Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2018/0179(COD)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : A8-0363/2018

Ingediende teksten :

A8-0363/2018

Debatten :

PV 18/04/2019 - 5
CRE 18/04/2019 - 5

Stemmingen :

PV 18/04/2019 - 10.15
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0435

Aangenomen teksten
PDF 254kWORD 77k
Donderdag 18 april 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's ***I
P8_TA-PROV(2019)0435A8-0363/2018
Resolutie
 Geconsolideerde tekst

Wetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende informatieverschaffing in verband met duurzame beleggingen en duurzaamheidsrisico's en tot wijziging van Richtlijn (EU) 2016/2341 (COM(2018)0354 – C8-0208/2018 – 2018/0179(COD))

(Gewone wetgevingsprocedure: eerste lezing)

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Parlement en de Raad (COM(2018)0354),

–  gezien artikel 294, lid 2, en artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, op grond waarvan het voorstel door de Commissie bij het Parlement is ingediend (C8-0208/2018),

–  gezien artikel 294, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 17 oktober 2018(1),

–  gezien het advies van het Comité van de Regio’s van 5 december 2018(2),

–  gezien het overeenkomstig artikel 69 septies, lid 4, van zijn Reglement door de bevoegde commissie goedgekeurde voorlopig akkoord en de door de vertegenwoordiger van de Raad bij brief van 27 maart 2019 gedane toezegging om het standpunt van het Europees Parlement overeenkomstig artikel 294, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie goed te keuren,

–  gezien artikel 59 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Commissie economische en monetaire zaken en het advies van de Commissie milieubeheer, volksgezondheid en voedselveiligheid (A8-0363/2018),

1.  stelt onderstaand standpunt in eerste lezing vast;

2.  verzoekt de Commissie om hernieuwde voorlegging aan het Parlement indien zij haar voorstel vervangt, ingrijpend wijzigt of voornemens is het ingrijpend te wijzigen;

3.  verzoekt zijn Voorzitter het standpunt van het Parlement te doen toekomen aan de Raad en aan de Commissie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 62 van 15.2.2019, blz. 97.
(2) PB C 86 van 7.3.2019, blz. 24.


Standpunt van het Europees Parlement in eerste lezing vastgesteld op 18 april 2019 met het oog op de vaststelling van Verordening (EU) 2019/... van het Europees Parlement en de Raad betreffende ▌informatieverschaffing over duurzaamheid in de financiëledienstensector(1)
P8_TC1-COD(2018)0179

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank(2),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité(3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure(4),

Overwegende hetgeen volgt:

(-1)   Op 25 september 2015 heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een nieuw mondiaal kader voor duurzame ontwikkeling aangenomen: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling(5), waarvan de kern wordt gevormd door de duurzameontwikkelings­doelstellingen (SDG’s). In de mededeling van de Commissie van 2016 over de volgende stappen voor een duurzame Europese toekomst(6) worden de SDG’s aan het beleidskader van de Unie gekoppeld, zodat ze van bij de aanvang worden geïntegreerd in alle acties en beleidsinitiatieven van de Unie, zowel binnen de Unie als op mondiaal niveau. De conclusies van de Raad van 20 juni 2017(7) bevestigden het vaste voornemen van de Unie en de lidstaten om de Agenda 2030 op volledige, samenhangende, alomvattende, geïntegreerde en doeltreffende wijze en in nauwe samenwerking met partners en andere stakeholders uit te voeren.

(1)  De overgang naar een meer duurzame, koolstofarme, hulpbronnenefficiënte en circulaire economie in overeenstemming met de SDG's is van cruciaal belang voor het concurrentie­vermogen op de lange termijn van de economie van de Unie. De Klimaatovereenkomst van Parijs (CoP21), die op 5 oktober 2016 door de Unie is geratificeerd(8) en op 4 november 2016 in werking is getreden, heeft tot doel de reactie op de klimaatverandering te versterken, onder meer door de financieringsstromen in overeenstemming te brengen met een traject naar lage broeikasgasemissies en een klimaatveerkrachtige ontwikkeling.

Om de langetermijndoelstellingen inzake aardopwarming van de Klimaatovereenkomst van Parijs te verwezenlijken en de risico's en effecten van de klimaatverandering aanzienlijk te verminderen, moet het mondiale doel erin bestaan de wereldwijde gemiddelde temperatuurstijging ruim onder 2°C boven het pre-industriële niveau te houden en ernaar te blijven streven de temperatuurstijging te beperken tot 1,5°C boven het pre-industriële niveau.

(2)  Een gemeenschappelijke doelstelling van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad(9), Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad(10), Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad(11), Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad,(12) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad(13), Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad(14), Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad(15), Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad(16), Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad(17) en Verordening (EU) XYZ van het Europees Parlement en de Raad

[PB: gelieve de verwijzing naar de verordening inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) in te voegen] is het vergemakkelijken van de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's), kredietinstellingen, beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerders) die alternatieve beleggingsinstellingen beheren en/of verhandelen, waaronder Europese langetermijnbeleggingsinstellingen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad(18), verzekeringsondernemingen, beleggingsondernemingen, verzekeringstussenpersonen, instellingen voor bedrijfs­pensioenvoorziening (IBPV's), beheerders van in aanmerking komende durfkapitaalfondsen (EuVECA-beheerders), ▌ beheerders van in aanmerking komende sociaalondernemer­schapsfondsen (EuSEF-beheerders) en aanbieders van pan-Europese persoonlijke pensioenproducten. Deze richtlijnen en verordeningen zorgen voor een uniformere bescherming van eindbeleggers en maken het voor hen gemakkelijker te profiteren van een breed scala aan financiële producten en diensten (financiële producten), en voorzien terzelfder tijd in regels die eindbeleggers in staat stellen weloverwogen beleggings­beslissingen te nemen.

Hoewel deze doelstellingen grotendeels zijn verwezenlijkt, is de informatieverschaffing aan eindbeleggers over de integratie van duurzaamheidsrisico's, de inaanmerkingneming van ongunstige effecten op de duurzaamheid en duurzame beleggingsdoelstellingen of ecologische en sociale kenmerken, of een combinatie van die kenmerken, in de beleggingsbeslissingen van icbe-beheermaatschappijen, abi-beheerders, verzekerings­ondernemingen die verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (IBIP's) ter beschikking stellen van zowel retailbeleggers als professionele beleggers, kredietinstellingen die vermogensbeheer aanbieden, beleggingsondernemingen die vermogensbeheer aanbieden, IBPV's, pensioenaanbieders, EuVECA-beheerders en EuSEF-beheerders en PEPP-aanbieders (financiëlemarktdeelnemers) en informatieverschaffing aan eind­beleggers over de integratie van duurzaamheidsrisico's en de inaanmerkingneming van ongunstige effecten op de duurzaamheid in adviesprocedures door verzekerings­tussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekeringsadvies met betrekking tot IBIP's aanbieden aan zowel retailbeleggers als professionele beleggers, krediet­instellingen die beleggingsadvies aanbieden, abi-beheerders die beleggingsadvies aanbieden, icbe-beheermaatschappijen die beleggingsadvies aanbieden en beleggings­ondernemingen die beleggingsadvies aanbieden, met uitzondering van verzekerings­tussenpersonen en beleggingsondernemingen die ondernemingen zijn ongeacht hun rechtsvorm, met inbegrip van natuurlijke personen en zelfstandigen, die minder dan drie werknemers hebben (financieel adviseurs) onvoldoende ontwikkeld omdat dergelijke informatieverschaffing nog niet aan geharmoniseerde vereisten onderworpen is. De vrijstelling van deze verordening voor financieel adviseurs met minder dan drie werk­nemers moet de toepassing van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn (EU) 2016/97, en met name de regels inzake beleggings- en verzekeringsadvies, onverlet laten. Dit betekent dat, hoewel die adviseurs niet verplicht zijn informatie te verschaffen overeenkomstig deze verordening, zij de duurzaamheidsrisico's toch in hun adviesprocedures in aanmerking moeten nemen en incalculeren.

