De Europese aquacultuur  

Er is sprake van een stagnatie van de Europese aquacultuur die in contrast staat met de groeipercentages van de aquacultuurproductie wereldwijd. In een poging om deze trend tegen te gaan reikte de Commissie via twee mededelingen, waarvan de eerste in 2002 en de tweede in 2009 werd gepubliceerd, strategieën aan voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur. De strategie van 2002 heeft niet tot een verhoging van de Europese productie geleid en de aquacultuurmarkt en -sector hebben te lijden gehad onder de wereldwijde economische crisis. Dit bracht de Commissie ertoe in 2013 een nieuwe mededeling te publiceren, met daarin strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU.

Achtergrond  

De Europese aquacultuurproductie bleef in de periode 1995-2012 betrekkelijk stabiel. De productie lag rond de 1,2 miljoen ton per jaar, met een piek van 1,4 miljoen ton in het jaar 2000. Ze kwam in 2002 uit op 1,25 miljoen ton, wat goed was voor 20% van de totale visserijproductie. De omzet van de Europese aquacultuurproductie bedroeg in 2011 3,6 miljard EUR, waarvan 50% visserijproducten en 50% schaal- en schelpdieren. De Europese aquacultuur omvat hoofdzakelijk vier soorten: mosselen (39% van de totale productie), forel (15%), zalm (14%) en oesters (8%). Er is echter ook een ontwikkeling gaande wat betreft het kweken van andere soorten, zoals zeebaars, zeebrasem en venusschelpen.

De belangrijkste aquacultuurproducenten van de lidstaten zijn Spanje (22%), Frankrijk (17%), het Verenigd Koninkrijk (16%), Italië (13%) en Griekenland (8,5%). Samen vertegenwoordigden zij in 2011 77% van de totale aquacultuurproductie. Qua productiewaarde is het Verenigd Koninkrijk met 21% echter de belangrijkste producent, gevolgd door Frankrijk (19%), Griekenland (13%) en Spanje (12%). In Spanje, Frankrijk en Italië worden hoofdzakelijk tweekleppige schelpdieren geproduceerd (mosselen, oesters en venusschelpen). In het Verenigd Koninkrijk wordt hoofdzakelijk zalm gekweekt en in Griekenland vooral zeebaars en zeebrasem.

Een strategie voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur  

Om de stagnatie van de aquacultuurproductie tegen te gaan publiceerde de Commissie in 2002 de mededeling (COM(2002)0511) „Een strategie voor de duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur”. De doelstellingen van deze strategie waren als volgt:

  • het scheppen van zekere werkgelegenheid op lange termijn, met name in van de visserij afhankelijke regio's, en het uitbreiden van de werkgelegenheid in de aquacultuur met 8 000 à 10 000 voltijdequivalenten in de periode 2003-2008;
  • het waarborgen van de beschikbaarheid voor de consument van gezonde, veilige en kwalitatief goede producten en het bevorderen van de naleving van strenge normen inzake diergezondheid en dierenwelzijn;
  • het waarborgen van een milieuvriendelijke gezonde sector.

De beoogde doelstellingen van de strategie werden echter niet verwezenlijkt. Dit gold met name voor de beoogde groei van de productie en de werkgelegenheid: noch het doel om een groeicijfer van 4% te bereiken, noch dat om 8 000 tot 10 000 banen te scheppen, werd gehaald.

Het grootste probleem van de aquacultuursector was het gebrek aan productiegroei, en dat terwijl elders in de wereld juist sprake was van een aanzienlijke groei. De sector wist wel goede vooruitgang te boeken ten aanzien van het waarborgen van de beschikbaarheid van kwaliteitsproducten voor consumenten en het garanderen van duurzaamheid op milieugebied.

Naast de reeds bestaande obstakels en belemmeringen kreeg de Europese aquacultuur vanaf 2002 te maken met een toenemende concurrentie van producenten uit derde landen, bestuurscrises en, meer recentelijk, met de gevolgen van de economische crisis.

Bouwen aan een duurzame toekomst voor de aquacultuur ― Een nieuw elan voor de strategie voor duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur  

Slechts zeven jaar later, op 8 april 2009, publiceerde de Commissie haar tweede mededeling inzake aquacultuur (COM(2009)0162). Met deze mededeling werd beoogd de oorzaken van de stagnatie van de aquacultuursector van de EU in kaart te brengen en aan te pakken. Deze nieuwe mededeling kreeg de titel: „Een nieuw elan voor de strategie voor een duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur”. De mededeling had tot doel om, door middel van de volgende maatregelen, de productie en de werkgelegenheid te verhogen en daarmee te waarborgen dat de EU een belangrijke speler zou blijven in een strategische sector:

