Index 
 Vorige 
 Volgende 
 Volledige tekst 
Procedure : 2019/2880(RSP)
Stadium plenaire behandeling
Kies een document :

Ingediende teksten :

RC-B9-0138/2019

Debatten :

PV 24/10/2019 - 3.2
CRE 24/10/2019 - 3.2

Stemmingen :

PV 24/10/2019 - 8.2

Aangenomen teksten :

P9_TA(2019)0043

Aangenomen teksten
PDF 149kWORD 51k
Donderdag 24 oktober 2019 - Straatsburg Voorlopige uitgave
Egypte
P9_TA-PROV(2019)0043RC-B9-0138/2019

Resolutie van het Europees Parlement van 24 oktober 2019 over Egypte (2019/2880(RSP))

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Egypte, met name die van 17 juli 2014 over de vrijheid van meningsuiting in Egypte(1), die van 15 januari 2015 over de situatie in Egypte(2), die van 10 maart 2016 over Egypte, met name de zaak Giulio Regeni(3), die van 8 februari 2018 over executies in Egypte(4), en die van 13 december 2018 over Egypte, met name de situatie van mensenrechtenactivisten(5),

–  gezien de conclusies van de Raad Buitenlandse Zaken (RBZ) over Egypte van augustus 2013 en februari 2014,

–  gezien de associatieovereenkomst EU-Egypte van 2001, die in 2004 in werking is getreden en werd geconsolideerd door het actieplan van 2007; gezien de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020, die op 25 juli 2017 formeel werden goedgekeurd, de gezamenlijke verklaring die werd afgelegd na de Associatieraad EU-Egypte van 2017, en de gezamenlijke verklaring over de zesde vergadering van het subcomité EU-Egypte voor politieke zaken, mensenrechten en democratie in juni 2019,

–  gezien de verklaring van de EU bij punt 4 in de vergadering van de VN-Mensenrechtenraad van 19 september 2019, waarin Egypte wordt genoemd,

–  gezien het nieuwe strategisch EU-kader en EU-actieplan voor mensenrechten en democratie, dat erop gericht is de bescherming van en het toezicht op de mensenrechten centraal te stellen in alle beleidsterreinen van de EU,

–  gezien de EU-richtsnoeren over de doodstraf, foltering, vrijheid van meningsuiting en mensenrechtenverdedigers,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR), het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten (ICESCR), het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en het Verdrag inzake de rechten van het kind, die alle geratificeerd zijn door Egypte,

–  gezien de verklaring van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, van 27 september 2019 over de protesten in Egypte,

–  gezien de grondwet van Egypte, en met name artikel 52 (over het verbod op alle vormen van foltering), artikel 73 (over de vrijheid van vergadering) en artikel 93 (over het bindend karakter van het internationaal recht inzake de mensenrechten),

–  gezien het Afrikaanse Handvest van de rechten van de mens en de volkeren van 1981, dat door Egypte op 20 maart 1984 werd geratificeerd,

–  gezien het Arabisch Handvest van de rechten van de mens, waarbij Egypte partij is,

–  gezien resolutie 2473 (2019) van de VN-Veiligheidsraad, aangenomen in juni 2019, tot verlenging van de maatregelen ter uitvoering van het wapenembargo tegen Libië,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de Egyptische autoriteiten de voorbije weken naar verluidt meer dan 4 300 willekeurige arrestaties hebben uitgevoerd (waarvan 3000 arrestanten nog steeds in voorlopige hechtenis zitten), waaronder ten minste 114 vrouwen – en volgens Amnesty International en de Belady Foundation ten minste 111 minderjarigen – als reactie op vreedzame demonstraties die op 20 september 2019 van start gingen; overwegende dat de politie- en veiligheidsdiensten naar verluidt buitensporig geweld hebben gebruikt om de demonstranten uiteen te drijven;

