginselen van toegang tot de rechter, waaronder de mogelijkheid van toetsing van de besluiten van de bevoegde instanties in het kader van de procedures inzake grensoverschrijdende operaties, de mogelijkheid om het attest pas later van kracht te laten worden zodat de partijen een vordering bij de bevoegde rechter kunnen instellen, en de mogelijkheid om in voorkomend geval voorlopige maatregelen te verkrijgen.

(38)   Na ontvangst van het aan de operatie voorafgaande attest en na een controle of is voldaan aan de wettelijke vereisten van de lidstaat waar de vennootschap na de operatie moet worden geregistreerd, met inbegrip van een controle of de handeling een omzeiling van het nationale recht of het Unierecht vormt, moeten de bevoegde instanties ▌ de vennootschap in het ondernemingsregister van deze lidstaat inschrijven. De bevoegde instantie van de voormalige lidstaat van de vennootschap of vennootschappen waardoor de grensoverschrijdende operatie wordt aangegaan, moet deze in haar eigen register pas na deze inschrijving doorhalen. De bevoegde instanties van de lidstaat waar de vennootschap na de grensoverschrijdende operatie moet worden geregistreerd, mogen niet de mogelijkheid krijgen de ▌ informatie in het aan de operatie voorafgaande attest aan te vechten. ▌

(39)  De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de voltooiing van bepaalde procedurele stappen, namelijk de openbaarmaking van het voorstel, de aanvraag voor een aan de omzetting, fusie of splitsing voorafgaand attest (hierna "aan de operatie voorafgaand attest" genoemd) en de indiening van alle informatie en documenten voor het toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende omzetting, fusie of splitsing door de lidstaat van bestemming, volledig online kan worden verricht zonder dat de aanvragers persoonlijk voor een bevoegde instantie in de lidstaten moeten verschijnen. De regels inzake het gebruik van digitale instrumenten en processen in het vennootschapsrecht, met inbegrip van de relevante waarborgen, moeten waar nodig van toepassing zijn. De bevoegde instantie moet de aanvraag voor het aan de omzetting voorafgaande attest, met inbegrip van alle ingediende informatie en documenten, online kunnen ontvangen, tenzij dit voor deze instantie bij wijze van uitzondering technisch onmogelijk is.

(40)  Om de kosten, de duur van de procedures en de administratieve lasten voor de vennootschappen te verminderen, moeten de lidstaten het eenmaligheidsbeginsel toepassen in het kader van het vennootschapsrecht, namelijk dat van vennootschappen niet mag worden geëist dat zij dezelfde, aan verschillende overheidsinstanties te verstrekken informatie bij elke instantie afzonderlijk indienen, bijvoorbeeld bij het nationale register én bij het nationale publicatieblad.

(41)  Ten gevolge van de grensoverschrijdende omzetting moet de omgezette vennootschap haar rechtspersoonlijkheid, haar activa en passiva en alle rechten en verplichtingen, waaronder de rechten en verplichtingen uit contracten, handelingen of nalatigheden behouden. In het bijzonder moet de vennootschap de rechten eerbiedigen en de verplichtingen nakomen die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of dienstverbanden, met inbegrip van de voorwaarden van eventuele collectieve overeenkomsten.

(42)   Met het oog op een passend niveau van transparantie en een degelijk gebruik van digitale instrumenten en processen moeten de door de bevoegde instanties in verschillende lidstaten afgegeven aan de operatie voorafgaande attesten gedeeld worden door middel van een onderling verbonden systeem van ondernemingsregisters en moeten deze openbaar beschikbaar worden gesteld. Overeenkomstig het algemene beginsel dat aan deze richtlijn ten grondslag ligt, moet een dergelijke uitwisseling van informatie altijd kosteloos zijn.

(43)  Om de transparantie over de grensoverschrijdende operaties te vergroten, is het belangrijk dat de registers van de betrokken lidstaten de nodige informatie uit het andere register of de andere registers over de bij de grensoverschrijdende operatie betrokken vennootschappen bevatten om de geschiedenis van die vennootschappen te kunnen volgen. In het bijzonder moet het dossier over de vennootschap in het register waarin zij vóór de grensoverschrijdende operatie was geregistreerd, het nieuw toegekende nummer bevatten waaronder zij na de grensoverschrijdende operatie is ingeschreven. Evenzo moet het dossier over de vennootschap in het register waarin zij na de grensoverschrijdende operatie is geregistreerd, het oorspronkelijk toegekende nummer bevatten waaronder zij vóór de grensoverschrijdende operatie was ingeschreven.

(44)  Wat de bestaande regels inzake grensoverschrijdende fusies betreft, kondigde de Commissie in haar mededeling "De eengemaakte markt verbeteren: meer mogelijkheden voor mensen en ondernemingen" ▌ aan te zullen onderzoeken of het nodig is die regels ▌ te actualiseren, zodat het voor kleine en middelgrote ondernemingen eenvoudiger zou worden de bedrijfsstrategie van hun voorkeur te kiezen en zich beter aan wijzigingen van de marktomstandigheden aan te passen, zonder dat daardoor de bestaande arbeidsbescherming zou worden afgezwakt. In de mededeling "Werkprogramma van de Europese Commissie voor 2017. Naar een Europa dat ons beschermt, sterker maakt en verdedigt" werd een initiatief aangekondigd om het aangaan van grensoverschrijdende fusies te vergemakkelijken.

(45)   Het gebrek aan harmonisering van de waarborgen voor deelnemers in de vennootschap ▌ is ▌ bestempeld als een obstakel voor grensoverschrijdende operaties. Vennootschappen en hun deelnemers krijgen te maken met een breed scala aan verschillende vormen van bescherming, wat leidt tot complexiteit en rechtsonzekerheid. Deelnemers ▌ zouden derhalve hetzelfde minimumniveau van bescherming moeten krijgen, ongeacht de lidstaat waarin de vennootschap is gevestigd. De lidstaten kunnen derhalve aanvullende beschermingsregels voor deelnemers handhaven of invoeren, tenzij deze in strijd zijn met deze richtlijn of met de vrijheid van vestiging. Het individuele recht op informatie van de deelnemers blijft onaangetast.

(46)   Na afloop van een grensoverschrijdende operatie kunnen de vroegere schuldeisers van de vennootschap of vennootschappen waardoor die operatie wordt aangegaan, te maken krijgen met vorderingen die worden getroffen wanneer de ▌ vennootschap die aansprakelijk is voor de schuld, nadien onder het recht van een andere lidstaat valt. Momenteel variëren de regels ter bescherming van de schuldeisers naargelang van de lidstaat, hetgeen de complexiteit van het proces van grensoverschrijdende operaties aanzienlijk vergroot en zowel voor de betrokken vennootschappen als voor de schuldeisers daarvan onzekerheid meebrengt wat de invordering of de voldoening van hun vordering betreft.

(47)  Naast de nieuwe regels voor omzettingen worden in deze richtlijn regels bepaald voor gedeeltelijke en volledige grensoverschrijdende splitsingen, maar alleen in verband met de oprichting van nieuwe vennootschappen. Deze richtlijn bevat ▌ geen geharmoniseerd kader voor grensoverschrijdende splitsingen waarin een vennootschap activa en passiva overdraagt aan meer dan één bestaande vennootschap omdat het in deze laatste gevallen om zeer complexe zaken gaat waarbij instanties van verschillende lidstaten betrokken zijn en bijkomende risico's voor ▌ omzeiling van nationale en EU-regels kunnen opduiken. De mogelijkheid om een vennootschap op te richten via splitsing door scheiding, waarin deze richtlijn voorziet, biedt vennootschappen een nieuwe geharmoniseerde procedure binnen de eengemaakte markt, maar het moet vennootschappen vrij staan om rechtstreeks dochterondernemingen in andere lidstaten op te zetten.

(48)   Ten gevolge van de grensoverschrijdende fusie moeten de activa en passiva en alle rechten en verplichtingen, waaronder de rechten en verplichtingen uit contracten, handelingen of nalatigheden, worden overgedragen aan de overnemende of aan de nieuwe vennootschap, en de deelnemers in de fuserende vennootschappen die geen gebruik maken van het uitstaprecht, moeten deelnemers worden in respectievelijk de overnemende of de nieuwe vennootschap. In het bijzonder moet de overnemende of de nieuwe vennootschap de rechten eerbiedigen en de verplichtingen nakomen die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of dienstverbanden, met inbegrip van de voorwaarden van eventuele collectieve overeenkomsten.

(49)  Ten gevolge van de grensoverschrijdende splitsing moeten de activa en passiva en alle rechten en verplichtingen, waaronder de rechten en verplichtingen uit contracten, handelingen of nalatigheden, van de gesplitste vennootschap worden overgedragen aan de verkrijgende vennootschappen volgens de in het voorstel voor de splitsing aangegeven toewijzing en moeten de deelnemers in de gesplitste vennootschap die geen gebruik maken van het uitstaprecht, deelnemer worden in de verkrijgende vennootschappen of deelnemer blijven in de gesplitste vennootschap of deelnemer worden in beide. In het bijzonder moeten de verkrijgende vennootschappen de rechten eerbiedigen en de verplichtingen nakomen die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of dienstverbanden, met inbegrip van de voorwaarden van eventuele collectieve overeenkomsten.

(50)  Om de rechtszekerheid te waarborgen, moet het verboden zijn een grensoverschrijdende operatie die overeenkomstig de procedure van deze richtlijn van kracht is geworden, nietig te verklaren. Dit mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheden van de lidstaten, onder meer op het gebied van strafrecht, terrorismefinanciering, sociaal recht, fiscaal recht en rechtshandhaving overeenkomstig het nationale recht, met name wanneer de bevoegde instanties of andere instanties met bevoegdheid ter zake met name op basis van nieuwe wezenlijke informatie vaststellen, nadat de grensoverschrijdende operatie van kracht is geworden, dat de grensoverschrijdende operatie is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden. In dit verband kunnen de bevoegde instanties ook beoordelen of de toepasselijke nationale drempel voor werknemersmedezeggenschap van de lidstaat van de vennootschap die de grensoverschrijdende operatie aangaat, is bereikt of overschreden in de jaren na de grensoverschrijdende operatie.

(51)  Grensoverschrijdende operaties mogen geen afbreuk doen aan de aansprakelijkheid voor fiscale verplichtingen in verband met de activiteit van de vennootschap of vennootschappen vóór de operatie.

(52)   Om andere werknemersrechten dan medezeggenschapsrechten te garanderen, doet deze richtlijn niet af aan Richtlijn 2009/38/EG, Richtlijn 98/59/EG van de Raad(14), Richtlijn 2001/23/EG en Richtlijn 2002/14/EG. Het nationale recht moet ook van toepassing zijn op aangelegenheden die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, zoals belastingen of sociale zekerheid.

(53)   De bepalingen van deze richtlijn doen niet af aan de nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen, waaronder de handhaving van belastingregels in grensoverschrijdende omzettingen, fusies of splitsingen, met betrekking tot de belastingen van lidstaten of hun territoriale of bestuurlijke onderdelen.

(54)  Deze richtlijn laat Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad(15) tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt, Richtlijn 2009/133/EG van de Raad(16) betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, Richtlijn (EU) 2015/2376 van de Raad(17) wat betreft de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen over voorafgaande fiscale rulings en voorafgaande verrekenprijsafspraken tussen lidstaten, Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad(18) wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied en Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad(19) wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies onverlet.

(55)   Deze richtlijn doet niet af aan de bepalingen van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad(20) ter bestrijding van witwassen van geld en terrorismefinanciering, met name de verplichtingen met betrekking tot de passende cliëntenonderzoeksmaatregelen op basis van risicogevoeligheid en de identificatie en registratie van de uiteindelijk begunstigde van elke nieuw opgerichte entiteit in de lidstaat waar de oprichting plaatsvindt.

(56)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de Uniewetgeving en de nationale voorschriften die krachtens die Uniewetgeving zijn vastgesteld ter regulering van de transparantie en van de rechten van aandeelhouders in beursgenoteerde vennootschappen.

(57)  Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de Uniewetgeving inzake kredietbemiddelaars en andere financiële ondernemingen en de nationale voorschriften die krachtens die Uniewetgeving zijn vastgesteld.

(58)   Aangezien de doelstellingen van deze richtlijn, het vereenvoudigen en het reguleren van grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen, niet voldoende door de lidstaten maar beter op het niveau van de Unie kunnen worden bereikt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 VWEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in dat artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(59)   Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(60)   Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken(21) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(61)   De Commissie moet een evaluatie van deze richtlijn verrichten, met inbegrip van een evaluatie van de tenuitvoerlegging inzake de informatie, de raadpleging en de medezeggenschap van werknemers in het kader van de grensoverschrijdende operaties. De evaluatie moet met name ten doel hebben de grensoverschrijdende operaties te beoordelen waarbij de onderhandelingen over werknemersmedezeggenschap zijn aangegaan doordat het aantal werknemers niet minder bedraagt dan vier vijfde van de toepasselijke drempel, en na te gaan of in die vennootschappen na de grensoverschrijdende operatie de toepasselijke drempel voor werknemersmedezeggenschap van de lidstaat van de vennootschap die de grensoverschrijdende operatie is aangegaan, is bereikt of overschreden. Overeenkomstig punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016(22) moet deze evaluatie gebaseerd zijn op vijf criteria, namelijk doeltreffendheid, efficiëntie, coherentie, relevantie en meerwaarde, en moet zij de basis vormen voor effectbeoordelingen van mogelijke verdere maatregelen.

(62)   Er moet informatie worden verzameld om de werking van de wetgeving te evalueren ten aanzien van de doelstellingen die ermee worden nagestreefd, en om de evaluatie van de wetgeving te ondersteunen in overeenstemming met punt 22 van het Interinstitutioneel Akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven van 13 april 2016.

(63)  Richtlijn (EU) 2017/1132 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn (EU) 2017/1132

Richtlijn (EU) 2017/1132 wordt als volgt gewijzigd:

1)  in artikel 18, lid 3, wordt het volgende punt a bis) ingevoegd:"

"a bis) de in de artikelen 86 nonies, 86 sexdecies, 86 octodecies, 123, 127 bis, 160 undecies, 160 octodecies en 160 vicies bedoelde documenten en informatie;";

"

2)  ▌artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a)   punt e) wordt vervangen door:"

"e) de gedetailleerde lijst van gegevens die worden verzonden voor de gegevensuitwisseling tussen de registers en met het oog op openbaarmaking, als bedoeld in de artikelen 20, 34, ▌ 86 sexdecies, 86 septdecies, 86 octodecies, 127 bis, 128, 130 ▌, 160 octodecies, 160 novodecies en 160 vicies";

"

b)  aan de tweede alinea wordt de volgende zin toegevoegd:"

"De Commissie stelt de uitvoeringshandelingen overeenkomstig het bepaalde onder e) uiterlijk 18 maanden na de datum van inwerkingtreding vast.";

"

3)  de titel van titel II wordt vervangen door:"

"OMZETTINGEN, FUSIES EN SPLITSINGEN VAN VENNOOTSCHAPPEN MET BEPERKTE AANSPRAKELIJKHEID";

"

4)  in titel II wordt het volgende hoofdstuk -I ingevoegd:"

"HOOFDSTUK -I

Grensoverschrijdende omzettingen

Artikel 86 bis

Toepassingsgebied

1.  Dit hoofdstuk is van toepassing op de omzetting van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die is opgericht in overeenstemming met het recht van een lidstaat en die haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging binnen de Unie heeft, in een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die onder het recht van een andere lidstaat valt (hierna "grensoverschrijdende omzetting" genoemd).

Artikel 86 ter

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

   1. "vennootschap met beperkte aansprakelijkheid" (hierna "vennootschap" genoemd): een vennootschap met een vorm als bedoeld in bijlage II die een grensoverschrijdende omzetting aangaat;
   2. "grensoverschrijdende omzetting": een operatie waarbij een vennootschap, zonder te worden ontbonden of zonder in vereffening te gaan, de rechtsvorm waaronder zij in een lidstaat van vertrek is geregistreerd, omzet in een in bijlage II vermelde rechtsvorm van de lidstaat van bestemming en met behoud van haar rechtspersoonlijkheid ten minste haar statutaire zetel overbrengt naar de lidstaat van bestemming;
   3. "lidstaat van vertrek": een lidstaat waarin een vennootschap in haar rechtsvorm is geregistreerd voordat de grensoverschrijdende omzetting plaatsvindt;
   4. "lidstaat van bestemming": een lidstaat waarin een vennootschap wordt geregistreerd ten gevolge van de grensoverschrijdende omzetting;

   5. "omgezette vennootschap": de ▌ vennootschap die in de lidstaat van bestemming wordt opgericht ten gevolge van de grensoverschrijdende omzetting ▌.

Artikel 86 quater

Verdere bepalingen betreffende het toepassingsgebied

1.  Dit hoofdstuk geldt niet voor grensoverschrijdende omzettingen waarbij een vennootschap is betrokken waarvan het doel de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken kapitaal is, met toepassing van het beginsel van risicospreiding en waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van die vennootschap rechtstreeks of middellijk worden ingekocht of terugbetaald. Met dergelijke inkopen of terugbetalingen wordt gelijkgesteld ieder handelen van een dergelijke vennootschap om te voorkomen dat de waarde van haar deelnemingsrechten ter beurze aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat dit hoofdstuk niet van toepassing is in een van de volgende omstandigheden:

   a) de vennootschap is in vereffening en heeft een begin gemaakt met de verdeling van activa onder haar aandeelhouders;

   b) de vennootschap is onderworpen aan afwikkelingsinstrumenten, ‑bevoegdheden en -mechanismen waarin titel IV van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad* voorziet.

3.  De lidstaten kunnen besluiten dit hoofdstuk niet toe te passen op vennootschappen:

   a) in een insolventieprocedure of ten aanzien waarvan een preventieve herstructureringsprocedure loopt;
   a bis) waartegen een andere vereffeningsprocedure is ingeleid dan bedoeld in lid 2; of
   b) waarop crisispreventiemaatregelen in de zin van artikel 2, lid 1, punt 101, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van toepassing zijn.

4.  Het nationale recht van de lidstaat van vertrek regelt het gedeelte van de procedures en formaliteiten met betrekking tot de grensoverschrijdende omzetting met het oog op het verkrijgen van het aan de omzetting voorafgaande attest en het nationale recht van de lidstaat van bestemming regelt het gedeelte van de procedures en formaliteiten na de ontvangst van het aan de omzetting voorafgaande attest in overeenstemming met het Unierecht.

Artikel 86 quinquies

Voorstel voor grensoverschrijdende omzettingen

1.   Het leidinggevende of bestuursorgaan van de vennootschap ▌ stelt het voorstel voor een grensoverschrijdende omzetting op. In het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting wordt ten minste vermeld:

   a) de rechtsvorm, de naam en de plaats van de statutaire zetel van de vennootschap in de lidstaat van vertrek;
   b) de rechtsvorm, de naam en de plaats van de statutaire zetel die in de lidstaat van bestemming worden voorgesteld voor de omgezette vennootschap;
   c) de oprichtingsakte ▌, in voorkomend geval, en, indien die in een afzonderlijke akte zijn opgenomen, de statuten van de vennootschap in de lidstaat van bestemming;
   d) het voorgestelde indicatieve tijdschema voor de grensoverschrijdende omzetting;
   e) de rechten die door de omgezette vennootschap worden verleend aan de deelnemers in de vennootschap met bijzondere rechten en aan de houders van andere effecten dan aandelen die het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen, of de ten aanzien van hen voorgestelde maatregelen;
   f) ▌ waarborgen, zoals garanties of pandgevingen, wanneer deze aan ▌ schuldeisers worden geboden;

   h) de bijzondere voordelen die aan de leden van de organen die belast zijn met het bestuur of de leiding van, of het toezicht of de controle op de ▌ vennootschap worden toegekend;
   h bis) of de vennootschap in de lidstaat van vertrek gedurende de laatste vijf jaar eventuele stimulansen of subsidies heeft ontvangen;
   i) een nadere omschrijving van het aanbod voor de vergoeding in geld voor de deelnemers in de vennootschap▌, in overeenstemming met artikel 86 undecies;
   j) de waarschijnlijke gevolgen van de grensoverschrijdende omzetting voor de werkgelegenheid;
   k) in voorkomend geval, informatie over de procedures waarbij overeenkomstig artikel 86 terdecies regelingen worden vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de werknemers bij de vaststelling van hun medezeggenschapsrechten in de omgezette vennootschap worden betrokken ▌.

Artikel 86 sexies

Verslag van het leidinggevende of bestuursorgaan aan de deelnemers in de vennootschap en de werknemers

1.  Het leidinggevende of bestuursorgaan van de vennootschap ▌ stelt voor de deelnemers in de vennootschap en de werknemers een verslag op waarin de wettelijke en economische aspecten van de grensoverschrijdende omzetting worden toegelicht en verantwoord en waarin de gevolgen van de grensoverschrijdende omzetting voor de werknemers worden toegelicht.

2.  In het in lid 1 bedoelde verslag wordt met name toelichting gegeven over de gevolgen van de grensoverschrijdende omzetting voor de toekomstige bedrijfsactiviteiten van de vennootschap.

Het omvat tevens een deel voor de deelnemers in de vennootschap en een deel voor de werknemers.

3.  In het deel van het verslag voor de deelnemers in de vennootschap wordt met name toelichting gegeven over:

   a bis) de vergoeding in geld en volgens welke methode deze is vastgesteld;
   b) de gevolgen van de grensoverschrijdende omzetting voor de deelnemers in de vennootschap;
   c) de rechten en de rechtsmiddelen die beschikbaar zijn voor deelnemers in de vennootschap ▌ in overeenstemming met artikel 86 undecies.

4.  Het deel van het verslag voor de deelnemers in de vennootschap is niet vereist wanneer alle deelnemers in de vennootschap ermee hebben ingestemd van deze vereiste af te zien. De lidstaten kunnen eenpersoonsvennootschappen uitsluiten van de bepalingen van dit artikel.

5.  In het deel van het verslag voor de werknemers wordt met name toelichting gegeven over:

   c bis) de gevolgen van de grensoverschrijdende omzetting voor de dienstverbanden en, in voorkomend geval, alle maatregelen om deze te vrijwaren;
   c ter) materiële wijzigingen van de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en van de vestigingsplaatsen van de vennootschap;
   d) de vraag hoe de in de punten c bis) en c ter) bedoelde factoren ook van invloed zijn op dochterondernemingen van de vennootschap.

6.  Wanneer het leidinggevende of bestuursorgaan van de vennootschap tijdig een advies over de delen van het verslag als bedoeld in de leden 1, 2 en 4 ontvangt van de vertegenwoordigers van de werknemers of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, van de werknemers zelf, zoals bepaald in het nationale recht, worden de deelnemers in de vennootschap daarvan op de hoogte gebracht en wordt dit advies aan dat verslag gehecht.

7.  Het deel voor de werknemers hoeft niet te worden opgesteld wanneer alle werknemers van de vennootschap en in voorkomend geval haar dochterondernemingen tot het leidinggevende of bestuursorgaan behoren.

8.  De vennootschap kan besluiten of één verslag met de twee in de leden 3 en 4 bedoelde delen wordt opgesteld, dan wel een afzonderlijk verslag voor respectievelijk de deelnemers in de vennootschap en de werknemers.

9.  Het in lid 1 bedoelde verslag of de in lid 5 bedoelde verslagen worden samen met het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting, indien beschikbaar, uiterlijk zes weken vóór de datum van de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering in ieder geval in elektronische vorm ter beschikking gesteld van de deelnemers in de vennootschap ▌ en de vertegenwoordigers van de werknemers van de ▌ vennootschap ▌ of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, van de werknemers zelf.

10.  Wanneer van het in lid 3 bedoelde deel voor de deelnemers in de vennootschap wordt afgezien overeenkomstig lid 3 en het in lid 4 bedoelde deel voor de werknemers niet vereist is overeenkomstig lid 4 bis, is het in lid 1 bedoelde verslag ▌ niet vereist.

11.  De leden 1 tot en met 8 van dit artikel laten de toepasselijke informatie- en raadplegingsrechten en -procedures onverlet die op nationaal niveau zijn ingesteld na de omzetting van de Richtlijnen 2002/14/EG en 2009/38/EG.

Artikel 86 octies

Verslag van onafhankelijke deskundige

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een onafhankelijke deskundige het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting onderzoekt en een voor de deelnemers in de vennootschap bestemd verslag opstelt dat uiterlijk een maand voor de datum van de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering te hunner beschikking wordt gesteld. Naargelang het recht van de lidstaten kan de deskundige een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zijn.

2.   Het in lid 1 bedoelde verslag bevat in ieder geval het advies van de deskundige over de vraag of de vergoeding in geld adequaat is. Met betrekking tot de in artikel 86 quinquies, onder i), bedoelde vergoeding in geld houdt de deskundige rekening met de marktprijs van die aandelen in de vennootschap vóór de aankondiging van het omzettingsvoorstel of met de waarde van de vennootschap, exclusief de gevolgen van de voorgestelde omzetting, zoals bepaald volgens algemeen aanvaarde waarderingsmethoden. In het verslag wordt ten minste:

   a) aangegeven volgens welke methode de voorgestelde vergoeding in geld is vastgesteld;
   b) aangegeven of deze methode passend is om de vergoeding in geld te beoordelen en tot welke waarde die methode leidt, en wordt een advies gegeven over het betrekkelijke gewicht dat bij de vaststelling van de in aanmerking genomen waarde aan die methode is gehecht;
   c) beschreven welke bijzondere moeilijkheden zich eventueel bij de waardering hebben voorgedaan.

▌De deskundige mag van de vennootschap alle informatie verlangen die nodig is voor de vervulling van zijn taak.

3.  Noch het onderzoek van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting door een onafhankelijke deskundige, noch een deskundigenverslag is vereist, indien alle deelnemers in de vennootschap aldus zijn overeengekomen. De lidstaten kunnen eenpersoonsvennootschappen uitsluiten van de bepalingen van dit artikel.

Artikel 86 nonies

Openbaarmaking

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende documenten openbaar worden gemaakt en uiterlijk één maand voor de datum van de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering publiek beschikbaar worden gesteld in het register van de lidstaat van vertrek:

   a) het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting;

   b) een kennisgeving aan de deelnemers, de schuldeisers en de vertegenwoordigers van de werknemers van de vennootschap of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, aan de werknemers zelf, dat zij uiterlijk vijf werkdagen vóór de datum van de algemene vergadering bij de vennootschap ▌ opmerkingen kunnen indienen betreffende het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting.

De lidstaten kunnen eisen dat het verslag van de onafhankelijke deskundige, indien het overeenkomstig artikel 86 octies is opgesteld, openbaar wordt gemaakt en publiek beschikbaar wordt gesteld in het register.

De lidstaten zorgen ervoor dat de vennootschap in staat is vertrouwelijke informatie uit te zonderen van openbaarmaking van het verslag van de onafhankelijke deskundige.

De overeenkomstig dit lid openbaar gemaakte documenten zijn ook toegankelijk door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem.

2.  De lidstaten kunnen de ▌ vennootschap vrijstellen van de in lid 1 bedoelde openbaarmakingsverplichting wanneer deze de in lid 1 bedoelde documenten gratis op haar website beschikbaar stelt gedurende een ononderbroken periode die aanvangt ten minste één maand vóór de datum die is vastgesteld voor de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering ▌ en die niet eerder eindigt dan bij de sluiting van die vergadering.

De lidstaten mogen evenwel geen verplichtingen verbinden aan of beperkingen stellen aan die vrijstelling, behalve om de veiligheid van de website en de authenticiteit van de documenten te waarborgen, tenzij en alleen voor zover zij evenredig zijn met de te verwezenlijken doelstellingen.

3.  Wanneer de vennootschap ▌ overeenkomstig lid 2 van dit artikel het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting openbaar maakt, dient zij ten minste één maand voor de datum van de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering ▌ bij het register van de lidstaat van vertrek de volgende openbaar te maken informatie in:

   a) de rechtsvorm, de naam en de statutaire zetel van de vennootschap in de lidstaat van vertrek, alsmede de rechtsvorm, de naam en de statutaire zetel die worden voorgesteld voor de omgezette vennootschap in de lidstaat van bestemming;
   b) het register waarbij voor de ▌ vennootschap de in artikel 14 bedoelde akten zijn neergelegd en het nummer van inschrijving in dat register;
   c) de vermelding van de regelingen die voor de uitoefening van de rechten van schuldeisers, werknemers en deelnemers in de vennootschap zijn getroffen;
   d) details van de website waar het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting, de kennisgeving en het in lid 1 bedoelde deskundigenverslag en een volledige beschrijving van de in dit lid, onder c), bedoelde regelingen kosteloos verkrijgbaar zijn.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat aan de in de leden 1 en 3 bedoelde vereisten volledig online kan worden voldaan zonder dat de aanvragers persoonlijk moeten verschijnen voor een bevoegde instantie in de lidstaat van vertrek, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

5.  Naast de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde openbaarmaking kunnen de lidstaten eisen dat het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting of de in lid 3 bedoelde informatie in hun nationale publicatieblad of via een centraal elektronisch platform overeenkomstig artikel 16, lid 3, wordt bekendgemaakt. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat het register de relevante informatie doorzendt aan het nationale publicatieblad.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde documentatie of de in lid 3 bedoelde informatie kosteloos toegankelijk is voor het publiek via het systeem van gekoppelde registers.

De lidstaten zorgen er bovendien voor dat de vergoedingen die de registers de vennootschap ▌ in rekening brengen voor de in de leden 1 en 3 bedoelde openbaarmaking en, in voorkomend geval, voor de in lid 5 bedoelde bekendmaking, niet hoger zijn dan de terugvordering van de kosten van de dienstverlening.

Artikel 86 decies

Goedkeuring door de algemene vergadering

1.  Na kennis te hebben genomen van de verslagen die zijn bedoeld in de artikelen 86 sexies ▌en 86 octies, al naargelang het geval, alsmede van de overeenkomstig artikel 86 sexies ingediende adviezen van de werknemers en de overeenkomstig artikel 86 nonies ingediende opmerkingen, beslist de algemene vergadering van de vennootschap ▌ door middel van een besluit over de goedkeuring van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting en over de vraag of de oprichtingsakte en de statuten, indien die in een afzonderlijke akte zijn opgenomen, worden aangepast.

2.  De algemene vergadering van de vennootschap ▌ kan zich het recht voorbehouden de uitvoering van de grensoverschrijdende omzetting afhankelijk te stellen van haar uitdrukkelijke bekrachtiging van de in artikel 86 terdecies bedoelde regelingen.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat voor de goedkeuring van ▌ het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting en elke wijziging daarvan een meerderheid vereist is van niet minder dan twee derde maar niet meer dan 90 % van de stemmen die verbonden zijn aan de aandelen of aan het op de vergadering vertegenwoordigde geplaatste kapitaal. De stemmingsdrempel is hoe dan ook niet hoger dan die waarin het nationale recht voorziet voor de goedkeuring van grensoverschrijdende fusies.

4.  Wanneer een clausule in het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting of een wijziging van de oprichtingsakte van de vennootschap die de omzetting aangaat tot een toename van de economische verplichtingen van een aandeelhouder ten aanzien van de vennootschap of derden leidt, kunnen de lidstaten in dergelijke specifieke omstandigheden als voorwaarde stellen dat deze clausule of de wijziging van de oprichtingsakte door de betrokken aandeelhouder wordt goedgekeurd, mits deze aandeelhouder de in artikel 86 undecies neergelegde rechten niet kan uitoefenen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de goedkeuring van de grensoverschrijdende omzetting door de algemene vergadering niet uitsluitend op de volgende gronden kan worden aangevochten:

   a) de in artikel 86 quinquies, onder i), bedoelde vergoeding in geld is niet adequaat vastgesteld; of
   b) de in het kader van punt a) verstrekte informatie voldoet niet aan de wettelijke vereisten.

Artikel 86 undecies

Bescherming van de deelnemers in de vennootschap

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de ▌ deelnemers in de vennootschap die tegen het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting hebben gestemd, het recht hebben hun aandelen onder de in de leden 2 tot en met 6 bedoelde voorwaarden te vervreemden in ruil voor een adequate vergoeding in geld.

De lidstaten kunnen een dergelijk recht ook aan andere deelnemers in de vennootschap toekennen.

De lidstaten kunnen eisen dat het uitdrukkelijke verzet tegen het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting en/of het voornemen van de deelnemers in de vennootschap om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen, uiterlijk op de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering naar behoren wordt gedocumenteerd. De lidstaten kunnen toestaan dat registratie van het verzet tegen het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting als passende documentatie met betrekking tot een tegenstem wordt beschouwd.

2.  De lidstaten stellen de termijn vast waarbinnen de in lid 1 bedoelde deelnemers in de vennootschap aan deze vennootschap kennis moeten geven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen. Die termijn duurt in geen geval langer dan één maand na de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering. De lidstaten zorgen ervoor dat de vennootschap een elektronisch adres opgeeft waarop zij deze kennisgeving elektronisch kan ontvangen.

3.  De lidstaten stellen voorts een termijn vast voor de betaling van de in het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting gespecificeerde vergoeding in geld. Deze termijn mag niet later eindigen dan twee maanden nadat de grensoverschrijdende omzetting overeenkomstig artikel 86 novodecies van kracht wordt.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat deelnemers in de vennootschap die aan deze vennootschap kennis hebben gegeven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen, maar die van oordeel zijn dat de vergoeding die door de vennootschap wordt aangeboden niet adequaat is vastgesteld, het recht hebben bij een bevoegde instantie of een krachtens het nationale recht gemachtigde instantie om een aanvullende vergoeding in geld te verzoeken. De lidstaten stellen een termijn vast voor het verzoek om een aanvullende vergoeding in geld.

De lidstaten kunnen bepalen dat het definitieve besluit tot toekenning van een aanvullende vergoeding in geld geldig is voor de deelnemers in de vennootschap die overeenkomstig lid 2 kennis hebben gegeven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 1 tot en met 4 bedoelde rechten worden geregeld door het recht van de lidstaat van vertrek en dat de lidstaat van vertrek exclusief bevoegd is voor de beslechting van geschillen die verband houden met deze rechten.

Artikel 86 duodecies

Bescherming van de schuldeisers

1.  De lidstaten bieden een passende bescherming van de belangen van de schuldeisers wier vorderingen vóór de openbaarmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting zijn ontstaan en ten tijde van die openbaarmaking nog niet opeisbaar zijn. De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeisers die geen genoegen nemen met de in artikel 86 quinquies, lid 1, onder f), bedoelde waarborgen die in het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting worden geboden, de geschikte administratieve of gerechtelijke instanties kunnen verzoeken om passende waarborgen binnen drie maanden na de in artikel 86 nonies bedoelde openbaarmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting, mits zij op geloofwaardige wijze kunnen aantonen dat de voldoening van hun vorderingen als gevolg van de grensoverschrijdende omzetting in het gedrang is, en dat van de vennootschap geen passende waarborgen zijn verkregen. De lidstaten zorgen ervoor dat de waarborgen afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de grensoverschrijdende omzetting overeenkomstig artikel 86 novodecies van kracht wordt.

2.  De lidstaten kunnen eisen dat het leidinggevende of bestuursorgaan van de ▌ vennootschap ▌ een verklaring verstrekt waarin nauwkeurig de actuele financiële toestand wordt weergegeven van de vennootschap op de datum van de verklaring, die ten vroegste één maand voor de openbaarmaking ervan valt. In de verklaring wordt aangegeven dat het leidinggevende of bestuursorgaan van de vennootschap op basis van de informatie waarover het beschikt op de datum van de verklaring en na redelijke verzoeken om inlichtingen, niet op de hoogte is van enige redenen waarom de vennootschap wanneer de omzetting van kracht wordt, niet in staat zou zijn te voldoen aan haar verplichtingen wanneer deze opeisbaar worden. De verklaring wordt samen met het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting openbaar ▌ gemaakt overeenkomstig artikel 86 nonies.

3.   De leden ▌ 2 en 3 doen niet af aan de toepassing van het nationale recht van de lidstaat van vertrek met betrekking tot het voldoen van betalingen of het waarborgen van ▌ betalingen of verbintenissen van niet-geldelijke aard ten aanzien van overheidsinstanties.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat schuldeisers wier vorderingen zijn ontstaan vóór de openbaarmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting, ook in de lidstaat van vertrek een procedure tegen de vennootschap kunnen inleiden binnen twee jaar na de datum waarop de omzetting van kracht is geworden, onverminderd de bevoegdheidsregels die voortvloeien uit het nationale recht of het Unierecht of uit een contractuele overeenkomst. De mogelijkheid om een dergelijke procedure in te leiden, vormt een aanvulling op de andere regels inzake bevoegdheidskeuze die krachtens het Unierecht van toepassing zijn.

Artikel 86 duodecies bis

Informatie en raadpleging van werknemers

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie- en raadplegingsrechten van werknemers in verband met de grensoverschrijdende omzetting worden geëerbiedigd en worden uitgeoefend overeenkomstig het rechtskader van Richtlijn 2002/14/EG en, indien van toepassing voor ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie, overeenkomstig Richtlijn 2009/38/EG. De lidstaten kunnen besluiten de informatie- en raadplegingsrechten ook op andere dan de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2002/14/EG bedoelde vennootschappen toe te passen.

