Index 
Aangenomen teksten
Woensdag 18 september 2019 - StraatsburgVoorlopige uitgave
Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019: overschot van 2018
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2019: meer middelen voor essentiële programma's voor het concurrentievermogen van de EU: Horizon 2020 en Erasmus+
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Roemenië, Italië en Oostenrijk
 Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2019: voorstel betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Roemenië, Italië en Oostenrijk
 Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering – EGF/2019/000 TA 2019 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie
 De terugtrekking van het VK uit de EU

Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019: overschot van 2018
PDF 126kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2019 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019 van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019 tot opname van het overschot van het begrotingsjaar 2018 (11730/2019 – C9-0115/2019 – 2019/2021(BUD))
P9_TA-PROV(2019)0011A9-0005/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), en met name de artikelen 18, lid 3, en 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, definitief vastgesteld op 12 december 2018(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019, goedgekeurd door de Commissie op 15 april 2019 (COM(2019)0300),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019, vastgesteld door de Raad op 3 september 2019 en dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (11730/2019 – C9-0115/2019),

–  gezien de artikelen 94 en 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0005/2019),

A.  overwegende dat het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019 dient om het overschot van het begrotingsjaar 2018, te weten 1 802 miljoen EUR, op te nemen in de begroting voor 2019;

B.  overwegende dat de hoofdonderdelen van dat overschot bestaan uit een positief resultaat bij de ontvangsten ter hoogte van 1 274,6 miljoen EUR en een onderbesteding bij de uitgaven ter hoogte van 527,8 miljoen EUR;

C.  overwegende dat aan de ontvangstenzijde het grootste verschil voortvloeit uit achterstandsrente en boetes (1 312,6 miljoen EUR), waarbij het resultaat bestaat uit mededingingsboetes en achterstandsrente, andere dwangsommen en rente in verband met geldboetes en dwangsommen;

D.  overwegende dat aan de uitgavenzijde de onderbesteding voor 2018 van de betalingen door de Commissie 322,2 miljoen EUR bedraagt (waarvan 120 miljoen EUR voor de reserve voor noodhulp) en de onderbesteding 68 miljoen EUR bedraagt voor de overdrachten van 2017, en dat de onderbesteding door de andere instellingen 75,9 miljoen EUR bedraagt voor 2018 en 61,6 miljoen EUR voor de overdrachten van 2017;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019, zoals ingediend door de Commissie, dat uitsluitend tot doel heeft het overschot van 2018, voor een bedrag van 1 803 miljoen EUR, in de begroting op te nemen, overeenkomstig artikel 18 van het Financieel Reglement, en neemt kennis van het standpunt van de Raad hierover;

2.  neemt er kennis van dat volgens de Commissie de mededingingsboetes in 2018 goed waren voor 1 149 miljoen EUR; is wederom van mening dat, naast een eventueel overschot als gevolg van onderbesteding, de begroting van de Unie alle inkomsten die voortvloeien uit boetes of die verband houden met te late betalingen opnieuw moet kunnen gebruiken zonder dat de bni-bijdragen dienovereenkomstig worden verlaagd; herhaalt zijn standpunt dat de voorgestelde reserve van de Unie in het volgende meerjarig financieel kader moet worden verhoogd met een bedrag dat gelijk is aan de inkomsten uit boetes en sancties;

3.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 1/2019 goed;

4.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 1/2019 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 67 van 7.3.2019.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2019: meer middelen voor essentiële programma's voor het concurrentievermogen van de EU: Horizon 2020 en Erasmus+
PDF 142kWORD 50k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2019 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2019 bij de algemene begroting 2019: Meer middelen voor essentiële programma’s voor het concurrentievermogen van de EU: Horizon 2020 en Erasmus+ (11731/2019 – C9-0112/2019 – 2019/2022(BUD))
P9_TA-PROV(2019)0012A9-0004/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), en met name artikel 18, lid 3, en artikel 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, definitief vastgesteld op 12 december 2018(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2019, goedgekeurd door de Commissie op 15 mei 2019 (COM(2019)0320),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2019, vastgesteld door de Raad op 3 september 2019 en dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (11731/2019 – C9‑0112//2019),

–  gezien de artikelen 94 en 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0004/2019),

A.  overwegende dat het Europees Parlement en de Raad in de context van de begrotingsprocedure 2019 op aandringen van het Parlement hebben beslist om in een gewijzigde begroting in 2019 100 miljoen EUR te budgetteren ter verhoging van Horizon 2020 en Erasmus+; overwegende dat het Parlement en de Raad de Commissie hebben verzocht deze gewijzigde begroting, die verder geen andere elementen zal bevatten, te presenteren zodra de technische bijstelling van het meerjarig financieel kader voor 2020, met inbegrip van de berekening van de overkoepelende marge voor vastleggingen, in het voorjaar van 2019 zal zijn afgerond;

B.  overwegende dat de Commissie dienovereenkomstig heeft voorgesteld de begroting 2019 te wijzigen om rekening te houden met dit akkoord;

C.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld om 80 miljoen EUR extra toe te wijzen ter versterking van Horizon 2020 en 20 miljoen EUR extra aan Erasmus+; overwegende dat in de overeenkomst over de begroting 2019 niet is gespecificeerd hoe de totale verhoging moet worden verdeeld tussen beide instrumenten;

