Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2833(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Documentencyclus : B9-0110/2019

Ingediende teksten :

B9-0110/2019

Debatten :

PV 10/10/2019 - 2
CRE 10/10/2019 - 2

Stemmingen :

PV 10/10/2019 - 8.11
Stemverklaringen

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0032

Aangenomen teksten
PDF 157kWORD 54k
Donderdag 10 oktober 2019 - Brussel Voorlopige uitgave
Meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen
P9_TA-PROV(2019)0032B9-0110/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 10 oktober 2019 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen (2019/2833(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien de artikelen 310, 311, 312 en 323 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 over het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2021 tot 2027 en het stelsel van eigen middelen (EM) van de Europese Unie,

–  gezien zijn resoluties van 14 maart 2018 over het volgende MFK: voorbereiding van het standpunt van het Parlement ten aanzien van het MFK voor de periode na 2020(1), en over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(2),

–  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen(3),

–  gezien zijn tussentijds verslag van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord(4),

–  gezien de verklaringen van de Commissie en de Raad van 10 oktober 2019 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen: tijd om de verwachtingen van de burger in te lossen,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

1.  verklaart dat het tijd is om de verwachtingen van de EU-burgers in te lossen en de politieke toezeggingen en ambities van de EU te onderbouwen met de nodige financiële middelen; is vastbesloten om voor een solide en geloofwaardig MFK te zorgen dat de EU in staat zal stellen doeltreffend in te spelen op belangrijke uitdagingen en haar politieke doelstellingen voor de komende zeven jaar te verwezenlijken; is van mening dat het resultaat van de Europese verkiezingen van 2019 de positie en de rol van het Parlement in dit proces een nieuwe legitimiteit heeft verleend; zal niet aarzelen om alle standpunten van de Raad waarin de prerogatieven van het Parlement niet worden geëerbiedigd of waarin niet naar behoren rekening wordt gehouden met de standpunten van het Parlement, te verwerpen;

2.  neemt deze resolutie aan om het onderhandelingsmandaat van het Parlement met betrekking tot zowel de uitgaven als de ontvangsten van het komende MFK te bevestigen en te actualiseren; dringt erop aan dat de onderhandelingen met de Raad onverwijld van start gaan, om tijdig tot een solide overeenkomst te komen, en benadrukt dat het Parlement hier al sinds november 2018 klaar voor is; verzoekt de Commissie om een noodplan voor het MFK voor te stellen dat als vangnet kan dienen ter bescherming van de begunstigden van EU-financieringsprogramma’s, waarmee het huidige MFK kan worden verlengd indien er niet op tijd overeenstemming wordt bereikt over een nieuw MFK;

Bevestiging van het duidelijke standpunt van het Parlement

3.  bevestigt zijn onderhandelingsmandaat, zoals uiteengezet in zijn tussentijds verslag over het MFK van 14 november 2018, over de bedragen van het MFK (per programma, rubriek en op globaal niveau), de eigen middelen van de EU, flexibiliteitsbepalingen, tussentijdse herziening en horizontale beginselen, zoals de integratie van de VN-doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling, het klimaat en de gelijkheid van mannen en vrouwen in alle beleidsmaatregelen en initiatieven in het volgende MFK, en over specifieke wijzigingen aan de voorgestelde MFK-verordening en het Interinstitutioneel Akkoord;

4.  herhaalt dat het volgende MFK moet worden vastgesteld op 1 324,1 miljard EUR in prijzen van 2018, oftewel 1,3 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU-27; benadrukt dat dit totaalbedrag het resultaat is van een bottom-upbeoordeling van het vereiste financieringsniveau voor elk EU-programma en elk EU-beleidsgebied; herinnert in dit verband aan het voornemen van het Parlement om een impuls te geven aan vlaggenschipprogramma’s (bijvoorbeeld op het gebied van jeugd, onderzoek en innovatie, de milieu- en klimaattransitie, infrastructuur, kmo’s, digitalisering en sociale rechten), om de financiering van bestaand EU-beleid daadwerkelijk te handhaven (met name cohesie, landbouw en visserij), en om extra financiële middelen te voorzien voor extra verantwoordelijkheden (bijvoorbeeld op het gebied van migratie, extern optreden en defensie); is er vast van overtuigd dat de bundeling van middelen op EU-niveau om redenen van efficiëntie, solidariteit en algemene impact voor Europese meerwaarde zorgt; benadrukt in dit verband dat er bij toekomstige uitgaven meer nadruk moet worden gelegd op resultaten;