2.  Onverminderd artikel 86 sexies, lid 6, en artikel 86 nonies, lid 1, onder b), zorgen de lidstaten ervoor dat de informatie- en raadplegingsrechten van werknemers worden geëerbiedigd, ten minste voordat een besluit wordt genomen over het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting of, als dat eerder gebeurt, over het in artikel 86 sexies bedoelde verslag, zodat de werknemers vóór de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering een gemotiveerd antwoord ontvangen.

3.  Onverminderd gunstigere bepalingen en/of praktijken die voor de werknemers gelden, stellen de lidstaten de praktische regelingen vast voor de uitoefening van het recht op informatie en raadpleging overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2002/14/EG.

Artikel 86 terdecies

Werknemersmedezeggenschap

1.  Onverminderd lid 2 is de omgezette vennootschap onderworpen aan de geldende voorschriften betreffende werknemersmedezeggenschap in de lidstaat van bestemming.

2.  De voorschriften betreffende werknemersmedezeggenschap die in voorkomend geval van toepassing zijn in de lidstaat van bestemming, zijn evenwel niet van toepassing indien de vennootschap die de omzetting aangaat, in de zes maanden voorafgaand aan de bekendmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting als bedoeld in artikel 86 quinquies van deze richtlijn een gemiddeld aantal werknemers heeft van vier vijfde van de toepasselijke drempel, zoals bepaald in het recht van de lidstaat van vertrek, wat aanleiding geeft tot werknemersmedezeggenschap in de zin van artikel 2, onder k), van Richtlijn 2001/86/EG, of indien het nationale recht van de lidstaat van bestemming niet:

   a) voorziet in ten minste hetzelfde niveau van werknemersmedezeggenschap dat van toepassing was in de vennootschap vóór de omzetting, gemeten naar het aantal werknemersvertegenwoordigers onder de leden van het toezichthoudende of bestuursorgaan, in de commissies van die organen of in het leidinggevende orgaan dat belast is met de winstbepalende entiteiten van de vennootschap, die in aanmerking komen voor werknemersvertegenwoordiging; of
   b) voorschrijft dat werknemers van in andere lidstaten gelegen vestigingen van de omgezette vennootschap hetzelfde recht tot uitoefening van medezeggenschapsrechten hebben als de werknemers in de lidstaat van bestemming.

3.  In de in lid 2 van dit artikel bedoelde gevallen wordt de medezeggenschap van werknemers in de omgezette vennootschap en de wijze waarop zij bij de vaststelling van deze rechten worden betrokken, door de lidstaten op overeenkomstige wijze en onverminderd de leden 4 tot en met 7 van dit artikel geregeld volgens de beginselen en procedures vervat in artikel 12, leden 2 ▌ en 4, van Verordening (EG) nr. 2157/2001 en de volgende bepalingen van Richtlijn 2001/86/EG:

   a) artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 2, onder a), i), en b), en artikel 3, lid 3, en de eerste twee zinnen van artikel 3, leden 4, ▌ 5 en 7▌;
   b) artikel 4, lid 1, artikel 4, lid 2, onder a), g) en h), en artikel 4, leden 3 en 4;
   c) artikel 5;
   d) artikel 6;
   e) ▌artikel 7, lid 1, met uitzondering van het tweede streepje van het bepaalde onder b);
   f) de artikelen 8, ▌ 10, 11 en 12;
   g) deel 3, onder a), van de bijlage.

4.  Bij het in regelgeving omzetten van de in lid 3 bedoelde beginselen en procedures:

   a) geven de lidstaten de bijzondere onderhandelingsgroep het recht om, bij een meerderheid van twee derde van haar leden, die ten minste twee derde van de werknemers vertegenwoordigen, te besluiten van onderhandelingen af te zien of reeds geopende onderhandelingen te beëindigen en zich te verlaten op de regels inzake medezeggenschap die van kracht zijn in de lidstaat van bestemming;
   b) kunnen de lidstaten, wanneer na eerdere onderhandelingen de referentievoorschriften inzake medezeggenschap van toepassing zijn en ongeacht deze referentievoorschriften, besluiten het aantal werknemersvertegenwoordigers in het bestuursorgaan van de omgezette vennootschap te beperken. Wanneer echter in de ▌ vennootschap ten minste een derde van de leden van het toezichthoudende of bestuursorgaan werknemersvertegenwoordigers waren, kan het aantal werknemersvertegenwoordigers nooit zodanig worden beperkt dat in het bestuursorgaan minder dan een derde van de leden werknemersvertegenwoordigers zijn;
   c) zorgen de lidstaten ervoor dat de regels inzake werknemersmedezeggenschap die vóór de grensoverschrijdende omzetting van toepassing waren, van toepassing blijven tot de datum waarop eventuele nadien overeengekomen regels van kracht worden, of indien er geen regels zijn overeengekomen, tot de datum waarop de referentievoorschriften van kracht worden in overeenstemming met deel 3, onder a), van de bijlage.

5.  De uitbreiding van de medezeggenschapsrechten tot werknemers van de omgezette vennootschap die in andere lidstaten werkzaam zijn, bedoeld in lid 2, onder b), houdt voor de lidstaten die deze keuze maken, geen verplichting in deze werknemers mee te tellen bij de berekening van het drempelaantal werknemers dat volgens het nationale recht aanleiding geeft tot medezeggenschapsrechten.

6.  Wanneer de omgezette vennootschap ▌ volgens de in lid 2 bedoelde voorschriften onder een stelsel van werknemersmedezeggenschap moet vallen, is zij verplicht een rechtsvorm aan te nemen die de uitoefening van medezeggenschapsrechten mogelijk maakt.

7.  Wanneer de omgezette vennootschap werkt met een stelsel van werknemersmedezeggenschap, is zij verplicht maatregelen te nemen om de medezeggenschapsrechten van de werknemers te beschermen in geval van eventuele daaropvolgende grensoverschrijdende of binnenlandse fusies, splitsingen of omzettingen voor een termijn van vier jaar nadat de grensoverschrijdende omzetting van kracht is geworden, door de in de leden 1 tot en met 6 vastgestelde voorschriften op overeenkomstige wijze toe te passen.

8.  De vennootschap stelt haar werknemers of hun vertegenwoordigers onverwijld in kennis van de resultaten van de onderhandelingen over de werknemersmedezeggenschap.

Artikel 86 quaterdecies

Aan de omzetting voorafgaand attest

1.  De lidstaten wijzen de rechterlijke, notariële of andere bevoegde instantie of instanties aan (hierna "de bevoegde instantie" genoemd) voor het toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende omzetting wat betreft het gedeelte van de procedure dat door het recht van de lidstaat van vertrek wordt geregeld, en voor de afgifte van een aan de omzetting voorafgaand attest ▌ waaruit blijkt dat aan alle relevante voorwaarden is voldaan en alle procedures en formaliteiten correct zijn vervuld in de lidstaat van vertrek.

Deze vervulling van procedures en formaliteiten kan betrekking hebben op het voldoen van betalingen of het waarborgen van betalingen of verbintenissen van niet-geldelijke aard ten aanzien van overheidsinstanties, of op de naleving van bijzondere sectorale vereisten, met inbegrip van het waarborgen van betalingen of verbintenissen die voortvloeien uit lopende procedures.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de aanvraag van het aan de omzetting voorafgaande attest door de vennootschap ▌ vergezeld gaat van:

   a) het in artikel 86 quinquies bedoelde voorstel voor de omzetting;
   b) het verslag en in voorkomend geval het aangehechte advies als bedoeld in artikel 86 sexies, alsmede het in artikel 86 octies bedoelde verslag, indien beschikbaar;
   b bis) alle overeenkomstig artikel 86 nonies, lid 1, ingediende opmerkingen;
   c) informatie over de in artikel 86 decies bedoelde goedkeuring door de algemene vergadering▌.

3.  De lidstaten kunnen eisen dat de aanvraag van het aan de omzetting voorafgaande attest vergezeld gaat van aanvullende informatie, met name over bijvoorbeeld:

   a) het aantal werknemers ten tijde van het opstellen van het voorstel voor de omzetting;
   b) dochterondernemingen en hun respectieve geografische ligging;
   c) de nakoming van verbintenissen van de vennootschap ten aanzien van overheidsinstanties.

Voor de toepassing van dit lid kunnen de bevoegde instanties deze informatie, als zij niet wordt verstrekt, opvragen bij andere instanties met bevoegdheid ter zake.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 2 en 3 bedoelde aanvraag, waaronder de indiening van informatie en documenten, volledig online kan worden verricht zonder dat het noodzakelijk is persoonlijk te verschijnen voor de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

5.  Om te voldoen aan de in artikel 86 terdecies vastgestelde regels inzake werknemersmedezeggenschap onderzoekt de bevoegde instantie in de lidstaat van vertrek of het in lid 2 van dit artikel bedoelde voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting informatie bevat over de procedures volgens welke de relevante regelingen worden vastgesteld en mogelijke opties voor deze regelingen.

6.  In het kader van de beoordeling ▌ als bedoeld in lid 1 onderzoekt de bevoegde instantie de volgende informatie:

   a) alle overeenkomstig de leden 2 en 3 bij de instantie ingediende documenten en informatie;
   b) een vermelding door de vennootschap dat de in artikel 86 terdecies, leden 3 en 4, bedoelde procedure van start is gegaan, indien van toepassing.

7.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde beoordeling ▌ plaatsvindt binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de documenten en informatie betreffende de goedkeuring van de grensoverschrijdende omzetting door de algemene vergadering van de vennootschap. Dit leidt tot een van de volgende resultaten:

   a) indien wordt vastgesteld dat de grensoverschrijdende omzetting ▌ aan alle relevante voorwaarden voldoet en dat alle noodzakelijke procedures en formaliteiten zijn vervuld, geeft de bevoegde instantie het aan de omzetting voorafgaande attest af;
   b) indien wordt vastgesteld dat de grensoverschrijdende omzetting niet aan alle relevante voorwaarden voldoet of dat niet alle noodzakelijke procedures en/of formaliteiten zijn vervuld, geeft de bevoegde instantie het aan de omzetting voorafgaande attest niet af en stelt zij de vennootschap in kennis van de redenen voor haar besluit. In dat geval kan de bevoegde instantie de vennootschap de mogelijkheid bieden om aan de relevante voorwaarden te voldoen of om de procedures en formaliteiten binnen een passende termijn te verrichten.

8.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie het aan de omzetting voorafgaande attest niet afgeeft indien overeenkomstig het nationale recht wordt vastgesteld dat een grensoverschrijdende omzetting is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden.

9.  Indien er bij de bevoegde instantie in het kader van het in lid 1 bedoelde toezicht op de rechtmatigheid ernstige twijfels rijzen over de vraag of de grensoverschrijdende omzetting is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden, neemt zij de relevante feiten en omstandigheden in aanmerking, zoals indicatieve factoren, indien van belang en niet op zichzelf beschouwd, waarvan de bevoegde instantie in het kader van het in lid 1 bedoelde toezicht op de rechtmatigheid, onder meer door raadpleging van de relevante instanties, kennis heeft genomen. De beoordeling in de zin van dit lid wordt per geval verricht volgens een procedure die onder het nationale recht valt.

10.  Wanneer het voor de beoordeling in de zin van lid 8 noodzakelijk is om rekening te houden met aanvullende informatie of aanvullende onderzoeksactiviteiten te verrichten, kan de in lid 7 bedoelde termijn van drie maanden voor nog eens maximaal drie maanden worden verlengd.

11.  Wanneer het vanwege de complexiteit van de grensoverschrijdende procedure niet mogelijk is de beoordeling binnen de in dit artikel voorziene termijnen uit te voeren, zorgen de lidstaten ervoor dat de aanvrager vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn in kennis wordt gesteld van de redenen voor de vertraging.

12.  De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde instanties andere instanties met bevoegdheid op de verschillende gebieden met betrekking tot de grensoverschrijdende omzetting, met inbegrip van die van de lidstaat van bestemming, kunnen raadplegen, en dat zij bij deze instanties en bij de vennootschap de vereiste informatie en documenten kunnen opvragen met het oog op de controle van de rechtmatigheid, binnen het in het nationale recht vastgestelde procedurele kader. Bij de beoordeling kan de bevoegde instantie een beroep doen op een onafhankelijke deskundige.

Artikel 86 sexdecies

▌Toezending van het aan de omzetting voorafgaande attest

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het ▌aan de omzetting voorafgaande attest met de in artikel 86 septdecies, lid 1, bedoelde instanties wordt gedeeld via het overeenkomstig artikel 22 ingestelde systeem van gekoppelde registers.

De lidstaten zorgen er ook voor dat het aan de omzetting voorafgaande attest beschikbaar is via het overeenkomstig artikel 22 ingestelde systeem van gekoppelde registers.

2.  De toegang tot de in lid 1 bedoelde informatie is kosteloos voor de in artikel 86 septdecies, lid 1, bedoelde instanties en voor de registers.

Artikel 86 septdecies

Toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende omzetting door de lidstaat van bestemming

1.  De lidstaten wijzen de rechterlijke, notariële of andere instantie aan die bevoegd is om toezicht te houden op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende omzetting wat betreft het gedeelte van de procedure dat door het recht van de lidstaat van bestemming wordt geregeld, en om de grensoverschrijdende omzetting goed te keuren indien aan alle relevante voorwaarden is voldaan en alle ▌ formaliteiten correct zijn verricht in de lidstaat van bestemming.

De bevoegde instantie van de lidstaat van bestemming zorgt er met name voor dat de voorgestelde omgezette vennootschap voldoet aan de bepalingen van het nationale recht inzake de oprichting en registratie van vennootschappen en, indien van toepassing, dat de regelingen inzake werknemersmedezeggenschap in overeenstemming met artikel 86 terdecies zijn vastgesteld.

2.  Voor de toepassing van lid 1 dient de vennootschap die de grensoverschrijdende omzetting aangaat, bij de in lid 1 bedoelde instantie het voorstel voor de grensoverschrijdende omzetting in dat door de in artikel 86 decies bedoelde algemene vergadering is goedgekeurd.

3.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde aanvraag door de vennootschap die de grensoverschrijdende omzetting aangaat, waaronder de indiening van informatie en documenten, volledig online kan worden verricht zonder dat de aanvragers persoonlijk moeten verschijnen voor de ▌ bevoegde instantie, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

4.  De in lid 1 bedoelde bevoegde instantie ▌ keurt de grensoverschrijdende omzetting goed wanneer zij de relevante voorwaarden heeft beoordeeld.

5.  Het in artikel 86 sexdecies, lid 1, bedoelde aan de omzetting voorafgaande attest wordt door de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie aanvaard als afdoend bewijs dat de procedures en formaliteiten correct zijn vervuld volgens het nationale recht van de lidstaat van vertrek, zonder welke de grensoverschrijdende omzetting niet kan worden goedgekeurd.

Artikel 86 octodecies

Registratie

1.  Het recht van de lidstaten van vertrek en bestemming bepaalt met betrekking tot het grondgebied van deze staten op welke wijze de voltooiing van de grensoverschrijdende omzetting openbaar wordt gemaakt in het register.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende informatie wordt opgenomen in hun registers, die zij openbaar beschikbaar en toegankelijk stellen door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem:

   a) in het ▌ register van de lidstaat van bestemming – dat de registratie van de omgezette vennootschap het gevolg is van een grensoverschrijdende omzetting;
   b) in het register van de lidstaat van bestemming – de datum van registratie van de omgezette vennootschap;
   c) in het register van de lidstaat van vertrek – dat de doorhaling of schrapping van de vennootschap uit het register het gevolg is van een grensoverschrijdende omzetting;
   d) in het register van de lidstaat van vertrek – de datum van de doorhaling of schrapping van de vennootschap uit het register;
   e) in het register van respectievelijk de lidstaat van vertrek en bestemming – het inschrijvingsnummer, de naam en de rechtsvorm van de vennootschap in de lidstaat van vertrek en het inschrijvingsnummer, de naam en de rechtsvorm van de omgezette vennootschap in de lidstaat van bestemming.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat het register in de lidstaat van bestemming door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem aan het register in de lidstaat van vertrek meedeelt dat de grensoverschrijdende omzetting van kracht is geworden. De lidstaten zorgen er eveneens voor dat de inschrijving van de vennootschap ▌ onmiddellijk na ontvangst van deze mededeling uit het register wordt verwijderd ▌.

Artikel 86 novodecies

Datum waarop de grensoverschrijdende omzetting van kracht wordt

Het recht van de lidstaat van bestemming bepaalt op welke datum de grensoverschrijdende omzetting ▌ van kracht wordt. Die datum valt na de uitvoering van alle in artikel 86 septdecies bedoelde controles.

Artikel 86 vicies

Gevolgen van de grensoverschrijdende omzetting

Een grensoverschrijdende omzetting die is aangegaan in overeenstemming met de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, heeft doordat de grensoverschrijdende omzetting van kracht wordt en vanaf de in artikel 86 novodecies bedoelde datum de volgende gevolgen:

   a) de activa en passiva van de vennootschap ▌, inclusief alle contracten, kredieten, rechten en verplichtingen, ▌ blijven in hun geheel in de omgezette vennootschap;
   b) de deelnemers in de vennootschap ▌ blijven deelnemers in de omgezette vennootschap tenzij zij het in artikel 86 undecies, lid 1, bedoelde uitstaprecht uitoefenen;
   c) de rechten en verplichtingen van de vennootschap ▌die voortvloeien uit arbeidsovereenkomsten of dienstverbanden en bestaan op de datum waarop de grensoverschrijdende omzetting van kracht wordt, bestaan voort in de omgezette vennootschap ▌.

Artikel 86 unvicies

Aansprakelijkheid van de onafhankelijke deskundigen

De lidstaten stellen regels vast die ten minste voorzien in de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de onafhankelijke deskundige die belast is met het opstellen van het in artikel 86 octies bedoelde verslag ▌.

De lidstaten beschikken over regels om ervoor te zorgen dat de deskundige of de rechtspersoon in wiens naam de deskundige optreedt, onafhankelijk is en geen belangenconflict heeft met de vennootschap die het aan de omzetting voorafgaande attest aanvraagt, en dat het advies van de deskundige onpartijdig en objectief is en wordt gegeven met het oog op het verlenen van bijstand aan de bevoegde instantie, met inachtneming van de vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit hoofde van het toepasselijke recht of de professionele normen die de deskundige in acht moet nemen.

Artikel 86 duovicies

Geldigheid

Een grensoverschrijdende omzetting die overeenkomstig de procedures tot omzetting van deze richtlijn van kracht is geworden, kan niet nietig worden verklaard.

Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de lidstaten om onder meer op het gebied van strafrecht, terrorismefinanciering, sociaal recht, fiscaal recht en rechtshandhaving maatregelen en sancties op te leggen overeenkomstig het nationale recht, na de datum waarop de grensoverschrijdende omzetting van kracht is geworden.

______________

(*) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).";

"

5)  in artikel 119 wordt punt 2 als volgt gewijzigd:

a)  onder c) wordt aan het einde het volgende toegevoegd: "; of";

b)  het volgende punt d) wordt toegevoegd:"

"d) de activa en passiva van een of meer vennootschappen bij de ontbinding zonder vereffening in hun geheel op een andere, reeds bestaande vennootschap — de overnemende vennootschap — overgaan, zonder uitgifte van nieuwe aandelen door de overnemende vennootschap, mits alle aandelen in de fuserende vennootschappen rechtstreeks of middellijk in handen zijn van één persoon of de deelnemers in de fuserende vennootschappen hun aandelen in alle fuserende vennootschappen in dezelfde verhouding aanhouden.";

"

6)  artikel 120 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de titel wordt vervangen door:"

"Artikel 120

Verdere bepalingen betreffende het toepassingsgebied";

"

b)  in artikel 120 wordt lid 4 vervangen door:"

"4. De lidstaten zorgen ervoor dat dit hoofdstuk niet van toepassing is in een van de volgende omstandigheden:

   a) bij de vennootschap of vennootschappen is een vereffening aan de gang en is een begin gemaakt met de verdeling van activa onder de aandeelhouders;

   d) de vennootschap is onderworpen aan afwikkelingsinstrumenten, ‑bevoegdheden en -mechanismen waarin titel IV van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad voorziet;

"

f)  het volgende lid wordt toegevoegd:"

"5. De lidstaten kunnen besluiten dit hoofdstuk niet toe te passen op vennootschappen:

   a) in een insolventieprocedure of ten aanzien waarvan een preventieve herstructureringsprocedure loopt;
   b) waartegen een andere vereffeningsprocedure is ingeleid dan bedoeld in lid 4, onder a); of
   c) waarop crisispreventiemaatregelen in de zin van artikel 2, lid 1, punt 101, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van toepassing zijn.";

"

7)  artikel 121 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 1 wordt punt a) geschrapt;

b)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. De in lid 1, onder b), bedoelde bepalingen en formaliteiten betreffen in het bijzonder de bepalingen en formaliteiten die betrekking hebben op het besluitvormingsproces in verband met de fusie en de bescherming van werknemers wat de andere rechten betreft dan die welke bij artikel 133 worden geregeld.";

"

8)  artikel 122 wordt als volgt gewijzigd:

a)  de punten a) en b) worden vervangen door:"

"a) de rechtsvorm, de naam en de plaats van de statutaire zetel van de fuserende vennootschappen, alsmede de rechtsvorm, de naam en de plaats van de statutaire zetel die worden voorgesteld voor de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap;

   b) de ruilverhouding van de effecten of aandelen die het kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen en, in voorkomend geval, het bedrag van de bijbetaling in geld;"

"

b)  punt h) wordt vervangen door:"

"h) de bijzondere voordelen die aan ▌ de leden van de organen die belast zijn met het bestuur of de leiding van, of het toezicht of de controle op de fuserende vennootschappen worden toegekend;

"

c)   punt i) wordt vervangen door:"

i) de oprichtingsakte of oprichtingsakten, in voorkomend geval, en, indien die in een afzonderlijke akte zijn opgenomen, de statuten van de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap";

"

d)   de volgende punten m) en n) worden toegevoegd:"

"m) een nadere omschrijving van het aanbod voor de vergoeding in geld voor de deelnemers in de vennootschap▌, in overeenstemming met artikel 126 bis;

   n) waarborgen, zoals garanties of pandgevingen, wanneer deze aan schuldeisers worden geboden.";

"

9)  de artikelen 123 en 124 worden vervangen door:"

"Artikel 123

Openbaarmaking

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende documenten openbaar worden gemaakt en uiterlijk één maand voor de datum van de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering publiek beschikbaar worden gesteld in de ▌ registers van de lidstaat van elke fuserende vennootschap:

   a) het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie;
   b) een kennisgeving aan de deelnemers, de schuldeisers en de vertegenwoordigers van de werknemers van de fuserende vennootschap of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, aan de werknemers zelf, dat zij uiterlijk vijf werkdagen vóór de datum van de algemene vergadering bij de respectieve vennootschap opmerkingen kunnen indienen betreffende het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie.

De lidstaten kunnen eisen dat het verslag van de onafhankelijke deskundige, indien het overeenkomstig artikel 125 is opgesteld, openbaar wordt gemaakt en publiek beschikbaar wordt gesteld in het register.

De lidstaten zorgen ervoor dat de vennootschap in staat is vertrouwelijke informatie uit te zonderen van openbaarmaking van het verslag van de onafhankelijke deskundige.

De overeenkomstig dit lid openbaar gemaakte documenten zijn ook toegankelijk door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem.

2.  De lidstaten kunnen fuserende vennootschappen vrijstellen van de in lid 1 bedoelde openbaarmakingsverplichting wanneer die vennootschappen de in lid 1 bedoelde documenten gratis op hun website beschikbaar stellen gedurende een ononderbroken periode die aanvangt ten minste één maand vóór de datum die is vastgesteld voor de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering en die niet eerder eindigt dan bij de sluiting van die vergadering.

De lidstaten mogen evenwel geen verplichtingen verbinden aan of beperkingen stellen aan die vrijstelling, behalve om de veiligheid van de website en de authenticiteit van de documenten te waarborgen, tenzij en alleen voor zover zij evenredig zijn met de te verwezenlijken doelstellingen.

3.  Wanneer de fuserende vennootschappen overeenkomstig lid 2 van dit artikel het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie openbaar maken, dienen zij ten minste één maand voor de datum van de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering bij de respectieve nationale registers de volgende openbaar te maken informatie in:

   a) de rechtsvorm, de naam en de statutaire zetel van elke fuserende vennootschap en de voor elke nieuw opgerichte vennootschap voorgestelde rechtsvorm, naam en statutaire zetel;
   b) het register waarbij voor elke fuserende vennootschap de in artikel 14 bedoelde akten zijn neergelegd, en het nummer van inschrijving in dat register;
   c) de vermelding, voor elke fuserende vennootschap, van de regelingen die voor de uitoefening van de rechten van de schuldeisers, werknemers en deelnemers in de vennootschap zijn getroffen;
   d) details van de website waar het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie, de kennisgeving en het in lid 1 bedoelde deskundigenverslag en een volledige beschrijving van de in dit lid, onder c), bedoelde regelingen kosteloos verkrijgbaar zijn.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat aan de in de leden 1 en 3 bedoelde vereisten volledig online kan worden voldaan zonder dat de aanvragers persoonlijk moeten verschijnen voor een bevoegde instantie in de lidstaten van de fuserende vennootschappen▌, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

5.  Wanneer de fusie in overeenstemming met artikel 126, lid 3, niet goedgekeurd hoeft te worden door de algemene vergadering van de overnemende vennootschap, gebeurt de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde openbaarmaking ten minste één maand vóór de datum van de algemene vergadering van de andere fuserende vennootschap of vennootschappen.

6.  Naast de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde openbaarmaking kunnen de lidstaten eisen dat het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie of de in lid 3 bedoelde informatie in hun nationale publicatieblad of via een centraal elektronisch platform overeenkomstig artikel 16, lid 3, wordt bekendgemaakt. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat het register de relevante informatie doorzendt aan het nationale publicatieblad.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde documentatie of de in lid 3 bedoelde informatie kosteloos toegankelijk is voor het publiek via het systeem van gekoppelde registers.

De lidstaten zorgen er bovendien voor dat de vergoedingen die de registers de vennootschap in rekening brengen voor de in de leden 1 en 3 bedoelde openbaarmaking en, in voorkomend geval, voor de in lid 5 bedoelde bekendmaking, niet hoger zijn dan de terugvordering van de kosten van de dienstverlening.

Artikel 124

Verslag van het ▌ bestuurs- of leidinggevende orgaan voor de deelnemers in de vennootschap en de werknemers

1.  Het leidinggevende of bestuursorgaan van elke fuserende vennootschap stelt voor de deelnemers in de vennootschap en de werknemers een verslag op waarin de wettelijke en economische aspecten van de grensoverschrijdende fusie worden toegelicht en verantwoord en waarin de gevolgen van de grensoverschrijdende fusie voor de werknemers worden toegelicht.

2.  In het in lid 1 bedoelde verslag wordt met name toelichting gegeven over de gevolgen van de grensoverschrijdende fusie voor de toekomstige bedrijfsactiviteiten van de vennootschap.

Het omvat tevens een deel voor de deelnemers in de vennootschap en een deel voor de werknemers.

3.  In het deel van het verslag voor de deelnemers in de vennootschap wordt met name toelichting gegeven over:

   a bis) de vergoeding in geld en volgens welke methode deze is vastgesteld;
   b) de ruilverhouding van de aandelen en volgens welke methode of methoden deze is vastgesteld, in voorkomend geval;

   d) de gevolgen van de grensoverschrijdende fusie voor de deelnemers in de vennootschap;
   e) de rechten en de rechtsmiddelen die beschikbaar zijn voor deelnemers in de vennootschap ▌ in overeenstemming met artikel 126 bis.

3 bis.  Het deel van het verslag voor de deelnemers in de vennootschap is niet vereist wanneer alle deelnemers in de vennootschap ermee hebben ingestemd van deze vereiste af te zien. De lidstaten kunnen eenpersoonsvennootschappen uitsluiten van de bepalingen van dit artikel.

4.  In het deel van het verslag voor de werknemers wordt met name toelichting gegeven over:

   c bis) de gevolgen van de grensoverschrijdende fusie voor de dienstverbanden en, in voorkomend geval, alle maatregelen om deze te vrijwaren;
   c ter) materiële wijzigingen van de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en van de vestigingsplaatsen van de vennootschap;
   d) de vraag hoe de in de punten c bis) en c ter) bedoelde factoren ook van invloed zijn op dochterondernemingen van de vennootschap.

4 bis bis.  Wanneer het leidinggevende of bestuursorgaan van de fuserende vennootschap tijdig een advies over de delen van het verslag als bedoeld in de leden 1, 2 en 4 ontvangt van de vertegenwoordigers van de werknemers of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, van de werknemers zelf, zoals bepaald in het nationale recht, worden de deelnemers in de vennootschap daarvan op de hoogte gebracht en wordt dit advies aan dat verslag gehecht.

4 bis.  Het deel voor de werknemers hoeft niet te worden opgesteld wanneer alle werknemers van de fuserende vennootschap en in voorkomend geval haar dochterondernemingen tot het leidinggevende of bestuursorgaan behoren.

5.  Elke fuserende vennootschap kan besluiten of één verslag met de twee in de leden 3 en 4 bedoelde delen wordt opgesteld, dan wel een afzonderlijk verslag voor respectievelijk de deelnemers in de vennootschap en de werknemers.

6.  Het in lid 1 bedoelde verslag of de in lid 5 bedoelde verslagen worden samen met het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie, indien beschikbaar, uiterlijk zes weken vóór de datum van de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering in ieder geval in elektronische vorm ter beschikking gesteld van de deelnemers in de vennootschap en de vertegenwoordigers van de werknemers van elke fuserende vennootschap of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, van de werknemers zelf.

Wanneer de fusie in overeenstemming met artikel 126, lid 3, niet goedgekeurd hoeft te worden door de algemene vergadering van de overnemende vennootschap, wordt het verslag ten minste zes weken vóór de datum van de algemene vergadering van de andere fuserende vennootschap of vennootschappen beschikbaar gesteld.

8.  Wanneer van het in lid 3 bedoelde deel voor de deelnemers in de vennootschap wordt afgezien overeenkomstig lid 3 en het in lid 4 bedoelde deel voor de werknemers niet vereist is overeenkomstig lid 4 bis, is het in lid 1 bedoelde verslag niet vereist.

9.  De leden 1 tot en met 8 laten de toepasselijke informatie- en raadplegingsrechten en -procedures onverlet die op nationaal niveau zijn ingesteld na de omzetting van de Richtlijnen 2002/14/EG en 2009/38/EG.";

"

10)  artikel 125 wordt als volgt gewijzigd:

a)  aan lid 1 wordt de volgende tweede alinea toegevoegd:"

"Wanneer de fusie in overeenstemming met artikel 126, lid 3, niet goedgekeurd hoeft te worden door de algemene vergadering van de overnemende vennootschap, wordt het verslag ten minste een maand vóór de datum van de algemene vergadering van de andere fuserende vennootschap of vennootschappen beschikbaar gesteld.";

"

b)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Het in lid 1 bedoelde verslag bevat in ieder geval het advies van de deskundige over de vraag of de vergoeding in geld en de ruilverhouding adequaat zijn. Met betrekking tot de in artikel 122, onder m), bedoelde vergoeding in geld houden de deskundigen rekening met de marktprijs van die aandelen in de fuserende vennootschappen vóór de aankondiging van het fusievoorstel of met de waarde van de vennootschappen, exclusief de gevolgen van de voorgestelde fusie, zoals bepaald volgens algemeen aanvaarde waarderingsmethoden. In de verslagen wordt ten minste:

   a) aangegeven volgens welke methode of methoden de voorgestelde vergoeding in geld is vastgesteld;
   b) aangegeven volgens welke methode of methoden de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen is vastgesteld;
   c) aangegeven of de gebruikte methode of methoden passend zijn om de vergoeding in geld en de ruilverhouding van de aandelen te beoordelen en tot welke waarde elk van die methoden leidt, en wordt een advies gegeven over het betrekkelijke gewicht dat bij de vaststelling van de in aanmerking genomen waarde aan die methoden is gehecht; en, indien in de fuserende vennootschappen verschillende methoden zijn gebruikt, of het gebruik van verschillende methoden gerechtvaardigd was;
   d) beschreven welke bijzondere moeilijkheden zich eventueel bij de waardering hebben voorgedaan.

De deskundigen mogen van de fuserende vennootschappen alle informatie verlangen die nodig is voor de vervulling van hun taken;";

"

c)  aan lid 4 wordt de volgende zin toegevoegd:"

"De lidstaten kunnen eenpersoonsvennootschappen uitsluiten van de bepalingen van dit artikel.";

"

11)  artikel 126 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Na kennis te hebben genomen van de verslagen die zijn bedoeld in de artikelen 124 ▌en 125, al naargelang het geval, alsmede van de overeenkomstig artikel 124 ingediende adviezen van de werknemers en de overeenkomstig artikel 123 ingediende opmerkingen, beslist de algemene vergadering van elke fuserende vennootschap door middel van een besluit over de goedkeuring van het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie en over de vraag of de oprichtingsakte en de statuten, indien die in een afzonderlijke akte zijn opgenomen, worden aangepast.";

"

b)  het volgende lid 4 wordt toegevoegd:"

"4. De lidstaten zorgen ervoor dat de goedkeuring van de grensoverschrijdende fusie door de algemene vergadering niet uitsluitend op de volgende gronden ▌ kan worden aangevochten:

   a) de in artikel 122, onder b), bedoelde ruilverhouding van de aandelen is niet adequaat vastgesteld;
   b) de in artikel 122, onder m), bedoelde vergoeding in geld is niet adequaat vastgesteld;

   d) de in het kader van de punten a) of b) verstrekte informatie voldoet niet aan de wettelijke vereisten.";

"

12)  de volgende artikelen ▌worden ingevoegd:"

"Artikel 126 bis

Bescherming van de deelnemers in de vennootschap

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de ▌ deelnemers in de fuserende vennootschappen die tegen het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie hebben gestemd, het recht hebben hun aandelen onder de in de leden 2 tot en met 6 bedoelde voorwaarden te vervreemden in ruil voor een adequate vergoeding in geld, mits zij als gevolg van de fusie aandelen in de uit de fusie ontstane vennootschap zouden verwerven naar het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat van de respectieve fuserende vennootschap.

De lidstaten kunnen een dergelijk recht ook aan andere deelnemers in de fuserende vennootschappen toekennen.

De lidstaten kunnen eisen dat het uitdrukkelijke verzet tegen het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie en/of het voornemen van de deelnemers in de vennootschap om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen, uiterlijk op de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering naar behoren wordt gedocumenteerd. De lidstaten kunnen toestaan dat registratie van het verzet tegen het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie als passende documentatie met betrekking tot een tegenstem wordt beschouwd.

2.  De lidstaten stellen de termijn vast waarbinnen de in lid 1 bedoelde deelnemers in een betrokken fuserende vennootschap aan deze vennootschap kennis moeten geven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen. Die termijn duurt in geen geval langer dan één maand na de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering. De lidstaten zorgen ervoor dat de fuserende vennootschappen een elektronisch adres opgeven waarop zij deze kennisgeving elektronisch kunnen ontvangen.

3.  De lidstaten stellen voorts een termijn vast voor de betaling van de in het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie gespecificeerde vergoeding in geld. Deze termijn mag niet later eindigen dan twee maanden nadat de grensoverschrijdende fusie overeenkomstig artikel 129 van kracht wordt.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat deelnemers in een betrokken fuserende vennootschap die aan deze vennootschap kennis hebben gegeven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen, maar die van oordeel zijn dat de vergoeding in geld die door deze vennootschap wordt aangeboden niet adequaat is vastgesteld, het recht hebben bij een bevoegde instantie of een krachtens het nationale recht gemachtigde instantie om een aanvullende vergoeding in geld te verzoeken. De lidstaten stellen een termijn vast voor het verzoek om een aanvullende vergoeding in geld.

De lidstaten kunnen bepalen dat het definitieve besluit tot toekenning van een aanvullende vergoeding in geld geldig is voor de deelnemers in de betrokken fuserende vennootschap die overeenkomstig lid 2 kennis hebben gegeven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 1 tot en met 6 bedoelde rechten worden geregeld door het nationale recht van de lidstaat waaronder een fuserende vennootschap valt, en dat de betrokken lidstaat exclusief bevoegd is voor de beslechting van geschillen die verband houden met deze rechten.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat deelnemers in de fuserende vennootschappen die niet beschikten over of geen gebruik hebben gemaakt van het recht op vervreemding van hun aandelen, maar de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen niet passend achten, de in het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie bepaalde ruilverhouding ▌ kunnen aanvechten ▌ en om een bijbetaling in geld kunnen verzoeken. Die procedure wordt ingeleid bij een bevoegde instantie of een instantie die is gemachtigd krachtens het nationale recht van de lidstaat waaronder de respectieve fuserende vennootschap valt, binnen de termijn die is bepaald in het nationale recht van die lidstaat, en zij verhindert de inschrijving van de grensoverschrijdende fusie in het register niet. De gegeven beslissing bindt de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap.

Bovendien kunnen de lidstaten bepalen dat de in het kader van die beslissing vastgestelde ruilverhouding van de aandelen geldig is voor de deelnemers in de betrokken fuserende vennootschap die niet beschikten over of geen gebruik hebben gemaakt van het recht op vervreemding van hun aandelen.

7.  Bovendien kunnen de lidstaten bepalen dat de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap kan voorzien in aandelen of in een andere vergoeding in plaats van in een bijbetaling in geld.

