Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0304(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0017/2019

Ingediende teksten :

A8-0017/2019

Debatten :

Stemmingen :

PV 17/04/2019 - 16.10

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0417

Aangenomen teksten
PDF 381kWORD 128k
Woensdag 17 april 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Instandhoudings- en controlemaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan ***I
P8_TA-PROV(2019)0417A8-0017/2019
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van instandhoudings- en controlemaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1386/2007 van de Raad (COM(2018)0577 – C8-0391/2018 – 2018/0304(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0577),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0391/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 januari 2019(1),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 15 februari 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie visserij (A8-0017/2019),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) Nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen die van toepassing zijn in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, tot wijziging van Verordening (EU) 2016/1627 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2115/2005 en (EG) nr. 1386/2007 van de Raad
P8_TC1-COD(2018)0304

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad(3), is te waar­borgen dat de exploitatie van biologische rijkdommen van de zee tot duurzame omstandig­heden op economisch, ecologisch en sociaal gebied leidt.

(2)  Bij Besluit 98/392/EG van de Raad(4) heeft de Unie haar goedkeuring gehecht aan het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee en aan de Overeenkomst over de toepassing van de bepalingen van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van de grensoverschrijdende en de over grote afstanden trekkende visbestanden, waarin beginselen en regels met betrekking tot de instandhouding en het beheer van de levende rijkdommen van de zee zijn vastgesteld. De Unie neemt in het kader van haar ruimere internationale verplichtingen deel aan de inspanningen die in internationale wateren worden geleverd om de visbestanden in stand te houden.

(3)  De Unie is partij bij het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan ("het verdrag"), dat is goedgekeurd bij Verordening (EEG) nr. 3179/78 van de Raad(5). Op 28 september 2007 is een wijziging van het Verdrag vastgesteld, die is goedgekeurd bij Besluit 2010/717/EU van de Raad(6).

(4)  De Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) heeft de bevoegdheid om juridisch bindende besluiten vast te stellen voor de instandhouding van de onder haar bevoegdheid vallende visbestanden. Die besluiten zijn hoofdzakelijk gericht tot de verdragsluitende partijen bij de NAFO, maar bevatten tevens verplichtingen voor exploitanten (zoals de kapitein van het vaartuig). De instandhoudings- en handhavingsmaatregelen (conservation and enforcement measures – CEM) van de NAFO zijn na de inwerkingtreding ervan bindend voor alle verdragsluitende partijen bij de NAFO en in het geval van de Unie moeten zij worden opgenomen in het recht van de Unie, voor zover het recht van de Unie er niet reeds in voorziet.

(5)  Bij Verordening (EG) nr. 1386/2007 van de Raad(7) zijn de CEM van de NAFO in het recht van de Unie omgezet.

(6)  Bij Verordening (EG) nr. 2115/2005 van de Raad(8) is een herstelplan voor het zwarteheilbotbestand in NAFO-deelgebied 2 en sectoren 3KLMNO vastgesteld.

(7)  De CEM van de NAFO zijn gewijzigd op elke jaarvergadering van de verdragsluitende partijen sinds 2008. Deze nieuwe bepalingen moeten in het recht van de Unie worden opgenomen; zij hebben onder meer betrekking op instandhoudingsmaatregelen voor bepaalde soorten, bescherming van kwetsbare mariene ecosystemen, inspectieprocedures op zee en in de haven, vaartuigvoorschriften, monitoring van visserijactiviteiten en aanvullende havenstaatmaatregelen.

(8)  Rekening houdend met het feit dat sommige bepalingen van de CEM frequenter door de verdragsluitende partijen bij de NAFO worden gewijzigd en het waarschijnlijk wordt geacht dat ze in de toekomst nog zullen worden gewijzigd, moet, met het oog op een snelle opneming van toekomstige wijzigingen van de CEM in het recht van de Unie, aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen ten aanzien van de volgende aspecten: ▌de lijst van ▌activiteiten van onderzoeksvaartuigen; ▌maatregelen met betrekking tot de visserij op Noordse garnaal; wijziging van visserijdiepten en verwijzingen naar voor de visserij beperkte of gesloten gebieden; procedures betreffende gemachtigde vaartuigen met een buiten het geregle­menteerde gebied gedane totale vangst van meer dan vijftig ton levend gewicht aan boord die het gereglementeerde gebied binnenvaren om op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot te vissen en voorwaarden om de visserij op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot aan te vangen; ▌inhoud van de elektronische doorzending, lijst van geldige documenten die aan boord van het vaartuig moeten worden gehouden en de inhoud van de capaciteitsplannen; documentatie inzake charterovereenkomsten die aan boord van vaartuigen moet worden gehouden; ▌de gegevens van het satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (vessel monitoring system –VMS); bepalingen inzake de elektronische rapportage en inzake de inhoud van kennisgevingen en verplichtingen van de kapitein van het vaartuig tijdens de inspectie ▌. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raad­plegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven(9). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(9)  De Commissie, die de Unie in NAFO-vergaderingen vertegenwoordigt, stemt jaarlijks in met een aantal louter technische bepalingen van de CEM, met name inzake formaat en inhoud van de uitgewisselde informatie, wetenschappelijke terminologie of de sluiting van kwetsbare gebieden. De Commissie dient tevens een gedelegeerde handeling vast te stellen ter aanvulling van deze verordening met die bepalingen van en bijlagen bij de CEM, en dient bevoegd te zijn om deze te wijzigen.

(10)  Bijgevolg dienen Verordeningen (EG) nr. 2115/2005 en (EG) nr. 1386/2007 te worden ingetrokken.

(11)  In november 2018 heeft de Internationale Commissie voor de instandhouding van tonijn in de Atlantische Oceaan (ICCAT) Aanbeveling 18-02 aangenomen tot vaststelling van een beheersplan voor blauwvintonijn, dat op 21 juni 2019 in werking zal treden. Aanbeveling 18-02 strekt tot intrekking van Aanbeveling 17-07, houdende wijziging van Aanbeveling 14-04 tot vaststelling van een herstelplan voor blauwvintonijn, dat in het Unierecht ten uitvoer is gelegd door middel van Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad(10). Aanbeveling 18-02 bevat flexibelere bepalingen dan Verordening (EU) 2016/1627.

(12)  De Commissie is van plan in het eerste kwartaal van 2019 een voorstel aan te nemen voor een verordening tot uitvoering van Aanbeveling 18-02. Het is onwaarschijnlijk dat de twee wetgevers die verordening vóór de inwerkingtreding van Aanbeveling 18-02 zullen vaststellen.

(13)  Tijdens een technische vergadering over ICCAT-kwesties op 11 december 2018 hebben de lidstaten de wens geuit om ten minste een aantal bepalingen van Aanbeveling 18-02 met betrekking tot bijvangsten, kweek- en vangstcapaciteit en open seizoenen vanaf 21 juni 2019 toe te passen om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen alle exploitanten die op blauwvintonijn vissen. Bovendien zijn er nieuwe, aangescherpte controlebepalingen, onder andere voor aselecte controles in kwekerijen, handel in levende dieren en kweekpraktijken die de lidstaten ook vanaf 21 juni 2019 dienen toe te passen uit hoofde van de gedeelde bevoegdheid voor dat beleidsterrein.

(14)  Om te zorgen voor een gelijk speelveld tussen vissersvaartuigen van de Unie en andere vloten die op blauwvintonijn vissen, dienen de ICCAT-maatregelen zoals vastgelegd in Aanbeveling 18-02 met betrekking tot bijvangsten, kweek- en vangstcapaciteit en open seizoenen te worden opgenomen in Verordening (EU) 2016/1627.

(15)  Verordening (EU) 2016/1627 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.  Tenzij anders is bepaald, is deze verordening van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die worden ingezet of bedoeld zijn om te worden ingezet voor commerciële visserij­activiteiten op visbestanden in het gereglementeerde gebied van de NAFO, zoals omschreven in bijlage I bij het verdrag, alsmede op activiteiten van vaartuigen van derde landen in het kader van het verdrag in wateren of gebieden van de Unie.

2.  Deze verordening is van toepassing onverminderd de verplichtingen in bestaande verordeningen in de visserijsector, met name Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad(11) en Verordeningen (EG) nr. 1005/2008(12) en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad(13).

3.  Tenzij in deze verordening anders is bepaald, zijn onderzoeksvaartuigen van de Unie niet gebonden door instandhoudings- en beheersmaatregelen met betrekking tot de visvangst, met name maaswijdte, minimumafmetingen en gesloten gebieden en seizoenen.

Artikel 2

Onderwerp

1.   Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de toepassing door de Unie van de CEM met het oog op de uniforme en doeltreffende uitvoering ervan in de Unie.

2.   Voorts wordt bij deze verordening een aantal bepalingen van Verordening (EU) 2016/1627 gewijzigd.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)  "het verdrag": het Verdrag van 1979 inzake de samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan, zoals van tijd tot tijd gewijzigd;

2)  "het verdragsgebied": het gebied waarop het verdrag van toepassing is, als omschreven in artikel IV, lid 1, ervan. Het verdragsgebied is verdeeld in wetenschappelijke en statistische deelgebieden, sectoren en deelsectoren, die zijn opgenomen in bijlage I bij het verdrag;

3)  "het gereglementeerd gebied": het deel van het verdragsgebied buiten nationale jurisdictie;

4)  "visbestanden": alle vis en schaal-, schelp- en weekdieren in het verdragsgebied, met uitzondering van:

a)  de sedentaire soorten waarover de kuststaten soevereine rechten mogen uitoefenen overeenkomstig artikel 77 van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee; en

b)  voor zover zij onder andere internationale verdragen vallen, de anadrome en catadrome bestanden en de in bijlage I bij het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee genoemde over grote afstanden trekkende soorten;

5)  "visserijactiviteiten": het oogsten of verwerken van visbestanden, het aanlanden of overladen van visbestanden of van daarvan afgeleide producten, of andere activiteiten ter voorbereiding van, ter ondersteuning van of verband houdend met het oogsten van visbestanden in het gereglementeerde gebied, met inbegrip van:

a)  het daadwerkelijk zoeken naar of vangen van visbestanden, of alle pogingen die hiertoe in het werk worden gesteld;

b)  alle activiteiten waarvan op redelijke gronden kan worden aangenomen dat zij bedoeld zijn om visbestanden te traceren, te vangen, binnen te halen of te oogsten, ongeacht het doel daarvan; en

c)  alle op zee ter ondersteuning of ter voorbereiding van de in deze definitie beschreven activiteiten verrichte handelingen, met uitzondering van operaties in noodgevallen waarin de gezondheid en veiligheid van de bemanningsleden of de veiligheid van een vaartuig in het geding is;

6)  "vissersvaartuig": elk vaartuig van de Unie dat visserijactiviteiten uitoefent of heeft uitgeoefend, inclusief visverwerkende vaartuigen en vaartuigen waarop vangsten worden overgeladen of die andere werkzaamheden uitoefenen met het oog op het beoefenen van of in verband met visserijactiviteiten, inclusief experimentele visserij;

7)  "onderzoeksvaartuig": een vaartuig dat permanent voor onderzoek wordt ingezet of een vaartuig dat normaliter voor visserijactiviteiten of visserijondersteunende activiteiten wordt ingezet en tijdelijk voor visserijonderzoek wordt ingezet;

8)  "CEM" (Conservation and Enforcement Measures): van kracht zijnde instandhoudings- en handhavingsmaatregelen zoals vastgesteld door de NAFO-commissie;

9)  "vangstmogelijkheden": bij een van kracht zijnde handeling van de Unie aan een lidstaat toegewezen vangstquota voor het gereglementeerde gebied;

10)  "EBVC": het Europees Bureau voor visserijcontrole, opgericht bij Verordening (EU) 2019/473 van het Europees Parlement en de Raad(14);

11)  "visdag": kalenderdag of deel van een kalenderdag waarop een vissersvaartuig aanwezig is in een sector in het gereglementeerde gebied;

12)  "haven": entiteit die onder andere offshoreterminals en andere installaties omvat voor het aanlanden, overladen, verpakken, verwerken, bijtanken of bevoorraden;

13)  "vaartuig van een niet-verdragsluitende partij": een vaartuig dat vaart onder de vlag van een staat die geen verdragsluitende partij bij de NAFO is of geen lidstaat is of een vaartuig dat ervan wordt verdacht in geen enkel land te zijn geregistreerd;

14)  "overlading": overbrenging, over de zijde, van het ene vissersvaartuig naar het andere, van visbestanden of visserijproducten;

15)  "pelagische trawl": een trawl die is ontworpen om op pelagische soorten te vissen en waarvan geen enkel deel is ontworpen om op enig ogenblik met de bodem in contact te komen of op zodanige wijze wordt gebruikt dat het op enig ogenblik met de bodem in contact komt. Het tuig is niet uitgerust met schijven, klossenpezen of rollers op de grondpees of met enig ander toebehoren dat is ontworpen om met de bodem in contact te komen, maar er kan netbeschermingsmateriaal aan zijn bevestigd;

16)  "kwetsbare mariene ecosystemen” of “KME's": kwetsbare mariene ecosystemen als bedoeld in de punten 42 en 43 van de internationale richtsnoeren van de Voedsel- en Landbouworganisatie (Food and Agriculture Organization; FAO) voor het beheer van diepzeevisserij op volle zee;

17)  "voetafdruk", ook bekend als "bestaande bodemvisserijgebieden": het deel van het gereglementeerde gebied waar historisch bodemvisserij heeft plaatsgevonden, en dat wordt omschreven door de coördinaten in tabel 4 en wordt geïllustreerd in figuur 2 van de CEM (bedoeld in respectievelijk punt 1 en punt 2 van de bijlage bij deze verordening);

18)  "bodemvisserijactiviteiten": activiteiten waarbij het vistuig tijdens het normale verloop van de visserij in contact komt of waarschijnlijk in contact komt met de zeebodem;

19)  "verwerkte vis": een marien organisme dat sinds de vangst fysiek is gewijzigd, met inbegrip van vis die is gefileerd, ontweid, verpakt, ingeblikt, ingevroren, gerookt, gezouten, gekookt, gepekeld, gedroogd of op enige andere wijze voor de markt is geprepareerd;

20)  "experimentele bodemvisserijactiviteiten": bodemvisserijactiviteiten die buiten de voetafdruk worden verricht, of binnen de voetafdruk met aanzienlijke veranderingen in de wijze waarop of in de technologie waarmee de visserij wordt verricht;

21)  "KME-indicatorsoorten": de soorten die wijzen op de aanwezigheid van KME's, zoals gespecificeerd in deel VI van bijlage I.E bij de CEM (bedoeld in punt 3 van de bijlage bij deze verordening);

22)  "IMO-nummer": een zevencijferig nummer dat aan een vaartuig wordt toegewezen onder auspiciën van de Internationale Maritieme Organisatie;

23)  "inspecteur": tenzij anders is bepaald, een inspecteur van de visserijcontrolediensten van een verdragsluitende partij bij de NAFO die voor de gezamenlijke inspectie- en surveillanceregeling als bedoeld in hoofdstuk VII is aangewezen;

24)  "IOO-visserij": de activiteiten die zijn beschreven in het internationaal actieplan ter voorkoming, ontmoediging en beëindiging van de illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij, dat door de FAO is vastgesteld;

25)  "visreis": de tijd die een vissersvaartuig vanaf zijn aankomst in tot zijn vertrek uit het gereglementeerde gebied aldaar doorbrengt en die doorloopt tot alle aan boord gehouden vangst uit het gereglementeerde gebied is aangeland of overgeladen;

26)  "VCC": een visserijcontrolecentrum aan land van de vlaggenlidstaat;

27)  "lijst van IOO-vaartuigen": de lijst vastgesteld overeenkomstig de artikelen 52 en 53 van de CEM;

28)  "significante nadelige effecten": de significante nadelige effecten als bedoeld in de punten 17 tot en met 20 van de internationale richtsnoeren voor het beheer van diepzeevisserij op volle zee van de FAO;

29)  "KME-indicatorelementen": topografische, hydrofysische of geologische kenmerken die op de mogelijke aanwezigheid van KME's wijzen, zoals gespecificeerd in deel VII van bijlage I.E bij de CEM (bedoeld in punt 4 van de bijlage bij deze verordening).

30)  "waarnemer": een persoon die door een lidstaat of een verdragsluitende partij gemachtigd en gecertificeerd is tot het observeren, monitoren en verzamelen van informatie aan boord van vissersvaartuigen.

HOOFDSTUK II

INSTANDHOUDINGS- EN BEHEERSMAATREGELEN

Artikel 4

Onderzoeksvaartuigen

1.  Een onderzoeksvaartuig:

a)  verricht geen visserijactiviteiten die niet verenigbaar zijn met zijn onderzoeksplan; of

b)  overschrijdt met zijn vangst van Noordse garnaal in sector 3L de toewijzing van de vlaggenlidstaat van het vaartuig niet.

2.  Uiterlijk tien dagen vóór de aanvang van een visserijonderzoeksperiode:

a)  stelt de vlaggenlidstaat, via elektronische doorzending in het formaat voorgeschreven in bijlage II.C bij de CEM (punt 5 van de bijlage bij deze verordening), de Commissie in kennis van alle onder zijn vlag varende onderzoeksvaartuigen die hij heeft gemachtigd om in het gereglementeerde gebied onderzoeks­activiteiten te verrichten; en

b)  verstrekt hij aan de Commissie een onderzoeksplan voor alle onder zijn vlag varende vaartuigen die zijn gemachtigd om onderzoek te verrichten, met vermelding van het doel, de locatie en, voor vaartuigen die zich tijdelijk met onderzoek bezighouden, de datums waarop het vaartuig als onderzoeksvaartuig wordt ingezet.

3.  Wanneer een ▌vaartuig dat tijdelijk voor onderzoeksdoeleinden wordt ingezet, zijn onderzoeksactiviteiten beëindigt, stelt de vlaggenlidstaat de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

4.  Wijzigingen van het onderzoeksplan worden uiterlijk tien dagen vóór de datum waarop ze van kracht worden door de vlaggenlidstaat aan de Commissie meegedeeld. Het onderzoeksvaartuig houdt aan boord een register bij van die wijzigingen.

5.  Voor onderzoek ingezette vaartuigen houden te allen tijde aan boord een kopie van het onderzoeksplan in de Engelse taal bij.

6.  Uiterlijk zeven dagen vóór de aanvang van de visserijperiode of, in het geval van wijzigingen van het onderzoeksplan, zeven dagen vóór de datum waarop een wijziging van het onderzoeksplan van kracht wordt, zendt de Commissie de door de vlaggenlidstaat overeenkomstig de leden 3, 4 en 5 gemelde informatie door aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.

Artikel 5

Vangst- en inspanningsbeperkingen

1.  Elke lidstaat waarborgt dat alle vangst- en/of inspanningsbeperkingen van toepassing zijn op de in de van kracht zijnde vangstmogelijkheden genoemde bestanden en, tenzij anders is bepaald, dat alle quota in ton levend gewicht worden uitgedrukt.

2.  De lidstaten kunnen vissersvaartuigen die hun vlag voeren, toestemming geven te vissen op bestanden waarvoor zij geen quotum toegewezen hebben gekregen overeenkomstig de van kracht zijnde vangstmogelijkheden (het "overige"-quotum), indien een dergelijk quotum bestaat en er geen kennisgeving van sluiting is gedaan door de uitvoerend secretaris van de NAFO.

3.  Voor de in de van kracht zijnde vangstmogelijkheden genoemde bestanden die in het gereglementeerde gebied worden gevangen door onder zijn vlag varende vaartuigen, geldt voor elke vlaggenlidstaat het volgende:

a)  hij waarborgt dat alle door onder zijn vlag varende vaartuigen gevangen soorten van in de van kracht zijnde vangstmogelijkheden genoemde bestanden in mindering worden gebracht op het aan de lidstaat toegewezen quotum, met inbegrip van de bijvangst van roodbaars in sector 3M die wordt gedaan tussen de geraamde datum waarop vijftig procent van de totale toegestane vangst (TAC) voor roodbaars in sector 3M is opgebruikt en 1 juli;

b)  hij waarborgt dat er geen roodbaars uit sector 3M meer aan boord van onder zijn vlag varende vaartuigen wordt gehouden na de geraamde datum waarop de TAC voor roodbaars in sector 3M voor honderd procent is gebruikt, met uitzondering van roodbaars uit sector 3M die vóór de sluiting is gevangen;

c)  hij stelt de Commissie en het EBVC ten minste 48 uur vóór elke binnenvaart na ten minste 48 uur afwezigheid uit het gereglementeerde gebied in kennis van de Unievaartuigen die voornemens zijn om het "overige"-quotum te bevissen. Die kennisgeving gaat indien mogelijk vergezeld van een raming van de verwachte vangst. Die kennisgeving wordt gepost op de monitoring-, controle- en surveillancewebsite (Monitoring, Control and Surveillance website; “MCS-website”).

