Het asielbeleid van de EU heeft ten doel iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming nodig heeft in een van de lidstaten een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te waarborgen. In dit verband streeft de Unie ernaar een gemeenschappelijk Europees asielstelsel te ontwikkelen.

Rechtsgrondslag

  • Artikel 67, lid 2, en de artikelen 78 en 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).
  • Artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de EU.

Doelstellingen

De EU streeft ernaar een gemeenschappelijk beleid voor asiel, subsidiaire bescherming en tijdelijke bescherming te ontwikkelen, om iedere onderdaan van een derde land die internationale bescherming nodig heeft een passende status te verlenen en de naleving van het beginsel van non-refoulement te waarborgen. Dit beleid moet in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 en het bijbehorende protocol van 31 januari 1967. Het VWEU noch het Handvest biedt een definitie van de termen „asiel” of „vluchteling”, maar beiden verwijzen uitdrukkelijk naar het Verdrag van Genève en het bijbehorende protocol.

Resultaten

A. Voortgang in het kader van de Verdragen van Amsterdam en Nice

Met het Verdrag van Maastricht in 1993 wordt de voorheen intergouvernementele samenwerking op het vlak van asiel in het institutionele EU-kader ondergebracht. Als voornaamste speler betrekt de Raad de Commissie bij zijn werkzaamheden en informeert hij het Parlement over zijn initiatieven met betrekking tot asiel; Het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) was niet bevoegd op het vlak van asielaangelegenheden.

Met het Verdrag van Amsterdam van 1999 werden aan de EU-instellingen nieuwe bevoegdheden verleend voor het opstellen van wetgeving op het gebied van asielaangelegenheden, waarbij gebruik wordt gemaakt van een specifiek institutioneel mechanisme: een vijfjarige overgangsperiode waarbij de Commissie en de lidstaten het initiatiefrecht delen en de Raad met eenparigheid van stemmen beslist, na raadpleging van het Parlement. Het HvJ-EU werd eveneens bevoegd in specifieke gevallen. In het Verdrag van Amsterdam werd eveneens bepaald dat de Raad, zodra deze eerste fase was voltooid, kon besluiten dat de gewone medebeslissingsprocedure van toepassing is en dat de Raad voortaan zijn beslissingen met gekwalificeerde meerderheid moest nemen. Eind 2004 heeft de Raad aldus besloten en sinds 2005 wordt de medebeslissingsprocedure (nu bekend als de gewone wetgevingsprocedure) toegepast.

Met de vaststelling van het programma van Tampere in oktober 1999 heeft de Europese Raad besloten dat het gemeenschappelijk Europees stelsel in twee opeenvolgende fasen ten uitvoer moet worden gelegd: het aannemen van gemeenschappelijke minimumnormen op de korte termijn moet leiden tot een gemeenschappelijke procedure en een uniforme, in de gehele Unie geldige status voor personen aan wie asiel wordt verleend op de lange termijn.

Dit resulteerde in de "eerste fase" van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) van 1999 t/m 2004, waarin de criteria en instrumenten worden vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag (ter vervanging van het internationale/intergouvernementele Verdrag van Dublin uit 1990), met inbegrip van de oprichting van de Europese dactyloscopie-databank ("Eurodac") voor de opslag en vergelijking van vingerafdrukken. Hierin worden tevens gemeenschappelijke minimumnormen vastgesteld waaraan de lidstaten zich moeten houden in het kader van de opvang van asielzoekers, alsmede kwalificaties voor internationale bescherming en de aard van de verleende bescherming, en procedures voor de toekenning en intrekking van de vluchtelingenstatus. In aanvullende wetgeving wordt de tijdelijke bescherming in geval van een massale toestroom geregeld.

In het programma van Den Haag van november 2004 wordt ertoe opgeroepen om uiterlijk eind 2010 de instrumenten en maatregelen van de tweede fase in te zetten en vast te stellen, met de nadruk op het streven van de EU om verder te gaan dan minimumnormen en een eenvormige asielprocedure te ontwikkelen met gemeenschappelijke waarborgen en een uniforme status voor personen die bescherming genieten. In het Europees pact inzake immigratie en asiel van 2008 wordt deze termijn uitgesteld tot 2012.