Entiteiten die onder deze verordening vallen, moeten, afhankelijk van de aard van hun activiteiten, aan de regels voor financiëlemarktdeelnemers voldoen indien zij financiële producten ontwikkelen, of aan de regels voor financieel adviseurs indien zij beleggings- of verzekeringsadvies aanbieden. Daarom moeten die entiteiten in situaties waarin zij tegelijk activiteiten van zowel financiëlemarktdeelnemers als financieel adviseurs uitoefenen, met het oog op de informatieverschaffing betreffende de betrokken activiteit uit hoofde van deze verordening, worden beschouwd als financiëlemarktdeelnemers wanneer zij handelen in de hoedanigheid van ontwikkelaars van financiële producten, ook wat betreft het aanbieden van vermogensbeheer, en als financieel adviseurs wanneer zij beleggings- of verzekeringsadvies aanbieden.

Aangezien de Unie in toenemende mate met de catastrofale en onvoorspelbare gevolgen van de klimaatverandering, de uitputting van hulpbronnen en andere kwesties in verband met duurzaamheid wordt geconfronteerd, is dringend actie nodig om kapitaal vrij te maken, niet alleen door middel van overheidsbeleid maar ook via de financiëlediensten­sector. Met het oog op aanpassing aan deze nieuwe realiteit moet van financiëlemarkt­deelnemers en financieel adviseurs worden verlangd dat zij specifieke informatie verschaffen over hun aanpak van de integratie van duurzaamheidsrisico's en de inaanmerkingneming van ongunstige effecten op de duurzaamheid.

(3)  Door het ontbreken van geharmoniseerde Unieregels voor informatieverschaffing aan eindbeleggers over duurzaamheid zullen op nationaal niveau waarschijnlijk nog steeds afwijkende maatregelen worden genomen en kunnen verschillende benaderingen in de verschillende financiëledienstensectoren blijven bestaan. Dergelijke divergerende maatregelen en benaderingen zouden blijven leiden tot significante concurrentie­verstoringen als gevolg van significante verschillen in de standaarden voor informatie­verschaffing. Bovendien leidt een parallelle ontwikkeling van marktgebaseerde praktijken, gebaseerd op commercieel gestuurde prioriteiten die divergerende resultaten opleveren, momenteel tot verdere marktfragmentatie en zou deze de inefficiënties in de werking van de interne markt in de toekomst nog verder kunnen verergeren. Divergerende standaarden voor informatieverschaffing en marktgebaseerde praktijken maken het zeer moeilijk om verschillende financiële producten ▌ met elkaar te vergelijken en creëren een ongelijk speelveld tussen deze producten ▌en tussen distributiekanalen, en werpen extra belemmeringen op voor de interne markt. Dergelijke divergenties kunnen ook verwarrend zijn voor eindbeleggers en hun beleggingsbeslissingen verstoren. Bij het waarborgen van de naleving van de Klimaatovereenkomst van Parijs bestaat het risico dat de lidstaten divergente nationale maatregelen zullen nemen die belemmeringen voor de goede werking van de interne markt zouden kunnen opwerpen en schadelijk zouden kunnen zijn voor financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs. Bovendien maakt het gebrek aan geharmoniseerde transparantieregels het voor eindbeleggers moeilijk om verschillende financiële producten ▌ in verschillende lidstaten effectief te vergelijken op het punt van de ecologische, sociale en governancerisico's en doelstellingen voor duurzaam beleggen ervan. Bijgevolg moeten bestaande belemmeringen voor de werking van de interne markt worden aangepakt en moeten financiële producten gemakkelijker te vergelijken zijn teneinde mogelijke toekomstige belemmeringen te voorkomen.

(3a)   Deze verordening heeft ten doel informatieasymmetrieën in principaal-agent-relaties te verminderen met betrekking tot de integratie van duurzaamheidsrisico's, de inaanmerkingneming van ongunstige effecten op de duurzaamheid en het promoten van ecologische of sociale kenmerken evenals duurzaam beleggen door middel van precontractuele en lopende informatieverschaffing aan eindbeleggers, die als principaal optreden, door financiëlemarktdeelnemers of financieel adviseurs, die namens principalen als agent optreden.

(3b)   Deze verordening bevat informatieverschaffingsvereisten die een aanvulling vormen op de regels van Richtlijn 2009/65/EG, Richtlijn 2009/138/EG, Richtlijn 2011/61/EU, Richtlijn 2014/65/EU, Richtlijn (EU) 2016/97, Richtlijn (EU) 2016/2341, Verordening (EU) nr. 345/2013, Verordening (EU) nr. 346/2013, Verordening (EU) 2015/760 en Verordening (EU) XYZ van het Europees Parlement en de Raad [PB: gelieve de verwijzing naar de verordening inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) in te voegen] en nationale wetgeving betreffende persoonlijke en individuele pensioenproducten. Om degelijk en doeltreffend toezicht op de naleving van de vereisten van deze verordening te garanderen, moeten de lidstaten steunen op de bevoegde autoriteiten die reeds krachtens de hierboven bedoelde regels zijn aangewezen. Indien de hierboven bedoelde regels niet rechtstreeks worden aangepast bij deze verordening, moeten de lidstaten de ter zake bevoegde autoriteiten aanwijzen.

(3c)   Deze verordening handhaaft de vereisten voor financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs wat betreft het handelen in het belang van de eindbeleggers, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, het aan de dag leggen van de nodige zorgvuldigheid voorafgaand aan het doen van de belegging, als vastgelegd in Richtlijn 2009/65/EG, Richtlijn 2009/138/EG, Richtlijn 2011/61/EU, Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2014/65/EU, Richtlijn (EU) 2016/97, Richtlijn (EU) 2016/2341, Verordening (EU) nr. 345/2013 en Verordening (EU) nr. 346/2013 en nationale wetgeving betreffende persoonlijke en individuele pensioenproducten. Om aan hun verplichtingen uit hoofde van die regels te voldoen, moeten financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs niet alleen alle relevante financiële risico's, maar ook alle relevante duurzaamheidsrisico's die een relevant wezenlijk negatief effect kunnen hebben op het financieel rendement van een belegging, respectievelijk advies, in hun procedures, daaronder begrepen hun zorg­vuldigheidsprocedures, integreren en op continue basis beoordelen. Bijgevolg moeten financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs uit hoofde van deze verordening in hun gedragslijnen nader bepalen hoe zij die risico's integreren en die gedragslijnen bekendmaken.

(3d)   Daarom is in deze verordening voor de financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs die beleggingsadvies of verzekeringsadvies met betrekking tot IBIP's aanbieden, ongeacht het ontwerp van de financiële producten en de doelgroep, de verplichting opgenomen om schriftelijke gedragslijnen te publiceren over de integratie van duurzaamheidsrisico's en toe te zien op de transparantie van die integratie.

(3e)   Onder "duurzaamheidsrisico" dient een onzekere gebeurtenis of omstandigheid op ecologisch, sociaal of governancegebied te worden verstaan die, indien ze zich voordoet, een negatief wezenlijk effect op de waarde van de belegging kan veroorzaken, als gespecificeerd in de sectorale wetgeving, met name in Richtlijn 2009/65/EG, Richtlijn 2009/138/EG, Richtlijn 2011/61/EU, Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2014/65/EU, Richtlijn (EU) 2016/97, Richtlijn (EU) 2016/2341, of in overeenstemming daarmee vastgestelde gedelegeerde handelingen en technische reguleringsnormen.

(3f)   Deze verordening doet geen afbreuk aan de regels betreffende de integratie van risico's van Richtlijn 2009/65/EG, Richtlijn 2009/138/EG, Richtlijn 2011/61/EU, Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2014/65/EU, Richtlijn (EU) 2016/97, Richtlijn (EU) 2016/2341, Verordening (EU) nr. 345/2013 en Verordening (EU) nr. 346/2013 en nationale wet­geving betreffende persoonlijke en individuele pensioenproducten, met inbegrip van maar niet beperkt tot de desbetreffende toepasselijke evenredigheidscriteria zoals omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van de werkzaamheden in kwestie. Met deze verordening wordt naar meer transparantie gestreefd met betrekking tot de wijze waarop financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs duurzaamheids­risico's in hun beleggingsbeslissing dan wel beleggings- of verzekeringsadvies integreren. Wanneer de duurzaamheidsrisicobeoordeling leidt tot de conclusie dat er geen duurzaamheidsrisico's zijn die relevant worden geacht voor het financiële product, moeten de redenen daarvoor worden toegelicht. Wanneer de beoordeling leidt tot de conclusie dat die risico's wel relevant zijn, dan moet de mate waarin duurzaamheids­risico's een effect kunnen hebben op de prestaties van het financiële product, openbaar worden gemaakt, hetzij in kwalitatieve, hetzij in kwantitatieve termen. De duurzaamheids­risicobeoordelingen en de daarmee verband houdende precontractuele informatie­verschaffing door financiëlemarktdeelnemers moeten worden meegenomen in de precontractuele informatieverschaffing door financieel adviseurs. Financieel adviseurs moeten voorafgaand aan de adviesverstrekking bekendmaken hoe zij in het selectieproces van het financiële aanbod dat aan de eindbelegger ongeacht diens voorkeuren op het gebied van duurzaamheid wordt gepresenteerd, rekening houden met duurzaamheids­risico's. Daarbij moet de toepassing van Richtlijn 2014/65/EU en Richtlijn (EU) 2016/97 onverlet blijven, in het bijzonder de verplichtingen voor financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs met betrekking tot productgovernance, de beoordeling van geschiktheid en passendheid, of een verlangens-en-behoeftentest.