4.  Voor elke trek wordt de soort die in gewicht het grootste percentage van de totale vangst in de trek uitmaakt, geacht te zijn gevangen in een gerichte visserij op het betrokken bestand.

Artikel 6

Visserijsluitingen

1.  Elke lidstaat:

a)  sluit zijn visserij op in de van kracht zijnde vangstmogelijkheden genoemde bestanden in het gereglementeerde gebied op de datum waarop de beschikbare gegevens erop wijzen dat het totale quotum dat voor de betrokken bestanden aan de lidstaat is toegewezen, zal zijn opgebruikt, waaronder begrepen de hoeveelheid die naar raming vóór de sluiting van de visserij zal worden gevangen, teruggooi, en de geraamde ongemelde vangst door alle onder de vlag van die lidstaat varende vaartuigen;

b)  waarborgt dat onder zijn vlag varende vaartuigen hun mogelijk in vangst resulterende visserijactiviteiten onmiddellijk staken wanneer hij door de Commissie overeenkomstig lid 3 ervan in kennis wordt gesteld dat het aan hem toegewezen quotum volledig is opgebruikt. Indien de lidstaat kan aantonen dat hem voor dat bestand nog quotum resteert overeenkomstig lid 2, mogen zijn vaartuigen de visserij op dat bestand hervatten;

c)  sluit zijn visserij op Noordse garnaal in sector 3M wanneer het aan hem toegewezen aantal visdagen is bereikt. Het aantal visdagen van elk vaartuig wordt bepaald door middel van VMS-positiegegevens in sector 3M, waarbij elk deel van een dag als een volledige dag wordt beschouwd;

d)  sluit zijn gerichte visserij op roodbaars in sector 3M tussen de datum waarop de geaccumu­leerde gemelde vangst naar raming vijftig procent van de TAC voor roodbaars in sector 3M bereikt, zoals gemeld overeenkomstig lid 3, en 1 juli;

e)  sluit zijn gerichte visserij op roodbaars in sector 3M op de datum waarop de geaccumuleerde gemelde vangst naar raming honderd procent van de TAC voor roodbaars in sector 3M bereikt, zoals gemeld overeenkomstig lid 3;

f)  stelt de Commissie onverwijld in kennis van de datum van sluiting als bedoeld in de punten a) tot en met e);

g)  verbiedt onder zijn vlag varende vaartuigen om een gerichte visserij in het gereglementeerde gebied op een bepaald bestand in het kader van een "overige"-quotum voort te zetten voor meer dan vijf dagen na de kennisgeving door de uitvoerend secretaris van de NAFO, zoals doorgezonden door de Commissie, dat het "overige"-quotum in kwestie naar verwachting opgebruikt zal zijn, overeenkomstig lid 3;

h)  waarborgt dat onder zijn vlag varende vaartuigen geen gerichte visserij in het gereglementeerde gebied op een bepaald bestand in het kader van het "overige"-quotum beginnen na de kennisgeving door de uitvoerend secretaris van de NAFO dat het quotum in kwestie naar verwachting opgebruikt zal zijn, overeenkomstig lid 3;

i)  waarborgt, na een sluiting van de visserij overeenkomstig dit lid, dat er geen vis van het betrokken bestand meer aan boord wordt gehouden van onder zijn vlag varende vaartuigen, tenzij zij daartoe bij deze verordening anderszins gemachtigd zijn.

2.  Een visserij die overeenkomstig lid 1 is gesloten, mag worden heropend binnen 15 dagen na de kennisgeving door de Commissie naar aanleiding van de communicatie met de uitvoerend secretaris van de NAFO:

a)  indien de uitvoerend secretaris van de NAFO bevestigt dat de Commissie heeft aangetoond dat er beschikbaar quotum resteert van de oorspronkelijke toewijzing; of

b)  indien een quotumoverdracht van een andere verdragsluitende partij bij de NAFO, overeenkomstig de vangstmogelijkheden, in extra quotum voor het aan sluiting onderworpen bestand in kwestie resulteert.

3.  De Commissie stelt de lidstaten onverwijld in kennis van de datum van sluiting als bedoeld in lid 1.

Artikel 7

Aan boord gehouden bijvangst

1.  De kapitein van het vaartuig, daaronder begrepen een overeenkomstig artikel 23 gecharterd vissersvaartuig, zorgt ervoor dat het vaartuig tijdens zijn activiteiten in het gereglementeerde gebied de bijvangsten van soorten die in zijn respectieve van kracht zijnde vangstmogelijkheden worden genoemd, tot een minimum beperkt.

2.  Een in de van kracht zijnde vangstmogelijkheden genoemde soort wordt als bijvangst aangemerkt wanneer zij wordt gevangen in een sector waar een van de volgende situaties bestaat:

a)  er is geen quotum aan die lidstaat toegewezen voor dat bestand in die sector, overeenkomstig de van kracht zijnde vangstmogelijkheden;

b)  er is een verbod op de visserij op dat specifieke bestand van kracht (moratorium); of

c)  het "overige"-quotum voor een bepaald bestand is volledig opgebruikt, na een kennisgeving door de Commissie overeenkomstig artikel 6.

3.  De kapitein van het vaartuig, daaronder begrepen een overeenkomstig artikel 23 gecharterd vissersvaartuig, zorgt ervoor dat het vaartuig het aan boord houden van als bijvangst aangemerkte soorten beperkt tot de hieronder gespecificeerde maxima:

a)  voor kabeljauw in sector 3M, roodbaars in sector 3LN en witje in sector 3NO: 1 250 kg of 5 %, afhankelijk van welke hoeveelheid het grootst is;

b)  voor kabeljauw in sector 3NO: 1 000 kg of 4 %, afhankelijk van welke hoeveelheid het grootst is;

c)  voor alle andere in de vangstmogelijkheden genoemde bestanden waarvoor geen specifiek quotum aan de lidstaat is toegewezen: 2 500 kg of 10 %, afhankelijk van welke hoeveelheid het grootst is;

d)  wanneer een vangstverbod geldt (moratorium), of wanneer het voor dat bestand geopende "overige"-quotum volledig is opgebruikt: 1 250 kg of 5 %, afhankelijk van welke hoeveelheid het grootst is;

e)  zodra de gerichte visserij op roodbaars in sector 3M wordt gesloten overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt d): 1 250 kg of 5 %, afhankelijk van welke hoeveelheid het grootst is;

f)  bij gerichte visserij op geelstaartschar in de sectoren 3LNO: 15% Amerikaanse schol; anders zijn de bepalingen inzake bijvangst in punt d) van toepassing.

4.  De in lid 3 bedoelde beperkingen en percentages worden per sector berekend op basis van de in het visserijlogboek opgenomen gegevens als het percentage, in gewicht, voor elk bestand van de totale vangst van in de van kracht zijnde vangstmogelijkheden genoemde bestanden die ten tijde van een inspectie aan boord worden gehouden.

5.  De berekening van de bijvangstniveaus van bodemvissen in lid 3 omvat niet de vangsten van Noordse garnaal in de totale vangst aan boord.

Artikel 8

Overschrijding van de bijvangstlimieten per trek

1.  De kapitein van het vaartuig zorgt ervoor dat het vaartuig:

a)  geen gerichte visserij op de in artikel 7, lid 2, bedoelde soorten verricht;

b)  de volgende voorschriften nakomt, wanneer, met uitzondering van gerichte visserij op Noordse garnaal, het gewicht van een onder de bijvangstbeperkingen vallende soort in een trek de hoogste van de in artikel 7, lid 3, vastgestelde beperkingen overschrijdt:

i)  zich onmiddellijk ten minste tien zeemijl verwijderen van alle posities tijdens de vorige trek/uitzetting en gedurende de volgende trek/uitzetting;

ii)  de sector verlaten en er ten minste zestig uur niet terugkomen indien de in artikel 7, lid 3, vastgestelde bijvangstbeperkingen nogmaals worden overschreden na de eerste trek/uitzetting nadat het zich heeft verwijderd overeenkomstig subpunt i);

iii)  een proeftrek verrichten voor maximaal drie uur alvorens een nieuwe visserijactiviteit te beginnen na een afwezigheid van ten minste zestig uur. Indien de bestanden waarvoor bijvangstbeperkingen gelden, in gewicht procentueel het grootste deel van de totale uit de trek resulterende vangst uitmaken, wordt dit niet als een gerichte visserij op die bestanden beschouwd, en moet het vaartuig zich onmiddellijk verplaatsen overeenkomstig subpunten i) en ii); en

iv)  elke overeenkomstig punt b) verrichte proeftrek identificeren en in het visserijlogboek de coördinaten van de begin- en eindlocatie van elke verrichte proeftrek registreren.

2.  In een gerichte visserij op Noordse garnaal is de in lid 1, punt b), i) en ii), bedoelde verplaatsing van toepassing wanneer, voor een trek, de totale hoeveelheid van de in de van kracht zijnde vangstmogelijkheden genoemde grondvisbestanden meer dan 5 % in sector 3M of 2,5 % in sector 3L bedraagt.

3.  De eerste keer dat bij de gerichte visserij op rog met een voor die tak toegestane maas­wijdte de vangsten van soorten waarvoor overeenkomstig artikel 7, lid 2, bijvangstbeperkingen gelden, in gewicht procentueel het grootste deel van de totale vangst van de trek uitmaken, wordt echter aangenomen dat er sprake is van incidentele vangst, maar verplaatst het vaartuig zich onverwijld zoals vastgesteld in lid 1 van dit artikel.

4.  Het percentage bijvangst in een trek wordt voor elk in de van kracht zijnde vangst­mogelijkheden genoemd bestand berekend als het percentage, in gewicht, van de totale vangst van die trek.

Artikel 9

Noordse garnaal

1.  Voor de toepassing van dit artikel omvat sector 3M het deel van sector 3L dat wordt ingesloten door de lijnen die de punten met elkaar verbinden die zijn beschreven in tabel 1 en zijn afgebeeld in figuur 1(1) van de CEM (punt 6 van de bijlage bij deze verordening).

2.  Een vaartuig dat tijdens dezelfde visreis op Noordse garnaal en andere soorten vist, zendt een bericht aan de Commissie toe waarin de verandering van de visserij wordt gesignaleerd. Het aantal visdagen wordt dienovereenkomstig berekend.

3.  De in dit artikel bedoelde visdagen zijn niet overdraagbaar tussen verdragsluitende partijen bij de NAFO. Enkel overeenkomstig artikel 23 kunnen visdagen van een verdragsluitende partij bij de NAFO worden gebruikt door een vaartuig dat onder de vlag van een andere verdragsluitende partij bij de NAFO vaart.

4.  Tussen 00:01 gecoördineerde universele tijd (UTC) op 1 juni en 24:00 UTC op 31 december vist geen enkel vaartuig op Noordse garnaal in sector 3M in het gebied zoals beschreven in tabel 2 en afgebeeld in figuur 1(2) van de CEM (punt 7 van de bijlage bij deze verordening).

5.  Alle visserij op Noordse garnaal in sector 3L vindt plaats op diepten van meer dan tweehonderd meter. Visserij in het gereglementeerde gebied is beperkt tot een gebied ten oosten van een lijn die de punten met de coördinaten met elkaar verbindt zoals beschreven in tabel 3 en afgebeeld in figuur 1(3) van de CEM (punt 8 van de bijlage bij deze verordening).

6.  Elk vaartuig dat op Noordse garnaal in sector 3L heeft gevist, of zijn vertegenwoordigers, stellen de bevoegde havenautoriteit ten minste 24 uur vóór het geraamde tijdstip van aankomst in kennis van het geraamde tijdstip van aankomst en van de geraamde hoeveelheden Noordse garnaal aan boord per sector.

Artikel 10

Groenlandse heilbot/zwarte heilbot

1.  De volgende maatregelen zijn van toepassing op vaartuigen met een lengte over alles van 24 meter of meer die betrokken zijn bij de visserij op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot in deelgebied 2 en de sectoren 3KLMNO:

a)  elke lidstaat verdeelt zijn quota voor Groenlandse heilbot/zwarte heilbot over zijn gemachtigde vaartuigen;

b)  een gemachtigd vaartuig landt zijn vangsten van Groenlandse heilbot/zwarte heilbot enkel aan in een aangewezen haven van een verdragsluitende partij bij de NAFO. Daartoe wijst elke lidstaat een of meer havens op zijn grondgebied aan waar gemachtigde vaartuigen Groenlandse heilbot/zwarte heilbot mogen aanlanden;

c)  elke lidstaat meldt aan de Commissie de naam van elke haven die hij aldus heeft aangewezen. Latere wijzigingen van de lijst worden uiterlijk 20 dagen voordat de wijziging van kracht wordt, toegezonden ter vervanging van de vorige lijst. De Commissie post de informatie op de MCS-website van de NAFO;

d)  ten minste 48 uur vóór zijn geraamde tijdstip van aankomst in de haven, stelt een gemachtigd vaartuig of zijn vertegenwoordiger de voor visserijcontrole bevoegde havenautoriteit in kennis van zijn geraamde tijdstip van aankomst, de geraamde totale hoeveelheid aan boord gehouden Groenlandse heilbot/zwarte heilbot, en informatie over de sector of sectoren waar de vangsten zijn gedaan;

e)  elke lidstaat inspecteert elke aanlanding van Groenlandse heilbot/zwarte heilbot in zijn havens en stelt een inspectieverslag op in het in bijlage IV.C bij de CEM voorgeschreven formaat (bedoeld in punt 9 van de bijlage bij deze verordening), en zendt het toe aan de Commissie met het EBVC in kopie, binnen 12 werkdagen vanaf de datum waarop de inspectie is voltooid. Het rapport maakt melding van en bevat details over elke tijdens de haveninspectie geconstateerde inbreuk op deze verordening. Het verslag bevat alle relevante beschikbare informatie met betrekking tot tijdens de lopende reis van het geïnspecteerde vissersvaartuig op zee vastgestelde inbreuken. De Commissie post de informatie op de MCS-website van de NAFO.

2.  De volgende procedures zijn van toepassing op gemachtigde vaartuigen met een buiten het gereglementeerde gebied gedane totale vangst van meer dan vijftig ton levend gewicht aan boord die het gereglementeerde gebied binnenvaren om op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot te vissen:

a)  de kapitein van het vaartuig stelt de uitvoerend secretaris van de NAFO per e-mail of per fax uiterlijk 72 uur voordat het vaartuig het gereglementeerde gebied binnenvaart, in kennis van de hoeveelheid vangst aan boord, de positie (lengte- en breedtegraad) waar de kapitein van het vaartuig voornemens is de visserij te beginnen, het geraamde tijdstip van aankomst op de positie, en contactinformatie voor het vissersvaartuig (bijvoorbeeld radio, satelliettelefoon of e-mail);

b)  een inspectievaartuig dat voornemens is om een vissersvaartuig te inspecteren voordat het begint te vissen op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot stelt het vissersvaartuig en de uitvoerend secretaris van de NAFO in kennis van de coördinaten van een aangewezen inspectiepunt dat niet meer dan zestig zeemijl is verwijderd van de positie waar het vaartuig naar schatting van de kapitein van het vaartuig zal beginnen te vissen en stelt andere inspectievaartuigen die mogelijk in het gereglementeerde gebied actief zijn daarvan in kennis;

c)  een vissersvaartuig dat overeenkomstig punt b) in kennis is gesteld, doet het volgende:

i)  het begeeft zich naar het aangewezen inspectiepunt, en

ii)  het zorgt ervoor dat het opslagschema voor de vangst aan boord bij binnen­komst in de gereglementeerde gebieden voldoet aan de voorschriften van artikel 25, lid 5, en op verzoek ter beschikking wordt gesteld van de inspecteurs;

d)  een vissersvaartuig mag niet beginnen te vissen voordat het overeenkomstig dit artikel is geïnspecteerd, tenzij:

i)  het geen kennisgeving ontvangt binnen 72 uur na de kennisgeving die het overeenkomstig punt a) heeft verzonden; of

ii)  binnen drie uur na zijn aankomst op het aangewezen inspectiepunt, het inspectievaartuig de beoogde inspectie niet is begonnen.

3.  De aanlanding van Groenlandse heilbot/zwarte heilbot van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen die visserijactiviteiten hebben verricht in het gereglementeerde gebied is verboden.

Artikel 11

Pijlinktvis

Tussen 00:01 UTC op 1 januari en 24:00 UTC op 30 juni is vissen op pijlinktvis in de deelgebieden 3 en 4 verboden.

Artikel 12

Instandhouding en beheer van het haaienbestand

1.  De lidstaten rapporteren alle vangsten van haaien, met inbegrip van de beschikbare historische gegevens, overeenkomstig de in artikel 25 vastgestelde procedures voor de rapportage van de vangsten en de visserij-inspanning;

2.   Voor alle geobserveerde trekken die Groenlandse haai bevatten, noteren waarnemers het aantal, het geraamde gewicht en de gemeten lengte (de geschatte lengte indien de gemeten lengte niet mogelijk is) per trek of uitzetting, het geslacht en de toestand bij vangst (levend, dood of onbekend) van elke individuele Groenlandse haai.

3.   Het is verboden:

a)  haaienvinnen af te snijden aan boord van vaartuigen;

b)  haaienvinnen die volledig van een karkas zijn losgemaakt, aan boord te houden, over te laden of aan te landen.

4.  Onverminderd lid 1 mogen haaienvinnen gedeeltelijk worden ingesneden en tegen het karkas worden gevouwen om de opslag aan boord te vergemakkelijken.

5.  Haaienvinnen die in strijd met dit artikel zijn geoogst worden door geen enkel vissersvaartuig aan boord gehouden, overgeladen of aangeland.

6.  In niet op haaien gerichte visserijen spoort elke lidstaat de onder zijn vlag varende vaartuigen aan om haaien die niet als voedsel of voor zelfvoorziening zijn bedoeld, levend terug te zetten, met name jonge exemplaren.

7.  Indien mogelijk doen de lidstaten het volgende:

a)  zij verrichten onderzoek om manieren vast te stellen om vistuig selectiever te maken ter bescherming van haaien;

b)  zij verrichten onderzoek naar essentiële biologische en ecologische parameters, levenscyclus, gedragskenmerken en migratiepatronen, alsook naar de identificatie en kartering van mogelijke kraam- en kinderkamergebieden van de belangrijkste haaiensoorten.

8.  De lidstaten verstrekken de resultaten van dergelijk onderzoek aan de Commissie, voor doorzending aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.

Artikel 13

Maaswijdten

1.  Voor de toepassing van dit artikel moet de maaswijdte worden gemeten met behulp van de bij Verordening (EG) nr. 517/2008 van de Commissie(15) bepaalde meetinstrumenten, overeenkomstig bijlage III.A bij de CEM (punt 10 van de bijlage bij deze verordening).

2.  Geen enkel vaartuig vist met een net met een maaswijdte kleiner dan voorgeschreven voor elk van de volgende soorten:

a)  40 mm voor Noordse garnaal en garnalen (PRA);

b)  60 mm voor kortpijlinktvis (SQI);

c)  280 mm in de kuil en 220 mm in alle andere delen van de trawl voor rog (SKA);

d)  130 mm voor alle andere bodemvissen, zoals genoemd in bijlage I.C bij de CEM (punt 11 van de bijlage bij deze verordening);

e)  100 mm voor pelagische Sebastes mentella (REB) in deelgebied 2 en de sectoren 1F en 3K; en

f)  90 mm voor roodbaarzen (RED) in de visserij met pelagische trawls in de sectoren 3O, 3M en 3LN.

3.  Een vaartuig dat een visserij op een in lid 2 van dit artikel bedoelde soort verricht dat netten aan boord heeft met een maaswijdte kleiner dan die welke in dat lid zijn gespecificeerd, waarborgt dat zulke netten zijn vastgesjord en opgeborgen en niet onmiddellijk tijdens die visserij kunnen worden gebruikt.

4.  Een vaartuig waarmee gericht op andere dan de in lid 2 van dit artikel vermelde soorten wordt gevist, mag echter gereglementeerde soorten vangen met netten met een maaswijdte die kleiner is dan de in dit lid gespecificeerde maaswijdte, op voorwaarde dat aan de in artikel 7, lid 3, gestelde vereisten inzake bijvangsten is voldaan.