Artikel 126 ter

Bescherming van de schuldeisers

1.  De lidstaten bieden een passende bescherming van de belangen van de schuldeisers wier vorderingen vóór de openbaarmaking van het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie zijn ontstaan en ten tijde van die openbaarmaking nog niet opeisbaar zijn.

De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeisers die geen genoegen nemen met de in artikel 122, onder m), bedoelde waarborgen die in het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie worden geboden, de geschikte administratieve of gerechtelijke instanties kunnen verzoeken om passende waarborgen binnen drie maanden na de in artikel 123 bedoelde openbaarmaking van het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie, mits zij op geloofwaardige wijze kunnen aantonen dat de voldoening van hun vorderingen als gevolg van de grensoverschrijdende fusie in het gedrang is, en dat van de fuserende vennootschappen geen passende waarborgen zijn verkregen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de waarborgen afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de grensoverschrijdende fusie overeenkomstig artikel 129 van kracht wordt.

2.   De lidstaten kunnen eisen dat het leidinggevende of bestuursorgaan van de fuserende vennootschappen een verklaring verstrekt waarin nauwkeurig de actuele financiële toestand wordt weergegeven van deze vennootschappen op de datum van de verklaring, die ten vroegste één maand voor de openbaarmaking ervan valt. In de verklaring wordt aangegeven dat het leidinggevende of bestuursorgaan van de fuserende vennootschappen op basis van de informatie waarover het beschikt op de datum van die verklaring en na redelijke verzoeken om inlichtingen, niet op de hoogte is van enige redenen waarom de uit de fusie ontstane vennootschap niet in staat zou zijn aan haar verplichtingen te voldoen wanneer die opeisbaar worden. De verklaring wordt samen met het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie openbaargemaakt overeenkomstig artikel 123.

3.   De leden ▌ 2 en 3 doen niet af aan de toepassing van het nationale recht van de lidstaat van de fuserende vennootschappen met betrekking tot het voldoen van betalingen of het waarborgen van betalingen of verbintenissen van niet-geldelijke aard ten aanzien van overheidsinstanties.

Artikel 126 quater

Informatie en raadpleging van werknemers

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie- en raadplegingsrechten van werknemers in verband met de grensoverschrijdende fusie worden geëerbiedigd en worden uitgeoefend overeenkomstig het rechtskader van Richtlijn 2002/14/EG en van Richtlijn 2001/23/EG, wanneer de grensoverschrijdende fusie wordt beschouwd als overgang van een onderneming in de zin van Richtlijn 2001/23/EG, en, indien van toepassing voor ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie, overeenkomstig het rechtskader van Richtlijn 2009/38/EG. De lidstaten kunnen besluiten de informatie- en raadplegingsrechten ook op andere dan de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2002/14/EG bedoelde vennootschappen toe te passen.

2.  Onverminderd artikel 124, lid 4 bis bis, en artikel 123, lid 1, onder b), zorgen de lidstaten ervoor dat de informatie- en raadplegingsrechten van werknemers worden geëerbiedigd, ten minste voordat een besluit wordt genomen over het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie of, als dat eerder gebeurt, over het in artikel 124 bedoelde verslag, zodat de werknemers vóór de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering een gemotiveerd antwoord ontvangen.

3.  Onverminderd gunstigere bepalingen en/of praktijken die voor de werknemers gelden, stellen de lidstaten de praktische regelingen vast voor de uitoefening van het recht op informatie en raadpleging overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2002/14/EG.";

"

13)  artikel 127 wordt vervangen door:"

"Artikel 127

Aan de fusie voorafgaand attest

1.  De lidstaten wijzen de rechterlijke, notariële of andere bevoegde instantie of instanties aan (hierna "de bevoegde instantie" genoemd) voor het toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende fusie wat betreft het gedeelte van de procedure dat door het recht van de lidstaat van de fuserende vennootschap wordt geregeld, en voor de afgifte van een aan de fusie voorafgaand attest waaruit blijkt dat aan alle relevante voorwaarden is voldaan en alle procedures en formaliteiten correct zijn vervuld in de lidstaat van de fuserende vennootschap.

Deze vervulling van procedures en formaliteiten kan betrekking hebben op het voldoen van betalingen of het waarborgen van betalingen of verbintenissen van niet-geldelijke aard ten aanzien van overheidsinstanties, of op de naleving van bijzondere sectorale vereisten, met inbegrip van het waarborgen van betalingen of verbintenissen die voortvloeien uit lopende procedures.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de aanvraag van het aan de fusie voorafgaande attest door de vennootschap vergezeld gaat van:

   a) het in artikel 122 bedoelde voorstel voor de fusie;
   b) het verslag en in voorkomend geval het aangehechte advies als bedoeld in artikel 124, alsmede het in artikel 125 bedoelde verslag, indien beschikbaar;
   b bis) alle overeenkomstig artikel 123, lid 1, ingediende opmerkingen;
   c) informatie over de goedkeuring door de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering.

3.  De lidstaten kunnen eisen dat de aanvraag van het aan de fusie voorafgaande attest vergezeld gaat van aanvullende informatie, met name over bijvoorbeeld:

   a) het aantal werknemers ten tijde van het opstellen van het gemeenschappelijk voorstel voor de fusie;
   b) dochterondernemingen en hun respectieve geografische ligging;
   c) de nakoming van verbintenissen van de vennootschap ten aanzien van overheidsinstanties.

Voor de toepassing van dit lid kunnen de bevoegde instanties deze informatie, als zij niet wordt verstrekt, opvragen bij andere instanties met bevoegdheid ter zake.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 2 en 2 bis bedoelde aanvraag, waaronder de indiening van informatie en documenten, volledig online kan worden verricht zonder dat het noodzakelijk is persoonlijk te verschijnen voor de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

5.  Om te voldoen aan de in artikel 133 vastgestelde regels inzake werknemersmedezeggenschap onderzoekt de bevoegde instantie in de lidstaat van de fuserende vennootschap of het in lid 2 van dit artikel bedoelde gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie informatie bevat over de procedures volgens welke de relevante regelingen worden vastgesteld en mogelijke opties voor deze regelingen.

6.  In het kader van de beoordeling als bedoeld in lid 1 onderzoekt de bevoegde instantie de volgende informatie:

   a) alle overeenkomstig de leden 2 en 2 bis bij de instantie ingediende documenten en informatie;
   c) een vermelding door de fuserende vennootschappen dat de in artikel 133, leden 3 en 4, bedoelde procedure van start is gegaan, indien van toepassing.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde beoordeling plaatsvindt binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de documenten en informatie betreffende de goedkeuring van de grensoverschrijdende fusie door de algemene vergadering van de vennootschap. Dit leidt tot een van de volgende resultaten:

   a) indien wordt vastgesteld dat de grensoverschrijdende fusie aan alle relevante voorwaarden voldoet en dat alle noodzakelijke procedures en formaliteiten zijn vervuld, geeft de bevoegde instantie het aan de fusie voorafgaande attest af;
   b) indien wordt vastgesteld dat de grensoverschrijdende fusie niet aan alle relevante voorwaarden voldoet of dat niet alle noodzakelijke procedures en/of formaliteiten zijn vervuld, geeft de bevoegde instantie het aan de fusie voorafgaande attest niet af en stelt zij de vennootschap in kennis van de redenen voor haar besluit. In dat geval kan de bevoegde instantie de vennootschap de mogelijkheid bieden om aan de relevante voorwaarden te voldoen of om de procedures en formaliteiten binnen een passende termijn te verrichten.

8.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie het aan de fusie voorafgaande attest niet afgeeft indien overeenkomstig het nationale recht wordt vastgesteld dat een grensoverschrijdende fusie is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden.

9.  Indien er bij de bevoegde instantie in het kader van het in lid 1 bedoelde toezicht op de rechtmatigheid ernstige twijfels rijzen over de vraag of de grensoverschrijdende fusie is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden, neemt zij de relevante feiten en omstandigheden in aanmerking, zoals indicatieve factoren, indien van belang en niet op zichzelf beschouwd, waarvan de bevoegde instantie in het kader van het in lid 1 bedoelde toezicht op de rechtmatigheid, onder meer door raadpleging van de relevante instanties, kennis heeft genomen. De beoordeling in de zin van dit lid wordt per geval verricht volgens een procedure die onder het nationale recht valt.

10.  Wanneer het voor de beoordeling in de zin van lid 7 noodzakelijk is om rekening te houden met aanvullende informatie of aanvullende onderzoeksactiviteiten te verrichten, kan de in lid 6 bedoelde termijn van drie maanden voor nog eens maximaal drie maanden worden verlengd.

11.  Wanneer het vanwege de complexiteit van de grensoverschrijdende procedure niet mogelijk is de beoordeling binnen de in dit artikel voorziene termijnen uit te voeren, zorgen de lidstaten ervoor dat de aanvrager vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn in kennis wordt gesteld van de redenen voor de vertraging.

12.  De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde instanties andere instanties met bevoegdheid op de verschillende gebieden met betrekking tot de grensoverschrijdende fusie, met inbegrip van die van de lidstaat van de uit de fusie ontstane vennootschap, kunnen raadplegen, en dat zij bij deze instanties en bij de vennootschap de vereiste informatie en documenten kunnen opvragen met het oog op de controle van de rechtmatigheid, binnen het in het nationale recht vastgestelde procedurele kader. Bij de beoordeling kan de bevoegde instantie een beroep doen op een onafhankelijke deskundige.";

"

14)  het volgende artikel wordt ingevoegd:"

"Artikel 127 bis

Toezending van het aan de fusie voorafgaande attest

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat het aan de fusie voorafgaande attest met de in artikel 128, lid 1, bedoelde instanties wordt gedeeld via het overeenkomstig artikel 22 ingestelde systeem van gekoppelde registers.

De lidstaten zorgen er ook voor dat het aan de fusie voorafgaande attest beschikbaar is via het overeenkomstig artikel 22 ingestelde systeem van gekoppelde registers.

2.  De toegang tot de in lid 1 bedoelde informatie is kosteloos voor de in artikel 128, lid 1, bedoelde instanties en voor de registers.";

"

15)  artikel 128 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 2 wordt vervangen door:"

"2. Voor de toepassing van lid 1 ▌ legt elke fuserende vennootschap het gemeenschappelijk voorstel voor de grensoverschrijdende fusie dat door de in artikel 126 bedoelde algemene vergadering is goedgekeurd voor aan de in ▌ lid 1 bedoelde instantie of, wanneer overeenkomstig artikel 132, lid 3, de goedkeuring door de algemene vergadering niet vereist is, het overeenkomstig het nationale recht door elke fuserende vennootschap goedgekeurde voorstel voor de grensoverschrijdende fusie.";

"

b)  de volgende leden ▌worden toegevoegd:"

"3. Elke lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde aanvraag door een van de fuserende vennootschappen, waaronder de indiening van informatie en documenten, volledig online kan worden verricht zonder dat de aanvragers persoonlijk moeten verschijnen voor de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

4.  De in lid 1 bedoelde bevoegde instantie keurt de grensoverschrijdende fusie goed wanneer zij de relevante voorwaarden heeft beoordeeld.

5.   Een bevoegde instantie van de lidstaat van de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap aanvaardt het aan de fusie voorafgaande attest of de aan de fusie voorafgaande attesten als bedoeld in artikel 127 bis, lid 1, als afdoend bewijs dat de aan de fusie voorafgaande procedures en formaliteiten correct zijn verricht in de respectieve lidstaat of lidstaten ▌.";

"

16)  artikel 130 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Het recht van de lidstaten van de fuserende vennootschappen en van de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap bepaalt overeenkomstig artikel 16 op welke wijze de voltooiing van de grensoverschrijdende fusie op het grondgebied van de betrokken lidstaat openbaar wordt gemaakt in het openbare register waar elke vennootschap haar akten moet neerleggen.";

"

b)  het volgende lid 1 bis wordt ingevoegd:"

"1 bis. De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende informatie wordt opgenomen in hun registers, die zij openbaar beschikbaar en toegankelijk stellen door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem:

   a) in het register van de lidstaat van de uit de fusie ontstane vennootschap – dat de registratie van de uit de fusie ontstane vennootschap het gevolg is van een grensoverschrijdende fusie;
   b) in het register van de lidstaat van de uit de fusie ontstane vennootschap – de datum van registratie van de uit de fusie ontstane vennootschap;
   c) in het register van de lidstaat van elke fuserende vennootschap – de datum van de doorhaling of schrapping van de vennootschap uit het register;
   d) in het register van de lidstaat van elke fuserende vennootschap – dat de doorhaling of schrapping van de vennootschap het gevolg is van een grensoverschrijdende fusie;
   e) in de registers van de lidstaten van respectievelijk elke fuserende vennootschap en de uit de fusie ontstane vennootschap – de inschrijvingsnummers, de namen en de rechtsvormen van elke fuserende vennootschap en van de uit de fusie ontstane vennootschap.";

"

17)  artikel 131 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Een grensoverschrijdende fusie overeenkomstig artikel 119, punt 2, onder a), c), en d), heeft met ingang van de in artikel 129 bedoelde datum de volgende gevolgen:

   a) de activa en passiva van de overgenomen vennootschap, inclusief alle contracten, kredieten, rechten en verplichtingen, gaan in hun geheel over op en blijven in de overnemende vennootschap;
   b) de deelnemers in de overgenomen vennootschap worden deelnemers in de overnemende vennootschap, tenzij zij het in artikel 126 bis, lid 1, bedoelde uitstaprecht uitoefenen;
   c) de overgenomen vennootschap houdt op te bestaan.";

"

b)  in lid 2 worden de punten a) en b) vervangen door:"

"a) de activa en passiva van de fuserende vennootschappen, inclusief alle contracten, kredieten, rechten en verplichtingen, gaan in hun geheel over op en blijven in de nieuwe vennootschap;

   b) de deelnemers in de fuserende vennootschappen worden deelnemers in de nieuwe vennootschap, tenzij zij het in artikel 126 bis, lid 1, bedoelde uitstaprecht uitoefenen;";

"

18)  artikel 132 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt vervangen door:"

"1. Wanneer een grensoverschrijdende fusie via overneming wordt aangegaan door hetzij een vennootschap die alle aandelen en andere effecten bezit waaraan stemrecht in de algemene vergadering van de overgenomen vennootschap of vennootschappen is verbonden, hetzij een persoon die alle aandelen in de overnemende vennootschap en in de overgenomen vennootschappen rechtstreeks of middellijk in handen heeft, en de overnemende vennootschap geen aandelen toekent in het kader van de fusie:

   zijn artikel 122, onder b), c), e) en m), artikel 125 en artikel 131, lid 1, onder b), niet van toepassing;
   zijn artikel 124 en artikel 126, lid 1, niet van toepassing op de overgenomen vennootschap of vennootschappen.";

"

b)  het volgende lid 3 wordt toegevoegd:"

"3. Wanneer het recht van de lidstaten van alle fuserende vennootschappen voorziet in een uitzondering op de vereiste van de goedkeuring door de algemene vergadering overeenkomstig artikel 126, lid 3, en overeenkomstig lid 1 van dit artikel, worden het gemeenschappelijk voorstel voor een grensoverschrijdende fusie, respectievelijk de in artikel 123, leden 1 tot en met 3, bedoelde informatie en de in de artikelen 124 en 124 bis bedoelde verslagen ten minste één maand vóór de datum van het door de vennootschap overeenkomstig het nationale recht genomen besluit over de fusie beschikbaar gesteld.";

"

19)  artikel 133 wordt als volgt gewijzigd:

a)  in lid 2 wordt het inleidend gedeelte vervangen door:"

"2. De voorschriften betreffende werknemersmedezeggenschap die in voorkomend geval van toepassing zijn in de lidstaat waar de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap haar statutaire zetel heeft, zijn evenwel niet van toepassing indien ten minste één van de fuserende vennootschappen in de zes maanden voorafgaand aan de bekendmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende fusie als bedoeld in artikel 123 een gemiddeld aantal werknemers heeft van vier vijfde van de toepasselijke drempel, zoals bepaald in het recht van de lidstaat waaronder de fuserende vennootschap valt, wat aanleiding geeft tot werknemersmedezeggenschap in de zin van artikel 2, onder k), van Richtlijn 2001/86/EG, of indien het nationale recht van toepassing op de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap niet:";

"

b)  in lid 4 wordt punt a) vervangen door:"

"a) geven de lidstaten de betrokken organen van de fuserende vennootschappen, indien ten minste een van de fuserende vennootschappen werkt met een stelsel van werknemersmedezeggenschap in de zin van artikel 2, onder k), van Richtlijn 2001/86/EG, het recht ervoor te kiezen om zich zonder voorafgaande onderhandelingen rechtstreeks te onderwerpen aan de in lid 3, onder h), bedoelde referentievoorschriften, vervat in de wetgeving van de lidstaat waar de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap haar statutaire zetel heeft, en zich vanaf de datum van registratie aan die referentievoorschriften te houden;";

"

c)   lid 7 wordt vervangen door:"

"7. Wanneer de uit de grensoverschrijdende fusie ontstane vennootschap werkt met een stelsel van werknemersmedezeggenschap, is zij verplicht maatregelen te nemen om de medezeggenschapsrechten van de werknemers te beschermen in geval van eventuele daaropvolgende grensoverschrijdende of binnenlandse fusies, splitsingen of omzettingen voor een termijn van vier jaar nadat de grensoverschrijdende fusie van kracht is geworden, door de in de leden 1 tot en met 6 vastgestelde voorschriften op overeenkomstige wijze toe te passen.";

"

d)   het volgende lid 8 wordt toegevoegd:"

"8. Een vennootschap deelt haar werknemers of hun vertegenwoordigers mee of zij ervoor kiest de referentievoorschriften inzake medezeggenschap als bedoeld in lid 3, onder h), toe te passen, dan wel of zij onderhandelingen aangaat in de bijzondere onderhandelingsgroep. In het laatste geval stelt de vennootschap haar werknemers of hun vertegenwoordigers onverwijld in kennis van de resultaten van de onderhandelingen.";

"

20)  het volgende artikel 133 bis wordt ingevoegd:"

"Artikel 133 bis

Aansprakelijkheid van de onafhankelijke deskundigen

De lidstaten stellen regels vast die voorzien in de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de onafhankelijke deskundigen die belast zijn met het opstellen van het in artikel 125 bedoelde verslag.

De lidstaten beschikken over regels om ervoor te zorgen dat de deskundige of de rechtspersoon in wiens naam de deskundige optreedt, onafhankelijk is en geen belangenconflict heeft met de vennootschap die het aan de fusie voorafgaande attest aanvraagt, en dat het advies van de deskundige onpartijdig en objectief is en wordt gegeven met het oog op het verlenen van bijstand aan de bevoegde instantie, met inachtneming van de vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit hoofde van het toepasselijke recht of de professionele normen die de deskundige in acht moet nemen.";

"

21)  in artikel 134 wordt de volgende alinea ingevoegd:"

"Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de lidstaten om onder meer op het gebied van strafrecht, terrorismefinanciering, sociaal recht, fiscaal recht en rechtshandhaving maatregelen en sancties op te leggen overeenkomstig het nationale recht, na de datum waarop de grensoverschrijdende fusie van kracht is geworden.

"

22)  in titel II wordt het volgende hoofdstuk IV toegevoegd:"

"HOOFDSTUK IV

Grensoverschrijdende splitsingen van vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid

Artikel 160 bis

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op de grensoverschrijdende splitsing van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die in overeenstemming met het recht van een lidstaat is opgericht en die haar statutaire zetel, haar hoofdbestuur of haar hoofdvestiging binnen de Unie heeft, indien ten minste twee van de bij de splitsing betrokken vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid onder het recht van verschillende lidstaten vallen (hierna "grensoverschrijdende splitsing" genoemd).

Artikel 160 ter

Definities

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

   1. "vennootschap met beperkte aansprakelijkheid" (hierna "vennootschap" genoemd): een vennootschap met een vorm als bedoeld in bijlage II;
   2. "gesplitste vennootschap": een vennootschap die in het kader van een grensoverschrijdende splitsing in geval van een volledige splitsing haar activa en passiva in hun geheel op twee of meer vennootschappen overdraagt, of, in geval van een gedeeltelijke splitsing of van een splitsing door scheiding, een deel van haar activa en passiva op een of meer vennootschappen overdraagt;
   3. "splitsing": een operatie waarbij hetzij:
   a) een gesplitste vennootschap bij de ontbinding zonder vereffening haar activa en passiva in hun geheel overdraagt aan twee of meer nieuw opgerichte vennootschappen (hierna "de verkrijgende vennootschappen" genoemd), tegen uitreiking aan de deelnemers in de gesplitste vennootschap van effecten of aandelen in de verkrijgende vennootschappen, en eventueel met een bijbetaling in geld van niet meer dan 10 % van de nominale waarde van die effecten of aandelen of, bij gebreke daarvan, van de fractiewaarde van hun effecten of aandelen (hierna "volledige splitsing" genoemd);
   b) een gesplitste vennootschap een deel van haar activa en passiva overdraagt aan een of meer nieuw opgerichte vennootschappen (hierna "de verkrijgende vennootschappen" genoemd), tegen uitreiking aan de deelnemers in de gesplitste vennootschap van effecten of aandelen in de verkrijgende vennootschappen of in de gesplitste vennootschap of in zowel de verkrijgende vennootschappen als de gesplitste vennootschap, en eventueel met een bijbetaling in geld van niet meer dan 10 % van de nominale waarde van die effecten of aandelen of,▌ bij gebreke daarvan, van de fractiewaarde van hun effecten of aandelen (hierna "gedeeltelijke splitsing" genoemd);
   c) een gesplitste vennootschap een deel van haar activa en passiva overdraagt aan een of meer nieuw opgerichte vennootschappen (hierna "de verkrijgende vennootschappen" genoemd), tegen uitreiking van effecten of aandelen in de verkrijgende vennootschappen aan de gesplitste vennootschap (hierna "splitsing door scheiding" genoemd).

Artikel 160 quater

Verdere bepalingen betreffende het toepassingsgebied

1.  Onverminderd artikel 160 ter, punt 3, geldt dit hoofdstuk ook voor grensoverschrijdende splitsingen wanneer het nationale recht van tenminste een van de betrokken lidstaten toelaat dat de in artikel 160 ter, punt 3, onder a) en b), bedoelde bijbetaling in geld meer dan 10 % bedraagt van de nominale waarde of, bij gebreke daarvan, van de fractiewaarde van de effecten of aandelen die het kapitaal van de verkrijgende vennootschappen vertegenwoordigen.

3.  Dit hoofdstuk geldt niet voor grensoverschrijdende splitsingen waarbij een vennootschap is betrokken waarvan het doel de collectieve belegging van uit het publiek aangetrokken kapitaal is, met toepassing van het beginsel van risicospreiding en waarvan de rechten van deelneming op verzoek van de houders ten laste van de activa van die vennootschap rechtstreeks of middellijk worden ingekocht of terugbetaald. Met dergelijke inkopen of terugbetalingen wordt gelijkgesteld ieder handelen van een dergelijke vennootschap om te voorkomen dat de waarde van haar deelnemingsrechten ter beurze aanzienlijk afwijkt van de intrinsieke waarde.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat dit hoofdstuk niet van toepassing is in een van de volgende omstandigheden:

   a) de gesplitste vennootschap is in vereffening en heeft een begin gemaakt met de verdeling van activa onder haar aandeelhouders;
   b) de vennootschap is onderworpen aan afwikkelingsinstrumenten, ‑bevoegdheden en -mechanismen waarin titel IV van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad voorziet.

5.  De lidstaten kunnen besluiten dit hoofdstuk niet toe te passen op vennootschappen:

   a) in een insolventieprocedure of ten aanzien waarvan een preventieve herstructureringsprocedure loopt;
   a bis) waartegen een andere vereffeningsprocedure is ingeleid dan bedoeld in lid 4, onder a); of
   b) waarop crisispreventiemaatregelen in de zin van artikel 2, lid 1, punt 101, van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van toepassing zijn.

6.  Het nationale recht van de lidstaat van de gesplitste vennootschap regelt het deel van de procedures en formaliteiten die in verband met de grensoverschrijdende splitsing in acht moeten worden genomen om het aan de splitsing voorafgaande attest te verkrijgen, en het nationale recht van de lidstaten van de verkrijgende vennootschappen regelen het deel van de procedures en formaliteiten die in acht moeten worden genomen na ontvangst van het aan de splitsing voorafgaande attest overeenkomstig het Unierecht.

Artikel 160 sexies

Voorstel voor grensoverschrijdende splitsingen

Het leidinggevende of bestuursorgaan van de gesplitste vennootschap stelt het voorstel voor een grensoverschrijdende splitsing op. In het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing wordt ten minste vermeld:

   a) de rechtsvorm, de naam en de plaats van de statutaire zetel van de gesplitste vennootschap, alsmede de rechtsvorm, de naam en de plaats van de statutaire zetel die worden voorgesteld voor de nieuwe uit de grensoverschrijdende splitsing ontstane vennootschap of vennootschappen;
   b) de ruilverhouding van de effecten of aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen en, in voorkomend geval, het bedrag van de bijbetaling in geld;
   c) de wijze van uitreiking van de effecten of aandelen die het kapitaal van de verkrijgende vennootschappen of van de gesplitste vennootschap vertegenwoordigen;
   d) het voorgestelde indicatieve tijdschema voor de grensoverschrijdende splitsing;
   e) de waarschijnlijke gevolgen van de grensoverschrijdende splitsing voor de werkgelegenheid;
   f) de datum vanaf welke de effecten of aandelen die het kapitaal vertegenwoordigen, recht geven in de winst te delen, alsmede elke bijzondere regeling betreffende dit recht;
   g) vanaf welke datum of data de handelingen van de gesplitste vennootschap boekhoudkundig geacht worden te zijn verricht voor rekening van de verkrijgende vennootschappen;
   h) ▌de bijzondere voordelen die aan de leden van de organen die belast zijn met het bestuur of de leiding van, of het toezicht of de controle op de gesplitste vennootschap worden toegekend;
   i) de rechten die door de verkrijgende vennootschappen worden toegekend aan de deelnemers in de gesplitste vennootschap met bijzondere rechten en aan de houders van andere effecten dan aandelen die het kapitaal van de gesplitste vennootschap vertegenwoordigen, of de ten aanzien van hen voorgestelde maatregelen;

   j) de oprichtingsakten, in voorkomend geval, en, indien die in een afzonderlijke akte zijn opgenomen, de statuten van de verkrijgende vennootschappen en elke wijziging van de oprichtingsakte van de gesplitste vennootschap in geval van een gedeeltelijke splitsing;
   k) in voorkomend geval, informatie over de procedures waarbij overeenkomstig artikel 160 quindecies regelingen worden vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de werknemers bij de vaststelling van hun medezeggenschapsrechten in de verkrijgende vennootschappen worden betrokken;
   l) een nauwkeurige beschrijving van de activa en passiva van de gesplitste vennootschap en van hoe deze activa en passiva worden verdeeld onder de verkrijgende vennootschappen, of worden aangehouden door de gesplitste vennootschap in het geval van een gedeeltelijke splitsing, met inbegrip van de behandeling van activa of passiva die niet expliciet zijn toegewezen in het voorstel voor een grensoverschrijdende splitsing, zoals activa en passiva die onbekend zijn op de datum waarop het voorstel voor een grensoverschrijdende splitsing wordt opgesteld;
   m) informatie over de evaluatie van de activa en de passiva die worden toegewezen aan elke bij een grensoverschrijdende splitsing betrokken vennootschap;
   n) de datum van de jaarrekeningen van de gesplitste vennootschap, die wordt gebruikt om de voorwaarden van de grensoverschrijdende splitsing vast te stellen;
   o) in voorkomend geval, de verdeling onder de deelnemers in de gesplitste vennootschap van aandelen en effecten in de verkrijgende vennootschappen of in de gesplitste vennootschap of in de combinatie van de verkrijgende vennootschap en de gesplitste vennootschap, alsmede het criterium waarop die verdeling is gebaseerd;
   p) een nadere omschrijving van het aanbod voor de vergoeding in geld voor de deelnemers▌, in overeenstemming met artikel 160 terdecies;
   q) ▌ waarborgen, zoals garanties of pandgevingen, wanneer deze aan schuldeisers worden geboden.

Artikel 160 octies

Verslag van het leidinggevende of bestuursorgaan aan de deelnemers in de vennootschap en de werknemers

1.  Het leidinggevende of bestuursorgaan van de gesplitste vennootschap stelt voor de deelnemers in de vennootschap en de werknemers een verslag op waarin de wettelijke en economische aspecten van de grensoverschrijdende splitsing worden toegelicht en verantwoord en waarin de gevolgen van de grensoverschrijdende splitsing voor de werknemers worden toegelicht.

2.  In het in lid 1 bedoelde verslag wordt met name toelichting gegeven over de gevolgen van de grensoverschrijdende splitsing voor de toekomstige bedrijfsactiviteiten van de vennootschappen.

Het omvat tevens een deel voor de deelnemers in de vennootschap en een deel voor de werknemers.

3.  In het deel van het verslag voor de deelnemers in de vennootschap wordt met name toelichting gegeven over:

   a bis) de vergoeding in geld en volgens welke methode deze is vastgesteld;
   b) de ruilverhouding van de aandelen en volgens welke methode deze is vastgesteld, in voorkomend geval;

   d) de gevolgen van de grensoverschrijdende splitsing voor de deelnemers in de vennootschap;
   e) de rechten en de rechtsmiddelen die beschikbaar zijn voor deelnemers in de vennootschap ▌ in overeenstemming met artikel 160 terdecies.

4.  Het deel van het verslag voor de deelnemers in de vennootschap is niet vereist wanneer alle deelnemers in de vennootschap ermee hebben ingestemd van deze vereiste af te zien. De lidstaten kunnen eenpersoonsvennootschappen uitsluiten van de bepalingen van dit artikel.

5.  In het deel van het verslag voor de werknemers wordt met name toelichting gegeven over:

   c bis) de gevolgen van de grensoverschrijdende splitsing voor de dienstverbanden en, in voorkomend geval, alle maatregelen om deze te vrijwaren;
   c ter) materiële wijzigingen van de toepasselijke arbeidsvoorwaarden en van de vestigingsplaatsen van de vennootschap;
   d) de vraag hoe de in de punten c bis) en c ter) bedoelde factoren ook van invloed zijn op dochterondernemingen van de vennootschap.

6.  Wanneer het leidinggevende of bestuursorgaan van de gesplitste vennootschap tijdig een advies over de delen van het verslag als bedoeld in de leden 1, 2 en 4 ontvangt van de vertegenwoordigers van de werknemers of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, van de werknemers zelf, zoals bepaald in het nationale recht, worden de deelnemers in de vennootschap daarvan op de hoogte gebracht en wordt dit advies aan dat verslag gehecht.

7.  Het deel voor de werknemers hoeft niet te worden opgesteld wanneer alle werknemers van de vennootschap en in voorkomend geval haar dochterondernemingen tot het leidinggevende of bestuursorgaan behoren.

8.  De vennootschap kan besluiten of één verslag met de twee in de leden 3 en 4 bedoelde delen wordt opgesteld, dan wel een afzonderlijk verslag voor respectievelijk de deelnemers in de vennootschap en de werknemers.

9.   Het in lid 1 bedoelde verslag of de in lid 5 bedoelde verslagen worden samen met het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing, indien beschikbaar, uiterlijk zes weken vóór de datum van de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering in ieder geval in elektronische vorm ter beschikking gesteld van de deelnemers in de vennootschap en de vertegenwoordigers van de werknemers van de gesplitste vennootschap of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, van de werknemers zelf.

10.  Wanneer van het in lid 3 bedoelde deel voor de deelnemers in de vennootschap wordt afgezien overeenkomstig lid 3 en het in lid 4 bedoelde deel voor de werknemers niet vereist is overeenkomstig lid 4 bis, is het in lid 1 bedoelde verslag niet vereist.

11.  De leden 1 tot en met 8 van dit artikel laten de toepasselijke informatie- en raadplegingsrechten en -procedures onverlet die op nationaal niveau zijn ingesteld na de omzetting van de Richtlijnen 2002/14/EG en 2009/38/EG.

Artikel 160 decies

Verslag van onafhankelijke deskundige

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat een onafhankelijke deskundige het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing ▌ onderzoekt en een voor de deelnemers in de vennootschap bestemd verslag opstelt dat uiterlijk een maand voor de datum van de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering te hunner beschikking wordt gesteld. Naargelang het recht van de lidstaten kan de deskundige een natuurlijk persoon of een rechtspersoon zijn.

2.  Het in lid 1 bedoelde verslag bevat in ieder geval het advies van de deskundige over de vraag of de vergoeding in geld en de ruilverhouding adequaat zijn. Met betrekking tot de in artikel 160 sexies, onder q), bedoelde vergoeding in geld houdt de deskundige rekening met de marktprijs van die aandelen in de gesplitste vennootschap vóór de aankondiging van het splitsingsvoorstel of met de waarde van de vennootschap, exclusief de gevolgen van de voorgestelde splitsing, zoals bepaald volgens algemeen aanvaarde waarderingsmethoden. In het verslag wordt ten minste:

   a) aangegeven volgens welke methode de voorgestelde vergoeding in geld is vastgesteld;
   b) aangegeven volgens welke methode de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen is vastgesteld;
   c) aangegeven of deze methode passend is om de vergoeding in geld en de ruilverhouding van de aandelen te beoordelen en tot welke waarde die methoden leiden, en wordt een advies gegeven over het betrekkelijke gewicht dat bij de vaststelling van de in aanmerking genomen waarde aan die methoden is gehecht;
   d) beschreven welke bijzondere moeilijkheden zich eventueel bij de waardering hebben voorgedaan.

▌De deskundige mag van de gesplitste vennootschap alle informatie verlangen die nodig is voor de vervulling van zijn taak.

3.  Noch het onderzoek van het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing door een onafhankelijke deskundige, noch een deskundigenverslag is vereist, indien alle deelnemers in de gesplitste vennootschap aldus zijn overeengekomen. De lidstaten kunnen eenpersoonsvennootschappen uitsluiten van de bepalingen van dit artikel.

Artikel 160 undecies

Openbaarmaking

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de volgende documenten openbaar worden gemaakt en uiterlijk één maand voor de datum van de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering publiek beschikbaar worden gesteld in het register van de lidstaat van de gesplitste vennootschap:

   a) het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing;

   b) een kennisgeving aan de deelnemers, de schuldeisers en de vertegenwoordigers van de werknemers van de gesplitste vennootschap of, indien er geen vertegenwoordigers zijn, aan de werknemers zelf, dat zij uiterlijk vijf werkdagen vóór de datum van de algemene vergadering bij de vennootschap opmerkingen kunnen indienen betreffende het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing.

De lidstaten kunnen eisen dat het verslag van de onafhankelijke deskundige, indien het overeenkomstig artikel 160 decies is opgesteld, openbaar wordt gemaakt en publiek beschikbaar wordt gesteld in het register.

De lidstaten zorgen ervoor dat de vennootschap in staat is vertrouwelijke informatie uit te zonderen van openbaarmaking van het verslag van de onafhankelijke deskundige.

De overeenkomstig dit lid openbaar gemaakte documenten zijn ook toegankelijk door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem.

2.  De lidstaten kunnen de gesplitste vennootschap vrijstellen van de in lid 1 bedoelde openbaarmakingsverplichting wanneer deze de in lid 1 bedoelde documenten gratis op haar website beschikbaar stelt gedurende een ononderbroken periode die aanvangt ten minste één maand vóór de datum die is vastgesteld voor de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering en die niet eerder eindigt dan bij de sluiting van die vergadering.

De lidstaten mogen evenwel geen verplichtingen verbinden aan of beperkingen stellen aan die vrijstelling, behalve om de veiligheid van de website en de authenticiteit van de documenten te waarborgen, tenzij en alleen voor zover zij evenredig zijn met de te verwezenlijken doelstellingen.

3.  Wanneer de gesplitste vennootschap overeenkomstig lid 2 van dit artikel het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing openbaar maakt, dient zij ten minste één maand voor de datum van de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering bij het register de volgende openbaar te maken informatie in:

   a) de rechtsvorm, de naam en de statutaire zetel van de gesplitste vennootschap en de voor elke nieuw opgerichte, uit de grensoverschrijdende splitsing ontstane vennootschap voorgestelde rechtsvorm, naam en statutaire zetel;
   b) het register waarbij voor de gesplitste vennootschap de in artikel 14 bedoelde akten zijn neergelegd en het nummer van inschrijving in dat register;
   c) de vermelding van de regelingen die voor de uitoefening van de rechten van schuldeisers, werknemers en deelnemers in de vennootschap zijn getroffen;
   d) details van de website waar het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing, de kennisgeving en het in lid 1 bedoelde deskundigenverslag en een volledige beschrijving van de in dit lid, onder c), bedoelde regelingen kosteloos verkrijgbaar zijn.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat aan de in de leden 1 en 3 bedoelde vereisten volledig online kan worden voldaan zonder dat de aanvragers persoonlijk moeten verschijnen voor een bevoegde instantie in de betrokken lidstaat, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

5.  Naast de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde openbaarmaking kunnen de lidstaten eisen dat het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing of de in lid 3 bedoelde informatie in hun nationale publicatieblad of via een centraal elektronisch platform overeenkomstig artikel 16, lid 3, wordt bekendgemaakt. In dat geval zorgen de lidstaten ervoor dat het register de relevante informatie doorzendt aan het nationale publicatieblad.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde documentatie of de in lid 3 bedoelde informatie kosteloos toegankelijk is voor het publiek via het systeem van gekoppelde registers.

