Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0228(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0409/2018

Ingediende teksten :

A8-0409/2018

Debatten :

PV 11/12/2018 - 21
CRE 11/12/2018 - 21

Stemmingen :

PV 12/12/2018 - 19.2
CRE 12/12/2018 - 19.2
Stemverklaringen
Stemverklaringen
PV 17/04/2019 - 16.13

Aangenomen teksten :

P8_TA(2018)0517
P8_TA(2019)0420

Aangenomen teksten
PDF 418kWORD 136k
Woensdag 17 april 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Connecting Europe Facility ***I
P8_TA-PROV(2019)0420A8-0409/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 17 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 (COM(2018)0438 – C8-0255/2018 – 2018/0228(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2018)0438),

–  gezien artikel 294, lid 2, en de artikelen 172 en 194 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8‑0255/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 19 september 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 10 oktober 2018(2),

–  gezien de op 25 januari 2019 door zijn Voorzitter aan de commissievoorzitters gestuurde brief, waarin de aanpak van het Parlement met betrekking tot de sectorale programma's van het Meerjarig Financieel Kader (MFK) betreffende de periode na 2020 wordt uiteengezet,

–  gezien de op 1 april 2019 door de Raad aan de Voorzitter van het Europees Parlement gestuurde brief, waarin de gemeenschappelijke lezing wordt bevestigd waarover de medewetgevers het tijdens de onderhandelingen eens zijn geworden,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het gezamenlijke overleg van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme overeenkomstig artikel 55 van het Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie industrie, onderzoek en energie en de Commissie vervoer en toerisme en de adviezen van de Commissie buitenlandse zaken, de Begrotingscommissie, de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid en de Commissie regionale ontwikkeling (A8‑0409/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast(3);

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 191.
(2) PB C 461 van 21.12.2018, blz. 173.
(3) Dit standpunt vervangt de amendementen die zijn aangenomen op 12 december 2019 (Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0517).


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 17 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de Connecting Europe Facility en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014
P8_TC1-COD(2018)0228

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 172 en 194,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's(2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Om slimme, duurzame en inclusieve groei te creëren en het scheppen van banen te bevorderen, en om de langetermijnverbintenissen op het gebied van decarbonisatie te eerbiedigen, heeft de Unie behoefte aan een moderne, multimodale hoogwaardige vervoers-, digitale en energie-infrastructuur die alle regio's, met inbegrip van afgelegen, ultraperifere, insulaire, perifere, bergachtige en dunbevolkte regio's, van de Unie met elkaar verbindt en integreert. Die verbindingen moeten het vrij verkeer van personen, goederen, kapitaal en diensten ten goede komen. De trans-Europese netwerken moeten grensoverschrijdende verbindingen faciliteren, voor een sterkere economische, maatschappelijke en territoriale cohesie zorgen en bijdragen aan een meer concurrerende en duurzamere sociale markteconomie en aan de strijd tegen de klimaatverandering.

(2)  De Connecting Europe Facility (CEF, "het programma") heeft tot doel de investeringen in trans-Europese netwerken te versnellen en via een hefboomeffect financiële middelen uit de publieke en particuliere sector aan te trekken; tegelijk moet de CEF meer rechtszekerheid bieden en het beginsel van technologische neutraliteit in acht nemen. Het programma moet ervoor zorgen dat synergieën tussen de vervoers-, energie- en digitale sector optimaal worden benut, waardoor het EU-optreden meer effect sorteert en de uitvoeringskosten kunnen worden geoptimaliseerd.

(3)  Het programma moet eveneens bijdragen tot het EU-optreden tegen klimaatverandering, de ondersteuning van milieuvriendelijke en sociaal duurzame projecten en, in voorkomend geval, acties voor matiging van en aanpassing aan de klimaatverandering. Met name de bijdrage van het programma aan de verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de voorgestelde klimaat- en energiedoelstellingen voor 2030 en de langetermijndoelstelling op het gebied van decarbonisatie moet worden versterkt.

(3 bis)  Het programma moet een hoog niveau van transparantie waarborgen en ervoor zorgen dat de bevolking wordt geraadpleegd, conform de toepasselijke communautaire en nationale wetgeving.

(4)  Om recht te doen aan het belang van de strijd tegen de klimaatverandering, in overeenstemming met de toezeggingen van de Unie om de Overeenkomst van Parijs en de duurzame-ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties ten uitvoer te leggen, moeten klimaatmaatregelen in deze verordening worden geïntegreerd met het oog op de algemene doelstelling om 25 % van de EU-begroting te spenderen aan maatregelen die bijdragen tot de klimaatdoelstellingen(4). Acties in het kader van dit programma moeten ertoe bijdragen dat 60 % van de begroting van het programma wordt besteed aan klimaatdoelstellingen, onder meer op basis van de volgende Rio-indicatoren: (i) 100 % van de uitgaven voor spoorweginfrastructuur, oplaadinfrastructuur, alternatieve en duurzame brandstoffen, schoon stadsvervoer, transport en opslag van elektriciteit, slimme netwerken, CO2-transport en hernieuwbare energie; (ii) 40 % van de uitgaven voor de binnenvaart en multimodaal vervoer, en gasinfrastructuur die meer mogelijkheden creëert om gebruik te maken van hernieuwbare waterstof of biomethaan. De betrokken acties zullen tijdens de voorbereiding en de uitvoering van het programma worden vastgesteld en opnieuw worden beoordeeld in het kader van de relevante evaluatie- en herzieningsprocedures. Om te voorkomen dat infrastructuur kwetsbaar is voor de langetermijneffecten van de klimaatverandering en ervoor te zorgen dat in de economische evaluatie van een project rekening wordt gehouden met de kosten van broeikasgasemissies die dat project genereert, moeten door het programma gesteunde projecten aan een klimaattoets worden onderworpen overeenkomstig richtsnoeren die door de Commissie moeten worden ontwikkeld in samenhang met de voor andere EU-programma's opgestelde richtsnoeren.

(5)  Om te voldoen aan de rapportageverplichtingen van artikel 11, onder c) van Richtlijn (EU) 2016/2284 betreffende de vermindering van de nationale emissies van bepaalde luchtverontreinigende stoffen, tot wijziging van Richtlijn 2003/35/EG en tot intrekking van Richtlijn 2001/81/EG, met betrekking tot de besteding van EU-middelen voor de ondersteuning van de maatregelen om aan de doelstellingen van die richtlijn te voldoen, wordt een overzicht bijgehouden van de uitgaven voor het terugdringen van de uitstoot of luchtverontreiniging in het kader van deze richtlijn.

(6)  Een belangrijke doelstelling van dit programma is meer synergieën en complementariteit tot stand brengen tussen de vervoers-, energie- en digitale sector. Daartoe moet het programma voorzien in de vaststelling van werkprogramma's met een focus op specifieke gebieden zoals geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit of duurzame alternatieve brandstoffen. Digitale communicatie zou een integraal onderdeel kunnen zijn van een project van gemeenschappelijk belang op het gebied van energie en vervoer. Voorts zou het programma binnen elke sector moeten toestaan dat synergetische componenten uit een andere sector in aanmerking worden genomen wanneer een dergelijke aanpak ervoor zorgt dat de investering meer sociaaleconomische voordelen oplevert. Synergieën tussen sectoren moeten worden aangemoedigd door de gunningscriteria voor de selectie van acties, evenals door hogere medefinancieringspercentages.

(7)  In de bij Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad(5) vastgestelde TEN-T-richtsnoeren (hierna: de TEN-T-richtsnoeren) is beschreven welke infrastructuur tot het TEN-T behoort, is gespecificeerd aan welke eisen moet worden voldaan en zijn tenuitvoerleggingsmaatregelen vastgesteld. Die richtsnoeren voorzien met name in de voltooiing van het kernnetwerk tegen 2030 door de aanleg van nieuwe infrastructuur en een ingrijpende opwaardering en rehabilitatie van de bestaande infrastructuur, teneinde de continuïteit van het netwerk te garanderen.

(7 bis)  Om voor connectiviteit in de hele Unie te zorgen, moeten acties die bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang in de vervoerssector, gefinancierd door het programma, voortbouwen op de complementariteit van alle vervoerswijzen teneinde te voorzien in efficiënte, onderling verbonden en multimodale netwerken. Dit geldt ook voor wegen in de lidstaten die nog aanzienlijke investeringen nodig hebben om hun kernnetwerk te kunnen voltooien.

(8)  Met het oog op de verwezenlijking van de in de TEN‑T-richtsnoeren vastgestelde doelstellingen moet prioriteit worden gegeven aan lopende TEN‑T-projecten en aan steun voor grensoverschrijdende verbindingen en missing links en moet, indien van toepassing, worden gewaarborgd dat de gefinancierde acties consistent zijn met de werkplannen voor de corridors die zijn vastgesteld op grond van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en met de algemene ontwikkeling van het netwerk op het gebied van prestaties en interoperabiliteit.

(8 bis)  Meer bepaald moet, met het oog op de volledige uitrol van het ERTMS op het kernnetwerk tegen 2030, zoals is voorzien in Verordening (EU) nr. 1315/2013, de steun op Europees niveau worden opgeschaald en de deelname van particuliere investeerders worden gestimuleerd.

(8 ter)  Een andere belangrijke randvoorwaarde voor een geslaagde voltooiing van het TEN-T-kernnetwerk en het garanderen van effectieve intermodaliteit is de aansluiting van luchthavens op het TEN-T-netwerk. Daarom moet voorrang worden gegeven aan de aansluiting van luchthavens op het TEN-T-kernnetwerk, indien die ontbreekt.

(8 quater)  De uitvoering van grensoverschrijdende acties vergt een hoge mate van integratie bij planning en uitvoering. Zonder aan een van de volgende voorbeelden voorrang te willen geven, kan deze integratie gebeuren middels de oprichting van een enige projectonderneming, een gezamenlijke beheerstructuur, een gemeenschappelijke onderneming, een bilateraal juridisch kader, een uitvoeringshandeling uit hoofde van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013, of een andere samenwerkingsvorm. Geïntegreerde beheerstructuren, zoals gemeenschappelijke ondernemingen, moeten worden aangemoedigd, onder andere door middel van een hoger niveau van medefinanciering.

(8 quinquies)  Het stroomlijnen van maatregelen met het oog op een snellere voltooiing van de TEN-T-netwerken die momenteel in ontwikkeling zijn, moet de efficiëntere uitvoering van vervoersprojecten van gemeenschappelijk belang ondersteunen.

(9)  Om in te spelen op de groeiende vervoersstromen en de ontwikkeling van het netwerk, moeten de afbakening van de kernnetwerkcorridors en de vooraf geselecteerde delen daarvan worden aangepast. Die aanpassingen aan de kernnetwerkcorridors mogen de voltooiing van het kernnetwerk tegen 2030 niet in de weg staan, moeten de mate waarin de corridors het grondgebied van de lidstaten dekken, verbeteren en moeten evenredig zijn om de samenhang en de efficiency van de corridorontwikkeling en -coördinatie te waarborgen. Om die reden mag de lengte van de kernnetwerkcorridors niet met meer dan 15 % toenemen. Te zijner tijd moet bij de afbakening van de kernnetwerkcorridors rekening worden gehouden met de resultaten van de evaluatie van de totstandbrenging van het kernnetwerk als bedoeld in artikel 54 van Verordening (EU) nr. 1315/2013. Bij die evaluatie moet rekening worden gehouden met de regionale grensoverschrijdende spoorverbindingen in het TEN-T-netwerk die niet meer worden gebruikt of zijn ontmanteld, met de ontwikkelingen in het uitgebreide netwerk en met de impact van het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie.

(10)  Publieke en private investeringen in slimme, interoperabele, duurzame, multimodale, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit in de hele Unie moeten worden gepromoot voor alle vervoerswijzen. In 2017 heeft de Commissie "Europa in beweging"(6) voorgesteld, een breed scala aan initiatieven om het verkeer veiliger te maken, slimme kilometerheffingen aan te moedigen, de CO2-uitstoot, luchtvervuiling en congestie terug te dringen, geconnecteerde en autonome mobiliteit te promoten en correcte arbeidsvoorwaarden en rusttijden voor werknemers te waarborgen. Waar relevant moet voor die initiatieven in het kader van dit programma EU-steun worden verleend.

(11)  In de herziene TEN‑T-richtsnoeren is met betrekking tot nieuwe technologieën en innovatie voorgeschreven dat het TEN‑T de decarbonisatie van alle vervoerswijzen mogelijk moet maken door energie-efficiëntie en het gebruik van alternatieve brandstoffen te stimuleren, met inachtneming van het beginsel van technologische neutraliteit. Bij Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad(7) is een gemeenschappelijk kader met maatregelen voor de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor alle vervoerswijzen in de Unie gecreëerd teneinde de olieafhankelijkheid van vervoersmiddelen zoveel mogelijk te verminderen en de milieu- en klimaatimpact van vervoer te beperken, en zijn de lidstaten verplicht tegen 31 december 2025 openbare laad- en tankstations beschikbaar te stellen. Zoals de Commissie in haar voorstellen van november 2017(8) heeft toegelicht, is er behoefte aan een uitgebreid pakket maatregelen om emissieluwe mobiliteit te promoten, met financiële steun voor situaties waarin de markt onvoldoende stimulansen biedt.

(12)  In het kader van haar mededeling over duurzame mobiliteit voor Europa: veilig, schoon en geconnecteerd(9), heeft de Commissie benadrukt dat voertuigen dankzij automatisering en geavanceerde connectiviteitssystemen veiliger, gemakkelijker te delen en toegankelijker zullen worden voor alle burgers, ook voor hen die op dit moment geen toegang hebben tot mobiliteitsdiensten, zoals ouderen of personen met verminderde mobiliteit. In dit kader heeft de Commissie ook een "Strategisch Actieplan Verkeersveiligheid" en een herziening van Richtlijn 2008/96/EG inzake het beheer van de verkeersveiligheid van weginfrastructuur voorgesteld.

(13)  Om bij te dragen aan de voltooiing van vervoersprojecten in de minder ontwikkelde delen van het netwerk, moeten toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds aan het programma worden overgedragen ter financiering van vervoersprojecten in de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds. In een eerste fase ▌ moeten bij de selectie van projecten die voor financiering in aanmerking komen, de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds in acht worden genomen. Aan het einde van de eerste fase moeten middelen die naar het programma zijn overgedragen en niet voor een vervoersinfrastructuur zijn vastgelegd op concurrerende basis worden toegewezen aan projecten in de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds, met voorrang voor grensoverschrijdende verbindingen en missing links. De Commissie dient de lidstaten die in aanmerking komen voor financiering uit het Cohesiefonds te ondersteunen bij hun inspanningen om een adequate geschikte projectenpijplijn te ontwikkelen, met name door de institutionele capaciteit van de betrokken overheden te versterken.

(14)  Na de gezamenlijke mededeling van 10 november 2017 over de verbetering van de militaire mobiliteit in de Europese Unie(10), werd er in het actieplan voor militaire mobiliteit dat de Commissie en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid(11) op 28 maart 2018 hebben aangenomen, op gewezen dat het EU-beleid inzake vervoersinfrastructuur duidelijke kansen biedt om de synergieën tussen de defensiebehoeften en het TEN‑T te versterken, met als overkoepelend doel om de militaire mobiliteit binnen de Unie te verbeteren, rekening houdend met het geografische evenwicht en met de mogelijke voordelen op het vlak van civiele bescherming. Conform het Actieplan heeft de Raad zich in 2018 over de militaire eisen inzake vervoersinfrastructuur(12) gebogen en deze gevalideerd, en in 2019 hebben de diensten van de Commissie bepaald welke delen van het trans-Europees vervoersnet geschikt zijn voor tweeërlei gebruik en welke aanpassingen van bestaande infrastructuur hiertoe nodig zijn. EU-financiering voor de uitvoering van projecten voor tweeërlei gebruik moet door het programma ten uitvoer worden gelegd op basis van specifieke werkprogramma's met vermelding van de toepasselijke eisen als gedefinieerd in het kader van het actieplan, en op basis van eventuele bijkomende indicatieve lijsten met prioritaire projecten die de lidstaten kunnen opstellen in overeenstemming met het actieplan voor militaire mobiliteit.

(15)  De TEN-T-richtsnoeren onderkennen dat het uitgebreide netwerk de toegankelijkheid en connectiviteit verzekert van alle regio's in de Unie, inclusief afgelegen, insulaire en ultraperifere gebieden. In haar mededeling "Een nieuw en sterker strategisch partnerschap met de ultraperifere gebieden van de EU"(13) heeft de Commissie voorts gewezen op de specifieke vervoers-, energie- en digitale behoeften van de ultraperifere regio's en gesteld dat er voldoende EU-middelen moeten worden vrijgemaakt om in die behoeften te voorzien, onder meer via dit programma, door medefinancieringspercentages van maximaal 70% te hanteren.

(16)  Gezien de omvang van de investeringsbehoeften voor de voltooiing van het TEN-T-kernnetwerk tegen 2030 (geraamd op 350 miljard EUR in de periode 2021-2027) en van het uitgebreide TEN-T-netwerk tegen 2050, en voor investeringen in decarbonisatie, digitalisering en stedelijke mobiliteit (geraamd op 700 miljard EUR in de periode 2021-2027), moeten de verschillende financieringsprogramma's en -instrumenten van de Unie zo efficiënt mogelijk worden benut en moet worden gestreefd naar een maximale toegevoegde waarde van de door de Unie ondersteunde investeringen. Dit kan worden bereikt door het investeringsproces te stroomlijnen zodat de projectpijplijnen zichtbaar en voor coherentie tussen EU- programma's van de Unie wordt gezorgd, met name tussen de Connecting Europe Facility, het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en InvestEU. Er moet met name rekening worden gehouden met de randvoorwaarden als bepaald in bijlage IV bij Verordening (EU) nr. XXX [Verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds, en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en de financiële regels voor die fondsen en voor het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het Instrument voor grensbeheer en visa ("VGB")].