Artikel 14

Gebruik van netvoorzieningen en het merken van vistuig

1.  Verstevigingslijnen, verdeelstroppen en kuildrijvers mogen aan trawls worden bevestigd, zolang die voorzieningen op generlei wijze de toegestane maaswijdte beperken of de maasopening versperren.

2.  Geen enkel vaartuig gebruikt een middel of instrument dat de mazen verspert of de omvang ervan verkleint. Vaartuigen mogen aan de bovenzijde van de kuil evenwel de voorzieningen aanbrengen die zijn beschreven in bijlage III.B ("Authorized Topside Chafers/Shrimp Toggle Chains") bij de CEM (bedoeld in punt 12 van de bijlage bij deze verordening), op een wijze die de mazen van de kuil niet verspert, inclusief eventuele tunnels. Zeildoek, netten of ander materiaal wordt enkel aan de onderzijde van de kuil van een net aangebracht voor zover nodig om schade aan de kuil te voorkomen of tot een minimum te beperken.

3.  Vaartuigen die vissen op Noordse garnaal in sector 3L of 3M gebruiken sorteerroosters met een afstand van ten hoogste 22 mm tussen de staven. Vaartuigen die op Noordse garnaal vissen in 3L gebruiken bovendien voor het bevestigen van de klossenpees kettingen van minimaal 72 cm, zoals beschreven in bijlage III.B bij de CEM (bedoeld in punt 12 van de bijlage bij deze verordening).

4.  Bij het vissen in de in artikel 18, lid 1, bedoelde gebieden zijn enkel pelagische trawls toegestaan.

5.  Een vissersvaartuig:

a)  gebruikt geen vistuig dat niet is gemerkt overeenkomstig de algemeen aanvaarde internationale normen, met name het Verdrag van 1967 inzake de uitoefening van de visserij op de Noord-Atlantische Oceaan; of

b)  gebruikt geen merkboei of soortgelijk voorwerp dat op het wateroppervlak drijft en dat is bedoeld om de locatie van vast vistuig aan te geven zonder dat het registratie­nummer van het vaartuig erop is aangebracht.

Artikel 15

Verloren of achtergelaten vistuig, terughalen van vistuig

1.  De kapitein van een in het gereglementeerde gebied vissend vaartuig ▌:

a)  heeft materiaal aan boord van het vissersvaartuig om verloren vistuig terug te halen;

b)  onderneemt, indien het vistuig of een deel ervan is verloren, elke redelijke poging om het zo snel mogelijk terug te halen; en

c)  laat niet opzettelijk vistuig achter, behalve om veiligheidsredenen.

2.  Indien het verloren vistuig niet kan worden teruggehaald, stelt de kapitein van het vaartuig de vlaggenlidstaat binnen 24 uur in kennis van het volgende:

a)  de naam en roepnaam van het vaartuig;

b)  het soort verloren vistuig;

c)  de hoeveelheid verloren vistuig;

d)  het tijdstip van het verlies;

e)  de plaats van het verlies; en

f)  de maatregelen die het vaartuig heeft genomen om het verloren vistuig terug te halen.

3.  Na het terughalen van verloren vistuig stelt de kapitein van het vaartuig de vlaggenlidstaat binnen 24 uur in kennis van het volgende:

a)  de naam en de roepnaam van het vaartuig dat het vistuig heeft teruggehaald;

b)  de naam en de roepnaam van het vaartuig dat het vistuig heeft verloren (indien bekend);

c)  het type teruggehaald vistuig;

d)  de hoeveelheid teruggehaald vistuig;

e)  het tijdstip waarop het vistuig is teruggehaald; en

f)  de plaats waar het vistuig is teruggehaald.

4.  De lidstaat deelt de in de leden 2 en 3 bedoelde informatie onverwijld mee aan de Commissie, voor doorzending aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.

Artikel 16

Minimummaten voor vis

1.  Vis die kleiner is dan de minimummaten die zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage I.D bij de CEM (bedoeld in punt 13 van de bijlage bij deze verordening), wordt door geen enkel vaartuig aan boord gehouden en wordt onmiddellijk terug in zee gezet.

2.  Verwerkte vis die kleiner is dan een lengte-equivalent dat is voorgeschreven voor die soort in bijlage I.D bij de CEM (bedoeld in punt 13 van de bijlage bij deze verordening), wordt geacht voort te komen uit vis die kleiner is dan de voor die soort voorgeschreven minimummaten voor vis.

3.  Wanneer het aantal ondermaatse vissen in één trek meer bedraagt dan tien procent van het totale aantal vissen in die trek, houdt het vaartuig voor zijn volgende trek ten minste vijf zeemijl afstand van elke positie van de vorige trek.

HOOFDSTUK III

BESCHERMING VAN KME's IN HET GEREGLEMENTEERDE GEBIED TEGEN BODEMVISSERIJACTIVITEITEN

Artikel 17

Voetafdrukkaart (bestaande bodemvisserijgebieden)

De kaart van de bestaande bodemvisserijgebieden in het gereglementeerde gebied die is afgebeeld in figuur 2 van de CEM (bedoeld in punt 2 van de bijlage bij deze verordening), wordt in het westen afgebakend door de grens van de Canadese exclusieve economische zone en in het oosten door de coördinaten in tabel 4 van de CEM (bedoeld in punt 1 van de bijlage bij deze verordening).

Artikel 18

Gebiedsbeperkingen voor bodemvisserijactiviteiten

1.  Tot en met 31 december 2020 verricht geen enkel vaartuig bodemvisserijactiviteiten in een van de gebieden die zijn geïllustreerd in figuur 3 van de CEM (bedoeld in punt 14 van de bijlage bij deze verordening), en die worden afgebakend door de coördinaten die zijn gespecificeerd in tabel 5 van de CEM (bedoeld in punt 15 van de bijlage bij deze verordening), met elkaar te verbinden in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1

2.  Tot en met 31 december 2020 verricht geen enkel vaartuig bodemvisserijactiviteiten in het gebied van sector 3O dat is geïllustreerd in figuur 4 van de CEM (bedoeld in punt 16 van de bijlage bij deze verordening), en dat wordt afgebakend door de coördinaten die zijn gespecificeerd in tabel 6 van de CEM (bedoeld in punt 17 van de bijlage bij deze verordening), met elkaar te verbinden in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1.

3.  Tot en met 31 december 2020 verricht geen enkel vaartuig bodemvisserijactiviteiten in de gebieden 1-13 die zijn geïllustreerd in figuur 5 van de CEM (bedoeld in punt 18 van de bijlage bij deze verordening), en die worden afgebakend door de coördinaten die zijn gespecificeerd in tabel 7 van de CEM (bedoeld in punt 19 van de bijlage bij deze verordening), met elkaar te verbinden in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1.

4.  Tot en met 31 december 2018 verricht geen enkel vaartuig bodemvisserijactiviteiten in gebied 14 dat is geïllustreerd in figuur 5 van de CEM (bedoeld in punt 18 van de bijlage bij deze verordening), en dat wordt afgebakend door de coördinaten die zijn gespecificeerd in tabel 7 van de CEM (bedoeld in punt 19 van de bijlage bij deze verordening), met elkaar te verbinden in volgorde van nummering en terug tot coördinaat 1.

Artikel 19

Experimentele bodemvisserijactiviteiten

1.  Experimentele bodemvisserijactiviteiten worden onderworpen aan een voorafgaande verkenning overeenkomstig het experimenteel protocol dat is opgenomen in bijlage I.E bij de CEM (bedoeld in punt 20 van de bijlage bij deze verordening).

2.  Lidstaten waarvan de vaartuigen bodemvisserijactiviteiten wensen te verrichten, doen, met het oog op de evaluatie, het volgende:

a)  zij verzenden aan de Commissie het bericht van voornemen om experimentele bodemvisserij te verrichten (Notice of Intent to Undertake Exploratory Bottom Fishing) overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM (bedoeld in punt 21 van de bijlage bij deze verordening), samen met de krachtens artikel 20, lid 1, vereiste beoordeling;

b)  zij verstrekken aan de Commissie een verslag van de experimentele-bodemvisserijreis ("Exploratory Bottom Fishing Trip Report") overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM (bedoeld in punt 22 van de bijlage bij deze verordening), binnen twee maanden na de voltooiing van de experimentele bodemvisserijactiviteiten.

3.   De kapitein van het vaartuig:

a)   vangt pas experimentele bodemvisserijactiviteiten aan nadat hij daarvoor toestemming heeft gekregen overeenkomstig de door de NAFO-commissie uitgevaardigde CEM ter preventie van significante nadelige effecten van de bodemvisserijactiviteiten op KME's;

b)   heeft voor de duur van de experimentele bodemvisserijactiviteit een wetenschappelijk waarnemer aan boord.

Artikel 20

Voorlopige beoordeling van voorgestelde experimentele bodemvisserijactiviteiten

1.  Een lidstaat die voorstelt deel te nemen aan experimentele bodemvisserijactiviteiten dient, ter ondersteuning van zijn voorstel, een voorlopige beoordeling in van de bekende en verwachte gevolgen voor KME's van de bodemvisserijactiviteit die door de onder zijn vlag varende vaartuigen zal worden uitgeoefend.

2.  De in lid 1 bedoelde voorlopige beoordeling:

a)  wordt uiterlijk een week vóór de opening van de juni-vergadering van de wetenschappelijke raad van de NAFO aan de Commissie toegezonden;

b)  bestrijkt de elementen voor de beoordeling van voorgestelde experimentele bodemvisserijactiviteiten overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM (punt 23 van de bijlage bij deze verordening).

Artikel 21

Contact met KME-indicatorsoorten

1.  Een contact met KME-indicatorsoorten wordt gedefinieerd als een vangst per trek (bijvoorbeeld trawltrek, beuguitzetting, kieuwnetuitzetting) van meer dan zeven kg zeeveren en/of zestig kg ander levend koraal en/of driehonderd kg sponzen.

2.  Elke lidstaat schrijft voor dat de kapiteins van onder zijn vlag varende vaartuigen die bodemvisserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied verrichten, de vangst van KME-indicatorsoorten kwantificeren, wanneer tijdens de visserijactiviteiten bewijs wordt aangetroffen voor de aanwezigheid van KME-indicatorsoorten, overeen­komstig deel VI van bijlage I.E bij de CEM (bedoeld in punt 3 van de bijlage bij deze verordening).

3.  Indien de hoeveelheid tijdens de in lid 2 bedoelde visserijactiviteit (zoals een trawltrek of uitzetting van een kieuwnet of beug) gevangen KME-indicatorsoorten de in lid 1 vastgestelde drempel overschrijdt, doet de kapitein van het vaartuig het volgende:

a)  hij meldt het contact onverwijld aan de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat, met vermelding van de positie die het vaartuig heeft meegedeeld, hetzij het eindpunt van de trek of uitzetting of een andere positie die het dichtst bij de exacte locatie van het contact is, de aangetroffen KME-indicatorsoort, de hoeveelheid (kg) van de aangetroffen KME-indicatorsoort; en

b)  hij stopt met vissen en vaart ten minste twee zeemijl weg van het eindpunt van de trek of uitzetting in de richting die het minst waarschijnlijk verdere contacten zal opleveren. De kapitein van het vaartuig oordeelt naar beste vermogen op grond van alle beschikbare informatiebronnen.

4.  Elke lidstaat schrijft voor dat overeenkomstig artikel 19, lid 3, punt b), voor de gebieden buiten de voetafdruk een waarnemer met voldoende wetenschappelijke deskundigheid wordt ingezet, die:

a)  de koralen, sponzen en andere organismen tot op het laagst mogelijke taxonomische niveau identificeert, aan de hand van het formulier voor de verzameling van experimentele-visserijgegevens ("Exploratory Fishery Data Collection Form") overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM (bedoeld in punt 24 van de bijlage bij deze verordening); en

b)  de resultaten van een dergelijke identificatie verstrekt aan de kapitein van het vaartuig om de in lid 2 van dit artikel bedoelde kwantificering te vergemakkelijken.

5.  Elke lidstaat:

a)  stuurt onverwijld de door de kapitein van het vaartuig gerapporteerde contactinformatie door aan de Commissie indien de hoeveelheid van de bij een visserijactiviteit gevangen KME-indicatorsoorten (zoals een trawltrek of een kieuwnet- of beuguitzetting) de in lid 1 vastgestelde drempel overschrijdt;

b)  signaleert het contact onverwijld aan alle onder zijn vlag varende vissersvaartuigen; en

c)  voorziet na kennisgeving door de Commissie waar mogelijk in een tijdelijke sluiting in een straal van twee mijl rond de gemelde contactlocatie buiten de voetafdruk.

De Commissie kan tijdelijk gesloten gebieden heropenen na kennisgeving door de NAFO.

HOOFDSTUK IV

VAARTUIGVOORSCHRIFTEN EN CHARTERING

Artikel 22

Vaartuigvoorschriften

1.  Elke lidstaat stelt de Commissie langs elektronische weg in kennis van het volgende:

a)  een lijst van de onder zijn vlag varende vaartuigen die het kan machtigen om visserijactiviteiten te verrichten in het gereglementeerde gebied, "aangemelde vaartuigen", in het formaat dat is voorgeschreven in bijlage II.C1 bij de CEM (bedoeld in punt 25 van de bijlage bij deze verordening);

b)  elke schrapping uit de lijst van aangemelde vaartuigen, onverwijld, in het formaat dat is voorgeschreven in bijlage II.C2 bij de CEM (bedoeld in punt 26 van de bijlage bij deze verordening).

2.  Een vissersvaartuig mag geen visserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied verrichten, tenzij:

a)  het als een aangemeld vaartuig is geregistreerd;

b)  het een IMO-nummer heeft toegewezen gekregen; en

c)  het de toestemming van de vlaggenlidstaat heeft verkregen om dergelijke visserijactiviteiten te verrichten ("gemachtigd vaartuig")

3.  Geen enkele lidstaat machtigt een onder zijn vlag varend vissersvaartuig om visserij­activiteiten in het gereglementeerde gebied te verrichten tenzij hij in staat is om zijn verplichtingen als vlaggenstaat ten aanzien van een dergelijk vaartuig op doeltreffende wijze na te komen.

4.  Elke lidstaat beheert het aantal gemachtigde vaartuigen en hun visserijinspanning op een wijze die terdege rekening houdt met de vangstmogelijkheden waarover die lidstaat in het gereglementeerde gebied beschikt.

5.  Elke lidstaat zendt aan de Commissie langs elektronische weg het volgende toe:

a)  uiterlijk veertig dagen vóór de aanvang van de visserijactiviteiten voor het kalender­jaar, de individuele machtiging voor elk vaartuig van de lijst van aangemelde vaar­tuigen dat hij heeft gemachtigd om visserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied te verrichten, gemachtigd vaartuig, in het formaat dat is gespecificeerd in bijlage II.C3 bij de CEM (bedoeld in punt 27 van de bijlage bij deze verordening).

Elke machtiging vermeldt met name de begin- en einddatum van de geldigheids­periode en de soorten waarvoor gerichte visserij toegestaan is, tenzij is voorzien in een vrijstelling in bijlage II.C3 bij de CEM (bedoeld in punt 27 van de bijlage bij deze verordening). Indien het vaartuig voornemens is te vissen op in de van kracht zijnde vangstmogelijk­heden bedoelde gereguleerde soorten, wordt daarbij melding gemaakt van het bestand waarvan de gereguleerde soort is geassocieerd met het betrokken gebied;

b)  onverwijld de schorsing van de machtiging, in het formaat dat is voorgeschreven in bijlage II.C4 bij de CEM (bedoeld in punt 28 van de bijlage bij deze verordening), in geval van opheffing van de betrokken machtiging of een wijziging van de inhoud ervan, wanneer de opheffing of wijziging plaatsvindt tijdens de geldigheidsperiode;

c)  de hervatting van een geschorste machtiging, verzonden overeenkomstig de in punt a) beschreven procedure.

6.  Elke lidstaat waarborgt dat de geldigheidsperiode van de machtiging overeenkomt met de certificeringsperiode in verband met de certificering van het in de leden 10 en 11 bedoelde capaciteitsplan.

7.  Elk vissersvaartuig is voorzien van merktekenen die gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd overeenkomstig internationaal erkende normen, zoals de standaard­specificaties van de FAO voor het merken en de identificatie van vissersvaartuigen ("FAO Standard Specifications for the Marking and Identification of Fishing Vessels").

8.  Een vissersvaartuig opereert niet in het gereglementeerde gebied zonder door de bevoegde autoriteit van de vlaggenlidstaat afgegeven geldige documenten aan boord te hebben, met ten minste de volgende gegevens betreffende het vaartuig:

a)  de naam, indien van toepassing;

b)  de letter(s) van de haven of het district waar het vaartuig is geregistreerd, indien van toepassing;

c)  het (de) nummer(s) waaronder het vaartuig is geregistreerd;

d)  het IMO-nummer;

e)  de internationale radioroepnaam, indien van toepassing;

f)  de naam en het adres van de eigenaar(s) en, indien van toepassing, de charteraars;

g)  de lengte over alles;

h)  het motorvermogen;

i)  het in lid 10 bedoelde capaciteitsplan; en

j)  de raming van de vriescapaciteit of de certificering van het vriessysteem.

9.  Een vissersvaartuig verricht geen visserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied zonder door een bevoegde autoriteit gecertificeerd of door zijn vlaggenlidstaat erkend nauwkeurig en up-to-date capaciteitsplan aan boord.

10.  Het capaciteitsplan:

a)  heeft de vorm van een tekening of beschrijving van de opslagplaats voor vis, met inbegrip van de opslagcapaciteit van elke visopslagplaats in kubieke meter, waarbij de tekening bestaat uit een dwarsdoorsnede van het vaartuig, met inbegrip van een plan voor elk dek waarop zich een visopslagplaats bevindt en de locatie van de vriezers;

b)  geeft met name de positie van elke deur, elk luik en elke andere toegang tot elke visopslagplaats aan, onder verwijzing naar de schotten;

c)  vermeldt de voornaamste afmetingen van de visopslagtanks (tanks met gekoeld zeewater) en, voor elk daarvan, de kaliberbepaling in kubieke meter met intervallen van tien cm; en

d)  vermeldt de ware schaal duidelijk op de tekening.

11.  Elke lidstaat waarborgt dat het capaciteitsplan van zijn gemachtigde vaartuigen elke twee jaar door de bevoegde autoriteit als zijnde correct wordt gecertificeerd.

Artikel 23

Charterovereenkomsten

1.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "charterende verdragsluitende partij" verstaan de verdragsluitende partij die houder is van een toewijzing als vermeld in bijlage I.A en bijlage I.B bij de CEM, of de lidstaat die houder is van een vangstmogelijkheden­toewijzing en onder "vlaggenlidstaat" de lidstaat waar het gecharterde vaartuig is geregistreerd.

2.  De visserijtoewijzing van een charterende verdragsluitende partij kan geheel of gedeeltelijk worden geoogst met behulp van een gecharterd gemachtigd vaartuig (hierna "gecharterd vaartuig" genoemd) dat onder de vlag van een lidstaat vaart, onder de volgende voorwaarden:

a)  de vlaggenlidstaat heeft schriftelijk ingestemd met de charterovereenkomst;

b)  de charterovereenkomst is beperkt tot één vissersvaartuig per vlaggenlidstaat per kalenderjaar;

c)  de duur van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst bedraagt cumulatief niet meer dan zes maanden per kalenderjaar; en

d)  het gecharterde vaartuig is geen vaartuig dat eerder is aangemerkt als een vaartuig dat IOO-visserij heeft bedreven.

3.  Alle door het gecharterde vaartuig overeenkomstig de charterovereenkomst gedane vangsten en bijvangsten worden toegerekend aan de charterende verdragsluitende partij.

4.  De vlaggenlidstaat machtigt het gecharterde vaartuig niet om, wanneer het visserij­activiteiten verricht in het kader van de charterovereenkomst, de toewijzingen van de vlaggenlidstaat te benutten of om tegelijk in het kader van een andere charterovereenkomst te vissen.

5.  Er vindt geen overlading op zee plaats zonder voorafgaande machtiging van de charterende verdragsluitende partij, die waarborgt dat de overlading plaatsvindt onder toezicht van een waarnemer aan boord.

6.  De vlaggenlidstaat stelt de Commissie schriftelijk in kennis van zijn instemming met de charterovereenkomst voordat deze ingaat.