De lidstaten zorgen er bovendien voor dat de vergoedingen die de registers de vennootschap ▌ in rekening brengen voor de in de leden 1 en 3 bedoelde openbaarmaking en, in voorkomend geval, voor de in lid 5 bedoelde bekendmaking, niet hoger zijn dan de terugvordering van de kosten van de dienstverlening.

Artikel 160 duodecies

Goedkeuring door de algemene vergadering

1.  Na kennis te hebben genomen van de verslagen die zijn bedoeld in de artikelen 160 octies ▌en 160 decies, al naargelang het geval, alsmede van de overeenkomstig artikel 160 octies ingediende adviezen van de werknemers en de overeenkomstig artikel 160 undecies ingediende opmerkingen, beslist de algemene vergadering van de gesplitste vennootschap door middel van een besluit over de goedkeuring van het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing en over de vraag of de oprichtingsakte en de statuten, indien die in een afzonderlijke akte zijn opgenomen, worden aangepast.

2.  De algemene vergadering kan zich het recht voorbehouden de totstandkoming van de grensoverschrijdende splitsing afhankelijk te stellen van haar uitdrukkelijke bekrachtiging van de in artikel 160 quindecies bedoelde regelingen.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat voor de goedkeuring van ▌ het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing en elke wijziging daarvan een meerderheid vereist is van niet minder dan twee derde maar niet meer dan 90 % van de stemmen die verbonden zijn aan de aandelen of aan het op de vergadering vertegenwoordigde geplaatste kapitaal. De stemmingsdrempel is hoe dan ook niet hoger dan die waarin het nationale recht voorziet voor de goedkeuring van grensoverschrijdende fusies.

4.  Wanneer een clausule in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing of een wijziging van de oprichtingsakte van de gesplitste vennootschap tot een toename van de economische verplichtingen van een aandeelhouder ten aanzien van de vennootschap of derden leidt, kunnen de lidstaten in dergelijke specifieke omstandigheden als voorwaarde stellen dat deze clausule of de wijziging van de oprichtingsakte van de gesplitste vennootschap door de betrokken aandeelhouder wordt goedgekeurd, mits deze aandeelhouder de in artikel 160 terdecies neergelegde rechten niet kan uitoefenen.

5.  De lidstaten zorgen ervoor dat de goedkeuring van de grensoverschrijdende splitsing door de algemene vergadering niet uitsluitend op de volgende gronden kan worden aangevochten:

   a) de in artikel 160 sexies, onder b), bedoelde ruilverhouding van de aandelen is niet adequaat vastgesteld;
   b) de in artikel 160 sexies, onder q), bedoelde vergoeding in geld is niet adequaat vastgesteld;
   c) de in het kader van de punten a) of b) verstrekte informatie voldoet niet aan de wettelijke vereisten.

Artikel 160 terdecies

Bescherming van de deelnemers in de vennootschap

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de ▌ deelnemers in de vennootschap die tegen het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing van de gesplitste vennootschap hebben gestemd, het recht hebben hun aandelen onder de in de leden 2 tot en met 6 bedoelde voorwaarden te vervreemden in ruil voor een adequate vergoeding in geld, mits zij als gevolg van de splitsing aandelen in de verkrijgende vennootschappen zouden verwerven naar het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat van de gesplitste vennootschap.

De lidstaten kunnen een dergelijk recht ook aan andere deelnemers in de gesplitste vennootschap toekennen.

De lidstaten kunnen eisen dat het uitdrukkelijke verzet tegen het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing en/of het voornemen van de deelnemers in de vennootschap om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen, uiterlijk op de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering naar behoren wordt gedocumenteerd. De lidstaten kunnen toestaan dat registratie van het verzet tegen het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing als passende documentatie met betrekking tot een tegenstem wordt beschouwd.

2.  De lidstaten stellen de termijn vast waarbinnen de in lid 1 bedoelde deelnemers in de gesplitste vennootschap aan deze vennootschap kennis moeten geven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen. Die termijn duurt in geen geval langer dan één maand na de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering. De lidstaten zorgen ervoor dat de gesplitste vennootschap een elektronisch adres opgeeft waarop zij deze kennisgeving elektronisch kan ontvangen.

3.  De lidstaten stellen voorts een termijn vast voor de betaling van de in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing gespecificeerde vergoeding in geld. Deze termijn mag niet later eindigen dan twee maanden nadat de grensoverschrijdende splitsing overeenkomstig artikel 160 unvicies van kracht wordt.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat deelnemers in een betrokken gesplitste vennootschap die aan deze vennootschap kennis hebben gegeven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen, maar die van oordeel zijn dat de vergoeding in geld die door de vennootschap wordt aangeboden niet adequaat is vastgesteld, het recht hebben bij een bevoegde instantie of een krachtens het nationale recht gemachtigde instantie om een aanvullende vergoeding in geld te verzoeken. De lidstaten stellen een termijn vast voor het verzoek om een aanvullende vergoeding in geld.

De lidstaten kunnen bepalen dat het definitieve besluit tot toekenning van een aanvullende vergoeding in geld geldig is voor de deelnemers in de betrokken gesplitste vennootschap die overeenkomstig lid 2 bis kennis hebben gegeven van hun besluit om gebruik te maken van het recht op vervreemding van hun aandelen.

5.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 1 tot en met 5 bedoelde rechten worden geregeld door het nationale recht van de lidstaat waaronder de gesplitste vennootschap valt, en dat de lidstaat van de gesplitste vennootschap exclusief bevoegd is voor de beslechting van geschillen die verband houden met deze rechten.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat deelnemers in de gesplitste vennootschap die niet beschikten over of geen gebruik hebben gemaakt van het recht op vervreemding van hun aandelen, maar de voorgestelde ruilverhouding van de aandelen niet passend achten, de in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing bepaalde ruilverhouding ▌ kunnen aanvechten ▌ en om een bijbetaling in geld kunnen verzoeken. Die procedure wordt ingeleid bij een bevoegde instantie of een instantie die is gemachtigd krachtens het nationale recht van de lidstaat van de gesplitste vennootschap, binnen de termijn die is bepaald in het nationale recht van die lidstaat, en zij verhindert de inschrijving van de grensoverschrijdende splitsing in het register niet. De gegeven beslissing bindt de verkrijgende vennootschappen en in het geval van een gedeeltelijke splitsing ook de gesplitste vennootschap.

7.  Bovendien kunnen de lidstaten bepalen dat de betrokken verkrijgende vennootschap en in het geval van een gedeeltelijke splitsing ook de gesplitste vennootschap kan voorzien in aandelen of in een andere vergoeding ▌in plaats van in een bijbetaling in geld.

Artikel 160 quaterdecies

Bescherming van de schuldeisers

1.  De lidstaten bieden een passende bescherming van de belangen van de schuldeisers wier vorderingen vóór de openbaarmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing zijn ontstaan en ten tijde van die openbaarmaking nog niet opeisbaar zijn. De lidstaten zorgen ervoor dat de schuldeisers die geen genoegen nemen met de in artikel 160 sexies, onder r), bedoelde waarborgen die in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing worden geboden, de geschikte administratieve of gerechtelijke instanties kunnen verzoeken om passende waarborgen binnen drie maanden na de in artikel 160 undecies bedoelde openbaarmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing, mits zij op geloofwaardige wijze kunnen aantonen dat de voldoening van hun vorderingen als gevolg van de grensoverschrijdende splitsing in het gedrang is, en dat van de vennootschap geen passende waarborgen zijn verkregen.

De lidstaten zorgen ervoor dat de waarborgen afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat de grensoverschrijdende splitsing overeenkomstig artikel 160 unvicies van kracht wordt.

2.  Wanneer een schuldeiser van de gesplitste vennootschap ▌ geen voldoening krijgt van de vennootschap waaraan het passief is toegewezen, zijn de andere verkrijgende vennootschappen, en, in het geval van een gedeeltelijke splitsing of van een splitsing door scheiding, de gesplitste vennootschap, samen met de vennootschap waaraan het passief is toegewezen hoofdelijk tot nakoming van die verbintenis gehouden. Het maximumbedrag van de hoofdelijke aansprakelijkheid van een vennootschap die aan de splitsing deelneemt, wordt beperkt tot de waarde van het nettoactief dat aan die vennootschap op de datum waarop de splitsing van kracht wordt, wordt toegewezen.

3.   De lidstaten kunnen eisen dat het leidinggevende of bestuursorgaan van de gesplitste vennootschap een verklaring verstrekt waarin nauwkeurig de actuele financiële toestand wordt weergegeven van de vennootschap op de datum van de verklaring, die ten vroegste één maand voor de openbaarmaking ervan valt. In de verklaring wordt aangegeven dat het leidinggevende of bestuursorgaan van de gesplitste vennootschap op basis van de informatie waarover het beschikt op de datum van de verklaring en na redelijke verzoeken om inlichtingen, niet op de hoogte is van enige redenen waarom een verkrijgende vennootschap en, in het geval van een gedeeltelijke splitsing, de gesplitste vennootschap wanneer de splitsing van kracht wordt, niet in staat zou zijn te voldoen aan de eraan in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing toegewezen verplichtingen wanneer die opeisbaar worden. De verklaring wordt samen met het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing ▌ openbaar gemaakt overeenkomstig artikel 160 undecies.

4.  De leden 1, 2 en 3 doen niet af aan de toepassing van het nationale recht van de lidstaat van de gesplitste vennootschap met betrekking tot het voldoen van betalingen of het waarborgen van betalingen of verbintenissen van niet-geldelijke aard ten aanzien van overheidsinstanties.

Artikel 160 quaterdecies bis

Informatie en raadpleging van werknemers

1.  De lidstaten zorgen ervoor dat de informatie- en raadplegingsrechten van werknemers in verband met de grensoverschrijdende splitsing worden geëerbiedigd en worden uitgeoefend overeenkomstig het rechtskader van Richtlijn 2002/14/EG en van Richtlijn 2001/23/EG, wanneer de grensoverschrijdende splitsing wordt beschouwd als overgang van een onderneming in de zin van Richtlijn 2001/23/EG, en, indien van toepassing voor ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie, overeenkomstig het rechtskader van Richtlijn 2009/38/EG. De lidstaten kunnen besluiten de informatie- en raadplegingsrechten ook op andere dan de in artikel 3, lid 1, van Richtlijn 2002/14/EG bedoelde vennootschappen toe te passen.

2.  Niettegenstaande artikel 160 octies, lid 6, en artikel 160 undecies, lid 1, onder b), zorgen de lidstaten ervoor dat de informatie- en raadplegingsrechten van werknemers worden geëerbiedigd, ten minste voordat een besluit wordt genomen over het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing of, als dat eerder gebeurt, over het in artikel 160 octies bedoelde verslag, zodat de werknemers vóór de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering een gemotiveerd antwoord ontvangen.

3.  Onverminderd gunstigere bepalingen en/of praktijken die voor de werknemers gelden, stellen de lidstaten de praktische regelingen vast voor de uitoefening van het recht op informatie en raadpleging overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 2002/14/EG.

Artikel 160 quindecies

Werknemersmedezeggenschap

1.  Onverminderd lid 2 is elke verkrijgende vennootschap onderworpen aan de voorschriften betreffende werknemersmedezeggenschap die in voorkomend geval van toepassing zijn in de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft.

2.  De voorschriften betreffende werknemersmedezeggenschap die in voorkomend geval van toepassing zijn in de lidstaat waar de uit de grensoverschrijdende splitsing ontstane vennootschap haar statutaire zetel heeft, zijn evenwel niet van toepassing indien de gesplitste vennootschap in de zes maanden voorafgaand aan de bekendmaking van het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing als bedoeld in artikel 160 sexies van deze richtlijn een gemiddeld aantal werknemers heeft van vier vijfde van de toepasselijke drempel, zoals bepaald in het recht van de lidstaat van de gesplitste vennootschap, wat aanleiding geeft tot werknemersmedezeggenschap in de zin van artikel 2, onder k), van Richtlijn 2001/86/EG, of indien het nationale recht van toepassing op elke verkrijgende vennootschap niet:

   a) voorziet in ten minste hetzelfde niveau van werknemersmedezeggenschap dat van toepassing was in de gesplitste vennootschap vóór de splitsing, gemeten naar het aantal werknemersvertegenwoordigers onder de leden van het toezichthoudende of bestuursorgaan, in de commissies van die organen of in het leidinggevende orgaan dat belast is met de winstbepalende entiteiten van de vennootschap, die in aanmerking komen voor werknemersvertegenwoordiging; of
   b) voorschrijft dat werknemers van in andere lidstaten gelegen vestigingen van de verkrijgende vennootschappen hetzelfde recht tot uitoefening van medezeggenschapsrechten hebben als de werknemers in de lidstaat waar de verkrijgende vennootschap haar statutaire zetel heeft.

3.  In de in lid 2 bedoelde gevallen wordt de medezeggenschap van werknemers in de uit de grensoverschrijdende splitsing ontstane vennootschappen en de wijze waarop de werknemers bij de vaststelling van die rechten worden betrokken, door de lidstaten op overeenkomstige wijze en onverminderd de leden 4 tot en met 7 van dit artikel geregeld volgens de beginselen en regelingen vervat in artikel 12, leden 2, 3 en 4, van Verordening (EG) nr. 2157/2001 en de volgende bepalingen van Richtlijn 2001/86/EG:

   a) artikel 3, lid 1, artikel 3, lid 2, onder a), i), en b), en artikel 3, lid 3, en de eerste twee zinnen van artikel 3, leden 4, 5 ▌en 7;
   b) artikel 4, lid 1, artikel 4, lid 2, onder a), g) en h), en artikel 4, leden 3 en 4;
   c) artikel 5;
   d) artikel 6;
   e) ▌artikel 7, lid 1, met uitzondering van het tweede streepje van het bepaalde onder b);
   f) de artikelen 8, ▌10, 11 en 12;
   g) deel 3, onder a), van de bijlage.

4.  Bij het in regelgeving omzetten van de in lid 3 bedoelde beginselen en procedures:

   a) geven de lidstaten de bijzondere onderhandelingsgroep het recht om, bij een meerderheid van twee derde van haar leden, die ten minste twee derde van de werknemers vertegenwoordigen, te besluiten van onderhandelingen af te zien of reeds geopende onderhandelingen te beëindigen en zich te verlaten op de regels inzake medezeggenschap die van kracht zijn in de lidstaten van elke verkrijgende vennootschap;
   b) kunnen de lidstaten, wanneer na eerdere onderhandelingen de referentievoorschriften inzake medezeggenschap van toepassing zijn en ongeacht deze referentievoorschriften, besluiten het aantal werknemersvertegenwoordigers in het bestuursorgaan van de verkrijgende vennootschappen te beperken. Wanneer echter in de gesplitste vennootschap ten minste een derde van de leden van het toezichthoudende of bestuursorgaan werknemersvertegenwoordigers waren, kan het aantal werknemersvertegenwoordigers nooit zodanig worden beperkt dat in het bestuursorgaan minder dan een derde van de leden werknemersvertegenwoordigers zijn;
   c) zorgen de lidstaten ervoor dat de regels inzake medezeggenschap die vóór de grensoverschrijdende splitsing van toepassing waren, van toepassing blijven tot de datum waarop eventuele nadien overeengekomen regels van kracht worden, of indien er geen regels zijn overeengekomen, tot de datum waarop de referentievoorschriften van kracht worden in overeenstemming met deel 3, onder a), van de bijlage.

5.  De uitbreiding van de medezeggenschapsrechten tot werknemers van de verkrijgende vennootschappen die in andere lidstaten werkzaam zijn, bedoeld in lid 2, onder b), houdt voor de lidstaten die deze keuze maken, geen verplichting in deze werknemers mee te tellen bij de berekening van het drempelaantal werknemers dat volgens het nationale recht aanleiding geeft tot medezeggenschapsrechten.

6.  Wanneer een van de verkrijgende vennootschappen volgens de in lid 2 bedoelde voorschriften onder een stelsel van werknemersmedezeggenschap moet vallen, zijn die vennootschappen verplicht een rechtsvorm aan te nemen die de uitoefening van medezeggenschapsrechten mogelijk maakt.

7.  Wanneer de verkrijgende vennootschap werkt met een stelsel van werknemersmedezeggenschap, is zij verplicht maatregelen te nemen om de medezeggenschapsrechten van de werknemers te beschermen in geval van eventuele daaropvolgende grensoverschrijdende of binnenlandse fusies, splitsingen of omzettingen voor een termijn van vier jaar nadat de grensoverschrijdende splitsing van kracht is geworden, door de in de leden 1 tot en met 6 vastgestelde voorschriften op overeenkomstige wijze toe te passen.

8.  De vennootschap stelt haar werknemers of hun vertegenwoordigers onverwijld in kennis van de resultaten van de onderhandelingen over de werknemersmedezeggenschap.

Artikel 160 sexdecies

Aan de splitsing voorafgaand attest

1.  De lidstaten wijzen de rechterlijke, notariële of andere bevoegde instantie of instanties aan (hierna "de bevoegde instantie" genoemd) voor het toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende splitsingen wat betreft het gedeelte van de procedure dat door het recht van de lidstaat van de gesplitste vennootschap wordt geregeld, en voor de afgifte van een aan de splitsing voorafgaand attest waaruit blijkt dat aan alle relevante voorwaarden is voldaan en alle procedures en formaliteiten correct zijn vervuld in die lidstaat.

Deze vervulling van procedures en formaliteiten kan betrekking hebben op het voldoen van betalingen of het waarborgen van betalingen of verbintenissen van niet-geldelijke aard ten aanzien van overheidsinstanties, of op de naleving van bijzondere sectorale vereisten, met inbegrip van het waarborgen van betalingen of verbintenissen die voortvloeien uit lopende procedures.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat de aanvraag van het aan de splitsing voorafgaande attest door de gesplitste vennootschap vergezeld gaat van:

   a) het in artikel 160 sexies bedoelde voorstel voor de splitsing;
   b) het verslag en in voorkomend geval het aangehechte advies als bedoeld in artikel 160 octies, alsmede het in artikel 160 decies bedoelde verslag, indien beschikbaar;
   b bis) alle overeenkomstig artikel 160 undecies, lid 1, ingediende opmerkingen;
   c) informatie over de in artikel 160 duodecies bedoelde goedkeuring door de algemene vergadering▌.

3.  De lidstaten kunnen eisen dat de aanvraag van het aan de splitsing voorafgaande attest vergezeld gaat van aanvullende informatie, met name over bijvoorbeeld:

   a) het aantal werknemers ten tijde van het opstellen van het voorstel voor de splitsing;
   b) dochterondernemingen en hun respectieve geografische ligging;
   c) de nakoming van verbintenissen van de vennootschap ten aanzien van overheidsinstanties.

Voor de toepassing van dit lid kunnen de bevoegde instanties deze informatie, als zij niet wordt verstrekt, opvragen bij andere instanties met bevoegdheid ter zake.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in de leden 2 en 2 bis bedoelde aanvraag, waaronder de indiening van informatie en documenten, volledig online kan worden verricht zonder dat het noodzakelijk is persoonlijk te verschijnen voor de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

5.   Om te voldoen aan de in artikel 160 quindecies vastgestelde regels inzake werknemersmedezeggenschap onderzoekt de bevoegde instantie in de lidstaat van de gesplitste vennootschap of het in artikel 160 sexies bedoelde voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing informatie bevat over de procedures volgens welke de relevante regelingen worden vastgesteld en mogelijke opties voor deze regelingen.

6.   In het kader van de beoordeling ▌ als bedoeld in lid 1 onderzoekt de bevoegde instantie de volgende informatie:

   a) alle overeenkomstig de leden 2 en 2 bis bij de instantie ingediende documenten en informatie;
   c) een vermelding door de vennootschap dat de in artikel 160 quindecies, leden 3 en 4, bedoelde procedure van start is gegaan, indien van toepassing.

7.  De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde beoordeling plaatsvindt binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de documenten en informatie betreffende de goedkeuring van de grensoverschrijdende splitsing door de algemene vergadering van de vennootschap. Dit leidt tot een van de volgende resultaten:

   a) indien wordt vastgesteld dat de grensoverschrijdende splitsing ▌ aan alle relevante voorwaarden voldoet en dat alle noodzakelijke procedures en formaliteiten zijn vervuld, geeft de bevoegde instantie het aan de splitsing voorafgaande attest af;
   b) indien wordt vastgesteld dat de grensoverschrijdende splitsing niet aan alle relevante voorwaarden voldoet of dat niet alle noodzakelijke procedures en/of formaliteiten zijn vervuld, geeft de bevoegde instantie het aan de splitsing voorafgaande attest niet af en stelt zij de vennootschap in kennis van de redenen voor haar besluit. In dat geval kan de bevoegde instantie de vennootschap de mogelijkheid bieden om aan de relevante voorwaarden te voldoen of om de procedures en formaliteiten binnen een passende termijn te verrichten.

8.  De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie het aan de splitsing voorafgaande attest niet afgeeft indien overeenkomstig het nationale recht wordt vastgesteld dat een grensoverschrijdende splitsing is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden.

9.  Indien er bij de bevoegde instantie in het kader van het in lid 1 bedoelde toezicht op de rechtmatigheid ernstige twijfels rijzen over de vraag of de grensoverschrijdende splitsing is opgezet voor onrechtmatige of frauduleuze doeleinden die leiden tot of gericht zijn op ontduiking of omzeiling van het nationale recht of het Unierecht, of voor criminele doeleinden, neemt zij de relevante feiten en omstandigheden in aanmerking, zoals indicatieve factoren, indien van belang en niet op zichzelf beschouwd, waarvan de bevoegde instantie in het kader van het in lid 1 bedoelde toezicht op de rechtmatigheid, onder meer door raadpleging van de relevante instanties, kennis heeft genomen. De beoordeling in de zin van dit lid wordt per geval verricht volgens een procedure die onder het nationale recht valt.

10.  Wanneer het voor de beoordeling in de zin van lid 7 noodzakelijk is om rekening te houden met aanvullende informatie of aanvullende onderzoeksactiviteiten te verrichten, kan de in lid 6 bedoelde termijn van drie maanden voor nog eens maximaal drie maanden worden verlengd.

11.  Wanneer het vanwege de complexiteit van de grensoverschrijdende procedure niet mogelijk is de beoordeling binnen de in dit artikel voorziene termijnen uit te voeren, zorgen de lidstaten ervoor dat de aanvrager vóór het verstrijken van de oorspronkelijke termijn in kennis wordt gesteld van de redenen voor de vertraging.

12.  De lidstaten zorgen ervoor dat de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde instanties andere instanties met bevoegdheid op de verschillende gebieden met betrekking tot de grensoverschrijdende splitsing, met inbegrip van die van de lidstaat van de verkrijgende vennootschappen, kunnen raadplegen, en dat zij bij deze instanties en bij de vennootschap de vereiste informatie en documenten kunnen opvragen met het oog op de controle van de rechtmatigheid, binnen het in het nationale recht vastgestelde procedurele kader. Bij de beoordeling kan de bevoegde instantie een beroep doen op een onafhankelijke deskundige.

Artikel 160 octodecies

▌ Toezending van het aan de splitsing voorafgaande attest

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat het aan de splitsing voorafgaande attest met de in artikel 160 novodecies, lid 1, bedoelde instanties wordt gedeeld via het overeenkomstig artikel 22 ingestelde systeem van gekoppelde registers.

De lidstaten zorgen er ook voor dat het aan de splitsing voorafgaande attest beschikbaar is via het overeenkomstig artikel 22 ingestelde systeem van gekoppelde registers.

3.  De toegang tot de in lid 2 bedoelde informatie is kosteloos voor de in artikel 160 novodecies, lid 1, bedoelde instanties en voor de registers.

Artikel 160 novodecies

Toezicht op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende splitsing

1.  De lidstaten wijzen de rechterlijke, notariële of andere instantie aan die bevoegd is om toezicht te houden op de rechtmatigheid van de grensoverschrijdende splitsing wat betreft het gedeelte van de procedure dat betrekking heeft op de voltooiing van de grensoverschrijdende splitsing die door het recht van de lidstaten van de verkrijgende vennootschappen wordt geregeld, en om de grensoverschrijdende splitsing goed te keuren indien ▌ aan alle relevante voorwaarden is voldaan en alle ▌ formaliteiten correct zijn verricht in die lidstaat.

De bevoegde instantie of instanties zorgen er met name voor dat de voorgestelde verkrijgende vennootschappen voldoen aan de bepalingen van het nationale recht inzake de oprichting en registratie van vennootschappen en, indien van toepassing, dat de regelingen inzake werknemersmedezeggenschap in overeenstemming met artikel 160 quindecies zijn vastgesteld.

2.  Voor de toepassing van lid 1 dient de gesplitste vennootschap bij elke in ▌ lid 1 bedoelde instantie het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing in dat door de in artikel 160 duodecies bedoelde algemene vergadering is goedgekeurd.

3.  Elke lidstaat zorgt ervoor dat de in lid 1 bedoelde aanvraag door de vennootschap die de grensoverschrijdende splitsing aangaat, waaronder de indiening van informatie en documenten, volledig online kan worden verricht zonder dat de aanvragers persoonlijk moeten verschijnen voor de in lid 1 bedoelde bevoegde instantie, met inachtneming van de relevante bepalingen van hoofdstuk III van titel I.

4.  De in lid 1 bedoelde bevoegde instantie ▌ keurt de grensoverschrijdende splitsing goed wanneer zij de relevante voorwaarden heeft beoordeeld.

5.  Het in artikel 160 octodecies, lid 2, bedoelde aan de splitsing voorafgaande attest wordt door een in lid 1 van dit artikel bedoelde bevoegde instantie aanvaard als afdoend bewijs dat de aan de splitsing voorafgaande procedures en formaliteiten in de lidstaat van de gesplitste vennootschap correct zijn vervuld, zonder welke de grensoverschrijdende splitsing niet kan worden goedgekeurd.

Artikel 160 vicies

Registratie

1.  Het recht van ▌ de lidstaten van de gesplitste vennootschap en van de verkrijgende vennootschappen ▌ bepaalt overeenkomstig artikel 16 op welke wijze de voltooiing van de grensoverschrijdende splitsing op het grondgebied van de betrokken lidstaat openbaar wordt gemaakt in het register ▌.

2.  De lidstaten zorgen ervoor dat ten minste de volgende informatie wordt opgenomen in hun registers, die zij openbaar beschikbaar en toegankelijk stellen door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem:

   a) in het ▌ register van de lidstaten van de verkrijgende vennootschappen – dat de registratie van de verkrijgende vennootschap het gevolg is van een grensoverschrijdende splitsing;
   b) in het register van de lidstaat van de verkrijgende vennootschappen – de data van registratie van de verkrijgende vennootschappen;
   c) in het register van de lidstaat van de gesplitste vennootschap – in het geval van een volledige splitsing, de datum van de schrapping uit het register ▌;
   d) in ▌ het register van de lidstaat van de gesplitste vennootschap – dat de doorhaling of schrapping van de vennootschap het gevolg is van een grensoverschrijdende splitsing;
   e) in de registers van de lidstaten van de gesplitste vennootschap en van de verkrijgende vennootschappen respectievelijk de inschrijvingsnummers, de naam en de rechtsvorm van de gesplitste vennootschap en van de verkrijgende vennootschappen.

3.  De lidstaten zorgen ervoor dat de registers in de lidstaten van de verkrijgende vennootschappen het register in de lidstaat van de gesplitste vennootschap door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem meedelen dat de verkrijgende vennootschappen zijn geregistreerd. In het geval van een volledige splitsing wordt de ▌ gesplitste vennootschap onmiddellijk na de ontvangst van al die mededelingen uit het register geschrapt.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat het register in de lidstaat van de gesplitste vennootschap door middel van het in artikel 22 bedoelde systeem aan de registers in de lidstaten van de verkrijgende vennootschappen meedeelt dat de grensoverschrijdende splitsing van kracht is geworden.

Artikel 160 unvicies

Datum waarop de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt

Het recht van de lidstaat van de gesplitste vennootschap bepaalt op welke datum de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt. De datum valt nadat het in de artikelen 160 sexdecies ▌en 160 novodecies bedoelde toezicht is uitgevoerd en nadat alle in artikel 160 vicies, lid 3, bedoelde mededelingen zijn ontvangen.

Artikel 160 duovicies

Gevolgen van de grensoverschrijdende splitsing

1.  Een volledige grensoverschrijdende splitsing die is aangegaan in overeenstemming met de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, heeft doordat de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt en vanaf de in artikel 160 unvicies bedoelde datum de volgende gevolgen:

   a) de activa en passiva van de gesplitste vennootschap, inclusief alle contracten, kredieten, rechten en verplichtingen, gaan in hun geheel over op ▌de verkrijgende vennootschappen volgens de in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing aangegeven toewijzing;
   b) de deelnemers in de gesplitste vennootschap worden deelnemers in de verkrijgende vennootschappen volgens de in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing aangegeven toewijzing van aandelen, tenzij zij het in artikel 160 terdecies, lid 1, bedoelde uitstaprecht uitoefenen;
   c) de rechten en verplichtingen van de gesplitste vennootschap die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten of dienstverbanden en bestaan op de datum waarop de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt, gaan over op de verkrijgende vennootschappen;
   d) de gesplitste vennootschap houdt op te bestaan.

2.   Een gedeeltelijke grensoverschrijdende splitsing die is aangegaan in overeenstemming met de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, heeft doordat de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt en vanaf de in artikel 160 unvicies bedoelde datum de volgende gevolgen:

   a) een gedeelte van de activa en passiva van de gesplitste vennootschap, inclusief contracten, kredieten, rechten en verplichtingen, gaat over op ▌de verkrijgende vennootschap of vennootschappen en het resterende gedeelte blijft in de gesplitste vennootschap volgens de in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing aangegeven toewijzing;
   b) op zijn minst enkele deelnemers in de gesplitste vennootschap worden deelnemers in de verkrijgende vennootschap of vennootschappen en op zijn minst enkele deelnemers blijven in de gesplitste vennootschap of worden deelnemers in beide vennootschappen volgens de in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing aangegeven toewijzing van aandelen, tenzij zij het in artikel 160 terdecies, lid 1, bedoelde uitstaprecht uitoefenen;
   c) de rechten en verplichtingen van de gesplitste vennootschap die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten of dienstverbanden en bestaan op de datum waarop de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt, en die volgens het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing aan de verkrijgende vennootschap of vennootschappen worden toegewezen, gaan over op de respectieve verkrijgende vennootschap of vennootschappen.

3.  Een grensoverschrijdende splitsing door scheiding die is aangegaan in overeenstemming met de nationale bepalingen tot omzetting van deze richtlijn, heeft doordat de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt en vanaf de in artikel 160 unvicies bedoelde datum de volgende gevolgen:

   a) het gedeelte van de activa en passiva van de gesplitste vennootschap, inclusief contracten, kredieten, rechten en verplichtingen, gaat over op de verkrijgende vennootschap of vennootschappen en het resterende gedeelte blijft in de gesplitste vennootschap volgens de in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing aangegeven toewijzing;
   a bis) de aandelen van de verkrijgende vennootschap of vennootschappen worden toegewezen aan de gesplitste vennootschap;
   b) de rechten en verplichtingen van de gesplitste vennootschap die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten of dienstverbanden en bestaan op de datum waarop de grensoverschrijdende splitsing van kracht wordt, en die volgens het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing aan de verkrijgende vennootschap of vennootschappen worden toegewezen, gaan over op de respectieve verkrijgende vennootschap of vennootschappen.

4.  De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een actief of een passief van de gesplitste vennootschap niet expliciet in het voorstel voor een grensoverschrijdende splitsing wordt toegewezen als bedoeld in artikel 160 sexies, onder m), en interpretatie van dat voorstel geen uitsluitsel geeft over de toewijzing ervan, dit actief, de waarde ervan of het passief wordt verdeeld over alle verkrijgende vennootschappen of, in het geval van een gedeeltelijke splitsing of een splitsing door scheiding, over alle verkrijgende vennootschappen en de gesplitste vennootschap, evenredig aan het nettoactief dat aan ieder van die vennootschappen in het voorstel voor de grensoverschrijdende splitsing is toegewezen. In elk geval is artikel 160 quaterdecies, lid 2, van toepassing.

5.   Wanneer het recht van de lidstaten bij een onder dit hoofdstuk vallende grensoverschrijdende splitsing bijzondere formaliteiten voorschrijft om de overgang van bepaalde door de gesplitste vennootschap ingebrachte activa, rechten en verplichtingen aan derden te kunnen tegenwerpen, worden deze formaliteiten verricht door de gesplitste vennootschap of door de verkrijgende vennootschappen, naargelang het geval.

6.  De lidstaten zorgen ervoor dat aandelen van een verkrijgende vennootschap niet kunnen worden geruild voor aandelen van de gesplitste vennootschap, die hetzij door de vennootschap zelf worden gehouden, hetzij via een persoon die in eigen naam maar voor rekening van de vennootschap handelt.

Artikel 160 duovicies bis

Vereenvoudigde formaliteiten

Bij een "splitsing door scheiding" in de zin van artikel 160 ter, punt 3, onder c), zijn artikel 160 sexies, onder b), c), f), i), p) en q), en de artikelen 160 octies, 160 decies en 160 terdecies niet van toepassing.

Artikel 160 tervicies

Aansprakelijkheid van de onafhankelijke deskundigen

De lidstaten stellen regels vast die ten minste voorzien in de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de onafhankelijke deskundige die belast is met het opstellen van het in artikel 160 decies bedoelde verslag.

De lidstaten beschikken over regels om ervoor te zorgen dat de deskundige of de rechtspersoon in wiens naam de deskundige optreedt, onafhankelijk is en geen belangenconflict heeft met de vennootschap die het aan de splitsing voorafgaande attest aanvraagt, en dat het advies van de deskundige onpartijdig en objectief is en wordt gegeven met het oog op het verlenen van bijstand aan de bevoegde instantie, met inachtneming van de vereisten inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit hoofde van het toepasselijke recht of de professionele normen die de deskundige in acht moet nemen.

Artikel 160 quatervicies

Geldigheid

Een overeenkomstig de procedures tot omzetting van deze richtlijn van kracht geworden grensoverschrijdende splitsing kan niet nietig worden verklaard.

Dit doet geen afbreuk aan de bevoegdheden van de lidstaten om onder meer op het gebied van strafrecht, terrorismefinanciering, sociaal recht, fiscaal recht en rechtshandhaving maatregelen en sancties op te leggen overeenkomstig het nationale recht, na de datum waarop de grensoverschrijdende splitsing van kracht is geworden."

"

Artikel 2

Sancties

De lidstaten stellen de voorschriften vast ten aanzien van de maatregelen en sancties die van toepassing zijn op overtredingen van nationale bepalingen die zijn vastgesteld op grond van deze richtlijn en nemen alle nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat deze sancties worden uitgevoerd. Deze regels kunnen strafrechtelijke sancties voor ernstige overtredingen omvatten.

De maatregelen en sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

Artikel 3

Omzetting

1.  De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op … [PB: datum invullen – de laatste dag van de termijn van 36 maanden na de inwerkingtreding] aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.  De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Verslaglegging en evaluatie

1.  Uiterlijk vier jaar na … [PB: gelieve de datum in te vullen waarop de omzettingsperiode van deze richtlijn afloopt] verricht de Commissie een evaluatie van deze richtlijn, met inbegrip van een evaluatie van de tenuitvoerlegging inzake de informatie, de raadpleging en de medezeggenschap van werknemers in het kader van de grensoverschrijdende operaties, met inbegrip van een beoordeling van de regels inzake het aantal werknemersvertegenwoordigers in het bestuursorgaan van de uit de grensoverschrijdende operatie ontstane vennootschap, en van de doeltreffendheid van de waarborgen met betrekking tot de onderhandelingen over rechten inzake werknemersmedezeggenschap, waarbij de dynamische aard in aanmerking wordt genomen van door grensoverschrijdende operaties groeiende vennootschappen, en brengt de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité verslag uit over de bevindingen, waarbij met name wordt nagegaan of een geharmoniseerd kader voor werknemersvertegenwoordiging op het niveau van de raad van bestuur ingevoerd moet worden in het Unierecht, in voorkomend geval vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

De lidstaten stellen de Commissie de informatie ter beschikking die zij voor het opstellen van dat verslag nodig heeft, met name gegevens over het aantal grensoverschrijdende omzettingen, fusies en splitsingen, de duur ervan en de ermee verbonden kosten, gegevens over de gevallen waarin een aan de omzetting voorafgaand attest is geweigerd, alsmede statistische geaggregeerde gegevens over het aantal onderhandelingen over rechten inzake werknemersmedezeggenschap in het kader van grensoverschrijdende operaties, en gegevens over de werking en de gevolgen van de bij grensoverschrijdende operaties toepasselijke bevoegdheidsregels.

2.  In het verslag wordt in het bijzonder een evaluatie verricht van de in hoofdstuk -I van titel II en hoofdstuk IV van titel II bedoelde procedures, met name wat de duur en de kosten ervan betreft.