B.  overwegende dat bij de antiregeringsdemonstraties werd geprotesteerd tegen bezuinigingsmaatregelen, endemische overheidscorruptie en systematische onderdrukking, en dat het ontslag van de Egyptische president Abdel Fattah al‑Sisi werd geëist;

C.  overwegende dat de recente acties van de Egyptische autoriteiten neerkomen op een ondermijning van de fundamentele vrijheden van meningsuiting, vereniging en vergadering, die allemaal zijn verankerd in de Egyptische grondwet en in het internationaal recht inzake de mensenrechten; overwegende dat dit deel uitmaakt van een breder optreden tegen het maatschappelijk middenveld en de grondrechten in Egypte, met name de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, van vereniging en van vergadering, politiek pluralisme en de rechtsstaat;

D.  overwegende dat de Egyptische autoriteiten de vreedzame democratische oppositiepartijen in Egypte zijn blijven onderdrukken, in strijd met het recht om deel te nemen aan publieke aangelegenheden en de vrijheid van meningsuiting, onder meer door de willekeurige gevangenneming van tientallen burgers in de zaak “Hope” en de arrestatie van tientallen andere leden van vreedzame politieke partijen sinds september 2019;

E.  overwegende dat mensenrechtenadvocaten, journalisten, activisten en oppositieleden in de gevangenis zijn beland op grond van ernstige beschuldigingen, onder meer terrorismegerelateerde misdrijven; overwegende dat vreedzame andersdenkenden, voorvechters van de democratie en verdedigers van de mensenrechten gevaar lopen door als terroristen te worden bestempeld; overwegende dat deze arrestaties enkel berusten op hun vreedzame en gerechtvaardigde werkzaamheden ter verdediging van de mensenrechten;

F.  overwegende dat de gedwongen verdwijning van mensenrechtenverdedigers een systematische praktijk van de Egyptische autoriteiten aan het worden is, waarbij de meesten later weer opduiken in de handen van het openbaar ministerie, zoals in het geval van Alaa Abdel Fattah, Asmaa Daabes, Esraa Abdel Fattah, Eman Al-Helw, Mohamed Ibrahim, Abdelrahman Tarek, Ezzat Ghoneim, Haytham Mohamadeen en Ibrahim Metwally Hegazy; overwegende dat van sommigen, waaronder Ibrahim Ezz El-Din, nog steeds geen spoor is;

G.  overwegende dat voorlopige preventieve hechtenis en conservatoire maatregelen buitensporig veel worden gebruikt om verdedigers van de mensenrechten en hun advocaten, zoals Mahienour El-Masry, Mohamed El-Baqer, Esraa Abdel Fattah en Mohamed Ramadan, te verhinderen hun legitieme werkzaamheden op het gebied van de mensenrechten in Egypte uit te voeren;

H.  overwegende dat er door belemmeringen van de Egyptische autoriteiten geen vooruitgang kon worden geboekt in het onderzoek naar en het aan het licht brengen van de waarheid over de ontvoering, foltering en het vermoorden van de Italiaanse onderzoeker Giulio Regeni; overwegende dat het Italiaanse parlement zijn diplomatieke betrekkingen met het Egyptische parlement heeft opgeschort en de parlementen van de lidstaten ertoe heeft opgeroepen zich solidair op te stellen;

I.  overwegende dat Verslaggevers zonder grenzen bewijsmateriaal heeft verzameld over gevallen van ten minste 31 mediamedewerkers die momenteel in Egypte vanwege hun werk in hechtenis zitten op basis van politiek gemotiveerde aanklachten, waarbij de regels voor een eerlijk proces herhaaldelijk zijn geschonden; overwegende dat zes van die journalisten zijn gearresteerd in verband met de recente protesten; overwegende dat ook buitenlandse mediamedewerkers het doelwit zijn, en dat verschillende internationale mediacorrespondenten zijn gedeporteerd of dat hen de toegang tot Egypte is ontzegd; overwegende dat internationale organisaties melding hebben gemaakt van het blokkeren van websites van nieuwsmedia en het blokkeren of beperken van de toegang tot onlinediensten voor het sturen van berichten, met name in de voorbije weken;

