Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2692(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B8-0242/2019

Debatten :

PV 18/04/2019 - 6.3
CRE 18/04/2019 - 6.3

Stemmingen :

PV 18/04/2019 - 10.3

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0424

Aangenomen teksten
PDF 131kWORD 52k
Donderdag 18 april 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Brunei
P8_TA-PROV(2019)0424RC-B8-0242/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over Brunei (2019/2692(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de verklaring van de woordvoerder van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) van 3 april 2019 over de tenuitvoerlegging van het strafwetboek in Brunei Darussalam,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, inzake foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, inzake verdedigers van de mensenrechten en inzake de bevordering en bescherming van de uitoefening van alle mensenrechten door LHBTI-personen,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, van 1 april 2019, waarin er bij Brunei op wordt aangedrongen het "draconische" nieuwe strafwetboek niet in werking te laten treden,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, dat Brunei in 2015 heeft geratificeerd,

–  gezien het Verdrag inzake de rechten van het kind,

–  gezien het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen,

–  gezien de ASEAN-mensenrechtenverklaring van 2012,

–  gezien het actieplan 2018-2022 van de ASEAN en de EU,

–  gezien de beleidsdialoog over de mensenrechten tussen de ASEAN en de EU van 29 november 2017,

–  gezien de verklaring van de adjunct-woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken van 2 april 2019 over de tenuitvoerlegging van de tweede en derde fase van het sharia-strafwetboek in Brunei,

–  gezien artikel 135, lid 5, en artikel 123, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat Brunei in 2014 het sharia-strafwetboek invoerde, dat in drie fasen moest worden uitgevoerd; overwegende dat de derde fase van de tenuitvoerlegging in werking is getreden op 3 april 2019; overwegende dat in deze derde fase bepalingen van kracht worden voor onder andere dood door steniging voor wederzijds gewenste seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht, seks buiten het huwelijk en abortus, alsmede de amputatie van ledematen voor diefstal; overwegende dat het wetboek ook de doodstraf oplegt wegens belediging of belastering van de profeet Mohammed door zowel moslims als niet-moslims; overwegende dat het sharia-strafwetboek zowel van toepassing is op moslims als op niet-moslims, inclusief buitenlanders, alsmede op strafbare feiten die door burgers of permanente ingezetenen worden gepleegd in het buitenland;

B.  overwegende dat kinderen in de puberleeftijd die voor deze misdrijven zijn veroordeeld, dezelfde straffen kunnen krijgen als volwassenen; overwegende dat sommige jongere kinderen kunnen worden onderworpen aan zweepslagen;

C.  overwegende dat homoseksualiteit vóór de invoering van het sharia-strafwetboek illegaal was in Brunei en bestraft werd met tot tien jaar gevangenisstraf;

D.  overwegende dat de laatste verkiezingen in Brunei plaatsvonden in 1962; overwegende dat de sultan zowel het staatshoofd als de premier is, en het volledige uitvoerende gezag uitoefent;

E.  overwegende dat de speciale VN-rapporteur voor foltering heeft verklaard dat elke vorm van lijfstraffen in strijd is met het verbod op foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en niet kan worden beschouwd als een wettelijke sanctie krachtens het internationaal recht; overwegende dat sommige van de in het strafwetboek vastgelegde straffen neerkomen op foltering of wrede, onmenselijke en onterende behandeling, die verboden zijn op grond van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, waarbij Brunei ondertekenende partij is sinds 2015;

F.  overwegende dat de bepalingen van het sharia-strafwetboek in strijd zijn met de verplichtingen van Brunei uit hoofde van de internationale mensenrechtenwetgeving, inclusief het recht op leven, vrijheid van foltering en andere vormen van mishandeling, vrijheid van meningsuiting en godsdienst en het recht op privacy; overwegende dat de bepalingen van dit wetboek discrimineren op grond van seksuele gerichtheid, en discriminerend zijn jegens vrouwen en minderheden in Brunei en dat zij geweld kunnen aanwakkeren;