3.  In het verslag wordt ook beoordeeld of het haalbaar is te voorzien in regels voor soorten grensoverschrijdende splitsingen die niet onder deze richtlijn vallen, met inbegrip van met name grensoverschrijdende splitsingen door verwerving.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 24.
(2)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(3)PB C van , blz. .
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 18 april 2019.
(5)Richtlijn (EU) 2017/1132 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 aangaande bepaalde aspecten van het vennootschapsrecht (codificatie) (PB L 169 van 30.6.2017, blz. 46).
(6) Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).
(7) Richtlijn 2002/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2002 tot vaststelling van een algemeen kader betreffende de informatie en de raadpleging van de werknemers in de Europese Gemeenschap (PB L 80 van 23.3.2002, blz. 29).
(8) Richtlijn 2009/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (herschikking) (PB L 122 van 16.5.2009, blz. 28).
(9) Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PB L 157 van 9.6.2006, blz. 87).
(10) Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB L 82 van 22.3.2001, blz. 16).
(11) Richtlijn 2001/86/EG van de Raad van 8 oktober 2001 tot aanvulling van het statuut van de Europese vennootschap met betrekking tot de rol van de werknemers (PB L 294 van 10.11.2001, blz. 22).
(12) Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (PB L 166 van 30.4.2004, blz. 1).
(13) Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (PB L 18 van 21.1.1997, blz. 1).
(14) Richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag (PB L 225 van 12.8.1998, blz. 1).
(15) Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt (PB L 193 van 19.7.2016, blz. 1).
(16) Richtlijn 2009/133/EG van de Raad van 19 oktober 2009 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat (PB L 310 van 25.11.2009, blz. 34).
(17) Richtlijn (EU) 2015/2376 van de Raad van 8 december 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 332 van 18.12.2015, blz. 1).
(18) Richtlijn (EU) 2016/881 van de Raad van 25 mei 2016 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied (PB L 146 van 3.6.2016, blz. 8).
(19) Richtlijn (EU) 2018/822 van de Raad van 25 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied met betrekking tot meldingsplichtige grensoverschrijdende constructies (PB L 139 van 5.6.2018, blz. 1).
(20) Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73).
(21) PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.
(22) PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.


Europees Defensiefonds ***I
PDF 317kWORD 95k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds (COM(2018)0476 – C8-0268/2018 – 2018/0254(COD))
P8_TA(2019)0430A8-0412/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0476),

–  gezien artikel 294, lid 2, artikel 173, lid 3, artikel 182, lid 4, artikel 183 en artikel 188, tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0268/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 12 december 2018(1),

–  gezien de op 25 januari 2019 door zijn Voorzitter aan de commissievoorzitters gestuurde brief, waarin de aanpak van het Parlement met betrekking tot de sectorale programma's van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) betreffende de periode na 2020 wordt uiteengezet,

–  gezien de op 1 april 2019 door de Raad aan de Voorzitter van het Europees Parlement gestuurde brief, waarin de gemeenschappelijke lezing wordt bevestigd waarover de medewetgevers het tijdens de onderhandelingen eens zijn geworden,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Begrotingscommissie en de Commissie interne markt en consumentenbescherming (A8-0412/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(2);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) .../... van het Europees Parlement en de Raad tot oprichting van het Europees Defensiefonds

P8_TC1-COD(2018)0254


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 173, lid 3, artikel 182, lid 4, artikel 183, en artikel 188, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(-1 ter)  De geopolitieke context van de Unie is de voorbije tien jaar drastisch veranderd. De situatie in de aangrenzende regio's van Europa is instabiel en de Unie wordt geconfronteerd met een complexe en veeleisende omgeving waarin nieuwe dreigingen, zoals hybride en cyberaanvallen, in opmars zijn en traditioneler uitdagingen weer de kop opsteken. In deze context zijn de Europese burgers en hun politieke leiders het erover eens dat er meer gezamenlijk moet worden ondernomen op het gebied van defensie.

(-1 quater)  De defensiesector kenmerkt zich door toenemende kosten van defensiematerieel en door hoge kosten van onderzoek en ontwikkeling (O&O), die de opzet van nieuwe defensieprogramma's belemmeren en rechtstreekse gevolgen hebben voor het concurrentie- en innovatievermogen van de Europese industriële en technologische defensiebasis. Vanwege deze kostenstijgingen moet de ontwikkeling van een nieuwe generatie defensiesystemen en van nieuwe defensietechnologieën ondersteund worden op Unieniveau om de samenwerking tussen de lidstaten voor wat betreft investeringen in defensiematerieel te versterken.

(1)  In het op 30 november 2016 vastgestelde Europees defensieactieplan heeft de Commissie zich ertoe verbonden de gezamenlijke inspanningen van de lidstaten bij de ontwikkeling van technologische en industriële defensievermogens aan te vullen, te bevorderen en te consolideren om een antwoord te bieden op uitdagingen inzake veiligheid en om het concurrentievermogen, de innovatieve capaciteit en de efficiëntie van de Europese defensie-industrie en de totstandbrenging van een echte en geïntegreerde Europese defensiemarkt in de Unie en daarbuiten te ondersteunen, waardoor ook de oprichting van een meer geïntegreerde defensiemarkt in Europa en de integratie van Europese defensieproducten en technologieën op de interne markt ondersteund zullen worden, wat op zijn beurt de afhankelijkheid van niet‑EU-bronnen zal verkleinen. Zij stelde met name voor een Europees Defensiefonds (het "fonds") op te richten om investeringen in gezamenlijk onderzoek en de gezamenlijke ontwikkeling van defensieproducten en -technologieën te ondersteunen en zo synergieën en kosteneffectiviteit te bevorderen, en om de gezamenlijke aankoop en het gezamenlijke onderhoud van defensie-uitrusting door de lidstaten te bevorderen. Het fonds zou een aanvulling vormen op de nationale financiering die reeds daartoe wordt gebruikt en moet lidstaten stimuleren om samen te werken en meer te investeren in defensie. Uit het fonds zou steun worden verleend voor samenwerking tijdens de gehele cyclus van defensieproducten en ‑technologieën.

(2)  Het fonds zou bijdragen tot de totstandbrenging van een sterke, concurrerende en innovatieve Europese technologische en industriële ▌ defensiebasis en hand in hand gaan met de initiatieven van de Unie met het oog op een meer geïntegreerde Europese defensiemarkt, met name de twee in 2009 vastgestelde richtlijnen(4) betreffende overheidsopdrachten en overdrachten in de defensiesector binnen de EU.

(3)  Aan de hand van een geïntegreerde aanpak en om bij te dragen aan het versterken van het concurrentievermogen en de innovatiecapaciteit van de defensie-industrie van de Unie, moet een Europees Defensiefonds (hierna "het fonds") worden opgericht. Het fonds moet gericht zijn op het vergroten van het concurrentievermogen, de innovatie, de efficiëntie en de technologische autonomie van de defensie-industrie van de Unie; op die manier moet het bijdragen tot de strategische autonomie van de Unie door zowel in de onderzoeksfase als in de ontwikkelingsfase van defensieproducten en -technologieën de grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten en samenwerking tussen ondernemingen, onderzoekscentra, nationale overheden, internationale organisaties en universiteiten in heel de Unie te ondersteunen. Om tot meer innovatieve oplossingen en een open interne markt te komen, moet het fonds de uitbreiding van de grensoverschrijdende samenwerking van kleine en middelgrote ondernemingen (kmo's) en middelgrote beursgenoteerde ondernemingen (midcaps) in de defensiesector ondersteunen en vergemakkelijken.

Binnen de Unie worden tekortkomingen inzake gemeenschappelijk defensievermogen geïdentificeerd in het kader van het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid ▌, met name via het vermogensontwikkelingsplan, terwijl de overkoepelende strategische onderzoeksagenda ook gemeenschappelijke doelstellingen inzake defensieonderzoek omvat. Andere Unieprocedures, zoals de gecoördineerde jaarlijkse evaluatie inzake defensie en ▌ permanente gestructureerde samenwerking, zullen de uitvoering van relevante prioriteiten ondersteunen door kansen voor versterkte samenwerking te identificeren en te benutten en aldus het ambitieniveau van de EU inzake veiligheid en defensie te realiseren. In voorkomend geval mogen ook regionale en internationale prioriteiten, onder meer in de context van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, in aanmerking worden genomen, indien zij in overeenstemming zijn met de prioriteiten van de Unie en geen lidstaat of geassocieerd land beletten om deel te nemen, daarbij tevens voor ogen houdend dat onnodige overlappingen moeten worden vermeden.

(4)  De onderzoeksfase is ▌cruciaal ▌, omdat zij bepalend is voor zowel de capaciteit als de autonomie van de Europese industrie om producten te ontwikkelen, en voor de onafhankelijkheid van de lidstaten als eindgebruikers van defensietoepassingen. De onderzoeksfase in het kader van de ontwikkeling van defensievermogens kan significante risico's inhouden, met name in geval van lage maturiteit en disruptie van technologieën. Ook aan de ontwikkelingsfase, die doorgaans volgt op de onderzoeksfase ▌, zijn aanzienlijke risico's en kosten verbonden die de verdere benutting van onderzoeksresultaten belemmeren en het concurrentievermogen en de innovatie van de defensie-industrie van de Unie aantasten. Het fonds moet bijgevolg het verband tussen de onderzoeks- en ontwikkelingsfasen versterken.

(5)  Het fonds mag geen ondersteuning bieden aan ▌fundamenteel onderzoek, dat in plaats daarvan uit andere stelsels moet worden gefinancierd, maar kan worden aangewend voor defensiegericht fundamenteel onderzoek dat mogelijk als basis kan dienen voor het oplossen van erkende of verwachte problemen of mogelijkheden.

(6)  Het fonds zou ondersteuning kunnen bieden aan zowel acties gericht op nieuwe producten en technologieën als acties voor de modernisering van bestaande producten en technologieën. Acties voor de modernisering van bestaande defensieproducten en ‑technologieën dienen enkel in aanmerking te komen als het gebruik van reeds bestaande informatie die nodig is voor de uitvoering van de actie ▌, niet onderworpen is aan een zodanige beperking door niet-geassocieerde derde landen of entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen dat de acties niet kunnen worden uitgevoerd. Wanneer juridische entiteiten een aanvraag tot Uniefinanciering indienen, moeten zij worden verplicht informatie te verstrekken waaruit blijkt dat er geen sprake is van beperkingen. Indien dergelijke informatie ontbreekt, mag geen Uniefinanciering worden verstrekt.

(6 bis)   Het fonds moet financiële steun bieden voor acties die bijdragen tot de ontwikkeling van disruptieve technologieën voor defensie. Aangezien disruptieve technologieën gebaseerd kunnen zijn op concepten of ideeën die afkomstig zijn van niet-traditionele actoren op het gebied van defensie, dient het fonds voldoende flexibiliteit te bieden bij het raadplegen van belanghebbenden, alsook bij de uitvoering van acties.

(7)  Opdat bij de uitvoering van deze verordening de internationale verplichtingen van de Unie en haar lidstaten worden geëerbiedigd, mag het fonds geen financiering verstrekken voor acties met betrekking tot producten of technologieën waarvan het gebruik, de ontwikkeling of de productie krachtens het internationaal recht verboden is. In dit verband dient de subsidiabiliteit van acties met het oog op nieuwe defensieproducten of -technologieën ▌ eveneens te worden onderworpen aan ontwikkelingen in het internationaal recht. Acties voor de ontwikkeling van dodelijke autonome wapens die niet de mogelijkheid bieden om een zinvolle menselijke controle uit te oefenen over besluiten in verband met het selecteren en inzetten ervan bij aanvallen die op mensen gericht zijn, mogen evenmin in aanmerking komen voor financiële steun van het fonds, onverminderd de mogelijkheid om financiering te verstrekken voor acties voor de ontwikkeling van vroegtijdige waarschuwingssystemen en tegenmaatregelen voor defensiedoeleinden.

(8)  De moeilijkheden bij het overeenkomen van geconsolideerde defensievermogensvereisten en gemeenschappelijke technische specificaties of normen belemmeren de samenwerking tussen lidstaten en tussen juridische entiteiten in verschillende lidstaten. Het ontbreken van dergelijke vereisten, specificaties en normen heeft geleid tot meer versnippering van de defensiesector, technische complexiteit, vertragingen en hogere kosten, onnodige overlappingen, evenals een verminderde interoperabiliteit. Een akkoord over gemeenschappelijke technische specificaties moet een voorwaarde zijn voor acties die een hogere mate van technologische paraatheid vereisen. Activiteiten ▌ die gericht zijn op de vaststelling van gemeenschappelijke defensievermogensvereisten ▌ en activiteiten die de vaststelling van gemeenschappelijke technische specificaties of normen ondersteunen, dienen eveneens in aanmerking te komen voor financiering uit het fonds, met name wanneer zij interoperabiliteit stimuleren.

(9)  Aangezien het fonds het concurrentievermogen, de efficiëntie en de innovatie van de defensie-industrie van de Unie beoogt te ondersteunen door gezamenlijk defensieonderzoek en gezamenlijke technologische activiteiten te bevorderen en aan te vullen en de risico's van de ontwikkelingsfase van samenwerkingsprojecten te ondervangen, moeten acties met het oog op onderzoek naar en ontwikkeling van een defensieproduct of ‑technologie in aanmerking komen voor steun uit het fonds. Hetzelfde geldt voor het moderniseren van bestaande defensieproducten en ‑technologieën, met inbegrip van de interoperabiliteit daarvan.

(10)  Aangezien het fonds met name gericht is op sterkere samenwerking tussen juridische entiteiten en lidstaten in heel Europa, kunnen acties ▌ in aanmerking komen voor financiering mits zij worden uitgevoerd door een samenwerkingsverband binnen een consortium van ten minste drie juridische entiteiten die zijn gevestigd in ten minste drie verschillende lidstaten ▌ of geassocieerde landen. Ten minste drie van die subsidiabele ▌ entiteiten die gevestigd zijn in ten minste twee verschillende lidstaten ▌ of geassocieerde landen, mogen niet direct of indirect onder ▌ zeggenschap van dezelfde entiteit staan, noch mogen zij onder zeggenschap van elkaar staan. In deze context dient onder "zeggenschap" te worden verstaan het vermogen om via een of meer intermediaire juridische entiteiten direct of indirect beslissende invloed op een juridische entiteit uit te oefenen. Rekening houdend met de specifieke kenmerken van disruptieve technologieën voor defensie, en van studies, zouden deze activiteiten door één juridische entiteit kunnen worden uitgevoerd. Om de samenwerking tussen de lidstaten te stimuleren, kan het fonds ook gezamenlijke precommerciële inkoop ondersteunen.

(11)  Krachtens [referentie in voorkomend geval bijwerken overeenkomstig een nieuw LGO‑besluit: artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad(5)] dienen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde entiteiten in aanmerking te komen voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het fonds en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee de LGO banden heeft.

(12)  Aangezien het fonds tot doel heeft het concurrentievermogen en de efficiëntie ▌ van de defensie-industrie van de Unie te versterken, mogen in beginsel alleen in de Unie of in geassocieerde landen gevestigde entiteiten die niet onder zeggenschap van niet‑geassocieerde derde landen of entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen staan, voor steun in aanmerking komen. In deze context dient onder "zeggenschap" te worden verstaan het vermogen om via een of meer intermediaire juridische entiteiten direct of indirect beslissende invloed op een juridische entiteit uit te oefenen. Bovendien mogen de infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen die ontvangers en hun subcontractanten voor uit het fonds gefinancierde acties gebruiken, zich niet op het grondgebied van niet-geassocieerde derde landen bevinden, teneinde de bescherming van de wezenlijke veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten te waarborgen, en dienen de betreffende uitvoerende bestuursstructuren in de Unie of in een geassocieerd land te zijn gevestigd. Dienovereenkomstig dient een entiteit die in een niet-geassocieerd derde land is gevestigd dan wel een entiteit die in de Unie of in een geassocieerd land is gevestigd, maar waarvan de uitvoerende bestuursstructuur zich in een niet-geassocieerd derde land bevindt, niet in aanmerking te komen als ontvanger of subcontractant die bij de actie betrokken is. Om de essentiële veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten te beschermen, gelden deze subsidiabiliteitsvoorwaarden ook voor financiering die via aanbestedingsprocedures verstrekt wordt, in afwijking van artikel 176 van het Financieel Reglement.

(13)  In bepaalde omstandigheden ▌ moet kunnen worden afgeweken van het beginsel dat ontvangers en hun subcontractanten die bij een uit het fonds gefinancierde actie betrokken zijn, niet onder zeggenschap van niet-geassocieerde derde landen of entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen staan. In die context dienen in de Unie of in een geassocieerd land gevestigde juridische entiteiten die onder zeggenschap van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land staan, als ontvangers of subcontractanten die bij de actie betrokken zijn, voor financiering in aanmerking te komen, mits aan strenge voorwaarden met betrekking tot de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten is voldaan. De deelname van dergelijke juridische entiteiten mag niet in strijd zijn met de doelstellingen van het fonds. Aanvragers moeten alle relevante informatie over bij de actie te gebruiken infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen verstrekken. In dat verband moet tevens rekening worden gehouden met bezwaren van de lidstaten op het gebied van voorzieningszekerheid.

(13-bis)  In het kader van de beperkende maatregelen van de EU, die op basis van artikel 29 VEU en artikel 215, lid 2, VWEU, zijn vastgesteld, mogen geen fondsen of economische middelen beschikbaar worden gesteld, direct of indirect, aan of ten behoeve van aangewezen rechtspersonen, entiteiten of organen. Dergelijke aangewezen entiteiten, en entiteiten die eigendom van hen zijn of onder hun zeggenschap staan, kunnen bijgevolg geen financiering uit het fonds krijgen.

(13 bis)  De Uniefinanciering dient te worden verstrekt na vergelijkende oproepen tot het indienen van voorstellen overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (het "Financieel Reglement")(6). In bepaalde terdege gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden kan financiering door de Unie echter ook worden toegekend overeenkomstig artikel 195, punt e), van het Financieel Reglement. Aangezien de toekenning van financiering overeenkomstig artikel 195, punt e), van het Financieel Reglement een afwijking vormt van de algemene regel, namelijk het toepassen van vergelijkende oproepen tot het indienen van voorstellen, dienen deze uitzonderlijke omstandigheden strikt te worden uitgelegd. In dit verband dient de Commissie, hierin bijgestaan door het comité van de lidstaten (het "comité"), bij de toekenning van een subsidie zonder oproep tot het indienen van voorstellen te bezien in hoeverre de voorgestelde actie beantwoordt aan de doelstellingen van het fonds met betrekking tot grensoverschrijdende industriële samenwerking en mededinging in de gehele toeleveringsketen.

(14)  Indien een consortium wenst deel te nemen aan een actie die in aanmerking komt voor financiering en de financiële bijstand van de Unie in de vorm van een subsidie zal worden verstrekt, moet het consortium een van zijn leden benoemen als coördinator die zal optreden als voornaamste contactpersoon.

(15)  Indien een uit het fonds gefinancierde actie wordt beheerd door een door de lidstaten of geassocieerde landen benoemde projectbeheerder, dient de Commissie de projectbeheerder eerst te raadplegen voordat zij overgaat tot betaling aan de ontvangers, zodat de projectbeheerder kan waarborgen dat de ontvangers zich aan de desbetreffende termijnen houden. ▌ De projectbeheerder moet de Commissie ▌ opmerkingen over de voortgang van de actie meedelen zodat de Commissie kan bevestigen of aan de voorwaarden om tot betaling over te gaan, is voldaan.

(15 bis)  De Commissie moet het fonds in direct beheer uitvoeren om de doeltreffendheid en efficiëntie van de uitvoering te maximaliseren en volledige samenhang met andere initiatieven van de Unie te verzekeren. De Commissie moet dus bevoegd blijven voor de selectie- en toekenningsprocedures, ook wat ethische beoordelingen betreft. In gerechtvaardigde gevallen kan de Commissie echter bepaalde uitvoeringstaken voor specifieke acties die door het fonds gefinancierd worden toevertrouwen aan de in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement bedoelde organen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een projectbeheerder benoemd werd door de lidstaten die een actie gezamenlijk financieren, op voorwaarde dat aan de vereisten van het Financieel Reglement is voldaan. Dit toevertrouwen van specifieke taken zal helpen om het beheer van gezamenlijk gefinancierde acties te stroomlijnen en zal zorgen voor een vlotte coördinatie van de financieringsovereenkomst met de overeenkomst die ondertekend werd door het consortium en de projectbeheerder die benoemd werd door de lidstaten die de actie gezamenlijk financieren.

(16)  Om te waarborgen dat de gefinancierde acties financieel levensvatbaar zijn, dienen de aanvragers aan te tonen dat de kosten van de actie die niet in aanmerking komen voor Uniefinanciering, door andere financieringsmiddelen worden gedekt.

(17)  De lidstaten dienen verschillende soorten financiële regelingen tot hun beschikking te hebben voor de gezamenlijke ontwikkeling en verwerving van defensievermogens. De Commissie ▌ zou kunnen voorzien in verschillende soorten regelingen die de lidstaten op vrijwillige basis zouden kunnen toepassen om het hoofd te bieden aan uitdagingen voor gezamenlijke ontwikkeling en aanbesteding vanuit financieringsoogpunt. De toepassing van dergelijke financiële regelingen zou verder kunnen bijdragen tot het opzetten van gezamenlijke en grensoverschrijdende defensieprojecten en de efficiëntie van defensie-uitgaven kunnen verhogen, onder meer voor projecten die door het ▌ fonds worden ondersteund.

(18)  De specifieke kenmerken van de defensie-industrie, waar de vraag nagenoeg uitsluitend afkomstig is van de lidstaten en de geassocieerde landen, die ook de zeggenschap hebben over alle aankopen van defensiegerelateerde producten en technologieën, met inbegrip van de uitvoer, maken dat de werking van de defensiesector uniek is en niet onderworpen is aan de gebruikelijke regels en bedrijfsmodellen van traditionelere markten. De industrie kan bijgevolg geen omvangrijke zelfgefinancierde onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten (O&O) voor defensie opzetten, en vaak worden alle O&O-kosten volledig door de lidstaten en geassocieerde landen gefinancierd. Ter verwezenlijking van de doelstellingen van het fonds, met name het stimuleren van de samenwerking tussen juridische entiteiten uit verschillende lidstaten en geassocieerde landen, en rekening houdend met de specifieke kenmerken van de defensiesector, dient te worden voorzien in een volledige dekking van de subsidiabele kosten voor acties die vóór de fase van de ontwikkeling van prototypes plaatsvinden.

(19)  De prototypefase is een cruciale fase waarin de lidstaten of geassocieerde landen doorgaans over hun geconsolideerde investering beslissen en het proces voor de aankoop van hun toekomstige defensieproducten of ‑technologieën opstarten. Om die reden is het in die specifieke fase dat lidstaten en geassocieerde landen afspraken maken over de nodige toezeggingen, onder meer aangaande de kostendeling en het eigenaarschap van het project. Om de geloofwaardigheid van hun toezegging te waarborgen, mag de financiële bijstand van de Unie uit hoofde van het fonds normaal gezien niet meer dan 20 % van de subsidiabele kosten bedragen.

(20)  Voor acties na de prototypefase moet in financiering tot 80 % worden voorzien. Dergelijke acties, die dichter bij de voltooiing van het product en de technologie plaatsvinden, kunnen nog steeds aanzienlijke kosten inhouden.

(21)  Belanghebbenden in de defensiesector worden geconfronteerd met specifieke indirecte kosten, zoals kosten voor beveiliging. Daarnaast werken belanghebbenden in een specifieke markt waar ze, indien er geen vraag is aan de afnemerszijde, de kosten voor O&O niet kunnen recupereren zoals het geval is in de civiele sector. Daarom is het gerechtvaardigd te voorzien in een vast percentage van 25 %, net als in de mogelijkheid om ▌ indirecte kosten in rekening te brengen die overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de ontvangers zijn berekend, als die methoden door hun nationale autoriteiten voor vergelijkbare activiteiten in de defensiesector zijn aanvaard en aan de Commissie zijn meegedeeld. ▌

(21 bis)  Acties met grensoverschrijdende deelname van kmo's en midcaps dragen bij aan het openstellen van de toeleveringsketens en de verwezenlijking van de doelstellingen van het fonds. Dergelijke acties dienen daarom in aanmerking te komen voor een hoger financieringspercentage dat ten goede komt aan alle deelnemende entiteiten.

(22)  Om ervoor te zorgen dat de gefinancierde acties zullen bijdragen tot het concurrentievermogen en de efficiëntie van de Europese defensie-industrie, is het van belang dat de lidstaten ▌ voornemens zijn het eindproduct gezamenlijk aan te schaffen of de technologie gezamenlijk te gebruiken, met name via gezamenlijke grensoverschrijdende aanbestedingen, waarbij lidstaten hun aanbestedingsprocedures gezamenlijk opzetten, met name door gebruik te maken van een aankoopcentrale.

(22 bis)  Om te waarborgen dat de door het fonds gefinancierde acties de Europese defensie-industrie concurrerender en efficiënter maken, moeten die acties op middellange tot lange termijn marktgericht, vraaggestuurd en commercieel levensvatbaar zijn. Daarom moet bij de subsidiabiliteitscriteria voor ontwikkelingsacties in aanmerking worden genomen of de lidstaten het voornemen hebben, onder meer via een memorandum van overeenstemming of een intentieverklaring, het uiteindelijke defensieproduct aan te schaffen of de technologie te gebruiken, p een gecoördineerde manier. Bij de toekenningscriteria voor ontwikkelingsacties moet ook in aanmerking worden genomen of de lidstaten zich er politiek of juridisch toe verplichten het uiteindelijke defensieproduct of de uiteindelijke defensietechnologie gezamenlijk te gebruiken, te bezitten of te onderhouden.

(23)  De bevordering van innovatie en technologische ontwikkeling in de defensie-industrie van de Unie moet stroken met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie. Dienovereenkomstig moet de bijdrage die een actie levert aan die belangen en aan de onderzoeks- en vermogensprioriteiten op defensiegebied die gemeenschappelijk door de lidstaten zijn overeengekomen, een toekenningscriterium zijn voor financiering. ▌

(24)  Subsidiabele acties die worden ontwikkeld in de context van de permanente gestructureerde samenwerking ▌ in het institutionele kader van de Unie, moeten continu zorgen voor een betere samenwerking tussen juridische entiteiten in de verschillende lidstaten en derhalve rechtstreeks bijdragen aan de doelstellingen van het fonds. Na selectie moeten die acties dus in aanmerking komen voor een verhoogd financieringspercentage.

(25)  De Commissie zal rekening houden met de andere uit hoofde van het kaderprogramma Horizon Europa gefinancierde activiteiten om onnodige overlappingen te vermijden en kruisbestuiving en synergieën tussen civiel en defensieonderzoek te waarborgen.

(26)  Cyberbeveiliging en cyberdefensie vormen steeds grotere uitdagingen en de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid hebben erkend dat het nodig is synergie tot stand te brengen tussen cyberdefensieacties binnen het toepassingsgebied van het fonds en initiatieven van de Unie op het gebied van cyberbeveiliging, zoals aangekondigd in de gezamenlijke mededeling over cyberbeveiliging. Met name het op te richten Europees onderzoeks- en kenniscentrum voor cyberbeveiliging moet zoeken naar synergieën tussen de civiele en defensiegerelateerde aspecten van cyberbeveiliging. Het zou actieve ondersteuning kunnen bieden aan de lidstaten en andere betrokken actoren door advies te verlenen, deskundigheid te delen en samenwerking bij projecten en acties te bevorderen. Ook zou het op verzoek van lidstaten kunnen optreden als projectbeheerder in het kader van het ▌ fonds.

(27)  Er moet voor een geïntegreerde aanpak worden gezorgd door het samenvoegen van activiteiten in het kader van de door de Commissie opgezette voorbereidende actie inzake defensieonderzoek ("PADR") in de zin van artikel 58, lid 2, punt b), van het Financieel Reglement en het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ("EDIDP"), dat is ingesteld bij Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad(7), om de voorwaarden voor deelname te harmoniseren, een meer coherente reeks instrumenten te creëren, en innovatie, samenwerking en economische voordelen te stimuleren, en daarbij onnodige overlappingen en versnippering te voorkomen. Met deze geïntegreerde aanpak zou het fonds ook bijdragen tot een betere benutting van de resultaten van defensieonderzoek en zo de kloof tussen de onderzoeks- en ontwikkelingsfases dichten, rekening houdend met de eigenheden van de defensiesector, en alle vormen van innovatie, inclusief disruptieve innovatie, bevorderen ▌. Positieve overloopeffecten vallen mogelijk ook in de civiele wereld te verwachten.

(28)  Indien nodig moeten de ▌ doelstellingen van het Fonds, gelet op de specifieke kenmerken van de actie, ook worden nagestreefd door middel van financiële instrumenten en begrotingsgaranties in het kader van ▌ InvestEU.

(29)  De financiële steun moet worden gebruikt om op evenredige wijze marktfalen of suboptimale investeringssituaties aan te pakken, en de acties mogen particuliere financiering niet overlappen of verdringen noch de mededinging op de interne markt verstoren. Acties moeten een duidelijke ▌ toegevoegde waarde voor de Unie hebben.

(30)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van het fonds moeten worden gekozen op basis van de mogelijkheden die zij bieden voor het verwezenlijken van de specifieke doelstellingen van de acties en voor het behalen van resultaten, met name rekening houdend met de kosten van controles, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Daarbij moet het gebruik van vaste bedragen, forfaits en schalen van eenheidskosten en financiering worden overwogen, alsook niet aan financiering gekoppelde kosten als bedoeld in artikel ▌ 125, lid 1, ▌ van het Financieel Reglement.

(31)  De Commissie moet jaarlijkse ▌ werkprogramma's opstellen die aansluiten op de doelstellingen van het fonds en waarin de initiële lessen van het EDIDP en de PADR in acht worden genomen. Bij de opstelling van de werkprogramma's moet de Commissie worden geassisteerd door het comité. De Commissie moet ernaar streven oplossingen te vinden die in het comité de ruimst mogelijke steun genieten. In dit verband kan het comité bijeenkomen in de samenstelling experts nationale defensie en veiligheid om specifieke assistentie te verlenen aan de Commissie, met inbegrip van adviesverlening met betrekking tot de bescherming van gerubriceerde informatie in het kader van de acties. De lidstaten wijzen hun respectievelijke vertegenwoordigers in dat comité aan. De leden van het comité moeten in een vroeg stadium daadwerkelijk de gelegenheid krijgen om de ontwerpuitvoeringshandelingen te bestuderen en hun standpunt kenbaar te maken.

(31 bis)  De categorieën werkprogramma's moeten functionele eisen bevatten die voor de bedrijfstak verduidelijken welke functies en taken moeten worden uitgevoerd door de vermogens die zullen worden ontwikkeld. Die eisen moeten een duidelijke indicatie geven van de verwachte prestaties, maar mogen niet worden gericht op specifieke oplossingen of specifieke entiteiten, en mogen geen concurrentie op het niveau van de oproepen tot het indienen van voorstellen verhinderen.

(31 ter)  Tijdens de opstelling van de werkprogramma's moet de Commissie, door passende raadpleging van het comité, er ook voor zorgen dat de voorgestelde onderzoeks- of ontwikkelingsacties onnodig dubbel werk voorkomen. De Commissie kan in dit verband een voorafgaande beoordeling uitvoeren van mogelijke overlappingen met bestaande vermogens of reeds gefinancierde onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten binnen de Unie.

(31 ter ter)  De Commissie waarborgt de samenhang van de werkprogramma's tijdens het beheer van de volledige industriële cyclus van defensieproducten en -technologieën.

(31 ter quater)  De werkprogramma's waarborgen ook dat een geloofwaardig aandeel van het totale budget wordt toegewezen aan acties die grensoverschrijdende participatie van kmo's mogelijk maken.

(31 quater)   Teneinde van de deskundigheid van het Europees Defensieagentschap in de defensiesector te kunnen profiteren, zal aan dat agentschap de status van waarnemer in het comité worden toegekend. Gezien de specifieke kenmerken van defensieaangelegenheden, moet ook de Europese Dienst voor extern optreden het comité bijstaan.

(32)  Teneinde uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling van het werkprogramma en voor het toekennen van de financiering aan de geselecteerde ontwikkelingsacties. In het bijzonder moet bij de uitvoering van ontwikkelingsacties rekening worden gehouden met de specifieke kenmerken van de defensiesector, met name het feit dat de lidstaten en/of geassocieerde landen verantwoordelijk zijn voor het plannings- en aankoopproces. Die uitvoeringsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) ▌ 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad ▌(8).

(32 bis)  Na beoordeling van de voorstellen met behulp van onafhankelijke deskundigen van wie de beveiligingsreferenties door de betrokken lidstaten moeten worden gevalideerd, moet de Commissie de acties selecteren die financiering uit het fonds zullen ontvangen. De Commissie moet een databank van onafhankelijke deskundigen opzetten. De databank mag niet openbaar worden gemaakt. De onafhankelijke deskundigen moeten worden aangewezen op basis van hun vaardigheden, ervaring en kennis, rekening houdend met de taken die hun zullen worden toevertrouwd. Bij de aanwijzing van de onafhankelijke deskundigen moet de Commissie voor zover mogelijk passende maatregelen nemen voor een evenwichtige samenstelling van de deskundigengroepen en evaluatiepanels wat betreft de verscheidenheid aan vaardigheden, ervaring, kennis, geografische diversiteit en gender, rekening houdend met de toestand op het gebied van de actie. Er moet tevens worden gestreefd naar een passende rotatie van deskundigen en een goed evenwicht tussen de particuliere en de publieke sector. De lidstaten moeten worden ingelicht over de evaluatieresultaten met de ranglijst van geselecteerde acties en over de vorderingen met de gefinancierde acties. Teneinde uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling en uitvoering van het werkprogramma en voor de vaststelling van de toekenningsbesluiten. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

(32 ter)  Onafhankelijke deskundigen mogen niet beoordelen, adviseren of assisteren in aangelegenheden met betrekking waartoe zij een belangenconflict hebben, in het bijzonder wat betreft hun huidige positie. Met name mogen zij niet in een positie zijn waarin zij ontvangen informatie kunnen gebruiken ten nadele van het consortium dat zij evalueren.

(32 ter ter)  ▌ Wanneer aanvragers voorstellen doen voor nieuwe defensieproducten of -technologieën of voor de modernisering van bestaande defensieproducten of -technologieën, moeten zij zich ertoe verbinden ethische beginselen na te leven, bijvoorbeeld in verband met het welzijn van de mens en de bescherming van het menselijk genoom, zoals ook weerspiegeld wordt in het toepasselijk nationaal, internationaal en Unierecht, met inbegrip van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, en, waar relevant, de protocollen daarbij. De Commissie moet ervoor zorgen dat voorstellen systematisch worden gescreend om na te gaan welke acties aanleiding geven tot ernstige ethische kwesties en om deze aan een ethische beoordeling te onderwerpen.

(33)  Ter ondersteuning van een open interne markt moet de grensoverschrijdende deelname van kmo's en midcaps, hetzij als leden van een consortium, ▌als subcontractanten of als entiteiten in de toeleveringsketen worden aangemoedigd ▌.

(34)  De Commissie moet ernaar streven een dialoog met ▌ lidstaten en industrie op gang te houden om het welslagen van het fonds te waarborgen. Als medewetgever en belangrijke stakeholder moet ook het Parlement in deze context betrokken worden.

(35)  In deze verordening worden voor het Europees Defensiefonds de financiële middelen vastgelegd die voor het Europees Parlement en de Raad in de loop van de jaarlijkse begrotingsprocedure het voornaamste referentiebedrag vormen in de zin van [het nieuwe interinstitutioneel akkoord] tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(9). De Commissie moet ervoor zorgen dat de administratieve procedures zo eenvoudig mogelijk worden gehouden en minimale aanvullende kosten met zich meebrengen.

(36)  Tenzij anders aangegeven, is het Financieel Reglement op dit fonds van toepassing. Zij bevat regels voor de uitvoering van de Uniebegroting, daaronder begrepen regels voor subsidies, prijzen, aanbestedingen, financiële bijstand, financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties.

(37)  De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn vastgelegd in het Financieel Reglement en betreffen met name de procedure voor de vaststelling en uitvoering van de begroting door middel van subsidies, opdrachten, prijzen en indirecte uitvoering en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van de financiële spelers. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(38)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(10), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(11), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(12) en Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad(13) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, invordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 administratieve onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (het "EOM") overgaan tot onderzoek en vervolging van ▌ strafbare feiten die de financiële belangen van de Unie schaden, ▌ in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(14). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het EOM ten aanzien van de lidstaten die deelnemen aan de nauwere samenwerking overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(39)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan programma's van de Unie deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de EER-Overeenkomst, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen om de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer de nodige rechten en toegang te verlenen om hun bevoegdheden ten volle te kunnen uitoefenen.

(40)  Overeenkomstig de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven moet deze verordening worden geëvalueerd op basis van via specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, met vermijding van overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten. Deze voorschriften kunnen indien noodzakelijk meetbare indicatoren inhouden als basis om de effecten van de verordening op het terrein te evalueren. De Commissie moet uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het fonds is begonnen, onder meer met het oog op de indiening van voorstellen voor eventueel noodzakelijke wijzigingen van deze verordening, alsmede aan het einde van de uitvoeringsperiode van het fonds respectievelijk een tussentijdse evaluatie en eindevaluatie uitvoeren waarin zij de financiële activiteiten vanuit het oogpunt van de resultaten van de financiële uitvoering en, voor zover op dat moment mogelijk, de resultaten en het effect onderzoekt. In dat verband moet het definitieve evaluatieverslag ook helpen bepalen op welke gebieden de Unie afhankelijk is van derde landen voor de ontwikkeling van defensieproducten en -technologieën. In dit eindverslag moet ook een analyse worden gemaakt van de grensoverschrijdende deelname van kmo's en midcaps aan projecten die financiering uit het fonds krijgen, van de participatie van kmo's en midcaps aan de mondiale waardeketen, en van de bijdrage van het fonds aan het wegwerken van de tekortkomingen die in het vermogensontwikkelingsplan zijn aangetroffen. Het verslag moet tevens informatie bevatten over de herkomst van de ontvangers, het aantal lidstaten en betrokken landen dat betrokken is bij individuele acties en de verdeling van de gegenereerde intellectuele-eigendomsrechten. De Commissie kan ook wijzigingen van deze verordening voorstellen om te reageren op mogelijke ontwikkelingen tijdens de uitvoering van het fonds.