J.  overwegende dat krachtens de Egyptische ngo-wet van 2019 gevangenisstraffen weliswaar worden ingetrokken en een einde wordt gemaakt aan de zwaar beveiligde tussenkomst die eerder was ingevoerd om buitenlandse financiering goed te keuren en te controleren, maar dat de wet het maatschappelijk middenveld niettemin aanzienlijk dreigt in te perken, nieuwe problematische beperkingen inhoudt van het recht op vrijheid van vereniging en de activiteiten van zowel binnenlandse als buitenlandse ngo’s sterk aan banden legt;

K.  overwegende dat vrouwelijke mensenrechtenverdedigers in Egypte nog steeds te maken krijgen met verschillende vormen van intimidatie van staatswege, met name door lastercampagnes en gerechtelijke vervolging; overwegende dat activisten die opkomen voor de rechten van LHBTIQ’s en vrouwen voortdurend te maken krijgen met repressie, onder meer onder het mom van de bescherming van de “openbare zeden”;

L.  overwegende dat de rechterlijke macht in Egypte ernstige schendingen van het recht op leven blijft begaan, met de uitvaardiging en uitvoering van een ongezien groot aantal doodstraffen tegen tal van personen – waarbij zelfs kinderen zijn veroordeeld – onder meer in de nasleep van militaire en massaprocessen waarbij geen sprake was van minimumgaranties voor een eerlijk proces; overwegende dat strafrechtbanken en militaire rechtbanken sinds 2014 meer dan 3 000 doodstraffen hebben uitgevaardigd en dat 50 mensen onmiddellijk gevaar lopen te worden geëxecuteerd;

M.  overwegende dat het Bureau van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de Verenigde Naties (OHCHR) heeft verklaard dat er bij de rechtbanken verscheidene zaken aanhangig zijn van personen die zijn veroordeeld op basis van bewijsmateriaal dat zou zijn verkregen onder foltering en dat deze personen de doodstraf wacht; overwegende dat deze veroordelingen rechtstreeks in strijd lijken te zijn met zowel Egyptische als internationale rechtspraktijken en procedures;

N.  overwegende dat de Egyptische veiligheidstroepen zo goed als geen verantwoording moeten afleggen voor ernstige mensenrechtenschendingen en dat er tegen het leger geen behoorlijk onderzoek wordt gevoerd naar beschuldigingen van corruptie;

O.  overwegende dat tijdens de protesten op het Rabaa-plein in 2013 ten minste 900 mensen door de Egyptische veiligheidstroepen zijn gedood; overwegende dat er tijdens het daaropvolgende proces weliswaar tal van onregelmatigheden aan de kaak zijn gesteld en dat de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de mensenrechten het proces beschreef als een ernstige gerechtelijke dwaling, maar dat niettemin niemand van de verantwoordelijken voor het bloedbad voor de rechter is verschenen;

P.  overwegende dat de universele periodieke doorlichting (UPR) van Egypte naar aanleiding van de VN-Mensenrechtenraad, die in november 2019 van start gaat, de internationale gemeenschap een unieke kans biedt om Egyptes staat van dienst op het gebied van de mensenrechten grondig te controleren en aanbevelingen voor verbeteringen te formuleren;

Q.  overwegende dat veel mensenrechtenactivisten te maken krijgen met repressieve maatregelen, soms als vergelding voor deelname aan de UPR van Egypte van 2014; overwegende dat de activiteiten van tien mensenrechtenverdedigers en zeven ngo’s die worden genoemd in zaak 173/2011 (de “buitenlandse-financieringszaak”) zijn lamgelegd door een bevriezing van vermogensbestanddelen; overwegende dat nog steeds ten minste 31 bij zaak 173/2011 betrokken mensenrechtenverdedigers en medewerkers van onafhankelijke Egyptische mensenrechten-ngo’s een reisverbod wordt opgelegd, hoewel 43 medewerkers van buitenlandse maatschappelijke organisaties die in 2013 in dezelfde zaak werden veroordeeld inmiddels zijn vrijgesproken;

