Instandhouding van visbestanden  

Om de visbestanden in stand te houden, is het nodig deze bestanden ecologisch duurzaam te exploiteren en de sector voor de lange termijn levensvatbaar te maken. Hiertoe zijn diverse Europese normen opgesteld die de toegang tot de EU-wateren, de verdeling en het gebruik van visbestanden, de totaal toegestane vangsten, de beperking van de visserij-inspanning en andere technische maatregelen reguleren.

Rechtsgrond  

De artikelen 38 t/m 43 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Doelstellingen  

Het beleid is er primair op gericht de levensvatbaarheid van de sector op de lange termijn te verzekeren door duurzame exploitatie van de visbestanden.

Resultaten  

A. Basisbeginselen met betrekking tot de toegang tot wateren en visbestanden

1. Toegang tot de EU-wateren

a. Het beginsel van gelijke toegang

De algemene regel is dat EU-vissersvaartuigen gelijke toegang hebben tot wateren en visbestanden in alle EU-wateren.

b. Beperkingen binnen de 12-mijlszone

Dit is een uitzondering op het beginsel van gelijke toegang tot EU-wateren dat van toepassing is binnen twaalf zeemijlen vanaf de basislijnen. In die gebieden mogen de lidstaten exclusieve visrechten laten gelden. Door deze regeling wordt de visserij-inspanning in de meest kwetsbare gebieden beperkt en worden de traditionele visserijactiviteiten, waarvan bepaalde kustgemeenschappen voor hun sociale en economische ontwikkeling afhankelijk zijn, behouden. De maatregelen tot vaststelling van de voorwaarden voor de toegang tot de wateren en visbestanden worden gebaseerd op de beschikbare biologische, sociaaleconomische en technische informatie. Deze beperking werd krachtens Verordening (EG) nr. 1152/2012 tot eind 2014 verlengd.

c. Toegangsbeperkingen buiten de 12-mijlszone

In 2005 deed de Commissie een mededeling (COM(2005)0422) uitgaan over de evaluatie van bepaalde toegangsbeperkingen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB), die betrekking had op de Shetlandbox en de scholbox. De mededeling was een reactie op de verplichting om te beoordelen of de beperkingen van de toegang tot wateren en bestanden buiten de 12-mijlszone gerechtvaardigd waren. De Shetlandbox werd ingesteld om de toegang tot soorten die in dat gebied van belang en biologisch kwetsbaar zijn, te controleren, terwijl de scholbox in het leven werd geroepen om de hoeveelheid teruggegooide platvis en vooral schol in de Noordzee te beperken. Volgens de bovengenoemde mededeling bleven de maatregelen voor beperkte toegang tot de Shetlandbox nog eens drie jaar van kracht, maar voor de scholbox werd geen datum vastgesteld omdat er onzekerheid bestond over de duur en de omvang van het benodigde onderzoek.

2. Verdeling van visbestanden en duurzame exploitatie

a. Het beginsel van relatieve stabiliteit

De vangstmogelijkheden worden op dusdanige wijze onder de lidstaten verdeeld dat de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van elke lidstaat voor elk betrokken bestand is verzekerd. Het beginsel van relatieve stabiliteit – dat vooral is gebaseerd op de hoeveelheid vis die in het verleden is gevangen – houdt in dat voor elke lidstaat een vast percentage van de toegestane visserij-inspanning voor de belangrijkste commerciële soorten wordt aangehouden. Op de lange termijn moet de visserij-inspanning globaal gezien stabiel blijven, rekening houdend met de preferentiële behandeling van de traditionele visserij en de regio's die het meest afhankelijk zijn van de visserij.

b. Duurzame exploitatie

Een van de prioriteiten van het GVB is het in stand houden van de visbestanden door de vangstcapaciteit aan te passen aan de vangstmogelijkheden. Om duurzame exploitatie te bewerkstelligen, moeten visbestanden worden beheerd aan de hand van de maximale duurzame opbrengst (MDO). Om dit te bereiken wordt bij de besluitvorming in het kader van het GVB steeds uitgegaan van het beste wetenschappelijke advies dat beschikbaar is en wordt bij afwezigheid van voldoende wetenschappelijke informatie de voorzorgsbenadering gehanteerd, wat betekent dat gebrek aan informatie geen reden mag zijn om het nemen van maatregelen voor de instandhouding van soorten uit te stellen of zelfs na te laten. Duurzame exploitatie houdt tevens in dat de ecosysteembenadering geleidelijk op het visserijbeheer wordt toegepast.