(17)  In Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad(14) zijn de prioriteiten inzake trans-Europese energie-infrastructuur vastgesteld, die ten uitvoer moeten worden gelegd om de doelstellingen van de Unie inzake energie en klimaat te kunnen verwezenlijken; in die verordening zijn ook de projecten van gemeenschappelijk belang vastgesteld voor de uitvoering van die prioriteiten en zijn maatregelen vastgesteld op het gebied van het verlenen van vergunningen, publieke betrokkenheid en regelgeving om de uitvoering van deze projecten te versnellen en/of vlotter te laten verlopen, inclusief criteria om te bepalen of dergelijke projecten in aanmerking komen voor financiële bijstand van de Unie. De identificatie van projecten van gemeenschappelijk belang, conform die verordening, blijft stoelen op het beginsel "energie-efficiëntie eerst", hetgeen betekent dat de projecten worden beoordeeld tegen scenario's inzake de vraag naar energie die overeenstemmen met de energie- en klimaatdoelstellingen van de EU.

(18)  In Richtlijn [herschikking van de richtlijn hernieuwbare energie] wordt gewezen op de behoefte aan een kader dat een intensiever gebruik van EU-middelen begunstigd en wordt expliciet verwezen naar faciliterende acties om grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie te ondersteunen.

(19)  Hoewel de voltooiing van netwerkinfrastructuur prioritair blijft voor de ontwikkeling van hernieuwbare energie, weerspiegelen de toevoeging van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie en de ontwikkeling van een slim en efficiënt energiesysteem, met inbegrip van oplossingen voor opslag en vraagsturing die het net in evenwicht helpen houden, de aanpak die is gekozen in het kader van het initiatief Schone energie voor alle Europeanen, met een collectieve verantwoordelijkheid om de ambitieuze doelstelling op het gebied van hernieuwbare energie in 2030 te bereiken, en de gewijzigde beleidscontext, ter garantie van een eerlijke en adequate sociale transitie, met ambitieuze langetermijndoelstellingen op het gebied van decarbonisatie.

(20)  Innovatieve infrastructuurtechnologieën die het pad effenen voor een transitie naar emissiearme mobiliteitssystemen en een grotere voorzieningszekerheid waarbij wordt gestreefd naar een grotere energieonafhankelijkheid van de Unie, zijn essentieel in het licht van de decarbonisatieagenda van de Unie. In haar "Mededeling over het versterken van de energienetten van Europa"(15) van 23 november 2017 heeft de Commissie benadrukt dat de rol van elektriciteit, wanneer in 2030 de helft van de elektriciteitsproductie afkomstig zal zijn van hernieuwbare bronnen, steeds meer gericht zal zijn op het koolstofarm maken van sectoren die tot nu toe worden gedomineerd door fossiele brandstoffen, zoals vervoer, industrie en verwarming en koeling, en dat dienovereenkomstig de focus in het kader van de trans-Europese energie-infrastructuur op elektriciteitsinterconnecties, elektriciteitsopslag, slimme netwerken en investeringen in gasinfrastructuur moet liggen. Om de decarbonisatiedoelstellingen van de Unie, de integratie van de interne markt en de zekerheid van de energievoorziening te ondersteunen moet voldoende aandacht en prioriteit worden gegeven aan technologieën en projecten die bijdragen aan de transitie naar een emissiearme economie. De Commissie zal ernaar streven via het programma meer projecten voor grensoverschrijdende slimme netwerken, innovatieve opslag en CO2-transport te financieren.

(20 bis)  Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie moeten ervoor zorgen dat hernieuwbare energie kostenefficiënt in de Unie kan worden toegepast, dat het bindende streefcijfer van de Unie - uiterlijk in 2030 minstens 32 % aan energie uit hernieuwbare bronnen - wordt gehaald, overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad(16), en dat wordt bijgedragen aan het strategisch inpassen van innovatieve technologieën op het gebied van hernieuwbare energie. Illustratieve voorbeelden van subsidiabele technologieën zijn de productie van alternatieve energie door windkrachtcentrales op het land en voor de kust, zonne-energie, duurzame biomassa, oceaanenergie, geothermische energie of een combinatie daarvan; hun aansluiting op het net en aanvullende elementen zoals opslag- en omzettingsvoorzieningen. Subsidiabele acties zijn niet beperkt tot de elektriciteitssector. Ook andere energiedragers kunnen in aanmerking komen en ook kunnen sectoren worden gekoppeld zoals verwarming en koeling, elektriciteit en gas, opslag en vervoer. Om flexibel te blijven ten aanzien van technologische vooruitgang en de ontwikkelingen op dat gebied, is deze lijst niet uitputtend. Voor deze projecten is een fysieke verbinding tussen de samenwerkende lidstaten niet noodzakelijk. De projecten kunnen zich op het grondgebied van slechts één van de betrokken lidstaten bevinden, mits wordt voldaan aan de algemene criteria van deel IV van de bijlage.

(20 ter)  Ter bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie en van de marktrespons op projecten moet de Europese Commissie de ontwikkeling van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie stimuleren. In de energiesector moeten ongebruikte middelen die bedoeld waren voor grensoverschrijdende projecten voor hernieuwbare energie in geval van onvoldoende marktrespons op dergelijke projecten worden ingezet om de in artikel 3, lid 2 ter, vastgelegde doelstellingen van de trans-Europese energienetwerken te verwezenlijken voor acties zoals bedoeld in artikel 9, lid 3. Pas daarna kan worden overwogen de middelen te gebruiken voor het Uniefinancieringsmechanisme voor hernieuwbare energie, overeenkomstig artikel 7, lid 6.

(20 quater)  Ondersteuning van slimmenetwerkprojecten is nodig wanneer de projecten zijn gericht op integratie van de opwekking, de distributie of het verbruik van elektriciteit met behulp van realtime-beheersystemen en van invloed zijn op grensoverschrijdende energiestromen. De energieprojecten moeten het centrale belang laten zien van slimme netwerken voor de energietransitie, en de ondersteuning via de CEF moet erop gericht zijn de financieringstekorten te verhelpen die investeringen in de toepassing van de technologie van slimme netwerken op grote schaal momenteel belemmeren.

(20 quinquies)  Bij het verlenen van EU-steun dient bijzondere aandacht uit te gaan naar grensoverschrijdende energie-interconnecties, onder meer die welke nodig zijn om de in Verordening (EU) nr. 2018/1999(17) vastgestelde streefcijfers inzake elektriciteitsinterconnectie van 10 % tegen 2020 en 15 % tegen 2030 te halen. De uitrol van elektriciteitsinterconnectoren is van cruciaal belang om markten te integreren, meer hernieuwbare energie in het systeem te kunnen inbrengen en om profijt te trekken uit de diversiteit aan vraag- en aanbodportfolio's, windparken op zee en intelligente netten, en om alle landen in een liquide en competitieve energiemarkt te integreren.

(21)  De verwezenlijking van de digitale eengemaakte markt vergt een onderliggende infrastructuur voor digitale connectiviteit. De digitalisering van het Europese bedrijfsleven en de modernisering van sectoren zoals vervoer, energie, gezondheidszorg en de overheid hangen af van universele toegang tot betrouwbare, betaalbare en hoogwaardige netwerken met een zeer hoge capaciteit. Digitale connectiviteit is uitgegroeid tot een doorslaggevende factor om economische, sociale en territoriale verschillen te overbruggen en draagt bij aan de modernisering van lokale economieën en de diversificatie van de economische activiteiten. De reikwijdte van de steun van het programma voor infrastructuur voor digitale connectiviteit moet worden aangepast in het licht van het groeiende belang van connectiviteit voor de economie en de samenleving in het algemeen. Daarom moet worden vastgesteld welke infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale connectiviteit noodzakelijk zijn om de doelstellingen van de digitale eengemaakte markt van de Unie te verwezenlijken en moet Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad worden ingetrokken(18).

(22)  In de mededeling "Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt — Naar een Europese gigabitmaatschappij"(19) (de strategie voor de gigabit-samenleving) zijn de strategische doelstellingen voor 2025 vastgesteld met het oog op een optimalisering van de investeringen in infrastructuur voor digitale connectiviteit. Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad(20) beoogt onder meer de totstandbrenging van een regelgevingskader dat particuliere investeringen in digitale netwerken stimuleert. Het is echter duidelijk dat de uitrol van netwerken in talrijke gebieden van de Unie commercieel niet levensvatbaar zal blijven, onder meer door de afgelegen ligging en specifieke territoriale of geografische kenmerken, lage bevolkingsdichtheid en diverse sociaaleconomische kenmerken van deze gebieden, en bijgevolg dringend meer aandacht moet krijgen. Het programma moet daarom worden aangepast om bij te dragen aan de verwezenlijking van die in de strategie voor de gigabitmaatschappij vastgestelde strategische doelstellingen. Het moet ook bijdragen tot een evenwicht tussen ontwikkelingen op het platteland en in steden en moet een aanvulling vormen op de steun voor de uitrol van netwerken met een zeer hoge capaciteit door andere programma's en met name het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds en het InvestEU-fonds.

(23)  Terwijl alle digitale netwerken die op het internet zijn aangesloten een intrinsieke trans-Europese dimensie hebben, met name vanwege de werking van de toepassingen en diensten die zij mogelijk maken, moet via steun uit het programma voorrang worden verleend aan acties waarvan de grootste impact op de digitale eengemaakte markt wordt verwacht, onder meer door de afstemming daarvan op de doelstellingen van de mededeling inzake de strategie voor de gigabitmaatschappij en op de digitale transformatie van de economie en de samenleving, rekening houdend met de geconstateerde markttekortkomingen en -belemmeringen.

(24)  Scholen, universiteiten, bibliotheken, plaatselijke, provinciale, regionale en nationale overheden, de belangrijkste aanbieders van openbare diensten, ziekenhuizen en medische centra, vervoersknooppunten en ondernemingen die grotendeels digitaal werken kunnen een belangrijke invloed hebben op de sociaaleconomische ontwikkelingen in de regio waar zij zijn gevestigd, met inbegrip van plattelandsgebieden en dunbevolkte gebieden. Dergelijke sociaaleconomische actoren moeten het voortouw nemen op het gebied van gigabitconnectiviteit om de Europese burgers, het bedrijfsleven en lokale gemeenschappen toegang te bieden tot de best mogelijke diensten en toepassingen. Het programma dient de toegang tot netwerken met een zeer hoge capaciteit, waaronder 5G-systemen en andere geavanceerde mobiele connectiviteitsystemen, die deze sociaaleconomische actoren gigabitconnectiviteit bieden, te ondersteunen teneinde hun positieve overloopeffect op de rest van de economie en de samenleving in de betrokken gebieden te maximaliseren, onder meer door de vraag naar connectiviteit en diensten op te drijven.

(24 bis)  Niet-geconnecteerde gebieden, die nog overal in de Unie worden aangetroffen, vormen knelpunten en onbenut potentieel voor de digitale eengemaakte markt. Toegang tot hoogwaardig internet kan in de meeste landelijke en afgelegen gebieden een essentiële rol spelen om te vermijden dat een digitale kloof ontstaat en dat deze gebieden geïsoleerd raken en ontvolken, aangezien internetverbindingen de levering van goederen en diensten goedkoper maken en de afgelegen ligging deels goedmaken. Hoogwaardige internetconnectiviteit is noodzakelijk voor nieuwe economische kansen, zoals precisielandbouw of de ontwikkeling van een bio-economie in plattelandsgebieden. Het programma dient bij te dragen tot de beschikbaarheid van vaste en draadloze connectiviteit met een zeer hoge capaciteit voor alle Europese huishoudens, zowel in de stad als op het platteland, met een focus op situaties waarin een zekere mate van marktfalen wordt waargenomen en die kunnen worden aangepakt met subsidies met een geringe intensiteit. Om tot een optimale synergie te komen van de door het programma ondersteunde acties, moet terdege rekening worden gehouden met de concentratiegraad van sociaaleconomische actoren in een bepaald gebied en met het financieringsniveau dat nodig is om dekking te bewerkstelligen. Daarnaast moet het programma streven naar een volledige dekking van alle huishoudens en regio's, aangezien het niet rendabel is om leemtes in een reeds gedekt gebied in een later stadium aan te pakken.

(25)  Voortbouwend op het succes van het initiatief WiFi4EU, moet het programma steun blijven verlenen voor de verstrekking van kosteloze, veilige en hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale centra van het openbare leven, waaronder entiteiten met een openbare opdracht, zoals overheidsdiensten en openbare-dienstverleners, en voor het publiek toegankelijke openbare plaatsen in open lucht, om de digitale visie van de Unie bij lokale gemeenschappen te promoten.

(25 bis)  Digitale infrastructuur vormt een belangrijke basis voor innovatie. Om met het programma een maximaal effect te bewerkstelligen, moet het gericht zijn op financiering van de infrastructuur. Individuele digitale diensten en toepassingen, zoals diensten waarbij "distributed ledger"-technologieën of kunstmatige intelligentie worden toegepast, mogen daarom niet onder het toepassingsgebied van het programma vallen, maar moeten in plaats daarvan, in voorkomend geval, worden opgenomen in andere instrumenten zoals het programma Digitaal Europa. Het is eveneens belangrijk om de synergieën tussen de verschillende programma's te maximaliseren.

(26)  De levensvatbaarheid van de volgende generatie digitale diensten, zoals het internet der dingen en toepassingen waarvan in verschillende sectoren en voor de samenleving als geheel aanzienlijke voordelen worden verwacht, vereist een ononderbroken grensoverschrijdende dekking met 5G-systemen, met name om ervoor te zorgen dat gebruikers en toestellen onderweg verbonden blijven. Er blijft onduidelijkheid bestaan over de scenario's voor kostendeling voor de uitrol van 5G in deze sectoren en de vermeende risico's van commerciële uitrol in bepaalde belangrijke domeinen zijn zeer groot. De wegcorridors en treinverbindingen zullen naar verwachting cruciaal zijn voor de eerste fase van de nieuwe toepassingen op het gebied van geconnecteerde mobiliteit en zijn derhalve belangrijke grensoverschrijdende projecten voor financiering in het kader van dit programma.

(28)  De uitrol van digitale backbonecommunicatienetwerken, met onderzeese kabels die Europese regio's verbinden met derde landen op andere continenten of die Europese eilanden, ultraperifere gebieden of overzeese landen en gebieden verbinden - onder meer via de territoriale wateren van de Unie en de exclusieve economische zone van de lidstaten - is nodig om voor alle vitale infrastructuur de nodige redundantie te creëren en de capaciteit en weerbaarheid van de digitale netwerken van de Unie te versterken, en draagt eveneens bij tot de territoriale samenhang. Dergelijke projecten zijn echter zonder overheidssteun vaak niet commercieel levensvatbaar. Voorts is er steun nodig om de Europese high-performance computingmiddelen aan te vullen met passende verbindingen voor terabitcapaciteit.

(29)  Acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit moeten gebruik maken van de voor een specifiek project meest geschikte en beste beschikbare technologie, die een optimaal evenwicht biedt tussen geavanceerde technologieën op het gebied van de gegevensstroomcapaciteit, de beveiliging van de overdracht, de weerbaarheid van het netwerk en kostenefficiëntie, en moeten worden geprioriteerd door middel van werkprogramma's, rekening houdend met de in deze verordening bepaalde criteria. De uitrol van netwerken met zeer hoge capaciteit kan ook passieve infrastructuur omvatten, met het oog op maximale sociaaleconomische en milieuvoordelen. Ten slotte moet bij het prioriteren van de acties rekening worden gehouden met de potentiële positieve overloopeffecten op het gebied van connectiviteit, bijvoorbeeld voor projecten die bijdragen aan de rendabiliteit van toekomstige investeringen die zorgen voor een betere dekking van het grondgebied en de bevolking in streken waar nog geen dekking is.

(30)  De Unie heeft een eigen PNT-technologie voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling per satelliet (EGNOS/Galileo) en een eigen systeem voor aardobservatie (Copernicus) ontwikkeld. Zowel EGNOS/Galileo als Copernicus leveren geavanceerde diensten die publieke en private gebruikers belangrijke economische voordelen bieden. Daarom moet alle vervoer-, energie- en digitale infrastructuur die door het programma wordt gefinancierd, en die gebruik maakt van PNT-systemen of aardobservatiediensten, technisch compatibel zijn met EGNOS/Galileo en Copernicus.

(31)  De positieve resultaten van de blendingoproep die in 2017 in het kader van het huidige programma is gelanceerd, bevestigen de relevantie en toegevoegde waarde van EU-subsidies met het oog op blending met financiering van de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken, andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, al dan niet via publiek-private partnerschappen. Blending moet bijdragen tot het aantrekken van particuliere investeringen en een hefboomwerking bewerkstelligen ten aanzien van de algehele bijdrage van de overheidssector in overeenstemming met de doelstellingen van het InvestEU-programma. Het programma moet dan ook acties blijven ondersteunen waarbij EU-subsidies met andere bronnen van financiering kunnen worden gecombineerd. In de vervoerssector mogen blendingverrichtingen het niveau van 10 % van de krachtens artikel 4, lid 2, onder a, punt i), toegewezen middelen niet overschrijden.

(31 bis)  In de vervoerssector mogen blendingverrichtingen worden gebruikt voor acties die verband houden met slimme, interoperabele, duurzame, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit, zoals vermeld in artikel 9, lid 2, onder b.

(32)  De doelstellingen van dit programma worden mede gerealiseerd door middel van financieringsinstrumenten en begrotingsgaranties in het kader van de beleidsonderdelen van het InvestEU-Fonds. De acties van het programma moeten worden gebruikt om investeringen te stimuleren. Hiertoe moeten markttekortkomingen of suboptimale investeringsvoorwaarden, in het bijzonder wanneer acties commercieel niet levensvatbaar zijn, op evenredige wijze worden aangepakt, zonder dat er overlapping plaatsvindt met of verdringing van particuliere financiering. De acties moeten ook een duidelijke Europese toegevoegde waarde bezitten.