R.  overwegende dat Egypte sinds de revolutie van 2011 met diverse moeilijke ontwikkelingen te kampen heeft gehad en dat de internationale gemeenschap het land steunt bij het oplossen van zijn talrijke problemen; overwegende dat de veiligheidssituatie in Egypte fragiel is, met een hoog risico op terroristische aanslagen op het schiereiland Sinaï en in grote steden in het hele land door verschillende islamistische organisaties, ondanks het gebruik van agressieve en soms brute methoden van de regering om deze te bestrijden; overwegende dat een groot aantal onschuldige burgers, waaronder kopten, om het leven is gekomen bij terroristische aanslagen; overwegende dat de militaire operaties in het noorden van Sinaï sinds eind 2013 zijn blijven escaleren en dat de regering massale vernielingen en de gedwongen uitzetting van tienduizenden inwoners heeft uitgevoerd, terwijl onafhankelijke berichtgeving wordt verhinderd door een bijna-absolute mediablack-out en beperkingen op het verkeer van en naar Sinaï;

S.  overwegende dat er geen officiële, krachtige en eensgezinde publieke reactie van de EU en haar lidstaten is gekomen op het harde optreden van september-oktober 2019 in Egypte; overwegende dat een gezamenlijke gehechtheid aan de universele waarden van democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten een leidend beginsel is van de in juni 2017 goedgekeurde prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020 en dat die prioriteiten een hernieuwd kader vormen voor politieke verbintenissen en nauwere samenwerking op gebieden als veiligheid, hervorming van de rechtspraak en terrorismebestrijding, met inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden; overwegende dat de pogingen van de EU om Egypte ertoe aan te zetten de ergste gevallen van mensenrechtenschendingen aan te pakken nog geen merkbare resultaten hebben opgeleverd;

T.  overwegende dat Egypte een belangrijke partner is voor de Europese Unie en haar lidstaten op een groot aantal gebieden, waaronder handel, veiligheid en interpersoonlijke contacten; overwegende dat de Raad Buitenlandse Zaken de hoge vertegenwoordiger op 21 augustus 2013 heeft belast met de herziening van de EU-bijstand aan Egypte; overwegende dat de Raad besloot dat de EU-samenwerking met Egypte zal worden bijgesteld naar gelang van de ontwikkelingen ter plaatse; overwegende dat de EU en Egypte in juni 2017 partnerschapsprioriteiten hebben vastgesteld die tot doel hebben de samenwerking op een groot aantal gebieden, waaronder de strijd tegen terrorisme, te intensiveren, met inachtneming van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden;

U.  overwegende dat in de RBZ-conclusies van 21 augustus 2013 staat dat “de lidstaten zijn [...] overeengekomen dat zij de vergunningen voor de uitvoer naar Egypte van uitrusting die voor binnenlandse repressie kan worden gebruikt, opschorten en dat zij de vergunningen voor de uitvoer van uitrusting die onder Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB valt, opnieuw zullen beoordelen en hun bijstand aan Egypte op veiligheidsgebied opnieuw zullen bekijken”; overwegende dat bedrijven in verschillende EU-lidstaten bewakingstechnologie en andere veiligheidsuitrusting zijn blijven uitvoeren naar Egypte, hetgeen hacking, het gebruik van malware en andere vormen van aanvallen op mensenrechtenverdedigers en activisten van het maatschappelijk middenveld zowel fysiek als online in de hand heeft gewerkt; overwegende dat dit heeft geleid tot onderdrukking van de vrijheid van meningsuiting online;

