Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2536(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B8-0238/2019

Ingediende teksten :

B8-0238/2019

Debatten :

PV 17/04/2019 - 25
CRE 17/04/2019 - 25

Stemmingen :

PV 18/04/2019 - 10.20
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P8_TA(2019)0440

Aangenomen teksten
PDF 136kWORD 51k
Donderdag 18 april 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Onderhandelingen met de Raad en de Commissie over het wetgevingsvoorstel over het enquêterecht van het Europees Parlement
P8_TA-PROV(2019)0440B8-0238/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 18 april 2019 over de onderhandelingen met de Raad en de Commissie over het wetgevingsvoorstel voor een verordening inzake het enquêterecht van het Europees Parlement (2019/2536(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 14, eerste alinea, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU),

–  gezien artikel 226, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien zijn wetgevingsresolutie van 16 april 2014 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement en tot intrekking van Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie(1),

–  gezien de respectieve paragrafen in zijn aanbeveling van 13 december 2017 aan de Raad en de Commissie na de enquête witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (resolutie van PANA, paragrafen 190-200)(2) en zijn aanbeveling van 4 april 2017 aan de Raad en de Commissie naar aanleiding van het onderzoek naar emissiemetingen in de automobielsector (resolutie van EMIS, paragrafen 76-94)(3),

–  gezien het besluit van de Conferentie van voorzitters van 18 september 2014, overeenkomstig artikel 229 van zijn Reglement, om door te gaan met de behandeling in de nieuwe zittingsperiode van bovengenoemd wetgevingsvoorstel voor een verordening inzake het enquêterecht van het Europees Parlement,

–  gezien de drie werkdocumenten(4) van de Commissie constitutionele zaken over bovengenoemd wetgevingsvoorstel,

–  gezien de bezorgdheid van de Raad en de Commissie over dit wetgevingsvoorstel, zoals verwoord in de brief van 4 april 2014 van de secretarissen-generaal van de Raad en de Commissie aan de secretaris-generaal van het Europees Parlement en in de brieven van 28 april 2015 van de eerste vicevoorzitter van de Commissie, van 3 september 2015 van het Luxemburgse voorzitterschap van de Raad, van 13 oktober 2016 van het Slowaakse voorzitterschap van de Raad en van 25 oktober 2018 van het Oostenrijkse voorzitterschap van de Raad aan de voorzitter van de Commissie constitutionele zaken,

–  gezien het plenaire debat van 13 december 2017, en met name de antwoorden van het Estse voorzitterschap van de Raad en de Commissie, naar aanleiding van de vragen met verzoek om mondeling antwoord (artikel 128 van het Reglement) ingediend door Danuta Maria Hübner op 29 november 2017, namens de Commissie constitutionele zaken, aan de Raad en de Commissie inzake het enquêterecht van het Europees Parlement,

–  gezien het debat in de plenaire vergadering van 17 april 2019, naar aanleiding van de vragen met verzoek om mondeling antwoord (artikel 128 van het Reglement) aan de Raad en de Commissie, ingediend door Danuta Maria Hübner op 22 januari 2019, namens de Commissie constitutionele zaken, over het wetgevingsvoorstel voor een verordening inzake het enquêterecht van het Europees Parlement(5),

–  gezien de ontwerpresolutie van de Commissie constitutionele zaken (B8‑0238/2019),

–  gezien artikel 128, lid 5, en artikel 123, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat reeds in het eerste werkdocument dat op 20 januari 2015 door de Commissie constitutionele zaken (AFCO) is goedgekeurd, is aangegeven dat de door de Raad en de Commissie geuite bezorgdheden "op zichzelf geen onoverkomelijk obstakel mogen vormen", waarbij AFCO erkent dat er "alternatieve oplossingen bestaan en flexibelere bewoordingen kunnen worden gebruikt, zodat de patstelling [in verband met de verordening] wordt opgelost", en waarbij AFCO door middel van een voorstel aan het Letse voorzitterschap van de Raad en aan de Commissie aangeeft wat de aangewezen weg is om de onderhandelingen weer op te starten, "eerst op politiek vlak en vervolgens op technisch vlak";

