Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2820(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0045/2019

Ingediende teksten :

B9-0045/2019

Debatten :

PV 18/09/2019 - 19
CRE 18/09/2019 - 19

Stemmingen :

PV 19/09/2019 - 7.6
CRE 19/09/2019 - 7.6
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0022

Aangenomen teksten
PDF 138kWORD 54k
Donderdag 19 september 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Stand van zaken bij de uitvoering van antiwitwaswetgeving
P9_TA-PROV(2019)0022B9-0045/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 29 september 2019 over de stand van zaken ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de antiwitwaswetgeving van de Unie (2019/2820(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering (AML/CFT), tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad(1) en Richtlijn 2006/70/EG van de Commissie (4e antiwitwasrichtlijn)(2), en als gewijzigd bij Richtlijn 2018/843/EU van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, en tot wijziging van Richtlijn 2009/138/EG en Richtlijn 2013/36/EU (5e antiwitwasrichtlijn)(3),

–  gezien Richtlijn (EU) 2019/1153 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 tot vaststelling van regels ter vergemakkelijking van het gebruik van financiële en andere informatie voor het voorkomen, opsporen, onderzoeken of vervolgen van bepaalde strafbare feiten, en tot intrekking van Besluit 2000/642/JBZ van de Raad(4), Richtlijn (EU) 2018/1673 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 inzake de strafrechtelijke bestrijding van het witwassen van geld(5) en Verordening (EU) 2018/1672 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de controle van liquide middelen die de Unie binnenkomen of verlaten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1889/2005(6),

–  gezien het antiwitwaspakket van de Commissie dat is aangenomen op 24 juli 2019 en dat bestaat uit een politieke mededeling getiteld “Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme” (COM(2019)0360), het verslag over de beoordeling van recente vermeende gevallen van het witwassen van geld waarbij EU-kredietinstellingen betrokken zijn (“post mortem”) (COM(2019)0373), het verslag over de beoordeling van risico’s op het gebied van witwassen en terrorismefinanciering die van invloed zijn op de interne markt en verband houden met grensoverschrijdende activiteiten (het verslag over de supranationale risicobeoordeling) (COM(2019)0370) en het bijbehorende werkdocument van de diensten van de Commissie (SWD(2019)0650), en het verslag over de onderlinge koppeling van nationale gecentraliseerde automatische mechanismen (centrale registers of centrale elektronische systemen voor gegevensontsluiting) van de lidstaten voor bankrekeningen (COM(2019)0372),

–  gezien het advies van de Europese Bankautoriteit over mededelingen aan onder toezicht staande entiteiten inzake witwaspraktijken en gevaren met betrekking tot de financiering van terrorisme bij prudentieel toezicht, gepubliceerd op 24 juli 2019,

–  gezien de routekaart van de Commissie “Naar een nieuwe methode voor de EU-beoordeling van derde landen met een hoog risico op grond van Richtlijn (EU) 2015/849 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering”,

–  gezien het werkdocument van de diensten van de Commissie van 22 juni 2018 getiteld “Methode voor de identificatie van derde landen met een hoog risico op grond van Richtlijn (EU) 2015/849” (SWD(2018)0362),

–  gezien de vier gedelegeerde verordeningen die de Commissie heeft goedgekeurd ((EU) 1675/2016, (EU) 2018/105, (EU) 2018/212 en (EU) 2018/1467) tot aanvulling van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad door de identificatie van derde landen met een hoog risico die strategische tekortkomingen vertonen,

–  gezien zijn resolutie van 14 maart 2019 over de dringende noodzaak om een zwarte lijst van derde landen op te stellen in het kader van de antiwitwasrichtlijn(7),

–  onder verwijzing naar zijn resolutie van 26 maart 2019 over financiële misdrijven, belastingontduiking en belastingontwijking(8),