D.  overwegende dat wat de versterking van Horizon 2020 betreft, de Commissie heeft voorgesteld om 34,6 miljoen EUR extra toe te wijzen aan Horizon 2020-begrotingspost 08 02 03 04 Realiseren van een hulpbronnenefficiënt, milieuvriendelijk, veilig en naadloos geïntegreerd Europees vervoersysteem ter versterking van de maatregelen in 2019 tegen klimaatverandering, met name inzake batterijen, groene voertuigen en vergroening van de luchtvaart, en 45,4 miljoen EUR extra aan Horizon 2020-begrotingspost 08 02 01 02 Stimuleren van onderzoek in toekomstige en opkomende technologieën om het budget te verhogen voor de thema’s “baanbrekende volledig koolstofvrije energieopwekking met nuluitstoot” en “technologieën die verband houden met energie en klimaatverandering”;

E.  overwegende dat de Commissie heeft voorgesteld om de kernactiviteiten van Erasmus+ met betrekking tot mobiliteit te versterken, met name op het gebied van hoger onderwijs, beroepsonderwijs en -opleiding en de kenniscentra voor beroepsopleiding; overwegende dat de Commissie ook heeft voorgesteld dat een deel van de versterking gaat naar de actie Europese universiteiten, een fundamentele actie die recentelijk in het kader van de Europese onderwijsruimte tegen 2025 is ontwikkeld om excellentie, innovatie en inclusie in het hoger onderwijs in Europa te bevorderen;

1.  neemt kennis van het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2019 zoals ingediend door de Commissie, dat tot doel heeft 100 miljoen EUR vastleggingskredieten meer uit te trekken voor Horizon 2020 en Erasmus+, zoals overeengekomen door het Europees Parlement en de Raad in het kader van de onderhandelingen over de begroting 2019; merkt op dat er in dit stadium geen verhoging van de betalingskredieten is voorgesteld;

2.  merkt op dat het gezien het profiel van de programma’s wellicht niet nodig is om tegen eind 2019 de betalingskredieten voor Horizon 2020 te verhogen, maar dat de verhoogde vastleggingskredieten voor Erasmus+ hoogstwaarschijnlijk dit jaar nog gepaard zullen moeten gaan met meer betalingskredieten; vraagt de Commissie om de begrotingsautoriteit op de hoogte te brengen van hoe ze voornemens is deze verhoogde betalingsbehoeften op te vangen;

3.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 2/2019 goed;

4.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 2/2019 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

5.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie, de overige instellingen en de betrokken organen, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 67 van 7.3.2019.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Roemenië, Italië en Oostenrijk
PDF 139kWORD 49k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2019 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Roemenië, Italië en Oostenrijk (COM(2019)0206 – C9-0005/2019 – 2019/2023(BUD))
P9_TA-PROV(2019)0013A9-0002/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2019)0206 – C9-0005/2019),

–  gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(1),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 10,

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3), en met name punt 11,

–  gezien de brief van de Commissie regionale ontwikkeling,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0002/2019),

1.  verwelkomt het besluit als een teken van solidariteit van de Unie met de burgers en regio’s van de Unie die door natuurrampen zijn getroffen;

2.  benadrukt dat er via het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (het “fonds”) dringend financiële bijstand moet worden verleend aan de regio’s in de Unie die in 2018 door natuurrampen zijn getroffen;

3.  is ingenomen met het voorstel van de Commissie(4) van 7 maart 2019 tot wijziging van het Uniemechanisme voor civiele bescherming ter versterking van de capaciteiten van de Unie op het gebied van rampenrisicobeheer, met een financiële enveloppe voor de financieringsperiode 2021-2027 die overeenstemt met de getoonde ambitie in Besluit (EU) 2019/420 van het Europees Parlement en de Raad(5), en de resolutie van het Europees Parlement van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027(6); is ervan overtuigd dat het fonds en het Uniemechanisme voor civiele bescherming op elkaar moeten worden afgestemd voor de preventie van en voorbereiding en reactie op natuurrampen in de lidstaten;

4.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

5.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

6.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE: BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Roemenië, Italië en Oostenrijk

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie(7), en met name artikel 4, lid 3,

gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(8), en met name punt 11,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (hierna het “fonds” genoemd) heeft tot doel de Unie in staat te stellen snel, doeltreffend en soepel op noodsituaties te reageren om solidariteit te betonen met de bevolking van door natuurrampen getroffen regio’s.

(2)  Zoals vastgesteld in artikel 10 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad(9) mag het fonds het jaarlijkse maximumbedrag van 500 000 000 EUR (in prijzen van 2011) niet overschrijden.

(3)  Op 7 september 2018 heeft Roemenië een aanvraag tot beschikbaarstelling van middelen uit het fonds ingediend in verband met extreme weersomstandigheden die tot grote overstromingen hebben geleid.

(4)  Op 20 december 2018 heeft Italië een aanvraag tot beschikbaarstelling van middelen uit het fonds ingediend in verband met extreme weersomstandigheden.

(5)  Op 14 januari 2019 heeft Oostenrijk een aanvraag tot beschikbaarstelling van middelen uit het fonds ingediend in verband met extreme weersomstandigheden.

(6)  De aanvragen van Roemenië, Italië en Oostenrijk voldoen aan de voorwaarden voor het verlenen van een financiële bijdrage uit het fonds, zoals vastgesteld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2012/2002.

(7)  Er dienen derhalve middelen uit het fonds beschikbaar te worden gesteld om te voorzien in een financiële bijdrage aan Roemenië, Italië en Oostenrijk.