7.  De vlaggenlidstaat stelt de Commissie onverwijld in kennis indien een van de volgende gebeurtenissen zich voordoet:

a)  begin van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst;

b)  opschorting van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst;

c)  hervatting van de visserijactiviteiten in het kader van een charterovereenkomst die is geschorst;

d)  einde van de visserijactiviteiten in het kader van de charterovereenkomst.

8.  De vlaggenlidstaat houdt een afzonderlijk register bij van de vangst- en bijvangstgegevens van alle visserijactiviteiten overeenkomstig elke charterovereenkomst van een onder zijn vlag varend vaartuig en rapporteert ze aan de charterende verdragsluitende partij en aan de Commissie.

9.  Het gecharterde vaartuig heeft te allen tijde de documenten met de volgende gegevens aan boord:

a)  de naam, het registratienummer van de vlaggenstaat, het IMO-nummer en de vlaggenstaat van het vaartuig;

b)  vorige naam/namen en vlaggenstaat/vlaggenstaten van het vaartuig, indien van toepassing;

c)  de naam en het adres van de eigenaar(s) en exploitanten van het vaartuig;

d)  een kopie van de charterovereenkomst en van elke vismachtiging of visvergunning die de charterende verdragsluitende partij heeft afgegeven aan het gecharterde vaartuig; en

e)  de aan het vaartuig toegekende toewijzing.

HOOFDSTUK V

MONITORING VAN DE VISSERIJ

Artikel 24

Productetiketteringsvoorschriften

1.  Wanneer ze worden verwerkt, worden alle in het gereglementeerde gebied van de NAFO geoogste soorten op zodanige wijze geëtiketteerd dat elke soort en productcategorie identificeerbaar zijn. Alle soorten moeten worden geëtiketteerd met de volgende gegevens:

a)  de naam van het vangstvaartuig;

b)  voor elke soort de drielettercode die is opgenomen in bijlage I.C bij de CEM (bedoeld in punt 11 van de bijlage bij deze verordening);

c)  in het geval van Noordse garnaal, de datum van de vangst;

d)  het gereglementeerde gebied en de visserijsector; en

e)  de code voor de aanbiedingsvorm van de producten die is opgenomen in bijlage II.K bij de CEM (bedoeld in punt 29 van de bijlage bij deze verordening).

2.  De etiketten worden bij de opslag stevig bevestigd aan, gestempeld op of geschreven op de verpakking en zijn van een omvang die door de inspecteurs kan worden gelezen in het kader van hun normale taken.

3.  De etiketten zijn in inkt op een contrasterende achtergrond.

4.  Elke verpakking bevat slechts:

a)  één categorie productaanbiedingsvorm;

b)  één vangstsector;

c)  één vangstdatum (in het geval van Noordse garnalen); en

d)  één soort.

Artikel 25

Monitoring van de vangst

1.  Met het oog op de monitoring van de vangst heeft elk vissersvaartuig een visserij­logboek, een productielogboek en een opslagschema om de visserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied te registreren.

2.  Elk vissersvaartuig houdt een visserijlogboek bij, dat ten minste twaalf maanden aan boord wordt gehouden overeenkomstig bijlage II.A bij de CEM (bedoeld in punt 30 van de bijlage bij deze verordening) en waarin:

a)  nauwkeurig de vangst van elke trek/uitzetting ten aanzien van het kleinste geografische gebied waarvoor het een quotum is toegewezen, wordt geregistreerd;

b)  de aard van de vangst van elke trek/uitzetting wordt aangegeven, met inbegrip van de hoeveelheid (in kg levend gewicht) van elk bestand dat aan boord wordt gehouden, wordt teruggegooid, wordt gelost of wordt overgeladen tijdens de lopende visreis.

3.  Elk vissersvaartuig houdt een productielogboek bij, dat ten minste twaalf maanden aan boord wordt gehouden en waarin:

a)  de dagelijkse cumulatieve productie voor elke soort en elk producttype voor de vorige dag van 00:01 UTC tot en met 24:00 UTC wordt geregistreerd;

b)  de productie van elke soort en elk producttype aan het kleinste geografische gebied waarvoor een quotum is toegewezen, worden gerelateerd;

c)  de conversiefactoren worden opgesomd die worden gebruikt om het productie­gewicht van elk producttype om te zetten in levend gewicht bij registratie in het visserijlogboek;

d)  bij elke inschrijving de in artikel 24 bedoelde gegevens worden genoteerd.

4.  Elk vissersvaartuig slaat, met inachtneming van de verantwoordelijkheden van de kapitein van het vaartuig inzake veiligheid en navigatie, alle in het gereglementeerde gebied gedane vangst gescheiden op van alle buiten het gereglementeerde gebied gedane vangst en waarborgt dat een dergelijke scheiding duidelijk wordt afgebakend met plastic, multiplexhout of netten.

5.  Elk vissersvaartuig houdt een opslagschema bij:

a)  dat duidelijk het volgende aangeeft ▌:

i)  de locatie en hoeveelheid, uitgedrukt in productgewicht in kg, van elke soort binnen elk visruim,

ii)  de locatie in elk visruim van garnaal die in sector 3L en in sector 3M is gevangen, met inbegrip van de hoeveelheid garnaal in kg, per sector,

iii)  het bovenaanzicht van het product binnen elk visruim;

b)  dat dagelijks wordt geactualiseerd voor de vorige dag van 00:01 tot en met 24:00 UTC; en

c)  dat aan boord wordt gehouden tot alle vangsten volledig van het vaartuig zijn gelost.

6.  Elk vissersvaartuig zendt aan zijn VCC, overeenkomstig het formaat en de inhoud die voor elk type bericht zijn voorgeschreven in bijlage II.D en bijlage II.F bij de CEM, als bedoeld in de punten 31 en 32 van de bijlage bij deze verordening, elektronisch berichten door met betrekking tot de volgende elementen:

a)  vangst bij het binnenvaren (COE): hoeveelheid vangst aan boord per soort bij het binnenvaren van het gereglementeerde gebied, die ten minste zes uur vóór het binnenvaren van het vaartuig wordt doorgezonden;

b)  vangst bij het buitenvaren (COX): hoeveelheid vangst aan boord per soort bij het buitenvaren van het gereglementeerde gebied, die ten minste zes uur vóór het buitenvaren van het vaartuig wordt doorgezonden;

c)  vangstaangifte (CAT): hoeveelheid aan boord gehouden en hoeveelheid terug­gegooide vangst per soort voor de dag vóór de aangifte, per sector, met inbegrip van nulvangsten, dagelijks vóór 12:00 UTC verzonden; aan boord gehouden of teruggegooide nulvangsten van alle soorten worden gerapporteerd aan de hand van de drielettercode "MZZ" (mariene soort niet gespecificeerd) en de hoeveelheid "0" zoals in de volgende voorbeelden (//CA/MZZ 0// en //RJ/MZZ 0//);

d)  vangst aan boord (COB): voor vaartuigen die vissen op Noordse garnaal in sector 3L, vóór het binnen- of buitenvaren van sector 3L, doorgezonden een uur vóór het overschrijden van de grens van sector 3L;

e)  overlading (TRA):

i)  door overladende vaartuigen, doorgezonden ten minste 24 uur vóór de overlading; en

ii)  door ontvangende vaartuigen, uiterlijk één uur na de overlading;

f)  haven van aanlanding (POR): door vaartuigen die een overlading hebben ontvangen, ten minste 24 uur vóór elke aanlanding;

Vangsten van soorten in de lijst van soorten van bijlage I.C bij de CEM waarvan het totale levend gewicht aan boord minder dan honderd kilogram bedraagt, mogen worden gerapporteerd aan de hand van de drielettercode MZZ (mariene soort niet gespecificeerd), behalve in het geval van haaien. Alle haaien worden voor zover mogelijk gerapporteerd op soortniveau onder hun corresponderende drielettercode in bijlage I.C bij de CEM of, als deze niet is opgenomen in bijlage I.C bij de CEM of in de ASFIS-soortenlijst voor visserijstatistieken van de FAO. Wanneer soortspecifieke rapportage niet mogelijk is, worden haaiensoorten gerapporteerd als hetzij grote haaien (SHX) of doornhaaien (DGX), overeenkomstig de drielettercodes in bijlage I.C bij de CEM (bedoeld in punt 11 van de bijlage bij deze verordening). Het geraamde gewicht van elke per trek of uitzetting gevangen haai wordt eveneens geregistreerd.

7.  De in lid 6 bedoelde berichten kunnen worden geannuleerd via een annuleringsbericht in het formaat dat is gespecificeerd in bijlage II.F, punt 8, bij de CEM (bedoeld in punt 32 van de bijlage bij deze verordening). Indien een van deze berichten moet worden verbeterd, wordt onverwijld en binnen de in dit artikel vastgestelde termijnen een nieuw bericht verstuurd na het annuleringsbericht.

Het VCC van de vlaggenstaat deelt zijn acceptatie van het annuleringsbericht van onder zijn vlag varende vaartuigen onverwijld mee aan de Commissie.

8.  Elke lidstaat waarborgt dat zijn VCC de in lid 6 bedoelde berichten onmiddellijk na de ontvangst ervan langs elektronische weg doorzendt aan de uitvoerend secretaris van de NAFO in het formaat dat is voorgeschreven in bijlage II.D bij de CEM (bedoeld in punt 31 van de bijlage bij deze verordening), met de Commissie en het EBVC in kopie.

9.  Elke lidstaat:

a)  rapporteert zijn voorlopige maandelijkse vangsten per soort en per bestandsgebied, en zijn voorlopige maandelijkse visdagen voor de visserij op Noordse garnaal in sector 3M, ongeacht of hij over quota of toegewezen visserijinspanning voor de betrokken soorten beschikt; hij zendt die rapporten uiterlijk 20 dagen na het einde van de kalendermaand waarin de vangst is gedaan aan de Commissie door;

b)  hij waarborgt dat de logboekinformatie uiterlijk zestig dagen na de afloop van elke visreis bij de Commissie wordt ingediend in Extensible Markup Language (XML) of in Microsoft Excelbestandsformaat, met ten minste de informatie die is vastgesteld in bijlage II.N bij de CEM (bedoeld in punt 33 van de bijlage bij deze verordening).

Artikel 26

Satellietvolgsysteem voor vissersvaartuigen (VMS)

1.  Vissersvaartuigen die in het gereglementeerde gebied actief zijn, zijn uitgerust met een satellietvolgsysteem waarmee hun positie ten minste een keer per uur continu automatisch kan worden doorgegeven aan een op land gelegen VCC, met de volgende VMS-gegevens:

a)  de identificatiegegevens van het vaartuig;

b)  de meest recente positie van het vaartuig (lengte- en breedtegraad), met een foutentolerantie van niet meer dan vijfhonderd meter en een betrouwbaarheids­interval van 99 %;

c)  UTC-datum en -tijd van de plaatsbepaling; en

d)  vaarrichting/koers en snelheid van het vaartuig.

2.  Elke lidstaat waarborgt dat zijn VCC:

a)  de in lid 1 bedoelde positiegegevens ontvangt en ze registreert met de volgende drielettercodes:

i)  "ENT": eerste VMS-positie doorgezonden door elk vaartuig bij het binnenvaren van het gereglementeerde gebied;

ii)  "POS": elke latere VMS-positie doorgezonden door elk vaartuig van binnen het gereglementeerde gebied; en

iii)  "EXI": eerste VMS-positie doorgezonden door elk vaartuig bij het buitenvaren van het gereglementeerde gebied;

b)  is uitgerust met computerhardware en -software voor automatische gegevens­verwerking en elektronische doorzending van gegevens, en back-up- en herstel­procedures toepast en de van vissersvaartuigen ontvangen gegevens registreert in een voor computers leesbare vorm en ten minste drie jaar bewaart; en

c)  de Commissie en het EBVC onverwijld in kennis stelt van de naam, het adres, het telefoonnummer, het telexnummer, het e-mailadres of het faxnummer van het VCC en alle latere wijzigingen daarvan.

3.  Elke lidstaat draagt alle kosten in verband met zijn eigen VMS.

4.  Wanneer een inspecteur een vissersvaartuig in het gereglementeerde gebied waarneemt en geen gegevens heeft ontvangen overeenkomstig de leden 1, 2 of 8, brengt hij de kapitein van het vaartuig en de Commissie op de hoogte.

5.  De lidstaat waarborgt dat de kapitein van het vaartuig of de eigenaar van een onder zijn vlag varend vissersvaartuig of zijn vertegenwoordig op de hoogte wordt gebracht wanneer het satellietvolgsysteem van het vaartuig defect blijkt te zijn of anderszins niet lijkt te functioneren.

6.  Wanneer het satellietvolgsysteem niet werkt, zorgt de kapitein van het vaartuig ervoor dat het wordt gerepareerd of vervangen, binnen een maand na een dergelijke storing, of, wanneer een visreis meer dan een maand duurt, dat de reparatie of de vervanging wordt voltooid wanneer het vaartuig de volgende keer een haven binnenvaart.

7.  Een vissersvaartuig vangt geen visreis aan met een defect satellietvolgsysteem.

8.  Elk vissersvaartuig dat actief is met een defect satellietvolgsysteem zendt ten minste elke vier uur de VMS-positiegegevens door aan het VCC van zijn vlaggenlidstaat met andere beschikbare communicatiemiddelen, met name satelliet, e-mail, radio, fax of telex.

9.  De vlaggenlidstaat ziet erop toe dat:

a)  zijn VCC zo snel mogelijk en uiterlijk 24 uur nadat het ze ontvangt, VMS-positiegegevens doorzendt aan de uitvoerend secretaris van de NAFO met de Commissie en het EBVC in kopie, en onder zijn vlag varende vissersvaartuigen kan machtigen om VMS-positiegegevens rechtstreeks per satelliet, e-mail, radio, fax of telex aan de uitvoerend secretaris van de NAFO door te zenden; en

b)  de aan de uitvoerend secretaris van de NAFO doorgezonden VMS-positiegegevens in overeenstemming zijn met het gegevensuitwisselingsformaat dat is vastgesteld in bijlage II.E bij de CEM (bedoeld in punt 34 van de bijlage bij deze verordening), en nader is omschreven in bijlage II.D bij de CEM (bedoeld in punt 31 van de bijlage bij deze verordening).

10.  Elke lidstaat kan VMS-gegevens van de NAFO gebruiken voor opsporing en redding of ten behoeve van de maritieme veiligheid.

HOOFDSTUK VI

WAARNEMERSREGELING

Artikel 27

Waarnemersprogramma

1.   Waarnemers zijn onafhankelijk en onpartijdig en beschikken over de nodige opleiding, kennis, vaardigheden en capaciteiten om alle in dit artikel bedoelde taken, functies en vereisten te vervullen. Waarnemers voeren hun taken en functies op onpartijdige wijze uit, ongeacht nationaliteit en de vlag die het vaartuig voert, en zijn vrij van ongepaste beïnvloeding of voordelen die verband houden met de visserijactiviteit van elk in het gereglementeerde gebied vissend vaartuig.

2.   Onverminderd de uitzondering in lid 3 heeft elk vissersvaartuig tijdens zijn visserij­activiteiten in het gereglementeerde gebied te allen tijde ten minste één waarnemer aan boord overeenkomstig de bepalingen van het waarnemersprogramma. Een vissersvaartuig begint niet te vissen voordat de waarnemer op het vissersvaartuig is ingezet. Indien er geen waarnemer aan boord is terwijl dit verplicht is, dan wordt dit als een ernstige inbreuk beschouwd.

3.   In afwijking van lid 2, en voor zover de NAFO niet om een hoger percentage waar­nemerstoezicht heeft verzocht, mag een lidstaat toestaan dat vissers­vaartuigen die onder zijn vlag varen een waarnemer aan boord hebben voor minder dan 100 %, maar niet minder dan 25 % van de door zijn vloot gemaakte visreizen, of van het aantal dagen tijdens het jaar dat de vissersvaartuigen aanwezig zijn in het gereglementeerde gebied, op voor­waarde dat de vlaggenlidstaat met betrekking tot de vaartuigen zonder waarnemer aan boord:

a)  ervoor zorgt dat de betrokken vaartuigen vissen op soorten in gebieden waar een verwaarloosbare bijvangst van andere soorten te verwachten is;

b)  ervoor zorgt dat het vaartuig voldoet aan alle eisen op het gebied van realtime­rapportage;

c)  een fysieke inspectie verricht of waar passend anderszins, na een risico­beoordeling, een beoordeling uitvoert van elke aanlanding in zijn havens door het betrokken vaartuig, overeenkomstig de nationale monitoring-, controle- en toezichtsprocedures. Indien een inbreuk op de verordening wordt geconstateerd en bevestigd, stelt de vlaggenlidstaat een inspectieverslag op in het formaat dat is voor­geschreven in bijlage IV.C bij de CEM bedoeld in punt 9 van de bijlage bij deze verordeningen wordt zo spoedig mogelijk na bevestiging van de inbreuk aan de Commissie toegezonden;

d)  zo vroeg mogelijk vóór de visreis de volgende gegevens aan de Commissie verstrekt:

i)  de naam, het IMO-nummer, en de internationale radioroepnaam van het vaartuig,

ii)  de factoren ter ondersteuning van het besluit om de afwijking van het 100%-waarnemerstoezicht toe te staan;

e)  uiterlijk op 15 februari van elk jaar, voor het vorige kalenderjaar, bij de Commissie een verslag indient met een vergelijking van alle betrokken visserijactiviteiten, waarin het verschil wordt aangegeven tussen de reizen waarbij het vaartuig een waarnemer aan boord had en die waarbij er geen waarnemer aan boord was. De Commissie zendt deze gegevens uiterlijk op 1 maart van elk jaar toe aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.

4.   Wanneer een inspecteur een kennisgeving van een inbreuk afgeeft aan een vissers­vaartuig dat op het ogenblik van de kennisgeving geen waarnemer aan boord heeft, en tenzij de afwezigheid van de waarnemer in overeenstemming is met lid 3, wordt de inbreuk als een ernstige inbreuk beschouwd in de zin van artikel 35, lid 1, en, wanneer de vlaggenlidstaat niet eist dat het vissers­vaartuig zich onmiddellijk naar een haven begeeft overeenkomstig artikel 35, lid 3, zet hij onverwijld een waarnemer op het vissersvaartuig in.

5.   Elke lidstaat:

a)  zendt jaarlijks aan de Commissie, vóór aanvang van de visserijactiviteiten van onder zijn vlag varende vaartuigen in het gereglementeerde gebied, een geactualiseerde lijst toe van waarnemers (naam en ID indien van toepassing) die hij voornemens is in te zetten op de onder zijn vlag varende vaartuigen die actief zijn in het gereglementeerde gebied;

b)  verplicht onder zijn vlag varende vaartuigen een waarnemer aan boord te hebben uit de in punt a) bedoelde lijst, in overeenstemming met dit programma;

c)  voorkomt in de mate van het mogelijke dat individuele waarnemers worden ingezet op achtereenvolgende reizen op hetzelfde vaartuig;

d)  zorgt ervoor dat waarnemers zijn uitgerust met een onafhankelijk instrument voor tweerichtingscommunicatie op zee;

e)  neemt passende maatregelen met betrekking tot onder zijn vlag varende vaartuigen voor het garanderen van veilige werkomstandigheden, de bescherming, de veiligheid en het welzijn van de waarnemers bij de uitvoering van hun taken, in overeenstemming met internationale normen of richtsnoeren;

f)  waarborgt dat de waarnemers alle tijdens hun inzet verzamelde gegevens en informatie over de visserijactiviteiten, inclusief gemaakte beelden en video's, behandelen in overeenstemming met de toepasselijke regels inzake vertrouwelijkheid.

6.   Na ontvangst van een waarnemersverslag van een waarnemer waarin afwijkingen van de CEM of een incident worden gemeld, met inbegrip van alle gevallen van hinderen, intimideren, beïnvloeden of anderszins verhinderen van de waarnemer om zijn taken uit te voeren, doet een lidstaat met betrekking tot een vaartuig dat onder zijn vlag vaart, het volgende:

a)  hij behandelt het verslag met de grootste gevoeligheid en discretie, in overeen­stemming met de toepasselijke regels inzake vertrouwelijkheid;

b)  hij beoordeelt de in het waarnemersverslag vastgestelde afwijkingen en neemt eventuele follow-upmaatregelen die passend worden geacht;

c)  hij stelt een verslag over follow-upmaatregelen op en dient het bij de Commissie in.