B. Het Verdrag van Lissabon

Het Verdrag van Lissabon, dat in december 2009 in werking treedt, verandert de situatie door het asielbeleid om te vormen van het vaststellen van minimumnormen naar het opzetten van een gemeenschappelijk stelsel met een uniforme status en uniforme procedures.

Dit gemeenschappelijk stelsel moet de volgende elementen omvatten:

  • een uniforme asielstatus;
  • een uniforme status voor subsidiaire bescherming;
  • een gemeenschappelijk stelsel voor tijdelijke bescherming;
  • gemeenschappelijke procedures voor toekenning of intrekking van de uniforme status van asiel of van subsidiaire bescherming;
  • criteria en mechanismen om te kunnen vaststellen welke lidstaat voor de behandeling van een asielaanvraag verantwoordelijk is;
  • normen voor opvangvoorzieningen;
  • partnerschap en samenwerking met derde landen.

Sinds het Verdrag van Lissabon verwijst artikel 80 VWEU ook uitdrukkelijk naar het beginsel van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de lidstaten, ook op financieel gebied. EU-maatregelen inzake asiel moeten, indien nodig, passende maatregelen omvatten om ervoor te zorgen dat dit beginsel wordt toegepast. Het Verdrag zorgt eveneens voor aanzienlijke veranderingen in de besluitvormingsprocedure voor asielaangelegenheden door medebeslissing tot standaardprocedure te maken. Voorts werden de regelingen voor gerechtelijk toezicht door het HvJ-EU aanzienlijk verbeterd. Iedere rechtbank in een lidstaat kan nu verzoeken om een prejudiciële beslissing en niet meer alleen nationale rechtbanken die in laatste aanleg uitspraak doen, zoals voorheen het geval was. Zo kan het Hof van Justitie een bredere jurisprudentie op het gebied van asielaangelegenheden ontwikkelen.

In het programma van Stockholm, dat op 10 december 2009 door de Europese Raad wordt goedgekeurd voor de periode 2010-2014, wordt opnieuw „de instelling van een gemeenschappelijke ruimte, waarin bescherming en solidariteit worden geboden op basis van een gemeenschappelijke asielprocedure en een uniforme status voor personen aan wie internationale bescherming wordt verleend” als doelstelling bevestigd. In het programma wordt vooral benadrukt dat effectieve solidariteit met de lidstaten die specifiek onder druk staan, moet worden bevorderd, en dat het nieuwe Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO) een centrale rol moet spelen.

Hoewel de Commissie haar voorstellen voor de tweede fase van het CEAS al in 2008-2009 had ingediend, vorderden de onderhandelingen traag. De "tweede fase" van het CEAS werd aangenomen na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, waarbij de nadruk verschoof van minimumnormen naar een gemeenschappelijke asielprocedure op basis van een uniforme beschermingsstatus.

C. De belangrijkste bestaande juridische instrumenten en huidige initiatieven voor hervorming

Met uitzondering van de herschikte erkenningsrichtlijn, die in januari 2012 in werking treedt, treden de overige herschikte wetgevingshandelingen pas in juli 2013 in werking (de Eurodac-verordening; de Dublin III-verordening; de richtlijn opvangvoorzieningen en de richtlijn asielprocedures), wat betekende dat de vertraagde omzetting ervan medio juli 2015 samenviel met het hoogtepunt van de migratiecrisis. In juni 2014 stelde de Europese Raad de strategische richtsnoeren voor de wetgevende en operationele programmering in de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht (artikel 68 VWEU) voor de komende jaren vast, op basis van de mededeling van de Commissie van maart 2014, en voortbouwend op de door het programma van Stockholm geboekte vooruitgang. In deze richtsnoeren wordt benadrukt dat de onverkorte omzetting en effectieve uitvoering van het CEAS een absolute prioriteit is.