(4)  Om ervoor te zorgen dat deze verordening coherent en consistent wordt toegepast en dat de in deze verordening neergelegde informatieverschaffingsverplichtingen door de financiële­marktdeelnemers duidelijk en consistent worden toegepast, is het noodzakelijk een geharmoniseerde definitie vast te stellen van "duurzame beleggingen", daaronder begrepen beleggingen in economische activiteiten die bijdragen tot het bereiken van ecologische of sociale doelstellingen, evenals de combinatie daarvan, op voorwaarde dat de onder­nemingen waarin is belegd, praktijken op het gebied van goed bestuur volgen en het voorzorgsbeginsel "geen ernstige afbreuk doen" wordt gewaarborgd, d.w.z. dat noch aan de ecologische, noch aan de sociale doelstelling ernstige afbreuk wordt gedaan.

(4-a)   Beleggingsbeslissingen en -advies kunnen aanleiding geven tot, bijdragen tot of rechtstreeks verband houden met negatieve, wezenlijke of waarschijnlijk wezenlijke effecten op duurzaamheidsfactoren.

(4 –a)   Indien financiëlemarktdeelnemers, terdege rekening houdend met de omvang, de aard en de schaal van hun activiteiten en de soorten financiële producten die zij aanbieden, belangrijke wezenlijke of waarschijnlijk wezenlijke ongunstige effecten van beleggings­beslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen, moeten zij in hun procedures, daaronder begrepen hun zorgvuldigheidsprocedures, de nodige regelingen integreren om rekening te houden met de belangrijkste ongunstige effecten, naast de relevante financiële risico's en de relevante duurzaamheidsrisico's. In de informatie over de regelingen kan worden beschreven hoe financiëlemarktdeelnemers zich kwijten van hun duurzaamheidsgerelateerde beheerverantwoordelijkheden of andere verplichtingen jegens aandeelhouders. Financiëlemarktdeelnemers moeten op hun website informatie over deze regelingen en beschrijvingen van de belangrijkste ongunstige effecten opnemen. In dit verband moeten het Gemengd Comité van de EBA, de Eiopa en de ESMA en de financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs de door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling opgestelde zorgvuldigheidsrichtsnoeren voor verantwoord ondernemerschap en de door de Verenigde Naties ondersteunde beginselen voor verantwoord beleggen in aanmerking nemen.

(4- - a)   De inaanmerkingneming van duurzaamheidsfactoren bij het nemen van beleggings­beslissingen en in adviesprocedures kan leiden tot voordelen die verder gaan dan de financiële markten. Ze kan de veerkracht van de reële economie en de stabiliteit van het financiële stelsel vergroten en aldus uiteindelijk een effect hebben op de risico-rendementverhouding van financiële producten. Het is dan ook van cruciaal belang dat financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs de nodige informatie verstrekken, zodat eindbeleggers weloverwogen beleggingsbeslissingen kunnen nemen.

(4 - - - a)   Financiëlemarktdeelnemers die de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen, moeten in precontractuele informatie voor elk financieel product op beknopte wijze en in kwalitatieve of kwantitatieve termen meedelen hoe rekening wordt gehouden met de belangrijkste ongunstige effecten en een verklaring opnemen dat informatie over de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren beschikbaar is in de lopende verslaglegging. Onder "belangrijkste ongunstige effecten" moet worden verstaan: de effecten van beleggingsbeslissingen en -advies die leiden tot negatieve effecten op duurzaamheidsfactoren.

(4a)   Tot dusver zijn duurzame producten met verschillende ambitieniveaus ontwikkeld. Derhalve moet ten behoeve van precontractuele informatieverschaffing en informatie­verschaffing door middel van periodieke verslagen een onderscheid worden gemaakt tussen de vereisten voor financiële producten die ecologische of sociale kenmerken vertonen, enerzijds, en financiële producten waarmee een positief effect op milieu en maatschappij wordt beoogd, anderzijds. Bijgevolg moeten financiëlemarktdeelnemers, wat betreft de financiële producten met ecologische of sociale kenmerken, informatie verschaffen over de vraag of en hoe de aangewezen index, duurzaamheidsindex of mainstreamindex op die kenmerken is afgestemd en, als er geen benchmark wordt gebruikt, over de vraag hoe aan de duurzaamheidskenmerken van de financiële producten wordt voldaan. Wat financiële producten betreft waarmee een positief effect op milieu en maatschappij wordt beoogd, moeten financiëlemarktdeelnemers informatie verschaffen over de vraag welke duurzame benchmark zij gebruiken voor het meten van de duurzame prestaties en, als er geen benchmark wordt gebruikt, uitleggen hoe de duurzame doelstelling wordt gehaald. De informatieverschaffing door middel van periodieke verslagen dient jaarlijks te geschieden.

(4)   Deze verordening doet geen afbreuk aan de regels betreffende de beloning of de beoordeling van de prestaties van het personeel van financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs krachtens Richtlijn 2009/65/EG, Richtlijn 2009/138/EG, Richtlijn 2011/61/EU, Richtlijn 2013/36/EU, Richtlijn 2014/65/EU, Richtlijn (EU) 2016/97, Richtlijn (EU) 2016/2341, Verordening (EU) nr. 345/2013 en Verordening (EU) nr. 346/2013 en uitvoeringshandelingen en nationale wetgeving betreffende persoonlijke en individuele pensioenproducten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de desbetreffende toepasselijke evenredigheidscriteria zoals omvang, interne organisatie en de aard, reikwijdte en complexiteit van de werkzaamheden in kwestie. Het is evenwel passend om tot meer transparantie, in kwalitatieve of kwantitatieve termen, te komen met betrekking tot het beloningsbeleid van financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs, in verband met hun beleggings- of verzekeringsadvies, waarin een gezond en doeltreffend risicobeheer met betrekking tot duurzaamheidsrisico's wordt gepromoot, terwijl de beloningsstructuur niet aanzet tot het nemen van buitensporige risico's in verband met duurzaamheidsrisico's en gepaard gaat met aan de risico's aangepaste prestaties.

(8)  Om de transparantie te vergroten en de eindbeleggers te informeren, moet de toegang tot informatie over de wijze waarop wezenlijke of waarschijnlijk wezenlijke relevante duurzaamheidsrisico's door financiëlemarktdeelnemers in de beleggingsbeslissings­procedures, met inbegrip van de organisatie-, risicobeheer- en governanceaspecten, en door financieel adviseurs in de adviesprocedures worden geïntegreerd, worden geregeld door deze entiteiten te verplichten beknopte informatie over deze gedragslijnen op hun website te plaatsen.

(9)  De huidige informatieverschaffingsvereisten in de Uniewetgeving bepalen niet dat alle informatie die nodig is om eindbeleggers naar behoren te informeren over het duurzaam­heidsgerelateerde effect van hun beleggingen via financiële producten die beogen ecolo­gische of sociale kenmerken te omvatten of financiële producten waarmee duurzaam­heidsdoelstellingen worden nagestreefd, moet worden verschaft. Er dienen dan ook specifiekere en meer gestandaardiseerde informatieverschaffingsvereisten ten aanzien van dergelijke beleggingen te worden vastgesteld. Zo moet het algemene duurzaamheids­gerelateerde effect van financiële producten regelmatig worden gerapporteerd aan de hand van indicatoren die relevant zijn voor het meten van de gekozen doelstelling voor duurzaam beleggen. Indien een passende index als referentiebenchmark is aangewezen, moet die informatie ook worden verstrekt voor de aangewezen index en voor een brede marktindex om vergelijking mogelijk te maken. ▌Indien EuSEF-beheerders informatie beschikbaar stellen over het positieve sociale effect dat ▌ een bepaald fonds tot doel heeft, het algemene sociale resultaat en de gerelateerde methoden die worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EU) nr. 346/2013, mogen zij deze informatie, in voorkomend geval, gebruiken ten behoeve van de informatieverschaffing krachtens deze verordening.