B. Instandhouding van visbestanden

1. Totaal toegestane vangsten en beperking van de visserij-inspanning

a. Vangstbeperking

De totaal toegestane vangsten (TAC's) – die zijn gebaseerd op de wetenschappelijke standpunten van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) en het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) – worden zoals voorheen jaarlijks berekend voor de meeste bestanden, zodat ze aan de ontwikkeling van de bestanden kunnen worden aangepast. Door de meerjarenbenadering van het bestandsbeheer zullen ze echter aan minder grote veranderingen onderhevig zijn, waardoor de vissers hun activiteiten beter kunnen plannen.

b. Beperking van de visserij-inspanning

Deze maatregelen kunnen worden toegepast als onderdeel van plannen voor het weer op peil brengen van bedreigde bestanden. Zo wordt bijvoorbeeld het aantal dagen vastgesteld waarop er maandelijks gevist mag worden. Dit aantal kan variëren naargelang het gebruikte tuig, de visserijzone (volgens de ICES-indeling), de doelsoort, de toestand van het bestand en mogelijkerwijs het motorvermogen van het vaartuig. Met het oog op een grotere flexibiliteit kunnen de lidstaten het toegestane aantal dagen op zee onder de verschillende eenheden van hun vloot verdelen.

c. Technische maatregelen

In het algemeen hebben deze maatregelen tot doel de vangst van jonge vissen, niet-commerciële soorten en andere zeedieren te voorkomen. Ze hebben betrekking op de doelsoorten en verwante soorten (in het geval van gemengde visserij), de visserijzone en het soort vistuig dat mag worden gebruikt. De meest gangbare technische maatregelen betreffen:

  • het vistuig, het vaststellen van een minimummaaswijdte voor netten, structuur en aantal aan boord;
  • de samenstelling en het beperken van bijvangsten;
  • het gebruik van selectief vistuig om het effect van visserijactiviteiten op mariene ecosystemen en niet-doelsoorten te verkleinen;
  • het afbakenen van zones en periodes waarin visserijactiviteiten zijn verboden of beperkt, o.a. met het oog op de bescherming van paaigronden en kraamgebieden;
  • het vaststellen van minimummaten voor soorten die aan boord worden gehouden en/of worden aangeland.

Als de instandhouding van levende aquatische rijkdommen of het mariene ecosysteem door visserijactiviteiten ernstig worden bedreigd en er onmiddellijke actie geboden is, kunnen de Commissie en de lidstaten (of de lidstaten op eigen initiatief) noodmaatregelen treffen om visbestanden te beschermen en het evenwicht van bedreigde mariene ecosystemen te herstellen.

Tevens zijn de lidstaten bevoegd om alle vissersvaartuigen die binnen de 12-mijlszone varen aan instandhoudings- en beheersmaatregelen te onderwerpen, mits deze maatregelen niet discriminerend van aard zijn en er met de Commissie, de betrokken lidstaten en de relevante regionale adviesraad overleg is gepleegd. Wanneer deze maatregelen echter strenger zijn dan de EU-wetgeving, mogen de lidstaten deze uitsluitend toepassen op vissersvaartuigen die onder hun vlag varen in wateren die onder hun soevereiniteit en jurisdictie vallen.

Ten slotte valt te vermelden dat er experimentele visserijprojecten worden uitgevoerd, bedoeld om de instandhouding van visbestanden en het onderzoek naar selectieve vistechnieken te bevorderen.

2. Een langetermijnstrategie voor het beheer van de visbestanden

Met meerjarenplannen voor het beheer van bestanden wordt geprobeerd te voorkomen dat de omvang van visbestanden onder een "veilige biologische grens" komt. Deze plannen voorzien in maximaal toegestane vangsthoeveelheden en een reeks technische maatregelen, waarbij rekening wordt gehouden met de kenmerken van de afzonderlijke bestanden en visserijactiviteiten (doelsoort, gebruikt vistuig, toestand van de betrokken bestanden) en de economische gevolgen van de maatregelen voor de desbetreffende visserijtak.

