Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2823(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0089/2019

Debatten :

PV 19/09/2019 - 4.3
CRE 19/09/2019 - 4.3

Stemmingen :

PV 19/09/2019 - 7.3

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0019

Aangenomen teksten
PDF 140kWORD 55k
Donderdag 19 september 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Iran, in het bijzonder de situatie van verdedigers van vrouwenrechten en gedetineerde personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit
P9_TA-PROV(2019)0019RC-B9-0089/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 19 september 2019 over Iran, met name de situatie van vrouwenrechtenactivisten en gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten (2019/2823(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Iran, meer bepaald de resoluties over de mensenrechten, en met name de resolutie van 14 maart 2019 over Iran, en met name de situatie van mensenrechtenactivisten(1), van 13 december 2018 over Iran, met name de zaak van Nasrin Sotoudeh(2), van 31 mei 2018 over de situatie van gedetineerde personen met een dubbele Iraanse en EU-nationaliteit in Iran(3), van 25 oktober 2016 over de EU-strategie ten aanzien van Iran na de sluiting van de nucleaire overeenkomst(4), van 3 april 2014 over de EU-strategie ten aanzien van Iran(5), van 8 oktober 2015 over de doodstraf(6), en van 17 november 2011 over Iran - recente gevallen van schending van de mensenrechten(7),

–  gezien de conclusies van de Raad over Iran van 4 februari 2019 en Uitvoeringsverordening (EU) 2019/560 van de Raad van 8 april 2019 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 359/2011 betreffende beperkende maatregelen tegen bepaalde personen, entiteiten en lichamen in verband met de situatie in Iran, waarin de Raad besluit de beperkende maatregelen in verband met ernstige mensenrechtenschendingen met een jaar te verlengen, tot en met 13 april 2020(8),

–  gezien het verslag van de secretaris-generaal van de VN over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran van 8 februari 2019,

–  gezien de verslagen van de speciale rapporteur voor de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran van september 2018, 30 januari 2019 en 18 juli 2019 en gezien zijn verklaring van 16 augustus 2019 over de gevangenneming en veroordeling tot lange gevangenisstraffen van Mojgan Keshavarz, Monireh Arabshahi en Yasaman Aryani, drie Iraanse vrouwen die willekeurig gevangen zijn genomen omdat zij hebben gedemonstreerd tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een sluier te dragen,

–  gezien de verklaring van 29 november 2018 van VN-mensenrechtendeskundigen waarin deze eisten dat Iran vrouwenrechtenactivisten beschermt,

–  gezien de EU-richtsnoeren inzake de doodstraf, inzake foltering, inzake vrijheid van meningsuiting online en offline, en over mensenrechtenverdedigers,

–  gezien de verklaring van 12 maart 2019 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de veroordeling van de Iraanse mensenrechtenadvocate Nasrin Sotoudeh,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 1966 (IVBPR), waarbij Iran partij is,

–  gezien de resolutie van de Algemene Vergadering van de VN van 17 december 2018 over de situatie op het gebied van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran,

–  gezien het nieuwe strategisch EU-kader voor mensenrechten en democratie en het EU-actieplan voor mensenrechten en democratie, die ten doel hebben de bescherming en monitoring van de mensenrechten op alle beleidsterreinen van de EU centraal te stellen,

–  gezien de VN-grondbeginselen voor de bescherming van alle personen in enigerlei vorm van detentie of gevangenschap, daterend uit 1988,

–  gezien de VN-standaardminimumregels voor de behandeling van gevangenen (de Nelson-Mandela-regels) uit 2015,

–  gezien het burgerrechtenhandvest van de Iraanse president,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Iraanse revolutionaire rechtbanken de afgelopen maanden steeds strenger optreden tegen vrouwenrechtenactivisten die vreedzame protestacties organiseren en protesteren tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hidjab te dragen, en steeds langere gevangenisstraffen opleggen; overwegende dat volgens de VN sinds 2018 minstens 32 personen zijn gearresteerd en ten minste 10 personen gevangen zijn genomen wegens protesten tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hidjab te dragen;