–  gezien de gedachtewisseling van 5 september 2019 op de vergadering van de Commissie economische en monetaire zaken met de Commissie en de Europese Bankautoriteit,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat het kader van de Unie voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (AML/CTF) geleidelijk is versterkt door de vaststelling van de 4e antiwitwasrichtlijn in mei 2015 en de 5 antiwitwasrichtlijn in april 2018 en de respectieve data van omzetting ervan in de nationale wetgeving van de lidstaten tegen juni 2017 en januari 2020, en door andere begeleidende wetgeving en maatregelen;

B.  overwegende dat volgens Europol bij 0,7 à 1,28 % van het jaarlijkse BBP van de Unie betrokkenheid bij verdachte financiële activiteit wordt geconstateerd(9), zoals het witwassen van geld in verband met corruptie, wapenhandel, mensenhandel, drugshandel, belastingontduiking en -fraude, financiering van terrorisme of andere illegale activiteiten die EU-burgers in hun dagelijks leven treffen;

C.  overwegende dat de Commissie krachtens artikel 9 van de 4e antiwitwasrichtlijn bevoegd is om gedelegeerde handelingen vast te stellen om derde landen met een hoog risico te identificeren, rekening houdend met strategische tekortkomingen op verschillende gebieden; overwegende dat het Parlement de invoering door de Commissie van een nieuwe methode steunt die niet alleen gebaseerd is op externe informatiebronnen om derde landen met strategische tekortkomingen op het gebied van AML en CTF te identificeren die een bedreiging vormen voor het financiële stelsel van de EU en waarvoor verscherpte cliëntenonderzoeksmaatregelen nodig zijn bij de entiteiten die onder de 4e en 5e antiwitwasrichtlijn vallen;

D.  overwegende dat de 3e antiwitwasrichtlijn, die op 15 december 2007 in werking trad, is komen te vervallen met de vaststelling van de 4e antiwitwasrichtlijn; overwegende dat de tenuitvoerlegging van verscheidene bepalingen van de 3e antiwitwasrichtlijn, waaronder de adequate bevoegdheid en personeelsbezetting van de nationale bevoegde autoriteiten, in het verleden niet naar behoren is gecontroleerd en als prioriteit moet worden aangemerkt voor de lopende volledigheids- en correctheidscontroles en inbreukprocedures die de Commissie in het kader van de tenuitvoerlegging van de 4e antiwitwasrichtlijn uitvoert;

E.  overwegende dat de Raad en het Parlement drie voorstellen tot wijziging van de gedelegeerde verordeningen(10) hebben verworpen op grond van het feit dat de voorstellen niet zijn opgesteld in een transparant en flexibel proces dat de betrokken landen er actief toe aanzet om resoluut op te treden en tegelijkertijd hun recht om te worden gehoord eerbiedigt, of dat het proces van de Commissie voor het identificeren van derde landen met een hoog risico niet voldoende autonoom is verlopen;

F.  overwegende dat de Commissie op 13 februari 2019 een nieuwe lijst van 23 derde landen met strategische tekortkomingen op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorismebestrijding in het kader van de nieuwe methode heeft goedgekeurd, namelijk Afghanistan, Amerikaans-Samoa, de Bahama’s, Botswana, de Democratische Volksrepubliek Korea, Ethiopië, Ghana, Guam, Iran, Irak, Libië, Nigeria, Pakistan, Panama, Puerto Rico, Samoa, Saudi-Arabië, Sri Lanka, Syrië, Trinidad en Tobago, Tunesië, de Amerikaanse Maagdeneilanden en Jemen; overwegende dat de Raad de gedelegeerde handeling op 7 maart 2019 heeft verworpen in de Raad Justitie en Binnenlandse Zaken;

G.  overwegende dat de Commissie tegen de meeste lidstaten inbreukprocedures heeft ingeleid omdat zij de 4e witwasrichtlijn niet naar behoren in nationaal recht hebben omgezet;

H.  overwegende dat de Commissie op 24 juli 2019 een AML-pakket heeft goedgekeurd, daarbij het Parlement en de Raad heeft geïnformeerd over de tot dusver bereikte resultaten en de resterende tekortkomingen binnen het AML/CTF-kader van de Unie, en daarmee de weg heeft vrijgemaakt voor verdere verbeteringen in de handhaving en tenuitvoerlegging van de bestaande wetgeving en voor mogelijke toekomstige wetgevende en institutionele hervormingen;