(33)  Om een geïntegreerde ontwikkeling van de innovatiecyclus te stimuleren, moet de complementariteit worden gewaarborgd tussen innovatieve oplossingen die zijn ontwikkeld in het kader van de EU-kaderprogramma voor onderzoek en innovatie en innovatieve oplossingen die met CEF-steun worden ingevoerd. Daartoe zullen synergieën met Horizon Europe ervoor zorgen dat: a) de onderzoeks- en innovatiebehoeften op het gebied van vervoer, energie en de digitale sector binnen de EU worden geïnventariseerd en vastgesteld tijdens het strategische planningsproces van Horizon Europa; b) de Connecting Europe Facility steun verleent voor de grootschalige invoering en toepassing van innovatieve technologieën en oplossingen op het gebied van vervoer, energie en digitale infrastructuur, die met name het resultaat zijn van Horizon Europa; c) de uitwisseling van informatie en gegevens tussen Horizon Europa en de Connecting Europe Facility wordt gefaciliteerd, bijvoorbeeld door de aandacht te vestigen op marktklare technologieën uit Horizon Europa die verder via de Connecting Europe Facility kunnen worden uitgerold.

(34)  In deze verordening worden de financiële middelen voor de hele periode 2021-2027 vastgesteld als het voornaamste referentiebedrag als bedoeld in [verwijzing toevoegen naar het nieuwe Interinstitutioneel akkoord: punt 17 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(21) voor het Europees Parlement en de Raad tijdens de jaarlijkse begrotingsprocedure].

(35)  Het Europees Semester voor coördinatie van het economisch beleid is het kader op Unieniveau voor de vaststelling van nationale hervormingsprioriteiten en het toezicht op de uitvoering ervan. De lidstaten ontwikkelen hun eigen nationale meerjarige investeringsstrategieën ter ondersteuning van deze hervormingsprioriteiten. Die strategieën moeten samen met de jaarlijkse nationale hervormingsprogramma's worden gepresenteerd als een manier om de prioritaire investeringsprojecten die nationale of Uniefinanciering moeten krijgen, vast te stellen en te coördineren. Die moeten een coherent gebruik van de EU-financiering waarborgen en er, voor zover relevant, voor zorgen dat de financiële steun die via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO), het Cohesiefonds, de Europese stabilisatiefunctie voor investeringen, InvestEU en de Connecting Europe Facility zal worden verleend, een maximale toegevoegde waarde genereert. Bij het gebruik van financiële steun moet, voor zover relevant, ook de coherentie worden gewaarborgd met energie- en klimaatplannen van de Unie en de lidstaten.

(36)  De horizontale financiële regels die het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 322 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie hebben vastgesteld, zijn op deze verordening van toepassing. Deze regels zijn neergelegd in het Financieel Reglement en bepalen met name de procedure voor het opstellen en uitvoeren van de begroting door middel van subsidies, overheidsopdrachten, prijzen en indirecte uitvoering, en voorzien in controles op de verantwoordelijkheid van financiële actoren. De op basis van artikel 322 VWEU vastgestelde regels hebben ook betrekking op de bescherming van de begroting van de Unie in geval van algemene tekortkomingen ten aanzien van de rechtsstaat in de lidstaten, aangezien de eerbiediging van de rechtsstaat een essentiële basisvoorwaarde is voor een goed financieel beheer en effectieve EU-financiering.

(37)  De soorten financiering en de uitvoeringsmethoden in het kader van deze verordening worden gekozen op grond van hun vermogen om de specifieke doelstellingen van de acties te verwezenlijken en resultaten op te leveren, met name rekening houdend met de controlekosten, de administratieve lasten en het verwachte risico van niet-naleving. Dit moet mede omvatten dat het gebruik wordt overwogen van vaste bedragen, forfaits en eenheidskosten, en van financiering die niet gekoppeld is aan kosten, zoals bedoeld in artikel 125, lid 1, van het Financieel Reglement.

(38)  Derde landen die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER) kunnen aan het programma deelnemen in het kader van de samenwerking waarin wordt voorzien door de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, die bepaalt dat programma's van de Unie worden uitgevoerd bij een op grond van die overeenkomst genomen besluit. Derde landen kunnen ook op grond van andere rechtsinstrumenten deelnemen. Er moet een specifieke bepaling in deze verordening worden opgenomen ter verlening van de nodige rechten en toegang aan de bevoegde ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer zodat zij hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen.

(39)  De regels inzake de toekenning van subsidies zijn vastgesteld in het Financieel Reglement. Om rekening te houden met het specifieke karakter van de door het programma gesteunde acties en om een consistente uitvoering in alle programmasectoren te waarborgen, moeten aanvullende regels inzake de selectie- en toewijzingscriteria worden vastgesteld. De selectie van acties en de financiering van deze acties moeten uitsluitend voldoen aan de in deze verordening opgenomen voorwaarden en aan de bepalingen van het Financieel Reglement. De werkprogramma's mogen in vereenvoudigde procedures voorzien, zonder dat daarbij wordt afgeweken van het Financieel Reglement.

(39 bis)  In de werkprogramma's worden in overeenstemming met het Financieel Reglement selectie- en gunningscriteria vastgesteld. In de vervoerssector moet de kwaliteit en relevantie van een project worden beoordeeld door ook rekening te houden met de verwachte effecten ervan voor de connectiviteit van de EU, de naleving van toegankelijkheidseisen en de strategie met het oog op de toekomstige behoeften aan onderhoud.

(40)  Overeenkomstig het Financieel Reglement, Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad(22), Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad(23), Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad(24) en Verordening (EU) 2017/193 van de Raad(25) moeten de financiële belangen van de Unie worden beschermd door evenredige maatregelen, daaronder begrepen voorkoming, opsporing, correctie en onderzoek van onregelmatigheden en fraude, terugvordering van verloren gegane, onverschuldigd betaalde of onjuist bestede financiële middelen alsmede, in voorkomend geval, oplegging van administratieve sancties. In het bijzonder kan het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 onderzoeken, daaronder begrepen controles en verificaties ter plaatse, uitvoeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad. Overeenkomstig Verordening (EU) 2017/1939 kan het Europees Openbaar Ministerie (EMO) overgaan tot onderzoek en vervolging van fraude en andere strafbare feiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad in de zin van Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad(26). Personen of entiteiten die middelen van de Unie ontvangen, moeten overeenkomstig het Financieel Reglement ten volle meewerken aan de bescherming van de financiële belangen van de Unie, de nodige rechten en toegang verlenen aan de Commissie, OLAF, het Europees Openbaar Ministerie (EOM) en de Europese Rekenkamer alsmede ervoor zorgen dat derden die betrokken zijn bij de uitvoering van middelen van de Unie gelijkwaardige rechten verlenen.

(41)  Volgens [verwijzing dienovereenkomstig aan te passen volgens het nieuwe besluit inzake landen en gebieden overzee: artikel 94 van Besluit 2013/755/EU van de Raad(27)] komen in landen en gebieden overzee (LGO's) gevestigde personen en entiteiten in aanmerking voor financiering, overeenkomstig de voorschriften en doelstellingen van het programma en eventuele regelingen die van toepassing zijn op de lidstaat waarmee het desbetreffende land of gebied overzee banden heeft.

(42)  De Unie dient te streven naar samenhang en synergieën met de EU-programma's voor het extern beleid, inclusief pretoetredingssteun na de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de mededeling "Een geloofwaardig vooruitzicht op toetreding en een grotere EU-betrokkenheid bij de Westelijke Balkan"(28).

(43)  Wanneer derde landen en in derde landen gevestigde entiteiten deelnemen aan acties die bijdragen tot projecten van gemeenschappelijk belang of grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, mag alleen financiële bijstand worden verleend wanneer die onontbeerlijk is om de doelstellingen van die projecten te verwezenlijken. Wat betreft het deel over grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, moeten bij de samenwerking tussen een of meerdere lidstaten en een derde land (inclusief de Energiegemeenschap) de voorwaarden in artikel 11 van Richtlijn (EU) 2018/XXX van het Europees Parlement en de Raad [richtlijn hernieuwbare energie] over de noodzaak van een fysieke verbinding met de EU, in acht worden genomen.

(43 bis)  In de mededeling van de Commissie van 3 oktober 2017 getiteld "Succesvolle overheidsopdrachten in en voor Europa"(29) wordt opgemerkt dat de EU wereldwijd de meest openstaande markt is voor overheidsopdrachten, maar dat de toegankelijkheid van andere landen voor EU-ondernemingen niet altijd even groot is. Begunstigden van de CEF moeten dan ook ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden uit hoofde van Richtlijn 2014/25/EU inzake strategische overheidsopdrachten.

(44)  Krachtens de punten 22 en 23 van het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016(30) moet dit programma worden geëvalueerd op basis van door specifieke monitoringvoorschriften verzamelde informatie, onder meer over klimaatmonitoring, waarbij overregulering en administratieve lasten, in het bijzonder voor de lidstaten, worden vermeden. De Commissie dient evaluaties en de resultaten daarvan mee te delen aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's teneinde de doeltreffendheid en doelmatigheid van de financiering te beoordelen en na te gaan welke de impact daarvan is op de algemene doelstellingen van het programma, en in voorkomend geval de nodige wijzigingen aan te brengen.

(45)  Er moeten transparante, controleerbare en adequate monitoring- en verslagleggingsmaatregelen, met inbegrip van meetbare indicatoren, worden ingevoerd om een beoordeling te maken van en verslag uit te brengen over de voortgang van het programma bij de verwezenlijking van de algemene en specifieke doelstellingen die in deze verordening zijn vastgesteld, en om bekendheid te geven aan deze resultaten. Het prestatieverslagleggingssysteem moet waarborgen dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma geschikt zijn voor een grondige analyse van de geboekte vooruitgang en van de vastgestelde problemen, en dat die gegevens en resultaten op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Aan ontvangers van EU-financiering moeten evenredige rapportageverplichtingen worden opgelegd om relevante gegevens te verzamelen voor het programma.

(45 bis)  Het programma moet aan de hand van werkprogramma's worden uitgevoerd. Tegen 31 december 2020 moet de Commissie de eerste meerjarige werkprogramma's goedkeuren. Deze programma's moeten het tijdschema voor de oproepen tot het indienen van voorstellen voor de eerste drie jaar van elk programma omvatten, evenals de onderwerpen, het indicatieve budget en een toekomstig kaderprogramma voor de volledige programmeringsperiode.

(46)  Om uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend voor de vaststelling van werkprogramma's. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad(31).

(47)  Met het oog op de aanpassing, indien nodig, van de indicatoren voor de monitoring van het programma, van de indicatieve percentages van de begrotingsmiddelen die aan elke specifieke doelstelling in de vervoerssector zijn toegewezen en van de afbakening van de kernnetwerkcorridors, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden gedelegeerd voor wijzigingen van de delen I, II en III van de bijlage bij de onderhavige verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen."

(48)  Ter wille van de duidelijkheid moeten Verordening (EG) nr. 1316/2013 en Verordening (EG) nr. 283/2014 worden ingetrokken. De rechtsgevolgen van artikel 29 van Verordening (EU) nr. 1316/2013, tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad(32) wat de lijst van goederencorridors betreft, moeten evenwel worden gehandhaafd.

(49)  Met het oog op de tijdige vaststelling van de uitvoeringshandelingen uit hoofde van deze verordening, dient deze onmiddellijk bij de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt de Connecting Europe Facility ("het programma") ingesteld.

In deze verordening worden de doelstellingen van het programma, de begroting voor de periode 2021-2027, de vormen van EU-financiering en de regels voor de verstrekking van die financiering vastgelegd.

Artikel 2

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "actie": elke in financieel en technisch opzicht als autonoom aangeduide activiteit, waarvoor een bepaalde termijn is gesteld en die noodzakelijk is voor de uitvoering van een project;

b)  "alternatieve brandstoffen": alternatieve brandstoffen voor alle vervoersmiddelen als gedefinieerd in artikel 2, lid 1, van Richtlijn 2014/94/EU;

c bis)  "begunstigde": een entiteit met rechtspersoonlijkheid waarmee een subsidieovereenkomst is ondertekend;

d)  "blendingverrichtingen": door de EU-begroting ondersteunde acties, onder meer in het kader van blendingfaciliteiten overeenkomstig artikel 2, lid 6, van Verordening (EU, Euratom) 2018/XXX (het "Financieel Reglement"), waarbij niet‑terugbetaalbare vormen van steun en/of financieringsinstrumenten en/of begrotingsgaranties uit de EU‑begroting worden gecombineerd met terugbetaalbare vormen van steun van instellingen voor ontwikkelingsfinanciering of andere openbare financiële instellingen, alsmede van commerciële financiële instellingen en investeerders;

e)  "uitgebreid netwerk": de vervoersinfrastructuur die overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013 is aangeduid;

f)  "kernnetwerk": de vervoersinfrastructuur die is aangeduid overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

g)  "kernnetwerkcorridors": instrumenten die de gecoördineerde totstandbrenging van het kernnetwerk vergemakkelijken, zoals bepaald in hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en die zijn opgesomd in deel III van de bijlage bij deze verordening;

g bis)  "grensoverschrijdende verbinding": in de vervoerssector, een project van gemeenschappelijk belang dat zorgt voor de continuïteit van het TEN-T-netwerk tussen lidstaten of tussen een lidstaat en een derde land;

g ter)  "missing link": een voor alle vervoerswijzen bestemd tracé van het TEN‑T-netwerk of een vervoerstracé dat voorziet in de verbinding van kern- of uitgebreide netwerken met de TEN‑T-corridors, dat ontbreekt, en aldus de continuïteit van het TEN‑T-netwerk in het gedrang brengt, of dat een of meer bottlenecks bevat die de continuïteit van het TEN-T-netwerk in het gedrang brengen;

g quater)  "infrastructuur voor tweeërlei gebruik": een vervoersnetwerkinfrastructuur die inspeelt op zowel civiele als militaire behoeften;

h)  "grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie": een project dat is geselecteerd of in aanmerking komt om te worden geselecteerd in het kader van een samenwerkingsovereenkomst of andere regelingen tussen ten minste twee lidstaten of tussen ten minste één lidstaat en een of meerdere derde landen in de zin van de artikelen 8, 9, 11 en 13 van Richtlijn (EU) 2018/2001 met betrekking tot de planning of ontwikkeling van hernieuwbare energie, overeenkomstig de criteria van deel IV van de bijlage bij deze verordening;

h bis)  "energie-efficiëntie eerst": het beginsel dat energie-efficiëntie op de eerste plaats komt, zoals bedoeld in artikel 2, lid 18, van Verordening (EU) 2018/1999;

i)  "infrastructuur voor digitale connectiviteit": netwerken met een zeer hoge capaciteit, 5G-systemen, zeer hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit, backbonenetwerken, alsook operationele digitale platforms die een directe band hebben met de vervoers- en energie-infrastructuur;

j)  "5G-systemen": een reeks digitale infrastructuurcomponenten, op basis van wereldwijd erkende normen voor mobiele en draadloze communicatietechnologie, die worden gebruikt voor connectiviteit en diensten met toegevoegde waarde met geavanceerde prestatiekenmerken, zoals zeer hoge transmissiesnelheden en capaciteit en zeer betrouwbare communicatie met lage latentie, of die een groot aantal aangesloten apparaten ondersteunen;

k)  "5G-corridor": een transportroute, per spoor, over de weg of via een binnenlandse waterweg, die volledig wordt gedekt door infrastructuur voor digitale connectiviteit en met name 5G‑systemen, die de ononderbroken levering van digitale synergiediensten zoals geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit, soortgelijke slimme mobiliteitsdiensten voor het spoor of digitale connectiviteit op binnenlandse waterwegen mogelijk maken;

l)  "operationele digitale platforms die een directe band hebben met vervoers- en energie-infrastructuur": fysieke en virtuele voorzieningen voor informatie- en communicatietechnologie ("ICT"), die bovenop de communicatie-infrastructuur functioneren ter ondersteuning van de stroom, opslag, verwerking en analyse van vervoers- en/of energie-infrastructuurgegevens;

m)  "project van gemeenschappelijk belang": een project als genoemd in Verordening (EU) nr. 1315/2013, Verordening (EU) nr. 347/2013 of artikel 8 van deze verordening;

n)  "studies": activiteiten die nodig zijn ter voorbereiding van de uitvoering van projecten, zoals voorbereidende studies, het in kaart brengen, haalbaarheidsstudies, evaluatie- en validatiestudies, ook in de vorm van software, en andere technische ondersteuningsmaatregelen, met inbegrip van aan de werkzaamheden voorafgaande activiteiten die nodig zijn om een project te definiëren en te ontwikkelen en de besluiten te nemen inzake de financiering ervan, zoals verkenning ter plaatse en de voorbereiding van het financieringspakket;

o)  "sociaaleconomische actoren": entiteiten die door hun opdracht, aard of vestigingsplaats direct of indirect grote sociaaleconomische voordelen kunnen genereren voor de burgers, ondernemingen en lokale gemeenschappen in hun regio of hun invloedssfeer;

p)  "derde land": een land dat geen lid is van de Europese Unie;

q)  "netwerken met een zeer hoge capaciteit": netwerken met een zeer hoge capaciteit als gedefinieerd in artikel [2, lid 2] van Richtlijn (EU) 2018/XXX [het Europees wetboek voor elektronische communicatie];

r)  "werkzaamheden": de aanschaf, de levering en het inzetten van componenten, systemen en diensten, inclusief software, en de uitvoering van ontwikkelings-, bouw- en installatieactiviteiten in verband met een project, alsmede de oplevering van de installaties en de inbedrijfstelling van een project.

Artikel 3

Doelstellingen

1.  De algemene doelstelling van het programma is de aanleg, ontwikkeling, modernisering en voltooiing van de trans-Europese vervoers-, energie- en digitale netwerken en het faciliteren van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie, rekening houdend met de langetermijnverbintenissen op het gebied van decarbonisatie, teneinde het Europese concurrentievermogen te vergroten, slimme, duurzame en inclusieve groei te bevorderen, de territoriale, sociale en economische cohesie te versterken en de toegang tot en de integratie van de interne markt te verbeteren, dit alles met de nadruk op synergieën tussen de vervoers-, de energie- en de digitale sector.