B.  overwegende dat de Iraanse activistes Mojgan Keshavarz, Monireh Arabshahi en Yasaman Aryani in april 2019 willekeurig gevangen zijn genomen nadat zij een video online hadden gezet waarin te zien was hoe zij op 8 maart 2019 (internationale vrouwendag) zonder dat zij een hoofddoek droegen op vreedzame wijze protesteerden tegen de Iraanse wetgeving op grond waarvan vrouwen verplicht zijn om een hoofddoek te dragen, en bloemen uitdeelden in de metro van Teheran; overwegende dat Sahar Khodayari, een Iraanse vrouw die gevangen was genomen nadat zij geprobeerd had om in een stadion een voetbalwedstrijd bij te wonen, zichzelf uit protest in brand heeft gestoken nadat zij vernomen had dat zij wegens deze poging zes maanden gevangenisstraf zou krijgen, en aan haar verwondingen is overleden;

C.  overwegende dat Mojgan Keshavarz, Yasaman Aryani, Monireh Arabshahi en Saba Kord-Afshari in augustus 2019 veroordeeld zijn tot gevangenisstraffen variërend van 16 tot 24 jaar; overwegende dat zij tijdens het vooronderzoek geen contact mochten hebben met een advocaat en dat hun juridisch vertegenwoordigers naar verluidt niet in de gelegenheid werden gesteld om ter zitting verdediging te voeren; overwegende dat deze veroordelingen rechtstreeks verband houden met de vreedzame uitoefening door deze vrouwen van hun recht op vrijheid van meningsuiting en vergadering in verband met hun strijd voor gendergelijkheid in Iran;

D.  overwegende dat de rechtbank van eerste aanleg op 27 augustus 2019 drie vrouwenrechtenactivistes, Sepideh Gholian, Sanaz Allahyari en Asal Mohammadi, heeft veroordeeld wegens onder meer “samenzwering en samenspanning tegen de nationale veiligheid”; overwegende dat op 24 en 31 augustus naar buiten kwam dat twee voorvechtsters voor de arbeidsrechten van vrouwen, Marzieh Amiri en Atefeh Rangriz, die gevangen zaten sinds zij tijdens een vreedzame demonstratie op de dag van de arbeid werden gearresteerd, veroordeeld waren tot tien en een half jaar gevangenisstraf en 148 zweepslagen, respectievelijk elf en een half jaar gevangenisstraf en 74 zweepslagen, wegens onder meer “samenzwering en samenspanning tegen de nationale veiligheid “, “propaganda tegen de staat “ en “het verstoren van de openbare orde”;

E.  overwegende dat Iran het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen, dat in 1979 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de VN, niet heeft geratificeerd; overwegende dat Iran veel discriminerende wetten kent, met name de wetgeving inzake de burgerlijke stand;

F.  overwegende dat er nog altijd mensen worden gearresteerd die zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van een EU-lidstaat hebben, en dat deze burgers na hun arrestatie langdurig in afzondering worden opgesloten en worden ondervraagd, zonder waarborgen en normen voor een eerlijke procesgang, en dat zij veroordeeld worden tot lange gevangenisstraffen op grond van vage of niet gespecificeerde aantijgingen in verband met de nationale veiligheid of spionage, en dat de overheid lastercampagnes tegen hen financiert; overwegende dat Iran de rechten die uit een dubbele nationaliteit voortvloeien niet erkent, waardoor het voor buitenlandse ambassades moeilijk is om in contact te treden met personen met een dubbele nationaliteit die gevangen zitten;

G.  overwegende dat er op dit moment in Iran ten minste zes personen met de Iraanse nationaliteit en de nationaliteit van één van de EU-lidstaten gevangen worden gehouden, te weten Nazanin Zaghari-Ratcliffe, Ahmadreza Djalali, Kamal Ahmady, Kamran Ghaderi, Massud Mossaheb en Morad Tahbaz;