(10)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad(19) legt transparantie­verplichtingen op ten aanzien van sociale, milieu- en corporate governance-aspecten in niet-financiële rapportage. De bij deze richtlijnen voorgeschreven vorm en presentatie zijn echter niet altijd geschikt om rechtstreeks door financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs te worden gebruikt in hun betrekkingen met eindbeleggers. De financiëlemarkt­deelnemers en financieel adviseurs moeten de mogelijkheid hebben om voor de toepassing van deze verordening in voorkomend geval gebruik te maken van informatie in bestuurs­verslagen en niet-financiële overzichten overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU.

Indien de krachtens deze verordening verschafte informatie niet aan passende controles wordt onderworpen overeenkomstig het Unierecht of het nationale recht, worden financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs aangemoedigd ervoor te zorgen dat zij over deugdelijke regelingen daarvoor beschikken.

(11)  Om de betrouwbaarheid van de op de websites van financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs gepubliceerde informatie te garanderen, moet deze informatie actueel worden gehouden en moet elke herziening of wijziging duidelijk worden toegelicht.

(11a)   Hoewel deze verordening niet de nationale socialezekerheidsstelsels bestrijkt die onder de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 vallen, moet, gezien het feit dat de lidstaten delen van het beheer van verplichte pensioenregelingen binnen hun sociale­zekerheidsstelsels in toenemende mate openstellen voor financiëlemarktdeelnemers of andere privaatrechtelijke entiteiten, en dat zij worden blootgesteld aan duurzaamheids­risico's alsook dat zij ongunstige effecten op de duurzaamheid in aanmerking zouden kunnen nemen of ecologische of sociale kenmerken zouden kunnen promoten of duurzame beleggingen zouden kunnen nastreven, net zoals financiëlemarktdeelnemers, en andere financiële producten, de lidstaten worden toegestaan deze verordening toe te passen, teneinde informatieasymmetrieën in principaal-agent-relaties te verminderen.

Deze verordening belet de lidstaten niet om alleen voor financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs met hoofdkantoor op hun grondgebied strengere bepalingen vast te stellen of te handhaven met betrekking tot informatieverschaffing over gedragslijnen inzake aanpassing aan de klimaatverandering en aanvullende informatieverschaffing aan eindbeleggers over duurzaamheidsrisico's. Dergelijke voorschriften mogen echter geen belemmering vormen voor de effectieve toepassing van deze verordening of de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, en moeten in ieder geval voldoen aan de bepalingen van het Verdrag.

(12)  Overeenkomstig Richtlijn (EU) 2016/2341 moeten IBPV's ervoor zorgen dat de regels inzake governance en risicobeheer reeds op hun beleggingsbeslissingen en de risico­beoordelingen van toepassing zijn om continuïteit en regelmatigheid te waarborgen ▌. De beleggingsbeslissingen en de beoordeling van relevante risico's, met inbegrip van ecolo­gische, sociale en governancerisico's, moeten op zodanige wijze tot stand komen dat de belangen van deelnemers en begunstigden van IBPV's worden gehonoreerd. De Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen ("Eiopa") dient richtsnoeren af te geven waarbij nader wordt bepaald hoe in beleggingsbeslissingen en risicobeoordelingen van IBPV's rekening wordt gehouden met ecologische, sociale en governancerisico's uit hoofde van Richtlijn (EU) 2016/2341.

(13)  De Europese Bankautoriteit ("EBA"), de Eiopa en de Europese Autoriteit voor effecten en markten ("ESMA") (tezamen "ETA's" genoemd), opgericht bij respectievelijk Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad(20), Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad(21) en Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad(22), moeten via het Gemengd Comité technische reguleringsnormen ontwikkelen waarin nadere regels worden vastgesteld voor de inhoud, methodes en presentatie ▌van informatie in verband met duurzaamheids­indicatoren voor het klimaat en andere milieugerelateerde ongunstige effecten en sociale en werkgelegenheidszaken, eerbiediging van de mensenrechten, en bestrijding van corruptie en omkoping, en voor de presentatie en inhoud van de informatie over het promoten van ecologische of sociale kenmerken en doelstellingen voor duurzaamheids­beleggingen die overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010 in precontractuele documenten, jaarlijkse periodieke verslagen en op websites van financiëlemarktdeelnemers moet worden verschaft. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden toegekend om deze technische reguleringsnormen vast te stellen.

(14)  Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden toegekend om technische uitvoerings­normen vast te stellen die ontwikkeld zijn door de ETA's via het Gemengd Comité, door middel van uitvoeringshandelingen ingevolge artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 en artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, om de standaard­presentatie van het promoten van ecologische of sociale kenmerken en duurzame beleggingen met betrekking tot publicitaire mededelingen vast te stellen.

(15)  Aangezien in periodieke verslagen de bedrijfsresultaten in principe voor een volledig kalenderjaar worden samengevat, dient de toepassing van de bepalingen van deze verordening op transparantievereisten in periodieke verslagen te worden uitgesteld tot ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 1 januari van het jaar volgende op de datum bedoeld in artikel 12, tweede alinea].

(16)  De in deze verordening vervatte informatieverschaffingsregels moeten een aanvulling vormen op en van toepassing zijn naast de bepalingen van Richtlijn 2009/65/EG, Richtlijn 2009/138/EG, Richtlijn 2011/61/EU, Richtlijn 2014/65/EU, Richtlijn (EU) 2016/97, Richtlijn (EU) 2016/2341, Verordening (EU) nr. 345/2013, Verordening (EU) nr. 346/2013, Verordening (EU) 2015/760 en Verordening (EU) XYZ [PB: gelieve de verwijzing naar de verordening inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) in te voegen].

(17)  Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend.

(18)  Daar de doelstellingen van deze verordening, namelijk een betere bescherming van eindbeleggers en een betere informatieverschaffing aan hen, ook bij grensoverschrijdende aankopen van eindbeleggers, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar beter op Unieniveau kunnen worden verwezenlijkt omdat uniforme informatie­vereisten op Unieniveau moeten worden vastgesteld, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheids­beginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening stelt geharmoniseerde regels vast voor de transparantie die door financiëlemarkt­deelnemers en financieel adviseurs moet worden toegepast met betrekking tot de integratie van duurzaamheidsrisico's en de inaanmerkingneming van ongunstige effecten op de duurzaamheid in hun procedures, en de verstrekking van duurzaamheidsgerelateerde informatie over financiële producten.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)  "financiëlemarktdeelnemer": een van de volgende soorten deelnemers:

i)  een verzekeringsonderneming die een IBIP beschikbaar stelt ▌;

ia)   een beleggingsonderneming die vermogensbeheer aanbiedt;

ib)   een IBPV ▌;

ic)   een ontwikkelaar van een pensioenproduct;

id)   een abi-beheerder;

ie)   een PEPP-aanbieder;

ii)  een beheerder van een in aanmerking komend durfkapitaalfonds dat overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EU) nr. 345/2013 is geregistreerd;

iii)  een beheerder van een in aanmerking komend sociaalondernemerschapsfonds dat overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 346/2013 is geregistreerd;

iv)  een icbe-beheermaatschappij;

v)   een kredietinstelling die vermogensbeheer aanbiedt;

b)  "verzekeringsonderneming": een verzekeringsonderneming waaraan overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2009/138/EG een vergunning is verleend;

c)  "IBIP": een van de volgende soorten producten:

i)  een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct in de zin van artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad(23);

ii)  een aan een professionele belegger ter beschikking gesteld verzekeringsproduct, waarmee een waarde op vervaldag of een afkoopwaarde wordt aangeboden, waarbij die waarde op vervaldag of afkoopwaarde geheel of gedeeltelijk is blootgesteld, direct of indirect, aan marktfluctuaties;

d)  "abi-beheerder": een abi-beheerder in de zin van artikel 4, lid 1, punt b), van Richtlijn 2011/61/EU;

e)  "beleggingsonderneming": een beleggingsonderneming in de zin van artikel 4, lid 1, punt 1, van Richtlijn 2014/65/EU;

f)  "vermogensbeheer": vermogensbeheer in de zin van artikel 4, lid 1, punt 8, van Richtlijn 2014/65/EU;