I.  overwegende dat de voorzitter van de EBA, José Manuel Campa, tijdens de gedachtewisseling met de Commissie en de Europese Bankautoriteit (EBA) op de vergadering van de Commissie economische en monetaire zaken op 5 september 2019 heeft verklaard dat de EBA geen toezichthouder is op het gebied van de antiwitwasrichtlijn, maar een autoriteit met een mandaat om richtsnoeren te geven voor het bevorderen van de samenwerking en de coördinatie en voor het beoordelen van de tenuitvoerlegging van de antiwitwaswetgeving; overwegende dat hij ook benadrukte dat de hoofdverantwoordelijkheid voor de uitvoering bij de nationale autoriteiten ligt;

J.  overwegende dat volgens de mededeling van de Commissie van 24 juli 2019 getiteld “Naar een betere toepassing van het kader voor de bestrijding van het witwassen van geld en het financieren van terrorisme” zou kunnen worden overwogen om de regels voor de bestrijding van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme verder te harmoniseren, bijvoorbeeld door de richtlijn tegen het witwassen van geld om te zetten in een verordening, die de mogelijkheid zou bieden om een geharmoniseerd en rechtstreeks toepasbaar regelgevend kader van de Unie ter bestrijding van het witwassen van geld op te zetten;

K.  overwegende dat volgens de Commissie in bovengenoemde mededeling uit de evaluaties blijkt dat er behoefte is aan een krachtiger mechanisme om grensoverschrijdende samenwerking en analyse door financiële inlichtingeneenheden te coördineren en te ondersteunen;

1.  is ernstig bezorgd over de gebrekkige tenuitvoerlegging van de 4e antiwitwasrichtlijn door een groot aantal lidstaten; is dan ook ingenomen met het feit dat de Commissie inbreukprocedures tegen de lidstaten heeft ingeleid op basis van de resultaten van haar volledigheidscontroles; roept de Commissie op om zo spoedig mogelijk een grondige controle op de juistheid van de gegevens uit te voeren en zo nodig inbreukprocedures in te leiden; dringt er bij de lidstaten die dit nog niet hebben gedaan, op aan om de 4e antiwitwasrichtlijn zo snel mogelijk naar behoren in hun nationale wetgeving om te zetten;

2.  vreest dat de uiterste termijn voor de omzetting van de 5e antiwitwasrichtlijn van 10 januari 2020 en de respectieve uiterste termijnen van 10 januari 2020 voor de registers van economische eigendom voor vennootschappen en andere rechtspersonen en 10 maart 2020 voor trusts en soortgelijke juridische constructies, door de lidstaten niet zullen worden gehaald; roept de lidstaten op dringend maatregelen te nemen om het omzettingsproces te versnellen;

3.  waardeert de aanbeveling van de werkgroep Inbreuk op het recht van de Unie van de EBA, zoals die is gedaan tijdens de gedachtewisseling met de voorzitter van de EBA, José Manuel Campa, die op 5 september 2019 op de vergadering van de Commissie economische en monetaire zaken is gehouden, over de witwaszaak van de Danske Bank, die tot op heden het grootst bekende geval van verdachte transacties in de EU is, met een waarde van meer dan 200 miljard EUR; betreurt dat de toezichthouders van de lidstaten, als stemgerechtigde leden van de raad van toezichthouders van de EBA, een voorstel voor een aanbeveling tot vaststelling van schending van de EU-wetgeving hebben verworpen; roept de Commissie op om de zaak te blijven volgen en een inbreukprocedure in te leiden als dat gerechtvaardigd is;

4.  is uitermate bezorgd over de versnippering van de regelgeving en het toezicht op het gebied van AML/CTF, die slecht zijn afgestemd op de steeds toenemende grensoverschrijdende activiteiten in de Unie en het gecentraliseerde prudentiële toezicht in de bankenunie en andere niet-bancaire sectoren;