7.   Iedere lidstaat deelt de Commissie het volgende mee:

a)  uiterlijk 24 uur vóór de inzet van een waarnemer aan boord van een vissers­vaartuig, de naam van het vissersvaartuig en de internationale radioroepnaam, evenals de naam en ID (indien van toepassing) van de betrokken waarnemer;

b)  elektronisch en onverwijld na de ontvangst ervan, het dagelijkse waarnemersverslag als bedoeld in lid 11, punt e);

c)  binnen 20 dagen na de aankomst van het vaartuig in de haven, het waarnemers­reisverslag als bedoeld in lid 11;

d)  uiterlijk op 15 februari van elk jaar voor het vorige kalenderjaar, een verslag over de naleving van de in dit artikel vastgestelde verplichtingen.

8.   Indien een vissersvaartuig een waarnemer van een andere lidstaat of verdragsluitende partij bij de NAFO aan boord heeft, brengt die waarnemer verslag uit aan de vlaggenlidstaat van het vaartuig.

9.   Indien een vissersvaartuig dat een waarnemer aan boord moet hebben, er geen aan boord heeft, kan de vlaggenlidstaat een andere verdragsluitende partij toestaan een waarnemer op het vaartuig in te zetten.

10.   Indien tijdens de inzet wordt vastgesteld dat er een ernstig risico voor de waarnemer bestaat, doet de vlaggenlidstaat het nodige om ervoor te zorgen dat de waarnemer van het vaartuig wordt verwijderd, tenzij en totdat het risico is aangepakt;

11.   Een waarnemer die op een vaartuig wordt ingezet, voert ten minste de volgende taken uit:

a)  voor elke trek of uitzetting de volgende gegevens registreren in het formaat dat is bepaald in bijlage II.M bij de CEM (bedoeld in punt 35 van de bijlage bij deze verordening), ("het waarnemersreisverslag"):

i)  de hoeveelheid van alle vangst, per soort, inclusief voor teruggooi en KME-indicatorsoorten als bedoeld in deel VI van bijlage I.E. bij de CEM (bedoeld in punt 3 van de bijlage bij deze verordening):

—  zoals geregistreerd in het visserij- en het productielogboek van het vaartuig,

—  zoals onafhankelijk geraamd door de waarnemer.

Voor trekken waarvoor geen onafhankelijke waarnemersramingen mogelijk zijn, moeten de betrokken gegevenscellen leeg worden gelaten en moet in de ruimte voor opmerkingen het volgende worden vermeld:

ii)  elke afwijking die tussen de verschillende vangstgegevensbronnen is vastgesteld;

iii)  type vistuig, maaswijdte, toebehoren;

iv)   inspanningsgegevens;

v)   lengte- en breedtegraad, visserijdiepte;

vi)  bij trawlvisserij, de tijd tussen het einde van het uitzetten en de start van het terughalen van vistuig. In alle andere gevallen de start van het uitzetten en het einde van het terughalen;

b)  het opslagschema van het vaartuig als bedoeld in artikel 25 monitoren, en eventuele vastgestelde afwijkingen registreren in het waarnemersverslag;

c)  eventuele waargenomen onderbrekingen of beïnvloeding van het VMS registreren;

d)  alleen met de toestemming van de kapitein van het vaartuig de instrumenten van het vaartuig instellen;

e)  dagelijks vóór 12:00 UTC het waarnemersverslag, per sector, toezenden aan het VCC van de vlaggenlidstaat, ongeacht of het vaartuig aan het vissen is of niet, overeenkomstig bijlage II.G bij de CEM (bedoeld in punt 36 van de bijlage bij deze verordening);

f)  werkzaamheden verrichten, inclusief voor wetenschappelijke doeleinden, waarom de NAFO kan verzoeken;

g)  het waarnemersverslag in een voor computers leesbare vorm, zo mogelijk met de door de waarnemer gemaakte bijbehorende beelden als bijlage, indienen bij:

i)  de vlaggenlidstaat, zo spoedig mogelijk na het verlaten van het gereglementeerde gebied en uiterlijk bij de aankomst van het vaartuig in de haven;

ii)  de plaatselijke haveninspectieautoriteit, onmiddellijk bij aankomst in de haven, indien een inspectie in de haven plaatsvindt;

h)  zich ter beschikking stellen van inspecteurs op zee, of in de haven bij aankomst van het vaartuig, met het oog op onderzoek van de visserijactiviteiten van het vaartuig;

i)  met betrekking tot gevallen van niet-naleving van deze verordening:

–  onverwijld verslag uitbrengen aan de bevoegde autoriteit van de vlaggen­lidstaat van het vaartuig over alle afwijkingen van deze verordening, met inbegrip van alle gevallen van hinderen, intimideren, beïnvloeden of anderszins verhinderen van de waarnemer om zijn taken uit te voeren, met behulp van het onafhankelijk instrument voor tweerichtingscommunicatie, en

–  gedetailleerde gegevens bijhouden, met inbegrip van relevante beelden en videobeelden, van alle omstandigheden en informatie over afwijkingen van deze verordening, teneinde deze zo spoedig mogelijk en uiterlijk bij de aan­komst van het vaartuig in de haven toe te zenden aan het VCC van de vlaggenlidstaat;

12.   De kapitein van een onder de vlag van een lidstaat varend vaartuig:

a)  verleent de medewerking en assistentie die nodig zijn om de waarnemer in staat te stellen zijn taken uit te voeren. Die samenwerking behelst onder meer dat de waarnemer de vereiste toegang krijgt tot de vangst, met inbegrip van de vangst die het vaartuig voornemens is terug te gooien;

b)  geeft de waarnemer kost en logies van een minstens even hoog niveau als aan de officiers van het vaartuig wordt geboden. Indien geen officierslogies beschikbaar is, krijgt de waarnemer logies van een niveau dat zoveel als praktisch mogelijk aansluit bij dat van een officierslogies, maar niet minder dan het logies voor de bemanning;

c)  verleent toegang tot alle operationele delen van het vaartuig waartoe de waar­nemer toegang moet hebben om zijn taken uit te voeren, met inbegrip van het (de) ruim(en), het (de) productiezone(s), de brug, de afvalverwerkingsinstallatie en de navigatie- en communicatieapparatuur;

d)  gaat niet over tot het hinderen, intimideren, beïnvloeden, omkopen of pogen tot omkopen van, en bemoeit zich niet met, de waarnemer tijdens de uitvoering van dienstaken;

e)  betrekt de waarnemer bij alle alarmoefeningen die aan boord plaatsvinden; en

f)  stelt de waarnemer ervan in kennis wanneer een inspectieteam te kennen heeft gegeven dat het voornemens is aan boord van het vaartuig te komen.

13.   Tenzij anders overeengekomen met een andere verdragsluitende partij bij de NAFO of vlaggenlidstaat, draagt elke lidstaat de kosten voor het vergoeden van de waarnemers die hij heeft ingezet. De vlaggenlidstaat kan toestaan dat visserijexploitanten bijdragen tot de kosten voor het vergoeden van waarnemers zonder afbreuk te doen aan lid 15.

14.   Waarnemers hebben geen financieel of ander belang bij vaartuigen die in het gereglementeerde gebied varen, en worden betaald op een wijze waaruit hun financiële onafhankelijkheid van deze vaartuigen blijkt.

15.  De informatie die de lidstaten dienen te verstrekken overeenkomstig lid 3, punten c) en d), lid 5, punt a), lid 6, punt c), en lid 7, wordt toegezonden aan de Commissie of een door haar aangewezen orgaan, die of dat ervoor zorgt dat deze informatie onverwijld wordt toegezonden aan de uitvoerend secretaris van de NAFO, om op de MCS‑website van de NAFO te worden gepost.

HOOFDSTUK VII

GEZAMENLIJKE REGELING VOOR INSPECTIE EN SURVEILLANCE OP ZEE

Artikel 28

Algemene bepalingen

1.  Het EBVC coördineert de inspectie- en surveillanceactiviteiten voor de Unie. Het kan daartoe, in overleg met de betrokken lidstaten, gezamenlijke operationele inspectie- en surveillanceprogramma’s opstellen ("de regeling"). De lidstaten waarvan de vaartuigen visserijactiviteiten verrichten in het gereglementeerde visserijgebied, nemen de nodige maatregelen om de uitvoering van de regeling te vergemakkelijken, met name met betrekking tot de vereiste personele en materiële middelen, alsook de perioden en gebieden waarin die moeten worden ingezet.

2.  Inspectie en surveillance worden verricht door inspecteurs die door de lidstaten in het kader van de regeling zijn toegewezen en aan het EBVC zijn bekendgemaakt.

3.  In samenwerking met de Commissie en het EBVC kunnen de lidstaten in onderling overleg inspecteurs en EBVC-coördinatoren die het EBVC aan de regeling heeft toegewezen, inzetten op een inspectieplatform van een andere verdragsluitende partij bij de NAFO.

4.  Wanneer er op enig ogenblik meer dan 15 vissersvaartuigen van lidstaten in het gereglementeerde gebied aanwezig zijn, waarborgen het EBVC en de lidstaten dat gedurende die periode:

a)  een inspecteur of een andere bevoegde autoriteit in het gereglementeerde gebied aanwezig is; of

b)  een bevoegde autoriteit aanwezig is op het grondgebied van een verdragsluitende partij bij de NAFO dat grenst aan het verdragsgebied;

c)  de lidstaten antwoorden onverwijld op elke kennisgeving van een inbreuk in het gereglementeerde gebied door een onder hun vlag varend vissersvaartuig.

5.  De aan de regeling deelnemende lidstaten verstrekken aan elk inspectieplatform, bij het binnenvaren van het gereglementeerde gebied, een lijst van waarnemingen en aan­houdingen die het heeft verricht in de vorige periode van tien dagen, met inbegrip van de datum, de coördinaten en alle andere relevante informatie.

6.  Elke lidstaat die aan de regeling deelneemt, waarborgt, in coördinatie met de Commissie of het EBVC, dat elk onder zijn vlag varend inspectieplatform dat in het gereglementeerde gebied actief is, op beveiligde wijze contact houdt, indien mogelijk dagelijks, met elk ander inspectieplatform dat in het gereglementeerde gebied actief is, om informatie uit te wisselen die nodig is om hun activiteiten te coördineren.

7.  Inspecteurs die een onderzoeksvaartuig bezoeken, noteren de status van het vaartuig, en beperken de inspectieprocedures tot die welke nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat de activiteiten van het vaartuig in overeenstemming zijn met zijn onderzoeksplan. Wanneer de inspecteurs redelijke gronden hebben om te vermoeden dat het vaartuig activiteiten verricht die niet met zijn onderzoeksplan in overeenstemming zijn, worden de Commissie en het EBVC onverwijld op de hoogte gebracht.

8.  De lidstaten waarborgen dat hun inspecteurs vaartuigen die in het gereglementeerde gebied actief zijn, eerlijk en gelijk behandelen, door een onevenredig aantal inspecties te vermijden op vaartuigen die onder de vlag van een bepaalde verdragsluitende partij bij de NAFO varen. Het aantal inspecties dat hun inspecteurs verrichten op vaartuigen die onder de vlag van een andere verdragsluitende partij bij de NAFO varen, weerspiegelt, voor zover mogelijk, voor elk kwartaal het aandeel van de totale visserij­activiteit in het gereglementeerde gebied, met inbegrip van, onder meer, het niveau van de vangsten en vaartdagen. Bij het bepalen van de frequentie van de inspecties kunnen de inspecteurs rekening houden met de visserijpatronen en de staat van dienst op het gebied van naleving van de vissersvaartuigen.

9.  Een lidstaat die aan de regeling deelneemt, waarborgt dat, behalve bij de inspectie van een vissersvaartuig dat onder zijn vlag varen en overeenkomstig zijn eigen wetgeving, inspecteurs en inspecteur-stagiairs die aan de regeling zijn toegewezen:

a)  onder zijn operationele controle blijven;

b)  de bepalingen van de regeling uitvoeren;

c)  geen wapens dragen wanneer zij aan boord van het vaartuig gaan;

d)  geen wet- en regelgeving met betrekking tot de wateren van de Unie handhaven;

e)  algemeen aanvaarde regels, procedures en praktijken met betrekking tot de veiligheid aan boord van het geïnspecteerde vaartuig en zijn bemanning in acht nemen;

f)  de visserijactiviteiten of de opslag van de visserijproducten niet hinderen en, voor zover mogelijk, handelingen vermijden die een negatief effect op de kwaliteit van de vangst aan boord kunnen hebben; en

g)  containers zo openen dat ze snel opnieuw kunnen worden gesloten, verpakt en uiteindelijk opgeslagen.

10.  Alle in dit hoofdstuk bedoelde inspectie-, surveillance- en onderzoeksrapporten en de bijbehorende beelden of bewijsstukken worden als vertrouwelijk behandeld, overeen­komstig bijlage II.B bij de CEM (bedoeld in punt 37 van de bijlage bij deze verordening).

Artikel 29

Kennisgevingsvereisten

1.  Elke lidstaat zendt elk jaar uiterlijk op 1 november de volgende informatie naar het EBVC (met de Commissie in kopie), dat de informatie op de MCS-website van de NAFO post:

a)  de contactgegevens van de bevoegde autoriteit die optreedt als het contactpunt voor de onmiddellijke kennisgeving van inbreuken in het gereglementeerde gebied, en latere wijzigingen van deze gegevens, uiterlijk 15 dagen vóór de wijziging van kracht wordt;

b)  de namen van de inspecteurs en inspecteur-stagiairs en de naam, radioroepnaam en contactgegevens van elk inspectieplatform dat het aan de regeling heeft toegewezen. Hij geeft zo mogelijk uiterlijk 60 dagen op voorhand kennis van wijzigingen van de aldus meegedeelde gegevens.

2.  Een aan de regeling deelnemende lidstaat waarborgt dat het EBVC op voorhand in kennis wordt gesteld van de datum, het starttijdstip en het einde van elke patrouille door het inspectieplatform dat het aldus heeft toegewezen.

Artikel 30

Surveillanceprocedures

1.  Wanneer een inspecteur in het gereglementeerde gebied een onder de vlag van een verdragsluitende partij bij de NAFO varend vissersvaartuig waarneemt waarvoor er redenen zijn om een duidelijke inbreuk op deze verordening te vermoeden, en een onmiddellijke inspectie niet haalbaar is, doet hij het volgende:

a)  hij vult het surveillancerapportformulier in ▌ overeenkomstig bijlage IV.A bij de CEM (bedoeld in punt 38 van de bijlage bij deze verordening). Indien de inspecteur een volumetrische of vangstsamenstellingsevaluatie van de inhoud van een trek heeft gemaakt, bevat het surveillancerapport alle relevante informatie over de samen­stelling van de trek, en maakt het melding van de voor de volumetrische evaluatie gebuikte methode;

b)  hij maakt beelden van het vaartuig en registreert de positie, de datum en de tijd waarop het beeld is vastgelegd; en

c)  hij zendt het surveillancerapport en de beelden onverwijld langs elektronische weg door aan zijn bevoegde autoriteit.

2.  De bevoegde autoriteit van een lidstaat die een dergelijk surveillancerapport ontvangt doet onverwijld het volgende:

a)  zij zendt het surveillancerapport door aan het EBVC, dat het post op de MCS-website van de NAFO voor doorzending aan de verdragsluitende vlaggenstaat van het vaartuig;

b)  zij zendt een kopie van de gemaakte beelden toe aan het EBVC, dat ze op zijn beurt doorzendt aan de verdragsluitende vlaggenstaat van het vaartuig of aan de vlaggen­lidstaat indien verschillend van de inspecterende lidstaat;

c)  zij waarborgt de beveiliging en het behoud van het bewijsmateriaal voor latere inspecties.

3.  De bevoegde autoriteit van elke lidstaat voert na ontvangst van een surveillancerapport betreffende een onder zijn vlag varend vaartuig het onderzoek dat nodig is om passende follow-upmaatregelen te bepalen.

4.  Elke lidstaat zendt het onderzoeksrapport toe aan het EBVC, dat het post op de MCS-website van de NAFO en aan de Commissie toezendt.

Artikel 31

Procedures voor het aan boord gaan en voor inspecties voor verdragsluitende partijen

Elke lidstaat waarborgt dat voor een in het kader van de regeling verrichte inspectie, zijn inspecteurs:

a)  alvorens aan boord te gaan, het vissersvaartuig per radio, met gebruikmaking van de internationale signaalcode, in kennis stellen van de naam van het inspectieplatform;

b)  op het inspectievaartuig en het boardingvaartuig, de wimpel voeren die is afgebeeld in bijlage IV.E bij de CEM (bedoeld in punt 39 van de bijlage bij deze verordening);

c)  waarborgen dat het inspectievaartuig tijdens het aan boord gaan op een veilige afstand van de vissersvaartuigen blijft;

d)  het vissersvaartuig niet de opdracht geven te stoppen of te manoeuvreren tijdens het slepen, uitzetten of ophalen;

e)  elk inspectieteam beperken tot maximaal vier inspecteurs, inclusief inspectiestagiairs, die het inspectieteam uitsluitend voor opleidingsdoeleinden mogen vergezellen. Wanneer een inspectiestagiair de inspecteurs vergezelt, delen de inspecteurs bij het aan boord gaan aan de kapitein van het vaartuig mee wie een stagiair is. De inspectiestagiair neemt de door de gemachtigde inspecteurs verrichte inspectiewerkzaamheden enkel waar en hindert op generlei wijze de activiteiten van het vissersvaartuig;

f)  bij het aan boord gaan, aan de kapitein van het vaartuig hun door de uitvoerend secretaris van de NAFO overeenkomstig artikel 32, lid 3, punt b), van de CEM afgegeven NAFO-identificatiedocumenten overleggen;

g)  de inspecties tot vier uur beperken of tot de tijd die nodig is om het net binnen te halen en zowel het net als de vangst te inspecteren, naargelang hetgeen het langste duurt, behalve:

i)  in geval van een inbreuk; of

ii)  wanneer de hoeveelheid vangst aan boord naar raming van de inspecteur verschillend is van de in het visserijlogboek geregistreerde hoeveelheid, in welk geval de inspecteur de inspectie tot een extra uur beperkt om de berekeningen en procedures te verifiëren, en om opnieuw de relevante documentatie te onderzoeken die is gebruikt om de in het gereglementeerde gebied gedane vangst en de vangst aan boord van het vaartuig te berekenen;

h)  alle relevante, door de waarnemer verstrekte informatie verzamelen die is gebruikt om na te gaan of deze verordening is nageleefd.

Artikel 32

Verplichtingen van de kapitein van het vaartuig tijdens de inspectie

Iedere kapitein van het vaartuig neemt de maatregelen die nodig zijn om de inspectie te faciliteren door:

a)  wanneer een inspectievaartuig heeft gesignaleerd dat weldra een inspectie gaat beginnen, te waarborgen dat een net dat op het punt stond om te worden ingehaald, voor ten minste dertig minuten na het signaal van het inspectievaartuig niet aan boord wordt gehaald;

b)  op verzoek van een inspectieplatform en voor zover verenigbaar met goed zeemanschap, het aan boord gaan van de inspecteurs te vergemakkelijken;

c)  een loodsladder te verstrekken overeenkomstig bijlage IV.G bij de CEM (bedoeld in punt 40 van de bijlage bij deze verordening);

d)  te waarborgen dat elk mechanisch loodsstoeltje geschikt is om op een veilige manier te worden gebruikt, met inbegrip van veilige toegang van de loodslift naar het dek en omgekeerd;

e)  de inspecteurs toegang te bieden tot alle relevante delen, dekken en vertrekken, verwerkte en onverwerkte vangst, netten of ander vistuig, uitrusting, en alle relevante documenten die zij nodig achten om naleving van deze verordening te verifiëren;

f)  de coördinaten van de begin- en eindlocatie van een overeenkomstig artikel 8, lid 1, punt b), iii), verrichte proeftrek te registeren en op verzoek aan de inspecteurs te verstrekken;

g)  op verzoek van de inspecteur, registratiedocumenten, tekeningen of beschrijvingen van visruimen, productielogboeken en opslagschema's te verstrekken en de assistentie te bieden die door de inspecteur redelijkerwijze wordt verlangd om zich ervan te vergewissen dat de daadwerkelijke opslag van de vangst overeenstemt met het opslagschema;

h)  zich niet te mengen in contacten tussen de inspecteurs en de waarnemer, en tevens de privacy te respecteren die zij nodig hebben om hun taken te kunnen uitvoeren;

i)  het nemen van steekproeven van verwerkte vis door inspecteurs te faciliteren, met het oog op de identificatie van soorten via DNA-analyse;

j)  de nodige maatregelen te nemen om de integriteit te vrijwaren van door de inspecteurs aangebrachte zegels en van al het bewijsmateriaal dat aan boord blijft, totdat de vlaggenstaat andere instructies geeft;

k)  om het behoud van het bewijsmateriaal veilig te stellen, wanneer zegels zijn aangebracht en/of bewijsmateriaal in veiligheid is gebracht, de desbetreffende rubriek van het inspectierapport te ondertekenen om de aanbrenging van zegels te erkennen;

l)  de visserij stop te zetten indien de inspecteurs daarom verzoeken overeenkomstig artikel 35, lid 2, punt b);

m)  op verzoek, de communicatieapparatuur en de communicatie-officier van het vaartuig ter beschikking te stellen voor door de inspecteurs te verzenden of te ontvangen berichten;

n)  op verzoek van de inspecteurs elk deel van het vistuig te verwijderen dat krachtens deze verordening niet toegestaan blijkt;

o)  wanneer de inspecteurs vermeldingen in het logboek hebben geregistreerd, hun een kopie van elke bladzijde met een dergelijke vermelding te verstrekken, en op verzoek van de inspecteurs, elke bladzijde te ondertekenen, om te bevestigen dat het een eensluidende kopie is; en

p)  op verzoek om de visserij stop te zetten, de visserij niet te hervatten totdat:

i)  de inspecteurs de inspectie hebben voltooid en bewijsmateriaal hebben verzameld; en

ii)  de kapitein van het vaartuig de desbetreffende rubriek van het inspectierapport als bedoeld in punt k) heeft ondertekend.