5.  benadrukt dat het Parlement niet zal instemmen met het MFK zonder een akkoord over de hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU, met inbegrip van de invoering van een pakket nieuwe eigen middelen dat beter aansluit op de belangrijkste beleidsprioriteiten van de EU en vooruitgang op deze gebieden stimuleert; herinnert eraan dat de invoering van nieuwe eigen middelen niet alleen tot doel heeft het overwicht van op het bni gebaseerde bijdragen te verminderen, maar ook het nodige niveau van financiering van de EU-uitgaven in het volgende MFK te waarborgen; bevestigt zijn in het tussentijds verslag over het MFK uiteengezette standpunt met betrekking tot de lijst van potentiële kandidaten voor nieuwe eigen middelen (een gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting, een belasting op digitale diensten, een belasting op financiële transacties, inkomsten uit de regeling voor de handel in emissierechten, een belasting op plastic en een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie), de afschaffing van alle kortingen en correcties, de vereenvoudiging van de eigen middelen uit de btw, de verlaging van de nationale 'inningskosten' die worden ingehouden op douanerechten, en het opnemen in de EU-begroting van andere ontvangsten in de vorm van boetes en vergoedingen;

6.  bevestigt nogmaals dat er een nieuw mechanisme moet worden ingevoerd om de EU-begroting te beschermen wanneer de rechtsstaat niet wordt nageleefd of wanneer de in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) vastgelegde waarden systematisch worden bedreigd, en wanneer dit gevolgen heeft of dreigt te hebben voor de beginselen van goed financieel beheer of de bescherming van de financiële belangen van de Unie; onderstreept dat dergelijke maatregelen de verplichting van overheidsinstanties of van lidstaten tot het doen van betalingen aan uiteindelijke begunstigden of ontvangers, onverlet laten;

Reageren op nieuwe initiatieven na de Europese verkiezingen

7.  is ingenomen met de politieke toezeggingen inzake aanvullende initiatieven die de verkozen voorzitter van de Commissie na haar benoeming in juli 2019 heeft genomen, en verwacht dat de budgettaire gevolgen daarvan onverwijld worden verduidelijkt; onderstreept dat de berekeningen voor nieuwe initiatieven, waarvan sommige al in het tussentijdse verslag van het Parlement waren voorzien, bovenop de eigen voorstellen van de Commissie voor de volgende periode moeten komen, en merkt op dat de MFK-plafonds hierdoor hoger zijn dan aanvankelijk voorgesteld; verwacht bijgevolg van de Commissie dat zij in haar eerste voorstel voor een MFK formeel rekening houdt met de budgettaire gevolgen van deze initiatieven en dat zij in de komende onderhandelingen over het MFK met de Raad samen met het Parlement het vereiste niveau van financiering verdedigt;

8.  dringt aan op verdere wetgevingsvoorstellen voor de vaststelling van nieuwe instrumenten, die onmiddellijk door de nieuwe Commissie moeten worden ingediend, zodat de financiering ervan kan worden opgenomen in het akkoord over het volgende MFK; gaat ervan uit dat eventuele nieuwe initiatieven die na de goedkeuring van het MFK 2021-2027 worden voorgesteld, met nieuwe kredieten zullen worden gefinancierd;

9.  is wat de ontvangsten betreft ingenomen met de toezegging van de verkozen voorzitter om een aantal initiatieven die deel moeten uitmaken van het toekomstige pakket van nieuwe eigen middelen, weer op gang te brengen of uit te breiden; dringt er met name bij de lidstaten op aan gebruik te maken van de mogelijkheid om een mechanisme voor koolstofgrenscorrectie in te voeren, dat een eerlijke manier zou zijn om te reageren op de vraag van de bevolking naar krachtdadig leiderschap in de strijd tegen de klimaatverandering en tegelijkertijd zou zorgen voor een gelijk speelveld in de internationale handel;

