Het Europees nabuurschapsbeleid  

Het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) heeft betrekking op Algerije, Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Egypte, Georgië, Israël, Jordanië, Libanon, Libië, Moldavië, Marokko, Oekraïne, Palestina, Syrië en Tunesië. Het heeft als doel de welvaart, stabiliteit en veiligheid van iedereen te versterken. Het is gebaseerd op democratie, de rechtsstaat en eerbiediging van de mensenrechten en bestaat uit bilaterale beleidsafspraken tussen de EU en de respectieve partnerlanden, die worden aangevuld door regionale samenwerkingsinitiatieven: het Oostelijk Partnerschap en de Unie voor het Middellandse Zeegebied[1].

Rechtsgrondslag  

  • Artikel 8 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
  • titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie (het externe optreden van de EU);
  • de artikelen 206 en 207 (handel) en 216 tot en met 219 (internationale overeenkomsten) van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Algemene doelstellingen  

In het kader van het Europees nabuurschapsbeleid (ENB) biedt de EU haar buren geprivilegieerde betrekkingen aan op basis van wederzijdse inzet voor gemeenschappelijke waarden (democratie en mensenrechten, de rechtsstatelijkheid, goed bestuur, de beginselen van de markteconomie en duurzame ontwikkeling). Het ENB is eveneens gericht op politieke coördinatie en grotere economische integratie, meer mobiliteit en intermenselijke contacten. Het ambitieniveau van de betrekkingen hangt af van de mate waarin deze waarden worden gedeeld. Het ENB blijft losstaan van het uitbreidingsproces, maar dit staat de eventuele ontwikkeling van nauwere banden tussen die buurlanden en de EU in de toekomst niet in de weg. In 2011 heeft de EU een evaluatie gemaakt van het ENB en het naar aanleiding van de ontwikkelingen in de Arabische landen sterker gericht op de bevordering van een goed verankerde en duurzame democratie en inclusieve economische ontwikkeling. Een duurzame en blijvende democratie omvat met name vrije en eerlijke verkiezingen, inspanningen ter bestrijding van corruptie, rechterlijke onafhankelijkheid, democratische controle van de strijdkrachten, en de vrijheid van meningsuiting, vergadering en vereniging. De EU heeft ook de nadruk gelegd op de rol die het maatschappelijk middenveld speelt in het democratisch proces en haar "meer voor meer"-beginsel ingevoerd, op grond waarvan de Unie sterkere partnerschappen aangaat met buren die meer vooruitgang boeken in de richting van democratische hervormingen. In maart 2015 hebben de Commissie en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) een raadplegingsprocedure geopend voor een nieuwe evaluatie van het ENB. Deze evaluatie had met name ten doel de beleidsinstrumenten beter af te stemmen op de specifieke aspiraties van de partnerlanden. In dit verband heeft het Europees Parlement op 9 juli 2015 een resolutie aangenomen waarin het onderstreept dat het vernieuwde ENB strategischer, gerichter, flexibeler en coherenter van opzet moet zijn. Op 11 november 2015 is door de EDEO en de Commissie een mededeling hierover gepresenteerd die is gebaseerd op de resultaten van de raadpleging.

Op 18 mei 2017 publiceerden de EDEO en de Commissie een verslag over de uitvoering van de ENB-evaluatie. In dit verslag werd nadrukkelijk gewezen op de meer flexibele en gevoelige aanpak die de EU in haar samenwerking met de ENB-partners heeft getoond en op het efficiëntere gebruik van de middelen. Op 27 maart 2019 heeft het Parlement een resolutie aangenomen over de ontwikkelingen na de Arabische Lente: de aangewezen weg voor het Midden-Oosten en Noord-Afrika, waarin een aantal democratische verbeteringen in de regio werden erkend, maar ook werd opgeroepen tot verdere economische, democratische en sociale hervormingen.

Instrumenten  

Het Europees nabuurschapsbeleid bouwt voort op de vigerende juridische overeenkomsten tussen de EU en haar partners: partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomsten (PSO's) en, meer recentelijk, associatieovereenkomsten (AO's).

Een essentieel onderdeel van het ENB wordt gevormd door de bilaterale actieplannen en partnerschapsprioriteiten die de EU met de meeste partnerlanden is overeengekomen. Hierin wordt een agenda van politieke en economische hervormingen vastgesteld met prioriteiten voor op de korte en middellange termijn (drie tot vijf jaar). De ENB-actieplannen en -partnerschapsprioriteiten belichten de specifieke behoeften, belangen en capaciteiten van de EU en van elk van de partnerlanden. Zij zijn gericht op de ontwikkeling van democratische, sociaal rechtvaardige en inclusieve samenlevingen, de bevordering van economische integratie en de vergemakkelijking van het grensverkeer van personen.

