Wederzijdse erkenning van diploma's

De vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening vormen hoekstenen van de interne markt en waarborgen de mobiliteit van bedrijven en beroepsbeoefenaren in de gehele EU. Om van deze vrijheden gebruik te kunnen maken, moeten nationaal afgegeven diploma's en behaalde kwalificaties algemeen worden erkend. Er zijn al verschillende maatregelen genomen met het oog op harmonisatie en wederzijdse erkenning, en nadere wetgeving hierover is op komst.

Rechtsgrond

De artikelen 26 en 53 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU).

Doelstellingen

Wederzijdse erkenning van de diploma's, certificaten en andere beroepsvaardigheidsbewijzen die in de verschillende lidstaten worden afgegeven, en coördinatie en harmonisatie van nationale bepalingen inzake de toegang tot verschillende beroepen, zodat zelfstandigen en beroepsbeoefenaren zich in een andere lidstaat kunnen vestigen of daar tijdelijk hun diensten kunnen aanbieden.

Resultaten

Artikel 53, lid 1, VWEU bepaalt dat wederzijdse erkenning van de diploma's en andere titels die in iedere lidstaat vereist zijn voor de toegang tot gereglementeerde beroepen, gebruikt kan worden om de vrijheid van vestiging en dienstverrichting te bevorderen. Ook wordt aandacht besteed aan de noodzaak van coördinatie van de nationale wettelijke bepalingen inzake de toegang tot werkzaamheden als zelfstandige en de uitoefening daarvan. Lid 2 van dit artikel maakt wederzijdse erkenning, in gevallen waarin harmonisatie een moeizaam proces blijkt, afhankelijk van de coördinatie van de voorwaarden die in de verschillende lidstaten gelden voor de uitoefening van deze rechten. Het harmonisatieproces heeft zich ontwikkeld via een reeks richtlijnen die halverwege de jaren zeventig in werking zijn getreden. Op basis hiervan wordt de wetgeving inzake wederzijdse erkenning aangepast aan de verschillende situaties. Afhankelijk van het betrokken beroep is de wetgeving min of meer volledig en sinds kort wordt bij de goedkeuring een algemenere benadering gevolgd.

A. Sectorale benadering (per beroep)

1. Wederzijdse erkenning na harmonisatie

In de gezondheidssector verliep de harmonisatie sneller, om de eenvoudige reden dat de voorwaarden voor uitoefening van beroepen in deze sector, en met name de opleidingen, per land niet veel verschilden. Voor een aanzienlijk aantal beroepen (bijv. het beroep van arts, ziekenverpleger, dierenarts, vroedvrouw en zelfstandig handelsagent) was harmonisatie daarom niet al te moeilijk. Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties had tot doel de bestaande richtlijnen te verduidelijken, te vereenvoudigen en te actualiseren alsmede de gereglementeerde beroepen van arts, tandarts, ziekenverpleger, dierenarts, vroedvrouw, apotheker en architect in één wetstekst onder te brengen. Deze richtlijn specificeert onder andere hoe een "ontvangende lidstaat" beroepskwalificaties behoort te erkennen die in een andere lidstaat ("lidstaat van oorsprong") zijn verkregen. De erkenning van beroepskwalificaties omvat zowel een algemeen stelsel voor de erkenning als een specifiek stelsel voor elk van de genoemde beroepen. Daarbij ligt de nadruk onder meer op het niveau van de kwalificatie, opleiding en beroepservaring (zowel algemeen als gespecialiseerd). De richtlijn is eveneens van toepassing op beroepskwalificaties op het gebied van vervoer en op verzekeringstussenpersonen en accountants. Deze beroepen waren daarvoor in het kader van afzonderlijke richtlijnen gereglementeerd. Op 22 juni 2011 nam de Commissie een Groenboek aan over de modernisering van de richtlijn beroepskwalificaties (COM(2011)0367), waarin zij een hervorming voorstelde van de regelingen voor de erkenning van beroepskwalificaties, met als doel om de mobiliteit van werknemers te bevorderen en het onderwijs aan te passen aan de huidige behoeften van de arbeidsmarkt. Op 19 december 2011 publiceerde de Commissie op basis van de uitkomst van de diverse raadplegingsrondes en in antwoord op de resolutie van het Parlement van 15 november 2011 een voorstel voor een herziening van de richtlijn beroepskwalificaties (COM(2011)0883). Tot de belangrijkste voorstellen behoorden de invoering van de Europese beroepskaart, harmonisatie van de minimumvereisten voor opleiding, automatische erkenning van zeven beroepen, te weten het beroep van architect, tandarts, arts, ziekenverpleger, vroedvrouw, apotheker en dierenarts, alsmede de invoering van het Informatiesysteem interne markt, dit ter bevordering van de samenwerking op het gebied van de erkenning van diploma's. De herziening was voornamelijk bedoeld om de mobiliteit van beroepsbeoefenaren in de hele EU te ondersteunen en te bevorderen en om personeelstekorten in bepaalde lidstaten te helpen opvangen. De herziene richtlijn (Richtlijn 2013/55/EU) is aangenomen op 20 november 2013[1].

