Ontvangsten van de Unie

De begroting van de EU wordt voornamelijk (99 %) uit eigen middelen gefinancierd. De jaarlijkse inkomsten en uitgaven moeten volledig in evenwicht zijn. Het besluit over het stelsel van eigen middelen wordt door de Raad genomen met eenparigheid van stemmen en met inachtneming van het advies van het Europees Parlement, en moet geratificeerd worden door de lidstaten.

Rechtsgrond

  • Artikel 311 en artikel 332, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en de artikelen 106 bis en 171 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
  • Besluit 2014/335/EU, Euratom van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie[1], Verordening (EU, Euratom) nr. 608/2014 van de Raad van 26 mei 2014 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie[2], en Verordening (EU, Euratom) nr. 609/2014 van de Raad van 26 mei 2014 betreffende de regels en procedures voor de terbeschikkingstelling van de traditionele eigen middelen, de btw- en de bni-middelen, en betreffende de maatregelen om in de behoefte aan kasmiddelen te voorzien[3]. Na hun ratificatie traden deze wetgevingsbesluiten op 1 oktober 2016 in werking met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2014.

Doel

Verlenen van financiële autonomie aan de Europese Unie, met inachtneming van de begrotingsdiscipline.

Werking

Terwijl de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) vanaf het begin over eigen financiële middelen beschikte, werden de Europese Economische Gemeenschap (EEG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) aanvankelijk gefinancierd uit bijdragen van de lidstaten. Met het besluit betreffende de eigen middelen van 21 april 1970 werd echter voorzien in eigen middelen voor de EEG. De eigen middelen om de jaarlijkse betalingskredieten te dekken zijn momenteel beperkt tot maximaal 1,20 % van het bruto nationaal inkomen (bni) van de EU[4]. In de praktijk is het plafond binnen het huidige meerjarig financieel kader (MFK) 2014-2020 (1.4.3) vastgesteld op ongeveer 1 % van het bni van de EU. Omdat de begroting in evenwicht moet zijn, geldt voor de uitgaven hetzelfde plafond (1.4.3).

Ontvangsten

1. "Traditionele" eigen middelen

Het gaat om douanerechten, landbouwrechten en suiker- en isoglucoseheffingen. Deze heffingen werden ingevoerd bij het besluit van 1970 en worden sindsdien geïnd. De "traditionele" eigen middelen maken tegenwoordig doorgaans ongeveer 15 % van de ontvangsten uit eigen middelen uit[5].

2. Eigen middelen uit de btw

Momenteel wordt een deel van de geraamde btw-inkomsten van de lidstaten afgedragen aan de Unie. In deze middelen werd reeds voorzien in het besluit van 1970, maar er wordt pas sinds 1979 gebruik van gemaakt, nadat de btw-stelsels van de lidstaten op elkaar afgestemd waren. De eigen middelen uit de btw maken doorgaans ongeveer 13 % van de ontvangsten uit eigen middelen uit.

3. Eigen middelen op basis van het bni

Dit bij Besluit 88/376/EEG van de Raad ingestelde eigen middel bestaat uit een heffing op het bni van de lidstaten van een uniform percentage dat elk jaar in het kader van de begrotingsprocedure wordt vastgesteld. Oorspronkelijk zou deze heffing alleen worden opgelegd als de andere eigen middelen niet volstonden om de uitgaven te dekken, maar tegenwoordig wordt het grootste deel van de EU-begroting hierdoor gefinancierd. De eigen middelen op basis van het bni zijn verdrievoudigd sinds de late jaren '90 en maken tegenwoordig doorgaans ongeveer 72 % van de ontvangsten uit eigen middelen uit.

4. Andere ontvangsten en het van het vorige jaar overgedragen saldo

Onder deze ontvangsten vallen de belastingen over de salarissen van de personeelsleden van de EU, de bijdragen van derde landen aan bepaalde EU-programma's en de boetes die worden betaald door ondernemingen wegens overtreding van de mededingingsregels of andere wetgeving. Het saldo van elk begrotingsjaar wordt in geval van een overschot als ontvangst opgenomen in de begroting van het volgende begrotingsjaar. De andere ontvangsten, saldi en technische aanpassingen bedragen doorgaans minder dan 10 % van de totale ontvangsten.