(8)  Opdat zo snel mogelijk middelen uit het fonds ter beschikking worden gesteld, dient dit besluit van toepassing te zijn vanaf de datum waarop het wordt vastgesteld,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het kader van de algemene begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2019 worden uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie de volgende vastleggings- en betalingskredieten ter beschikking gesteld:

a)  een bedrag van 8 192 300 EUR voor Roemenië;

b)  een bedrag van 277 204 595 EUR voor Italië;

c)  een bedrag van 8 154 899 EUR voor Oostenrijk.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van ... [de datum van vaststelling ervan](10).

Gedaan te …,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De Voorzitter De Voorzitter

(1) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) COM(2019)0125.
(5) Besluit (EU) 2019/420 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2019 tot wijziging van Besluit nr. 1313/2013/EU betreffende een Uniemechanisme voor civiele bescherming (PB L 77I van 20.3.2019, blz. 1).
(6) Aangenomen teksten, P8-TA-PROV(2018)0449.
(7) PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3.
(8) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(9) Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
(10)* Datum door het Parlement in te voegen vóór bekendmaking in het PB.


Ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2019: voorstel betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Roemenië, Italië en Oostenrijk
PDF 128kWORD 49k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2019 over het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2019 van de Europese Unie bij de algemene begroting 2019 bij het voorstel betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor bijstand aan Roemenië, Italië en Oostenrijk (11732/2019 – C9-0113/2019 – 2019/2024(BUD))
P9_TA-PROV(2019)0014A9-0006/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien artikel 314 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

–  gezien artikel 106 bis van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,

–  gezien Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012(1), en met name artikel 44,

–  gezien de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019, definitief vastgesteld op 12 december 2018(2),

–  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(3),

–  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(4),

–  gezien Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie(5),

–  gezien het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2019, goedgekeurd door de Commissie op 22 mei 2019 (COM(2019)0205),

–  gezien het standpunt inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2019, op 3 september 2019 vastgesteld door de Raad en dezelfde dag toegezonden aan het Europees Parlement (11732/2019 – C9‑0113/2019),

–  gezien de artikelen 94 en 96 van zijn Reglement,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0006/2019),

A.  overwegende dat ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2019 betrekking heeft op de voorgestelde beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie voor het verlenen van bijstand aan Roemenië voor de overstromingen in het noordoosten, aan Italië voor de overstromingen en aardverschuivingen na zware regenval van de Alpen in het noorden tot Sicilië en aan Oostenrijk voor hetzelfde verschijnsel in de alpiene/zuidelijke regio’s gedurende 2018,

B.  overwegende dat de Commissie derhalve voorstelt de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019 te wijzigen en begrotingsonderdeel 13 06 01 “Bijstand aan lidstaten in het geval van een grote natuurramp die ernstige gevolgen heeft voor de levensomstandigheden van de burgers, het natuurlijke milieu of de economie” te verhogen met 293 551 794 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten;

C.  overwegende dat het Solidariteitsfonds van de Europese Unie een speciaal instrument is in de zin van de MFK-verordening en dat de desbetreffende vastleggings- en betalingskredieten buiten de MFK-plafonds om moeten worden gebudgetteerd;

1.  keurt het standpunt van de Raad inzake het ontwerp van gewijzigde begroting nr. 3/2019 goed;

2.  verzoekt zijn Voorzitter te constateren dat de gewijzigde begroting nr. 3/2019 definitief is vastgesteld en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

3.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Raad, de Commissie en de Rekenkamer, alsmede aan de nationale parlementen.

(1) PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1.
(2) PB L 67 van 7.3.2019.
(3) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(4) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(5) PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.


Beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering – EGF/2019/000 TA 2019 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie
PDF 146kWORD 54k
Resolutie
Bijlage
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2019 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2019/000 TA 2019 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie) (COM(2019)0290 – C9-0026/2019 – 2019/2036(BUD))
P9_TA-PROV(2019)0015A9-0001/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het voorstel van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad (COM(2019)0290 – C9-0026/2019),

—  gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(1) (EFG-verordening),

—  gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020(2), en met name artikel 12,

—  gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(3) (IIA van 2 december 2013), en met name punt 13,

—  gezien zijn resolutie van 30 mei 2018 over het voorstel voor een besluit van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2018/000 TA 2018 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)(4),

—  gezien zijn eerste lezing van het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG)(5),

—  gezien de trialoogprocedure als bedoeld in punt 13 van het IIA van 2 december 2013,

–  gezien het verslag van de Begrotingscommissie (A9-0001/2019),

A.  overwegende dat de Unie wetgevings- en begrotingsinstrumenten in het leven heeft geroepen om extra steun te geven aan werknemers die de gevolgen van grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen of de wereldwijde financiële en economische crisis ondervinden, en hen te helpen bij hun noodzakelijke en snelle terugkeer op de arbeidsmarkt;

B.  overwegende dat steun van de Unie aan ontslagen werknemers flexibel moet zijn en zo snel en efficiënt mogelijk ter beschikking moet worden gesteld, overeenkomstig de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie die is goedgekeurd tijdens het overleg van 17 juli 2008, en met inachtneming van het IIA van 2 december 2013 met betrekking tot het nemen van besluiten om middelen beschikbaar te stellen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG);

C.  overwegende dat met de vaststelling van de EFG-verordening uitvoering wordt gegeven aan de overeenkomst tussen het Parlement en de Raad om het criterium “crisisafwijking” opnieuw in te voeren, de financiële bijdrage van de Unie te verhogen tot 60 % van de totale geraamde kosten van de voorgestelde maatregelen, de efficiëntie van de behandeling van EFG-aanvragen in de Commissie en door het Parlement en de Raad te verhogen door de termijn voor beoordeling en goedkeuring te verkorten, de subsidiabele maatregelen uit te breiden en de groep begunstigden te verruimen door daar zelfstandigen en jongeren aan toe te voegen en stimuleringsmaatregelen voor de oprichting van een eigen bedrijf te financieren;