H.  overwegende dat Nazanin Zaghari-Ratcliffe, die zowel de Britse als de Iraanse nationaliteit heeft en die voor de Thomson Reuters Foundation werkt, sinds 3 april 2016 onrechtmatig vastzit, en dat zij eerst maandenlang onrechtmatig gevangen werd gehouden en dat haar vervolgens een vrij en eerlijk proces werd ontzegd; overwegende dat haar herhaaldelijk medische behandelingen werden onthouden, waardoor haar lichamelijke en geestelijke gezondheid zeer is verslechterd; overwegende dat het haar onlangs is verboden om internationale telefoongesprekken te voeren en dat haar familie haar maar een keer per maand mag bezoeken;

I.  overwegende dat de Iraans-Britse sociaal antropoloog Kameel Ahmady sinds 11 augustus 2019 in Teheran gevangen zit, zonder dat de aanklacht bekend is gemaakt; overwegende dat de zakenman Morad Tahbaz, die de Iraanse, Britse en Amerikaanse nationaliteit heeft, in januari 2018 samen met ten minste negen milieuactivisten gevangen werd genomen op verdenking van spionage;

J.  overwegende dat Ahmadreza Djalali, een in Iran geboren Zweedse wetenschapper en arts, sinds april 2016 in de gevangenis van Evin zit en in oktober 2017 ter dood werd veroordeeld omdat zij beschuldigd werd van spionage en vermoedelijk onder druk een bekentenis heeft afgelegd;

K.  overwegende dat Kamran Ghaderi, CEO van een Oostenrijks IT-bedrijf met zowel de Iraanse als de Oostenrijkse nationaliteit, op 2 januari 2016 bij zijn aankomst op de internationale luchthaven van Teheran door agenten van het Ministerie van Inlichtingen werd gearresteerd en tot tien jaar gevangenisstraf werd veroordeeld wegens “spionage voor vijandige staten”;

L.  overwegende dat de Sacharovprijswinnares, mensenrechtenactiviste en advocate Nasrin Sotoudeh op 11 maart 2019 bij verstek werd veroordeeld tot 38 jaar gevangenisstraf en 148 zweepslagen, onder meer in verband met haar werk ter verdediging van vrouwen die worden beschuldigd van het protesteren tegen de verplichte hidjab; overwegende dat in juni meer dan een miljoen mensen zich hebben aangesloten bij een wereldwijde campagne om van de Iraanse regering te eisen dat zij mevrouw Sotoudeh vrijlaat;

M.  overwegende dat Atena Daemi en Golrock Ebrahimi Iraee in oktober 2016 tot zes jaar gevangenisstraf zijn veroordeeld; overwegende dat hun straf in september 2019 met twee jaar is verlengd nadat zij ervan werden beschuldigd “de hoogste leider beledigd te hebben”; overwegende dat dit vonnis naar verluidt is uitgesproken als represaillemaatregel wegens protesten van verdedigers van de vrouwenrechten in de gevangenis;

N.  overwegende dat vele gevallen zijn gemeld van onmenselijke en vernederende omstandigheden, met name in de gevangenis van Evin, en van een gebrek aan adequate toegang tot medische zorg tijdens de detentie in Iran, hetgeen in strijd is met de standaardminimumregels van de Verenigde Naties voor de behandeling van gedetineerden;

O.  overwegende dat verdedigers van de mensenrechten, journalisten, advocaten en milieuactivisten, vakbonds- en onlineactivisten in Iran nog steeds te maken hebben met pesterijen, willekeurige arrestaties, opsluiting en vervolging voor hun werk;

P.  overwegende dat de autoriteiten het mensenrechtenactivisme nog steeds strafbaar stellen en artikel 48 van het Iraanse wetboek van strafvordering blijven gebruiken om de toegang van gedetineerden tot een advocaat van hun eigen keuze te beperken en hun consulaire bijstand te ontzeggen; overwegende dat er geen onafhankelijke mechanismen bestaan om ervoor te zorgen dat de rechterlijke macht verantwoording aflegt;

