Internationale betrekkingen op visserijgebied

Om juridische, ecologische, economische en sociale bestuurskaders op het gebied van duurzame visserij te bevorderen, toegang te krijgen tot belangrijke visgebieden in de wereld of om de toezicht op en controle en bewaking van de visserijactiviteiten te bevorderen om illegale vangsten te bestrijden, heeft de Europese Unie meer dan 20 internationale visserijovereenkomsten gesloten. De Europese Unie sluit bilaterale overeenkomsten, zoals partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij, of multilaterale overeenkomsten, zoals overeenkomsten met regionale visserijorganisaties en internationale verdragen.

Rechtsgrond

De artikelen 38 tot en met 43 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). In het Verdrag van Lissabon is bepaald dat internationale visserijovereenkomsten door de Raad worden geratificeerd na goedkeuring door het Parlement (artikel 218, lid 6, onder a), van het VWEU).

Doelstellingen

  • Ervoor zorgen dat de Europese Unie voldoende toegang heeft tot de belangrijkste visgebieden en -bestanden in de wereld;
  • de bilaterale en regionale samenwerking versterken;
  • zorgen voor de visvoorziening aan de Europese markten en werkgelegenheid creëren;
  • een bijdrage leveren aan de duurzame ontwikkeling van de visserij in de wereld;
  • destructieve visserijpraktijken aanpakken;
  • het wetenschappelijk onderzoek en de gegevensverzameling verbeteren;
  • illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO) bestrijden;
  • de controles en inspecties in het kader van de regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) versterken.

Resultaten

A. Rol en belang

1. Bestaansreden

Het sluiten van bilaterale en multilaterale visserijovereenkomsten werd noodzakelijk toen tal van derde landen midden jaren zeventig exclusieve economische zones (EEZ's) van 200 zeemijl instelden. Vervolgens keurden de Verenigde Naties in 1982 het Verdrag inzake het recht van de zee (Unclos) goed, dat moest fungeren als een grondwet voor de oceanen, met erkenning van het recht van kuststaten om controle uit te oefenen op de visvangst in aangrenzende wateren. Hoewel de EEZ's niet meer dan 35 % van het totale zeeoppervlak bestrijken, bevatten ze 90 % van de mondiale visbestanden. Unclos heeft niet uitsluitend betrekking op de EEZ's maar ook op de gebieden in volle zee. In het verdrag worden de lidstaten aangemoedigd samen te werken bij de instandhouding en het beheer van levende mariene rijkdommen in volle zee door regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's) in het leven te roepen. Als gevolg daarvan moesten landen met verre zeevisserijvloten zich aansluiten bij internationale overeenkomsten en/of andere regelingen om toegang te krijgen tot visbestanden in de EEZ's van derde landen of in gebieden op volle zee die onder een ROVB vielen.

2. Financiële investeringen en voordelen voor de Europese vloot

De begrotingsmiddelen die aan internationale visserijovereenkomsten worden toegewezen, stegen van 5 miljoen euro in 1981 tot bijna 300 miljoen euro in 1997 (0,31 % van de totale communautaire begroting en bijna 30 % van de middelen die aan de visserijsector werden toegewezen). De afgelopen jaren was er ongeveer 150 miljoen euro voor de visserijovereenkomsten beschikbaar. Voor 2013 bedroeg de begroting 144,23 miljoen euro. De internationale overeenkomsten verschaffen ongeveer 30 000 mensen rechtstreeks werk en zorgen voor aanzienlijke economische activiteit in sectoren en regio's die sterk van de visserij afhankelijk zijn. Momenteel is de belangrijkste overeenkomst in termen van financiële compensatie en toegangsrechten die met Mauritanië. Het gaat om een bedrag van 70 miljoen euro per jaar en de overeenkomst biedt 175 Europese vaartuigen toegang.