Met het oog op de migratiedruk sinds 2014 publiceerde de Commissie in mei 2015 (4.2.3) de Europese migratieagenda, waarin zij verschillende maatregelen voorstelde om deze druk te verlichten, waaronder de hotspotbenadering, waarbij het EASO, het Europees Grens- en kustwachtagentschap (voorheen Frontex) en het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) samenwerken met lidstaten in de voorste linie om inreizende migranten snel te identificeren, te registreren en hun vingerafdrukken op te nemen. De hotspotbenadering moet eveneens bijdragen tot de uitvoering van de noodherplaatsingsmechanismen voor in totaal 160 000 mensen die internationale bescherming nodig hebben. Deze mechanismen werden voorgesteld door de Commissie om Italië en Griekenland bij te staan en aangenomen door de Raad op 14  en 22 september 2015, na raadpleging van het Parlement. Het besluit van de Raad wordt later door het HvJ-EU bekrachtigd in zijn arrest van 6 september 2017. Herplaatsing is bedoeld als mechanisme om het beginsel van solidariteit en billijke verdeling van de verantwoordelijkheid overeenkomstig artikel 80 VWEU in de praktijk te brengen. De herplaatsingspercentages zijn echter lager dan verwacht en herplaatsingen worden langzaam uitgevoerd.

De Europese migratieagenda omvat ook verdere stappen in de richting van een hervorming van het CEAS, die in mei en juli 2016 zijn gepresenteerd in twee pakketten wetgevingsvoorstellen, waarover het Parlement en de Raad momenteel onderhandelen. De reeks wetgevingsinitiatieven is bedoeld om onder andere het CEAS te verbeteren, onder meer door rechtstreeks toepasselijke verordeningen voor te stellen in plaats van richtlijnen (met uitzondering van de richtlijn opvangvoorzieningen, die een richtlijn blijft en nog in het nationaal recht moet worden omgezet), en heeft onder meer betrekking op:

  • maatregelen om de asielprocedures te vereenvoudigen, verduidelijken en verkorten, asielzoekers gemeenschappelijke waarborgen te bieden en te zorgen voor strengere regels ter bestrijding van misbruik, waaronder een gemeenschappelijke lijst met veilige landen van herkomst, die aanvankelijk werd gepresenteerd als een afzonderlijke verordening. De Commissie burgerlijke vrijheden, justitie en binnenlandse zaken (commissie LIBE) van het Parlement keurde op 25 april 2018 haar verslag goed, dat als onderhandelingsmandaat dient.
  • Wie in aanmerking komt voor internationale bescherming (zie de erkenningsrichtlijn), met het oog op eenvormiger percentages ingewilligde verzoeken en beschermingswijzen, met inbegrip van strengere bepalingen voor de sanctionering van secundaire bewegingen van verzoekers en verplichte beoordelingen van de status, zelfs voor erkende vluchtelingen. De Commissie LIBE keurde op 15 juni 2017 haar verslag goed. Medio december 2018 bereikten het Parlement en de Raad een voorlopig akkoord. Het akkoord kreeg echter niet voldoende steun van de lidstaten[1].
  • Opvangvoorzieningen, met als meest omstreden punten de wachttijd voor verzoekers om internationale bescherming om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt en de bestraffende aanpak van de Commissie bij het voorkomen dat aanvragers doorreizen naar een lidstaat die niet bevoegd is hun asielaanvraag in behandeling te nemen. De commissie LIBE keurde op 25 april 2017 haar verslag goed. Op 17 mei 2018 kreeg het verslag het groene licht van de plenaire vergadering om als mandaat te dienen voor het beginnen van interinstitutionele onderhandelingen. Medio december 2018 bereikten het Parlement en de Raad een voorlopig akkoord. De onderhandelingen tussen het Parlement en de Raad duren echter nog voort.
  • De hervorming van de Dublinverordening, die criteria omvat voor het vaststellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming (in principe het eerste land van binnenkomst). In het voorstel worden de huidige criteria in het Dublinsysteem behouden, en worden zij aangevuld met een corrigerend toewijzingsmechanisme om lidstaten die onder onevenredige druk staan te ontlasten. Het Commissievoorstel van september 2015 voor een verordening betreffende een permanent crisisherplaatsingsmechanisme in het kader van het Dublinsysteem ligt momenteel stil in de Raad. Evenzo is het eerdere voorstel tot wijziging van de Dublinverordening wat betreft de bepaling inzake de bevoegde lidstaat voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming van niet-begeleide minderjarigen die geen familieleden hebben op het grondgebied van de lidstaten, ingetrokken, en is de inhoud ervan opgenomen in het huidige Dublin III-voorstel. Op 19 oktober 2017 keurde de commissie LIBE van het Parlement haar verslag goed, dat door de plenaire vergadering werd bekrachtigd als het mandaat voor het beginnen van interinstitutionele onderhandelingen.
  • Een herziening van de Eurodac-databank met vingerafdrukken van asielzoekers, waarbij deze wordt uitgebreid met persoonsgegevens van onderdanen van derde landen die niet om internationale bescherming hebben verzocht maar die irregulier in de EU verblijven, en waarbij wetshandhavingsautoriteiten toegang krijgen tot de databank en de vingerafdrukken van kinderen vanaf 6 jaar worden opgenomen om opsporing en gezinshereniging te vergemakkelijken. De commissie LIBE van het Parlement kreeg van de plenaire vergadering het groene licht om interinstitutionele onderhandelingen te beginnen op basis van haar verslag van 30 mei 2017 over het voorstel. De onderhandelingen met de Raad gingen in september 2017 van start en het Parlement en de Raad bereikten in juni 2018 een gedeeltelijk voorlopig akkoord.
  • De omvorming van het EASO van een Europees ondersteuningsbureau tot een volledig ontwikkeld EU-Asielagentschap (EUAA), dat als taak zal hebben het functioneren van het CEAS te vergemakkelijken, eenvormigheid in de beoordeling van asielaanvragen in de gehele EU te waarborgen en de operationele en technische toepassing van het Unierecht te monitoren, waaronder ook het helpen van de lidstaten bij het opleiden van nationale deskundigen za vallen. Het Parlement nam op 8 december 2016 zijn verslag aan en medio juni 2017 werd een breed voorlopig akkoord met de Raad bereikt. In september 2018 dient de Commissie een gewijzigd voorstel voor de versterking van het EUAA in met meer personeel, instrumenten en financiële middelen om ervoor te zorgen dat de lidstaten altijd volledige operationele steun van de EU kunnen krijgen.
  • Een Uniekader voor hervestiging, dat zal voorzien in gemeenschappelijke EU-regels voor de toelating van onderdanen van derde landen, met inbegrip van financiële steun voor de hervestigingsinspanningen van de lidstaten, ter aanvulling van de huidige multilaterale en nationale hervestigingsprogramma's ad hoc. Op 12 oktober 2017 keurde de commissie LIBE van het Parlement haar verslag goed en kreeg zij het mandaat om met de Raad te onderhandelen.

De richtlijn van 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden is nog steeds van kracht maar is tot dusver nog nooit toegepast, zelfs niet tijdens het hoogtepunt van de migratiecrisis, hoogstwaarschijnlijk vanwege de vage voorwaarden en de spanningen tussen de lidstaten in de Raad over de lastenverdeling.

D. De externe dimensie

De in 2011 door de Commissie vastgestelde totaalaanpak van migratie en mobiliteit (TAMM) is het overkoepelende kader van het externe migratie- en asielbeleid van de EU. Hierin wordt vastgelegd hoe de EU haar beleidsdialogen en samenwerking met niet-EU-landen voert op basis van duidelijk omschreven prioriteiten. Deze aanpak is ingepast in het externe optreden van de EU in zijn algemeenheid, met inbegrip van ontwikkelingssamenwerking. De belangrijkste doelstellingen hiervan zijn om legale migratie beter te organiseren, illegale migratie te voorkomen en te bestrijden, de ontwikkelingseffecten van migratie en mobiliteit te optimaliseren en om internationale bescherming te bevorderen.