5.  benadrukt dat het huidige AML/CTF-kader van de EU te lijden heeft onder tekortkomingen bij de handhaving van de EU-regels in combinatie met een gebrek aan efficiënt toezicht; benadrukt dat er herhaaldelijk op is gewezen dat wetgeving inzake “minimumnormen” voor AML/CTF’s risico’s kan inhouden voor een doeltreffend toezicht, een naadloze uitwisseling van informatie en coördinatie; roept de Commissie op om in het kader van de vereiste effectbeoordeling voor een toekomstige herziening van de wetgeving ter bestrijding van witwassen van geld te beoordelen of een verordening een passender rechtsinstrument zou zijn dan een richtlijn;

6.  wijst op de noodzaak van betere samenwerking tussen de administratieve, gerechtelijke en rechtshandhavingsinstanties in de EU, en met name de financiële inlichtingeneenheden van de lidstaten, zoals benadrukt in het verslag van de Commissie; herhaalt zijn verzoek aan de Commissie om op korte termijn een effectbeoordeling uit te voeren om na te gaan of het mogelijk en wenselijk is een coördinatie- en ondersteuningsmechanisme in te stellen; is van mening dat er een verdere impuls moet worden gegeven aan initiatieven ter handhaving van AML/CTF-acties op EU- en nationaal niveau;

7.  neemt nota van de suggestie van de Commissie in haar postmortemverslag van 24 juli 2019 dat specifieke toezichthoudende taken op het gebied van de bestrijding van het witwassen van geld aan een orgaan van de Unie kunnen worden toevertrouwd;

8.  is van mening dat, om de integriteit van de lijst van derde landen met een hoog risico te waarborgen, het screening- en besluitvormingsproces niet mag worden beïnvloed door overwegingen die verder gaan dan tekortkomingen op het gebied van AML/CTF; benadrukt dat lobbyen en diplomatieke druk niet mogen leiden tot ondermijning van het vermogen van de EU-instellingen om het witwassen van geld aan te pakken en de financiering van terrorisme te bestrijden op een manier die op een doeltreffende en autonome manier gekoppeld is aan de EU; dringt er bij de Commissie op aan om verder na te gaan of het mogelijk is om een “grijze lijst” van potentieel risicovolle derde landen op te stellen, naar analogie van de aanpak van de Unie om niet-coöperatieve jurisdicties voor belastingdoeleinden op een lijst te plaatsen; is bezorgd dat de lange duur van het twaalf maanden durende proces dat moet leiden tot het eindoordeel over de identificatie van derde landen met strategische tekortkomingen kan zorgen voor onnodige vertraging voor een doeltreffende AML/CTF-actie;

9.  dringt er bij de Commissie op aan te zorgen voor een transparante procedure met duidelijke en concrete criteria voor landen die toezeggen hervormingen door te voeren om te voorkomen dat zij op de lijst worden geplaatst; verzoekt de Commissie voorts haar eerste en definitieve beoordelingen van de genoemde landen en de toegepaste benchmarks te publiceren, zodat er openbaar toezicht kan worden uitgeoefend op een zodanige wijze dat er geen misbruik van kan worden gemaakt;

10.  dringt erop aan meer personele en financiële middelen toe te wijzen aan de aangewezen eenheid van het bevoegde directoraat-generaal en is verheugd over de verhoging van de middelen die voor de EBA worden uitgetrokken;

11.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de regeringen en parlementen van de lidstaten.

(1) Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (3e antiwitwasrichtlijn) (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).
(2) PB L 141 van 5.6.2015, blz. 73.
(3) PB L 156 van 19.6.2018, blz. 43.
(4) PB L 186 van 11.7.2019, blz. 122.
(5) PB L 284 van 12.11.2018, blz. 22.
(6) PB L 284 van 12.11.2018, blz. 6.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0216.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0240.
(9) Verslag van de Financial Intelligence Group van Europol: “From suspicion to action” (2017).
(10) C(2019)1326, C(2016)7495 en C(2017)1951.

Laatst bijgewerkt op: 20 september 2019Juridische mededeling