De EU draagt bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van het beleid door middel van financiële steun en politieke en technische samenwerking. De daarvoor bestemde middelen worden grotendeels verstrekt via het Europees nabuurschapsinstrument (ENI), in het kader waarvan voor de periode 2014-2020 een bedrag van 15,4 miljard EUR is toegewezen. Daarnaast wordt het ENB gefinancierd uit andere instrumenten en programma's, zoals de nabuurschapsfaciliteit voor het maatschappelijk middenveld. De Commissie verleent ook financiële steun in de vorm van subsidies aan partners, en de Europese Investeringsbank en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling vullen deze steun aan via leningen.

Bovendien zijn in het kader van het ENB nieuwe instrumenten ontwikkeld ter bevordering van markttoegang, in het bijzonder via de sluiting van diepe en brede vrijhandelsovereenkomsten, en ter bevordering van de mobiliteit en ter versterking van het migratiebeheer. Als zodanig zijn mobiliteitspartnerschappen en visumversoepelings- of visumliberaliseringregelingen met bepaalde partners gesloten, en werd in 2016 een specifiek financieel instrument – de partnerschapsfaciliteit voor mobiliteit – opgezet. In de zuidelijke regio worden regionale en bilaterale initiatieven over migratie en mobiliteit gefinancierd door het EU-noodtrustfonds voor Afrika, en meer specifiek het onderdeel Noord-Afrika daarvan.

Hoewel het ENB is opgezet als algemeen beleidsinstrumentarium, geeft het de EU ook de mogelijkheid haar beleid naargelang de specifieke behoeften van de verschillende partners aan te passen en te differentiëren.

In het kader van de gesprekken over het toekomstige meerjarig financieel kader (MFK) voor 2020-2027 worden momenteel de structuur en de werking van de externe financieringsinstrumenten van de EU, met inbegrip van het ENI, herzien. In dit verband heeft het Parlement op 18 april 2018 een resolutie aangenomen over de tenuitvoerlegging van de externe financieringsinstrumenten van de EU, met inbegrip van de tussentijdse herziening 2017 en toekomstige architectuur na 2020. Wat het ENI betreft, wordt in de tekst opgeroepen tot meer flexibiliteit, een beter gebruik van het "meer voor meer"-beginsel en op stimulansen gebaseerde benaderingen en een betere coördinatie tussen de regionale en bilaterale programma's.

Op 14 juni 2018 publiceerde de Commissie een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het instrument voor nabuurschapsbeleid, ontwikkeling en internationale samenwerking (NDICI). Het voorstel beoogt de bestaande financieringsstructuur voor het externe optreden van de EU voor de volgende MFK-periode te vereenvoudigen en verschillende financiële instrumenten in het nieuwe NDICI te integreren, met inbegrip van het ENI. Het Parlement nam op 27 maart 2019 zijn standpunt in eerste lezing over dit voorstel aan, en vroeg om meer financiering, een grotere rol in de besluitvorming over secundaire beleidsopties en opschorting van de bijstand bij schendingen van de mensenrechten.

Regionale dimensies  

A. Oostelijk Partnerschap

Het Oostelijk Partnerschap is opgericht om verdieping aan te brengen in de betrekkingen van de EU met de meeste van haar oostelijke buren: Armenië, Azerbeidzjan, Belarus, Georgië, Moldavië en Oekraïne. Het Oostelijk Partnerschap is in 2008 overeengekomen en in 2009 opgestart, en bouwt voort op het ENB.

1. Doelstellingen

Met het Oostelijk Partnerschap wordt beoogd de politieke associatie en de verdere economische integratie tussen de EU en de oostelijke landen te versnellen. Het niveau van integratie en samenwerking weerspiegelt de verbintenis van elk partnerland tot naleving van de Europese waarden, normen en structuren, en de vorderingen daarvan. Het Oostelijk Partnerschap heeft tot doel democratie en goed bestuur te bevorderen, de energiezekerheid te verhogen, sectorale hervormingen (waaronder milieubescherming) en intermenselijke contacten aan te moedigen, economische en sociale ontwikkeling te ondersteunen en extra financiering voor projecten aan te bieden om sociaaleconomische onevenwichtigheden te verminderen en een grotere stabiliteit te bereiken[2].

2. Structuren

Om de twee jaar wordt een top van het Oostelijk Partnerschap gehouden waaraan de staatshoofden en regeringsleiders van de EU en haar partnerlanden en vertegenwoordigers van het Europees Parlement, de Europese Commissie en de EDEO deelnemen.

