Index 
Aangenomen teksten
Donderdag 18 juli 2019 - StraatsburgDefinitieve uitgave
Situatie in Hongkong
 Situatie aan de grens tussen de VS en Mexico
 Rusland, met name de situatie van milieuactivisten en Oekraïense politieke gevangenen
 Situatie in Venezuela

Situatie in Hongkong
PDF 124kWORD 52k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 juli 2019 over de situatie in Hongkong (2019/2732(RSP))
P9_TA(2019)0004RC-B9-0013/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Hongkong,

–  gezien de verklaring van 12 juni 2019 van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) over de aanhoudende protesten tegen de voorgestelde uitleveringshervormingen in Hongkong,

–  gezien de verklaring van 1 juli 2019 van de woordvoerder van de EDEO over de recentste ontwikkelingen in Hongkong,

–  gezien de basiswet van de Speciale Administratieve Regio (SAR) Hongkong, die op 4 april 1990 werd aangenomen en op 1 juli 1997 in werking is getreden,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de regering van het Verenigd Koninkrijk en de regering van de Volksrepubliek China over de kwestie Hongkong van 19 december 1984, de zogenaamde Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring,

–  gezien het gezamenlijke verslag van 8 mei 2018 van de Commissie en de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) aan het Europees Parlement en de Raad, getiteld “Speciale administratieve regio Hongkong: Jaarverslag 2018”,

–  gezien de gezamenlijke verklaring van de 21e EU-China-top van 9 april 2019,

–  gezien de dialoog tussen de EU en China over de mensenrechten, die is gestart in 1995, en de 37e ronde van deze dialoog, die is gehouden op 1-2 april 2019,

–  gezien de gezamenlijke mededeling van de Commissie en de VV/HV aan het Europees Parlement en de Raad van 12 maart 2019 getiteld “EU-China – Een strategische visie”,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 16 december 1966,

–  gezien het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de universele periodieke doorlichting (UPR) van China die de Verenigde Naties in november 2018 hebben uitgevoerd,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de bevordering en eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat de kern moeten blijven uitmaken van de langlopende relatie tussen de EU en China, in overeenstemming met de inspanningen van de EU om deze waarden in haar extern optreden uit te dragen; overwegende dat China interesse heeft geuit om in zijn eigen ontwikkeling en internationale samenwerking zich juist aan deze waarden te houden;

B.  overwegende dat de regering van de Speciale Administratieve Regio Hongkong (HKSAR) in 2019 de wet inzake voortvluchtige delinquenten en wederzijdse rechtshulp in strafzaken heeft voorgesteld tot wijziging van de verordening inzake voortvluchtige delinquenten en de verordening inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken;

C.  overwegende dat de Hongkongse regeringsleider Carrie Lam de omstreden wet op 9 juli 2019 “dood en begraven” verklaarde; overwegende dat zij op dat moment niet heeft aangekondigd het voorstel ook effectief in te trekken;

D.  overwegende dat de voorgestelde wet het mogelijk zou maken mensen om politieke redenen aan China uit te leveren en hen zou blootstellen aan een rechtsstelsel met ernstige tekortkomingen op het vlak van de mensenrechten; overwegende dat de rechtbank van Hongkong volgens de voorgestelde wetswijziging niet duidelijk uitdrukkelijk bevoegd en wettelijke verplicht is te onderzoeken welke mensenrechten er in het geding zijn in zaken die behandeld worden door rechtbanken op het Chinese vasteland of in andere landen;

E.  overwegende dat de rechterlijke macht op het Chinese vasteland niet onafhankelijk van de regering en de Chinese communistische partij functioneert, en het gerechtelijk apparaat gekenmerkt wordt door willekeurige opsluitingen, foltering en andere vormen van mishandeling, ernstige schendingen van het recht op een eerlijk proces, gedwongen verdwijningen en verschillende vormen van opsluiting zonder contact met de buitenwereld en zonder proces;

F.  overwegende dat veel burgers in Hongkong, gaande van activisten voor de democratie tot zakenlui, vrezen uitgeleverd te worden aan het Chinese vasteland;

G.  overwegende dat de bevolking van Hongkong nog nooit zo talrijk de straat op is gekomen om haar grondrecht op vrije vergadering en op betoging vreedzaam uit te oefenen; overwegende dat op 12 juni 2019 tienduizenden betogers aan het gebouw van de Wetgevende Raad en in de straten daarrond zijn bijeengekomen om te eisen dat de regering haar voorgestelde wijzigingen van de uitleveringswetgeving van Hongkong zou laten vallen;

H.  overwegende dat meer dan 70 mensenrechten-ngo’s, waaronder Amnesty International, Human Rights Watch, Human Rights Monitor, alsook de Balie van Hongkong en de Orde van Advocaten van Hongkong samen een brief hebben gericht aan de regeringsleider van Hongkong, Carrie Lam, met het verzoek de uitleveringswet te laten vallen omdat deze de mensenrechten in het gedrang zou brengen;

I.  overwegende dat de politie van Hongkong de gewelddaden van een klein aantal demonstranten als voorwendsel heeft gebruikt om onnodig en buitensporig geweld, bijvoorbeeld het gebruik van traangas, rubberen kogels, zakjes ganzenhagel en peperspray, tegen de overgrote meerderheid van vreedzame betogers te legitimeren en het incident als een “opstand” te bestempelen, om vervolgens enkele tientallen mensen te arresteren; overwegende dat verschillende mensen beschuldigd werden van het veroorzaken van rellen, waarvoor de gevangenisstraf tien jaar bedraagt;

J.  overwegende dat de bevolking van Hongkong in de loop der jaren massabetogingen vóór democratie en de volledige uitvoering van de basiswet heeft gehouden, waaronder de betogingen van de zogenoemde Paraplubeweging in 2014, alsook de betogingen over vrijheden van de media en onder andere tegen de verdwijning van verschillende boekhandelaars van Hongkong;

K.  overwegende dat eind 2015 vier inwoners van Hongkong, waaronder Gui Minhai, en één buitenlander, allen verbonden aan de uitgeverij Mighty Current en de bijbehorende boekhandel, vermist werden; overwegende dat maanden later bleek dat zij op niet nader genoemde plaatsen op het vasteland van China werden vastgehouden; overwegende dat een van de naar Hongkong teruggekeerde boekhandelaars sindsdien naar Taiwan is verhuisd uit angst om te worden uitgeleverd;

L.  overwegende dat de bescherming van de mensenrechten en de individuele vrijheden in de basiswet is vastgelegd; overwegende dat in artikel 27 van de basiswet de vrijheid van meningsuiting, pers en publicatie, en van vereniging, vergadering, optocht en demonstratie worden gegarandeerd; overwegende dat in de artikelen 45 en 68 van de basiswet wordt bepaald dat de hoofdbestuurder en alle leden van de wetgevende raad verkozen worden via algemene verkiezingen;

M.  overwegende dat de EU het “één land, twee systemen”-beginsel en de hoge mate van autonomie van Hongkong ondersteunt;

1.  verzoekt de regering van de HKSAR de wet inzake voortvluchtige delinquenten en wederzijdse rechtshulp in strafzaken van 2019 in te trekken;

2.  verzoekt de regering van de HKSAR alle vreedzame demonstranten en alle personen die gevangen werden genomen wegens de vreedzame uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting tijdens of in de aanloop naar de protesten, onmiddellijk vrij te laten en alle aanklachten tegen hen te laten vallen;

3.  roept op tot een onafhankelijk, onpartijdig, doeltreffend en onverwijld onderzoek naar het gewelddadige optreden van de politie van Hongkong tegen betogers;

4.  benadrukt dat de EU veel van de bezorgdheden van de burgers van Hongkong over de voorgestelde uitleveringshervormingen deelt, en deze punten van zorg ook aan de regering van de HKSAR heeft meegedeeld; onderstreept dat het wetsvoorstel verregaande gevolgen heeft voor Hongkong en zijn burgers, de EU en buitenlandse burgers, alsook voor het ondernemersvertrouwen in Hongkong;

5.  dringt er bij Hongkong op aan dat het volledige overeenstemming van zijn wetgeving met de internationale mensenrechtenverplichtingen waarborgt, met inbegrip van de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (ICCPR) en het VN-Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

6.  erkent dat de bevolking van Hongkong de afgelopen weken in buitengewoon grote aantallen op straat is gekomen, namelijk met naar schatting meer dan een miljoen mensen op 9 juni 2019 en meer dan twee miljoen de week daarna, in voornamelijk vreedzame massaprotesten naar aanleiding van de grote bezorgdheid over de voorgestelde uitleveringswet;

7.  onderstreept dat de rechten van Hongkongse burgers in Hongkong in het algemeen worden geëerbiedigd, maar is zeer bezorgd over de gestage achteruitgang van de burgerrechten, de politieke rechten en de persvrijheid; is uitermate bezorgd over de ongekende druk op journalisten en hun steeds grotere zelfcensuur, vooral met betrekking tot verslaggeving over onderwerpen die voor het Chinese vasteland gevoelig liggen of kwesties die verband houden met de regering van Hongkong;

8.  benadrukt dat in de basiswet de vrijheid van meningsuiting, pers en publicatie, en van vereniging, vergadering, optocht en demonstratie worden gegarandeerd; roept de autoriteiten in Hongkong en China op de bescherming van de mensenrechten te verzekeren, evenals de vrijheden waarin in de basiswet voor alle burgers is voorzien;