Artikel 33

Inspectieverslag en follow-up

1.  Elke lidstaat waarborgt dat zijn inspecteurs voor elke inspectie een inspectierapport invullen in het formaat dat is vastgesteld in bijlage IV.B bij de CEM als bedoeld in punt 41 van de bijlage bij deze verordening ("het inspectierapport").

2.  Met het oog op het inspectierapport:

a)  wordt een visreis als lopend beschouwd wanneer het geïnspecteerde vaartuig vangst aan boord heeft die tijdens de visreis in het gereglementeerde gebied is geoogst;

b)  zetten de inspecteurs, bij het vergelijken van vermeldingen in het productielogboek met vermeldingen in het visserijlogboek, productiegewicht om in levend gewicht aan de hand van conversiefactoren die zijn opgenomen in de bijlagen XIII, XIV en XV bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie(16) voor vissersvaartuigen van de Unie met betrekking tot soorten en aanbiedingsvormen die onder deze bijlagen vallen en de door de kapitein van het vaartuig gebruikte conversiefactoren in andere gevallen;

c)  doen de inspecteurs het volgende:

i)  zij vatten op basis van de logboekgegevens de vangst van het vaartuig in het gereglementeerde gebied per soort en per sector samen voor de lopende visreis;

ii)  zij noteren samenvattingen in rubriek 12 van het inspectierapport alsook verschillen tussen de geregistreerde vangst en hun ramingen van de vangst aan boord in rubriek 14.1 van het inspectierapport;

iii)  zij ondertekenen na afloop van de inspectie het inspectierapport en presenteren het aan de kapitein van het vaartuig voor ondertekening en opmerkingen, en aan elke getuige die een verklaring wenst in te dienen;

iv)  zij stellen hun bevoegde autoriteit onverwijld in kennis en zenden haar binnen 24 uur, of bij de eerste gelegenheid, de informatie en de beelden toe; en

v)  zij verstrekken een kopie van het rapport aan de kapitein van het vaartuig, waarbij zij in de desbetreffende rubriek van het inspectierapport melding maken van een eventuele weigering door de kapitein van het vaartuig om de ontvangst ervan te bevestigen.

3.  De inspecterende lidstaat:

a)  zendt aan het EBVC het rapport van de inspectie op zee toe, indien mogelijk binnen twintig dagen na de inspectie, zodat het op de MCS-website van de NAFO kan worden gepost;

b)  houdt zich aan de in artikel 34, lid 2, bedoelde procedure, nadat de inspecteurs een kennisgeving van een inbreuk hebben gedaan.

4.  Elke lidstaat waarborgt dat de door de NAFO-inspecteurs opgestelde inspectie- en surveillancerapporten een bewijskracht voor het vaststellen van feiten hebben die gelijkwaardig is aan die van de inspectie- en surveillancerapporten van zijn eigen inspecteurs.

5.  De lidstaten werken samen om juridische of andere procedures die zijn ingeleid naar aanleiding van een door een NAFO-inspecteur overeenkomstig de regeling ingediend rapport te faciliteren.

Artikel 34

Procedures in verband met inbreuken

1.  Elke inspecterende lidstaat waarborgt dat zijn inspecteurs bij het detecteren van een inbreuk op deze verordening:

a)  de inbreuk in het inspectierapport registreren;

b)  een aantekening in het visserijlogboek of een ander relevant document van het geïnspecteerde vaartuig maken en ondertekenen, met vermelding van de datum, de geografische coördinaten, en de aard van de inbreuk, een kopie van elke relevante vermelding maken en verzoeken dat de kapitein van het vaartuig elke bladzijde ondertekent om te verifiëren dat het om een eensluidende kopie van het origineel gaat;

c)  beelden van elk vistuig, elke vangst, of elk ander bewijs dat de inspecteur nodig acht in verband met de inbreuk registreren;

d)  het NAFO-inspectiezegel dat is afgebeeld in bijlage IV.F bij de CEM (bedoeld in punt 42 van de bijlage bij deze verordening), stevig aanbrengen en de ondernomen actie en het serienummer van elk zegel noteren in het inspectierapport;

e)  de kapitein van het vaartuig verzoeken:

i)  met het oog op het verzekeren van het behoud van het bewijs, de desbetreffende rubriek van het inspectierapport te ondertekenen om de aanbrenging van zegels te erkennen; en

ii)  een schriftelijke verklaring te geven in de desbetreffende rubriek van het inspectierapport;

f)  de kapitein van het vaartuig verzoeken elk deel van het vistuig te verwijderen dat krachtens deze verordening niet toegestaan blijkt; en

g)  voor zover mogelijk, de waarnemer in kennis stellen van de inbreuk.

2.  De inspecterende lidstaat:

a)  zendt binnen 24 uur na de vaststelling van de inbreuk aan de Commissie en het EBVC een schriftelijke kennisgeving van de door zijn inspecteurs gerapporteerde inbreuk door, die ze op hun beurt doorzenden aan de bevoegde autoriteit van de verdragsluitende vlaggenstaat of de vlaggenlidstaat indien verschillend van de inspecterende lidstaat, en aan de uitvoerend secretaris van de NAFO. De schriftelijke kennisgeving omvat de informatie die is ingevuld in punt 15 van het inspectierapport van bijlage IV.B bij de CEM (bedoeld in punt 41 van de bijlage bij deze verordening); vermeldt de relevante maatregelen en beschrijft in detail de grond voor het afgeven van de kennisgeving van de inbreuk, en het bewijs ter ondersteuning van de kennisgeving; en gaat waar mogelijk vergezeld van beelden van het vistuig, de vangst of ander bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 van dit artikel bedoelde inbreuk;

b)  zendt, binnen vijf dagen na de terugkeer van het inspectievaartuig in de haven, het inspectierapport door aan de Commissie en het EBVC.

Het EBVC post het inspectierapport op de MCS-website van de NAFO in pdf-formaat.

3.  De follow-up van inbreuken door de vlaggenlidstaat wordt verricht overeenkomstig artikel 36.

Artikel 35

Aanvullende procedures voor ernstige inbreuken

1.  Elk van de volgende overtredingen vormt een ernstige inbreuk in de zin van artikel 90 van Verordening (EG) nr. 1224/2009:

a)  op een "overige"-quotum vissen zonder voorafgaande kennisgeving aan de Commissie in strijd met artikel 5;

b)  op een "overige"-quotum vissen voor meer dan vijf werkdagen na een sluiting van de visserij in strijd met artikel 5;

c)  gericht vissen op een bestand waarvoor een moratorium geldt of waarvoor anderszins een visverbod geldt, in strijd met artikel 6;

d)  gericht vissen op bestanden of soorten na de aan de Commissie meegedeelde datum van de sluiting van de visserij door de vlaggenlidstaat, in strijd met artikel 6;

e)  vissen in een gesloten gebied, in strijd met artikel 9, lid 5, en artikel 11;

f)  vissen met bodemvistuig in een voor bodemvisserijactiviteiten gesloten gebied, in strijd met hoofdstuk III;

g)  een niet-toegestane maaswijdte gebruiken, in strijd met artikel 13;

h)  vissen zonder geldige machtiging;

i)  het onjuist registreren van vangsten, in strijd met artikel 25;

j)  geen satellietvolgsysteem aan boord hebben of de werking ervan verstoren, in strijd met artikel 26;

k)  geen berichten in verband met vangst verzenden, in strijd met artikel 10, lid 3, of artikel 25;

l)  inspecteurs of waarnemers hinderen, intimideren, beïnvloeden of anderszins verhinderen hun taken uit te voeren, of andere vormen van indirecte druk uitoefenen;

m)  een inbreuk begaan wanneer er geen waarnemer aan boord is;

n)  het verborgen houden van, knoeien met of doen verdwijnen van bewijsmateriaal dat verband houdt met een onderzoek, met inbegrip van het verbreken van of knoeien met zegels of zich toegang verschaffen tot verzegelde ruimten;

o)  het overleggen van vervalste documenten of het verstrekken van valse informatie aan een inspecteur waardoor een ernstige inbreuk niet zou worden ontdekt;

p)  aanlanden, overladen, of gebruikmaken van andere havendiensten:

i)  in een niet overeenkomstig de bepalingen van artikel 39, lid 1, aangewezen haven; of

ii)  zonder machtiging van de havenstaat als bedoeld in artikel 39, lid 6;

q)  niet-naleving van de bepalingen van artikel 41, lid 1;

r)  geen waarnemer aan boord hebben in een geval waarin dit verplicht is.

2.  Wanneer een inspecteur een vaartuig aanhoudt wegens een ernstige inbreuk:

a)  neemt hij alle nodige maatregelen om de beveiliging en het behoud van de bewijzen te waarborgen, met inbegrip van, indien passend, het voor verdere inspectie verzegelen van het ruim en/of het vistuig van het vaartuig;

b)  verzoekt hij de kapitein van het vaartuig alle visserijactiviteiten stop te zetten die een ernstige inbreuk lijken te vormen; en

c)  stelt hij de bevoegde autoriteit van de inspecteur onverwijld in kennis en zendt hij binnen 24 uur de informatie en, waar mogelijk, beelden door. De bevoegde autoriteit die deze informatie ontvangt, stelt de verdragsluitende vlaggenstaat of de vlaggen­lidstaat indien verschillend van de inspecterende lidstaat in kennis overeenkomstig artikel 34.

3.  In het geval van een ernstige inbreuk met betrekking tot een onder zijn vlag varend vaartuig, doet de vlaggenlidstaat het volgende:

a)  hij bevestigt onverwijld de ontvangst van de desbetreffende informatie en beelden;

b)  hij waarborgt dat het geïnspecteerde vaartuig de visserij tot nadere kennisgeving niet hervat;

c)  hij bekijkt de zaak opnieuw, aan de hand van alle beschikbare informatie en al het beschikbare materiaal, en hij eist binnen 72 uur dat het vaartuig zich onmiddellijk naar een haven begeeft voor een volledige inspectie onder zijn gezag, indien een van de volgende ernstige inbreuken blijkt:

i)  gericht vissen op een bestand waarvoor een moratorium geldt;

ii)  gericht vissen op een bestand waarvoor een vangstverbod geldt krachtens artikel 6;

iii)  het onjuist registreren van vangst, in strijd met artikel 25; of

iv)  herhaling van eenzelfde ernstige inbreuk gedurende een periode van zes maanden.

4.  Indien de ernstige inbreuk het onjuist registreren van vangst betreft, wordt in het kader van de volledige inspectie de fysieke inspectie en opsomming van de totale vangst aan boord, per soort en per sector gewaarborgd.

5.  Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "het onjuist registreren van vangsten" een verschil van ten minste tien ton of, indien dat meer is, twintig procent, verstaan tussen de ramingen van de inspecteurs van de verwerkte vangst aan boord, per soort of in totaal, en de in het productielogboek geregistreerde cijfers, berekend als een percentage van de cijfers in het productielogboek.

6.  Voor zover de vlaggenlidstaat hiermee instemt en indien de verdragsluitende partij bij de NAFO die de havenstaat is, verschillend is van de lidstaat van de inspecteur, mogen inspecteurs van die verdragsluitende partij bij de NAFO die de havenstaat is of van de havenlidstaat, deelnemen aan de volledige inspectie en opsomming van de vangst.

7.  Indien lid 3, punt c), niet van toepassing is doet de vlaggenlidstaat het volgende:

a)  hij staat toe dat het vaartuig de visserij hervat. In een dergelijk geval verstrekt de vlaggenlidstaat aan de Commissie uiterlijk twee dagen na de kennisgeving van de inbreuk een schriftelijke uiteenzetting van de reden waarom het vaartuig niet is opgedragen te havenen. De Commissie zendt die kennisgeving naar de uitvoerend secretaris van de NAFO; of

b)  hij gebiedt het vaartuig zich onmiddellijk naar een haven te begeven voor een volledige fysieke inspectie onder zijn gezag.

8.  Indien de vlaggenlidstaat het geïnspecteerde vaartuig opdraagt te havenen, mogen de inspecteurs aan boord gaan of blijven van het vaartuig wanneer het zich naar de haven begeeft, op voorwaarde dat de vlaggenlidstaat de inspecteurs niet gebiedt het vaartuig te verlaten.

Artikel 36

Vervolgactie bij inbreuken

1.  In het geval van een inbreuk door een vaartuig dat onder zijn vlag vaart, doet de lidstaat het volgende:

a)  hij verricht zo snel mogelijk een volledig onderzoek, met inbegrip van zo nodig een fysieke inspectie van het vissersvaartuig;

b)  hij werkt samen met de inspecterende verdragsluitende partij bij de NAFO of met de inspecterende lidstaat indien verschillend van de vlaggenlidstaat, om het bewijs­materiaal en de volledige bewakingsketen te bewaren in een vorm die de procedures overeenkomstig zijn wetten zal faciliteren;

c)  hij neemt onmiddellijk gerechtelijke of administratieve maatregelen overeenkomstig zijn nationale wetgeving tegen de voor het vaartuig verantwoordelijke personen; en

d)  hij waarborgt dat de voor de inbreuken geldende sancties streng genoeg zijn om op doeltreffende wijze naleving te verzekeren, verdere inbreuken of de herhaling ervan te ontmoedigen en de overtreders de uit de inbreuk voortvloeiende voordelen te ontnemen.

2.  De gerechtelijke of administratieve maatregelen en sancties als bedoeld in lid 1, punten c) en d), kunnen, afhankelijk van de ernst van de inbreuk en overeenkomstig het nationale recht, onder meer de volgende maatregelen en sancties omvatten, zonder daar evenwel toe beperkt te zijn:

a)  boeten;

b)  inbeslagneming van het vaartuig, illegaal vistuig en illegale vangsten;

c)  schorsing of intrekking van de machtiging om visserijactiviteiten te verrichten; en

d)  vermindering of annulering van de vangsttoewijzingen.

3.  Elke vlaggenlidstaat waarborgt dat hij alle inbreukkennisgevingen behandelt alsof de inbreuk door zijn eigen inspecteurs zou zijn gerapporteerd.

4.  De vlaggenlidstaat en de havenlidstaat stellen de Commissie onverwijld in kennis van:

a)  de gerechtelijke of administratieve maatregelen en sancties als bedoeld in lid 1, punten c) en d);

b)  zo snel mogelijk maar uiterlijk vier maanden na een ernstige inbreuk, een rapport waarin de voortgang van het onderzoek wordt beschreven, met vermelding van de bijzonderheden van de maatregelen die hij met betrekking tot de inbreuk heeft genomen of heeft ingeleid; en

c)  na de voltooiing van het onderzoek, een rapport over het eindresultaat.

Artikel 37

Rapporten van de lidstaten over inspectie, surveillance en inbreuken

1.  Elke lidstaat rapporteert jaarlijks uiterlijk op 1 februari aan de Commissie en het EBVC, overeenkomstig de regeling, de volgende informatie:

a)  het aantal inspecties van onder zijn vlag varende vissersvaartuigen en van vissersvaartuigen die onder de vlag van andere verdragsluitende partijen bij de NAFO varen, die hij het vorige kalenderjaar heeft verricht;

b)  de naam van elk vissersvaartuig waarvoor zijn inspecteurs een kennisgeving van een inbreuk hebben gedaan, met vermelding van de datum en de positie van de inspectie en de aard van de inbreuk;

c)  het aantal vlieguren van zijn surveillancevliegtuigen op patrouille, het aantal door zulke vliegtuigen gedane waarnemingen, het aantal surveillancerapporten dat zij hebben doorgezonden en, voor elk dergelijk rapport, de datum, tijd en positie van de waarnemingen;

d)  de maatregelen die hij het vorige jaar heeft genomen, met inbegrip van een beschrijving van de specifieke bepalingen van gerechtelijke of administratieve maatregelen of sancties (bijvoorbeeld het bedrag van de boeten, de waarde van de in beslag genomen vis en/of het in beslag genomen vistuig, gegeven schriftelijke waarschuwingen), met betrekking tot:

i)  elke door een inspecteur genoemde inbreuk met betrekking tot vaartuigen die onder zijn vlag varen; en

ii)  elk surveillancerapport dat hij heeft ontvangen.

Uiterlijk op 1 maart van elk jaar geeft de Commissie de in de eerste alinea bedoelde informatie door aan de uitvoerend secretaris van de NAFO.

2.  De in lid 1, eerste alinea, punt d), bedoelde rapporten vermelden de huidige status van de zaak. De lidstaat blijft een dergelijke inbreuk in elk later rapport opnemen totdat hij de uiteindelijke uitkomst van de inbreuk rapporteert.

3.  Een lidstaat verstrekt een voldoende gedetailleerde uitleg over elke inbreuk waarvoor hij geen maatregelen heeft genomen of waarvoor geen sancties zijn opgelegd.

HOOFDSTUK VIII

HAVENSTAATCONTROLE VAN VAARTUIGEN DIE DE VLAG VAN EEN ANDERE VERDRAGSLUITENDE PARTIJ VOEREN

Artikel 38

Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk is van toepassing op aanlanding, overladingen, of het gebruik van havens van lidstaten door onder de vlag van een andere verdragsluitende partij bij de NAFO varende vissersvaartuigen die in het gereglementeerde gebied visserijactiviteiten verrichten. Dit hoofdstuk is van toepassing op vaartuigen die vangsten aan boord hebben in het gereglementeerde gebied, of op van zulke vangsten afkomstige visserijproducten, die niet eerder in een haven zijn aangeland of overgeladen.

Artikel 39

Verplichtingen van de havenlidstaat

1.  De havenlidstaat verstrekt aan de Commissie en aan het EBVC een lijst met aangewezen havens waartoe vissersvaartuigen toegang kan worden verleend met het oog op aanlanding, overlading en/of verlening van havendiensten, en waarborgt zoveel mogelijk dat elke aangewezen haven voldoende capaciteit heeft om inspecties te verrichten krachtens dit hoofdstuk. De Commissie post de lijst van aangewezen havens in pdf-formaat op de MCS-website van de NAFO. Latere wijzigingen van de lijst worden uiterlijk vijftien dagen voordat de wijziging van kracht wordt, gepost ter vervanging van de vorige lijst.

2.  De havenlidstaat stelt een minimumtermijn voor voorafgaande verzoeken vast. De termijn voor voorafgaande verzoeken is drie werkdagen vóór het geraamde tijdstip van aankomst. In overleg met de Commissie kan de havenlidstaat echter voorzieningen treffen voor een andere termijn voor voorafgaande verzoeken, rekening houdend met, onder meer, het producttype van de vangst en de afstand tussen de visgronden en zijn havens. De havenlidstaat verstrekt de informatie over de termijn voor voorafgaande verzoeken aan de Commissie, die deze in pdf-formaat op de MCS-website van de NAFO post.

3.  De havenlidstaat wijst de bevoegde autoriteit aan die fungeert als het contactpunt voor het ontvangen van verzoeken overeenkomstig artikel 41, het ontvangen van bevestigingen overeenkomstig artikel 40, lid 2, en het afgeven van machtigingen overeenkomstig lid 6 van dit artikel. De havenlidstaat verstrekt de naam en de contactinformatie van de bevoegde autoriteit aan de Commissie, die deze in pdf-formaat op de MCS-website van de NAFO post.