De deelnemers aan de vijfde top van het Oostelijk Partnerschap, die op 24 november 2017 in Brussel plaatsvond, maakten de balans op van de resultaten van de afgelopen twee jaar en keken uit naar de uitvoering van een gezamenlijk werkdocument[3], waarin een meer resultaatgerichte aanpak wordt voorgesteld voor elk van de vier prioriteiten die in de gezamenlijke verklaring van de top van het Oostelijk Partnerschap in Riga op 22 mei 2015 zijn bepaald:

  • economische ontwikkeling en marktmogelijkheden;
  • versterking van instellingen en goed bestuur;
  • connectiviteit, energie-efficiëntie, milieu en klimaatverandering;
  • mobiliteit en intermenselijke contacten.

In de aanloop naar de top leverde het Parlement in zijn op 15 november 2017 aangenomen aanbevelingen over het Oostelijk Partnerschap ambitieuze en toekomstgerichte input.

Het multilaterale traject van het Oostelijk Partnerschap is gebaseerd op vier thematische platforms: democratie, goed bestuur en stabiliteit; economische integratie en convergentie met het EU-beleid; energiezekerheid; en intermenselijke contacten. Ten minste tweemaal per jaar worden vergaderingen van hoge ambtenaren gehouden, terwijl de ministers van Buitenlandse Zaken jaarlijks bijeenkomen. De werkzaamheden van de platforms worden zo nu en dan gestimuleerd door sectorale ministersbijeenkomsten.

Er zijn eveneens vlaggenschipinitiatieven, die de volgende componenten omvatten: een programma voor geïntegreerd grensbeheer; een faciliteit voor kmo's; regionale elektriciteitsmarkten; en inspanningen om de energie-efficiëntie te verbeteren, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen te vergroten en een goed milieubeheer te bevorderen, alsmede inspanningen ten behoeve van de preventie van, paraatheid bij en bestrijding van natuurlijke en door de mens veroorzaakte rampen.

De in 2011 opgerichte Parlementaire Vergadering Euronest[4] is de parlementaire component van het Oostelijk Partnerschap en is verantwoordelijk voor overleg en toezicht met betrekking tot het partnerschap. Haar voornaamste doel is parlementen van de landen van het Oostelijk Partnerschap en het Europees Parlement samen te brengen en intermenselijke contacten te bevorderen, de actieve participatie van het maatschappelijk middenveld aan te moedigen en actiever een culturele dialoog aan te gaan. Ze is gegrondvest op wederzijdse belangen en verbintenissen, alsook op de beginselen van differentiatie, mede-eigendom en gedeelde verantwoordelijkheid. Een van haar rollen is de EU-steun voor de landen van het Oostelijk Partnerschap te toetsen. De Parlementaire Vergadering Euronest kan ook aanbevelingen aan de intergouvernementele structuren van het Oostelijk Partnerschap uitvaardigen teneinde een verdergaande politieke en economische integratie van deze landen met de EU te bevorderen.

De Vergadering heeft tot dusver zeven gewone vergaderingen gehouden, waarvan de meest recente plaatsvond van 25 tot en met 27 juni 2018 in Brussel. Ze bestaat uit zestig leden van het Europees Parlement en tien parlementsleden uit elk partnerland. Aangezien het Europees Parlement de Belarussische Nationale Vergadering niet erkent als een democratisch gekozen instelling, telt Euronest momenteel echter geen Belarussische parlementsleden. De Parlementaire Vergadering Euronest heeft vier vaste commissies: de Commissie politieke zaken, mensenrechten en democratie, de Commissie economische integratie, wettelijke aanpassing en convergentie met EU-beleid, de Commissie energiezekerheid en de Commissie sociale zaken, werkgelegenheid, onderwijs, cultuur en maatschappelijk middenveld.

Daarnaast doet een Forum van het maatschappelijk middenveld van het Oostelijk Partnerschap[5] aanbevelingen om invloed uit te oefenen op de instellingen van de EU en de nationale regeringen van het Oostelijk Partnerschap.

B. Unie voor het Middellandse Zeegebied

De Unie voor het Middellandse Zeegebied omvat de 28 EU-lidstaten, de Europese Unie en 15 mediterrane landen (Albanië, Algerije, Bosnië en Herzegovina, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Mauritanië, Monaco, Montenegro, Palestina, Syrië (waarvan het lidmaatschap is opgeschort vanwege de burgeroorlog), Tunesië en Turkije). Sinds 2008 neemt de Liga van Arabische Staten aan alle bijeenkomsten deel, terwijl Libië de status van waarnemer heeft.