9.  veroordeelt krachtig de voortdurende en toenemende inmenging van China in de interne aangelegenheden van Hongkong, alsook de recente verklaring van China dat de Chinees-Britse Gezamenlijke Verklaring van 1984 een historisch document is, en bijgevolg niet langer geldig is; benadrukt dat de Chinese regering gebonden is aan de Gezamenlijke Verklaring om de hoge mate van autonomie en de rechten en vrijheden van Hongkong in stand te houden;

10.  merkt in dit verband met grote bezorgdheid op dat oppositiekandidaten als Anges Chow en voormalig lid van de Wetgevende Raad Lau Siu-Lai niet mochten opkomen bij de tussentijdse verkiezingen voor de Wetgevende Raad wegens hun politieke overtuigingen en standpunten;

11.  verzoekt de EU, haar lidstaten en de internationale gemeenschap samen te werken om passende mechanismen voor de controle op de uitvoer in te voeren, teneinde China, en met name Hongkong, de toegang te ontzeggen tot technologieën die worden gebruikt om de grondrechten te schenden;

12.  dringt aan op structurele hervormingen om de rechtstreekse verkiezing van de regeringsleider en de Wetgevende Raad mogelijk te maken, zoals vastgelegd in de basiswet, en dringt aan op een akkoord over een kiesstelsel dat volledig democratisch, eerlijk, open en transparant is, en dat de bevolking van de HKSAR het recht geeft kandidaten te kiezen en zich kandidaat te stellen voor alle hoge functies;

13.  herhaalt zijn oproep om uitgever Gui Minhai, een Zweeds staatsburger, onmiddellijk vrij te laten;

14.  benadrukt de inzet van de EU voor de versterking van de democratie, met inbegrip van de rechtsstaat, de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de fundamentele vrijheden en de grondrechten, transparantie en vrijheid van informatie en meningsuiting, in Hongkong;

15.  herinnert eraan hoe belangrijk het is dat de EU de kwestie van de mensenrechtenschendingen in China op elke politieke en mensenrechtendialoog met de Chinese autoriteiten aan de orde blijft stellen, in overeenstemming met de belofte van de EU om in haar betrekkingen met het land een sterke, duidelijke en eensgezinde stem te laten horen; brengt verder in herinnering dat China er in de context van zijn permanente hervormingsproces en steeds prominentere rol op het wereldtoneel voor gekozen heeft aan het internationale mensenrechtenkader deel te nemen door zijn handtekening te zetten onder een breed scala van internationale mensenrechtenverdragen; dringt er derhalve bij de EU op aan om met China in dialoog te blijven gaan om te verzekeren dat het land deze verbintenis nakomt;

16.  verzoekt de VV/HV, de EDEO en de lidstaten om al deze kwestie aan de orde te stellen en te zorgen voor een dialoog met de regeringen van de HKSAR en China;

17.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de regering en het parlement van de Volksrepubliek China en het hoofd van het bestuur en de Wetgevende Vergadering van de Speciale Administratieve Regio Hongkong.


Situatie aan de grens tussen de VS en Mexico
PDF 129kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 juli 2019 over de situatie aan de grens tussen de VS en Mexico (2019/2733(RSP))
P9_TA(2019)0005RC-B9-0014/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarin is bepaald dat de belangen van het kind een essentiële overweging vormen en dat ieder kind het recht heeft persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met zijn beide ouders te onderhouden,

–  gezien het Internationaal Verdrag inzake de bescherming van de rechten van alle migrerende werknemers en hun gezinsleden,

–  gezien de verklaringen van leden van het Amerikaanse Congres na hun bezoek aan de detentiecentra in juli 2019,

–  gezien het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (1951) en het Protocol betreffende de status van vluchtelingen van 1967,

–  gezien het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989,

–  gezien de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948,

–  gezien de EU-richtsnoeren over mensenrechtenactivisten van 2008,

–  gezien de beleidsinitiatieven van de huidige Amerikaanse regering op het gebied van migratie en asiel en het “Migrant Protection Protocol” (MPP),

–  gezien de verklaring van 8 juli 2019 van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet,

–  gezien de verklaring van 9 juli 2019 van de waarnemend minister van Binnenlandse Veiligheid,

–  gezien het memorandum van 2 juli 2019 van het Bureau van de inspecteur-generaal van de VS voor de waarnemend minister van Binnenlandse Veiligheid over de situatie in het ontvangstcentrum in de Rio Grande vallei,

–  gezien het mondiaal pact inzake migratie dat door de Algemene Vergadering van de VN is aangenomen op 19 december 2018,

–  gezien de onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten van 1776,

–  gezien artikel 144, lid 5, en artikel 132, lid 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat zowel de VS als de EU van mening zijn dat mensenrechten onvervreemdbare en fundamentele rechten zijn die voor alle mensen gelden;

B.  overwegende dat in de afgelopen jaren een complexe crisis van geweld en diepgewortelde armoede ertoe heeft geleid dat gezinnen met jongeren en kinderen, Mexico en de noordelijke driehoek van Midden-Amerika –El Salvador, Guatemala en Honduras – hebben ontvlucht en op zoek zijn naar veiligheid, bescherming en economische stabiliteit in de Verenigde Staten;

C.  overwegende dat de Verenigde Staten van Amerika van oudsher een land van immigratie zijn dat verschillende gemeenschappen omvat;

D.  overwegende dat elke soevereine staat het voorrecht heeft te beslissen over de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf van vreemdelingen, maar tegelijkertijd moet voldoen aan alle relevante internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten;

E.  overwegende dat de Verenigde Staten in 2018 veruit de grootste donor waren van het VN-Bureau voor de Vluchtelingen (UNHCR), met in totaal 1 589 776 543 USD;

F.  overwegende dat de VS strenge maatregelen heeft vastgesteld die negatieve gevolgen hebben voor migranten en asielzoekers die de grens van het land oversteken, in een poging hun onvervreemdbare recht op leven, en vrijheid te verwerkelijken en hun geluk na te streven;

G.  overwegende dat er een humanitaire noodsituatie is aan de grens tussen VS en Mexico, waar migranten en asielzoekers, nadat zij de grens zijn overgestoken, aan Amerikaanse zijde worden vastgehouden; overwegende dat met name de situatie van kinderen alarmerend en afkeurenswaardig is gezien het feit dat honderden van hen in tentensteden aan de grens wegkwijnen of vastgehouden worden achter tralies in detentiecentra die niet aan de elementaire mensenrechtennormen voldoen, gezien de overbevolking en het gebrek aan gezondheidszorg, voeding en behoorlijke sanitaire omstandigheden;

H.  overwegende dat in een memorandum over de situatie in het ontvangstcentrum van de Rio Grande vallei, het Bureau van de inspecteur generaal van de VS (OIG) gewezen heeft op “dringende problemen die om onmiddellijke aandacht en optreden vragen” vanwege “ernstige overbevolking en lange detentie van onbegeleide buitenlandse kinderen, gezinnen, en alleenstaande volwassenen, wat onmiddellijke aandacht vereist” en derhalve heeft opgeroepen “onmiddellijk stappen te ondernemen om de gevaarlijke overbevolking en lange detentie van kinderen en volwassenen in de Rio Grande vallei te verminderen”;

I.  overwegende dat vrijheidsberoving van kinderen op grond van hun migratiestatus of dat van hun ouders nooit in het belang van het kind is, het noodzakelijkheidsvereiste te boven gaat, buitenproportioneel wordt en een wrede, onmenselijke of onterende behandeling van migrantenkinderen kan vormen; overwegende dat elke vrijheidsbeneming van volwassen migranten en asielzoekers een laatste redmiddel moet zijn en, indien het zich moet voordoen, zo kort mogelijk moet plaatsvinden, met de waarborgen voor een eerlijk proces en onder omstandigheden die volledig in overeenstemming zijn met alle relevante internationale mensenrechtennormen;

J.  overwegende dat volgens gegevens die door de Amerikaanse “Customs and Border Protection Agency” aan Amnesty International zijn bekendgemaakt, tussen 2017 en augustus 2018 ongeveer 8 000 gezinseenheden zijn gescheiden na het overschrijden van de grens; overwegende dat deze ramingen vele andere gevallen van scheiding, zoals die tussen kinderen en hun oudere broers of zussen, tantes en ooms, grootouders en andere niet-directe familieleden, niet omvatten;

K.  overwegende dat in juni 2018 een federale rechter in San Diego de Amerikaanse regering heeft gelast aan de scheiding een einde te maken; overwegende dat de scheidingen echter nog steeds worden gehandhaafd door de Amerikaanse “Customs and Border Protection”, volgens de gegevens die aan de federale rechter zijn verstrekt en dat sinds juni 2018 ten minste 245 kinderen van hun familie zijn gescheiden, in veel gevallen zonder duidelijke documentatie om de verblijfplaats van de kinderen te helpen traceren;

L.  overwegende dat tegen december 2018 het Amerikaanse ministerie van Volksgezondheid en Sociale voorzieningen 2 737 gescheiden kinderen heeft geïdentificeerd, maar tevens erkend heeft dat er sinds 2017 duizenden meer van elkaar gescheiden kunnen zijn geweest, zonder dat de administratie als gevolg van het ontbreken van een efficiënt traceringssysteem die kinderen kon identificeren;