5. Correctiemechanismen

De correctie van begrotingsonevenwichtigheden tussen de bijdragen van de verschillende lidstaten is eveneens een onderdeel van het huidige eigenmiddelenstelsel. De in 1984 overeengekomen "Britse korting" behelst een vermindering van de bijdrage van het Verenigd Koninkrijk, die overeenkomt met twee derde van het verschil tussen de bijdrage van het land (exclusief de traditionele eigen middelen) en het bedrag dat het uit de begroting terugkrijgt. Deze korting werd in 2007 aangepast teneinde niet-landbouwuitgaven in de lidstaten die sinds 2004 zijn toegetreden, geleidelijk van de berekening uit te sluiten. Deze correctie wordt door alle andere lidstaten gefinancierd, met dien verstande dat Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden profiteren van een verlaging van hun bijdrage aan de financiering van de Britse korting. Daarnaast profiteerden Duitsland, Nederland, Oostenrijk en Zweden van een verlaagd afroepingspercentage van de btw voor de periode 2007-2013, terwijl Nederland en Zweden in dezelfde periode ook een lagere bijdrage op basis van het bni betaalden.

Wat de huidige correctiemechanismen betreft, is besloten tot voortzetting van het bestaande correctiemechanisme voor het Verenigd Koninkrijk en de financiering daarvan, alsmede tot een verlaagd btw-afroepingspercentage van 0,15 % voor Duitsland, Nederland en Zweden voor de jaren 2014-2020 en een bruto verlaging van de jaarlijkse bni-bijdrage voor de periode 2014-2020 voor Denemarken (130 miljoen EUR), Nederland (695 miljoen EUR), Zweden (185 miljoen EUR) en, voor de periode 2014-2016, voor Oostenrijk (30 miljoen EUR in 2014, 20 miljoen EUR in 2015 en 10 miljoen EUR in 2016). Het percentage dat de lidstaten in verband met inningskosten mogen inhouden op de traditionele eigen middelen is verlaagd van 25 % naar 20 %.

Naar een hervorming van de eigen middelen van de EU

Bij het Verdrag van Lissabon is bepaald dat de begroting geheel uit de eigen middelen moet worden gefinancierd en wordt de Raad de bevoegdheid verleend om na overleg met het Parlement en met eenparigheid van stemmen een besluit vast te stellen over het stelsel van eigen middelen van de Unie, met de mogelijkheid om nieuwe categorieën eigen middelen in te voeren en bestaande categorieën af te schaffen. Dergelijke besluiten moeten door de lidstaten worden geratificeerd. Voortaan mag de Raad de maatregelen ter uitvoering van een dergelijk besluit evenwel slechts vaststellen na goedkeuring door het Parlement.

Een door Mario Monti voorgezeten groep op hoog niveau, bestaande uit vertegenwoordigers van het Parlement, de Raad en de Commissie, begon in 2014, in samenspraak met de nationale parlementen, met een algemene evaluatie van het stelsel van eigen middelen.

De groep-Monti presenteerde in januari 2017 zijn eindverslag. Gedurende twee jaar heeft de groep onderzoek gedaan naar meer transparante, eenvoudige, billijke en democratisch verantwoorde manieren om de Europese begroting te financieren. De hoofdconclusie is dat de EU-begroting aan zowel de inkomsten- als uitgavenkant moet worden hervormd om de huidige problemen aan te pakken en tastbare resultaten te bereiken voor de Europese burger.

In haar discussienota over de toekomst van de EU-financiën, die in juni 2017 is voorgesteld, heeft de Commissie vijf scenario's en hun gevolgen voor de inkomsten gepresenteerd.

Op 2 mei 2018 heeft zij voorstellen gepresenteerd om de huidige eigen middelen uit de btw te vereenvoudigen en een reeks nieuwe eigen middelen in te voeren:

  • 20 % van de inkomsten van de regeling van de handel in emissierechten;
  • een afroepingspercentage van 3 % voor de nieuwe gemeenschappelijke geconsolideerde heffingsgrondslag voor de vennootschapsbelasting (die ingevoerd zal worden wanneer de noodzakelijke wetgeving is aangenomen);
  • een nationale bijdrage berekend op basis van de hoeveelheid niet-gerecycled plastic verpakkingsafval in elke lidstaat (0,80 EUR per kilo).

De Commissie is van oordeel dat deze nieuwe eigen middelen ongeveer 12 % zullen uitmaken van de totale EU-begroting, en zullen neerkomen op tot 22 miljard EUR inkomsten per jaar.

Zij stelt voor de huidige kortingen in de loop van vijf jaar uit te bannen en daarna alle kortingen af te schaffen, en het bedrag dat de lidstaten inhouden op de geïnde douanerechten voor de EU-begroting te halveren van 20 % naar 10 %. Voorts stelt zij voor het huidige plafond voor jaarlijkse afdrachten van eigen middelen, dat momenteel is vastgesteld op 1,20 % van het bni van de EU, te verhogen tot 1,29 % met het oog op het lagere totale bni van de EU-27, het toenemende gebruik van in de EU-begroting gewaarborgde instrumenten, en de voorgestelde opname van het Europees Ontwikkelingsfonds in de EU-begroting.