3. Geografische uitbreiding

In 2011 waren er 24 visserijovereenkomsten van kracht met kuststaten in Afrika (14), de Stille Oceaan (6) en noordelijke landen (Noorwegen, IJsland, de Faeröer en Groenland). Sommige van deze overeenkomsten blijven van kracht, voor andere worden onderhandelingen gevoerd over een nieuw protocol en nog andere zijn "slapende" overeenkomsten. Wat betreft de visserij op volle zee, opereert de Europese vloot in de Atlantische Oceaan, de Middellandse Zee, de Indische Oceaan, de Stille Oceaan en de Antarctische wateren, op grond van regelingen met ROVB's die deze gebieden bestrijken.

B. Soorten visserijovereenkomsten

1. Bilaterale visserijovereenkomsten

a. Van partnerschapsovereenkomsten inzake visserij (FPA's) naar partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij (SFPA's)

FPA's vloeien voort uit de hervorming van 2002 van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) en de Top van Johannesburg over duurzame ontwikkeling. Zij werden goedgekeurd in de conclusies van de Raad (11485/1/2004) inzake de mededeling van de Commissie over een geïntegreerd kader voor partnerschapsovereenkomsten inzake visserij met derde landen. Door deze overeenkomsten is de EU in staat om financiële en technische steun te bieden, met name aan zuidelijke partnerlanden in ontwikkeling, in ruil voor visrechten. De overeenkomsten leveren wederzijds voordeel op. De achterliggende gedachte is partner van het derde land te worden om een duurzame en verantwoorde visserij te ontwikkelen en de waarde van visserijproducten te vergroten. De partnerschapsovereenkomsten inzake visserij zijn tevens bedoeld om de samenhang met andere beleidsterreinen als ontwikkelingssamenwerking, milieu, handel en gezondheid te versterken. Alle partnerschapsovereenkomsten inzake visserij bestaan uit een visserijovereenkomst plus een protocol (waarin o.a. de voorwaarden van de overeenkomsten worden beschreven). Krachtens deze overeenkomsten krijgt de Europese vloot recht op toegang tot de visoverschotten in de EEZ van de meeste landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACS-landen) en van Groenland. De financiële voorwaarden zijn gebaseerd op een vast bedrag dat wordt betaald door de EU en met door reders betaalde vergoedingen. De financiële tegenprestatie van de EU wordt gerechtvaardigd door een wederzijds belang van beide partijen om te investeren in een duurzaam visserijbeleid; zij fungeert niet slechts als betaling voor toegangsrechten. Onder de huidige regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) worden deze regelingen niet als subsidies beschouwd. De tegenprestatie dient vooral ter dekking van uitgaven in verband met beheerskosten, wetenschappelijke beoordeling van visbestanden, visserijbeheer, controle en toezicht op visserijactiviteiten en uitgaven voor de follow-up en evaluatie van een duurzaam visserijbeleid. Eind 2007 is er een eind gekomen aan de unilaterale handelspreferenties die de EU op grond van de Overeenkomst van Cotonou aan ACS-landen had toegekend (met instemming van de WTO). Per 1 januari 2008 werd er een nieuwe regeling genaamd economische partnerschapsovereenkomsten (EPO's) geïntroduceerd, die voornamelijk was gericht op commerciële aspecten (bijvoorbeeld oorsprongsregels, markttoegang en sanitaire en fytosanitaire normen). Partnerschapsovereenkomsten inzake visserij zijn bijzonder belangrijk voor de tonijnvisserij (Kaapverdië, Comoren, Ivoorkust, Gabon, Kiribati, Madagaskar, Mauritius, Mozambique, São Tomé en Principe, Seychellen en Salomonseilanden). Andere overeenkomsten voor gemengde visserij zijn momenteel van kracht met Groenland, Marokko en Mauritanië. De duur van het protocol varieert van twee tot zes jaar en verschilt per land.

In 2013 werden met het herziene GVB de partnerschapsovereenkomsten inzake duurzame visserij (SFPA's) met derde landen ingevoerd. Deze overeenkomsten bieden toegang tot bestanden in een gereglementeerde omgeving die afgestemd is op de belangen van de vloot van de Unie, in ruil voor een financiële tegenprestatie en technische bijstand die moeten bijdragen tot doeltreffende aanpak op het gebied van gegevensverzameling, toezicht, controle en bewaking.