M.  overwegende dat het scheiden van de familie en detentie voor onbepaalde tijd een vorm van mishandeling is; overwegende dat kinderen die in instellingen weg van hun gezin leven, zeer kwetsbaar zijn voor emotioneel, fysiek en psychologisch misbruik, wat kan leiden tot blijvende ontwikkelingsproblemen, verwondingen en diepe trauma’s en ernstige negatieve sociale gevolgen kan hebben;

N.  overwegende dat volgens verslagen van de Amerikaanse “Civil Liberties Union” en verschillende verklaringen van woordvoerders van de Amerikaanse ministeries van Volksgezondheid en Sociale voorzieningen en Binnenlandse Veiligheid, ten minste van zes kinderen bekend is dat die sinds vorig jaar in immigratiebewaring zijn overleden, na een periode van bijna tien jaar waarin, volgens berichten, geen enkel kind in detentie bij de Amerikaanse “Customs and Border Protection” is overleden;

O.  overwegende dat volgens gegevens van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) in 2019 tot nu toe 197 mensen zijn gestorven in hun poging vanuit Mexico naar de VS over te steken, waaronder ten minste 13 kinderen; overwegende dat het aantal doden in de afgelopen 5 jaar voortdurend is toegenomen, met een totaal van meer dan 1 900 sterfgevallen tussen 2014 en 2018;

P.  overwegende dat de afgelopen weken de Mexicaanse autoriteiten de handhavingsinspanningen op het gebied van het migratiebeleid aanzienlijk hebben opgevoerd, wat heeft geleid tot een toename van het aantal migranten dat wordt vastgehouden en uitgezet;

Q.  overwegende dat migranten, voornamelijk uit Midden-Amerika, vanwege vreselijke omstandigheden genoopt zijn naar de grens met de VS te reizen en deze over te steken; overwegende dat de druk aan de zuid- en de noordgrens duizenden migranten, meestal vrouwen en kinderen, ertoe aanzet hun leven ernstig in gevaar te brengen;

R.  overwegende dat volgens zijn regering Mexico momenteel geconfronteerd wordt met een gewelddadige openbare veiligheidscrisis; overwegende dat in het kader van de Amerikaanse “Migrant Protection Protocols” (MPP) asielzoekers naar Mexico worden teruggestuurd, onder meer naar twee noordelijke staten die tot de meest gewelddadige in het land behoren – Baja California en Chihuahua – waar zij onder uiterst precaire omstandigheden leven en het risico lopen slachtoffer te worden van ernstige criminaliteit, waaronder ontvoering, aanranding en seksueel geweld;

S.  overwegende dat grootschalige uitzettingen van asielzoekers, illegale scheidingen van gezinnen en de willekeurige en onbeperkte detentie van asielzoekers zonder voorwaardelijke invrijheidsstelling, wreed beleid vormen en flagrante schendingen van zowel het asielrecht van de VS als het internationaal recht;

T.  overwegende dat op 27 juni 2019 het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden een pakket ter hoogte van 4,6 miljard USD heeft aangenomen om de situatie aan de grens tussen VS en Mexico aan te pakken;

U.  overwegende dat filialen van de mensenrechtenbureaus van de VN in Mexico en Midden-Amerika talrijke mensenrechtenschendingen jegens en mishandeling van migranten en asielzoekers op doorreis hebben gedocumenteerd, met inbegrip van buitensporig gebruik van geweld, willekeurige vrijheidsberoving, scheiding van gezinnen, ontzegging van de toegang tot diensten, refoulement en willekeurige uitzettingen;

V.  overwegende dat 195 lidstaten het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind hebben geratificeerd; overwegende dat de Verenigde Staten de enige lidstaat van de VN zijn die dat verdrag niet heeft geratificeerd;

W.  overwegende dat het partnerschap van de EU en de VS traditioneel gebaseerd is op sterke politieke, culturele, economische en historische banden en op gedeelde waarden zoals vrijheid, democratie, de bevordering van vrede en stabiliteit, mensenrechten en de rechtsstaat; overwegende dat sterke betrekkingen tussen de EU en de VS van cruciaal belang zijn voor het opbouwen van een meer democratische, veilige en welvarende wereld;

1.  maakt zich ernstige zorgen over de situatie van migranten en asielzoekers aan de grens tussen de VS en Mexico, en met name de situatie van migrantenkinderen;

2.  betreurt de vele sterfgevallen onder de mensen die over de routes naar de grens tussen de VS en Mexico reizen; spreekt zijn allergrootste solidariteit uit met de slachtoffers en hun families;

3.  is bezorgd over de erbarmelijke omstandigheden waarin migranten en asielzoekers, met name kinderen, worden vastgehouden in de Amerikaanse detentiefaciliteiten voor immigratie, die toereikende gezondheidszorg, fatsoenlijke voeding en behoorlijke sanitaire voorzieningen ontberen; betreurt ten zeerste de dood van zeven migranten die de afgelopen maanden in detentie bij het Amerikaanse ministerie van Binnenlandse Veiligheid zijn omgekomen, en steunt alle inspanningen van het Amerikaanse Congres en de Amerikaanse regering om te zorgen voor informatie, onderzoek, transparantie en verantwoording ten aanzien van de omstandigheden waaronder deze sterfgevallen hebben plaatsgevonden;

4.  benadrukt dat de maatregelen voor het beheer van de grenzen in overeenstemming moeten zijn met de internationale verplichtingen van de VS op het gebied van de mensenrechten en niet gebaseerd mogen zijn op een beperkt beleid dat gericht is op het opsporen, vasthouden en snel overdragen van irreguliere migranten;

5.  roept ertoe op de mensenrechten, de veiligheid en de toegang tot mensenrechtenconforme asielprocessen te waarborgen, onder meer door het beginsel van non-refoulement in acht te nemen en te zorgen voor waardige opvangvoorzieningen;

6.  betreurt het gebruik van scheiding van gezinnen, dat de systematische traumatisering van kinderen en hun directe familieleden kan veroorzaken en een methode is die, voor de huidige regering van de VS, een instrument van immigratiebeleid lijkt te zijn dat gericht is op het afschrikken van mensen op zoek naar veiligheid;

7.  benadrukt dat scheiding van gezinnen en immigratiedetentie nooit in het belang van het kind zijn;

8.  neemt kennis van het memorandum van het OIG en soortgelijke verslagen, en verzoekt de VS alle huidige beleidsmaatregelen en praktijken op het gebied van migratie te herzien die in strijd zijn met het internationaal recht inzake de mensenrechten, met inbegrip van het fundamentele recht om asiel aan te vragen, het beginsel van non-refoulement en het recht op menselijke waardigheid;

9.  verzoekt de regering van de VS een einde te maken aan de scheiding van gezinnen en zo snel mogelijk alle kinderen die nog steeds van hun ouders of voogden gescheiden zijn te herenigen met hun families, teneinde hun rehabilitatie te waarborgen, en daarbij bijzondere aandacht te besteden aan de behoeften van de betrokken kinderen;

10.  verzoekt de bevoegde autoriteiten in de VS er onmiddellijk voor te zorgen dat alle gedetineerden toegang hebben tot elementaire rechten, zoals het recht op water, voedsel, gezondheid en onderdak;

11.  verzoekt de autoriteiten in de VS dringend om niet tot vrijheidsbeneming strekkende alternatieven te vinden voor migranten en asielzoekers, zowel kinderen als volwassenen; eist dat de betreffende kinderen worden teruggestuurd naar hun families;

12.  dringt er bij de regering van de VS op aan het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind te ratificeren, dat in 1995 weliswaar door de VS is ondertekend maar vervolgens nooit door de VS is aangenomen, als gevolg waarvan de VS het enige land ter wereld is dat geen partij is bij dit verdrag; dringt er bij de regering van de VS op aan het derde facultatieve protocol bij het verdrag te ratificeren, dat een communicatieprocedure voor klachten betreft;

13.  geeft uiting aan zijn ernstige bezorgdheid over de meest recente aanvallen van het Amerikaanse “Immigration and Customs Enforcement” (ICE), die gericht zijn op ongedocumenteerde migranten, vooral die uit Midden-Amerika, hun ouders en hun kinderen, en die resulteren in hun criminalisering;

14.  is van mening dat het aanpakken van migratiestromen met repressie of criminalisering xenofobie, haat en geweld bevordert;

15.  is bezorgd over de recente wijzigingen in het migratiebeleid van de Mexicaanse autoriteiten en verzoekt de Mexicaanse regering bij de aanpak van migratie te voldoen aan de internationale normen en het internationale recht inzake de mensenrechten;

16.  is van mening dat het leger niet het juiste instrument is om migratiekwesties aan te pakken; wijst erop dat de situatie aan de grens in handen moet zijn van een gespecialiseerde politie die goed opgeleid is en geïnstrueerd is om de mensenrechten en de waardigheid van migranten te eerbiedigen;

17.  erkent dat migratie een mondiale uitdaging is en verzoekt de landen van herkomst, doorreis en bestemming samen te werken om de onderliggende oorzaken van migratiestromen aan te pakken door middel van een alomvattende benadering; spreekt in dit verband wederom zijn volledige steun uit voor de ontwikkeling en uitvoering van het mondiaal pact inzake vluchtelingen en het mondiaal pact voor veilige, ordelijke en reguliere migratie, die een belangrijke kans bieden om het migratiebeheer te verbeteren en de daarmee verbonden uitdagingen aan te pakken;

18.  spreekt opnieuw zijn geloof uit in open en eerlijke handel en is er vast van overtuigd dat economische dwang en het dreigen met strafheffingen contraproductief zijn en soevereine landen niet kunnen helpen constructieve en duurzame oplossingen te vinden voor politieke uitdagingen zoals migratie;

19.  brengt hulde aan de personen en organisaties uit het maatschappelijk middenveld die ervoor hebben gezorgd dat migranten de meest elementaire grondrechten genieten, zoals het recht op water, voedsel, gezondheid, adequate opvang en andere vormen van bijstand, aan beide zijden van de grens en in de gehele regio; herhaalt zijn verzoek om humanitaire hulp niet strafbaar te stellen, en dringt er nogmaals bij de Commissie op aan om, in overeenstemming met zijn resolutie van 5 juli 2018, ter zake richtsnoeren vast te stellen;

20.  is ingenomen met de verklaring van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten; zou graag zien dat het Bureau van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten (OHCHR) of de relevante VN-deskundigen een onderzoeksmissie uitvoeren om de mensenrechtensituatie aan de grens tussen de VS en Mexico te onderzoeken;

21.  verbindt zich ertoe de ontwikkelingshulp van de EU aan de regio nauwlettend te volgen om te zorgen voor efficiënte ontwikkelingsnormen, aangezien dit kan helpen de onderliggende oorzaken van gedwongen migratie aan te pakken;

22.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de speciale vertegenwoordiger van de EU voor de mensenrechten, de president van de Verenigde Staten, Donald Trump en zijn regering, het Congres van de Verenigde Staten en de regering en het parlement van Mexico.