Een verdere stap voorwaarts in de klimaattransitie

10.  geeft nogmaals uiting aan zijn ondubbelzinnige steun voor het beginsel van klimaatmainstreaming; verzoekt de Commissie ervoor te zorgen dat het volgende MFK volledig in overeenstemming is met de Overeenkomst van Parijs, en benadrukt dat er dringend behoefte is aan een nieuwe doorbraak op het vlak van politieke en financiële inspanningen om de doelstellingen ervan te verwezenlijken en voor een eerlijke transitie naar een koolstofneutrale economie te zorgen, die gebaseerd is op de hoogst mogelijke eisen inzake sociale rechtvaardigheid, zodat geen enkel deel van de bevolking en geen enkele regio in de steek wordt gelaten; kijkt uit naar een concreet voorstel over de Europese Green Deal, zoals uiteengezet in de politieke beleidslijnen van de nieuwe voorzitter van de Commissie; verwacht dat de begrotingsmiddelen voor de volgende programmeringsperiode evenredig zullen zijn met deze ambitie, en benadrukt dat een MFK met minder middelen uiteraard een stap achteruit zou betekenen;

11.  benadrukt dat gemeenschappelijke klimaatmaatregelen op EU-niveau aanzienlijke toegevoegde waarde opleveren en daarom de kern moeten vormen van de modernisering van de EU-begroting en haar uitgavenprogramma’s; benadrukt bijgevolg, zoals uiteengezet in zijn tussentijds verslag, dat de mainstreaming van het klimaat en de biodiversiteit in het volgende MFK verder moet gaan dan het niveau van de beoogde uitgavenpercentages, en dat in de besluitvorming voor alle belangrijke programma’s en gedurende de gehele beleidscyclus rekening moet worden gehouden met de klimaatdimensie en de sociale dimensie; dringt in dit verband bovendien aan op een transparantere, striktere en alomvattender methode, met inbegrip van hervormde prestatie-indicatoren voor het vaststellen en volgen van uitgaven op het gebied van klimaat en biodiversiteit, het verhinderen van financiële steun voor schadelijke maatregelen en het monitoren van de gevolgen op middellange en lange termijn van de klimaatmainstreaming voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering; dringt erop aan dat het Parlement nauw wordt betrokken bij de opzet van een dergelijke methode;

Onmiddellijke start van interinstitutionele onderhandelingen

12.  herinnert eraan dat in artikel 312, lid 5, van het VWEU is bepaald dat de drie EU-instellingen gedurende de gehele procedure die tot de vaststelling van het MFK leidt, “alle nodige maatregelen [moeten treffen] om de vaststelling ervan te vergemakkelijken”; benadrukt het feit dat het Parlement al bijna een jaar lang klaar staat om te beginnen onderhandelen over alle aspecten van het MFK en over het pakket eigen middelen, maar dat de Raad nog altijd niet bereid is een zinvolle dialoog aan te gaan die niet beperkt blijft tot korte en formalistische briefings en debriefings in de marge van de Raad Algemene Zaken (Raad Algemene Zaken); is van mening dat dergelijke minimalistische contacten niet kunnen worden beschouwd als een vorm van bevredigende interinstitutionele samenwerking en niet beantwoorden aan de expliciete bepalingen van het Verdrag;

13.  verzoekt derhalve om een onmiddellijke intensivering van de interinstitutionele gesprekken over het MFK en de eigen middelen, met als doel de weg vrij te maken voor echte onderhandelingen, en verzoekt de Raad onverwijld zijn onderhandelingsmandaat vast te stellen; is, met het oog op goedkeuring door het Parlement, van mening dat de Raad bij het vaststellen van zijn eigen standpunt naar behoren rekening moet houden met de standpunten van het Parlement; verwacht in dit verband dat het voorzitterschap van de Raad en de Commissie de standpunten van het Parlement duidelijk kenbaar maken en toelichten aan de Raad Algemene Zaken, en eist dat het onderhandelingsteam van het Parlement alle informele bijeenkomsten van de Raad over het MFK mag bijwonen; benadrukt dat er verder specifieke trilaterale bijeenkomsten moeten plaatsvinden om de discussie over de verschillende aspecten van het MFK en de voorstellen voor de eigen middelen te verdiepen, en is van mening dat deze bijeenkomsten de bestaande briefings en debriefings van de Raad Algemene Zaken moeten aanvullen; verwacht voorts dat er vergaderingen op hoog niveau worden belegd tussen de voorzitters van de instellingen, in overeenstemming met artikel 324 van het VWEU;

Veiligstelling van de prerogatieven van het Parlement

14.  neemt kennis van de methode van de Raad voor het opstellen van onderhandelingspakketten voor het MFK; vreest echter dat de Raad hiermee ook probeert om de Europese Raad een leidende rol toe te kennen bij het nemen van definitieve beslissingen over verschillende aspecten van het volgende MFK, zoals het geval was in de procedure die is voorafgegaan aan de vaststelling van het huidige MFK; benadrukt dat het Parlement niet door de Europese Raad voor voldongen feiten wil worden geplaatst en niet pro forma zal instemmen met beslissingen van de Europese Raad, en onderstreept dat het Parlement bereid is zijn goedkeuring op te schorten tot er een bevredigende overeenkomst is bereikt;

