Home - ElectionsHome - European ParliamentPrevious Menu Europese verkiezingen 1999
Hoogtepunten 1994-1999

DanskDeutschEllinikaEnglishEspañolFrançaisItalianoNederlandsPortuguêsSuomiSvenska

 

pf2101.jpg (24146 bytes)Het statuut van de europarlementariërs

 

De 626 leden van het Europees Parlement, die zijn verkozen door de burgers van de 15 lidstaten van de Europese Unie, genieten geen gelijke rechten. Het statuut van de Nederlandse, Belgische en andere afgevaardigden wordt nog steeds in de nationale wetgeving geregeld.

Bijgevolg zien we dat europarlementariërs van een bepaalde nationaliteit een dubbel mandaat (Europees en nationaal) uitoefenen en dat de nationale salarissen die hen worden toegekend niet alleen ongelijk zijn, maar zelfs ver uiteen lopen. Momenteel varieert dat salaris van 2.800 euro per maand voor een Spaans EP-lid en 3.100 euro voor een Fins EP-lid tot 8.500 euro voor een Oostenrijks europarlementariër en meer dan 9.500 euro voor zijn Italiaanse collega.

In zijn resolutie over het door zijn eigen commissie juridische zaken opgestelde ontwerpstatuut van de EP-leden, die met een grote meerderheid is goedgekeurd (327 stemmen voor, 110 tegen, 45 onthoudingen), heeft het Europees Parlement op 3 december 1998 de Raad van ministers gevraagd zo snel mogelijk de knoop door te hakken, zodat de nieuwe regeling na de Europese verkiezingen van juni 1999 in werking kan treden.

Waarom nu pas?

Omdat de - toen nog - negen regeringen het vóór de eerste rechtstreekse Europese verkiezingen van juni 1979 niet eens konden worden over een overal gelijke verkiezingsprocedure en over een zelfde statuut voor de EP-leden, hadden zij besloten dat de EP-leden onder de nationale regelingen zouden vallen en dezelfde vergoedingen zouden krijgen als de nationale parlementsleden. Deze situatie valt echter niet te rijmen met artikel 6 van het EU-Verdrag, dat discriminatie op grond van de nationaliteit verbiedt.

De pogingen van het Parlement sinds juni 1979 om tot één statuut voor de Europese parlementsleden te komen stuitten telkens weer op twee obstakels: het ontbreken van een rechtsgrondslag en de weigering van de Raad van ministers. Verschillende regeringen waren gekant tegen een apart statuut voor de Europese parlementsleden en voerden als argument aan dat de bezoldiging van de EP-leden niet mocht afwijken van die van hun nationale collega's.

Gelukkig heeft het Verdrag van Amsterdam, dankzij de inspanningen van het EP tijdens de Intergouvernementele Conferentie van 1996, dit juridisch vacuüm opgevuld. Artikel 190, lid 5 van het op 2 oktober 1997 gesloten verdrag bepaalt namelijk dat "Het Europees Parlement [...], na raadpleging van de (Europese) Commissie en met goedkeuring van de Raad (van ministers) die hiertoe met eenparigheid van stemmen een besluit neemt, de voorschriften en algemene voorwaarden voor de vervulling van de taken van zijn leden [bepaalt].'' Het probleem is alleen dat het Verdrag nog niet van kracht is.

Een procedure in vier fases

Zich baserend op het Verdrag van Amsterdam heeft het Parlement het initiatief genomen om een ontwerp voor een statuut op te stellen en goed te keuren. De Europese Commissie brengt daarover advies uit en als het ontwerp unaniem is goedgekeurd door de Raad van ministers moet het Parlement het nog aannemen, waarvoor een gewone meerderheid van stemmen volstaat. Sinds 3 december 1998 ligt de bal dus in het kamp van de Commissie en de Raad.

Aangezien het Verdrag van Amsterdam nog steeds niet in werking is getreden, heeft de Raad te verstaan gegeven dat de behandeling van het ontwerpstatuut in dit stadium zuiver informeel is.

Om een en ander te bespoedigen heeft het EP een ad-hoc werkgroep opgericht, bestaande uit de voorzitter en drie ondervoorzitters van het Parlement, de voorzitter van zijn commissie juridische zaken en de verslaggever voor dit dossier, die moet onderhandelen met de Commissie en de Raad over een snelle oplossing van dit probleem, dat al 20 jaar lang aansleept.

Het scheidende Parlement hoopt dat de Raad zijn verantwoordelijkheid zal opnemen en het groene licht zal geven voor het statuut van de EP-leden, zodat het in juli 1999 in werking kan treden.

Een uniform, transparant en verantwoord statuut

Het Parlement heeft zich met zijn voorstel voor een uniform statuut waarin de rechten en plichten van de EP-leden zijn vastgelegd verantwoordelijk, geloofwaardig, verstandig en onafhankelijk opgesteld.

Het door het EP goedgekeurde ontwerpstatuut legt de volgende accenten:
    *    transparantie bij de beraadslagingen en besluiten van de organen die bevoegd zijn voor de toepassing van het statuut. De besluiten over salarissen, vergoedingen of andere voordelen moeten openbaar worden genomen;
    *    onafhankelijkheid van de leden van het Europees Parlement. Zij mogen niet gebonden zijn door instructies, noch door een mandaat of door afspraken om hun mandaat te beëindigen;
    *    gelijke behandeling bij de uitoefening van het mandaat. Geen enkel parlement kan zijn systeem opleggen aan een ander.

Daarnaast regelt het statuut de duur van het mandaat, het onderzoek van de geloofsbrieven en de geldigheid van het mandaat, het vrijkomen en de opvulling van een zetel, de overbruggingstoelage, de sociale zekerheid en het pensioen, de vergoeding van daadwerkelijk gemaakte kosten en het recht op assistentie door persoonlijke medewerkers en ambtenaren van het EP.
De utoefening van een dubbel mandaat (een Europees én een nationaal mandaat) is verboden.

Wat de bezoldiging betreft, heeft het EP gekozen voor een overgangsregeling voor de maandelijkse vergoeding, gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de nationale vergoedingen die door de vijftien lidstaten aan de parlementsleden van hun land worden toegekend. Deze vergoeding, waarover een EG-belasting wordt geheven, wordt betaald uit de Europese begroting. Ze bedraagt momenteel 5.677 euro. Leden die herkozen worden, kunnen nog slechts gedurende één zittingsperiode kiezen voor de bestaande bezoldigingsregeling.

Voor nadere informatie: Werner DE CROMBRUGGHE (tel: 0032-2-284 4652 of email: wdecrombrugghe@europarl.eu.int)

 

|WebMaster|Guide|© Parlement européen|