D.  overwegende dat het maximale jaarlijkse bedrag dat voor het EFG beschikbaar is, ligt op 150 miljoen EUR (prijzen van 2011), d.w.z. 175 748 000 EUR in prijzen van 2019, en dat in artikel 11, lid 1, van de EFG-verordening wordt bepaald dat op initiatief van de Commissie jaarlijks maximaal 0,5 % van dit bedrag kan worden gebruikt voor technische bijstand, ter financiering van de voorbereiding van, het toezicht op, de gegevensverzameling voor en het creëren van een kennisbasis, administratieve en technische bijstand, informatie- en communicatieactiviteiten alsook audit-, controle- en evaluatiewerkzaamheden die nodig zijn voor de tenuitvoerlegging van de EFG-verordening;

E.  overwegende dat het voorgestelde bedrag van 610 000 EUR overeenkomt met ongeveer 0,35 % van het maximumbedrag dat in 2019 op de jaarlijkse begroting voor het EFG beschikbaar is;

1.  stemt ermee in dat de door de Commissie voorgestelde maatregelen gefinancierd worden als technische bijstand, overeenkomstig artikel 11, leden 1 en 4, en artikel 12, leden 2, 3 en 4, van de EFG-verordening;

2.  wijst op het belang van monitoring en gegevensverzameling; wijst op het belang van een reeks robuuste statistieken die zijn opgesteld in een praktisch bruikbare vorm, zodat ze makkelijk toegankelijk en begrijpelijk zijn;

3.  herinnert aan het belang van een specifieke website over het EFG die toegankelijk is voor alle burgers van de Unie;

4.  is verheugd dat de werkzaamheden in verband met de gestandaardiseerde procedures voor EFG-aanvragen en -beheer worden voortgezet, waarbij gebruik gemaakt wordt van de functies van het systeem voor elektronische gegevensuitwisseling (SFC2014), wat een vereenvoudiging en snellere verwerking van aanvragen mogelijk maakt, alsmede een betere verslaglegging;

5.  wijst erop dat de Commissie voornemens is 190 000 EUR van het beschikbare bedrag voor administratieve en technische bijstand te besteden aan twee vergaderingen van de Deskundigengroep van contactpersonen van het EFG, die één lid per lidstaat telt, en twee seminars waaraan de EFG-uitvoeringsorganen en sociale partners deelnemen;

6.  roept de Commissie op het Parlement consequent te blijven uitnodigen voor deze vergaderingen en seminars, overeenkomstig de relevante bepalingen van het Kaderakkoord over de betrekkingen tussen het Parlement en de Commissie;

7.  pleit voor verdere versterking van het contact tussen alle betrokkenen bij EFG-aanvragen, waaronder met name de sociale partners en de belanghebbenden op regionaal en lokaal niveau, om zo veel mogelijk synergieën tot stand te brengen; wijst erop dat de interactie tussen de nationale contactpersoon en de regionale of lokale uitvoeringspartners moet worden versterkt en dat er duidelijke afspraken moeten worden gemaakt over communicatie, ondersteuning en informatievoorziening (interne verdeling van taken en bevoegdheden), waarmee alle partners moeten instemmen;

8.  is verheugd dat de evaluatie achteraf, waarvoor de Commissie 300 000 EUR van het beschikbare bedrag wil gebruiken, tijdig aanvangt;

9.  herinnert de lidstaten die aanvragen indienen aan hun belangrijke taak om op grote schaal bekendheid te geven aan de acties die met het EFG worden gefinancierd en zich daarbij te richten tot de beoogde begunstigden, de lokale en regionale autoriteiten, de sociale partners, de media en het grote publiek, zoals bepaald in artikel 12 van de verordening;

10.  hecht zijn goedkeuring aan het bij deze resolutie gevoegde besluit;

11.  verzoekt zijn Voorzitter dit besluit samen met de voorzitter van de Raad te ondertekenen en zorg te dragen voor publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie;

12.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie, met inbegrip van de bijlage, te doen toekomen aan de Raad en de Commissie.

BIJLAGE: BESLUIT VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EGF/2019/000 TA 2019 - Technische bijstand op initiatief van de Commissie)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006(6), en met name artikel 11, lid 2,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer(7), en met name punt 13,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)  Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (EFG) beoogt steun te verlenen aan werknemers die werkloos zijn geworden en zelfstandigen die gestopt zijn met hun bedrijf als gevolg van uit de globalisering voortvloeiende grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, doordat de wereldwijde financiële en economische crisis aanhoudt, of door een nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren.

(2)  Zoals vastgesteld in artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad(8), mag het EFG het jaarlijks maximumbedrag van 150 miljoen EUR (in prijzen van 2011) niet overschrijden.

(3)  Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1309/2013 kan elk jaar op initiatief van de Commissie maximaal 0,5 % van het jaarlijks maximumbedrag voor het EFG voor technische bijstand worden gebruikt.

(4)  Er moet 610 000 EUR uit het EFG beschikbaar worden gesteld voor technische bijstand op initiatief van de Commissie,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2019 wordt een bedrag van 610 000 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te ...,

Voor het Europees Parlement Voor de Raad

De voorzitter De voorzitter

(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(2) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884.
(3) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(4) Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0220.
(5) Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0019.
(6) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.
(7) PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.
(8) Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).