g)  "IBPV": een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn (EU) 2016/2341 over een vergunning beschikt of in een register is ingeschreven, tenzij een lidstaat ervoor heeft gekozen artikel 5 van die richtlijn toe te passen, of een IBPV pensioenregelingen uitvoert die tezamen in totaal minder dan 15 deelnemers hebben;

h)  "pensioenproduct": een van de volgende soorten producten:

i)  een pensioenproduct als bedoeld in artikel 2, lid 2, punt e), van Verordening (EU) nr. 1286/2014;

ii)  een individueel pensioenproduct als bedoeld in artikel 2, lid 2, punt g), van Verordening (EU) nr. 1286/2014;

ha)   "pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP)": een product als bedoeld in artikel 2, lid 2, van [Publicatiebureau: gelieve de verwijzing naar de verordening van het Europees Parlement en de Raad inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) in te voegen];

i)  "icbe-beheermaatschappij": een beheermaatschappij in de zin van artikel 2, lid 1, punt b), van Richtlijn 2009/65/EG of een beleggingsmaatschappij waaraan overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG een vergunning is verleend en die geen beheermaatschappij heeft aangewezen waaraan krachtens die richtlijn een vergunning is verleend voor het beheer ervan;

ib)   "financieel adviseur": een verzekeringstussenpersoon die verzekeringsadvies met betrekking tot IBIP's aanbiedt, een verzekeringsonderneming die verzekeringsadvies met betrekking tot IBIP's aanbiedt, een kredietinstelling die beleggingsadvies aanbiedt, een beleggingsonderneming die beleggingsadvies aanbiedt, een abi-beheerder die beleggingsadvies aanbiedt overeenkomstig artikel 6, lid 4, punt b), i), van Richtlijn 2011/61/EU, of een icbe-beheermaatschappij die beleggingsadvies aanbiedt overeenkomstig artikel 6, lid 3, punt b), i), van Richtlijn 2009/65/EG;

j)  "financieel product": een van de volgende soorten producten:

i)   een portefeuille die overeenkomstig punt f) van dit lid wordt beheerd,

ii)   een abi,

iii)   een IBIP,

iv)   een pensioenproduct,

iv)   een pensioenregeling ▌,

v)   een icbe,

vi)   een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct;

k)  "abi": een abi in de zin van artikel 4, lid 1, punt a), van Richtlijn 2011/61/EU;

l)  "pensioenregeling": een pensioenregeling in de zin van artikel 6, punt 2, van Richtlijn (EU) 2016/2341;

m)  "icbe": een instelling voor collectieve belegging in effecten die is toegelaten overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/65/EG;

n)  "beleggingsadvies": beleggingsadvies in de zin van artikel 4, lid 1, punt 4, van Richtlijn 2014/65/EU;

o)  "duurzame beleggingen": een van de volgende vormen of een combinatie van een van de volgende vormen van beleggingen:

i)  beleggingen in een economische activiteit die bijdragen tot het bereiken van een milieudoelstelling, zoals gemeten aan de hand van belangrijke hulpbronnen­efficiëntie-indicatoren voor het gebruik van energie, hernieuwbare energie, grondstoffen, water en land, voor de productie van afval, en broeikasgasemissies, en voor het effect op de biodiversiteit en de circulaire economie;

ii)  beleggingen in een economische activiteit die bijdragen tot de verwezenlijking van een sociale doelstelling, met name beleggingen die bijdragen tot de aanpak van ongelijkheid, die de sociale samenhang, de sociale integratie en de arbeids­verhoudingen bevorderen, of beleggingen in menselijk kapitaal of in economisch of sociaal achtergestelde gemeenschappen;

mits de beleggingen geen ernstige afbreuk doen aan die doelstellingen en de onder­nemingen waarin is belegd, praktijken op het gebied van goed bestuur volgen, ▌ met name wat betreft goede managementstructuren ▌, betrekkingen met hun werknemers, beloning van het betrokken personeel en naleving van de belastingwetgeving;

p)  "retailbelegger": een belegger die geen professionele belegger is;

q)  "professionele belegger": een cliënt die voldoet aan de criteria van bijlage II bij Richtlijn 2014/65/EU;

r)  "verzekeringstussenpersoon": een verzekeringstussenpersoon in de zin van artikel 2, lid 1, punt 3, van Richtlijn (EU) 2016/97;

s)  "verzekeringsadvies": advies in de zin van artikel 2, lid 1, punt 15, van Richtlijn (EU) 2016/97;

t)   "duurzaamheidsrisico": een gebeurtenis of omstandigheid op ecologisch, sociaal of governancegebied die, indien ze zich voordoet, een werkelijk of mogelijk wezenlijk negatief effect op de waarde van de belegging kan veroorzaken dat voortvloeit uit een ongunstig effect op de duurzaamheid;

u)   "Eltif": een Europese langetermijnbeleggingsinstelling waaraan overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EU) 2015/760 een vergunning is verleend.

v)   "duurzaamheidsfactoren": ecologische, sociale en werkgelegenheidszaken, eerbiediging van de mensenrechten, en bestrijding van corruptie en omkoping.

Artikel 3

Transparantie van de gedragslijnen inzake duurzaamheidsrisico's

1.  Financiëlemarktdeelnemers publiceren op hun website informatie over hun gedragslijnen inzake de integratie van duurzaamheidsrisico's in hun beleggingsbeslissingsprocedure.

2.  Financieel adviseurs publiceren op hun website informatie over hun gedragslijnen inzake de integratie van duurzaamheidsrisico's in hun beleggingsadvies of verzekeringsadvies.

Artikel 3gamma

Transparantie van ongunstige effecten op de duurzaamheid op entiteitsniveau

1.   Financiëlemarktdeelnemers publiceren en handhaven op hun website de volgende informatie, naargelang het geval:

a)   indien zij de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen, een verklaring over zorgvuldig­heidsgedragslijnen met betrekking tot die belangrijkste ongunstige effecten, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de omvang, de aard en de schaal van hun activiteiten en de soorten financiële producten die zij aanbieden;

b)   indien zij ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheids­factoren niet in aanmerking nemen, duidelijke redenen daarvoor en, indien relevant, informatie over de vraag of en wanneer zij voornemens zijn die ongunstige effecten wel in aanmerking te nemen.

2.   De overeenkomstig lid 1, punt a), verstrekte informatie omvat ten minste het volgende:

a)   informatie over gedragslijnen inzake de vaststelling en prioritering van de belangrijkste ongunstige effecten op de duurzaamheid en indicatoren;

b)   een beschrijving van de belangrijkste ongunstige effecten op de duurzaamheid en van de genomen en, indien relevant, geplande maatregelen;

c)   indien van toepassing, een kort overzicht van het betrokkenheidsbeleid overeenkomstig artikel 3 octies van Richtlijn 2007/36/EG;

d)   een verwijzing naar de naleving van gedragscodes voor verantwoord ondernemen en internationaal erkende normen voor zorgvuldigheid en verslaglegging en, indien relevant, de mate van afstemming op de langetermijndoelstellingen inzake aardopwarming van de Klimaatovereenkomst van Parijs.

3.   In afwijking van lid 1 publiceren en handhaven financiëlemarktdeelnemers die op hun balansdatum het criterium van het gemiddeld aantal van 500 werknemers in het boekjaar overschrijden, vanaf [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] op hun website een verklaring inzake zorgvuldigheidsgedragslijnen met betrekking tot de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren.

De in de eerste alinea bedoelde verklaring omvat ten minste de informatie bedoeld in lid 2, punten a) tot en met d).

4.   In afwijking van lid 1 publiceren en handhaven financiëlemarktdeelnemers die moederondernemingen zijn van een grote groep als bedoeld in artikel 3, lid 7, van Richtlijn 2013/34/EU en die op hun balansdatum, op geconsolideerde basis, het criterium van het gemiddeld aantal van 500 werknemers in het boekjaar overschrijden, vanaf [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] op hun website een verklaring inzake zorgvuldigheidsgedragslijnen met betrekking tot de belangrijkste ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren.

De in de eerste alinea bedoelde verklaring omvat ten minste de informatie bedoeld in lid 2, punten a) tot en met d).

5.   Financieel adviseurs publiceren en handhaven op hun website, naargelang het geval:

a)   informatie over de vraag of zij, terdege rekening houdend met de omvang, de aard en de schaal van hun activiteiten en de soorten financiële producten waarover zij advies verstrekken, in hun beleggings- of verzekeringsadvies de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren in aanmerking nemen;

b)   informatie over de vraag waarom zij in hun beleggings- of verzekeringsadvies ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren niet in aanmerking nemen en, indien relevant, informatie over de vraag of en wanneer zij voornemens zijn die ongunstige effecten wel in aanmerking te nemen.