Q.  overwegende dat de EU beperkende maatregelen heeft genomen in verband met schendingen van de mensenrechten, waaronder het bevriezen van tegoeden en visumverboden voor personen en entiteiten die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten, en een verbod op de uitvoer naar Iran van apparatuur die voor binnenlandse repressie zou kunnen worden gebruikt en van apparatuur voor het toezicht op telecommunicatie; overwegende dat deze maatregelen regelmatig worden geactualiseerd en van kracht blijven;

R.  overwegende dat Iran de doodstraf nog steeds veelvuldig toepast; overwegende dat Narges Mohammadi, winnaar van de Per Anger-prijs, momenteel een straf van zestien jaar uitzit voor haar campagne om de doodstraf af te schaffen en voor het werk dat zij heeft verricht met Nobelprijswinnaar Shirin Ebadi;

1.  roept de Iraanse autoriteiten op al deze vonnissen in te trekken en Mojgan Keshavarz, Yasaman Aryani, Monireh Arabshahi, Saba Kord-Afshari en Atena Daemi, vrouwenrechtenactivisten die protesteren tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hidjab te dragen, onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; dringt er daarnaast op aan dat Nasrin Sotoudeh, Narges Mohammadi, Sepideh Gholian, Sanaz Allahyari, Asal Mohammadi, Marzieh Amiri en Atefeh Rangriz worden vrijgelaten, evenals alle mensenrechtenactivisten die alleen maar in de gevangenis zitten en veroordeeld zijn omdat zij hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uitoefenden;

2.  veroordeelt met klem de aanhoudende onderdrukking van vrouwen die bezwaar hebben tegen de voor vrouwen geldende verplichting om een hoofddoek te dragen of die hun recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzame vergadering uitoefenen; roept de Iraanse regering op Iraanse vrouwen vrij te laten in hun kledingkeuze en deze vrijheid te eerbiedigen;

3.  benadrukt dat de Iraanse autoriteiten er onder alle omstandigheden voor moeten zorgen dat mensenrechtenactivisten, advocaten en journalisten hun werk kunnen doen zonder dat zij daarbij te maken krijgen met bedreigingen, intimidatie en belemmeringen, en eist dat de Iraanse rechterlijke macht een eind maakt aan de voortdurende intimidatie; roept de Iraanse rechterlijke macht op de internetcensuur een halt toe te roepen en de universele mensenrechten van eenieder, in het bijzonder het recht op vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, te eerbiedigen;

4.  prijst en steunt de Iraanse vrouwenrechtenactivisten die volharden in hun taak, ondanks de moeilijkheden die ze ondervinden en de persoonlijke vergeldingsacties waarmee ze worden geconfronteerd;

5.  betreurt ten zeerste dat er geen schot zit in de zaken van de gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten die in Iran worden vastgehouden; verlangt onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle gevangenen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten die momenteel in Iraanse gevangenissen worden vastgehouden, onder wie Nazanin Zaghari-Ratcliffe, Ahmadreza Djalali, Kamal Ahmady, Kamran Ghaderi, Massud Mossaheb en Morad Tahbaz, tenzij zij opnieuw worden berecht overeenkomstig internationale normen; keurt het af dat er voortdurend personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten – na een oneerlijk proces – worden gevangengezet door de Iraanse autoriteiten;

6.  dringt er bij de Iraanse autoriteiten op aan zonder omwegen over te gaan tot samenwerking met de ambassades van de EU-lidstaten in Teheran, zodat er een complete lijst kan worden opgesteld van alle personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten die momenteel in Iraanse gevangenissen worden vastgehouden, en verzoekt de autoriteiten elk individueel geval nauwlettend in het oog te houden, aangezien de veiligheid van burgers en de bescherming van hun grondrechten voor de EU van primair belang zijn;

7.  wenst dat de Iraanse autoriteiten alle wettelijke bepalingen herzien die discriminerend zijn ten aanzien van vrouwen, in het bijzonder de bepalingen inzake de burgerlijke stand; is verheugd dat het Iraanse parlement de wet inzake de bescherming van vrouwen tegen geweld heeft ingevoerd en onderstreept het belang van wetgeving waarin alle vormen van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen specifiek worden gedefinieerd en strafbaar worden gesteld;