1.  veroordeelt krachtig het harde optreden van de afgelopen weken en de voortdurende beperkingen van de grondrechten in Egypte, met name de vrijheid van meningsuiting, zowel online als offline, de vrijheid van vereniging en vergadering, politiek pluralisme en de rechtsstaat; veroordeelt het buitensporige gebruik van geweld tegen demonstranten en herinnert Egypte eraan dat elke reactie van de veiligheidstroepen in overeenstemming moet zijn met de internationale normen en met de eigen grondwet;

2.  roept op tot onmiddellijke beëindiging van alle daden van geweld, opruiing, haatzaaiende taal, pesterijen, intimidatie, gedwongen verdwijningen en censuur jegens mensenrechtenactivisten, advocaten, demonstranten, journalisten, bloggers, vakbondsleden, studenten, kinderen, vrouwenrechtenactivisten, LGBTI’s, organisaties uit het maatschappelijk middenveld, politieke tegenstanders en minderheden door overheidsinstanties, veiligheidstroepen en -diensten en andere groeperingen in Egypte; dringt aan op een onafhankelijk en transparant onderzoek naar alle schendingen van de mensenrechten en eist dat de verantwoordelijken ter verantwoording worden geroepen; onderstreept dat eerbiediging van de mensenrechten de enige manier is om de stabiliteit en veiligheid van Egypte op de lange termijn te waarborgen;

3.  verzoekt de Egyptische autoriteiten om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle mensenrechtenverdedigers die zijn gevangengenomen of veroordeeld louter wegens het uitvoeren van hun legitieme en vreedzame werkzaamheden op het gebied van de mensenrechten, waaronder Eman Al-Helw, Mohamed Ibrahim, Mohamed Ramadan, Abdelrahman Tarek, Ezzat Ghoneim, Haytham Mohamadeen, Alaa Abdel Fattah, Ibrahim Metwally Hegazy, Mahienour El-Masry, Mohamed El-Baqer en Esraa Abdel Fattah, en om zich onmiddellijk te vergewissen van de verblijfplaats van Ibrahim Ezz El-Din; dringt voorts aan op de vrijlating van mensenrechtenverdedigers, academici en anderen in voorlopige hechtenis in het kader van de zaak “Coalition Hope”, waaronder Zyad el-Elaimy, Hassan Barbary en Ramy Shaath, alsook leden van de “Brood en Vrijheid”-partij, de Al-Dostour-partij en de Egyptische Sociaal-Democratische Partij, die onlangs zonder geloofwaardige gronden zijn gevangengenomen met het oog op strafrechtelijke vervolging; roept Egypte ertoe op om in afwachting van hun vrijlating hun verblijfplaats te onthullen, hun volledige toegang te verlenen tot familie, advocaten van hun keuze en adequate medische zorg, en om een geloofwaardig onderzoek in te stellen naar alle beschuldigingen van mishandeling of foltering;

4.  benadrukt hoe belangrijk het is de gelijkheid van alle Egyptenaren te waarborgen, ongeacht hun geloof of overtuigingen; roept Egypte ertoe op zijn wetgeving inzake godslastering te herzien en te zorgen voor de bescherming van religieuze minderheden; is ingenomen met de verklaringen waarin wordt opgeroepen tot een vernieuwing van het islamitische discours om extremisme en radicalisering aan te vechten; verzoekt de Egyptische autoriteiten, met inbegrip van het leger en de veiligheidstroepen, om de rechten van christenen te eerbiedigen, hen te beschermen tegen geweld en discriminatie en ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken voor dergelijke daden worden vervolgd;

5.  steunt het verlangen van de meerderheid van de Egyptische bevolking om een vrij, stabiel, welvarend, inclusief en democratisch land tot stand te brengen dat zijn nationale en internationale verbintenissen op het gebied van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden nakomt; herhaalt dat het recht op vreedzame meningsuiting en het uiten van kritiek moet worden gewaarborgd;