2.  De specifieke doelstellingen van het programma zijn:

a)  Op het gebied van vervoer:

i)  in overeenstemming met de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1315/2013 bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang voor efficiënte, onderling verbonden en multimodale netwerken en infrastructuur voor slimme, interoperabele, duurzame, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit;

ii)  de aanpassing van delen van het trans-Europees vervoersnetwerk met het oog op een tweeërlei gebruik van de vervoersinfrastructuur, dat tot doel heeft zowel de civiele als de militaire mobiliteit te verbeteren;

b)  In de energiesector, bijdragen aan de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang met het oog op de verdere integratie van een doelmatige en concurrerende interne energiemarkt, de sector- en grensoverschrijdende interoperabiliteit van de netwerken, het faciliteren van de decarbonisatie van de economie, het bevorderen van de energie-efficiëntie en het waarborgen van de voorzieningszekerheid, en ter bevordering van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van energie, inclusief hernieuwbare energie;

c)  In de digitale sector, bijdragen aan de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang die verband houden met de uitrol van veilige en beveiligde 5G‑systemen en digitale netwerken met een zeer hoge capaciteit, aan een grotere weerbaarheid en capaciteit van digitale backbonenetwerken op het grondgebied van de EU door die netwerken te verbinden met naburige regio's, alsmede aan de digitalisering van de vervoers- en energienetwerken.

Artikel 4

Begroting

1.  De financiële middelen voor de uitvoering van het programma voor de periode 2021-2027 bedragen 43 850 768 000 EUR in constante prijzen (XXX EUR in lopende prijzen).

2.  Dit bedrag wordt als volgt verdeeld:

a)  33 513 524 000 EUR in constante prijzen (XXX EUR in lopende prijzen) voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), waarvan:

i)  17 746 000 000 EUR in constante prijzen (XXX EUR in lopende prijzen) uit de Europese strategische investeringscluster;

ii)  de overdracht van 10 000 000 000 EUR in constante prijzen (11 285 493 000 EUR in lopende prijzen) uit het Cohesiefonds voor investeringen overeenkomstig deze verordening, uitsluitend in de lidstaten die in aanmerking komen voor steun uit het Cohesiefonds;

iii)  5 767 542 000 EUR in constante prijzen (6 500 000 000 EUR in lopende prijzen) van de defensiecluster voor de specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt ii);

b)  8 650 000 000 EUR voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b), waarvan 15 % - afhankelijk van de marktrespons - voor grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie. Als de drempel van 15 % wordt bereikt, zal de Europese Commissie dit bedrag verhogen tot 20 %, afhankelijk van de marktrespons;

c)  2 662 000 000 EUR in constante prijzen (3 000 000 000 EUR in lopende prijzen) voor de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c).

3.  De Commissie mag niet afwijken van het bedrag als bedoeld in lid 2, onder a), ii).

4.  Maximaal 1% van het in lid 1 genoemde bedrag mag worden gebruikt voor technische en administratieve bijstand bij de tenuitvoerlegging van het programma en de sectorspecifieke richtsnoeren, zoals voorbereidende, monitoring-, controle-, audit- en evaluatieactiviteiten, met inbegrip van specifieke informatie en technologiesystemen. Dit bedrag mag ook worden gebruikt ter financiering van begeleidende maatregelen ter ondersteuning van de voorbereiding van projecten, in het bijzonder om de initiatiefnemers te helpen met het structureren van de projectfinanciering door hun advies te verstrekken over financieringsmogelijkheden.

5.  Vastleggingen in de begroting voor acties waarvan de uitvoering zich over meer dan één begrotingsjaar uitstrekt, mogen in jaartranches worden verdeeld.

6.  Onverminderd het Financieel Reglement kunnen uitgaven voor acties die voortvloeien uit projecten die in het eerste werkprogramma waren opgenomen, vanaf 1 januari 2021 in aanmerking komen.

7.  De uit het Cohesiefonds overgedragen bedragen worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig deze verordening, onder voorbehoud van lid 8 en onverminderd artikel 14, lid 2, onder b).

8.  Voor wat betreft de bedragen die uit het Cohesiefonds worden overgedragen, ▌worden de voor financiering in aanmerking komende projecten ▌tot en met 31 december 2022 geselecteerd met inachtneming van de nationale toewijzingen in het kader van het Cohesiefonds. Met ingang van 1 januari 2023 worden de middelen die naar het programma zijn overgedragen en niet voor een vervoersinfrastructuurproject zijn vastgelegd, op concurrerende basis beschikbaar gesteld voor alle lidstaten die een beroep kunnen doen op het Cohesiefonds voor de financiering van vervoersinfrastructuurprojecten overeenkomstig deze verordening.

8 bis.  Het bedrag dat uit het Cohesiefonds wordt overgedragen, wordt niet gebruikt voor het financieren van sectoroverschrijdende werkprogramma's en blendingverrichtingen.

9.  Op verzoek van de lidstaten kunnen de aan hen in gedeeld beheer toegewezen middelen worden overgeschreven naar het programma. De Commissie voert die middelen overeenkomstig [artikel 62, lid 1, onder a),] van het Financieel Reglement op directe wijze dan wel overeenkomstig artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement op indirecte wijze uit. Deze middelen worden gebruikt ten voordele van de betrokken lidstaat.

9 bis.  Onverminderd artikel 4, lid 9, kunnen in de digitale sector middelen die in gedeeld beheer aan de lidstaten zijn toegewezen, op hun verzoek naar het programma worden overschreven, onder meer om de financiering voor subsidiabele acties uit hoofde van artikel 9, lid 4, aan te vullen tot 100 % van de totale subsidiabele kosten, waar mogelijk, zonder dat hiermee afbreuk wordt gedaan aan het in artikel 190 van het Financieel Reglement bedoelde medefinancieringsbeginsel of aan de voorschriften inzake staatssteun. Die middelen worden uitsluitend ten voordele van de betrokken lidstaat gebruikt.

Artikel 5

Met het programma geassocieerde derde landen

Het programma staat open voor deelname van de volgende derde landen:

a)  landen van de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) die lid zijn van de Europese Economische Ruimte (EER), overeenkomstig de in de EER-overeenkomst vastgestelde voorwaarden;

b)  toetredingslanden, kandidaten en potentiële kandidaten, overeenkomstig de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor hun deelname aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

c)  landen die onder het Europees nabuurschapsbeleid vallen, overeenkomstig de algemene beginselen en algemene voorwaarden voor deelname van die landen aan programma's van de Unie zoals vastgesteld in de desbetreffende kaderovereenkomsten en besluiten van de Associatieraad, of in soortgelijke overeenkomsten, alsmede in overeenstemming met de specifieke voorwaarden die zijn vastgesteld in overeenkomsten tussen de Unie en die landen;

d)  andere derde landen, overeenkomstig de voorwaarden die zijn vastgesteld in een specifieke overeenkomst betreffende de deelname van het derde land aan programma's van de Unie, op voorwaarde dat die overeenkomst:

–  een billijk evenwicht waarborgt tussen de bijdragen van en de voordelen voor het derde land dat aan programma's van de Unie deelneemt;

–  de voorwaarden voor deelname aan de programma's vaststelt, met inbegrip van de berekening van de financiële bijdragen aan afzonderlijke programma's en de administratieve kosten ervan; Deze bijdragen worden aangemerkt als bestemmingsontvangsten overeenkomstig artikel 21, lid 5, van het Financieel Reglement;

–  het derde land geen beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het programma verleent;

–  de rechten van de Unie waarborgt om te zorgen voor een goed financieel beheer en haar financiële belangen te beschermen;

–  voor wederkerigheid zorgt bij de toegang tot soortgelijke programma's in het derde land, in het bijzonder overheidsopdrachten.

2.  Aan derde landen als bedoeld in lid 1 en aan in die landen gevestigde entiteiten mag in het kader van deze verordening geen financiële bijstand worden verleend, tenzij die bijstand onontbeerlijk is om de doelstellingen van een bepaald project van gemeenschappelijk belang te verwezenlijken onder de voorwaarden die zijn uiteengezet in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 19 en overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1315/2013.

Artikel 6

Uitvoering en vormen van EU-financiering

1.  Het programma wordt uitgevoerd in direct beheer in overeenstemming met het Financieel Reglement of in indirect beheer met organen als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder c), van het Financieel Reglement.

2.  In het kader van het programma kan financiering worden verstrekt in de vorm van subsidies en aanbestedingen, zoals vastgesteld in het Financieel Reglement. Het programma kan eveneens bijdragen aan blendingverrichtingen in overeenstemming met de InvestEU-verordening en titel X van het Financieel Reglement. In de vervoerssector mag de bijdrage van de Unie voor blendingverrichtingen niet hoger zijn dan 10 % van het in artikel 4, lid 2, onder a, punt i), vermelde bedrag. In de vervoerssector mogen blendingverrichtingen worden gebruikt voor acties die verband houden met slimme, interoperabele, duurzame, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit, zoals vermeld in artikel 9, lid 2, onder b.

3.  De Commissie kan de bevoegdheid voor de tenuitvoerlegging van een deel van het programma overeenkomstig artikel [69] van het Financieel Reglement delegeren aan uitvoerende agentschappen met het oog op een optimaal beheer en in het licht van de efficiëntievereisten van het programma in de vervoers-, energie- en digitale sector.

4.  Bijdragen aan een systeem voor onderlinge verzekeringen kan gelden als dekking voor het risico dat is verbonden aan de terugvordering van door ontvangers verschuldigde financiering en wordt als voldoende garantie beschouwd overeenkomstig het Financieel Reglement. De bepalingen van [artikel X van] Verordening XXX [opvolger van de verordening betreffende het Garantiefonds] zijn van toepassing.

Artikel 7

Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

1.  Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie moeten bijdragen tot decarbonisatie, de voltooiing van de interne energiemarkt en de verbetering van de voorzieningszekerheid. Deze projecten worden opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst of een andere regeling tussen ten minste twee lidstaten, regelingen tussen ten minste één lidstaat en een of meerdere derde landen als bedoeld in de artikelen 8, 9, 11 en 13 van Richtlijn (EU) 2018/2001; Deze projecten worden geselecteerd overeenkomstig de algemene criteria en de procedure die zijn vastgelegd in deel IV van de bijlage bij deze verordening.

2.  Uiterlijk op 31 december 2019 stelt de Commissie overeenkomstig artikel 23, onder d), van deze verordening een gedelegeerde handeling vast tot nadere bepaling, onverminderd de in artikel 13 omschreven gunningscriteria, van de specifieke selectiecriteria en -procedure voor projecten en publiceert zij de methodologieën voor de beoordeling van de bijdrage van projecten aan de algemene criteria en voor de opstelling van de kosten-batenanalyse als gespecificeerd in deel IV van de bijlage.

3.  Studies met het oog op de ontwikkeling en de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening.

4.  Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie komen in aanmerking voor EU-financiering voor werkzaamheden indien zij aan de volgende aanvullende criteria voldoen:

a)  de projectspecifieke kosten-batenanalyse overeenkomstig deel IV, punt 3, van de bijlage is verplicht voor alle gesteunde projecten, wordt op transparante, uitgebreide en volledige wijze uitgevoerd en toont duidelijk aan dat een project aanzienlijke kostenbesparingen en/of voordelen oplevert in termen van systeemintegratie, milieuduurzaamheid, continuïteit van de energievoorziening, integratie of innovatie, en;

b)  de aanvrager toont aan dat het project zonder subsidie niet zou kunnen worden verwezenlijkt of zonder subsidie commercieel niet rendabel zou zijn. Bij die analyse wordt rekening gehouden met eventuele inkomsten uit steunregelingen.

5.  Het bedrag van de subsidie voor werkzaamheden staat in verhouding tot de kostenbesparingen en/of voordelen als bedoeld in deel IV, punt 2, onder b), van de bijlage, ligt niet hoger dan het bedrag dat nodig is om ervoor te zorgen dat het project wordt uitgevoerd of rendabel is en voldoet aan de bepalingen van artikel 14, lid 3.

6.  Het programma voorziet in de mogelijkheid van gecoördineerde financiering met het kader dat de invoering van hernieuwbare energie begunstigt, overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Richtlijn (EU) 2018/2001, en van medefinanciering met het Uniefinancieringsmechanisme voor hernieuwbare energie, overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 2018/1999.

De Commissie beoordeelt regelmatig de besteding van de middelen met betrekking tot het referentiebedrag in artikel 4, lid 2, onder b), voor grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie. Op basis van deze beoordelingen moeten ongebruikte middelen die bedoeld waren voor grensoverschrijdende projecten voor hernieuwbare energie in geval van onvoldoende marktrespons op dergelijke projecten worden ingezet om de in artikel 3, lid 2, onder b), vastgelegde doelstellingen van de trans-Europese energienetwerken te verwezenlijken voor subsidiabele acties zoals bedoeld in artikel 9, lid 3. Vanaf 2024 kunnen deze middelen ook worden gebruikt voor de medefinanciering van het bij Verordening (EU) nr. 2018/1999 opgerichte Uniefinancieringsmechanisme voor hernieuwbare energie.

Met behulp van uitvoeringshandelingen legt de Commissie specifieke regels vast voor medefinanciering tussen de onderdelen van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie in het kader van de CEF en het financieringsmechanisme dat is opgericht bij artikel 33 van Verordening (EU) nr. 2018/1999. De in artikel 22 bedoelde onderzoeksprocedure is dan van toepassing.

Artikel 8

Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit.

1.   Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit zijn projecten waarvan wordt verwacht dat zij een belangrijke bijdrage zullen leveren tot de strategische doelstellingen van de Unie op het gebied van connectiviteit en/of de nodige netwerkinfrastructuur zullen bieden ter ondersteuning van de digitale transformatie van de economie en de samenleving alsook van de Europese digitale eengemaakte markt.

1 bis.  Projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit voldoen aan de volgende criteria:

a)  ze dragen bij tot de verwezenlijking van de specifieke doelstelling als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c);

b)  de voor het specifieke project beste beschikbare en meest geschikte technologie wordt toegepast, en de beste balans tussen geavanceerde technologieën in de zin van gegevensstroomcapaciteit, transmissieveiligheid, veerkrachtigheid van het netwerk, cyberveiligheid en kostenefficiëntie wordt voorgesteld.

2.  Studies met het oog op de ontwikkeling en de selectie van projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van infrastructuur voor digitale connectiviteit komen in aanmerking voor financiering uit hoofde van deze verordening.

3.  Onverminderd de in artikel 13 vastgestelde selectiecriteria, wordt bij het bepalen van de prioriteiten voor financiering rekening gehouden met de volgende criteria:

a)  acties die conform de strategische connectiviteitsdoelstellingen van de EU bijdragen tot de uitrol van en de toegang tot netwerken met een zeer hoge capaciteit, waaronder 5G-systemen en andere geavanceerde connectiviteitssystemen, in gebieden waar sociaaleconomische actoren zijn gevestigd, worden geprioriteerd op basis van hun connectiviteitsbehoeften en de extra dekking die wordt gegenereerd, inclusief voor huishoudens, overeenkomstig deel V van de bijlage; Er kan steun worden gegeven voor de uitrol voor specifieke sociaaleconomische actoren, tenzij dit vanuit economisch oogpunt disproportioneel is of vanuit praktisch oogpunt onmogelijk;

b)  acties die bijdragen aan het verstrekken van hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen, overeenkomstig deel V van de bijlage;

c)  er wordt voorrang gegeven aan acties die bijdragen tot de uitrol van 5G-corridors op de belangrijkste transportroutes, onder meer op het trans-Europese vervoersnetwerk, ▌met als doel de dekking op belangrijke transportroutes en daardoor de ononderbroken levering van digitale synergiediensten te garanderen, rekening houdend met de sociaaleconomische relevantie hiervan op lange termijn met betrekking tot momenteel geïnstalleerde technologische oplossingen; Een indicatieve lijst van projecten waarvoor steun kan worden verleend, is opgenomen in deel V van de bijlage;

d)  projecten voor de ontwikkeling of ingrijpende modernisering van grensoverschrijdende backbonenetwerken tussen de EU en derde landen en ter versterking van de verbindingen tussen elektronische communicatienetwerken binnen de Unie, met inbegrip van onderzeese kabels, worden geprioriteerd op basis van hun bijdrage aan de betere werking, grotere weerbaarheid en zeer hoge capaciteit van deze elektronische communicatienetwerken;

f)  voor projecten op het gebied van digitale platforms, wordt prioriteit gegeven aan acties op basis van geavanceerde technologieën, rekening houdend met aspecten zoals interoperabiliteit, cyberveiligheid, gegevensbescherming en hergebruik.

HOOFDSTUK III

SUBSIDIABILITEIT

Artikel 9

Subsidiabele acties

1.  Alleen acties die bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen als bedoeld in artikel 3, rekening houdend met de langetermijnverbintenissen op het gebied van decarbonisatie, komen in aanmerking voor financiering. Subsidiabele acties omvatten studies, werkzaamheden en begeleidende maatregelen voor het beheer en de tenuitvoerlegging van het programma en de sectorspecifieke richtsnoeren. Studies zijn enkel subsidiabel indien zij verband houden met in het kader van dit programma subsidiabele projecten.