8.  verzoekt de Iraanse autoriteiten ervoor te zorgen dat vrouwen toegang krijgen tot alle stadions, zonder dat zij daarbij worden gediscrimineerd of het risico lopen te worden vervolgd;

9.  herhaalt zijn verzoek aan de Iraanse autoriteiten om artikel 48 van het Iraanse strafprocesrecht zodanig te wijzigen dat het recht van elke beschuldigde op vertegenwoordiging door een zelf gekozen advocaat en het recht van elke beschuldigde op een eerlijk proces worden gewaarborgd, conform de verbintenissen van Iran in het kader van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten;

10.  roept de Iraanse regering op het strafrecht inzake de nationale veiligheid te wijzigen, dat regelmatig wordt ingezet ten behoeve van de vervolging van mensenrechtenactivisten, journalisten, milieu- en vakbondsactivisten en leden van religieuze en etnische minderheden, en dat in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten dat door Iran is geratificeerd;

11.  keurt het af dat dikwijls opzettelijk wordt geweigerd om gevangenen medische verzorging te geven; betreurt de stelselmatige foltering in Iraanse gevangenissen en wenst dat er onmiddellijk een eind wordt gemaakt aan alle vormen van foltering en slechte behandeling van gevangenen; keurt het af dat gevangenen doorgaans geen telefoongesprekken mogen voeren of familiebezoek mogen ontvangen;

12.  roept de Iraanse autoriteiten op ervoor te zorgen dat het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, waarbij het land partij is, volledig en onvoorwaardelijk ten uitvoer wordt gelegd; vraagt Iran met klem om toe te treden tot het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen;

13.  wijst erop dat er wijzigingen zijn aangebracht aan de wet inzake drugssmokkel, waardoor de doodstraf minder vaak zou moeten worden opgelegd;

14.  is fel gekant tegen de toepassing van de doodstraf, met inbegrip van het gebruik ervan tegen jeugdige delinquenten; roept de Iraanse autoriteiten op een onmiddellijk moratorium in te stellen op de toepassing van de doodstraf, als een fundamentele stap in de richting van de volledige afschaffing ervan;

15.  roept Iran op samen te werken met de speciale rapporteur van de VN voor de mensenrechtensituatie in Iran, en hem onder meer toegang tot het land te verlenen;

16.  moedigt ertoe aan dat de erkende ambassades van de EU-lidstaten in Teheran intensief worden gecoördineerd; verzoekt alle lidstaten met een diplomatieke vertegenwoordiging in Teheran gebruik maken van de in de EU-richtsnoeren over mensenrechtenverdedigers bedoelde mechanismen, waaronder publieke verklaringen, diplomatieke stappen, monitoring van rechtszaken en bezoeken aan gevangenissen, om deze personen – in het bijzonder vrouwenrechtenactivisten en personen met zowel de Iraanse nationaliteit als de nationaliteit van één van de EU-lidstaten – te helpen en te beschermen;

17.  verzoekt de EU, waaronder de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, mensenrechtenkwesties in bilaterale en multilaterale fora onder de aandacht te blijven brengen van de Iraanse autoriteiten en alle geplande bijeenkomsten met de Iraanse autoriteiten aan te wenden voor dit doel, in het bijzonder in het licht van de politieke dialoog op hoog niveau tussen de EU en Iran;

18.  roept de EDEO op verslag uit te brengen over de maatregelen die naar aanleiding van eerdere resoluties van het Parlement over Iran zijn genomen;

19.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties alsmede aan de regering en het parlement van Iran.

(1) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0204.
(2) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0525.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0231.
(4) PB C 215 van 19.6.2018, blz. 86.
(5) PB C 408 van 30.11.2017, blz. 39.
(6) PB C 349 van 17.10.2017, blz. 41.
(7) PB C 153 E van 31.5.2013, blz. 157.
(8) PB L 98 van 9.4.2019, blz. 1.

Laatst bijgewerkt op: 20 september 2019Juridische mededeling