6.  dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan een einde te maken aan het blokkeren van de websites van lokale en internationale nieuwsorganisaties en mensenrechtenorganisaties, en alle mediamedewerkers die vanwege hun journalistieke werk vastzitten vrij te laten;

7.  toont zich diep bezorgd over de vergeldingsacties tegen personen die samenwerken of proberen samen te werken met internationale mensenrechtenorganisaties of de mensenrechtenorganen van de Verenigde Naties; verzoekt de Egyptische autoriteiten zaak 173/2011 (de “buitenlandse-financieringszaak”) af te sluiten, alle reisverboden die in het kader van de zaak zijn opgelegd aan ten minste 31 mensenrechtenverdedigers en medewerkers van mensenrechten-ngo’s op te heffen – evenals alle andere willekeurig opgelegde reisverboden – en Egyptische mensenrechtenactivisten die in Egypte zijn gevestigd toe te staan te reizen, zodat zij persoonlijk kunnen deelnemen aan de universele periodieke doorlichting van Egypte die op 13 november 2019 van start gaat;

8.  dringt erop aan dat de onlangs aangenomen ngo-wet wordt ingetrokken en wordt vervangen door een nieuw wetgevingskader dat wordt opgesteld in daadwerkelijk overleg met maatschappelijke organisaties en in overeenstemming is met de Egyptische grondwet en internationale normen;

9.  betreurt het gebrek aan een geloofwaardig onderzoek naar, en verantwoordingsplicht voor, de ontvoering, foltering en het vermoorden in 2016 van de Italiaanse onderzoeksassistent Giulio Regeni; herhaalt zijn verzoek aan de Egyptische autoriteiten om licht te werpen op de omstandigheden rond de dood van Giulio Regeni en Eric Lang en de verantwoordelijken ter verantwoording te roepen, in volledige samenwerking met de autoriteiten van de lidstaten die bij deze zaken betrokken zijn;

10.  eist dat de autoriteiten wetgeving wijzigen, aannemen en effectief uitvoeren om alle vormen van discriminatie jegens vrouwen en meisjes uit te bannen en alle vormen van geweld jegens vrouwen en meisjes strafbaar te stellen, onder meer door de wet inzake het personenrecht te wijzigen en door wettelijke bepalingen in te voeren die gendergerelateerd geweld en seksuele intimidatie, aanvallen en verkrachting verbieden; dringt er voorts bij de autoriteiten op aan de nationale strategie ter bestrijding van geweld tegen vrouwen daadwerkelijk uit te voeren in samenwerking met onafhankelijke maatschappelijke organisaties met erkende deskundigheid op dit gebied;

11.  uit zijn bezorgdheid over het feit dat het gebruik van de doodstraf in Egypte sterk is toegenomen sinds president Sisi aan de macht is gekomen; dringt er bij de Egyptische autoriteiten op aan een moratorium op terechtstellingen in te stellen met het oog op de afschaffing van de toepassing van de doodstraf in Egypte, en herhaalt zijn oproep aan Egypte om het Tweede Facultatieve Protocol bij het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, gericht op de afschaffing van de doodstraf, te ondertekenen en te ratificeren;

12.  betuigt zijn oprechte medeleven met de nabestaanden van slachtoffers van terrorisme; toont zich solidair met het Egyptische volk en bevestigt nogmaals dat het zal blijven strijden tegen de verspreiding van radicale ideologieën en terreurgroepen; verzoekt de Egyptische autoriteiten ervoor te zorgen dat hun lopende militaire operaties in Sinaï worden uitgevoerd in overeenstemming met de internationale mensenrechtennormen, alle vormen van misbruik grondig te onderzoeken en het noorden van Sinaï onmiddellijk open te stellen voor onafhankelijke hulporganisaties en onafhankelijke waarnemers en journalisten;