4.  De vereisten van de leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer de Unie geen aanlandingen, overladingen, of het gebruik van havens toestaat door vaartuigen die onder de vlag van een andere verdragsluitende partij bij de NAFO varen.

5.  De havenlidstaat stuurt onverwijld een kopie van het formulier als bedoeld in artikel 41, leden 1 en 2, toe aan de verdragsluitende partij bij de NAFO waarvan het vaartuig de vlag voert en aan de verdragsluitende partij bij de NAFO waarvan het overladende vaartuig de vlag voert indien het vaartuig betrokken was bij overladingsverrichtingen.

6.  Vissersvaartuigen varen een haven niet binnen zonder voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteiten van de havenlidstaat. Toestemming om vis aan te landen of over te laden of om gebruik te maken van andere havendiensten, wordt enkel verleend indien de bevestiging van de verdragsluitende partij bij de NAFO waarvan het vaartuig de vlag voert als bedoeld in artikel 40, lid 2, is ontvangen.

7.  In afwijking van lid 6 kan de havenlidstaat de aanlanding geheel of gedeeltelijk toestaan zonder de in dat lid bedoelde bevestiging, op voorwaarde dat:

a)  de betrokken vis wordt opgeslagen onder controle van de bevoegde autoriteiten;

b)  de vis slechts voor verkoop, overname, productie of vervoer wordt vrijgegeven nadat de in lid 6 bedoelde bevestiging is ontvangen;

c)  wanneer 14 dagen na de voltooiing van de aanlandingsverrichtingen nog geen bevestiging is ontvangen, mag de havenlidstaat de vis in beslag nemen en verwijderen overeenkomstig de geldende nationale bepalingen.

8.  De havenlidstaat stelt de kapitein van het vaartuig onverwijld in kennis van zijn besluit om het binnenvaren van de haven toe te staan dan wel te weigeren, of indien het vaartuig zich in de haven bevindt, van zijn besluit om de aanlanding, overlading of ander gebruik van de haven toe te staan dan wel te weigeren. Indien het vaartuig de haven mag binnenvaren, stuurt de havenlidstaat aan de kapitein van het vaartuig een kopie terug van het formulier "Port State Control Prior Request Form" van bijlage II.L bij de CEM (bedoeld in punt 43 van de bijlage bij deze verordening), met deel C naar behoren ingevuld. Deze kopie wordt ook toegezonden aan de Commissie, die deze onverwijld op de MCS-website van de NAFO post. In geval van een weigering stelt de havenlidstaat de verdragsluitende partij bij de NAFO waarvan het vaartuig de vlag voert, daarvan in kennis.

9.  In geval van annulering van een voorafgaand verzoek als bedoeld in artikel 41, lid 2, verzendt de havenlidstaat een kopie van het geannuleerde formulier "Port State Control Prior Request Form" toe aan de Commissie, die deze op de MCS-website van de NAFO post, en voor automatische doorzending aan de verdragsluitende partij bij de NAFO waarvan het vaartuig de vlag voert.

10.  Tenzij in een herstelplan anders is bepaald, voert de havenlidstaat tijdens elk rapportage­jaar inspecties uit van ten minste 15 % van alle aanlandings- of overladingsverrichtingen. Wanneer de havenlidstaat bepaalt welke vaartuigen moeten worden gecontroleerd, geeft hij voorrang aan:

a)  vaartuigen waaraan eerder de toegang tot of het gebruik van een haven is geweigerd overeenkomstig dit hoofdstuk of een andere bepaling van deze verordening; en

b)  verzoeken van andere verdragsluitende partijen bij de NAFO, staten, of regionale organisaties voor visserijbeheer ("ROVB's") om een bepaald vaartuig te inspecteren.

11.  Inspecties worden in overeenstemming met bijlage IV.H bij de CEM (bedoeld in punt 44 van de bijlage bij deze verordening) verricht door gemachtigde inspecteurs van de havenlidstaat, die vóór de inspectie identiteitsdocumenten aan de kapitein van het vaartuig overleggen.

12.  Afhankelijk van de toestemming van de havenlidstaat kan de Commissie inspecteurs van andere verdragsluitende partijen bij de NAFO uitnodigen om de eigen inspecteurs te vergezellen en de inspectie te observeren.

13.  Een inspectie in de haven omvat de monitoring van de gehele aanlanding of overlading van visbestanden in die haven. Gedurende een dergelijke inspectie doet de inspecteur van de havenlidstaat ten minste het volgende:

a)  hij vergelijkt de hoeveelheden van elke aangelande of overgeladen soort met:

i)  de in het logboek geregistreerde hoeveelheden per soort;

ii)  de vangstaangiften en activiteitenrapporten; en

iii)  alle informatie over vangsten die is verstrekt in de voorafgaande kennisgeving "Port State Control Prior Request Forms" als vastgesteld in bijlage II.L bij de CEM (bedoeld in punt 43 van de bijlage bij deze verordening);

b)  hij verifieert en registreert de hoeveelheden van de aan boord gehouden vangst per soort na voltooiing van de aanlanding of overlading;

c)  hij verifieert alle informatie van overeenkomstig hoofdstuk VII verrichte inspecties;

d)  hij controleert alle netten aan boord en registreert de afmetingen van de mazen;

e)  hij toetst de maat van de vis aan de voorschriften inzake de minimummaat;

f)  hij verifieert in voorkomend geval of de soorten nauwkeurig in de vangstaangifte zijn opgenomen.

14.  De havenlidstaat communiceert zo mogelijk met de kapitein van het vaartuig of de hooggeplaatste bemanningsleden van het vaartuig, alsook met de waarnemer, en zo mogelijk en zo nodig waarborgt hij dat de inspecteur door een tolk wordt vergezeld.

15.  De havenlidstaat vermijdt zo mogelijk het vissersvaartuig onnodig op te houden en waarborgt dat het vaartuig zo min mogelijk hinder en ongemak ondervindt, onder meer door onnodig kwaliteitsverlies van de vis te voorkomen.

16.  Elke inspectie wordt gedocumenteerd door het formulier PSC 3 (Port State Control Inspection Form) van bijlage IV.C bij de CEM (bedoeld in punt 9 van de bijlage bij deze verordening) in te vullen. De procedure voor het invullen en omgaan met het "Report on Port State Control Inspection" omvat het volgende:

a)  de inspecteurs noemen elke tijdens de haveninspectie geconstateerde inbreuk op deze verordening en geven details. Details omvatten alle relevante beschikbare informatie met betrekking tot tijdens de lopende reis van het geïnspecteerde vissersvaartuig op zee vastgestelde inbreuken;

b)  de inspecteurs kunnen alle opmerkingen toevoegen die zij relevant achten;

c)  de kapitein van het vaartuig krijgt de gelegenheid op- of aanmerkingen aan het rapport toe te voegen en zo nodig contact op te nemen met de ter zake relevante autoriteiten van de vlaggenstaat, met name wanneer de kapitein van het vaartuig het erg moeilijk heeft de inhoud van het rapport te begrijpen;

d)  de inspecteurs ondertekenen het rapport en verzoeken de kapitein van het vaartuig het rapport te ondertekenen. De ondertekening van het rapport door de kapitein van het vaartuig geldt slechts als bewijs van ontvangst van een kopie van het rapport;

e)  aan de kapitein van het vaartuig wordt een kopie van het rapport verstrekt met het resultaat van de inspectie, met inbegrip van mogelijke maatregelen die kunnen worden genomen.

17.  De havenlidstaat zendt onverwijld een kopie van elk havenstaatcontrole-inspectierapport (Port State Control Inspection Report) toe aan de Commissie en aan het EBVC. De Commissie post het havenstaatcontrole-inspectierapport in pdf-formaat op de MCS-website van de Commissie, voor automatische doorzending aan de verdragsluitende partij bij de NAFO waarvan het vaartuig de vlag voert en aan de vlaggenstaat van elk vaartuig dat vangst heeft overgeladen op het geïnspecteerde vissersvaartuig.

Artikel 40

Verplichtingen van de vlaggenlidstaat

1.  De lidstaten waarborgen dat de kapitein van een onder hun vlag varend vaartuig voldoet aan de in artikel 41 vastgestelde verplichtingen van kapiteins van het vaartuig.

2.  De lidstaat van een vissersvaartuig dat voornemens is om aan te landen of over te laden of om gebruik te maken van andere havendiensten, of waarvan het vaartuig betrokken was bij overladingsverrichtingen buiten een haven, bevestigt, door een kopie terug te sturen van het formulier "Port State Control Prior Request Form", bijlage II.L bij de CEM (bedoeld in punt 43 van de bijlage bij deze verordening), doorgezonden overeenkomstig artikel 39, lid 5, met deel B naar behoren ingevuld, dat:

a)  het vissersvaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, over een toereikend quotum voor de aangegeven soort beschikte;

b)  de gemelde hoeveelheden aan boord gehouden vis per soort naar behoren zijn aangegeven en zijn verrekend in de toepasselijke vangst- of inspanningsbeperkingen;

c)  het vissersvaartuig dat volgens de aangifte de vis heeft gevangen, over een machtiging beschikte om in de opgegeven gebieden te vissen; en

d)  de aanwezigheid van het vaartuig in het gebied waar het volgens de aangifte zijn vangst heeft gedaan, geverifieerd is via VMS-gegevens.

3.  De lidstaat zendt aan de Commissie de contactgegevens van zijn bevoegde autoriteit toe, die fungeert als het contactpunt om verzoeken te ontvangen overeenkomstig artikel 39, lid 5, en informatie te verstrekken overeenkomstig artikel 39, lid 6. De Commissie post deze informatie in pdf-formaat op de MCS-website van de NAFO.

Artikel 41

Verplichtingen van de kapitein van het vaartuig

1.  De kapitein of de gemachtigde van een vissersvaartuig dat voornemens is de haven binnen te varen, zendt het verzoek om toegang binnen de in artikel 39, lid 2, bedoelde verzoeks­termijn door aan de bevoegde autoriteiten van de havenlidstaat. Een dergelijk verzoek gaat als volgt vergezeld van het naar behoren ingevulde "Port State Control Prior Request Form" vervat in deel A van bijlage II.L bij de CEM (bedoeld in punt 43 van de bijlage bij deze verordening):

a)  het "Port State Control Prior Request Form PSC 1", als bedoeld in bijlage II.L.A bij de CEM, wordt gebruikt wanneer het vaartuig zijn eigen vangst aan boord heeft, aanlandt of overlaadt; en

b)  het "Port State Control Prior Request Form PSC 2", als bedoeld in bijlage II.L.B bij de CEM, wordt gebruikt wanneer het vaartuig betrokken was bij overladings­verrichtingen. Per overladend vaartuig dient een apart formulier te worden ingevuld;

c)  zowel PSC 1 als PSC 2 wordt ingevuld in gevallen waarin het vaartuig zijn eigen vangst en via overlading verkregen vangst aan boord heeft, aanlandt of overlaadt.

2.  Een kapitein van het vaartuig of een gemachtigde kan een voorafgaand verzoek annuleren door de bevoegde autoriteit van de haven die hij voornemens was te gebruiken, op de hoogte te brengen. Het verzoek gaat vergezeld van een kopie van het originele "Port State Control Prior Request Form" vervat in bijlage II.L bij de CEM (bedoeld in punt 43 van de bijlage bij deze verordening), met het woord "geannuleerd" eroverheen geschreven.

3.  De kapitein van het vaartuig vangt geen aanlandings- of overladingsverrichting aan of maakt geen gebruik van andere havendiensten, voordat de bevoegde autoriteit van een lidstaat toestemming heeft gegeven, of voordat het geraamde tijdstip van aankomst (ETA) zoals gerapporteerd in PSC1 of PSC2 is verstreken. Indien de bevoegde autoriteiten van de havenlidstaat daarvoor toestemming hebben gegeven, mogen de aanlandings- of overladingsverrichtingen en het gebruik van andere havendiensten echter vóór de ETA aanvangen.

4.  De kapitein van het vaartuig:

a)  werkt mee aan en verleent hulp bij de inspectie van het vissersvaartuig overeen­komstig deze procedures, zonder de inspecteurs van de havenstaat te hinderen, intimideren of beïnvloeden bij de uitvoering van hun taken;

b)  verleent toegang tot de plaatsen, dekken, ruimten, vangst, netten of ander vistuig of materiaal en verstrekt op verzoek van de inspecteur van de havenstaat relevante informatie, inclusief kopieën van relevante documenten.

Artikel 42

Bij de inspecties in de haven vastgestelde inbreuken

Indien bij een inspectie van een vaartuig in de haven een inbreuk wordt vastgesteld, zijn de desbetreffende bepalingen van de artikelen 34 tot en met 37 van toepassing.

Artikel 43

Vertrouwelijkheid

Alle in dit hoofdstuk bedoelde inspectie- en onderzoeksrapporten en bijbehorende beelden of bewijsstukken, en formulieren worden door de lidstaten, de bevoegde autoriteiten, de exploitanten, de kapiteins van het vaartuig en de bemanning als vertrouwelijk behandeld, overeenkomstig de in bijlage II.B bij de CEM vastgestelde regels inzake vertrouwelijkheid (bedoeld in punt 37 van de bijlage bij deze verordening).

HOOFDSTUK IX

NIET-VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN

Artikel 44

Vermoeden van IOO-visserij

Van een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij wordt vermoed dat het de doeltreffendheid van deze verordening heeft ondermijnd en dat het IOO-visserij heeft bedreven, indien:

a)  is waargenomen of op andere wijze is vastgesteld dat het betrokken was bij visserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied;

b)  het betrokken was bij overlading met een ander vaartuig van een niet-verdragsluitende partij waarvan is waargenomen of is vastgesteld dat het visserijactiviteiten heeft bedreven binnen of buiten het gereglementeerde gebied; en/of

c)  het is opgenomen in de IOO-lijst van de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan ("NEAFC")(17).

Artikel 45

Waarneming en inspectie van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen in het gereglementeerde gebied

Elke lidstaat met een inspectie- en/of surveillanceaanwezigheid in het gereglementeerde gebied waarvoor machtiging is verleend in het kader van de gezamenlijke inspectie- en surveillanceregeling die een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij waarneemt dat visserijactiviteiten in het gereglementeerde gebied verricht:

a)  zendt onverwijld de informatie aan de Commissie door met gebruikmaking van het formaat van het surveillancerapport dat is vastgesteld in bijlage IV.A bij de CEM (bedoeld in punt 38 van de bijlage bij deze verordening);

b)  tracht de kapitein van het vaartuig ervan in kennis te stellen dat wordt vermoed dat het vaartuig IOO-visserij bedrijft en dat deze informatie aan alle verdragsluitende partijen, ter zake relevante ROVB's en de vlaggenstaat van het vaartuig zal worden meegedeeld;

c)  verzoekt in voorkomend geval de kapitein van het vaartuig om toestemming om aan boord van het vaartuig te gaan voor inspectie; en

d)  wanneer de kapitein van het vaartuig met inspectie instemt:

i)  zendt hij de bevindingen van de inspecteur onverwijld door aan de Commissie aan de hand van het inspectierapportformulier in bijlage IV.B bij de CEM (bedoeld in punt 41 van de bijlage bij deze verordening); en

ii)  verstrekt hij een kopie van het inspectierapport aan de kapitein van het vaartuig.

Artikel 46

Binnenvaren van de haven en inspectie van vaartuigen van niet-verdragsluitende partijen

1.  Elke kapitein van het vaartuig van een niet-verdragsluitende partij verzoekt de bevoegde autoriteit van de havenlidstaat overeenkomstig de bepalingen van artikel 41 om toestemming om de haven binnen te varen.

2.  Elke havenlidstaat:

a)  stuurt de informatie die hij krachtens artikel 41 heeft ontvangen onverwijld aan de vlaggenstaat van het vaartuig en aan de Commissie door;

b)  weigert elk vaartuig van een niet-verdragsluitende partij toegang tot de haven indien:

i)  de kapitein van het vaartuig de in artikel 41, lid 1, vastgestelde verplichtingen niet is nagekomen; of

ii)  de vlaggenstaat de visserijactiviteiten van het vaartuig niet heeft bevestigd overeenkomstig artikel 40, lid 2;

c)  stelt de kapitein van het vaartuig of de gemachtigde, de vlaggenstaat van dat vaartuig en de Commissie in kennis van zijn besluit om een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij toegang tot de haven, overlading, aanlanding of elk ander gebruik van een haven te weigeren;

d)  trekt de weigering van toegang tot de haven enkel in, indien de havenstaat heeft vastgesteld dat er voldoende bewijs is dat de gronden waarop het vaartuig toegang werd geweigerd, ontoereikend of fout waren of dat zulke gronden niet meer van toepassing zijn;

e)  stelt de kapitein van het vaartuig of gemachtigde en de vlaggenstaat van dat vaartuig en de Commissie in kennis van zijn besluit tot intrekking van het besluit om een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij toegang tot de haven, overlading, aanlanding of elk ander gebruik van een haven te weigeren;

f)  waarborgt, indien hij toegang verleent, dat het vaartuig wordt geïnspecteerd door naar behoren gemachtigde functionarissen die vertrouwd zijn met deze verordening en dat de inspectie wordt verricht overeenkomstig artikel 39, leden 11 tot en met 17; en

g)  zendt onverwijld aan de Commissie een kopie van het inspectierapport en details van elke latere maatregel die hij heeft genomen toe.

3.  Elke lidstaat waarborgt dat vaartuigen van een niet-verdragsluitende partij niet aanlanden, geen overladingsverrichtingen uitvoeren en geen ander gebruik maken van zijn havens, tenzij het vaartuig is geïnspecteerd door zijn naar behoren gemachtigde functionarissen die vertrouwd zijn met deze verordening, en de kapitein van het vaartuig aantoont dat de onder het Verdrag vallende vissoorten aan boord van het vaartuig buiten het gereglementeerde gebied of in overeenstemming met deze verordening zijn geoogst.

Artikel 47

Voorlopige lijst van IOO-vaartuigen

1.  In aanvulling op de overeenkomstig de artikelen 42 en 44 door de lidstaten ingediende informatie, kan elke lidstaat onverwijld aan de Commissie alle informatie doorzenden die behulpzaam kan zijn bij de identificatie van een vaartuig van een niet-verdragsluitende partij dat in het gereglementeerde gebied IOO-visserij aan het bedrijven zou kunnen zijn.

2.  Indien een verdragsluitende partij er bezwaar tegen maakt dat een vaartuig op de IOO-lijst van de NEAFC wordt opgenomen of geschrapt uit de lijst van IOO-vaartuigen van de NAFO, wordt dat vaartuig door de uitvoerend secretaris van de NAFO op de voorlopige lijst van IOO-vaartuigen geplaatst.

Artikel 48

Maatregelen tegen vaartuigen op de lijst van IOO-vaartuigen

Elke lidstaat neemt alle maatregelen die nodig zijn om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, ten aanzien van elk vaartuig op de lijst van IOO-vaartuigen, met inbegrip van:

a)  het verbieden van een onder zijn vlag varend vaartuig om, behalve in geval van overmacht, deel te nemen aan visserijactiviteiten met een dergelijk vaartuig, met inbegrip van maar niet beperkt tot gezamenlijke visserijactiviteiten;

b)  het verbieden van het leveren van voorraden, brandstof of andere diensten aan een dergelijk vaartuig;

c)  het verbieden dat een dergelijk vaartuig zijn havens binnenvaart, en indien het vaartuig zich in een haven bevindt, het gebruik van de haven verbieden, behalve in geval van overmacht of nood, voor inspectiedoeleinden, of om passende handhavingsmaatregelen te nemen;

d)  het verbieden dat de bemanning wordt vervangen, behalve indien dat nodig is wegens overmacht;

e)  het weigeren om een dergelijk vaartuig te machtigen om in wateren onder zijn nationale jurisdictie te vissen;

f)  het verbieden van het charteren van een dergelijk vaartuig;

g)  het aan een dergelijk vaartuig weigeren onder zijn vlag te varen;

h)  het verbieden van de aanlanding en invoer van vis die zich aan boord van een dergelijk vaartuig bevindt of die naar dat vaartuig kan worden getraceerd;

i)  het aanmoedigen van invoerders, vervoerders en andere betrokken sectoren om niet met dergelijke vaartuigen over de overlading van vis te onderhandelen; en

j)  het verzamelen van alle passende informatie betreffende dergelijke vaartuigen en het uitwisselen daarvan met andere verdragsluitende partijen, niet-verdragsluitende partijen en ROVB's, met de bedoeling het gebruik van valse invoer- of uitvoercertificaten van vis of visserijproducten van dergelijke vaartuigen op te sporen, te ontmoedigen of te voorkomen.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 49

Vertrouwelijkheid

Naast de verplichtingen die krachtens de artikelen 112 en 113 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 op hen rusten, verzekeren de lidstaten de vertrouwelijke behandeling van elektronische aangiften en berichten die overeenkomstig artikel 4, lid 2, punt a), artikel 4, lid 6, artikel 5, lid 3, punt c), artikel 10, lid 2, artikel 15, lid 4, artikel 22, leden 1, 5 en 6, artikel 23, lid 6, artikel 25, lid 8, artikel 26, lid 9, artikel 27, leden 3, 5, 6, 7 en 15, artikel 29, leden 1 en 2, artikel 34, lid 2, artikel 36, lid 4, artikel 37, lid 1, en artikel 39, lid 8, aan de NAFO worden toegestuurd of daarvan worden ontvangen.

