|
Europese verkiezingen 1999 Hoogtepunten 1994-1999 |
| De werkgelegenheid: topprioriteit van de europese unie
Vanaf het begin van de huidige zittingsperiode (1994-1999) heeft het Europees Parlement er alles aan gedaan om de werkgelegenheid op de Europese agenda te krijgen. Het Parlement heeft actief meegewerkt aan de opzet van een werkgelegenheidstrategie van de EU, die voor het eerst aan de orde kwam op de Europese Raad van Essen in het najaar van 1994.
Toen de werkloosheid in de EU met meer dan 18 miljoen mensen zonder baan een hoogtepunt bereikte, maakte het Parlement de werkgelegenheid tot een van zijn topprioriteiten voor de Intergouvernementele Conferentie. Deze IGC was de aanzet tot een herziening van de EU-verdragen. De inspanningen van het EP hadden al snel resultaat: op de Top van Amsterdam in juni 1997 kwamen de lidstaten overeen om een speciaal hoofdstuk over werkgelegenheid in het nieuwe Europese Verdrag op te nemen en om nationale werkgelegenheidsmaatregelen van de lidstaten beter te coördineren. Zo is het terugdringen van de werkloosheid officieel tot een van de belangrijkste doelstellingen van de Unie geworden. Enkele maanden later werd in Luxemburg een speciale Top van regeringsleiders belegd om de werkgelegenheidstrategie concreet gestalte te geven. In een rapport voor deze Top wees het Parlement op het belang van een gecoördineerd economisch beleid, lagere loonbelasting, flexibele werktijden en betere kwalificaties. De lidstaten moesten volgens het Europees Parlement een actiever werkgelegenheidsbeleid voeren, vooral voor de langdurig werklozen en de jongeren. Werklozen moesten de kans krijgen een beroepsopleiding te volgen of omgeschoold te worden met uitzicht op een gegarandeerde baan voor minstens een jaar. De kern van deze ideeën werd door de regeringsleiders opgenomen in de conclusies van de Top en ook in de richtsnoeren voor de werkgelegenheid van 1998, die als uitgangspunt dienden voor het nieuwe werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten. Onderlinge afstemming van het beleid De afgelopen jaren heeft het Parlement er steeds weer op
gehamerd dat een "economisch" Europa een tegenwicht moet krijgen in de vorm van
een "sociaal" Europa. Werkgelegenheidsbeleid en economisch beleid moeten daarom
op elkaar worden afgestemd en elkaar versterken. De procedure die in Luxemburg onder druk
van het Parlement werd afgesproken, is vergelijkbaar met de aanpak voor de Economische en
Monetaire Unie: de lidstaten moeten gezamenlijke doelstellingen formuleren en vervolgens
werken aan de verwezenlijking van deze doelstellingen. Voor een onderlinge afstemming van
het beleid van de lidstaten moeten indicatoren worden gedefinieerd en moet een gedegen
systeem worden opgezet voor de evaluatie en de uitwisseling van informatie tussen alle
lidstaten. De Commissie en de regeringsleiders bekijken ieder jaar in hoeverre de
lidstaten in hun pogingen zijn geslaagd. Er zijn nationale werkgelegenheidsplannen
uitgewerkt die dienen als een soort voorbeeld en een stimulans voor de lidstaten. Het EP heeft zich ook sterk gemaakt voor actieve werkgelegenheidmaatregelen. Zo heeft het Parlement een verbeten gevecht gevoerd voor fiscale hervormingen, in het bijzonder voor experimentele verlagingen van de BTW op arbeidsintensieve dienstverlening. Na jaren van tegenstand hebben de regeringsleiders op de Top van Wenen in december 1998 uiteindelijk het groene licht gegeven. Lidstaten die experimentele verlagingen willen doorvoeren van het BTW-tarief op arbeidsintensieve dienstverlening kunnen dit nu doen. Ook de ideeën van het Parlement over het belang van investeringen vonden gehoor op de Top van Wenen. Zowel het Parlement als de Europese Raad zien investeringen in de infrastructuur en de bevordering van innoverende projecten als belangrijke elementen van de werkgelegenheidsstrategie van de EU. Bevordering van werkgelegenheid in kleine bedrijven Dankzij zijn begrotingsbevoegdheden kan het Parlement ervoor zorgen dat steun wordt gegeven aan innoverende experimenten. Voor de speciale Top over werkgelegenheid in Luxemburg zette het EP een "werkgelegenheidsinitiatief" op dat bedoeld was om de bedrijfsvoering te vergemakkelijken voor kleine en middelgrote bedrijven, die immers een belangrijke bron van werkgelegenheid vormen. Het grootste probleem voor veel kleinere bedrijven is het vinden van kapitaal. Het werkgelegenheidinitiatief was het antwoord van het Parlement op het besluit van de Raad om een Commissievoorstel voor een programma met een soortgelijke doelstelling niet te honoreren. Het Parlement ziet regelingen voor kredietgaranties voor kleine en middelgrote ondernemingen als een cruciaal element in het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen. Bij de begrotingsprocedure voor 1997 besloot het daarom 450 miljoen te reserveren voor de periode 1998-2000; dit bedrag was bedoeld om kleine en middelgrote ondernemingen te helpen risico-kapitaal aan te trekken en grensoverschrijdende joint ventures aan te moedigen. Een gedeelte van het bedrag dient voor een garantiefonds dat samen met het Europees Investeringsfonds wordt gebruikt om risico's te verzekeren voor bankinstellingen die leningen verstrekken aan kleine en middelgrote ondernemingen. Het Parlement wilde dat de garanties in de eerste plaats en vooral worden verstrekt aan bedrijven met minder dan 100 werknemers. Werkgelegenheid in de "sociale economie" Het Parlement heeft een groot vertrouwen in het werkgelegenheidpotentieel van de "sociale economie" of de non-profitsector (particuliere organisaties, verenigingen, stichtingen), die diensten verleent die niet aan bod komen bij de overheid of het bedrijfsleven. Op aandringen van het Parlement werd in 1997 een start gemaakt met het aanboren van het werkgelegenheidspotentieel van de "sociale economie": er werd een bedrag van 20 miljoen in de begroting van de Unie opgenomen voor een driejarig proefprogramma. Via meer dan 50 proefprojecten in de hele EU wordt momenteel nagegaan hoe non-profitorganisaties duurzame arbeidsplaatsen kunnen scheppen en het publiek hoogwaardige diensten kunnen bieden tegen een redelijke prijs. Binnen een aantal van deze projecten wordt ook gestreefd naar integratie in de arbeidsmarkt van achtergestelde groepen, zoals gehandicapten of immigranten. De projecten variëren van de ontwikkeling van coöperatieve thuiszorgdiensten tot de oprichting van sociale bankorganisaties. Alle projecten functioneren onder het beheer van een internationaal partnerschap. Het Parlement steunt het plan van de Commissie om experimenten binnen deze sector te blijven steunen met geld uit het Europees Sociaal Fonds. Nadere inlichtingen: Virpi KÖYKKÄ, tel: 32 2 284 62 22 of e-mail: Vkoykka@europarl.eu.int |
||
| |WebMaster|Guide|© Parlement européen| | ||