(40 bis)  De Commissie houdt geregeld toezicht op de uitvoering van het fonds en brengt jaarlijks verslag uit over de geboekte vooruitgang, onder meer over hoe de in het kader van het EDIDP en de PADR geïdentificeerde en geleerde lessen in acht worden genomen bij de uitvoering van het fonds. Daartoe moet de Commissie de nodige toezichtsregelingen instellen. Het verslag moet aan het Europees Parlement en de Raad gepresenteerd worden en mag geen gevoelige informatie bevatten.

(41)  Gezien het belang van de strijd tegen klimaatverandering en in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzameontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties uit te voeren, zal dit fonds ▌ bijdragen aan de mainstreaming van klimaatactie in de beleidsdomeinen van de Unie en aan het algemene streven dat 25 % van de EU-begrotingsuitgaven klimaatdoelstellingen ondersteunen. Bij de voorbereiding en de uitvoering van het fonds zullen relevante acties worden vastgesteld en bij de tussentijdse evaluatie zullen deze opnieuw worden beoordeeld.

(42)  Aangezien het fonds enkel de onderzoeks- en ontwikkelingsfasen van defensieproducten en -technologieën ondersteunt, mag de Unie in beginsel niet over eigendomsrechten of intellectuele-eigendomsrechten beschikken op producten of technologieën die uit de gefinancierde acties voortkomen, tenzij de bijstand van de Unie wordt verstrekt via een overheidsopdracht. In het geval van onderzoeksacties moeten belanghebbende lidstaten en geassocieerde landen echter de mogelijkheid hebben om de resultaten van gefinancierde actie te gebruiken om deel te nemen aan verdere gezamenlijke ontwikkeling ▌.

(43)  De financiële steun van de Unie mag geen invloed hebben op de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Unie overeenkomstig Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad(15), noch op de uitvoer van producten, apparatuur of technologieën. De export van militaire uitrusting en technologieën door de lidstaten wordt geregeld door Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB.

(44)  Het gebruik van gevoelige achtergrondinformatie, met inbegrip van gegevens, knowhow of informatie, die is gegeneerd vóór het fonds bestond of buiten het fonds om, of toegang door onbevoegden tot ▌ resultaten die zijn gegenereerd in verband met door het fonds gefinancierde acties, kan een negatief effect hebben op de belangen van de Unie of van één of meer van haar lidstaten. De behandeling van gevoelige informatie moet dus worden geregeld door het betreffende Unierecht en nationale recht ▌.

(44 bis)  Om de beveiliging van gerubriceerde gegevens op het vereiste niveau te waarborgen, moet aan de minimumnormen voor industriële veiligheid zijn voldaan bij de ondertekening van gerubriceerde financieringsovereenkomsten. Daartoe, en in overeenstemming met Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie, dient de Commissie de beveiligingsinstructies van het programma, daaronder begrepen de gids voor beveiligingsrubricering, ter advies aan de door de lidstaten aangewezen deskundigen voor te leggen.

(45)  Om de indicatoren van de effecttrajecten indien nodig te kunnen aanvullen of wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen. ▌Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(46)  De Commissie moet het fonds beheren met inachtneming van de vertrouwelijkheids- en veiligheidsvoorschriften, in het bijzonder met betrekking tot gerubriceerde informatie en gevoelige informatie.

▌HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN VAN TOEPASSING OP ONDERZOEK EN ONTWIKKELING

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het Europees Defensiefonds ("het fonds") opgericht, overeenkomstig artikel 1, lid 3, onder b), van Verordening …/…/EU [Horizon - 2018/0224(COD)].

In deze verordening worden de doelstellingen van het fonds, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van financiering door de Unie en de regels voor het verstrekken van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

0)  "aanvrager": juridische entiteit die een aanvraag indient voor steun uit het fonds na een oproep tot het indienen van voorstellen, dan wel overeenkomstig artikel 195, punt e), van het Financieel Reglement;

1)  "blendingverrichtingen": door de EU-begroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, punt 6, van het Financieel Reglement, waarbij niet-terugbetaalbare vormen van steun ▌ of financieringsinstrumenten uit de EU-begroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

1 bis)  "certificering": het proces waardoor een nationale instantie certificeert dat het defensieproduct, het tastbaar of niet-tastbaar defensieonderdeel of de tastbare of niet-tastbare defensietechnologie aan de toepasselijke regelgeving voldoet;

1 ter)  "gerubriceerde informatie": informatie of materiaal in ongeacht welke vorm waarvan openbaarmaking zonder machtiging de belangen van de Europese Unie of van een of meer van haar lidstaten in meerdere of mindere mate kan schaden en welk(e) een EU-rubricering of een overeenkomstige rubricering draagt die strookt met de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (2011/C 202/05);

1 quater)  "consortium": samenwerkingsverband van aanvragers of ontvangers dat gebonden is door een consortiumovereenkomst en dat is opgezet om een met het fonds gefinancierde actie uit te voeren;

1 quinquies)  "coördinator": juridische entiteit die lid is van een consortium en door alle leden van het consortium is aangewezen als centraal contactpunt in de betrekkingen met de Commissie;

2)  "zeggenschap": het vermogen om via een of meer intermediaire juridische entiteiten direct of indirect beslissende invloed op een juridische entiteit uit te oefenen;

3)  "ontwikkelingsactie": elke actie die ▌ bestaat uit defensiegerichte activiteiten die zich voornamelijk in de ontwikkelingsfase bevinden, met betrekking tot nieuwe producten of technologieën of het moderniseren van bestaande producten en technologieën, met uitzondering van de productie of het gebruik van wapens;

4)  "disruptieve technologie voor defensie": technologie die ingrijpende veranderingen teweegbrengt, met inbegrip van een versterkte of geheel nieuwe technologie, welke leidt tot een paradigmaverschuiving in het concept en de behandeling van defensiezaken, mede doordat bestaande defensietechnologieën erdoor worden vervangen of in onbruik raken;

5)  "uitvoerende bestuursstructuren": elk overeenkomstig het nationale recht aangewezen orgaan van een juridische entiteit dat in voorkomend geval aan de algemeen directeur rapporteert en gemachtigd is om de strategie, doelstellingen en algemene richting van de juridische entiteit te bepalen, en dat belast is met het toezicht op en de monitoring van de bestuurlijke besluitvorming;

5 bis)  "nieuwe informatie": gegevens, knowhow of informatie die, ongeacht de vorm of aard ervan, worden gegenereerd bij de uitvoering van het fonds;

6)  "juridische entiteit": elke ▌ rechtspersoon die is opgericht krachtens en als dusdanig wordt erkend in het nationale recht, het recht van de Unie of het internationale recht, die rechtspersoonlijkheid bezit en die, in eigen naam handelend, rechten en verplichtingen kan hebben, dan wel een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel ▌ 197, lid 2, punt c) ▌, van het Financieel Reglement;

7)  "middelgrote beursgenoteerde onderneming" of "midcap": onderneming die geen ▌kmo ▌ is en die ten hoogste 3 000 werknemers telt, waarvan het aantal werkzame personen wordt berekend volgens de artikelen 3 tot en met 6 van de ▌ bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie(16);

8)  "precommerciële inkoop": de inkoop van onderzoeks- en ontwikkelingsdiensten waarbij op basis van de marktvoorwaarden sprake is van een deling van de risico's en voordelen, van een competitieve ontwikkeling in fasen en van een duidelijke scheiding tussen de ingekochte onderzoeks- en ontwikkelingsdiensten en het gebruik van commerciële hoeveelheden eindproducten;

9)  "projectbeheerder": elke aanbestedende dienst die in een lidstaat of een geassocieerd land is gevestigd en die van een lidstaat of een geassocieerd land of van een groep lidstaten ▌ of geassocieerde landen de taak heeft gekregen om permanent of op ad‑hocbasis multinationale bewapeningsprojecten te beheren;

9 bis)  "kwalificering": het gehele proces waarin wordt aangetoond dat het ontwerp van een defensieproduct, tastbaar of niet-tastbaar defensieonderdeel of de tastbare of niet-tastbare defensietechnologie aan de desbetreffende vereisten voldoet. In dit proces wordt objectief bewijs geleverd waarmee wordt aangetoond dat aan bepaalde vereisten van een ontwerp is voldaan;

10)  "ontvanger": elke juridische entiteit waarmee een financieringsovereenkomst is ondertekend of waaraan kennis van een financieringsovereenkomst is gegeven;

11)  "onderzoeksactie": elke actie die voornamelijk uit activiteiten op het gebied van – met name toegepast maar, waar nodig, fundamenteel – onderzoek bestaat, die tot doel hebben nieuwe kennis te verwerven en die uitsluitend op defensietoepassingen zijn gericht;

12)  "resultaten": alle materiële of immateriële effecten van de actie, bijvoorbeeld gegevens, knowhow of informatie in welke vorm en van welke aard dan ook en ongeacht of deze kunnen worden beschermd, alsook alle daaraan verbonden rechten, met inbegrip van intellectuele-eigendomsrechten;

12 bis)  "gevoelige informatie": informatie en gegevens, met inbegrip van gerubriceerde informatie, die bescherming tegen ongeoorloofde toegang of openbaarmaking behoeven op grond van in nationaal of Unierecht vastgestelde verplichtingen, dan wel om de persoonlijke levenssfeer of de veiligheid van een persoon of organisatie te waarborgen;

12 ter)  "kleine en middelgrote ondernemingen" of "kmo's": kleine en middelgrote ondernemingen, zoals gedefinieerd in Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie;

13)  "speciaal verslag": specifieke prestatie in het kader van een onderzoeksactie, waarin de resultaten van die actie worden opgesomd en uitgebreide informatie wordt verstrekt over de basisbeginselen, de doelstellingen, de werkelijke uitkomsten, de basiseigenschappen, de verrichte tests, de mogelijke voordelen, de mogelijke defensietoepassingen en het verwachte exploitatietraject van het onderzoek naar ontwikkeling, met inbegrip van informatie over de eigendom van intellectuele-eigendomsrechten, maar zonder de eis om informatie over intellectuele-eigendomsrechten te verstrekken;

14)  "systeemprototype": een model van een product of technologie waarmee de prestaties van dat product of die technologie in een operationele omgeving kunnen worden aangetoond;

15)  "derde land": een land dat geen lid van de Unie is;

16)  "niet-geassocieerd derde land": een derde land dat geen geassocieerd land in de zin van artikel 5 is;

17)  "entiteit uit een niet-geassocieerd derde land": juridische entiteit die in een niet-geassocieerd derde land is gevestigd of, indien het gaat om een juridische entiteit die in de Unie of een geassocieerd land is gevestigd, waarvan de uitvoerende bestuursstructuur zich in een niet-geassocieerd derde land bevindt.

Artikel 3

Doelstellingen van het fonds

1.  De algemene doelstelling van het fonds bestaat in het bevorderen van het concurrentievermogen, de efficiëntie en het innovatievermogen van de technologische en industriële basis van de Europese defensie in de volledige Unie, wat bijdraagt aan de strategische autonomie en handelsvrijheid van de Unie, door ondersteuning te bieden aan gezamenlijke acties en grensoverschrijdende samenwerking tussen juridische entiteiten in de hele Unie, met name van kmo's en midcaps, en door de flexibiliteit van de toeleverings- en waardeketens van defensieproducten te versterken en te verbeteren, door de grensoverschrijdende samenwerking tussen juridische entiteiten uit te breiden en door een betere benutting van het industriële potentieel voor innovatie, onderzoek en technologische ontwikkeling te bevorderen in elke fase van de levenscyclus van defensieproducten en ‑technologieën.

2.  De specifieke doelstellingen van het fonds zijn:

a)  ondersteuning bieden aan ▌ gezamenlijk onderzoek ▌ dat de prestaties van ▌ toekomstige vermogens in de hele Unie aanzienlijk kan stimuleren, met het oog op het maximaliseren van de innovatie en de introductie van nieuwe defensieproducten en ‑technologieën, met inbegrip van disruptieve producten en technologieën, en het zo efficiënt mogelijke gebruik van uitgaven voor defensieonderzoek in de Unie;

b)  ondersteuning bieden aan de gezamenlijke ▌ ontwikkeling van defensieproducten en ‑technologieën ▌, en zo bijdragen tot efficiëntere defensie-uitgaven in de Unie, grotere schaalvoordelen creëren, het risico op onnodige overlappingen beperken, de integratie van Europese defensieproducten en technologieën op de markt stimuleren, en de versnippering van de markt van defensieproducten en ‑technologieën in de hele Unie verminderen. Uiteindelijk zal het fonds leiden tot meer standaardisering in defensiesystemen en een grotere interoperabiliteit tussen de vermogens van de lidstaten.

Een dergelijke samenwerking geschiedt in overeenstemming met de prioriteiten op het gebied van defensievermogens die door de lidstaten gemeenschappelijk zijn overeengekomen in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, met name het vermogensontwikkelingsplan.

Regionale en internationale prioriteiten kunnen in dit verband, wanneer zij de in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid bepaalde veiligheids- en defensiebelangen van de Unie dienen, en gelet op de noodzaak om onnodig dubbel werk te voorkomen, in voorkomend geval eveneens in aanmerking worden genomen als zij de mogelijke deelname van ongeacht welke lidstaat of welk geassocieerd land niet uitsluiten.

Artikel 4

Begroting

1.  In overeenstemming met artikel 9, lid 1, van Verordening .../.../EU bedragen de financiële middelen voor de uitvoering van het Europees Defensiefonds voor de periode 2021-2027 11 453 260 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 13 000 000 000 EUR in lopende prijzen.

2.  De ▌ verdeling van het in lid 1 bedoelde bedrag is als volgt:

a)  ▌3 612 182 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (4 100 000 000 EUR) voor onderzoeksacties;

b)  ▌7 841 078 000 EUR, uitgedrukt in prijzen van 2018 (8 900 000 000 EUR in lopende prijzen) voor ontwikkelingsacties.

2 bis.   Om in te spelen op onvoorziene situaties of nieuwe ontwikkelingen en behoeften kan de Commissie tot maximaal 20 % van de middelen voor de in lid 2 bedoelde onderzoeksacties en ontwikkelingsacties herverdelen.

3.  Het in lid 1 genoemde bedrag kan worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de uitvoering van het fonds, zoals activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, daaronder begrepen institutionele informatietechnologiesystemen.

4.  Ten minste 4 % en maximaal 8 % van de in lid 1 genoemde financiële middelen wordt uitgetrokken voor oproepen tot het indienen van voorstellen of toekenning van financiering ter ondersteuning van disruptieve technologieën voor defensiedoeleinden.

Artikel 5

Geassocieerde landen

Het fonds staat open voor de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), in overeenstemming met de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden. Financiële bijdragen aan het programma op grond van dit artikel worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel [21, lid 5], van het Financieel Reglement.

Artikel 6

Ondersteuning van disruptieve technologieën voor defensie

1.  De Commissie verleent financiering na openbare raadplegingen over ▌ technologieën waarin de nadruk ligt op defensietoepassingen met een potentieel disruptief effect op defensiezaken op de in de werkprogramma's vastgestelde actiegebieden.

2.  In de werkprogramma's worden de meest geschikte financieringsvormen voor de financiering van deze disruptieve technologieën voor defensie vastgelegd.

Artikel 7

Ethiek

1.  In het kader van het fonds uitgevoerde acties zijn in overeenstemming met het toepasselijke nationale, internationale en Unierecht, inclusief het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze acties zijn eveneens in overeenstemming met de ethische beginselen die ook in het toepasselijke nationale, internationale en Unierecht worden weerspiegeld.

2.  Voordat de financieringsovereenkomst ondertekend wordt, worden voorstellen ▌ door de Commissie gescreend op basis van een door het consortium voorbereide zelfbeoordeling, om na te gaan welke acties aanleiding geven tot ▌ ernstige ethische kwesties, ook met betrekking tot de uitvoeringsvoorwaarden, en om deze, in voorkomend geval, aan een ethische beoordeling te onderwerpen.

Ethische screenings en beoordelingen worden uitgevoerd door de Commissie met de hulp van onafhankelijke deskundigen met verschillende achtergronden, in het bijzonder met een erkende expertise op het gebied van ethiek in defensieaangelegenheden.

De voorwaarden voor de uitvoering van activiteiten met ethisch gevoelige kwesties worden gespecificeerd in de financieringsovereenkomst.

De Commissie waarborgt dat de ethische procedures zo transparant mogelijk zijn en brengt hier verslag over uit in het kader van haar verplichtingen krachtens artikel 32. De deskundigen zijn burgers van de Unie en komen uit een zo groot mogelijk aantal lidstaten.

3.  Entiteiten die aan de actie deelnemen, verkrijgen vóór de aanvang van de betrokken activiteiten alle desbetreffende goedkeuringen of andere verplichte documenten die worden verlangd door nationale of lokale ethische commissies of andere organen, bijvoorbeeld gegevensbeschermingsautoriteiten. Die documenten worden bijgehouden en op verzoek aan de Commissie overgelegd.

5.  Voorstellen die ethisch niet aanvaardbaar zijn, worden verworpen ▌.

Artikel 8

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.  Het fonds wordt uitgevoerd in direct beheer overeenkomstig het Financieel Reglement.

1 bis.  In afwijking van lid 1, in gerechtvaardigde gevallen, kunnen specifieke acties uitgevoerd worden in indirect beheer door de in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement bedoelde organen. Dit geldt niet voor de in artikel 12 bedoelde selectie- en toekenningsprocedure.

2.  In het kader van het fonds kan, in overeenstemming met het Financieel Reglement, financiering worden verstrekt via subsidies, prijzen en aanbestedingen, en waar dat, gezien de specifieke kenmerken van de actie, van toepassing is, financieringsinstrumenten in het kader van blendingverrichtingen.

2 bis.  Blendingverrichtingen worden uitgevoerd in overeenstemming met titel X van het Financieel Reglement en met de InvestEU-verordening.

2 ter.  Financiële instrumenten worden uitsluitend tot de ontvangers gericht.

Artikel 10

Subsidiabele entiteiten

1.  Ontvangers en ▌ subcontractanten die betrokken zijn bij een door het fonds gefinancierde actie, ▌ zijn gevestigd in de Unie of een geassocieerd land ▌.

1 bis.  De infrastructuur, faciliteiten, activa en middelen van de ontvangers en bij een actie betrokken subcontractanten, die worden gebruikt voor de doeleinden van de door het fonds gefinancierde acties, bevinden zich tijdens de gehele duur van de actie op het grondgebied van een lidstaat of een geassocieerd land, en hun uitvoerende bestuursstructuur is gevestigd in de Unie of een geassocieerd land.

1 ter.  Voor de doeleinden van een door het fonds gefinancierde actie staan de ontvangers en subcontractanten die bij een actie betrokken zijn, niet onder zeggenschap van een niet-geassocieerd derde land of van een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land.

2.  In afwijking van lid 1 ter van dit artikel is een in de Unie of in een geassocieerd land gevestigde juridische entiteit die onder zeggenschap van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land staat, ▌ als bij een actie betrokken aanvrager of subcontractant uitsluitend subsidiabel indien de garanties die zijn goedgekeurd door de lidstaat of het geassocieerde land waar zij overeenkomstig haar nationale procedures gevestigd is, ter beschikking worden gesteld van de Commissie. Die garanties kunnen betrekking hebben op de in de Unie of in een geassocieerd land gevestigde uitvoerende bestuursstructuur van de juridische entiteit. Indien de lidstaat of het geassocieerde land van vestiging van de juridische entiteit dit passend acht, kunnen die garanties ook betrekking hebben op specifieke rechten van de overheid in het kader van de zeggenschap over de juridische entiteit.

De garanties bieden de waarborg dat de betrokkenheid bij een actie van een dergelijke juridische entiteit niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten zoals bepaald in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid op grond van titel V van het VEU, noch met de in artikel 3 vermelde doelstellingen. De garanties moeten tevens stroken met de bepalingen van de artikelen 22 en 25. De waarborgen moeten met name aantonen dat er voor de uitvoering van de actie maatregelen zijn getroffen die ervoor zorgen dat:

a)  ▌ zeggenschap over de juridische entiteit niet zodanig wordt uitgeoefend dat het vermogen ervan om de actie uit te voeren of resultaten voor te leggen op enigerlei wijze wordt belemmerd of beperkt ▌, dat er beperkingen worden opgelegd met betrekking tot de infrastructuur, faciliteiten, activa, middelen, intellectuele eigendom of knowhow die nodig zijn voor de actie, of dat de vermogens en normen die nodig zijn voor de uitvoering van de actie, worden ondermijnd;

b)  ▌ toegang van een niet-geassocieerd derde land of van een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land tot ▌ gevoelige informatie met betrekking tot de actie wordt voorkomen; en de bij de actie betrokken werknemers of andere personen beschikken, indien nodig, over een door een lidstaat of een geassocieerd land afgegeven nationale veiligheidsmachtiging;

c)  de uit de actie voortgekomen intellectuele eigendom, evenals de resultaten van de actie, zowel gedurende als na de voltooiing daarvan in handen blijven van de ontvanger, niet onder zeggenschap staan van of onderworpen zijn aan een beperking door een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet‑geassocieerd derde land, en niet buiten de Unie of buiten geassocieerde landen worden uitgevoerd, noch toegankelijk zijn vanuit landen buiten de Unie of vanuit geassocieerde landen, zonder toestemming van de lidstaat of het geassocieerde land van vestiging van de juridische entiteit en in overeenstemming met de in artikel 3 vermelde doelstellingen.

Indien de lidstaat of het geassocieerde land van vestiging van de juridische entiteit dit passend acht, kunnen aanvullende garanties worden verstrekt.

De Commissie informeert het in artikel 28 bedoelde comité over juridische entiteiten die overeenkomstig dit lid in aanmerking komen voor steun.

4.  Indien er geen concurrerende alternatieven voorhanden zijn in de Unie of in een geassocieerd land, mogen ontvangers en subcontractanten die bij een actie betrokken zijn, hun activa, infrastructuur, faciliteiten en middelen gebruiken die zich buiten het grondgebied van de lidstaten van de Unie bevinden of aldaar worden gehouden, mits dat gebruik niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten, strookt met de in artikel 3 vermelde doelstellingen en volledig in overeenstemming is met de artikelen 22 en 25. ▌ De kosten in verband met deze activiteiten komen niet in aanmerking voor financiële steun uit het fonds.

4 bis.  Bij het uitvoeren van een subsidiabele actie kunnen ontvangers en bij de actie betrokken subcontractanten ook samenwerken met juridische entiteiten die buiten het grondgebied van de lidstaten of de geassocieerde landen zijn gevestigd of onder zeggenschap staan van een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet‑geassocieerd derde land, onder meer door gebruik te maken van de activa, infrastructuur, faciliteiten en middelen van deze juridische entiteiten, mits dit niet in strijd is met de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten. Deze samenwerking moet stroken met de in artikel 3 vermelde doelstellingen en volledig in overeenstemming zijn met de artikelen 22 en 25.

Een niet geassocieerd derde land of een andere entiteit uit een niet-geassocieerd derde land krijgt niet zonder toestemming toegang tot gerubriceerde informatie in verband met de uitvoering van de actie, en mogelijke negatieve effecten op het gebied van de voorzieningszekerheid van inputs die essentieel zijn voor de actie, moeten worden vermeden.

De kosten in verband met deze activiteiten komen niet in aanmerking voor ondersteuning uit het fonds.

6.  Aanvragers verstrekken alle relevante informatie die nodig is voor het beoordelen van de subsidiabiliteitscriteria ▌. Indien zich tijdens de uitvoering van een actie een verandering voordoet waardoor de vraag kan rijzen of nog steeds aan de subsidiabiliteitscriteria wordt voldaan, brengt de betrokken juridische entiteit dit ter kennis van de Commissie, die vervolgens beoordeelt of nog steeds aan deze subsidiabiliteitscriteria en ‑voorwaarden wordt voldaan, en de mogelijke gevolgen voor de financiering van de actie nagaat.

7.  ▌

8.  ▌

9.  In dit artikel wordt onder "subcontractanten die betrokken zijn bij een uit het fonds gefinancierde actie" verstaan: subcontracten met een directe contractuele relatie met een ontvanger, andere subcontractanten aan wie ten minste 10 % van de totale subsidiabele kosten van de actie wordt toegewezen, en subcontractanten die mogelijk toegang tot gerubriceerde EU-informatie ▌ moeten hebben om de actie te kunnen uitvoeren, en die geen deel uitmaken van het consortium.

Artikel 11

Subsidiabele acties

1.  Alleen acties voor de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen komen in aanmerking voor financiering.

2.  Het fonds biedt ondersteuning voor ▌acties voor nieuwe defensieproducten en ‑technologieën en acties voor de modernisering van bestaande producten en technologieën, mits het gebruik van reeds bestaande informatie die nodig is om die moderniseringsactie te kunnen uitvoeren, niet is onderworpen aan een beperking door een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land, hetzij direct hetzij indirect, via een of meer intermediaire juridische entiteiten, en wel zodanig dat de actie niet kan worden uitgevoerd.

3.  Een subsidiabele actie houdt verband met een of meer van de volgende activiteiten:

a)  activiteiten gericht op het creëren, onderbouwen en verbeteren van ▌kennis, producten en technologieën, waaronder disruptieve ▌ technologieën, die significante effecten kunnen hebben op defensiegebied;

b)  activiteiten gericht op het verhogen van de interoperabiliteit en de weerbaarheid, waaronder de beveiligde productie en uitwisseling van gegevens, op het beheersen van cruciale defensietechnologieën, op het versterken van de voorzieningszekerheid of op het mogelijk maken van een doeltreffende benutting van resultaten voor defensieproducten en -technologieën;

c)  studies, zoals haalbaarheidsstudies om de haalbaarheid van ▌ nieuwe of verbeterde technologieën, producten, processen, diensten oplossingen ▌te onderzoeken ▌;

d)  het ontwerp van een defensieproduct, defensietechnologie of tastbaar of niet-tastbaar onderdeel, alsook de vaststelling van de technische specificaties op basis waarvan dat ontwerp is ontwikkeld, evenals eventuele deeltesten met het oog op risicobeperking in een industriële of representatieve omgeving;

e)  de ontwikkeling van een model of een defensieproduct, defensietechnologie of tastbaar of niet-tastbaar onderdeel waarmee de prestaties van dat element in een operationele omgeving kunnen worden aangetoond (systeemprototype);

f)  het testen van een defensieproduct, defensietechnologie of tastbaar of niet‑tastbaar onderdeel;

g)  de kwalificering van een defensieproduct, defensietechnologie of tastbaar of niet-tastbaar onderdeel ▌;

h)  de certificering van een defensieproduct, defensietechnologie of tastbaar of niet-tastbaar onderdeel ▌;

i)  de ontwikkeling van technologieën of middelen die de efficiëntie van defensieproducten en -technologieën gedurende hun gehele levenscyclus verhogen;

4.  ▌ De actie wordt uitgevoerd door een consortium van ten minste drie in aanmerking komende entiteiten die gevestigd zijn in ten minste drie verschillende lidstaten ▌ of geassocieerde landen. Ten minste drie van deze subsidiabele entiteiten die gevestigd zijn in ten minste twee verschillende lidstaten ▌ of geassocieerde landen, staan niet gedurende de hele uitvoering van de actie direct of indirect onder ▌zeggenschap van dezelfde entiteit, noch mogen zij onder zeggenschap van elkaar staan.

5.  Lid 4 is niet van toepassing op ▌ acties met betrekking tot disruptieve technologieën voor defensie noch op acties bedoeld in lid 3 ▌, punt c) ▌.

6.  Acties met het oog op de ontwikkeling van producten en technologieën waarvan het gebruik, de ontwikkeling of productie op grond van het toepasselijke internationaal recht verboden is, komen niet voor subsidie in aanmerking.

Acties voor de ontwikkeling van dodelijke autonome wapens die niet de mogelijkheid bieden om een zinvolle menselijke controle uit te oefenen over besluiten in verband met het selecteren en inzetten ervan bij aanvallen die op mensen gericht zijn, mogen evenmin in aanmerking komen voor financiële steun van het fonds, onverminderd de mogelijkheid om financiering te verstrekken voor acties voor de ontwikkeling van vroegtijdige waarschuwingssystemen en tegenmaatregelen voor defensiedoeleinden.

Artikel 12

Selectie- en toekenningsprocedure

1.  De Uniefinanciering wordt verstrekt na vergelijkende oproepen tot het indienen van voorstellen overeenkomstig het Financieel Reglement. In bepaalde terdege gemotiveerde uitzonderlijke omstandigheden kan financiering door de Unie ook worden toegekend overeenkomstig artikel ▌195, punt e), ▌ van het Financieel Reglement.

2 bis.  Financiering ▌ wordt door de Commissie toegekend door middel van uitvoeringshandelingen die overeenkomstig de in artikel 28, lid 2, bedoelde procedure zijn vastgesteld.

Artikel 13

Toekenningscriteria

▌ Elk voorstel wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

a)  bijdrage aan excellentie of disruptiepotentieel op defensiegebied, waarbij in het bijzonder wordt aangetoond dat de verwachte resultaten van de voorgestelde actie significante voordelen bieden ten aanzien van bestaande defensieproducten of ‑technologieën;

b)  bijdrage aan de innovatie en technologische ontwikkeling van de Europese defensie-industrie, waarbij in het bijzonder wordt getoond dat de voorgestelde actie onder meer betrekking heeft op baanbrekende of vernieuwende concepten en benaderingen, nieuwe veelbelovende technologische verbeteringen in de toekomst of de toepassing van technologieën of concepten die voorheen niet in de defensiesector werden gebruikt, en waarbij onnodige overlappingen worden voorkomen;

c)  bijdrage aan het concurrentievermogen van de Europese defensie-industrie, waarbij naar voren komt dat de voorgestelde actie een aantoonbaar positieve balans qua kostenefficiëntie en ‑effectiviteit met zich meebrengt, waardoor er in de hele Unie en wereldwijd nieuwe marktkansen worden gecreëerd en in de hele Unie de groei van bedrijven wordt versneld;

d)  bijdrage tot de autonomie van de Europese industriële en technologische defensiebasis, onder meer door verhoging van de niet-afhankelijkheid van niet-EU-bronnen en vergroting van de voorzieningszekerheid, en tot de veiligheids- en defensiebelangen van de Unie conform de in artikel 3 ▌ bedoelde prioriteiten;

e)  bijdrage aan de totstandbrenging van nieuwe grensoverschrijdende samenwerking tussen in lidstaten of geassocieerde landen gevestigde juridische entiteiten, met name voor kmo's en midcaps die in aanzienlijke mate aan de actie deelnemen, als ontvangers, subcontractanten of als andere entiteiten in de toeleveringsketen, en die zijn gevestigd in andere lidstaten ▌ of geassocieerde landen dan die waar de entiteiten in het consortium die geen kmo's of midcaps zijn, zijn gevestigd;

f)  kwaliteit en efficiëntie van de uitvoering van de actie.

Artikel 14

Medefinancieringspercentage

1.  Onverminderd artikel 190 van het Financieel Reglement financiert het fonds tot 100 % van de subsidiabele kosten van een in artikel 11, lid 3, bedoelde activiteit.

2.  In afwijking van lid 1 geldt het volgende:

a)  voor activiteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3, punt e), bedraagt de financiële bijstand uit het fonds niet meer dan 20 % van de subsidiabele kosten daarvan;

b)  voor activiteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3, punten f) tot en met h), bedraagt de financiële bijstand uit het fonds niet meer dan 80 % van de subsidiabele kosten daarvan.

3.  Voor ontwikkelingsacties wordt het financieringspercentage verhoogd in de volgende gevallen:

a)  een activiteit die wordt ontwikkeld in de context van permanente gestructureerde samenwerking als ingesteld bij Besluit (GBVB) 2017/2315 van de Raad van 11 december 2017 kan een percentage genieten dat met 10 procentpunten is verhoogd;

b)  een activiteit kan een verhoogd financieringspercentage als bedoeld in de tweede en derde alinea genieten, waarbij ten minste 10 % van de totale subsidiabele kosten van de activiteit wordt toewezen aan kmo's die in een lidstaat of in een geassocieerd land zijn gevestigd en die als ontvanger, als subcontractant of als entiteit in de toeleveringsketen aan de activiteit deelnemen.

Het financieringspercentage kan worden verhoogd met het aantal procentpunten dat overeenstemt met het percentage van de totale subsidiabele kosten van de activiteit dat wordt toegewezen aan kmo's die zijn gevestigd in lidstaten of in geassocieerde landen waar andere ontvangers dan kmo's zijn gevestigd en die op hun beurt als ontvanger of als entiteit in de toeleveringsketen aan de activiteit deelnemen, en wel met maximaal 5 procentpunten.

Het financieringspercentage kan worden verhoogd met het aantal procentpunten dat overeenstemt met het tweevoud van het percentage van de totale subsidiabele kosten van de activiteit dat wordt toegewezen aan kmo's die zijn gevestigd in andere lidstaten of geassocieerde landen dan die waar andere ontvangers dan kmo's zijn gevestigd en die op hun beurt als ontvanger of als entiteit in de toeleveringsketen aan de activiteit deelnemen;

c)  een activiteit kan een financieringspercentage genieten dat met 10 procentpunten wordt verhoogd indien ten minste 15 % van de totale subsidiabele kosten van de activiteit aan in de Unie of in een geassocieerd land gevestigde midcaps wordt toegewezen;

d)  de totale verhoging van het financieringspercentage van een activiteit mag niet meer dan 35 procentpunten bedragen.

De uit hoofde van het fonds door de Unie verleende financiële steun, verhoogde financieringspercentages inbegrepen, bedraagt maximaal 100 % van de subsidiabele kosten van de actie.

Artikel 15

Financiële draagkracht

In afwijking van artikel ▌ 198 ▌ van het Financieel Reglement:

a)  wordt enkel de financiële draagkracht van de coördinator geverifieerd en enkel indien de aangevraagde financiering van de Unie 500 000 EUR of meer bedraagt. Wanneer er echter redenen bestaan om aan de financiële draagkracht te twijfelen, verifieert de Commissie tevens de financiële draagkracht van andere aanvragers of van coördinatoren die onder de in de eerste zin bedoelde drempelwaarde blijven;

b)  wordt de financiële draagkracht niet geverifieerd bij juridische entiteiten waarvan de levensvatbaarheid wordt gegarandeerd door de betrokken autoriteiten van een lidstaat;

c)  wordt, indien de financiële draagkracht structureel wordt gegarandeerd door een andere juridische entiteit, de financiële draagkracht van deze laatste geverifieerd.

Artikel 16

Indirecte kosten

1.  In afwijking van artikel 181, lid 6, van het Financieel Reglement worden indirecte subsidiabele kosten bepaald door een vast percentage van 25 % toe te passen op de totale directe subsidiabele kosten, met uitzondering van directe subsidiabele kosten van onderaanneming en financiële ondersteuning aan derden en eenheidskosten of vaste bedragen die indirecte kosten omvatten.

2.  Bij wijze van alternatief kunnen indirecte subsidiabele kosten ▌worden bepaald overeenkomstig de gebruikelijke kostenberekeningsmethoden van de ontvanger op basis van werkelijke indirecte kosten, voor zover die kostenberekeningsmethoden door nationale autoriteiten voor vergelijkbare activiteiten op het gebied van defensie zijn aanvaard in overeenstemming met artikel ▌ 185 ▌ van het Financieel Reglement en aan de Commissie zijn meegedeeld.

Artikel 17

Gebruik van eenmalige vaste bedragen of niet aan kosten gekoppelde bijdragen

1.  Indien met de Uniesubsidie minder dan 50 % van de totale kosten van de actie wordt medegefinancierd, kan de Commissie gebruikmaken van:

a)  een niet aan kosten gekoppelde bijdrage als bedoeld in artikel ▌ 180, lid 3 ▌, van het Financieel Reglement en gebaseerd op de verwezenlijking van resultaten gemeten ten opzichte van eerder vastgestelde mijlpalen of middels prestatie-indicatoren; of

b)  een eenmalig vast bedrag als bedoeld in artikel ▌ 182 ▌ van het Financieel Reglement en gebaseerd op de voorlopige begroting van de actie die reeds door de nationale autoriteiten van de medefinancierende lidstaten en geassocieerde landen is goedgekeurd.

2.  Indirecte kosten worden opgenomen in het vaste bedrag.

Artikel 18

Precommerciële inkoop

1.  De Unie kan precommerciële inkoop ondersteunen door een subsidie toe te kennen aan aanbestedende diensten of aanbestedende instanties in de zin van de Richtlijnen 2014/24/EU(17), 2014/25/EU(18) en 2009/81/EG(19) van het Europees Parlement en de Raad die gezamenlijk defensiegerelateerde onderzoeks- en ontwikkelingsdiensten aanbesteden of hun aanbestedingsprocedures coördineren.