Artikel 50

Procedure in geval van wijzigingen

1.   De Commissie stelt uiterlijk … [zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] overeenkomstig artikel 51 een gedelegeerde handeling vast ter aanvulling van deze verordening met de bepalingen van en bijlagen bij de CEM genoemd in de bijlage bij deze verordening. De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 51 een gedelegeerde handeling vast te stellen om die gedelegeerde handeling later te wijzigen.

2.  De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 51 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van deze verordening om ze af te stemmen op door de NAFO vastgestelde en voor de Unie en haar lidstaten bindende maatregelen met betrekking tot:

a)  de lijst van ▌activiteiten van onderzoeksvaartuigen als bedoeld in artikel 4, lid 1;

b)  in artikel 9 bedoelde maatregelen met betrekking tot visserijgebieden voor Noordse garnaal; relevante rapportering, wijziging van de visserij, visserijdiepten en verwijzingen naar beperkte of gesloten gebieden;

c)  procedures betreffende vaartuigen met een totale vangst van meer dan vijftig ton levend gewicht aan boord die het gereglementeerde gebied binnen­varen om op Groenlandse heilbot/zwarte heilbot te vissen en betreffende de inhoud van de in artikel 10, lid 2, punten a) en b), bedoelde kennisgevingen en in artikel 10, lid 2, punt d), bedoelde voorwaarden voor de aanvang van de visserij;

d)  de inhoud van de elektronische doorzending als bedoeld in artikel 22, lid 5, de lijst van geldige documenten die aan boord van het vaartuig moeten worden gehouden overeen­komstig artikel 22, lid 8, en de inhoud van het in artikel 22, lid 10, beschreven capaciteitsplan;

e)  documentatie inzake charterovereenkomsten die aan boord van een gecharterd vaartuig moet worden gehouden, overeenkomstig artikel 23, lid 9;

f)  de automatisch en continu door te zenden VMS-gegevens als beschreven in artikel 26, lid 1, alsook de verplichtingen ten aanzien van het VCC als beschreven in artikel 26, leden 2 en 9;

g)  percentages voor waar­nemerstoezicht als bedoeld in artikel 27, lid 3, rapportage door de lidstaten als bedoeld in artikel 27, lid 7, verplichtingen van een waarnemer als bedoeld in artikel 27, lid 11, en verplichtingen van de kapitein van het vaartuig als bedoeld in artikel 27, lid 12;

h)  de verplichtingen van de kapitein van het vaartuig tijdens de inspectie, als beschreven in artikel 32.

3.  Wijzigingen overeenkomstig lid 1 zijn strikt beperkt tot de implementatie van wijzigingen van de CEM in het recht van de Unie.

Artikel 51

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 50 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van … [de datum van inwerkingtreding van deze verordening]. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden vóór het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden vóór het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 50 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 50 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 52

Intrekking

Verordening (EG) nr. 2115/2005 en Verordening (EG) nr. 1386/2007 worden ingetrokken.

Artikel 53

Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/1627

Verordening (EU) 2016/1627 wordt als volgt gewijzigd:

1)  aan artikel 3 worden de volgende toegevoegd:"

"27. "groot pelagisch beugvisserijvaartuig": een pelagisch beugvisserijvaartuig met een lengte over alles van meer dan 24 meter;

   28. "ringzegens": ringnettennetten waarvan de bodem aan de onderkant wordt samengetrokken door een sluitlijn die door een reeks ringen langs de onderpees loopt, waardoor het net kan worden samengetrokken en gesloten;";

"

2)  artikel 9 wordt vervangen door:"

"Artikel 9

Jaarlijkse beheersplannen voor de vangstcapaciteit

   1. Elke lidstaat stelt een jaarlijks beheersplan voor de vangstcapaciteit vast om het aantal vissersvaartuigen aan te passen en aldus aan te tonen dat de vangst­capaciteit in verhouding staat tot de in de betrokken periode aan de vaartuigen toegewezen vangstmogelijkheden.
   2. De lidstaten passen de vangstcapaciteit aan met behulp van de parameters die zijn voorgesteld door het Permanent comité voor onderzoek en statistiek van de "SCRS" en zijn vastgesteld door de ICCAT in 2009.

De lidstaten kunnen sectorale quota toewijzen aan kleine kustvaartuigen die gemachtigd zijn op blauwvintonijn te vissen, en vermelden dat in hun visplannen. Zij nemen in hun monitorings-, controle- en inspectieplannen ook aanvullende maatregelen op om nauwlettend toe te zien op de benutting van het quotum voor die vloot. De lidstaten kunnen een ander aantal vaartuigen machtigen om hun vangstmogelijkheden volledig te benutten, met behulp van de in lid 1 bedoelde parameters.

   3. Portugal en Spanje kunnen sectorale quota toewijzen aan met de hengel vissende vaartuigen in de wateren rond de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. De sectorale quota en de aanvullende maatregelen om toe te zien op de benutting ervan, worden duidelijk omschreven in hun respectieve jaarlijkse plannen.
   4. Indien de lidstaten overeenkomstig lid 2 of lid 3 sectorale quota toekennen, is het minimumquotumvereiste van 5 ton, als vastgesteld door het SCRS in 2009, niet van toepassing.
   5. De aanpassing van de vangstcapaciteit voor ringzegenvaartuigen wordt beperkt tot een maximale verhoging met 20 % ten opzichte van de basisvangstcapaciteit in 2018.
   6. Voor de periode 2019-2020 kunnen de lidstaten een aantal bij de visserij op blauwvintonijn gebruikte tonnara’s machtigen om hun vangstmogelijkheden volledig te benutten.".

"

3)  artikel 10 wordt vervangen door:"

"Artikel 10

Jaarlijkse beheersplannen voor de kweek

   1. Elke lidstaat met een quotum voor blauwvintonijn zendt uiterlijk op 31 januari van elk jaar overeenkomstig dit artikel een jaarlijks beheersplan voor de kweek aan de Commissie toe.
   2. De Commissie bundelt de plannen en neemt ze op in het plan van de Unie. De Commissie zendt dat plan uiterlijk op 15 februari van elk jaar toe aan het ICCAT-secretariaat ter bespreking en goedkeuring door de ICCAT.
   3. In het jaarlijkse beheersplan voor de kweek toont elke lidstaat aan dat de totale capaciteit voor het binnenbrengen en de totale kweekcapaciteit in verhouding staan tot de geraamde hoeveelheid blauwvintonijn die beschikbaar is voor de kweek.
   4. De lidstaten beperken hun capaciteit voor het kweken van tonijn tot de totale kweekcapaciteit als geregistreerd in het ICCAT-register van kweekvoorzieningen voor blauwvintonijn of als toegestaan en bij de ICCAT aangemeld in 2018.
   5. In de kwekerijen van een lidstaat mag niet meer in het wild gevangen blauwvintonijn worden binnengebracht dan het niveau van de binnengebrachte hoeveelheden die door de kwekerijen van die lidstaat in 2005, 2006, 2007 en 2008 bij de ICCAT zijn geregistreerd in het register van kweekvoorzieningen voor blauwvintonijn.
   6. Indien een lidstaat de maximumhoeveelheid in het wild gevangen tonijn in één of meerdere van zijn tonijnkwekerijen moet verhogen, staat deze verhoging in verhouding tot de aan die lidstaat toegewezen vangstmogelijkheden, met inbegrip van de invoer van levende blauwvintonijn.
   7. Kwekerijlidstaten zorgen ervoor dat wetenschappers die door het SCRS worden belast met het verrichten van proeven om tijdens de mestperiode groeipercentages in kaart te brengen, toegang krijgen tot, en – zoals voorgeschreven door het protocol – hulp bij het uitvoeren van, proeven overeenkomstig het door het SCRS ontwikkelde standaardprotocol voor de monitoring van herkenbare exemplaren.".

"

4)  artikel 11 wordt vervangen door:"

"Artikel 11

Visseizoenen

   1. Ringzegenvaartuigen mogen van 26 mei tot en met 1 juli op blauwvintonijn vissen in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee.
   2. In afwijking van lid 1 kan blauwvintonijnvisserij met ringzegenvaartuigen in de Adriatische Zee tot en met 15 juli worden toegestaan voor gekweekte vis in de Adriatische Zee (FAO-visserijzone 37.2.1).
   3. In afwijking van lid 1 mogen lidstaten die kunnen aantonen dat bepaalde van hun ringzegenvisserijvaartuigen die in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en in de Middellandse Zee op blauwvintonijn vissen, vanwege windsnelheden van 5 Beaufort of meer hun normale visdagen niet konden benutten in de loop van het jaar, tot 11 juli maximaal 10 verloren dagen overdragen voor de betrokken vaartuigen tijdens dat jaar.
   4. Voor grote pelagische beugvisserijvaartuigen is de visserij op blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee toegestaan van 1 januari tot en met 31 mei.
   5. De lidstaten nemen in hun jaarlijkse visplannen open seizoenen op voor hun vloten, met uitzondering van ringzegenvaartuigen en grote pelagische beugvisserij­vaartuigen.".

"

5)  artikel 16 wordt vervangen door:"

"Artikel 16

Bijvangsten

   1. Elke lidstaat voorziet in de mogelijkheid van bijvangst van blauwvintonijn binnen zijn quotum en deelt dit aan de Commissie mee bij toezending van zijn jaarlijks visplan.
   2. De bijvangsten van blauwvintonijn mogen niet meer bedragen dan 20 % van de totale aan boord gehouden vangsten aan het einde van elke visreis. De methode die wordt gebruikt voor de berekening van die bijvangsten in relatie tot de totale vangst aan boord, wordt duidelijk omschreven in het jaarlijkse visplan. Bijvangsten kunnen worden berekend op basis van het gewicht of het aantal exemplaren. De berekening op basis van het aantal exemplaren is alleen van toepassing op tonijn en tonijnachtigen die onder het beheer van de ICCAT vallen. De omvang van de toegestane bijvangsten voor kleine kustvaartuigen mag op jaarbasis worden berekend.
   3. Alle bijvangsten van dode blauwvintonijn, aan boord gehouden of teruggegooid, worden in mindering gebracht op het quotum van de vlaggenlidstaat, en geregistreerd en gerapporteerd aan de Commissie.
   4. Voor de lidstaten die geen blauwvintonijnquotum hebben, worden de betrokken bijvangsten in mindering gebracht op het specifieke quotum van de Unie voor bijvangst van blauwvintonijn dat is vastgesteld overeenkomstig het VWEU en artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
   5. Indien het aan de lidstaat van het betrokken vissersvaartuig of de betrokken tonnara toegewezen quotum reeds is opgebruikt, wordt het vangen van blauwvintonijn verboden en nemen de lidstaten de nodige maatregelen voor de vrijlating ervan. De verwerking en het in de handel brengen van dode blauwvintonijn is verboden en alle vangsten worden geregistreerd. De lidstaten verstrekken op jaarbasis informatie over dergelijke vangsten aan de Commissie, die deze gegevens doorzendt aan het ICCAT-secretariaat.
   6. Vaartuigen die niet actief op blauwvintonijn vissen, houden hoeveelheden blauwvintonijn aan boord duidelijk gescheiden van andere soorten, zodat de controleautoriteiten de naleving van dit artikel kunnen monitoren. Dergelijke bijvangsten kunnen in de handel worden gebracht voor zover zij vergezeld gaan van het eBCD.".

"

Artikel 54

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 53 is van toepassing met ingang van 21 juni 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

Bijlage

1)  Tabel 4 van de CEM, genoemd in artikel 3, punt 17, en in artikel 17;

2)  Figuur 2 van de CEM, genoemd in artikel 3, punt 17, en in artikel 17;

3)  Deel VI van bijlage I.E bij de CEM, genoemd in artikel 3, punt 21, in artikel 21, lid 2, en in artikel 27, lid 11, punt a);

4)  Deel VII van bijlage I.E bij de CEM, genoemd in artikel 3, punt 29;

5)  In bijlage II.C bij de CEM voorgeschreven formaat, genoemd in artikel 4, lid 2, punt a);

6)  Tabel 1 en figuur 1(1) van de CEM, genoemd in artikel 9, lid 1;

7)  Tabel 2 en figuur 1(2) van de CEM, genoemd in artikel 9, lid 4;

8)  Tabel 3 en figuur 1(3) van de CEM, genoemd in artikel 9, lid 5;

9)  In bijlage IV.C bij de CEM voorgeschreven formaat, genoemd in artikel 10, lid 1, punt e), artikel 27, lid 3, punt c), en artikel 39, lid 16;

10)  Bijlage III.A bij de CEM, genoemd in artikel 13, lid 1;

11)  Bijlage I.C bij de CEM, genoemd in artikel 13, lid 2, punt d), artikel 24, lid 1, punt b), en artikel 25, lid 6, punt g);

12)  Bijlage III.B bij de CEM, genoemd in artikel 14, leden 2 en 3;

13)  Bijlage I.D bij de CEM, genoemd in artikel 16, leden 1 en 2;

14)  Figuur 3 van de CEM, genoemd in artikel 18, lid 1;

15)  Tabel 5 van de CEM, genoemd in artikel 18, lid 1;

16)  Figuur 4 van de CEM, genoemd in artikel 18, lid 2;

17)  Tabel 6 van de CEM, genoemd in artikel 18, lid 2;

18)  Figuur 5 van de CEM, genoemd in artikel 18, leden 3 en 4;

19)  Tabel 7 van de CEM, genoemd in artikel 18, leden 3 en 4;

20)  Experimenteel protocol overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM, genoemd in artikel 19, lid 1;

21)  Bericht van voornemen om experimentele bodemvisserij te verrichten (Notice of Intent to Undertake Exploratory Bottom Fishing) overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM, genoemd in artikel 19, lid 2, punt a);

22)  Verslag van de experimentele-bodemvisserijreis ("Exploratory Bottom Fishing Trip Report") overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM, genoemd in artikel 19, lid 2, punt b);

23)  Elementen voor de beoordeling van voorgestelde experimentele bodemvisserijactiviteiten overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM, genoemd in artikel 20, lid 2, punt b);

24)  Formulier voor de verzameling van experimentele-visserijgegevens ("Exploratory Fishery Data Collection Form") overeenkomstig bijlage I.E bij de CEM, genoemd in artikel 21, lid 4, punt a);

25)  Voorgeschreven formaat voor de lijst van vaartuigen overeenkomstig bijlage II.C1 bij de CEM, genoemd in artikel 22, lid 1, punt a);

26)  Voorgeschreven formaat voor schrapping uit de lijst van vaartuigen overeenkomstig bijlage II.C2 bij de CEM, genoemd in artikel 22, lid 1, punt b);

27)  Voorgeschreven formaat voor individuele machtiging voor alle vaartuigen overeenkomstig bijlage II.C3 bij de CEM, genoemd in artikel 22, lid 5, punt a);

28)  Voorgeschreven formaat voor schorsing van de machtiging overeenkomstig bijlage II.C4 bij de CEM, genoemd in artikel 22, lid 5, punt b);

29)  Lijst van codes voor de aanbiedingsvorm van de producten overeenkomstig bijlage II.K bij de CEM, genoemd in artikel 24, lid 1, punt e);

30)  Model van visserijlogboek overeenkomstig bijlage II.A bij de CEM, genoemd in artikel 25, lid 2;

31)  Formaat voor vangstaangifte overeenkomstig bijlage II.D bij de CEM, genoemd in artikel 25, leden 6 en 8, en in artikel 26, lid 9, punt b);

32)  Formaat voor annulering van vangstaangifte overeenkomstig bijlage II.F bij de CEM, genoemd in artikel 25, leden 6 en 7;

33)  Bijlage II.N bij de CEM, genoemd in artikel 25, lid 9, punt b);

34)  Gegevensuitwisselingsformaat overeenkomstig bijlage II.E bij de CEM, genoemd in artikel 26, lid 9, punt b);

35)  Waarnemersverslag overeenkomstig bijlage II.M bij de CEM, genoemd in artikel 27, lid 11, punt a);

36)  Dagelijks door de waarnemer toegezonden verslag overeenkomstig bijlage II.G bij de CEM, genoemd in artikel 27, lid 11, punt e);

37)  Vertrouwelijkheidsregels overeenkomstig bijlage II.B bij de CEM, genoemd in artikel 28, lid 10, en artikel 43;

38)  Surveillancerapportformulier overeenkomstig bijlage IV.A bij de CEM, genoemd in artikel 30, lid 1, punt a), en artikel 45, punt a);

39)  Afbeelding van wimpel overeenkomstig bijlage IV.E bij de CEM, genoemd in artikel 31, punt b);

40)  Regels inzake verstrekking van loodsladder overeenkomstig bijlage IV.G bij de CEM, genoemd in artikel 32, punt c);

41)  Inspectierapport overeenkomstig bijlage IV.B bij de CEM, genoemd in artikel 33, lid 1, artikel 34, lid 2, punt a), en artikel 45, punt d);

42)  NAFO-inspectiezegel overeenkomstig bijlage IV.F bij de CEM, genoemd in artikel 34, lid 1, punt d);

43)  Formulier "Port State Control Prior Request Form" overeenkomstig bijlage II.L bij de CEM, genoemd in artikel 39, lid 8, en lid 13, punt a), iii), artikel 40, lid 2, en artikel 41, leden 1 en 2;

44)  Bijlage IV.H bij de CEM over inspecties, genoemd in artikel 39, lid 11.

(1)Advies van 23 januari 2019.
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019.
(3)Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(4)Besluit van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).
(5)Verordening (EEG) nr. 3179/78 van de Raad van 28 december 1978 betreffende de sluiting door de Europese Economische Gemeenschap van de Overeenkomst inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 378 van 30.12.1978, blz. 1).
(6)Besluit 2010/717/EU van de Raad van 8 november 2010 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Unie, van wijzigingen in het Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordwestelijke deel van de Atlantische Oceaan (PB L 321 van 7.12.2010, blz. 1).
(7)Verordening (EG) nr. 1386/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 tot vaststelling van instandhoudings- en handhavingsmaatregelen in het gereglementeerde gebied van de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 318 van 5.12.2007, blz. 1).
(8)Verordening (EG) Nr. 2115/2005 van de Raad van 20 december 2005 tot vaststelling van een herstelplan voor zwarte heilbot in het kader van de visserijorganisatie in het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (PB L 340 van 23.12.2005, blz. 3).
(9)PB L 123 van 12.5.2016, blz.1.
(10)Verordening (EU) 2016/1627 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 302/2009 van de Raad (PB L 252 van 16.9.2016, blz. 1).
(11)Verordening (EU) 2017/2403 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 inzake het duurzame beheer van externe vissersvloten, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1006/2008 van de Raad (PB L 347 van 28.12.2017, blz. 81).
(12)Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstand­brenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
(13)Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(14)Verordening (EU) 2019/473 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 betreffende het Europees Bureau voor visserijcontrole (PB L 83 van 25 maart 2019, blz 18).
(15)Verordening (EG) nr. 517/2008 van de Commissie van 10 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 850/98 wat betreft de bepaling van de maaswijdte en de meting van de twijndikte van visnetten (PB L 151 van 11.6.2008, blz. 5).
(16)Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (PB L 112 van 30.4.2011, blz. 1).
(17)Verdrag inzake toekomstige multilaterale samenwerking op visserijgebied in het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan, ondertekend te Londen op 18 november 1980 en in werking getreden op 17 maart 1982, waartoe de Europese Gemeenschap op 13 juli 1981 is toegetreden (PB L 227 van 12.8.1981, blz. 22).

Laatst bijgewerkt op: 3 mei 2019Juridische mededeling