Rusland, met name de situatie van milieuactivisten en Oekraïense politieke gevangenen
PDF 143kWORD 58k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 juli 2019 over Rusland en in het bijzonder de situatie van milieuactivisten en Oekraïense politieke gevangenen (2019/2734(RSP))
P9_TA(2019)0006RC-B9-0012/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Rusland en over de situatie op de Krim en met name die van 11 juni 2015 over de strategische militaire situatie in het Zwarte Zeebekken na de illegale annexatie van de Krim door Rusland(1); van 10 september 2015 over Rusland, met name de gevallen Eston Kohver, Oleg Sentsov en Aleksandr Koltsjenko(2); van 4 februari 2016 over de mensenrechtensituatie in de Krim, in het bijzonder van de Krim-Tataren(3); van 12 mei 2016 over de Krim-Tartaren(4); van 16 maart 2017 over de Oekraïense gevangenen in Rusland en de situatie op de Krim(5); van 5 oktober 2017 over de gevallen van de leiders van de Krim-Tataren Akhtem Chiygoz en Ilmi Umerov en journalist Mykola Semena(6); van 8 februari 2018 over Rusland, de zaak van Ojoeb Titiev en het mensenrechtencentrum Memorial(7); van 14 juni 2018 over Rusland, met name de zaak van de Oekraïense politieke gevangene Oleh Sentsov(8), van 25 oktober 2018 over de situatie in de Zee van Azov(9), van 14 februari 2019 over de situatie in Tsjetsjenië en de zaak van Ojoeb Titiev(10), van 12 december 2018 over de uitvoering van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne(11) en van 12 maart 2019 over de stand van zaken in de politieke betrekkingen tussen de EU en Rusland(12),

–  gezien de verklaringen van de woordvoerder van de Europese Dienst voor extern optreden van 25 mei 2018 over de zaken van diverse gevangenen in of uit de illegaal geannexeerde gebieden van de Krim en Sebastopol, van 10 januari 2019 over de zaken van illegaal gedetineerde Oekraïense staatsburgers, van 17 januari 2019 over de aanhoudende illegale detentie van Oekraïense militairen door Rusland, van 22 maart 2019 over de veroordeling van Pavlo Hryb, en van 17 april 2019 over de verlengde illegale detentie van Oekraïense militairen,

–  gezien de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 28 juni 2018 over Oekraïense staatsburgers die als politieke gevangenen worden vastgehouden in de Russische Federatie,

–  gezien de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 24 januari 2019 over de escalatie van de spanningen rondom de Zee van Azov en de Straat van Kertsj en bedreigingen voor de Europese veiligheid,

–  gezien de resolutie van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 25 juni 2019 over het versterken van het besluitvormingsproces van de Parlementaire Vergadering met betrekking tot geloofsbrieven en stemmen,

–  gezien de beschikking van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee (Itlos) van 25 mei 2019 in zaak nr. 26 inzake de vasthouding van drie Oekraïense marinevaartuigen,

–  gezien het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden,

–  gezien de grondwet van de Russische Federatie, met name hoofdstuk 2 over de rechten en vrijheden van de mens en de burger,

–  gezien resolutie 68/262 van de Algemene Vergadering van de VN van 27 maart 2014 getiteld “Territoriale integriteit van Oekraïne” en resolutie 71/205 van de Algemene Vergadering van de VN van 19 december 2016 getiteld “Mensenrechtensituatie in de Autonome Republiek de Krim en de stad Sebastopol (Oekraïne)”,

–  gezien het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de protocollen daarbij, het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en de Verklaring van de VN over de rechten van inheemse volkeren,

–  gezien artikel 5 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM), waarbij de Russische Federatie partij is, en artikel 7 van het International Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, in beide waarvan is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan een wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en gezien artikel 9 UVRM, waarin is bepaald dat niemand mag worden onderworpen aan willekeurige arrestatie, detentie of verbanning, en gezien de artikelen 19 en 20 UVRM, waarin respectievelijk de vrijheid van mening en meningsuiting en de vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging zijn verankerd,

–  gezien het verslag de Commissie van Venetië van 18 maart 2019 over de financiering van verenigingen,

–  gezien het advies van de Commissie van Venetië van 13 juni 2016 over de Russische federale wet nr. 129-FZ (federale wet over ongewenste activiteiten van buitenlandse en internationale non-gouvernementele organisaties),

–  gezien het Verdrag van Genève betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd van 12 augustus 1949,

A.  overwegende dat de Russische Federatie, uit hoofde van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en als volwaardig lid van de Raad van Europa en de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa zich heeft verplicht om de beginselen van de democratie en de rechtsstaat na te leven en de fundamentele vrijheden en mensenrechten te eerbiedigen;

B.  overwegende dat de Europese Unie de handhaving van de Russische wetgeving op de Krim en in Sebastopol niet erkent en eist dat alle illegaal gedetineerde Oekraïense staatsburgers op het Schiereiland de Krim en in Rusland onmiddellijk worden vrijgelaten;

C.  overwegende dat de EU nog altijd de soevereiniteit en territoriale integriteit van Oekraïne binnen zijn internationaal erkende grenzen steunt en er opnieuw op wijst dat het beleid van niet-erkenning van de illegale annexatie van de Krim en Sebastopol van het grootste belang is;

D.  overwegende dat de Russische autoriteiten en politieke leiders hun repressieve en autoritaire regime handhaven tegen hun eigen burgers, het maatschappelijk middenveld, de politieke oppositie en medewerkers van de media; overwegende dat Ruslands afglijden naar een autoritair regime negatieve gevolgen heeft gehad voor de betrekkingen tussen de EU en Rusland en voor de stabiliteit in Europa en de wereld; overwegende dat deze repressie zich ook uit in het uitsluiten van kandidaten van de oppositie van verkiezingen, zoals op dit moment het geval is bij kandidaten in lokale verkiezingen zoals Ilja Jasjin, Ljoebov Sobol en Ivan Zjdanov, kandidaten voor de verkiezingen in Moskou;

E.  overwegende dat de wet van 2015 inzake “ongewenste organisaties” de Russische procureur-generaal in staat heeft gesteld buitenlandse en internationale organisaties die als “ongewenst” worden beschouwd zonder enige gerechtelijke procedure te verbieden; overwegende dat deze wet in toenemende mate wordt gebruikt om Russische ngo’s en maatschappelijke activisten te bestraffen;

F.  overwegende dat verschillende meldingen voorliggen van foltering en wrede en vernederende behandeling; overwegende dat deze beschuldigingen tot nu toe niet goed zijn onderzocht; overwegende dat foltering is gebruikt om bekentenissen af te dwingen en vals bewijs van schuld te verkrijgen; overwegende dat ook juristen van de Krim die juridische bijstand verlenen aan slachtoffers, en mensenrechtenactivisten die melding maken van gevallen van politiek gemotiveerde gedwongen verdwijningen op de Krim, alsook journalisten die over de situatie van de Krim-Tataren berichten, tot doelwit zijn geworden;

G.  overwegende dat veel gevangenen en gearresteerden onder harde en onmenselijke omstandigheden worden vastgehouden, resulterend in lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen; overwegende dat de gevangenen hoogdringend medische verzorging en behandeling nodig hebben;

H.  overwegende dat de Russische Federatie op 25 november 2018 nabij de Straat van Kertsj met militair geweld 24 Oekraïense matrozen gevangen heeft genomen en hun drie vaartuigen in beslag heeft genomen; overwegende dat deze Oekraïense militairen sinds 25 november 2018 illegaal worden vastgehouden;

I.  overwegende dat de door Rusland gesteunde separatistische strijdkrachten ten minste 130 Oekraïense gevangenen vasthouden in de Donbasregio, onder wie niet minder dan 25 militairen;

J.  overwegende dat het Itlos in zijn beschikking van 25 mei 2019 met 19 tegen 1 stem heeft geoordeeld dat de Russische Federatie de Oekraïense vaartuigen Berdjansk, Nikopol en Jani Kapoe onmiddellijk moet vrijgeven en moet overdragen aan Oekraïne, en de 24 Oekraïense militairen onmiddellijk moet vrijlaten en hen toe moet staan terug te keren naar Oekraïne, alsook dat beide partijen zich moeten onthouden van elke actie die het geschil zou kunnen verergeren of verlengen;