In maart 2016 bereikten de Europese Raad en Turkije een akkoord met het oog op het verlagen van de toestroom van irreguliere migranten naar Europa via Turkije. Overeenkomstig de verklaring EU-Turkije moeten alle nieuwe irreguliere migranten en asielzoekers die vanuit Turkije op de Griekse eilanden aankomen en van wie de asielaanvragen niet-ontvankelijk zijn verklaard, naar Turkije worden teruggestuurd. En voor iedere Syriër die wordt teruggestuurd naar Turkije, moet een andere Syriër in de EU worden hervestigd, in ruil voor verdere visumliberalisering voor Turkse burgers en de betaling van 6 miljard EUR in het kader van de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije, tot het einde van 2018. Volgens het verslag over de vooruitgang bij de uitvoering van de Europese migratieagenda van de Commissie van mei 2018 speelt de verklaring nog altijd een belangrijke rol bij het waarborgen van een doeltreffende aanpak van de migratiekwestie in het oostelijke Middellandse Zeegebied. In het verslag wordt echter benadrukt dat er nog altijd sprake is van tekortkomingen: met name het langzame tempo bij de behandeling van asielaanvragen in Griekenland blijft de terugkeer van personen naar Turkije ophouden.

Op mondiaal niveau hecht de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties in september 2016 unaniem haar goedkeuring aan de verklaring van New York voor vluchtelingen en migranten, een baanbrekende politieke verklaring die gericht is op het verbeteren van de manier waarop de internationale gemeenschap het hoofd biedt aan grote vluchtelingen- en migrantenstromen en aan voortslepende vluchtelingensituaties. Als gevolg hiervan zullen naar verwachting in 2018 twee mondiale pacten worden aangenomen, voor vluchtelingen en voor andere migranten. De verklaring van New York omvat een alomvattend reactiekader voor vluchtelingen, met specifieke acties die bedoeld zijn om de druk op ontvangende landen te verlichten, de zelfredzaamheid van vluchtelingen te verbeteren, de oplossingen inzake toegang tot derde landen te verruimen en in de landen van herkomst omstandigheden te ondersteunen die vluchtelingen in staat stellen om in veiligheid en waardigheid terug te keren. De Hoge Commissaris voor vluchtelingen zal in het kader van de follow-up van de verklaring van New York van 2016 in zijn jaarverslag aan de Algemene Vergadering in 2018 met een voorstel komen voor een 'mondiaal pact inzake vluchtelingen'.

Tijdens zijn plenaire vergadering van april 2018 stelde het Parlement dat de EU en haar lidstaten een voortrekkersrol moeten spelen tijdens de lopende onderhandelingen op mondiaal niveau over de twee pacten, met name gezien het besluit van de VS zich uit de onderhandelingen terug te trekken.

E. Beschikbare financiering voor asielbeleid

Het voornaamste financieringsinstrument in de EU-begroting op het vlak van asiel is het Fonds voor asiel, migratie en integratie (AMIF). De toewijzing voor AMIF voor de periode 2014-2020 werd verhoogd van 3,31 miljard EUR naar 6,6 miljard EUR. Voor de volgende EU-begroting op lange termijn voor de periode 2021-2027 stelt de Commissie voor de middelen in het kader van het nieuwe Asiel- en Migratiefonds met 51% te verhogen tot 10,4 miljard EUR teneinde onder andere alle aspecten van het CEAS te versterken en te ontwikkelen, met inbegrip van zijn externe dimensie. Andere EU-financieringsinstrumenten zoals het Europees Sociaal Fonds (ESF, 2.3.2), het Fonds voor Europese hulp aan de meest behoeftigen (FEAD, 2.3.9) en het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO, 3.1.2) verstrekken ook middelen, veelal om de integratie van vluchtelingen en migranten te bevorderen, hoewel het aandeel van de aan deze instrumenten toegewezen middelen niet afzonderlijk in de begrotingslijnen is opgenomen en dus onduidelijk is.

Evenzo is de aanvankelijke toewijzing aan het EASO, het toekomstige Asielagentschap van de EU (EUAA), voor 2014-2020 verhoogd van 109 miljoen EUR naar 456 miljoen EUR. Om in de toekomst in staat te zijn de volledige operationele steun voor asielprocedures te leveren heeft de Commissie een begroting voorgesteld van 1,25 miljard EU voor de periode 2021-2027.