6.   Uiterlijk op ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] ontwikkelen de EBA, de Eiopa en de ESMA, met betrekking tot duurzaamheidsindicatoren in verband met klimaat- en andere milieu­gerelateerde ongunstige effecten, via het Gemengd Comité technische reguleringsnormen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, die zij achteraf regelmatig actualiseren wat betreft inhoud, methodes en presentatie van de informatie als bedoeld in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel.

De EBA, de Eiopa en de ESMA verzoeken, indien relevant, het Europees Milieuagentschap en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie om bijdragen.

7.   Uiterlijk op ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] ontwikkelen de EBA, de Eiopa en de ESMA, met betrekking tot duurzaamheidsindicatoren in verband met ongunstige effecten op het gebied van sociale en werkgelegenheidszaken, eerbiediging van de mensenrechten en bestrijding van corruptie en omkoping, via het Gemengd Comité technische regulerings­normen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010, die zij achteraf regelmatig actualiseren wat betreft inhoud, methodes en presentatie van de informatie als bedoeld in de leden 1 tot en met 5 van dit artikel.

Artikel 3a

Transparantie van het beloningsbeleid met betrekking tot de integratie van duurzaamheidsrisico's

1.   Financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs nemen in hun beloningsbeleid informatie op over de wijze waarop hun beloningsbeleid spoort met de integratie van duurzaamheidsrisico's, en publiceren die informatie op hun website.

2.   De in lid 1 bedoelde verschafte informatie wordt opgenomen in het beloningsbeleid dat financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs dienen vast te stellen en te handhaven overeenkomstig de sectorale regelgeving, in het bijzonder de Richtlijnen 2009/65/EG, 2009/138/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU, 2014/65/EU, (EU) 2016/97 en (EU) 2016/2341.

Artikel 4

Transparantie van de integratie van duurzaamheidsrisico's

1.  Financiëlemarktdeelnemers nemen bij de precontractuele informatieverschaffing beschrijvingen op van het volgende:

a)  de wijze waarop duurzaamheidsrisico's in hun beleggingsbeslissingen worden geïntegreerd, en

b)  het resultaat van de beoordeling van de waarschijnlijke effecten van duurzaamheidsrisico's ▌ op het rendement van de financiële producten ▌.

Wanneer duurzaamheidsrisico's niet relevant worden geacht, wordt in de in de punten a) en b) bedoelde beschrijvingen duidelijk en beknopt uitgelegd waarom ze niet relevant zijn.

2.  Financieel adviseurs nemen bij de precontractuele informatieverschaffing beschrijvingen op van het volgende:

a)  de wijze waarop duurzaamheidsrisico's in hun beleggings- ▌of verzekeringsadvies worden geïntegreerd, en

b)  het resultaat van de beoordeling van de waarschijnlijke effecten van duurzaamheidsrisico's ▌ op het rendement van de financiële producten ▌.

Wanneer duurzaamheidsrisico's niet relevant worden geacht, wordt in de in de punten a) en b) bedoelde beschrijvingen duidelijk en beknopt uitgelegd waarom ze niet relevant zijn.

3.  De in de leden 1 en ▌2 bedoelde informatie dient als volgt te worden verschaft:

a)  voor abi-beheerders, bij de informatieverschaffing aan beleggers bedoeld in artikel 23, lid 1, van Richtlijn 2011/61/EU;

b)  voor verzekeringsondernemingen, bij de informatieverschaffing bedoeld in artikel 185, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EU of, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/97;

c)  voor IBPV's, bij de informatieverschaffing bedoeld in artikel 41 van Richtlijn (EU) 2016/2341;

d)  voor beheerders van in aanmerking komende durfkapitaalfondsen, bij de informatieverschaffing bedoeld in artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 345/2013;

e)  voor beheerders van in aanmerking komende sociaalondernemerschapsfondsen, bij de informatieverschaffing bedoeld in artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 346/2013;

f)  voor ontwikkelaars van pensioenproducten, tijdig schriftelijk voordat een retail­belegger gebonden is aan een overeenkomst met betrekking tot een pensioenproduct;

g)  voor icbe-beheermaatschappijen, in het prospectus bedoeld in artikel 69 van Richtlijn 2009/65/EG;

h)  voor beleggingsondernemingen die vermogensbeheer of beleggingsadvies aanbieden, overeenkomstig artikel 24, lid 4, van Richtlijn 2014/65/EU;

ha)   voor kredietinstellingen die vermogensbeheer of beleggingsadvies aanbieden, overeenkomstig artikel 24, lid 4, van Richtlijn 2014/65/EU;

i)  voor verzekeringstussenpersonen en verzekeringsondernemingen die verzekerings­advies met betrekking tot IBIP's aanbieden, en voor verzekeringstussenpersonen die verzekeringsadvies aanbieden met betrekking tot pensioenproducten welke aan marktfluctuaties zijn blootgesteld, overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Richtlijn (EU) 2016/97;

j)   voor abi-beheerders van Eltif's, in het prospectus bedoeld in artikel 23 van Verordening (EU) 2015/760;

k)   voor PEPP-aanbieders, in het essentiële-informatiedocument bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) XYZ [PB: gelieve de verwijzing naar de verordening inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) in te voegen].

Artikel 4 gamma

Transparantie van ongunstige effecten op de duurzaamheid op financieelproductniveau

1.   Uiterlijk ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 36 maanden na de inwerkingtreding van deze verordening] omvat, indien een financiëlemarktdeelnemer artikel 3γ, lid 1, punt a), lid 3 of lid 4, toepast, de informatieverschaffing bedoeld in artikel 4, lid 3, punten a) tot en met k), voor elk financieel product het volgende:

a)   een duidelijke en gemotiveerde toelichting bij de vraag of, en, zo ja, hoe bij een financieel product de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren in aanmerking worden genomen;

b)   een verklaring dat informatie over de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren beschikbaar is in de overeenkomstig artikel 7, lid 2, punten a) tot en met j), te verschaffen informatie.

Indien de in artikel 7, lid 2, punten a) tot en met j), bedoelde informatie een kwantificering van de belangrijkste ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren bevat, mag die informatie berusten op de bepalingen van de overeenkomstig artikel 3γ, leden 6 en 7, vastgestelde technische reguleringsnormen.

2.   Indien een financiëlemarktdeelnemer artikel 3γ, lid 1, punt b), toepast, omvat de informatieverschaffing bedoeld in artikel 4, lid 3, punten a) tot en met k), voor elk financieel product een verklaring dat de financiëlemarktdeelnemer de ongunstige effecten van beleggingsbeslissingen op duurzaamheidsfactoren niet in aanmerking neemt, samen met een gemotiveerde toelichting daarbij.

Artikel 4a

Transparantie van het promoten van ecologische of sociale kenmerken in precontractuele informatieverschaffing

1.   Wanneer een financieel product, naast andere kenmerken, het promoten van ecologische of sociale kenmerken - of een combinatie daarvan - beoogt, voor zover de ondernemingen waarin is belegd praktijken op het gebied van goed bestuur volgen, omvat de krachtens artikel 4, leden 1 en 3, te verschaffen informatie het volgende:

a)   informatie over de wijze waarop aan die kenmerken wordt voldaan;

b)   indien er een index als referentiebenchmark is aangewezen, informatie over de vraag of en hoe deze index consistent is met die kenmerken.

2.   Financiëlemarktdeelnemers geven in de krachtens artikel 4, leden 1 en 3, te verschaffen informatie aan waar de methode die is gebruikt voorde berekening van de in lid 1 van dit artikel bedoelde indexen te vinden is.

3.   De Europese Bankautoriteit (EBA), de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (Eiopa) en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) ontwikkelen via het Gemengd Comité van de Europese toezichthoudende autoriteiten ("Gemengd Comité") ontwerpen van technische reguleringsnormen om nadere regels vast te stellen voor de presentatie en inhoud van de informatie die krachtens dit artikel moet worden verschaft.

Bij het ontwikkelen van de ontwerpen van technische reguleringsnormen houden de EBA, de Eiopa en de ESMA rekening met de verschillende soorten financiële producten, de kenmerken daarvan als bedoeld in lid 1, en de verschillen daartussen, en met het doel van nauwkeurige, eerlijke, duidelijke, niet misleidende, eenvoudige en beknopte informatieverschaffing.