2.  In de sector vervoer komen uitsluitend de volgende acties in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van de onderhavige verordening:

a)  Acties in verband met efficiënte, onderling verbonden, interoperabele en multimodale netwerken voor de ontwikkeling van infrastructuur voor spoorwegen, wegen, de binnenvaart en de zeevaart:

i)  acties voor de verwezenlijking van het kernnetwerk overeenkomstig hoofdstuk III van Verordening (EU) nr. 1315/2013, met inbegrip van acties met betrekking tot grensoverschrijdende verbindingen en ontbrekende schakels, zoals die die zijn opgenomen in deel III van de bijlage bij deze verordening, alsook acties met betrekking tot stedelijke knooppunten, multimodale logistieke platforms, zeehavens, binnenhavens, overslagterminals voor weg- en spoorvervoer en verbindingen met luchthavens die deel uitmaken van het kernnetwerk als gedefinieerd in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1315/2013. Acties voor de verwezenlijking van het kernnetwerk mogen aanvullende componenten op het uitgebreide netwerk omvatten indien die nodig zijn om de investering te optimaliseren en overeenkomstig de modaliteiten in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 19 van deze verordening;

ii)  acties met betrekking tot de verwezenlijking van grensoverschrijdende verbindingen van het uitgebreide netwerk overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013, zoals die acties die zijn opgenomen in deel III, sectie 2, van de bijlage bij deze verordening, acties waarnaar wordt verwezen in deel III, sectie 3, van de bijlage bij deze verordening, acties die verband houden met studies voor de ontwikkeling van het uitgebreide netwerk, en acties die verband houden met de zeehavens en binnenhavens op het uitgebreide netwerk, overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

ii bis)  acties met het oog op het herstel van ontbrekende spoorverbindingen op het TEN-T-netwerk in grensregio's die zijn verlaten of ontmanteld;

iii)  acties voor de verwezenlijking van delen van het uitgebreide netwerk in ultraperifere gebieden overeenkomstig hoofdstuk II van Verordening (EU) nr. 1315/2013, waaronder acties met betrekking tot stedelijke knooppunten, zeehavens, binnenhavens, overslagterminals voor weg- en spoorvervoer, verbindingen met luchthavens en multimodale logistieke platforms die deel uitmaken van het uitgebreide netwerk als gedefinieerd in bijlage II van Verordening (EU) nr. 1315/2013.

iv)  acties ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang om het trans-Europese netwerk te verbinden met de infrastructuurnetwerken van buurlanden als gedefinieerd in artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

b)  acties op het gebied van slimme, interoperabele, duurzame, multimodale, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit:

i)  acties ter ondersteuning van maritieme snelwegen in de zin van artikel 21 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 met nadruk op de grensoverschrijdende korte vaart over zee;

ii)  acties ter ondersteuning van telematicasystemen ▌voor de verschillende vervoerswijzen, overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr. 1315/2013, met name:

–  voor het spoorvervoer: het ERTMS;

–  met betrekking tot de binnenvaart: River Information Services (RIS);

–  voor het wegvervoer: intelligente vervoerssystemen;

–  voor de zeevaart: VTMIS en elektronische maritieme diensten, met inbegrip van maritieme diensten via één elektronisch platform zoals het geïntegreerde elektronisch platform voor maritieme diensten, havencommunicatiesystemen en relevante douane-informatiesystemen;

–  met betrekking tot de luchtvaart: luchtverkeersbeveiligingssystemen, in het bijzonder de systemen die uit Sesar voortkomen;

iii)  acties ter ondersteuning van duurzame goederenvervoerdiensten overeenkomstig artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en acties om de geluidsoverlast van spoorgoederenvervoer te verminderen;

iv)  acties ter ondersteuning van nieuwe technologieën en innovatie, met inbegrip van automatisering, geavanceerde vervoersdiensten, intermodale integratie, infrastructuur voor alternatieve brandstoffen voor alle vervoerswijzen, overeenkomstig artikel 33 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

v)  acties om interoperabiliteitsbelemmeringen weg te werken en met name acties die corridor-/ netwerkeffecten genereren, overeenkomstig artikel 3, onder o), van Verordening (EU) nr. 1315/2013, onder meer voor wat betreft de bevordering van het goederenvervoer over het spoor, bijvoorbeeld met automatische voorzieningen voor het overschakelen naar een andere spoorbreedte;

v bis)   acties om interoperabiliteitsbelemmeringen weg te werken, met name in stedelijke knooppunten als gedefinieerd in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

vi)  acties die bijdragen tot veilige en beveiligde infrastructuur en mobiliteit, waaronder verkeersveiligheid, overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

vii)  acties om de vervoersinfrastructuur weerbaarder te maken, in het bijzonder tegen de klimaatverandering en natuurrampen, alsook tegen cyberdreigingen;

viii)  acties om de vervoersinfrastructuur beter toegankelijk te maken voor alle vervoerswijzen en alle gebruikers, met name gebruikers met beperkte mobiliteit, overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1315/2013;

ix)  acties om de vervoersinfrastructuur toegankelijker en beschikbaarder te maken voor beveiligings- en civielebeschermingsdoeleinden, en acties om de vervoersinfrastructuur af te stemmen op de doelstellingen van de Unie inzake controles aan de buitengrenzen, met als doel de verkeersstromen te vergemakkelijken.

c)  In het kader van de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt ii), en in overeenstemming met artikel 11 bis: acties, of specifieke activiteiten die deel uitmaken van een actie, ter ondersteuning van nieuwe of bestaande delen van het trans-Europese vervoersnetwerk die geschikt zijn voor militair vervoer, teneinde deze aan te passen aan de eisen inzake infrastructuur voor tweeërlei gebruik.

3.  In de sector energie komen uitsluitend de volgende acties in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van de onderhavige verordening:

a)  acties ter ondersteuning van projecten van gemeenschappelijk belang als bedoeld in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 347/2013;

b)  acties ter ondersteuning van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, met inbegrip van innovatieve oplossingen en de opslag van hernieuwbare energie en met inbegrip van het ontwerp daarvan, als gedefinieerd in deel IV van de bijlage bij deze verordening, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 7 van deze verordening.

4.  In de digitale sector komen uitsluitend de volgende acties in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van de onderhavige verordening:

a)  acties ter ondersteuning van de uitrol van en toegang tot netwerken met zeer hoge capaciteit, waaronder 5G-systemen, die gigabitconnectiviteit leveren in gebieden waar sociaaleconomische actoren zijn gevestigd;

b)  acties ter ondersteuning van het gratis en onder niet-discriminerende voorwaarden aanbieden van hoogwaardige lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen;

c)  acties voor de uitrol van een ononderbroken dekking met 5G-systemen op alle belangrijke transportroutes, met inbegrip van het trans-Europese vervoersnetwerk;

d)  acties ter ondersteuning van de uitrol van nieuwe backbonenetwerken of de ingrijpende modernisering van bestaande backbonenetwerken, onder meer met onderzeese kabels binnen en tussen lidstaten en tussen de Unie en derde landen;

f)  acties met het oog op de uitrol van infrastructuur voor digitale connectiviteit in verband met grensoverschrijdende vervoers- of energieprojecten en/of ter ondersteuning van operationele digitale platforms die een direct verband hebben met vervoers- of energie-infrastructuur.

Een indicatieve lijst van subsidiabele projecten in de digitale sector is opgenomen in deel V van de bijlage.

Artikel 10Synergieën tussen de sectoren vervoer, energie en digitalisering

1.  Acties die tegelijkertijd bijdragen tot de verwezenlijking van één of meer doelstellingen van ten minste twee sectoren als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), b) en c), komen in aanmerking voor financiële EU-bijstand in het kader van deze verordening en voor de toepassing van een hoger medefinancieringspercentage overeenkomstig artikel 14. Die acties worden uitgevoerd op basis van ▌werkprogramma's die ten minste twee sectoren bestrijken, met specifieke selectiecriteria en gefinancierd met bijdragen uit de begroting van de betrokken sectoren.

2.  Acties in de sectoren vervoer, energie of digitalisering mogen overeenkomstig artikel 9 synergetische componenten omvatten die een verband hebben met een van de andere sectoren, maar die geen verband hebben met de subsidiabele acties overeenkomstig artikel 9, leden 2, 3 of 4, mits die componenten voldoen aan alle volgende vereisten:

a)  de kosten van die synergetische componenten bedragen niet meer dan 20 % van de totale subsidiabele kosten van de actie; en

b)  die synergetische componenten hebben betrekking op de sector vervoer, energie of digitalisering; en

c)  die synergetische componenten zorgen voor een aanzienlijke toename van de sociaaleconomische, klimaat- of milieuvoordelen van de actie.

Artikel 11

In aanmerking komende entiteiten

1.  Naast de in artikel [197] van het Financieel Reglement vermelde subsidiabiliteitscriteria zijn de in dit artikel vastgestelde criteria van toepassing.

2.  De volgende entiteiten komen in aanmerking:

a)  juridische entiteiten, met inbegrip van joint ventures, die zijn gevestigd in een lidstaat;

b)  juridische entiteiten die zijn gevestigd in een met het programma geassocieerd derde land of in landen en gebieden overzee;

c)  krachtens het EU-recht opgerichte juridische entiteiten en internationale organisaties, voor zover de werkprogramma's in die mogelijkheid voorzien.

3.  Natuurlijke personen komen niet in aanmerking.

4.  Juridische entiteiten die gevestigd zijn in een niet met het programma geassocieerd derde land komen bij wijze van uitzondering in aanmerking voor steun in het kader van het programma indien die steun onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van een bepaald project van gemeenschappelijk belang op het gebied van vervoer, energie of digitalisering of een grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie.

5.  ▌Alleen voorstellen die worden ingediend door een of meer lidstaten of, met instemming van de betrokken lidstaten, door internationale organisaties, gemeenschappelijke ondernemingen, dan wel publieke of private ondernemingen of organen, inclusief regionale of plaatselijke autoriteiten, komen in aanmerking voor subsidie. Als een lidstaat hier niet mee akkoord gaat, deelt hij dit mee.

Een lidstaat kan besluiten dat voorstellen voor een specifiek werkprogramma of voor specifieke toepassingscategorieën zonder zijn instemming kunnen worden ingediend. In dat geval wordt dit op verzoek van de betrokken lidstaat vermeld in het desbetreffende werkprogramma en in de oproep tot het indienen van voorstellen.

Artikel 11 bis

Specifieke criteria om in aanmerking te komen voor subsidies voor wat betreft acties die verband houden met de aanpassing van TEN-T-netwerken met het oog op duaal civiel-militair gebruik

1.  Acties die bijdragen tot de aanpassing van de kernnetwerken of uitgebreide netwerken zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 1315/2013, met als doel een duaal civiel-militair gebruik van de infrastructuur mogelijk te maken, moeten aan de volgende aanvullende vereisten voldoen om in aanmerking te komen voor subsidies:

a)  de relevante voorstellen worden ingediend door een of meer lidstaten of, met instemming van de betrokken lidstaten, door in de lidstaten gevestigde rechtspersonen;

b)  de acties houden verband met de delen of knooppunten die de lidstaten hebben geïdentificeerd in de bijlagen bij de Militaire behoeften voor militaire mobiliteit binnen en buiten de EU, zoals vastgesteld door de Raad op 20 november 2018(33), in eventuele later goedgekeurde lijsten, of in eventuele bijkomende indicatieve lijsten met prioritaire projecten die de lidstaten kunnen opstellen in overeenstemming met het actieplan voor militaire mobiliteit;

c)  de acties kunnen zowel verband houden met de modernisering van bestaande infrastructuuronderdelen als met de aanleg van nieuwe infrastructuuronderdelen, rekening houdend met de in lid 2 genoemde infrastructuurvereisten;

d)  acties voor de uitrol van een niveau van infrastructuurvereisten dat verder gaat dan wat voor infrastructuur voor tweeërlei gebruik vereist is, komen in aanmerking voor subsidie; de kosten ervan komen echter slechts in aanmerking voor zover ze betrekking hebben op de noodzakelijke behoeften voor tweeërlei gebruik. Acties die verband houden met infrastructuur die uitsluitend voor militaire doeleinden wordt gebruikt, komen niet in aanmerking;

e)  de in dit artikel beschreven acties worden enkel gefinancierd uit de bedragen als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a, punt iii).

2.  Indien nodig stelt de Commissie een uitvoeringshandeling vast waarin de infrastructuurvereisten worden gepreciseerd die van toepassing zijn op bepaalde categorieën van acties betreffende infrastructuur voor duaal gebruik, alsook de beoordelingsprocedure voor acties die verband houden met infrastructuur voor duaal civiel-militair gebruik.

Na de in artikel 21, lid 2, voorziene tussentijdse beoordeling van het programma kan de Commissie de begrotingsautoriteit voorstellen om niet-vastgelegde bedragen over te schrijven van artikel 4, lid 2, onder a), punt iii), naar artikel 4, lid 2, onder a), punt i).

HOOFDSTUK III

SUBSIDIES

Artikel 12

Subsidies

Subsidies in het kader van het programma worden toegekend en beheerd in overeenstemming met titel VIII van het Financieel Reglement.

Artikel 13

Selectiecriteria

1.  Transparante selectiecriteria worden vastgesteld in de werkprogramma's als bedoeld in artikel 19 en in de oproepen tot het indienen van voorstellen, rekening houdend met, voor zover van toepassing, uitsluitend de volgende elementen:

a)  economische, sociale en milieueffecten, waaronder de klimaatimpact (projectlevenscyclus, kosten en baten), en de deugdelijkheid, alomvattendheid en transparantie van de analyse;

b)  innovatie en digitalisering, veiligheid, interoperabiliteit en toegankelijkheid, onder meer voor personen met beperkte mobiliteit:

c)  grensoverschrijdende dimensie, netwerkintegratie en territoriale toegankelijkheid, ook voor ultraperifere regio's en eilanden;

c bis)  Europese toegevoegde waarde;

d)  synergieën tussen de sectoren vervoer, energie en digitalisering;

e)  de maturiteit van de actie binnen de ontwikkeling van het project;

e bis)  de deugdelijkheid van de voorgestelde onderhoudsstrategie voor het voltooide project;

f)  de deugdelijkheid van het voorgestelde uitvoeringsplan;

g)  de katalyserende werking van financiële EU-bijstand op de investering;

h)  de noodzaak om financiële belemmeringen weg te werken, bijvoorbeeld als gevolg van een gebrek aan rendabiliteit, hoge aanloopkosten of het gebrek aan marktfinanciering;

h bis)  het potentieel van tweeërlei gebruik in de context van militaire mobiliteit;

i)  samenhang met de beleidsplannen en langetermijnstrategieën van de Unie en de lidstaten op het gebied van energie en klimaat, en coherentie met het beginsel 'energie-efficiëntie eerst'.

2.  Bij de toetsing van de voorstellen aan de selectiecriteria wordt, voor zover relevant, rekening gehouden met de weerbaarheid ten aanzien van de negatieve gevolgen van klimaatverandering door middel van een analyse van de klimaatkwetsbaarheid en een risicobeoordeling, met inbegrip van de relevante aanpassingsmaatregelen.

3.  Bij de toetsing van voorstellen aan de selectiecriteria wordt, voor zover relevant en overeenkomstig de specificaties in het werkprogramma, gewaarborgd dat door het programma ondersteunde acties die technologie voor plaatsbepaling, navigatie en tijdsbepaling (PNT) omvatten, technisch compatibel zijn met EGNOS/Galileo en Copernicus.

4.  In de vervoerssector wordt er bij de toetsing van de voorstellen aan de selectiecriteria als bedoeld in lid 1, indien van toepassing, op toegezien dat de voorgestelde acties in overeenstemming zijn met de werkplannen van de corridors en de uitvoeringshandelingen overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013 en rekening houden met het raadgevend advies van de bevoegde Europese coördinator op grond van artikel 45, lid 8. Daarnaast wordt beoordeeld of de uitvoering van door de CEF gefinancierde acties het risico met zich meebrengt dat de goederen- of passagiersstromen op het door het project beïnvloede traject worden onderbroken en of er maatregelen zijn genomen om dit risico te beperken.

5.  Voor acties met betrekking tot grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie, wordt in de selectiecriteria als gedefinieerd in de werkprogramma's en de oproepen tot het indienen van voorstellen rekening gehouden met de voorwaarden van artikel 7, lid 4.

6.  Voor acties met betrekking tot projecten van gemeenschappelijk belang voor digitale connectiviteit, wordt in de selectiecriteria als gedefinieerd in de werkprogramma's en de oproepen tot het indienen van voorstellen rekening gehouden met de voorwaarden van artikel 8, lid 3.

Artikel 14

Medefinancieringspercentages

1.  Voor studies bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten. Voor studies die worden gefinancierd met de bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen, gelden de maximale medefinancieringspercentages van het Cohesiefonds als vermeld in lid 2, onder b).

2.  Voor werkzaamheden in de vervoerssector gelden de volgende maximale medefinancieringspercentages:

a)  voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt i), bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 30 % van de totale subsidiabele kosten. Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 50 % voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen overeenkomstig de in dit lid, onder c), gespecificeerde voorwaarden, voor acties ter ondersteuning van telematicasystemen, voor acties ter ondersteuning van de binnenwaterwegen, voor acties ter ondersteuning van spoorweginteroperabiliteit, voor acties ter ondersteuning van nieuwe technologieën en innovatie, voor acties om infrastructuur veiliger te maken en voor acties om de vervoersinfrastructuur af te stemmen op de doelstellingen van de Unie inzake controles aan de buitengrenzen, overeenkomstig de relevante EU-wetgeving en voor acties in ultraperifere regio's. Voor acties in ultraperifere regio's bedragen de medefinancieringspercentages maximaal 70 %;

a bis)  voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a), punt ii), bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten. Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximaal 85 % indien de nodige middelen naar het programma worden overgedragen overeenkomstig artikel 9, lid 4;

b)  voor bedragen die uit het Cohesiefonds zijn overgedragen, gelden de maximale medefinancieringspercentages van het Cohesiefonds als bedoeld in Verordening (EU) XXX [CPR]. Deze medefinancieringspercentages kunnen worden verhoogd tot maximaal 85 % voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen overeenkomstig de in dit lid, onder c), gespecificeerde voorwaarden, en voor acties in verband met ontbrekende schakels;

c)  voor acties in verband met grensoverschrijdende verbindingen, mogen de hogere maximale medefinancieringspercentages als bedoeld onder a) en b) alleen worden toegepast voor acties waarbij er sprake is van een verregaande integratie bij de planning en uitvoering van de actie voor de toepassing van het selectiecriterium als bedoeld in artikel 13, lid 1, onder c), bijvoorbeeld door de oprichting van een enige projectonderneming, een gezamenlijke beheerstructuur, een bilateraal juridisch kader of een uitvoeringshandeling uit hoofde van artikel 47 van Verordening (EU) nr. 1315/2013. Daarnaast kan het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op projecten die worden uitgevoerd door een geïntegreerde beheerstructuur, zoals een joint venture, overeenkomstig artikel 11, lid 2, onder a), met 5 % worden verhoogd.