13.  betreurt het uitblijven van een officiële reactie van de hoge vertegenwoordiger of van de lidstaten op de laatste golf van arrestaties; verzoekt de VV/HV en de lidstaten eensgezind en vastberaden te reageren op het huidige harde optreden en de schendingen van de mensenrechten; verwacht van de EDEO dat zij prioriteit geeft aan de situatie van mensenrechtenverdedigers in Egypte en aan het Parlement verslag uitbrengt over haar betrekkingen met Caïro over deze kwestie, onder meer over de individuele gevallen die in deze resolutie aan de orde worden gesteld; dringt er bij de VV/HV en de lidstaten op aan alle tot hun beschikking staande middelen te gebruiken, met inbegrip van bilaterale en multilaterale instrumenten, handelsbesprekingen, het Europees nabuurschapsbeleid, steun en, indien nodig, gerichte beperkende maatregelen, om het harde optreden van het land een halt toe te roepen en concrete vooruitgang te boeken met betrekking tot de mensenrechtensituatie in Egypte;

14.  dringt aan op een grondige en alomvattende herziening van zijn betrekkingen met Egypte; is van mening dat de mensenrechtensituatie in Egypte een ingrijpende herziening van de begrotingssteunmaatregelen van de Commissie noodzakelijk maakt, waarbij deze in de eerste plaats moeten worden beperkt tot ondersteuning van het maatschappelijk middenveld;

15.  dringt er met klem op aan dat de toezeggingen die zijn gedaan in de prioriteiten van het partnerschap EU-Egypte voor de periode 2017-2020 worden nagekomen en dringt erop aan dat deze volledig en naar behoren worden uitgevoerd; verzoekt de EU om, met het oog op de onderhandelingen over nieuwe partnerschapsprioriteiten, duidelijke benchmarks vast te stellen die verdere samenwerking met Egypte afhankelijk stellen van de vooruitgang in verband met de hervorming van de democratische instellingen, de rechtsstaat en de mensenrechten, en in alle gesprekken met de Egyptische autoriteiten aandacht te besteden aan de mensenrechten; herhaalt dat de mensenrechten niet mogen worden ondermijnd door migratiebeheer of terrorismebestrijding;

16.  herhaalt zijn oproep aan de EU-lidstaten om gevolg te geven aan hun conclusies van 21 augustus 2013 waarin de opschorting wordt aangekondigd van de vergunningen voor de uitvoer van alle uitrusting die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie, in overeenstemming met Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB, en veroordeelt de aanhoudende niet-naleving van deze verbintenissen door de EU-lidstaten; verzoekt hen daarom de uitvoer naar Egypte van bewakingstechnologie en andere veiligheidsapparatuur die aanvallen op mensenrechtenverdedigers en activisten van het maatschappelijk middenveld – ook op sociale media – en andere vormen van binnenlandse repressie in de hand kunnen werken, stop te zetten; verzoekt de VV/HV verslag uit te brengen over de huidige stand van de militaire en veiligheidssamenwerking van de lidstaten met Egypte; roept de EU op haar exportcontroles ten aanzien van Egypte volledig uit te voeren waar het gaat om goederen die kunnen worden gebruikt voor repressie, foltering of terechtstellingen;

17.  benadrukt hoe belangrijk het is ervoor te zorgen dat elke regeling tussen de EU en Egypte inzake migratie strikt in overeenstemming is met internationale mensenrechtennormen, de grondrechten van migranten en vluchtelingen eerbiedigt en voldoende transparantie en verantwoordingsplicht garandeert;

18.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de parlementen en regeringen van de lidstaten, de regering en het parlement van Egypte, en de Afrikaanse Commissie voor de rechten van de mens en volken.

(1) PB C 224 van 21.6.2016, blz. 5.
(2) PB C 300 van 18.8.2016, blz. 34.
(3) PB C 50 van 9.2.2018, blz. 42.
(4) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 35.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0526.

Laatst bijgewerkt op: 25 oktober 2019Juridische mededeling