G.  overwegende dat in het gezamenlijk programma van de VN inzake hiv/aids (UNAIDS) en het Bevolkingsfonds van de VN (UNFPA) is verklaard dat de bepalingen van het strafwetboek van Brunei op grond waarvan homoseksualiteit strafbaar is gesteld en vormen van reproductieve gezondheidszorg worden bestraft, een onevenredige impact hebben op vrouwen en LHBTI-personen, waardoor de toegang tot informatie en diensten op het gebied van gezondheid wordt belemmerd, de toegang tot seksuele en reproductieve gezondheid en rechten wordt bemoeilijkt en de volksgezondheid wordt aangetast;

H.  overwegende dat traditie, religie en cultuur in Brunei worden gebruikt om discriminatie jegens vrouwen en LGTBI-personen te rechtvaardigen; overwegende dat in het verslag van het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten over Brunei van 11 maart 2019 wordt gesteld dat er een diepgewortelde patriarchale houding en een diepgeworteld gebruik van discriminerende stereotypen heersen die tot uiting komen in de academische en professionele keuzes van vrouwen, in hun ongelijke positie op de arbeidsmarkt en in het huwelijk en familiebetrekkingen; overwegende dat deze stereotypen onderliggende oorzaken zijn van geweld tegen vrouwen;

I.  overwegende dat Brunei bekend staat om zijn multi-etnische bevolking met een grote verscheidenheid aan religies, waaronder de islam, het christendom, het boeddhisme, het hindoeïsme en diverse inheemse religies, die vreedzaam samenleven; overwegende dat in de grondwet van Brunei religieuze vrijheid wordt erkend en wordt voorgeschreven dat alle godsdiensten in vrede en harmonie kunnen worden beoefend door de personen die ze belijden; overwegende dat de regering ondanks de grondwet van het land bekeringsactiviteiten en onderwijs verboden heeft voor alle religies behalve de islam, en alle publieke kerstvieringen heeft verboden;

J.  overwegende dat Brunei een de-factomoratorium heeft ingesteld op de doodstraf, en dat de laatste terechtstelling plaatsvond in 1957; overwegende dat het sharia-strafwetboek, als het ten uitvoer wordt gelegd, de doodstraf weer effectief zal invoeren; overwegende dat de EU de doodstraf veroordeelt, ongeacht waar en wanneer;

K.  overwegende dat de goedkeuring van de nieuwe wetten tot internationale verontwaardiging heeft geleid, en dringt aan op een boycot van de hotels die in handen zijn van het investeringsagentschap van Brunei (BIA); overwegende dat dit agentschap deel uitmaakt van het ministerie van Financiën en Economie van Brunei en eigenaar is van een verscheidenheid aan investeringsprojecten over de hele wereld; overwegende dat het BIA heeft verklaard dat wederzijds respect en het waarderen van verschillen en diversiteit tot zijn kernwaarden behoren;

L.  overwegende dat Brunei slechts twee fundamentele internationale mensenrechtenverdragen van de VN heeft geratificeerd, het Verdrag inzake de rechten van het kind en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen; overwegende dat de derde cyclus van de universele periodieke doorlichting van Brunei van start zal gaan op 10 mei 2019;

M.  overwegende dat de EU de onderhandelingen over een partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst met Brunei heeft opgeschort;

1.  veroordeelt de inwerkingtreding van het reactionaire sharia-strafwetboek ten stelligste; dringt er bij de autoriteiten van Brunei op aan dit strafboek onmiddellijk in te trekken en ervoor te zorgen dat zijn wetten in overeenstemming zijn met de internationale wetgeving en normen, in overeenstemming met de verplichtingen van Brunei in het kader van de internationale mensenrechteninstrumenten, inclusief ten aanzien van seksuele minderheden, religieuze minderheden en ongelovigen;

2.  herhaalt zijn veroordeling van de doodstraf; verzoekt Brunei zijn moratorium op de doodstraf te handhaven als een stap in de richting van volledige afschaffing;

3.  veroordeelt het gebruik van foltering en wrede, onmenselijke en onmenselijke behandeling in alle omstandigheden krachtig; onderstreept dat de bepalingen van het sharia-strafwetboek een schending vormen van de verplichtingen van Brunei op grond van de internationale mensenrechtenwetgeving schenden, en dat de straffen op grond daarvan in strijd zijn met de gewoonterechtelijke internationale verbodsbepalingen inzake foltering en andere vormen van mishandeling;

