Producentenorganisaties en de gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten

De gemeenschappelijke marktordening (GMO) voor visserij- en aquacultuurproducten was het eerste onderdeel van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). Bij de recente crisis in de visserijsector waren de mogelijkheden om in het kader van het GVB maatregelen te nemen beperkt gezien de aard van de interventiemechanismen en de geringe middelen die eraan waren toegewezen. Dit gaf aanleiding tot een grondige hervorming waarin de nieuwe grondslagen van de GMO en het hele GVB vanaf 2014 werden vastgesteld. De herziene GMO verbetert het markttoezicht, de voedselveiligheid en de informatieverstrekking aan de consument, waardoor het op de markt brengen van regionale producten wordt gestimuleerd.

Rechtsgrond

Artikel 42 en artikel 43, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad.

Doelstellingen

De GMO voor visserij- en aquacultuurproducten voorziet in een prijs- en interventiestelsel dat gericht is op het reguleren van de EU-markt voor visserijproducten. De doelstellingen ervan zijn:

  • het corrigeren van de meest negatieve effecten van de onbalans tussen vraag en aanbod;
  • het stabiliseren van de prijzen teneinde vissers van een minimuminkomen te verzekeren;
  • het bevorderen van het algehele concurrentievermogen van de visserijvloot van de EU op de wereldmarkten.

De instrumenten van de GMO zijn:

  • ophoudmaatregelen van de Unie;
  • verkoopuitstel („carry-overs”);
  • autonome ophoud- en uitstelmaatregelen door producentenorganisaties, waaronder forfaitaire vergoedingen en premies;
  • particuliere opslag;
  • bijzondere regelingen voor tonijn.

Al deze interventiemechanismen zijn gericht op producentenorganisaties, waarvan het merendeel in zeven lidstaten is gevestigd: Spanje, Italië, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Portugal en Nederland. Deze organisaties zijn vooral te vinden op het niveau van de lokale visserij en in mindere mate in de kustvisserij- en aquacultuursectoren. Hun doel is het verbeteren van de afzet van hun producten. Daartoe kunnen zij bijvoorbeeld de volgende maatregelen nemen:

  • het plannen van de productie en deze in overeenstemming brengen met de vraag, met name door vangstplannen in te voeren;
  • het bevorderen van de concentratie van het aanbod;
  • het stabiliseren van prijzen;
  • het stimuleren van methoden die duurzame visserij bevorderen.

De uitgaven voor interventies zijn geleidelijk gedaald, grotendeels als gevolg van de daling van de uitgaven voor de vergoeding voor operationele programma's en voor ophoudmaatregelen van de EU, die tot de meest gebruikte interventiemechanismen behoren. Wat uitgaven betreft, zijn de ophoudmaatregelen van de EU van de eerste plaats verdrongen door uitstelmaatregelen.

De staat van de visbestanden en de stijgende brandstofprijzen kunnen het gebruik van GMO-interventies op de korte termijn beperken. De vier lidstaten die het meest gebruikmaken van de GMO-instrumenten zijn Frankrijk, Spanje, Portugal en Ierland. Het gebruik van de GMO-instrumenten is in de eerste drie landen toegenomen, maar afgenomen in Ierland. Ook andere lidstaten – het Verenigd Koninkrijk, Denemarken, Duitsland, Zweden, Italië en België – maken gebruik van de GMO-interventies, maar hun uitgaven zijn aanzienlijk lager dan die van de eerstgenoemde vier landen.

Teneinde de ontwikkeling van de visserijsector te bevorderen, kunnen groepen waar vertegenwoordigers van de productie-, marketing- en verwerkende sectoren deel van uitmaken de lidstaten verzoeken om erkenning als brancheorganisatie. Deze erkenning kan worden verleend door de lidstaten, onder het toezicht van de Commissie. Er zijn slechts vier erkende brancheorganisaties, die alle vier actief zijn op lidstaatniveau: het Comité Interprofessionnel des Produits de l'Aquaculture (C.I.P.A., Frankrijk), Interatún (Spanje), Aquapiscis (Spanje) en O.I. Filiera Ittica (Italië).

Als onderdeel van de hervorming van het GVB in 2014 werd een verstrekkende hervorming van de GMO noodzakelijk geacht, teneinde ervoor te zorgen dat marktgeoriënteerde instrumenten direct of indirect zouden bijdragen tot de verwezenlijking van de belangrijkste doelstellingen van het GVB. Om overbevissing en niet-duurzame praktijken aan te pakken en af te stappen van productiestrategieën die louter op volume gebaseerd zijn, is een nieuwe GMO voorgesteld, die is uiteengezet in het voorstel voor een verordening houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten (COM(2011)0416), en die de volgende doelen moet ondersteunen:

  • de organisatie van de sector, een grotere rol voor producentenorganisaties en het medebeheer van toegangsrechten en productie- en afzetactiviteiten door deze organisaties, als essentiële onderdelen van de tenuitvoerlegging van het GVB;
  • marktmaatregelen die ervoor zorgen dat de onderhandelingspositie van de producenten (in de visserij en de aquacultuur) wordt versterkt, crisissen op de markt beter kunnen worden voorspeld, voorkomen en beheerst en de transparantie en efficiëntie van de markt worden bevorderd;
  • gemeenschappelijke handelsnormen waarin standaardkenmerken voor in de EU verkochte visserijproducten worden vastgelegd en die worden toegepast overeenkomstig instandhoudingsmaatregelen, ontworpen ter bevordering van een transparante interne markt die kwaliteitsvolle producten levert;
  • marktstimulerende maatregelen en marktpremies voor duurzame praktijken; partnerschappen voor een duurzame productie, bevoorrading en consumptie; certificering (ecolabels), afzetbevordering en consumentenvoorlichting;
  • aanvullende marktmaatregelen inzake teruggooi;
  • informatie over de markt: de Commissie heeft de Waarnemingspost voor de EU-markt voor visserij- en aquacultuurproducten opgericht om bij te dragen aan de transparantie en efficiëntie van de markt.

Producenten die actief zijn in de kleinschalige visserij

In de Europese wetgeving wordt kleinschalige kustvisserij gedefinieerd[1] als visserij middels vaartuigen met een lengte over alles van minder dan 12 m waarbij een dagelijkse werklimiet van minder dan 24 uur wordt gehanteerd en geen gebruik wordt gemaakt van gesleept vistuig.

In 2013 waren in 17 EU lidstaten in totaal 232 producentenorganisaties gevestigd, waarvan 188 van kleinschalige vissers. De meeste producentenorganisaties van kleinschalige vissers waren gevestigd in Italië (39), Spanje (33), Frankrijk (24) en het Verenigd Koninkrijk (21). De herziene GMO is voor producenten die actief zijn in de kleinschalige visserij een uitgelezen kans om betere toegang tot de markt te krijgen en met succes te concurreren met ingevoerde of industriële visserijproducten. Als onderdeel van de doelstellingen en de structuur van de GMO zouden een aantal maatregelen kunnen worden uitgevoerd, zoals de ontwikkeling van een gegevensbank van statistische gegevens over de kleinschalige visserij in de EU, de oprichting van en blijvende steun voor afzetverenigingen, het ontwerpen van een logo voor de kleinschalige visserij, het vastleggen van toelatingscriteria voor kleinschalige vissers en specifieke etikettering en promotiecampagnes voor producten uit de kleinschalige visserij. De uiteindelijke doelstelling is om de consument de kans te geven verse, veilige en duurzame producten te kopen en lokale kleinschalige vissers te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen.

Rol van het Europees Parlement

Samen met de later goedgekeurde herziene basisverordening betreffende het gemeenschappelijk visserijbeleid en het nieuwe Europees Fonds voor Maritieme Zaken en Visserij vormt de GMO de hoeksteen van de recentste hervorming van de Europese visserijsector.

De rechtshandeling houdende de gemeenschappelijke marktordening voor visserij- en aquacultuurproducten valt onder de gewone wetgevingsprocedure, wat betekent dat de Raad en het Parlement samen bevoegd zijn voor de goedkeuring ervan.

In de rechtshandeling wordt verwezen naar een aantal gedelegeerde en uitvoeringshandelingen[2]. Deze vormen de secundaire wetgeving[3] die noodzakelijk is voor de toepassing van de basiswet. Als belangrijkste uitvoerende macht van de EU beschikt de Commissie over de bevoegdheid om de wet goed te keuren, terwijl het Parlement en de Raad, als medewetgevers, bevoegd zijn om de secundaire wetgeving te controleren[4] op grond van hun lezing van de basiswet. Vóór eind 2022 brengt de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de resultaten van de toepassing van de GMO-verordening.

Onderzoek voor de Commissie visserij:

  • Studie van DG IPOL van 15 april 2016, getiteld „Small-scale fisheries markets: value chain, promotion and labelling”[5];
  • Studie van DG IPOL van 16 september 2013, getiteld „Compliance of imports of fishery and aquaculture products with EU legislation”[6];
  • Briefing van de bibliotheek van het Europees Parlement van 7 september 2012, getiteld „Reforming the Common Fisheries Policy (CFP)”[7]

Het Parlement heeft onlangs twee resoluties aangenomen die in dit verband relevant zijn:

  • Resolutie van 29 mei 2018 over de optimalisering van de waardeketen in de visserijsector van de EU[8];
  • Resolutie van 30 mei 2018 over de uitvoering van controlemaatregelen voor de vaststelling van de conformiteit van visserijproducten met de criteria voor toegang tot de EU-markt[9].

 

[1]Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, artikel 3, lid 2, punt 14, PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
[4]"Legislating more efficiently: questions & answers on new delegated acts", http://www.europarl.europa.eu/sides/getDoc.do?language=en&type=IM-PRESS&reference=20100323BKG71187
[8]Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0210.
[9]Aangenomen teksten, P8_TA(2018)0223.

Priit Ojamaa