2.  De aanbestedingsprocedures:

a)  zijn in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening;

b)  kunnen voorzien in de gunning van meerdere contracten binnen dezelfde procedure ("multiple sourcing");

c)  voorzien in de gunning van de contracten aan de inschrijving(en) die de beste prijs-kwaliteitverhouding biedt/bieden, waarbij de afwezigheid van belangenconflicten wordt gewaarborgd.

Artikel 19

Garantiefonds

Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kunnen dienen ter dekking van het risico dat verbonden is aan de terugvordering van door de begunstigden verschuldigde middelen en worden beschouwd als een toereikende garantie krachtens het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.

Artikel 20

Subsidiabiliteitsvoorwaarden voor aanbesteding en prijzen

1.  De artikelen 10 en 11 zijn dienovereenkomstig van toepassing op prijzen.

2.  Artikel 10, in afwijking van artikel 176 van het Financieel Reglement, en artikel 11 zijn dienovereenkomstig van toepassing op de aanbesteding van in artikel 11, lid 3, onder c), bedoelde studies.

TITEL II

SPECIFIEKE BEPALINGEN VAN TOEPASSING OP ONDERZOEKSACTIES

Artikel 22

Eigendom van resultaten van onderzoeksacties

1.  De resultaten van uit het fonds gefinancierde onderzoeksacties zijn eigendom van de ontvangers die de resultaten genereren. Indien juridische entiteiten gezamenlijk resultaten genereren, en indien hun respectieve bijdragen niet kunnen worden geverifieerd of indien het niet mogelijk is dergelijke gezamenlijke resultaten op te splitsen, houden de juridische entiteiten de resultaten gezamenlijk in eigendom. De gezamenlijke eigenaren sluiten een overeenkomst betreffende de verdeling en de voorwaarden voor de uitoefening van dit gezamenlijke eigendomsrecht, met inachtneming van hun verplichtingen uit hoofde van de subsidieovereenkomst.

2.  In afwijking van lid 1 geldt dat, indien de bijstand van de Unie wordt verleend in de vorm van een overheidsopdracht, de Unie eigenaar is van de resultaten van uit het fonds gefinancierde onderzoeksacties. De lidstaten en geassocieerde landen hebben toegangsrechten tot de resultaten voor zover zij daar schriftelijk om verzoeken.

3.  ▌ De resultaten van onderzoeksacties die uit het fonds worden gefinancierd, mogen direct noch indirect via een of meer intermediaire juridische entiteiten, aan zeggenschap van of beperkingen door een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet-geassocieerd derde land worden onderworpen, zo ook wat de overdracht van technologie betreft.

4.  Wat de resultaten betreft die door ontvangers via uit het fonds gefinancierde acties zijn gegenereerd, wordt de Commissie, onverminderd lid 8 bis van dit artikel, op voorhand in kennis gesteld van elke overdracht van eigendom ▌ of toekenning van een exclusieve licentie ▌ aan een niet-geassocieerd derde land of aan een entiteit uit een niet‑geassocieerd derde land. Indien een dergelijke overdracht van eigendom ingaat tegen de ▌ veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten of tegen de in artikel 3 vermelde doelstellingen van deze verordening, wordt de in het kader van het fonds verstrekte financiering terugbetaald.

5.  De nationale autoriteiten van de lidstaten en geassocieerde landen hebben toegangsrechten tot het speciaal verslag van onderzoeksacties die Uniefinanciering hebben ontvangen. Dergelijke toegangsrechten worden vrij van royalty's verleend en door de Commissie aan de lidstaten en de geassocieerde landen overgedragen nadat in passende geheimhoudingsverplichtingen is voorzien.

6.  De nationale autoriteiten van de lidstaten en de geassocieerde landen gebruiken het speciaal verslag uitsluitend voor doeleinden met betrekking tot het gebruik door of voor hun strijdkrachten of veiligheids- of inlichtingendiensten, onder meer in het kader van hun samenwerkingsprogramma's. Dergelijk gebruik omvat, maar is niet beperkt tot studie, evaluatie, beoordeling, onderzoek, ontwerp, ▌ productaanvaarding en -certificering, bediening, opleiding en verwijdering ▌ evenals de beoordeling en opstelling van technische voorschriften voor aanbesteding.

7.  De ontvangers verlenen de instellingen, organen of agentschappen van de Unie royaltyvrij toegangsrechten tot de resultaten van uit het fonds gefinancierde onderzoeksactiviteiten, voor zover dit naar behoren gerechtvaardigd is voor de ontwikkeling, uitvoering en monitoring van bestaande beleidsmaatregelen of programma's van de Unie binnen haar bevoegdheidsdomeinen. Dergelijke toegangsrechten hebben enkel betrekking op niet-commercieel en niet-competitief gebruik.

8.  Met betrekking tot precommerciële inkoop worden in de financieringsovereenkomsten en de contracten specifieke bepalingen inzake de eigendom, de toegangsrechten en de licentieverlening vastgesteld om een maximaal effect van de resultaten te bewerkstelligen en oneerlijke voordelen te voorkomen. De aanbestedende dienst heeft minimaal en vrij van royalty's recht op toegang tot die resultaten voor eigen gebruik en heeft het recht om niet-exclusieve licenties aan derden te verlenen of om die licentie door de ontvangers te doen verlenen, teneinde de resultaten onder eerlijke en redelijke voorwaarden te exploiteren, evenwel zonder sublicentierecht. Alle lidstaten en geassocieerde landen hebben royaltyvrij toegang tot het speciaal verslag. Indien een contractant er niet in slaagt de resultaten binnen een bepaalde periode na de precommerciële inkoop zoals vastgesteld in de overeenkomst, te exploiteren, draagt hij de eigendom van de resultaten over aan de aanbestedende diensten.

8 bis.  De bepalingen van deze verordening hebben geen invloed op de uitvoer van producten, apparatuur of technologieën die de resultaten van uit het fonds gefinancierde onderzoeksactiviteiten integreren, en laten de beslissingsvrijheid van de lidstaten in het uitvoerbeleid voor defensiegerelateerde producten onverlet.

8 ter.   Twee of meer lidstaten of geassocieerde landen die, multilateraal of binnen de organisatie van de EU, gezamenlijk een of meerdere contracten hebben gesloten met een of meer ontvangers om de resultaten van uit het fonds gefinancierde onderzoeksactiviteiten samen verder te ontwikkelen, genieten toegangsrechten tot de resultaten die eigendom zijn van die ontvangers en noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het contract of de contracten. Deze toegangsrechten worden vrij van royalty's verleend, en onder specifieke voorwaarden die ervoor moeten zorgen dat deze rechten uitsluitend voor het doel van het contract of de contracten worden gebruikt en dat in de passende geheimhoudingsverplichtingen is voorzien.

TITEL III

SPECIFIEKE BEPALINGEN VAN TOEPASSING OP ONTWIKKELINGSACTIES

Artikel 23

Aanvullende subsidiabiliteitscriteria voor ontwikkelingsacties

1.  ▌ Het consortium toont aan dat de resterende kosten van een activiteit die niet door ondersteuning door de Unie worden gedekt, door andere financieringsmiddelen zullen worden gedekt, zoals door bijdragen van lidstaten ▌ of geassocieerde landen, of medefinanciering van juridische entiteiten.

2.  In artikel 11, lid 3, punt d) ▌, bedoelde activiteiten zijn gebaseerd op geharmoniseerde vermogensvereisten die gezamenlijk door ten minste twee lidstaten ▌ of geassocieerde landen zijn overeengekomen.

3.  Wat betreft activiteiten als bedoeld in artikel 11, lid 3, punten e) tot en met h), toont het consortium middels door nationale autoriteiten afgegeven documenten aan dat:

a)  ten minste twee lidstaten ▌ of geassocieerde landen voornemens zijn het eindproduct aan te schaffen of de technologie op gecoördineerde wijze te gebruiken, onder meer via gezamenlijke aanbestedingen indien van toepassing;

b)  de activiteiten gebaseerd zijn op gemeenschappelijke technische specificaties die gezamenlijk zijn overeengekomen door de lidstaten ▌ of geassocieerde landen die de actie zullen medefinancieren of die voornemens zijn het eindproduct gezamenlijk aan te schaffen of de technologie gezamenlijk te gebruiken.

Artikel 24

Aanvullende toekenningscriteria voor ontwikkelingsacties

Naast de toekenningscriteria als bedoeld in artikel 13 wordt voor het werkprogramma ook rekening gehouden met:

a)  de bijdrage aan het verhogen van de efficiëntie in de hele levenscyclus van defensieproducten en -technologieën, met inbegrip van kosteneffectiviteit en het potentieel voor synergieën in het aanbestedings- en onderhoudsproces en de verwijderingsprocessen;

b)  de bijdrage aan de verdere integratie van de Europese defensie-industrie in de Unie, waarbij de ontvangers aantonen dat de lidstaten hebben toegezegd het eindproduct of de eindtechnologie op gecoördineerde wijze gezamenlijk te gebruiken, bezitten of onderhouden.

Artikel 25

Eigendom van resultaten van ontwikkelingsacties

1.  De Unie is geen eigenaar van de producten of technologieën die voortkomen uit uit het fonds gefinancierde ontwikkelingsacties, noch maakt zij aanspraak op enige intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot de resultaten van die acties.

2.  De resultaten van uit het fonds gefinancierde acties mogen direct noch indirect via een of meer intermediaire juridische entiteiten, aan zeggenschap van of beperkingen door niet-geassocieerde derde landen of entiteiten uit niet-geassocieerde derde landen worden onderworpen, zo ook wat de overdracht van technologie betreft.

2 bis.  Deze verordening laat de beslissingsvrijheid van de lidstaten in het exportbeleid voor defensiegerelateerde producten onverlet.

3.  Wat de resultaten betreft die door ontvangers via uit het fonds gefinancierde acties zijn gegenereerd, wordt de Commissie, onverminderd lid 2 bis van dit artikel, op voorhand in kennis gesteld van elke overdracht van eigendom ▌ aan een niet-geassocieerd derde land of een entiteit uit een niet‑geassocieerd derde land. Indien een dergelijke overdracht van eigendom ▌ ingaat tegen de ▌ veiligheids- en defensiebelangen van de Unie en haar lidstaten of tegen de ▌ in artikel 3 vermelde ▌ doelstellingen, wordt de in het kader van het fonds verstrekte financiering terugbetaald.

4.  Indien de bijstand van de Unie wordt verstrekt in de vorm van een overheidsopdracht voor het verrichten van een studie, hebben de lidstaten ▌ of geassocieerde landen, indien zij daar schriftelijk om verzoeken, recht op een kosteloze, niet-exclusieve licentie voor het gebruik daarvan.

TITEL IV

BEHEER, MONITORING, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 27

Werkprogramma's

1.  Het fonds wordt uitgevoerd door middel van jaarlijkse werkprogramma's die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 110 van het Financieel Reglement. In de werkprogramma's wordt in voorkomend geval het voor blendingverrichtingen gereserveerde totaalbedrag opgenomen. In de werkprogramma's wordt de algemene begroting ten gunste van de grensoverschrijdende deelname van kmo's vastgesteld.

2.  De Commissie stelt de werkprogramma's vast middels uitvoeringshandelingen in overeenstemming met de in artikel 28, lid 2, bedoelde procedure.

3.  In de werkprogramma's worden de onderzoeksonderwerpen en categorieën van acties die uit het fonds zullen worden gefinancierd, in detail vermeld. Deze categorieën zijn in overeenstemming met de in artikel 3 vermelde prioriteiten op het gebied van defensie.

Met uitzondering van het deel van het werkprogramma dat gewijd is aan disruptieve technologieën voor defensietoepassingen, betreffen deze onderzoeksonderwerpen en categorieën van acties producten en technologieën op het gebied van:

a)  voorbereiding, bescherming, uitrol en duurzaamheid;

b)  informatiemanagement en -superioriteit en commando, controle, communicatie, computers, inlichtingen, surveillance en verkenning (C4ISR), cyberdefensie en cyberbeveiliging; en

c)  inzet en effectoren.

4.  De werkprogramma's bevatten in voorkomend geval functionele vereisten en een nadere bepaling van de vorm van de EU-financiering in overeenstemming met artikel 8, maar verhinderen geen concurrentie op het niveau van de oproepen tot het indienen van voorstellen.

De transitie van resultaten van reeds uit het fonds gefinancierde onderzoeksacties met een duidelijke toegevoegde waarde naar de ontwikkelingsfase kan eveneens in aanmerking worden genomen in de werkprogramma's.

Artikel 28

Comité

1.  De Commissie wordt bijgestaan door een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011. Het Europees Defensieagentschap wordt uitgenodigd als waarnemer om zijn standpunten kenbaar te maken en zijn expertise te delen. De Europese Dienst voor extern optreden wordt eveneens uitgenodigd om de vergaderingen bij te wonen.

Het comité komt ook bijeen in speciale samenstellingen, onder meer om veiligheids- en defensieaspecten te bespreken, in verband met acties in het kader van het fonds.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van die verordening van toepassing.

Artikel 28 bis

Raadpleging van de projectbeheerder

Ingeval een lidstaat of geassocieerd land een projectbeheerder heeft benoemd, raadpleegt de Commissie de projectbeheerder over de vooruitgang die geboekt werd met betrekking tot de actie alvorens de betaling wordt verricht.

Artikel 29

Onafhankelijke deskundigen

1.  De Commissie stelt overeenkomstig artikel ▌ 237 ▌ van het Financieel Reglement onafhankelijke deskundigen aan om haar bij te staan bij de ethische toetsing van artikel 7 en bij de evaluatie van voorstellen. ▌

2.  Onafhankelijke deskundigen zijn burgers van de Unie ▌ uit een zo breed mogelijke selectie lidstaten en worden geselecteerd op basis van oproepen tot het indienen van blijken van belangstelling die met het oog op het vaststellen van een lijst met deskundigen zijn gericht aan ▌ Ministeries van Defensie en ondergeschikte agentschappen, andere relevante overheidsinstanties, onderzoeksinstituten, universiteiten, bedrijfsverenigingen of ondernemingen in de defensiesector. In afwijking van artikel ▌ 237 ▌ van het Financieel Reglement wordt die lijst niet bekendgemaakt.

3.  De beveiligingsgegevens van benoemde onafhankelijke deskundigen worden door de respectieve lidstaten of gevalideerd.

4.  Het in artikel 28 bedoelde comité wordt jaarlijks in kennis gesteld van de lijst van deskundigen, die transparant moet zijn wat betreft de beveiligingsgegevens van de deskundigen. De Commissie zorgt er tevens voor dat een deskundige geen beoordeling verricht noch advies of assistentie verleent met betrekking tot een aangelegenheid ten aanzien waarvan hij een belangenconflict heeft.

5.  Onafhankelijke deskundigen worden gekozen op basis van de vaardigheden, ervaring en kennis waarover zij moeten beschikken om de aan hen opgedragen taken te kunnen uitvoeren.

Artikel 30

Toepassing van de regelgeving inzake gerubriceerde informatie

1.  Binnen het toepassingsgebied van deze verordening:

a)  zorgt elke lidstaat ▌ ervoor dat ▌hij eenzelfde mate van bescherming van gerubriceerde informatie van de Europese Unie biedt als de ▌ beveiligingsvoorschriften van de Raad, die zijn vervat in de bijlagen bij Besluit 2013/488/EU(20);

a1)  beschermt de Commissie gerubriceerde informatie overeenkomstig de veiligheidsvoorschriften vervat in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie;

c)  kunnen in ▌ derde landen verblijvende natuurlijke personen en aldaar gevestigde rechtspersonen enkel met gerubriceerde informatie van de EU met betrekking tot het fonds werken indien in die landen voor hen beveiligingsvoorschriften gelden die ten minste eenzelfde mate van bescherming bieden als de veiligheidsvoorschriften van de Commissie in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie en de beveiligingsvoorschriften van de Raad vervat in ▌ Besluit 2013/488/EU;

c1)   wordt de gelijkwaardigheid van beveiligingsvoorschriften die in een derde land of een internationale organisatie worden toegepast, omschreven in een overeenkomst over beveiliging van informatie, waar relevant met inbegrip van kwesties inzake industriële beveiliging, tussen de Unie en dat derde land of die internationale organisatie, overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 218 VWEU en met inachtneming van artikel 13 van Besluit 2013/488/EU;

d)  kan, onverminderd artikel 13 van Besluit 2013/488/EU en de voorschriften inzake industriële beveiliging in Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie, aan een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, derde land of internationale organisatie toegang worden verleend tot gerubriceerde informatie van de Europese Unie, wanneer dat nodig wordt geacht en per geval, afhankelijk van de aard en de inhoud van die informatie, de noodzaak dat de ontvanger er kennis van neemt en het voordeel daarvan voor de Unie.

2.  Bij acties waarvoor gerubriceerde informatie nodig is of die dergelijke informatie vereisen ▌ of bevatten, vermeldt het betrokken financieringsorgaan in de oproep tot het indienen van voorstellen of in de aanbestedingsdocumenten de maatregelen en voorschriften die noodzakelijk zijn om het vereiste beveiligingsniveau van deze informatie te waarborgen.

3.  De Commissie zet een beveiligd uitwisselingssysteem op om de uitwisseling van gevoelige en gerubriceerde informatie tussen de Commissie en de lidstaten en de geassocieerde landen en, in voorkomend geval, met de aanvragers en de ontvangers, te vergemakkelijken. Het systeem houdt rekening met de nationale beveiligingsvoorschriften van de lidstaten.

4.  Over de herkomst van gerubriceerde nieuwe informatie die bij de uitvoering van een onderzoeks-of ontwikkelingsactie wordt gegenereerd, wordt beslist door de lidstaten op wier grondgebied de ontvangers zijn gevestigd. Daartoe mogen de lidstaten beslissen over een specifiek beveiligingskader voor de bescherming en verwerking van gerubriceerde informatie in verband met de actie, en brengen ze de Commissie daarvan op de hoogte. Een dergelijk beveiligingskader laat de mogelijkheid voor de Commissie om toegang te krijgen tot de nodige informatie voor de tenuitvoerlegging van de actie onverlet.

Indien deze lidstaten dit specifieke beveiligingskader niet opzetten, zet de Commissie het beveiligingskader voor de actie op in overeenstemming met de bepalingen van Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie.

Voordat de financieringsovereenkomst of het akkoord wordt ondertekend, moet het toepasselijke beveiligingskader voor de actie opgezet zijn.

Artikel 31

Toezicht en verslaglegging

1.  De bijlage bij deze verordening bevat indicatoren voor het toezicht op de uitvoering en voortgang van het fonds bij de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde algemene en specifieke doelstellingen.

2.  Om ervoor te zorgen dat de voortgang van het fonds bij het behalen van de doelstellingen ervan doeltreffend wordt beoordeeld, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 36 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlage te wijzigen met het oog op herziening of aanvulling van de indicatoren, indien nodig, en deze verordening aan te vullen met bepalingen betreffende de vaststelling van een kader voor toezicht en evaluatie.

3.  De Commissie houdt geregeld toezicht op de uitvoering van het fonds en brengt jaarlijks verslag uit over de geboekte vooruitgang aan het Europees Parlement en de Raad, onder meer over hoe de in het kader van het EDIDP en de PADR geïdentificeerde en geleerde lessen in acht worden genomen bij de uitvoering van het fonds. Daartoe stelt de Commissie de nodige toezichtsregelingen in.

4.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het toezicht op de uitvoering en de resultaten van het fonds op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie.

Artikel 32

Evaluatie van het fonds

1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.  De tussentijdse evaluatie van het fonds wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering ervan ▌ beschikbaar is, maar uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering ervan is begonnen. In het verslag van de tussentijdse evaluatie tegen 31 juli 2024 wordt met name ingegaan op ▌ het beheer van het fonds, onder meer met betrekking tot de bepalingen inzake de onafhankelijke deskundigen, de uitvoering van de in artikel 7 bedoelde ethische procedures, en de uit het EDIDP en de PADR geleerde lessen, de uitvoeringspercentages, de projecttoekenningspercentages met inbegrip van het niveau van betrokkenheid van kmo's en midcaps ▌ en de mate van grensoverschrijdende deelname, de in artikel 16 bepaalde vergoedingspercentages van indirecte kosten, de begroting die werd toegewezen aan disruptieve technologieën in oproepen tot het indienen van voorstellen, en de overeenkomstig artikel ▌ 195 ▌ van het Reglement verstrekte financiering. De tussentijdse evaluatie bevat ook informatie over de landen van herkomst van de ontvangers, het aantal landen dat betrokken is bij afzonderlijke projecten en, waar mogelijk, de verdeling van de gegenereerde intellectuele-eigendomsrechten. De Commissie kan voorstellen voor passende wijzigingen van deze verordening indienen.

3.  Aan het einde van de uitvoeringsperiode, maar uiterlijk vier jaar na 31 december 2027, verricht de Commissie een eindevaluatie van de uitvoering van het fonds. Het eindevaluatieverslag omvat de resultaten van de uitvoering van en, voor zover dit gezien de timing mogelijk is, de effecten van het fonds. In dat verslag wordt op basis van de relevante raadplegingen van de lidstaten en geassocieerde landen en de belangrijkste belanghebbenden met name een beoordeling gemaakt van de geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde doelstellingen. Het evaluatieverslag zal ook helpen bepalen op welke gebieden de Unie voor de ontwikkeling van defensieproducten en ‑technologieën afhankelijk is van derde landen. Ook wordt in dat verslag een analyse verricht van de grensoverschrijdende deelname, onder meer van kmo's en midcaps, aan de in het kader van het fonds uitgevoerde projecten, alsmede van de integratie van kmo's en midcaps in de mondiale waardeketen, en van de bijdrage van het fonds aan het wegwerken van de tekortkomingen die in het vermogensontwikkelingsplan zijn vastgesteld. De evaluatie bevat ook informatie over de landen van herkomst van de ontvangers en, waar mogelijk, over de verdeling van de gegenereerde intellectuele-eigendomsrechten.

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 33

Audits

Audits naar het gebruik van de bijdrage van de Unie door personen of entiteiten, met inbegrip van andere personen of entiteiten dan die welke door de instellingen of organen van de Unie zijn gemachtigd, vormen de basis van de algemene zekerheid in de zin van artikel ▌ 127 ▌ van het Financieel Reglement. Overeenkomstig artikel 287 VWEU onderzoekt de Europese Rekenkamer de rekeningen van alle ontvangsten en uitgaven van de Unie.

Artikel 34

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Een derde land dat aan het fonds deelneemt door middel van een in het kader van een internationale overeenkomst vastgesteld besluit of op grond van een ander rechtsinstrument verleent de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, ▌het OLAF en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van het OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding ▌.

Artikel 35

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  De ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie, met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten, door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren. De mogelijkheid om academische papers op basis van de resultaten van onderzoeksacties te publiceren, wordt in de financieringsovereenkomst geregeld.

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het fonds, de acties en de resultaten ervan. De aan het fonds toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de ▌ communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

2 bis.  De aan het fonds toegewezen middelen kunnen ook bijdragen aan de organisatie van verspreidingsactiviteiten, netwerkevenementen en bewustmakingsactiviteiten, met name om de toeleveringsketens open te stellen om de grensoverschrijdende deelname van kmo's te bevorderen.

TITEL V

GEDELEGEERDE HANDELINGEN, EN OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 36

Gedelegeerde handelingen

1.  De in artikel 31 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening.

2.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 31 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

3.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

4.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.  Een overeenkomstig artikel 31 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 37

Intrekking

Verordening (EU) 2018/1092 (industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie) wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2021.

Artikel 38

Overgangsbepalingen

1.  Deze verordening doet geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) 2018/1092 en de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek, die van toepassing blijven op de betrokken acties tot zij worden afgesloten, alsmede op de resultaten ervan.

2.  De financiële middelen voor het fonds kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen het fonds en de maatregelen die zijn vastgesteld in het kader van zijn voorlopers, het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie en de voorbereidende actie inzake defensieonderzoek.

3.  Zo nodig kunnen voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid, ook na 2027 kredieten ter dekking van de in artikel 4, lid 4, bedoelde uitgaven in de begroting worden opgenomen.

Artikel 39

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

INDICATOREN VOOR DE VERSLAGLEGGING OVER DE VOORTGANG VAN HET FONDS BIJ DE VERWEZENLIJKING VAN ZIJN SPECIFIEKE DOELSTELLINGEN

In artikel 3, lid 2, onder a), vastgelegde doelstelling:

Indicator 1 Deelnemers

Gemeten aan de hand van: aantal betrokken juridische entiteiten (onderverdeling naar omvang, soort en nationaliteit)

Indicator 2 Gezamenlijk onderzoek

Gemeten aan de hand van:

2.1  aantal en waarde van de gefinancierde projecten

2.2  grensoverschrijdende samenwerking: aandeel van de contracten die zijn gegund aan kmo's en midcaps, met waarde van contracten voor grensoverschrijdende samenwerking

2.3  aandeel van ontvangers die vóór de inwerkingtreding van het fonds geen onderzoeksactiviteiten met defensietoepassingen verrichtten

Indicator 3 Innovatieve producten

Gemeten aan de hand van:

3.1   aantal nieuwe octrooien afkomstig van uit het fonds gefinancierde projecten

3.2  geaggregeerde verdeling van octrooien onder midcaps, kmo's en juridische entiteiten die midcaps noch kmo's zijn

3.3  geaggregeerde verdeling van octrooien over de lidstaten

In artikel 3, lid 2, onder b), vastgelegde doelstelling:

Indicator 4 Gezamenlijke vermogensontwikkeling

Gemeten aan de hand van: aantal en waarde van gefinancierde acties die de in het vermogensontwikkelingsplan vastgestelde tekortkomingen wegwerken

Indicator 4 Doorlopende steun gedurende de volledige O&O-cyclus

Gemeten aan de hand van: de aanwezigheid op de achtergrond van intellectuele-eigendomsrechten of bij eerder gefinancierde acties gegenereerde resultaten

Indicator 5 Creatie/ondersteuning van werkgelegenheid

Gemeten aan de hand van: aantal ondersteunde werknemers in O&O voor defensie per lidstaat

(1) PB C 110 van 22.3.2019, blz. 75.
(2) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 12 december 2018 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0516).
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 18 april 2019. De grijs gemarkeerde tekstdelen vormen niet het voorwerp van het in het kader van interinstitutionele onderhandelingen bereikte akkoord.
(4) Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1); Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76).
(5) Besluit 2013/755/EU van de Raad van 25 november 2013 betreffende de associatie van de landen en gebieden overzee met de Europese Unie (LGO-besluit) (PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1).
(6) Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.
(7) Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot instelling van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de Unie (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 30).
(8) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
(9) De verwijzing moet nog worden geactualiseerd: PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1. De overeenkomst is beschikbaar op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:32013Q1220(01)
(10) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(11) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(12) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(13) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(14) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(15) Richtlijn 2009/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende de vereenvoudiging van de voorwaarden voor de overdracht van defensiegerelateerde producten binnen de Gemeenschap (PB L 146 van 10.6.2009, blz. 1).
(16)
(17) Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 65).
(18) Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).
(19) Richtlijn 2009/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen door aanbestedende diensten van bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied, en tot wijziging van Richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG (PB L 216 van 20.8.2009, blz. 76).
(20) PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1.


Blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties ***I
PDF 207kWORD 55k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties (COM(2018)0093 – C8-0112/2018 – 2018/0042(COD))
P8_TA-PROV(2019)0431A8-0384/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0093),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Europees Parlement is ingediend (C8-0112/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van de Europese Centrale Bank van 22 augustus 2018(1),

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0384/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EU) nr. 575/2013 wat betreft blootstellingen in de vorm van gedekte obligaties(3)

P8_TC1-COD(2018)0042


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(4),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(5),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(6),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(7) wordt, onder bepaalde voorwaarden, aan gedekte obligaties een preferentiële behandeling toegekend. In Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad(8)(9) worden de kernbestanddelen van gedekte obligaties nader ingevuld en wordt een gemeenschappelijke definitie van gedekte obligaties gegeven.

(2)  Op 20 december 2013 heeft de Commissie ▌de Europese Bankautoriteit (hierna "EBA" genoemd) om een advies verzocht met betrekking tot de relevantie van de in artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde risicogewichten. Volgens het EBA-advies(10) is de in artikel 129 van die verordening vastgestelde preferentiële behandeling van de risicoweging, in beginsel, een passende prudentiële behandeling. EBA heeft evenwel aanbevolen dat verder zou worden nagegaan in hoeverre het opportuun is dat de in artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bepaalde beleenbaarheidscriteria zouden worden aangevuld zodat deze ten minste de thema's liquiditeitsrisicolimitering, overcollateralisatie en de rol van de bevoegde autoriteit zouden omvatten, en dat de bestaande vereisten inzake openbaarmaking aan beleggers verder zouden worden uitgewerkt(11).

(3)  Gelet op het EBA-advies moet Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gewijzigd door verdere vereisten voor gedekte obligaties toe te voegen, en zo de kwaliteit te versterken van gedekte obligaties die in aanmerking komen voor de gunstige kapitaalbehandeling die in artikel 129 van die verordening is bepaald.

(4)  Overeenkomstig de derde alinea van artikel 129, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen de bevoegde autoriteiten gedeeltelijke ontheffing verlenen van de toepassing van het in punt c) van de eerste alinea van artikel 129, lid 1, bepaalde vereiste voor blootstellingen om in aanmerking te komen voor kredietkwaliteitscategorie 1, en een voor kredietkwaliteitscategorie 2 in aanmerking komende blootstelling toestaan voor maximaal 10 % van de totale blootstelling van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende instelling. Een dergelijke gedeeltelijke ontheffing geldt echter alleen na voorafgaande raadpleging van EBA en mits kan worden aangetoond dat de toepassing van het vereiste betreffende kredietkwaliteitscategorie 1 in de betrokken lidstaten mogelijk tot ernstige concentratieproblemen kan leiden. Aangezien de vereisten voor blootstellingen om in aanmerking te komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 zoals die beschikbaar wordt gesteld door externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI's), steeds moeilijker in acht te nemen zijn in de meeste lidstaten zowel binnen als buiten de eurozone, werd de toepassing van die ontheffing noodzakelijk geacht door de lidstaten waar de grootste markten voor gedekte obligaties zijn gevestigd. Om het gebruik van blootstellingen aan kredietinstellingen als zekerheid voor gedekte obligaties te vereenvoudigen en om een oplossing te bieden voor deze moeilijkheid, moet ▌Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gewijzigd. In plaats van een mogelijkheid voor de bevoegde autoriteiten om van de vereisten ontheffing te verlenen, moet een regel worden bepaald die blootstellingen toestaat aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 2 in aanmerking komen, voor maximaal 10 % van de totale blootstelling van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende instelling zonder dat EBA moet worden geconsulteerd. Het is noodzakelijk het gebruik van kredietkwaliteitscategorie 3 toe te staan voor kortetermijndeposito's en voor derivaten in specifieke lidstaten in gevallen waarin het te moeilijk zou zijn om te voldoen aan het vereiste van kredietkwaliteitscategorie 1 of 2. De overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/...(12) aangewezen bevoegde autoriteiten moeten, na raadpleging van EBA, het gebruik van kredietkwaliteitscategorie 3 voor derivatencontracten kunnen toestaan om potentiële concentratieproblemen aan te pakken.

(5)  Overeenkomstig punt d), ii), en punt f), ii), van de eerste alinea van artikel 129, lid 1, zijn leningen die worden gedekt door hoger gerangschikte rechten van deelneming die worden uitgegeven door Franse "Fonds Communs de Titrisation" of door gelijkwaardige securitisatie-instellingen die blootstellingen aan niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed securitiseren, beleenbare activa die als zekerheid kunnen dienen voor gedekte obligaties, tot maximaal 10 % van het nominale bedrag van de uitstaande uitgifte van gedekte obligaties ("de grenswaarde van 10 %"). Krachtens artikel 496 van die verordening kunnen bevoegde autoriteiten evenwel ▌ontheffing verlenen van die grenswaarde van 10 %. Bovendien wordt in artikel 503, lid 4, van diezelfde verordening geëist dat de Commissie beziet of de afwijking op grond waarvan bevoegde autoriteiten ontheffing van de grenswaarde van 10 % kunnen verlenen, passend is. Op 22 december 2013 heeft de Commissie EBA gevraagd op dat punt een advies uit te brengen. In haar advies van 1 juli 2014 heeft EBA verklaard dat het gebruik van hoger gerangschikte rechten van deelneming die worden uitgegeven door Franse "Fonds Communs de Titrisation" of door gelijkwaardige securitisatie-instellingen die blootstellingen aan niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed securitiseren, uit prudentieel oogpunt bezwaren zou opleveren door de dubbel gelaagde structuur van een programma van gedekte obligaties dat wordt gedekt door gesecuritiseerde rechten van deelneming, en zo zou resulteren in onvoldoende transparantie over de kredietkwaliteit van de dekkingspool. Bijgevolg heeft EBA de aanbeveling gedaan dat de afwijking van de grenswaarde van 10 % voor gesecuritiseerde hoger gerangschikte rechten van deelneming die momenteel in artikel 496 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is vastgesteld, na 31 december 2017 zou komen te vervallen(13).

(6)  Slechts een beperkt aantal nationale raamwerken voor gedekte obligaties biedt de mogelijkheid om door woninghypotheken of door bedrijfshypotheken gedekte effecten (RMBS of CMBS) op te nemen. Het gebruik van dergelijke structuren neemt af en geldt als een onnodig complicerende factor voor programma's van gedekte obligaties. Daarom moet het gebruik van dergelijke structuren als beleenbare activa volledig worden uitgeschakeld. Bijgevolg moeten punt d), ii), en punt f), ii), van de eerste alinea van artikel 129, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 496 van die verordening worden geschrapt.

(7)  Ook structuren voor intragroepspooling van gedekte obligaties die aan Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoen, zijn gebruikt als beleenbare zekerheid in overeenstemming met punt d), ii), en punt f), ii), van de eerste alinea van artikel 129, lid 1, van die verordening. Structuren voor intragroepspooling van gedekte obligaties leveren uit prudentieel oogpunt geen extra risico's op omdat die niet dezelfde complexiteitsproblemen stellen als het gebruik van leningen die worden gedekt door hoger gerangschikte rechten van deelneming die worden uitgegeven door Franse "Fonds Communs de Titrisation" of door gelijkwaardige securitisatie-instellingen die blootstellingen aan niet-zakelijk of zakelijk onroerend goed securitiseren. Volgens EBA moet het gebruik van door structuren voor het poolen van gedekte obligaties als zekerheid gehanteerde gedekte obligaties worden toegelaten zonder beperkingen ten aanzien van het bedrag aan uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling(14). Bijgevolg moet punt c) van de eerste alinea van artikel 129, lid 1, worden gewijzigd om het vereiste te schrappen dat de grenswaarde van 15 % of 10 % wordt toegepast op blootstellingen aan kredietinstellingen in structuren voor intragroepspooling van gedekte obligaties. De regels voor die structuren voor intragroepspooling van gedekte obligaties worden vastgesteld in artikel 8 van Richtlijn (EU) 2019/…(15).

(8)  Volgens artikel 129, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 moeten de in artikel 229, lid 1, van die verordening bepaalde waarderingsbeginselen voor onroerend goed dat als zekerheid voor gedekte obligaties dient, op gedekte obligaties worden toegepast willen die obligaties voldoen aan de vereisten voor een preferentiële behandeling. De vereisten voor de beleenbaarheid van activa die als zekerheid voor gedekte obligaties dienen, houden verband met de algemene kwaliteitskenmerken die de robuustheid van de dekkingspool moeten garanderen, en moeten daarom onderworpen zijn aan Richtlijn (EU) 2019/…(16). Bijgevolg moeten ook de bepalingen over de waarderingsmethodiek onder de toepassing van die richtlijn vallen. De technische reguleringsnormen die worden opgelegd door artikel 124, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moeten daarom niet gelden ten aanzien van de beleenbaarheidscriteria voor gedekte obligaties zoals die in artikel 129 van die verordening zijn vastgesteld. Bijgevolg moet artikel 129, lid 3, van die verordening in die zin worden gewijzigd.

(9)  Grenswaarden voor Loan-To-Value (hierna "LTV" genoemd) maken noodzakelijkerwijs deel uit van het garanderen van de kredietkwaliteit van de gedekte obligaties. In artikel 129, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden ▌LTV-grenswaarden bepaald voor woonkredieten en pandrechten op schepen, maar wordt niet nader aangegeven hoe die grenswaarden moeten worden toegepast, hetgeen tot onzekerheid kan leiden. ▌LTV-grenswaarden moeten worden toegepast als "zachte" dekkingsgrenswaarden, d.w.z. dat er weliswaar geen grenswaarden zijn voor de omvang van de onderliggende lening, maar dat een dergelijke lening alleen als zekerheid kan dienen binnen de voor die activa opgelegde LTV-grenswaarden. Met ▌LTV-grenswaarden wordt bepaald voor welk percentage die lening bijdraagt aan het dekkingsvereiste voor verplichtingen. Daarom moet uitdrukkelijk worden bepaald dat ▌LTV-grenswaarden het gedeelte van de lening bepalen dat bijdraagt aan de dekking van de gedekte obligaties.

(10)  Met het oog op meer duidelijkheid moet ook worden bepaald dat de LTV-grenswaarden gelden voor de volledige looptijd van de lening. De reële LTV mag niet veranderen, maar moet binnen de grenswaarde blijven van 80 % van de waarde van het goed voor woninghypotheken, en van 60 % of 70 % van de waarde van het goed voor zakelijke leningen en schepen. Zakelijk onroerend goed moet worden verstaan volgens de algemeen geldende opvatting dat dit soort goed "niet voor bewoning bestemd" onroerend goed is, ook als het in handen is van organisaties zonder winstoogmerk.

