Begrotingscontrole

De controle op de Europese begroting vindt plaats binnen iedere EU-instelling en op lidstaatniveau. Op diverse niveaus verrichten de Europese Rekenkamer en het Europees Parlement diepgaande controles. Het Parlement stelt met het oog op het verlenen van kwijting aan de Europese Commissie, de andere Europese instellingen en de agentschappen van de Unie elk jaar een onderzoek in naar de uitvoering van de begroting.

Rechtsgrond

  • de artikelen 287, 317, 318, 319, 322 en 325 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU);
  • Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012; zie met name titel II, hoofdstuk 7, over het beginsel van goed financieel beheer en prestaties, en titel XIV, over externe audit en kwijting;
  • Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer, deel III;
  • Reglement van het Europees Parlement, titel II, hoofdstuk 6, de artikelen 92 bis, 93 en 94; titel V, hoofdstuk 2, artikel 125; bijlage IV.

Doelstellingen

Het waarborgen van de wettigheid, de nauwkeurigheid en het correcte financiële beheer van de budgettaire verrichtingen en de financiële controlesystemen, alsook het garanderen van een verantwoord financieel beheer van de EU-begroting (zuinigheid, doeltreffendheid en doelmatigheid), waarbij de Europese Rekenkamer en het Europees Parlement erop toezien dat de doelstellingen daadwerkelijk worden gerealiseerd (prestatiecriteria).

Resultaten

A. Controle op nationaal niveau

De eerste controle van zowel inkomsten als uitgaven wordt grotendeels verricht door de nationale autoriteiten. Deze hebben hun bevoegdheden behouden, met name wat betreft de traditionele eigen middelen (1.4.1), waarvoor zij beschikken over de nodige procedures om de bewuste bedragen te innen en te controleren. In dit verband moet eraan worden herinnerd dat de Raad op 26 mei 2014[1] een reeks wetgevende maatregelen heeft goedgekeurd, waaronder een nieuw besluit over de eigen middelen, waarin bepaalde wijzigingen worden aangebracht in het stelsel van die middelen, voor de periode 2014-2020. De nieuwe regels voor de eigen middelen worden toegepast vanaf de inwerkingtreding van dit besluit op 1 oktober 2016, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014. Niettemin is de inning van de traditionele eigen middelen voor de EU-instellingen van groot belang. De begrotingscontrole wordt ook uitgeoefend door middel van fraudebestrijding (1.4.6). Ook de operationele uitgaven van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF), het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en de structuurfondsen worden in eerste instantie gecontroleerd door de autoriteiten van de lidstaten.

B. Controle op Unieniveau

1. Intern

Bij iedere instelling wordt de controle uitgevoerd door ordonnateurs en rekenplichtigen, en vervolgens door de intern controleur van de betrokken instelling.

2. Extern: door de Europese Rekenkamer (1.3.12)

Extern wordt de controle uitgevoerd door de nationale rekenkamers en door de Europese Rekenkamer, die jaarlijks aan de begrotingsautoriteit uitvoerige verslagen moet overleggen overeenkomstig artikel 287 van het VWEU, te weten:

  • de verklaringen waarin de betrouwbaarheid van de rekeningen en de regelmatigheid en de wettigheid van de onderliggende verrichtingen- worden bevestigd (de verklaring bekend onder de naam DAS);
  • het jaarverslag over de uitvoering van de algemene begroting, met inbegrip van de begrotingen van alle instellingen en satellietorganen;
  • speciale verslagen over specifieke kwesties;
  • controleverslagen en adviezen;
  • specifieke verslagen en documenten waarin een standpunt wordt ingenomen;
  • specifieke jaarverslagen met betrekking tot EU-agentschappen en -instanties.

De Europese Rekenkamer stelt ook verslagen op over verstrekte en aangegane leningen en over het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF).