3.  Voor werkzaamheden in de energiesector gelden de volgende maximale cofinancieringspercentages:

a)  voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder b), bedraagt de financiële bijstand van de Unie ten hoogste 50 % van de totale subsidiabele kosten. Voor werkzaamheden in ultraperifere regio's bedragen de medefinancieringspercentages maximaal 70 %.

b)  Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 75 % voor acties die bijdragen tot de ontwikkeling van projecten van gemeenschappelijk belang die, op basis van de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 347/2013 vermelde bewijzen, zorgen voor een hoge mate van regionale of EU-brede voorzieningszekerheid, die de solidariteit in de Unie versterken of die bijzonder innoverende oplossingen omvatten.

4.  Voor werkzaamheden in de digitale sector gelden de volgende maximale cofinancieringspercentages: voor werkzaamheden in verband met de specifieke doelstellingen als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder c), bedraagt de financiële bijstand van de Unie maximum 30 % van de totale subsidiabele kosten. Voor werkzaamheden in ultraperifere regio's bedragen de medefinancieringspercentages maximaal 70 %. Het medefinancieringspercentage kan worden verhoogd tot maximum 50 % voor acties met een sterke grensoverschrijdende dimensie, zoals ononderbroken dekking met 5G-systemen van belangrijke transportroutes of de ontwikkeling van backbonenetwerken tussen lidstaten en tussen de Unie en derde landen, en tot maximum 75 % voor acties voor de uitrol van gigabitconnectiviteit bij sociaaleconomische actoren. Voor acties met het oog op het verstrekken van lokale draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen, die worden uitgevoerd met lage subsidies, kan de financiële Unie-bijstand tot 100 % van de subsidiabele kosten bedragen, onverminderd het medefinancieringsbeginsel.

5.  Het maximale medefinancieringspercentage voor acties als bedoeld in artikel 10, lid 1, is het hoogste maximale medefinancieringspercentage van de betrokken sectoren. Daarnaast kan het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op deze acties met 10 % worden verhoogd;

Artikel 15

Subsidiabele kosten

Naast de in artikel [186] van het Financieel Reglement vermelde criteria zijn de volgende criteria voor subsidiabiliteit van kosten van toepassing:

a)  alleen uitgaven in de lidstaten worden in aanmerking genomen, tenzij het project van gemeenschappelijk belang of het grensoverschrijdende project op het gebied van hernieuwbare energie ook betrekking heeft op het grondgebied van derde landen als bedoeld in artikel 5 of artikel 11, lid 4, van deze verordening of op internationale wateren, en de actie onontbeerlijk is om de doelstellingen van het desbetreffende project te verwezenlijken;

b)   de kosten van apparatuur, voorzieningen en infrastructuur die door de begunstigde als kapitaaluitgaven worden behandeld, kunnen volledig in aanmerking worden genomen;

c)  uitgaven voor de aankoop van gronden komen niet in aanmerking, tenzij het fondsen betreft die uit het Cohesiefonds naar de vervoerssector zijn overgedragen overeenkomstig artikel 58 van Verordening (EU) XXX houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds Plus, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en financiële regels hiervoor en voor het Fonds voor asiel, migratie en integratie, het Fonds voor interne veiligheid en het instrument voor grensbeheer en visa;

d)  subsidiabele kosten omvatten geen belasting over de toegevoegde waarde ("btw").

Artikel 16

Combinatie van subsidies met andere financieringsbronnen

1.  Subsidies kunnen worden gebruikt in combinatie met financiering van de Europese Investeringsbank, nationale stimuleringsbanken of andere ontwikkelingsbanken en openbare financiële instellingen alsmede van particuliere financiële instellingen en investeerders uit de particuliere sector, ook via publiek-private partnerschappen.

2.  De subsidies als bedoeld in lid 1 mogen ten uitvoer worden gelegd middels specifieke oproepen tot het indienen van voorstellen.

Artikel 17

Verlaging of beëindiging van subsidie

1.  Behalve op de in [artikel 131, lid 4,] van het Financieel Reglement genoemde gronden kan het subsidiebedrag, behalve in naar behoren gemotiveerde gevallen, worden verlaagd op de volgende gronden:

a)  de actie is niet van start gegaan binnen één jaar voor studies, of twee jaar voor werkzaamheden, na de in de subsidieovereenkomst vermelde begindatum;

b)  na evaluatie van de vooruitgang van de actie is gebleken dat de uitvoering van de actie zoveel vertraging heeft opgelopen dat de doelstellingen van de actie waarschijnlijk niet zullen worden verwezenlijkt;

2.  De subsidieovereenkomst kan worden gewijzigd of beëindigd op de in lid 1 genoemde gronden.

3.  Voordat een beslissing over de verlaging of intrekking van een subsidie wordt genomen, wordt de zaak uitvoerig onderzocht en krijgen de betrokken begunstigden de mogelijkheid hun opmerkingen binnen een redelijke termijn kenbaar te maken.

3 bis.  Beschikbare vastleggingskredieten die resulteren uit de toepassing van lid 1 of lid 2, worden verdeeld over andere werkprogramma's die onder de desbetreffende begroting, als omschreven in artikel 4, lid 2, worden voorgesteld.

Artikel 18

Cumulatieve, aanvullende en gecombineerde financiering

1.  Aan een actie waaraan in het kader van het programma een bijdrage is toegekend, kan ook een bijdrage worden toegekend uit een ander programma van de Unie, met inbegrip van fondsen in gedeeld beheer, op voorwaarde dat de bijdragen niet dezelfde kosten dekken. Bij de uitvoering worden de bepalingen van artikel 62 van het Financieel Reglement in acht genomen. De gecumuleerde steun mag niet meer dan de totale subsidiabele kosten van de actie bedragen en de steun uit de verschillende EU-programma's kan op pro-ratabasis worden berekend overeenkomstig het document waarin de steunvoorwaarden zijn vastgesteld.

2.  Voor acties die voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

a)  de acties zijn beoordeeld na een oproep tot het indienen van voorstellen in het kader van het programma;

b)  de acties voldoen aan de minimale kwaliteitseisen van de oproep tot het indienen van voorstellen;

c)  de acties kunnen vanwege budgettaire beperkingen niet worden gefinancierd in het kader van die oproep tot het indienen van voorstellen;

kan steun worden verleend via het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling of het Cohesiefonds overeenkomstig [artikel 67, lid 5,] van Verordening (EU) nr. XXX [de gemeenschappelijke verordening], zonder verdere beoordeling en voor zover de acties sporen met de doelstellingen van het desbetreffende programma. De regels van het Fonds dat steun verleent, zijn van toepassing.

HOOFDSTUK IV

PROGRAMMERING, TOEZICHT, EVALUATIE EN CONTROLE

Artikel 19

Werkprogramma's

1.  Het programma wordt uitgevoerd door middel van werkprogramma's als bedoeld in artikel 110 van het Financieel Reglement. ▌

1 bis.  Om voor transparantie en voorspelbaarheid te zorgen en de kwaliteit van de projecten te verbeteren, moet de Commissie tegen 31 december 2020 de eerste meerjarige werkprogramma's goedkeuren. Deze programma's moeten het tijdschema voor de oproepen tot het indienen van voorstellen voor de eerste drie jaar van elk programma omvatten, evenals de onderwerpen, het indicatieve budget en een toekomstig kaderprogramma voor de volledige programmeringsperiode.

2.  De werkprogramma's worden door de Commissie vastgesteld door middel van een uitvoeringshandeling. Die uitvoeringsbesluiten worden vastgesteld in overeenstemming met de in artikel 22 van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

3.  In de energiesector moet bijzondere aandacht worden besteed aan projecten van gemeenschappelijk belang en gerelateerde acties die gericht zijn op de verdere integratie van de interne markt voor energie, het doorbreken van het isolement op energiegebied, en het wegwerken van knelpunten inzake elektriciteitsinterconnectie, waarbij de nadruk moet liggen op projecten die bijdragen aan de verwezenlijking van de interconnectiedoelstelling van ten minste 10 % tegen 2020 en 15 % tegen 2030, en op projecten die bijdragen aan de synchronisatie van elektriciteitssystemen en EU-netwerken.

3 bis.  In overeenstemming met artikel 200, lid 2, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 kan de bevoegde ordonnateur waar aangewezen een selectieprocedure in twee fasen organiseren, die als volgt verloopt:

a)  de aanvragers dienen een vereenvoudigd dossier in met relatief beknopte informatie, zodat er op basis van een beperkt aantal criteria een voorselectie van de projecten kan worden gemaakt;

b)  de aanvragers die in de eerste stap zijn geselecteerd, dienen na afronding van de eerste fase een volledig dossier in.

Artikel 19 bis

Toekenning van financiële bijstand van de Unie

1.  Na iedere oproep tot het indienen van voorstellen op basis van het in artikel 19 bedoelde werkprogramma, legt de Commissie volgens de in artikel 22 bedoelde onderzoeksprocedure in een uitvoeringshandeling vast hoeveel financiële bijstand er wordt toegekend aan de geselecteerde projecten of projectonderdelen daarvan. De Commissie bepaalt onder welke voorwaarden en volgens welke methoden de projecten of projectonderdelen worden uitgevoerd.

2.  Tijdens de uitvoering van de subsidieovereenkomsten stelt de Commissie de begunstigden en de betrokken lidstaten in kennis van eventuele wijzigingen in de subsidiebedragen en de uiteindelijk betaalde bedragen.

3.  De begunstigden dienen zonder voorafgaande toestemming van de lidstaten verslagen in, zoals overeengekomen in de respectieve subsidieovereenkomsten. De Commissie biedt de lidstaten toegang tot de verslagen over acties die op hun grondgebied plaatsvinden.

Artikel 20

Monitoring en verslaglegging

1.  Indicatoren om verslag uit te brengen over de door het programma geboekte vooruitgang bij het verwezenlijken van de in artikel 3 vermelde algemene en specifieke doelstellingen zijn vastgesteld in deel 1 van de bijlage.

2.  Om te zorgen voor een effectieve evaluatie van de voortgang van het programma in de richting van de verwezenlijking van zijn doelstellingen, wordt de Commissie overeenkomstig artikel 24 gemachtigd deel I van de bijlage te wijzigen teneinde de indicatoren waar nodig te herzien en aan te vullen en deze verordening aan te vullen met bepalingen inzake de vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader.

3.  Het prestatieverslagleggingssysteem waarborgt dat de gegevens voor het monitoren van de uitvoering en de resultaten van het programma geschikt zijn voor een grondige analyse van de geboekte vooruitgang, onder meer voor wat klimaatmonitoring betreft, en dat zij op efficiënte en doeltreffende wijze en tijdig worden verzameld. Daartoe worden evenredige verslagleggingsvereisten opgelegd aan de ontvangers van middelen van de Unie en, indien relevant, de lidstaten.

3 bis.  De Commissie verbetert de speciale internetsite zodat er in real time een kaart wordt gepubliceerd met de projecten in uitvoering, samen met relevante gegevens (effectbeoordelingen, waarde, begunstigde, uitvoeringsorgaan, stand van zaken), en legt om de twee jaar een voortgangsverslag voor. In deze voortgangsverslagen wordt melding gemaakt van de uitvoering van het programma, aan de hand van de in artikel 3 vastgelegde algemene en sectorale doelstellingen, en wordt verduidelijkt of de verschillende sectoren op schema liggen, of de totale begrotingsvastlegging in overeenstemming is met het totale toegewezen bedrag, of de lopende projecten in voldoende mate volbracht zijn en of ze nog steeds haalbaar zijn en eenvoudig kunnen worden geleverd.

Artikel 21

Evaluatie

1.  Evaluaties worden tijdig uitgevoerd zodat zij in de besluitvorming kunnen worden meegenomen.

2.  De tussentijdse evaluatie van het programma wordt uitgevoerd zodra voldoende informatie over de uitvoering van het programma beschikbaar is, doch uiterlijk vier jaar nadat met de uitvoering van het programma is begonnen.

3.  Aan het einde van de uitvoering van het programma, doch uiterlijk vier jaar na afloop van de in artikel 1 genoemde periode, voert de Commissie een eindevaluatie van het programma uit.

4.  De Commissie deelt de conclusies van de evaluaties tezamen met haar opmerkingen mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's.

Artikel 22

Comitéprocedure

1.  De Commissie wordt bijgestaan door het Coördinatiecomité van de CEF, dat in diverse formaties kan bijeenkomen, afhankelijk van het desbetreffende thema. Het Comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.  Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 23

Gedelegeerde handelingen

1.   De Commissie wordt gemachtigd om overeenkomstig artikel 24 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)  ▌tot vaststelling van een monitoring- en evaluatiekader op basis van de indicatoren die zijn opgenomen in deel I van de bijlage;

d)   tot aanvulling van deel IV van de bijlage betreffende de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie; tot opstelling en actualisering van de lijst van de geselecteerde grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie.

2.  Met inachtneming van de tweede alinea van artikel 172 VWEU wordt de Commissie gemachtigd om overeenkomstig artikel 24 van deze verordening gedelegeerde handelingen vast te stellen:

a)  tot wijziging van deel III van de bijlage betreffende de afbakening van de kernnetwerkcorridors en vooraf geïdentificeerde segmenten van het uitgebreide netwerk;

b)  tot wijziging van deel V van de bijlage betreffende de selectie van de projecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van digitale connectiviteit.

Artikel 24

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.  De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.  De in artikel 23 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend tot en met 31 december 2028.

3.  Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 23 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het besluit laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.  Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

5.  Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.  Een overeenkomstig artikel 23 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van die handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad vóór het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 25

Informatie, communicatie en publiciteit

1.  Ontvangers van financiering van de Unie erkennen de oorsprong van en geven zichtbaarheid aan de financiering van de Unie (met name wanneer zij de acties en de resultaten ervan promoten) door meerdere doelgroepen, waaronder de media en het grote publiek, doelgericht en op samenhangende, doeltreffende en evenredige wijze te informeren.

2.  De Commissie voert informatie- en communicatieacties uit met betrekking tot het programma alsmede de acties en de resultaten ervan. De aan het programma toegewezen financiële middelen dragen tevens bij aan de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie, voor zover zij verband houden met de in artikel 3 bedoelde doelstellingen.

2 bis.  Conform de toepasselijke communautaire en nationale wetgeving moet er voor transparantie worden gezorgd en moet ervoor worden gezorgd dat de bevolking wordt geraadpleegd.

Artikel 26

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

Wanneer een derde land aan het programma deelneemt op grond van een besluit in het kader van een internationale overeenkomst of op grond van enig ander rechtsinstrument, verleent het derde land de nodige rechten en toegang aan de verantwoordelijke ordonnateur, het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de Europese Rekenkamer, zodat deze hun respectieve bevoegdheden ten volle kunnen uitoefenen. In het geval van OLAF omvatten deze rechten het recht om onderzoeken, waaronder controles en verificaties ter plaatse, uit te voeren, overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF).

HOOFDSTUK VI

OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 27

Intrekkings- en overgangsbepalingen

1.  Verordeningen (EU) nr. 1316/2013 en (EU) nr. 283/2014 worden ingetrokken.

2.  Onverminderd lid 1, doet deze verordening geen afbreuk aan de voortzetting of de wijziging van de betrokken acties tot de afsluiting ervan op grond van Verordening (EU) nr. 1316/2013, die op de betrokken acties van toepassing blijft totdat zij worden afgesloten.

De Commissie beoordeelt de doeltreffendheid en beleidscoherentie van Verordening (EU) nr. 347/2013, en dient tegen 31 december 2020 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met het resultaat van deze beoordeling. Bij haar beoordeling houdt de Commissie onder meer rekening met de energie- en klimaatdoelstellingen van de Unie voor 2030, de langetermijnverbintenissen van de EU op het gebied van decarbonisatie, en het beginsel van voorrang voor energie-efficiëntie. Het beoordelingsverslag gaat eventueel vergezeld van een wetgevingsvoorstel ter wijziging van die verordening.

3.  De financiële middelen voor het programma kunnen eveneens de uitgaven dekken voor noodzakelijke technische en administratieve bijstand om de overgang te waarborgen tussen dit programma en de maatregelen die zijn vastgesteld op grond van het vorige programma, de bij Verordening (EU) nr. 1316/2013 vastgestelde Financieringsfaciliteit voor Europese verbindingen.

4.  Zo nodig kunnen ook na 2027 kredieten in de begroting worden opgenomen ter dekking van de in artikel 4, lid 5, van deze verordening bedoelde uitgaven voor het beheer van acties die op 31 december 2027 nog niet zijn voltooid.

Artikel 28

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

BIJLAGE

DEEL I — INDICATOREN

Op het programma wordt nauwlettend toezicht uitgeoefend aan de hand van een reeks indicatoren om te meten in hoeverre de algemene en specifieke doelstellingen van het programma zijn verwezenlijkt, mede met het oog op het beperken van de administratieve lasten en de kosten. Daartoe zullen gegevens worden verzameld met betrekking tot onderstaande indicatoren.