Meerjarenplannen voor het weer op peil brengen van visbestanden worden uitgevoerd wanneer bestanden uitgeput dreigen te raken. De plannen zijn gebaseerd op wetenschappelijke adviezen en voorzien in een beperking van de visserij-inspanning (beperking van het aantal dagen dat vaartuigen op zee zijn). De plannen zijn erop gericht „het effect van visserijactiviteiten op de mariene ecosystemen op een duurzaam niveau te houden”.

3. Vlootbeheer

Vlootbeheer is een manier om de vangstcapaciteit zodanig aan te passen dat een stabiel en duurzaam evenwicht tussen deze vangstcapaciteit en de vangstmogelijkheden kan worden gegarandeerd. Dat gebeurt door:

  • vaststelling van het aantal en type vaartuigen dat toestemming heeft om te vissen (bijv. d.m.v. een visvergunning);
  • een vlootregister als middel om de vangstcapaciteit te controleren en te bewaken;
  • regelingen voor toevoeging/onttrekking aan de vloot en algehele capaciteitsbeperking;
  • vermindering van de visserij-inspanning en instelling van referentieniveaus;
  • de verplichting voor de lidstaten om te rapporteren over hun vlootcapaciteit;
  • instrumenten van het Europees Visserijfonds (EVF) in te zetten om de vangstcapaciteit aan te passen.

De rol van het Europees Parlement  

Het Europees Parlement heeft steeds blijk gegeven van bezorgdheid over de naleving van het voorzorgsbeginsel en het beginsel dat de visbestanden duurzaam moeten worden geëxploiteerd. Sinds 2008 wordt meer rekening gehouden met de door de Commissie visserij van het Parlement ingediende amendementen op de beheer- en herstelplannen van de visbestanden dan daarvoor. De herziening van het herstelplan voor kabeljauw uit 2008 kende tussen de voorstel- en goedkeuringsfase het grootste aantal wijzigingen. Op 6 juli 2016 hechtten het Parlement en de Raad hun goedkeuring aan Verordening (EU) 2016/1139 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee. Bij deze nieuwe regionale aanpak wordt rekening gehouden met de bestaande sterke biologische interacties. Er wordt een meersoortenvisserijplan vastgesteld dat rekening houdt met de dynamische relaties tussen de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden en ook aandacht heeft voor de soorten die de bijvangst van de visserij op die bestanden uitmaken, namelijk de schol-, bot-, tarbot- en grietbestanden in de Oostzee.

Wat de visserij op diepzeebestanden betreft streeft het Parlement naar duurzame exploitatie van dergelijke bestanden en betere bescherming van diepzee-ecosystemen. Het Parlement en de Raad zijn op 30 juni 2016 overeengekomen om de bestaande regels van Verordening (EG) nr. 2347/2002 van de Raad te herzien. Het is de bedoeling om een nieuwe regeling in te stellen voor de visserij op diepzeesoorten in EU-wateren en externe wateren in het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan.

Op 14 september 2016 hebben het Parlement en de Raad Verordening (EU) 2016/1627 betreffende een meerjarig herstelplan voor blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee goedgekeurd. Dit plan houdt rekening met de specifieke kenmerken van de verschillende types vistuig en vistechnieken, en moedigt het gebruik van selectieve tuigen en technieken aan die minder milieubelastend zijn en bijdragen tot een redelijke levensstandaard voor lokale gemeenschappen.

Op 23 november 2016 hechtten het Parlement en de Raad hun goedkeuring aan Verordening (EU) 2016/2094 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden. De herziening van het plan had tot doel voor een wijze van bevissing te zorgen die de kabeljauwbestanden herstelt en handhaaft boven een niveau waarop de maximale duurzame opbrengst kan worden geproduceerd.

Op 4 juli 2018 hechtten het Parlement en de Raad hun goedkeuring aan Verordening (EU) 2018/973 tot vaststelling van een meerjarenplan voor demersale bestanden in de Noordzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, met nadere bepalingen ter uitvoering van de aanlandingsverplichting in de Noordzee. Het plan heeft betrekking op de exploitatie van een lijst van demersale soorten, en waar deze soorten voorkomen in wateren buiten de Noordzee, in aangrenzende wateren.

 

Carmen-Paz Martí