De EU heeft momenteel acht SFPA-protocollen die van kracht zijn met derde landen en zeven "slapende" overeenkomsten met Afrikaanse landen. De "slapende" overeenkomsten hebben betrekking op landen die een FPA hebben gesloten zonder protocol. Als gevolg hiervan mogen EU-vaartuigen niet vissen in de jurisdictionele wateren van deze landen.

b. Wederkerigheidsovereenkomsten

Deze overeenkomsten hebben betrekking op de Noordzee en het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan en omvatten een uitwisseling van vangstmogelijkheden tussen de EU-vloten en drie derde landen (Noorwegen, IJsland en de Faeröer), waardoor een groot aantal gedeelde bestanden gezamenlijk wordt beheerd. Om te waarborgen dat er gelijke vangstmogelijkheden worden uitgewisseld, wordt de zogeheten "kabeljauwequivalent" als referentie gehanteerd (één ton kabeljauw komt overeen met x ton van een andere soort). Deze overeenkomsten hebben vooral betrekking op "industriële" soorten (die worden gebruikt voor de productie van vismeel), die meer dan 70 % van de aangelande vangsten vertegenwoordigen; naar waarde gerekend, is kabeljauw de belangrijkste soort. Denemarken is met 82 % van de vangsten de grootste producent. Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden zijn samen goed voor 15 % van het volume. De overeenkomst met Noorwegen is goed voor meer dan 70 % van de aan de EU toegekende quota. De overeenkomst met IJsland is nu een "slapende" overeenkomst.

Op dit moment heeft de EU een partnerschapsovereenkomst inzake visserij met Groenland, goed voor bijna 40 % van de EU-visserij in Noorwegen, en de Faeröer, door middel van een jaarlijkse evenwichtige uitwisseling van quota in het kader van de overeenkomst.

2. Multilaterale overeenkomsten

a. ROVB's

Deze overeenkomsten hebben tot doel de regionale samenwerking te versterken om de instandhouding en duurzame exploitatie van visbestanden op volle zee en grensoverschrijdende bestanden te waarborgen. Een belangrijke doelstelling is ook het voorkomen van IOO-visserij. Er bestaan verschillende soorten ROVB's; sommige ervan zijn onder auspiciën van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO), en andere los daarvan opgericht; sommige beheren biologische hulpbronnen in een bepaald gebied, terwijl andere zich richten op een bestand of een groep bestanden. Sommige houden zich uitsluitend bezig met de volle zee of met EEZ's, andere met beide. Bij onderhandelingen over ROVB's streeft de Commissie twee doelen na: lid worden van de organisatie (als verdragsluitende partij of waarnemer) en regels opstellen op grond waarvan de door de organisaties vastgestelde instandhoudings- en beheersmaatregelen in de EU-wetgeving worden opgenomen. In de regel stellen de ROVB's commissies in die tot taak hebben wetenschappelijk onderzoek te verrichten, de bevindingen daarvan te publiceren en aanbevelingen te doen voor het beheer van de bestanden. Wanneer binnen een bepaalde termijn geen bezwaar wordt aangetekend, krijgen de aanbevelingen een bindend karakter.

Wanneer wel bezwaar wordt aangetekend, blijft het bij een aanbeveling. ROVB's houden zich ook actief bezig met het treffen van maatregelen voor de controle en het toezicht op visserijactiviteiten, zoals de vaststelling van gezamenlijke inspectieprogramma's binnen de Visserijcommissie voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan (NEAFC), de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO) en de Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren (CCAMLR), een instandhoudingsorganisatie. De EU is partij bij: NAFO, NEAFC, Nasco (Organisatie voor de instandhouding van zalm in de Noord-Atlantische Oceaan), Iccat (Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen), Cecaf (Visserijcommissie voor het centraal-oostelijk deel van de Atlantische Oceaan), WECAFC (Visserijcommissie voor het centraal-westelijk deel van de Atlantische Oceaan), Seafo (Visserijorganisatie voor het zuidoostelijk deel van de Atlantische Oceaan), IOTC (Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan), IATTC (Inter-Amerikaanse Commissie voor tropische tonijn), Siofa (Visserijovereenkomst voor de Zuid-Indische Oceaan), GFCM (Algemene Visserijraad voor de Middellandse Zee), WCPFC (Commissie voor de instandhouding en het beheer van de over grote afstanden trekkende visbestanden in de westelijke en centrale Stille Oceaan) en CCAMLR (Commissie voor de instandhouding van de levende rijkdommen in de Antarctische wateren). Bij overeenkomsten van individuele lidstaten heeft de EU slechts de status van waarnemer.