Sectoren

Specifieke doelstellingen

Indicatoren

Vervoer

Efficiënte, onderling verbonden en multimodale netwerken en infrastructuur voor slimme, interoperabele, duurzame, inclusieve, toegankelijke, veilige en beveiligde mobiliteit

Het aantal grensoverschrijdende verbindingen en missing links die met CEF-steun zijn aangepakt (met inbegrip van stedelijke knooppunten, regionale grensoverschrijdende spoorwegverbindingen, multimodale platforms, zeehavens, binnenhavens, verbindingen met luchthavens en terminals voor overslag tussen weg- en spoorvervoer op het TEN-T-kernnetwerk en het uitgebreide netwerk)

Aantal door de CEF ondersteunde acties die bijdragen tot de digitalisering van het vervoer, met name door de uitrol van ERTMS, RIS, ITS, VTMIS/elektronische maritieme diensten en SESAR

Het aantal bevoorradingspunten voor alternatieve brandstoffen die met CEF-steun zijn gecreëerd of gemoderniseerd

Aantal door de CEF ondersteunde acties die de veiligheid van vervoer verbeteren.

Aantal CEF-acties om het vervoer beter toegankelijk te maken voor personen met beperkte mobiliteit

Aantal door de CEF ondersteunde acties om de geluidsoverlast van spoorgoederenvervoer te verminderen

Aanpassing van transportinfrastructuur voor duaal civiel-militair gebruik

Aantal infrastructuurcomponenten die zijn aangepast aan de vereisten voor duaal civiel-militair gebruik

Energie

Bijdrage aan de interconnectiviteit en integratie van markten

Het aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten om lidstaten met elkaar te verbinden en interne knelpunten weg te werken

Voorzieningszekerheid

Aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten om de veerkracht van het gasnetwerk te waarborgen

Het aantal CEF-acties op het gebied van slimmere netwerken, de digitalisering van netwerken en een toename van de energieopslagcapaciteit

Duurzame ontwikkeling dankzij projecten die de decarbonisatie mogelijk maken

Het aantal CEF-acties die deel uitmaken van projecten die een toename van het aandeel van hernieuwbare energie in de energiesystemen mogelijk maken.

Aantal CEF-acties in het kader van grensoverschrijdende samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie

Digitalisering

Bijdrage tot de ontwikkeling van infrastructuur voor digitale connectiviteit in de hele Europese Unie

Nieuwe aansluitingen op netwerken met een zeer hoge capaciteit voor sociaaleconomische actoren en hoogwaardig aansluitingen voor lokale gemeenschappen

Aantal CEF-acties voor 5G-connectiviteit op belangrijke transportroutes

Aantal CEF-acties voor nieuwe aansluitingen op netwerken met een zeer hoge capaciteit

Aantal CEF-acties die bijdragen tot de digitalisering van vervoer en energie

DEEL II: INDICATIEVE PERCENTAGES VOOR DE SECTOR VERVOER

De budgettaire middelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a), punt i), worden als volgt verdeeld:

60 % voor de in artikel 9, lid 2, onder a), genoemde acties: "acties in verband met efficiënte, onderling verbonden en multimodale netwerken";

40 % voor de in artikel 9, lid 2, onder b), genoemde acties: "acties in verband met slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit".

De budgettaire middelen als bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a), punt ii), worden als volgt verdeeld:

85 % voor de in artikel 9, lid 2, onder a), genoemde acties: "acties in verband met efficiënte, onderling verbonden en multimodale netwerken";

15 % voor de in artikel 9, lid 2, onder b), genoemde acties: "acties in verband met slimme, duurzame, inclusieve, veilige en beveiligde mobiliteit".

Voor de in artikel 9, lid 2, onder a), genoemde acties worden 85 % van de begrotingsmiddelen toegewezen aan acties op het kernnetwerk en 15 % aan acties op het uitgebreide netwerk.

DEEL III: KERNNETWERKCORRIDORS EN GRENSOVERSCHRIJDENDE VERBINDINGEN OP HET UITGEBREIDE NETWERK

1.  Kernnetwerkcorridors en indicatieve lijst met vooraf geselecteerde grensoverschrijdende verbindingen en ontbrekende schakels

"Atlantische" kernnetwerkcorridor

Verloop

Gijón – León – Valladolid

A Coruña – Vigo – Orense – León

Zaragoza – Pamplona/Logroño – Bilbao

Tenerife/Gran Canaria – Huelva/Sanlúcar de Barrameda – Sevilla – Córdoba

Algeciras – Bobadilla – Madrid

Sines/Lissabon – Madrid – Valladolid

Lissabon – Aveiro – Leixões/Porto – Dourorivier

Shannon Foynes/Dublin/Cork – Le Havre – Rouen – Parijs

Aveiro – Valladolid – Vitoria-Gasteiz – Bergara – Bilbao/Bordeaux – Toulouse/Tours – Parijs – Metz – Mannheim/Straatsburg

Shannon Foynes/Dublin/Cork – Saint Nazaire – Nantes – Tours – Dijon

Grensoverschrijdende verbindingen

Evora – Merida

Spoor

Vitoria-Gasteiz – San Sebastian – Bayonne – Bordeaux

Aveiro – Salamanca

Dourorivier (Via Navegável do Douro)

Binnenwateren

Ontbrekende schakels

Interoperabele lijnen op het Iberisch schiereiland, niet op UIC-breedte

Spoor

Kernnetwerkcorridor "Oostzee – Adriatische Zee"

Verloop

Gdynia – Gdańsk – Katowice/Sławków

Gdańsk – Warschau – Katowice/Kraków

Katowice – Ostrava – Brno – Wenen

Szczecin/Świnoujście – Poznań – Wrocław – Ostrava

Katowice – Bielsko-Biała – Žilina – Bratislava – Wenen

Wenen – Graz– Villach – Udine – Trieste

Udine – Venetië – Padova – Bologna – Ravenna – Ancona

Graz – Maribor – Ljubljana – Koper/Trieste

Grensoverschrijdende

verbindingen

Katowice/Opole – Ostrava – Brno

Katowice – Žilina

Bratislava – Wenen

Graz – Maribor

Venetië – Trieste – Divača – Ljubljana

Spoor

Katowice – Žilina

Brno – Wenen

Weg

Missing links

Gloggnitz – Mürzzuschlag: Semmeringbasistunnel

Graz – Klagenfurt: Koralmspoorlijn en tunnel

Koper – Divača

Spoor

"Mediterrane" kernnetwerkcorridor

Verloop

Algeciras – Bobadilla – Madrid – Zaragoza – Tarragona

Madrid – Valencia – Sagunto – Teruel – Zaragoza

Sevilla – Bobadilla – Murcia

Cartagena – Murcia – Valencia – Tarragona/Palma de Mallorca – Barcelona

Tarragona – Barcelona – Perpignan – Narbonne – Toulouse/Marseille – Genève/Lyon – La Spezia/Turijn – Novara – Milaan – Bologna/Verona – Padova – Venetië – Ravenna/Trieste/Koper – Ljubljana – Boedapest

Ljubljana/Rijeka – Zagreb – Boedapest – Oekraïense grens

Grensoverschrijdende verbindingen

Barcelona – Perpignan

Spoor

Lyon – Turijn: basistunnel en toegangswegen

Nice – Ventimiglia

Venetië – Trieste – Divača – Ljubljana

Ljubljana – Zagreb

Zagreb – Boedapest

Boedapest – Miskolc – Oekraïense grens

Lendava — Letenye

Weg

Vásárosnamény – Oekraïense grens

Missing links

Almería – Murcia

Spoor

Interoperabele lijnen op het Iberisch schiereiland, niet op UIC-breedte

Perpignan – Montpellier

Koper – Divača

Rijeka – Zagreb

Milaan – Cremona – Mantova – Porto Levante/Venetië – Ravenna/Trieste

Binnenwateren

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Oostzee"

Verloop

Luleå – Helsinki – Tallinn – Riga

Ventspils – Riga

Riga – Kaunas

Klaipeda – Kaunas – Vilnius

Kaunas – Warschau

Belarussische grens – Warschau – Łódź/Poznań – Frankfurt/Oder – Berlijn – Hamburg – Kiel

Łódź – Katowice/Wrocław

Oekraïense grens – Rzeszów – Katowice – Wrocław – Falkenberg – Magdeburg

Szczecin/Świnoujście – Berlijn – Magdeburg – Braunschweig – Hannover

Hannover – Bremen – Bremerhaven/Wilhelmshaven

Hannover – Osnabrück – Hengelo – Almelo – Deventer – Utrecht

Utrecht – Amsterdam

Utrecht – Rotterdam – Antwerpen

Hannover/Osnabrück – Keulen – Antwerpen

Grensoverschrijdende verbindingen

Tallinn – Riga – Kaunas – Warschau Rail Baltica: nieuwe volledig interoperabele spoorlijn op UIC-breedte

Spoor

Świnoujście/Szczecin – Berlijn

Spoor/binnenwateren

De "Via Baltica" corridor EE-LV-LT-PL

Weg

Missing links

Kaunas – Vilnius: deel van de nieuwe volledig interoperabele spoorlijn op UIC-breedte

Spoor

Warschau/Idzikowice — Poznań/Wrocław, inclusief verbindingen met de geplande Central Transport Hub

Kielkanaal

Binnenwateren

Berlijn — Magdeburg — Hannover; Mittellandkanaal; Westelijke Duitse kanalen

Rijn, Waal

Noordzeekanaal, IJssel, Twentekanaal

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Middellandse Zee"

Verloop

Grens van het Verenigd Koninkrijk – Belfast – Dublin – Shannon Foynes/Cork

Shannon Foynes/Dublin/Cork – Le Havre/Calais/

Duinkerke/Zeebrugge/Terneuzen/Gent/

Antwerpen/Rotterdam/Amsterdam

Grens van het Verenigd Koninkrijk – Rijsel – Brussel

Amsterdam – Rotterdam – Antwerpen – Brussel – Luxemburg

Luxemburg – Metz – Dijon – Macon – Lyon – Marseille

Luxemburg – Metz – Straatsburg – Bazel

Antwerpen/Zeebrugge – Gent – Calais/Duinkerke/Rijsel – Parijs – Rouen – Le Havre

Grensoverschrijdende verbindingen

Brussel – Luxemburg – Straatsburg

Spoor

Terneuzen – Gent

Binnenwateren

Seine-Scheldenetwerk en de daarmee verbonden stroomgebieden van de Seine, Schelde en Maas

Rijn-Scheldecorridor

Missing links

Albertkanaal en Kanaal Bocholt-Herentals

Binnenwateren

Kernnetwerkcorridor "Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee"

Verloop

Hamburg – Berlijn

Rostock – Berlijn – Dresden

Bremerhaven/Wilhelmshaven – Magdeburg – Dresden

Dresden – Ústí nad Labem – Melnik/Praag – Lysá nad Labem/Poříčany – Kolin

Kolin – Pardubice – Brno – Wenen/Bratislava – Boedapest – Arad – Timișoara – Craiova – Calafat – Vidin – Sofia

Sofia – grens met Servië/grens met Noord-Macedonië

Sofia – Plovdiv – Burgas/Turkse grens

▌Turkse grens – Alexandropouli – Kavala – Thessaloniki – Ioannina – Kakavia/Igoumenitsa

grens met Noord-Macedonië – Thessaloniki

Sofia – Thessaloniki – Athene – Piraeus/Ikonio – Heraklion – Lemesos (Vasiliko) – Lefkosia/Larnaka

Athene – Patras/Igoumenitsa

Grensoverschrijdende verbindingen

Dresden – Praag/Kolín

Spoor

Wenen/Bratislava – Boedapest

Békéscsaba – Arad Timişoara

Craiova Calafat – Vidin – Sofia – Thessaloniki

Sofia – grens met Servië/grens met Noord-Macedonië

Turkse grens – Alexandropouli

grens met Noord-Macedonië – Thessaloniki

Ioannina – Kakavia (Grieks-Albanese grens)

Weg

Drobeta Turnu Severin/Craiova – Vidin – Montana

Sofia – grens met Servië

Hamburg – Dresden – Praag – Pardubice

Binnenwateren

 

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Alpen"

Verloop

Genua – Milaan – Lugano – Bazel

Genua – Novara – Brig – Bern – Bazel – Karlsruhe – Mannheim – Mainz – Koblenz – Keulen

Keulen – Düsseldorf – Duisburg – Nijmegen/Arnhem – Utrecht – Amsterdam

Nijmegen – Rotterdam – Vlissingen

Keulen – Luik – Brussel – Gent

Luik – Antwerpen – Gent – Zeebrugge

Grensoverschrijdende verbindingen

Zevenaar – Emmerich – Oberhausen

Spoor

Karlsruhe – Bazel

Milaan/Novara – Zwitserse grens

Bazel – Antwerpen/Rotterdam – Amsterdam

Binnenwateren

Missing links

Genua – Tortona/Novi Ligure

Spoor

 

Zeebrugge – Gent

 

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Donau"

Verloop

<Straatsburg – Stuttgart – München – Wels/Linz

Straatsburg – Mannheim – Frankfurt – Würzburg – Nürnberg – Regensburg – Passau – Wels/Linz

München/Nürnberg – Praag – Ostrava/Přerov – Žilina – Košice – Oekraïense grens

Wels/Linz – Wenen – Bratislava – Boedapest – Vukovar

Wenen/Bratislava – Boedapest – Arad – Moravita/Brašov/Craiova – Boekarest – Giurgiu/Constanța – Sulina

Grensoverschrijdende verbindingen

München – Praag

Spoor

Nürnberg – Plzen

München – Mühldorf – Freilassing – Salzburg

Straatsburg – Kehl Appenweier

Hranice – Žilina

Košice – Oekraïense grens

Wenen – Bratislava/Boedapest

Bratislava – Boedapest

Békéscsaba – Arad – Timişoara – grens met Servië

Boekarest – Giurgiu - Rousse

Donau (Kehlheim – Constanța/Midia/Sulina) en de stroomgebieden van de Váh, de Sava en de Tisza

Binnenwateren

Zlín – Žilina

Weg

 

Timişoara – grens met Servië

Weg

Missing links

Stuttgart – Ulm

Spoor

Salzburg – Linz

▌Craiova – Boekarest

Arad – Sighişoara – Brasov - Predeal

Mediterrane kernnetwerkcorridor "Scandinavië – Middellandse Zee"

Verloop

Russische grens – Hamina/Kotka – Helsinki – Turku/Naantali – Stockholm – Örebro(Hallsberg)/Linköping – Malmö

Narvik/Oulu – Luleå – Umeå – Stockholm/Örebro(Hallsberg)

Oslo – Göteborg – Malmö – Trelleborg

Malmö – Kopenhagen – Fredericia – Aarhus – Aalborg – Hirtshals/Frederikshavn

Kopenhagen – Kolding/Lübeck – Hamburg – Hannover

Bremerhaven – Bremen – Hannover – Nürnberg

Rostock – Berlijn – Halle/Leipzig – Erfurt – München

Nürnberg – München – Innsbruck – Verona – Bologna – Ancona/Firenze

Livorno/La Spezia – Florence – Roma – Napoli – Bari – Taranto – Valletta/Marsaxlokk

Cagliari – Napels – Gioia Tauro – Palermo/Augusta – Valletta – Marsaxlokk

Grensoverschrijdende verbindingen

Russische grens – Helsinki

Spoor

Kopenhagen – Hamburg: Toegangswegen tot de vaste Fehmarnbeltverbinding

München – Wörgl – Innsbruck – Fortezza – Bolzano – Trento – Verona: Brennerbasistunnel en toegangswegen

Göteborg – Oslo

Kopenhagen – Hamburg: Vaste Fehmarnbeltverbinding

Rail/weg

2.   Indicatieve lijst van vooraf geïdentificeerde grensoverschrijdende verbindingen op het uitgebreide netwerk

De grensoverschrijdende segmenten van het uitgebreide netwerk als bedoeld in artikel 9, lid 2, onder a), punt ii), van deze verordening omvatten met name de volgende verbindingen:

Dublin/Letterkenny – grens met het Verenigd Koninkrijk

Weg

Pau – Huesca

Spoor

Lyon – Zwitserse grens

Spoor

Athus – Mont-St.-Martin

Spoor

Breda – Venlo – Viersen – Duisburg

Spoor

Antwerpen – Duisburg

Spoor

Bergen – Valenciennes

Spoor

Gent – Terneuzen

Spoor

Heerlen – Aken

Spoor

Groningen – Bremen

Spoor

Stuttgart – Zwitserse grens

Spoor

Gallarate/Sesto Calende – Zwitserse grens

Spoor

Berlijn – Rzepin/Horka – Wrocław

Spoor

Praag – Linz

Spoor

Villach – Ljubljana

Spoor

Pivka – Rijeka

Spoor

Plzeň – České Budějovice – Wenen

Spoor

Wenen - Györ

Spoor

Graz – Celldömölk Győr

Spoor

Neumarkt-Kallham – Mühldorf

Spoor

Ambercorridor PL-SK-HU

Spoor

Corridor Via Carpathia Belarussische/Oekraïense grens-PL-SK-HU-RO

Weg

Focșani – grens met Macedonië

Weg

Boedapest – Osijek – Svilaj (Bosnië en Herzegovina)

Weg

Faro – Huelva

Spoor

Porto – Vigo

Spoor

Giurgiu – Varna

Spoor

Svilengrad – Pithio

Spoor

3.  Onderdelen van het uitgebreide netwerk die zich bevinden in lidstaten zonder landgrens met een andere lidstaat

DEEL IV: SELECTIE VAN GRENSOVERSCHRIJDENDE PROJECTEN OP HET GEBIED VAN HERNIEUWBARE ENERGIE

1.  Doelstelling van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie

Grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie moeten de grensoverschrijdende samenwerking tussen de lidstaten bevorderen voor de planning, ontwikkeling en kosteneffectieve exploitatie van hernieuwbare energiebronnen en de integratie ervan bevorderen aan de hand van energieopslagfaciliteiten, met als doel bij te dragen aan de langetermijndoelstellingen van de Unie inzake decarbonisatie.