K.  overwegende dat de Europese Unie in reactie op de escalatie in de Straat van Kertsj en de Zee van Azov, waaronder de illegale detentie van 24 Oekraïense militairen, op 15 maart 2019 acht Russische functionarissen heeft toegevoegd aan haar lijst van personen en entiteiten die zijn onderworpen aan beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, de soevereiniteit en de onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen;

L.  overwegende dat Rusland volgens het OHCHR-verslag van 25 juni 2019 op 27 maart 2019 26 huiszoekingen heeft verricht en vervolgens 24 personen heeft gearresteerd, van wie de meesten Krim-Tartaarse activisten zijn, die nu mogelijk gevangenisstraffen van tot wel 20 jaar opgelegd kunnen krijgen; overwegende dat op de illegaal bezette Krim gedurende de eerste zes maanden van 2019 ten minste 37 Oekraïense staatsburgers onrechtmatig zijn gearresteerd door Rusland; overwegende dat bijna ieder van hen tot het inheemse Krim-Tartaarse volk behoort;

M.  overwegende dat tot begin juni 2018 meer dan 70 Oekraïense staatsburgers op politieke gronden werden vastgehouden in verschillend regio’s van de Russische Federatie en op de bezette Krim; overwegende dat er naar schatting van het mensenrechtencentrum Memorial in maart 2019 in Rusland 297 personen werden vastgehouden als politiek gevangenen, in vergelijking met 50 personen vier jaar geleden, onder wie filmmaker Oleg Sentsov, laureaat van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken 2018;

N.  overwegende dat Andrej Roedomacha, het hoofd van de ngo Environmental Watch for the North Caucausus (Milieu-observatorium voor de Noordelijke Kaukasus) en zijn collega’s Viktor Tsjirikov, Aleksandr Saveljev en Vera Cholodnaja in december 2017 op brute wijze zijn aangevallen door gemaskerde mannen, waarna de heer Roedomacha is gediagnosticeerd met een hersenschudding en meerdere schedelfracturen; overwegende dat de autoriteiten over materieel bewijs beschikken, waaronder beeldmateriaal van een gesloten televisiesysteem en de vingerafdrukken van de belagers, maar het onderzoek nog geen concrete resultaten heeft opgeleverd en de daders en organisatoren van de brute aanval ongestraft blijven; overwegende dat er in plaats daarvan een gerechtelijk onderzoek naar de heer Roedomacha loop voor “belastering” van een lid van de Staatsdoema;

O.  overwegende dat op grond van de Russische wet inzake “buitenlandse agenten” ngo’s die financiering uit het buitenland ontvangen en zich bezighouden met “politieke activiteiten” verplicht zijn zich te registreren op een speciale door de overheid bijgehouden lijst van buitenlandse agenten die worden onderworpen aan extra en intensieve controle door de overheid, en in al hun publicaties, persberichten en rapporten moeten vermelden dat deze zijn geproduceerd door een buitenlandse agent;

P.  overwegende dat een van de oudste en prominentste milieuactivisten in het land, Aleksandra Koroljova, hoofd van de ngo Ekozasjtsjita! (Ecoverdediging!), die is gevestigd in Kaliningrad, het land heeft moeten ontvluchten en in het buitenland asiel heeft moeten aanvragen vanwege de strafrechtelijke aanklachten tegen haar wegens het niet betalen van boetes omdat de ngo weigert zich als “buitenlands agent” te registreren; overwegende dat zij tot twee jaar gevangenisstraf kan worden veroordeeld wanneer zij schuldig wordt bevonden;

Q.  overwegende dat Ecozasjtsjita! een van de 49 Russische ngo’s is die een beroep zijn gegaan bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (verzoek nr. 9988/13), en stelt dat de wet inzake buitenlandse agenten in strijd is met meerdere mensenrechtennormen, waaronder die betreffende de vrijheid van meningsuiting en vereniging, een conclusie die wordt onderschreven door de commissaris voor de mensenrechten van de Raad van Europa;

R.  overwegende dat in de afgelopen maanden ten minste twee strafzaken zijn geopend tegen milieuactivisten Andrej Borovikov en Vjatsjeslav Jegorov wegens herhaalde overtredingen van de wetgeving inzake openbare bijeenkomsten, in verband met milieuprotesten in de regio’s Archangelsk en Moskou;

S.  overwegende dat de Europese Unie en Oekraïne in hun gemeenschappelijke verklaring naar aanleiding van de meest recente top EU-Oekraïne op 8 juli 2019 hebben verzocht om de onmiddellijke vrijlating van alle illegaal gevangengenomen en vastgehouden Oekraïense staatsburgers op het schiereiland de Krim en in Rusland, met inbegrip van de Krim-Tartaarse activisten;

T.  overwegende dat vier Oekraïense politieke gevangenen – Oleg Sentsov, laureaat van de Sacharovprijs voor de vrijheid van denken 2018, Oleksandr Koltsjenko, Oleksandr Sjoemov en Volodymyr Baloech – in juni 2018 in hongerstaking waren om te protesteren tegen de aanhoudende detentie van Oekraïense politieke gevangen door Rusland;

U.  overwegende dat de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa de Russische Federatie opnieuw heeft toegelaten tot de Raad van Europa, de belangrijkste mensenrechtenorganisatie in Europa, en op 25 juni 2019 het stemrecht van de Russische Federatie heeft hersteld, waarbij de Parlementaire Vergadering benadrukte dat tegenover deze hervatting van de betrekkingen de naleving van haar waarden en normen moest staan;

1.  verzoekt de Russische autoriteiten om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke vrijlating van alle illegaal en willekeurig vastgehouden Oekraïense staatsburgers(13), zowel in Rusland als in de tijdelijk bezette gebieden van Oekraïne, en om te voorzien in hun veilige terugkeer, met inbegrip van de Krim-Tartaren, de onlangs gearresteerde vreedzame demonstranten van de demonstratie op het Rode Plein op 10 juli 2019, de Oekraïense staatsburgers die vastzitten op grond van politieke beschuldigingen en de 24 bemanningsleden van de Oekraïense marinevaartuigen;

2.  verzoekt de Russische autoriteiten om de onmiddellijke en onvoorwaardelijke beëindiging van alle intimidatie, waaronder juridische intimidatie, van Aleksandra Koroljova, Ekozasjtsjita! en van alle mensenrechtenverdedigers en milieuactivisten in het land, en eist dat hun wordt toegestaan hun legitieme werk zonder enige belemmering uit te voeren;

3.  verzoekt de Russische autoriteiten dringend de zogenoemde wet inzake “buitenlandse agenten” in te trekken en ondersteuning te vragen aan de Commissie van Venetië van de Raad van Europa, en al haar aanbevelingen volledig uit te voeren, overeenkomstig zijn internationale verplichtingen in dit verband;

4.  verzoekt Rusland een volledige lijst van alle gevangenen in de bezette Oekraïense gebieden in de Donbas en Loehansk te publiceren en het contact tussen hen en hun familieleden en advocaten te faciliteren;

5.  veroordeelt met klem de aanhoudende schendingen door Rusland van de fundamentele beginselen en normen van het internationaal recht, en met name zijn weigering om te voldoen aan de beslissingen van internationale tribunalen en gerechten; verzoekt de Russische Federatie met klem de uitspraken op te volgen van het Europees Hof van de Rechten van de Mens over de schending van de mensenrechten van personen die gevangen worden gehouden op het schiereiland de Krim en in de Russische Federatie;

6.  benadrukt dat de Russische rechtbanken, hetzij militaire hetzij civiele rechtbanken, niet bevoegd zijn om te oordelen over handelingen die buiten het internationaal erkende grondgebied van Rusland hebben plaatsgevonden, en wijst erop dat de gerechtelijke procedures in deze zaak niet als rechtsgeldig mogen worden beschouwd;

7.  verzoekt de Russische Federatie ongehinderde toegang tot de bezette Oekraïense gebieden van de Krim en de Donbas te garanderen voor internationale intergouvernementele organisaties, en met name de VN-missie voor toezicht op de mensenrechten, de Human Rights Assessment Mission van de OVSE op de Krim, de mensenrechten­commissaris van de Raad van Europa, andere verdragen en institutionele mechanismen van de Raad van Europa, en internationale humanitaire organisaties, met name het Internationale Comité van het Rode Kruis;

8.  verzoekt de Russische autoriteiten volledige medewerking te verlenen aan de speciale procedures van de VN, onder meer door uitnodigingen om het land te bezoeken te versturen aan de speciaal rapporteur voor mensenrechten en het milieu, de speciale rapporteur voor de situatie van mensenrechtenverdedigers en de speciale vertegenwoordiger voor het recht op vrijheid van vreedzame vergadering en vereniging, zodat zij verslag kunnen doen van de situatie van milieuactivisten en mensenrechtenverdedigers;

9.  wijst erop dat mensenrechtenverdedigers in de Russische Federatie, met inbegrip van milieuactivisten, vaak worden blootgesteld aan intimidatie, observatie, fysieke aanvallen, bedreigingen, huiszoekingen in hun kantoor en woning, lastercampagnes, juridische intimidatie, willekeurige detentie en mishandeling, alsook aan schendingen van het recht op vrijheid van meningsuiting, vereniging en vergadering;