De rol van het Europees Parlement

In een aantal resoluties (bijv. de resolutie van 17 december 2014 inzake het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen) heeft het Parlement de voorbije jaren gewezen op problemen met het stelsel van eigen middelen en met name opgemerkt dat het veel te complex is. Het heeft voorstellen gedaan om de financiële onafhankelijkheid van de Unie te waarborgen, en heeft aangedrongen op een hervorming om de inning van de ontvangsten eenvoudiger, transparanter en democratischer te maken.

Voortbouwend op de nieuwe bepalingen van het Verdrag van Lissabon heeft het Parlement herhaaldelijk opgeroepen tot een diepgaande hervorming, zo ook in zijn resolutie van 15 april 2014 over de onderhandelingen over het MFK 2014-2020: welke lessen kunnen worden getrokken en hoe moet het verder.

In zijn wetgevingsresolutie van 16 april 2014 over het ontwerp van besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie onderstreepte het Parlement het belang van de groep-Monti – de Groep op hoog niveau eigen middelen – die is opgericht dankzij de vasthoudendheid van het Parlement tijdens de onderhandelingen over het MFK 2014-2020. Bovendien benadrukte het, naast andere ongemakken, dat het huidige financieringssysteem van de Unie een meerderheid in de Raad belet om in de jaarlijkse begrotingen voldoende betalingskredieten op te nemen teneinde te voldoen aan de wettelijke verplichtingen en politieke toezeggingen van de EU.

In zijn resolutie van 6 juli 2016 getiteld "De voorbereiding van de postelectorale herziening van het MFK 2014-2020: bijdrage van het Parlement in afwachting van het Commissievoorstel", heeft het Parlement de Commissie verzocht om uiterlijk eind 2017 een ambitieus wetgevingspakket betreffende eigen middelen voor de periode na 2021 te presenteren, waarbij gestreefd moet worden naar eenvoud, billijkheid en transparantie. In zijn resolutie van 26 oktober 2016 over de tussentijdse herziening van het MFK 2014-2020, benadrukte het Parlement dat het aandeel van de bni-bijdragen in de EU-begroting moest worden verlaagd en riep het ertoe op de middelen uit de btw hetzij vergaand te hervormen, hetzij helemaal te schrappen. Verder drong het Parlement aan op de invoering van een of meerdere nieuwe eigen middelen en op de geleidelijke afschaffing van alle soorten kortingen.

In zijn resolutie van 24 oktober 2017 over de discussienota over de toekomst van de EU-financiën, heeft het Parlement zich nogmaals achter een volledige hervorming van het stelsel van eigen middelen van de EU geschaard, en heeft het benadrukt dat een dergelijk stelsel een evenwichtige reeks nieuwe eigen middelen van de EU moet omvatten, die zijn ontworpen ter ondersteuning van de beleidsdoelstellingen van de EU en die de EU-financiën billijker en stabieler moeten maken.

In zijn resolutie van 14 maart 2018 over hervorming van het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie heeft het Parlement uitgelegd waarom het huidige stelsel van eigen middelen op de schop moet, onder meer wegens de noodzaak om de tekortkomingen van het huidige stelsel aan te pakken en ervoor te zorgen dat de Unie haar beleid kan financieren en kan inspelen op nieuwe uitdagingen. Het Parlement heeft opgeroepen tot een aanvaardbaar en evenwichtig stelsel van eigen middelen en heeft de krijtlijnen voor de beginselen en aannames voor de invoering van een nieuw stelsel van eigen middelen aangegeven, de criteria voor het kiezen van nieuwe eigen middelen opgesomd, en een pakket van mogelijke nieuwe eigen middelen voorgesteld.

In zijn resolutie van 30 mei 2018 over het meerjarig financieel kader 2021-2027 en eigen middelen heeft het Parlement de voorstellen van de Commissie van 2 mei 2018 inzake eigen middelen verwelkomd, en zijn standpunt herhaald dat geen akkoord met het Parlement over het MFK kan worden bereikt, als niet tegelijk vooruitgang wordt geboekt met betrekking tot de eigen middelen.

In zijn resolutie van 14 november 2018 over het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027 – Standpunt van het Parlement met betrekking tot een akkoord, heeft het Parlement de Commissie verzocht rekening te houden met Advies nr. 5/2018 van de Europese Rekenkamer en andere gedetailleerde suggesties voor de invoering van een reeks nieuwe eigen middelen die overeenstemmen met de belangrijkste strategische doelstellingen van de EU en tegelijkertijd begrotingsneutraal zijn voor burgers.

 

[1]PB L 168 van 7.6.2014, blz. 105.
[2]PB L 168 van 7.6.2014, blz. 29.
[3]PB L 168 van 7.6.2014, blz. 39.
[4]Technische aanpassing van het financieel kader voor 2018 in overeenstemming met de ontwikkeling van het bni (ESR 2010), COM(2017) 0473, 15.9.2017.

Alix Delasnerie