1. Doelstellingen

De Unie voor het Middellandse Zeegebied vormt een multilateraal kader voor politieke, economische en sociale betrekkingen tussen de Europese Unie en de landen in het zuidelijke en oostelijke Middellandse Zeegebied. Ze is in 2008 tijdens de top van Parijs gelanceerd als voortzetting van het Europees-mediterraan partnerschap, ook bekend als het "proces van Barcelona". De Unie voor het Middellandse Zeegebied is geïnspireerd op de doelstellingen van de verklaring van Barcelona (1995), namelijk de totstandbrenging van een gebied van vrede, stabiliteit, veiligheid en gemeenschappelijke economische voorspoed, met volledige eerbiediging van de democratische beginselen, de mensenrechten en de fundamentele vrijheden en stimulering van begrip tussen verschillende culturen en beschavingen in de Europees-mediterrane regio.

2. Structuren

De Unie voor het Middellandse Zeegebied heeft een gedeeld voorzitterschap, waarmee de nadruk wordt gelegd op de gedeelde verantwoordelijkheid die kenmerkend is voor de groep. In 2012 is het noordelijke covoorzitterschap aan de Europese Unie overgedragen en heeft Jordanië het zuidelijke covoorzitterschap op zich genomen. Het belangrijkste bestuursorgaan van de Unie voor het Middellandse Zeegebied is de vergadering van hoge ambtenaren, die de werkzaamheden van de Unie voor het Middellandse Zeegebied controleert en coördineert. De vergadering van hoge ambtenaren keurt tevens de begroting en het werkprogramma van het secretariaat goed, bereidt bijeenkomsten van de ministers van Buitenlandse Zaken en andere vergaderingen op ministerieel niveau voor, en benoemt de secretaris-generaal en de zes plaatsvervangende secretarissen-generaal. De vergadering bespreekt tevens de projectvoorstellen die het secretariaat ter goedkeuring indient. Het mandaat van het secretariaat van de Unie voor het Middellandse Zeegebied is gericht op het aanwijzen, verwerken, bevorderen en coördineren van technische projecten in sectoren zoals vervoer, energie, water, milieubescherming, hoger onderwijs en mobiliteit, onderzoek, sociale zaken, versterking van de positie van de vrouw, werkgelegenheid en economische stimulering, die de samenwerking verbeteren en van rechtstreekse invloed zijn op de levensstandaard van de burgers. De EU levert de grootste bijdrage aan de begroting van het secretariaat van de Unie voor het Middellandse Zeegebied.

De Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied bouwt voort op het werk van de Euro-mediterrane Parlementaire Vergadering en telt 280 leden: 132 leden uit de EU (83 leden uit de 28 nationale parlementen van de EU en 49 leden uit het Europees Parlement), acht leden uit Europese mediterrane partnerlanden (Albanië, Bosnië en Herzegovina, Monaco en Montenegro), 130 leden uit de tien landen aan de zuid- en oostkust van de Middellandse Zee (Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Palestina, Syrië (momenteel geschorst), Tunesië en Turkije), en tien leden uit Mauritanië.

De Parlementaire Vergadering van de Unie voor het Middellandse Zeegebied komt ten minste eenmaal per jaar in plenaire vergadering bijeen; de meest recente vond plaats in Straatsburg op 13 en 14 februari 2019. De Vergadering geeft haar goedkeuring aan resoluties of aanbevelingen met betrekking tot alle aspecten van de Europees-mediterrane samenwerking die de bestuursorganen van de Unie voor het Middellandse Zeegebied, de Raad van de EU, de Commissie en de nationale regeringen van partnerlanden betreffen. Het Europees Parlement bekleedde het roulerende voorzitterschap van de Unie voor het Middellandse Zeegebied in 2018-2019, en heeft tijdens de laatste plenaire vergadering in Straatsburg het voorzitterschap overgedragen aan Turkije. De Vergadering telt vijf commissies: politieke zaken, economische zaken, cultuur, vrouwenrechten en energie.

 

[1]Zie voor informatie over de bilaterale betrekkingen tussen de EU en de oostelijke en mediterrane partners de desbetreffende informatiebladen 5.5.5, 5.5.6 en 5.5.7 
[2]Zie voor meer informatie de website van de EDEO inzake het Oostelijk Partnerschap. 
[3]"Eastern Partnership — 20 Deliverables for 2020: Focusing on key priorities and tangible results". 
[4]Zie voor meer informatie over Euronest en haar activiteiten de website van de Vergadering. 
[5]Zie voor meer informatie over het Forum inzake het maatschappelijk middenveld de website van het Forum. 

María Álvarez López / Mario Damen