B.  overwegende dat de Raad op dit aanbod heeft geantwoord en bereidheid en inzet heeft getoond om met het Parlement in gesprek te gaan, maar onder de voorwaarde dat het Parlement eerst de problematische en fundamentele bezorgdheden van juridische en institutionele aard zou aanpakken;

C.  overwegende dat AFCO een tweede werkdocument heeft goedgekeurd dat de rapporteur in staat stelt verdere stappen te zetten met de Raad en de Commissie om te onderhandelen over een aanpak van de hierboven vermelde bezorgdheden; overwegende dat dienovereenkomstig een nieuwe onderhandelingsstrategie is aangenomen, en dat op 30 juni 2016 een document in de vorm van een non-paper met een beschrijving van mogelijke oplossingen voor de toekomstige werkwijze, met politieke argumenten, aan de Raad en de Commissie is toegezonden;

D.  overwegende dat de drie instellingen op 10 oktober 2016 hebben besloten om informeel van gedachten te wisselen via de respectieve juridische diensten, teneinde alle juridische en institutionele kwesties verder op te helderen; overwegende dat het Parlement hierdoor de kans heeft gekregen om een herformulering voor de verordening voor te stellen, terwijl de grootste politieke geschilpunten open werden gelaten;

E.  overwegende dat ondanks de resultaten die het juridisch werk heeft opgeleverd, de juridische deskundigen van de juridische diensten van de Commissie en de Raad niet in staat waren het document met de resultaten van het buitengewone werk dat is verricht door de juridische diensten van de drie instellingen formeel te bekrachtigen, hetgeen heeft geleid tot een effectieve stilstand van dit belangrijke dossier; overwegende dat bijgevolg op 13 december 2017 een plenair debat is gehouden op instigatie van AFCO, naar aanleiding van twee vragen met verzoek om mondeling antwoord, waarna AFCO op 3 mei 2018 het voorstel opnieuw heeft geformuleerd in de vorm van een non-paper, bedoeld als formele opvolging van het akkoord dat de AFCO-voorzitter, rapporteur Ramón Jáuregui Atondo, het Slowaakse voorzitterschap van de Raad en de Commissie op 10 oktober 2016 hadden bereikt en waarin was verklaard dat de officiële onderhandelingen pas weer van start zouden kunnen gaan als het voorstel van het Parlement anders zou worden geformuleerd;

F.  overwegende dat de Raad op 25 oktober 2018 heeft geantwoord op de voorgestelde herformulering op basis van het juridische werk dat is verricht door de juridische diensten, de ervaringen van de twee enquêtecommissies (EMIS en PANA) die tijdens deze achtste zittingsperiode zijn ingesteld en het door het Parlement in 2014 aangenomen voorstel; overwegende dat de Raad in zijn antwoord een nieuwe lijst van bezorgdheden heeft geformaliseerd, die verder gaat dan het advies van zijn eigen juridische diensten waarin het tot dusver verrichte werk ter discussie wordt gesteld en de belangrijkste institutionele, moeilijk oplosbare problemen van het Parlement worden opgesomd; is van mening dat de Raad op deze manier geen enkele speelruimte laat voor onderhandelingen, terwijl de non-paper juist bedoeld was om met een nieuwe tekst opnieuw aan de onderhandelingstafel te kunnen gaan zitten en politieke besprekingen te voeren;

G.  overwegende het feit dat een parlement de uitvoerende macht ter verantwoording kan roepen door het instellen van enquêtecommissies met reële bevoegdheden om getuigen op te roepen en documenten op te vragen, hetgeen inherent is aan de aard van een wetgevend orgaan en een fundamentele voorwaarde voor de scheiding der machten en een volwaardige democratie;