15.  onderstreept dat deze onderhandelingspakketten niet alleen onderdelen van de MFK-verordening omvatten, waarvoor het Parlement zijn goedkeuring moet geven, maar ook een aanzienlijk aantal wettelijke bepalingen betreffende het sectorale beleid van de EU, waarover volgens de gewone wetgevingsprocedure moet worden beslist; is daarom van mening dat dergelijke onderhandelingspakketten niets meer zijn dan een interne Raadsprocedure die het Parlement geenszins mag beletten om daadwerkelijke onderhandelingen te voeren over alle onderdelen van het MFK-pakket en de sectorale wetgeving; dringt er daarom bij de Raad op aan onderhandelingen met het Parlement te openen over alle aspecten van de sectorale wetgeving waarmee de nieuwe EU-programma’s tot stand worden gebracht, alsook over het voorstel inzake de rechtsstaat;

16.  herinnert eraan dat de conclusies van de Europese Raad een politiek karakter hebben en dat artikel 15, lid 1, van het VEU de Europese Raad verbiedt wetgevende functies uit te oefenen; verzoekt de Europese Raad dan ook om zich te onthouden van het aannemen van gedetailleerde en zogezegd bindende conclusies op basis van MFK-onderhandelingspakketten, aangezien dit neerkomt op directe inmenging in de wetgeving; rekent op de Commissie, als een eerlijke bemiddelaar en als hoedster van de Verdragen, om het Parlement te steunen bij de uitoefening van zijn wetgevende prerogatieven in het kader van zowel de goedkeuringsprocedure als de gewone wetgevingsprocedure;

Een vangnet ter bescherming van de begunstigden van EU-programma’s: opstelling van een noodplan voor het MFK

17.  betreurt dat de Europese Raad het tijdsbestek voor het nemen van een politiek besluit al meermaals heeft verlengd; vreest dat er een duidelijk risico bestaat, indien de Raad en de Europese Raad nog meer vertraging veroorzaken zonder het Parlement bij hun werkzaamheden te betrekken, dat de uitermate complexe onderhandelingen niet voor het einde van het huidige MFK zullen kunnen worden afgerond; herinnert aan de ernstige vertragingen met betrekking tot de start van bepaalde EU-programma’s die zich hebben voorgedaan als gevolg van de laattijdige vaststelling van het huidige MFK, en wijst erop dat dit in het verleden al vaker is gebeurd;

18.  herinnert eraan dat, indien er niet tijdig een nieuw MFK komt, artikel 312, lid 4, van het VWEU voorziet in een vangnet in de vorm van een tijdelijke verlenging van de plafonds en andere bepalingen van het laatste jaar van het huidige kader; maakt zich echter zorgen over het feit dat een dergelijk vangnet kan worden ondermijnd door een gebrek aan paraatheid op operationeel niveau, enerzijds, en door de aflooptermijnen die voor sommige van de huidige EU-programma’s gelden, anderzijds; waarschuwt in dit verband tegen de stopzetting van EU-programma’s en waarschuwt niet te willen gedwongen worden om wegens tijdsdruk in te stemmen met een slechte overeenkomst;

19.  dringt er daarom bij de Commissie op aan onmiddellijk te beginnen met de opstelling van een noodplan voor het MFK, met als doel begunstigden te beschermen en de continuïteit van de financiering te waarborgen indien het huidige MFK moet worden verlengd; vraagt dat de Commissie begin 2020 een dergelijk noodplan voorlegt, zodat de Raad en het Parlement het snel kunnen goedkeuren; dringt erop aan dat dit plan een horizontaal wetgevingsvoorstel omvat om de in de desbetreffende programma’s vastgestelde termijnen op te heffen, teneinde te zorgen voor samenhang met artikel 312, lid 4, van het VWEU, en dat het plan concrete operationele bepalingen bevat, met name voor de voortzetting van beleidsmaatregelen onder gedeeld beheer;

o
o   o

20.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Europese Raad en de Commissie.

(1) PB C 162 van 10.5.2019, blz. 51.
(2) PB C 162 van 10.5.2019, blz. 71.
(3) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0226.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0449.

Laatst bijgewerkt op: 11 oktober 2019Juridische mededeling