2.  Algemene criteria

Om in aanmerking te komen voor selectie als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie moet een project voldoen aan alle hierna genoemde criteria:

a)  het project wordt opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst of een andere regeling tussen ten minste twee lidstaten en/of tussen ten minste één lidstaat en een of meerdere derde landen als bedoeld in de artikelen 8, 9, 11 en 13 van Richtlijn (EU) 2018/2001;

b)  het project levert kostenbesparingen op bij de uitrol van hernieuwbare energie en/of voordelen op het gebied van systeemintegratie, voorzieningszekerheid of innovatie in vergelijking met een soortgelijk project of een project op het gebied van hernieuwbare energie dat door slechts één van de deelnemende lidstaten zou worden uitgevoerd;

(c)  de potentiële algemene voordelen van samenwerking wegen zwaarder dan de kosten ervan, ook op langere termijn, zoals beoordeeld op basis van de kosten-batenanalyse als bedoeld in punt 3 en aan de hand van de methode als bedoeld in artikel [7].

3.  Kosten-batenanalyse

a)  de kosten van de elektriciteitsopwekking;

b)  de systeemintegratiekosten;

c)  de kosten van de steun;

d)  de uitstoot van broeikassen;

e)  de voorzieningszekerheid,

f)  luchtverontreiniging en andere plaatselijke verontreiniging zoals effecten op de plaatselijke natuur en het milieu;

g)  innovatie.

4.  Proces

(1)   Initiatiefnemers, waaronder lidstaten, van projecten die in aanmerking komen om te worden geselecteerd als grensoverschrijdend project op het gebied van duurzame energie in het kader van een samenwerkingsovereenkomst of een andere regeling tussen ten minste twee lidstaten en/of tussen ten minste één lidstaat en een of meerdere derde landen als bedoeld in de artikelen 8, 9, 11, en 13 van Richtlijn (EU) 2018/2001, die hun project willen laten erkennen als grensoverschrijdende project op het gebied van hernieuwbare energie, dienen bij de Commissie een aanvraag in voor de selectie als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie. Die aanvraag moet vergezeld gaan van de relevante informatie die de Commissie in staat stelt het project overeenkomstig de in artikel 7 bedoelde methoden te toetsen aan de criteria in de punten 2 en 3.

De Commissie zorgt ervoor dat initiatiefnemers minstens één maal per jaar de gelegenheid krijgen om de status van grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie aan te vragen.

(2)  De Commissie richt een groep voor grensoverschrijdend projecten op het gebied van hernieuwbare energie op, waarin een vertegenwoordiger van elke lidstaat en een vertegenwoordiger van de Commissie zit, en zit deze groep voor. De groep stelt een eigen reglement van orde vast.

(3)  De Commissie organiseert minstens één keer per jaar een procedure voor de selectie van grensoverschrijdende projecten. Na haar beoordeling legt zij de in lid 3 genoemde groep een lijst voor met in aanmerking komende projecten op het gebied van hernieuwbare energie die voldoen aan de criteria in artikel 7 en lid 5.

(4)  De in lid 3 genoemde groep ontvangt relevante informatie (behalve commercieel gevoelige informatie) over de in aanmerking komende projecten die zijn opgenomen in de door de Commissie voorgelegde lijst met betrekking tot de volgende criteria:

–  een bevestiging dat het project voldoet aan de criteria om in aanmerking te komen en te worden geselecteerd;

–  informatie over het samenwerkingsmechanisme waarvan het project deel uitmaakt en over de mate waarin een project steun krijgt van één lidstaat of meerdere lidstaten;

–  een beschrijving van het doel van het project, inclusief de geraamde capaciteit (in kW) en, indien beschikbaar, de productie van hernieuwbare energie (in kWh per jaar) alsook de totale projectkosten en subsidiabele kosten, in euro;

–  informatie over de verwachte EU-meerwaarde overeenkomstig punt 2, onder b), van deze bijlage en over de verwachte kosten en voordelen en de verwachte EU-meerwaarde overeenkomstig punt 2, onder c), van deze bijlage.

(5)  De groep kan eventueel initiatiefnemers van in aanmerking komende projecten, derde landen die bij in aanmerking komende projecten betrokken zijn en andere relevante belanghebbenden op haar bijeenkomsten uitnodigen.

(6)  Op basis van de beoordelingsresultaten stelt de groep een voorlopige lijst met projecten op die kunnen worden erkend als grensoverschrijdend projecten op het gebied van hernieuwbare energie. Die lijst moet worden goedgekeurd in overeenstemming met lid 8.

(7)   De Commissie stelt op basis van de in lid 7 genoemde ontwerplijst de definitieve lijst vast van geselecteerde grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie. Dit doet zij aan de hand van een gedelegeerde handeling en met inachtneming van lid 10. Zij maakt de lijst van geselecteerde grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie bekend op haar website. Deze lijst wordt ten minste elke twee jaar aangepast, indien nodig.

(8)  De groep houdt toezicht op de uitvoering van de projecten die op de definitieve lijst staan en doet aanbevelingen om mogelijke vertraging bij de uitvoering ervan tegen te gaan. Hiertoe verstrekken de initiatiefnemers van de geselecteerde projecten informatie over de uitvoering van hun projecten.

(9)  De Commissie streeft bij de selectie van grensoverschrijdende projecten op het gebied van hernieuwbare energie naar ▌een correct geografisch evenwicht bij de selectie van dergelijke projecten. Voor de identificatie van de projecten mogen regionale groeperingen worden gebruikt.

(10)  Een project kan niet worden geselecteerd als grensoverschrijdend project op het gebied van hernieuwbare energie, of kan die status verliezen, indien het is beoordeeld op basis van foute informatie die van doorslaggevend belang was bij de beoordeling of indien het strijdig is met het EU-recht.

DEEL V — INFRASTRUCTUURPROJECTEN VAN GEMEENSCHAPPELIJK BELANG OP HET GEBIED VAN DIGITALE CONNECTIVITEIT

1.  Gigabitconnectiviteit, met inbegrip van 5G en andere geavanceerde mobiele connectiviteit, voor sociaaleconomische actoren

Acties worden geprioriteerd rekening houdend met de functie van de sociaaleconomische actoren, de relevantie van de digitale diensten en toepassingen die door het aanbieden van de onderliggende connectiviteit mogelijk worden gemaakt, de potentiële sociaaleconomische baten voor de burgers, het bedrijfsleven en de plaatselijke gemeenschappen, en de extra dekking die wordt gegenereerd, inclusief voor huishoudens. Het beschikbare budget wordt op een geografisch evenwichtige wijze toegewezen aan de lidstaten.

Er wordt voorrang gegeven aan maatregelen die bijdragen tot gigabitconnectiviteit, met inbegrip van 5G en andere geavanceerde mobiele connectiviteit, voor:

–  ▌ziekenhuizen en medische centra, overeenkomstig de inspanningen om de gezondheidszorg te digitaliseren, teneinde het welzijn van de EU-burgers te bevorderen en over te schakelen naar een nieuwe manier om gezondheids- en zorgdiensten te verstrekken aan patiënten(34);

–  ▌onderwijs- en onderzoekscentra, in het kader van de inspanningen om het gebruik van onder andere gegevensverwerking op hoge snelheid, cloudapplicaties en big data te faciliteren, de digitale kloof te dichten en te innoveren in de onderwijsstelsels, alsmede de leerresultaten, de kansengelijkheid en de efficiëntie te verbeteren(35);

–  niet-onderbroken draadloze 5G-breedbanddekking tegen 2025 voor alle stedelijke centra.

2.  Draadloze connectiviteit in lokale gemeenschappen

Acties voor het aanbieden van gratis draadloze digitale connectiviteit tegen niet-discriminerende voorwaarden op voor lokale gemeenschappen belangrijke openbare plaatsen, waaronder openbare plaatsen in open lucht die een belangrijke rol spelen in het openbare leven van lokale gemeenschappen, komen onder de volgende voorwaarden in aanmerking voor steun:

–  de actie wordt uitgevoerd door een overheidsinstantie als bedoeld in de volgende alinea, die de installatie van lokale draadloze toegangspunten in openbare binnen- of buitenruimten kan plannen en controleren en gedurende ten minste drie jaar de exploitatiekosten daarvan kan dragen;

–  de actie bouwt voort op digitale netwerken met een zeer hoge capaciteit, die gebruikers toegang bieden tot zeer hoogwaardig internet dat:

–  gratis en zonder discriminerende voorwaarden, gemakkelijk toegankelijk en beveiligd is en gebruik maakt van de nieuwste en beste beschikbare uitrusting die de gebruikers ervan zeer snelle connectiviteit kan leveren, en

–  de algemeen verspreide en niet-discriminerende toegang tot innovatieve digitale diensten ondersteunt;

–  de actie maakt gebruik van de door de Commissie te verstrekken gemeenschappelijke visuele identiteit en biedt een link naar de bijbehorende meertalige online-instrumenten;

–  met het oog op de verwezenlijking van synergieën en een betere gebruikservaring bevorderen de acties de plaatsing van voor 5G geschikte draadloze toegangspunten met een klein bereik, zoals omschreven in Richtlijn (EU) 2018/1972;

–  de overheidsinstantie/uitvoerder verbindt zich ertoe de nodige uitrusting en/of de daaraan gerelateerde installatiediensten aan te schaffen overeenkomstig de toepasselijke regelgeving om ervoor te zorgen dat projecten de mededinging niet onnodig vervalsen.

Financiële bijstand is beschikbaar voor overheidsinstanties als gedefinieerd in artikel 3, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad(36) die zich ertoe verbinden om, in overeenstemming met het nationaal recht, gratis en tegen niet-discriminerende voorwaarden lokale draadloze connectiviteit te verstrekken door de installatie van lokale draadloze toegangspunten.

Gefinancierde acties mogen niet overlappen met een bestaand gratis particulier of publiek aanbod met soortgelijke kenmerken, waaronder de kwaliteitskenmerken, in dezelfde publieke ruimte.

Het beschikbare budget wordt op een geografisch evenwichtige wijze toegewezen aan de lidstaten.

Waar dat relevant is, wordt gezorgd voor coördinatie en samenhang met de CEF-acties ter ondersteuning van de toegang van sociaaleconomische actoren tot netwerken met een zeer hoge capaciteit die gigabitconnectiviteit, met inbegrip van 5G en andere geavanceerde connectiviteit, bieden.

3.  Indicatieve lijst van subsidiabele 5G-corridors en grensoverschrijdende backboneverbindingen

Overeenkomstig de door de Commissie geformuleerde doelstellingen in het kader van de gigabitmaatschappij om tegen 2025(37) een ononderbroken 5G‑dekking van de belangrijkste transportroutes te waarborgen, omvatten acties voor een ononderbroken dekking met 5G‑systemen overeenkomstig artikel 9, lid 4, onder c), als eerste stap, maatregelen op grensoverschrijdende verbindingen met het oog op experimenten met geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit (CAM)(38) en, als tweede stap, acties op langere trajecten met het oog op een grootschaligere invoering van CAM op corridors, overeenkomstig de onderstaande tabel (indicatieve lijst). De TEN-T-corridors worden hiervoor als basis gebruikt maar de uitrol van 5G hoeft niet noodzakelijkerwijs beperkt te blijven tot die corridors(39).

Er wordt bovendien ook steun verleend voor maatregelen ter ondersteuning van de uitrol van backbonenetwerken, onder meer met onderzeese kabels tussen de lidstaten, tussen de Unie en derde landen of tussen de Europese eilanden, overeenkomstig artikel 9, lid 4, onder d), met als doel voor deze vitale infrastructuur de nodige redundantie te creëren en de capaciteit en weerbaarheid van de digitale netwerken van de Unie te versterken.

"Atlantische" kernnetwerkcorridor

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Porto – Vigo

Merida – Evora

Parijs – Amsterdam – Frankfurt

Aveiro – Salamanca

San Sebastian – Biarritz

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Metz – Parijs – Bordeaux – Bilbao – Vigo – Porto – Lissabon

Bilbao – Madrid – Lissabon

Madrid – Merida – Sevilla – Tarifa

Uitrol van backbonenetwerken, onder meer met onderzeese kabels

De Azoren/Madeira – Lissabon

Kernnetwerkcorridor "Oostzee – Adriatische Zee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

 

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Gdansk – Warschau – Brno – Wenen – Graz – Ljubljana – Koper/Triëste

"Mediterrane" kernnetwerkcorridor

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

 

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Budapest – Zagreb – Ljubljana – Rijeka – SplitDubrovnik

Ljubljana – Zagreb – Slavonski Brod – Bajakovo (grens met Servië)

Slavonski Brod – Đakovo – Osijek

Montpellier – Narbonne – Perpignan - Barcelona – Valencia – Malaga – Tarifa met een uitbreiding naar Narbonne – Toulouse

Uitrol van backbonenetwerken, onder meer met onderzeese kabels

Onderzeese kabelnetwerken Lissabon – Marseille – Milaan

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Oostzee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Warschau – Kaunas – Vilnius

Kaunas – Klaipėda

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Tallinn – Riga – Kaunas – Litouws-Poolse grensWarschau

Belarussische-Litouwse grens – Vilnius – Kaunas – Klaipėda

Via Carpathia:

Klaipėda – Kaunas - Ełk – Białystok – Lublin – Rzeszów – Barwinek – Košice

Kernnetwerkcorridor "Noordzee – Middellandse Zee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Metz – Merzig – Luxemburg

Rotterdam – Antwerpen – Eindhoven

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Amsterdam – Rotterdam – Breda – Rijsel – Parijs

Brussel – Metz – Bazel

Mulhouse – Lyon – Marseille

Kernnetwerkcorridor "Oriënt/Oostelijke Middellandse Zee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Sofia – Thessaloniki – Belgrado

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Berlijn – Praag – Brno – Bratislava Timisoara – Sofia – Turkse grens

Bratislava – Košice

Sofia – Thessaloniki – Athene

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Alpen"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Bologna – Innsbrück – München (Brennercorridor)

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Rotterdam – Oberhausen – Frankfurt (M)

Bazel – Milaan – Genua

Kernnetwerkcorridor "Rijn – Donau"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

 

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Frankfurt (M) – Passau – WenenBratislava – Boedapest – Osijek – Vukovar – Boekarest – Constanța

Boekarest – Iasi

Karlsruhe – München – Salzburg – Wels

Frankfurt (M) – Straatsburg

Mediterrane kernnetwerkcorridor "Scandinavië – Middellandse Zee"

Proefproject met CAM op grensoverschrijdende verbindingen

Oulu – Tromsø

Oslo – Stockholm – Helsinki

Proefproject met CAM met het oog op de uitrol op een langer traject

Turku – Helsinki – Russische grens

Oslo – Malmö – Kopenhagen – Hamburg – Würzburg – Nürnberg – München – Rosenheim – Verona – Bologna – Napels – Catania – Palermo

Stockholm – Malmö

Napels – Bari – Taranto

Aarhus – Esbjerg – Padborg

(1) PB C 440 van 6.12.2018, blz. 191.
(2) PB C 461 van 21.12.2018, blz. 173
(3) Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2019. De grijs gemarkeerde tekstdelen vormen niet het voorwerp van het in het kader van de interinstitutionele onderhandelingen bereikte akkoord.
(4) COM(2018)0321, blz. 13.
(5) Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).
(6) Mededeling van de Commissie "Europa in beweging: agenda voor een sociaal rechtvaardige transitie naar schone, concurrerende en geconnecteerde mobiliteit voor iedereen" (COM(2017)0283).
(7) Richtlijn 2014/94/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de uitrol van infrastructuur voor alternatieve brandstoffen (PB L 307 van 28.10.2014, blz. 1).
(8) Mededeling van de Commissie "Invulling geven aan emissiearme mobiliteit – Een Europese Unie die de planeet beschermt, haar consumenten sterker maakt en haar industrie en werknemers verdedigt" (COM(2017)0675).
(9) COM(2018)0293.
(10) JOIN(2017)0041.
(11) JOIN(2018)0005.
(12) Militaire eisen voor militaire mobiliteit binnen en buiten de EU (ST 14770/18).
(13)COM(2017)0623.
(14) Verordening (EU) nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009 (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).
(15)COM(2017)0718.
(16) Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 82).
(17) Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 663/2009 en (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 94/22/EG, 98/70/EG, 2009/31/EG, 2009/73/EG, 2010/31/EU, 2012/27/EU en 2013/30/EU van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 2009/119/EG en (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).
(18) Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 14).
(19)COM(2016)0587.
(20) Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (PB L 321 van 17 december 2018, blz. 36).
(21) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(22) Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1).
(23) Verordening (EG, Euratom) nr. 2988/95 van de Raad van 18 december 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen (PB L 312 van 23.12.1995, blz. 1).
(24) Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292 van 15.11.1996, blz. 2).
(25) Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM") (PB L 283 van 31.10.2017, blz. 1).
(26) Richtlijn (EU) 2017/1371 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2017 betreffende de strafrechtelijke bestrijding van fraude die de financiële belangen van de Unie schaadt (PB L 198 van 28.7.2017, blz. 29).
(27) PB L 344 van 19.12.2013, blz. 1.
(28) COM(2018)0065.
(29) Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's over succesvolle overheidsopdrachten in en voor Europa (COM(2017)0572).
(30) Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 tussen het Europees Parlement, de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie over beter wetgeven (PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1).
(31) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13) .
(32) Verordening (EU) nr. 913/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europese spoorwegnet voor concurrerend goederenvervoer (PB L 276 van 20.10.2010, blz. 22).
(33) ST 13674/18.
(34) Zie ook: Mededeling van de Commissie over het mogelijk maken van de digitale transformatie van gezondheid en zorg in de digitale eengemaakte markt: de burger "empoweren" en bouwen aan een gezondere maatschappij (COM(2018)0233).
(35) Zie ook: Mededeling van de Commissie over het actieplan voor digitaal onderwijs COM(2018)0022.
(36) Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele applicaties van overheidsinstanties (PB L 327 van 2.12.2016, blz. 1).
(37) Connectiviteit voor een competitieve digitale eengemaakte markt – Naar een Europese gigabitmaatschappij (COM(2016)0587).
(38) Geconnecteerde en geautomatiseerde mobiliteit.
(39) De cursief gedrukte segmenten maken geen deel uit van de TEN‑T-kernnetwerkcorridors maar wel van de 5G‑corridors.

Laatst bijgewerkt op: 25 april 2019Juridische mededeling