Buiten het meerjarig financieel kader (MFK) maar onder de EU-begroting zijn er trustfondsen voor externe maatregelen, zoals het Noodtrustfonds voor Afrika van de EU (1,8 miljard EUR) om landen in Afrika bij te staan bij migratiebeheer en grenscontrole, het Regionaal Trustfonds van de EU (500 miljoen EUR) dat is opgezet in respons op de Syrische crisis en de Faciliteit voor vluchtelingen in Turkije (3 miljard EUR voor 2016-2017 en 3 miljard EUR voor 2018-2019).

Ten slotte is het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF, 30,5 miljard EUR, waarvan 2,2 miljard EUR is gegaan naar het Noodtrustfonds voor Afrika van de EU) gericht op de uitbanning van armoede en de verwezenlijking van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, hoewel dit fonds de afgelopen jaren steeds meer is gebruikt voor de financiering van de aanpak van migratiekwesties.

De rol van het Europees Parlement

Het Europees Parlement heeft zich altijd duidelijk uitgesproken voor een gemeenschappelijk Europees asielstelsel, overeenkomstig de juridische verbintenissen van de Unie. Het Parlement heeft tevens aangedrongen op de terugdringing van illegale migratie en de bescherming van kwetsbare groepen.

De resolutie van 12 april 2016 van het Parlement over de situatie in het Middellandse Zeegebied en de noodzaak van een holistische EU-aanpak van migratie biedt een overzicht van de voornaamste standpunten en bedenkingen van het Parlement op het vlak van migratie.

Het Parlement roept op tot betrouwbare en eerlijke procedures, die effectief ten uitvoer worden gelegd en gebaseerd zijn op het beginsel van non-refoulement. Het onderstreept dat elke afzwakking van de bescherming en van de kwaliteit van de opvang moet worden vermeden en dat de lasten voor de lidstaten aan de buitengrenzen van de EU eerlijker moeten worden verdeeld. Het Parlement heeft de lidstaten verzocht gebruik te maken van de bestaande mogelijkheden om humanitaire visa te verstrekken, en is van oordeel dat mensen die op zoek zijn naar internationale bescherming bij ieder consulaat of iedere ambassade een Europees humanitair visum moeten kunnen aanvragen, en pleit daarom voor een wijziging van de visumcode van de Unie.

Volgens het Parlement zijn er nog verdere stappen nodig om te bereiken dat het gemeenschappelijk Europees asielstelsel werkelijk uniform wordt. De uitvoering ervan moet grondig worden geanalyseerd. Het Parlement wijst op het belang van wederzijdse erkenning door de lidstaten van niet alleen negatieve, maar ook positieve asielbeslissingen.

Het Parlement benadrukt dat detentie slechts mogelijk mag zijn in uitzonderlijke, zeer duidelijk omschreven omstandigheden en moet samengaan met het recht om beroep aan te tekenen bij een rechtbank. Het heeft de oprichting van het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken gesteund.

Wat betrekkingen met derde landen betreft, dringt het Parlement er in het kader van de totaalaanpak van migratie en mobiliteit op aan dat de inspanningen op het vlak van capaciteitsopbouw en hervestigingsactiviteiten moeten worden geïntensiveerd en uitgevoerd in samenwerking met derde landen die grote aantallen vluchtelingen opvangen. Het Parlement is van oordeel dat de samenwerking met derde landen gericht moet zijn op het aanpakken van de achterliggende oorzaken van irreguliere migratiestromen naar Europa.

Het Parlement kan tevens een beroep tot nietigverklaring bij het HvJ-EU instellen. Dit instrument werd met succes benut (zie het arrest van het HvJ-EU van 6 mei 2008) om de nietigverklaring te verkrijgen van de bepalingen betreffende de procedure voor de opstelling van de gemeenschappelijke lijst van derde landen, die als veilige landen van herkomst en Europese veilige derde landen worden beschouwd, zoals bedoeld in Richtlijn 2005/85/EG van de Raad.

Voor wie meer wil weten:

 

Ina Sokolska