De EBA, de Eiopa en de ESMA dienen die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 12 maanden na de datum van inwerkingtreding] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea van dit lid bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 5

Transparantie van duurzame beleggingen in precontractuele informatieverschaffing

1.  Indien een financieel product duurzame beleggingen tot doel heeft ▌ en een index als referentiebenchmark is aangewezen, gaat de overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 3, te verschaffen informatie vergezeld van het volgende:

a)  informatie over de wijze waarop de aangewezen index is afgestemd op dat doel;

b)  een toelichting waarom ▌ en hoe de aangewezen index die op dat doel is afgestemd, verschilt van een brede marktindex.

2.  Indien een financieel product duurzame beleggingen tot doel heeft ▌ en er geen index als referentiebenchmark is aangewezen, omvat de in artikel 4, leden 1 en 3, bedoelde informatie een toelichting over de wijze waarop dat doel wordt bereikt.

3.  Indien een financieel product de vermindering van koolstofemissies tot doel heeft, omvat de overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 3, te verschaffen informatie het doel van lage koolstofemissieblootstelling met het oog op het bereiken van de langetermijn­doelstellingen inzake aardopwarming van de Klimaatovereenkomst van Parijs.

In afwijking van lid 2 omvat de in artikel 4 bedoelde informatie, indien geen ▌EU-klimaattransitiebenchmark of op Parijs afgestemde EU-benchmark ▌ overeen­komstig Verordening (EU) 2016/1011 beschikbaar is, een gedetailleerde toelichting van de wijze waarop de voortgezette inspanning om het doel van vermindering van de koolstof­emissies te bereiken, wordt gewaarborgd, zulks met het oog op het bereiken van de langetermijndoelstellingen inzake aardopwarming van de Klimaatovereenkomst van Parijs.

4.  Financiëlemarktdeelnemers geven in de krachtens artikel 4, leden 1 en 3, te verschaffen informatie aan waar de methode die is gebruikt voor de berekening van de indexen bedoeld in lid 1 van dit artikel en de benchmarks bedoeld in lid 3, tweede alinea, van dit artikel te vinden is.

5.  De EBA, de Eiopa en de ESMA ontwikkelen via het Gemengd Comité ontwerpen van technische reguleringsnormen om nadere regels vast te stellen voor de presentatie en inhoud van de informatie die krachtens dit artikel moet worden verschaft.

Bij het ontwikkelen van de ontwerpen van technische reguleringsnormen houden de EBA, de Eiopa en de ESMA rekening met de verschillende soorten financiële producten, de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde doelen daarvan, en de verschillen daartussen, en met het doel van nauwkeurige, eerlijke, duidelijke, niet misleidende, eenvoudige en beknopte informatieverschaffing.

De EBA, de Eiopa en de ESMA dienen die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 12 maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, (EU) nr. 1094/2010 en (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 6

Transparantie van het promoten van ecologische of sociale kenmerken en van duurzame beleggingen op websites

1.   Financiëlemarktdeelnemers publiceren en handhaven op hun website voor elk financieel product als bedoeld in artikel 4a, lid 1, en artikel 5, leden 1, 2 en 3, het volgende:

a)   een beschrijving van de ecologische of sociale kenmerken of van de doelstelling inzake duurzame beleggingen;

b)   informatie over de methoden die worden gebruikt om de ecologische of sociale kenmerken of het effect van de voor het financiële product geselecteerde duurzame beleggingen te beoordelen, te meten en te monitoren, met inbegrip van de gegevensbronnen, de criteria voor de screening van de onderliggende activa en de relevante duurzaamheidsindicatoren die worden gebruikt om de ecologische of sociale kenmerken of het algemene duurzame effect van het financiële product te meten;

c)   de informatie bedoeld in de artikelen 4a en 5;

d)   de informatie bedoeld in artikel 7.

De krachtens de eerste alinea te verschaffen informatie is duidelijk, bondig en begrijpelijk voor beleggers. Ze wordt op nauwkeurige, eerlijke, duidelijke, niet-misleidende, eenvoudige en beknopte wijze en op een prominente, gemakkelijk toegankelijke plaats van de website bekendgemaakt.

2.   De EBA, de Eiopa en de ESMA ontwikkelen via het Gemengd Comité ontwerpen van technische reguleringsnormen om nadere regels vast te stellen voor de inhoud van de in lid 1, eerste alinea, punten a) en b), bedoelde informatie, en de in lid 1, tweede alinea, bedoelde vereisten inzake presentatie.

Bij het ontwikkelen van de ontwerpen van technische reguleringsnormen houden de EBA, de Eiopa en de ESMA rekening met de verschillende soorten financiële producten, de kenmerken en doelstellingen daarvan als bedoeld in lid 1, en de verschillen daartussen. De EBA, de Eiopa en de ESMA actualiseren de technische reguleringsnormen in het licht van de ontwikkelingen op het gebied van regelgeving en technologie.

De EBA, de Eiopa en de ESMA dienen die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 12 maanden na de datum van inwerkingtreding] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, Verordening (EU) nr. 1094/2010 en Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 7

Transparantie van het promoten van ecologische of sociale kenmerken en van duurzame beleggingen in periodieke verslagen

1.  Indien financiëlemarktdeelnemers een financieel product beschikbaar stellen als bedoeld in artikel 4a, lid 1, en artikel 5, leden 1, 2 en 3, nemen zij in periodieke verslagen een beschrijving op van het volgende:

a)  voor een financieel product als bedoeld in artikel 4a, lid 1, de mate waarin aan de ecologische of sociale kenmerken is voldaan;

b)  voor een financieel product als bedoeld in artikel 5, leden 1, 2 en 3,

i)   het algemene duurzaamheidsgerelateerde effect van het financiële product aan de hand van relevante duurzaamheidsindicatoren, of

ii)   indien een index als referentiebenchmark is aangewezen, een vergelijking tussen het algemene effect van het financieel product met de aangewezen index en een brede marktindex aan de hand van duurzaamheidsindicatoren.

2.  De in lid 1 bedoelde informatie wordt als volgt verschaft:

a)  voor abi-beheerders, in het in artikel 22 van Richtlijn 2011/61/EU bedoelde jaarverslag;

b)  voor verzekeringsondernemingen, jaarlijks schriftelijk overeenkomstig artikel 185, lid 6, van Richtlijn 2009/138/EG;

c)  voor IBPV's, in het jaarverslag bedoeld in artikel 29 van Richtlijn (EU) 2016/2341;

d)  voor beheerders van in aanmerking komende durfkapitaalfondsen, in het jaarverslag bedoeld in artikel 12 van Verordening (EU) nr. 345/2013;

e)  voor beheerders van in aanmerking komende sociaalondernemerschapsfondsen, in het jaarverslag bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 346/2013;

f)  voor ontwikkelaars van pensioenproducten, schriftelijk ▌in jaarverslagen of in verslagen overeenkomstig het nationale recht;

g)  voor icbe-beheermaatschappijen, in jaarverslagen als bedoeld in artikel 69 van Richtlijn 2009/65/EG;

h)  voor beleggingsondernemingen die vermogensbeheer aanbieden, in een periodiek verslag als bedoeld in artikel 25, lid 6, van Richtlijn 2014/65/EU;

i)   voor kredietinstellingen die vermogensbeheer aanbieden, in een periodiek verslag als bedoeld in artikel 25, lid 6, van Richtlijn 2014/65/EU;

j)   voor PEPP-aanbieders, in een PEPP-overzicht als bedoeld in artikel 36 van Verordening (EU) XYZ [PB: gelieve de verwijzing naar de verordening inzake een pan-Europees persoonlijk pensioenproduct (PEPP) in te voegen].

3.  Voor de toepassing van lid 1 mogen financiëlemarktdeelnemers de informatie in bestuursverslagen overeenkomstig artikel 19 of de informatie in niet-financiële verklaringen overeenkomstig artikel 19 bis van Richtlijn 2013/34/EU in voorkomend geval gebruiken.

4.  De EBA, de Eiopa en de ESMA ontwikkelen via het Gemengd Comité ontwerpen van technische reguleringsnormen om nadere regels vast te stellen voor de inhoud en presentatie van de in lid 1 bedoelde informatie.