De terugtrekking van het VK uit de EU
PDF 157kWORD 55k
Resolutie van het Europees Parlement van 18 september 2019 over de stand van zaken van de terugtrekking van het VK uit de Europese Unie (2019/2817(RSP))
P9_TA-PROV(2019)0016B9-0038/2019

Het Europees Parlement,

–  gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU),

–  gezien het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 7 december 2000 (hierna “het Handvest”), dat op 12 december 2007 in Straatsburg is uitgevaardigd en met het Verdrag van Lissabon in december 2009 in werking is getreden,

–  gezien de kennisgeving van de premier van het Verenigd Koninkrijk aan de Europese Raad op 29 maart 2017 overeenkomstig artikel 50, lid 2, van het Verdrag betreffende de Europese Unie,

–  gezien zijn resoluties van 5 april 2017 over onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk na de kennisgeving van het voornemen van dat land om zich uit de Europese Unie terug te trekken(1), van 3 oktober 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk(2), van 13 december 2017 over de stand van de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk(3), en van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK(4),

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 29 april 2017 naar aanleiding van de kennisgeving van het Verenigd Koninkrijk op grond van artikel 50 VEU en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarin de richtsnoeren zijn vastgelegd voor de onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

–  gezien de richtsnoeren van de Europese Raad (artikel 50) van 15 december 2017 en de bijlage bij het Besluit van de Raad van 29 januari 2018 tot aanvulling van het Besluit van de Raad van 22 mei 2017 waarbij toestemming wordt verleend voor de start van onderhandelingen over een akkoord met het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland over de voorwaarden voor zijn terugtrekking uit de Europese Unie,

–  gezien het gezamenlijk verslag van de onderhandelaars van de Europese Unie en de regering van het Verenigd Koninkrijk van 8 december 2017 over de voortgang gedurende fase 1 van de onderhandelingen uit hoofde van artikel 50 VEU met betrekking tot de ordelijke terugtrekking van het Verenigd koninkrijk uit de Europese Unie,

–  gezien het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot‑Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, zoals goedgekeurd door de Europese Raad op 25 november 2018 (hierna “het terugtrekkingsakkoord”) en de verklaringen die zijn opgenomen in de notulen van de bijeenkomst van de Europese Raad van die datum,

–  gezien de politieke verklaring waarin het kader wordt geschetst voor de toekomstige relatie tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk, zoals goedgekeurd door de Europese Raad van 25 november 2018 (“de politieke verklaring”),

–  gezien de conclusies van de Europese Raad (artikel 50) van 13 december 2018,

–  gezien de gezamenlijke verklaring ter aanvulling van de politieke verklaring en het instrument met betrekking tot het terugtrekkingsakkoord van 11 maart 2019,

–  gezien het Besluit (EU) 2019/476 van de Europese Raad van 22 maart 2019, tot verlenging van de in artikel 50, lid 3 VEU bedoelde termijn, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk,

–  gezien het Besluit van de Europese Raad (EU) 2019/584 van 11 april 2019, tot verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn, vastgesteld in overeenstemming met het Verenigd Koninkrijk,

–  gezien het Besluit (EU) 2019/642 van de Raad van 13 april 2019 tot wijziging van Besluit (EU) 2019/274 van de Raad van 11 januari 2019 waarbij de ondertekening, namens de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het terugtrekkingsakkoord, is goedgekeurd onder voorbehoud van de sluiting ervan,

–  gezien artikel 132, lid 2, van zijn Reglement,

A.  overwegende dat de brexit een ongekende en betreurenswaardige gebeurtenis is, waarvan de negatieve gevolgen zouden worden afgezwakt door een ordelijke terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk (VK) uit de Europese Unie (EU);

B.  overwegende dat het VK en de EU naaste buren blijven en veel gemeenschappelijke belangen zullen houden; overwegende dat het kader voor een dergelijke nauwe relatie wordt uiteengezet in de politieke verklaring, op grond waarvan deze gemeenschappelijke belangen kunnen worden beschermd en bevorderd, onder meer door middel van een nieuwe handelsrelatie;

C.  overwegende dat het Europees Parlement de EU-burgers vertegenwoordigt en gedurende het gehele proces dat leidt tot de terugtrekking van het VK ter bescherming van hun belangen zal optreden;

D.  overwegende dat er momenteel ongeveer 3,2 miljoen burgers van de overblijvende 27 lidstaten (EU-27) in het VK wonen en 1,2 miljoen burgers van het VK (“Britse burgers”) in de EU-27 wonen; overwegende dat die burgers zich in een andere lidstaat hebben gevestigd op grond van hun rechten uit hoofde van het EU-recht en in de veronderstelling dat zij deze rechten gedurende hun hele leven zouden blijven genieten;

E.  overwegende dat er bovendien in Noord-Ierland 1,8 miljoen burgers zijn die op grond van het Goedevrijdagakkoord recht hebben op het Ierse staatsburgerschap en daarmee recht hebben op het EU-burgerschap en de rechten van het EU-burgerschap waar zij wonen;

F.  overwegende dat de EU en het VK, als vertrekkende lidstaat, een dwingende verplichting hebben te zorgen voor een volledige en wederkerige benadering van de bescherming van de rechten van EU-burgers in het VK en van Britse burgers in de EU‑27;