10.  stelt voor dat de Europese Unie overweegt permanente monitoring van de rechtszaken van de slachtoffers van politieke vervolging in de Russische Federatie en de bezette gebieden van de Krim in te voeren, en verzoekt de EU-delegatie in Rusland en de ambassades van de lidstaten hun monitoring en aanwezigheid bij de rechtszaken van mensenrechtenactivisten en Oekraïense politieke gevangen voort te zetten, en om bezoeken te organiseren met onafhankelijke artsen aan Oekraïense staatsburgers die op politieke gronden gevangen worden gehouden in de Russische Federatie en de bezette gebieden van de Krim, teneinde hun detentieomstandigheden en gezondheidstoestand te monitoren;

11.  verzoekt de Russische autoriteiten op alle niveaus met klem te erkennen wat voor cruciale rol milieuactivisten spelen bij de bescherming van het milieu en het waarborgen van de eerbiediging van milieurechten, en om alle aanvallen, intimidatie, pesterijen en criminalisering van milieuactivisten publiekelijk te veroordelen;

12.  verzoekt de Russische autoriteiten met klem de vreedzame en legitieme activiteiten van milieuorganisaties niet langer te beknotten door middel van het fabriceren van strafzaken tegen lokale milieuactivisten, het arresteren van deelnemers aan vreedzame lokale demonstraties en het opleggen van onevenredig hoge boetes;

13.  verzoekt de Russische autoriteiten de passende juridische maatregelen te nemen en alle beschikbare juridische middelen aan te wenden om de aanvallen op milieuactivisten te voorkomen en te stoppen; verzoekt de Russische autoriteiten met klem ervoor te zorgen dat een effectief onderzoek wordt uitgevoerd in de zaak van Andrej Roedomacha en andere gevallen van aanvallen op milieuactivisten, en ervoor te zorgen dat verantwoording moet worden afgelegd;

14.  verzoekt de speciale vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten, de EU-delegatie in Rusland en de ambassades van de EU-lidstaten om voortdurend aandacht te besteden aan de situatie van de milieuactivisten; verzoekt de EU en haar lidstaten extra maatregelen te nemen ter ondersteuning van de Russische milieuactivisten en mensenrechtenverdedigers;

15.  uit zijn bezorgdheid over meldingen over de detentieomstandigheden, waaronder beschuldigingen van foltering, mishandeling en ontzegging van essentiële gezondheidszorg, herhaalt daarom zijn verzoek aan de Russische autoriteiten om te zorgen voor de volledige eerbiediging van de rechten van alle gevangen gehouden personen, om te waarborgen dat alle gevangenen passende medische verzorging en behandeling ontvangen, en om de medische ethiek te eerbiedigen, onder meer door af te zien van ongewenste behandeling en dwangvoeding in het geval van hongerstakingen, wat mogelijk neerkomt op foltering en mishandeling;

16.  is verheugd over het besluit van de Raad om de restrictieve maatregelen te verlengen; herhaalt dat het er sterk van overtuigd is dat de EU-sancties niet mogen worden opgeheven voordat Rusland aan zijn internationale verplichtingen voldoet, met inbegrip van de eerbiediging van het akkoorden van Minsk; verzoekt de lidstaten zich vastberaden en eendrachtig te houden aan de overeengekomen sancties tegen Rusland en gerichte maatregelen te overwegen tegen de personen die verantwoordelijk zijn voor de gevangenhouding van en het proces tegen politieke gevangenen; verzoekt de internationale gemeenschap de druk op te voeren om de vrijlating van alle politieke gevangen in de door Rusland bezette gebieden te bewerkstelligen;

17.  verzoekt de volgende vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid een nieuwe brede strategie ten aanzien van de EU en Rusland uit te werken die erop is gericht de vrede en stabiliteit de versterken; onderstreept dat de noodzakelijke dialoog gebaseerd moet zijn op resolute beginselen, waaronder de eerbiediging van het internationaal recht en de territoriale integriteit van de buurlanden van Rusland, terwijl tegelijkertijd de contacten van mens tot mens met de burgers van Rusland worden versterkt; onderstreept dat de sancties tegen Rusland alleen kunnen worden opgeheven wanneer het land volledig voldoet aan zijn verplichtingen; benadrukt echter dat de EU, als Rusland het internationale recht blijft schenden, bereid moet zijn om verdere sancties te overwegen, met inbegrip van gerichte persoonlijke sancties en het beperken van de toegang tot financiering en technologie;

18.  spreekt opnieuw zijn steun uit voor een Europese sanctieregeling voor mensenrechtenschendingen, de zogenoemde “Magnitsky-wet”, waarbij sancties moeten worden opgelegd aan de plegers van ernstige mensenrechtenschendingen, en verzoekt de Raad de werkzaamheden met betrekking hiertoe onverwijld uit te voeren; benadrukt dat geen EU-visa mogen worden verleend aan de plegers van mensenrechtenschendingen en dat zij geen activa in de lidstaten mogen hebben;

19.  herhaalt zijn krachtige veroordeling van de daad van agressie die de Russische Federatie op 25 november 2018 tegen Oekraïne heeft begaan nabij de Straat van Kertsj, voor de kust van de illegaal bezette Krim; benadrukt dat Itlos Rusland heeft bevolen de vaartuigen vrij te geven en de militairen onmiddellijk en onvoorwaardelijk vrij te laten; onderstreept dat de weigering om de beschikking van Itlos uit te voeren een nieuwe grove schending van de internationale verplichtingen vormt; is van oordeel dat de “voorwaarden” van Rusland voor het vrijgeven van de vaartuigen en het vrijlaten van de militairen, die het in zijn nota aan Oekraïne van 25 juni 2019 heeft vermeld, duidelijk in strijd zijn met de beschikking en mogelijk een nog grotere schending vormen, omdat zij het geschil verergeren of verlengen;

20.  verzoekt de speciaal vertegenwoordiger van de Europese Unie voor de mensenrechten voortdurend aandacht te besteden aan de mensenrechtensituatie op het schiereiland de Krim en in de gebieden in Oost-Oekraïne die niet onder het gezag van de Oekraïense overheid vallen;

21.  verzoekt de Russische Federatie volledige uitvoering te geven aan de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN van 27 maart 2014 getiteld “Territoriale integriteit van Oekraïne”, van 19 december 2016 getiteld “Mensenrechtensituatie in de Autonome Republiek de Krim en de stad Sebastopol (Oekraïne)”, van 19 december 2017 en van 22 december 2018, en de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof betreffende voorlopige maatregelen in de zaak Oekraïne v. Rusland inzake de toepassing van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie;

22.  brengt met bezorgdheid in herinnering dat veel van de Russische vonnissen tegen Oekraïense politieke gevangen betrekking hebben op spionage (onder meer de zaken van Pavlo Hryb, Oleksi Stohni, Hlib Sjabli, Volodymyr Prysytsj, Volodymyr Doedka, Dmitry Sjtyblikov, Jevhen Panov, Andri Zachtej, Valentyn Vygovski, Viktor Sjoer en Dmytro Dolgopolov), wat doet denken aan de periode van repressie in de jaren 30 tot het midden van de jaren 50 van de vorige eeuw, toen veel staatsburgers van de toenmalige Sovjet-Unie op deze gronden gevangen werden genomen en werden veroordeeld;

23.  maakt bezwaar tegen de beslissing van de Russische procureur-generaal waarin het Oekraïense Wereldcongres tot een gevaar voor de nationale veiligheid van Rusland wordt verklaard;

24.  verwacht dat het besluit van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa van 25 juni 2019 zal leiden tot directe verbeteringen op het vlak van de eerbiediging van de mensenrechten en de normen van de Raad van Europa in Rusland, en met name wat betreft de tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens;

25.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de vicevoorzitter van de Commissie / hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de Raad, de Commissie, de regeringen en parlementen van de lidstaten, de Raad van Europa, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa, alsmede de president, de regering en het parlement van de Russische Federatie, en de president, regering en het parlement van Oekraïne.