(11)  Met het oog op een verdere verbetering van de kwaliteit van de gedekte obligaties die de preferentiële kapitaalbehandeling van artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 krijgen, moet die preferentiële behandeling afhankelijk worden gesteld van een minimumpercentage aan overcollateralisatie, d.w.z. een percentage aan zekerheden dat de dekkingsvereisten van artikel 15 van Richtlijn (EU) 2019/…(17) overschrijdt. Een dergelijk vereiste zou de meest relevante risico's moeten limiteren die ontstaan bij insolventie of afwikkeling van de emittent. Wanneer lidstaten besluiten op gedekte obligaties die door kredietinstellingen op hun grondgebied worden uitgegeven een hoger minimumpercentage aan overcollateralisatie toe te passen, mag dit kredietinstellingen niet beletten te beleggen in andere gedekte obligaties met een lager minimumpercentage aan overcollateralisatie die aan de bepalingen van deze verordening voldoen, en baat te hebben bij de bepalingen ervan.

(12)  Een van de vereisten in artikel 129, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 is dat de kredietinstelling die in gedekte obligaties belegt, ten minste halfjaarlijks bepaalde informatie ontvangt. Transparantievereisten zijn een onmisbaar onderdeel van gedekte obligaties dat zorgt voor een eenvormig openbaarmakingsniveau en beleggers in staat stelt de nodige risicobeoordeling te maken, hetgeen de vergelijkbaarheid, transparantie en stabiliteit van de markt ten goede komt. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat transparantievereisten voor alle gedekte obligaties gelden, wat kan worden verwezenlijkt door die vereisten in Richtlijn (EU) 2019/…(18) vast te leggen als een gemeenschappelijk structureel kenmerk van gedekte obligaties. Bijgevolg moet artikel 129, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden geschrapt.

(13)  Gedekte obligaties zijn instrumenten voor langetermijnfinanciering en worden dus uitgegeven met een geplande looptijd van meerdere jaren. Daarom moet ervoor worden gezorgd dat gedekte obligaties die vóór 31 december 2007 of vóór ... [OP: Please insert the date of application of this Regulation] zijn uitgegeven, niet worden verstoord. Om die doelstelling te behalen, moeten gedekte obligaties die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, vrijgesteld blijven van de vereisten die in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn geformuleerd ten aanzien van beleenbare activa, overcollateralisatie en vervangende activa. Bovendien moeten andere gedekte obligaties die voldoen aan ▌Verordening (EU) nr. 575/2013 en vóór ... [OP: Please insert the date of application of this Regulation] zijn uitgegeven, tot aan hun vervaldag worden vrijgesteld van de vereisten inzake overcollateralisatie en vervangende activa en moeten zij in aanmerking blijven komen voor de preferentiële behandeling als beschreven in die verordening.

(14)  Deze verordening moet worden toegepast in samenhang met Richtlijn (EU) 2019/...(19). Om de coherente toepassing te garanderen van het nieuwe raamwerk waarin de structurele kenmerken van de uitgifte van gedekte obligaties en de gewijzigde vereisten voor een preferentiële behandeling worden vastgesteld, moet de toepassing van deze verordening worden uitgesteld om samen te vallen met de datum vanaf wanneer de lidstaten de bepalingen tot omzetting van die richtlijn moeten toepassen.

(15)  Verordening (EU) nr. 575/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 575/2013

Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1.  Artikel 129 wordt als volgt gewijzigd:

a)  lid 1 wordt als volgt gewijzigd:(20)

i)  de eerste alinea wordt als volgt gewijzigd:

–  de inleidende zin wordt vervangen door:"

"Om in aanmerking te komen voor de in de leden 4 en 5 beschreven preferentiële behandeling, voldoen gedekte obligaties als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/xxxx van het Europees Parlement en de Raad(21)* aan de vereisten van de leden 3, 3 bis en 3 ter van dit artikel en worden zij zekergesteld door een van de volgende beleenbare activa:

______________________________

* Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU (PB C ... van ..., blz. ....";

"

–  punt c) wordt vervangen door:"

"c) blootstellingen aan kredietinstellingen die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 of ▌kredietkwaliteitscategorie 2 of blootstellingen in de vorm van kortetermijndeposito's met een looptijd van ten hoogste 100 dagen, indien deze deposito's worden gebruikt om te voldoen aan de verplichting van een liquiditeitsbuffer voor een dekkingspool in overeenstemming met artikel 16 en derivatencontracten in overeenstemming met artikel 11 van Richtlijn (EU) 2019/...(22) aan kredietinstellingen die in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 3, indien blootstellingen in de vorm van derivatencontracten door de bevoegde autoriteiten worden toegestaan, overeenkomstig dit hoofdstuk.";

"

–  in punt d) wordt punt ii) geschrapt;

–  in punt f) wordt punt ii) geschrapt;

ii)  de tweede alinea wordt vervangen door:"

"Voor de toepassing van lid 1 bis worden blootstellingen die het gevolg zijn van de overdracht en het beheer van betalingen of liquidatieopbrengsten van de debiteur van leningen die gedekt zijn door in pand gegeven goederen van ▌schuldinstrumenten, niet in aanmerking genomen bij de berekening van de in dat lid bedoelde grenswaarden.";

"

iii)  de derde alinea wordt geschrapt;

b)  de volgende leden ▌worden ingevoegd:"

"1 bis. Voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea van lid 1 geldt het volgende:

   a) voor blootstellingen aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 1 in aanmerking komen, bedraagt de blootstelling maximaal 15 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling;
   b) voor blootstellingen aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 2 in aanmerking komen, bedraagt de totale blootstelling maximaal 10 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling;
   c) voor blootstellingen in de vorm van kortetermijndeposito's met een looptijd van ten hoogste 100 dagen en derivatencontracten aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 3 in aanmerking komen, bedraagt de totale blootstelling maximaal 8 % van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling;

De in overeenstemming met artikel 18, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/...(23) aangewezen bevoegde autoriteiten kunnen, na raadpleging van EBA, alleen toestemming verlenen voor blootstellingen in de vorm van derivatencontracten aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 3 in aanmerking komen indien aanmerkelijke potentiële concentratieproblemen in de betrokken lidstaten als gevolg van de toepassing van de in dit lid bedoelde verplichtingen van kredietkwaliteitscategorie 1 en 2 kunnen worden aangetoond;

   d) de totale blootstelling aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3 in aanmerking komen, bedraagt maximaal 15 % van de totale blootstelling van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling. De totale blootstelling aan kredietinstellingen die voor kredietkwaliteitscategorie 2 of 3 in aanmerking komen, bedraagt maximaal 10 % van de totale blootstelling van het nominale bedrag van de uitstaande gedekte obligaties van de uitgevende kredietinstelling.

1 ter.   Lid 1 bis is niet van toepassing op het gebruik van gedekte obligaties als beleenbare zekerheid overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn (EU) 2019/…+.

1 quater.   Voor de toepassing van punt d), onder i), van de eerste alinea van lid 1, is de grenswaarde van 80 % van toepassing op afzonderlijke leningen en bepaalt ze het gedeelte van de lening dat bijdraagt aan de dekking van de aan de gedekte obligaties verbonden verplichtingen en geldt de grenswaarde voor de volledige looptijd van de lening.

1 quinquies.   Voor de toepassing van de punten f), onder i), ▌en g), van de eerste alinea van lid 1 is de grenswaarde van 60 % of 70 % van toepassing op afzonderlijke leningen en bepaalt ze het gedeelte van de lening dat bijdraagt aan de dekking van de aan de gedekte obligaties verbonden verplichtingen en geldt de grenswaarde voor de volledige looptijd van de lening.";

"

c)  lid 3 wordt vervangen door:"

"3. Voor onroerend goed en schepen die in overeenstemming met deze verordening als zekerheid zijn gesteld voor gedekte obligaties, wordt aan de vereisten van artikel 208 voldaan."; Voor alle onroerende goederen en schepen wordt op regelmatige basis en ten minste eenmaal per jaar aan de in artikel 208, lid 3, onder a), vastgestelde vereisten voor de controle van de vermogenswaarden voldaan.";

"

d)  de volgende leden ▌worden ingevoegd:"

"3 bis. Gedekte obligaties worden niet alleen zekergesteld door de in lid 1 genoemde beleenbare activa, zij zijn ook onderworpen aan een minimumpercentage van 5 % aan overcollateralisatie in de zin van artikel 3, lid 12, van Richtlijn (EU) 2019/…(24).

Voor de toepassing van de eerste alinea heeft het totale nominale bedrag van alle dekkingsactiva ten minste dezelfde waarde als de totale nominale waarde van uitstaande gedekte obligaties ("nominaal beginsel") en bestaat het uit beleenbare activa als beschreven in lid 1.

De activa die bijdragen aan een minimumpercentage aan overcollateralisatie zijn niet onderworpen aan de grenswaarden voor de omvang van de blootstelling als bepaald in lid 1 bis en worden niet meegeteld voor die grenswaarden.

Lidstaten kunnen ▌een lager minimumpercentage aan overcollateralisatie toepassen op gedekte obligaties of kunnen hun bevoegde autoriteiten toestaan dit percentage vast te stellen mits de volgende voorwaarden zijn vervuld:

   a) de berekening van overcollateralisatie is gebaseerd op een formele benadering waarin rekening wordt gehouden met de onderliggende risico's van de activa, of op een formele benadering waarin de waardering van de activa afhankelijk is van de hypotheekwaarde in de zin van artikel 4, lid 1, punt 74;
   b) het minimumpercentage aan overcollateralisatie mag niet lager zijn dan 2 % op basis van het nominale beginsel.

De activa die bijdragen aan een minimumpercentage aan overcollateralisatie zijn niet onderworpen aan de grenswaarden voor de omvang van de blootstelling als bepaald in lid 1 bis en worden niet meegeteld voor die grenswaarden.

3 ter.  De in lid 1 bedoelde beleenbare activa mogen in de dekkingspool worden opgenomen als vervangende activa in de zin van artikel 3, lid 11, van Richtlijn (EU) 2019/...(25) voor de primaire activa in de zin van artikel 3, lid 10, van die richtlijn, met inachtneming van de grenswaarden inzake kredietkwaliteit en omvang van de blootstelling als uiteengezet in de leden 1 en 1 bis van dit artikel.";

"

e)  de leden 6 en 7 worden vervangen door:"

"6. Gedekte obligaties die vóór 31 december 2007 zijn uitgegeven, vallen niet onder de vereisten van de leden 1, 1 bis, 3, 3 bis en 3 ter. Zij komen tot hun vervaldatum in aanmerking voor de in de leden 4 en 5 beschreven preferentiële behandeling.

7.  Gedekte obligaties die vóór [OP: Please insert the date of application of this amending Regulation] zijn uitgegeven en voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in deze verordening, in de versie zoals die van toepassing is op de datum van hun uitgifte, vallen niet onder de vereisten van de leden 3 bis en 3 ter. Zij komen tot hun vervaldatum in aanmerking voor de in de leden 4 en 5 beschreven preferentiële behandeling.";

"

2)  in artikel 416, lid 2, onder a), wordt punt ii) vervangen door:"

"ii) het betreft andere obligaties als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/...(26), dan die bedoeld onder punt i) van dit punt;";

"

3)  in artikel 425 wordt lid 1 vervangen door:"

"1. De instellingen rapporteren hun liquiditeitsinstromen. Gemaximeerde liquiditeitsinstromen zijn de liquiditeitsinstromen die beperkt zijn tot 75 % van de liquiditeitsuitstromen. Instellingen kunnen liquiditeitsinstromen uit bij andere instellingen geplaatste deposito's die in aanmerking komen voor de in artikel 113, lid 6 of lid 7, beschreven behandelingen, van deze grenswaarde uitsluiten. Instellingen kunnen liquiditeitsinstromen uit gelden die door leningnemers en beleggers in obligaties zijn verschuldigd voor hypotheken die worden gefinancierd door obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, leden 4, 5 of 6, bedoelde behandeling of door gedekte obligaties als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/...+

van deze grenswaarde uitsluiten. Instellingen kunnen instromen uit stimuleringsleningen waarvoor zij als tussenpersoon hebben gefungeerd, uitsluiten. Onder voorbehoud van voorafgaande goedkeuring door de bevoegde autoriteit die belast is met het toezicht op individuele basis, kan de instelling geheel of gedeeltelijk instromen uitsluiten waarbij de verstrekker een moeder- of dochterinstelling van de instelling is of een andere dochter van dezelfde moederinstelling, dan wel verbonden met de instelling door een betrekking in de zin van artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG.";

"

4)  in artikel 427, lid 1, onder b), wordt punt x) vervangen door:"

"x) verplichtingen die voortvloeien uit uitgegeven effecten die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, vervatte behandeling of als omschreven in artikel 2, lid 2, van Richtlijn (EU) 2019/...(27);";

"

5)  in artikel 428, lid 1, onder h), wordt punt iii) vervangen door:"

"iii) die gefinancierd zijn met matchende uitgifte (pass-through) van obligaties die in aanmerking komen voor de in artikel 129, lid 4 of lid 5, beschreven behandeling, of van obligaties als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/...+;";

"

6)  artikel 496 wordt geschrapt;

7)  in bijlage III, punt 6, wordt punt c) vervangen door:"

"c) het betreft gedekte obligaties als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn (EU) 2019/...(28), die geen obligaties zijn als bedoeld onder punt b) van dit punt.".

"

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij wordt toegepast vanaf [PB: datum invoegen die is vastgesteld in de tweede alinea van artikel 32, lid 1, van Richtlijn (EU) 2019/...+].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB C 382 van 23.10.2018, blz. 2.
(2) PB C 367 van 10.10.2018, blz. 56.
(3)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(4)PB C 382 van 23.10.2018, blz. 2.
(5)PB C 367 van 10.10.2018, blz. 56.
(6) Standpunt van het Europees Parlement van 18 april 2019.
(7)Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
(8)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU, en voetnoot 5 vervolledigen.
(9)Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU (PB L ... van ..., blz. ...).
(10)Opinion of the European Banking Authority on the preferential capital treatment of covered bonds, EBA/Op/2014/04.
(11)Aanbevelingen EU COM 1-A tot en met 1-D geformuleerd in Opinion EBA/Op/2014/04.
(12)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(13)Aanbeveling EU COM 2 geformuleerd in Opinion EBA/Op/2014/04.
(14)Ibid.
(15)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(16)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(17)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(18)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(19)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(20)
(21)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(22)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(23)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(24)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(25)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(26)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(27)+ PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.
(28)+PB: nummer invoegen van Richtlijn (EU) 2019/... betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU.


Gedekte obligaties en overheidstoezicht op gedekte obligaties ***I
PDF 310kWORD 89k
Resolutie
Geconsolideerde tekst
Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU (COM(2018)0094 – C8-0113/2018 – 2018/0043(COD))
P8_TA-PROV(2019)0432A8-0390/2018

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0094),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 53 en 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0113/2018),

–  gezien het advies van de Commissie juridische zaken over de voorgestelde rechtsgrond,

–  gezien artikel 294, lid 3, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 11 juli 2018(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 20 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien de artikelen 59 en 39 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken (A8-0390/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  neemt kennis van de verklaring van de Commissie die als bijlage bij onderhavige resolutie is gevoegd;

3.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

4.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Richtlijn (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende de uitgifte van gedekte obligaties en het overheidstoezicht op gedekte obligaties en tot wijziging van Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2014/59/EU(2)

P8_TC1-COD(2018)0043


(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  In artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(5) worden zeer algemene voorwaarden vastgesteld voor de structurele elementen van gedekte obligaties. Die voorwaarden blijven beperkt tot de eis dat gedekte obligaties worden uitgegeven door een kredietinstelling waarvan de statutaire zetel in een lidstaat gevestigd is en die is onderworpen aan speciaal overheidstoezicht en aan een mechanisme met dubbele zekerheidsrechten (dual recourse). Nationale raamwerken voor gedekte obligaties gaan nader in op deze punten en regelen die ook veel meer in detail. Die nationale raamwerken bevatten ook andere structurele bepalingen, met name regels met betrekking tot de samenstelling van de dekkingspool (cover pool), de criteria voor de beleenbaarheid van activa, de mogelijkheid om activa te poolen, de transparantie- en rapportageverplichtingen, en de regels inzake het limiteren van liquiditeitsrisico's. Ook zijn er in de benadering van de lidstaten ten aanzien van regulering inhoudelijke verschillen. In diverse lidstaten bestaat er geen specifieke nationaal raamwerk voor gedekte obligaties. Daardoor zijn de essentiële structurele elementen waaraan in de Unie uitgegeven gedekte obligaties moeten voldoen, nog niet vastgelegd in Unierecht.

(2)  Met artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad(6) zijn verdere voorwaarden toegevoegd aan de voorwaarden in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG om ten aanzien van kapitaalvereisten een preferentiële prudentiële behandeling te krijgen, waardoor kredietinstellingen die in gedekte obligaties beleggen, minder kapitaal hoeven aan te houden dan wanneer zij in andere activa beleggen. Hoewel met die aanvullende voorwaarden het niveau van de harmonisatie van gedekte obligaties binnen de Unie wordt verhoogd, zijn zij specifiek bedoeld om de voorwaarden vast te stellen waaronder beleggers een dergelijke preferentiële behandeling kunnen krijgen, en zijn zij niet van toepassing buiten het kader van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(3)  Ook in andere rechtshandelingen van de Unie, zoals Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie(7), Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie(8) en Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad(9), wordt naar de definitie in Richtlijn 2009/65/EG verwezen als het ijkpunt om te bepalen welke gedekte obligaties de door die handelingen aan beleggers in gedekte obligaties geboden preferentiële behandeling kunnen krijgen. Toch verschilt de formulering van die handelingen afhankelijk van de doelstelling en het onderwerp ervan en wordt het begrip "gedekte obligaties" dus niet coherent gebruikt.

(4)  De behandeling van gedekte obligaties kan al bij al als geharmoniseerd gelden waar het gaat om de voorwaarden voor het beleggen in gedekte obligaties. Er is evenwel een gebrek aan harmonisatie in de Unie wat betreft de voorwaarden voor de uitgifte van gedekte obligaties en dit heeft diverse gevolgen. In de eerste plaats wordt preferentiële behandeling gelijkelijk toegekend aan instrumenten die kunnen verschillen van aard alsook van niveau van risico en beleggersbescherming. In de tweede plaats zouden verschillen tussen nationale raamwerken ▌of het ontbreken van een dergelijk raamwerk, samen met het ontbreken van een gezamenlijk overeengekomen definitie van gedekte obligaties, obstakels kunnen opwerpen voor de uitbouw van een daadwerkelijk geïntegreerde interne markt voor gedekte obligaties ▌. In de derde plaats kunnen de verschillen in ▌garanties die nationale voorschriften bieden, risico's voor de financiële stabiliteit doen ontstaan wanneer gedekte obligaties met uiteenlopende niveaus van beleggersbescherming onder die benaming in de hele Unie kunnen worden gekocht en op grond van Verordening (EU) nr. 575/2013 en andere Uniewetgeving een preferentiële prudentiële behandeling zouden kunnen krijgen.

(5)  De harmonisatie van bepaalde aspecten van nationale regelingen alsmede vastgestelde beste praktijken zullen zorgen voor een soepele en voortdurende ontwikkeling van goed functionerende markten voor gedekte obligaties in de Unie en zullen eventuele risico's en kwetsbare punten wat betreft financiële stabiliteit beperken. Dergelijke op beginselen gebaseerde harmonisatie moet voor een gemeenschappelijke uitgangssituatie zorgen bij de uitgifte van alle gedekte obligaties in de Unie. Harmonisatie vereist dat alle lidstaten raamwerken voor gedekte obligaties vaststellen, die ook moeten helpen om markten voor gedekte obligaties uit te bouwen in lidstaten waar dit soort markt momenteel nog niet bestaat. Een dergelijke markt kan een stabiele financieringsbron vormen voor kredietinstellingen die op basis daarvan meer mogelijkheden zouden hebben om betaalbare hypotheekleningen te verstrekken aan consumenten en bedrijven en die veiligere beleggingen beschikbaar zouden kunnen stellen aan beleggers.

(6)  Het Europees Comité voor systeemrisico's (hierna "ESRB" genoemd) heeft een aanbeveling(10) uitgebracht waarin het nationale bevoegde autoriteiten en de Europese Bankautoriteit (hierna "EBA" genoemd) uitnodigt om goede praktijken met betrekking tot gedekte obligaties te identificeren en de harmonisatie van nationale kaders aan te moedigen. Ook deed het de aanbeveling dat de EBA het optreden van nationale toezichthouders zou coördineren, en met name met betrekking tot de kwaliteit en de afzondering van de dekkingspools, bescherming van gedekte obligaties tegen faillissement, de aan activa en verplichtingen verbonden risico's die van invloed zijn op dekkingspools, en de openbaarmaking van de samenstelling van dekkingspools. Voorts wordt de EBA in de aanbeveling opgeroepen om het functioneren van de markt voor gedekte obligaties gedurende een periode van twee jaar te monitoren aan de hand van de door de EBA onderscheiden goede praktijken, om na te gaan of er wetgevingsinitiatieven nodig zijn en om aan het ESRB en de Commissie verslag te doen over die noodzaak.

(7)  In december 2013 heeft de Commissie de EBA overeenkomstig artikel 503, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 om een advies verzocht.

(8)  In reactie op zowel de aanbeveling van het ESRB van 20 december 2012 als het verzoek van de Commissie om een advies van december 2013 heeft de EBA op 1 juli 2014 een rapport(11) gepubliceerd. In dat rapport wordt grotere convergentie aanbevolen van nationale wetgevings-, regulerings- en toezichtsraamwerken voor gedekte obligaties, als verdere ondersteuning voor ▌één preferentiële behandeling van de risicoweging voor gedekte obligaties in de Unie.

(9)  Zoals het ESRB voor ogen stond, heeft de EBA het functioneren van de markt voor gedekte obligaties gedurende twee jaar gemonitord aan de hand van de in die aanbeveling beschreven goede praktijken. Op basis daarvan heeft de EBA op 20 december 2016 een tweede rapport(12) over gedekte obligaties doen toekomen aan het ESRB, de Raad en de Commissie. De conclusie van dat rapport was dat verdere harmonisatie noodzakelijk is met het oog op meer coherentie in de definities van en de behandeling door het toezicht van gedekte obligaties in de Unie. Voorts is in het rapport geconcludeerd dat harmonisatie diende voort te bouwen op goed functionerende markten zoals die vandaag in sommige lidstaten bestaan.

(10)  Gedekte obligaties worden traditioneel uitgegeven door kredietinstellingen. Het inherente karakter van het instrument is te zorgen voor financiering voor leningen en een van de kernactiviteiten van kredietinstellingen is het op grote schaal verstrekken van leningen. Bijgevolg wordt door Uniewetgeving waarmee een preferentiële behandeling aan gedekte obligaties wordt toegekend, verlangd dat deze gedekte obligaties door kredietinstellingen worden uitgegeven.

(11)  Het feit dat de uitgifte van gedekte obligaties aan kredietinstellingen is voorbehouden, garandeert dat de emittent over de nodige kennis beschikt om het kredietrisico met betrekking tot de leningen in de dekkingspool te beheren. Voorts is dit een garantie dat voor de emittent kapitaalvereisten gelden die de basis vormen voor de beleggersbescherming van het mechanisme met dubbele zekerheidsrechten, waardoor de belegger en de tegenpartij van een derivatencontract zowel op de emittent van de gedekte obligaties als op de dekkingsactiva een vordering hebben. Door de uitgifte van gedekte obligaties te beperken tot kredietinstellingen, wordt ervoor gezorgd dat gedekte obligaties een veilig en doeltreffend financieringsinstrument blijven, hetgeen bijdraagt tot beleggersbescherming en financiële stabiliteit, twee belangrijke beleidsdoelstellingen van algemeen belang. Een en ander zou ook aansluiten bij de benadering van goed functionerende nationale markten waar alleen kredietinstellingen gedekte obligaties mogen uitgeven.

(12)  Daarom is het passend dat alleen kredietinstellingen in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt toegestaan gedekte obligaties uit te geven op grond van Unierecht. Gespecialiseerde hypotheekbanken worden gekenmerkt door het feit dat zij geen deposito's, maar andere terugbetaalbare gelden van het publiek aannemen, en als zodanig voldoen zij aan die definitie. Onverminderd krachtens het toepasselijke nationale recht toegestane nevenactiviteiten zijn gespecialiseerde hypotheekbanken instellingen die alleen hypotheekleningen en leningen aan de openbare sector verstrekken, met inbegrip van de financiering van leningen die van andere kredietinstellingen zijn gekocht. Het hoofddoel van deze richtlijn is de voorwaarden te regelen waarop die kredietinstellingen gedekte obligaties mogen uitgeven als financieringsinstrument, door de productvereisten vast te stellen en specifiek producttoezicht in te stellen waaraan zij onderworpen zijn, om zodoende een hoog niveau aan beleggersbescherming te verzekeren.

(13)  Het bestaan van een mechanisme met dubbele zekerheidsrechten is een essentieel concept en onderdeel van talrijke bestaande nationale raamwerken voor gedekte obligaties. Het is ook een kernelement van gedekte obligaties als bedoeld in artikel 52, lid 4, van Richtlijn 2009/65/EG. Daarom dient dat concept nader te worden uitgewerkt zodat beleggers en tegenpartijen van derivatencontracten in de hele Unie op geharmoniseerde voorwaarden zowel op de emittent van de gedekte obligaties als op de dekkingsactiva een vordering hebben.

(14)  Vrijwaring van faillissement dient ook een essentieel aspect van gedekte obligaties te zijn, om ervoor te zorgen dat ▌beleggers in gedekte obligaties op de vervaldag van de obligatie worden terugbetaald. Automatische versnelling van terugbetaling bij wanbetaling van de emittent kan de rangorde verstoren van de partijen die in gedekte obligaties hebben belegd. Daarom is het belangrijk ervoor te zorgen dat beleggers in gedekte obligaties worden terugbetaald in overeenstemming met het contractuele aflossingsschema, zelfs in het geval van wanbetaling. Vrijwaring van faillissement houdt dus rechtstreeks verband met het mechanisme met dubbele zekerheidsrechten en dient daarom ook een van de hoekstenen van het raamwerk voor gedekte obligaties te zijn.

(15)  Een andere hoeksteen van bestaande nationale raamwerken voor gedekte obligaties is de vereiste dat dekkingsactiva van zeer hoge kwaliteit dienen te zijn, om zeker te zijn dat de dekkingspool robuust is. Die dekkingsactiva worden gekenmerkt door ▌specifieke kenmerken met betrekking tot de betalingsvorderingen en de zekerheidsactiva die deze dekkingsactiva veiligstellen. Derhalve is het passend om de algemene kwaliteitskenmerken te bepalen waaraan activa dienen te voldoen om beleenbare dekkingsactiva te zijn. De in artikel 129, lid 1, punt a) tot en met g), van Verordening (EU) nr. 575/2013 genoemde activa dienen, binnen een raamwerk voor gedekte obligaties, te worden beschouwd als beleenbare dekkingsactiva. Dit omvat ook het geval waarin dergelijke dekkingsactiva niet langer aan een van de in die punten genoemde vereisten voldoen, maar overeenkomstig lid 1, onder b), als beleenbare dekkingsactiva worden beschouwd, voor zover zij aan de vereisten van deze richtlijn voldoen. Leningen aan of gegarandeerd door openbare bedrijven openbare bedrijven in de zin van artikel 2, onder b), van Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie ▌kunnen als beleenbare dekkingsactiva worden beschouwd, op voorwaarde dat de openbare bedrijven essentiële openbare diensten verrichten voor de instandhouding van kritieke maatschappelijke activiteiten. Bovendien moeten openbare bedrijven hun diensten verrichten in het kader van een concessie of vergunning van een overheidsinstantie, moeten zij onder overheidstoezicht staan en moeten zij over voldoende inkomstengenererende bevoegdheden beschikken om hun solvabiliteit te garanderen. Als de lidstaten besluiten activa in de vorm van leningen aan of gegarandeerd door overheidsbedrijven in hun nationale raamwerk toe te staan, moeten zij naar behoren rekening houden met de mogelijke gevolgen voor de mededinging met betrekking tot die activa. Ongeacht wie hun eigenaar is, mogen kredietinstellingen en verzekeringsmaatschappijen niet als overheidsbedrijven worden beschouwd. Daarom moeten blootstellingen aan kredietinstellingen als beleenbare dekkingsactiva in de zin van artikel 6, lid 1, onder a) of b), van deze richtlijn worden beschouwd, afhankelijk van de vraag of zij al dan niet voldoen aan de vereisten van artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013. Ook blootstellingen aan verzekeringsmaatschappijen moeten als beleenbare dekkingsactiva in de zin van artikel 6, lid 1, onder b), van deze richtlijn worden beschouwd. Ook andere dekkingsactiva van een vergelijkbaar hoge kwaliteit zouden op grond van de richtlijn als beleenbaar kunnen worden beschouwd, op voorwaarde dat deze dekkingsactiva voldoen aan de vereisten van deze richtlijn, waaronder die betreffende de zekerheidsactiva die de betalingsvordering veiligstellen. Wat fysieke zekerheidsactiva betreft, moet de eigendom van de activa in een openbaar register worden geregistreerd om de afdwingbaarheid te waarborgen. Als er geen openbaar register bestaat, moeten de lidstaten kunnen voorzien in een alternatieve vorm van certificering van eigendom en vorderingen die vergelijkbaar is met die van de openbare registratie van de bezwaarde fysieke activa. Als de lidstaten gebruikmaken van een dergelijke alternatieve vorm van certificering, moeten zij ook voorzien in een procedure om wijzigingen in de registratie van eigendom en vorderingen aan te brengen. De lidstaten dienen ▌de vrijheid te hebben om bepaalde activa in hun nationale raamwerken uit te sluiten. Om beleggers in gedekte obligaties in staat te stellen het risico van een programma voor gedekte obligaties beter in te schatten, moeten de lidstaten ook regels vaststellen betreffende risicodiversificatie met betrekking tot de granulariteit en materiële concentratie wat betreft het aantal leningen of posities in de dekkingspool en het aantal tegenpartijen. De lidstaten moeten kunnen beslissen over de passende mate van granulariteit en materiële concentratie die krachtens hun nationale wetgeving vereist is.

(16)  Gedekte obligaties hebben specifieke structurele kenmerken die beleggers te allen tijde moeten beschermen. Een van die kenmerken is de voorwaarde dat beleggers in gedekte obligaties niet alleen op de emittent een vordering hebben, maar ook op de activa in een specifieke dekkingspool. ▌Die structurele productvereisten verschillen van de prudentiële vereisten die gelden voor een kredietinstelling die gedekte obligaties uitgeeft. Bij die eerste vereisten dient de nadruk niet te liggen op het verzekeren van de prudentiële gezondheid van de uitgevende instelling, maar dient juist te worden ingezet op het beschermen van beleggers door specifieke eisen op te leggen voor de gedekte obligatie zelf. Naast de specifieke eis om dekkingsactiva van hoge kwaliteit te gebruiken, dienen ook de algemene vereisten voor de kenmerken van de dekkingspool te worden geregeld, met het oog op een verdere versterking van de bescherming van beleggers. Die vereisten dienen specifieke regels te omvatten die de dekkingspool moeten beschermen, zoals regels inzake de afzondering van de dekkingsactiva. Afzondering kan op verschillende manieren worden bewerkstelligd, zoals op de balans, door middel van een Special Purpose Vehicle (SPV) of met andere middelen. Het doel van de afzondering van activa is evenwel om ze buiten het juridische bereik van andere schuldeisers dan houders van gedekte obligaties te houden. Ook de locatie van de dekkingsactiva moet worden gereguleerd om de rechten van beleggers veilig te stellen. Het is ook belangrijk dat de lidstaten regels vaststellen voor de samenstelling van de dekkingspool ▌. Voorts dienen in deze richtlijn dekkingsvereisten te worden bepaald, onverminderd het recht van lidstaten om andere middelen toe te staan om bijvoorbeeld valuta- en renterisico's te limiteren. Ook de berekening van de dekking en de voorwaarden waarop derivatencontracten in de dekkingspool kunnen worden opgenomen, dienen te worden vastgesteld, zodat voor dekkingspools in de hele Unie gemeenschappelijke hoogkwalitatieve normen gelden. Bij de berekening van de dekking moet voor de hoofdsom het nominale beginsel worden gevolgd. De lidstaten moeten een andere berekeningsmethode dan het nominale beginsel kunnen gebruiken, mits die voorzichtiger is, d.w.z. niet in een hogere dekkingsratio resulteert, waarbij de berekende dekkingsactiva de teller zijn en de berekende verplichtingen uit hoofde van gedekte obligaties de noemer. Voor gedekte obligaties die door in de betrokken lidstaat gevestigde kredietinstellingen zijn uitgegeven, moeten de lidstaten een percentage overcollateralisatie kunnen eisen dat hoger is dan de in artikel 15 vereiste dekking.

(17)  Een aantal lidstaten eist nu reeds dat een cover pool monitor specifieke taken uitoefent met betrekking tot de kwaliteit van beleenbare activa en zorgt voor de inachtneming van de nationale dekkingsvereisten. Daarom is het, met het oog op de harmonisatie van de behandeling van gedekte obligaties in de hele Unie, van belang dat, als het nationale raamwerk een cover pool monitor eist, zijn taken en verantwoordelijkheden duidelijk worden omschreven. Of er al dan niet een cover pool monitor is, doet niets af aan de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteiten wat betreft ▌overheidstoezicht op gedekte obligaties, met name wat betreft de naleving van de vereisten van de artikelen 6 tot en met 12 en 14 tot en met 17 van deze richtlijn.

(17 bis)  In artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 is een aantal voorwaarden vastgesteld voor door securitisatie-entiteiten zekergestelde gedekte obligaties. Een van die voorwaarden betreft de mate waarin dat type zekerheidsactiva kan worden gebruikt, en beperkt het gebruik van dergelijke structuren tot 10 % of 15 % van het bedrag aan uitstaande gedekte obligaties. De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 ontheffing van deze voorwaarde verlenen. De conclusie van het onderzoek van de Commissie naar de geschiktheid van deze ontheffing was dat de mogelijkheid om securitisatie-instrumenten of gedekte obligaties te gebruiken als zekerheidsactiva voor de uitgifte van gedekte obligaties alleen zou mogen worden toegestaan voor andere gedekte obligaties ("structuren voor intragroepspooling van gedekte obligaties"), en wel zonder beperkingen wat betreft het bedrag aan uitstaande gedekte obligaties. Om een optimaal niveau van transparantie te waarborgen, mogen dekkingspools voor extern uitgegeven gedekte obligaties geen intern uitgegeven gedekte obligaties van verschillende kredietinstellingen binnen de groep bevatten. Aangezien het gebruik van structuren voor intragroepspooling van gedekte obligaties vrijstelling verleent van de limieten voor vorderingen op kredietinstellingen overeenkomstig artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013, moet ook worden vereist dat de extern en intern uitgegeven gedekte obligaties op het moment van afgifte in aanmerking komen voor kredietkwaliteitscategorie 1 of, in het geval van een latere wijziging van de kredietkwaliteitscategorie en behoudens goedkeuring door de bevoegde autoriteiten, kredietkwaliteitscategorie 2. Als de extern of intern uitgegeven gedekte obligaties niet langer aan die vereiste voldoen, komen de intern uitgegeven gedekte obligaties niet langer in aanmerking als beleenbare activa in de zin van artikel 129 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en komen de extern uitgegeven gedekte obligaties uit de desbetreffende dekkingspool niet langer in aanmerking voor de vrijstelling van artikel 129, lid 1 bis, onder a), van die verordening. Als deze intern uitgegeven gedekte obligaties niet langer aan de toepasselijke kredietkwaliteitscategorievereiste voldoen, moeten zij echter wel beleenbare dekkingsactiva voor de toepassing van deze richtlijn zijn, mits zij aan alle vereisten van deze richtlijn voldoen, en moeten de extern uitgegeven gedekte obligaties die worden zekergesteld door intern uitgegeven gedekte obligaties of andere activa die aan deze richtlijn voldoen, daarom ook gebruik kunnen maken van het label "Europese gedekte obligatie". Het toestaan van het gebruik van dergelijke structuren wordt overwogen als mogelijkheid voor de lidstaten. Hieruit volgt dat deze mogelijkheid slechts effectief beschikbaar is voor kredietinstellingen die deel uitmaken van een groep die in verschillende lidstaten is gevestigd, als alle betrokken lidstaten van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt en die bepaling in hun wetgeving hebben omgezet.

(18)  Kleine kredietinstellingen ondervinden problemen wanneer zij gedekte obligaties uitgeven, omdat het creëren van programma's van gedekte obligaties vaak hoge aanloopkosten met zich meebrengt. Ook liquiditeit is van bijzonder belang op markten voor gedekte obligaties en wordt grotendeels bepaald door het volume uitstaande obligaties. Daarom dient de mogelijkheid te worden geboden van gezamenlijke financiering door twee of meer kredietinstellingen, zodat kleinere kredietinstellingen gedekte obligaties kunnen uitgeven. Hiermee zouden meerdere kredietinstellingen dekkingsactiva kunnen poolen als zekerheidsactiva</