G.  overwegende dat de recente verklaringen van de regering van het Verenigd Koninkrijk ten gunste van de voortzetting van een beleid van divergentie van de regelgeving van de EU de vraag doet rijzen hoe nauw de toekomstige economische betrekkingen tussen de EU en het VK kunnen zijn;

H.  overwegende dat de terugtrekking van het VK uit de EU het vredesproces in Noord-Ierland in geen geval in gevaar mag brengen, geen schade mag toebrengen aan de economie van het eiland Ierland, wat het geval zou zijn bij elke verharding van de grens tussen Noord-Ierland en Ierland, en dat de door het VK en de EU in het terugtrekkingsakkoord overeengekomen backstop werd ontworpen om dit te allen tijde te voorkomen;

I.  overwegende dat in het Goedevrijdagakkoord “de legitimiteit wordt erkend van de keuze die de meerderheid van de Noord-Ierse bevolking ten aanzien van zijn status in vrijheid heeft gemaakt”;

J.  overwegende dat de regering van het VK benadrukt dat de backstop uit het terugtrekkingsakkoord moet worden geschrapt, maar tot dusverre geen juridisch werkbare voorstellen heeft ingediend die de backstop kunnen vervangen;

K.  overwegende dat de regering van het VK de planning van een “no deal” tot haar voornaamste beleidsprioriteit lijkt te hebben gemaakt en dat sommige leden van de regering van het VK van mening zijn dat een vertrek zonder akkoord het beste resultaat zou zijn van het terugtrekkingsproces van het VK uit de EU;

L.  overwegende dat de premier van het VK gezegd heeft dat een brexit zonder akkoord van een gebrek aan staatsmanschap zou getuigen;

M.  overwegende dat, overeenkomstig het op 11 maart 2019 op aandringen van het Verenigd Koninkrijk overeengekomen gemeenschappelijk instrument voor het terugtrekkingsakkoord, de gezamenlijke werkzaamheden inzake alternatieve regelingen de bekrachtiging van het terugtrekkingsakkoord veronderstellen;

N.  overwegende dat de terugtrekking van het VK uit de EU zonder akkoord voor beide partijen in economisch opzicht zeer nadelig zou zijn, hoewel dergelijke economische schade, zoals blijkt uit officiële cijfers en verslagen van de Britse regering, het VK onevenredig zou treffen, met inbegrip van zijn overzeese gebieden;

O.  overwegende dat de eenheid van de EU-instellingen en de EU-27 van cruciaal belang blijft en zal worden gehandhaafd;

Het terugtrekkingsakkoord en de politieke verklaring

1.  is van mening dat het in het bijzondere belang van het VK en van de EU is dat de terugtrekking van het VK uit de EU ordelijk verloopt;

2.  blijft van mening dat het terugtrekkingsakkoord, als instrument om een dergelijke ordelijke terugtrekking van het VK uit de EU mogelijk te maken, eerlijk en evenwichtig is, met volledige inachtneming van de “rode lijnen” van het VK en de beginselen van de EU;

3.  merkt op dat het belang van het terugtrekkingsakkoord bestaat uit de rechtszekerheid die het biedt aan eenieder die door de terugtrekking van het VK uit de EU getroffen wordt en dat in de hoogst mogelijke mate het terugtrekkingsakkoord:

   de rechten en levenskeuzes eerbiedigt van de in het VK woonachtige EU-burgers en van in de EU-27 woonachtige Britse burgers;
   de backstop omvat voor de grens tussen Ierland en Noord-Ierland die, bij afwezigheid van overeengekomen oplossingen in het kader van een toekomstige overeenkomst of van werkbare alternatieve regelingen die dezelfde garanties bieden, het Goedevrijdagakkoord en het Noord-Ierse vredesproces zal beschermen en een “verharding” van de grens zal vermijden, waardoor de samenwerking tussen Noord en Zuid en de economie van het hele eiland worden ondersteund, en de integriteit van de interne markt van de EU wordt gewaarborgd;
   voorziet in één enkele financiële regeling met het VK, die alle wettelijke verplichtingen omvat die voortvloeien uit uitstaande verplichtingen en voorziet in voorzieningen voor posten buiten de balanstelling, voorwaardelijke verplichtingen en andere financiële kosten die rechtstreeks voortvloeien uit de terugtrekking van het VK;
   met het oog op het waarborgen van de rechtszekerheid en de continuïteit en de tijd om te onderhandelen over de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, een overgangsperiode omvat tot en met 31 december 2020, die eenmaal met maximaal twee jaar kan worden verlengd, overeenkomstig het verzoek van het VK;
   andere kwesties in verband met de scheiding aanpakt die een ordelijke uitstap van het VK uit de EU mogelijk zullen maken;
   bepalingen inzake governance bevat die de rol van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) bij de interpretatie van het terugtrekkingsakkoord waarborgen, voor zover van toepassing;

4.  merkt op dat de fundamentele opties voor het VK in verband met de grens tussen Ierland en Noord-Ierland gelijk blijven en zullen blijven, ongeacht de samenstelling van de regering van het VK; herinnert eraan dat de regering van het VK het eerste voorstel van de EU voor een enkele backstop voor Noord-Ierland heeft afgewezen en vervolgens heeft verzocht deze te herzien in de vorm die nu in het terugtrekkingsakkoord staat; verklaart bereid te zijn terug te keren naar een enkele backstop voor Noord-Ierland, maar benadrukt niet in te stemmen met een terugtrekkingsakkoord zonder backstop;

5.  merkt op dat de backstop wordt ondersteund door een overweldigende meerderheid van de politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in de Noord-Ierse Assemblee en, volgens recente onderzoeken, door een meerderheid van de burgers in Noord-Ierland;