(1) PB C 407 van 4.11.2016, blz. 74.
(2) PB C 316 van 22.9.2017, blz. 198.
(3) PB C 35 van 31.1.2018, blz. 38.
(4) PB C 76 van 28.2.2018, blz. 27.
(5) PB C 263 van 25.7.2018, blz. 109.
(6) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 86.
(7) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 31.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0259.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0435.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0115.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0518.
(12) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0157.
(13) Op de lijst, die niet volledig is, staan onder meer: Oleg Sentsov, Oleksandr Koltsjenko, Oleksi Tsjyrni, Mykola Karpjoek, Stanislav Klych, Valentyn Vyhivski, Joeri Primov, Roestem Vaitov, Roeslan Zejtoellajev, Ferat Sajfoellajev, Viktor Sjoer, Andri Kolomijets, Roman Soesjtsjenko, Pavlo Hryb, Oleksi Syzonovitsj, Enver Mamoetov, Roestem Abiltarov, Zevri Absejtov, Remzi Memetov, Hennadi Lymesjko, Jevhen Panov, Hlib Sjabli, Volodymyr Prysytsj, Ihor Kyjasjko, Tejmur Abdoellajev, Oezeir Abdoellajev, Roestem Ismailov, Aider Saledinov, Emil Dzjemadenov, Volodymyr Baloech, Dmytro Sjtyblikov, Moeslim Alijev, Emir Oesein Koekoe, Vadym Siroek, Inver Bekirov, Refat Alimov, Arsen Dzjepparov, Oleksandr Sjoemkov, Tofik Abdoelgazijev, Izzet Abdoellajev, Vladlen Abdoelkadyrov, Medzjit Abdoerachmanov, Biljal Adilov, Osman Arifmemetov, Farchod Bazarov, Servet Gazijev, Dzjemil Gafarov, Reza Ivetov, Alim Karimov, Sejran Moertaza, Jasjar Moejedinov, Erfan Osmanov, Sejtveli Sijetabdijev, Roestem Sijetchalilov, Roeslan Soelejmanov, Sjaban Oemerov, Marlen Asanov, Sejran Sakijev, Memet Beljalov, Tymoer Ibrahimov, Server Zekirjajev, Ernes Ametov, Oleksi Bessarabov, Volodymyr Doedka, Oleksi Stohni, Mykola Sjyptoer, Jevhen Karakasjev, Nariman Memedeminov, Oleksandr Stesjenko, Enver Sejtosmanov, Server Moestafajev, Edem Smailov, Edem Bekirov, Diljaver Gafarov, Renat Soelejmanov, Eskender Abdoelganijev, Roestem Emiroesejnov, Arsen Abchairov, Raim Ajvazov, Ajder Dzjepparov, Taljat Abdoerachmanov, Sejran Moestafajev, Arsen Koebedinov, Moestafa Dechermendzji, Ali Asanov, Arsen Joesoenov, Eskender Kantemirov, Eskender Emirvalijev, Soelejman Kadyrov, Taljat Joesoenov, Mykola Semena, Moesa Abkerimov, Vitali Koecharenko, Asan Tsjapoech, Bekir Dechermendzji, Kjazim Ametov, Roeslan Troebatsj, Sjaban Oemerov, Roestem Sejtchalilov, Riza Izetov, Farid Bazarov, Dzemil Gafarov, Sejran Moertazi, Alim Kerimov, Tofik Abdoelgarijev, Biljal Adilov, Medzjit Abdoerachmanov, Roestem Sjejchalijev, Alim Sjechalijev, Sejtveli Sejtabdijev, Jasjar Moejedinov, Asan Janikov, Enver Ametov, Roeslan Soelejmanov, Akim Bekirov, Erfan Osmanov, Server Gazijev, Remzi Bekirov, Osman Arifmetov, Vladlen Abdoelkadyrov, Izzet Abdoellajev, Tair Ibragimov, Ajder Dzjepparov, Eldar Kantemirov, Roeslan Mesoetov, Roeslan Nagajev, Enver Omerov, Riza Omerov, Eskander Soelejmanov, Lenoer Chalilov.


Situatie in Venezuela
PDF 125kWORD 53k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 juli 2019 over de situatie in Venezuela (2019/2730(RSP))
P9_TA(2019)0007RC-B9-0006/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien zijn eerdere resoluties over Venezuela, met name die van 27 februari 2014 over de situatie in Venezuela(1), van 18 december 2014 over de vervolging van de democratische oppositie in Venezuela(2), van 12 maart 2015 over de situatie in Venezuela(3), van 8 juni 2016 over de situatie in Venezuela(4), van 27 april 2017 over de situatie in Venezuela(5), van 8 februari 2018 over de situatie in Venezuela(6), van 3 mei 2018 over de verkiezingen in Venezuela(7), van 5 juli 2018 over de migratiecrisis en de humanitaire situatie in Venezuela en aan zijn landsgrenzen met Colombia en Brazilië(8), van 25 oktober 2018 over de situatie in Venezuela(9), van 31 januari 2019 over de situatie in Venezuela(10) en van 28 maart 2019 over de noodsituatie in Venezuela(11),

–  gezien het verslag over Venezuela van de Hoge Commissaris voor de mensenrechten van de VN van 4 juli 2019,

–  gezien de verklaringen van de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) over Venezuela van 10 januari 2019, 26 januari 2019, 24 februari 2019, 28 maart 2019, 4 april 2019, 30 april 2019, 18 juni 2019 en 16 juli 2019,

–  gezien het verslag van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) over Venezolaanse migranten en vluchtelingen van 8 maart 2019,

–  gezien de vierde internationale technische vergadering in het kader van het proces van Quito, gehouden te Buenos Aires op 4 en 5 juli 2019,

–  gezien de verklaring van de Groep van Lima van 30 april 2019,

–  gezien de verklaring van de Groep van Lima van 3 mei 2019,

–  gezien de verklaring over de gezamenlijke vergadering van de internationale contactgroep en de Groep van Lima over de situatie in Venezuela van 3 juni 2019,

–  gezien Besluit (GBVB) 2018/1656 van de Raad van 6 november 2018 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2017/2074 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela(12), waarmee de gerichte beperkende maatregelen die momenteel van kracht zijn worden verlengd tot 14 november 2019,

–  gezien het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof,

–  gezien de grondwet van Venezuela,

–  gezien artikel 132, leden 2 en 4, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de politieke, economische, institutionele, sociale en multidimensionale humanitaire crisis tussen 2018 en 2019 aanzienlijk is verslechterd; overwegende dat een toenemend tekort aan geneesmiddelen en voedsel, massale schendingen van de mensenrechten, hyperinflatie, politieke onderdrukking, corruptie en geweld het leven van mensen in gevaar brengen, waardoor zij gedwongen worden het land te verlaten;

B.  overwegende dat de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, van 19 tot en met 21 juni 2019 het land bezocht heeft; overwegende dat zij er bij de feitelijke regering van Venezuela op heeft aangedrongen onmiddellijk concrete maatregelen te nemen om de ernstige schendingen van de mensenrechten in het land te beëindigen; overwegende dat tevens is erkend dat Venezuela meer dan een decennium lang een reeks wetten, beleidslijnen en praktijken heeft vastgesteld en ten uitvoer heeft gelegd die de democratische ruimte hebben beperkt, de overheidsinstellingen hebben verzwakt en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht hebben aangetast;

C.  overwegende dat meer dan 7 miljoen mensen in Venezuela humanitaire bijstand nodig hebben; overwegende dat de feitelijke regering van Maduro het recht op voedsel heeft geschonden, met inbegrip van de verplichting van de staat om ervoor te zorgen dat de bevolking geen honger lijdt; overwegende dat volgens de VN 3,7 miljoen Venezolanen ondervoed zijn, wat in het bijzonder schadelijk is voor kinderen en zwangere vrouwen; overwegende dat 94 % van de bevolking onder de armoedegrens en 62 % in extreme armoede leeft; overwegende dat 70 % van de kinderen niet naar school gaat; overwegende dat sommige vrouwen gedwongen zijn geweest seks te hebben in ruil voor voedsel en herhaaldelijk te maken hebben gehad met geweld;

D.  overwegende dat de gezondheidssituatie in Venezuela schrijnend is: ziekenhuizen kampen met een tekort aan personeel, voorraden, geneesmiddelen en elektriciteit, wat tussen november 2018 en februari 2019 ten minste 1 557 levens heeft geëist; overwegende dat vier van de grootste steden van Venezuela, waaronder Caracas, kampen met een tekort aan essentiële geneesmiddelen van 60 % tot 100 %; overwegende dat de moedersterfte is toegenomen en dat veel vrouwen het land hebben moeten verlaten om te bevallen;

E.  overwegende dat meer dan 3,4 miljoen Venezolanen het land hebben moeten ontvluchten; overwegende dat het totale aantal Venezolanen dat gedwongen is te migreren eind 2019 meer dan 5 miljoen zal bedragen, waarmee het de op één na grootste migratie- en vluchtelingencrisis ter wereld is; overwegende dat door deze migratiestroom een grote druk is ontstaan op de buurlanden, maar ook in toenemende mate op de Europese Unie en op de gebieden van haar lidstaten in het Caribisch gebied;

F.  overwegende dat, volgens de Mensenrechtenraad van de VN, in de afgelopen anderhalf jaar tijdens veiligheidsoperaties in Venezuela bijna 7 000 personen buitengerechtelijk zijn gedood; overwegende dat de feitelijke autoriteiten in het kader van hun beleid van sociale controle gebruikmaken van de FAES (de troepen voor speciale acties van de Bolivariaanse nationale politie) en andere veiligheidstroepen; overwegende dat de families van degenen die tijdens de protesten buitengerechtelijk zijn gedood nog steeds belemmerd worden om hun recht op de waarheid, op gerechtigheid en schadevergoeding uit te oefenen;

G.  overwegende dat het regime stelselmatig foltering toepast om demonstranten te intimideren en af te schrikken, wat een klimaat van terreur creëert; overwegende dat in het verslag van de Mensenrechtenraad werd vastgesteld dat veiligheids- en inlichtingendiensten, met name de SEBIN (de Bolivariaanse inlichtingendienst) en het DGCIM (het directoraat-generaal Militaire Contraspionage), routinematig gebruikmaken van dergelijke praktijken; overwegende dat politieke gevangenen in Venezuela worden gemarteld en dat velen onder hen momenteel afgezonderd worden, waardoor zij geen contact kunnen opnemen met hun advocaten of familieleden, die vrezen voor hun leven en lichamelijke integriteit;

H.  overwegende dat van 22 parlementsleden, onder wie de voorzitter van de Nationale Vergadering, de parlementaire onschendbaarheid is opgeheven; overwegende dat 2 parlementsleden gevangen zitten en 16 parlementsleden bescherming hebben gezocht in ambassades, het land hebben verlaten of zijn ondergedoken;