H.  overwegende dat alle instellingen van de Europese Unie zich regelmatig hebben verbonden tot loyale samenwerking, waar in het geval van de verordening in kwestie nauwelijks sprake van lijkt te zijn;

1.  spreekt zijn diepe ongenoegen uit over de houding van de Raad (en de Commissie), die na meer dan vier jaar van informele bijeenkomsten, briefwisselingen en uitwisselingen van documenten blijft verhinderen dat er een formele bijeenkomst plaatsvindt om op politiek niveau te bespreken welke oplossingen mogelijk zijn om de vastgestelde problemen te verhelpen, en weigert een politiek mandaat voor het voorzitterschap van de Raad goed te keuren waarmee politieke bijeenkomsten kunnen worden opgestart om de meest controversiële kwesties op te lossen en uit te zoeken of er een overeenkomst kan worden bereikt;

2.  verzoekt zijn Voorzitter de zorgen van het Parlement met betrekking tot het feit dat de Raad en de Commissie zich niet houden aan het beginsel van interinstitutionele samenwerking onder de aandacht van de politieke leiders te brengen;

3.  stelt voor dat de Commissie juridische zaken de haalbaarheid onderzoekt van het aanhangig maken van een zaak bij het Hof van Justitie van de Europese Unie in verband met het beginsel van wederzijdse loyale samenwerking tussen de instellingen (artikel 13, lid 2, van het VEU), en in verband hiermee de schendingen door de Raad van het actuele rechtskader van de enquêtecommissies die zijn ingesteld tijdens deze zittingsperiode (PANA en EMIS) onderzoekt en er verslag over uitbrengt;

4.  benadrukt dat de huidige formulering van de derde alinea van artikel 226, van het VWEU, waarin een "bijzondere wetgevingsprocedure" is vastgelegd en de goedkeuring van de Raad en de Commissie wordt vereist voor de vaststelling van een verordening betreffende het enquêterecht van het Parlement, geen verplichting inhoudt voor de Raad en de Commissie om te onderhandelen, aangezien ze alleen verplicht zijn hun goedkeuring al dan niet te verlenen aan het voorstel van het Parlement, en niet om te onderhandelen met als doel om onderlinge overeenstemming te bereiken;

5.  beveelt aan om in het kader van de wetgevingsprocedure op grond van het recht van wetgevend initiatief dat het Parlement krachtens de Verdragen is toegekend, een verzoek voor de vaststelling van een wetgevende kalender voor de betreffende initiatieven op te nemen in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven (IIA), zoals in de gewone wetgevingsprocedure; benadrukt bovendien dat deze speciale wetgevingsprocedure moet voldoen aan de bepalingen van het IIA met betrekking tot de institutionele verplichting voor alle drie de instellingen om te onderhandelen;

6.  verzoekt de Raad en de Commissie om, indien zij niet hun goedkeuring kunnen hechten aan het voorstel, de onderhandelingen voort te zetten met het nieuwgekozen Parlement, en hierbij rekening te houden met de vooruitgang die geboekt is met de herformulering van het voorstel in de non-paper van de juridische diensten van de drie instellingen; is van mening dat deze tekst overzichtelijker en systematischer is dan de tekst die in 2014 is goedgekeurd, en dezelfde onderzoeksbevoegdheden bevat, maar is bijgewerkt aan de hand van de ervaringen van de afgelopen jaren en de huidige institutionele realiteit;

7.  verzoekt de fracties om in hun verkiezingsprogramma te laten zien dat zij zich scharen achter het voorstel van het Parlement voor een nieuwe en geactualiseerde verordening inzake zijn enquêterecht, en verzoekt de verschillende Spitzenkandidaten deze kwestie openlijk politiek te steunen;

8.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad, de Commissie, het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB C 443 van 22.12.2017, blz. 39.
(2) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 132.
(3) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 140.
(4) PE544.488v03-00, PE571.670v03-00 en PE630.750v01-00.
(5) O-000003/19 en O-000004/19.

Laatst bijgewerkt op: 24 april 2019Juridische mededeling