6.  herinnert eraan dat de backstop alleen mag worden gebruikt als een tijdelijke maatregel in laatste instantie en is ingenomen met alle maatregelen die dat duidelijk maken; is met name verheugd over het feit dat, zoals bepaald in het terugtrekkingsakkoord zelf, de werkzaamheden en inspanningen erop gericht zijn te onderzoeken hoe alternatieve regelingen voor de grens, gebaseerd op nieuwe technologieën, in de toekomst zouden kunnen worden gebruikt om het ontbreken van een harde grens op het eiland Ierland te waarborgen;

7.  merkt op dat deze alternatieve regelingen alleen aanvaardbaar zijn als ze het mogelijk maken fysieke infrastructuur aan de grens of gerelateerde controles te vermijden, de economie van het hele eiland te beschermen, het Goedevrijdagakkoord te handhaven, met inbegrip van het handhaven van de noodzakelijke condities voor voortzetting van de Noord-Zuid-samenwerking, en de integriteit van de interne markt van de EU te waarborgen;

8.  is van mening dat het de taak van het VK is om met schriftelijke voorstellen te komen voor dergelijke alternatieve regelingen die volledig operationeel zijn en die alle controles aan de buitengrenzen van de EU alomvattend in aanmerking nemen, in overeenstemming zijn met de punten 43 en 49 van het gezamenlijk verslag van 8 december 2017 en rekening houden met eventuele toekomstige verschillen in regelgeving tussen het VK en de EU; betreurt het dat de regering van het VK, ondanks verklaringen van sommige van haar leden over de beschikbaarheid van alternatieve regelingen, tot op heden nog geen juridisch werkbare voorstellen heeft gedaan die de backstop zouden kunnen vervangen;

9.  merkt op dat de politieke verklaring, waarin het kader voor de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK wordt uiteengezet, in overeenstemming is met de resolutie van het Europees Parlement van 14 maart 2018 over het kader van de toekomstige betrekkingen tussen de EU en het VK, waarin wordt opgeroepen tot een associatieovereenkomst, alsook met de gedetailleerde inbreng van zijn commissies, en de door het VK gemaakte keuzes weerspiegelt met betrekking tot de reikwijdte en diepgang van zijn toekomstige betrekkingen met de EU;

10.  spreekt zijn bereidheid uit om de politieke verklaring om te vormen tot een document met een meer formeel en juridisch karakter, waarin het doel van de totstandbrenging van een dermate nauwe associatieovereenkomst tussen de EU en het VK wordt geformuleerd dat, ook als er geen haalbare alternatieve regelingen zijn, de backstop niet behoeft te worden toegepast;

Brexit zonder akkoord

11.  herinnert eraan dat overeenkomstig artikel 50 VEU, bij gebreke van een overeenkomst of een verlenging van de in artikel 50, lid 3, VEU bedoelde termijn, de Verdragen vanaf 1 november 2019 niet meer van toepassing zullen zijn op het VK;

12.  benadrukt dat, mocht het VK zich zonder een akkoord uit de EU terug te trekken, dit geheel de verantwoordelijkheid van de regering van het VK is; wijst voorts op de gevolgen van een dergelijke terugtrekking zonder akkoord voor de grens tussen Noord-Ierland en Ierland en voor de werking en uitvoering van het Goedevrijdagakkoord;

13.  wijst op de grote weerstand in het Lagerhuis en daarbuiten tegen het besluit om het parlement van het VK tot 14 oktober 2019 te schorsen, hetgeen de mogelijkheid van de terugtrekking van het VK uit de EU zonder een overeenkomst waarschijnlijker maakt;

14.  is ondertussen ingenomen met de maatregelen en noodplannen die de EU-instellingen en de EU-27 hebben vastgesteld om voorbereid te zijn op een “no deal”-scenario; merkt op dat ze unilateraal, in het belang van de EU, en van tijdelijke aard zijn; benadrukt voorts dat deze niet dezelfde gevolgen hebben als een overeenkomst die een ordelijke terugtrekking mogelijk maakt, niet de voordelen van het lidmaatschap van de EU bieden, noch dezelfde voorwaarden bevatten als de voorwaarden inzake enige overgangsperiode als voorzien in het terugtrekkingsakkoord; is ingenomen met de meest recente voorstellen die de Commissie op 4 september 2019 heeft ingediend en verbindt zich ertoe deze zo spoedig mogelijk te behandelen, teneinde ervoor te zorgen dat de uit de administratieve procedures voortvloeiende lasten tot een minimum worden beperkt, met name door te voorzien in financiële steun aan kleine en middelgrote ondernemingen;

15.  merkt op dat er zonder het terugtrekkingsakkoord geen overgangsperiode kan zijn en er geen “mini-akkoorden” kunnen worden gesloten om de verstoring van een ongecontroleerde terugtrekking van het VK uit de EU te beperken;

16.  benadrukt dat verdere onderhandelingen tussen de EU en het VK na de terugtrekking van het VK uit de EU zonder akkoord, alleen kunnen plaatsvinden op voorwaarde dat het VK zijn verplichtingen en toezeggingen nakomt met betrekking tot de rechten van de burgers, de financiële afwikkeling en het Goedevrijdagakkoord in al zijn onderdelen;

17.  merkt op dat in het geval van een terugtrekking zonder akkoord de financiële en andere verplichtingen van het VK nog steeds bestaan; bevestigt dat in een dergelijk geval het Parlement weigert goedkeuring te verlenen aan ongeacht welke overeenkomst of overeenkomsten tussen de EU en het VK, tenzij en totdat het VK zijn verplichtingen nakomt;