De twee aan de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) gekoppelde regionale visserijorganisaties – WECAFC en Cecaf – zijn slechts adviesorganen zonder bevoegdheden op het gebied van visserijbeheer.

De EU speelt momenteel een actieve rol in zes tonijn-ROVB's en 11 niet-tonijn-ROVB's.

b. Internationale verdragen

Verdragen en andere overeenkomsten worden gesloten om een rechtsorde voor de zeeën en oceanen te scheppen en het vreedzame gebruik daarvan, het billijk en doeltreffend gebruik van de hulpbronnen, de instandhouding van de levende rijkdommen en de bescherming en het behoud van het mariene milieu te bevorderen. De EU en haar lidstaten zijn partij bij Unclos en hebben ook meegewerkt aan de ontwikkeling van andere instrumenten om de toepassing van duurzame visserij te bevorderen overeenkomstig de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN, in het kader van de FAO.

De rol van het Europees Parlement

Voor de goedkeuring van internationale visserijovereenkomsten is de instemming van het Parlement vereist. Bovendien moet het Parlement onmiddellijk en volledig worden geïnformeerd over elk besluit met betrekking tot de voorlopige toepassing of de opschorting van overeenkomsten. Het Parlement heeft bij verschillende gelegenheden gewezen op het belang van internationale visserijovereenkomsten voor de visvoorziening van de EU, voor de EU-regio's die het meest van de visserij afhankelijk zijn en voor de werkgelegenheid in de sector. Het Parlement heeft zich ook gebogen over de vraag of deze overeenkomsten stroken met ander buitenlands beleid van de EU (milieu en ontwikkelingssamenwerking). Het heeft zijn steun uitgesproken voor het uitbannen van vaartuigen die onder goedkope vlag varen en het toenemend gebruik veroordeeld van onderhandse overeenkomsten die buiten de controle van de EU-autoriteiten vallen.

Op 12 april 2016 keurde het Parlement een resolutie goed over gemeenschappelijke regels met het oog op de toepassing van de externe dimensie van het GVB, met inbegrip van de visserijovereenkomsten. Hierin werd onderstreept hoe belangrijk het is dat de samenhang tussen het visserijbeleid, het milieubeleid, het handelsbeleid en de ontwikkelingssamenwerking wordt gewaarborgd en benadrukt dat de SFPA's volledige traceerbaarheid van producten van de zeevisserij moeten waarborgen.

Op 16 maart 2017 heeft het Parlement een resolutie over een geïntegreerd EU-beleid voor het noordpoolgebied vastgesteld, waarin het zijn steun uitspreekt voor de uitbouw van een netwerk van beschermde natuurgebieden in het Noordpoolgebied en de bescherming van de internationale wateren rond de Noordpool buiten de economische zones van de kuststaten.

Op 12 februari 2019 heeft het Parlement een resolutie aangenomen waarbij het zijn goedkeuring hecht aan het ontwerp van besluit van de Raad betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst ter voorkoming van ongereglementeerde visserij op volle zee in de centrale Noordelijke IJszee[1].

Op 26 maart 2019 keurde het Parlement zijn standpunt in eerste lezing goed over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een aantal bepalingen voor de visserij in het GFCM-overeenkomstgebied (General Fisheries Commission for the Mediterranean – Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee)[2].

 

[1]Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0066.
[2]Aangenomen teksten, P8_TA(2019)0234.

Carmen-Paz Martí