Bij het ontwikkelen van de ontwerpen van technische reguleringsnormen houden de EBA, de Eiopa en de ESMA rekening met de verschillende soorten financiële producten, de kenmerken en doelstellingen daarvan als bedoeld in lid 1, en de verschillen daartussen. De EBA, de Eiopa en de ESMA actualiseren de technische reguleringsnormen in het licht van de ontwikkelingen op regelgevings- en technologiegebied.

De EBA, de Eiopa en de ESMA dienen die ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 12 maanden na de datum van inwerkingtreding] in bij de Commissie.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, ▌(EU) nr. 1094/2010 en ▌ (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 8

Herziening van informatie

1.  Financiëlemarktdeelnemers dragen er zorg voor dat alle overeenkomstig artikel 3, artikel 3a of artikel 6 bekendgemaakte informatie actueel wordt gehouden. Indien een financiële­marktdeelnemer die informatie wijzigt, wordt op dezelfde website een duidelijke toelichting op die wijziging gepubliceerd.

2.  Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op financieel adviseurs met betrekking tot alle overeenkomstig artikel 3 en artikel 3a bekendgemaakte informatie.

Artikel 9

Publicitaire mededelingen

1.  Onverminderd strengere sectorale wetgeving, met name de Richtlijnen 2009/65/EG, ▌ 2014/65/EU en ▌ (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 1286/2014, zorgen financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs ervoor dat hun publicitaire mededelingen niet in strijd zijn met de overeenkomstig deze verordening verschafte informatie.

2.  De EBA, de Eiopa en de ESMA kunnen via het Gemengd Comité ontwerpen van technische uitvoeringsnormen ontwikkelen om de standaardpresentatie van informatie over het promoten van ecologische of sociale kenmerken en over duurzame beleggingen te bepalen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend om de technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010, ▌(EU) nr. 1094/2010 en ▌(EU) nr. 1095/2010.

Artikel 9a

Bevoegde autoriteiten

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat overeenkomstig sectorale regelgeving aangewezen bevoegde autoriteiten, met name die bedoeld in artikel 4, lid 3, punten a) tot en met j), en Richtlijn 2013/36/EU, ook toezien op de naleving van de eisen die bij deze verordening aan financiëlemarktdeelnemers en financieel adviseurs worden opgelegd. De bevoegde autoriteiten beschikken over alle toezichts- en onderzoeksbevoegdheden die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van hun functies in het kader van deze verordening.

2.   Voor de toepassing van deze verordening werken de bevoegde autoriteiten samen en verstrekken ze elkaar zonder onnodige vertraging de informatie die voor het uitvoeren van hun taken in het kader van deze verordening en voor het uitoefenen van hun bevoegdheden relevant is.

Artikel 9b

Transparantie van IBPV's en verzekeringstussenpersonen

1.   IBPV's publiceren en handhaven de informatie bedoeld in artikel 3, artikel 3a, artikel 3gamma en artikel 4gamma, artikel 4 en artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a) tot en met d), overeenkomstig artikel 36, lid 2, punt f), van Richtlijn (EU) 2016/2341.

2.   Verzekeringstussenpersonen verstrekken de informatie bedoeld in artikel 3, artikel 3a, artikel 3gamma, lid 5, artikel 4 en artikel 6, lid 1, eerste alinea, punten a) tot en met d), overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn (EU) 2016/97.

Artikel 9c

Pensioenproducten die onder de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 vallen

1.   De lidstaten kunnen beslissen deze verordening toe te passen op ontwikkelaars van pensioenproducten die nationale socialezekerheidsregelingen beheren welke onder de Verordeningen (EG) nr. 883/2004 en (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad vallen. In dergelijke gevallen zijn onder ontwikkelaars van pensioenproducten als bedoeld in artikel 2, punt a), ook ontwikkelaars van pensioenproducten begrepen die nationale socialezekerheidsregelingen en pensioenproducten als bedoeld in artikel 2, punt h), beheren. Pensioenproducten als bedoeld in artikel 2, punt h), omvatten in dat geval ook de in de eerste zin bedoelde pensioenproducten.

2.   De lidstaten stellen de Commissie, de EBA, de Eiopa en de ESMA in kennis van de in lid 1 bedoelde beslissingen.

Artikel 9d

Vrijstellingen

1.   Deze verordening is niet van toepassing op verzekeringstussenpersonen die verzekerings­advies met betrekking tot IBIP's aanbieden en beleggingsondernemingen die beleggings­advies aanbieden die ondernemingen zijn ongeacht hun rechtsvorm, met inbegrip van natuurlijke personen en zelfstandigen, mits zij minder dan drie werknemers hebben.

2.  De lidstaten kunnen beslissen deze verordening toe te passen op verzekerings­tussenpersonen die verzekeringsadvies met betrekking tot IBIP's aanbieden en beleggingsondernemingen die beleggingsadvies aanbieden als bedoeld in lid 1.

3.  De lidstaten stellen de Commissie, de EBA, de Eiopa en de ESMA in kennis van de in lid 2 bedoelde beslissingen.

Artikel 9e

Verslaglegging

De EBA, de Eiopa en de ESMA beoordelen de omvang van de vrijwillige informatieverschaffing overeenkomstig artikel 3gamma, lid 1, punt a), en artikel 4gamma, lid 1, punt a). Uiterlijk ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 18 maanden na de datum van toepassing van de artikelen 3gamma en 4gamma] dienen de EBA, de Eiopa en de ESMA bij de Commissie een jaarverslag over beste praktijken in en doen zij aanbevelingen met het oog op vrijwillige verslagleggingsnormen. In het jaarverslag wordt ingegaan op de gevolgen van zorgvuldigheids­praktijken met betrekking tot informatieverschaffing overeenkomstig deze verordening en worden richtsnoeren ter zake afgegeven. Dit verslag wordt openbaar gemaakt en wordt toegezonden aan het Europees Parlement en de Raad.

Artikel 11

Evaluatie

Uiterlijk op ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 36 maanden na de datum van inwerkingtreding] evalueert de Commissie de toepassing van deze verordening, en met name:

a)   bekijkt zij of de verwijzing naar het gemiddeld aantal werknemers in artikel 3γ, leden 3 en 4, moet worden gehandhaafd, moet worden vervangen, of vergezeld moet gaan van andere criteria, en weegt zij de voordelen en de evenredigheid van de bijbehorende administratieve lasten af;

b)   bekijkt zij of de werking van deze verordening niet wordt gehinderd door het ontbreken van gegevens of de suboptimale kwaliteit daarvan, met inbegrip van indicatoren over ongunstige effecten op duurzaamheidsfactoren van ondernemingen waarin is belegd.

Het verslag gaat zo nodig vergezeld van wetgevingsvoorstellen.

Artikel 12

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing vanaf ... [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 15 maanden na de datum van bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie].

Artikel 3gamma, leden 6 en 7, artikel 4a, lid 3, artikel 5, lid 5, artikel 6, lid 2, artikel 7, lid 4, en artikel 9, lid 2, ▌ zijn evenwel van toepassing met ingang van [Publicatiebureau: gelieve de datum van inwerkingtreding in te voegen] en artikel 7, leden 1 tot en met 3, is van toepassing met ingang van [Publicatiebureau: gelieve de datum in te voegen: 1 januari van het jaar volgende op de in de tweede alinea bedoelde datum].

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te ,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1)* AAN DEZE TEKST IS IN JURIDISCH-TAALKUNDIG OPZICHT NOG NIET DE LAATSTE HAND GELEGD.
(2)PB C van , blz. .
(3)PB C van , blz. .
(4) Standpunt van het Europees Parlement van 18 april 2019.
(5)Onze wereld transformeren: Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling (VN 2015).
(6)COM(2016)0739.
(7)CO EUR 17, CONCL. 5.
(8)Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).
(9)Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(10)Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).
(11)Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
(12)Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op krediet­instellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(13)Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
(14)Richtlijn (EU) 2016/97 van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (PB L 26 van 2.2.2016, blz. 19).
(15)Richtlijn (EU) 2016/2341 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioen­voorziening (IBPV's) (PB L 354 van 23.12.2016, blz. 37).
(16)Verordening (EU) nr. 345/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende Europese durfkapitaalfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 1).
(17)Verordening (EU) nr. 346/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 inzake Europese sociaalondernemerschapsfondsen (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 18).
(18)Verordening (EU) 2015/760 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende Europese langetermijnbeleggingsinstellingen (PB L 123 van 19.5.2015, blz. 98).
(19)Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).
(20)Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(21)Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).
(22)Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
(23)Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1).

Laatst bijgewerkt op: 29 april 2019Juridische mededeling