I.  overwegende dat inheemse volkeren slachtoffer zijn van geweldsmisdrijven; overwegende dat 63 leden van inheemse gemeenschappen willekeurig zijn aangehouden en gemarteld, dat er 7 zijn overleden en dat er meer dan 23 gewond zijn geraakt en naar ziekenhuizen in het buitenland moesten reizen om te worden behandeld;

J.  overwegende dat mijnbouw en oliewinning, met name in afgelegen regio’s en gebieden met een rijke biodiversiteit, funest zijn voor het levensonderhoud van minderheden, zoals inheemse en zwarte gemeenschappen, die worden verdreven of het slachtoffer worden van ernstig geweld door militaire strijdkrachten, criminele bendes en gewapende groepen als zij zich tegen deze activiteiten verzetten en hun rechten opeisen;

K.  overwegende dat Rafael Acosta Arévalo, een kapitein-ter-zee die is gearresteerd en gefolterd omdat hij een moordcomplot tegen Nicolás Maduro zou hebben gesmeed, op 29 juni 2019 in gevangenschap is overleden; overwegende dat de feitelijke autoriteiten zijn stoffelijk overschot elf dagen hebben verborgen voordat ze het hebben begraven, zonder de grondrechten van zijn familie en haar wens te rouwen om de overledene te eerbiedigen;

L.  overwegende dat Rufo Chacón, een zestienjarige Venezolaanse jongen, op 2 juli 2019 blind is geworden nadat overheidsfunctionarissen hem tijdens een protest tegen het gebrek aan gas om te koken in het gezicht hadden geschoten;

M.  overwegende dat de EU in reactie op de crisis 117,6 miljoen EUR aan noodhulp en ontwikkelingshulp heeft gemobiliseerd en samenwerkt met kwetsbare bevolkingsgroepen in Venezuela (60 % van de financiering) en zijn buurlanden (40 % van de financiering); overwegende dat de tot nu toe verzamelde steun voor het regionale vluchtelingen- en migrantenplan van de VN slechts 22 % van het gevraagde bedrag vertegenwoordigt (159 miljoen USD van de gevraagde 738 miljoen USD);

1.  herhaalt zijn diepe bezorgdheid over de ernstige noodtoestand in Venezuela, die de levens van burgers ernstig in gevaar brengt;

2.  spreekt nogmaals zijn volledige steun uit voor de legitieme interim-president Juan Guaidó en voor de Nationale Vergadering, het legitieme democratische orgaan van Venezuela, waarvan de bevoegdheden moeten worden hersteld en geëerbiedigd, net als de prerogatieven en de veiligheid van haar leden; veroordeelt het feit dat de parlementaire onschendbaarheid van 22 parlementsleden is opgeheven en dat twee parlementsleden gevangen zijn genomen; spreekt andermaal zijn bezorgdheid uit over het gebrek aan legitimiteit van de presidentsverkiezingen van mei 2018;

3.  veroordeelt de felle repressie en het geweld, die hebben geleid tot doden en gewonden; spreekt zijn solidariteit uit met de Venezolaanse bevolking en betuigt zijn oprechte medeleven aan de familieleden en vrienden van de slachtoffers;

4.  onderstreept, in overeenstemming met het verslag van de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, Michelle Bachelet, dat Nicolás Maduro en de strijdkrachten en inlichtingendiensten van zijn onwettige regime rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het willekeurige gebruik van geweld om het democratisch overgangsproces en het herstel van de rechtsstaat in Venezuela te onderdrukken; veroordeelt het gebruik, in alle omstandigheden, van willekeurige opsluitingen, foltering en buitengerechtelijke executies, die krachtens internationale verdragen verboden zijn, met inbegrip van de verdragen waarbij Venezuela partij is;

5.  veroordeelt, in overeenstemming met het verslag van Michelle Bachelet, de Hoge Commissaris van de VN voor de mensenrechten, de gevallen van misbruik door wetshandhavingsfunctionarissen en de brutale repressie door veiligheidstroepen; dringt aan op de instelling, met de hulp van de internationale gemeenschap, van een onpartijdig en onafhankelijk nationaal mechanisme om de buitengerechtelijke executies te onderzoeken die tijdens veiligheidsoperaties werden uitgevoerd, om ervoor te zorgen dat de verantwoordelijken ter verantwoording worden geroepen en dat de families van de slachtoffers een schadevergoeding ontvangen en beschermd worden tegen intimidatie en represailles;

6.  dringt er sterk op aan de beschikbaarheid en toegankelijkheid van voedsel, geneesmiddelen en gezondheidszorg te garanderen en daarbij bijzondere aandacht te schenken aan diensten voor moeder en kind; roept de feitelijke Venezolaanse autoriteiten op ervoor te zorgen dat de humanitaire hulp zonder politieke vooringenomenheid onder de gehele bevolking wordt verdeeld;

7.  benadrukt de noodzaak om alle vervolging en selectieve repressie op politieke gronden te stoppen, publiekelijk te veroordelen, te bestraffen en te voorkomen; verzoekt om de vrijlating van alle personen die op arbitraire wijze van hun vrijheid zijn beroofd;

8.  herinnert eraan dat de intimidatie van en aanvallen op inheemse volkeren, met inbegrip van hun leiders, moeten stoppen, en dat de autoriteiten hen moeten beschermen en alle nodige maatregelen moeten nemen om hun individuele en collectieve rechten te beschermen, met inbegrip van hun recht op land;

9.  onderstreept dat grootschalige projecten voor het genereren van inkomensbronnen om de economische crisis te boven te komen moeten worden vermeden wanneer deze schadelijk zijn voor het milieu, het klimaat en het levensonderhoud van gemeenschappen in de regio; dringt aan op de onvoorwaardelijke bescherming van inheemse en zwarte gemeenschappen in afgelegen gebieden die het milieu beschermen tegen activiteiten zoals goudwinning in de Venezolaanse regio Arco Minero del Orinoco;

10.  vestigt de aandacht op de steeds ernstiger migratiecrisis in de gehele regio en prijst de inspanningen en de solidariteit van de buurlanden, in het bijzonder Colombia, Ecuador en Peru; verzoekt de Commissie met deze landen te blijven samenwerken, niet alleen door humanitaire hulp te verstrekken, maar ook door meer middelen te verschaffen en door middel van ontwikkelingsbeleid;

11.  bekrachtigt zijn eerdere standpunt dat een vreedzame, democratische en inclusieve oplossing de enige duurzame uitweg is uit de huidige politieke impasse en de ernstige sociale en humanitaire crisis die daar het gevolg van is; wijst erop dat in de lopende dialoog rekening moet worden gehouden met de routekaart van de Nationale Vergadering van Venezuela; steunt het lopende door Noorwegen gefaciliteerde proces en is verheugd dat beide partijen ermee hebben ingestemd een vredesdialoog aan te gaan; benadrukt dat een dergelijk proces alleen succes kan hebben als de nodige vertrouwenwekkende maatregelen worden getroffen; benadrukt dat het enige doel van de dialoog het scheppen van voorwaarden moet zijn voor vrije, transparante en geloofwaardige presidentsverkiezingen op basis van een overeengekomen kalender, eerlijke voorwaarden voor alle spelers, transparantie en de aanwezigheid van geloofwaardige internationale waarnemers;

12.  dringt er bij de Raad op aan bijkomende sancties op te leggen aan de feitelijke autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de schendingen van de mensenrechten en de repressie; is van oordeel dat de EU-autoriteiten de bewegingsvrijheid van de betrokken personen moeten beperken, en hun tegoeden en visa moeten bevriezen, alsook die van hun naaste familie;

13.  verzoekt de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (VV/HV) het voortouw te nemen bij het EU‑beleid inzake de situatie in Venezuela en te blijven samenwerken met de contactgroep en de democratische landen in de regio die door de Groep van Lima worden vertegenwoordigd;

14.  biedt zijn volledige steun aan het onderzoek van het Internationaal Strafhof (ICC) naar de talrijke misfdrijven en gevallen van onderdrukking door het Venezolaanse regime; dringt er bij de EU en haar lidstaten op aan zich aan te sluiten bij het initiatief van verschillende staten die partij zijn bij het ICC om de misdrijven tegen de menselijkheid van de feitelijke regering-Maduro te onderzoeken, teneinde de schuldigen ter verantwoording te roepen;

15.  steunt het initiatief om een onderzoekscommissie bij de Mensenrechtenraad van de VN in te stellen, teneinde de individuele verantwoordelijkheden met betrekking tot de systematische schendingen van de mensenrechten in Venezuela te bepalen;

16.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de vicevoorzitter van de Commissie/hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, de rechtmatige tijdelijke president alsook de Nationale Vergadering van de Bolivariaanse Republiek Venezuela, de regeringen en parlementen van de landen van de Groep van Lima, de Euro-Latijns-Amerikaanse Parlementaire Vergadering en de secretaris-generaal van de Organisatie van Amerikaanse Staten.

(1) PB C 285 van 29.8.2017, blz. 145.
(2) PB C 294 van 12.8.2016, blz. 21.
(3) PB C 316 van 30.8.2016, blz. 190.
(4) PB C 86 van 6.3.2018, blz. 101.
(5) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 137.
(6) PB C 463 van 21.12.2018, blz. 61.
(7) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0199.
(8) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0313.
(9) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0436.
(10) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0061.
(11) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0327.
(12) PB L 276 van 7.11.2018, blz. 10.

Juridische mededeling