4.  vindt het uiterst zorgwekkend dat, terwijl veel landen de strafrechtelijke vervolging van wederzijds gewenste handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht uit het strafrecht halen, Brunei helaas het zevende land is dat wederzijds gewenste homoseksuele handelingen bestraft met de doodstraf; verzoekt de autoriteiten van Brunei de internationale mensenrechten te eerbiedigen en homoseksualiteit niet langer strafbaar te stellen;

5.  verzoekt de autoriteiten van Brunei het beginsel van gelijkheid voor de wet van alle burgers te garanderen, alsmede de eerbiediging van de grondrechten van alle burgers zonder onderscheid van welke aard ook, waaronder gender, seksuele gerichtheid, ras of religie; maakt zich ernstig zorgen over de mogelijke toepassing van de strafwetgeving op kinderen; verzoekt Brunei in geen geval de doodstraf, foltering of gevangenisstraffen op kinderen toe te passen;

6.  verzoekt de autoriteiten van Brunei om de vrijheid van godsdienst in het sultanaat, zoals vastgelegd in zijn eigen grondwet, volledig te eerbiedigen en de publieke viering toe te staan van alle religieuze feesten, met inbegrip van Kerstmis; benadrukt dat de wetgeving op dit gebied volstrekt moet stroken met de mensenrechten;

7.  spoort de autoriteiten van Brunei ertoe aan de politieke dialoog te bevorderen met essentiële belanghebbenden uit het maatschappelijk middenveld, mensenrechtenorganisaties, confessionele instellingen en bedrijfsorganisaties, zowel binnen als buiten Brunei, om de mensenrechten op zijn grondgebied te bevorderen en te waarborgen; wijst op het recht om kritische of satirische meningen te uiten als legitieme uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in het internationale kader inzake de mensenrechten;

8.  dringt er bij Brunei op aan de resterende fundamentele internationale mensenrechteninstrumenten van de VN te ratificeren, inclusief het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing; dringt er bij de autoriteiten van Brunei op aan een vaste uitnodiging te richten aan alle speciale procedures van de VN-Mensenrechtenraad om het land te bezoeken;

9.  dringt er bij de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) op aan in het geval van de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het sharia-strafwetboek te overwegen op EU-niveau beperkende maatregelen te nemen in verband met ernstige schendingen van de mensenrechten, inclusief bevriezing van tegoeden en visumverboden;

10.  verzoekt de HV/VV de heropening van de onderhandelingen over de partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst tussen de EU en Brunei te laten afhangen van de voorwaarde dat het strafwetboek in overeenstemming is met het internationaal recht en de internationale mensenrechtennormen;

11.  wijst op het werk van verdedigers van de mensenrechten voor de bevordering en bescherming van de rechten van LHBTI-personen; verzoekt de EU-instellingen meer steun te verlenen aan maatschappelijke organisaties en verdedigers van de mensenrechten in Brunei;

12.  verzoekt de EU-delegatie voor Indonesië en Brunei Darussalam in Jakarta, de EU-delegatie voor de ASEAN en de EDEO om de situatie nauwlettend te volgen en daarover overleg te plegen met de autoriteiten, ambassadeurs en vertegenwoordigers van Brunei; verzoekt de EDEO de situatie in Brunei op te nemen op de agenda van de volgende beleidsdialoog over de mensenrechten tussen de ASEAN en de EU;

13.  spoort de lidstaten ertoe aan actief deel te nemen aan de volgende universele periodieke toetsing, die zal plaatshebben van 6 t/m 17 mei 2019 en waarbij de mensenrechtensituatie in Brunei zal worden onderzocht;

14.  benadrukt dat de EU-instellingen moeten overwegen om, zolang het huidige strafwetboek van kracht is, de hotels die in handen zijn van het investeringsagentschap van Brunei, op een zwarte lijst te plaatsen;

15.  verzoekt de EU en haar lidstaten om eerbiediging van het internationale wettelijke kader met betrekking tot de toegang tot asielprocedures en humanitaire bescherming van slachtoffers van het huidige strafwetboek van Brunei;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Europese Dienst voor extern optreden, de regeringen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de VN, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de Commissie van de VN inzake de positie van de vrouw, de VN-Mensenrechtenraad, het secretariaat van de ASEAN, de intergouvernementele commissie voor de mensenrechten van de ASEAN, de sultan van Brunei, Hassanal Bolkiah, en de regering van Brunei.

Laatst bijgewerkt op: 24 april 2019Juridische mededeling