3. Controle op politiek niveau: door het Europees Parlement

De Commissie begrotingscontrole van het Europees Parlement bereidt het standpunt van het Parlement voor, waarbij het met name gaat om:

  • de controle op de uitvoering van de begroting van de Unie en van het EOF;
  • de afsluiting, verslaglegging en controle betreffende de rekeningen en balansen van de Unie, haar instellingen, alsmede alle organen die door de Unie worden gefinancierd;
  • de controle op de financiële activiteiten van de Europese Investeringsbank (1.3.15);
  • het toezicht op de kosteneffectiviteit van de diverse vormen van communautaire financiering bij de tenuitvoerlegging van beleid van de Unie;
  • de behandeling van gevallen van fraude en onregelmatigheden bij de uitvoering van de begroting van de Unie, maatregelen ter voorkoming van en tot instelling van vervolging wegens dergelijke gevallen, alsmede de bescherming van de financiële belangen van de Unie in het algemeen.

Ook bereidt zij de besluiten inzake de verlening van kwijting voor.

De kwijtingsprocedure

Eenmaal per jaar verleent het Parlement, op voordracht van de Raad, kwijting aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting van jaar n ‒2 na bestudering van de activiteitenverslagen van de directoraten-generaal van de Commissie, het jaarlijkse beheers- en prestatieverslag van de Commissie-, het evaluatieverslag (artikel 318 van het VWEU), het jaarverslag van de Rekenkamer en de antwoorden van de Commissie en de overige instellingen op de vragen van de Rekenkamer (artikel 319 van het VWEU). De leden van de Commissie begrotingscontrole bereiden het standpunt van het Parlement ten aanzien van de speciale verslagen van de Rekenkamer voor, doorgaans in de vorm van werkdocumenten als leidraad voor de algemeen rapporteur over de kwijting. De Commissie en de overige instellingen zijn verplicht maatregelen te nemen naar aanleiding van de door het Europees Parlement in zijn kwijtingsresoluties geformuleerde waarnemingen (artikel 319, lid 3, van het VWEU en artikel 262 van het Financieel Reglement). Het Parlement verleent jaarlijks kwijting aan de overige instellingen en de agentschappen. Het Parlement verleent de Commissie afzonderlijke kwijting voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen met betrekking tot het Europees Ontwikkelingsfonds omdat dit nog niet is geïntegreerd in de algemene begroting. Het kwijtingsbesluit en de kwijtingsresolutie van het Parlement betreffende de uitvoering van afdeling I — Europees Parlement van de algemene begroting worden gericht aan de voorzitter van het Parlement.

In de regel behandelt het Parlement de kwijtingsverslagen vóór 15 mei tijdens een plenaire vergadering (artikel 260 van het Financieel Reglement). Behoudens uitzonderingen wordt tijdens de vergaderperiode van die maand gestemd over de verlening van de kwijting en, wanneer deze wordt uitgesteld, tijdens de vergaderperiode van oktober. Als een voorstel tot het verlenen van kwijting niet door een meerderheid wordt gesteund of als het Parlement besluit op een later tijdstip over de kwijting te besluiten, stelt het Parlement de desbetreffende instellingen of agentschappen op de hoogte van de redenen waarom het kwijtingsbesluit wordt uitgesteld. Zij moeten onverwijld maatregelen treffen om de belemmeringen voor het kwijtingsbesluit uit de weg te ruimen. Vervolgens legt de Commissie begrotingscontrole binnen zes maanden een nieuw verslag voor met een nieuw voorstel om al dan niet kwijting te verlenen.

Rol van het Europees Parlement

A. Ontwikkeling van bevoegdheden

Van 1958 tot 1970 werd het Europees Parlement slechts in kennis gesteld van de besluiten van de Raad betreffende de verlening van kwijting aan de Commissie voor de uitvoering van de begroting. In 1971 verkreeg het de bevoegdheid om samen met de Raad kwijting te verlenen. Sinds 1 juni 1977, de datum van inwerkingtreding van het Verdrag van 22 juli 1975, is het Parlement de enige instelling die kwijting verleent, nadat de Raad zijn aanbevelingen heeft gegeven. Ook moet worden vermeld dat het Parlement in zijn bevoegde parlementaire commissies de kandidaat-commissarissen hoort en dat de Commissie begrotingscontrole kandidaat-leden van de Europese Rekenkamer hoort, en de voorgeselecteerde kandidaten voor de functie van directeur-generaal van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en de leden van de raad van toezicht van OLAF. Deze functies kunnen niet worden bekleed zonder dat er een hoorzitting in het Parlement heeft plaatsgevonden. De directeur-generaal van OLAF wordt overigens benoemd door de Europese Commissie na overleg met het Europees Parlement en de Raad, en de leden van het comité van toezicht van OLAF worden in onderling overleg tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie benoemd.