2. Wederzijdse erkenning zonder harmonisatie

Voor andere beroepen was harmonisatie niet mogelijk wegens de verschillen tussen de nationale voorschriften en is de wederzijdse erkenning van kwalificaties minder ver gevorderd. De uiteenlopende nationale rechtsstelsels vormden een belemmering voor de volledige wederzijdse erkenning van diploma's en titels, welke onmiddellijk zou hebben geleid tot een recht op vrije vestiging op grond van een in het land van oorsprong behaalde diploma. Richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 verleende advocaten het recht om incidenteel hun diensten in een andere lidstaat te verlenen; voor vrije vestiging was niettemin een diploma van de ontvangende lidstaat vereist. Richtlijn 98/5/EG van 16 februari 1998 was een belangrijke stap voorwaarts, daar een advocaat met het beroepsdiploma van een lidstaat zich in een andere lidstaat kan vestigen om aldaar zijn beroep uit te oefenen, met dien verstande dat het gastland kan eisen dat de advocaat bij vertegenwoordiging en verdediging in de rechtszaal door een plaatselijke advocaat wordt bijgestaan. Na drie jaar zo te hebben gewerkt en te zijn geslaagd voor een door het gastland afgenomen geschiktheidstest, kan de advocaat (desgewenst) zijn beroep volledig uitoefenen, zonder een toelatingsexamen te hoeven afleggen. In andere richtlijnen is dit beginsel op andere beroepen toegepast, bijvoorbeeld op het beroep van ondernemer in de sector wegvervoer, verzekeringsagent en assurantiemakelaar, kapper en architect.

B. Algemene benadering

De opstelling van wetgeving voor de wederzijdse erkenning van diploma's per sector, soms vergezeld van een sterkere harmonisatie van de nationale regels, is altijd een langdurig en lastig karwei. Daarom werd duidelijk dat er behoefte was aan een algemeen systeem voor de erkenning van de gelijkwaardigheid van diploma's, dat voor alle gereglementeerde beroepen moet gelden die niet onder specifieke EU-wetgeving vallen. Met deze nieuwe algemene benadering werd voor een andere invalshoek gekozen. Vóór deze aanpak was "erkenning" afhankelijk van het bestaan van Europese regels voor de "harmonisatie" van een specifiek gereglementeerd beroep of een bepaalde werkzaamheid. Sinds de invoering van de algemene benadering vindt op grond van vastgestelde regels vrijwel automatisch een "wederzijdse erkenning" plaats voor alle betrokken gereglementeerde beroepen, zonder dat daar sectorspecifieke secundaire wetgeving aan te pas komt. Sindsdien worden "harmonisatie" en "wederzijdse erkenning" naast elkaar voortgezet in een tweeledig stelsel, en in sommige gevallen worden ze in de vorm van een richtlijn en een verordening toegepast in een aanvullend systeem (zie de resoluties van de Raad van 3 december 1992 en 15 juli 1996 over de doorzichtigheid van kwalificaties en beroepsopleidingscertificaten). Het gastland mag de toegang tot de betreffende activiteit niet weigeren indien de aanvrager de kwalificaties bezit die in de lidstaat van oorsprong vereist zijn. Als de gevolgde opleiding echter korter duurt dan in het gastland, kan de ontvangende lidstaat beroepservaring van een bepaalde duur dan wel, indien de opleiding in aanzienlijk mate afwijkt, naar keuze van de aanvrager een aanpassingsstage of een proeve van bekwaamheid eisen, behalve indien de activiteit kennis van het nationale recht vereist.

De rol van het Europees Parlement

Op 15 november 2011 heeft het Parlement een resolutie over de uitvoering van Richtlijn 2005/36/EG[2] betreffende de erkenning van beroepskwalificaties aangenomen, waarin het aandringt op actualisering en verbetering van deze richtlijn, en het gebruik van de meest efficiënte en adequate technieken aanmoedigt, zoals invoering van een Europese beroepskaart die een door alle bevoegde instanties erkend officieel document moet worden waarmee het erkenningsproces wordt vereenvoudigd.

In antwoord op de resolutie van het Parlement diende de Commissie op 19 december 2011 een voorstel in voor een herziening van de richtlijn beroepskwalificaties. Na succesvolle trialoogonderhandelingen kon het Parlement de gevraagde wijzigingen veiligstellen, waaronder de invoering van een vrijwillige beroepskaart, de instelling van een waarschuwingsmechanisme, verduidelijking van de regels inzake de gedeeltelijke toegang tot een gereglementeerd beroep, voorschriften over taalvaardigheden en de instelling van een mechanisme voor wederzijdse evaluatie van gereglementeerde beroepen met het oog op meer transparantie. Dit mondde op 20 november 2013 uit in de goedkeuring van Richtlijn 2013/55/EU van het Europees Parlement en de Raad tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties[3].

Verder hebben het Europees Parlement en de Raad hun goedkeuring gehecht aan Richtlijn (EU) 2018/958 van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling, waarmee een geharmoniseerde evenredigheidsbeoordeling wordt ingevoerd die alle lidstaten moeten uitvoeren voordat zij nationale regels inzake beroepen vaststellen[4]. Op 25 oktober 2018 heeft het Parlement een resolutie aangenomen over het bevorderen van automatische wederzijdse erkenning van diploma's.

Zie voor nadere informatie het onderzoek getiteld "EU Mapping: Overview of IMCO related legislation"[5], dat voor IMCO is uitgevoerd.

 

[1]Richtlijn 2013/55/EU van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties en Verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt ("de IMI-verordening"), PB L 354 van 28.12.2013, blz. 132.
[4]Richtlijn (EU) 2018/958 van het Europees Parlement en de Raad van 28 juni 2018 betreffende een evenredigheidsbeoordeling voorafgaand aan een nieuwe reglementering van beroepen, PB L 173 van 9.7.2018, blz. 25: https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2018/958/oj?locale=nl

Mariusz Maciejewski / Christina Ratcliff / Andreea Dobrita