18.  herinnert eraan dat, zodra deze verplichtingen zijn nagekomen, de toekomstige onderhandelingen over de betrekkingen tussen de EU en het VK krachtige waarborgen en een gelijk speelveld zullen vereisen om de interne markt van de EU te beschermen en te voorkomen dat EU-bedrijven een mogelijk oneerlijk concurrentienadeel ondervinden; herhaalt in dit verband de in zijn resolutie van 14 maart 2018 uiteengezette voorwaarden met betrekking tot het waarborgen van een hoog niveau van milieu-, werknemers- en consumentenbescherming; merkt op dat elke vrijhandelsovereenkomst die niet in overeenstemming is met deze beschermingsniveaus niet door het Europees Parlement zou worden geratificeerd;

19.  herinnert eraan dat de bescherming van de rechten en levenskeuzes, met inbegrip van de arbeidsstatus en de sociale rechten van EU-burgers die in het VK wonen en van Britse burgers die in de EU-27 woonachtig zijn, de eerste prioriteit blijft, en dat alles in het werk moet worden gesteld om ervoor te zorgen dat die burgers niet worden getroffen door de terugtrekking van het VK uit de EU;

20.  spreekt zijn bezorgdheid uit over de tenuitvoerlegging van de vestigingsregeling van het VK en de hoge niveaus aanvragers, tot 42 % volgens de meest recente officiële cijfers van het VK, die slechts een voorlopige verblijfstatus krijgen; herinnert eraan dat dit kan worden vermeden als het VK kiest voor een administratieve procedure die van declaratoire aard is en de bewijslast ligt bij de Britse autoriteiten wanneer de verklaring betwist wordt; dringt er daarom bij het VK op aan zijn aanpak te herzien;

21.  moedigt de VK en de EU-27 aan maatregelen te treffen die de in het VK woonachtige EU-burgers en de in de EU-27 woonachtige Britse burgers rechtszekerheid bieden; herinnert aan zijn standpunt dat de EU-27 moet streven naar een consequente en ruimhartige aanpak bij de bescherming van de rechten van in deze lidstaten woonachtige Britse burgers;

22.  spreekt zijn ernstige bezorgdheid uit over het feit dat recente en tegenstrijdige aankondigingen van het ministerie van Binnenlandse Zaken met betrekking tot het vrije verkeer na 31 oktober 2019 een zeer ongewenste onzekerheid hebben opgeleverd voor EU-burgers die in het VK wonen, met het risico dat deze aankondigingen de vijandige houding jegens hen in de hand werken en negatieve gevolgen hebben voor hun vermogen om hun rechten te doen gelden;

23.  herhaalt dat vele Britse burgers zich fel hebben uitgesproken tegen het verlies van de rechten die zij momenteel genieten op grond van artikel 20 VWEU; stelt voor dat de EU-27 onderzoekt hoe dit verlies van rechten tot een minimum kan worden beperkt, binnen de mogelijkheden van het primaire EU-recht, met volledige inachtneming van de beginselen van wederkerigheid, rechtvaardigheid, symmetrie en non-discriminatie;

Verlenging van de in artikel 50 bedoelde termijn

24.  merkt op dat op 9 september 2019 het Britse parlement een wet heeft aangenomen op grond waarvan de regering van het Verenigd Koninkrijk verplicht is om verlenging te verzoeken indien op 19 oktober 2019 nog geen akkoord met de EU is bereikt;

25.  geeft aan dat het een verlenging van de in artikel 50 bedoelde termijn zou ondersteunen indien er redenen en een doel voor een dergelijke verlenging zouden zijn (zoals vermijding van een vertrek zonder akkoord, het houden van algemene verkiezingen of een referendum, herroeping van artikel 50 of goedkeuring van een terugtrekkingsakkoord) en de werkzaamheden en het functioneren van de EU‑instellingen niet negatief worden beïnvloed;

26.  herinnert eraan dat het geen stemming tot goedkeuring zal organiseren voordat het Britse parlement een akkoord met de EU heeft goedgekeurd;

27.  neemt kennis van het besluit van de regering van het VK om in de huidige situatie geen kandidaat-commissaris aan te wijzen voor de volgende Europese Commissie en vanaf 1 september 2019 geen vertegenwoordigers van het VK te sturen naar bepaalde EU‑vergaderingen; benadrukt dat dit niet van invloed zal zijn op het vermogen van de EU-instellingen om soepel te functioneren, en herhaalt dat de Britse leden van het Europees Parlement (EP-leden), in de opvatting van het Europees Parlement, tot de terugtrekking van het VK lid van het EP zullen blijven met alle rechten en plichten van dien; herinnert eraan dat zolang het VK een lidstaat blijft, het zijn rechten blijft genieten en gebonden zal blijven aan zijn verplichtingen uit hoofde van de Verdragen, met inbegrip van het beginsel van loyale samenwerking;

o
o   o

28.  verzoekt zijn Voorzitter deze resolutie te doen toekomen aan de Europese Raad, de Raad van de Europese Unie, de Europese Commissie, de parlementen van de lidstaten en de regering van het Verenigd Koninkrijk.

(1) PB C 298 van 23.8.2018, blz. 24.
(2) PB C 346 van 27.9.2018, blz. 2.
(3) PB C 369 van 11.10.2018, blz. 32.
(4) PB C 162 van 10.5.2019, blz. 40.

Juridische mededeling