B. Inzet van het kwijtingswapen

Het Europees Parlement kan beslissen de kwijting uit te stellen wanneer het ontevreden is over bepaalde aspecten van het beheer van de begroting door de Commissie. Het weigeren van kwijting kan worden beschouwd als een verzoek tot aftreden van de Commissie. Deze dreiging werd uitgevoerd in december 1998: na een stemming in de plenaire vergadering, waarbij het voorstel tot kwijting werd verworpen, werd een groep van vijf onafhankelijke deskundigen ingesteld, die verslag uitbracht over tegen de Commissie geuite beschuldigingen van fraude, wanbeheer en nepotisme; de Commissie nam daarop op 16 maart 1999 collectief ontslag.

Tijdens de plenaire vergadering van april 2009 besloot het Europees Parlement in het kader van de kwijtingsprocedure voor 2007 de verlening van kwijting aan de Raad van Ministers uit te stellen, met name omdat de Raad had geweigerd de informatie te verstrekken waarom het Parlement had verzocht om kwijting te kunnen verlenen. Sinds dat jaar is de verlening van kwijting aan de Raad telkens uitgesteld en geweigerd. Wat betreft de kwijting voor de uitvoering van de algemene begroting van de Europese Unie door de Commissie, heeft het Europees Parlement twee nieuwe elementen ingevoerd tijdens de kwijtingsprocedure voor de begrotingsjaren 2011 en 2012: de controle van de wettigheid en regelmatigheid van de uitgaven, die steeds vaker wordt gecombineerd met een evaluatie van de resultaten (artikel 318 van het VWEU, evaluatieverslag over de financiën van de Unie op basis van de behaalde resultaten), maar ook het feit dat een kwijtingsbesluit een „gewogen” besluit kan zijn met eventuele bedenkingen in verband met bepaalde beleidsterreinen.

Hoewel het Verdrag slechts verwijst naar kwijting aan de Commissie, verleent het Europees Parlement uit overwegingen van transparantie en democratische controle ook afzonderlijke kwijting aan de andere instellingen en organen en aan ieder agentschap of soortgelijke instantie (bijlage VI bij het Reglement van het EP). Zoals hierboven al is aangegeven, moeten de Commissie, de overige instellingen en de agentschappen verslag uitbrengen van de maatregelen die zijn genomen naar aanleiding van de opmerkingen in de kwijtingsresoluties van het Europees Parlement. De lidstaten moeten de Commissie informeren over de maatregelen die zij hebben genomen naar aanleiding van de waarnemingen van het Parlement; de Commissie moet bij het opstellen van haar voortgangsverslag rekening houden met die maatregelen (artikel 262 van het Financieel Reglement).

C. Overige instrumenten

Ook de gespecialiseerde commissies van het Parlement zorgen ervoor dat de kredieten van de Unie op doelmatige wijze worden besteed, om de belangen van de Europese belastingbetaler te vrijwaren. In een aantal gevallen hebben leden van de Commissie begrotingscontrole ook besprekingen gevoerd met vertegenwoordigers van de betrokken commissies van de nationale parlementen, met de nationale controle-instanties en met vertegenwoordigers van douanediensten. Ook hebben individuele leden ter plaatse onderzoeken ingesteld teneinde de werkelijke situatie in verband met bepaalde problemen te verifiëren.

In december 1995 maakte het Parlement overigens voor de eerste keer gebruik van zijn bij het Verdrag verkregen recht om een enquêtecommissie in te stellen en stelde het een verslag op over vermeende fraude en wanbeheer (1.4.6).

Verder heeft het Verdrag van Lissabon de controlemechanismen versterkt om toe te zien op de door de EU-programma's behaalde resultaten door de Commissie voortaan verplicht te stellen een uitvoerig evaluatieverslag in te dienen bij het Parlement en de Raad, waarbij zij rekening dient te houden met hun opmerkingen, in het kader van de jaarlijkse kwijtingsprocedure.

 

[1]Besluit van de Raad van 26 mei 2014 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie (2014/335/EU, Euratom), L 168/105 van 7.6.2014.

Rudolfs Verdins