A. Het concurrentievermogen van de aquacultuursector in de EU te versterken door middel van/door:

  • onderzoek en technologische ontwikkeling;
  • het planologisch kader voor aquacultuur te bevorderen om het probleem van concurrentie om ruimte aan te pakken;
  • de aquacultuursector toe te rusten voor de marktvraag;
  • de internationale dimensie van de ontwikkeling van de aquacultuur te bevorderen;

B. Voorwaarden vast te stellen voor de duurzame groei van de aquacultuur door:

  • de verenigbaarheid van aquacultuur en milieu te waarborgen;
  • de aquacultuursector prestatiegericht te maken;
  • de bescherming van de gezondheid van de consument te waarborgen en de gezondheidsvoordelen van voor menselijke consumptie bestemde aquacultuurproducten te erkennen;

C. Het imago en het bestuur van de sector te verbeteren door:

  • de EU-wetgeving beter ten uitvoer te leggen;
  • de administratieve belasting te verminderen;
  • te zorgen voor inspraak van de belanghebbenden en voor adequate publieksvoorlichting;
  • te zorgen voor adequaat toezicht op de aquacultuursector.

Strategische richtsnoeren voor de duurzame ontwikkeling van de aquacultuur in de EU  

Het is de bedoeling dat de lidstaten aan de hand van de strategische richtsnoeren (COM(2013)0229) die de Commissie op 29 april 2013 heeft gepubliceerd, hun eigen nationale doelstellingen vaststellen en daarbij rekening houden met hun uitgangspositie, nationale omstandigheden en institutionele organisatie. De richtsnoeren hebben betrekking op vier prioritaire terreinen:

  1. het vereenvoudigen van administratieve procedures en het versnellen van de vergunningsprocedure voor aquacultuurbedrijven;
  2. het coördineren van de ruimtelijke ordening om de belemmerende werking van het ruimtegebrek teniet te doen;
  3. het versterken van het concurrentievermogen van de aquacultuursector in de EU;
  4. het bevorderen van een gelijk speelveld.

Zoals vastgelegd in de nieuwe basisverordening voor het GVB (Verordening (EU) nr. 1380/2013, artikel 34) moesten de lidstaten uiterlijk 30 juni 2014 een nationaal strategisch meerjarenplan kunnen voorleggen voor de ontwikkeling van de aquacultuuractiviteiten op hun grondgebied in de periode 2014-2020. De Commissie moest de uitwisseling van informatie en beste praktijken tussen de lidstaten stimuleren en de coördinatie van de in de nationale strategische meerjarenplannen vervatte nationale maatregelen coördineren. De lidstaten werd daarnaast verzocht tegen eind 2017 een tussentijdse beoordeling van de tenuitvoerlegging van hun nationale strategische meerjarenplannen voor de aquacultuursector uit te voeren.

Rol van het Europees Parlement  

Met het oog op de verdere versterking van de aquacultuursector heeft het Parlement tal van resoluties aangenomen:

  • resolutie van 16 januari 2003 over de aquacultuur in de Europese Unie: vandaag en in de toekomst[1];
  • wetgevingsresolutie van 27 april 2006 over het voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren[2];
  • wetgevingsresolutie van 14 november 2006 over het voorstel voor een verordening van de Raad inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur[3];
  • wetgevingsresolutie van 14 november 2006 over het voorstel voor een verordening van de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur[4];
  • resolutie van 4 december 2008 over het opstellen van een Europees Beheersplan voor aalscholvers om de toenemende door aalscholvers veroorzaakte schade aan visbestanden, visserij en aquacultuur te verminderen[5];
  • resolutie van 17 juni 2010 over een nieuw elan voor de strategie voor duurzame ontwikkeling van de Europese aquacultuur[6];
  • resolutie van 8 juli 2010 over de regeling inzake de invoer van visserij- en aquacultuurproducten in de EU in het licht van de hervorming van het GVB[7];
  • wetgevingsresolutie van 23 november 2010 inzake het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Verordening (EG) nr. 708/2007 inzake het gebruik van uitheemse en plaatselijk niet-voorkomende soorten in de aquacultuur[8];
  • wetgevingsresolutie van 12 september 2012 over het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten[9];
  • wetgevingsresolutie van 10 december 2013 over het standpunt van de Raad in eerste lezing met het oog op de vaststelling van een verordening van het Europees Parlement en de Raad houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad[10];
  • resolutie van 8 september 2015 over het aanboren van het potentieel van onderzoek en innovatie in de blauwe economie voor de schepping van banen en groei[11];
  • resolutie van 12 mei 2016 over traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten in restaurants en de detailhandel[12];
  • resolutie van 12 juni 2018 over „Naar een duurzame en concurrerende Europese aquacultuursector: huidige stand van zaken en toekomstige uitdagingen[13]”.

 

Marcus Ernst Gerhard Breuer